wederom

‘’t Moet maar weer, hè,’ riep ik m’n buurvrouw toe.
‘Ja,’ ze keerde zich ½ om, liet haar schep voor een moment rusten, ‘ik zal er toch ‘ns aan moeten beginnen.’
‘’t Weer nodigt er ook wel toe uit,’ zei ik.
‘Ik probeer ’t al de hele tijd uit te stellen, maar met dit mooie weer kan ik gewoon niet anders meer.’
Ze deed nog een schep in de grond, gooide de aarde opzij. Ze was bezig een klein terrasje te maken in de diepte van haar tuin, voor de late middagzon. De grond moest lichtjes geëgaliseerd worden voor de stenen die er op zouden komen te liggen.
Ik trok ondertussen aan wat verdorde takken & sprieten.
‘Ben jij nog wat van plan?’ vroeg ze.
‘Oh, ik laat ’t gewoon weer groeien,’ was mijn dooddoener, ‘als ’t me niet bevalt corrigeer ik ‘t. Dan trek ik er wat uit, om ’t aan mijn idee aan te passen.’
‘Jij hebt tenminste al een tuin, er groeit al wat bij jou,’ zei ze jaloers. ‘Wij moeten alles nog opbouwen.’
Ik wilde zeggen dat mijn tuin de 1e zomer al een tuin was, maar ik hield m’n mond. In plaats daarvan ging ik staren naar de plantjes die nog geen plantjes waren. Trok nog wat bruine stengels weg, zodat ‘t smalle paadje weer een beetje vrij kwam & er een beetje lucht ontstond tussen al ’t verdorde groen. Ik brak de stengels af, verzamelde ze in m’n linkerhand tot een grote bos & gooide ze op m’n platje.
Ik wilde nog helemaal niet aan de tuin beginnen. Er waren nog genoeg andere dingen te doen. Maar toch kon ik mezelf meerdere malen niet weerhouden. Terwijl ik bezig was m’n fiets te repareren, liep ik tussen enkele handelingen door naar de achterkant van de tuin, beschouwde de woekerende dovenetel, wriemelde er wat aan, & nog geen minuut later stond ik met 2 armen vol groen afval. De restanten knopig helmkruid verwijderde ik op ’t moment dat ik cd’s aan ’t branden was; wat kruiperig bruin dat vorig jaar de majoraan moest zijn geweest haalde ik weg, alsook enkele takjes winde, die al in m’n handen uiteenvielen, toen ik eigenlijk een boodschappenlijstje aan ’t opstellen was.
Maar meestentijds was ik bezig naar de tuin te kijken, namen te herontdekken in m’n geheugen, groeiplaatsen te lokaliseren. Ik stond stil, uit ’t zicht van m’n buurvrouw, voor me uit te staren. Zij legde ondertussen een laag wit zand neer. De ondergrond voor de stenen van ’t terras.

’t Staarseizoen is aangevangen in Zijperspace.

aandacht

De cellist kon ik slechts schuin van achteren zien, waardoor ik niet kon waarnemen of zijn mimiek net zo sterk was als dat van 't meisje op de viool. 't Leek mij dat je zowiezo minder bewegingsmogelijkheden hebt als er een instrument als de cello tussen je benen zit. 't Heen & weer zwaaien met 't lichaam zoals Frederieke (hun namen stonden in 't foldertje vermeld dat we bij de ingang in onze handen kregen gedrukt) was voor Pepijn door dat obstakel schier onmogelijk.
Ik was zo gefascineerd door de gelaatsuitdrukkingen van Frederieke dat ik bijna niet doorhad wat ze speelden. Ik lette wel op in welke mate de muziek, de tonen, de hardheid/zachtheid van 't spelen, invloed had op 't veranderen van haar gezichtsexpressie, maar de essentie van wat ze speelden drong niet tot me door. Ik had meer aandacht voor de rimpels in haar voorhoofd, de wenkbrauwen die plots konden steigeren, de ogen die zacht, dan weer hard werden, haar neus die plots puntig & gespitst naar haar medespeler kon gaan staan. Ze dook diep in elke toon die ze moest spelen, haar bladmuziek was slechts gevuld met emotie & moest er via haar viool uit gegooid worden.

De mimiek van Frederieke was niet 't enige dat me afleidde. Ik hield de mensen die om me heen zaten in de gaten. Of eigenlijk mezelf. Ik controleerde of de mensen die om me heen zaten niet doorhadden dat ik bewoog. Meer dan dat zij bewogen. Ik zat op een akelig uitklapbaar stoeltje. De zaal was al vol toen ik arriveerde & ik was gedwongen aan de zijkant plaats te nemen. Voor mij nooit een bezwaar; liever aan de zijkant met wat extra bewegingsvrijheid, dan in 't midden door vele lichamen opgesloten te zitten. 't Stoeltje leek echter schuin te staan & oefende een zeer grote druk uit op m'n rechterbil. Ik moet zeggen: m'n hele gewicht kwam op m'n rechterbil te liggen.
Onrustig probeerde ik daarin de juiste houding te vinden. M'n rechterkant mocht niet te veel belast worden, maar bovendien moest ik in de gaten houden dat 't niet doorschoot naar m'n rug. Ik voelde de 1e steken al ongemakkelijk hun weg die kant vinden; vlak boven m'n stuitje kwam er een traag trekkende steek omhoog kruipen. Wat me dwong een andere houding aan te nemen. Zo onopvallend mogelijk, & stil, muisstil, de bezoekers van 't Concertgebouw horen niet hoorbaar te bewegen (kuchen & niezen is helemaal uit den boze).

Ik begon me voor te stellen hoe 't zou zijn als straks 't applaus losbarstte. Zou ik dan nog steeds m’n rug & bil voelen, de druk die de zwaartekracht uitoefende op dat ene stukje lichaam, dat niet gebouwd was voor deze houding? & Zou ik wel gemeend klappen? Zou ik wel m’n volle waardering kunnen geven als ik de hele tijd meer bezig ben met andere dingen dan de muziek die ze ten uitvoer brachten?
Die gedachte verdween al snel, want ’t was weer ‘ns tijd om m’n linkerbeen over m’n rechter te leggen. Misschien dat dat verlichtend zou werken.

Rechts voor me zat de mevrouw in de rolstoel. Op haar vaste plek, midden in ’t gangpad. Ze had vooral belangstelling voor iets wat naast haar zat, op de plek recht voor me. Daar was vlak voor aanvang van ’t concert een meisje gaan zitten, met een kind. ’t Jochie had nog gevraagd waar ’t podium zich bevond, door alle hoofden kon-ie dat niet zien, & ’t Meisje had de richting van ’t podium aangewezen: daar zou straks ’t geluid vandaan komen. Vanuit mijn positie & houding kon ik ’t kind niet zien, ’t zat op de schoot, maar blijkbaar was ’t aandoenlijk, de blik van de vrouw in de rolstoel begrijpend. Glimlachend aanschouwde ze keer op keer de situatie.
Langzaam bewoog ik m’n lichaam naar links, tot voorbij de schouder van ’t meisje. Onderwijl pogend toch nog m’n aandacht bij de muziek te houden. Ik moest toch nog iets van ’t stuk van Ravel meepikken. Nooit geweten dat-ie een hommage aan Debussy had geschreven; dat moest ik toch ‘ns meemaken. De nieuwsgierigheid van wat zich voor mij afspeelde was echter nog belangrijker: ik moest weten waarom de vrouw zo vertederd glimlachte.
Eindelijk had ik ‘t jongetje in mijn vizier. Ik schatte ‘m 4 jaar oud. Totaal geparalyseerd luisterde hij naar de muziek. Geen lichaamsdeel bewoog. In de ongemakkelijke houding van zitten op de knokige knieën van een dun meisje ging hij totaal op in de muziek van Ravel.
Gegeneerd keerde ik m’n hoofd weer naar ’t spel van ’t duo op ’t podium.

De aandachtsboog blijft slechts kort gespannen in Zijperspace.

afsluiting/vooraankondiging

De zomer gaat beginnen. & De lente kondigt ‘m aan. De gevaarlijkste dag voor ’t mannelijk gemoed in de weg daar naartoe is als de 1e terrasjes genoten kunnen worden. De 1e dag dat ‘t dermate warm is dat een jas niet nodig lijkt. Redelijk ontnuchterd na maandenlange herfstbuien & barre kou ziet de man zich, na deze zogenaamde winterslaap, opnieuw gedwongen ’t verlangen onder ogen te zien. In de vorm van plots doorschijnende bloesjes & shirtjes, reepjes buik, starende navels & brutaal bibberende billen, alles plots ontdaan van verhullende truien of overhangende achterflappen van jassen, die tijdens de koude maanden de tere lichaamsdelen van de vrouw bedekt hadden.

Juist die 1e dagen denk ik met weemoed terug aan dat wat mij een tijd lang bezig gehouden heeft. Ik wil de warmte, de warmte die zich vooral laat vertalen in dagen op ’t terras, mannen die ogenschijnlijk uren stilzwijgend voor zich uit staren, vrouwen die nonchalant voorbij paraderen, zo lang mogelijk uitstellen. Ik wil nog even genieten van de schoonheid van de kou & hoe ’t lichaam zich daarin opstelt.

Voor mij hoeft dat blote niet. Liever ’t verhullende & ’t onverwachte moment.

’t Schoonste is ’t moment dat de vrouw, getergd door de kou, subtiel, o zo zachtjes, tussen ’t praten door, op een afstand, bijna onzichtbaar, op haar lippen bijt, haar linkeronderlip, wetend dat daar nog een velletje los fladdert, misschien zelfs een scheurtje zich voordoet. Meerdere keren zachtjes strijken met de tong hielp niet, leek ’t zelfs te verergeren. De lippenzalf, moeizaam uit ’t tasje tevoorschijn gepeuterd, teder langzaam over ’t schrijnen bewogen, bood slechts tijdelijk soelaas. Nu is ’t slechts ’t bijten, ’t zachtjes zichzelf pijnigen, ietsjes meer, ietsjes minder dan de oorspronkelijke hinder, dat afleiding geeft.
Dat hele tafereel, van een afstand bekeken, stap voor stap aanschouwd, stiekem, aan ’t eind van ’t seizoen, de winterkou is nog maar net achter de rug, de lippen op hun ergst gebarsten, de vrouw ’t onopvallendst in ‘t afhandelen van haar rituelen, ’t afscheid ervan kondigt zich aan door de zon die al langer wakker blijft, de dag wat langer laat schijnen, dat langzame tafereel waar je uren geduld voor moet hebben, & glimpen moet stelen, moet eeuwig duren, zonder pauze. Ik moet me af blijven vragen wat zich daarbinnen afspeelt. Achter die close-up van een tand die op een lip bijt, & de tong die zachtjes heelt.

’t Wordt nu al warm in Zijperspace.

kroontjes

Ik zag een stelletje mensen met kleurige hoofddeksels op ’t Museumplein zitten. Bovenop een monument. Dat kon m’n broer niet zijn. Daarvoor was de groep naar mijn idee te groot. Bovendien leken ze een picknick in de vroege lentezon te houden, met mutsjes op. Ik pakte m’n mobiel om m’n broer te vragen waar ze zich ong bevonden. Er werd gezwaaid vanuit de groep op ’t monument.
‘Hoi, Ton.’
‘Wat hebben jullie een maffe petjes op,’ zei ik tegen de jarigen.
Ze gaven me de fles wijn aan nadat ik iedereen gefeliciteerd had.

‘Mag ik je fiets misschien even lenen?’ vroeg Remco. ‘Ik moet even naar een drogisterij.’
Een korte vragende blik liet ik mezelf toe.
‘Hier, heb je ook de sleutels,’ zei ik, ‘lijkt me wel belangrijk, hier in Amsterdam.’
‘Wat ga je doen?’ vroeg Quint met de fles wijn in z’n hand. ‘Ga je bier halen?’
‘Ik moet even wat kopen bij een drogisterij,’ zei Remco.
‘Hij heeft Sperti nodig,’ grapte ik.
‘Zoiets,’ zei Remco.
‘Oh, hij heeft vast weer diarree,’ zei Jacco, toen Remco wegfietste.
‘Verdorie, stom dat ik de kurk heb weggegooid,’ zei Quint.

‘Waren ze bij ’t Van Gogh-museum blij dat jullie jarig waren?’ vroeg ik.
‘Ik ging er vantevoren vanuit van wel,’ zei Quint, ‘we hadden allemaal slingers om onze nek.’
‘& Die stomme kartonnen kroontjes op,’ vulde ik aan.
Quint liet zich niet van de wijs brengen.
‘We mochten er inderdaad gratis in. Maar van Gogh kwam ons nogeneens feliciteren. Dus dat hebben we ook niet andersom gedaan.’

We wachtten op Remco. We wilden verder.
‘Als jullie nou alvast naar die kroeg lopen, dan wacht ik wel op m’n fiets,’ stelde ik voor.
Iedereen bleef staan.
‘We gaan hier niet naar binnen,’zei Quint, wijzend naar ’t café Cobra op ’t Museumplein, om de discussie met Ilse te beëindigen. ‘Als we nou alvast doorlopen naar café de Doelen, dan belt Remco vanzelf wel als hij ons niet vindt.’
Er was geen beweging. Behalve Shinn dan. Die was nog steeds de duiven aan ’t opjagen.
‘Wie helpt er mee een duif vangen?’ vroeg-ie.
Monique zette haar kroontje wat meer naar achteren & rende met Shinn mee.
‘Jullie kunnen alvast gaan lopen, hoor,’ zei ik. ‘Ik blijf hier wel op Remco wachten.’
Niemand deed iets. De duif werd niet gevangen.
‘Ik vind m’n fiets wel belangrijk,’ zei ik, ‘dus daarom blijf ik wel hier. Als jullie nou doorlopen; ’t is toch zeker meer dan een kwartier lopen. Dan kom ik later wel met Remco.’
De volgende duif was aan de beurt. In de verte zag ik Remco aankomen. In de buurt van 't monument waar we vlak daarvoor nog hadden gezeten begon hij naar ons te zoeken.
‘Hoi! Remco!’
Remco zag ons plotseling staan.
De groep zette zich in beweging.

‘Zet nou ‘ns die malle kroontjes af,’ zei ik onderweg.
‘Nee, we zijn jarig,’ was ’t antwoord.
Dus liep ik met 4 kroontjes door Amsterdam. Eigenlijk 5, maar Shinn zat bij me achterop. Bovendien was Shinn nog maar 7. Kinderen mogen kroontjes op hebben. Z’n vader niet.
‘Jullie lijken wel provincialen,’ zei ik.
‘Dat zijn we ook,’ zei Remco.

'Stond hier vroeger niet een biljart?' vroeg Quint.
'Ja, die stond daar,' wees ik.
'Dan hebben we 10 jaar geleden hier ook m'n verjaardag gevierd. Met Erik.'
'Wie is Erik?' vroeg Monique.
'Erik is dood,' antwoordde ik.
'We hebben hier ook wel 'ns gezeten met die ex van je,' zei Quint. 'Hoe heette ze ook alweer?'
'Margriet, Tineke, Jacqueline, Mirjam, Pim.'
'Pim, ja. 't Is ook zo moeilijk ze allemaal op te noemen.'
'Pim is ook dood,' zei ik, voordat er een vraag gesteld kon worden.

‘Bij de apotheek deden ze de deur pas open toen ze 1st goed gekeken hadden,’ vertelde Remco.
‘Je was toch naar een drogisterij?’ vroegen we.
‘Ja, ik moest de weg vragen aan een oud dametje. Die keek me verschrikt aan. Keek de hele tijd naar boven. Ze heeft me heel omstandig de weg verteld. Toen heb ik ’t bij de Albert Heijn geprobeerd. Bij de deur stonden 2 daklozenkrant-verkopers. Die keken me ook aan. “Zo, je hebt er zin in?” zei 1tje. De ander stond met een flesje bier aan z’n mond. “Ja, hoor,” zei ik, “ik heb er altijd zin in als ik Albert Heijn in ga.”
Ik stond in de rij bij de kassa, toen stonden al die mensen me aan te kijken. Allemaal omhoog, want ik was natuurlijk groter dan hun. Allemaal nakijken ook, natuurlijk. Ik deed net alsof er niks aan de hand was.
Toen kwam ik weer voorbij die 2 mannen bij de ingang. Stonden ze allebei op, ze hielden hun hand op hun borst. Zó.’
Remco deed ’t voor: vuist met de duimkant richting ’t hart, 2 keer kloppen.
‘Zeiden ze: “Blabllablabllaabla.” Of zoiets. & Vervolgens: “Respect.” Keken ze heel vroom bij. Ik liep gewoon door met m’n kroontje.’

In Zijperspace is iedereen de koning te rijk.

toiletpapier (4)

Ditmaal nam ik 't grote pak mee met de rest van de boodschappen & stapelde 't geheel nonchalant voor op de fiets. Rustig, relaxed zelfs, haalde ik m'n fietssleuteltjes tevoorschijn, keek nog even om me heen, bukte voorover voor 't ontkoppelen van de sloten, stapte op de fiets & keek trots naar 't familie-pak toiletpapier. Dat had ik 'm toch maar even geflikt: voor een ½ jaar genoeg in huis, niemand die er aanstoot aan had gegeven, misschien wel niemand, behalve 't kassa-meisje, die mijn boodschap opgemerkt had.

't Was dan ook een dag dat ik bijzonder goed in m'n vel zat. Buiten 't feit dat de zon scheen, stond m'n gemoed onder invloed van een heerlijk bakje thee, 's morgens genoten, & een vrolijk stukje tekst dat ik vlak voor de boodschappen in elkaar had geflanst. Ik had 't verkeer mee, de juiste rij voor de kassa gekozen, & 't meisje achter de kassa beantwoordde zomaar eens mijn goedemorgen-groet. Dit soort omstandigheden tref je slechts op dagen dat je jezelf realiseert dat niets 't humeur van de dag kan beïnvloeden. De wereld was mijn & 't voegde zich als vanzelf naar mijn wensen. Dan kon ik net zo goed een nieuwe lading wc-papier inslaan. Terwijl 't meisje al alles over de scanner liet gaan, rende ik er nog even voor de winkel in. Ik was op dat moment tenslotte toch de enige voor deze kassa.

Misschien wel wat vroeg, bedacht ik me thuis: ik moest nog 2 rollen opmaken voordat ik aan deze nieuwe voorraad kon beginnen. Bovendien hing er ook nog een ½e rol aan de closetrolhouder. 't Kan echter nooit kwaad vooruit te denken, besloot ik met m'n niet-aflatende positieve inslag.

Ik let altijd zeer secuur op wat voor wc-papier ik in huis haal. 't Mag best een beetje zacht zijn, 't lichaam verkiest nu 1maal een zachte boven een harde behandeling. Een bepaalde mate van sterkte is ook wel te prefereren, gezien 't doel waar 't voor dient. 't Moet echter wel milieu-vriendelijk zijn. Daar bestaat een bepaald tekentje voor, waar menig verpakking mee is versierd. Iets met pijltjes die zichzelf nawijzen, meen ik me te herinneren. Ik kan 't nu niet achterhalen, omdat ik 't huidige pak toiletpapier daar in de gauwigheid niet op heb kunnen selecteren. Ik was veel te blij dat ik de dapperheid bij elkaar gesprokkeld had om te besluiten 't toiletpapier in te slaan, om daar ook nog aandacht aan te geven.

Vorige week was 't zover. Ik moest aan 't nieuwe pak beginnen. Ondanks 't feit dat ik enigszins spijt had van 't milieu-onvriendelijke karakter van m'n aankoop, verheugde ik me er op: eindelijk eens luxe wc-papier. Ik had dat niet veel vaker mogen meemaken; slechts een enkele keer in een hotel of bij vrienden van dure komaf. Ik was beniewd hoe 't mijn achterste zou bevallen.
Ik prutste wat aan de zijkanten van de verpakking, ook nog wat aan de bovenkant & onderkant om in 't plastic een gat ter grootte van een rol te creëren. Niet te veel, want de overige rollen mochten best beschermd worden tegen rondvliegende deeltjes. Zo ijverig ben ik nl niet in 't stofzuigen. Overigens een heerlijke bezigheid, dit gefriemel aan de wc-papierverpakking: ik voelde m'n vingers bij tijd & wijle zachtjes wegzakken in 't donzig papier. Onderwijl zat ik genoeglijk op de wc-bril te zitten, voor me lag een boek, & heerlijk relaxerende muziek weerklonk uit de huiskamer. Een enkele keer had ik grip in 't licht rafelige plastic, dat niet bepaald tot doel had de rollen zo snel mogelijk tevoorschijn te kunnen halen. Verpakken was 't enige doel ervan, zo leek 't. Ik kon me daar niet druk om maken; als ik op 't toilet zit doe ik dat zo ontspannen mogelijk & hooguit een telefoontje, brand of een natuurramp kunnen me tijdens deze bezigheid uit de concentratie halen. 't Zogenoemde ontpakken gaf mijn vingers slechts een genoegzame bezigheid; die hoefden voor deze ene keer niet werkeloos toe te zien hoe ik me van m'n dagelijkse taak kweet.

Totaal onattent hing ik de uiteindelijk bevrijde rol aan de daarvoor bestemde houder, ik sloeg nog 1maal een blik in m'n boek om te zien bij welke regel ik gebleven was om dat goed in m'n hoofd te prenten & wilde vervolgens de gelegenheid te baat nemen om de nieuwe rol in te wijden. Nog niet geheel met aandacht pakte ik 't 1e velletje, gaf 't een klein rukje om 't enige vrijheid tov de houder & de muur te geven, keek rechts om te kijken hoe 't in deze handeling vorderde & zag tot mijn ontsteltenis dat er blauwe bloemetjes op 't wc-papier stonden geschilderd.

