regendruppel

Ik kijk omhoog.
‘Ik voel hier evengoed spetters,’ zeg ik tegen Rachel.
‘Dan moet je iets naar achteren gaan zitten.’
We zitten onder ’t balkon van m’n bovenbuurvrouw. Een meter verderop verregent Koninginnedag. Wij drinken thee. & Blijven droog.
‘Nee, ik bedoelde alleen maar dat de spetters evengoed bij me konden komen,’ zeg ik. ‘Voor de rest heb ik er geen last van.’
‘Ja, ’t is best lekker zo.’
We kijken een beetje voor ons uit. De tuin ruist van neerkomende druppels. Ik kijk even omhoog. Peinzend.
‘Wat is er?’ vraagt Rachel.
‘Ik zat me af te vragen of druppels elkaar konden aanraken. Dat ze, zogauw ze naar beneden vallen, elkaar nog kunnen tegenkomen, voordat ze op de grond bovenop elkaar neerstorten.’
‘Nee, dat kan niet,’ zegt Rachel. ‘Zogauw ze zichzelf gevormd hebben tot druppel vallen ze recht naar beneden.’
‘Ja, maar er kan toch tijdens die val een kleine luchtbeweging ontstaan, waardoor 1 spetter plots een beetje van richting verandert. Dat-ie dan plots opbotst tegen z’n buurman. Bovendien bestaat er ook nog zoiets als cohesie. Delen van een stof, vooral bij een vloeistof als water zijn geneigd om andere soortgelijke delen op te zoeken. Dus als ze met z’n allen onderweg naar beneden zijn, dan denkt zo’n individuele spetter op een gegeven moment vast dat-ie graag wat dichter bij z’n soortgenoten wil zijn. & Dan is-ie plots uit koers & komt-ie op mijn hand terecht, ipv een meter verderop in de tuin.’
‘Ik weet ’t niet, hoor. Ik heb geen natuurkunde gedaan,’ lacht Rachel.
Ik kijk nog ‘ns naar de verticaal passerende druppels. Rachel blijft lachend naar me kijken. Ik glimlach een beetje.
‘Zit je me uit te lachen?’
‘Nee, hoor. Ik lach om je gedachtegang. Heb je nog meer gedacht de laatste tijd?’
‘Nou je ’t zegt: ik zit me al een paar dagen af te vragen waarom m’n suiker niet meer helder is. ’t Is toch kristalsuiker. Stond op de verpakking. Kijk!’
Ik schroef de dop van de suikerpot eraf. Reik de pot aan.
‘Die zijn dof toch?’ vraag ik.
‘O, je bedoelt dat ze niet glanzen?’
‘Vroeger was de suiker altijd helder glanzend. Echte kristalletjes.’
‘Kon je er doorheen kijken,’ vult Rachel aan.
‘’t Lijken nu wel brokjes suiker. Ik heb ’t idee dat ik daarom meer suiker gebruik.’
‘Wat dan?’
‘Ik moet meer keren met de suikerpot heen & weer om suiker in m’n thee te doen. Voordat ik de thee zoet genoeg vind. Deze suiker lijkt minder zoet. ’t Is niet zoals ik ’t een paar weken geleden nog had. Terwijl ik dezelfde zak suiker heb gekocht als anders.’
‘Een pak suiker,’ verbetert Rachel.
‘Nee, een zak. ’t Is verpakt in een papieren zak.’
‘Nee, een zak heeft een hengsel. & Een pak is dichtgeplakt.’
‘& Ik had van de week een Chunky van KitKat waar kuiltjes in zaten. Van die luchtbelletjes.’

De regen valt nog steeds omlaag in Zijperspace.

langpootmug

Ik zou er vroeg op uitgaan. Om vooral niks te missen. Bijzondere koopjes, toevalstreffers. Om vooral ook de tijd te hebben. Moet tenslotte gewoon vanmiddag werken. Vanaf 4 uur. Maar ik werd even opgehouden. Niet bijzonder lang, maar toch wel even. Ik moest ’t nl zeker weten. Straks loop ik de gehele dag een beetje ongemakkelijk. & Niets zo ongemakkelijk als ongemakkelijk lopen & dat iedereen kan zien dat je ongemakkelijk loopt. Da’s dubbel zo erg.
Laten we ’t beestje bij ’t naampje noemen. Ik weet echter zeker dat-ie zo niet heet. Maar dan heb ik in ieder geval een naam om naar te verwijzen. Dan weet men waar ik ’t over heb. Hoewel ik ‘m dan wel 1st zal moeten omschrijven.
Kijk, hij heeft lange poten. Daar is alles al mee gezegd. Als je ‘m ziet vliegen, dan denk je meteen: die heeft lange poten. Z’n vleugels vallen veel minder op. Je beseft je weliswaar dat-ie de vleugels nodig heeft om zich voort te bewegen door de lucht, maar z’n spartelende pootjes vallen daarbij eerder op. & Terwijl ik ‘spartelen’ gebruik, besef ik meteen dat ik nogeneens zeker weet of-ie wel spartelt met z’n poten. ’t Is waarschijnlijk de algehele beweging, ’t totaal aan manoeuvres die ’t beest gebruikt, die mij de indruk geven dat z’n pootjes spartelen. Want echte rechte lijnen maakt ’t niet. De kortste weg van punt A naar punt B moet ’t nog uitvinden. Misschien dat ’t wel weet dat er een kortere weg bestaat, maar zitten die lange poten ‘m in de weg; kan-ie niet goed voor zich uitkijken om te zien of-ie nog op de juiste route zit.
Voor de rest is ’t een magere insect. Doet een beetje denken aan een Ramenwasser. Of noemden we ze vroeger Ruitenwisser? We namen ze onderweg altijd mee naar school, haalden ze van de ramen van bejaardenhuisjes, om de meisjes in de klas daarmee schrik aan te jagen.
Maar dat is ‘m dus niet. Laten we ‘m dus voor ’t gemak een Langpootmug noemen.
Ik had ‘m gisteravond al waargenomen, vlak voor bedtijd. Ik was m’n tanden aan ’t poetsen. M’n tandarts vindt dat ik dat voortaan ook vlak voor slapen gaan moet doen. Meestal kijk ik bij die activiteit in de spiegel, om te kijken of ik ’t wel goed doe, maar gister werd ik afgeleid door de Langpootmug (daar heb je ‘m). Hij zwabberde op & neer, richting licht, richting spiegel, viel mij aan, week uit voor mijn maaiende hand, & verdween naar onbekende contreien. Een plek in ieder geval waar ik ‘m niet meer waar kon nemen. Gerustgesteld heb ik mij te rusten gelegd. Na natuurlijk 1st m’n mond gespoeld te hebben.
Ik zat hedenochtend, volledig op m’n gemak, te doen wat ik elke ochtend zo rond ‘tzelfde tijdstip pleeg te doen. Gezellig met een boekje. Dan vliegt de tijd, ik heb ’t geloof ik wel meer gezegd, & ’t ontspant ook zo lekker. Ik wilde nog even een blz uitlezen, tot aan de volgende alinea, dat leek me een mooie afscheiding om voor mezelf goed te kunnen onthouden waar ik gebleven was, toen daar plotseling die Langpootmug weer tevoorschijn kwam. Vlak langs mijn blote knie had-ie besloten te scheren. ’t Was weliswaar de buitenkant knie, maar enige onrust wist dit aspect niet te verhinderen. M’n enige gedachte die zich vanaf dat moment deed gelden was dat ik de gehele dag van plan was te gaan wandelen, door de straten van Amsterdam, door de drukte, schuifelend, struinend, misschien wel met een Langpootmug in m’n onderbroek.
Vandaar dus. Dat ik zo laat vertrek. Ik moest even zeker weten. Dat vergt tijd. Want nadat ik ’t zeker wist, moest ik ’t ook nog een keer verifiëren. Voor mezelf. Daarna nog even gedubbelcheckt.

Niets zo ongemakkelijk als ongemakkelijk in Zijperspace.

free

Gillian Welch - Everything is Free

‘Kom maar langs,’ had ik de dag ervoor gezegd. ‘In principe ben ik vanaf 12 uur klaar met boodschappen & dergelijke.’
& Dat klopte. Ik had zelfs ’t toilet voor ‘t 1st sinds m’n verjaardag schoongemaakt. Inmiddels was ik m’n tuin aan ’t ontdoen van ’t ongewild woekerend groen toen m’n telefoon ging.
‘Ja, kom langs,’ zei ik. ‘Ik ben ’t onkruid aan ’t verwijderen & ondertussen druk bezig padden te verjagen.’
Geheel naar waarheid. Ik bleef daar nog even mee doorgaan, waardoor ik enkele minuten later geheel bezweet de deur opendeed voor Rachel.
‘Ah, je bent nat,’ zei ze, terwijl ze haar wangen afveegde.

We zaten in de tuin. Muziek op de achtergrond.
‘’t Is best vreemd,’ zei Rachel, ‘zo’n rustige tuin & dan zulke harde muziek.’
‘Ja, maar ’t is mijn tuin,’ zei ik, ‘dus die muziek hoort erbij.’
Maar even later zette ik toch maar een andere cd aan. Tussen ’t plukken van de woekerende winde door.
‘Ongelooflijk,’ zei Rachel, ‘zo snel als jouw tuin bloeit & steeds mooier wordt.’
Daarvoor heb ik dus mijn tuin, eigenlijk, dacht ik, om te laten zien hoe mooi 't is. & Toch moet ik er meestal in m'n 1tje van genieten.
‘Ja, mooi hè,’ zei ik.
‘Kijk je vaak naar je tuin?’
‘Hmmpf,’ zei ik. ‘Da’s eigenlijk heel erg belachelijk. Ik kan minuten achter elkaar staan staren naar m’n tuin. Meerdere malen per dag. Ik hoop altijd dat m’n achterburen me niet al te vaak zien staan, want ’t moet best raar zijn om een man de hele tijd voor zich uit te zien kijken. Naar een paar plantjes. Die toevallig groeien.’
‘Da’s toch leuk?’
‘Vind ik wel, maar ik weet niet of m’n buren dat begrijpen.’

Gillian Welch stond aan. Ik kon alleen niet ’t juiste nr vinden. Af & toe liep ik naar binnen, vertwijfeld of ik me misschien had ingebeeld dat er een verschrikkelijk mooi nr op zou staan, om de cd-speler wat sneller over te laten schakelen naar de volgende.

Een kleine vlinder fladderde voorbij.
‘Kijk,’ zei ik, & probeerde met m’n vinger z’n bewegingen te volgen.
‘Wat?’
‘Hier.’
‘O, wat leuk!’
Ik probeerde ‘m in m'n handen te vangen.
‘Niet doen!’ reageerde Rachel verontwaardigd.
‘Ik probeer ‘m alleen te vangen. Niet dood te slaan.’
De vlinder ging rusten op een blad. We keken. Dichtbij.
‘Net een mini-dagpauwoog.’

Ik potte wat plantjes in rieten mandjes die ik van de week had aangeschaft. Terwijl Rachel informatie opzocht in de Flora’s van m’n vader.
‘Kijk,’ zei ze, terwijl ze me een afbeelding liet zien, ‘dit is een gentiaantje. Vind je dat niet leuk?’
‘Ja, ziet er wel mooi uit.’
‘Krijg je er 1tje van me.’
‘Moet ik er nog een mandje bij kopen om ’t in te kunnen zetten.’

‘Dit is ’t nr,’ zei ik.
Ik herkende ’t opeens. Bij de 1e tonen. Ik liep naar binnen om ’t harder te zetten. ’t Schalde door m’n tuin. Met kalme tonen.
‘Mooi, hè?’
‘Ik heb nog amper iets gehoord.’
Ze luisterde.
‘Zullen we na dit nr dan weggaan?’ vroeg ze.
‘Is goed.’
Verder hield ik m’n mond. Floot enkele tonen mee. Rachel deed haar ogen dicht. Ze zat inmiddels in de schaduw. Ze was bang dat ze al verbrand was, had ze gezegd. & Was vervolgens de schaduw ingeschoven. Zonnebril op haar voorhoofd. Ik hield m’n mond. Nog steeds. De tuin wapperde. De pas opgehangen was gaf de langzame cadans van de muziek aan. Bloemen deinden.
‘Mooi, hè?’ zei ik nogmaals & staarde verder.
Rachel knikte & keek mee de tuin in.

