pannenkoeken

‘Hoeveel heb jij er al op?’
‘5.’
‘Oh, ik al 6.’
‘Kan niet. Je bent later begonnen dan ik.’
‘Kan wel. Ik heb een grotere mond dan jij.’
Waarbij demonstratief de pannenkoek met basterdsuiker in 1 keer de mond ingekiept werd.
‘7!’
‘Mam! Mam! Carel kan toch nog geen 7 pannenkoeken gegeten hebben?’
‘Jongens, geen ruzie maken.’
‘Maar Carel zegt dat-ie meer pannenkoeken dan mij gegeten heeft.’
‘Dan ík!’
‘Mam, dat kan toch niet?’
‘Carel, je moet nou ‘ns wat minder gulzig eten. & Laat er nog een paar liggen voor Theo, want die komt zo thuis.’
‘8!’
‘Kan niet. Ik 7. Bovendien doe ik er stroop op & jij suiker. Stroop is veel zwaarder dan suiker. Dus eigenlijk heb ik er al 8 ½ gegeten.’
‘Mam, ik heb nog zo’n honger.’
‘Ik kom zo met nog een bord.’

In m’n 1tje pannenkoeken eten is vast niet zo leuk als met m’n broers als gezelschap. Ik moet ’t echter toch ‘ns gaan doen. Ik heb nog nooit pannenkoeken voor mezelf bereid. Behalve spek, kaas & stroop is alles al in huis. ’t Voordeel van ’t gebrek aan gezelschap is dat ik ze zelf om mag keren, hoog in de lucht.
‘Niet te vroeg, niet te vroeg,’ gilde m’n moeder ons altijd net te laat toe. De klodders ongestolde pannenkoekenpap vlogen al om onze oren.
‘Mam, Carel doet ’t helemaal verkeerd. Mag ik de volgende doen?’
‘Nee, ik mocht Mamma helpen. Ik heb ’t van tevoren gevraagd. Bovendien heb ik ’t ook op school geleerd. Jij krijgt dat niet op de Havo.’
‘& Nou je mond houden allebei, want anders krijgen jullie helemaal geen pannenkoeken meer.’
‘Wedden dat ik er meer op kan als jij.’
‘Dan jij. ’t Is ‘dan jij’.’
‘Ah, man. Jij kon nogeneens ‘indiaan’ zeggen toen je 6 was. Jij zei altijd ‘idiaan’.’
‘Ik ben pannenkoeken aan ’t bakken. Ga weg.’
Dan viel de pannenkoek op de keukenvloer & moesten we allebei de keuken uit. Quint kwam met kokmuts op z'n hoofd aanzetten. Hij mocht met ’t pannenkoeksmes de pannenkoek losmaken van de bodem van de steelpan. Carel & ik zaten elkaar kwaad aan te kijken, enkele meters verwijderd van de keuken, aan de tafel waar straks de pannenkoeken gegeten zouden worden. Eigenlijk hadden we ook geen trek meer. Maar we moesten elkaar nog verslaan.

Vanavond 1 & al nostalgie in Zijperspace.

bank

‘Er zaten twee oudere heren op de bank.’ Staat op blz 304 van 315 bladzijden. Aan ’t eind van ’t boek eigenlijk. Aan ’t begin van Hoofdstuk XVI van 16. Verder kom ik niet. Ik heb ’t ontelbare malen hergelezen. Zelfs zonder dat de inhoud van die ene zin tot me doordrong. ‘Er zaten twee oudere heren op de bank’ is een lege zin. Een lege zin aan ’t einde van een boek. De meest lege zin die ik ooit gelezen heb. Niet dat de schrijver dat zo bedoeld heeft. De minst mogelijke ontvangst tegenover de hoogst mogelijke intentie van schrijven. Schrijven is een moeilijk vak. Leven ook. Ik ben een leek in beiden.

‘Ik moet dingen beleven,’ zei ik tegen de onbekende vrouw, ‘& daarom probeer ik elke dag iets mee te maken. Maar ik heb weinig tijd, ik moet de hele tijd schrijven, waardoor ik niets beleef. Dus weet ik niets om over te schrijven.’
Maar eigenlijk was de vraag waarover ik zoal schreef.
‘Over onderbroeken.’
Daar had ik tenslotte al 1 % van m’n leefruimte in de dag aan besteed. Terwijl ik al zo weinig leefruimte had vandaag. Maar ook een behoorlijk gedeelte van m’n schrijven was reeds aan onderbroeken gewijd.
Ik wisselde een blik van verstandhouding met Mellie. Die begreep ’t vast wel. Hij las. Had in ieder geval meerdere malen gelezen.
& Anders: wie schrijft er nou over onderbroeken & durft daar nog trots op te zijn ook? Dacht ik.
‘Nee, ik schrijf ook over andere dingen. Zoals over .....’
Mond dicht. Peinzend. Blik. Snel iets anders verzinnen, voordat de stilte doorbroken wordt. Voordat blik waarheid wordt.
‘Zoals over....’
Herbeginnen.
‘Over mezelf.’
Niet zo mooi.
‘....maar ook over m’n vader.’
Eindelijk.
‘Mijn vader heeft Parkinson. Daar heb ik behoorlijk wat stukjes over geschreven. Laatst reageerde een oud-leraar. Dat-ie m’n vader nog kon herinneren van een ouderendag. Leerling & ouders tegenover de docent. 't Ontroerde hem mijn stukjes over hem te lezen. Meer dan 50 stukjes over m’n vader. Hij is ondertussen aan ’t dementeren, zou je kunnen zeggen.’
& Dan hopen dat je daardoor intelligenter bevonden wordt.

‘Hoe gaat ’t met je vader?’ vroeg Rachel.
Ik weet niets.
‘Hij gebruikt niet meer de medicijnen waar hij zo van in de war raakte.’
Ik weet niets. Ik weet nogeneens wat leven is.

‘Zie je die vrouw die al de hele tijd naast me heeft gestaan?’ vroeg ik.
Rachel keek.
Keek nog eens.
‘Mooi, hè?’
‘Vind ‘r niet zo bijzonder.’
‘Kijk nog ‘ns goed. Da’s toch de mooiste vrouw van de hele tent?’

Ik ben goed in converseren. Ik moet alleen 1st wakker zijn. Ik moet de stof hebben om over te praten. Ik moet m’n verhaal kunnen vertellen. Denken dat ik iets beleefd heb. Een glas in m’n hand. & De hele tijd ‘tzelfde kunnen vertellen. Ik ben goed, maar waarin weet ik nog niet. Ze luisteren meestal wel terwijl ik angstvallig doorvertel.

‘Hoe gaat ’t met ’t liefdesleven?’ vroeg Rachel.
Vragende blik. Beiden.
‘Daar doe ik niet aan,’ antwoordde ik.
Vragende blik. Beiden.

Ik had de mooiste vrouw naast me staan. & Durfde niets te zeggen. Dus bleef ik praten. M’n mond stopte niet meer.
Ik vertelde over onderbroeken. Vertelde over vaders. Vertelde over mezelf. & Over verhalen die mij niet gebeurd zijn. Ik weet droge rivieren weer te laten stromen. De woestijn staat in bloei. De mens vliegt & Babel heeft nooit bestaan.

Vervolgens kom ik thuis & weet ik dat er achterom gekeken is, de vrouw versteend. Ik weet alleen niet wie er schuldig is. Er ligt nog een hele open weg voor me.

‘Er zaten twee oudere heren op de bank.’

’t Verhaal vervolgde zich als vanzelf in Zijperspace.

psychosis

The Eighties Matchbox B-Line Disaster - Safari Psychosis

Andere fietsers staan stil. Ik schiet portieken, geparkeerde auto’s, voetgangers voorbij. De taferelen op straat worden een surrealistisch schouwspel. Ik zie in m’n ooghoek een man achter een vrouw aan rennen, zwaaiend met haar handtas, lachen. Taxi-chauffeurs roken een peukje, verstild in hun portiek. Ik weet dat ’t er zo moet uitzien, heb ’t vaker gezien. Maar ze zijn niet meer dan openstaande deuren die nog net geregistreerd & ontweken worden. De Febo op ‘t Damrak wordt een flits van geel, aangevuld met enkele langgerekte bruine vlekken van de massa die de laatste trein wil halen. Ik kan nog net zien hoe schaars de dames gekleed zijn, maar eigenlijk heb ik meer belangstelling voor de slingerende beweging van de fietser een 100-tal meters verderop. Hij verstoort ’t ritme.
Achter m’n rug is ’t alsof iedereen mij met de blik volgt. Ik laat tonen naruisen over de meters die ik afleg. De straten weerklinken nog secondes na van mijn kortstondige aanwezigheid. Voor mij is ’t alleen niet te zien. Ik ga door. Slecht een bocht, op ’t ritme van de bas, sla ongemerkt m’n hoofd op & neer als de bekkens geraakt worden, open ogenschijnlijk m’n mond om adem te halen als ik de schreeuw van de zanger playback, ’t pompen van m’n benen wordt versneld door de noodzaak ’t dreunen bij te houden. Ik moet, ik moet, ik moet, zingt ’t gelijktijdig in m’n hoofd. Scheur de bocht om de Damstraat in.
Ik sta voor de deur, zoek ’t sleutelgat, maar kan ’t niet vinden. Binnen enkele secondes van stilstaan is m’n bril beslagen. Is niet belangrijk, als ik maar ’t gevoel heb dat ’t nog steeds snel gaat. Ik moet plassen. Ik voel ‘t nu ik van ’t zadel ben afgekomen. M’n discman geeft nog steeds ’t ritme aan, voert ’t tempo van m’n handelingen op. Ik haal m’n bril voor m’n ogen vandaan, trek ‘m uit beeld & sla daardoor onbedoeld de discman in m’n jaszak op pauze. Hij is shockproof, heeft z'n 1e test doorstaan, maar heeft wel knopjes.
De betovering is verdwenen. Geluid is weg. De nacht is koud. Donker. Slechts lantaarnpalen schijnen warm. Ook ’t zweet op m’n voorhoofd voelt opeens koel. Ik krijg ’t benauwd van de sleutel die niet in ’t gat wil. Benen wat dichter bij elkaar. Hel nog wat meer naar voren. Concentratie nu.
Pis bijna in m’n broek als ik ‘t toilet binnen stommel.

Zijperspace heeft weer z’n eigen kadans.

blikje

Ik was bang. Hij had gezegd dat-ie een poeier op m’n hoofd zou geven als ik ‘m nog een keer z’n blikje heineken zou weggooien. Ik had gezegd dat ik blij was dat te weten.

Ik vertelde ’t m’n collega’s, maar richtte me daarbij vooral tot de collega die reeds de meeste jaren met me achter de bar had gestaan. Hij was ook al agressief tegen haar geweest, zei ze.

Even verderop vroegen de jongens aan me: ‘Hoe voel je je nu, Ton?’
‘Oh, ’t gaat wel goed.’
‘Niet te druk?’
‘Ach, maar dat ben ik toch gewend.’

‘Nog 1 keer dat je m’n blikje weghaalt & je krijgt een poeier op je muil,’ zei hij.
‘Word je lastiggevallen?’ zei de jongen die tegelijkertijd met me naar binnen liep. Hij was aan de kant gegaan om mij & de glazen die ik droeg ruimte te geven. ‘Als je een bodyguard nodig hebt, dan zeg je ’t maar.’
‘Nee, hoor. Dat kan ik alleen wel af,’ zei ik. ‘Ik ben wel wat gekken gewend.’
Ik kon me niet voorstellen dat die jongen een bodyguard voor mij zou kunnen zijn. Ik liep door naar de bar om trillend de glazen neer te zetten.

‘Hé, Cello,’ zei ik, ‘wat was dat nou voor rare vriend van jou? Die hoort hier niet thuis.’
‘Wie bedoel je?’
‘Die gozer met dat rode jasje. Waar je mee naar binnen kwam. Hij zou wel even bier voor je halen, maar toen-ie achteraan moest aansluiten ging-ie met een bundel geld zwaaien. Hij zei dat wij een goede klant kwijt waren geraakt.’
Cello weet opeens over wie ik ’t heb.
‘Oh, die! Die kwam ik hier tegen. Die zou ik nooit meenemen hiernaartoe. Hij wilde bier voor me halen. Hij was net vrijgekomen. Ik ken ‘m wel. Maar hij is niet mijn vriend. Ik zou ‘m nooit meenemen.’

‘Hé, dooie,’ hoorde ik achter me roepen, ‘je moet van m’n blikje bier afblijven.’

‘Cello, is dit blikje Heineken van jou?’ vroeg ik.
‘Nee,’ zei Cello schuchter. Hij keerde meteen z’n hoofd af, alsof hij niet wilde weten dat hij erbij hoorde.
‘Dat is dan maar goed ook,’ zei ik tegen ‘m.
Ik pakte ’t blikje op & nam ’t mee naar binnen. Zo te voelen was ’t nog ½ vol. Achter de bar gekomen gooide ik ’t in de prullenbak.

‘Zeg,’ zei ik tegen de jongen in ’t rode trainingsjasje, ‘ik vind ’t toch niet zo leuk wat je tegen me zei. Zo hoeven we toch niet met elkaar om te gaan?’
‘Jij haalde een blikje bier van me weg.’
‘Dat was een blikje Heineken. Dat verkopen we hier niet. Je krijgt hier bier uit de tap. Ik vroeg nog aan Cello of ’t van hem was.’
Cello knikt op de achtergrond.
‘Ben ik even naar de wc & dan wordt m’n blikje gewoon maar weggenomen. Ik vind jullie bier niet lekker. Daarom drink ik iets anders.’
‘Maar je snapt toch wel dat wij dat niet goedkeuren?’
‘& Daar aan de overkant van de weg, aan de waterkant? Wat drinken die mensen daar dan?’
‘Bier van ons.’
‘Mag dat zomaar?’
‘Dat wordt gedoogd.’
‘Als dat dan wordt gedoogd, enkele 10-tallen mensen per week drinken daar bier van jullie, waarom wordt dat ene blikje van mij niet gedoogd?’

Ik haalde een biertje voor hem.
‘Die vind je toch niet lekker.’
‘Tuurlijk wel.’
‘Daarnet zei je anders dat je ons bier niet lekker vond.’

‘Ik snap jouw punt,’ zei ik tegen hem, ‘maar snap jij dan die van mij?’

De jongen die een borrel gaf keek me aan.
'Bedankt voor de service,' zei hij.
'Service?' Ik keek 'm verbaasd aan.
'Nou ja, bedankt voor de snelle bediening en zo.'
'Ik wou al zeggen: wij doen niet aan service.'

‘Mag ik de lege glazen alsjeblieft?’ vroeg ik.
Ik kreeg wat aangereikt. Voor de glazen waar ze niet bij konden diende ik een stoel te verschuiven. De stoel duwde een stapel om. Gerinkel van kapot vallend glas op ’t terras. Ik deed alsof ’t de gewoonste zaak van de wereld was. Er valt wel vaker een glas om, was van m’n hoofd te lezen. Ietwat té onbekommerd naar mijn zin.

Johnny kwam op me af.
‘Gaat ’t een beetje?’
Hij schudde me de hand. Ik schudde terug zoals ethiopiërs terug schudden. Arm om z’n schouder.
‘Tuurlijk gaat ‘t. Wat dan?’
‘Ik zag daarnet.’
‘Wat bedoel je?’
‘Daarnet,’ terwijl hij met z’n hoofd beweegt.
‘Oh, je bedoelt die jongen die vanmiddag tegenover jullie zat? Die perse lastig wilde zijn.’
‘Nee, ik hoorde daarnet gerinkel. Je was in de stress, dacht ik.’
‘Oh, nee hoor. Ik liet gewoon wat glazen vallen omdat ik niet uitkeek.’
Arm om mijn schouder. Arm om zijn schouder. Handen worden geschud.

De bar is gesloten. Ik moet ’t verhaal aan m’n collega’s vertellen.

Er bestaat alleen geen chronologische volgorde in Zijperspace.

lente-seizoen

Voor mij is ’t seizoen weer begonnen. De deuren gaan open, de isolatie wordt verbroken, contact met de buitenwereld wordt weer gemaakt, ik ga wat vaker de deur uit, wat tegelijkertijd betekent dat iedereen zomaar binnenkomen kan. ’t Kluizenaarsbestaan wordt voor een langere periode aan de kant geschoven & de beesten willen dat maar wat graag onder m’n neus wrijven.
Ik durf nog niet te denken aan lange wandelingen door weilanden die door de boer volgepropt zijn met koeien, schapen & paarden; ik moet niet bij voorbaat al een nachtmerrie creëren voor een vakantie die nog ver in ’t verschiet ligt. Ik hoef nog niet ’t beeld van traag rondkijkende koeienkoppen voor de geest te halen, die nietszeggend afwachtend lui voor zich uit staren, waarbij er in hun achterhoofd een signaaltje van de oogzenuwen naar de buitenste regionen van hun hersenen gestuurd wordt, om nog iets van verwondering over mijn verschijning in hun graasland te veroorzaken: een rugzak met slechts 2 pootjes! Waarbij ’t pas op ’t laatste moment in hun botte hersens doordringt dat ik wil passeren, dat ik mensachtig dus bedreigend ben, dat ’t koeienlichaam daarvoor ontzag moet hebben & enkele stapjes ruimte moet maken, dat daartoe de pootjes bewogen dienen te worden.
Kortom: ik moet nog niet fantaseren over koeien die plots de koenheid gevonden hebben & doodgemoedereerd blijven staan, om uiteindelijk in de grote, dwarse, onverwachte, onbesuisde, levensgevaarlijke tegenaanval van de koe op de mens uit te barsten. Ik moet niet denken dat een koe op de mensheid wraak wil nemen op ’t moment dat ik kalmpjes & van niets bewust (maar o zo bang) ’t weiland in kom stappen.
Maar tegelijkertijd ben ik me wel degelijk bewust van akelig jeukende plekken op m’n arm, m’n schouderblad, m’n rechterbovenbeen & m’n linkerheup. Elke keer als een nagel er over strijkt doet ’t me terdege beseffen dat een afschuwelijk beest mijn territorium is binnengeslopen, zonder mij daarvan te verwittigen. Waarbij ik ditmaal bedoel: een mug maakt normaliter toch ook lawaai als hij des nachts van plan is wat meer reliëf in ’t mensenlichaam te bewerkstelligen.
Die afwezigheid van geluid, dat akelig zoemen, brommen, ronken, waarbij je de mug vanzelf kan verwachten, ’t licht kan aandoen om de jacht te openen; die afwezigheid zorgt voor bange vermoedens. Vooral ook omdat de bulten anders jeuken (’t is geen jeukjeuk, maar eerder jeukpijnjeuk, daar ergens in ’t midden zit een pit die ’t stukje jeuk met ’t andere stukje jeuk verbindt, wat doet vermoeden dat ’t niet des mugs is), ’t broedseizoen voor de mug nog niet aangebroken is, & er bovenal nog niets is waargenomen dat aanwezigheid van insekten in huis aantoont. & Toch zijn die bulten er. Een onzichtbaar angstwekkend monster moet mijn huis zijn binnengeslopen.
Of die spin die plots kruipend langs de douchemuur m’n rust kwam verstoren. Tot dan stond ik slechts verbaasd over de ingewikkelde structuur van de draden in ’t roostertje bij de ventilatieklep. Daarbij vooral de gedachte aan ’t beest dat in staat was iets dergelijks te bouwen vermijdend.
Of de pad, die toch echt in de kelder had gezeten, maar toen mijn broer, mijn verschrikkelijk dappere broer, die toevallig ‘ns op visite was & iets op moest knappen in die kelder; toen dus mijn broer op mijn aanwijzingen de kelder op pad’s aanwezigheid ging controleren slechts een zwarte vlek op de cementen vloer kon vinden. Hoewel ik nog steeds vermoed dat ik die zwarte plek er zelf bij voorgesteld heb, bij afwezigheid van dat levensgevaarlijke kleinood op ’t moment dat ik ooggetuige van de constatering van m’n broer moest zijn.
Of de pissebed, onschuldig in ’t afvalbakje aan de rand van de wasbak bivakkerend op ’t moment dat ik de grote schoonmaak van plan was. Daarvan werd alras afgezien, want de hete straal was beter bestemd voor ’t verschrompelen van ’t afschuwelijk gevaarlijke gedrocht, dat ’t vast op mijn leven had gemunt.
Oh, had God, onze lieve heer, de lente & zomer maar volgestopt met leuk fladderende vlindertjes, kleurrijk & vrolijk, met flierefluitende vogeltjes & onschuldige bromvliegjes, zoemend je oor kietelend, & desnoods zo af & toe een kat die met gemak uit de tuin verjaagd kan worden dmv een ver reikende plantenspuit.
& Dan ’s winters, te beginnen in ’t vervelend natte herfstig seizoen, zou hij de akelige verschijningen van de dierenwereld los kunnen laten. Ik zou me dan veilig weten in een hermetisch gesloten huis.

Wanneer de kou buiten gehouden wordt is ’t veilig in Zijperspace.

meel (8)

De dame & Ton werken toe naar een finale:

Je moet iets doen zolang je 't leuk vindt, daar gaat 't eigenlijk om. Ik heb de neiging om die grens te stellen op een moment die iets zou kunnen betekenen. Een magisch getal, een afgerond geheel, 't einde van een periode in de vorm van een week of een maand. Dan hoef ik zelf niet de beslissing te nemen, maar doet de omstandigheid van 't getal, of de afronding van een periode 't werk voor mij. Geen schuldgevoel of spijt: 't is gewoon zo dat de omstandigheid er een punt achter gezet werd.
Maar aan de andere kant is 't ook zo dat druk, angst & vermoeidheid elke dag bij mij een rol spelen. Dit mbt 't schrijven van een stukje voor m'n weblog. Er moeten perse 2 stukjes geschreven worden binnen de 24 uur die een dag heten te representeren. Een stok achter de deur om m'n weblog tov de lezer continuïteit te geven, maar ook voor mezelf. Ik kan niet anders dan mezelf dwingen m'n weblog inhoud te geven volgens een door mezelf vastgestelde struktuur, omdat ik weet dat zogauw ik verslap de motivatie om door te gaan zienderogen zal verminderen. Ik prent in m'n achterhoofd dat ik door wil gaan met schrijven, daar heb ik tenslotte m'n leven lang van gedroomd, & dat continuïteit voor mij daar een, weliswaar streng, hulpmiddel bij is.
Ik ben dus streng voor mezelf, zou je kunnen zeggen. Ik leef met mezelf naar de regels die ik mezelf toegelaten heb. Om zodoende niet 't overzicht van 't leven te verliezen. Dat heb ik in 't verleden al 1maal gehad, ik wil, hoewel 't vooruitzicht weg te zakken verleidelijk is, niet nog eens zo diep gaan.
Ik heb kortom de neiging om de gehele wereld in regeltjes te vatten. Om zodoende overzicht te blijven houden. Ik vergeet daarbij dat anderen daar helemaal niet aan gewend zijn. Ik vergeet daardoor ook belangstelling voor anderen te tonen. Dat is iets wat ik ook tov jou heb gedaan, misschien zonder dat jij er iets van gemerkt hebt. Ik had een masterplan in m'n hoofd, 't vormde zich in ieder geval langzaam, & ik vergat volledig de spontaniteit waarmee 't afgelopen zaterdagnacht ontstaan was.
Is voor de rest niet belangrijk, niemand die 't waarschijnlijk gemerkt heeft, maar 't haalde een beetje de lol uit 't schrijven van die stukjes weg. Terwijl ze juist leuk & goed zijn als die lol er wel in zit.
Je merkt: ik ben ook nog heel erg kritisch naar mezelf. Niets mag zomaar, alles moet met een reden. Verantwoord. Tegenover iedereen, maar vooral tegenover mezelf.
Hoewel ik bij de laatste stukjes er juist weer verschrikkelijk veel lol in had, vooral ook omdat 't onderwerp me tot de nodige zelf-hilariteit bracht, wist ik dat de vorm een methode was geworden. Die vorm moest doorbroken worden, & juist daardoor ook afgebroken. Want door 't slechts te doorbreken zou 't kunnen leiden tot weer een volgend dogma. Dat op zijn beurt leidt tot de volgende beknelling.
Nee, we moeten gewoon blijven melen, maar niet zo hoogdravend meer. Zeker ik niet. 't Leven zelf doet al moeite genoeg om op zo'n manier ervaren te worden, daar hoeven wij niet altijd aan mee te werken. Daar word ik uiteindelijk alleen maar onzeker van.
Ik heb 't echter ervaren als een leuk experiment.


Of misshien moet ik zeggen dat heel Zijperspace een experiment is.

meel (7)

Waar was Ton ook alweer gebleven in de mededelingen richting dame?