Bloemetjes horen blauw noch bruin te zijn in Zijperspace.

taboenuljoek

Hij schreeuwt, dat hoor ik. Maar ik weet niet precies wat. Ik word meer afgeleid door de heren die tegen ‘m aan staan te duwen.
‘Je moet gewoon wegwezen,’ duwt 1 van hen tegen ‘m aan.
Nog wat andere handen raken de schouders van de zichtbaar aangeschoten man.
‘Ik moet helemaal niks,’ zwaait-ie met z’n armen. Hij maakt maaiende bewegingen richting degene die zei dat-ie weg moest wezen.
Ik stop m’n fiets. Blijf kijken. Zal ik ingrijpen, vraag ik me af. Ik ken de man. Ik heb ‘m vaker zelf als klant aan de bar gehad. Dat kan helpen. Een herkenningspunt voor de man die heftig staat af te geven op iedereen die ‘m omgeeft.
Misschien wil ik mezelf wel belangrijk voelen, schiet er ook nog door me heen, maar dan heb ik m’n fiets al neergezet & loop ik naar de groep mannen.
‘Rustig,’ zeg ik, ‘rustig nou even.’
Een bundel armen om me heen, mannen krioelen.
‘Weet je wat jullie moeten doen?’ zegt de dronkeman agressief. Hij kijkt me kort in de ogen. Die gaan meteen door naar de volgende man in de kring. ‘Weet je wat jullie moeten doen?’
‘Jij moet gewoon opsodemieteren,’ zegt de man die ’t hardst duwt.
‘Ga nou naar huis, Henk,’ zegt een ander die z’n arm om de bewuste Henk geslagen heeft & lichtjes weg probeert weg van ’t café probeert te bewegen.
‘Rustig nou,’ zeg ik nog eens. ‘Waar maak je je nou druk om?’
‘M’n boodschappen liggen nog binnen,’ schreeuwt Henk, terwijl hij alweer z’n belagers wilt aanvallen.
‘Kom op, doe rustig,’ begin ik weer. ‘Je weet toch wel wie ik ben? Ik ben je barman. Doe rustig, man.’
‘Ga nou naar huis.’
‘Weet je wat jullie moeten doen,’ zegt Henk tegen de man die z’n arm om z’n schouder blijft houden. ‘Jullie moeten turks & marokkaans leren. Dan kan je veilig in een kroeg zitten.’
Z’n ogen dwalen heen & weer. Hij probeert te zien wie hij om zich heen heeft. Z’n blik schiet wazig om zich heen. Een mist ligt er over z’n oogwit.
De barman komt naar buiten. Er ligt geen boodschappentas binnen, heeft-ie geconstateerd.
Henk wordt rustiger.
‘Wat wil je nou?’ vraagt de man naast ‘m, onderwijl met z’n andere arm een man afwerend. Ga naar binnen, gebaart die arm.
‘Ik wil dat jij eerlijk tegen me bent. Ben jij nou m’n vriend?’
‘Ik ben je vriend. Je moet naar huis. Je bent dronken.’
‘Ik ben niet dronken. Je weet dat als ik dronken was dat ik dan iedereen de kroeg uitgeslagen had.’
‘Maar ga nou toch maar naar huis.’
‘Ja, doe nou maar even rustig,’ voeg ik er aan toe.
Henk lijkt z’n lichaam van de kroeg af te wenden. De meeste mensen duiken schielijk de kroeg in. ’t Lijkt verstandiger om Henk vooral geen aandacht te geven.
‘Weet je wat jullie moeten doen?’ vraagt Henk nog een keer. Er luistert bijna niemand weer. Z’n vriend keert zich ook af. Henk neemt z’n 1e stappen weg van de kroeg. ‘Jullie moeten turks & marokkaans leren. Dan kan je veilig in een kroeg zitten.’

Ik fiets verder naar huis. Er zit nog opwinding binnen in me. Hoewel ik niet bepaald als de barman van Henk werd herkend. Hoe vaak had ik ‘rustig’ gezegd, vraag ik me af terwijl ik de hoek om rijd, m’n eigen straat in. & Ik begin me af te vragen hoe groot de kans was dat ik een klap had kunnen krijgen van die Henk die wazig uit z’n ogen keek.
Ik rijd de stoep op, op ’t punt waar de verkeersdrempel de opgang naar de stoep vlak maakt, tussen 2 fietsenrekken door. Ik passeer een wandelende man. Gemompel, dat al snel luider wordt.
‘Sorry, wat zeg je?’ vraag ik de man.
Hij zegt nog wat onverstaanbaars. Ik fiets ondertussen de laatste meters naar m’n voordeur.
‘Ik kan je echt niet verstaan.’
‘'Taboenuljoek,’ hoor ik de man zeggen terwijl hij dichterbij komt.
M’n sleutels heb ik uit m'n zakken. ’t Geeft een onveilig gevoel, in m’n eigen deuropening te staan, terwijl ik nog 3 sloten open moet zien te krijgen voordat ik binnen ben. De man nadert ondertussen.
‘Ik begrijp echt niet wat je bedoelt,’ zeg ik, hoewel ik weet dat hij m’n ritje over de stoep afkeurt. Maar ik moet laten zien dat ik geen kwaad in de zin had.
Hij passeert me, stap voor stap. Ik klooi met de sleutels. ’t Is een man van 30 jaar, zo op ‘t 1e gezicht. Junk misschien, mager, hoofd voorovergebogen, marokkaan. Hij kijkt me niet aan.
‘Wat moet je nou?’ vraagt hij in ’t voorbijgaan. Agressief. Hij kan een mes op zak hebben, denk ik.
‘Ik vraag wat je nou zegt. Je zegt ’t niet duidelijk.’
‘Taboenuljoek.’
Hij loopt terug. Hij wrijft aan ’t flesje dat hij in z’n handen heeft. Keert ’t steeds om. Spuugt op de grond op ’t moment dat-ie weer bijna voor me staat.
‘Versta ik ’t nog niet. Wat bedoel je?’
Ik probeer vriendelijk te blijven. Om ’t gelijk aan mijn kant te houden. ’t Liefst geef ik ‘m echter een klap.
‘Dat vertel ik je nu niet. Moet je me de volgende keer maar vragen. Onthoud ’t maar: Taboenuljoek. Kan je goed dingen onthouden?’
‘Nee, dat kan ik niet. Dus je kan ’t me beter nu vertellen.’
Ik heb m’n deur van slot. Alle 3 de sleutels heb ik tevoorschijn gehaald, omstebeurt heb ik de sloten geopend.
‘Taboenuljoek.’
‘Taboenuljoek jezelf,’ zeg ik. Ik doe de deur achter me dicht.

Terug in de veilige zones van Zijperspace.

speech

Ietwat onzeker liep ik richting 't podium. Een moment ervoor was er een schok door m'n lichaam gegaan, m'n rug had zich als door een elektrische puls stram gezet, m'n hoofd was spontaan gaan gloeien & m'n handen waren ineens dermate vochtig dat alles wat er in terecht zou komen onmiddellijk weg zou glippen. M'n naam was genoemd!
Ik was opgestaan, aangekeken door de verzamelde collega's, stuk voor stuk gestoken in pak. Een enkele keer ontwaarde ik in de flits, waarin ik als automatisch m'n omgeving opnam, een blik van jaloezie, maar meestendeels zag ik dat de gezichten óf zoekende waren in hun herinnering of ze ooit wel 'ns van mij gehoord hadden, óf zich afvroegen of mijn verschijning paste in 't beeld dat zij zich van een winnaar hadden gevormd.

Ik was onzeker, vanaf die ene seconde dat 't tot me doorgedrongen was dat 't mijn naam was die de ruimte voor even had gevuld. Galmend vanaf 't podium, weerkaatsend vanuit de geluidsversterking achterin de zaal. 't Papiertje dat ik in m'n handen had gehouden had ik al ongemerkt laten vallen. De leuning, die ik had willen gebruiken om mezelf op te drukken, kon ik niet vinden, waardoor ik ietwat ongemakkelijk 1st met m'n rechterschouder omhoog kwam, als een gebochelde. Maar ondanks dat ik zo'n beetje elke knie raakte die ik op mijn weg richting podium ontmoette, wist ik me in een recordtijd uit m'n rij te worstelen. De mensen bleven me genoeglijk glimlachend aankijken.

'Mag ik nog even wat zeggen?' vroeg ik aan VJ, maar voordat deze kon reageren had ik de microfoon al te pakken. Doordat ik echter m'n gezicht te snel die kant op bewoog ontstond er een snerpende piep. Geschokt trok ik een moment m'n hoofd terug. Toen 't gierende geluid verdwenen was, begon ik, op een zekere afstand nu, ik was waarschijnlijk nog net te verstaan voor de zaal, aan mijn dankwoord.

'Ik had eigenlijk thuis al een klein papiertje gevuld met wat zinnetjes, voor 't geval dat dit mij zou gebeuren. Ik wilde niet met m'n mond vol tanden staan. & Ik wilde vooral niemand vergeten. Helaas, onderweg hierheen, 't kostte me nogal wat moeite om de knieën die ik op mijn weg richting podium tegenkwam niet levenslang te verminken, ben ik mijn aantekeningen in al mijn stunteligheid verloren. Ik zal uit mijn hoofd mijn speech moeten volbrengen. Nu ben ik al jaren niet al te zeer tevreden over 't functioneren van mijn geheugen, dus wil ik bij voorbaat mijn excuses overbrengen aan degenen die ik zal vergeten dank te zeggen. Daarom beslis ik bij deze alvast maar dat ik die dankzegging tot een minimum zal beperken; ik weet nu toch al dat ik de meeste zal vergeten, dan kan ik net zo goed zo'n beetje iedereen overslaan.
Maar, om toch nog iets te zeggen te hebben, ik ben niet voor niets richting microfoon getogen, wil ik evengoed van de gelegenheid gebruik maken om de organisatie van deze award-uitreiking hartelijk te danken voor dit geweldige initiatief. Ook zonder dat ik in de prijzen zou zijn gevallen, had ik deze woorden tot de heer VJ willen overbrengen. Zeker gezien 't feit dat er al zoveel in 't water was gevallen, had men mijns insziens eens behoefte aan iets gedegens, iets stevigs, waarbij er geen sprake kon zijn van enigerlei gesjoemel. Ik denk dat VJ hierin geslaagd is. Men zou kunnen zeggen dat de uitslag enigszins gekleurd is, maar ach, wordt niet elke uitslag van verkiezingen uitvoerig bediscussieerd?
Daarnaast kan ik u zeggen: ik sta hier met een award & dat voelt verdomd prettig. Ik ben hem dus wel dank verschuldigd.
Verder wil ik natuurlijk m'n moeder bedanken, voor 't niet aflatend lezen van mijn stukken. Mijn vader, die, elke keer als ik ergens in 't middelpunt van de belangstelling sta, mijn grote voorbeeld is. & Enkele mensen die 't elke keer weer voor elkaar krijgen toch nog spelfouten in mijn stukken te vinden & daarnaast nooit te vermoeid zijn om uitvoerig over de inhoud ervan te delibereren.
Oja, & natuurlijk die enkele lezer, die 't waagt zo af & toe op mijn schrijven te reageren. Vooral hem/haar moet ik dankbaar zijn, want dankzij die direkte respons krijg ik 't gevoel dat ik gelezen word & zodoende de motivatie om door te gaan.
Bij deze beloof ik plechtig dat ik 't komend jaar net zo hard m'n best zal blijven doen als 't afgelopene, want ik wil gaarne dit euforisch gevoel herbeleven temidden te staan van zulke groten in Weblogland.
Dank u allen, dat u mij wilt hebben aanhoren.'

Ergens achterin de zaal weerklonk applaus. Ik kon ondanks 't tegenlicht nog net zien dat 't de grote inspirator achter dit gebeuren was. Voor de rest klonk er een ongeduldige zucht door de groep aanwezigen. Op de voorste rij hoorde ik iemand fluisteren: 'Bij hem duurt 't altijd lang.'
Ik berustte in dat zachte commentaar, dat eigenlijk niet voor mijn oren bestemd was.

Zijperspace neemt nou 1maal veel tijd in beslag.

ontdekkingsreis (4)

In 't kader van vergaande bezuinigingen, vanwege 't zogeheten geldgebrek, heb ik besloten zo lang mogelijk 't bezoek aan de kapper uit te stellen. Vroeger was dat nooit een probleem, ik had massa's vriendinnen om me heen die maar wat graag de schaar hanteerden om mij van een nieuwe coupe te voorzien, maar tegenwoordig is dat not done. Ik ben bovendien niet meer zo goed van vertrouwen. Ik zal niet meer zo snel de straat op durven, mocht 't knipfestijn niet tot 't verwachte resultaat hebben geleid. De schaar heeft ook meermaals in m’n oorlel gestaan bij de gratis behandeling door een vriendin.
Ik zie mij tegenwoordig gedwongen een reguliere kapper te bezoeken. Die kost tegenwoordig, wil je enigszins ervan op aan willen dat je zonder hoofddeksel 't pand kan verlaten, al gauw € 15,-. Dat zijn de goedkoopste. Voor mij betekent dat 2 dagen warme maaltijden, of misschien wel een week lang ontbijt. Ik ben een zuinig mens, wellicht. Ik stel 't dus even uit tot ik volgende maand m'n financiën weer wat beter op orde heb.

't Betekent wel dat m'n haar er springerig uitziet als ik 's ochtends opsta. Op zich niet zo verkeerd, zal degene zeggen die mijn kapsel door de jaren heen een beetje heeft kunnen volgen, maar eigenlijk een beetje springerig zoals ik 't niet bedoeld heb. Geen nonchalant wegspringend plukje dat bij door 't haar strijken de andere kant op gaat zitten, maar een wanstaltig eigenwijs dot haar, neigend de hele dag dwars tegen de stroom in rechtovereind te blijven staan. Een subtiel verschil. Vooral als je mijn ochtendlijk gezicht erbij voorgeschoteld krijg, zoals ik meermaals de laatste tijd, waarbij m’n linker gezichtshelft overdekt wordt door platgeslagen haar ('O, heb ik vannacht op die zijde liggen slapen'), & de andere kant 't voornoemde eigenwijze gedrag vertoont. Dr Jeckill & Mr Hide, vermenigvuldigd in een oerhollandse spiegel.

We zagen onszelf lopen met een kale kop. Van m'n 2 oudste broers weet ik 't niet, maar Carel, Quint & ik hadden alle-3 gemillimeterd haar in de scenes die we op film te zien kregen. Bij Marc groeide, ’t kwam door z’n leeftijd, nog niet zoveel. Afschuwelijk vonden we 't. Hoe hadden ze ons er zo bij kunnen laten lopen? M'n ouders zeiden dat 't in die tijd heel modern was geweest, de kapsels van ons, modieus was 't misschien wel te noemen om je kinderen met zulke frisse koppies rond te laten lopen. Maar 't was in ieder geval niet modern op 't moment dat wij bij volle bewustzijn de familie-kiekjes op film bekeken. Kort was allang al uit, zeiden we.
Enkele jaren later, er kwamen ondertussen wat vriendinnetjes aanzitten op de bank bij de vertoning van onze familiefilms, zeiden we zogenaamd vol trots dat wij toendertijd de 1e skinheads waren van Den Helder. Wij liepen inmiddels ook weer met zeer korte stekeltjes. Zeer tot genoegen van de wiskunde-leraar in mijn geval; die kreeg bijkans een beroerte van 't lachen toen hij mij voor 't 1st in die outfit 't klaslokaal zag betreden. Ik was bijna geneigd terug te gaan naar huis, maar zag me verplicht de les te volgen. Tijdens de pauze werd ik echter weer gerustgesteld, doordat er veelvuldig door de vrouwen in m’n haar gewreven moest worden. ’t Voelde zo lekker, zeiden ze.

‘Je haar wordt wel lang,’ zei m’n moeder van de week.
‘Ja,’ zei ik, ‘ik zit er over te denken om ’t helemaal weg te scheren. ’t Kost handen vol geld om ’t elke keer te laten knippen. Misschien dat ik dus van de week kaal rond loop, want ik heb voorlopig toch geen geld.’
‘Zie je er weer net zo uit als op de film,’ zei m’n broer.
‘Maar dan heb ik in ieder geval geen last meer van rechtopstaande haren, die met geen mogelijkheid naar beneden zijn te krijgen,’ verzuchtte ik & uit geldnood besloot ik weer skinhead te worden.

Die worden in Zijperspace getolereerd.

ontdekkingsreis (3)

Elke keer als ik m'n lippen er op druk, voel ik 't verleden. Zoals ik wel vaker toen proef. Ik zal er wel extra gevoelig voor zijn. Maak me er misschien wat meer druk om dan anderen. Ik laat me door dat gevoel leiden, verleiden, vervoeren. & Tegelijkertijd weet ik dat 't verleden me verlaat. Ik weet niks van dat wat gebeurd is, of in ieder geval niet veel, & naarmate de tijd duurt wordt 't minder bovendien. Toen is iets wat beleefd is, toen keert niet meer terug, toen is vervormd door datgene dat denkt dat gebeurd is.
Maar elke keer als ik m'n lippen op m'n rechter middelvinger druk, voel ik de strandwandeling. In tegenstelling tot andere vingers nodigt m'n middelvinger uit tot die aanraking. Door de vorm, door 'tgeen 'm vervormd heeft, 't litteken. Ik zuig 't strand op, voel 't zand, 't door de wind opstuwend zand, m'n wangen aftasten, zie 't schuim z'n vlokken vormen. Door een klein bobbeltje, een misvormd 3-hoekje, uitgetekend in 't topje van m'n middelvinger.

Ik heb vele strandwandelingen gemaakt. De meeste weet ik me niet te herinneren. Ik kan me nog wel voetafdrukken voorstellen, 't zuigend zand dat met opkomend vocht de leemte opvult van daar waar ik eens was, maar zovele stappen zijn er geplaatst dat elke bijzonderheid verdwenen is als de opkomende vloed die wegneemt wat hij gegeven heeft.
Mijn ouders hebben me meegenomen, m'n tantes; ik ben er geweest met buren, met vriendjes, & vele vriendinnen, kennissen & vage bekenden soms ook. 't Strand heeft me in m'n naaktheid gezien, vaker gevangen in een zwembroek, soms gehuld in winterkleding, een enkele keer gezeten bij een kampvuur, of kotsend achteraf, maar ook verlegen omhuld door een handdoek. De duinen hebben me gevangen gehouden, geliefkoosd in een omarming, naar beneden laten storten, me laten spelen, me laten buitelen, & me altijd opgevangen in een kussen van meters diep zand.
Maar de zee heeft me verwond. Al 't zand, al 't schuim, 't donderende schuim van totale vernieling, diende ter verhulling van 'tgeen me zou beschadigen. Blijvend. Ik houd 't aan m'n mond, de resten, de herinnering. Een 3-hoekje, ik noem 't m'n hakbijl; 3 streepjes die de aks van een bijl vormen, zonder steel. Getuigen van een wandeling, waarbij ik niet deed wat m'n ouders wilden. Een scherp stuk glas, een restant van overboord, tekende de rest van m'n leven, hoe miniem ook; nooit meer durf ik flessen op te rapen bij de vloedlijn. Nooit meer durf ik verwijtende preken aan te horen.
& Altijd voel ik de zee, druipend van grote kragen schuim, tegengehouden ook, crême-kleurig, bruin, helder wit, grauw tegelijkertijd, verwoestend wild wachtend tot 't 't land kan veroveren, zogauw ik m'n vinger tegen m'n lippen aanduw. Een simpel 3-hoekje, veroorzaakt door een baldadige poging een fles terug te werpen naar degeen die mogelijk de boodschap verzonden had.

& Niemand die antwoord kreeg vanuit Zijperspace.

ontdekkingsreis (2)

Nu ik 't toch over ontdekkingsreizen heb: ik vond vanochtend iets onder m'n voeten plakken. Ik loop graag op blote voeten, moet men weten. Dat doe ik al sinds m'n vroegste jeugd. Tijdens de gymlessen was ik vroeger degene die 't 't langst zonder gymschoenen volhield. Men had al jaren de gymschoen verplicht gesteld toen ik nog de jaarlijkse schoolse basketbalcompetitie blootsvoets inging. Daar zagen de docenten eindelijk hun gelijk gesteld, doordat ik dankzij een sliding een plakje eelt van 2 cm² vanonder m'n voeten verloor. Ik zat inmiddels in de 4e van de middelbare school toen ik door dat voorval besloot ook maar gymschoenen te gaan dragen. M'n moeder kon 't excuus niet meer hooghouden dat 't beter tegen platvoeten zou zijn. De beweringen van de huisarts, die inmiddels reeds 10 jaar met pensioen was, waren allang achterhaald, zo wist men op mijn school te vertellen.

Omdat op blote voeten lopen toch een bepaalde mate van puberale rebellie met zich meedraagt, besloot ik op gegeven moment toch beter sokken te dragen, met daar omheen schoenen, als 't zo uitkwam. 't Leek me niet perse noodzakelijk tijdens de lessen economie mijn tenen onder de banken te laten uitsteken, zodoende de heer Teunissen van z'n apropos te brengen, zeker niet tijdens de periodes van herfstige nattigheid & winterse vorst. Thuis riep de vrijheid, de luxe ook van een zachte vloerbedekking, & m'n moeder bij 't 1e geluid van deuren die open/dicht gingen dat ze niet voor niets 't huis van onder tot boven van stof had ontdaan. In de hal gingen de schoenen uit. Ze werden verzameld onder de kapstok. 8 Paar, bij slecht weer nog een aantal extra.

Nu heb ik misschien al de strekking van 'tgeen vanmorgen geschiedde verraden. Ik praat al snel m'n mond voorbij. 't Is nl een kwestie van bij de deur je van je schoenen ontdoen, zoals onze brave moeder, zij die werkelijk alles van viezigheid, vlekken, stof, prut & modder ontdeed, maar daar wel voor gewaardeerd wilde worden, zoals zij dus ons bijgebracht heeft. Of dat in ieder geval heeft geprobeerd.
Wat is de leeftijd dat je alles wat je moeder je geleerd heeft begint te ontkennen, of domweg vergeet? Is dat ontkennen van 'tgeen geleerd is een bewust proces? Is 't negatie van 't nut van je moeder, of is 't eerder tornen aan de autoriteit van je vader?
Op gegeven moment begon ik m'n schoenen pas in de woonkamer uit te trekken, & ook weer aan, op 't punt dat ik 't pand weer ging verlaten. Onder de tafel in de woonkamer leek me een geschiktere plek om mijn schoenen te parkeren. Daar stonden de schoenen van mijn vader immers ook altijd. Bovendien kon ik enkele zwaarwegende redenen ihkv efficiëntie te berde brengen. Ik kon ze sneller aantrekken, in 't geval ik op tijd op school terecht moest komen, of ik m'n moeder moest helpen de wekelijkse boodschappen naar binnen te brengen.

Mijn moeder komt mij niet wekelijks de boodschappen brengen. Die moet ik tegenwoordig zelf in huis halen, zodoende ze natuurlijk ook nog steeds die kant op dragen. Op gegeven moment heb ik dan ook besloten dat ik net zo goed m'n schoenen aan kon blijven houden totdat ik de woonkamer betrad. Mijn zware tassen proviand sleep ik wekelijks, ik hou 'tzelfde ritme als mijn moeder aan, dat wel, van de voordeur naar de keuken, pak alles uit, plaats 't in de voorraadkasten, & sleep mezelf uitgeput naar de kamer om daar me van m'n schoenen te ontdoen. M'n moeder zou me destijds ontsteld hebben aangekeken: 't hele huis vies!