De tuin benadert enigszins de vrijheid van Zijperspace.

verliefd

‘Ik ben verliefd,’ zegt JW, onmiddellijk op 't moment dat-ie binnenkomt, plots z'n hoofd naar mij kerend.
‘Ojee,’ denk ik, ‘weer een onbeantwoorde liefde erbij.’
JW kijkt blij.
‘Verliefd op een pak. Een pak in stijl. Italiaans pak een beetje. Ik ben ’t net tegengekomen in een etalage & ’t wil niet meer uit m’n hoofd.’
Ik probeer me JW in pak voor te stellen. Iets anders dan ’t bloesje met kleine gaatjes & vage vlekken dat-ie nu draagt.
‘Hij is alleen een beetje duur: € 750,-.’
‘Maar dat geld heb je nu.’
‘Nee, nu nog niet. Ik zou kunnen vragen of de aanbieding ook over een maand nog geldt. Dan komt ’t geld vrij als ’t goed is.’
JW wiebelt voor zijn doen zenuwachtig op z’n benen. Dat uit zich in op & neer lopen, terwijl-ie zo af & toe aan z’n baard plukt.
‘’t Is echt een fantastisch mooi pak. Ik dacht meteen: da’s iets voor mij. Dan hoef ik niet meer in die afgedragen kleren te kopen. Want dat is toch wel een bevestiging dat ik nog steeds een soortement zwerver ben.’
‘Ja, als je zo’n bloesje met van die vlekken draagt als dat je nu aan hebt, dan krijg je dat al snel.’
JW loopt naar de koelkast om een flesje bier te pakken, maar besluit even later toch om ’t weer terug te zetten.
‘Ik twijfel verschrikkelijk,’ zegt-ie na lang nadenken.
‘Ik heb me wel ‘ns laten vertellen,’ opper ik, ‘dat als je aandacht aan je uiterlijk, aan je verschijning besteedt, als je dus jezelf in mooie kleren steekt, dat ’t dan als vanzelf ook beter gaat met jezelf. Je voelt je lekker in je kleren & dat vertaalt zich naar je hele geest.’
JW trekt zich weinig aan van deze opmerking. Hij is verzonken in gepeins. Of-ie misschien toch maar een biertje zal nemen misschien.

‘Ik heb me vergist,’ zegt-ie een uur later als-ie weer terugkeert. ‘Die € 750,- was alleen voor ’t jasje. Als je de broek erbij koopt ben je zo’n € 1000,- kwijt.’
‘Goedzo,’ denk ik, ‘weg liefde. Hij moet ’t ook niet overdrijven. Krijgt-ie eindelijk ‘ns beschikking over genoeg geld, moet-ie ’t natuurlijk niet gehaast gaan spenderen.’
‘Maar ik zat te denken,’ gaat JW verder, ‘als ik 2 van die pakken heb, dan kan ik de hele tijd er ‘tzelfde uitzien. Wissel ik ze gewoon af. Dan doe ik wel een paar jaar met die pakken & dan verdien ik die investering uiteindelijk vanzelf terug. Dan is ’t best redelijk.’

Dan raken we echter al snel verveeld van steeds weer die zelfde verschijning in Zijperspace.

onzin

Hij komt mompelend binnenlopen. Ik was er al bang voor. Ik had ‘m al van ver zien aankomen, slingerend & murmelend over straat. JW deinst een klein beetje achteruit, zodat de man in versleten lompen tussen hem & de toonbank kan passeren. JW kijkt ‘m licht angstvallig na. Beschouwt elke beweging & lijkt zichzelf erin te herkennen. Maar ik zie JW fronsen om de niet aflatende stroom woorden die tussen de baard & snor tevoorschijn komt.
‘Ja, toen zei ik tegen ‘m: “Ja, ik zeg nog tegen je dat moet je niet doen.” & Toen zei hij: “Dat moet ik wel doen.” “Nee,” zei ik, “dat moet je niet doen.” Maar hij bleef maar doorgaan. Ik werd er niet goed van. Hij keek me aan met van die grote ogen. Ik zeg nog: “Kijk me toch niet aan met van die wolvenogen. ’t Lijkt wel of je me op wilt eten.” “Maar je ziet er ook zo lekker uit,” zei hij toen.’
‘Zeg ’t maar,’ probeer ik ‘m te interrumperen.
Hij stopt even met z’n hoofd heen & weer te bewegen. Hij is uit z’n rollenspel voor een moment. Hij praat niet meer tegen de andere persoon. Hoewel z’n ogen nog wel de hele tijd onrustig blijven. Op zoek naar de persoon die hij even kwijt is in z’n hoofd.
‘Ik kom even een biertje halen. De goedkoopste.’
‘Dan kan je ’t beste Alfa nemen.’
Ik wijs. Hij kijkt om. & Begint weer.
‘Een biertje, dat moet toch wel kunnen. Ik heb altijd trek in een biertje. Maar hij wil elke keer iets anders drinken. Dus betaal ik me scheel. Want hij heeft een dure smaak. “Wat moet je nou met dat vieze spul?” vraagt-ie me als ik met een flesje aan kom zetten. “Moet je nou?” “Ja, moet je nou.” “Moet je nou?” “Ja, moet je nou.”
“Lekker.” “Ja, lekker.” “Moet je nou?” “Nee, dat moet je niet willen.” “Waarom niet?” Maar ik pak dat flesje beet & smijt ’t naar z’n kop. Ja, smijt ’t naar z’n kop. Hij ligt daar. Te janken. Ja, te janken. “Moet je nou?” vraag ik. “Ja, moet ik nou,” zegt hij.’
‘Da’s € 0,65,’ zeg ik, als-ie eindelijk voor me staat.
’65 Centen,’ zegt-ie me na. ‘Centen. Hollandse centen. Maar niet van die echte. Nee, hij wil van die andere. Maar daar heb ik een heleboel van gespaard. “Hoe kom je aan zoveel geld?” vraagt-ie telkens. “Hou je bek,” zeg ik ‘m, “want je krijgt een klap voor je kop.”’
Hij kijkt dreigend. Maar slechts naar de man die in z’n hoofd zit. Ik kan ’t nog net zien. Z’n lippen gaan naar de andere kant schuin staan als hij op zichzelf antwoordt.
JW beschouwt ’t gebeuren van achter de man. Hij kan nog net de handen, de vieze handen van de man zien, & de baard die uitsteekt. JW is stil. ’t Verhaal waar-ie vlak daarvoor nog mee bezig was is-ie geheel vergeten. Z’n hoofd hangt schuin om niks te missen van de bewegingen & woorden van de man.
’t Geld komt eindelijk op de toonbank te liggen. Afgepast met centen & stuivers. Hij haalt ze met z’n foezelige handen uit z’n foezelige jaszak tevoorschijn. Af & toe stopt-ie z’n vingers in z’n mond, verstopt tussen baard & snor, om meer grip op de muntjes te kunnen krijgen. Zoals je je vingers natmaakt om de blz van een boek om te kunnen slaan. Straks maar meteen m’n handen wassen, denk ik.
‘Dankjewel,’ zeg ik.
Ik haal de dop van de fles. Hij heeft gebaard dat-ie dat zo wil. Als ik ’t flesje overhandig, beginnen z’n stemmen weer te praten.
‘Hij wilde niet meer dan 1 flesje, zei hij. Dus ging ik er op uit. “Niet meer dan 1 flesje,” zei hij. “Ja, dat had ik begrepen,” zei ik. “Maar je luister niet,” zei hij. “Jawel, ik luister wel.” “Nee, je luistert niet.” “Jawel, ik luister wel.” “Je krijgt een klap op je bek.” “Dan roep ik de politie.” “Dan mag jij niet meer binnen.” “Dan geef ik je een klap op je bek.” “Klap op m’n bek?” “Ja.” “Oja?” “Ja.”’
& Langzaam, heel langzaam verdwijnt-ie uit beeld, & buiten gehoorsafstand.
JW tilde z’n hoofd op. Omhoog uit de schuine luisterende houding.
‘Zo had ik ook kunnen zijn,’ zegt-ie.
‘Oja?’
‘Misschien niet zo erg, maar ze hebben me wel op een gegeven moment van de straat afgeplukt. Omdat ik een bedreiging voor andere mensen kon zijn. Maar dat bleek uiteindelijk alleen maar een bedreiging voor m’n eigen gezondheid te zijn.’
‘Dat wist ik helemaal niet.’
‘Ik zou misschien een telefoonnr moeten achterlaten hier,’ zegt JW plots enthousiast. ‘Zodat jullie dat nr kunnen bellen, zogauw ik me ga gedragen zoals die man. Da’s dan ’t nr van de enige man die ik op zulke momenten nog vertrouw.’
‘Kan natuurlijk,’ zeg ik. ‘Kwaad kan ’t zeker niet.’
‘Ja, dat moet ik dan maar doen.’
JW loopt peinzend rond. Z’n vinger aan z’n neus. Hij wrijft een paar maal over z’n mouw. Plukt kort in z’n baard.
‘Hoewel,’ begint-ie opnieuw, ‘Misschien ook maar niet. Want m’n psychiater is er mee gestopt. Nu moet ik een andere krijgen. Daar wacht ik op. Dan kan ik beter wachten tot ik ’t goede telefoonnr van m’n nieuwe psychiater heb.’
‘Maar ’t gaat toch om ’t nr van de man die je altijd vertrouwt?’
‘Ja, maar de vorige keer, de keer dat ik dus opgepakt werd door de politie omdat ik een bedreiging voor mezelf vormde, toen was die vriend ook vlak daarvoor bij mij langs geweest. Om te zeggen dat ’t niet meer goed met me ging. Toen vond ik ’t ook allemaal onzin wat-ie zei.’

’t Galmde nog uren na in Zijperspace.

vlinders

Wat doen vlinders als ’t regent? Dat zijn ze me eigenlijk vergeten te vertellen op school, vroeger. ’t Zou ook kunnen dat ik niet goed heb opgelet, of ’t ben vergeten, maar de 1e mogelijkheid lijkt me waarschijnlijker. Wat weten docenten biologie nou van vlinders & hun gedrag gedurende ongure weersomstandigheden? Of wat weten ze van die kennis over te brengen? Als ze ’t toevallig wel weten, dan hebben ze ’t altijd nog liever over de bloemetjes & de bijtjes, want daar kunnen ze tenminste mee scoren. Leraren smachten naar populariteit, in de docentenkamer troeven ze elkaar af met anekdotes over uitingen van affectie, leerling tov leraar. Maar als ’t over vlinders gaat, ’t gedrag van vlinders op ’t moment dat ’t weer eventjes niet meezit, dan staan ze met hun mond vol tanden. Liever hadden ze uitgelegd wat de moeder allemaal wel niet had moeten doorstaan om dat betwetertje die deze vraag stelde op de wereld te zetten.
Misschien dat in de hogere klassen dit onderwerp op gegeven moment toch aangesneden werd. Daar was ik echter te ongeduldig voor. Ik wilde meteen doordringen tot de essentie van ’t leven, of anders, bij uitstel van de waarheid of van een poging deze in ieder geval te benaderen, ‘t wegdrukken, verstoppen in activiteiten of geestesgesteldheden die ’t overzicht over de mensheid & al dat leeft & ermee samenhangt niet noodzakelijk acht. Die geestesgesteldheid vooral. Zeer makkelijk te bereiken, ondervond ik, door voor slechts enkele zaken belangstelling te hebben & daar dan met volle teugen de essentie uit te zuigen.
Ik had ’t echter over vlindertjes. & Dan over vlindertjes die vliegen onder weersomstandigheden waarvan men zou denken dat dat fragiele lichaampje, zo men dat vleugelachtig wezentje zo mag betitelen, ’t niet lang zal verduren. ’t Beestje fladdert al zo ongecontroleerd onder de zwoele zon & eender briesje.
Nu ik dit toch aantip: van de week, ’t was heerlijk weer, zeker in mijn tuin, zag ik 2 koolwitjes woest, maar misschien moet ik zeggen: weldadig, achter elkaar aanvliegen. Voor ons mensen ziet ’t er wellicht liefelijk uit, de manier waarop de tedere lichaampjes pogingen ondernemen flierefladderend elkaar bij te houden, maar niets zo onvoorspelbaar als de manoeuvres van de lichtvleugelige vlinder. Ze weken niet uit elkaar, ze bleven elkander achtervolgen. ’t Zou baltsgedrag kunnen zijn, bedacht ik, maar een echtelijke ruzie of anders een ontmoeting nadat ze elkaar reeds een hele dag niet gezien hadden zou ook de oorzaak van dit ogenschijnlijk enthousiaste treffen kunnen zijn. De mens echter legt ’t onmiddellijk op z’n eigen o zo humane wijze uit & krijgt vervolgens ook zin om zich voort te planten. Ik heb me in deze situatie weten in te houden.
Ik vond vanochtend, terwijl ik toch zeker wist dat de deuren reeds 2 dagen gesloten waren gebleven, vooral vanwege afwezigheid, maar ook omdat ik onder bepaalde omstandigheden even liever niets met de wereld te maken wilde hebben; vanochtend vond ik een vlindertje, piepklein, nogeneens de helft van een koolwitje zo klein, geplakt tegen ’t raam aanzitten. Nou weet ik heus wel dat rupsjes vlindertjes worden, dat sommige rupsen schutkleuren hebben & dat ’t mamma-vlinder niet zoveel interesseert waar haar kroost groot zal groeien, zolang ’t maar genoeg te eten heeft, maar ik kon me toch niet echt goed voorstellen dat ’t huis van een mens aantrekkelijk genoeg bevonden was om ‘t nageslacht van een vlinder in achter te laten. Ik zou daar zelf wel enigszins zorgvuldiger in zijn. Ik ben echter geen vlinder.
Ondanks deze brutale vorm van huisvredebreuk, wilde ik ’t pasgeboren kindje niet euvel duiden, & besloot ik ’t te redden van een wisse dood. Ik weet nl dat mijn eetgewoontes niet echt aantrekkelijk zijn voor een vlinder. Laat staan de sporen die mijn andere activiteiten achterlaten in mijn huis.
Edoch, ik pakte een bierglas, de avond ervoor geledigd (maar puntje bij paaltje natuurlijk weer net niet helemaal, waardoor er nu een fraaie streep over m’n raam loopt), nam tevens een viltje ter hand, & staand op een stoel ving ik de vlinder. Wild spartelend liet zij zich arresteren, maar toen zij zag dat ontsnapping niet mogelijk was, onderging zij ’t lijdzaam & plakte ze zich vast aan de wand van ’t bierglas. Of misschien vond ze bierrestjes lekker & deed ze zich tegoed.
Pas toen ik buiten kwam, ’t glas opende door ’t viltje er af te halen, flink schudde om de onwillige vlinder er uit te verlossen, pas toen ik bovendien zag dat ’t niet ideaal vlinderweer was, dat ’t waaide & dat er zo af & toe monsterlijk grote spetters uit de hemel vielen (ik probeerde ’t alles te bezien vanuit de vlinderoptiek & zag de hemel in die beleving al neerstorten), pas toen begon ik mij af te vragen wat vlinders doen als ’t regent.