Eigenlijk was ik ook nog niet uitgesproken over die billen van me. ‘Bips’, zoals we ’t vroeger thuis moesten noemen. Maar dat was in de zeer jonge jaren, toen zuster Petra nog op ons kwam passen. ‘Heb je wel je bips geveegd?’ was een veel voorkomende vraag, in die tijd.
‘Billen’ klinkt toch een stuk beter. Hoewel ook lichtelijk netjes. Om niemand voor ’t hoofd te stoten, denk ik. In ’t dagelijks leven zou ik net zo goed reet, kont, achterste (ouderwets evengoed) of gat kunnen gebruiken. Dat zal ik nu laten.
Ik denk dat daar ergens m’n pokkenprik zich moet bevinden. Hoewel ik ‘m nooit heb kunnen vinden. Ik heb er vriendinnen wel ‘ns naar laten zoeken. Ik languit voorover op m’n buik. Me laten verwennen door de zoekende blik van m’n vriendin. Op zoek naar ’t litteken van de pokkenprik, die de meeste anderen van mijn generatie op hun elleboog hebben. Die van mij was nergens te vinden. Wist ik van tevoren, maar ’t was zo lekker een vrouw naar me te laten kijken.
Maar goed, die billen moeten dus ook ingepakt worden. In onderbroeken liefst. Slipjes. Van de Hema. ’t Werd tijd dat ik nieuwe aanschafte, want ik vond ’t niet fatsoenlijk meer zoals ik bij de fysiotherapeute verscheen. Beide keren dat ik haar tot nu toe bezocht heb, mocht ik alles uittrekken, op onderbroek na. Dan wil je wel dat die er toonbaar uitziet. ’t Vergde een behoorlijke uitgedachte planning om de juiste onderbroek afgelopen maandag te kunnen tonen. Ik wilde perse die ene zonder slijtplekken, verkleuringen, of erger: gaten, tonen. Zo vaak sta ik niet meer bloot aan de blik van een vrouw. Ik vind dat ik dan gerust m’n best mag doen er op m’n paasbest uit te zien. Dat lichaam, daar werkt zij aan; ik dien dan wat aan dat geringe beetje rest te werken.
Op naar de Hema dus.
Ik vond er onderbroeken in saai-grijs, besmettelijk-wit, bij-voorbaat-vies-blauw, & liederlijk-mooi-groen.
’t Laat zich raden welke kleur ik koos.
Ik wist alleen niet welke maat ik moest hebben. Geheel automatisch doken mijn handen richting de onderbroeken met aanduiding 164, waarvan ik de betekenis niet kon bedenken, behalve dat ’t moest duiden op een maat van 1 van mijn lichaamsdelen in de buurt van mijn reeds genoemde billen. Ik ontvouwde ’t kleinood, temidden van winkelend huisvrouwenvolk.
Hoe lang zou ’t duren voordat een vrouw opgegaan is in de grijze massa van winkelend Hema-publiek? Alle vrouwen die ik daar tegenkom, ben ik bij verlaten van ’t pand reeds weer vergeten. Geen sexy uitstraling, geen overtuiging er nog iets ervan te gaan maken, slechts een blik van ‘ik moet zo snel mogelijk m’n kroost in zo goedkoop mogelijk kledij zien te hijsen’. Bij Zeeman schijnt die blik nog vernietigender te zijn. Waarschijnlijk bevinden zich in Engeland soortgelijke winkels onder soortgelijke duistere namen. Toch voel ik me op m’n gemak temidden van dit legioen van immer aanwezige genoeglijk voort schuifelende grootverbruikers van vrije tijd. Hoewel ik dat laatste natuurlijk niet weet te staven. Toch lijkt ’t alsof de huisvrouwen nog immer de enige te bereiken doelgroep is voor deze grootgrutter.
Ik had de onderbroek bijna voor m’n heupen gehangen. Om te controleren of ’t paste. Vanuit 3 hoeken zag ik blikken van vrouwen mijn kant op gaan, als bliksemschichten, op ’t moment dat ik de onderbroek een luttele 10 cm boven me uitstak. Die heupen liet ik maar even zitten. Ik stelde me m’n eigen billen voor. Die ‘strakke’ billen, volgens m’n peut, die er nog best mogen zijn op deze leeftijd, naar eigen indruk geconcludeerd. & Die voorstelling poogde ik te passen in ’t groene stukje stof.
Ik pakte er 3 in m’n hand. Toog vervolgens naar de mannenafdeling van verf- & lijmartikelen, om daar iets uit ’t schap te halen waarvan de kassière de indruk zou krijgen dat grote klussen op stapel stonden. Zodat ze haar mond zou houden over de wellicht verkeerd gekozen onderbroeken. Men dient goed voorbereid z’n ingeslagen waren af te rekenen, vind ik.
Thuis paste ik de onderbroek. Vlak na de broodnodige douche. Die veel te lang uitgestelde. Ik trok m’n broek eroverheen. & Kwam onmiddellijk tot de conclusie dat ’t weliswaar de goede maat was, maar absoluut niet gemaakt door handen die eerder iets mannelijks hadden gevoeld. In die zin dat al ’t elastiek precies op de verkeerde plekken zat. Op plekken waar de voorgaande Hema-slipjes geen striemen hadden achtergelaten.
Maar ze waren wel mooi groen. Dus liet ik ‘m aan. Zoals ’t lichaam ook went aan de strelingen van een nieuwe vriendin, dacht ik, zal ’t ook wennen aan de onervarenheid van dit naaistertje.


& Groen is bovendien de kleur van al 't behang in Zijperspace.

vriendin

M’n mobiel gaat over. Rachel, meldt de display.
‘Hoi,’ zeg ik.
‘Hoi,’ zegt Rachel, ‘waar ben je?’
‘In de supermarkt. Ik sta net m’n boodschappen in te pakken.’
Ik zucht & steun een beetje.
‘Wat kreun je.’
‘Ja, ’t is best zwaar, ’t leven van een vrijgezel.’
‘Hoezo?’
‘Nou, al die boodschappen die je moet dragen.’
‘Met een vriendin moet je nog meer boodschappen doen.’
‘Ja, maar dan heb je een vriendin om ze te dragen.’

We hebben besloten te gaan wandelen over de ‘eilanden’. ’s Middags lopen we daarom over ’t KNSM-eiland. Rachel ziet onderweg meermaals katten zitten.
‘Ach, kijk nou!’ zegt ze dan. Waarbij haar stem melodisch zingt van blijde verwondering.
Ik kijk stug voor me uit. Katten! Moet ik niks van hebben. Ik zal wel een man zijn, dat ik er geen emoties bij voel. Ik probeer voorzichtig door te lopen, terwijl Rachel niet kan laten de kat aan te halen.
‘Kijk,’ zegt ze, ‘bij deze hebben ze de staart ingekort.’
‘Die zal wel in een deur hebben klemgezeten,’ zeg ik nuchter. Dat doen katten immers altijd. Deze krult zelfs met z’n ½e staart omhoog van genot onder de aanhalige handen van Rachel.

Aan de overkant loopt een hond. Gelijnd aan de baas.
‘Da’s volgens mij een kooikerhondje,’ zeg ik, de hond van een afstand bestuderend.
‘Een kooike rondje?’ vraagt Rachel. ‘Wat is dat?’
‘Nee, een kooikerhondje. Een hond voor een eendenkooiker,’ verduidelijk ik.
‘O.’
‘M’n broer is eendenkooiker. Die heeft er zo 1tje. Vroeger hadden m’n ouders er ook 2.’
‘Ik dacht dat jij helemaal niets van honden wist. Ik dacht dat jij niet van honden hield.’
‘Jawel. Ik zou best een hond willen hebben. Leuker dan een kat.’
‘Waarom neem je dan geen hond?’
‘’t Is niet zo handig als ik ‘tzelfde werk blijf doen als nu. Geen tijd om ‘m uit te laten. Dan zou ik eigenlijk een vriendin erbij moeten hebben.’
’t Lukt me vervolgens niet om de laatste opmerking uit te leggen.

De rol van de vrouw is reeds bepaald in Zijperspace.

meel (6)

Ton heeft nog wat meer ontboezemingen voor de dame:

Mmmmmmmmmmmmmmmmmillloplogfuy7777hytttt

Nou denk je natuurlijk: wat bedoelt-ie daar nou weer mee? Niets, eigenlijk. Na afloop van ’t lezen van je meel werd ik afgeleid door een vieze spatietoets. Door m’n wijsvinger nat te maken met wat speeksel probeerde ik ’t er een beetje af te poetsen. Je kan hierboven zien dat ik ‘m daarbij 2 keer per ongeluk heb ingedrukt. Terwijl ik er mee bezig was werd m’n aandacht ook gevestigd op de kleine haartjes die tussen de toetsen verstopt zaten. Met een potlood probeerde ik die er vervolgens uit te vissen. Maar al doende werd mij gewaar dat ’t gehele toetsenbord er grauw, viezig & bezoedeld uitzag. Vooral aan de zijkanten, waar m’n vingers nooit kwamen. Al pielend drukte ik weer enkele toetsen in. Boven staat ’t resultaat in schrift van mijn poging ’t toetsenbord enigszins te fatsoeneren.
Om ’t karwei een bepaalde uitstraling van ‘gedaan’ te geven, tilde ik ’t bord op & veegde resten suiker & stof weg. Daarmee had ik wel erg m’n best gedaan, vond ik, ook al is de ‘4’-toets nog steeds bedekt onder een grijze veeg, getuigt de bovenkant nog steeds met enkele bruinige spikkeltjes dat ik ’s ochtends thee bij m’n comp drink, & is de linker-shift-toets slechts voor de helft een heldere verschijning. Vreemd eigenlijk, bedacht ik me, dat plekken waar je vingers ’t meest rusten, dan wel terecht komen, er ’t schoonst uitzien. Blijkbaar zijn dat dus niet de grootste viezigheidveroorzakers, maar maken ze eerder schoon.
’t Wordt tijd dat ik mezelf ook ‘ns ga verschonen. Door allerlei activiteiten gister, tijdens m’n vrije dag, kwam ’t niet in mij op om de douche ‘ns te gaan opzoeken. Op bezoek bij een vriendin werd ik er weer aan herinnerd doordat m’n haar er wel heel vreemd onverzorgd uitzag toen ik bij haar in de spiegel keek. Op ’t moment dat m’n blik nog ietsjes lager de restanten tandpasta uitgesmeerd over m’n t-shirt waarnam, besefte ik dat ik geen tijd had genomen mezelf te verschonen. Snel een italiaanse douche genomen met de deo van haar vriend. Ik heb haar niet horen klagen over geurtjes die ik mogelijk afscheidde, maar fris vond ik ’t niet. ’s Avonds thuisgekomen vond ik ’t weer overdreven om voor mezelf de geuren er vanaf te wassen. Ik had wel wat andere dingen te doen. Zoals in slaap vallen van ’t bier dat ik in gezelschap van die vriendin genuttigd had.
Rachel, de bewuste vriendin, vertelde me overigens, tijdens ’t wandelen richting ons bier, dat er regelmatig vrouwen zich bij mij aan de bar bevinden die wel een oogje op me hebben. Niets van gemerkt, was mijn reaktie lichtelijk verbaasd. Daaruit kon zij dan weer concluderen dat ik er inderdaad geen belangstelling voor heb, dat ik me afsluit voor vrouwen die belangstelling voor me hebben. Ik had ook een verkeerd beeld van mezelf tov de vrouwen.
‘Ja, maar,’ begon ik toen, ‘wat vindt jij dan van m’n billen? Jarenlang heb ik gedacht dat ik geen billen had & de laatste tijd blijkt juist dat ze er wel mogen zijn.’
‘Dat weet ik niet,’ zei ze, ‘& als ik ’t wel wist, dan zei ik ’t niet. Dat moet je maar aan je ex-vriendinnen vragen.’
‘Maar die hebben nooit laten blijken dat ik wel lekkere billen had.’
‘Zeiden ze dan nooit wat over je billen?’
‘Hmm.’
Ik dacht na. Liet in gedachten enkele vriendinnen de revu passeren.
‘Ik kan ’t me niet herinneren. Ze hebben er geen opmerkingen over gemaakt, of ze vonden ’t niet veel bijzonders. Misschien moet ik al m’n ex-vriendinnen maar ‘ns een brief schrijven. Wat ze nou van m’n billen vonden. Dan word ik misschien wat zekerder van mezelf. Billen zijn natuurlijk een heel belangrijk onderdeel van een mannenlichaam.’
We liepen verder langs ’t IJ. De zon scheen ons bruin. Terwijl een boot onder de brug doorvoer waar wij over passeerden hielden we onze mond & dacht ik nog even na.
‘Misschien moet ik een oproep plaatsen op m’n weblog. “Aan al m’n ex-vriendinnen: Wat vonden jullie van m’n billen? & Waarom hebben jullie er nooit wat over gezegd?” & Als ze dan reageren ben ik voortaan gelukkig.’
‘’t Leven is helemaal niet zo moeilijk,’ zei Rachel.


Dat was niet in Zijperspace meegedeeld toen ’t bekend werd.

meel (5)

't Wordt tijd dat Ton een open boek wordt voor de dame:

’t Is grappig dat jij ’t fietsen nu aanhaalt. Er vindt bij mij nl juist in dat fietsen een grote tegenstrijdigheid plaats. Zo ervaar ik ’t althans als ik er over nadenk. Raak ik in ’t dagelijks leven al snel verveeld van de dingen die zichzelf herhalen (voor mij nooit 2 keer achter elkaar ‘tzelfde nr; op vakantie loop ik elke keer een andere wandelroute; een boek lees ik nooit een 2e maal), op weg naar m’n werk kies ik altijd dezelfde weg. Simpelweg omdat ’t nou 1maal de kortste is.
Ik weet ’t tegelijkertijd ook wel te verklaren vanuit dezelfde motivatie: de weg moet zo snel mogelijk afgelegd worden om herkenning van eerdere gebeurtenissen, confrontaties met ‘saai’, te voorkomen. Maar toch sta ik verbaasd dat ’t me ertoe beweegt elke dag dezelfde route af te leggen.
Daarnaast wil ik altijd op dezelfde plek zitten na afloop van ’t werk, als ik bij m’n ouders eet, op visite bij een kennis, of vroeger, toen ik les kreeg in een collegezaal, werd ik door mezelf gedwongen op dezelfde stoel plaats te nemen waar ik ‘t 1e college had meegemaakt. Wijk ik af van die vaste plek, ‘ik’ tov ’t universum, dan voel ik me ongemakkelijk, loopt ’t niet zoals ik wil, kan ik me niet concentreren.

Ik ga de laatste jaren naar Engeland, gedurende mijn vakanties. Ik zag er tegen op, de 1e keer, was bang dat ik snel terug zou verlangen naar m’n thuisbasis. Zoals me vaker was overkomen bij eerdere pogingen langer dan een week weg te blijven.
De 1e keer ben ik voortijdig teruggekeerd. Niet veel eerder, ik hoefde de datum op m’n treinticket slechts 1 dag te vervroegen, maar wel teleurstellend, omdat ik mezelf niet toestond te genieten van een vreemd land, met andere gewoontes, maar bovenal: heerlijk bier (dat alleen als je de moeite neemt ernaar te zoeken).
Ik was ’t inmiddels van mezelf gewend. Heimwee is niet iets onbekends voor mij. 3 Weken alleen op vakantie in Zweden werden eerder al gereduceerd tot 1 week & 1 dag. ’t Bereiken van Åland, 10 jaar geleden, was ’t summum van mijn vakantie-ervaringen tot dan toe, maar werd tenietgedaan doordat ik de volgende dag ijlings terug wilde keren naar huis. Vaak heb ik aan mijn ouders’ hoofd gezeurd met de vraag of we niet ‘ns konden stoppen met vakantie vieren om terug te keren naar huis. De zondagse wandeltochten in ’t Robbenoordbos deden ’t heimwee al ontstaan voordat ik de deur uit was getrokken door m’n ouders.
’t Is een eeuwige strijd in mijn hoofd. Ik wil altijd afwisseling, een boterham met pindakaas is voor mij na 2 dagen al afgezaagd, maar daar moeten de omstandigheden niet te veel voor veranderen.

Maar ik zou je nog antwoord geven op de vraag waarom ik in London ben gedurende mijn vakanties. Waarbij ik moet aantekenen dat ik daar slechts de laatste 2 vakanties elke keer een week heb doorgebracht. Ik verblijf in Engeland dankzij ’t feit dat een kennis van mij bier verkoopt op een festival in Canterbury. Hij heeft ’t daar druk & dus is mijn hulp welkom. Voor ’t verlenen van hand- & spandiensten is hij bereid m’n reis richting Engeland te vergoeden. Een week na dat gebeuren vindt er een ander bierfestival plaats in de Olympia in London, ’t GBBF (Great British Beer Festival). Voor mij wederom vrijwilligerswerk, waarbij ditmaal m’n onderkomen wordt geregeld. Tussen de 2 festivals in wandel ik over ’t engelse platteland.
Ondanks dat ik 2 weken van huis ben, heb ik gedurende die tijd geen moment de tijd om na te denken over heimwee. Elke dag is nieuw, er gebeurt elke keer iets anders & de activiteiten die ik onderneem duren net niet te lang om te beseffen dat ’t saai zou kunnen zijn. Daar is de inspanning meestal ook te groot voor. Hoewel op ’t GBBF veel mensen te dik zijn om mijn niet aflatende energie te kunnen bijhouden. Om te voorkomen dat ik met die traagheid van andermans bestaan wordt geconfronteerd slenter ik grote delen van de dag over de straten van London. Om met frisse energie ‘s middags de taken te verrichten waar de andere vrijwilligers de hele dag voor nodig hebben.

Hoewel ’t voor mij een ideale vakantie is, een week wandelen ingesloten door 2 bierfestivals waar ’t hard werken is & ik toch de mogelijkheid heb iets cultureels mee te maken, heb ik besloten dat ik dit jaar niet naar London ga. Ik wil naar de Kanaaleilanden. Ik ga ervan uit dat zogauw ik 1 van die eilanden bereikt heb, ik onmiddellijk terug naar huis verlang. Maar ik moet de reis ondernemen. Ik wil zien hoe een eiland er uit ziet, hoe een eiland functioneert temidden van een wereld die geen last van beperkingen heeft. Ik wil op zoek naar m’n soortgenoten, maar weet ondertussen dat ik de aanblik niet te lang kan velen.


& Dan, uiteindelijk, trekt men zich weer terug in Zijperspace.

meel (4)

Ton weet ook nog vragen aan de dame te stellen:

Toen ik jong was dacht ik vaak dat op een gegeven moment de liedjes op moesten zijn. Ik had net iets over noten geleerd op de muziekschool, wist zodoende dat daar slechts een beperkt aantal van waren, do re mi fa sol la si do, & vermoedde dat uiteindelijk alle combinatiemogelijkheden opgebruikt zouden raken. Dan zouden er slechts liedjes gemaakt worden die reeds eerder ontstaan waren.
Vanmiddag moest ik daar aan denken toen ik op m’n werk van boven de trap een lege doos naar beneden gooide. Hoeveel dozen moest ik laten vallen voordat ik me zou kunnen herinneren dat een voorgaande net zo’n weg afgelegd had? Er lijken enkele factoren van invloed te zijn op de val van de doos: de zwaartekracht, de vorm, de manier waarop ’t losgelaten wordt, de temperatuur, de toevallige luchtbeweging door ’t openstaan van de deur. Maar eigenlijk zijn dat nogeneens zo veel factoren. Ooit moet er een doos ‘tzelfde doen. Herhalen van wat er al ‘ns is gebeurd. & Dan moet ’t ook nog zo zijn dat ik me kan herinneren dat de val gelijk aan een vorige is.
Had ik m’n meeltje aan iemand anders geschreven, dan had ik een ander antwoord gehad. Nee, ik moet zeggen: had ik van iemand anders ’t i-meel-adres bekomen, dan had ik misschien wel anders daarop gereageerd. Je moet je daarbij voorstellen dat de omstandigheid zich dan net anders voordoet dan de doos die toevallig een zijflap heeft uithangen op ’t moment van loslaten boven aan de trap. ’t Is een omstandigheid, ogenschijnlijk niet van belang, die verregaande gevolgen kan hebben voor alles daarna. Er vormt zich plots een andere melodie.
Ik las ‘Nadja’ in de trein. Op 18-jarige leeftijd. Van Amsterdam naar Den Helder. Een jongen kwam tegenover me zitten.
‘Prachtig boek,’ zei hij. ‘Je moet ook ‘De golem’ van Gustav Meijrinck lezen. Dan praten we er later over.’
Ons gesprek in de trein aldus kort samengevat. Hij gaf me z’n adres & telefoonnummer & schreef daarbij de naam & titel van datgene dat ik volgens hem moest gaan lezen.
Op mijn beurt adviseerde ik anderen dat boek te gaan lezen. Bijna niemand deed dat. Maar wel Jan Bos. Jan Bos beschouwde ‘t als ’t beste boek ooit gelezen, vertrok naar India, kwam terug & ging dood. Maar hij had in ieder geval vlak daarvoor ’t beste boek ooit gelezen. Voor zijn beleving.
Schreef Breton ‘Nadja’ niet in 3 dagen? Hoeveel variaties kan je aanbrengen in die korte tijd? Zijn de variatiemogelijkheden anders als je besluit er langer over te doen (zijn er meer parameters mogelijk)? Wat heeft ‘t 1 met ’t ander te maken? Zal ’t ooit zover komen dat een doos zichzelf kan herinneren dat een voorgaande soortgenoot zijn afgelegde weg reeds doorgaan heeft? Wat heeft ‘Nadja’ in godsnaam met ‘De golem’ te maken, behalve dat ’t omstreeks dezelfde tijd geschreven is, tot de literatuur gerekend kan worden, vooral in de tijd omstreeks uitgave veel gelezen is, & elkaar ontmoette in de trein van Amsterdam naar Den Helder in ’t jaar 1982? Heb ik die jongen ooit nog ontmoet zonder ’t zelf te beseffen? Hoeveel mensen zijn er dood?

Ik zie nog steeds wel een beeld voor me van Jan Bos. Waarbij ik ’t idee heb dat ik ‘m zou kunnen omschrijven. Z’n hangende onderlip, als-ie zweverig, zoals ’t een hippie betaamde, mijmerde over occulte aangelegenheden & hermann-hesse-boeken. Z’n lange haar, die toch ook weer niet al te lang was, maar wel misstond in de new wave-cultuur, waar hij plots middenin zat. De lange joints die hij draaide & te lang voor zichzelf hield. De stugge wollen peruaanse trui, met touwtjes aan de nek. Z’n manier van praten van ‘hé man, doe toch even relaxt’. & Ik zie ‘m ’t boek lezen van Meijrinck, diep weggedoken in de bladzijdes, weggesloten van de rest, in ’t hoekje van de koffieshop, de gehele middag niet te bereiken, tenzij roepend dat iedereen toch best eens wat stiller kon wezen.
Maar als ik ‘m zo omschrijf, zit ik me af te vragen hoeveel ‘Jan Bos’-sen er nog in andermans geheugens bestaan. Welke melodie daarbij speelt, & of ’t zichzelf herhaalt. Misschien kunnen we ‘m weer tot leven wekken. Ook al heeft niemand daar behoefte aan.