Ik zou bijna vergeten waar ik 't over had: ik vond vanochtend iets onder m'n voeten plakken. Ik had me net gedoucht toen mij dat gebeurde. Ik was vergeten mij voor 't badderen zelf van een schone droge handdoek te voorzien, dus huppelde ik nat & nakend door mijn huis op zoek naar de juiste kast (ik snap nog steeds niet mijn eigen systeem hierin). & Vond bij 't drogen pardoes onder mijn voeten witte spikkeltjes, soms neigend naar grijs, een enkele spikkel zelfs met zwartteint. Vaag glansde daar af & toe een rozig stukje vlees tussenuit, wat ik ternauwernood als mijn herkende.
Toen wist ik 't. 't Schoot me onmiddellijk te binnen. Mijn moeder mocht een beetje gelijk hebben, dacht ik, maar een betere oplossing ligt in 't verschiet.

Er dient stof gezogen te worden in Zijperspace.

ontdekkingsreis

Mijn lichaam is elke dag weer een ontdekkingsreis. Vooral naarmate ik ouder word. ’t Heeft me elke dag wat nieuws te bieden. Iets waar ik me druk over kan maken, waar ik de bevestiging in kan zien dat ’t leven slechts een korte periode van opbouw, van groei kent, & voor de rest, vooral met de huidige medische kennis & mogelijkheden tot chirurgisch corrigeren, niet meer is dan een zo lang mogelijk uitgestelde dood. Als ’t aan ’t lichaam had gelegen, had-ie allang al afscheid genomen, maar ’t brein denkt er anders over & stuurt ’t vehikel naar de revisie. ’t Is steeds weer spannend te ontdekken welk onderdeel nu weer weigert naar believen te functioneren. Of, & dat is waar ’t me eigenlijk om gaat, welk onderdeel denkt wat extra aandacht nodig te hebben.

Niet dat ik er aan zal sterven, maar ’t kwam me vanochtend plots voor ’t oog. Eigenlijk druk ik me verkeerd uit: door een overmatige jeuk, waar ik nogal ‘ns last van heb, zat ‘t ineens tussen m’n duim & wijsvinger; gezien de positie van ’t subject zie ik mezelf niet in staat ’t in m’n blikveld te vangen. Ik meende me niet te kunnen herinneren ’t daar ooit eerder aangetroffen te hebben. Wel bij andere mannen, ong op dezelfde plek, maar ik zag míjn lichaam niet in staat iets dergelijks op die hoogte te kunnen kweken. Toch is ’t gebeurd. Ik heb er lang op moeten wachten. Ik dacht eigenlijk dat mijn groei richting mannelijke volwassenheid wel zo’n beetje voorbij zou zijn, maar daar, schuin onder m’n kin, waren toch 2 lange zwarte haren verschenen (ik ben zo ijdel geweest ze in de spiegel nader te inspecteren, een geliefd gereedschap indien mijn aards huis bestudeerd dient te worden).
Dat bedoel ik nu met die ontdekkingsreis. Nooit eerder iets dergelijks aangetroffen in die regionen & plots is ’t er. Alsof alles mij decennia te laat moet overkomen. Ik zou nu toch in de fase beland moeten zijn dat er eerder rimpels ontstaan, verschilfering, uitslag, kromming & verstramming. Maar ’t lichaam had ’t beschikt nog wat meer tot wasdom te komen. Als men ’t buitentreden van dode cellen, wat haar toch is, als zodanig mag betitelen.

Ik heb ‘ns iemand gekend, ’t was natuurlijk een man, die zichzelf moest scheren tot daar waar de kraag van z’n t-shirt ophield. Dat verhaal heeft ’t altijd goed gedaan bij de vriendinnen die ik in de loop van de jaren er op na heb gehouden. Ik koos die vriendinnen er natuurlijk wel op uit, of zij mij. Ze moesten wel van mannen houden die geen of te verwaarlozen haargroei op de borst hadden. Dan kon ik m’n verhaal over die toenmalige kennis kwijt. Vol verbazing over hoe zoiets mogelijk was vertelde ik mijn verhaal. Minutieus beeldde ik uit waar de overgang van geschoren naar behaard bij hem was & maakte ik duidelijk hoe hij dat grensgebied angstvallig op dezelfde hoogte probeerde te houden. & Genoeglijk legden we ons neder op ’t bed waar we mijn borstkas nog ‘ns nader onderzochten inzake ’t ontbreken van zichtbare verschijnselen van de mannelijke hormonen.
Dat waren de mooiste ontdekkingsreizen.

Momenteel is ’t probleem dat de haren (aangezien ik ’t nu als een probleem wil afhandelen ben ik geneigd niet de verkleinde vorm van ’t woord ‘haar’ te hanteren) een ietwat boven m’n t-shirt uitsteken. Mocht ’t zo zijn dat ’t genoegzaam bekend is dat men, als man zijnde, op weg naar de onvermijdelijke dood, op zekere leeftijd meer haar verspreid over ’t lichaam zal kunnen aantreffen, & ik daar als enige niet van op de hoogte ben, lijkt ’t me beter dit verschijnsel te negeren, derhalve ’t weg te scheren. Vindt u ook niet?

Overigens zijn we van plan nog lang & gelukkig & nog wat anders te doen in Zijperspace.

antwoord via meel

Als antwoord op de brief vermeld in 'aangetekende brief' mocht ik vandaag onderstaand bericht als meeltje ontvangen.

Beste,

Reagerend op uw brief van 7 feb. jl.

Wij kunnen helaas niet op uw verzoek ingaan. Uw opzegging is verwerkt en het account zal niet verder worden verlengd, wel dienen de kosten voor dit jaar betaald te worden.

Met vriendelijke groeten,

C.C.


Ik voel me al een tijdje gepiepeld door de heren van Protagonist, maar dat wil ik even niet mee laten tellen. Ik wil nl weten wat iemand anders zou doen.

We willen uw mening horen in Zijperspace.

aangetekende brief

Amsterdam 7 Februari ‘03

Aan: Protagonist.nl,
etc......

L.s.,


Een week geleden heb ik u een schrijven doen toekomen waarin ik te kennen gaf dat ik zsm de hosting van mijn website bij Protagonist wilde stopzetten. Dit nav het antwoord dat ik als reaktie van een eerder schrijven met dezelfde mededeling via e-mail van C. L. had ontvangen.
Daarin stond het volgende:

Opzeggingen kunt u uitsluitend schriftelijk aan ons mededelen, door middel van het faxen of opsturen van het opzegformulier. Deze dienen twee maanden voor het verlopen van het contract door ons ontvangen te zijn. Nadat de opzegging is verwerkt krijgt u hier via email een bevesting op.

Helaas wist ik niets van een opzegformulier. Ik kon niet iets soortgelijks in mijn administratie vinden, laat staan dat ik op de website van Protagonist iets kon vinden dat op een opzegformulier leek. Ik ben daarom maar zo vrij geweest de mededeling via een brief uw bedrijf te doen toekomen. Zoals ook in de e-mail van C. L. vermeld stond, heb ik het gericht aan: Protagonist.nl, etc.....

Om misverstanden te voorkomen zal ik de inhoud van de brief hier ook maar plaatsen.

Bij deze wil ik officieel ’t hosten van mijn website, zijperspace.nl, door Protagonist opzeggen. Ik ga ‘m zelf hosten op m’n eigen server. Via e-mail hebben jullie laten weten dat ik dit 2 maanden voor ’t verlopen van ’t contract had moeten doen, maar ik hoop dat er enige soepelheid betracht kan worden. Desnoods ben ik genegen een extra bedrag hiervoor te betalen, zolang ’t maar niet de volledige € 69,- is. Dat geld heb ik nl veel te hard nodig voor de investering die ik momenteel pleeg.
Ik hoop op enig begrip en soepelheid uwerzijds.


Tot nu toe heb ik hierop geen reaktie mogen ontvangen. Via e-mail, noch via de brievenbus is mij iets onder ogen gekomen dat leek op een mededeling dat mijn verzoek was ontvangen. Wel mocht ik gister een rekening ontvangen voor de betaling van het komende jaar. Afkomstig van uw afdeling ‘Sales’.

Zoals ik reeds meegedeeld heb in mijn vorige brief, hierboven afgedrukt, maar duidelijkheid scheppen kan mijns inziens niet genoeg plaatsvinden, ben ik bezig een eigen server op te zetten. Ik ben samen met enkele vrienden daar druk mee bezig. Als het goed is gaat het volgende week draaien. Zoals jullie wellicht weten, jullie zijn vroeger natuurlijk ook klein begonnen, vergt iets dergelijks een investering. Dat heb ik niet zomaar. Daar moet ik zogezegd een tijdje voor krom liggen. Vandaar mijn verzoek tot enige soepelheid mbt het beëindigen van onze relatie, zodat ik niet het volledige jaar hoef te voldoen, omdat ik op dit moment elke cent kan gebruiken.

Ik hoop dus dat u mijn verzoek in overweging wilt nemen; ik zou gaarne het geheel op een voor beide partijen genoeglijke wijze afhandelen.
In afwachting van uw antwoord ga ik nog niet over tot het storten van het bedrag waar u via bovengenoemde rekening heeft verzocht. Ik hoop dat u daar begrip voor heeft.

In afwachting van uw reaktie verblijf ik,

Hoogachtend,

Ton Zijp
website: zijperspace.nl

maderanertal

Ik moest 't toch 'ns weten. Ik had 't 'm nog nooit gevraagd. Misschien was ik 't alweer vergeten. Ik wilde weten van vroeger. Toen-ie begon te werken. Waar hij was geweest. Hoelang hij had gevaren.
Ik wist wel dat 't 'm moeite zou kosten. Waarschijnlijk wist-ie geen antwoorden meer, of zou hij teveel op zoek gaan naar woorden. Of combinaties van herinneringen die niet in woorden zijn te vangen. Zeker niet met zo'n hoofd als m'n vader.

'Nu even iets heel anders,' zei ik, nadat m'n moeder over m'n zieke tante had verteld. Ik keek m'n vader aan. Keek naar m'n moeder. Ik wist opeens niet meer hoe ik moest beginnen. Waarom zou ik op 't verkeerde moment beginnen over 't verleden? Ik had er beter 5 jaar geleden vragen over kunnen stellen; dan waren er nog antwoorden van m'n vader zelf mogelijk geweest.
'Ik wilde 'ns weten,' ging ik verder. De druk werd groter. M'n vader zat me met z'n grote ogen aan te kijken. Die ogen die niet veel meer schenen te weten. Elke keer een vraag in z'n blik. Elke keer gebeurt er iets in z'n wereld dat hij niet kan bevatten. 't Komt op hem af, hij moet afwachten wat 't resultaat van al die gebeurtenissen is. Hij is niet sterk genoeg meer om zichzelf ertegen te wapenen; hij moet vertrouwen op de gang der zaken & anders m'n moeder.
'Ik vroeg me al een tijdje af....'
M'n moeder keek me ook aan. Ze zag dat ik 't tegen m'n vader had. Ze zat klaar om 't 'm uit te gaan leggen. De gaten op te vullen die hoe dan ook voor hem zouden gaan ontstaan.
'...wanneer je nou aan 't varen was. Hoelang bent u eigenlijk wezen varen?'
'Oh,' zei m'n vader, 'dat is .... Dat was .....'
'Dat is slechts 3 maanden geweest, hè, Niek,' vulde m'n moeder aan. 'Naar Australië, & naar India.'
'Zo lang is dat dus niet geweest,' zei ik.
'Nee,' zei m'n vader.
'Nee,' zei m'n moeder, 'want was 't niet zo dat je meteen daarna in dienst moest?'
'Hmm, dat was....' M'n vader keek vragend. Hij zag daar boven z'n hoofd de antwoorden staan. Maar hij kon er niet bij. Hij wist ook dat hij er niet meer bij kon. Hulpeloos keek-ie naar m'n moeder. Zij vulde aan. Alsof hij toch z'n verhaal vertelde.
'& Toen deed Pa een spoedopleiding voor leraar. Maar ze hadden nog niet meteen werk. Toen is Pa nog een paar keer reisleider geweest.'
'Waren jullie niet op huwelijksreis toen Pa reisleider was naar Zwitserland?'
'Was dat niet naar .....'
Weer een zin op 't laatste moment afgekapt. Steeds dacht ik dat-ie zich plots de details wist te herinneren. Maar elke keer weer was m'n moeder nodig.
'Naar Bristen,' vulde m'n moeder opnieuw aan.
'Daar zijn we later toch wel 'ns geweest?' vroeg ik.
'Over een heel smal pad, steil naar boven,' vertelde mijn vader.
'Dat was in 't Made, madera, matera, hoe heette dat dal nou ook alweer?' vroeg m'n moeder zich af.
''t Maderanertal,' zei m'n vader op z’n zwitserduits. Staccato kwam 't er uit. Zoals ze 't daar in Uri moeten hebben uitgesproken.

''t Ging vandaag wel goed met Pa,' zei ik in de auto tegen m'n moeder. Ze bracht me even naar 't station.
'Vandaag gaat 't wel,' antwoordde ze. 'Maar 't gaat toch niet goed met 'm.'
Ik keek opzij. M'n moeder hield 't verkeer in de gaten. Ik kon niet zien wat ze dacht.
'Van de week waren Theo & Yvon op visite geweest. Toen ze weg waren zei hij: "We moesten maar 'ns naar huis gaan." "Maar we zijn thuis, Niek. Dit is onze plek." "O, ja," zei hij toen, "dan moeten we die mensen maar 'ns weg sturen."'
Ze stopte voor 't station. Ik gaf 'r een zoen & stapte uit.

In de trein belde ik m'n moeder nog even op.
'Hoe heette dat dal ook alweer?' vroeg ik.

Zou 't net zoveel veranderd zijn als Zijperspace?

niks (2)

Nou moet ik natuurlijk verschrikkelijk uitkijken, op zo'n dag als 1 van die dagen van niks. Met mijn karakter, mijn onrust, mijn gemak & souplesse in 't bewegen, is een mens al snel geneigd in overtreding te gaan & is niks al rap iets. Mijn ongeremde energie, mijn drang mezelf als held te bewijzen, niet alleen in dromen (over mijn dromen zou ik nog kunnen zeggen dat ik me inderdaad als held gedraag, in 't dagelijks leven komt dat slechts een enkele keer voor), nopen mij tot geconcentreerd, rücksichtslos, ongegeneerd, me nergens wat van aan te trekken. Voor ik 't weet zie ik een klein kind bij 't zebrapad niet naar links kijken, een moeder haar kinderwagen niet in de tram getild krijgen, of een omaatje te weinig wisselgeld bekomen van 't kassa-meisje bij de supermarkt.
Bij dat soort gevallen dwing ik mijzelf te denken: 'Kom op, Ton, er zijn zinniger dingen te doen op zo'n dag die 1 van die dagen van niks is.'
Ik roep dus keihard 'BOE' als ik dat kindje op m'n fiets passeer, trek zo snel mogelijk m'n voet van de onderste tree bij de tramdeur, & geef 't omaatje een zetje zodat ze toch vaart gaat maken de rij uit te komen & niet oplet wat ze in haar handen terug heeft gekregen. Gewoon een kwestie van doorduwen, niet omkijken, & gaan voor 't doel.
Dat doel mag ook weer niet te hoog in 't vaandel staan. Straks ga ik er nog moeite voor doen, dacht ik vanmiddag nog net bijtijds. Moeite voor niks is niet niks. Zeker niet als je bezig bent boodschappen te doen. Boodschappen mogen nog net, die dienen nl voor 't ontspannen op de bank hangen, maar gij zult geen zware boodschappentas met u meedragen. Klinkt bijna als gebod, maar 't is slechts ter zelfbescherming. 's Nachts ben ik al 2 keer zo breed, springen mijn biceps m'n t-shirts uit, lopen mensen met een wijde boog om mij heen, & ren ik net zo snel als dat m'n fiets me bij daglicht kan dragen; laat ik 't overdag dan rustig aan doen.
't Is zwaar, 't heldendom, zeker als je bij ontwaken niet geheel weet wat je zo al hebt uitgehaald in je droom. Ik, in ieder geval, weet ze niet altijd te herinneren. Ik voel me weliswaar superieur bij 't ochtendgloren, zo rond 9 uur is dat (geen anglicisme ditmaal; 't moet wel speciaal blijven), maar dat wil niet zeggen dat ik precies weet hoeveel mensen ik tijdens die nachtelijke uren behoed heb van een zekere dood.
Overigens, ik vergeet 't bijna te vermelden, draag ik gedurende mijn avonturen in dromenland absoluut nooit, ik benadruk: nóóit, een cape. Zoals men de simpele toeschouwer, lezer, luisteraar van heldenepi maar al te graag wil wijsmaken. Echte helden dragen geen cape, zeker niet in hun droom. 't Zou van den gekke zijn, men struikelt er alleen maar makkelijk over.

Edoch, met die boodschappen, waar ik natuurlijk geen cent teveel voor heb betaald, ben ik vanavond eten gaan klaarmaken. Dat is wel heel veel aktiviteit op 1 van die dagen van niks, hoor ik mensen denken. Maar, beste toehoorders, ik moest wel, want zonder eten kan een mens ook op dat soort dagen niet leven. Bovenal maakt 't 't leven wel heel lastig & ongemakkelijk 't te moeten leven op een lege maag. Is niet aan mij besteed. Liever roer ik dan, met een quasi-nutteloze blik in m'n ogen, om toch nog een beetje de schijn op te houden, een wijl in de hapjespan. Zodat de ingrediënten zich goed laten mengen & ik er uiteindelijk optimaal van kan genieten, dit natuurlijk door de geringe inspanning die er verlangd wordt van mijn kaakspieren, liggend, wellicht zittend voor de tv, genietend van weer een nieuwe aflevering van Blokken op de belgische tv. Voor uw aller informatie: bijna dagelijks op de 1e zender van onze belgburen, om 18.30 uur.

De vrije dag is wederom welbesteed in Zijperspace.

niks

Dit is 1 van die dagen van niks. Niks doen, niks doen, & verder nog een beetje onnuttig werk, op de was doen na. Misschien ga ik straks nog m'n tanden poetsen. Dat mag men mij niet euvel duiden, want 't voelt op een gegeven moment zo plakkerig. Bovendien heeft mijn tandarts me voorgeschreven dat ik na elke maaltijd aan haar moet denken. Ze doelde daarbij niet op haar lichaam.

Eigenlijk begon ik m'n dag verkeerd, als ik 't tenminste 1 van die dagen van niks wilde laten worden. Met voorbedachte rade, dat is. (Dat was een anglicisme, mooi hè). Ik stond nl om 8 uur op. Doe ik anders nooit. Of 't moet zo zijn dat ik op vakantie ga, & terwille daarvan de trein naar 't buitenland moet halen. Dat is de enige uitzondering. Of soms word ik ziek, maar dan staat 't hele tijdschema van donker, licht & m'n lichaam die zich daaraan aanpast op z'n kop. Dat is een andere enige uitzondering. Meer enige uitzonderingen heb ik niet.
Ik stond om 8 uur op. Dat kwam doordat ik om 12 uur naar bed was gegaan. Doe ik anders nooit. Daar heb ik slechts 2 uitzonderingen voor. Deze keer paste dit voorval (ik heb er geen ander woord voor) niet in die 2 uitzonderingen. Ik had gewoon slaap. 8 Uur is wel zeer vroeg voor mij. Dus ging ik maar in m'n blote niks voor 't beeldscherm van de comp zitten. Je moet toch wat. Buiten die handeling zette ik ook alles open richting slaapkamer, zodat ik daar later een boekje kon gaan lezen, in m'n bed wel te verstaan. Lekker warm een boekje lezen, heerlijk. Zou ik vaker moeten doen, dacht ik nog.
Voordat 't zover was, heb ik me 1st onledig gelaten met 't binnenhalen van allerlei muziek. Als ik daar 1maal aan begin is er geen stoppen aan. Slechts werk, verplichtingen, slaap, & dodelijke verveling kunnen mij daarvan afhouden. Ditmaal was 't na 2 uur de laatste mogelijkheid. Stom gedoe, de hele tijd met je toetsenbord & muis zitten klooien, dacht ik, & maar staren naar 't beeldscherm. Dus stopte ik ermee, uiteindelijk. Boekje lezen, dacht ik wederom, want dat idee was me 2 uur eerder te binnen geschoten.

Toen is dus 1 van die dagen van niks begonnen. Officieel. Hoewel ik vlak daarvoor al flink bezig was de dag tot niks te laten komen, maar daar was ik me toen nog niet van bewust.
Ik ben in bed gaan liggen, in m'n hand had ik 't boek dat ik wilde lezen, maar die heb ik al snel terzijde gelegd. 't Was nl zo lekker warm dat een boek erbij geen zin had. 't Leeslampje heb ik evengoed maar aangelaten, voor 't geval dat ik me mocht bedenken. Is niet gebeurd. Ik geloof zelfs dat ik niet echt de mogelijkheid had om na te denken, zó was ik bevangen door de dag van niks & 't daarbij horende grote behoefte aan slaap & droom. Vooral dat laatste. Ik heb nl een grote behoefte de illusie te hebben dat ik iets doe, ook al heb ik dan 1 van die dagen van niks. Een droom helpt daarbij. Ik ben in mijn dromen nl vaak een grote held. & Om een held te zijn heb je veel energie nodig, zeker in mijn dromen. 't Is maar dat u 't weet. Eigenlijk is 't een soortemet overcompensatie.

Moet ik nog even uitleggen hoe 't zit met de was. Dat had ik gisteren al bedacht. Ik dacht, vlak voor slapen gaan: morgenochtend moet ik de was maar 'ns gaan doen. Niet echt een verheffende gedachte, maar dat zij zo, ik dacht 't nu 1maal.
Ik was dus 2 uur lang niet zoveel zinnige dingen achter de comp aan 't doen, hedenochtend. Af & toe wordt men tijdens dit soort bezigheden gedwongen 't toilet te bezoeken. Vreemd genoeg gebeurt mij dat stukken minder vaak als ik lig te slapen, maar dit terzijde. Mijn wasmand staat in mijn badkamer, naast de wasbak. De wasbak hangt naast de toiletpot. Zodoende. Ik werd aan mijn voornemen van de avond ervoor herinnerd, doordat ik niet de hele tijd naar die straal die naar beneden klaterde wilde kijken. Niets zo oninteressant als de ochtendplas, denk ik altijd maar. Nadat mijn blik gevangen was door de wasmand moest ik opeens wel de was doen, anders was mijn voornemen geen voornemen. Een voornemen bestaat pas als-ie wordt uitgevoerd, naar mijn stellige overtuiging. Want als je 'm niet uitvoert, dan heeft 't ook geen zin gehad 'm voor te nemen. Daar wil ik altijd duidelijkheid over hebben. Zodoende dus, zoals ik al zei.
Maar goed, de rest van de dag is 1 van die dagen van niks.