Ik zou zelf onderdak zoeken in Zijperspace.

day-after

Om 5 uur stond ik weer op. 2 Uur slaap, maar enige ontspanning oa in de vorm van een hoofdpijnpilletje kon geen kwaad. Rustig voor me uit gekeken. In zoverre rustig een strakke nek & daardoor de herinnering aan een hersenschudding kan behelzen.
Om 8 uur stond ik weer op. 2½ Uur slaap; wederom was een paracetamolletje noodzakelijk. Ditmaal ’t zo lang mogelijk uitgesteld. 1st Pogingen ondernomen om de herinneringen aan de dag van gister de somberheid, de pijn in kop te laten overtreffen. 't Weeë gevoel in m'n maag vroeg er ook om om vergeten te worden.
Maar ‘t 1e dat me te binnenschiet is de nachtelijke treinrit naar Rotterdam. Op ’t moment dat ik dacht lekker vroeg thuis te zijn. ’t Geluk dat ik dacht te ondervinden door met koptelefoon op & een roes die langzaam wegtrok, zelfs geen behoefte om dat vertrek te stillen met ’t blikje dat zich nog in m’n rugzak bevond, richting huis te worden vervoerd. De frustratie toen ik door de muziek heen de mededeling hoorde waarin vaag ’t woord ‘rotterdam’ was te herkennen. De terugreis, gratis, dankzij een hulpvaardige conducteur, met ’t gestaag leger wordende blikje bier, om vooral zo snel mogelijk mezelf weer onder te dompelen in vergetelheid, met ‘t restantje energie die zich nog in de oplaadbare batterijen van de discman bevond. De vloek die uit m’n mond weerklonk, toen de vergetelheid dermate goed geslaagd was dat ik te laat doorhad dat Utrecht reeds weer bereikt was, m’n blikje bier omverviel door mijn enthousiasme, mijn bril erachteraan, zodat deze niet meer te gebruiken was omdat ik dan wel zeer letterlijk beneveld voor me uit zou kijken. Gedurende de uiteindelijke tocht richting A’dam kon ’t gezelschap van de heren Twinblog de aanwezigheid van een hyperactieve jongen die de coupé vulde met zijn alomtegenwoordigheid helaas niet in een aangenaam verpozen omzetten.
Onder ’t genot van een 3e pilletje nam ik een boek ter hand, ging wederom in bed liggen & viel na 2 blz in slaap.
Om 11 stond ik weer op. ’t Drensde, ’t zeek, ’t neigde, ’t wrong, ’t zeurde, ’t tierde, ‘t vegeteerde, ‘t laakte, ‘t wraakte, ‘t verketterde, & toch verliet ik 't bed. Ik herinnerde me meer.
Onnoemelijk hoeveelheden flitslichten, handen die vooruitstaken om minuscule speledingetjes tot exorbitant grote joekels te hanteren. Lachende blikken, eeuwige vragen (wie is wie & hoe & wat doe je & link & lijf & lees je ook & hoe krijg je ’t voor elkaar & waarom doe je er niks aan & weet je ook & wil je bier?) die hun zin nimmer zullen verliezen, & welgemeende complimenten. Stickertjes, stiften & t-shirts om naam zo groot mogelijk te vermelden. Identiteitswisselingen, ruilacties, data-overdracht, beloftes, afspraken.
Maar ik had nog 1maal slaap te gaan. De schoonheid moest wederkeren. ’t Hoofd ook.
Om 12 uur stond ik weer op. Herinneringen opdiepen was niet meer nodig. Ze werden me aangereikt. Ik hoefde slechts ’t toetsenbord te hanteren.

't Smaakte ondertussen als een zwerm dooie mussen in Zijperspace.

comeback



Toch nog maar even de banner van de weblogmeeting geplaatst. Hoewel iedereen ondertussen wel weet dat ik er ben als er ge'meet' wordt. Maar misschien wel 1 van de laatste keren, want ik kom er niet meer aan toe andere weblogs te lezen. 't Schrijven zelf neemt al verschrikkelijk veel tijd in beslag. Als ik langs ga bij anderen is 't om op de hoogte te blijven wat anderen doen, & dat doe ik slechts nog bij mensen die me interesseren, die ik reeds ken. Om toch niet met m'n mond vol tanden te staan heb ik 't lijstje doorgenomen, vooral omdat ik 't grootste gedeelte van de loggers niet ken. Ik vind ondertussen dat 't niet veel zin heeft mensen te onmoeten waarmee je niets hebt, behalve dat je 'tzelfde medium gebruikt, zeker niet als 't in dergelijke grote getale gebeurt als heden ten dage.
Maar aan de andere kant: ik sta niet snel met m'n mond gesnoerd. Dit had ik gaarne willen illustreren met de registratie van de meeting vorig jaar door 't 8-uur journaal, maar degene die me de clip zou sturen heeft 't af laten weten. Spraakwater zal ik zeker al hebben zogauw ik aankom in Stairway to Heaven, want vooraleerst zal ik, onder 't mom: 't is nu 1maal mijn beroep, een biertje pakken in een utrechtse brouwerij.

Zij die Zijperspace spoedig zullen verlaten, groeten u.

vertellen

Na 1 dag vertelde ik m’n verhaal aan m’n collega. Zonder haperingen. Niet noemenswaardig, in ieder geval. Ik vertelde, zij luisterde. Ik was geëmotioneerd, zij suggereerde, ik vulde aan.
De dag ervoor had ik m’n verhaal aan m’n broer verteld. & Hij die van hem. Ik stond verbaasd. Overdonderd. Verloren.
Niet alleen gelaten, niet hulpeloos. Daar had ik nog over nagedacht. Ik ben oud genoeg, zelfstandig genoeg, had ik me plots beseft, om niet meer afhankelijk te zijn. Niet meer emotioneel, niet meer in daadkracht, afhankelijk van m’n ouders. Hooguit van de naaimachine van m’n moeder. Om m’n broeken te repareren. & Een blik, een vraag, een belangstelling. Maar meer hoeft niet. Ze hoeven niet meer ongerust te zijn, dacht ik.
Iemand hield m’n hand vast terwijl m’n broer z’n verhaal deed. Noodzakelijk. Steunend. Om lawaai te voorkomen. Ik kon me daardoor inhouden.
Ik vertelde mijn verhaal aan m’n broer. Een ander gedeelte. Hij luisterde. Anders dan ik luisterde, maar hij was 1 & al oor. Ik kreeg de woorden amper uit mijn mond. Wist de emoties ternauwernood te benaderen.
Maar 1 dag later vertelde ik m’n verhaal aan m’n collega. Ik wist niet waarom ’t me lukte. Ik stelde me mezelf voor in een grote zaal met luisterende mensen. & Probeerde te achterhalen of ik ’t dan ook kon.
De 2e dag vertelde ik slechts gedeeltes. Aan weer iemand anders. Meer was niet nodig. De waarheid kon vermeden. De grotere waarheid. Een gedeelte van de waarheid is niet volledige waarheid. Ik staarde in de verte op zoek naar de gemoedstoestand van vlak daarvoor. Nog maar 2 dagen geleden. Ik herinnerde me ex-vriendinnen, ’t geleden leed, de dagen van dragen, denken dat je er niet bovenop zal komen, de tijd die heelt & hoe lang ’t uiteindelijk duurt. ‘Was dit ‘tzelfde, was dit vergelijkbaar?’ durfde ik mezelf als vraag te stellen. Ik zag mezelf wederom ’t katheder betreden, klaar voor de toespraak, brokken die trilden in mijn stem & de ruimte evengoed galmend vulden.
& Soms voel ik me dan een verrader. Een verrader van de man die alleen slaapt op z’n kamer. De kamer die niet meer z’n kamer is. Ook al is-ie nu terug thuis. Elk moment kan-ie wakker worden & beseffen dat hij niet meer bij m'n moeder is, niet weten waar, niet weten wie er op hem wacht.
Terwijl ik me hier voorbereid, op een groter afscheid, op een moment van verdriet dat minder verdriet zal worden, op een toespraak over hoe hij eens was. De tranen worden kleiner, & hij ziet er steeds minder van.

Zijperspace zal ooit verdwijnen als in een nevel.

restverhaal

We gingen een deur door, een afdeling op, ook al was m’n moeder nog in twijfel over of ’t wel de goede was. De 1e gang was rustig, maar al gauw kwamen we in geroezemoes terecht. Met verpleegsters die na kort overleg elk een andere kant op liepen.
M’n moeder wist ’t niet: ‘Waar is ’t nou ook alweer?’
Ik wist ’t al helemaal niet. Nog nooit geweest. Hoewel ’t nog wel deed denken aan 20 jaar eerder, toen m’n opa opgenomen was in ‘tzelfde verzorgingstehuis.
M’n moeder klampte een verpleegster van achteren aan: ‘Ik weet niet waar ik moet zijn. Alles lijkt hier zo op elkaar. Weet jij misschien waar mijn man zit? De heer Zijp.’
‘Oja, mevrouw, ik heb ’t soms ook nog. Er zijn ook zoveel gangen. Meneer Zijp zit in de kamer aan ’t eind van deze hier.’
Ze wees. M’n moeder herkende ’t weer.

In een stoel bij de tv zat een vrouw met een knuffelbeer. Alsof ze de beer borstvoeding wilde geven. Ze gilde. Niet aan 1 stuk door, maar wel vaak. Alsof ze aan ’t zingen was zonder de woorden nog te weten.
Achter me zat een groepje bewoners een echt liedje te zingen. Ik herkende de melodie. De woorden waren me echter vreemd. De verpleegster moest op een gegeven moment ’t koor alleen laten om zich met andere zaken te kunnen bezighouden.
‘Zingen jullie maar lekker door.’
Dan was ’t stil. Tot plots een mevrouw weer begon. Met een oude, doch welluidende stem. Regeltjes die uit een vreemd ver verleden leken te komen. Haar buurman bromde mee. Hij kon de tekst niet volgen.
‘Wat een feest hier,’ zei de verpleegster die binnenkwam.
De vrouw met de knuffelbeer begon weer te kraaien. Waarop ’t lied achter me van tekst veranderde.
‘De vrouw maakt verschrikkelijk lawaai,
& heeft alleen maar aandacht nodig,
O waar komt toch al dat geluid vandaan,
We willen alleen maar rust.’