Is er al 'ns verteld dat er te veel verhalen leven in Zijperspace?

meel (3)

Ton krijgt de smaak van 't corresponderen met de dame te pakken:

Mag ik zo vrij zijn jouw vragen niet te beantwoorden? Ik bedoel: ik doe 't graag, ik praat graag over mezelf, & net zo goed doe ik dat schrijvenderwijs. Ik beantwoord ook met veel plezier vragen die betrekking hebben op mijn private leven. Niets zo leuk als een open boek te zijn, denk ik wel 'ns, & vervolgens weet ik een vrouw voor uren te kluisteren aan mijn woorden, ½e verhalen, zotte anekdotes of onnozele weetjes.
Laat ik 't anders uitleggen. Ik was vanmiddag, zoals wel vaker, 't hoort bij mijn vak & ik doe 't graag, glazen aan 't ophalen. Ik probeer zoveel mogelijk variatie aan te brengen in de manier waarop ik de klanten, gezeten op de grond, verzoek de glazen aan te reiken. Dat wil wel 'ns verzanden in onalledaagse onzin. Ik heb er geen andere omschrijving voor. Men hoort 't niet al te serieus op te vatten. Wat natuurlijk menigeen wel doet.
Waarop enkelen mij heden middag inviteerden een filosofische uitspraak te doen. Blijkbaar had de opmerking bij de vorige ronde glazen halen een dergelijke inslag. Ik weet van niks, men mag 't interpreteren zo men wilt. Zolang men maar niet 't gerucht verspreidt dat er een filosofische barman ergens in Amsterdam rondloopt. Dat zou te veel eer zijn.
'Alsjeblieft, filosofische uitspraak nr 2,' weerklonk 't in de groep, terwijl ik enkele glazen aannam.
'Oh, hmm. 't Heeft geen zin de barman iets te verwijten, want de barman weet wat er geschonken wordt & wie gedronken heeft.'
Van dat kaliber. Waar niemand wat aan heeft. Ikzelf incluis. Ik kan slechts ter verdediging aanvoeren dat ik er toe gedwongen werd.
Doet mij overigens meteen denken aan 't andere voorval deze middag. Klanten hadden stoelen meegenomen naar buiten de ons toegestane oppervlakte, die wij derhalve ons terras mogen noemen. Ik diende corrigerend op te treden. Of ze de stoelen terug wilden brengen naar de zone daartoe beschikbaar gesteld.
Maar ze reageerden niet. Behalve dan dat ze hard lachten.
'Hahaha, we wisten wel dat je dat zou zeggen.'
'Waarom nemen jullie dan evengoed die stoelen mee deze kant op?' vroeg ik.
'Omdat we hoopten dat jij 't niet zou zien.'
'Maar je weet toch dat ik alles zie?'
& Ze bewogen nog steeds niet. Dus bleef ik staan.
'Die stoelen moeten dus weer terug naar 't terras,' zei ik nogmaals.
'Ja, dat weten we.'
& Ze bewogen nog steeds niet.
'Die stoelen moeten dus weer terug naar 't terras.'
Eigenlijk is 't een heel saai verhaal. Ik kort 't derhalve ietwat in.
'Jemig,' zei toen 1 van de stoelzitters, gepikeerd, verbolgen, rancuneus, zo leek 't zelfs, 'je lijkt wel een leraar.'
Hij stond kwaad op & liep met de stoel richting terras.
'Als jij wilt dat ik me als een leraar gedraag dan kan je 't zo krijgen. Ik pas me aan aan wat de klant van mij verlangt.'
Niet echt filosofisch, toch? Wel efficiënt. Afdoende, zo men wilt.
Maar na 3 onzinnige antwoorden gegeven te hebben op de vraag of ik nog wat filofisch wilde oreren, had ik er genoeg van. Sta je daar met je glazen, moeilijk manoeuvrerend door de menigte die je geen cm ruimte gunt, tenzij 't om volle glazen gaat & men een mogeljkheid ziet gratis vermaakt te worden, liefst op een nivo die een gemiddelde barman niet kan halen omdat-ie over 't algemeen te dom is om aan iets anders te denken dan hoe de volgende chick op een zo ongevoeglijk mogelijke wijze 't bed in te krijgen, & men vraagt om iets intelligenters dan de gedachtes die bij je opkomen die elk mens te binnen zou schieten op 't moment dat-ie meer dan 50 vieze glazen in handen heeft, gereed voor spoelen.
Ik zei: 'Lees dat maar op mijn weblog.'
Stom.
'Je hebt helemaal geen weblog.'
Tuurlijk niet. Ik besta niet. Ik besta niet als persoon die glazen ophaalt, bier tapt, glazen spoelt, mensen uitlegt dat ze zich moeten gedragen, als een ballerina balanceert tussen de massa's die perse ons bier willen drinken & onwelvoeglijk van die gelegenheid profiteren door alles rond te laten slingeren, de achtergelaten glazen door baldadige kinderen kapot laten trappen, & al 't andere ondenkbaar gemakkelijk gedrag waar een gemiddelde consument zich aan zondigt. Ik besta niet. Ik ben hooguit een persoon die een voorstelling geeft & bij tijd & wijle iets zinnigs tussen de liters geserveerde bier oppert.
Dat is natuurlijk niet de reden waarom ik je vragen niet beantwoord. Dat is eigenlijk een aanleiding. Zoals er voor elke gebeurtenis een oorzaak & een aanleiding is. De oorzaak moet je momenteel zoeken in 't feit dat ik behoorlijk moe ben. 't Was druk. Ontzettend druk. Er zijn niet veel horeca-gelegenheden die op zondagmiddag een rij voor de bar hebben staan van 6 meter. Daar moet ik even van bijkomen.
Zal ik jou een vraag stellen?

Groeten Ton.


We beginnen aan 't communicatief systeem van Zijperspace te twijfelen.

meel (2)

Ton stuurt nog een meeltje naar dezelfde onbekende dame, die ondertussen wat onbekendheid heeft weggenomen:

't Spijt me verschrikkelijk, maar ik ben gewend om onder 't voorgaande bericht te reageren, & niet erboven. Dus dat doe ik dan ook. Ik hoop niet dat je de hele tijd hebt zitten zoeken van: waar heeft-ie nou in godsnaam z'n beloofde reactie gelaten?
Overigens ging ik er de hele tijd van uit dat wij hier in Nederland ook dat uurtje minder zouden hebben. Iemand had enkele weken geleden gezegd dat op de 23e de zomertijd zou beginnen, maar ik kijk naar de videorecorder & de tijd op de comp & vind geen aanpassing (dit rond 7 uur 's ochtends; dwing mij niet om na te denken over de tijd bij jou in London, want dat reken ik slechts 2 keer per jaar uit: tijdens de reis door de tunnel heen & tijdens de reis terug). Terwijl jij in je meeltje er onmiddellijk wel iets over zegt. Ik begin echter te vermoeden dat 't een vergissing moet zijn & dat ik vandaag, want zo laat is 't dus inderdaad, begin ik me te realiseren, gewoon nog steeds dat extra uurtje heb.
Een andere overigens: je had 't me natuurlijk stukken makkelijker kwa reageren kunnen maken door in ieder geval een vraag te stellen. Niet dat men niet kan spreken over een reaktie als men antwoordt op een vraag (dat noemt men over 't algemeen een antwoord; eigenlijk een nadere specificatie van 't soort reaktie), maar vooral omdat ik dan enig richting in m'n manier van reageren had kunnen geven. Nu rest mij slechts de mogelijkheid in mijn schrijven te refereren aan de inhoud van 'tgeen hierboven staat. Nou gaat mij dat tot nu toe wel redelijk af, maar je moet wel beseffen dat 't m'n bewegingsvrijheid in deze enigszins beperkt.
& Literatuurwetenschap: dat was eigenlijk m'n doel toen ik zelf begon met studeren, maar zover ben ik niet gekomen (behalve dat 't als een verplicht onderdeel bij zweeds werd gegeven), want ik schakelde over op film & tv-wetenschap. De mensen bij zweeds, eigenlijk bij scandinavistiek, waren te saai. Ik kan helaas geen andere reden opgeven voor mijn omschakeling toendertijd. Waar ik maar mee bedoel te zeggen: leuk. (met die keuze van studie dus)
& 'Ad' betreffende jouw laatste opmerking: hoeveel heb je gister dan gelezen van Zijperspace? Want als je zegt dat je er nog een paar te lezen hebt, dan klinkt 't alsof je 't grootste gedeelte al achter de rug hebt. Ik heb zelf meermaals een heleboel van m'n eigen schrijverigheden moeten doornemen, op zoek naar stukjes betreffende bepaalde onderwerpen, maar dat heeft me die keren telkenmale enige dagen gekost. Momenteel ben ik bijvoorbeeld op zoek naar alle illustraties met muziek eraan gelinkt, die ik in de loop van de tijd geplaatst heb. Dat vergt inmiddels ook alweer 3 dagen vrije tijd. Ik weet dat ik inmiddels al 't grootste gedeelte gehad heb, maar ik ben nog maar bij 'juli' van mijn archief. Dit om te illustreren dat je volgens mij, wil je jouw, wellicht spaarzame, vrije tijd vullen met 't lezen van mijn stukjes, nog behoorlijk lang te gaan hebt. Of je moet net zo lezen als Boudewijn Buch: diagonaal.

Oeps, mijn reaktie begint ook alweer uit de hand te lopen. Ik geloof dat ik hier maar stop.

Groeten,

Ton.
(als je nou een vraag stelt, beloof ik nog 1 keer te reageren)(ik heb daar overigens geen motivatie voor, maar profiteer ervan, zou ik zeggen)(waarom ik dat zeg, weet ik ook niet; misschien is 't nog de alcohol die de ochtend erna nog steeds welig in m'n lichaam tiert)(als ik zo vrij mag zijn deze uitdrukking naar m'n hand te zetten)(m'n reaktie vult m'n beeldscherm volledig)(& nu meer dan dat).


Men krijgt 't nog wel onder de knie in Zijperspace.

meel (1)

Ton stuurt meel aan onbekende dame:

Waar heb jij gewerkt, als ik zo vrij mag zijn te vragen? Daarbij natuurlijk aantekenend dat ik na jouw antwoord misschien wel nooit meer reageer. Maar, bedenk ik me meteen, dat is tegelijk 't meest fascinerende onderdeel van 't versturen van een meeltje midden in de nacht. Waar ik nu mee bezig ben. & Dan bedoel ik: Heb ik morgen wel zin om te reageren op een meeltje van een onbekende dame in London? Daar moet jij je natuurlijk helemaal niet door laten beïnvloeden, dat zou zinloos zijn, want dat zou voorbij gaan aan jouw eigen vrije wil. Denk ik.
Dus ik hoop op een antwoord. Simpel als wat.
Weet je wat? Als ik nou beloof dat ik reageer op 't antwoord dat jij geeft op mijn vraag, dan beloof ik dat ik nog 1 keer, toe maar: nog 1 keer, een meeltje zal terug sturen.
Men moet er tenslotte iets voor over hebben te kunnen communiceren. Probeer ik tenminste de laatste tijd er een beetje in te stampen: 't is geen 1-richtingsverkeer, dat communiceren, dat contact maken met andere mensen, daar moet je wel iets voor doen. Zoals daar is: beantwoorden aan een beeld dat van je verwacht wordt.
Of zoiets.
Wat doe je eigenlijk in London? Of is dat alleen maar je i-meel-adres?


Men heeft ’t communiceren uitgevonden in Zijperspace.

elastiekje

’t Is een klein probleempje. Als ik niet zo beweeglijk was zou ik er geheel geen last van hebben gehad. De oplossing ervoor was nog pietepeuteriger dan 't probleem zelf. Ik kan ook wel een reden verzinnen waarom ik er zelf niet opgekomen was, maar dan krijg ik de 6e feministische golf als springvloed over me heen.
Heb ik overigens hele theorieën over, over ’t verschil tussen mannen & vrouwen & hoe dat tot stand is gekomen. Ik ben geneigd dat op een puur biologische manier uit te leggen, ’t onderscheid te maken in waar de mannen in de oertijd toe dienden & wat de taken van de vrouwen waren. Allemaal gedachtes die ik natuurlijk van andere grotere geesten heb gejat, maar waar je een prettig gesprek mee kan initiëren. Als je tenminste een gewillig oor beschikbaar hebt. Gebeurt niet al te vaak, want juist de vrouwen, waar ik doorgaans die gesprekken mee poog te voeren, zijn niet gediend met een opening als dat ze geen richtingsgevoel hebben omdat ze nou 1maal niet hoeven te jagen. ‘Geef mij de plattegrond maar, schat; dan gaan we nu hier naar links.’
Overigens zou ik ’t absoluut niet goed gedaan hebben in die oertijd, is mijn stellige overtuiging. Hoewel niet gespeend van een uitstekend richtingsgevoel, redelijk reactievermogen & een zekere souplesse in mijn bewegingen, moet ik bekennen dat mijn gevoelsleven een vergissing is van de natuur. In die zin: had de mens geen intelligentie gehad, dan had-ie de wetenschap niet verkregen om creaturen als ik te laten overleven. Intelligentie heeft ervoor gezorgd dat de minder geschikte mens-achtigen de kans kregen toch een leven te leiden. Ik ben een vergevorderd gevolg van die vergissing.
Ik bedoel maar te zeggen: een man zou niks hebben aan al die mededelingen over z’n zielenroerselen in de jacht op een zebra of tijdens ‘t verjagen van een bloeddorstige luipaard. Ware de mens niet zo intelligent geweest, dan had men mij gezien als een wanstaltig product, niet geschikt om in de wrede wereld, natuur geheten, te overleven.

Waar ’t me eigenlijk om ging: m’n riem was gebroken. Ik kocht een nieuwe. Bij de Hema. Ik blijf dat dé ideale winkel voor de mannelijke vrijgezel van mijn kaliber vinden. De hordes dames aldaar wijzen je als vanzelf de weg, in de onoverzichtelijke jungle van onderbroeken, worsten, broodroosters, jaloezieën & andere parafernalia, slechts overzichtelijk gerangschikt voor ’t brein van de hedendaagse vrouw. De Hema is uitgevonden voor de vrouw, de man kan er slechts van profiteren als hij zorgvuldig alle bewegingen aldaar bestudeerd. Met mijn gevoelsleven ben ik daar uitstekend geschikt voor. ’t Vergt alleen nog onnoemelijk veel woorden wil ik dat uitgelegd krijgen.
Die riem was te lang. Die zwiepte aan m’n linkerzij. Een overkomelijk probleem; gewoon een kwestie van je nergens wat van aan trekken, maar zogauw je dit probleem voorlegt aan een vrouw, krijg je onmiddellijk gratis, voor helemaal niks een tip uit grootmoeders huishoudboek.
‘Moet je er een elastiekje omheen doen,’ zei Sas, mijn collega, ‘dan kan je dat uiteinde erachter haken.’
Zo simpel, zo getuigend van vrouwelijk vernuft, zo vanzelfsprekend ook. Ik had ’t gevoel dat ik ’t al wist op ’t moment dat zij haar mond open deed. Maar dat de oplossing zich niet in mijn hoofd wilde vormen. Doordat Sas haar suggestie onder woorden bracht, vielen de puzzelstukjes in mijn hoofd passend in elkaar. Alsof ’t zich altijd al in mijn hersens had bevonden.

& Nu loop ik over straat, of op mijn werk, onbekommerd, zonder ergens aan vast te blijven haken. Gewoon, dankzij een elastiekje bevestigd aan mijn riem. ’t Ziet er niet uit, maar voor ’t gemak ga ik er maar van uit dat mensen liever naar m’n gezicht kijken dan naar m’n middel.

’t Jachtseizoen is wederom geopend in Zijperspace.

haartjes

‘Hebben jullie ’t koud?’ vraag ik aan Ilse & haar vriendin.
Ze hebben de handen in elkaar gestoken, de mouwen zo ver mogelijk eroverheen, kraag omhoog, benen over elkaar.
‘Ja,’ zeggen ze ietwat klagerig.
‘Waarom gaan jullie dan ook buiten zitten? Want je weet dat als je buiten gaat zitten je ook rekening moet houden met de temperatuur die buiten heerst. & In deze tijd van ’t jaar verschilt de buitentemperatuur aanzienlijk van de temperatuur die binnen geldt.’
Ze kijken me allebei aan, terwijl ik pratend naast hun op de bank ga zitten, de glazen nog opgestapeld in m’n handen.
‘Ja, da’s echt zo,’ zeg ik om m’n toespraak nog wat aan te zetten.
‘Heb jij ’t dan niet koud?’ vragen ze mij.
‘Nee, tuurlijk niet. Ik ben een man,’ zeg ik stoer. Om ’t wat extra te illustreren draai ik met m’n kin een paar flinke rondjes in de lucht, lippen verbeten op elkaar. ‘Maar daarnaast ben ik ook aan ’t werk.’
‘Ja, da’s waar,’ zegt Ilse, ‘maar wij gaan nou 1maal altijd buiten zitten.’
‘Binnen is ’t warmer,’ zeg ik nogmaals, ditmaal met een wat hoger stemmetje, op wijze toon.
‘Maar we waren hier buiten aan de praat geraakt, dan verander je niet zo snel van plaats.’
‘Heeft die vriendin van je,’ ik wijs naar de vriendin van Ilse, die net iets verder van me af zit, ‘heeft die vriendin van je nog doorgegeven wat ik haar net verteld heb?’
Ilse kijkt vragend naar haar vriendin. Vriendin kijkt vragend terug. Ze weet ’t al niet meer.
‘Zo te zien niet. Ze heeft dus niet verteld over dat ik jeuk had, hier, boven m’n lip? & Dat ik toen aan ’t krabben was & dat ik vroeg of ze had gezien wat ik aan ’t krabben was?’
Ilse kijkt nog een keer naar haar vriendin. Die schiet ’t opeens te binnen.
‘O, nee, dat ben ik helemaal vergeten,’zegt ze. Ze legt ongemerkt een hand op de arm van Ilse.
‘Da’s heel netjes van je. Dat siert je. Want niet alle mannen kunnen er tegen als dit soort verhalen meteen doorgegeven worden. Sommige mannen zijn wat dit betreft erg op hun privacy gesteld. Gelukkig ben ik niet zo.’
‘Wat is er dan?’ vraagt Ilse ongeduldig.
‘Oja. Nou, hmm. Hoe zal ik ’t zeggen. Kijk. Alle mannen scheren zich, of in ieder geval bijna alle mannen. Toch?’
Geknik. Vriendin lacht op de achtergrond terwijl ik Ilse aankijk.
‘& Soms gaat dat wel eens fout. Dat verschijnsel kennen jullie misschien niet zo goed als mannen dat kennen, hoewel er tegenwoordig bij vrouwen ook behoorlijk wat verwijderd moet worden. Maar bij mannen is ’t al veel langer gemeengoed dan dat ’t bij vrouwen is: ’t verwijderen van haren. Dat was ik dus vanochtend aan ’t doen. Je kan ’t ook wel zien, want als je zou voelen, dat hoeft natuurlijk nu niet, dat zou alleen maar tot gevolg hebben dat ik een vieze oude man ga lijken; als je dus zou voelen, dan word je 1 & al gladheid gewaar. Tenminste: dat dacht ik toen ik voor de spiegel vandaan ging. Totdat ik vanmiddag, ik was al aan ’t werk, m’n onderlip over m’n bovenlip legde. Toen wist ik opeens dat ’t niet helemaal geslaagd was. & Vanaf ’t moment dat je dergelijke dingen te weten komt krijg je op die plekken jeuk.
‘Ik was uitgebreid met m’n vinger aan ’t krabben,’ ik hou onderwijl m’n vinger omhoog, de wijsvinger, om aan te tonen welk lichaamsonderdeel schuldig was, ‘toen je vriendin bier aan ’t bestellen was. Ik dacht, terwijl ik bier voor jullie aan ’t tappen was, ze heeft ’t gezien. Ze heeft die paar haartjes als een hitlersnorretje geprononceerd op m’n bovenlip zien uitsteken terwijl ik met m’n krabbende wijsvinger puntig er naar wees. Ik had net zo goed een uithangbord er onder kunnen hangen: Hier kan u de ongeschoren haartjes van Ton zien. Zo uitgebreid duidelijk was ik aan ’t krabben.’
‘Maar ik zie helemaal niets,’ zegt Ilse.
‘Ja, dat zei je vriendin dus ook toen ik haar vroeg of ze kon zien dat ik er een paar vergeten was.’
‘Als je dat al van m’n vriendin wist, dan had je dit verhaal toch helemaal niet hoeven vertellen?’
‘Jawel,’ belerend steek ik weer een vinger op, ‘juist wel. Want ik had mezelf al voor schut gezet door me niet goed te scheren. Dan kan ik net zo goed er helemaal voor gaan, me nog gigantisch meer voor aap zetten, want dan hebben jullie er tenminste nog een leuke avond van. Heb ik een leuk verhaal verteld. Want als iets al heel erg is, dan kan je ’t net zo goed nog veel erger maken.’

Wat niet gezien wordt kan toch prikkelen in Zijperspace.

geluid

Eigenlijk wilde ik nog een 2e stukje schrijven vandaag, zo vlak voor m’n werk. Maar de werkzaamheden mbt ’t opnieuw plaatsen van diverse stukjes muziek op m’n weblog vergden dermate veel tijd, dat ik er slechts aan toekwam er over te denken, & niet die gedachtes tot geschreven tekst te laten verworden.
’t Voorlopige resultaat van mijn nijver werk valt te aanschouwen & beluisteren dmv ’t lijstje ‘geluid in Zijperspace’ onderaan ’t kader aan linkerzijde. Ze zijn gerangschikt op chronologie van schrijven met als verwijzing de titel van ’t betreffende nr. Leek me handig, & (belangrijk) niet te veel ruimte innemen.
Maar bovenal, een andere reden waarom ik mij niet gedwongen zag nog een stukje te schrijven, was dat ik wil dat u voorgaande postje leest. Hier onder.
’t Is maar dat u ’t weet.

Dus gezwind spoedt men zich naar andere contreien gelegen in Zijperspace.

angst

We waren allemaal bang. Dat was 1 van de weinige dingen waar we zeker van waren. Bang voor ’t leven, bang voor een partner, bang voor de vader, bang voor de dood, bang ’t overzicht te verliezen, bang voor alles dat de mogelijkheid had ook bang te zijn. & Daar moesten we met z’n allen maar ‘ns over praten, vond Müller.
We werden in een kring gezet. In stoelen waar je in kon hangen, maar een rechte rug was er ook in mogelijk. Ze waren zacht, zonder leuningen voor de armen, hadden onbeperkte mobiele mogelijkheden, konden tezamen een bank vormen & verraden vooral binnen de kortste keren je lichaamshouding: ’t werd al snel duidelijk welke houding je aannam tegenover de groep.
We praatten. Maar als er een stilte viel moesten we ons daar vooral niets van aantrekken. De therapie was net als ’t werkelijke leven, alleen een overdreven versie daarvan. Werd er ruzie gemaakt, dan was ’t heftig; werd er gehuild, dan huilden we met z'n allen; heerste er stilte, dan kon je elkaar horen ademhalen, urenlang. We hadden elkaar maar te accepteren, zonder elkaar zouden we niet verder komen in deze groepstherapie. Wij hadden ’t in onze eigen handen, liet Müller weten, gezamenlijk konden we onze nog jonge levens ten goede keren. In zoverre we dat natuurlijk zelf wilden. & In zoverre Müller dit soort woorden in z’n mond nam. ’t Was nl steeds weer de bedoeling dat we zelf tot die conclusie kwamen.

Monique was een rots in de branding. Ze kletste veel. Ze luisterde geconcentreerd. Maar liet ondertussen niet ‘t achtereind van haar tong zien. Waarom zou ze? Ze liet al vaak genoeg haar mening blijken. Op ’t uur therapie dat we in de week hadden, had zij een ½ uur ’t woord. Ze oordeelde & veroordeelde, ze nodigde ons uit haar huis als ontmoetingscentrum te nemen in geval van afwezigheid van Müller, ze kwetterde overal tussendoor, ze luisterde niet als ’t haar zo uitkwam, ze schonk thee, & vond tussen neus & lippen door dat ik te veel suiker gebruikte. Rechtovereind gezeten in haar stoel zei ze dat. ’t Volgende moment Hank aanvallend omdat hij mensen veroordeelde slechts vanwege ’t feit dat ze intelligent waren & geen moeite hoefden te doen leerstof tot zich te nemen.
‘Kijk toch eens verder dan dat kleine wereldje van je opleiding waarvan je denkt dat, wil je er overleven, je alleen maar je boeken nodig hebt. ’t Leven bestaat uit meer dan alleen maar blokken, blokken, blokken, tentamens maken & mensen ontwijken.’
Waarna Hank 3 weken lang z’n mond hield. Maar dat was immers zijn probleem, toch?

‘Waarvoor ben jij dan hier?’ vroeg Müller een keer aan Monique. ‘De wereld lijkt eenvoudig in jouw optiek, die mening kan je niet nalaten te spuien. Je spreekt iedereen bemoedigend toe, je geeft ze steun, maar veroordeelt ze ook, lijkt de wijsheid soms in pacht te hebben. Waar haal jij dan ’t recht vandaan mensen deze raad, deze zorg, deze wijsneuzerigheid aan te doen? Wat mankeert jou dat je jezelf aan deze mensen gelijk durft te stellen & waarom vind je tegelijkertijd ze niet de moeite waard om de reden van je verblijf hier te delen?’