Heel veel niks in Zijperspace.

rood

’t Is een klein dingetje. ’t Is dat-ie rood is, anders zou je ‘m niet zien. & Als-ie wat breder of langer zou zijn, zou je denken dat ’t onderdeel is van couperose, een gesprongen adertje, alleen wel wat vreemde plaats, daar midden op de rechterneusvleugel.
Ik bof nog: ik hoef ‘m niet de hele dag te aanschouwen. Maar aan de andere kant: ik weet dat-ie er zit, m’n vinger wrijft er zo nu & dan over, & daarnaast beschouw ik me ’s ochtends & vlak voor slapen gaan middels de spiegel. Daar zit-ie, denk ik dan. Nog steeds, ietwat verongelijkt erachteraan.
Ik krab er wat aan. Een velletje liet zich er van de week af pulken. Een dun schilfertje. De pukkel bleef. Prachtig rood schijnend. In zoverre ik dat woord ‘prachtig’ erbij kon denken. Nog iets meer rood dan even ervoor.
Ik zei tegen Eva: ‘Heb jij ook zo’n jeuk aan je neus?’
‘Huh?’ zei ze.
Vrouwen reageren vaak enthousiast op dit soort opmerkingen. Dus herhaalde ik ’t maar.
‘Wat dan?’
Mannen moeten ook moeite doen om tot de ziel van een vrouw door te dringen. Voor een vrouw zijn sommige handelingen vanzelfsprekend, zoals ’t krabben aan de neus. Een man ziet daar meteen veel meer in. Alles moet een reden hebben. ’t Leven dient zo efficiënt mogelijk ingericht te worden. Ook al is er slechts een neus mee gemoeid.
‘Je zat de hele tijd aan je neus te krabben,’ zei ik tegen Eva.
‘Oh? Dan had ik waarschijnlijk jeuk, ja. Jij ook dan?’
‘Ja, ik heb een pukkel op m’n neus.’
Ik liet m’n aangezicht van de zijkant zien. Boog ietwat naar voren, voorzover de bar die ons scheidde mij toeliet.
‘Ik zie niks.’
Ze boog ook naar voren. Haar vriendin was ook maar al te bereid om van dat uitzicht te genieten.
Ik hou van vrouwen. Je kan zulke doodgewone zaken met ze bespreken. Zaken waarvan mannen zeggen dat ze verschrikkelijk banaal zijn. Laat mij dan maar van banaal houden, zolang ik ’t met een vrouw kan delen vind ik alles best.
‘Ja, ’t is een hele kleine,’ zei ik, ‘maar hij zit er wel. Ik voel ‘m in ieder geval. & Als ik voor de spiegel sta zie ik dat-ie rood is. Dat vind ik zo’n raar beeld: een prachtig gezicht als dat van mij & daar ergens rechts in ’t midden, als ik in de spiegel kijk tenminste, voor jullie zit-ie links, wordt ’t ontsierd door zo’n piepklein puntje rood. Dat bovendien aanvoelt als een bobbeltje.’
Tegenover vrouwen kan je ’t ook beter over bobbeltjes hebben. Dat levert meer medelijden op. Pukkels zijn vies, hooguit interessant om weg te knijpen. Bobbels zijn eng. Men weet niet wat onder de bobbel verborgen zit. Een persoon die lijdt onder ’t bezit van een bobbel moet geholpen worden. & Vrouwen willen nu 1maal verzorgen. Al is ’t maar dmv ’t geven van aandacht. Daar was ik nu net op uit.
‘Nou,’ zei Eva, ‘dan moet je krabben.’
Dat vond haar vriendin ook.
‘Heb je trouwens nog 2 bier voor me?’
Daar moest ik ’t voor vandaag maar mee doen, besloot ik, & krabde aan m’n neus, terwijl ik een glas onder de tap hield.

2 Maal per dag genieten we evengoed van ’t uitzicht in Zijperspace.

kruik

'Ik was hier vorige week ook al,' zegt 't kleine dametje, 'ik weet niet of 't bij u was, maar ik kwam hier voor een kruik.'
Ze wendt haar hoofd richting de schappen gevuld met bier. Met haar neus wijst ze aan waar ze op doelt. Alsof 't vanzelfsprekend is.
'U had een kruik, maar die was niet groot genoeg. Hij was 75 cl. Ik had een kruik van 1 liter nodig. Voor m'n neef. Want vroeger sliep-ie altijd met een kruik. Een stenen kruik. Stenen kruiken blijven nl veel langer warm. Die blijven de warmte vasthouden, ziet u. U had dus een kruik van 75 cl, die was niet groot genoeg. Hoewel 't best zou kunnen dat de kruiken vroeger ook 75 cl waren, maar we dachten eigenlijk 1 liter. We zijn er niet meer zeker van hoe die kruiken er vroeger uitzagen. Ik ben stad & land afgeweest om een kruik te vinden. Die vind je gewoon nergens meer. Maar u had gelukkig nog kruiken.'
Ze loopt naar boven. Haar korte benen tillen haar de trap op. In haar hand houdt ze haar tas vast, een blauwe boodschappentas, jaren 70, net te groot voor een handtas. Boven buigt ze voorover om de bewuste kruik bier te kunnen pakken.
'Wat is 't eigenlijk voor bier?'
Ze wijst de kruik aan.
'Dat is een winterbier,' antwoord ik.
'Hoe smaken winterbieren?'
'Oh, dat kan heel verschillend zijn. Meestal zijn ze zwaarder, kruidiger, donkerder dan andere bieren, maar dat hoeft niet perse.'
'U heeft 't bier wel 'ns gedronken?'
'Nee, deze niet. Deze was te duur om zomaar te gaan proeven.'
'Oh, zou ik 't dan wel doen? Ik moet 't nl zelf opdrinken.'
'Bier van deze brouwerij is altijd erg goed.'
'Welke brouwerij?'
'Dit komt van een brouwerij in Groningen.'
'& Wat voor bier maakt deze brouwerij?'
'Allerlei verschillende. Maar dit is een winterbier.'
'Hoe smaakt winterbier dan?'
'Dat kan heel verschillend zijn. Waarschijnlijk smaakt-ie een beetje kruidig & ...'
Ze onderbreekt me. Ze wil verder met haar eigen verhaal.
'Ziet u, m'n neef Leo die sliep vroeger altijd met een kruik. Nu is 't wat kouder geworden, dus hij wil weer met een kruik slapen. De vorige is gebarsten. Daarmee zijn we teruggegaan naar de fabrikant. Die wilde geen schadevergoeding geven. Dat had-ie beter wel kunnen doen, maar hij zei dat hij geen schuld er aan had. Dus dat ging 'm geld kosten. Denkt u trouwens dat deze kruik kan barsten?'
'Nee, hoor. Zo snel barsten kruiken bier niet.'
'& Als 't bier ouder wordt?'
'Nee, daar kan een kruik niet van barsten.'
'Waar dan van?'
'Als er te veel koolzuur in 't bier zit. Maar dat gebeurt niet zo snel.'
'Kijk, hij moet dus gaan dienen als kruik voor in bed. Dus er moet kokend water in. Stenen kruiken houden die warmte heel lang vast.'
'U moet er natuurlijk wel om denken dat een kruik wel kan barsten als hij koud is & er plotseling gloeiend heet water in geschonken wordt.'
'Oh? Kan dat wel? Dat wist ik niet. Vindt u 't dan erg als ik even met mijn neef Leo ga bellen? Dat moet ik 'm toch wel even vertellen. Anders kan ik 'm niet kopen. Hij woont in Amsterdam, dus 't wordt niet zo'n duur belletje, hoor.'
Ik geef 'r de telefoon. Zij haalt haar bril tevoorschijn uit de tas.
'U moet 1st 't nummer drukken & dan 't knopje 'yes'.'
Ze krijgt kontakt.
'Ja, hallo, Leo. Ik sta hier in de Bierkoning voor die kruik van je. Maar de meneer die mij geholpen heeft, zegt dat ik er wel rekening mee moet houden dat de kruik kan barsten als je er heet water in gooit. (...) Ja, maar meneer bedoelt dat dat kan gebeuren als er plots een temperatuurverschil optreedt. (....) Ja. Ja. Ja. Nee, dan doe ik 't gewoon. Tot kijk dan maar weer, hè. Dan zie ik je volgende week.'
Ze geeft me de telefoon. Ik druk 't 'no'-knopje voor haar in, zodat de verbinding verbroken wordt.
'Hij wilde weten of ik dan dacht dat 't geen goede kruik was,' gaat ze verder, 'dus heb ik 'm maar uitgelegd dat u bedoelde dat 't slechts kon gebeuren als er plots kokend water in een ijskoude kruik werd gedaan.'
Ik sla de fles aan op de kassa.
'Dat is dan € 7,50, alstublieft.'
'Dat wil ik dan graag pinnen, alstublieft.'
Ze haalt haar pasje tevoorschijn uit een vakje aan de onderkant van haar tas. Staart vervolgens naar 't pin-apparaaat, haar neus nog geen 10 cm ervan verwijderd.
'Doe ik 't zo goed?'
'Ja, hoor. U kunt uw nummer indrukken.'
'Goed. & Dan nu zeker 'ja' intoetsen. Ja, ziet u, 't is voor m'n neef. Hij krijgt 't van me. Maar hij wil alleen maar die kruik hebben. Dus heeft u misschien een stukje kadopapier voor me? Ik wil dat dan thuis in gaan pakken. Want 1st moet 't bier eruit. Ik zal dat zelf maar op gaan drinken. 1 Flesje bier is wel te doen.'
Ik pak een stuk kadopapier & wil 't haar aanreiken, tegelijkertijd met de kruik.
'Nee, doet u mij maar een tas; ik weet niet of mijn tas dat wel houdt.'
Ik gehoorzaam haar. Ze pakt de tas aan met haar linkerhand. De hengsels van haar eigen tas slaat ze om haar andere pols. De stof ervan knijpt ze stevig met haar hand vast.
'M'n neef zal wel blij zijn. 't Heeft lang geduurd voordat ik een kruik voor hem had gevonden. Nu maar hopen dat-ie groot genoeg is. Ik ben vanavond in ieder geval wel zoet.'

Visioenen van dronken oude vrouwtjes verschijnen in Zijperspace.

suggestie

Waar begint 't verleden & waar wordt 't verleden heden? Kan 't verleden geïllustreerd worden door beelden & geuren? Of zal 't in woorden gevangen moeten worden? Waarbij er een selectie gemaakt wordt van de veelheid aan gegevens, zodat 't verleden een verhaal wordt, door de toehoorder of de lezer te bevatten. Hoe leg je uit dat een bepaalde omgeving ervoor heeft gezorgd dat er een persoon is ontstaan, net als bijna elk ander mens rechtop lopend, in 't bezit van gehoor, gezicht, reuk, spraak, communicatief, op zichzelf, & toch een sociaal wezen?
Waar ontmoet 't verleden 't heden? & Hoe kan je ervoor zorgen dat 't verleden te verhapstukken valt? Hoe wordt 't verleden vervormd doordat 't verteld wordt? Hoe komt 't verleden weer tot leven?

Nou moet men na 't lezen van bovenstaande niet meteen gaan denken dat ik een beetje zweverig ben geworden. Dat ik diepfilosofische vraagstukken bij de lezer wil deponeren. & Dat ik bovendien een antwoord op genoemde vragen verwacht. Ik sta nog steeds met beide benen op de grond, geloof niet in reïncarnatie of een leven na de dood (maar laat eenieder vrij zichzelf daarin te vinden), maar ben wel geïnteresseerd in hoe verhalen verhalen worden. & Waarom ze worden verteld zoals ze verteld worden. Hoe 't komt dat ieder persoon een eigen stempel op een verhaal kan drukken, een zeer persoonlijke stempel. & Ik vroeg me af of verhalen over 't verleden van mensen ook door anderen verteld konden worden. Kunnen ze worden geïllustreerd, in ’t verleden neergezet? Etcetera.
Er zijn nog veel meer kwesties te verzinnen met 'tgeen ik in m'n hoofd heb. Iets simpels, maar tegelijk misschien wel intrigerend, dacht ik zelf. Iets waarbij ik andere mensen nodig heb, andere mensen die ook schrijven, die iets over hun eigen wereld willen vertellen, dat al doen, maar dat ook 'ns op een andere manier willen proberen.
Men zou kunnen suggereren dat we reeds de beschikking hebben over een grote groep webloggers die voldoet aan die omschrijving. Tenminste webloggers die zowiezo over hun dagelijks leven schrijven, maar bovendien bereid zijn een kleine uitdaging aan te gaan. & Bij een uitdaging moet men niet meteen denken aan iets groots, gevaarlijks, ondernemends als voor 't 1st te gaan bungy-jumpen of al liftend naar Santiago de Compostella te reizen & daar loggend verslag van te doen. Ik wilde 't meer persoonlijk houden, iedereen in z'n waarde laten, zonder extreme avonturen. Maar ik zou wel willen dat men op stap gaat in een wereld die niet de wereld is zoals men die elke dag beleeft; nl 't verleden van een andere weblogger.

Kortom, ik zit al een tijd de denken om webloggers, 2 aan 2, op pad te sturen om elkaars verleden te beschouwen. In die zin dat men op zoek gaat naar een belangrijke plek voor 1 van de 2. Waarbij eenieder vervolgens op de bijbehorende weblogs (& desnoods een speciaal daarvoor gecreëerde) kan lezen hoe zij ’t ervaren hebben, & ’t de bedoeling is dat de 1 z’n verhaal vertelt over ’t verleden, hoe hij een bepaalde plek ervaren heeft in zijn jeugd; de ander vertelt hoe ’t verleden neergezet kan worden in ’t heden: hoe ervaart hij ’t verhaal van ’t verleden, hoe staat ’t er heden ten dage bij, wat maken de 2 gezamenlijk mee op zoek naar de plek van toen.
Een project dus. Waarbij liefst zoveel mogelijk wegbloggers meedoen. Om ’t verleden neer te zetten in ’t nu, & digitaal, via internet, te bewaren voor later. In stereo, 2 verhalen, 2 delen, elkaars spiegelbeeld van dat wat misschien wel waar is, maar slechts een tekening is van ’t toen, opgeschreven voor de mens van later.

Heeft iemand zin?

Zodat we de geschiedschrijving zelf ter hand kunnen nemen in Zijperspace.

Later: De volgende ochtend word ik wakker & besef ik me dat ik m'n idee waarschijnlijk toch niet weet uit te leggen, 't misschien wel belachelijk gevonden wordt & dat 't verspilde moeite is. Maar ach, ik heb weer een tekstje geschreven, heb me zinnig bezig gehouden met wat gedachten & ze op papier te zetten; laten we 't daar bij laten. Wie weet heeft iemand anders ook nog een moment wat dieper nagedacht. Mooi meegenomen.

wapens

't Is een komen & gaan van mensen die blikjes of flesjes bier uit de koelkast willen hebben. Ook al is 't koud buiten. Men wil nou 1maal iets te drinken hebben bij 't demonstreren. Of terwijl men toekijkt, zoals Westmalle & de Marokkaan.
'Hé,' zegt Westmalle, terwijl ze binnenkomen, 'waar denk jij nou dat die oorlog om gevoerd wordt? Daar zijn wij al een tijdje over aan 't discussiëren. Al die demonstranten die voorbij lopen denken dat 't oorlog vanwege de olie is. Staat allemaal op hun spandoeken.'
Westmalle loopt tijdens 't praten naar boven om een flesje uit 't schap te pakken. Hij kijkt onderwijl naar mij om, vervolgt z'n verhaal, beweegt z'n arm om 't verhaal kracht bij te zetten, & heeft totaal geen aandacht voor de Marokkaan.
'Hallo,' zegt deze, 'hoe gaat 't?'
Dat is 1 van de redenen waarom ik 'm niet uit kan staan. Hij zegt dingen die hij niet meent. Alsof hij zou willen weten hoe 't met ons gaat. Z'n glimlach is gebakken lucht.
'Zou je misschien de deur achter je willen dicht doen?' vraag ik 'm. 'Wij staan hier slechts in t-shirtjes.'
Westmalle komt druk verder betogend naar beneden lopen. Hij is er nog niet mee klaar.
'Die oorlog voeren ze omdat ze hun wapens kwijt moeten. Wat denk je dat de grootste industrie in Amerika is? Waar wordt 't meeste geld mee verdiend? & Wat is de grootste kostenpost in de begroting van de Verenigde Staten? Als ze nu oorlog kunnen voeren dan kunnen ze die wapens gebruiken. Dat heb je toch wel op tv gezien, tijdens die vorige oorlog? De Golfoorlog. Hadden ze opeens de meest moderne vliegtuigen & wapens. Eindelijk konden ze die gebruiken. Dat is nu gewoon ook zo. & Hoe denk je dat Irak aan al die wapens komt? Al die chemische wapens die zij hebben, hebben ze allemaal gekocht van Frankrijk & Duitsland. Daarom zijn die tegen die oorlog. Want als er straks een bom opvalt & ze vinden de onderdelen, dan vinden ze allemaal stickertjes, waarop staat: Preparé en France; of: Gemacht in Deutschland. Ze willen niet dat dat ontdekt wordt.'
Westmalle staat nog ½erwege de trap.
'Wat heb jij?' vraagt de Marokkaan.
Westmalle wordt even uit z'n verhaal weggerukt: 'Oh, dit.'
Hij laat z'n flesje zien.
'Dat wil ik ook. Is dat lekker? Dat haal je van boven?' zegt de Marokkaan, onderwijl al Westmalle passerend. Als hij terugkomt bij de kassa rekent-ie voor beide flesjes af. Westmalle praat gewoon verder.
'Daar hebben we 't nou al een uur over. Met z'n 2-en. Ze denken allemaal dat 't vanwege de olie is, maar er wordt genoeg olie geboord op de rest van de wereld. Irak was 10 jaar geleden nog vriendjes met Amerika, heeft ook allemaal wapens gekocht van ze, & nu wil Amerika dat die wapens vernietigd worden.'
'Moet ik 't flesje terugbrengen bij jullie?' vraagt de Marokkaan.
'Ja,' antwoord ik, 'er zit statiegeld op.’
‘Ach, dat hoefde ik niet te weten. Kan ik ’t ook bij iemand anders kwijt? Straks loop ik door de Albert Heijn met zo’n flesje, kan ik ’t daar ook inleveren?’
‘Dat hangt er vanaf of zij ’t ook verkopen. Maar bij ons kan je ’t in ieder geval altijd kwijt.’
Ze lopen naar buiten, maar Westmalle is nog lang niet klaar.
‘'t Gaat allemaal om wapens,’ kan-ie nog net zeggen voordat de Marokkaan ‘m verder door de deur duwt. De deur blijft bij die aktie weer open staan. Ik zal ’t zelf moeten doen.

Enkele minuten later komt de Marokkaan weer aanzetten. Hij komt gelijk op de toonbank aanlopen. Ik ben echter nog met een andere klant bezig. Tussendoor heb ik echter nog wel de tijd om te vragen of-ie de deur weer wil dichtdoen.
‘Wat?’
‘Kan je nou ‘ns een keertje de deur achter je dichtdoen?’ herhaal ik geïrriteerd.
‘Maar ik kom alleen maar een flesje terugbrengen,’ zegt-ie verongelijkt.
‘1st Moet ik deze klant helpen, dus in de tussentijd kan jij de deur sluiten. Dat moet toch niet te moeilijk zijn?’
Als ik ‘m z’n duppie statiegeld heb gegeven, laat-ie bij ’t verlaten van de winkel weer de deur openstaan. Ik wil ‘m wat naroepen, maar bij de deur kom ik Westmalle tegen.
‘Ik word gek van die gozer.’
‘Oh, sorry, dat wist ik niet. Ik had ‘m meegenomen omdat we ’t over de oorlog hadden. Voor de rest ken ik ‘m niet, behalve dan dat-ie altijd pillen voor de Albert Heijn staat te verkopen. We raakten gewoon aan de praat over waarom Amerika nou perse oorlog wilde voeren. Niemand was ’t met ons eens & zo raakten we verder in gesprek.’
‘Volgens mij heb je trouwens ongelijk. Amerika produceert zelf die wapens & moet ze tijdens die oorlog ook gebruiken. Dat zou ‘tzelfde betekenen als dat de eigenaar van deze winkel al z’n bier zelf zou drinken.’
‘Nee, da’s geen vergelijking. Jouw baas heeft een winkel. Als ik m’n bier niet bij hem koop, dan koop ik ’t bij iemand anders. Dan heeft hij straks niets meer te eten. Bij Amerika is ’t anders. Zij maken de meeste wapens in de wereld. Iedereen moet wel bij hun kopen. Hun hele economie is op wapenindustrie gebouwd. Nee joh, die oorlog gaat om wapens. Niet om olie.’

Maar dorstig blijft men altijd in Zijperspace.

pfffffffrrrrrt

Ik kom er niet van af. Ook al weet ik dat 't belachelijk is, waarschijnlijk ook belachelijk klinkt als ik 't vertel, ik kan nog zo m'n best doen, maar ik kom er niet van af. Vooral als ik onder de douche sta op plekken waar een paar meter van mij vandaan gelijktijdig andere mensen hun sanitaire handelingen verrichten, probeer ik zeer m'n best te doen 't te vermijden. Zo zachtjes mogelijk is ook wel een optie, een concessie die ik doe vanuit de wetenschap dat ik me toch niet zal kunnen beheersen. Maar eigenlijk vind ik 't dwangmatige al van den gekke. Terwijl ik sta te douchen stel ik me al voor wat anderen vinden van 't geluid. 'Pffffffrrrrrt' gaat 't. 't Is eigenlijk jammer dat ik 't geluid moeilijk in letters kan vangen, dan zou men zich beter kunnen verplaatsen in mijn situatie. Misschien zelfs lichtelijk plaatsvervangende schaamte gevoelen. 'Ton, dat heb jij toch niet nodig,' hoor ik de mensen al denken. Ik moet u zeggen, waarde lezer, dat denk ik zelf ook. Zet mij echter onder de douche & ik kan 't niet laten. 't Is er uit voordat ik 't doorheb. De 1e spetters zijn op m'n hoofd gevallen & welluidend wordt de gehele badkamer gevuld met 't geluid van mijn afwijking. Gaat u er maar aan staan, op een overvolle camping, waar 100-en mensen in dezelfde ruimte beschikking hebben over een minieme hoeveelheid toiletten & douches bij elkaar gedrukt in zomin mogelijk cm². Iedereen hoort iedereen, elke zucht, elke scheet. & Ik sta daar ongegeneerd 'pffffffrrrrrt' te produceren. Nou ja, ongegeneerd, eigenlijk schaam ik me dood, ik probeer 't geluid tot een minimum te beperken, & toch weet ik dat de man die voor de wasbak z'n baard elektriek probeert te verwijderen erdoor afgeleid wordt. Hij schrikt even op, denkt dat er spontaan een scheur in z'n onderbroek is ontstaan, stopt z'n vinger in 't optionele gat, vraagt zich nog een moment af welk onheil de camping zal overspoelen & gaat dan ongemoedereerd ('gelukkig' slaak ik een zucht onder de douche) verder met de linkerwang.