Ik stond in de gang. De wc-deur stond open. Een man kwam er uit.
‘Zo, ze hebben ’t weer gedaan.’
‘Jaja,’ reageerde ik, om toch iets te zeggen.
‘Ik zal ’t even in orde maken.’
(‘Dat is Henk,’ zei m’n moeder later, ‘een vriend van Ome Siem, van op de Marsdiepstraat.’
‘Hij is belangrijk,’ zei ik. ‘Hij lijkt de zaken hier wel eventjes te regelen.’
We lachten. Want we hadden ‘m ook nog zien overleggen met enkele verpleegsters. Die hadden niks van z’n importantie aangetrokken)
Even later kwam de verpleegster langs.
‘Hé, de deur staat open.’
‘Ja, er kwam net een bewoner uit,’ zei ik. ‘Moet-ie dicht blijven?’
‘Ja, anders blijven ze de hele tijd maar op de wc’s staan.’
Ze deed de deur op slot.

Wisseling van dienst. Er kwam een nieuwe verpleegster binnen. M’n moeder zei haar gedag.
‘Die heb ik wel vaker gehad,’ zei m’n moeder later. ‘Die is erg goed.’
De nieuwe verpleegster liep naar haar collega’s. Degene die ons de weg in de gangen had gewezen liep meteen op haar af. Stak haar hand uit.
‘Hallo, ik moet me nog voorstellen. Ik ben Diane.’
‘Ik ben Diana,’ zei de ander.
Diana & Diane, zag je ze denken.
M’n moeder zei later ook nog dat ze ’t ongelofelijk vond dat die mensen dat werk konden doen.
‘Zo’n baan zou ik nooit aannemen.,’ zei ze.
M’n moeder is inmiddels te oud om te werken, dacht ik.

We liepen de verkeerde kant op. We kwamen op een kruispunt met allemaal vreemde gangen. Verderop zagen we personeel in blauwe uniformen lopen. Ipv wit. Ze duwden een bed. Dat hadden we nog niet eerder gezien.
‘Volgens mij moesten we toch de andere kant op.’
Maar de tranen waren in ieder geval verdwenen toen we de goede weg terug liepen.

Ongemerkt gebeurt er eigenlijk nog veel meer in Zijperspace.

erkenning

Wellicht een bericht zoals men niet meer van mij gewend is. Maar er is dan ook een aanleiding voor: ik ben genomineerd. & Nogeneens door mezelf. Hoewel de organisator mij verzocht had ook mee te doen aan de stemming voor de voorronde, heb ik 'm de mededeling doen toekomen dat ik er vanaf zag.
Edoch, men hoeft niet op mij te stemmen. Ik ben geselecteerd bij de beste 8 mbt de categorieën 'Meest orginele content' & 'Best geschreven content'.

Da's genoeg erkenning voor Zijperspace.

bezoek

‘Ton,’ zei m’n broer, ‘neem nog een biertje.’
‘Nee,’ zei m’n moeder, ‘de auto heeft nog maar een paar minuten parkeren.’
‘Maar je mag 10 minuten te laat zijn,’ zei m’n broer. ‘Dan kan ’t nog wel.’
‘Nee,’ zei ik, ‘we moeten ook nog naar Pa.’

M’n broer zei: ‘Pa, je zal hier moeten blijven.’
M’n vader zei: ....
Dat wat-ie zei weet ik eigenlijk niet. Ik weet dat-ie niet veel zei. Hij zegt tegenwoordig niet zoveel. Maar hij zei wel wat. Dat probeerde m’n broer in ieder geval duidelijk te maken. Toen hij ’t mij vertelde. Er was iets dat verteld moest worden. Van m’n vader. Naar m’n broer. Van m’n broer. Naar zijn broer.
M’n vader keek m’n broer aan. Ook m’n moeder. Laten jullie me nu al alleen? Keek-ie. Leek-ie te zeggen. Ben ik er nu al aan toe? Waarom wist ik ’t niet?
Hij zei nog veel meer. Maar we begrijpen niet meer alle blikken die m’n vader zegt. De afstand is te groot. M’n moeder wordt te moe.
M’n broer probeerde ’t nog ‘ns uit te leggen. Maar wist dat ’t zinloos was. Dus voelde hij zich slechts schuldig. & Zei hij niks. Hij keek m’n vader slechts aan. M’n vader, die nog net wist dat ’t onrechtvaardig was.

Achter ons zongen ze kinderliedjes. Onder begeleiding van de verpleegster. M’n vader deed niet mee. & Een vrouw die met een knuffelbeer bij de tv zat te gillen & te wauwelen.
M’n vader zat bij ons. In een hoekje van de kamer. We maakten een praatje.
‘Kunnen we niet een wandelingetje maken?’ vroeg ik.
‘Nee,’ zei m’n vader. Tegenzin.
‘Waarom niet?’ vroeg m’n moeder.
‘Nou,’ begon m’n vader, ‘’t is hier druk. Er is al veel gebeurd.’
‘Je bent een beetje moe,’ vulde m’n moeder in.
‘Ja.’
‘Maar je hebt net geslapen, toch?’
M’n vader keek vragend. Dat wist-ie niet meer.

De buren vroegen: ‘Hoe gaat ’t met je vader?’
M’n broer zei: ‘’t Is leuk dat jullie dat vragen. Maar ’t is zo jammer dat jullie m’n vader niet hebben meegemaakt in de tijd dat ’t nog goed met ‘m ging. Toen hij nog alles wist. & Hij wist veel. Hij wist alles over plantjes, over vogels, over van alles. Hij wist alles. ’t Was zo’n mooie man.’

‘Wat moeten we nou doen?’ vroeg m’n vader.
‘Wat bedoel je, Niek? Wil je toch een wandeling maken?’ zei m’n moeder.
‘Nee.’
M’n vader keek m’n moeder aan. Vragend. Smekend. Ze moest ‘m begrijpen.
‘Wat moeten we nou doen?’ vroeg m’n vader nogmaals.
‘Wat wil je dan?’
‘Ik wil naar huis,’ zei hij opeens resoluut.
‘Maar dat kan toch niet,’ zei m’n moeder.
‘Dat kan wel,’ zei m’n vader vastberaden, ‘we moeten hier gewoon weg. Laat de mensen hier maar zitten.’
Ik liet m’n vader & moeder in de steek om op de gang even bij te kunnen komen.

M’n moeder bukte voorover naar de verpleegsters die hun koffiepauze hadden. Pa stond naast me, maar hoorde niet wat m’n moeder zei.
‘We willen gaan,’ zei m’n moeder, ‘maar hij wil mee.’
‘Oh,’ zei Diana, ‘dan loop ik wel mee. Dan zeg ik wel wat tegen uw man.’
Pa & ik keken een beetje voor ons uit. Pa vertwijfeld over waar hij nou verzeild was geraakt. Ik met tranen die schreeuwden om er uit gelaten te worden.
‘Waar is Ton nou?’ vroeg m’n vader.
‘Ik sta hier naast je,’ zei ik.
M’n vader schrok. ‘Oja, ja. Ik let niet op.’

We liepen door de gang van ’t verzorgingstehuis. Neuzen gesnoten.
Een dame kwam op m’n moeder afgelopen.
‘Hoe gaat ’t nou?’
Ze was van mijn leeftijd. Misschien iets jonger.
‘’t Gaat niet zo goed. Ik denk niet dat ik morgen kom.’
‘Ja, u moet om uw eigen rust denken. Doe ’t rustig aan.’
We liepen verder.
‘Zij heeft vroeger bij Pa op school gezeten,’ zei m’n moeder. ‘Ze hoeft geen uniform te dragen. Maar ze deelt ook gewoon ’t eten uit bij Pa.’

Ik toog huiswaarts, terug naar Zijperspace.

wire

Wire - The 15th

De pick-up stond tussen onze bureau's. Op een kastje in de kleine ruimte die tussen 't bureau van Carel & die van mij over was. Eigenlijk waren 't 2 planken die net als de boekenplanken vastgehaakt zaten aan 't rek. Systeempje zoals m'n vader voor alle kasten gebruikte. Lekker goedkoop & te voegen naar de grootte van de boeken.
De pick-up was een Dual. Een echte Dual, durfden we jaren later te zeggen. Aangeschaft met ons beider bollenpelgeld. Redelijk trots waren we er op. Alleen die boxjes waren niet fantastisch. Maar we waren toch de enigen die er gebruik van maakten. Ze maakten in ieder geval genoeg lawaai om moeders kwaad naar boven te laten rennen. Nadat ze al enkele malen 'Kan 't niet wat zachter?' had geroepen. Dat hoorden we zogenaamd niet.
Ik stond te dansen. Enthousiast & geconcentreerd meespelend op een gitaar, ook al had ik slechts 1 keer eerder er echt 1tje handen in gehad. Op 't moment dat de drum begon ging 't tokkelen op de onzichtbare snaren over in zwiepende slagen in de lucht. Waarna ik ook nog even toetsenist werd.
Bij 't binnenvallen van m'n moeder was ik plotseling druk bezig in m'n haren te wrijven. Onnozel keek ik om me heen, pretenderend dat ik op zoek was naar een boek of kledingstuk.
'& Nou gaat die muziek zacht of ik gooi 't met boxen & al door 't raam!' schreeuwde m'n moeder boven Wire uit. Net tijdens 't mooiste nr.
M'n gitaar, m'n drumstel, m'n synthesizer waren als sneeuw voor de zon verdwenen. Ik had jeuk aan m'n neus, of m'n haar zat niet goed, zolang m'n moeder maar niet zag dat ik me verschrikkelijk had staan aanstellen op de mooiste lp die ik in m'n bezit had.

& 't Werd stil in Zijperspace.

paasbrunch

Ik nam bier mee. Ze hadden alleen nog maar Leffe in de koeling liggen. Voor henzelf, voor 's avonds laat. Die bleek Quint uiteindelijk te drinken toen ik de achtertuin betrad. Mijn flessen werden in de koelkast gelegd.
‘Zal ik die grote fles Oud Beersel in de vriezer leggen?’ zei Carel grappend. De vorige was de dag ervoor op die manier gebarsten. Lade vol met bevroren kriek.
‘Doe ’t toch maar,’ zei ik, ‘ik hou ’t wel in de gaten. Kriek is met dit weer lekkerder als-ie koud geserveerd wordt.’
Ik vulde ’t speelgoed van m’n nichtje met water. Speelgoed voor neefje nichtje terwijl wij praatten. De kleinste lag nog in bed voor ’t middagdutje.
‘Waar is Ma?’ vroeg ik. ‘Die zou toch om 12 uur hier zijn, had ze gezegd.’
Maar men wist ’t niet.
Niemand zei iets over Pa. Vreemd genoeg. Achteraf.
Ik liep heen & weer met de gieter toen m’n moeder binnenkwam.
‘Wacht even, Moe,’ zei ik, ‘dan zeg ik je straks wel gedag als ik klaar ben.’
In de keuken bedelde ik een plak cake van m’n schoonzus.
‘Als je straks maar wel ’t eten nog lust,’ zei Franchet, ‘’t moet wel op.’
‘’t Moet wel op,’ zei Carel, die me de plak in de mond zag stoppen.
We aten salade, met van die kleine tomaatjes, & aardbeien, met van die pitten als extra vulling, & eikenbladsla. We aten broodjes bedekt met filet américain, of tapenade, groen of rood. De zalm moest vooral zo snel mogelijk op, dus stak ik er 2 plakken van in m’n mond. De felle zon zou zeer snel schade kunnen berokkenen aan de heerlijke smaak. We dronken Oud Beersel Oude Kriek, terwijl Quint ’t volgende flesje Leffe leegde. We aten sneetjes uienbrood, & rauwe ham gevuld met gesmolten kaas. & Als toetje aten we ook nog een vruchtensalade, waarvan de kinderen & ik ’t sap mochten uitlepelen. We waren de koning te rijk, de 1 at veel, de ander at weinig, maar iedereen genoeg, de buiken vol, de glazen leeg, de zon scheen.
‘Hoe is ’t nu met Pa?’ vroeg iemand.
‘Goed, hoor,’ zei m’n moeder.
‘Wat doet-ie de hele dag?’
‘Hij zit op een stoel in de zaal.’
We bleven neutraal, niet geëmotioneerd. We wisten hoe ’t ervoor stond, maar niet de details.
‘Leo zei dat ’t misschien wel slecht kon zijn dat-ie op zo’n zware groep was gezet,’ zei m’n moeder, ‘want die mensen nemen elkaars gedrag over. Als er iemand door de zaal loopt te zwalken, doet al gauw iedereen ‘t. Als iemand de hele tijd alleen maar stil zit te zitten, doet een nieuweling dat later ook.’
‘Leo, Leo,’ zei Fanchet, ‘Leo is 80 & hoelang is ’t geleden dat-ie op Den Koogh heeft gewerkt? Ik heb er zelf 12 jaar geleden nog rondgelopen, maar er is vast heel veel veranderd in die tijd.’
‘Ik heb er 13 jaar geleden nog gewerkt in de kapsalon,’ zei Ilse.
‘Heel lang geleden kwam ik er langs om op visite te gaan bij Opa,’ zei ik.
‘Maar Pa maakte ’t voor de rest goed,’ ging m’n moeder verder. ‘Ik mocht de dagrapporten doorlezen. Hij had slechts 1 keer gevraagd of-ie naar huis mocht.’
‘Vrijdag komt-ie terug,’ zei iemand.
‘Ja, vrijdag komt-ie terug,’ zei nog iemand.
Carel & ik dronken Einbecker Mai-bock, Quint Leffe. Anderen dronken thee. Maar er was ook koffie & yogi-drink.