De wereld was beangstigend, leerde ik toen. Met z’n niet aflatende stroom van informatie, z’n kranten die bol stonden van nieuws, z’n stemmen uit de radio, z’n beelden op tv, die allemaal tezamen continu doorstroomden van de ontkenning van ’t relatieve paradijs waar wij ons in bevonden. Niets was wat ’t was, zolang men in z’n achterhoofd besefte dat alles vernietigd kon worden, mensen wreed konden zijn, dood plotseling toe kon slaan, & anders ’t einde elk moment nabij. Je hoefde de krant maar open te slaan, werd mij duidelijk, & je werd je gewaar van een mensenleven die plots, totaal onverwachts, geconfronteerd werd met ’t onnutte van zijn bestaan. Simpelweg omdat ’t beëindigd werd op een onzinnig moment, zonder reden, ineens.
Monique wilde geen kranten meer lezen, geen tv meer zien, geen radio meer horen. Ze wilde zich niet beseffen dat elk moment van de dag mensen lijden, vermoord worden, verongelukken. Ze wilde zich niet meer verplaatsen in andermans leed, dat zo knallend hard z’n verhaal deed tot in ’t diepst van haar ziel. Ze wilde niet meer de hemel voelen die de hele tijd z’n kracht op haar tere lichaam deed gevoelen. Ze wilde ontkennen. Niet op de hoogte zijn. Zich niet voorstellen. Wat 1000en mensen op 1 & ‘tzelfde moment voelden: onrechtvaardigheid, frustratie, pijn, dood. Als dat alles al voelbaar was. Ze wilde leven zonder daar deelachtig van te zijn. Anders kon ze ’t niet aan.
Ze huilde haar verhaal aan ons.

Ik volg ’t nieuws niet. 1 Keer per dag breng ik mijzelf op de hoogte. Liefst zo kort mogelijk. Ik kan me inmiddels niet meer voorstellen dat ik ’t allemaal zal kunnen doorstaan. Dus neem ik snapshots. Ik wil geen mensenstemmen horen praten & tegelijkertijd daardoor ’t mensenleed elders horen ontkennen. Simpelweg doordat de stemmen de gebeurtenissen ergens op de wereld proberen te verklaren. Ik wil niet op de hoogte zijn. Omdat ik ’t me niet meer kan voorstellen. Er gaan te veel mensen dood. Ik had er ook 1 van kunnen zijn. Dat wil ik niet snappen.

Er heerst onbegrip in Zijperspace.

wieling

Beroemde Jan wil een boek over café Wieling schrijven.
‘Claudia, jij kunt me vast wel wat interessante details vertellen.’
‘Waarover?’
Claudia zit aan de bar. Ze praat eigenlijk met haar oud-collega, tussen z'n bezigheden van glazen spoelen & voltappen in.
Beroemde Jan staat op om ’t haar nog wat beter uit te kunnen leggen.
‘Neem me niet kwalijk,’ zegt-ie tegen mij, terwijl hij langs me heen schuift om de ruimte tussen Claudia & mij in te nemen, ‘ik wil even met Claudia praten.’
Ik krijg te maken met een rug die van dichtbij stukken breder is dan gezeten in de stoel een paar meter verderop. Z’n colbert is op maat gemaakt kan ik zodoende constateren.
‘Kan ik niet ‘ns met je afspreken, dat jij me dingen vertelt die ik van anderen nog niet te horen heb gekregen. Inside information. Verhalen die de gewone bezoekers hier anders nooit te weten zullen komen.’
‘Ik zou niet weten wat ik dan zou kunnen vertellen.’
‘Marcel!’ Beroemde Jan roept de barman erbij. ‘Er hebben hier toch wel dingen plaatsgevonden, waar de vaste klanten hoegenaamd niets van weten? Liefdesscènes na sluitingstijd, van personeel onderling, of met klanten erbij.’
‘Er is wel iemand die daar bekend om stond,’ fluistert Marcel samenzweerderig, maar zo dat iedereen ’t kan horen.

Beroemde Jan vindt geen aansluiting bij Claudia. Niet genoeg informatie voor zijn boek. Toch maakt-ie snel enkele aantekeningen als hij terug gaat zitten aan de stamtafel in ’t midden van de kroeg.
‘Waar treed je trouwens op, Claudia?’ buigt-ie nog even naar achteren.
‘In ’t Podium Paradijs, diep in de roze buurt.’
‘Oh, daar ben ik geloof ik wel ‘ns geweest, in die buurt. Wanneer?’
‘Elke zondagmiddag.’
‘Dan zal ik een keertje langskomen.’
Hij pakt z’n agenda erbij.
‘6 April dus ook? Je zingt dan toch?’
‘Ja, zingen is ’t enige dat ik doe.’
‘Dan kom ik 6 april langs.’

‘Kom jij wel vaker in de Groene Olifant,’ vraagt Claudia plots aan mij. Ze buigt zich licht voorover.
‘Zie je wel,’ denk ik, ‘ik kende haar gezicht ergens van.’
‘Vroeger wel,’ is m’n antwoord, ‘maar tegenwoordig bijna niet meer.’
‘Wat is vroeger?’
‘Een jaar, 2 jaar geleden. Nu kom ik er hooguit 2 keer per jaar. Toen elke week.’
Claudia kijkt me nog ‘ns bedenkelijk aan. Ze kent me ergens van, dat weet ze zeker.
‘Jouw gezicht kwam me ook bekend voor. Misschien dat je wel ‘ns bij mij in de kroeg komt. Ik sta ook achter de bar.’
Nee, dat kon ’t niet zijn, zeggen haar grote sprekende ogen. Haar blik keert zich naar Marcel.
‘Wil je nog een biertje?’ vraagt-ie.
‘Nee, ik moet straks lesgeven.’
Ze pakt haar spullen in, trekt haar jas aan. Als ze alles aan heeft, roept ze Marcel.
‘Doeg, ik kom nog ‘ns langs.’
Ze keert zich naar Beroemde Jan.
‘Dag, Jan.’
Terwijl ze opstaat kruist haar blik de mijne. Zachtjes zeggen we elkaar gedag, met een snelle blik van haar ogen.
Ze loopt naar de deur.
Beroemde Jan roept: ‘Dan kom ik 6 april bij je langs.’
‘Moet je doen,’ zegt Claudia onderkoeld, & laat de deur achter zich dicht vallen.
Stil.
‘Nou, als ze zo reageert,’ zegt Beroemde Jan tegen z’n tafelgenoten, ‘dan ga ik natuurlijk niet bij haar langs.’
De tafel houdt z’n mond.

Ik bedenk me opeens dat Claudia me ooit eens heeft verteld dat zij in café Wieling werkte. Aan de bar van de Groene Olifant. ’t Moet een jaar geleden zijn geweest. Sindsdien wilde ik naar Wieling.
Maar Claudia is al een tijdje verdwenen. Beroemde Jan heeft ’t aan de stamtafel over zweeftieten, ’t dragen van hoofddoekjes & ’t beëindigen van ’t terrorisme. Ik reken m’n biertje af met Marcel. De tafel lacht ondertussen om een opmerking van Beroemde Jan. Zijn blik is stoïcijns; hij weet dat z’n grap dan beter aankomt.

Er vindt weliswaar beweging plaats in Zijperspace, maar we weten niet wat ’t aanstuurt.

muziek

Om mijn nacht nog even volledig te maken, & Zijperspace wat dichter tot perfectie te laten komen, heb ik m'n tijd besteed aan 't opnieuw plaatsen van muziek die ik eerder gelinkt had. Al of niet naar ruimte van mezelf in 't verleden; nu is de muziek geheel in eigen bezit. Hoewel.... Zonder toestemming van de artiesten helaas. De ruimte waar ik 't geplaatst heb is in eigen bezit, ruimte zat, dus plaatsen we meteen maar de hele zooi (helaas te weinig tijd om dat in 1 keer te doen).
Ik raad eenieder natuurlijk van harte aan de cd's te kopen van de muziek die hen bevalt na beluistering van 't volgende:
Blauw van the Scene, Miserere van Allegri, Final Day van The Young Marble Giants, Love Will Tear Us Apart van Joy Division, Showdown van Ken Carter, I Want You van Elvis Costello & Somliga Går med Trasiga Skor van Cornelis Vreeswijk, (men dient hiertoe de plaatjes aan te klikken).

't Is natuurlijk wel de bedoeling dat men onder begeleiding van de muziek de teksten van Zijperspace leest.

PS: binnenkort zal de gehele verzameling in de voor-geselecteerde stukjes aan de linkerzijkant terug te vinden zijn.

navelstaren

’t Briefje zei dat ze een terras hadden aangelegd, maar dat ze er tegels aan overgehouden hadden. Of ik er iets aan had, was de vraag. Want anders zouden ze ’t weg brengen.
Meermaals keek ik afgelopen dagen over ‘t hek hun tuin in. Starend naar de stenen. Niet precies de stenen die in mijn tuin zouden staan, maar toereikend voor ’t doel: wat meer variatie, wat meer reliëf. Ik had al lange bloembakken aangeschaft om daar wat meer werk van te maken. Die zou ik tegen de schutting aan hangen. Hangplanten, dacht ik, of anders planten die over de houten planken van de schutting zouden kruipen.
Afgelopen dagen heb ik me vooral in gedachten door de tuin begeven. Als een tuinarchitect, maar dan zonder tekeningen, zo stelde ik me voor. Plannen maken, uitmeten, goede plek zoeken, constructie verzinnen.
Vandaag moest ’t er maar ‘ns van komen.

Ik belde aan bij m’n buren. Niemand deed open. Geen stenen vandaag.
Dus begon ik maar aan de bloembakken. Weliswaar nog geen planten om er in te stoppen, maar dan kon ik die levenloze gedachtes tenminste ‘ns in realiteit omzetten.
M’n bovenbuurvrouw vanaf ’t balkon: ‘Ik dacht dat jij een wilde tuin had? Kom je aanzetten met van die burgerlijke bloembakken.’
‘Ja, maar da’s voor de afwisseling. Die hele muur moet vol komen te hangen met groen,’ wilde ik zeggen.
Maar ik zei: ‘Maar in deze bakken kunnen ook wilde planten.’
Waarna ik me genoodzaakt zag de plantensupermarkt te bezoeken.
Een extra bak aangeschaft, zodat ’t er nog kneuteriger uit ging zien. Ik moest m’n bovenbuuv gelijk geven, vooral nadat ik ze met enkele plantjes als 1e aanzet had opgevuld. Niks wilds aan, dacht ik erbij. Lekker truttig. Maar wacht tot ’t echte leven er in is gekropen, buuv.

Ik belde enkele uren na m’n 1e poging weer aan bij m’n buurvrouw van hiernaast. Ze deed open. Ik legde voor hoe ik over de stenen dacht & wat ik ermee wilde. Ook mijn twijfel of ’t wel de juiste steen was, stak ik niet onder stoelen of banken. Hoe & wanneer we ’t nou in mijn tuin zouden leggen, was een ander onderwerp.

Mijn familie staat bekend om z’n langdradigheid. Ik heb ’t niet van een vreemde. Als 1 van m’n broers een verhaal vertelt luistert de helft van de aanwezigen niet, want men weet dat ’t toch te lang gaat duren voordat de clue gepresenteerd wordt. Als anticlimax komt-ie aan ’t eind plots tevoorschijn, of juist net iets te vroeg, vlak voor ’t eind. We beschouwen te veel details belangrijk voor de overdracht van ‘t verhaal. Er moeten te veel aspecten bij gehaald worden. Niet dat we denken dat de aankleding belangrijk is, de gedachte dat de opbouw tot een weloverwogen einde een fleurig jasje moet hebben is aan ons niet besteed; voor volledig begrip van 'tgeen we vertellen denken de gebroeders Zijp gewoon dat er veel meer facetten belicht moeten worden. ’t Mocht zo wezen dat een onbelichte kleinigheid tot onbegrip leidt.

De buurvrouw droeg een t-shirtje, dat, zoals de laatste tijd wel vaker gesignaleerd kan worden, te kort was om tot haar broek te reiken. Nonchalant deed ik m’n verhaal: ik zou een beetje gaan zitten kijken (‘staren’ wil ik nogeneens in m’n mond nemen) naar de private zone, tussen de navel & de schaamstreek. Ik wilde daar niet op betrapt worden.
Ik had zogenaamd niets door, zo gedroeg ik me, hoewel ik m’n buurvrouw niet al te vaak, of zeg maar nooit, van zo dichtbij met ontbloot reepje buik had mogen aanschouwen.
& ’t Schoot me plots te binnen dat dit de methode voor de vrouw is om directe aandacht van de man te krijgen. Misschien niet al te oprechte, maar wel met een blik die gericht is op de ogen van de vrouw waarmee hij staat te praten. De man is reeds gewend aan de sociale druk niet z’n ogen op de borsten van de vrouw te richten op momenten dat men dat kan zien, de billen kan door de bouw van ’t menselijk lichaam pas achteraf , bij ’t voorbijgaan, geconsumeerd worden; nu wordt hij gedwongen ook van de navelzone niets aan te trekken & doodgemoedereerd een gesprek geanimeerd te continueren. Alsof er niets aan de hand is. Uit angst afgeleid te worden door de verboden gebieden waar de aftastende zoekzin van de man terecht zou kunnen komen. Dmv ’t onthullen van dat reepje bloot heeft de vrouw nog meer aandacht naar zich toe getrokken, nog meer macht. De man is gedwongen tot direct oog-tot-oog-contact. Pas als de vrouw niet kijkt is de man gelegitimeerd z’n blik te laten afdwalen.

Ik liet me daar niet toe verleiden. Ik zou zelf wel uitmaken of ik geïntimideerd wilde worden of niet. & Besloot, in nauw overleg met m’n buurvrouw, dat we de stenen aanstaande zondag over ’t hek mijn tuin in zullen brengen.

We weten echter nog steeds niet wie nou de dienst uitmaakt in Zijperspace.

flarden

M’n vader staat in een weiland. ’t Weiland reikt tot zover z’n ogen kunnen zien. Buiten ’t weiland houdt de wereld voor mijn vader op. & Steeds weer wordt er een extra stukje afrastering geplaatst, ter afbakening ervan, wat tegelijkertijd de bewegingsvrijheid van m’n vader inperkt. Elke keer wordt er voor hem een mogelijkheid afgesloten om verder te kijken dan dat kleine wereldje dat uit niet meer dan zijn weiland bestaat.

‘Ik moest ‘m van de week z’n medicijn geven,’ vertelt Marc. ‘Ik gaf ‘m slechts een ¼ pilletje. Maar meteen daarna was-ie weer helemaal in de war. Heel apathisch.’
‘Is dat ‘tzelfde medicijn waar Ma mee wilde stoppen?’
‘Weet ik niet. Ik geef ‘m anders nooit z’n pillen. Maar sinds zondag gaat ’t wel weer wat beter met Pa.’
‘Misschien heeft Ma ’t dan wel stopgezet. Ze zou aan de dokter vragen of ’t kon.’

‘’t Was niet leuk bij Carel,’ vertelt m’n moeder , ‘’t was ook veel te druk voor hem. Hij wilde de hele tijd maar naar huis. Omdat Carel 40 werd, waren er ook allemaal mensen van z’n werk als verrassing gekomen. ’t Huis was vol. We zijn toen een wandelingetje gaan maken, maar dat was ook geen goede oplossing. Dan loopt-ie in een vreemde omgeving, herkent-ie niet waar-ie zich bevindt. Ik werd er verdrietig van. Toen we terugkwamen zei Jan dat hij ‘m wel mee zou nemen voor een ritje met de auto. Zijn ze naar Schoorl gereden. Daar kent-ie alles nog heel goed. Ze kwamen een uur later terug & Pa was toen gelukkig veel rustiger.’

‘Hoe moet ’t dan met mijn verjaardag?’ vraag ik aan m’n moeder.
‘Tsja, ik wil toch weer bijtijds terug zijn voor als Pa thuis gebracht wordt met de taxi. & Dan wil ik niet in m’n 1tje met de auto door Amsterdam rijden. Dat doe ik niet. Ik moet iemand bij me hebben die me de weg kan wijzen.’
‘Dan moeten we misschien de trein nemen,’ stelt Marc voor. ‘Maar dan zitten we natuurlijk wel met de spullen die we allemaal mee moeten nemen.’
‘Moeten jullie Quint vragen of hij dat mee wil nemen. Jullie kunnen natuurlijk dan op de heenweg met hem meerijden.’

‘Ik neem Pa niet meer mee, hoor,’ zegt m’n moeder , ‘’t spijt me verschrikkelijk voor al degenen die ‘m verwachten als ze jarig zijn, maar ’t is geen doen meer. Voor hem is ’t ook niet leuk. ’t Enige waar hij dan aan denkt is terug te gaan naar huis. Hij bederft daardoor de hele dag. ’t Is misschien hard om te zeggen. Maar ’t lijkt me beter dat men bij ons op visite komt, als men Pa wil zien.’

Sinterklaas was de laatste keer dat m’n vader bij mij langs was. Hij zal hoogstwaarschijnlijk nooit meer zien hoe ik leef, hoe m’n huis er uit ziet. Nog waarschijnlijker is dat-ie de laatste keer ook allang al vergeten is. Voor hem hoef ik niet meer m’n best te doen ’t huis op te knappen. Mijn huis is een grijze vlek in zijn geheugen, over de grens van zijn beleving. Buiten de afrastering.

Zijperspace bestaat alleen als ’t naar hem toe komt.

oorlog

‘Wat was u aan ’t doen op ’t moment dat u van de mogelijke oorlog hoorde?’
‘Ik was in de keuken fricadelletjes aan ’t bereiden. Ik had laatst een pak met 4 stuks in de supermarkt gekocht. Alleen maar omdat ik had uitgevonden dat ze ook in de combi-oven konden.’
‘Wat ging er door u heen?’
‘Ik dacht: dit is uitgevonden speciaal voor mij. Ik laat frituurvet altijd veel te lang in de pan zitten. Ik heb ’t zelfs een keertje voor elkaar gekregen om m’n gehele kelder onder ’t frituurvet te krijgen. Dat kwam deels ook wel doordat m’n kelder blank stond vanwege lekke muren tezamen met een hoog grondwaterpeil, maar vanwege ’t vet moest er een speciale reinigingswagen voor komen rijden. Er kwam een mannetje in een speciaal pak uit die wagen die met een brede slang & ontzaglijk veel lawaai m’n kelder heeft ontsmet.’
‘U dacht: dat nooit weer?’
‘Inderdaad. Voor mij is de frituurpan niet bestemd, in welke moderne uitvoering dan ook. Ik was zeer verheugd te ontdekken dat je ze ook in de oven kon opwarmen. Zonder nadenken heb ik die verpakking van 4 stuks bij m’n boodschappen gelegd. Thuisgekomen verdwenen ze onmiddellijk in de vriezer, in afwachting van een gunstig moment. Ik dacht dat vanavond de trek groot genoeg was. Maar ik had beter moeten weten.’
‘U vond ’t geen juiste timing?’
‘Nou, vooral ’t tijdstip van de dag niet. ’t Liep tegen de avond, ’t begon al donker te worden, andere gezinnen waren waarschijnlijk al lang & breed bezig hun maaltijd te verorberen. & Ik wilde eventjes 4 fricadellen achteroverslaan. Dat besefte ik me echter achteraf pas. Ik had me op dat moment moeten realiseren dat ik na een dergelijke hoeveelheid niet zomaar een maaltijd zou kunnen verhapstukken.’
‘Was dat ’t enige dat u bezighield?’
‘Nou, tegelijkertijd was ik bezig (’t kwam zo uit omdat ik een sausje over m’n fricadellen wilde smeren) de koelkast uit te spitten. Alle flesjes met dipsauzen & verschillende soorten -naises controleerde ik op houdbaarheidsdatum. ’t Bleek dat ik slechts 2 soorten saus zou kunnen gebruiken van de meer dan 10 aanwezig, wilde ik m’n immer heersende paranoia in bedwang houden.’
‘U voelde angst?’
‘Jazeker. Dat heb ik altijd als ik verpakkingen van etenswaren bestudeer & daar een houdbaarheidsdatum op vind die lang verstreken is. Vooral als ik reeds een likje ervan in m’n maag heb rond dartelen.’
‘Dacht u erover in te grijpen?’
‘Nee, dat ging me iets te ver. Ik word eerder ietwat lethargisch. Afgewisseld met vlagen van alles overheersende paniek. Om mezelf enigszins in toom te houden ben ik toen begonnen met de flesjes die niet voldeden aan mijn & de fabrikant z’n eisen te ontdoen van de inhoud door ze onder de kraan te houden & schoon te spoelen.’
‘Was dat ’t enige?’
‘Nee, tuurlijk niet. Ik had, zoals altijd, een kleine hoeveelheid afwas in de vaat staan. Die moest 1st aan kant geruimd worden. Anders zou ik die ook geheel onderspoelen met over-datum-saus. Wilde ik me niet aan wagen. Met die afwas was ik een kwartiertje zoet. Tijdens die activiteiten keerde ik bij tijd & wijle de fricadelletjes om.’
‘Denkt u dat u enige mate van ongerustheid mag voelen?’
‘Zeer zeker wel. Enkele flesjes hadden een houdbaarheidsdatum van meer dan een ½ jaar geleden. & Toen ik 1maal die fricadellen in m’n maag had rond zwemmen, voelde ik me ook daarover niet geheel gerust. Wie zegt dat 4 fricadellen gezond zijn voor een mens, & dat met name in ’t geval dat dit ‘t enige is dat die dag als avondmaaltijd moet dienen? Maar goed, ’t is nu enige uren later. Ik leef nog, ik kruip niet over de grond, ik heb nog geen noemenswaardige honger, hooguit een ontstellende niet te lessen dorst, & ik heb zelfs een tukje gedaan; kortom, m’n gemoedstoestand is weer op peil.’
‘U zult evengoed weer goed slapen vannacht?’
‘Dat is nog maar de vraag. Want dat tukje duurde uiteindelijk toch wel een uur. Betekent dat ik weer een uur later naar bed zal gaan. Anders doe ik geen oog dicht. Voor ’t slapen gaan nog een hartversterkertje wil wel helpen vaak, in zulke gevallen.’
‘Bedankt voor dit gesprek.’
‘Niets te danken. U weet: u kunt altijd bij me langskomen ingeval u mijn mening aangaande dit soort hoogstaande kwesties wilt peilen.’

’t Was een genoegen u op de hoogte te brengen van de heersende opinie in Zijperspace.

billen

Ik kan me slechts 1 keer eerder herinneren dat ik er een compliment over kreeg. Lex & Loes zaten aan de bar. In ’t hoekje, zodat ze al onze activiteiten volop konden aanschouwen van de zijkant. & 1 Van ons erbij geroepen kon worden als er commentaar was. Ze hadden volop zicht & namen net als anders, minstens zo belangrijk, bijna geen blad voor de mond.
Lex riep: ‘Hé, Ton. Loes wil je wat zeggen.’
‘Nee, hoor,’ zei Loes snel, met een blos op haar wangen.
Lex zat er met een brede glimlach. Z’n vrouw in de maling nemen, dat was z’n grootste sport. Zelf door Loes voor schut gezet worden kwam op een goede 2e.
‘Nee, echt hoor,’ ging Lex verder, ‘Loes wilde wat over jou zeggen.’
‘Ga maar lekker door met je werk,’ zei Loes, licht gegeneerd, ‘dan kan ik daar van genieten.’
Waarna haar blos nog wat roder werd. Haar blik had zich daarbij op een bepaald deel van m’n lichaam gevestigd, waardoor ik ’t vermoeden kreeg dat er een smerige vlek zich ergens bevond, onzichtbaar voor mij.
Ik ging door met m’n werk, maar wist dat ik binnen niet al te lange tijd te horen zou krijgen waar Loes & Lex lol om hadden, wat ’t ook was.

‘Hé, Ton.’
Lex stak z’n neus over de bar. Wuifde met z’n hand dat-ie me wat toe moest fluisteren. Dichterbij gekomen pakte hij me bij de schouder & bewoog z’n mond richting mijn oor.
‘Nee, dan kan ik ’t net zogoed zelf vertellen,’ zei Loes kordaat.
’t Was een warme dag. Mensen zaten in grote getale op ’t terras. Met z’n 4-en konden we de drukte net aan. Om zoveel mogelijk van de warmte kwijt te raken waren m’n collega’s luchtig gekleed. Ik had m’n gewoonlijke kloffie aan. Een t-shirt met lange broek.
Loes leunde iets naar voren, met haar neus naar de benen van Jeroen wijzend, die onder z’n stoere korte broek uitstaken.
‘Jeroen heeft prachtige kuiten, kan ik uren naar kijken; vind ik heel mooi bij een man,’ bekende ze, ‘maar ik ben ook gek op billen. & Jij hebt de mooiste billen achter de bar.’
Ik dacht voor een moment terug aan al m’n ex-vriendinnen. Hun handen. Hun zwoele handen. & Hun commentaar dat ik niets om vast te pakken had, daar van achteren.