Nee, ik moet ervan af. Ik moet ermee ophouden m'n mond open te zetten als ik onder de douche stap om 't vervolgens leeg te spuiten tegen de muur om dan te kijken of er nog ontbijtresten tegenaan kleven. 't Is schaamteverwekkend, zo'n gewoonte, & nergens voor nodig.

Zwijgzaam verwijderen we kruimels van de muren in Zijperspace.

nowarlog

nowarlog

't Schrijven van onderstaande stukjes heeft natuurlijk waarde, zo waag ik elke dag bij mezelf te bedenken. Maar waar zou die waarde blijven als wij verantwoordelijk zijn voor 't vernietigen van mensen, als wij, als individuele burgers, niet individueel een standpunt hebben ingenomen tegen 't ontstaan van oorlog, tegen 't aanvallen van een land & zijn bevolking?
Ik roep mijn lezers dan ook op morgen de 15e februari te gaan demonstreren tegen de aggressieve houding die de VS inneemt ten aanzien van Irak. Ik kan er zelf niet bij zijn, ik heb verplichtingen tegenover mijn baas, maar de winkel waar ik op dat moment werk is al tot ontmoetingsplaats benoemd van enkele webloggers & aanverwanten. Verzamelt u dus allen rond 13.30 uur (correctie: 12.30 uur, doordat ik moet werken heb ik me blijkbaar niet genoeg verdiept in de aanvangstijd van de demo) voor Paleisstraat 125; ik zal u gaarne aanmoedigen luid uw stem te laten horen door 't te smeren met de inhoud van een flesje spa, orangina, of wellicht een blikje bier, door mij aangeboden (zolang m'n portemonnee 't trekt).

Zodat ook de stem uit Zijperspace over de Dam zal schallen.

dimensies

't Zou natuurlijk heel goed kunnen dat ik afgelopen nacht ben overleden vanwege 't eten van een maaltijd bereid met tuinkruidenbouillonblokjes die hun officiële houdbaarheidsdatum lang hebben gepasseerd. 't Zou een ware marteling kunnen zijn geweest, een heuse doodstrijd, waarbij ik meermaals zou hebben geprobeerd eigenhandig mijn maag & verdere inhoud van m'n zogenaamde buik te amputeren door mijn nagels & bijbehorende vingers erin te klauwen. Kronkelend zou ik mijn bed overhoop hebben gewoeld, onbekend met 't feit dat ik me daardoor richting rand van mijn hoogslaper begaf, hallucinerend van de tergende pijn die mijn darmstelsel bezighield, volledig niet bij zinne om te merken dat zich naast 't randje van de hoogslaper een afgrond van 1½ meter bevindt, niet bevorderlijk voor de gezondheid indien men dat ondersteboven slechts gedreven door de neerwaartse dwang van de zwaartekracht aflegt, zeker niet met 't hoofd als voorganger in die route.
Kortom, ik zou m'n nek kunnen hebben breken dankzij de tuinkruidenbouillonblokjes.

Momenteel ervaar ik 't alsof er niks gebeurd is. Ik ben 't consumeren van de boosdoeners (ook in 't onderhavige geval mag ik ze als zodanig betitelen, daar ze mij geestelijk meer dan 2 etmalen behoorlijk bezig gehouden hebben) op een gegeven moment totaal vergeten, resulterend in een welverdiende nachtrust, mooie dromen (ik zal u de details besparen) & een uitgeslapen gemoed hedenochtend.

Maar is 't ook werkelijk zo? Zou 't niet kunnen dat toevallig de dimensie 'Ton' die ik nú beleef de tuinkruidenbouillonblokjes als ongevaarlijk heeft ervaren, terwijl er een andere dimensie 'Ton' zich elders omdraait in 't graf, zich voor de kop slaand vanwege 't feit dat-ie weer naar de adviezen van collega Saskia heeft geluisterd, met als onvoorzien resultaat 't afscheid van 't wereldlijk leven? Waarmee ik mezelf de vraag probeer te stellen of ik wel degelijk beleef wat ik nu beleef of dat ik misschien slechts een mogelijkheid beleef die 't resultaat is van bepaalde keuzes, omstandigheden, faktoren, terwijl er op 'tzelfde moment door andere dimensies 'Ton' totaal andere mogelijkheden worden ervaren. Is 't misschien illussie dat ik á ce moment çi 't idee heb dat ik nog leef? Bestaan er op dit moment andere mogelijkheden van dezelfde persoonlijkheid, maar dan in andere omstandigheden?
Ik had aan 't eind van de straat linksaf kunnen slaan, maar ook rechtsaf. Wie zegt dat degene die rechtsaf is gegaan niet bestaat, als ik de linkerweg heb gekozen? Omdat de keuze rechtsaf te gaan alleen al in m'n hoofd als mogelijkheid is ontstaan, zou 't heel goed kunnen dat er een 2e Ton verder is gaan leven, weliswaar in een andere dimensie, die niet mede ervaren kan worden door de entiteiten die de wereld meebeleven zoals de linksafslaande Ton, & is gaan kijken wat 't resultaat is van die keuze. & Dat elke keer dat ik voor een splitsing van 't leven sta er een nieuwe dimensie geschapen wordt doordat er een mogelijkheid tot anders leven ontstaat. Bestaat 't universum niet uit keuzemogelijkheden die allemaal tegelijkertijd beleefd worden, maar waar we ons niet bewust van zijn?

Tsja, daar moest ik even aan denken toen ik vanochtend de vraag kreeg voorgeschoteld of ik de tuinkruidenbouillonblokjes wel overleefd had.

Voor zover we op dit moment kunnen vaststellen in Zijperspace: ja.

tuinkruidenbouillonblokjes

Goed, die kruidenbouillon waar ik 't gister over had, daar moet ik nog iets over kwijt. Want ik kon natuurlijk niet zomaar voor 3 dagen maaltijden weggooien. Daar doe ik niet m'n best voor in de keuken.
3 Dagen maaltijden, hoor ik iemand z'n wenkbrauwen optrekken.
Ja, 3 dagen maaltijden. Als ik in de keuken ga staan om mezelf iets te bereiden wil ik daar een bepaalde mate van efficiëntie bij betrachten. Daar heb ik mijn koelkast/vriesgedeelte op geselecteerd. Model vrijgezel, zogezegd. Zodat ik wat kan bewaren. Ik bereid niet zomaar een maaltijd voor de dag van vandaag, maar denk meteen even vooruit, zodat ik voor elke dag van de rest van de week iets gezonds zelfbereids kan eten. Als ik na 9-en thuis kom van m'n werk heb ik toch geen zin om keukenprinsje te spelen. & M'n magnetron wel. Die staat zich de hele dag te vervelen, te wachten tot 't baasje 'm eens flink aan 't werk zet. De vriezer vriest natuurlijk ook niet voor niets. Of 't moet voor de ijsjes zijn die ik bewaar voor 't geval dat m'n neefjes & nichtjes plots voor de deur mochten staan. Dat laatste is al 7 jaar niet voorgekomen, dus kan ik beter een andere bestemming vinden voor de vriezende eigenschappen van dat kastje in m'n keuken.
Ik kook dus efficiënt extra veel. 1 Van de maaltijden verorber ik normaliter meteen dezelfde dag, de rest verdeeel ik in 2 porties, schep ik over in van die heerlijk burgerlijke vriesbakjes die je goedkoop kan inslaan bij de fantastische winkelketen Blokker, & zet ik als klein stapeltje (dat gaat zo makkelijk bij dit model bakje, ze zijn er op gebouwd om gestapeld te worden) diep weg in de vriezer.

Datzelfde ritueel had dus ook gister moeten plaatsvinden. Ware 't niet dat er geen rijst in huis was. Zonder rijst had ik niet meer dan een gehakt-sausje, met enkele stukjes groente. Niet echt bijzonder. Bovendien behoorlijk zout. Vanwege de bouillonblokjes. Tuinkruidenbouillonblokjes (ik heb de verpakking inmiddels weggegooid, maar ik kan me herinneren, alsof 't in m'n geheugen gebrand staat, dat de fabrikant, of anders in ieder geval de ontwerper van de verpakking, 't geheel & al aan elkaar geschreven heeft; daarom nog 1maal: tuinkruidenbouillonblokjes, & misschien straks nog een paar keer, want 't gaat nu 1maal in dit verhaal over tuinkruidenbouillonblokjes).

Pas nadat ik klaar was met 't bereiden van de maaltijd, of beter: de gehaktsaus, nu we toch deze term hebben laten vallen, kunnen we ten behoeve van de overzichtelijkheid, misschien moet ik zeggen 1duidigheid, beter slechts 1 term hanteren; pas nadat ik klaar was met 't bereiden van de gehaktsaus drong 't tot me door dat ik die tuinkruidenbouillonblokjes al een hele tijd in 't keukenkastje had liggen. Wellicht was 't zaak de houdbaarheidsdatum te controleren? Ik vond 't buiten koud; de vuilnis die ontstaan was door de kook-aktiviteiten, had ik nog niet durven plaatsen in de vuilnisbak, die zich dus, men begrijpt 't inmiddels wel, in 't koude buiten bevond. De verpakking van de tuinkruidenbouillonblokjse bevond zich derhalve nog op 't aanrecht. De uiterlijke datum van consumptie aangegeven op de verpakking luidde maart 2002, & inmiddels was ik gister inmiddels gearriveerd in februari 2003. & Met mij vele anderen, maar waarschijnlijk hadden die geen bouillonblokjes met die houdbaarheidsdatum op de verpakking in de maaltijd gedumpt.

Ik heb vanochtend evengoed de rijst in huis gehaald. Ik heb de rijst gekookt. & Dat geheel aan 't gister bereidde prutje toegevoegd. Nu was 't nog slechts een kwestie van durf.
Lef.
Moed.
Courage.
Guts.
Zou ik vanavond 't risico durven nemen de maaltijd te nuttigen? Op gevaar af vergiftigd te worden door od-tuinkruidenbouilonblokjes (od staat in deze voor 'over datum'; een beroepsterm, ik kon 't niet laten die ooit nog eens in 1 van mijn teksten te gebruiken).
Ik heb geen guts. Daar kan ik eerlijk over zijn. Zeker niet als die guts betrekking moeten hebben op mijn darmen. Een zeer gevoelig punt. Ik wil daar heus ook nog wel eens wat over vertellen, maar dat moet ik dan vantevoren gaan aankondigen, want ik weet dat dergelijke verhalen niet door iedereen geapprecieerd worden.

Ik leg dit soort kwesties over 't algemeen altijd aan andere mensen voor. Liefst zoveel mogelijk mensen. Dan kan ik m'n mening aanpassen aan degene die 't dichtst bij die van mij zit. Kortom, ik blijf m'n guts wegstoppen, ik wil van geen courage weten, ik gooi eten ter waarde van ong € 10,- liever door de gootsteen dan dat ik daarvoor een greintje moed bij elkaar wil sprokkelen. Ook al krijg ik de dapperheid van een andere persoon aangereikt.
Helaas sprak ik vanavond slechts met Saskia. Zij was de enige die ik vandaag als direkte collega had. Waar ik mee in kontakt stond omdat ik nou 1maal met haar samenwerkte. & Waar ik na afloop van 't werk een praatje mee ging maken. Over de houdbaarheidsdatum van tuinkruidenbouillonblokjes.
'Oh, dat kan helemaal geen kwaad,' zo sprak Saskia, 'ik let zelf nooit op de houdbaarheid van bouillon. Bouillon is toch voor 't grootste gedeelte zout, dat bederft niet zo snel. Soms voelen ze wel wat smeuïg, als ze een lange tijd hebben gelegen, maar ik heb nog nooit iets overgehouden aan bouillonblokjes die over datum waren.'

Ik zit nu ondertussen al 1½ uur te wachten op 't moment dat de bouilonblokjes de frontale aanval op m'n darmen gaan openen. Ik zit al die tijd te wachten tot ik de telefoon moet grijpen om Saskia op de hoogte te stellen van 't feit dat ze mijn dienst morgen over zal moeten nemen. & Om volledig zeker van m'n zaak te zijn, mocht Saskia willen ontkennen dat 't de schuld is van de tuinkruidenbouillonblokjes, heb ik, voor latere analyse, 3 happen van de gehaktsaus met rijst laten staan. Die zal ik zorgvuldige bewaren.
Ik laat af & toe een boertje, m'n buik voelt opgezwollen, m'n lichaam is moe. Helaas kan dit allemaal veroorzaakt worden door andere faktoren, zeker gezien 't feit dat ik deze verschijnselen altijd rond dit tijdstip van de avond heb.

Maar evengoed wachten we nog steeds in spanning op dat wat komen gaat in Zijperspace.

in antwoord op uw schrijven

Ik wil door iedereen gelezen worden, net zoals ik door iedereen aardig gevonden wil worden. Maar net als dat ik zal moeten accepteren dat ik door velen gehaat word doordat ik nou 1maal de persoon ben die ik ben, waar ik overigens niets aan kan doen, behalve door te stoppen met zijn wie ik ben, hoewel er dan weer anderen zullen zijn die mij hekelen, zal ik genoegen moeten nemen met 't feit dat ik altijd geliefd zal worden door slechts een deel van 't groter geheel. Slechts een deel van 't groter geheel zal waarderen wat ik schrijf, slechts een deel van mijn geheel, ik zal altijd slechts ten dele tevreden zijn met de hoeveelheid liefhebbers van 'tgeen ik schrijf. Helaas ben ik ook niet de persoon om concessies te doen. Ik ben niet in staat mezelf af te vallen, mijn eigen persoon te verliezen, m'n eerlijkheid & daardoor mezelf op te geven.
Ik heb dwarrelende gedachtes, zo zei eens iemand me. Ik heb haar uitspraak wel eerder aangehaald. Ik zie 't tegenwoordig nl als compliment. 1st Niet, hoewel ze 't wel zo had bedoeld. Of in ieder geval als constatering, als analyse van mijn zijn. Ik dacht dat er gedoeld werd op 't feit dat ik in mijn schrijven me niet kon concentreren op 1 aspekt. Eigenlijk is dat in zekere mate ook juist geconcludeerd, maar 't gaat verder dan dat. Zo heb ik 't tenminste mezelf uitgelegd. Als ik een bepaald iets in woorden probeer te vangen, een bepaald gevoel probeer om te zetten in taal, in geschreven woorden, dan gaan mijn gedachtes als vanzelf op zoek naar andere aspekten van datzelfde gevoel. Ik associeer, ik haal er andere facetten bij, ik voel, ik tast, ik probeer evenwicht te vinden, ik ben onzeker, ik hel over, maar krabbel toch langzaam naar 't einde van 't smalle koord waar ik mijn evenwicht op probeer te behouden. Dat is nou 1maal de consequentie van de weg die ik kies. Anderen durven niet zo makkelijk diezelfde koers te varen.

Ik heb vanmiddag gepoogd meer te balen van de broekriem die 't plots begaf. De pin viel op de grond, juist op 't moment dat ik in den vreemde op 't toilet stond. Gelukkig was mijn broek op maat; zonder 'm op te hoeven houden kon ik me op weg naar huis begeven. Desnoods hoef ik morgenochtend nogeneens onmiddellijk een winkel te bezoeken, derhalve een nieuwe te bekomen. Maar ik heb gepoogd meer te balen van de riem die 't begaf.
Ik heb gepoogd meer ongenoegen te halen uit 't feit dat ik geen rijst in huis had. Maar dan had ik misschien kronkelend over de vloer gekropen. Vanwege de 2 blokjes tuinkruidenbouillon met houdbaarheidsdatum maart 2002. Ik ontdekte 't pas toen ik op 't allerlaatste moment deze wilde toevoegen, er al van uitgaand dat ik met consumeren zou moeten wachten tot de volgende dag, vanwege de afwezigheid van rijst. Ik had dan waarschijnlijk meer happen genomen van de maaltijd die ik vanavond heb bereid, in zoverre je van maaltijd mag spreken als je de noodzakelijke rijst er niet aan toe hebt kunnen voegen. Maar ik heb in ieder geval meer ongenoegen uit 't ontbreken van rijst proberen te halen.
Ik heb mezelf in een roes gedompeld. Een roes van duits bier. 3 Maal een ½e liter heb ik achterover geslagen. Zoals 't een duitser betaamd. Dat is mij wel toevertrouwd. Ik weet tradities te waarderen. Ik weet ze naar mijn hand te zetten, zeker als ze betrekking hebben op 't nuttigen van bier. Zeker ook als ik genegeerd ben, ongemoeid gelaten, al meer dan een jaar lang, door grote groepen niet begrijpende lezers, lezers die geen lezers zijn. Ik heb mezelf in een roes gedompeld zodat ik geen wroeging hoefde te voelen tegenover zij die niet verstaan wat ik hier in m'n 1tje sta te schreeuwen, waarbij ik heus wel weet: een schreeuw van aandacht, maar net zo'n schreeuw als al die anderen die via internet grote aantallen bezoekers, kijkers, gluurders, voyeurs, belangstellenden, vrienden proberen te scoren; ik sta te schreeuwen dat 'tgeen ik schrijf nergens anders gelezen kan worden, in ieder geval niet ergens anders op internet.
Verder heb ik geprobeerd een boek te lezen. Om 't gevoel weg te drukken. Gewoon een boek. Enkele blz. Geconcentreerd. Gelegen in m'n bed. Vermoeid van 't drinken. Vermoeid van 't leven zoals ik leef. Vermoeid. Van 't schrijven ook. Ik probeerde te lezen. Enkele blz.
Ik viel in slaap. De hoofdpijn die mij vlak daarvoor reeds parten speelde, ik zou 'm wel 'ns tot zwijgen brengen was de gedachte, kwam bij ontwaken als een beroepstrommelaar mijn rechterslaap visiteren.
Paracetamol was op ontdekte ik enkele momenten later.

Ik dwarrel. Of zo doen mijn gedachten. & Toch denk ik dat ik verdien door u gelezen te worden. Ondanks. Dankzij.

Ik ben een jaloers kreng, heb ik me laatst bedacht. Ik zie de grootste gehaktbal door mijn vader uit de juspan gehaald worden. Hij komt op 't bord vóór hem terecht. Zíjn bord. Vervolgens deelt mijn moeder de op 1 na grootste & die er op volgend uit aan m'n broers naar gelang hun leeftijd. 1 Van de kleinste is mijn bekomst. Er zijn slechts 2 jongere broers onder me. Ik heb geleerd een jaloers kreng te zijn. Als ik iets lekkers krijg aangereikt stop ik 't zo snel mogelijk in m'n mond. Niemand mag 't hebben. Behalve ik. Er bestaat een grote concurrentiestrijd in een gezin van 7 mannenmonden. Er kan er maar 1 de sterkste zijn. De slimste. De handigste. 't Meest gewiekst. 't Oudst.
Ik dacht dat ik op latere leeftijd kon leven zonder jaloers te zijn. Maar op een gegeven moment stond ik te schreeuwen door een brievenbus. Om m'n toenmalige vriendin terug te krijgen. Omdat ik 't niet kon hebben dat iemand anders aan haar zat. Sindsdien durf ik mezelf toe te geven dat m'n haren recht overeind kunnen gaan staan als ik een sukkel zie kussen met de vrouw van mijn dromen. Ook al is 't een droom van 5 minuten, & vergeten bij ontwaken.

Ik wil gelezen worden. & 't Voelen. Maar elke keer gelezen worden is niet genoeg. Altijd heb ik bevestiging nodig. Elke keer moet ik weten dat men mijn dansje leuk vindt. Zoals ik op de film op 3-jarige leeftijd een dansje deed in een kamer vol visite. Iedereen lachte om mijn rondjes om de tafel, m'n opa gaf met z'n wandelstok 't ritme aan, z'n lach stond breed uitgemeten in beeld. Op een gegeven moment duurden de rondedansjes voor de ouderen, voor de visite, echter te lang, de lol was eraf. Maar ik bleef doorgaan, & barstte uiteindelijk in huilen uit. Omdat ik geen lach meer hoorde, geen aandacht meer kreeg.

Men zal nooit kunnen voldoen aan de eisen die men in Zijperspace stelt.

genomineerd

Gefeliciteerd, VJ. Je hebt 't verdiend. Je hebt nog meer verdiend dan alleen maar genomineerd te worden.
Ik weet van mezelf dat ik er eens ook zal staan. Ondanks dat men mij al voor 't 2e jaar negeert geloof ik nog steeds dat ik ooit ook ergens op een podium zal staan. Tussen anderen die gelauwerd worden. Ik voel 't, ik voel 't, ik weet dat ik ooit de erkenning krijg, dezelfde erkenning die jij me altijd al geeft, voor de uren, voor 't zweten, voor de vingers die niet aflatend op 't toetsenbord rammen.
Weet je, ik ben al bezig met de speech.

& Men oefent ook alvast de buiging in Zijperspace, voor later.

grapjes

M'n vader legde z'n hand op z'n hoofd. Hij tastte z'n voorhoofd af op zoek naar dat ene plekje, een soortemet moedervlek die sind jaar & dag nog net onder z'n haar verborgen zat.
'Kijk,' zei hij, 'zie je wel: dat plekje zit nog steeds onder m'n haar. Dat zat-ie ook al toen ik 20 was. Dus sinds die tijd ben ik niet kaler geworden.'
Vergenoegd keek-ie om zich heen. Een glimlach vol zelfspot, zo zagen wij. Een buitenstaander zou 'm geloven. Wij wisten beter.
We wezen naar z'n hoofd. Wezen de inmiddels diepe inhammen aan, naast de dunne lijn haar in 't midden.
'Maar Pa, aan de zijkant van je kuif zit bijna niks meer.'
't Haar van m'n vader lag over z'n hoofd naar achteren. Hij pakte in ieder geval 1maal per dag z'n kammetje uit z'n broekzak om met 2 of 3 halen 't haar naar achteren te kammen. Een kort moment kon je dan zien hoe lang de slierten eigenlijk waren die voor de rest van de dag over z'n hoofd lagen gedrapeerd.
'Nee, hoor. 't Is nog net zolang als vroeger.'
Z'n neus stak altijd wat meer naar voren als hij zichzelf in de maling nam. Wij broers hadden dat door, maar Ma trapte er altijd in. Ma nam nou 1maal alle grapjes serieus.