Pasen is alweer lang voorbij in Zijperspace.

diagnose

‘Ik reed richting Noord & ik voelde me een beetje treurig.’
‘Oh?’ zei Rachel met een vraagteken.
‘Somber. Een beetje.’
‘Hoe kwam dat?’
‘Weet ik eigenlijk niet. Misschien omdat ik niet kon schrijven. Ik kon vanochtend geen onderwerp verzinnen om over te schrijven.’
‘Dat schrijven is misschien een soortement broertje van je geworden. Je bent gehecht geraakt aan de dagelijkse bezigheid.’
‘Ja, da’s inderdaad wel zo. Toen heb ik in Noord maar een heleboel spullen voor m’n tuin gekocht. Dat hielp.’
‘Hoe gaat ’t trouwens met je rug?’
‘Oh, daar heb ik geen last meer van. Alleen nog als ik een verkeerde beweging maak.’
‘Goed zo.’
‘Maar gisteravond, op ’t feestje van m’n buurvrouw, toen ik net m’n roes van de middag weggeslapen had, & vanochtend weer, onderweg naar Noord, had ik opeens last van m’n buik.’
‘Oh?’
‘Buikkanker.’
Rachel barst in lachen uit. Ik probeer er serieus bij te blijven kijken.
‘Binnenkort ga ik dood.’
Rachel lacht nog harder, m’n blik houdt gelijke tred de andere kant op.
‘Da’s wel handig dat die diagnose zo snel gesteld is,’ hikt Rachel tussen enkele uithalen door.
‘Ja, hè. Zonder enige bemoeienis van een huisarts.’
‘& Hoe is ’t nu met je?’
‘’t Is over.’

Donderwolken vliegen snel voorbij in Zijperspace.

ochtendgloren

’t Is eigenlijk nog veel te koud om buiten te zitten. De zon schijnt nog niet m’n tuin in & er hangt nog een koele klamheid van ochtenddauw. Toch kan ik ’t niet laten. Ik moet zien of er nog wat gebeurd is. Wat er op til staat. Hoeveel bloemen zich reeds gevormd hebben. & Zonder erg in de temperatuur beschouw ik de tuin. Ik tel de namen, spel ze, repeteer ze, vervloek mezelf als ik ze niet goed in m’n geheugen heb opgenomen, maar merk vooral dat er steeds meer juist wél opgeslagen zijn: look zonder look, wilde hyacint, knopig helmkruid, akelei, longkruid, blauwe onschuld, groene munt, kattekruid, rapunzel, zandblauwtje, duifkruid, zeepkruid, muurleeuwebek. ’t Lijkt 1 van de zeldzame momenten dat ik zonder iets uit te voeren voor me uit kan zitten staren. Er hoeft geen nut verbonden te zijn aan dit moment. Eeuwig & altijd zit ik in deze situatie rijtjes van namen voor mezelf te herhalen, de vrolijkheid van de groei, van de bloei aanschouwend, de minieme verandering waarnemend. Niets gebeurt, zo lijkt ‘t, maar morgen is alles weer anders. Ik lever me voor een kort poosje aan deze traagheid over.
’t Is koud, buiten om 7 uur ’s ochtends, realiseer ik me pas weer als ik m’n woonkamer weer binnenkom. De vochtige kou heeft zich verklonken in m’n t-shirt, dringt er pas doorheen als ’t de warmte van binnenshuis ontmoet. Ik ril & zet toch maar de kachel hoger. In die beweging werp ik nog een laatste blik op de tuin. Daarna moet ik maar weer aandacht aan wereldser zaken besteden.
M’n aandacht wordt getrokken door een vreemd geluid. M’n blik zoekt & ontmoet een wegduikende vogel. Over de schutting naar de achterburen verdwijnt-ie. Gemist, denk ik. Maar ’t volgende moment komt er van de andere kant een ander exemplaar van dezelfde soort. Een vlaamse gaai. Rustig maar ook onderzoekend beschouwt-ie de wereld. Log & traag zit-ie op ’t randje van de schutting, zeker in vergelijking met de vogels die ik gewend ben er op aan te treffen. Z’n blik neemt rustig de tijd om de omgeving te verkennen, verandert langzaam de richting ervan, & heeft totaal geen aandacht voor ‘tgeen er nog meer beweegt. Of ’t moet de partner zijn die in de tuin erachter rondstruint. Een merel springt ongeïnteresseerd tussen de plantjes van m’n tuin door. De gaai erboven heeft dezelfde belangstelling voor hem.
Ik kan ’t niet zien, niet duidelijk genoeg; de kleuren van de vlaamse gaai zijn te onderscheiden, maar de uitdrukkingen, de details niet. Kalm, ingehouden, maar toch zo snel mogelijk, probeer ik m’n bril tevoorschijn te halen. Niet te bruusk, mijn bewegingen mogen de vogel niet verontrusten. Als ik me omdraai, m’n bril opzet, zit-ie er nog, maar bij de beweging 1 stap dichter naar ‘t raam verdwijnt-ie.
Teleurgesteld keer ik me om, & vraag me meteen af wat er toch zo bijzonder is aan ’t waarnemen van een vlaamse gaai. Ik had een vogel kunnen zien die stilzit, ontnuchter ik mezelf, een vogel met andere kleurtjes dan de mus & de merel, met een mooiere naam ook. Niets bijzonders, de wereld draait door, probeer ik bij mezelf te laten beseffen, & ga achter de comp zitten. Stiekem zoek ik nog even via google ’t plaatje van de vogel op. Minieme, dunne, schriele uitvoeringen krijg ik voorgeschoteld. Die van mij was veel voller, breder, groter, waag ik erbij te denken, & wil me weer wijden aan datgene waarvoor ik de comp opzocht.
In m’n ooghoek neem ik een beweging waar. Ik spring op, zet m’n bril weer op m’n neus, & registreer dat de vlaamse gaai ’t balkon van m’n achterbuurvrouw heeft verkozen om een aantal tellen de buurt te beschouwen. Jaloezie, simpele jaloezie dringt zich op.

2 Uur later heb ik de tuindeuren open staan. De zon valt nu naar binnen. De vogels zijn inmiddels wat rustiger geworden, de 1e zonnestralen zijn reeds door ze ritueel verwelkomd, de gewone werkdag van partner zoeken & voedsel vergaren is aangebroken. Ik zit nog steeds op dezelfde plek, achter de comp, & werp af & toe schielijk een blik m’n tuin in.
2 Mussen komen tevoorschijn. Wippen vlak voor m’n tuindeuren rond, een meter van me verwijderd. Ze werpen een blik op die malle verschijning die verscholen in dat donkere hok zit. Kijken elkaar aan. Hier is niks te eten te halen, lijken ze te constateren. Wippen nogmaals. & Vliegen weg.

De natuur in Zijperspace is een uitvinding van de mens.

waardering

‘Ik kom een kratje inleveren,’ zegt de man.
Hij is tegen de 70, schat ik, ziet er keurig uit, & spreekt duidelijk.
‘Dan moet ik wel 1st weten waar ’t kratje vandaan komt,’ zeg ik.
‘Oh, bij de villa’s,’ reageert-ie nonchalant, ‘ik heb ’t van straat meegenomen.’
‘Normaliter neem ik nl niet zomaar lege kratjes aan. Vaak zijn ze bij ons van ’t karretje gejat.’
‘Oh, nee, hoor. Ik ben van goeder trouw. Vraagt u maar ‘ns aan uw collega met wat donkerder haar.’
Ik kijk ‘m een beetje vragend aan.
‘Ik heb wel ‘ns een heel gesprek met ‘m gehad. Hij heeft een beetje licht krullend haar. Jos, geloof ik dat-ie heet.’
‘Oja, da’s m’n baas.’
‘Je moet weten: ik heb nl nooit geleerd om met m’n vrije tijd om te gaan. Ik heb geleerd te werken, niet om zomaar iets te doen voor mezelf.’
Ik knik. Hij buigt zich nog wat verder over de toonbank die ons scheidt.
‘Daarom loop ik graag over straat, schuim de buurt bij de villa’s af. Dan kijk ik wel wat ik tref.’
Ik heb 1 arm in m’n zij, de ander in m’n broekzak. Ik luister met een glimlach.
‘Kijk, ’t ligt eigenlijk allemaal aan die mannen in Den Haag, wat die zeg maar vlak na de oorlog hebben besloten. Alle mannen van mijn leeftijd zijn toentertijd onmiddellijk begonnen met werken. Ik heb wel ‘ns een werkgever gesproken, over hoe de werksituatie & hoe wij oudere werknemers zich daarin opstelden. Toen zei ik tegen hem: “U zou ‘ns moeten kijken in de statistieken van de mannen die vlak na de oorlog zijn gaan werken. Dan moet u ‘ns naar Den Haag gaan om te kijken wat de maatregelen toen waren & hoe die mannen tegenwoordig functioneren. Ik denk dat om & nabij de 60 % niet is gaan doen wat hij wilde & ontevreden is.” Die man sprak me later aan: “Je bent heel positief ingesteld,” zei hij, “maar liefst 70 % is niet goed terecht gekomen.”
Later, die man was werkgever & een hele hotemetoot, ging die heer met pensioen, ’t hele bedrijf nam afscheid. Ik ben op ‘m toegelopen met een bos bloemen die m’n vrouw had gekocht. Ik had haar daar op uitgestuurd. Die man was daar erg over te spreken. Hij zei dat hij ’t zo zeer kon waarderen omdat ik wel vaker ’t vuur ‘m aan de schenen had gelegd in de werkgever/werknemer-situatie. Maar ik had dan ook waardering voor die man, ook al was hij van de andere partij & had-ie andere ideeën. Ook al ben je nog zo verschillend, je kan elkaar evengoed waarderen, vind ik.’
Terwijl de man verder praat, ga ik op m’n andere been steunen. Ik kijk ‘m in ’t gezicht om vooral niets van z’n verhaal te missen.
‘Ik loop dus vaak bij die villa’s. Ze gooien daar van alles weg wat ik nog kan gebruiken. Dan breng ik ’t naar de pastorie. Laatst waarschuwde een dame me, dat er in die 2 vuilniszakken daar verderop spullen zaten die ik vast wel kon gebruiken. Want ik wil niet zomaar in ’t openbaar die vuilniszakken openen. Al die mensen in die villa’s staan achter hun ramen naar je te kijken, als je dat doet. Dan geven ze je daarna niets meer. Dus nam ik die zakken zo mee & gooide ze achterin m’n auto.
Ja, & dan vind ik een kratje. Die moet toch ook ergens heen. Ik stop ‘m in m’n auto om er uiteindelijk iets mee te kunnen doen. Ach, joh, ik ben van goeder trouw. Ik doe geen vlieg kwaad. Maar ik heb alleen niet geleerd met m’n vrije tijd om te gaan. Geef mij maar € 1,- voor dat kratje, dan houd jij zelf die 50 cent.’

& Lachend verwijdert een leven zich uit Zijperspace.

resumé

Hij haalde z’n kam te voorschijn uit z’n borstzak, sloeg die af tegen z’n knie, & trok met 1 haal in ’t midden, 1 aan de rechterkant, 1 links, al z’n haren ordentelijk glad naar achteren.

Plots was-ie stil, ijswekkend stil, hing ietwat naar voren, z’n armen licht omhoog rijzend, waarna hij in een overdonderend welluidende niesbui uitbrak; de natuur werd stil, de mens bewoog niet voor een tel.

Hij kwam thuis van z’n werk, plaatste z’n tas naast z’n stoel, liep naar m’n moeder & gaf ‘r een zoen.