Gister, terwijl ze alle spieren & ’t beetje extra vulling dat zich daar bevindt onder handen nam om de beklemde zenuw te ontlasten, zei m’n fysio-therapeute dat ik strakke billen had.
‘Je bedoelt,’ zei ik, om ’t enigszins te relativeren; zij was professioneel bezig tenslotte, ‘voor mijn leeftijd valt ’t nog best wel mee?’
Haar antwoord klonk ietwat bedachtzamer dan haar spontane opmerking: ‘Ik kan meteen voelen waar ik moet zijn. Er zit niets te veel aan. & Ze zijn toch gespierd. Ja, inderdaad dus: je billen vallen best mee voor je leeftijd, lekker strak.’
Ik kon haar blik niet zien, met m’n gezicht van haar af gewend, terwijl ze m’n derrière duchtig onder handen nam, maar ik geloof dat ze licht opgelucht was dat ze ’t correct had weten te zeggen.

Maar de manier van lopen is wel enigszins veranderd in Zijperspace.

straks

Binnenkort gaan we verhuizen naar terrein dat geheel & al eigen is. Waar buitenstaanders niks te zeggen hebben. Waar geen overbevolking der letteren zal heersen. Waar de taal algemeen geldend is, woede niet nodig vanwege disfunctioneren, wanprestatie, of andere gevolgen van de toren van Babel. We zijn druk aan 't inpakken, extra faciliteiten aan 't inslaan, uitpakken, gemakkelijke stoelen aan 't uitproberen, de baan polijsten.

Zodat alles soepel gaat lopen, straks, in Zijperspace.

fysio

M’n huisarts zei (Wijsmüller & Franssen zijn m’n reguliere huisartsen sinds ’t overlijden van Lok; ze wisselen elkaar af lijkt 't bij mijn bezoeken aan hun praktijk, maar die zijn op bijscholingscursus; Ubbels, degene die vroeger Lok, later m'n huidige huisartsen-duo, indien afwezig opvangt, is met zwangerschapsverlof; in deze had ik dus te maken met de invaller van de invaller van de 2 vervangers) dat-ie me wel pijnstillers wilde voorschrijven.
Nou, zoveel pijn had ik ook weer niet, zei ik. Ik wilde vooral af van dat doodse gevoel in m’n rechterbeen. ’t Was geen pretje de hele tijd tintelingen in m’n tenen te moeten voelen.
We namen door in welke situaties de pijn in de rug ontstond. We hadden ’t over wat voor werk ik deed. Wat de beroepsziektes waren. Welke houding ik aannam.
Hij liet me testjes doen. Voet omhoog, met gestrekt been. Andere been ook. Voorover buigen, tenen aanraken. ’t Lichaam torderen. Naar links buigen, naar rechts ook.
Ik had een soepele rug.
Pijnstillers dus?
Nee.
Misschien een weekje rust nemen?

Ik reageerde daarop door te zeggen dat dat niet nodig leek. De pijn ontstond vaak op vrijdag, & als ik 2 dagen later weer ‘tzelfde werk moest gaan doen was ’t alweer grotendeels verdwenen. Dan moest ik ’t wel rustig aan doen op m’n andere baan, maar werken kon ik evengoed.
& Naarmate ik ’t probleem, de omstandigheden, afzwakte, minder erg probeerde te doen lijken, kreeg ik ’t gevoel dat ik ’t beter de andere kant op kon overdrijven. Hij was bereid mij legaal een week vrij te geven, ging er door m’n hoofd. Een week vrij, een week vrij, een week vrij, was de enige gedachte die zich nog deed gelden.
Ik moest maar even kijken, zei de huisarts, maar ik kon desnoods op hem rekenen in ’t geval ik toch wat rustiger aan wilde doen. Hij zou me in ieder geval doorsturen naar de fysiotherapeut.

Daar ga ik zo heen. Sinds die woensdagochtend heb ik bijna geen last. Af & toe een kortdurende pijn, maar meestal hoger in m’n rug gelegen dan de oorspronkelijke. M’n voet tintelt slechts een heel klein beetje. Te weinig problemen om een week ziek voor te zijn.
Ik had me voor zitten stellen wat ik in een week tijd allemaal zou kunnen doen. Hoeveel boeken ik zou kunnen lezen, welke verhalen ik allemaal kon opschrijven, hoeveel uren ik typend achter m’n comp zou door kunnen brengen.
Maar nu moet ik naar de fysio. Zij moet gaan keuren of mijn probleem wel degelijk nog een probleem is. & Zo goed mogelijk bijdrages & suggesties leveren voor de snelle & afdoende verdwijning van ’t euvel.

Maar ik had zo graag een week lang alleen maar in Zijperspace verbleven.

wandelstok

Ik had m’n broer aan de telefoon. Om ‘m te feliciteren met de verjaardag van z’n zoontje. Nieuws werd uitgewisseld, terwijl ik wachtte op enige activiteit in de winkel.
Boekenman liep voorbij. Hij keek naar binnen & zag mij op de trap zitten. Dat deed ‘m omkeren.
‘Hoi, Boekenman,’ groette ik.
‘Moet je nou toch ‘ns kijken,’ zei hij, zich niets van de telefoon aan m’n oor aantrekkend. Hij hield z’n wandelstok voor. ‘Ik mocht deze zomaar hebben.’
‘Daar kan je mooi mee wandelen.’
‘Nou, wandelen, ik heb ‘m daar natuurlijk niet voor nodig, want lopen kan ik al. Ik kreeg ‘m van die vrouw waar ik altijd help. Ze verkoopt heel veel van dit soort stokken. Kijk, zei ze, neem jij er ook maar 1. Toen heb ik deze uitgekozen.’
Boekenman zwaaide met z’n stok.
‘Maar als ik dronken ben, dan is-ie natuurlijk ook erg handig.’
Hij ging wankelend op z’n benen staan, met z’n stok houvast aan de grond zoekend. Met een wezenloze blik bewees-ie ’t nut van z’n nieuwe stok.
‘Ja,’ zei ik, ‘dan is ’t natuurlijk reuze handig.’
M’n broer lachte mee aan de andere kant van de lijn. Boekenman sprak ook zonder beeld tot de verbeelding.
‘Ik kan natuurlijk meteen een biertje nemen, nu ik hier toch ben,’ zei Boekenman.
‘Kan je gelijk uitproberen of de wandelstok werkt.’

Alles wordt getest in Zijperspace.

foto



Heb ik gelijk, of niet? Marianne (& niet Marjan, zoals ik eerder schreef; mijn geheugen draaide mij weer 'ns een loer) was een stoer meisje. Ik zit daar, ½erwege 't eindfeest van '79, moeizaam overweg kunnend met de vingers die ik aan m'n handen blijk te hebben zitten. & Marianne doet onderwijl een padvindersgroet naar de fotograaf. Waarschijnlijk een leraar, fanatiek met 't fototoestel experimenterend. Zij trok zich daar niks van aan. Zij had niet zoveel ontzag voor autoriteiten. Haar gebaar was behoorlijk stoer, vooral omdat ze geheel niet op de padvinderij zat. 't Zou ook iets anders kunnen betekenen, bedacht ik me toen, die 2 vingers van haar. Ik wist alleen niet wat.

We waren 15, ik zelf was dat net 2 maanden ervoor geworden. We dronken nog geen alcohol, we rookten niet. Niemand die dat deed, moet ik zeggen, behalve Marianne & Jenny. De laatste een goede vriendin van Marianne, zeer bedreven in 't maken van stekelige opmerkingen die de lach van Marianne konden aanvullen. Of oproepen.
Marianne heeft op de foto een peuk in haar hand. Misschien had ze ook wel gedronken. Ik ben verliefd, of anders in ieder geval erg trots op 't feit dat Marianne zich verwaardigd heeft naast mij te komen zitten. Ik was niet zo stoer. M'n kapsel had zich bijv nog niet aangepast aan de new wave-normen.

Ik droeg blousjes. Altijd. Zoals ik nu altijd t-shirts draag, droeg ik toendertijd altijd blousjes. Geschreven met 'oe'. Blousjes met een blokmotief, streepjes, & enkele, niet te veel opvallende, kleuren. Die blousjes stopte ik toen nog niet in m'n broek, zoals een jaar later verplicht gesteld in mijn omgeving. 't Bovenste knoopje hield ik geopend, dit in tegenstelling tot Marco. Maar die had er dan ook geen bal van begrepen. Minder dan ik. Marco droeg ook een bril & toen we geen vrienden meer waren kreeg-ie al snel een buikje. Een bolling van ong een cm. Dat was behoorlijk, op die leeftijd. Z'n rode wangen werden nog roder bol, sindsdien.
Later, we zaten inmiddels niet meer bij elkaar in de klas, ging Marco lenzen dragen. Veel te laat, want de beweging van z'n vingers richting bovenkant neus zat al helemaal in z'n lichaamsneuroses vastgeroest. Z'n hoofd werd ook rood als ik 'm tegenkwam. Kwaad als-ie was dat ik niet meer z'n vriend wilde zijn. Hij was tot 3 keer toe weggestuurd door de vrienden die ik op de 'omloop' had gevonden, degene die wel tot de new wave-scene van de school behoorden.
Op 't moment dat de foto van Marianne & mij genomen is, was ik nog blij met Marco. Hij had me nl de ketting die om m'n nek zit bezorgd. Iedereen droeg dat, ook Marianne. 't Lijkt op de foto alsof we precies dezelfde ketting dragen. Maar juist de geringste variaties in de nekkettingen lieten zien hoe koel je was. Toendertijd schreef je koel nog niet met een c & 2 o's. Marianne was heel koel. Stoer. Dat waren niet zoveel meisjes. Ik was gek op Marianne, maar ik geloof nog steeds dat zij mij toendertijd vooral pestte.
Marco had de ketting op de kop getikt toen we op zoek waren naar een ketting voor hem. Ik mocht van m'n moeder er geen geld aan besteden; ze vond 't maar onzin. Marco daarentegen wel. Per ongeluk had-ie 2 exemplaren in z'n handen toen hij bij de marktstal er slechts 1tje voor zichzelf wilde aanschaffen. Die overbodige 2e kreeg ik van hem. Je bevestigde 'm door achter je nek 't ene uiteinde in de andere te draaien. Vanaf dat moment hoorde ik erbij. Totdat ik vond dat ik er maar een beetje verwijfd mee uitzag. Al snel was de nekketting toen kapot. & M'n kop kaal. Marco geen vriend meer.

Marianne stuurde me deze foto. Ze draagt nog steeds 'tzelfde kapsel, zegt ze. Ze groet me.

Van een afstand, want 1 keer Zijperspace is genoeg, schrijft ze.

gesprekken

Vrouwen spreken je gewoon aan, als je in dienst bent als barman. Barmannen zijn interessant. De meest interessante wezens die je in de vorm mens kan ontmoeten, zeker de mannelijke uitvoering ervan (misschien daarom dat men minder vaak van de vrouwelijke variant spreekt). Heb ik tenminste altijd begrepen van horen vertellen. Van vrouwen. Van wie zou ik ’t anders moeten hebben. De barman wordt met bewondering tegemoet gezien. Heerlijk zelfverzekerd, altijd in ’t middelpunt van de belangstelling, & bovendien kan-ie zorgen voor gratis drankjes, waarbij hij subtiel voorover dient te buigen, ellebogen op de bar. Anders heeft ’t aangebodene geen effect. Daarnaast heeft de barman vaak een lekker ‘coole’ doorrookte stem, enkele octaven lager dan gewoon, kriebelbuikgevoel veroorzakend, & weet-ie tussen ’t tappen & inschenken door precies de juiste blik op ’t juiste moment te plaatsen. Want blikken plaats je als barman, waar anderen dat met opmerkingen pogen.
Behalve op de plek waar ik werk. Een enkele keer kijkt een vrouw mij aan, smekend om eindelijk eens aan de beurt te zijn, mij onmiddellijk vergetend zogauw ze de bestelde buit binnen heeft.
Ik heb besloten geen vrouw meer in m’n leven toe te laten, slechts af & toe ze schielijk te aanschouwen, maar zeer zeker niet meer te trappen in de verlangende dorstige blikken. Dorstig voor bier, weet ik inmiddels, geen interesse in mij behalve dan dat ik ‘t noodzakelijk hulpmiddel ben in ’t lessen van hun dorst.
& Alle voornemens ten spijt laat ik me elke keer, die enkele keer, toch weer verleiden tot een gesprek dat tot niet meer leidt dan dat ik uiteindelijk ‘t café sta schoon te maken & de dame in kwestie als een balletje de zaak verlaat. Zij vol van alcohol & genoten ontboezemingen mijnerzijds, ik vol van leegte; alles wat ik overboord gegooid heb in een gesprek dat niet meer was dan een aangeschoten luchtbel die tussen ons in hing, zal ik moeten omzetten in een schone vloer, een zindelijk toilet, een smetteloze bar & kraakhelder glanzende tafels. Zij hoeft niet meer te doen dan heelhuids thuiskomen & zo snel mogelijk ’t gesprek vergeten.

‘Nou kom ik al jaren,' zei een vrouw van ong m'n eigen leeftijd, 'maar jij lijkt niet ouder te worden.’
‘Ik heb toch echt inmiddels duidelijk herkenbare grijze haren,’ zei ik, ‘& ’t schijnt ook dat m’n kraaienpoten bij m’n ogen aanzienlijk zijn toegenomen.’
‘& Toch zie je er niet ouder uit dan enkele jaren geleden.’
‘’t zal toch echt zo moeten zijn dat ik ouder ben geworden; ik heb in ieder geval elk jaar m’n verjaardag gevierd.’
‘Maar ’t lijkt alsof jij helemaal geen zorgen hebt. Je kijkt nog altijd even jong uit je ogen & even onbezorgd.’
‘& Juist al mijn ex-vriendinnen beweren dat ‘zorg’ mijn middelnaam is.’
‘Heb je kinderen dan?’
‘Nee.’
‘Hoe kan dat?’
‘Ach, ik wilde altijd wel graag kinderen hebben, maar ze hebben me tot nu toe wijsgemaakt dat een man daarbij niet buiten een vrouw kan. Die vrouw ontbeer ik.’
‘Dat kan natuurlijk altijd nog gebeuren.’
‘Nee, dat kan niet. Ik heb besloten dat ik niet meer m’n best ga doen een vrouw te krijgen.’
‘Wat dan niet?’
‘Ik heb er genoeg van altijd maar versuft hopeloos wanhopig achter vrouwen aan te hobbelen. Ik weet dat ik niet geschapen ben om een vrouw te hebben, ik ben inmiddels te oud & te veel relaties zijn op niets uitgelopen. Kortom, ’t wordt nooit meer iets met mij. Ik ben blijkbaar te moeilijk.’
‘Als je dat op zo’n manier zegt wordt je juist aantrekkelijker voor vrouwen.’
‘Nee, helemaal niet. Want ik wil niks meer.’
‘Juist wel, want doordat je onbekommerd ze tegemoet treedt, je gaat ervan uit dat je niets met ze krijgt, word je zelfverzekerder, word je onbereikbaarder, word je bijzonder. Volgens mij heb jij over een jaar een vrouw met kind.’
Vrolijk lachend zei ze me 5 minuten later gedag. Ze liep achter een man aan. Veel groter & sterker dan ik. Ze gingen ergens eten, hoorde ik nog net. Ik wreef onderwijl de bar schoon.

‘Mijn vriendin wil je iets vragen,’ zei een andere keer een dame aan de bar.
& De vriendin in kwestie barstte verontschuldigend roodgloeiend in lachen uit. Sloeg ½ achterover terwijl ze haar handen tegen de ellebogen van de dame sloeg.
‘Nou, zeg,’ gilde ze. Hinnikend.
‘Ja, ze wilde je echt iets vragen,’ ging de dame door, ‘ze wilde ‘ns een keertje met je praten.’
‘Dat moet je niet zeggen,’ zei de vriendin.
‘Dat moet ze juist wel zeggen,’ zei ik, ‘ik wou dat ik zulke vrienden had. Hoewel ik me in dit soort situaties dan ook altijd bedrogen zou voelen.’
‘’t Is toch leuk dat je hoort dat iemand ‘ns met je wil praten?’ vroeg de dame mij.
‘Ja, ik vind ’t heel leuk. Zo vaak gebeurt dat niet. Ik heb zelf ook heel vaak dat ik denk dat ik iets tegen een vrouw wil zeggen. Dan zie ik een hele mooie vrouw op een afstand staan & denk ik: die moet ik wat zeggen. Maar dan weet ik alleen nog niks.’
‘Wat doe je dan?’ vroeg de dame.
‘Dan doe ik niks. Dan ga ik me terugtrekken in een hoekje, totdat de vrouw in kwestie mij aanspreekt.’
‘Dus dat gebeurt dan uiteindelijk wel?’ vroeg de vriendin, ietwat gekalmeerd.
‘Nee, dat gebeurt nooit. Maar ik wacht daar wel elke keer op. Dus je boft maar dat je zo’n vriendin hebt, want nu praten we toch met elkaar. Alleen niet zo lang. Ik moet nl nog alle glazen ophalen. Ik beloof dat ik volgende keer met je zal praten. Maar dan moet je wel snel komen.’
‘Nee, nu durf ik niet meer te komen. Zó stom.’
‘Dat moet je nu juist wel doen. Want nu heb ik verteld hoe ’t bij mij zit, waardoor ik eigenlijk heel verlegen moet zijn. Dat ben ik echter niet, want ik moet nu schoonmaken. Ik heb ’t veel te druk om verlegen te kunnen zijn. Als ik straks stil zit dan voel ik ’t wel. Dan denk ik weer dat ik allemaal stomme dingen gezegd heb. Dan ben jij allang al weg & zit ik me dood te schamen over alles wat er uit m’n mond gefloept is. Daarom moeten we de volgende keer met elkaar praten. ’t Is dus beter dat je wel langskomt.’
‘Waar hebben jullie ’t over?’ zei plots de man die naast haar zat.
‘Jij moet je er nou even niet mee bemoeien,’ zei ik, ‘we hebben ’t nu even over een man-vrouw-onderwerp.’

Een onderwerp van levensbelang in Zijperspace.

onderbroeken

Voor onderbroeken zou je eigenlijk je leven lang je moeder bij de hand moeten hebben. 1Maal heb ik een vriendin bijna zover gekregen met me mee te gaan op onderbroekenjacht, maar op ’t laatste moment belde ze op met de mededeling dat ze ’t toch maar niks vond. Waarschijnlijk wilde ze niet de tot dan onzichtbare kleding van een vriend helpen uitzoeken. Ze wilde misschien zelfs niet ’t idee krijgen dat ik later die kledij wel aan andere vrouwen zou tonen & niet aan haar. Met een lichaam erin, bedoel ik dan. Zij zou ze slechts in de hand hebben genomen om ’t motiefje te beoordelen, de vorm, de spanning of misschien wel ’t draaggemak. & Naar aanleiding daarvan had ze me geadviseerd ’t te kopen of dat juist te laten. Haar leven lang had ze ’t complex met zich mee moeten dragen dat vrouwen mij in haar raad rond zouden zien lopen. Terwijl een mens niet voor niets de woorden ‘raad’ & ‘daad’ bij elkaar gevoegd heeft, maar er iets mee probeerde uit te drukken.

Mannen zijn niet geschapen om door te hebben wanneer ze op pad moeten voor ’t inslaan van dergelijke kledij. Meestal ondervinden ze op ’t verkeerde moment dat er een gat ontstaan is, een slijtplek. Altijd op de plek waar ‘t ’t minst uitkomt. Dan moeten ze er nog zeker 2 dagen mee doen, want de wasmachine kan net vandaag niet draaien & tijd voor bezoek aan de Onderbroekengigant is er niet. & Juist die avond hebben ze een leuke afspraak met een charmante dame (degene die ze reeds een ½ jaar op ’t oog hebben, nooit hebben durven vragen, zelfs nooit hebben durven benaderen, maar die afgelopen dinsdag toevallig op de stoep stond om een kopje suiker te komen lenen, wat resulteerde in een goed gesprek & de afspraak een balletvoorstelling te gaan bezoeken)(dit om via een voorbeeld ’t gegeven wat meer in ’t leven te plaatsen).

Vroeger, in de tijd dat de man nog schoolgaand was, toen zat de wereld stukken eenvoudiger in elkaar. Men maakte bij ’t ochtendkrieken z’n ontbijt, z’n lunch & z’n tussendoortjes gereed, tezamen met wat thee, misschien wel koffie, & tussen neus & lippen door bestelde men een 3-tal nieuwe onderbroeken bij de godalmachtige, altijd voor haar kinderen gereed staande moeder (wat heb je lekker vlees bij de slager gehaald; de boerenkool gister was heerlijk; eten we vanavond de restjes; je moet je vandaag vooral niet te druk maken; denk om je hoofdpijn, Moe; kan je, als je toch de stad ingaat, een stapeltje nieuwe onderbroeken bij de Hema inslaan?). De wereld was simpel, moeder had dat immers zo uitgelegd, zo gecreëerd & hield ’t graag zo in stand, & ’t enige wat je voor die constitutie over hoefde te hebben was een keertje extra afwassen. Desnoods een laken vasthouden & helpen vouwen als ze aan ’t strijken was.
Schone nieuwe onderbroeken waren ’s middags bij thuiskomst de beloning voor dergelijk blijk van hulpvaardigheid in ‘t huishouden.

’t Leven is zwaar voor een man alleen. Hij zal zelf de Hema in moeten gaan. Hij zal de schappen af moeten lopen, rij voor rij. Hij zal verwonderd de damesslipjes, de strings (zijn die nu ook al bij de Hema verkrijgbaar, vraagt hij zich onderwijl verwonderd af), de luiers, de kindermaatjes, de bh’s (elke keer weer anders) moeten passeren. & Puntje bij paaltje ziet hij zich genoodzaakt een vrouwelijke medewerker aan te schieten. Er werken alleen maar vrouwen in de Hema, zo luidt zijn conclusie (misschien wel de belangrijkste conclusie van de dag), behalve misschien die bedrijfsleider die een te net getrimde sik heeft om je een Hema-slip erbij voor te kunnen stellen. Bovendien zal zijn vrouw vast verantwoordelijk zijn voor die inkopen.
’t Voordeel van de Hema-verkoopsters: ze geven geen advies. Tenzij ’t een vriendin is. Maar dan had je haar net zo goed mee kunnen nemen bij ’t inslaan van de nieuwe voorraad onderbroeken. De Hema-verkoopsters onder je vriendinnen schromen niet je daarin bij te staan.
Hema-verkoopsters, misschien is medewerksters een beter woord, wijzen je ’t schap, desnoods ’t vak, & laten je dan in de steek. Vervolgens staan ze enkele meters verder met een collega hard te gniffelen, onder ’t mom dat ze ’t over hun nieuwe collega hebben. Je bent druk doende de juiste maat te vinden, die had nog niemand van je ex-vriendinnen je verteld; de Hema-medewerksters hadden dat reeds vermoed toen ze je de winkel in zagen schuiven & observeren hoe jij je daar uit redt. Om je vervolgens met een maatje allemachtig bij de kassa te zien afrekenen. ’t Verhaal van de dag in de personeelskantine.

O heilige Maria, moeder van God, bid voor ons mannen. Mannen die niet zelfstandig de juiste onderbroek op de kop weten te tikken. Zend ons een vrouw die zo af & toe bereid is bij te staan in raad & daad, maar dan toch vooral op ’t gebied van ’t uitzoeken van de juiste maat. Zend ons een vrouw die tersluiks ’t onderwerp 1 keer in ‘t ½ jaar weet aan te snijden, zo rond ’t moment dat de gaten er nog net niet in zitten & ’t elastiek niet is geknapt. Zend ons bovenal een vrouw die geen voorliefde heeft voor boxershorts, gezondheids-onderbroeken & strings voor mannen.

Maar wees vooral zo vriendelijk met spoed een stel op maat gesneden onderbroeken naar Zijperspace te sturen.

vecht (2)

‘We zullen moeten doorlopen tot Vreeland,’ zeg ik, ‘er is geen brug richting Nederhorst den Berg.’
‘Dan gaan we daar wat drinken,’ zegt Rachel.
‘Blijken daar straks ook, net als in Nigtevecht, alle cafés gesloten te zijn.’

We lopen & praten door.
‘Ik vind ’t de laatste tijd een beetje zinloos,’ zeg ik, ‘heb je allerlei dingen in je leven gedaan, maar aan ’t eind weet je je er niks van te herinneren.’
‘Alles eindigt uiteindelijk in niets. In een moment dat er niets over is van alles dat daarvoor heeft plaatsgevonden. Maar dan vind ik nog wel dat ’t zin heeft om ’t meegemaakt te hebben.’
‘Maar wat heeft ’t dan voor zin dat ik een keer over prikkeldraad ben geklommen, maar me dat alleen maar kan herinneren als ik voorbij datzelfde punt loop?’
‘Nou, je hebt ’t meegemaakt. Dat is genoeg.’