't Is lang geleden dat ik m'n vader z'n befaamde grapjes hoorde maken. De laatste keer vond plaats, voorzover ik me kan herinneren, toen hij naast z'n stoel ging zitten. In een volle kamer visite, allemaal te gast ter gelegenheid van de verjaardag van m'n broer. M'n vader wilde in 't, vanwege de onverwachte drukte, tevoorschijn gehaalde kampeerstoeltje gaan zitten, maar door z'n coördinatie-stoornis ten gevolge van Parkinson schoof-ie de stoel juist opzij ipv dichterbij. De hele kamer was geschokt toen men m'n vader met een bons op de vloer hoorde terecht komen. Er schoten wat mensen toe om m'n vader overeind te helpen. Je zag de mensen denken: die arme fragiele man heeft vast wat gebroken.
Maar terwijl de voltallige visite vervuld van medelijden & zorg naar m'n vader keek, vatte hij 't laconiek op door te zeggen: 'Ik dacht nog: zal ik me er gewoon in laten vallen of wachten tot-ie als vanzelf m'n billen opzoekt?'
Er klonk een zucht van opluchting in de lach die door de kamer trok.

Tegenwoordig hoor ik 'm geen grapjes meer maken. Volgende week ga ik weer naar 'm toe, heb ik m'n moeder door de telefoon toegezegd. Maar eigenlijk weet ik niet of ik wel naar hem ga. Ik weet dat ik dan m'n vader zie, die niet meer m'n vader is. Hij lijkt er niet meer op. Hij zal blij zijn mij te zien, maar is waarschijnlijk m'n visite alweer vergeten als-ie een uur later naar bed gaat. Hij zal 't misschien zelfs als te druk ervaren. Onoverzichtelijk: meer mensen in huis dan alleen m'n moeder & m'n jongste broer. Verontrust zal-ie in z'n stoel zitten, pogingen ondernemend 't gesprek te volgen dat m'n moeder & ik voeren. Een vragende blik zal zich op z'n gezicht aftekenen als-ie moet ondervinden dat-ie daar niet meer toe in staat is.
Ik weet ondertussen wat me staat te gebeuren als ik m'n ouders opzoek. Ik weet wat ik kan verwachten, of wat ik eigenlijk niet meer hoef te verwachten. Alles wordt minder. Geen grapjes meer, & met moeite zal er een glimlach op z'n gezicht te toveren zijn door een grapje te vertellen die de zoon van de vader heeft overgenomen.

'Nee, nee,' riepen wij, 'jij hoort niet bij ons. Ga weg.'
M'n moeder deed net zo hard mee: 'Nou, Niek! Ga ergens anders staan met dat malle pak.'
We schaamden ons rot tegenover de rest van de camping. M'n vader stond in z'n knickebocker, hoog opgetrokken tot over z'n navel, zuidwester op, in z'n hand een belachelijke stok die hij tijdens z'n wandeling ergens op de kop had getikt, voor 't raam van de caravan. Met z'n stok had-ie onze aandacht getrokken. Z'n glimlach straalde ondeugend dom door 't raam. Wat is er nou aan de hand, leek-ie te zeggen. Maar hij wist dondersgoed wat er aan de hand was. We wilden niet voor aap gezet worden door een vader die er niet uitzag. Zo'n vader wilden we niet hebben: een vader die als een levende vogelverschrikker over de camping liep. Wij verstopten ons onder de banken van de caravan, hopend dat we daardoor konden ontkennen dat wij kinderen van hem waren.
Pa kwam glimlachend de caravan binnen.
'De volgende keer doe ik dat pak aan als ik ga wandelen. Gaan jullie dan mee?'

De schaamte bleek uiteindelijk de grootste trots van Zijperspace.

ge-e-e-e-e-e-ek

Er staat een meisje voor me. Verlegen kijkt ze me aan. Ik ben een stuk groter, voel ik. Vooral ook omdat ik achter de toonbank sta. Haar vader is veilig groot. Zonder dat ze 't zelf door heeft poogt haar linkerhand zijn jaspand te pakken, maar ondertussen houden haar grote ogen mij in de gaten.
Ik heb haar net 'mevrouw' genoemd. 1st Kwam haar vader binnen.
'Hoi.'
'Hoi,' zei hij terug.
Ik ken 'm al een aantal jaren. Ik kan me nog herinneren dat z'n vrouw een dikke buik had. De inhoud van die dikke buik kwam nu achter 'm aanlopen.
'Dag mevrouw,' zei ik tegen 't 5-jarig kind. Schichtig keek ze op. Ze probeerde zich snel achter de benen van haar vader te verstoppen, & van daaruit te verkennen wie die gekke meneer was die haar mevrouw noemde. Samen trokken ze de winkel in. Ik zie ze nu pas terug, nu vader z'n bier moet afrekenen.
'Zo, mevrouw,' begin ik weer, 'hoe gaat 't er mee?'
't Blijft stil. Ik probeer haar belangstellend aan te kijken, maar zij kijkt weg. Naar haar vader.
'Ze is nog steeds even enthousiast als ze mij wilt begroeten,' zeg ik maar tegen hem.
Hij glimlacht een beetje. Geeft een aai over haar hoofd.

De buurvrouw komt binnen. Met haar dochter. Zelfde leeftijd als 't meisje dat voor me staat. Buurvrouw & dochter lopen achter vader & dochter langs. Vrolijk zeggen ze mij gedag in 't voorbijgaan.
'Hoi, Ton.'
'Hoi,' zeg ik tegen de buurvrouw. Tegen haar dochter: 'Dag, mevrouw.'
Vinden ze leuk als ze er 1maal aan gewend zijn.
Maar dan zie ik plots dat ze haar haar los heeft. Moet ik toch iets van zeggen, ook al ben ik met vader & dochter bezig.
'Hé, wat heb jij opeens lang haar?'
Parmantig draait ze haar hoofd naar mij om. Grote grijns van 'wat ben ik mooi, hè'.
'Hoe kom jij opeens aan zulk lang haar?' vraag ik verder. 'Zo snel kan 't toch niet gegroeid zijn. Vorige week was 't nog veel korter.'
Ze kijkt me aan alsof ik niet helemaal slim ben. & Loopt achter haar moeder aan.
Ik kijk weer naar 't meisje voor me.
'Snap jij dat nou? Vorige week had ze nog kort haar. & Nou is 't opeens lang. Dat kan toch niet? Jij hebt toch ook niet opeens lang haar.'
't Meisje legt haar handen in haar nek. Ze peutert iets los. Terwijl ze 't elastiekje naar voren trekt vallen haar haren over de schouders. Ze kijkt me voldaan aan. Met evengoed nog steeds die verlegen blik.
'Heb jij nou opeens ook lang haar? Hoe kan dat nou? Ik heb jou ook nog nooit met lang haar gezien.' Ik roep naar de dochter van de buurvrouw. 'Moet je kijken. Zij heeft ook lang haar. Net zo lang als dat van jou. Snap jij nou hoe dat kan?'
'Dat groe-oe-oeit,' roept ze me toe. Ze valt bijna voorover van 't in m'n mond leggen. Daarna lacht ze.
'Dat kan toch niet zo sne-e-el,' roep ik haar terug. 'Volgens mij zijn jullie een beetje gek.'
Dat is m'n conclusie. 't Is duidelijk van m'n gezicht af te lezen, ik zie ze staren. De beide meisjes zijn even stil.
Ondertussen geef ik de vader z'n wisselgeld terug. Hij pakt z'n tas in & wil vertrekken.
'Nee,' zegt opeens de dochter van de buurvrouw, 'jij bent gek.'
'Ja,' zegt 't meisje voor me, 'jij bent gek.'
Ze loopt achter haar vader aan naar de uitgang.
'Nee,' probeer ik nog achter haar aan te zeggen, 'jullie haar doet raar. Jullie zijn volgens mij een beetje gek.'
'Ge-e-e-e-e-e-ek,' hoor ik nog terwijl de deur achter 't meisje dichtgaat.
'Ge-e-e-e-e-e-ek,' zegt de dochter van de buurvrouw haar na.

Zolang meisjes dat denken willen we dat graag zo houden in Zijperspace.

lunch

Ik hield niet van brood. Met moeite kreeg ik 't door m'n keel. 's Ochtends vroeg ging 't nog, hongerig zat ik aan de ontbijttafel, onderwijl de boterhammen smerend voor naar school. 2 Bakken thee spoelden 't saaie stuk eten door. Dan hoefde ik niet te veel te kauwen. Liever at ik 3 keer op een dag een warme maaltijd, dat leek me 't paradijs: een wereld zonder brood & alle dagen boerenkool of nassi. Met een kuiltje jus, of in 't andere geval een drupje ketjap. Vaag kon ik me nog de tijd herinneren dat we tussen de middag een warme maaltijd voorgeschoteld kregen. M'n vader kwam toen nog tussen de lessen door thuis. De oudste broers werden als 1-en met een broodtrommel naar school gestuurd. Wij volgden niet veel later. Nederland was een land van boterhammen geworden. Onze grote helden aten voortaan pindakaas.

Ik kreeg 't niet voor elkaar, dagelijks 4 boterhammen met kaas, soms ham, lever- dan wel metworst. 't Beleg had bij mij z'n seizoenen. Wekenlang wilde ik niets anders dan worst, plots had ik daar genoeg van, waarna enkele maanden kaas met een likje mosterd op de boterham werd gelegd. De gehaktbal heb ik lange tijd volgehouden, was ik weliswaar afhankelijk van de restanten van de avondmaaltijd de dag ervoor, maar 't bracht de noodzakelijke variatie in m'n lunch. Die boterhammen wilde ik nog wel opeten. Meestal vond ik de pennywafel of de jodenkoek die ze op school verkochten interessanter. Ze hebben ook nog een periode negerzoenen verkocht. Totale verslaving betekende dat, ten koste van de broodjes die ik met tegenzin aan de ontbijttafel in elkaar had geflanst. Die bleven in m'n schooltas zitten.
M'n moeder mocht 't plastic zakje met de overblijfselen van 't brood niet ontdekken. Ze lagen onderin m'n tas, een oerdegelijke schooltas, zoals slechts leerlingen van de 1e met zich meezeulden. Ik probeerde 't brood voorzichtig in een hoekje van de boeken te stoppen. In de 1e klas werd er echter altijd fanatiek gesmeten met de schooltassen, waardoor de broodjes door de schoolboeken werden weggedrukt. Mijn vader had aan 't begin van 't schooljaar al m'n boeken geplastificeerd. Ik was de enige in de klas die de originele kaften van de schoolboeken kon tonen. De rest had ze ingepakt in papier, ik had doorzichtig plastic eromheen zitten. Met soms een restantje brood er aan vastgeplakt. Angstvallig liet ik nl de boterhamzakjes zitten waar ik ze in 1e instantie had gestopt, geleidelijk aan een stapel vormend naast mijn boeken van niet geconsumeerde middagmalen.
Ik was paranoia. Ik wilde niet dat m'n moeder zou ontdekken dat ik m'n boterhammen niet opat. Ik moest ze ergens weggooien, maar dan wel zo dat m'n moeder ze niet zou kunnen ontdekken. Dus niet thuis in de vuilnisbak, waar m'n moeder regelmatig keukenafval in dumpte. Zeker ook niet in de prullenbak op m'n kamer, want m'n moeder was degene die die leegde. Ik durfde 't ook niet altijd op school achter te laten, uit angst dat m'n broer me in de gaten hield.
Ze bleven zitten.
Totdat m'n moeder tijdens de herfstvakantie aan de grote schoonmaakaktie van mijn kamer begon. Alle speelgoed moest aan de kant, schoolboeken op een stapel op 't buro, kinderen de deur uit & m'n moeder begon te stoffen. Alle hoeken & gaten. Ook die van m'n schooltas. Waar toch zeker 5 zakjes tot blauw schimmel bedorven voer in zaten. Plat, smeuïg, wee ruikend, met zo af & toe een vleugje geel erdoorheen schijnend.
Moest ze maar van mijn spullen afblijven, zei ik toen ik weer thuis kwam & haar woedend aantrof.

Zijperspace is groot geworden dankzij pennywafels & jodenkoeken, met een enkele keer een zoen van een neger.

proporties

Een enkele keer kom ik beelden tegen van vakanties. Ik dwaal dan rond over lege platte paden, & word omgeven door hoge bomen. Ik zie mezelf 't hoofd in de nek gooien, om de hoogste pluim te kunnen onderscheiden tegen de donkerblauwe donderbuien die zich daarachter aankondigen. Ik puf m'n rugzak richting 't volgende dorp, bedenk me waar m'n regenjas zou kunnen zitten, voor 't geval dat, maar wil me toch nog 1 keer omdraaien om die ranke stammen ijzingwekkend zwabberend op de vooraankondiging van de storm te zien deinen. De buitenste ring van de groep bomen is relatief laag, maar naarmate de bomen meer in 't centrum van de groep staan worden ze hoger & hoger. Ze zullen 't wel overleven, weet ik, anders staan ze niet in zulke grote getale in dit voor de rest vlakke landschap.
Ik zie die beelden. Ik vraag er niet om. Onrustig loop ik onderwijl door m'n kamer. Waar niets die beelden lijkt op te roepen. Of 't moeten de verticale stangen van de 6-koppige lamp zijn. Maar als ik vervolgens mezelf zie lopen over zanderige paden, overhangen door lage struikacgtige bomen, 't vormt een dak boven m'n hoofd van wel kms lang, een doorstromend portaal dat leidt naar iets onbestemds, steeds als ik denk dat 't einde zich aankondigt blijkt 't weer een bocht in 't pad te zijn, een zonnestraal door 't gebladerte; als ik me daar zie lopen, weet ik dat ik wegdroom.

Ik ben ziek thuis. Te veel verlate christmaspudding in te korte tijd. Ik kwam de kerstverpakking in een vergeten hoekje tegen op een lui moment van geen zin om boterhammen te smeren. ’t Voelde van binnen al snel als zichzelf uitzettende rozijnen die als woekerende schimmels zo snel mogelijk de weg naar buiten weer willen vinden. Een boer komt omhoog & ik lijk mezelf te ruiken. Schakel m'n neus uit om 't nagekomen bericht weer door te kunnen slikken & wrijf over m'n buik alsof ik de opstandige massa zalvend toespreek.
Ik zal me de hele dag binnen moeten gaan vermaken. Tv, boek, comp, maar dan de hele dag lang.

Ik blijk opeens nergens geduld meer voor te hebben. 't Boek lukt slechts 10 minuten, tenzij ik mezelf weer in bed leg; de tv slechts als nederlanders op de schaats wereldkampioen kunnen worden; de comp staat er voor nutteloze dingen, waarmee ik me slechts vermaak omdat 't m'n hoofd op nul zet. Alles is saai & toch vliegen de uren voorbij alsof de ochtend aan de avond vastgeplakt zit. Ik val 3 keer in slaap, maar niet vanwege ziek. Meer om m'n gedachtes weer in 't gareel te krijgen. Tijdens de vluchtige dromen zweef ik weg naar lang vervlogen landschappen. Ik zou niet meer weten van waar & wanneer ik ze weghaal. Runen, hunebedden, inscripties, vertalingen. Vertalingen die ik m'n vader vertel. Ik lees voor in 't zweeds, & vervang 't daarna voor 't nederlands. Mijn vader vertelt aan toevallige passanten in 't engels hoe trots hij op z'n zoons is. & Glundert, zoals ik lang niet z'n wangen heb zien schijnen. Ik word wakker.

Terwijl ik opgesloten zit, als je ziek bent hoor je niet de deur uit te gaan, zeker niet als je collega's voor je afwezigheid op hebben moeten draaien; terwijl de wereld nog kleiner is dan dat ik 'm de laatste tijd voor mezelf geschapen heb, in mijn pogingen 'm, uit eigen vrije wil, te beperken tot datgene dat noodzakelijk is, geen cm te veel, of anders in ieder geval geen minuut te lang; terwijl ik opgesloten zit in die 70 m² ruimte, zuigen verre vertes me naar buiten.
Ik stommel door 't huis, van slaapkamer naar kachel, van bank naar keuken, van wasmachine naar prullenbak, ondertussen lastiggevallen door zandgronden, wandelpaden, scherenkusten, duinpannen. Ik hang de was binnen op aan een uitklapbaar rekje, & ipv dat ik zie dat ik ‘t met knijpers bevestig, staar ik naar handen die ooit een touwtje spanden tussen boom & tent. Ik vul m'n maag met een stukje chocola & stel me voor dat ik in 't hooggebergte op een rotspunt muesli-koeken zit te verorberen, aangemoedigd door m'n vader ('Helemaal opeten, want je hebt de energie nodig voor als we hoger willen komen'). Ik zit op een stoel voor de comp & realiseer me dat ik tijdens vakanties slechts zelden op stoelen zit, meer hang op een matje of met benen onder me gekruist in de opening van m'n tent op 't tentzeil zit.

Gister kwam er een amerikaan de winkel binnen: 'Hey, you're in the new edition of All about beer,' zei hij. 'Er staat een groot artikel over nederlands bier in.'
'Ah!' reageer ik lichtelijk uitgelaten, '’'t Artikel is eindelijk geplaatst. Stond er een foto van mij bij?'
'Well, dat kan ik me niet herinneren. Maar ik weet wel dat jouw gezicht aan de muur van een bierwinkel in Seattle hangt.'
'Grappig dat je dat zegt. De man die een jaar geleden die foto nam heeft me 2 flesjes bier vanuit Seattle toegestuurd. Ze zijn net gisteren gearriveerd.' & Ik laat 'm de 2 flesjes bier zien.
'That's just showing how small the world is,' zegt de amerikaan luid lachend terwijl hij op 1 van de flesjes wijst. 'De brouwerij die dit bier brouwt staat bij mij om de hoek. Nog geen 4 mile van m'n huis.'

De wereld is klein, maar Zijperspace is een groot universum.

excuus

Wat hier 1st stond heb ik niet geschreven, of, zo men wil, wilde ik hier niet hebben. Was een uitvlucht, een verpakking van de angst. Ik denk dat ik 't daar maar even bij moet laten. Ik maak me te druk & wil dat niet weten. Lijkt me beter dan een wijl m'n mond te houden. Voordat ik te geforceerd mezelf wil bewijzen. Terwijl ik niets te bewijzen heb.
M'n hoofd loopt over van stukken tekst, verhalen, belevenissen, gedachtes; een weblog alleen zou te weinig ruimte zijn. Ware 't niet dat ik m'n eigen gedachten bij voorbaat zit te corrigeren & ik 't toetsenbord niet durf aan te raken. Te veel om te corrigeren. Slechts correctie zou in beeld verschijnen.

We wachten tot de spontaneïteit terugkeert in Zijperspace.

buurjongen

Onze buren zagen er uit als de opa & oma van hun eigen kind Erik. Ze waren altijd al oud geweest, dachten wij. Erik groeide in een zeer beschermde omgeving op, waar 't over 't algemeen doodstil was. We wilden liever niet bij hem spelen, als we al werden uitgenodigd daartoe, want z'n moeder kon 't niet velen als er te veel lawaai werd gemaakt. Carel werd wel een keertje uitgenodigd voor 't verjaarspartijtje van Erik, maar ik geloof dat-ie al snel weer thuis was. Hij had in ieder geval de kamer van Erik gezien, iets wat ik me niet kan herinneren ooit te hebben mogen aanschouwen.
We hoorden z'n moeder heel af & toe piano spelen. Op zondag, niet langer dan een uur. Dan zeiden we: 'Zo, de buren zetten de boel weer op stelten. 't Dak gaat er af.' Voor de grap deed 1 van de broers net alsof-ie op de muur ramde, terwijl-ie schreeuwde: 'Kan 't niet wat zachter! Wij hebben ook onze zondagsrust nodig.'
'Nou, jongens. Rustig, rustig,' zei m'n moeder dan. 'Straks hoort ze 't nog.'
Maar iedereen lachte.
Als wij te veel lawaai maakten, vaak als m'n ouders de deur uit waren, de radio hard of pakkertje door 't hele huis, dan kwam de buurvrouw al snel bij ons langs. Ze klopte op 't raam.
1st Verstopten we ons dan. Deden we net alsof we er niet waren, terwijl we onder de tafels & banken verstopt waren. Maar de buurvrouw bleef kloppen.
'Jij gaat naar de deur,' zei 1 van ons.
'Nee, nou ga jij eens naar de deur, de vorige keer moest ik ook al.'
& We duwden elkaar richting de hal. Uiteindelijk deden we de deur open.
Dan had de buurman of de buurvrouw weer verschrikkelijke hoofdpijn. Ze hadden altijd hoofdpijn als wij aan 't spelen waren.
De muren waren dun. Dat was wel waar. We konden de buurvrouw horen plassen. Ze mikte precies in de plas water, zodat wij 't konden horen spetteren.
'Buurvrouw, niet zo hard. Ik word hier helemaal nat,' riep m'n oudste broer naar de muur.
'Nou, Jan,' zei m'n moeder. Daarna wierp ze een lachende blik van verstandhouding naar m'n vader. Blij dat zij in ieder geval niet zo te horen was, dachten zij.

We speelden wel met Erik, hoewel dat niet altijd van harte ging. Er werd dan aangebeld door de buurvrouw, die Erik in de hand had. M'n moeder kwam dan even later boven op onze kamer met de vraag of de buurjongen mee mocht spelen.
'Aaah, moet dat?' zeiden we hard verontwaardigd.
We zijn nooit te weten gekomen of Erik dat onderaan de trap ook kon horen. Hij was veel te blij dat-ie er toch bij werd toegelaten om te gaan klagen.
Erik was een jaar ouder dan Carel. Dus 2 jaar ouder dan ik. Hij was ook veel breder, zelfs een beetje dik. Dat kwam waarschijnlijk omdat-ie altijd stil zat. Mocht geen lawaai maken, dus zat-ie altijd te lezen. Ik hield ook wel van lezen, maar dan moest er wel lawaai om me heen zijn. Anders kon ik me niet concentreren. Bij Erik thuis was 't altijd stil; zijn ouders hielden niet van spelen. Daarom kon Erik dat ook niet zo goed. Hij was altijd te ruw. Als we gingen stoeien hield-ie je altijd te lang & te strak in een houtgreep. Als-ie ging kietelen stopte hij niet als je 'genade' riep. Dan moest er altijd iemand bijkomen om je te verlossen. Erik snapte dat nooit zo goed.
We wilden 'm niet zo graag erbij hebben als we met ons speelgoed bezig waren. Alles ging altijd sneller kapot.