Als hij je in de verte zag, floot-ie, z’n onnavolgbare slechts voor de familie bestemde wijsje, niemand nam notie, behalve wij, & stak z’n hand op.

Hij hing z’n hoofd achterover, wees kort met z’n vinger, & liet z’n neusharen knippen door de kapper.

Hij werd pas wakker na lang roepen & kwam dan beneden met de vouwen van z’n kussen in z’n gezicht afgedrukt.

Hij werd kwaad & iedereen dook weg.

Hij heeft jarenlang met z'n bovenlip z'n tanden verborgen, als hij lachte, om de slechte staat waarin z’n voortanden zich bevonden te verhullen.

Hij liep in een korte broek, zogauw ’t weer & de afwezigheid van werk ‘t ‘m toestonden.

Hij werd altijd als 1e gebeten, want hij had lekker bloed.

Hij gebruikte de geplastificeerde plattegrond, die hij nodig had om de weg te vinden, om muggen & andere bultveroorzakende insecten te vermorzelen.

Hij was ’t die alle huizen in de familie van behang voorzag & daarvoor een dag in z’n 1tje opgesloten in ’t nieuwe huis zat.

Hij maakte grapjes, absurd, beschamend, vrolijk, verrassend, vanuit een onverwachte hoek, iedereen lachte.

Op zondag draaide hij jazzmuziek, of ’t Kliekske, zat voorovergebogen achter z’n ‘plank’, & werkte de genealogie van de div families bij.

Hij wilde dat je aandacht had voor ’t gebed.

De kliekjes van de vorige dag waren in 1e instantie voor hem, mocht daarvan wat overblijven, dan kon 1 van z’n zoons erin delen.

Hij kreeg de grootste gehaktbal.

Z’n stropdas werd door z’n vrouw gestrikt, & vlak voor vertrek door haar nog even aangetrokken, daarna een snelle zoen.

Hij danste met m’n moeder een onhoorbare dans, soms zonder muziek, ze lachten, hij lachte, ze waren verliefd, altijd, nog steeds.

Hij liep in de meest ouderwetse onderbroek, daarboven een onderhemd stammend uit ‘tzelfde beschamend vooroorlogse jaar.

Hij klakte met z’n vingers, ritmisch wijsvinger tegen de duim, op z’n eeuwige jazzmuziek, daarbij z’n catalogus bijwerkend.

Vlak voor slapen gaan, zo rond een uur of 12, liet-ie nog even de hond uit.

Hij wandelde van Den Helder naar Santiago de Compostella.

Hij las voor in de kerk, luid, duidelijk.

Hij sprak grote groepen mensen toe, zonder microfoon, met grapjes, korte pauzes voor de lach, iedereen luisterde, zweeg; hij sprak zonder meer dan 5 steekwoorden op papier nodig te hebben.

Spruitjes was z’n favoriete maaltijd, met mosterd & peper.

Hij kende de namen van alle plantjes & vogeltjes, maar moest ze zich wel herinneren.

Hij houdt van m’n moeder, & heeft 6 zonen.

We noemen ‘m Pap, of Pa, zeggen soms Poep, soms Vader.

Als je ‘m neer zou zetten, zou beschrijven, zou tekenen, dan herkennen we ‘m meteen, niemand die op ‘m lijkt, in Zijperspace.

koffer (2)

Of m’n vader op een gegeven moment mocht gaan slapen, vroeg hij toen ze ’t bed hadden bekeken. De verpleegster schijnt lachend ‘ja’ gezegd te hebben. Natuurlijk. Voor de rest begreep-ie vooral niet al te veel van wat er besproken was. 'Ik weet niet precies waar 't over gaat,' zei hij. Tijdens 't introducerend gesprek dat m'n ouders hadden. Er was uitgelegd wat er met m’n vader ging gebeuren. M’n moeder had verteld over de medicijnen die m’n vader slikt, & wanneer. Ze moest bekennen dat ze de naam van 1 medicijn kwijt was, ze kon er maar niet opkomen. Maar ze moest vooral niet ongerust zijn, werd haar gezegd, dat zochten ze wel uit, dat kwam wel in orde. Ze maakten vervolgens een rondje op de afdeling, waarbij ook ’t bed aan bod kwam. & Al die tijd was m’n vader heel rustig, vertelde m’n moeder later. Liet ’t allemaal op zich afkomen.
(Zoals je alles maar op je af laat komen, Pa, al gedurende die hele Ziekte van Parkinson laat je alles maar op je afkomen & voer je geen strijd, geen verweer tegen elke beperkende maatregel, ‘’t zal wel beter zijn’ is je enige inbreng)
M’n moeder belde ’s avonds. Hoe ’t met ‘m ging? O, hij was wakker geworden, vertelde de zuster, had wat op de afdeling gezeten, kreeg op een gegeven moment z’n avondeten, & at dat rustig op in een hoekje van de zaal. Heel rustig allemaal, geen probleem, niets om ongerust over te zijn.
(& Op welke momenten wilde je naar huis, Pa? Zoals je de laatste tijd wel vaker naar huis wilde, omdat je ’t huis waarin je je bevond niet als de jouwe beschouwde, ook al woonde je er al bijna 10 jaar? & Hoorde je stemmen uit de muren komen, uit de muren van Den Koogh, zoals je die hoorde als je in bed lag, of als we samen aan tafel zaten te lunchen, waardoor je onrustig werd & veiligheid zocht in de blik van Ma? & Heb je zelf je koffertje gedragen? Moet ik me je voorstellen, terwijl je parkinson-schuifelend door de gangen van ‘t verzorgingstehuis beweegt, als je wordt begeleid naar je kamer voor 1 week, met een koffertje in je hand, terwijl ik je zelden of nooit met een koffer heb gezien, ik herinner me je slechts met een schooltas & tijdens de vakanties met een rugzak, je had altijd de wereld in je hand, de controle raakte je nimmer kwijt, waar heb je die koffer dan vandaan, was dat van de vakanties die je met Ma naar Lourdes & Rome hebt ondernomen & de kinderen niet mee waren? Waar zijn je geheimen, Pa, & wat kan je nog vertellen? Wanneer verlang je terug naar Ma, wanneer ben je haar vergeten, wanneer mis je haar blik niet meer, & zal je in paniek zijn zogauw je iets mist, maar niet weet wat?)
& M’n moeder weet niet wat ze gaat doen. Ze wil ’t op ’t moment zelf op haar af laten komen. Ze gaat wel naar de kerk & ze gaat wel naar m’n broer op 2e paasdag & ’s avonds naar een voorstelling van m’n andere broer, & ze vind ’t leuk als ik langskom, maar ze wil vooral niets vastleggen. Ach, ze zal wel slapen, ze heeft een beetje valeriaan geslikt, dat kan niet zoveel kwaad, & ze wil de correspondentie-vriendin nu wel ‘ns bellen, om te vertellen hoe ’t er voor staat & uit te leggen waarom ze maar niet terug geschreven heeft. Maar ’t is beter voor haar rust, vertel ik haar, ja, ’t is beter voor haar rust.

& Ondanks alles staan we verbaasd, want ook deze nacht ging slapend voort in Zijperspace.

koffer (1)

Er moet brood in huis komen. Alles is op. Ik stap op de fiets voor de tocht naar de bakker. Sla de hoek om, rij de stoep op, wil de hoek van ’t bejaardentehuis nemen, maar zie nog net dat er enkele auto’s staan. Ik verminder vaart om de wagens te kunnen ontwijken.
De ziekenwagen rijdt net weg, maar 2 busjes nemen een groot gedeelte van de oprit van ’t bejaardentehuis in. Terwijl ’t geluid van de sirene aanzwelt, hoor ik in ’t voorbijgaan de heren bij de busjes praten.
‘We moeten maar met de grote spullen beginnen,’ zegt de 1 tegen de ander.
Ik werp een blik de bus in. Hij staat volgeladen met allerhande meubelen. Een nieuwe bewoner komt z’n intrek nemen, bedenk ik me, terwijl de ander nog maar net is afgevoerd.

Ik heb m’n ontbijt nog maar net op als de telefoon gaat. M’n moeder.
Ze begint moeilijk.
Er is toch niets ernstigs?
Ze zet door. Ze vertelt wat ze wil zeggen.
‘Er is een plekje in Den Koogh voor Pa. Ze hebben ruimte om ‘m een weekje te houden.’
‘Ah,’ reageer ik opgelucht, ‘wanneer?’
‘Vanmiddag om 2 uur. Jan heeft vanmiddag de tijd. Die brengt ‘m. ’t Lijkt me niet dat Marc daar geschikt voor is.’
& Opeens realiseer ik me dat ik helemaal niet opgelucht moet zijn. M’n vader gaat naar een verzorgingstehuis. ’t Is definitief. Ik krijg m’n vader niet meer terug. M’n moeder haar man niet.
‘Hij moet natuurlijk wel wat spulletjes meenemen?’ vraag ik.
‘Ja, we pakken zodirect een koffertje voor ‘m in.’
Ik zie m’n vader met een koffertje lopen. Een koffertje waarvan-ie niet weet wat ’t herbergt. Hij weet niet meer wat hem toebehoort. Z’n verleden vervaagt, z’n eigendommen zijn vreemdelingen. Ook al is ’t gereduceerd tot de inhoud van een koffertje.
M’n moeder heeft ’t moeilijk. We zuchten.
‘Ja, Moe, ’t is beter voor je. Jij mag er niet aan onderdoor gaan.’
‘Ja, dat zeiden de anderen ook.’ M’n broers.
‘Wat ga je de komende week doen?’
‘Ach, ik weet ’t nog niet. Franchet zei al dat ik langs kon komen. Maar ik zie wel hoe de dingen op me afkomen.’
Ik wil tegen m’n moeder schreeuwen dat ik wil dat ze bij me langskomt. & Zucht.
‘Ik ga in ieder geval 2 keer naar de kerk met Pasen,’ zegt m’n moeder.
M’n moeder alleen in de kerk. Zoals ze waarschijnlijk al een jaar alleen in de kerk zit. Maar nu echt. Er is niemand die wakker wordt als ze thuiskomt.
‘Ik wil wel wat zeggen, Ma, maar ik krijg ’t er niet uit,’ pers ik tussen de tranen in m’n keel door.
We zuchten nog een paar keer naar elkaar, zeggen gedag, sterkte, & hangen op.

Ik ga op de bank zitten. Om na te denken over ’t plekje dat vrij gekomen is voor m’n vader. M’n tuindeuren staan open. Maar ik weet dat niemand me hoort. De zon schijnt. Buiten is ’t droog.

’t Verleden is onomkeerbaar in Zijperspace.

apathisch

‘Met mevrouw Zijp,’ zegt m’n moeder.
‘Met Ton. Hoe gaat ‘t?’
‘Ach, ’t gaat,’ zegt m’n moeder zachtjes.
‘Wat is er aan de hand?’
‘Ik raak een beetje overspannen,’ zegt ze van ver weg, nog net te verstaan.
‘Door Pa?’
‘Gister wilde hij de hele tijd maar naar huis, terwijl we gewoon thuis waren. Ik wist op een gegeven moment niet meer wat ik moest zeggen. Ginette was er ook. Die probeerde Pa ook gerust te stellen, maar hij bleef maar doorgaan. Toen zei ik maar dat we morgen weer naar ’t andere huis zouden gaan, maar dat we vandaag nog hier zouden blijven. Eindelijk werd-ie toen wat rustiger.’

Ik ben misschien al geen afscheid meer aan ’t nemen van m’n vader. Als ik ‘m zie herinner ik me slechts een man die vroeger anders was, & vind ik die verschijning van toen al bijna niet meer terug in de vader die voor me staat. De emoties worden apathischer, de mogelijkheid om tot ‘m door te dringen, of eigenlijk: ‘t vermogen van hem om tot ons door te dringen, wordt kleiner. Steeds vaker ga ik richting Den Helder voor m’n moeder, in steeds mindere mate om m’n vader nog zoveel mogelijk mee te maken. ’t Gaat geleidelijk, ’t sluipt er in, zoals m’n vader sluipend langzaam de controle verliest over z’n vermogens.