In Vreeland steken we de Vecht over, op zoek naar een café. ‘t 1e Dat we tegenkomen is een snackbar annex cafetaria. Op de deur prijkt de mededeling: Alleen op vrijdag geopend.
‘Hoe verdienen de mensen hier hun geld, als ze alleen maar op vrijdag tot leven komen?’
We lopen door een smal straatje, waar, aan ’t eind, een dame haar goed staat uit te kloppen. Ze staat enkele meters boven ons, in de raamopening op de 2e verdieping.
‘Mevrouw,’ vraag ik, ‘is er hier in ’t dorp misschien ook een café dat open is?’
‘Als je hier naar rechts gaat & dan de 2e weer naar rechts, dan kom je bij ’t Pannenkoekenhuis. Daar kan je misschien wat drinken. Als je perse een café wilt hebben, dan moet je die 2e rechts negeren.’
‘Dankuwel.’
We lopen de hoek om.
‘Ik vond haar wel iets van een bediende hebben,’ zegt Rachel.
‘Ik moest onmiddellijk denken aan Saartje, van Swiebertje,’ zeg ik.
We horen nog wat achter ons. We kijken om. ‘t Dienstertje uit Swiebertje steekt boven de zojuist gepasseerde struiken uit, nog steeds in de raamopening met ’t beddengoed.
‘’t Pannenkoekenhuis is in ieder geval open,’ zegt de dienster vanuit ’t raam, met lichte stemverheffing.
‘Jemig, wat reikt ’t geluid hier ver,’ zegt Rachel.
‘Dat moet ook in een dorp waar nooit wat gebeurt, & cafés zelden open zijn.’

Even verder staren meisjes vanuit hun kamer naar ons als we passeren. Op ‘t open raam zit nog een poster van Jamai geplakt.
‘Waren jullie voor Jamai?’ roep ik.
‘Jaaah,’ roepen ze enthousiast.
‘Ik vond Jamai niks. Ik vond Jim veel beter.’
Hevige consternatie in de meisjeskamer. Ze roepen ons dingen over Jamai na. Dat Jamai veel beter was. Wij lopen verder. Ze blijven roepen totdat we de hoek van ’t Pannenkoekenhuis om zijn gegaan.

‘Zullen we ook maar een pannenkoek nemen dan?’ vraagt Rachel.
‘Dat heb ik al jaren niet gedaan.’
‘Ik trakteer.’
‘Een pannenkoek is wel groot, hè?’
‘Ik neem een kinderpannenkoek met kaas.’
‘Da’s wel een goed idee. Neem ik een kinderpannenkoek met spek. Meer kan ik waarschijnlijk toch niet op.’

‘Eten kinderen zo’n hele pannenkoek op?’ vraag ik na afloop aan de serveerster.
‘Ja, hoor,’ antwoordt ze, ‘misschien niet met kaas; die vult wel heel veel.’
‘Oh, maar dan eten zij dat natuurlijk als maaltijd. Wij eten ’t als tussendoortje.’

We lopen via de brug over ’t Amsterdam-Rijnkanaal naar Loenersloot. De serveerster heeft uitgelegd dat ’t nog minstens 2 km lopen is voordat we daar een bushalte zullen vinden. Onderweg laten we omstebeurt een boer.
‘’t Was wel lekker, hè,’ zeg ik.
‘Heerlijk.’
‘Volgende wandeling duiken we meteen een pannenkoekenhuis in als we er 1 tegenkomen.’
Een uur later herinnert een oprisping van pannenkoek met spek & stroop me nog aan onze avonturen in Vreeland.

& Zolang Zijperspace blijft bestaan, herbeleven we avonturen.

vecht

‘Je moet bij honden altijd maar denken, van die honden, bedoel ik dan, die van ’t erf wild blaffend op je af komen rennen; je moet bij dat soort honden altijd maar denken: ze gaan niet verder dan hun eigen territorium. & Hun territorium gaat meestal niet verder dan ’t hek. Waar de oprit ophoudt, zeg maar. Da’s wel belangrijk als je aan ’t wandelen bent in een gebied waar je veel boerderijen passeert.’
‘Oh, wat schattig,’ zegt Rachel iets later.
‘Wat?’ vraag ik.
‘Dat hondje.’
Ik kijk even wat beter de woonboot in.
‘Vind je ’t niet schattig?’ vraagt Rachel.
Inderdaad ligt ’t kleine witte hondje er heel mooi voor pampus bij, midden op de fauteuil van de grote baas.
We zijn nog niet uitgekeken op ’t snoezige hondje of er weerklinkt woest geblaf voor ons. Op ’t erf van een boerderij tegenover de Vecht staat een hond ons wild toe te blaffen. Als we ondanks ‘t afschrikwekkende effect ervan toch door blijven lopen, besluit-ie op ons af te stormen.
‘Dit is een hond die niet echt een territorium heeft,’ leg ik uit. Opofferend steek ik m’n hand uit, zodat de hond verkennend m’n hand kan betasten met z’n neus. ‘Waarschijnlijk zwerft deze hond veel meer over ’t terrein rond de boerderij.’
Tot m’n grote opluchting steekt de hond z’n neus in m’n handpalm & loopt-ie vervolgens voor ons uit. Alsof-ie ons de kortste weg van zijn terrein af wil wijzen. Bij de brievenbus van de volgende woonboot aan de Vecht ruikt-ie hoe ’t met de buren gaat & laat-ie ons in de steek.

‘Kijk, als je dit soort wandelingen maakt, moet je heel vaak over stukken weiland waar koeien in staan. Ik heb ‘ns een wandeling om ‘t Naardermeer gemaakt, tenminste, dat was de bedoeling, toen moest ik ½erwege plots door een stuk land waar een 10-tal koeien stonden te grazen. Ik ben teruggekeerd & heb dáár,’ ik wijs naar de andere kant van ’t water, ‘aan de overkant van de Vecht, de tocht naar Weesp gemaakt. Ik had geen zin om via die koeien nog in Bussum terecht te komen.’
‘Ik denk dat ik ook niet langs koeien zou durven lopen,’ zegt Rachel.
‘Ik ben er zelf ondertussen geloof ik wel overheen. Afgelopen zomer in Engeland moest ik een paar maal langs koeien & met een stok in m’n hand durfde ik ’t wel aan. Koeien zijn banger dan de mens, dacht ik de hele tijd maar. & Ondertussen scheet ik in m’n broek.’

‘Maar ’t is vooral een kwestie van weten waar je loopt. Je moet eigenlijk op 3 dingen letten. Ik let in ieder geval op 3 dingen als ik loop. Anders houd ik ’t niet vol.
Ten 1e moet je zorgen dat je zoveel mogelijk op ’t midden van ’t pad loopt. Want in ’t midden is ’t pad ’t meest vlak. Da’s beter voor je voeten. Als je de hele tijd langs de zijkanten loopt worden je voeten onevenredig belast. Krijg je last van.
Dan moet je zorgen dat je altijd zoveel mogelijk afsnijdt. Afsnijden is een sport. ’t Gaat er misschien om dat je de hele wandeling maakt, maar dan wel via de kortste route. Nooit een stap te veel afleggen.
& Vooral als ’t heet is, je weet dat ik niet zo goed tegen de hitte kan, als ’t heet is & de zon schijnt fel, dan moet je zorgen dat de zon zo min mogelijk op je lichaam schijnt. Altijd in de schaduw proberen te lopen dus. Elke keer zoek ik dan naar de meest schaduwrijke kant van de weg. & Die probeer ik te vinden via ’t midden van de weg, liefst op een manier dat ik een zo groot mogelijke afstand van de gehele route afsnijd.
Moet je allemaal om denken.’
‘Ik heb ’t allemaal precies andersom,’ zegt Rachel.
‘Wat?’ vraag ik.

& Men liep door in Zijperspace.

gebakken

Ik heb ’t gebakken eitje herontdekt. Ik wou ’t gister nog aan Jeroen van m’n Delicatessen bekennen, dan had ik kunnen verklaren waarom ik niet zoveel bij ‘m kocht, maar m’n hoofd deed ’t me niet herinneren toen ik daartoe de gelegenheid had. Dat heb je soms wel ‘ns. Zal je zien dat ik volgende week door hem verwelkomd word met de mededeling: ‘Zo, dus jij hebt ’t gebakken eitje herontdekt.’
Ik weet van mezelf dat ’t iets tijdelijks is. Ik ben nou 1maal afhankelijk van vernieuwing, zeker als ’t mijn ontbijt & lunch betreft. De dagen mogen niet te veel op elkaar lijken, zeker niet in de vorm van dat wat ik in m’n mond stop. Daarom eet ik er ook altijd maar 2 met gebakken ei. De overige 4 boterhammen worden met paté of salami belegd. Of iets anders, als ’t maar afkomstig is van m’n Delicatessen.
’t Is een heerlijk ritueel, heb ik ontdekt. ’t Is niet alleen dat de gebakken eieren redelijk vet (al ’t vet is lekker, is 1 van m’n deviezen, dit telkens weer tot grote ontsteltenis van mijn darmhuishouding) m’n mond in schuiven, ’t is ook de rust die over me komt als ik plakjes ontbijtspek afsnijd, boter laat smelten, eieren breek, plakjes kaas schaaf. Onderwijl bedenk ik dan of een gebakken tomaatje er wellicht bij past, misschien wat extra peper, een teentje knoflook, of anders wat bieslook. Ik laat de zon door ’t keukenraam schijnen, observeer de takjes verzamelende merels, mors gloeiend heet theewater over m’n sokken, ik maak er een kliederzooi van, ruim ’t ook weer op, hoewel de koekenpan 3 dagen later met gestold vet teruggevonden wordt, & vermaak me kostelijk. Dat is: in alle rust laat ik alles over me heen komen, maar dat slechts op dagen dat ik er ook de tijd voor kan nemen.
& Wat ’t ook is: ik heb ’t idee dat je minder uit je mond stinkt als dat je een gekookt eitje tot je genomen hebt.

Zodat men ’t idee krijgt dat iedereen met graagte luistert naar wat er gezegd wordt in Zijperspace.

flaming (2)

We mochten meezingen, zo probeerde hij ons duidelijk te maken vanaf 't podium. We moesten ons eens lekker laten gaan. Want ook al speelden zij ‘tzelfde repertoire avond aan avond, ze probeerden er toch een feestje van te maken. Een feestje voor ons, hier in Amsterdam, hier in de Melkweg.
Ze hadden ballonnen meegenomen & in de zaal rond laten gaan; de zanger gooide regelmatig met confetti, zwaaide met een looplamp om z’n hoofd; & bovendien hadden ze zeker niet onaardig ogende meisjes aan beide flanken geplaatst, gekleed in levensgrote dierenpakken.
We zouden mee moeten zingen. Dat werkte bevrijdend. We zouden zien hoe heerlijk ’t gevoel zou zijn als we met z’n allen hardop met de tekst meezongen. Luid. Luidkeels. Ook al zouden we de regels niet allemaal uit ons hoofd kennen (de buurman zou dat toch niet merken door ’t lawaai), dan nog zou ’t bevrijdend zijn om met z’n allen de zaal te vullen met ons gezang.
Iedereen lachte. Nog nooit zo’n leuke preek gehoord om de mens te bewegen tot zingen, leek men te denken.
& De muziek begon. Op de achtergrond speelde een clip; de ballonnen werden ijverig door de zaal heen & weer geslagen; de olifant, de haan, de eend, de kat, de aap: ze begonnen allemaal te dansen.

Klik maar op 't plaatje, dan gaat de muziek vanzelf wel spelen (mits men in 't bezit is van de juiste programma's). & Als er genoeg verzoeken hiervoor zijn, wil ik dit nr desnoods wel vervangen voor de allermooiste van the Flaming Lips. Maar 1st zal men 't enkele dagen moeten doen met deze uitvoering.

Ik zong niet mee in de kerk. Net als m’n broer. Dat wilden we niet meer. We schaamden ons dood als iemand ons zou zien zingen. Stel je voor dat iemand ons betrapte op een valse noot. Of de baard die in de keel zat.
Stijf zaten we in de kerkbank. ’t Misboekje naast ons. Ook daarvan mocht niet gezien worden dat we die in onze handen namen. We kregen af & toe een stoot van Pa of Ma om ons ertoe te bewegen met aandacht bij de mis te blijven. Kregen we ’t boekje weer in onze handen gedrukt. Een vinger wees naar waar we gebleven waren.
‘Zing nou toch ‘ns mee,’ siste m’n moeder zacht.
We knikten nurks, hielden ’t boekje even vast, om ’t weer opzij te leggen zogauw de ouders zelf de mis probeerden te volgen.
Als we in de gaten gehouden werden, bewogen we onze lippen licht. Alsof we geluid uit onze monden probeerden te laten komen. We hoopten dat Pa of Ma niet in de gaten had dat ’t slechts lucht was. Dat was ook de reden dat we niet naast ze wilden zitten ('t liefst stopten we een jonger broertje ertussenin); dan hadden ze de schertsvertoning eerder door & kon je een knijp in je zij verwachten. Soms pakte Pa de dichtstbijzijnde hand vast & kneep ‘m fijn. Dan moest je wel zingen. Met een chagrijnige kop deden we mee met de rest van de kerk. Zo’n kop zou God vast niet goedkeuren.

Ik hoorde 2 plaatsen van me vandaan een jongen hard ‘Yoshimi’ meezingen. M’n beide buren op ’t balkon deden niets. Ze lachten wel, maar daar bleef ’t bij. Ik had geoefend afgelopen week, maar dat mocht niet baten. Buiten ’t feit dat ik de tekst me allang niet meer wist te herinneren, was ’t schaamtegevoel nog veel te groot. Ik stond als vroeger in de kerk naar lucht te happen, de schijn op te houden, maar wel op zo’n wijze dat zelfs de mensen naast me niet konden zien dat m’n lippen bewogen (de zanger had dit van te voren als 'mumbling' afgedaan).
Ik lachte, dat wel, dat mocht iedereen zien. Tenslotte lachte iedereen.

In Zijperspace is men afhankelijk van de kudde.

gewoon

De schade die ik mezelf de dag ervoor heb toegebracht voel ik meestal pas als ik de deur uitga. & Zelfs dan voel ik weliswaar dat m’n benen niet zo graag willen fietsen als normaal, maar besef ik nog niet dat die loomheid veroorzaakt is door de overmatige alcoholconsumptie. Zogauw ik ‘onder de mensen’ ben, doet ’t zich daadwerkelijk gevoelen.

De dame van de bakker is ‘t 1e slachtoffer van mijn lusteloosheid. Lamlendig sta ik te wachten op m’n beurt, ik bestel m’n brood & in totale onoverzichtelijkheid overhandig ik 100 muntjes van 2 cent. Daar zal ze ’t mee moeten doen.
‘Dat zijn allemaal muntjes van 2?’ vraagt ze.
‘Ja, ik had alleen dit in m’n kassa zitten. Geen muntjes van 1. In ieder geval niet genoeg.’
Onzin. Ik had gewoon geen zin om te tellen. & Nu heb ik geen zin om na te denken hoe ik dat met een simpel zinnetje uitleg.

Op naar ’t volgende slachtoffer: Jeroen van m’n Delicatessen Berkhout. Uitgeput van 300 meter fietsen stap ik z’n winkel binnen. Hij stelt me enkele vragen met betrekking tot wat ik zou willen hebben. M’n automatische piloot voert ’t woord.
‘Ik geloof dat ik een beetje onder invloed van de dag van gister sta,’ excuseer ik me, ‘dus als er een walm van alcohol om me heen hangt, dan weet je waarvan ’t komt.’
‘Da’s grappig,’ zegt Jeroen, ‘ik heb net je stukje over geur gelezen.’
‘Geur?’ vraag ik apathisch.
‘Over die vrouw die zei dat je naar vanille rook.’
‘Oja,’ zeg ik plots wakker, ‘die dame die haar neus in m’n oksel stak.’
‘Juist, ja,’ zegt Jeroen licht gnuivend.
‘Ik had erg veel lol in ’t schrijven van dat stukje.’
‘Dat kon ik zien.’
‘Maar ik ben bang dat ik vandaag niet naar vanille ruik.’
Jeroen lacht. Ik laat ook even een glimlach over m’n mond glijden, maar weet ondertussen al niet meer waarvoor ik in deze winkel sta.
‘Oja,’ bedenk ik me, ‘ik moet ook nog iets van Amuhado hebben.’
Ik wijs naar een gerookte salami.
‘Hoeveel wil je daarvan hebben?’
Zulke vragen stelt-ie me anders nooit. Hij solt met me.
‘Oh, gewoon. Gewoon. Of gewoon gewoon. Wat doe je anders altijd?’
‘Om & nabij een ons.’
‘Doe dat dan maar gewoon. Sorry hoor, ik moet over alle vragen 10 minuten nadenken vandaag.’
We rekenen met elkaar af.
‘Prettige weekend,’ zegt Jeroen.
Altijd leuk als iemand weet dat mijn weekend op dinsdag begint.
‘Dank je. & Tot volgende week,’ roep ik door de deuropening terug, terwijl ik de fiets van iemand anders van slot probeer te halen.

Gisteren duurt nog wat langer in Zijperspace.

weggewist

Ik begin me steeds vaker af te vragen wat voor zin ’t eigenlijk heeft. Vooral als ik m’n vader zie die steeds minder vaak op zoek lijkt naar door hem vermiste woorden, maar ’t steeds vaker gewoon helemaal niet meer weet, alles kwijt is. Als ik m’n vader zie die grote gaten in z’n geschiedenis heeft zitten. Misschien is er wel meer gat dan dat er opvulsel van herinnering zit, durf ik af & toe te denken.
Als-ie ’t maar naar z’n zin heeft, hoor ik mensen zeggen, als ze 't over m'n vader hebben; ’t is belangrijk dat hij zich nog vermaakt. Maar in hoeverre blijft vermaak prettig als je ’t moment waarop ’t plaatsvindt ’t moment daarop alweer vergeten bent?

‘Kan jij je nou nog herinneren hoe ’t was toen Frank uiteindelijk optrad, afgelopen vrijdag?’ vroeg ik Fret.
‘Hm, nee. Toen hadden we al zolang zitten wachten & zoveel gedronken dat ’t eigenlijk langs me heen ging.’
Ik had ’t gevoel dat ’t achteraf allemaal gecomprimeerd was. Een optreden van minstens 15 minuten is bij elkaar gevoegd tot slechts enkele plaatjes die ik nu slechts met moeite bij mezelf kan oproepen.
Een band die speelde. Vriendinnen die ze aanmoedigden. Fret & ik die de jassen aantrokken & ’t schip verlieten.
Niet meer.
Voor die beelden had ik zo m’n best gedaan. Ik weet dat ik over een maand nog meer m’n best moet doen om me stante pede te herinneren dat ik op een bepaalde avond bij die gelegenheid aanwezig was. Over een jaar is misschien een enkel plaatje nog in m’n geheugen aanwijsbaar aanwezig.

& Dan: als ik op vakantie ben & landschappen zie, uitzichten ervaar, bestaan die ervaringen nog zogauw ik m’n rug ernaar toe heb gekeerd? Teruggekomen van vakantie, zonder foto’s, zonder ansichtkaarten, maar slechts beelden in m’n hoofd die langzaam worden verdreven door ‘t leven van alledag. De beelden van de mooie vakantie zullen zich moeten vestigen in m’n lichaam als een gevoel van tevredenheid ipv oproepbare eenheden in beeld & kleur, geur & geluid.
Als je een leuke periode hebt meegemaakt, maar je weet je de situatie niet meer voor de geest te halen, zit de lol dan evengoed nog in je lichaam? Net als dat een weggestopte vervelende gebeurtenis kan blijven hangen als een steeds terugkerend trauma.

Waarom heeft m’n vader die hele reis gemaakt van jong kind, langs volwassen vader, verantwoordelijke directeur, naar vergeetachtig hoopje mens dat geholpen moet worden als-ie naar de wc moet? Had-ie de tocht ook ondernomen als-ie van te voren wist dat ’t eind alles wat daarvoor had plaatsgevonden doet vergeten? Als uiteindelijk alles waarvan hij getuige was is weggewist.

Misschien is ’t wel de bedoeling dat men aan ’t eind van ’t leven ’t wegvagen meemaakt van alles wat vroeger heeft plaatsgevonden, zodat ’t minder moeite kost afscheid te nemen van ’t verhaal dat iemand zelf heeft helpen schrijven. Opdat men dan niet meer beseft dat men er onderdeel van is, bij gebrek aan ’t begrip van tijd in ’t hoofd, bij gebrek aan de geschiedenis van toen die zich steeds weer laat herinneren.

Als zelfs Zijperspace er niet meer is.

beachy head

‘t 1e Wat me opviel was dat Beachy Head zoveel met de dood te maken had. Bankjes kwam ik tegen, met gedenkplaatjes erop.
‘Hier zat Emma elke avond, 25 jaar lang, te genieten van ’t uitzicht dat ze had over haar geliefde stad, Eastbourne.’
‘Totdat hij niet meer de weg naar boven kon maken was dit de favoriete plek van James Winniter. Tot z’n 80e jaar bleef hij de tocht maken. We missen nog elke dag onze vader, grootvader, overgrootvader.’
Ik was op dat moment nog niet ½erwege de tocht naar boven. De dood had z’n eigen weg gebaand via bankjes & stenen, & legde daar nog steeds getuigenis van af voor de toevallige passanten, op hun weg naar de bovenkant van de bult.

’t Was een prachtig uitzicht, op de bank van Emma, over de stad Eastbourne. Ik dacht nog dat ik langer wilde kijken, maar m’n wandelende benen, de balans van mijn lichaam & rugzak, ’t zweet dat toch door zou blijven stromen, de belofte aan mezelf van een slok water zogauw ik boven was, dreven me verder omhoog. & Steeds weer trok een nieuw herdenkingsteken m’n aandacht. Ik sprak de teksten in op m’n voicerecorder, van plan ze later uit te schrijven, schichtig om me heen kijkend of niemand ‘t geheimzinnig in m’n vuist praten gadesloeg. Hijgend, zo hoorde ik ’s avonds op de camping, verwoordde ik de groeten van nabestaanden aan hun doden.

’t Werd steeds drukker. De paadjes breder, hoewel nog steeds smal, de mensen ouder & strammer. Hele gezinnen liepen tot mijn verbazing bovenop de heuvel die Beachy Head vormde. Ik vroeg me af hoe ze daar gekomen waren, niet op de hoogte van de drukke verkeersweg die nog geen 20 meter, soms minder dan 5 & toch voor mij niet storend hoorbaar, van me vandaan lag.

’t Contrast van heldergroen gras, dat vlakken vullend over de rug van de 'downs' glooide, met ’t letterlijke krijtwit dat dwars steil naar beneden donderde, plots ’t ogenschijnlijk oneindige leven afbrekend, was fascinerend. Je wilde dichter bij ’t eind van ’t leven komen, daar aan de rand van de steile wand, & toch zo snel mogelijk ver ervan vandaan.
Dit was de grens van Engeland; dit was ’t einde van de wereld zoals mensen zich 't in vroeger tijden hadden voorgesteld. Een plotse afgrond, die slechts met onmiddellijk neerstorten was te beslechten.

In de verte stond een vuurtoren. ’t Baken, ’t teken dat ’t allemaal niet zo verschrikkelijk vervaarlijk was als dat ’t er uitzag. Je kon ‘m op ’t uiterste hoge uitkijkpunt verderop zien staan, uit de kust stekend. Alsof ’t op ’t punt stond ’t hoekje om te duiken van de klif die nog net niet zo ver reikte. Ik gebruikte m’n 1-ogige verrekijker om te kijken of er misschien leven in de vuurtoren huisde.

Ik liep verder. ’t Was te druk. Ik schaamde me als ik m’n verrekijker of voicerecorder tevoorschijn haalde. Ik voelde me bespied door 100-en toeristenogen. Op jacht naar iets bijzonders. Fototoestel gereed om ’t vast te leggen. ’t Moment van z’n beweging te beroven.
Ik liep verder, met m’n rugzak. Ik was de enige die z’n eigen slaapplaats met zich meedroeg.

Je mocht niet te dicht bij de rand komen. Daartoe had men gaas gespannen op een afstand van 2 meter van de afgrond. De krijtrotsen brokkelden langzaam af; ze moesten beschermd worden tegen de vernietigende voeten van de mens, zo stond er aangegeven op borden die op de afscheiding waren aangebracht. Deze tralies voor de diepte maakten de afgrond nog afschrikwekkender. Ook al kon men er zonder moeite overheen stappen.

Ik hoorde vanavond pas dat Beachy Head een zelfmoordplek is. 10 Maanden na m'n wandeltocht daar. Een documentaire deed me dat verhaal. De meest populaire natuurlijke zelfmoordplek zou 't zijn. Door de natuur gecreëerd, niet door mensenhanden.
Ik zag mezelf weer lopen, maar nu langs onmetelijk lange rijen lijken. Beneden hadden die allemaal gelegen, beneden, ver onder mijn voortstappende voeten, die de grond beroerden waar de lichamen zich ooit afgezet hadden. Ik, onwetend, had niet eens bedacht dat men juist hier graag naar beneden stortte.