Als we buiten gingen spelen mocht Erik er wel bij zijn. Erik was toch langzamer dan de rest, dus was 't makkelijk van hem winnen. We stopten 'm altijd in de partij van de vijand. Samen met Jeroentje van verderop. Dan wisten we zeker dat wij de sterksten waren. Of als we hutten gingen bouwen op 't veldje achter de garage. Erik was veel sterker & kon daardoor lekker veel sjouwen. Gingen we daarna oorlogje spelen & mocht Erik desnoods bij ons in 't leger.
Maar Erik wist niet zo goed in te schatten wat de gevolgen van bepaalde akties waren. Wij wel, we hadden al uitgebreid op elkaar geëxperimenteerd. Daardoor wisten we vrij goed welke dingen te veel pijn zouden doen & welke akties nog net wel konden. De oudere moest altijd minder z'n best doen om de jongere pijn te doen, want de jongere had veel sneller te lijden onder pijn. Terwijl 2 van dezelfde leeftijd erg hun best moesten doen elkaar aan 't huilen te krijgen. Een logische, ongeschreven regel, maar wij waren wel zo wereldwijs. Erik helaas niet.
Als we oorlogje speelden gooiden we steentjes naar elkaar. Hoewel Ma al meerdere keren had gezegd dat we dat niet mochten.
'Maar we doen 't heel zachtjes, hoor.'
& Toch mocht 't niet.
& Toch deden we 't.
Als je geraakt werd door een steentje van de vijand, dan was je dood. Je moest tot 20 tellen voordat je weer mocht leven.
Ik had m'n broer & Erik in 't nauw gedreven. Zij zaten opgesloten in de hut, die we die middag gebouwd hadden. De hut bestond uit 3 muren van losse bakstenen, die de bouwvakkers daar hadden achtergelaten. Ik had me onder de muur van de hut verstopt, ik zou straks plots tevoorschijn springen & ze allebei tegelijk uitschakelen. Dan had ik gewonnen. Zo was m'n plan.
Ik was vergeten dat Erik niet zo goed kon spelen. Dat-ie niet zo goed wist wat wel kon & wat niet. Hij wist bijv niet dat een baksteen groter was dan een klein steentje. Misschien wist-ie dat wel, maar wist-ie niet dat een baksteen een ander effekt had op 't hoofd van een klein kind. Misschien dat-ie 't wel 1st op z'n eigen hoofd had uitgeprobeerd, dat zou best kunnen, maar was-ie vergeten dat ik toch 2 jaar jonger was. Misschien had-ie er ook geen rekening mee gehouden dat de baksteen meer schade kon aanrichten als-ie van een meter hoog op een hoofd zou vallen, ipv van dat-ie lichtjes z'n eigen voorhoofd ermee toucheerde.

Ik sprong meteen op. Hoewel een beetje duizelig. 't Werd me rood voor de ogen, maar niet van die duizeligheid. Vooral van 't bloed dat meteen overal zat. Ik wreef m'n handen over m'n hoofd & die zaten meteen onder. Ik krijste. M'n broer & Erik keken verbijsterd. Erik ook vol schuldbesef. Ondertussen droop 't bloed al via m'n kleren op de grond.

Erik mocht een tijdje niet meer komen spelen. Hij heeft nog wel een autootje gebracht. Om spijt te betuigen. Ik vond dat autootje niet veel aan. Wat moest ik daarmee als ik de hele tijd in bed moest blijven liggen? Ik kon er hooguit over de heuvels van m'n opgetrokken knieën mee crossen.

Terwijl Zijperspace een gat rijker was geworden.

italiaantjes

3 Kleine italiaantjes. Ik schatte ze een jaartje of 18. Niet ouder. Met z'n 3-en op stap in de grote stad die Amsterdam heet, waar iedereen toeristen aanspreekt in 't engels. 2 Van hen wisten niet meer in die taal uit te brengen dan 'yes', 'no' & 'bye'. Voor de rest wisten ze niet beter dan op hun borst te kloppen & te wijzen naar 't flesje bier dat ze voor m'n neus hadden neergezet om aan te geven dat zij dat flesje wilden aanschaffen. Maar 1st wilden ze 10-tallen antwoorden op evenzoveel vragen. Daar hadden ze de vertaal-capaciteiten van de 3e jongen voor nodig. Die wist nl zelfs zinnetjes uit te spreken als 'how much does that cost', 'do you also have this in a big can' & 'we want a typical dutch beer'.
Terwijl ze voor me stonden & met elkaar flink in 't italiaans aan 't discussiëren waren over wat & hoeveel, in zoverre ik dat kon opmaken uit hun praten & gebaren, zag ik door 't raam 2 marokkaanse mannen luidruchtig de winkel naderen. 'Die komen bij de Albert Heijn vandaan,' dacht ik onmiddellijk, waar alle junks & dealers kantoor houden. 'Ze hebben vast weer ruzie over de hoeveelheid pillen/geld die ze elkaar schuldig zijn.'
'Hé, jongens,' zei ik ogenblikkelijk toen ze de deur opendeden, 'nu houden jullie onmiddellijk je mond dicht, of jullie komen de winkel niet binnen.'
'Jaja, natuurlijk, meneer. We hebben alle respekt voor u. Wij zullen ons mond houden, meneer. We willen niet dat u last van ons heeft.'
In een poep & een zucht stonden de mannen buiten.
De italiaanse jongens waren in de tussentijd naar 't bovengedeelte van de winkel gevlucht. Ik kon nog net zien dat ze alle handelingen beneden nauwlettend in de gaten hielden. Zogauw de 2 marokkanen de winkel uit waren, kwamen ze weer naar beneden. Weer een paar vragen stellen.
Ze waren 't nog niet met elkaar eens. De flessen die ze van boven hadden meegenomen maakten dezelfde reis weer terug, kwamen weer in 't schap terecht & de 3 jongens discussieerden verder over wat ze wilden aanschaffen.

Plots viel een italiaanse man binnen. Hij kon de vader van de jongens zijn, dacht ik, of anders hun docent. Hij had een sportieve rode baseballpet op, z'n sjaal nonchalant over z'n schouders geslagen, een wijde broek aan. Z'n blik stond alleen op onrust.
Hij liep meteen richting de jongens, die van boven de winkel 'm binnen hadden zien komen. Hij praatte italiaans tegen de jongens, ik verstond er niks van, maar de jongens keken meteen verontrust. Ze klopten op hun jaszakken, ten teken dat ze niks bij zich hadden, zo begreep ik, & mompelden wat tegen de man. De man praatte gehaast verder, blijkbaar lichtelijk van streek. De jongens keken schuchter naar wat de man te vertellen had, maar gaven bijna geen kik.
De man gaf de moed op, keerde zich om richting uitgang & zag mij staan.
'Oh, meneer,' zei hij langzaam dichterbij komend, 'm'n vriend heeft al m'n geld meegenomen. Kan ik misschien bij u bellen?'
'Nee, sorry, dat gaat niet,' antwoordde ik, & zo schijnheilig mogelijk voegde ik er aan toe: 'Maar voor de Albert Heijn staan enkele telefooncels. Daar kan u bellen.'
'Ohohohohoh, m'n vriend, m'n vriend. Waarom heeft-ie m'n geld meegenomen?'
Terwijl de man naar buiten liep, kwam de volgende klant alweer binnen. Ditmaal een bekend gezicht. Hij zette z'n lege flessen voor me neer & haalde enkele flessen uit de koelkast. Ondertussen kwamen de jongens bij me aan de kassa met hun uiteindelijke beslissing. Ik rekende met ze af.
'Did you know that man?' vroeg ik ze.
'No,' antwoordde de meest welbespraakte van de 3, 'we met him 5 minutes ago.
'What did he want?'
'He asked us some money.'
'Never give money to people like him.'
Ontstelde ogen. Ze begrepen wat ik bedoelde. Snel heen & weer gefluister tussen de 3.
'He's using it for drugs. Be careful with this man.'
'Yes, yes, yes.'
'And don't go sitting in front of the supermarket. That's where you meet these people. Go into the other direction.'
'Yes, we do.'
Ze liepen de winkel uit. Met elk een fles bier. Ze liepen de kant op die ik hun gewezen had. Maar 1st keken ze om zich heen of ze hun landgenoot ergens konden bekennen. Snel liepen ze richting Singel.

De vaste klant stond voor me.
'€ 4,10,' zei ik dat-ie moest afrekenen.
Hij zocht in z'n portemonnee. Bestudeerde elk muntje.
'Ik kan 't niet zien hoor,' zei hij, 'ik heb m'n leesbril niet op. Dan kan ik die euro-muntjes niet onderscheiden.'
Ha, dacht ik, eindelijk weer een lekker ontspannen hollands onderwerp om 't over te hebben.
& We praatten erover hoe snel een mens bijziend kan raken als-ie ouder wordt.

't Hart moet doorkloppen in Zijperspace.

obsessief

'Een writer's block is als je bang bent om na te denken.'
'Ben jij bang om na te denken, dan?'
'Ik zoek in ieder geval allerlei mogelijkheden om dat vooral niet te hoeven. Ik ga bijv allemaal nrs downloaden via Kazaa. Ik ben al 2 dagen, nee, misschien wel 3 dagen bezig om 4 cd's van 't internet te halen. Om ze kompleet bij elkaar te krijgen. Om ze vervolgens heel nauwkeurig te systematiseren. Elke minuut die ik vrij had heb ik er afgelopen dagen aan besteed.'
'Dan denk je dus niet na?'
'Eigenlijk is alles wat ik doe een poging om niet na te hoeven denken. Dat schrijven zelf ook. Ik ga voor 't toetsenbord zitten & laat alles eruit lopen wat in m'n hoofd zit. 't Is dan eigenlijk een kwestie van moeten. Heel obsessief. & Omdat 't moet, denk ik ook niet na. Alles dat moet dat is 't uitvoeren van een opdracht, daar heb je geen motivatie voor nodig. Ik denk dus niet na over m'n motivatie, denk niet na over wat ik ermee wil. 1st Moet alles er op staan, dan pas mag ik m'n gedachten erover laten gaan.
Maar 't vervelende is dat ik vantevoren een onderwerp moet hebben bedacht. & Dat kost moeite. Want ik denk de hele tijd dat ik mezelf zit te herhalen.'
'Dat valt toch wel mee?'
'Nee, dat valt niet mee. Ik merk 't meteen als ik een zinnetje op precies dezelfde manier schrijf als eerder. Of als ik een woord alwéér gebruik. Ik irriteer me de laatste tijd bijv mateloos aan 't gebruik van 't woord 'momenteel'. Niemand die door heeft dat ik 't woord zo vaak gebruik, maar ik wel. Als ik 't bijv wil vervangen door 'nu', blijkt dat ik dat woord helemaal niet vind klinken. Probeer ik vervolgens 'op dit moment', dan word ik na 1 keer al onpasselijk van die combinatie. Dus ga ik opeens alles in de verleden tijd zetten. Om dat woordje maar niet te hoeven gebruiken.
Maar dat is als ik een woordje meerdere malen gebruik. Dat kom ik tegen als ik de hele tekst al klaar heb. Veel erger is dat ik m'n eigen gedragingen konstant zit te herhalen in die teksten. Over hoe ik met vrouwen omga bijv. & Dan weet ik best dat 't grappig is om dat te lezen, maar ik denk continu dat ik betrapt ga worden op herhaling van mezelf. & Als ik die gedachte heb, denk ik weer dat 't juist goed is om steeds weer jezelf te herhalen, als je elke keer maar een kleine variatie op 't thema weet te verzinnen. Dan maak je de compositie van je eigen leven. Met motieven & thema's die steeds weer terugkomen. Net als Ozu, maar die ken je waarschijnlijk niet.'
'Maar je zegt net dat je niet nadenkt als je schrijft.'
'Nee, dat doe ik vantevoren dus. De hele dag maalt 't door m'n hoofd. Alles wat ik tegenkom is een mogelijk onderwerp. Je moet uitkijken als je met mij over straat loopt, of een praatje maakt, want voor je 't weet ben je een onderwerp geworden. Maar de hele dag ben ik bang dat 't weer 'ns niks zal worden. Ik zit de hele dag in een konstante stress; ben steeds bang dat ik een writer's block zal hebben. & Aan 't eind van de dag heb ik toch weer 2 stukjes geschreven.'
'Maar schrijf je dan niet voor jezelf? Je verdient er toch geen geld mee; er is niemand die je verplicht 2 stukjes per dag te schrijven.'
'Ja, dat ben ik zelf dus. Omdat ik weet dat als ik mezelf die verplichting niet opleg, ik 't ook niet doe. Toen ik laatst net m'n nieuwe comp had, maar daar nog geen internet-verbinding mee had bewerkstelligd, toen heb ik al die tijd dus geen woord geschreven. Omdat ik toch geen publiek had. Van kindsbeen af wil ik schrijven, maar ik weet dat als niemand 't leest, ik ook geen zin heb om te schrijven. Ik hield vroeger dagboeken bij, waarvan ik altijd zat te denken dat later anderen die zouden lezen. Maar 't was zo nietszeggend die dagboeken te vullen & niemand te hebben die 't op dat moment las. Dus liet ik 't maar aan goede vriendinnen lezen. Had ik in ieder geval een publiek om voor te schrijven.
& Om tegenwoordig zoveel mogelijk mensen zover te krijgen mij te gaan lezen, laat ik 2-maal per dag merken dat ik iets geschreven heb, door iets geschreven te hebben. Snap je?'
'Nee.'
'Als ik die zekerheid inbouw dat er 2 keer per dag een vers stukje staat, dan gaat de lezer op een gegeven moment ook 2 keer per dag kijken. Ze weten dat ze elk moment van de dag een kijkje kunnen nemen om iets nieuws te lezen. Nou doen ze dat natuurlijk niet, 't zijn vooral mensen die zoekmachines gebruiken die bij mij terecht komen, maar als ik mezelf die discipline maar opleg, dan komen de lezers uiteindelijk vanzelf. & Anders is 't een goede manier om mezelf voor de gek te houden. Bij mij werkt 't in ieder geval.'
'Ja, want daardoor zit je dus de hele dag in de stress dat je mogelijk geen stukje zou kunnen schrijven.'
' Maar eigenlijk is dat 't mooie dan weer, als ik klaar ben met schrijven, de hele dag mezelf suf gepiekerd heb wat 't nou zou moeten worden & dan uiteindelijk van mezelf vind dat ik een goed stukje geschreven heb. Dat geeft een erg lekker gevoel. Vooral als ik dan weet dat een paar mensen 't ook gaan lezen. Al dat gezever met mezelf heeft dan toch iets opgeleverd.'

Een ½ uur later begint 't weer van voren af aan in Zijperspace.

rook

'Ik heb nu opeens best wel trek om wat te roken,' zei Rachel.
'Hoelang rook jij nou niet meer dan?' vroeg ik.
'Ong zo'n 3 jaar.'
'Ik heb er allang geen last meer van.'
'Ik ook meestal niet, maar nu opeens, nu we hier zitten, heb ik er opeens best wel trek in.'
'Na 2 weken had ik er al geen behoefte meer aan.'

We zaten aan een tafel met minstens 3 anderen. 't Wisselde een beetje. Soms kwam er iemand aanzitten om te zien hoe 't de 2 heren afging in de backgammon-competitie. & Onderwijl werd er flink gerookt. In 't hele café. Alle tafels waren bezet met rokende backgammon-spelers.
Tegenover ons draaide een jongen een flinke joint voor de speler die naast 'm zat. Z'n tegenstander, naast Rachel gezeten, draaide er zelf 1 tijdens 't spelen. De aansteker werd over & weer gegeven, om de stuff daarmee wat beter te kruimelen te maken. & Vervolgens ging de fik er in. De toeter werd doorgegeven. Maar bleef vooral bij de spelers zelf hangen. Te geconcentreerd op 't spel om door te hebben dat ze 'm in de hand hadden.

'Maar dan ruik ik de rook, als ik hier binnenkom,' ging Rachel verder, '& dan vind ik 't zó lekker ruiken. Terwijl ik dat ergens ander nooit heb. Helemaal nooit behoefte aan. & Nu opeens wel. Heb jij dat nooit?'
'Nee. Totaal geen behoefte. Ik vind 't lekker ruiken, hoor, maar ik denk er gewoon niet aan om weer te beginnen.'
Plots deed de jongen tegenover ons, hij had de joint bijna gedraaid, z'n mond open. Z'n blik ondertussen niet afwendend van 't kunstwerk dat-ie aan 't bouwen was. 't Werd een toeter van ong 10 cm.
'In Amerika kan je als je op straat rookt al een bekeuring krijgen.'
'Nou, dat zeg je nou,' zegt de man aan de andere kant van de speler, 'maar ik las laatst dat mensen in Amerika een contract voor een huis moeten tekenen, waarin staat dat er in 't hele huis, dus zijzelf & ook alle gasten die ze over de vloer krijgen, niet mogen roken. Hebben ze zelf dat huis gekocht, maar er mag nergens gerookt worden.'

'Leuk, hè,' zei ik zachtjes tegen Rachel, terwijl 't onderwerp roken verderop aan tafel verder werd uitgediept, 'heb je een onderwerp aangesneden & 't gaat z'n eigen leven leiden.'
Rachel lachte, terwijl de jongen tegenover ons verder praatte. De rest van de tafel luisterde niet meer naar 'm, waren te veel verdiept in 't onderonsje dat naar aanleiding van 't roken was ontstaan, maar de jongen ging zonder publiek gewoon verder. Tijdens 't praten hield-ie z'n ogen gericht op de joint die bijna gereed was. Hij streek nog een paar maal over 't vloeitje & maakte 't op enkele plekken nat.
'& Als je in Amerika over straat loopt dan raak je veel meer vergiftigd dan dat je een peuk opsteekt.' Hij keek ons voor 't gemak maar aan, z'n enige publiek. 'Dat is toch zo? Ook als je hier over de Overtoom fietst & er passeren 4 vrachtwagens, dan kan je ook geen adem meer halen.'
We knikten een beetje van 'ja'.
'Dan kan je beter een paar peukies per dag roken dan dat je je laat vergifitigen door de uitlaatgas van vrachtwagens.'

Rachel & ik veranderden van onderwerp. De jongen gaf de joint door. De mannen speelden 't spel. De toeschouwers waren stil.

Tussen enkele biertjes door ging ik naar de wc. 't Rook er nat. 't Rook er naar de Bliksem, 't café waar ik 10 jaar eerder achter de bar stond. Een mengeling van lekkage, joints & wc.
Ik liep weer naar de bank waar Rachel zat & besefte me dat ik me thuis voelde in dit aftandse café, waar de gemiddelde leeftijd minstens 10 jaar boven die van mij lag. Er werd thee met honing & citroenjenever gedronken & verderop zat een man aan z'n 3e borrel in een cola-glas. De postbodes stonden aan de bar hun pils & cola te drinken.
Ik ging zitten & keek waar de joint zich bevond. De barman bracht z'n zakje stuff naar de engelstalige vrouw een paar plaatsen van Rachel verwijderd & zei: 'You take it. I don't need anymore. You bring it home.' De volgende joint werd gedraaid.
Nog steeds had ik geen zin om te roken.

Maar ik rook wel wat vroeger was in Zijperspace.

zonder titel

Ik schrijf
verhalen, vele afleveringen
als dikke bomen die 't bos vullen.

Wie
evenaart mijn breedsprakigheid,
wie heeft 't vermogen
de taal uit te spreiden
als ik?

Misschien, nee, ik weet wel zeker,
m'n vader heeft
't altijd al breed laten hangen
zich ijverig voortgeplant.

Ik heb
hem altijd
al beter willen
leren kennen.

Elke keer als
ik een zin hoorde
meer dan slechts een woord
vervulde 't mij.

Om die vervulling
op papier te krijgen
heb ik
aan dit papier
niet genoeg.

(In navolging van Luna)

Zo doet men in Zijperspace ook nog een beetje aan hergebruik.

onder/bovenkantkwestie

Waarom heeft iets een onderkant & een bovenkant?
Eigenlijk beschouw ik dat nogeneens als de essentiële vraag, de vraag waar ik me momenteel druk om maak, want 't antwoord er op is niet echt belangwekkend. Men zal al snel de oplossing ter berde brengen dat de zwaartekracht er vast iets mee te maken heeft. 't Is dan ook niet dat ik 't me afvraag vanwege de fysieke aanwezigheid van & eigenschappen ten gevolge van zwaartekracht bij een 'ding', & hoe dat 'ding' zich daarin opstelt, maar meer waarom ik me zo makkelijk conformeer aan de gedragingen van 't 'ding'. Als ik 't 'ding' omkeer is boven onder geworden & onder boven. 't Blijft 'tzelfde objekt & als ik 't in m'n mond stop zal ik er waarschijnlijk op dezelfde manier van genieten. Of juist niet, maar ook dat is niet afhankelijk van de wijze waarop de onderkant zicht manifesteert als onderkant & de bovenkant als bovenkant. Zo is mijn vermoeden althans.
& Toch at ik van de taart die ik zojuist nog in m'n handen had 1st de bovenkant op om vervolgens de onderkant, te herkennen aan de bodem die er in verwerkt zit, te genieten (overigens valt de bovenkant vaak te herkennen aan wat decoratieve krulletjes, eventuele tierelantijntjes in de vorm van kersjes & chocolaatjes, & bruin- tot zwartgeblakerde randen; deze verschijnselen doen zich in meer, dan wel mindere mate voor naar gelang de kok beschikt over creativiteit & kennis over 't bereiden van taarten). Op gegeven moment deed zich zelfs de situatie voor dat de punt (in die vorm pleegt men de taart per consument over 't algemeen te snijden), of wat daar van over was, gekanteld op m'n bordje lag; de onderkant lachte me ootmoedig tegemoet. Mijn dwangmatig ik liet zich niet van de wijs brengen: tijdens de reis richting mond kantelde m'n hand als vanzelf de lekkernij, waarop de bodem van dit heerlijks pas als laatst m'n smaakpappillen mocht aktiveren. Lichtelijk verwonderd keek ik toe.
Neemt u van mij aan: de aard, de smaak van de bodem, valt wel degelijk te onderscheiden van de rest van de taart. Maar in mijn enthousiasme over zoveel genot schrans ik grote happen achter elkaar naar binnen, vermaal 't gezwind, om zo snel mogelijk tot de essentie van dit euforisch gevoel te komen ('oh, wat lekker, oh wat lekker,' repeteert 't door m'n hoofd), waardoor de voorheen zo knapperige bodem deel wordt van 't groter geheel, waarbij geen onderscheid gemaakt wordt tussen wat ooit boven was & wat ooit beneden.
Ik bedoel hiermee te zeggen: ik ben me wel degelijk bewust van 't feit dat 't onzin is de bovenkant 1st te consumeren. Ik zou zelfs kunnen beweren dat de taart nog beter genoten kan worden als de bodem als 1ste richting darmsysteem wordt gestuurd, daarbij zorgvuldig ontdaan van dat wat eens zijn bovenkant heette te zijn, 't gedeelte waar de taart zijn naam aan ontleent (als bijv kwark, rijstevlaai, perzik, monchou, kaas, wortel of misschien wel bananen), maar 't lijkt me onzin daaraan te beginnen. Ik wil slechts de ogenen openen, vooral die van mezelf, & er bewust van worden dat ik mij al jaren onbewust belast met iets wat totaal niet zo had hoeven zijn.