Ik leg m’n moeder uit dat ik de achteruitgang van m’n vader snel vind gaan. Doordat ik ‘m slechts 1 keer per maand zie, zijn de verschillen voor mij duidelijker waar te nemen, vertel ik. Maar m’n moeder kan dat alleen maar bevestigen. Zij ziet ’t zelf ook. Zienderogen ziet ze m’n vader achteruitgaan.
’t Wordt tijd dat m’n moeder haar eigen gezondheid in de gaten gaat houden, had de maatschappelijk werker gezegd. Een weekje ontspanning had de huisarts voorgesteld. Maar er is geen mogelijkheid om m’n vader tijdelijk onderdak te geven. Geen opvangmogelijkheid.
Hoe lang is ’t geleden dat m’n vader z’n jawoord zelf gaf? Hij moest ’t er zelf mee eens zijn dat-ie 2 dagen in de week opvang zou krijgen. Zodat m’n moeder 2 dagen in de week een beetje ontlast zou zijn. Hoe kort geleden is ’t dat wij voor hem besloten dat een 3e dag noodzakelijk was? Nu lijkt ‘t inmiddels alweer tijd voor een 4e. & ’t Jaar dat we moeten wachten voordat m’n vader volledig opgenomen kan worden, lijkt te ver weg. De wachtlijsten zijn te lang, m’n vader gaat te snel. & Hoewel we steeds weer zouden willen dat er opeens wat vaart in m’n vader zit, zien we deze snelheid met lede ogen aan.

‘Ze hebben hun best gedaan,’ zegt m’n moeder, ‘maar ze kunnen voorlopig geen plekje voor Pa vinden. Ook niet om een paar dagen daar te blijven slapen. Terwijl de huisarts zegt dat ik er een weekje tussenuit zou moeten.’
‘Ik probeer van de week wel even langs te komen,’ zeg ik.

Er was ergens een grens in Zijperspace, maar we zijn die al ruim gepasseerd.

boekenkast

‘Stop! Ho! Even een stukje terug lopen. Ik kon ’t nog net in m’n ooghoek zien. Kijk, daar, in dat huis. Tegen de achtermuur. Die boekenkast. Mooi, hè? Helemaal tot aan ’t plafond. Over de gehele wand. Wil ik ook. Zo’n boekenkast & dan helemaal vol.’

‘Zeg, als jij bij mij thuiskomt, & je ziet die boekenkast van me staan ’
‘Ja?’
‘Wat denk je dan?’
‘Huh?’
‘Denk je dan: hmm, boekenkast; of denk je: zo, die heeft een boekenkast?’
‘Hè?’
‘Ik bedoel: is die boekenkast van mij de moeite waard?’
‘Bedoel je qua inhoud, of qua boekenkast?’
‘Allebei eigenlijk. De totale verschijning van de boekenkast van op een afstand, & als je dan je neus er dichterbij brengt, dat je dan denkt: ja, die boeken mogen er wel zijn.’
‘Je bedoelt toch de boekenkast in dat hoekje?’
‘Ja, boven de tv.’
‘Als je binnenkomt wordt je aandacht niet meteen door die boekenkast getrokken.’
‘Ah! Maar dat vind ik niet zo erg. Je moet er ook niet te veel mee pronken.’
‘Als totaal kan ’t wel.’
‘Hij komt wel tot ’t plafond, maar hij mag nog wel wat breder, vind je niet?’
‘Hmm, ’t is best een aardige boekenkast. Je ziet ‘m alleen niet meteen. Hij staat niet pontificaal in ’t zicht.’
‘Mooi.’

‘Wacht!’
‘Alweer?’
‘Onopvallend kijken!’
‘Niemand die ons ziet om dit tijdstip.’
‘Ja, maar toch. Deze staat wel over de hele wand, maar ik vind ’t toch niks.’
‘Wat dan niet?’
‘Staan allemaal mappen in.’
‘Huh?’
‘Geen boeken. Dit is een kast voor ’t werk. Deze is niet echt.’

Boekenkasten bezitten een echtheidscertificaat in Zijperspace.

gewenning

‘Ik geef ook toe dat ik naar borsten kijk. Ik probeer ’t zo onopvallend mogelijk te doen, de vrouw mag niet merken dat ik m’n blik erop heb gevestigd, da’s een vorm van lastigvallen, vind ik, maar ’t blijft een feit dat ik de borsten zie. Hoe groot, wat voor bh, welke vorm; niets gaat in die ene tel aan m’n aandacht voorbij.
Ik dacht vroeger dat ik niet vrouw-onvriendelijk was in mijn dagelijkse omgang. Ik probeerde vrouwen te begrijpen, ze als gelijken te benaderen, verafschuwde wat seksisten juist aantrok. Maar op een gegeven moment bleek ik dat standpunt verlaten te hebben. In zoverre dat ik vanaf dat moment net zo uitbundig naar ’t vrouwelijk lichaam keek als andere mannen. Dat ik me daar in ieder geval bewust van was.’
‘Wanneer was dat?’
‘Weet ik eigenlijk niet. Opeens. Misschien.
Of nee: ik stond op een gegeven moment op de omloop van de school waar ik op zat. Op de omloop had je vrij uitzicht op alles wat zich in de zogenoemde agora afspeelde. Iedereen zag je voorbij gaan. Ik stond daar met een vriendin. Niet een goede vriendin, maar wel iemand die ik dagelijks zag op school. Ze behoorde tot de groep meisjes waar ik de pauzes mee doorbracht. Allemaal meisjes & ik.
Voorovergebogen naar iedereen die onder ons voorbij liep vertelde ik haar dat ik altijd borsten zag, dat hoe je als man ook was, dat je toch borsten bleef zien. & Ik vertelde dat ik bij elk meisje die ik tegenkwam onmiddellijk zag hoe haar borsten er uitzagen. Ik gaf haar een voorbeeld door de borsten te beschrijven van ’t meisje dat onder ons passeerde.
Ze heeft een tijdlang niet met mij gepraat.’
‘Geschrokken?’
‘Ja, zij wel. Ik eigenlijk ook. Ik had m’n mond moeten houden, vond ik. Maar ik vertelde gewoon iets dat voor mij doodnormaal was. Eigenlijk is elke afwijking doodnormaal. Er is iets waardoor je die afwijking hebt gekregen, dus is ’t normaal. Elke gebeurtenis vormt een mens, vormt z’n karakter, z’n afwijkingen, dus de gevolgen daarvan zijn niet meer dan normaal.’
‘Ja, hé! Dan zouden verkrachters of moordenaars ook normaal zijn.’
‘Dat zijn ze ook. Er is iets gebeurd wat ze heeft gedreven tot de wandaden die ze hebben begaan. Waardoor ’t een normaal verschijnsel is, want ’t is nl te verklaren. Maar daarmee wil ik niet zeggen dat zo’n persoon niet veroordeeld moet worden. Uiteindelijk heeft zo’n persoon iets verkeerds gedaan. Daarvan moet duidelijk gemaakt worden dat ’t niet kan.’
‘Dat wou ik zeggen.’
‘Ik ben er nu achter gekomen dat je bepaalde dingen gewoon vaak moet zien. Zoals blote borsten op ’t strand, vooral in de tijd dat iedere vrouw topless lag, op een gegeven moment niet bijzonder meer zijn.
Zo vond ik enkele jaren geleden die tassen waarvan ‘t hengsel tussen de 2 borsten werd gehangen verschrikkelijk. In die zin dat ik m’n blik er maar niet vanaf kon wenden. Ontzettend erotisch. Er bestond niets erotischer dan een tas om de schouders van een vrouw te hangen, dacht ik toen. Ik zou ook niet op een vrouw vallen in die tijd, die niet een dergelijke tas zou hebben. Alles ziet er zo mooi uit, met zo’n tas. Je weet precies waar je aan toe bent, zonder dat de details gepresenteerd worden.
Maar nou kwam ik er van de week achter dus, dat alles went. ’t Nieuwe seizoen is begonnen, de vrouwen dragen hun tassen weer op de manier die ik zo graag mocht aanschouwen. & Ik zie dus een dame voorbij lopen die daaraan beantwoordt, wiens borsten door de band van de tas duidelijk van elkaar gescheiden worden. & Een dame bovendien die niet onbedeeld was gebleven toen god onze lieve heer de voorgevels aan ’t verdelen was. Ik zie haar & ik denk: “Ja, dat hebben we wel gehad, die tassen.”
Zie je, alles went.’

Zelfs in Zijperspace.

ransdorp/holysloot/durgerdam

‘Hoe laat zal ik je komen ophalen?’ vraag ik.
‘Hmm, 6 uur?’ zegt Rachel.
‘Is goed.’
Rachel begint te lachen: ‘Jij bent me er ook 1tje.’
‘Wat dan? 9 Uur?’

‘Hebben we nog steeds niet besloten hoe laat we zullen vertrekken,’ zeg ik een uur later, ‘zullen we dan om 7 uur afspreken?’
‘Ja, is goed.’

‘Wedden dat ik stipt om 7 uur bij jou aankom?’ zeg ik nog later. ‘Ik kan niet anders dan altijd op tijd aankomen.’
‘Misschien is ’t beter dat je om ¼ over 7 komt.’
‘Wat dan?’
‘Gewoon, dan heb ik een extra kwartiertje.’
‘Dus als we om 6 uur hadden afgesproken, dan zou je gezegd hebben dat ’t beter om ¼ over 6 kon?’
‘Hmm, ja.’
‘De vogels beginnen om 5 uur te fluiten.’
‘Hoe weet je dat?’
‘Omdat ik rond die tijd altijd wakker ben. Dan banjer ik een beetje in m’n huis omdat ik niet kan slapen.’
‘Oh.’
‘Zal ik je dan om 6 uur ophalen?’

Ik sta om ½ 7 op. De vogels fluiten. ’t Is nog schemerig. Ik doe de gordijnen open om te zien hoelang de zon op zich zal laten wachten. Drink thee. Ik vul m’n rugzak & neem een douche. Trek m’n kleren aan. Voor de koele ochtend een extra sweater.
Om ¼ over 7 sta ik op de stoep bij Rachel.
‘Ik moet nog even koffie drinken,’ zegt ze als ze de deur opendoet.
Ik leg de plattegrond op tafel. We beslissen waar we de fiets zullen achterlaten & welke route we gaan lopen.

‘Ik wil nog altijd die kerktoren van Ransdorp beklimmen,’ zeg ik.
We kijken in de hoogte.
‘Best een mooie kerk.’
‘Een gothische kerk,’ stelt Rachel vast.

‘Een grutto,’ wijst Rachel.
‘Er lopen er meerdere door de wei. & Is dat niet een fuut?’
‘Nee, joh. Die heeft een kuifje.’
‘Oja. Een paar jaar geleden liep ik hier trouwens ook, langs ditzelfde water. Toen zwom er een heel nest eendenkuikens in deze sloot. Ik zat naar ze te kijken. & Toen opeens: floep, was er 1tje verdwenen. Onder water. Van ’t ene op ’t andere moment.’
‘Zeker door een baars, of een snoek.’
‘Dat weet ik niet. Ik heb geen verstand van vissen. Die vogels daar zijn trouwens sternen.’
‘Oja, sternen.’
‘Maar ja, dan heb je onderscheid tussen de grote stern & de kleine stern. & Dan zal je ook nog wel de middelgrote stern & de middelkleine stern hebben. & De middelkleingrote stern.’
Rachel lacht. Geeft me een duw.
‘Nee, dat komt doordat ik vroeger over de windrichtingen leerde. Er bestond noord, oost, zuid & west. Maar daartussenin had je noordoost, zuidoost enz. Bleek er later ook nog noordnoordoost te bestaan & oostnoordoost. Dus ik begon de ruimtes die daar tussen zaten ook op te vullen: noordnoordoostnoord & zuidwestwestzuid. Vond ik wel logisch.’

‘Ach, wat schattig.’
Rachel ziet eendjes. Een hele kroost. Zij kijkt vertederd, ik tel.
‘Wel 12.’
‘Veel, hè?’
‘Moet je goed blijven kijken, zodirect verdwijnt er 1tje.’

‘Dat is speenkruid.’
‘Waar zie je dat?’ vraagt Rachel. ‘Moet je ’t me even aanwijzen.’
‘Kijk, hier,’ wijs ik. ‘& Daarnaast, dat is hondsdraf. Met die paarse bloemetjes. Staat vaak in de buurt van brandnetels. Als je een prik van een brandnetel gekregen hebt, dan moet je je insmeren met hondsdraf, dan verdwijnt dat branderige.’
‘Volgens mij is dat ook met weegbree.’
‘Dat kan wel. Dit heb ik in ieder geval van m’n broer geleerd.’

‘Zullen we hier in Durgerdam wat drinken?’
‘Ja, zal ik een biertje nemen,’ zeg ik, ‘ook al is ’t nog vroeg?’
‘Moet je zelf weten. Ik zou zeggen dat je ’t na die kms die we gelopen hebben best verdiend hebt.’
‘Precies, dat vind ik ook.’