Een mooie plek, Beachy Head, waar groen, blauw & wit bij elkaar komt. In de verte zag ik toendertijd een zeilboot dezelfde kant opgaan als ik. Langs de kust, door de windstilte ong 5 km per uur, 't tempo van mijn wandelen volgend. Maar hij zag wat ik niet kon zien. & Ik nam waar wat hij niet waar kon nemen.

Nog is ’t beeld niet volledig in Zijperspace.

samensmelting

Ik bel m’n moeder. Inmiddels traditie voor momenten dat er een redelijke rust in de winkel heerst. Ze blijft hangen als er een klant snel afgehandeld kan worden of we beëindigen ’t gesprek als dat niet mogelijk lijkt.
‘Hoe is ’t met Pa?’
‘Och, gaat wel.’
‘U geeft ‘m nog wel die medicijnen?’
‘Ja, dat nog wel. Ik heb wel vast een afspraak gemaakt, om te gaan informeren of ’t ook anders kan, maar dat kan pas van de week. Dus heeft-ie die pillen al 1½ geslikt als we daar uitsluitsel over hebben.’
‘Hij is dus nog steeds in de war?’
‘Ja, nog steeds. Ik heb gevraagd of de dokter van z’n dagopvang mij wilde bellen. Dat zou gebeuren, maar vrijdagmiddag had ik nog steeds geen telefoontje gehad. Ik weet dus niet hoe Pa daar is.’
Er komt iemand de winkel in. Ik kijk op.
‘Ha, Boekenman,’ groet ik.
‘Is Boekenman bij je?’ vraagt m’n moeder. Ze kent ‘m omdat ze over ‘m leest.
‘Ja. Blijft u even hangen?’
Ik leg de telefoon naast me op de toonbank.
2 Werelden komen bij elkaar. Ze kwamen altijd al bij elkaar in mijn persoon, maar opeens lijkt de ontmoeting tastbaar te worden, doordat m’n moeder via de telefoonhoorn getuige is van de aanwezigheid van Boekenman. De waarheid kan gecontroleerd worden, getoetst.
‘Dag, Ton,’ zegt Boekenman. ‘Ik kom ‘t 1e biertje bij je halen.’
‘Je weet dat je bier 5 cent duurder is geworden?’
‘Jaja. Er moet verdiend worden, omdat andere mensen moeten drinken. Maar er zal altijd gedronken blijven worden, zeker door mij. Want als ik niet drink, dan draait ’t niet; & als ’t niet draait, dan voel ik ’t niet. & Daar moeten jullie aan verdienen, dus gooien jullie er een prijsverhoging op.’
‘Nou, ik niet. Dat is m’n werkgever.’
‘Dat zijn de brouwerijen,’ weet Boekenman. ‘Maar ze hebben ’t ook goed van mij. Ik heb ’t wel ‘ns proberen te tellen, maar gaande de dag ben ik de tel kwijt geraakt hoeveel bier ik gedronken had.’
‘Laatst zei je dat je soms wel 14 flessen op een dag dronk.’
‘Ja, als ik probeer te slapen, dat lukt vaak niet. Dus kan ik beter een flesje bier snel drinken, want dan zie ik heel snel niets meer. Maar ik mag niet te veel ’s avonds drinken, want dan voel ik niks meer van m’n methadon. Ik drink overdag, dat is beter. Ik ga nu deze fles drinken. Voor € 1,05. & Dan kom ik later dat flesje terugbrengen & dan is ’t nog maar € 0,95. & Dat moet ik dan nog 13 keer doen. Daarna ga ik slapen, maar dan moet ik wel 1st gewerkt hebben, want ik ben niet zoals die lapzwansen voor de Albert Heijn.’
‘Oké, Boekenman. Tot straks dan maar.’
Hij doet de deur achter zich dicht. Ik pak de telefoon weer op & praat verder met m’n moeder.

De werelden zijn weer gescheiden in Zijperspace.

misdruk

Ik heb me laten uitnodigen. Vandaar deze korte mededeling. U kunt mij elders lezen, ziet u. Als een soort misdruk. Een vroege lente.
Ach, u begrijpt vanzelf wel wat ik bedoel.
Ik hoop dat velen zullen volgen, bij afwezigheid van de kat.

& Een misdruk geen verkeerde indruk van Zijperspace zal achterlaten.

open haven podium

‘Ken je mij nog?’
Hij stond plots voor me. Ik had m’n geld aan de bardame gegeven. Zij was druk bezig m’n 2 biertjes op de kennelijk ingewikkeld werkende kassa aan te slaan. Ik keek de man aan terwijl ik wachtte op m’n wisselgeld. Hij had de plaats van de bardame ingenomen, dus stond recht tegenover me.
‘Ja, ik ken je nog,’ antwoordde ik, hoewel ik niet wist waarvan. De dreiging die uit z’n blik sprak deed echter een vermoeden rijzen.
‘Ik werk nu hier,’ zei de man, terwijl hij z’n kin naar beneden trok. Hij keek me daardoor vanonder z’n wenkbrauwen aan. Dreigend. ‘Zou jij ’t leuk vinden als ik zei dat je hier niet meer mocht komen?’
Ik glimlachte. Probeerde die glimlach meteen in te houden. ’t Kon zijn dat hij die zou interpreteren als minachtend. Dan zou hij er niet eens ver vanaf zitten.
‘Nee,’ zei ik, ondertussen m’n wisselgeld aannemend. Ik pakte m’n 2 flesjes bier.
‘Dan weet je tenminste hoe ’t voelt om ergens niet meer in te mogen.’
Hij keerde zich om & ging bij de wasbak met z’n collega z’n net verrichte handelingen verslaan. Ik wendde me tot Fret. We gingen zitten om naar de voorstellingen te kijken.

‘Die vent achter de bar heb ik er een keertje uitgestuurd,’ vertelde ik tussen 2 optredens door aan Fret, ‘& nou vroeg-ie aan mij of ik ‘m nog herkende.’
‘Hoe lang is dat geleden?’
‘Oh, 4 jaar denk ik. Ik weet allang niet meer hoe ’t is gebeurd. Hij vroeg ook of ik ’t leuk zou vinden als ik door hem weggestuurd werd.’
‘Wat zei je?’
‘Ik zei dat ik dat niet leuk zou vinden. Weet je wie ik bedoel?’
‘Die man met dat lange haar?’
‘Nee, hij heeft kort haar. Een beetje een krul erin. Met een snor.’
‘O ja. Ik denk dat ik weet wie.’

De man kwam glazen ophalen. Hij manoeuvreerde zich tussen de tafels & stoelen door. Hij leek ons niet te zien. Toch leek-ie mij te zoeken.
Ik stootte Fret aan. Gaf een kort seintje de kant van de man op.
‘Is ‘m.’
‘Belachelijk,’ zei Fret, ‘’t is al 4 jaar geleden. Dat zijn wij allang al vergeten als-ie weer langs komt.’
De man liep ons voorbij. Hij ging weer richting bar.

Fret was vertrokken richting wc. Ik verveelde me met een stand-up comedian die geen humor had.
Ik zag de man weer aankomen. Hij droeg een dienblad in z’n linkerhand. Met z’n rechter pakte hij glazen van de tafel.
Op een gegeven moment zag-ie me in m’n hoekje. Weer dezelfde blik vanonder z’n wenkbrauwen.
‘Vind je ’t leuk hier?’ vroeg-ie.
‘Ja, hoor.’
Hij stak z’n hand uit. Ik schudde ‘m met die van mij.
‘Goed zo,’ zei hij.
Ik gaf ‘m een tik tegen de schouder. ‘Is goed, joh.’

Men is vaak vergeetachtig in Zijperspace.

italiaans

Eens zei een vrouw tegen me dat ik naar vanille rook. Ze had haar neus in m’n oksels gelegd om dat vast te kunnen stellen. Ik weet nog dat ik een beetje huiverig reageerde; je stopt je neus niet zomaar in iemand z’n oksels. Dan moet je redelijk intiem met elkaar zijn. Daarnaast was ik bang dat ik vervolgens moest gaan vaststellen hoe anderen roken. Zelfde methode, zelfde contreien. Ik hou daar niet zo erg van, andermans lichaamsgeuren opsnuiven. Je beste vriend hoort niet te ruiken, je beste vriendin naar perzik. Ik had geen behoefte dat proefondervindelijk vast te stellen.
Ze overviel me er eigenlijk mee. Als ik geweten had dat haar neus plotseling die kant op zou gaan, dan had ik m’n lichaam de andere kant op gekeerd. Een beetje preutsigheid mijnerzijds. Bovendien kan ik er niet zo goed tegen als mensen me aanraken. Nou ja, ik kan er wel tegen, maar ik registreer de aanraking alleen erg heftig. Buiten handelingen waarvoor ’t bed zich uitstekend leent, heb ik daar nogal last van. Een vinger die de huid op m’n onderarm raakt ervaar ik als een zoen midden op m’n mond. Een hand die zich in die van mij steekt, geeft me ’t gevoel dat we voor een week aan elkaar vastgeketend zitten.
Als ik ’t tenminste vergelijk met de manier waarop anderen ’t beleven. Mijn broertje trok nadat ze voor ’t slapen gaan een verhaaltje voorgelezen had onze 1e schoonzus z’n bed in & stoeide een tijdje met haar, terwijl ik haar nogeneens welterusten durfde zoenen. Ik moet me extreem op m’n gemak voelen wil ik een aanraking niet enkele dagen lang met me meedragen.
Een neus in m’n oksel is dus een erg intieme handeling. Zeker als-ie puntig & lang is. & Een onderscheidend vermogen voor vanille blijkt te bezitten.
Dat laatste stelde me echter behoorlijk gerust. Ik had haar hoofd bijna nog een 2e keer dezelfde kant opgeduwd met de woorden: ‘Ruiken, kreng.’ Een mens laat zich wel ‘ns meeslepen door z’n eigen fantasie. & Overmoedigheid. Gelukkig wist ik die te beteugelen.
Vanaf dat moment durfde ik vrouwen ongegeneerd voorbij te lopen, shirtje met korte mouwen, hard gewerkt, zweet druipend over m’n lichaam, waarbij ik zeer bewust inspeelde op m’n vanillegeur. Ik hield er rekening mee. Ik zette m’n sporen uit.
Totdat ik tijdens werk naar een glas probeerde te reiken, daarvoor lichtelijk over de schouders van een dame diende te buigen, gezeten aan een tafel. Zij reageerde onverwachts: ‘Zo, jij werkt hard.’
‘Ach ja, ik zweet nu 1maal snel,’ mezelf ervoor verontschuldigend, zoals ik nou 1maal door ‘t vochtproducerend vermogen van mijn lichaam gewend ben.
‘Ja, ik ruik ‘t.’
Weg vanillegeur. Vrouwen mochten niet meer onverhoeds hun neus ergens in stoppen. Spontaneïteit kon men vanaf toen niet meer van mij verwachten. Zeker niet aangaande ’t onverbloemd tentoonspreiden van mijn lichaamsgeur. Daarvoor had ik nog nooit deodorant gebruikt; ik verafschuwde altijd de zweem van oneerlijkheid in de vorm van een masker van niet lichaamseigen geur. Maar vanaf dat moment werd ik gedwongen, ’t zit tussen je oren, maakten mensen me later weer wijs, bij tijd & wijle, maar vooral na hevige transpiratie, een italiaanse douche te nemen.

Zijperspace werd echter een uitdrukking rijker.

flaming

Sssst. Stil. Ik ben me aan ’t concentreren. ’t Kost me al zoveel moeite om liedjes mee te zingen. Ik moet m’n gedachten er echt bij houden. Ik heb deze nrs nog nooit gehoord. In ieder geval niet bewust. Ik was toentertijd niet bezig met muziek. & Anders luisterde ik niet naar de tekst.

Reitsma liet ons teksten van engelse liedjes vertalen. 1st Luisteren, de tekst opschrijven, zin voor zin, waarna hij uiteindelijk de werkelijke tekst liet zien, voor aanvang van de les had-ie die op de achterkant van ’t bord uitgeschreven. Beurtelings, klassikaal, vertaalden we zijn zinnen. Vond-ie leuk. Wij ook. Vooral omdat-ie z’n komaf verraadde. In welke muziek hij opgegroeid, student, jong was.
Nog vrienden had, grapten we onder elkaar.

Ik weet me nog een tekst te herinneren van een zielig oud vrouwtje die door de straten van Londen zwierf. ‘Streets of London’ zal ‘t wel heten. Daar begon ’t mee. Hij ontdekte nav dat nr dat-ie succes bij leerlingen kon hebben door ze iets voor te schotelen dat dichtbij ze stond. Teksten van engelstalige nrs.

’t Heeft niets uitgehaald. Ik luister nog steeds niet naar teksten. Lees nog steeds ondertitels. Ik kan de concentratie niet opbrengen. ’t Geduld dus niet. Muziek beoordeel ik intuïtief. De stem is voor mij een instrument, waar geen betekenis uit afgeleid wordt, behalve die van de melodie of intonatie.
M’n engelse taalbeheersing is niet slecht. Bovengemiddeld, schat ik zelf in. Spreek 't dagelijks, hoor 't dagelijks aan. Maar ik kan gewoon niet naar teksten luisteren. Vanavond speelde ik de cd van Spinvis voor de 100e keer, een waar jubileum, maar ik gooide de meezingzinnen weer precies op ’t verkeerde moment er uit, als ik me ze al wist te herinneren. Ook in ’t nederlands, kan ik Martin Reitsma gerust stellen, overkomt 't me.

Maar nu ben ik me aan ’t concentreren. Ik moet liedjes meezingen as maandag. Desnoods neuriën. Tot eergisteren had ik 2 cd’s van the Flaming Lips, sindsdien nog 2 extra op m’n comp. Ik zal toch moeten weten wat ten gehore kunnen brengen, ook als ze van ’t vroeger werk, van die 2 ‘hele goede’ cd’s die ik nog niet had, nrs spelen. Sta ik straks mee te deinen op een nr dat ik never heard of.
‘Oh, god, if she left me. God, has she forgot me.
: I think she has.’

Ik doe echt m’n best. Ik wil maandag fan zijn (desnoods zing ik: ‘I think she has’, net alsof ik ’t koortje ben). Ik wil me aanstellen. Ik wil duidelijk etaleren dat ik ze ken. Ik wil kwijlend voor ’t podium staan (20 meter daarvandaan betekent dat op mijn leeftijd, maar ik zal m’n best doen zo dicht mogelijk erbij in de buurt te komen). Tussen de puisterige, krabbende, gillende tieners. ’t Was tenslotte de mooiste cd van afgelopen jaar. Er zijn vast wel van dat soort lieden die dat met me eens zijn. Zwijmelend, ver weg, verlangend meezingend, wegzakkend, plakkend zwetend; zo ong, op de late vroege maandagavond.

Zijperspace zal deel uitmaken van de Melkweg voor 1 avond.

jas

‘Ga je vanavond nou iets schrijven over je groene jas?’ vroeg Jasmijn.
We waren heen & weer gereden naar Bos & Lommer. Van ’t begin af aan had ik haar proberen duidelijk te maken dat ze haar eigen tempo moest rijden, dat ik me wel aan haar zou aanpassen. Behalve dan de stukken waar ik kon afsnijden. Dat kan ik nou 1maal niet laten.
Ik kwam laatst op de gedachte dat dat puur een mannelijk biologisch bepaald aspect moet zijn, dat afsnijden. Zonder afsnijden zou een man niet kunnen overleven in vroeger tijden; dan was er geen buit om binnen te halen omdat-ie niet snel genoeg was. Een man moet kunnen concurreren, een man moet anderen kunnen verslaan.
Ik ben een man in ’t verkeer. Zoals mannen vroeger waren. Als ik ingehaald word door een andere fietser, vertelde ik onderweg Jasmijn, dan heb ik ‘m enkele 100-en meters verder weer teruggehaald omdat ik nou 1maal efficiënter rijd. Desnoods neem ik de rotonde met de auto’s mee, ipv over ‘t fietspad. Afsnijden als ik, dat kunnen weinig anderen, vertelde ik haar. Ik zou een goede kans gemaakt hebben te overleven, in die vroegere oertijd.

‘Maar zoals je erbij rijdt,’ zei Jasmijn, ‘dat is als een soortement superheld.’
Ik keek haar even vragend aan. Onderwijl maakte ik over de tramrails een boog om een enkele auto's heen.
‘O, je bedoelt die wapperende groene jas,’ zei ik, toen ik weer naast haar reed. ‘Als een soort cape.’
‘Ja, je vliegt overal tussendoor om zo snel mogelijk op je bestemming aan te komen.’

Vanmiddag had ik m’n jas ook aan. Zoals ik ‘m eigenlijk elke dag aan heb. Hoewel ’t nu een beetje te warm wordt voor me. Vooral met die sweater met capuchon eronder. Ik begin me weer te beseffen dat ik een hekel aan de zomer heb. Elke beweging levert liters vocht op, stromend over m’n lichaam. Als ik ergens aankom, durf ik me de 1e 5 minuten niet te vertonen, om vooral van ’t overtollig vocht af te komen voordat ik verschijn.
Ik was in ’t tuincenter, vanmiddag. Ik verwachtte van mezelf dat ik de kooplust toch niet zou kunnen weerhouden, dus had me bij de ingang een winkelwagen aangemeten. Je zou ook kunnen zeggen dat ik een brave burger wilde zijn, ’t bordje gehoorzamend dat pontificaal bij de winkelwagensluis geplaatst was, zodat ik niet op zou vallen temidden van die mensen die hun tuin wilden opknappen met begonia’s, madeliefjes & primula’s.
Ik werd aangehouden door een dame die lichtelijk in paniek vroeg waar ze toch die lontjes kon vinden.
‘Die touwtjes die je voor tuinlampen kan gebruiken die je na kan vullen,’ zei ze, ‘hè, Wim?’
Wim stond schuin achter me, zag ik door haar afdwalende blik.
‘Lontjes,’ zei Wim, ‘die touwtjes heten lontjes.’
Wim keek ondertussen naar de kunstplastic beige bloempotten voor in de tuin. Ongeduldig, ’t duurde ‘m veel te lang.
‘Wat bedoelt u mevrouw?’ vroeg ik de dame.
Ik snapte niet waarom ze dat nu net aan mij moest vragen. Ik dacht even eraan om te vertellen dat ik niet tot ’t personeel van ’t tuincentrum behoorde, maar de mevrouw had ’t woord alweer overgenomen.
‘We hebben zo’n lamp in de tuin; die brandt op die vloeistof, toch Wim?' Ze deed haar hand open & haalde een dik rozig touwtje tevoorschijn. '& Nou hebben we niet meer van dit soort touwtjes. Ik zoek al de hele winkel door. Waar kan ik die vinden?’
’t Zou kunnen dat Wim ‘lontjes’ zei, dat weet ik eigenlijk niet; ’t kan ook zijn dat hij op dat moment ’t volgende schap bloempotten aanschouwde. Ik was op dat moment meer bezig met me zo snel mogelijk uit deze situatie te redden. Wat had ik met deze radeloze vrouw te maken, vroeg ik me af, & wat wist ik überhaupt van lampenlontjes af?
‘Ik zou ’t niet weten, mevrouw,’ zei ik met onnozele blik, de beste die ik in huis had, ‘ik ben absoluut niet bekend hier.’
‘Oh? U werkt hier niet?’ zei ze.
‘Nee.’
‘Ik dacht,’ zei Tilde, ‘u heeft een groene jas aan. Dan werkt-ie hier vast, dacht ik.’
‘Nee, sorry.’
‘Nou, Tilde,’ zei Wim, ‘ben je nou alweer mannen aan ’t lastig vallen?’
Wim keek me met een ironische blik aan, terwijl Tilde op zoek ging naar een volgende verkoper. Wim liet ook maar z’n potten in de steek.
‘Ah, dus dat is die vrouw die alle mannen lastig valt in tuincentra?’ vroeg ik ‘m nog even.

‘Waarom draag je eigenlijk groen?’ vroeg Jasmijn. ‘Omdat je graag in de natuur bent? Of omdat je huis groen is?’
‘Nee, m’n ogen zijn groen. Kijk maar.’ Maar ’t was inmiddels donker & slechts verlicht door lantaarnpalen. ‘Door die ogen vind ik de natuur wel mooier.’

& De wereld is daardoor niet zo zwart-wit in Zijperspace.

molentje

Ik lach als Rachel van de wc afkomt.
‘Wat is er?’
‘Ach, ik lach een beetje om ’t gesprek van die 2 meisjes aan de bar,’ antwoord ik fluisterend. Ze zitten nog geen 2 meter van ons vandaan.
‘Wat dan?’
‘Niks bijzonders, hoor. Die ene had ’t erover dat ze in ’t weekend vaak wakker wordt, naar de wekker kijkt & zich dan omdraait om weer in slaap te vallen. Dat kon enkele keren gebeuren, vertelde ze. Of die ander dat ook had, vroeg ze, & ze stopte haar neus diep in haar wijnglas.
Helemaal niks bijzonders, bijna onbenullig, maar ’t was zo leuk om ’t te zien gebeuren. Dat ze dat gewoon ongegeneerd zat te vertellen. & Dan die neus heel onbekommerd diep in ‘t glas.’
Rachel stelt ’t zich voor & lacht mee.

Even later staart Rachel voor zich uit. Ik praat, maar ze lijkt niet te horen wat ik zeg.
‘Wat is er?’ vraag ik nu.
‘Oh, ik luister naar wat die mannen daar aan ’t tafeltje zeggen.’
Ik probeer ook wat op te vangen, maar de man aan ’t woord praat in flarden. Hij heeft ’t over een boek. Lijkt ’t te analyseren voor zijn gesprekspartner. Wijdt zijdelings uit over de lyriek ervan, die hij wel weet te waarderen, & haalt tussendoor een enkele zinsnede aan.
‘Ik kan niet horen over welk boek hij ’t heeft,’ zeg ik. ‘Maar soms zou ik wel willen dat ik op zo’n manier kon praten.’
‘Wat bedoel je?’
‘Ik zou wel uit mijn blote hoofd zomaar een stuk uit een boek willen citeren. Of plots een gedicht declameren. Mijn geheugen werkt alleen niet zo. Die werkt daar niet aan mee, ook al doe ik nog zo m’n best. Ik kan ook geen teksten van liedjes onthouden, of de grappen van een cabaretier navertellen.’
‘Maar wat zou je daar nou aan hebben: een beetje interessant stukken tekst van andere mensen citeren?’
‘Nou, ik zou wel een erudiet persoon willen zijn. ’t Zou ook een stuk makkelijker zijn als ik gesprekken van mensen wil onthouden om ’t later op te kunnen schrijven. De waarheid is nou 1maal verrassender dan fictie, is mijn ervaring.’

‘Maar wat zitten we nou naar binnen te kijken,’ zeg ik even later, ‘terwijl we zo’n mooi uitzicht naar buiten hebben.’
We zitten in café ’t Molentje aan de Singel. We kijken door ’t raam uit op ’t Bungehuis, de Letterenfaculteit van de UvA. Op dit tijdstip passeren er aan 1 stuk door studenten te voet of op de fiets.
‘Moet je nou kijken,’ zeg ik, terwijl ik naar de 1e voorbijgangster wijs die me voor de ogen komt, ‘dat had ik toch bijna gemist.’

De eruditie komt later wel in Zijperspace.

wedstrijd

Ik doe een wedstrijdje. Wie ’t langst binnen kan blijven. Ik speel ’t met mezelf, want ik ben zelf de moeilijkste tegenstander. Schijnbaar voorspelbaar, maar evengoed onberekenbaar. Leer mij mij kennen. Ik ken mezelf. & Anders wel m’n gewoonten.
’t Gaat erom spannen wie er gaat winnen. Zoals zo vaak bij een wedstrijd met zulke tegenstanders. Wordt ’t uitstel, of ongeduld? Beiden maken vandaag een goede kans, want de lust om weg te gaan is groot, zeker zo ½-erwege de middag, maar de druk om nog wat aan ’t huis te doen doet zich ook gelden. Momenteel ziet ’t er naar uit dat ze even grote kansen op de uiteindelijke zege maken.