Mits er geen zwaartekracht was in Zijperspace.

eeuwigdurend

Een hagelbui ging daarnet over de laatste restjes sneeuw in m'n tuin. Natte, plakkerige hagel was 't in 't begin vooral. De restanten van de harde korrels aan 't eind van de bui liggen er nog, de rest is verdwenen, is veranderd in een druipend laagje, de druppels rollen van de spaarzame takken in m'n tuin, dat m'n hele tuin bedekt. Als bewijsstukken van hun vernietigende werking. 't Plakje sneeuw achterin m'n tuin is vergeleken met een uur geleden gehalveerd. Bij 't openen van de gordijnen vanochtend vroeg ik me nog af hoelang dat laatste beetje sneeuw 't nog uit zou houden. 't Deed me weer beseffen dat sneeuw eigenlijk 't meest tijdelijke van de weersverschijnselen is. Zeker in Nederland. Hoewel 't bij 't neerdalen uit de hemel een totaal andere indruk geeft.
Ik zag gister een jongetje op tv. Ihkv 't huwelijk van onze troonopvolger vielen er kleine hoeveelheden confetti op 'm neer. Buiten beeld werd 't vanaf een balkon over 'm heen gestrooid. 't Leek een kleine sneeuwbui. Hij deed z'n armen wijd, handen open, hij richtte z'n hoofd ½ omhoog & liet alles op 'm neerkomen. Hij had een houding alsof-ie elk moment omhoog kon duiken, de bron van de bui tegemoet. & Nooit meer terugkomen, dacht ik erbij.
Ik zag mezelf als klein kind, verwonderd buiten staan tijdens de 1e momenten van sneeuw. Met 't hoofd omhoog liet ik alles over me heen komen. Verstild stond ik temidden van miljoenen wazige vlokjes, allemaal precies eender, maar toch elke keer weer een ander die m'n hoofd aanraakte, of plots m'n lippen licht toucheerde, m'n mond binnenglipte. Zo ver als m'n ogen konden reiken vielen er vlokken richting aarde. Als ik naar boven keek was er een oneindigheid van draaikolkende elementjes sneeuw, duizelingwekkend grote hoeveelheden vielen traag de wereld tegemoet. Wit, wit, wit, met op de achtergrond een zweem van grijs, waar je 't wit niet meer kon onderscheiden als zelfstandige eenheden. Des te langer ik keek naar die continue stroom van zachte koude dons des te oneindiger 't me toescheen, & des te meer ik daar onderdeel van werd. Ik dook 't diepe in.
Sneeuw is eeuwigheid, bedacht ik me afgelopen weekend. 't Geeft 't gevoel dat alles 'tzelfde zal blijven. De wereld wordt bedekt met een laagje immerdurende conservering. Wat er onder ligt zal niet meer veranderen. Altijd onherstelbaar wit. De wereld is beperkt, want alles lijkt op elkaar. Er is slechts onderscheid tussen hoog & laag, bobbel & kuil.
& De mensen proberen 't te ontvluchten door zo snel mogelijk, indien de sneeuwse gladheid hen in die vaart niet tegenhoudt, terug naar huis & haard te keren. Onderweg een aanval van neerwaartse projektielen van boven verdurend. Hoeveel getrommel op 't hoofd met watten kan een mens verduren, voordat-ie geveld wordt?
Bij sneeuw zie ik mezelf weer door de storm heen ploeteren. Heroïsch de kranten in mijn wijk bezorgend. De verschrikkelijke sneeuwman voelde ik me, als ik tuin in tuin uit de brievenbussen afging. Volledig bedekt met een onherkenbaar makende laag sneeuw, kon ik in de weerspiegeling van de ramen zien. Schuin vooroverleunend probeerde ik meer kracht te bieden dan de stormende wind die me liever de andere kant op over de gladde ondergrond zag glijden.

Maar niets is wat 't pretendeert te zijn. Of blijkt uiteindelijk de kracht te hebben die 't in z'n 1e verschijning deed voorkomen. De sneeuw verdwijnt sluipend traag uit 't wereldbeeld, verandert 1st in modderige zwart-omrande druilerige heuveltjes. Waar 't vlak is hooguit een natte stoep. Sneeuw is slap, geeft snel de moed op, verandert in hopen zwartgallige nattigheid.

& Is uiteindelijk weg uit Zijperspace.

doorgaat

't Enige excuus dat ik had was dat Wieneke in 't zwart gekleed was.
'Zwart kleedt af,' zei ik tegen haar,'dat weet je toch?'
Maar eigenlijk moest ik gewoon bekennen dat ik er geen oog voor heb. Ja, de dikke buik van Kika, die kon ik nog wel herkennen. Die stond dan ook recht naar voren. Voor de rest heb ik er blijkbaar geen oog voor. Zowiezo, vrouwen. Ik zie ze wel staan, op m'n werk ren ik op ze af om ze te helpen, ik begluur van top tot teen zonder dat ze er iets van merken, maar doorhebben doe ik ze niet. Ik kan me niet voorstellen dat ik ooit met zo'n wezen een relatie zal krijgen. Vroeger wel, daar niet van, maar die fase in m'n leven is allang weer voorbij.
Berdien vroeg: 'Hoe zit 't met je liefdesleven?'
Nog maar de 3e keer deze week dat die vraag aan me gesteld werd. 't Zijn ook altijd vrouwen die deze vraag belangstellend kunnen voorleggen. Zonder bijbedoelingen. Ga ik bij dit soort gespekken altijd vooralsnog van uit. Omdat 't zo vriendelijk belangstellend is van de vrouwen die dit soort vragen stellen ga ik er altijd op in.
'Liefdesleven? Waar gaat dat over? Kan je dat spel met meerdere personen spelen?'
Berdien lachte.
'Doe jij er dan wel aan?' vroeg ik haar.
'Nee, ik weet eigenlijk ook niet meer wat 't is.'
Voor de rest laten dit soort vrouwen me over 't algemeen ongemoeid. Ik hun ook. Ons soort denkt dan niet meteen aan relaties met elkander.

't Is overigens een hele kunst om in een drukke kroeg niet met vrouwen in aanraking te komen. Ik mag van mezelf ze heus wel aanraken, ik zal ook wel moeten in die allemachtige drukte die de laatste tijd meer schering is dan inslag, maar alles met beleid. Terwijl ik met de vuile glazen met m'n linkerhand geklemd tegen m'n borst loop, leg ik subtiel m'n hand aan de zijkant van de schouder van iemand die net iets te veel in de weg staat. Helpt. Men neigt automatisch een stapje naar voren. Bij vrouwen voel ik dan de bh-bandjes door de trui of shirt heen. Ik trek me daar niks van aan, 't doet me niks, want dat mag ik nl niet van mezelf. Ik zal de laatste zijn die in die massa mensen z'n lichaam tegen de borsten van een vrouw aandrukt. Behoedzaam keer ik m'n lichaam om, zodat de boezem langs mijn rug onvoelbaar aan mij voorbijgaat.
Begrijp me goed: niets zo mooi als de buste van een vrouw, maar men zal mij niet betrappen op 't opzettelijk in kontakt treden daarmee. Tenzij we er allebei van weten. Meestal is dat dan echter 's avonds laat. Niet in de kroeg. Zeker niet op m'n werk.

Dus zei ik tegen Kathelijn: 'Subtiel, hè?' toen ik haar schouders zachtjes liet weten dat ik even moest passeren met m'n stapels glazen. Ze keek nl lichtjes verbaasd.
'Nou, je doet me anders behoorlijk pijn. Je nagels staan er in.'
Alsof ik niet door had dat ze een grapje maakte, ging ik er op in. Gelukkig wist zij me bijtijds de mond te snoeren. Die stomme mannen, die altijd maar alles serieus nemen; dat gezicht trok ze erbij.
'Maar hé, is Ilse dan niks voor jou?' vroeg ze me plots.
'Hoezo?'
Altijd doen of m'n neus bloedt. Beste oplossing. Stel je voor dat ze nog wat gaan denken achter dat geflirt van me. Tuurlijk wist iedereen van 't Paradiso-personeel (ga ik niet uitleggen, maar ga er voor 't gemak van uit dat Kathelijn, Ilse & hun gezelschap allemaal bij Paradiso werken & dat ze zo af & toe bij mij wat komen drinken) dat Ilse m'n speciale aandacht had. Altijd, al tijden, met overdreven toewijding. Klein, fragiel meisje; lacht leuk. Ik kan gewoon niet anders zogauw ik haar zie.
'Ilse is alleenstaand,' ging Kathelijn verder, 'jij toch ook?'
Dat soort dingen vallen dus direkt van m'n gezicht te lezen, schijnt. Of anders wel heel makkelijk af te leiden van de aandacht die ik kleine fragiele meisjes die leuk glimlachen geef.
'Ja, ik ook. Maar dat ben ik al jaren, hoor. Dat wil niet zeggen dat ik zomaar wat met Ilse zou willen.'
'Maar ze is heel leuk hoor. Nou werk ik niet zo vaak met haar, ze werkt nu 1maal op andere dagen dan ik, maar ik weet dus wel dat ze al een tijdje vrijgezel is. Als jij nou 'ns wat langer doorgaat. Want dat heeft ze nodig. Zij heeft iemand nodig die, zeg maar, 'doorgaat.'
Dat 'doorgaat', dat zei Kathelijn met een speciale nadruk. Daar zat de krux.
'Oh, maar dan is Ilse eigenlijk net als ik. Ik zet ook nooit door. Dat moeten vrouwen altijd bij mij doen.'
'Oja?' Kathelijn keek me even in de ogen. Helaas, er zat weer 'ns geen verkeerde bedoeling achter die blik. Geen moment van verzinken in mijn toch zeker niet onprettige ogen (dat laatste heb ik me ooit laten wijsmaken; wederom was er toen een vrouw in 't spel).
'Weet je wat ik dan ga doen?' ging Kathelijn verder. Serieus, ze had 't masterplan al helemaal in haar hoofd. 'Als we dan straks met elkaar aan 't eten zijn, dan vertel ik aan Ilse dat jij echt een man bent die behoefte heeft aan een vrouw die 'doorgaat'. Want dat is 't woord voor vanavond: 'doorgaan'.'
Weer die hele mooie extra nadruk op 'doorgaan'. Kathelijn weet goed te doseren. Met tegelijkertijd ondeugende ogen. Daar moest ik echter niet naar kijken, want waren vast niet voor mij bedoeld.
'Ja, maar dan moet je natuurlijk niet vertellen dat wij 't er al eerder over hebben gehad.'
'Nee, tuurlijk niet.'
Kathelijn trok een gezicht van 'die gozer snapt 't fijne er ook niet van'.
'Is goed. Dan merk ik 't de volgende keer wel.'
Met m'n rechterhand drukte ik 't volgende bh-bandje opzij. Ik moest er langs met m'n glazen. Achter de bar stonden m'n collega's op schone glazen te wachten.
'Goed. 'Doorgaan' is 't woord,' zei ik nog even luid terwijl ik me van Kathelijn verwijderde. 'Doorgaan.'

Tot we 't einde zien van Zijperspace.

a-a-a-a-a-a-a

Er was vooral 1 ding zeer irritant. Ik probeerde 't voor mezelf een hele tijd te ontkennen. Alsof 't niet bestond, of dat 't me eigenlijk niets deed. Maar 't was er wel degelijk. 't Liet duidelijk van zich horen.
Ik weet eerlijk gezegd niet hoe anderen 't ervaren hebben, ik heb er voor de rest m'n mond over gehouden ('t zou wel weer iets van mij zijn, dacht ik), maar bij mij ging 't door merg & been.
Ik heb 't ook meermaals proberen weg te drukken. Niet alleen mentaal. Ook daadwerkelijk door de deur toe te duwen. Maar de drenger, een zeer eigenwijs exemplaar, die blijkbaar achterstevoren was gemonteerd, dwong 'm weer open te springen & van voren af aan te beginnen. Tergend langzaam viel-ie vervolgens dicht, met blijkbaar bijbehorend gekerm.

We maakten vroeger zelf een soortgelijk geluid. In 't kader van een sterfscene. Cowboytje of riddertje, vaak ook tijdens oorlogje. Kwestie van hoofd ietsjes achterover, de keel kwam dan goed open te staan, mond wijd, & dan langzaam 'aaaaaaaaaaaaaaaaa' eruit tevoorschijn laten komen. Zoals je 't bij de huisarts altijd moest doen, maar dan langzamer & met horten. Kleine luchtstootjes gevuld met 'a'.
't Mooiste beeld schiep je, 't had een bepaalde uitstraling van echt, als je daarbij ½ uit bed lag. Benen hingen er nog net in, hoofd op de grond, ogen dicht, armen wijd uitgeslagen. Alsof je net neergeschoten was.
'A-a-a-a-a-a-a-a-a-a-a-a-a-a.'
We konden er uren mee bezig zijn. Soms lagen we met z'n 3-en dood te zijn.
Totdat 1 van m'n ouders binnenkwam. Dan sprongen we snel op.
Of we hielden 't niet meer van de slappe lach.

Bij een deur, een toiletdeur, is 't een uitermate irritant geluid. 't Was meer dan slechts ruis, een behang van op de achtergrond plaatsvindend geluid, zoals muzak in een warenhuis, een aanwezigheid van een objekt dat toevallige beweegt. Zeker als je er vlak naast staat, vlak daarvoor nog in de veronderstelling verkerend dat je zou gaan genieten van 't geluid van 't leeglopen van je blaas.
Om er sneller van af te zijn poogde ik sneller te plassen. Voordeel was dat ik daardoor de weg naar beneden, 't toilet was boven de hoofden van de café-bezoekers gesitueerd, eerder kon ondernemen, met 2 tredes tegelijk repte ik me naar de bijeenkomst, maar door de onrust die de haast veroorzaakte, kon ik, beneden gekomen, weer op m'n plekje gezeten, ogenschijnlijk rustig genietend van de verder vorderende conversatie, m'n gedachten niet afhouden van de deur die ondertussen weer bezig was langzaam dicht te gaan. Met alles wat daar bij hoorde.

Men mag van mij aannemen dat ik werkelijk alles er aan gedaan heb om van de innerlijke wrevel af te komen. Zoals ik reeds vertelde heb ik geprobeerd de deur toe te duwen. Bij een volgende toilettage heb ik de deur met m'n been in bedwang gehouden, maar door de dreiging dat een dame 't tegenoverliggend hokje zou bezoeken (de immer voortdurende preutsheid), & mij in die vreemde staande houding zou aantreffen, onderwijl rustig (schijnheilig) fluitend m'n behoefte lozend, zag ik daar snel vanaf. Een volgend treffen met de deur heb ik aan allerlei vieze dingen gedacht. Ik kan u verzekeren: dat plast meteen een stuk moeilijker. Vanwege 't uitblijven van succes heb ik ook deze truuk beperkt tot slechts 1 poging. Vervolgens heb ik ook nog hardop alle gebedjes proberen op te zeggen die ik als kind met m'n ouders vlak voor slapen gaan heb gebeden. Ik kwam niet verder dan 'weest gegroet, Maria'. & Tenslotte heb ik de Zen van 't staande plassen proberen uit te diepen & bedacht me daarbij dat ik toch ooit nog eens aan 'Zen en de kunst van het motoronderhoud' moest beginnen. Wederom had ik geen succes; ik had inmiddels te veel gedronken om aan dit onderhoud met mezelf enige zin te geven. & 't Geluid trok meer aandacht dan mijn poging tot diep.

Onderweg naar huis bleven de bielsen die onder mij door schoten mij herinneren aan de toiletdeur. 't 'Kdeng-kdeng', reeds moeilijk te ontvangen door de hedendaagse moderne outillage van de vering van 't huidige treinpark, liet zich omvormen tot 'a-a-a-a-a-a-a-a', ditmaal niet komend uit de kinderkelen van weleer.

Voor de rest denkt men in Zijperspace met veel genoegen terug aan de weblogmeeting op 01-02-03.

wende

Binnenkort gaat m'n leven veranderen. Dat beweert tenminste Paul de Wispelaere. Hij zal 't wel weten. Hij heeft schijnbaar Proust gelezen & vond 't nodig een onderscheid in z'n leven te maken tussen voor & na lezing ervan. Z'n mededeling staat in ieder geval op de achterflap van 't deel dat ik nu aan 't lezen ben. Ik weet niet of hij 'Op zoek naar de verloren tijd' in de juiste volgorde gelezen heeft. Ik ben daar in ieder geval niet toe in staat. Ook al kost 't gehele pakket momenteel slechts € 59,-. Heb je alle delen in 1 keer. Ik stond te dromen voor de etalage van de boekhandel in de Utrechtsestraat. De meest sympathieke kleine boekhandel van Amsterdam. Ik was bijna naar binnen gestapt & mezelf daarmee bankroet verklaard. Of de hele maand op water & brood. Ik wist me echter nog net in te houden. Misschien jammer, want m'n leven zou veranderd zijn, zo verzekert een mededeling van de Wispelaere mij. Nu ben ik maar naar de bieb getogen om er achter te komen dat Proust zeer populair is bij de armlastigen & zuinigen van aard. Ik kon niet bij 't begin beginnen: 'De kant van Swann' dl 1 t/m 3 was afwezig, of waren afwezig, mochten ze normaliter in losse delen aanwezig zijn. Ik zag me gedwongen bij 'In de schaduw der bloeiende meisjes' te beginnen. 3 Delen tezamen gebundeld.
Ik voel al dat ik verander. Zoals ik al m'n leven lang aan verandering onderhevig ben misschien, maar dat houden we even terzijde. Ik staar voor me uit, wil mezelf dwingen te beginnen met lezen, maar kan me er niet toe zetten. Ik zie op tegen de 542 blz, om aan 't eind misschien wel te moeten concluderen dat ik toch bij 'De kant van Swann' had kunnen beginnen. Keer op keer stel ik 't oppakken van 't boek uit. Ik blijk elke keer wat anders urgents te moeten doen. Nog nooit is er een groter twijfel m'n leven ingetreden. Na 40 blz (zover ben ik reeds) heeft Proust m'n leven al veranderd.

Ik ga nu de trein pakken. Richting Tilburg, richting weblogmeeting (geneert u zich niet ons in café Babbus te bezoeken vanaf 3 uur). Een reis van 1 uur 27 minuten, zo staat vermeld bij de NS. Met de sneeuw vast nog wat langer. Dat zal me zeker aanzetten tot 't oppakken van 't boek. Expres zal ik geen alternatief meenemen.

We zetten Zijperspace op z'n kop.

ruud

Tussen de drukte van de vroege vrijdagavond door zie ik een man met een muts klaar staan om te bestellen. Tot vlak boven z'n ogen hangt de muts. Z'n gezicht is grauw. Enkele haren steken onder de muts uit. Z'n ogen, ze staan flets, kijken naar de mensen achter de bar. Ik ben er 1 van. Ik zal maar even zijn kant oplopen om te vragen wat-ie wil.
Z'n blik is vuil, alsof hij elk moment verwacht te zullen worden aangepakt. Een vlugge wending van z'n hoofd naar opzij bevestigen z'n onrust. Crimineeltje, denk ik, die hoort hier niet thuis. Zeker verdwaalt na in de kroeg aan de overkant te zijn geweest. Rustig aanpakken.

'Zeg 't maar,' zeg ik.
'Een witbier, alsjeblieft.'
Ik hoor nog net wat bekends in z'n stem, maar z'n gelaatstuitdrukking, z'n verouderde groeven in z'n gezicht kloppen niet met 'tgeen er in m'n geheugen opgeroepen wordt.
Terwijl ik een flesje witbier uitschenk, fluister ik naar m'n collega Sas: 'Was Ruud nog wel welkom? Weet jij dat?'
'Hoezo?'
'Volgens mij is dat Ruud,' terwijl ik zo onopvallend mogelijk met m'n uitschenkende hand naar de zenuwachtig om zich heen kijkende gestalte wijs. Op zoek naar bekenden van vroeger?
Ik loop met de bestelling op 'm toe. Hij is echter nog steeds bezig 't publiek om zich heen te aanschouwen. Met z'n rug naar me toe. Een brede rug nog steeds. Vele groentekistjes hebben die rug gedragen. Vele uren krachttraining heeft die rug ondergaan. & Toch komt die rug me wat minder breed voor dan voorheen. Gekromd, gebroken, gebukt, of ergens daartussenin.
'Ruud! 1 Witbier,' & ik zet 't glas neer op 't puntje van de bar.
Hij keert zich onmiddellijk om. Snel. Grijpt meteen naar z'n glas & overhandigt in dezelfde beweging een bankbiljet met z'n andere hand.
Als ik terugkom met z'n wisselgeld zegt-ie: 'Dat je me herkende. Alles goed met je, Ton?'
'Ja, uitstekend. Jij ook alles goed? Ik heb je een tijd niet gezien.'
'Ach ja, dat komt doordat ik in andere zaken zit tegenwoordig. Niet meer op de markt. Had ik genoeg van. Ik kom nu in andere kringen.'

Marien staat inmiddels naast Sas. Hij kijkt verontwaardigd.
'Ruud mocht nooit meer binnenkomen.'
'Toch wel? Ik wist 't niet meer.'
'Hij had me bedreigd. Ik had 'm gezegd dat-ie z'n vrienden niet meer mee moest nemen. Toen werd-ie kwaad. Dan zou hij wel 'ns langskomen om de hele boel kort & klein te slaan. & Mij incluis.'
'Sorry. Ik moest handelen, maar ik wist op dat moment niet precies meer wat er gebeurd was. 't Is zo lang geleden. & Dan herinner je je niet alles tegelijk. Ik herkende 'm ook niet meteen.'
Marien voelt zich niet op z'n gemak.
'Ik heb 'm nu al z'n bier gegeven,' zeg ik, 'misschien moeten we dan de volgende keer zeggen dat we 'm toch liever niet binnen willen hebben. Dan zal ik 't wel doen.'
We zwijgen. We weten weer wie Ruud is.

Ik sta klaar om weer een klant te helpen. Ruud staat weer met z'n rug naar me toegekeerd. Hij neemt een teug uit z'n glas. Keert zich om. Z'n glas zet-ie op de bar, nog ½-vol. Hij ziet me staan.
'Hé, Ton. Was goed je weer 'ns te zien.'
Hij steekt z'n hand naar me uit. Z'n grote hand. Mijn vingers passen 2 keer in die van hem. Ik neem 'm aan. Schud.
'Gaat je goed, maat,' zegt-ie.
'Dank je. Jij ook.'
Ik keer me weer naar de klant die aan de beurt was.
'Zeg 't maar.'

We meten met vele maten in Zijperspace.