Ik weet eigenlijk niet waarom ik de wedstrijd in ’t leven heb geroepen, maar ’t brengt in ieder geval wel een verbeten strijd teweeg. Elke paar minuten sta ik op ’t punt m’n schoenen & jas aan te trekken, bedenk ik mezelf wat voor boodschappen er nog te doen zijn, om een excuus te vinden, & knaagt de immer onstuitbare dorst aan m’n wil de alcohol nog wat langer te laten staan. Om er zolang mogelijk weerstand tegen te bieden heb ik een pan met stoofvlees opgezet, die maaltijd vergt nog wel een paar uur sudderen, & m’n maag volgestopt met gebakken ei & tomaat met spek; ik kan geen pap meer zeggen, laat staan me in beweging zetten met behulp van een fiets.

Zo nu & dan staar ik door m’n achterraam & pretendeer de vogels (zijn ze nesten aan ’t bouwen?) te bestuderen. Ze scharrelen regelmatig rond in mijn tuin vol stokjes, takjes & sprietjes, waarschijnlijk tevens gevuld met karrenvrachten lekker vogelvoedsel. Dat leidt me af; ik verzet m’n gedachten voor een korte tijd, & heb toch lichtelijk ‘t gevoel dat ik buiten sta. Staren geeft me altijd een vredig gevoel. ’t Is jammer dat ik ’t nooit zolang volhoud.

Eigenlijk wil ik gewoon de deur uit. Op niks af. Ergens stoppen, 1 of ander café, & wat drinken. Voor me uit staren (wederom) & kijken naar wat de mensen zeggen, wie doet wat, waar gaan ze naartoe, komen ze vandaan, wie is mooi, & mag ik ermee naar bed als ik de euvele moed heb ’t te vragen. Al dat soort vragen waar geen antwoord op komt, omdat ik ze niet stel, slechts fantaseer, maar waar ik een tijdje zoet mee ben.

Helaas moet ik binnen blijven van mezelf. Ik zal nooit geen antwoord weten op de vragen die ik niet gesteld heb, als ik sterk genoeg ben mezelf tegen te houden. Waardoor ik verlies van mezelf. Of win, ’t is maar net hoe je ’t bekijkt, in deze wedstrijd is alles mogelijk.
Ik moet nog stofzuigen. Ik heb ’t me gisteren voorgenomen. Eigenlijk al wat langer geleden, maar al die andere keren van goede voornemens deed ik niet aan de wedstrijd mee. Was er ook geen winnaar, geen verliezer, behalve dan ’t huis dat onder ’t stof zat, & nog wat groffer materiaal. Maar misschien vindt ’t huis dat wel fijn. Ik heb ‘m nog nooit z’n mening in deze gevraagd, hij heeft mij ook niet deelachtig gemaakt daarin. ’t Zou ook kunnen dat de stofzuiger liever in de kast blijft staan. Vindt-ie ’t maar vermoeiend ’t huis op te schonen.

Misschien moet ik de deur uitgaan met m’n stofzuiger in de hand. Voel ik me vast minder schuldig. & Dan vraag ik onderweg een toevallige passant een winnaar uit te roepen.

& Als zij dan dapper genoeg is, dan mag ze blijven slapen in Zijperspace.

veranderingen

‘Ik begin overal laat mee, ‘t verhaal van m’n leven,’ schreef ik bij de inschrijving op de website voor oud-leerlingen van m’n middelbare school. ‘& Als ik er 1maal aan begonnen ben, wil ik er niet makkelijk mee stoppen,’ voegde ik er aan toe.
Ik lag vanochtend in m’n bed nog even na te denken waarom ik me eigenlijk ingeschreven had. Ik twijfelde of ik echt geïnteresseerd was weer contact te krijgen met al die mensen van vroeger. Ik wist niet of ik ze wel opnieuw wilde kennen. Ik leid m’n eigen leven, niemand van vroeger komt daar nog in voor, behalve familie. Geleidelijk aan, elke keer een stap verder, ben ik verwijderd van de mensen die ik op de middelbare school kende, tot er van hen niemand nog om me heen was. Niet dat dit mijn streven was. We dreven langzaam uit elkaar, tot we op een gegeven moment volwassen bleken te zijn. & Er geen ruimte meer was voor de mensen van vroeger.

Terwijl ik nog lag te mijmeren in de ochtendschemer van gordijnen ½ open liep een kind m’n raam voorbij. Waarschijnlijk in gezelschap van z’n vader, want ik hoorde een licht vermanend gebrom. Die brommerige stem werd overstemd door lange uithalen uit de keel van de jongen. Hij huilde. Hij wilde niet naar school, klonk nog maar net uit z’n haperende woorden tussen de tranen door. Waarschijnlijk kleuterschool, vermoedde ik in mijn bed. Ik hoorde ‘m nog net niet stampvoeten.

Ik werd zelf door m’n moeder naar de kleuterschool gebracht. 2 Keer heeft ze dat geprobeerd. De 1e maal huilde ik zo hard & langdurig dat ze me als onbestelbaar maar weer heeft meegenomen. Ze had een tijdje op de gang staan luisteren of ’t wel ging, maar ’t geluid dat uit ’t klaslokaal kwam was dermate overweldigend dat m’n moeder & de juf gezamenlijk besloten mij maar weer thuis te laten zitten. Bij de 2e poging van mijn moeder mij op school achter te laten vroeg de juf of ik een tekening wilde maken. ½ In tranen ben ik daar aan begonnen, in de veronderstelling dat m’n moeder al weg was. Al huilend tekende ik een mannetje. De juf keek mee.
‘Goh, wat kan jij mooi tekenen.’
Ik was verbaasd. Dat wist ik niet. Dus begon ik meteen aan de 2e tekening. & Vergat thuis.

Ik hield niet van veranderingen. Voor mij moest alles altijd ‘tzelfde blijven. Mijn ouders dachten daar anders over. Dwongen me naar een andere school te gaan, m’n kamer te verlaten, ’s zondags mee te gaan voor een wandeling, lid te worden van een vereniging. Elke keer wisten ze een reden te verzinnen waarom de wereld op z’n kop gegooid moest worden. Ik moest uiteindelijk wel akkoord gaan.
Mijn manier van tegengas geven, de rem erop zetten, was door 2maal te doubleren. 7 Jaar deed ik over de 5-jarige HAVO. & Zelfs daarna bleef ik enkele jaren lang regelmatig terugkomen in ’t gebouw waar ik les had gehad. Onder ’t mom van postertjes brengen die opgehangen moesten worden tbv publiciteit voor ’t jongerencentrum waar ik inmiddels werkte. Kon ik er tenminste aan wennen dat ik er weg was.

In Zijperspace verandert er nooit iets, of anders wil ik ’t niet merken.

vulling

Ik kan heus wel schrijven dat ik ’t laatste slokje thee in m’n mond had, iets raars voelde & ’t vervolgens uit m’n mond viste, dat ‘t object bij vluchtige beschouwing een broodkruimel leek. & Meer niet. We zouden er een stemming over kunnen houden of u deze mededeling prefereert boven de volgende:

Ik gebruik m’n theekopje meermaals, nee, eigenlijk heel vaak, voordat ik de aanslag in & op ’t kopje dik genoeg aangekoekt & zodoende ’t moment rijp acht voor de afwas. Dan wordt ’t tijd voor een intensieve reiniging, een schuursponsje komt er aan te pas, ik ben er 5 minuten mee bezig, zodat ik weer een glanzend wit oortje aan een glanzend wit kopje ter hand kan nemen. Ik zou desnoods een ander kopje kunnen pakken van mijn 5 of 6-delig theeservies, maar aangezien ik niet hou van plotse veranderingen, ’t ontdoen van ’t bruine theïne-laagje vormt al een grote aanslag op mijn gemoedstoestand, reserveer ik die liever voor mogelijke visite. Voordeel is dat ik bij een dergelijke plotse inval altijd schone kopjes bij de hand heb. Met een beetje zorgvuldig uitserveren ligt ’t zelfs in de mogelijkheid dat ik zelf uit m’n eigen vieze kopje drink. Door een beetje zorgvuldige planning & bedachtzaam de kopjes aanreiken, met of zonder lepeltje, suiker, eventueel melk, lukt ’t me altijd wel de mezelf toegeëigende viezigheid uiteindelijk aan mijn mond te krijgen.

Hedenmorgen zat er een onderin ’t kopje, ik ben altijd wel zo zorgvuldig dat ik ’t kopje voor gebruik aan een kleine inspectie onderwerp, een klein dingetje. Ik heb geen ander woord ervoor dan ‘dingetje’. ’t Was nl een onooglijk stukje, met een grijsbruine uitstraling. Meer grijs dan bruin. Wellicht schimmelig te noemen. Ik poerde even met ’t theelepeltje, maar kwam slechts hardheid tegen. Een hardheid van aangekoekt suiker. Nonchalant schoot mij te binnen dat dat schimmelig plekje, bobbeltje, uitstulpinkje, ofwel die aangekoekte suiker vanzelf zou verdwijnen zogauw ik de gloeiend hete thee erop zou uitschenken.
Zo geschiedde. Althans, voor mijn ogen.
Er schoot me nog wel een gedachte te binnen mbt de overlevingskansen die ik na consumptie van ’t schimmelige object zou overhouden. Die werden weggedrukt. Ook een soortement mechanisme: niet denken aan ‘tgeen men vreest. Ik was de laatste tijd al te veel doden gestorven dankzij inbeelding, zelfsuggestie & angst.

Bij de allerlaatste slok, werkelijk ’t allerlaatste beetje vocht dat door m’n mond spoelde (laatst maakte iemand mij in een café erop opmerkzaam dat ik ’t bier 1st door m’n mond liet circuleren voordat ik ’t doorslikte; ik was me van geen kwaad bewust, maar moest na aandachtige zelfstudie toegeven dat dit inderdaad ’t geval was; dat doet toch iedereen, dacht ik vervolgens) werd ik me gewaar van een weeïg goedje in m’n mond: klein, zacht, pluizig, in zoverre je dat gewaar kan worden dankzij de tastende vermogens van de tong. Ik stak m’n tong uit de mond, ’t kleinood er op balancerend, stak m’n vinger ernaar uit & bekeek dat wat tevoorschijn kwam wat nader. Dat moest ’t schimmelige, aangekoekte stukje suiker zijn, dat inmiddels aanvoelde als een totaal verweekt kruimeltje brood, bedacht ik.
Ik wilde ’t niet aanschouwen & stopte ’t alras in de prullenmand die aan mijn rechterzijde gereed stond. Dit voorval moest zo snel, & tevens zo veel mogelijk genegeerd worden. Slechts slapeloze nachten, ingebeelde ziektes, verklaringen voor onwel bevinden, & bovenmatige onrust zou ik er aan overhouden.

’t Enige wat we er nu mee opschieten is vulling van Zijperspace.

fret's weekend

(op vrijdag)
Fret zet z’n glas neer. Leeg.
‘Hij doet ’t niet meer,’ constateer ik.
‘Hij is niet meer goed,’ vult Fret aan.
Ik pak z’n glas & plaats ’t naast de spoelbak.
‘Ik lust nog wel een pils,’ zegt Fret.
‘Ja, & dan zeker tot sluitingstijd blijven hangen.’
‘Hé, ik heb toch al verteld dat ik ook nog een feestje heb vanavond.’
Alsof-ie verbaasd is dat ik ‘m in deze niet zou vertrouwen.
‘Ja, dat weet ik. Juist in dat soort gevallen blijf je altijd tot ’t einde hangen.’
Fret kijkt me aan. Goedige ogen. Guitig. Ik weet dat ik gelijk heb. Hij ook, maar hij wil nog even z’n best doen ’t niet zover te laten komen.
‘Van wie heb je dat feest?’ vraag ik Fret.
‘Weet ik niet.’
‘Je weet niet naar welk feest je vanavond gaat?’
‘Dat poolse meisje, je weet wel, die me dat flesje gegeven heeft dat ik gister liet zien, die vroeg of ik vanavond meeging.’
‘Vroeg ze dat vanochtend?’
‘Nee, tuurlijk niet. Hahahaha.’
Hij lacht z’n antwoord. Daaruit begrijp ik opeens dat ik er iets mee had kunnen insinueren. IJskoud doe ik alsof dat m’n bedoeling was. Blijf in m’n rol.
‘Vroeg ze ’t dan vanmiddag?’
‘Ja, ze was hier vlak voordat jij binnenkwam om de bar te openen,’ breekt Fret al snel die rol af. ‘Ik was net klaar met m’n werk.’
‘Oké. Dan snap ik ‘t. Je vertelde nl dat ze vroeg of je ‘vanavond’ meeging. Ik snapte niet wanneer ze dat dan gedaan kon hebben.’
‘Maar geef me nou maar dat biertje.’
‘Hoe laat begint dat feest?’
‘Om ¼ voor 9 word ik opgehaald.’

(op zondag over zaterdag)
‘Ik wilde naar binnen,’ vertelt Fret, ‘maar ’t was zo druk, ik ben meteen weer omgekeerd.’
‘Zonder een biertje te drinken?’ vroeg ik, ‘da’s toch ook schandalig. Wat moeten je collega’s wel niet denken?’
‘Ik las ‘t, dat ’t zo druk was,’ zegt Hendrik.
‘Toen ik kwam, was ’t rustig,’ zeg ik. ‘Hoe laat was jij er dan?’
‘Om ½ 6. Ik kreeg de deur bijna niet open. Dus heb ik maar geen biertje gedronken.’
‘Kwam natuurlijk door die engelsen die een rondleiding hadden gehad. Die waren er nog steeds toen ik om ½ 7 kwam.’
‘Ik heb toen de hele dag niks gedronken.’

(op zondag over vrijdag & zaterdag)
‘Wat heb jij allemaal meegemaakt, Fret, dit weekend?’ vraagt Hendrik.
‘O, Fret heeft heel veel meegemaakt,’ zeg ik. ‘Hij vertelde me net over een man die hij op straat was tegengekomen. Hij wilde weten waar hij z’n t-shirt vandaan had. Toch?’
‘Ja, klopt. Toen heb ik ‘m hiernaartoe verwezen. Voor de rest heb ik niks gezegd. Die man reisde over de hele wereld, vertelde hij, & hij wilde in ’t buitenland t-shirtjes dragen met Amsterdam er op.’
‘Fret maakt veel mee.’
‘& Zaterdagochtend om 7 uur zat ik voorin de trein naar Schiphol. Bij de machinist. Vrijdag na sluitingstijd stonden die polen buiten op me te wachten. Ik was hartstikke teut. Maar ze wilden dat ik meeging naar dat feest.’
‘Je had nog niets gegeten?’
‘Nee, dat eten kwam na 12-en eindelijk. Toen hadden ze eindelijk een beetje brood & wat te knabbelen.’
‘Maar je had vanaf ½ 2 ’s middags gedronken?’ vraag ik verbaasd.
‘Ja, tot de volgende ochtend 10 uur. Nou ja: op dat feest hadden ze alleen maar ’t goedkoopste bier. Om 5 uur had ik daar geen trek meer in. Ik dronk zowiezo al langzaam. Vies bier. Toen heb ik die poolse dame om 7 uur naar Schiphol gebracht.’
‘Zei je nou dat je voorin de trein had gezeten?’
‘Ja. De machinist zei dat we snel de trein in moesten stappen, omdat we zouden vertrekken. Ik zei tegen ‘m dat-ie dan wel de deur moest sluiten. “Want een machinist mag niet met een open deur rijden,” zei ik. Toen nodigde hij ons uit om bij ‘m te komen zitten. “Hier, ga maar op deze stoeltjes zitten,” zei hij.’
‘Maar jij was sinds de dag ervoor niet meer nuchter geweest.’ Ik kon er met m’n hoofd niet meer bij.
‘Was mooi man. Reden we door die Schipholtunnel. & Al die lichten gingen voorbij. Je ziet ze al van verre aankomen & dan schieten ze op een gegeven moment voorbij. & Die man maar vertellen over hoe hard hij reed. Dat-ie eigenlijk maar 40 km mocht rijden, dat er een snelheidsbegrenser op die route zat, maar dat hij die net zo goed kon uitzetten. Hij had die route tenslotte al 100-en keren gereden, zei hij.’
‘Hoe krijg jij ’t nou voor elkaar om voorin een trein te komen zitten? Terwijl je meer dan een etmaal gedronken had.’
‘Nou, dat kwam doordat ik die poolse dame naar Schiphol moest brengen.’

Niets is logisch van dat wat zich buiten Zijperspace afspeelt.

koninklijk

‘Waarom gaan jullie altijd zo vroeg dicht?’ vraagt ’t ethiopisch jongetje met z’n hoofd achterover.
Ik ben buiten glazen aan ’t ophalen. ’t Is mooi weer; men heeft weer zin om buiten te gaan staan. Z’n vader staat 20 meter verderop met z’n landgenoten.
‘Oh, dat is best wel een ingewikkeld verhaal,’ zeg ik tegen ’t jochie. Hij begint al te lachen als ik ‘m zo serieus aankijk. ‘Weet je wel zeker dat je dat hele verhaal wilt horen?’
‘Jahaaa.’
‘Moet je wel met me meelopen, want ’t is best een lang verhaal, & ik moet evengoed glazen ophalen.’
Hij loopt achter me aan terwijl ik weer naar binnen ga om de lege glazen op de tafels te verzamelen.
‘Kijk,’ begin ik ’t ingewikkelde verhaal, ‘er was eens een prinses….’
Hij barst in lachen uit.
‘Hé, je moet me wel serieus nemen, hoor.’
’t Jongetje schikt z’n gezicht weer serieus & loopt verder met me mee.
‘Er was dus een prinses, die woonde hier in Amsterdam. Ze hield heel erg veel van eten klaarmaken.’
‘Nee, hoor. Je liegt.’
‘Je moet wel luisteren. ’t Is een heel ingewikkeld verhaal, dus ik ben er nog lang niet.’
Hij geeft me nog een kans, maar z’n lach blijft nu wel op z’n gezicht plakken. Terwijl ik praat springt-ie af & toe naar achteren van ongeloof & lol.
‘Goed, die prinses had dus een kruidenier.’
‘Leugenaar.’
‘Nee, echt. Die prinses had een kruidenier, dat was een beetje rare kruidenier, want hij deed in aardappelen & groenten.’
‘Ik geloof ’t niet.’
Hij rent naar buiten. Ik ben blij dat ik geen einde voor ’t verhaal hoefde te verzinnen.

Sluitingstijd. M’n collega’s maken de bar schoon. Ik haal glazen. ’t Café-gedeelte is gedaan, ik hoef slechts buiten nog de restanten bij elkaar te verzamelen.
’t Ethiopisch jongetje staat in de deuropening van een auto. Z’n vader staat ernaast met nog wat ethiopiërs.
‘Hé,’ roep ik naar de jongen, ‘moet je nou nog m’n verhaal horen? Want dan snap je tenminste waarom we zo vroeg dichtgaan.’
‘Nee, want jij bent een leugenaar.’
‘Nee, hoor. Want ’t zit nl zo: er was dus een prinses & die hield van koken. Ze had een kruidenier, die veel aardappelen & groente had. Daar hield de prinses wel van. Maar die kruidenier begon pas met z’n winkel als-ie er zin in had. & Als-ie gedronken had dan had-ie niet zoveel zin. Hij kwam dus heel vaak hier, die kruidenier. We bleven toen nog tot hééééél laat open. Dus had de kruidenier geen zin om in z’n winkel te staan. Dat vond de prinses niet leuk. Want zij wilde aardappelen & groente hebben. Toen heeft zij een koninklijk besluit genomen. & Daarom moeten wij altijd om ¼ voor 8 dicht. Vanwege die kruidenier. Een koninklijk besluit is dat. Snap je ’t nu?’
Z’n vader staat erbij te lachen. De jongen zelf gelooft er weer helemaal geen bal van.
‘Leugenaar.’
‘Nee, hoor,’ blijf ik volhouden. Ik maak aanstalten om weer naar binnen te gaan. ‘’t Is een koninklijk besluit van die prinses. Dus dan weet je dat voor de volgende keer.’
Vanuit ’t donker roept er iemand: ‘’t Is geen koninklijk besluit. ’t Is een koninklijk bevel.’
‘Geloof hem maar niet. ’t Is een koninklijk besluit,’ zeg ik eigenwijs, terwijl ik weer door de deur naar binnen ga. Achter me hoor ik de schaterlach van een kind.

De deur werd gesloten in Zijperspace.

specialist

Overmoedig kwam ik thuis. Ik dacht dat doe ik wel even.
Alsof. U weet wel. Niks gebeurt.
In een roes. Niets kan mij gebeuren.
Ik kom thuis, zo dacht ik ‘t, & niets kan mij gebeuren.
Niks gebeurt, & niks kan me. Als wel, nou, wat dan nog!
Zo kwam ik thuis. In een roes. Haha, niks. Mooi niet.

Ik zette me achter de comp & dacht: nu ga ik schrijven. Schrijven dat ’t leven niet meer is dan schrijven. Je leven achterlaten. Je tekens lozen. Je sporen zetten. Nog langer leven.
Veel langer dan men voor mogelijk houdt. Ik wel. Niet luisteren naar verwijten, niet luisteren naar opmerkingen, niet luisteren naar wijze adviezen. Hoe welgemeend. Hoe goedbedoeld. Schrijven is leven, niets meer, & ’t leven niet minder. Nu heb ik de mogelijkheid, dacht ik, nu heb ik de woorden, die niemand mij ooit eerder heeft laten horen. Als niemand anders ’t mij heeft kunnen laten horen, moet ik zelf de poging ondernemen. Wagen. Ervaren. Beleven. & Nog wat woorden die zouden beklijven.

Ik maak niet zoveel mee, verwijt ik mezelf steeds weer.
Een auto rijdt over straat. De wind waait. Een kind huilt. Ik zie een muur. De zon schijnt. ’t Regent. Ik zit op een bank.
Ik onthoud nog minder. Een doodzonde, een gebrek, een manco, een amputatie.
Ik zit op de bank & de zon schijnt, denk ik. Terwijl er bovendien een auto rijdt.
Een kind huilt, de wind waait. Er valt regen op de muur, maar ik wist niet meer dat de wind de tranen blies.
Ik maak ‘t bovendien niet mee in de juiste volgorde. Alles gebeurt mij net andersom. Zo ervaar ík ’t in ieder geval. Wat belangrijk lijkt, weet ik pas achteraf. Waarom, weet ik nog veel later. Of m’n uiteindelijke conclusie op waarheid berust mag iemand anders beoordelen. Ik zweef ergens in ’t midden. In dat midden dat geen antwoorden behoeft. Slechts herinneringen verlang ik.

Goed: overmoedig kwam ik thuis. U weet wel, of misschien ook wel niet. Mij kon niks gebeuren. Ik kwam nl thuis. Overmoedig weliswaar, maar thuis kan mij nou 1maal niets gebeuren. & Anders vergeet ik ’t wel. Een specialisme.

Ik wil u wel helpen. Ik ben er nl goed in. Ik wil u wel helpen. U heeft ’t zo geleerd, in een mum van tijd. Alles wat ik u zeg, neemt u gewoon niet mee naar huis. U heeft ’t zo geleerd. Ik kan u helpen. Als u maar luistert & ’t daarbij laat. Ik zal u helpen. Snel zal u geholpen zijn. Leer dat thuis. & Voelt u zichzelf vooral veilig. U bent niet alleen. Ik heb u geholpen. U bent bijna thuis.

Overmoedig, zo zei ik. Dat ik niks leer & niks leef. Pas als ik de pen ter hand neem, waag ik me te bedenken dat ik ademhaal. & Zal blijven doen. Dat ik ook niks mee naar buiten neem. Ik leer niet & wil niet. Als ik maar leef tot ’t moment van de punt.

Daar ergens, aan ’t eind van Zijperspace.

blanco

Helaas, momenteel geen nieuw stukje van mijn hand. Allemaal redelijk logisch te verklaren, maar ik heb daar geen tijd voor. Kort gezegd komt ’t er op neer dat ik vannacht te lang heb na zitten denken over een nieuw stukje tekst. Waarbij ik er zelfs 1 geschreven heb. Werd niet goed bevonden; heb ik weggegooid. Nee, niet waar: heb ik opgeslagen. Tegenwoordig mag ik m’n eigen mislukkingen niet meer vernietigen: die moeten ook bewaard. Onzichtbaar voor de buitenstaander, maar voor handen in ’t geval dat ik delen ervan wil hergebruiken. Edoch, vanochtend, ’t was een uurtje of 7, opnieuw malend wezen nadenken over inspiratie & een bijbehorende stuk schrijven, waarbij ik veel te laat weer in slaap viel & veel te laat wakker werd. Die tijd valt niet meer in te halen, dus ik moet me haasten nog op tijd op m’n werk aan te komen. Nog veel meer factoren hadden invloed op m’n huidige situatie, maar men begrijpt: vanwege tijdgebrek, ik heb zelfs geen tijd om na te denken hoe ‘t 1 & ander te formuleren, niet er aan toegekomen ’t u mede te delen.

Er gebeurt dus eigenlijk niets in Zijperspace.