‘Heb je de biertap al aangesloten,’ vraag ik aan de serveerster.
‘Ja, hoor. Je wilt dus een pilsje?’
‘Ja, zo groot mogelijk. Een ½e liter?’
‘Een pulletje dus. Da’s volgens mij wel een ½e liter.’
‘& Ik een sinas.’

‘Toen ik uit de wc kwam,’ zeg ik tegen Rachel als we weer zijn opgestapt, ‘besefte ik opeens dat ik precies een jaar geleden hier met m’n ouders ook wat heb gedronken.’
Ik zie m’n vader nog onhandig zoeken naar de juiste wc-deur. ’t Was koud, we zaten binnen. We waren via de Schellingwoudebrug richting Durgerdam gelopen.
‘M’n vader had ’t er steeds over dat we toch niet zo ver moesten lopen. & Dat-ie weer terug wilde. Hij voelde zich ongemakkelijk in vreemde omgevingen.’
Ik zie m’n vader wijzen naar plantjes, vogels & vlinders. Hij gaf namen aan de dingen. Ik luisterde niet. Pas toen ’t veel te laat was, begon ik belangstelling voor z’n geheugen voor de dingen te hebben. Toen wilde m’n vader naar huis.
‘’t Was een verjaardagskadootje. Omdat-ie niet op m’n verjaardag was geweest gingen we wandelen.’

We lopen ’t laatste stukje naar de fietsen. In de sloot langs ‘t pad zien we wat bewegen.
‘Kijk, snoeken,’ zeg ik, ‘of baarzen.’
We schrikken als er een felle beweging volgt.
‘Wat zijn die beesten groot, hè?’

We geven namen aan alles dat leeft in Zijperspace.

passant

‘Ik wilde niet buiten gaan zitten,’ zegt Jan, ‘Max zat ook al buiten. Voor de deur. Dan wordt ’t zo’n hangplek.’
‘Ik vind ’t beter dat mensen voor de deur gaan zitten dan dat ze binnen in de weg staan,’ zeg ik.
Jan knikt begrijpend.
‘Bovendien vind ik ’t prettig dat de bekende mensen langs komen. Dan blijft er tenminste nog een beetje sfeer. Ik kan wel iedereen weg gaan sturen die voor de deur van de winkel z’n biertje drinkt, maar als ik dat consequent doorvoer, dan word ik een soortement politieagentje. Dan houd ik dit werk niet lang meer vol.’
Jan knikt weer. Wederom begrijpend. We gaan dus buiten zitten. Met de gat bovenop omgekeerde kratjes. Ik in afwachting van de laatste klanten voor sluitingstijd, Jan van datgene wat nog voorbijgaat.

’t Is traditie: vaste klanten die nog even een biertje komen drinken tegen sluitingstijd. Zonder die laatste gezelligheid zou ik ’t me niet voor kunnen stellen. Ze komen van om de hoek, of van verder als ze inmiddels verhuisd zijn, maar de gewoonte niet hebben kunnen slijten, even aanlopen om enkele biertjes tegen redelijke prijs te drinken. Zeer klein cafeetje, zeer lage prijzen, voor zeer beperkt publiek. Je praat wat met elkaar, je maakt grappen over & weer, je vertelt verhalen, je sluit de dag af.
Jan komt ook van om de hoek; woont al jaren in ’t kraakpand daar. ’t Kraakpand is al jaren vaste leverancier van onze vaste klanten die we vergunnen langer te blijven hangen, die toestemming hebben een biertje te drinken.

We staren voor ons uit. Af & toe krijgen we inspiratie om wat te zeggen, maar onze mond houden kunnen we ook.
Er loopt een kale man voorbij.
‘Hoi, Jan,’ zegt de kale man.
‘Hoi, Luut.’
‘Alles goed?’
‘Ja, hoor.’
Luut wil weer doorlopen. Knalt daarbij bijna tegen een oud stel aan. Men weet zich nog net af te wenden. Hij keert z’n blik snel nog een keer om, kijken of wij ’t gezien hadden, & loopt dan door. Daarbij bijna de stoelen van ’t terras een stap verder scheppend.
‘Hij heeft niet zo’n goed lichaamscoördinatie meer,’ stel ik vast.
‘Nee,’ zegt Jan, ‘ik zag ‘m daarnet al op een terras zitten. Hij heeft er al een paar op.’
We kijken Luut na.
‘Ik vind dat Luut er altijd een beetje raar uitziet,’ zegt Jan.
‘Met z’n leren broek?’ vraag ik.
Ik haat leren broeken, dus begrijp ik Jan, denk ik.
‘Voordat-ie die leren broek ging dragen al. Hij speelt contrabas. Net zoals-ie loopt. Een beetje langzaam.’
Jan doet ’t langzaam kijken van Luut na. Ik stel vast dat die blik Luut moet zijn.
‘Maar op een gegeven moment,’ gaat Jan verder, ‘ging-ie ook van die kleren erbij dragen. Toen vond ik ‘m helemaal raar. ’t Past niet.’
Jan zucht. Luut is z’n vriend niet, merk ik. Ook al keek Luut met z’n vrolijkste glimlach.
‘Wat wel grappig was,’ zegt Jan plots, een glimlach verschijnt weer om z’n lippen, ‘is dat ik ‘ns een keer behoorlijk aan ’t dromen was over Luut. Hij dronk veel, hij deed vervelend, hij trok aandacht. & Toen werd ik wakker. Precies op dat moment. & Ik zie voor me een man staan, met een helm & een masker. In z’n handen heeft-ie een knuppel. Ik ben klaarwakker. Dus ik zeg: “Luut, je ziet er altijd zo raar uit.” Maar toen moest ik ’t bed uit van die ME-er. Iedereen moest ’t kraakpand uit.’
Jan lacht.
‘Sindsdien vind ik dat Luut er gek uitziet.’

Er ging iemand voorbij in Zijperspace.

spenderen

’t Is best moeilijk te beslissen wat je met een grote hoeveelheid geld moet doen. Onverwacht geld. Meer dan dat je had verwacht geld. Portemonnee vullend geld.
Had ik een maand geleden nog een waslijst van wensen, nu ik de mogelijkheid heb die wensen te vervullen weet ik niet meer wat ze waren. Tóen was ik bijna bereid me nog dieper in de schulden te steken, nu weet ik bijkans niet waar ik een deel van de inhoud van m’n beurs zou kunnen legen. Wekenlang heb ik bepaalde winkels gemeden, om vooral niet in de verleiding te komen, & blijkbaar heb ik dat dermate drastisch gedaan dat ik ze gelijk heb weggewist uit mijn geheugen.

Ik sta vroeg op. Ik moet genieten van de dag. De dag dat ik geld heb. Morgen is de wereld anders, want m’n portemonnee leeg. Voor een goed deel waarschijnlijk. Maar 1st moet ik bedenken wat ik zal doen. Waarheen.

Scheltema & de rest: Ik sta voor de Kolonisten van Catan. Kan ik makkelijk betalen, heb m’n blik er al meermalen op laten vallen in ’t verleden, maar ik vind ’t te duur. Hoe vaak zal ik ’t spelen? Wie komt er langs? Zit ik straks met een huis vol mensen die tot diep in de nacht niet weg te jagen zijn?
Beneden ligt de biografie van Jan Arends. Hoort in m’n boekenkast, vind ik, maar de zin om ’t aan te schaffen is er nog niet. De zon schijnt. 1e Smoes. Ik moet z’n verzameld werk nog uitlezen. 2e Smoes. Waarom zou ik ’t hier kopen?
‘Het Juiste Woord’ ligt op de volgende verdieping. Ik kwijl bij de aanblik van ’t boek. Lekker dik. Zou mooi staan naast m’n andere woordenboeken (daarvoor mag ik geen boek aanschaffen, bedenk ik me). ’t Is bovendien handig, zie ik terwijl ik voor de 100e keer door ’t boek blader. Hoef ik niet meer zo naar woorden te zoeken, die toch ergens onvindbaar in m’n hoofd zitten verstopt. Hoe vaak heb ik ’t boek al niet in m’n handen gehad, waarbij ik me realiseerde dat ik ’t geld niet kon missen?
‘Nu kan ‘t. Doe ‘t, Ton,’ spreek ik mezelf toe.
Ik bekijk de prijs nogmaals: ‘Pff, denken ze me daarmee af te schrikken?’
& Toch doe ik ’t niet.
Scheltema & de rest is te groot. Boeken hoor je bij kleine fijne winkels te kopen. Met mensen die liefde hebben voor ’t vak. Denk ik genereus richting kleine middenstander. & Denk gelijk aan de aardige dame die graag over haar boeken praat, in de Utrechtsestraat. & Denk: ‘Als ik ooit m’n ooit te verschijnen boek moet signeren, dan doe ik ’t daar, ooit.’ & Stap weer op de fiets.

Ze zitten met z’n 2en te praten. Werkoverleg, lijkt ‘t, als ik m’n fiets voor de etalage op slot zet. De 1 achter de toonbank, de ander op een stoel ernaast, voor 1 van de hoge boekenkasten. De aardige dame herkent me. Vermoed ik.
‘Hallo.’
‘Hallo,’ reageer ik terug, & begin naar de boeken te staren.
Achter me valt ’t stil. Ongemakkelijk stil.
‘Wat een stilte opeens,’ zeg ik.
Ze schrikken op, betrapt op stil zijn.
‘Ja, we zaten te denken,’ zegt de blonde dame. ‘We hadden ’t over afzetterij. Hoeveel mensen je toch nog proberen af te zetten tegenwoordig. Daar word je vanzelf stil van.’
‘Vervelend is dat. Ik ben blij dat ik er niet zo vaak last van heb. Tenminste: ik merk niet dat ik word afgezet.’
Ze lachen een beetje. Ik maak van de gelegenheid gebruik om met m’n blik contact met de aardige dame achter de toonbank te zoeken.
‘Hebben jullie ‘Het Juiste Woord’?’
‘Nee,’ constateeert ze, na enig zoeken, ‘uitverkocht.’
Ze stapt naar de comp. Zoekt. Haar collega staat ondertussen op om wat boeken op de juiste plek te zetten.
‘Ik zou ‘m aanstaande vrijdag kunnen hebben.’
‘Ja, maar ik heb nu geld op zak .’
‘& Dat moet op,’ vult ze aan.
‘Nou, ik weet dat ik ’t nu graag uit geef, & dat ik niet weet of ik ’t vrijdag nog heb.’
Ze knikt. We hadden ’t daar al ‘ns eerder over. Ze kende ’t verschijnsel.
‘Ik had ook iets gelezen, een tijdje geleden, over de ‘Van Dale Cd Rijm Rom’. Hebben jullie die nog?’
Ze keert zich om, glipt snel naar achter, & komt met ’t verlangde object tevoorschijn.
‘Die is € 5,50.’
‘& Hebben jullie de genomineerden?’
‘Ja, hier hebben we Marek van der Jagt.’
‘Heb ik al gelezen.’
‘De Hydrograaf.’
‘Ook al.’
Doeschka Meijsing haalt ze uit de kast, & een trede lager: ‘Dit is ’t debuut van Rob van der Linden.’
‘Doe die alle-2 maar. Dan is dat ‘t.’
Alsof ik bij de slager sta. Straks vraagt ze of ’t een onsje meer mag zijn.
Ze slaat de prijzen aan op de kassa.
‘Dat is dan ’ terwijl ze haar hoofd opheft om naar ’t totaal te kijken.
‘€ 1020,55,’ lees ik voor van de display.
‘Ik geloof dat ik wat fout gedaan heb.’
‘Probeer je weer wat extra geld te verdienen?’ roept haar collega van achter uit de winkel.
‘We hadden ’t daarnet geloof ik over afzetten, hè?’ zeg ik.

& We vervolgen de spenderende wegen van Zijperspace.

spiegels

Tegenwoordig valt ’t best wel mee: ik hoef niet meer te kijken of m’n kleren wel goed zitten, of de bovenkant wel bij de onderkant past, of ’t niet raar staat dat ik m’n pijpen enkele slagen opgerold heb, of dat de mouwen van m’n shirt misschien toch iets te kort zijn. Slechts een enkele keer. Als ik iets nieuws aantrek. De spiegel, de levensgrote, staat afgezonderd in een hoek in de slaapkamer, verstopt achter ’t bed & een kast, daar waar bijna geen licht direct valt, naast de immer dichte gordijnen. ’t Kost minder moeite in een passerende etalageruit te kijken.

Ik heb de 1e snorharen in m’n moeder’s spiegel zitten bestuderen. Om de hoek. Je kwam de kamer van m’n ouders binnen & dan meteen rechts. Naast de kast. Daar keek ik stiekem. Ze mochten niet merken dat ik m’n weg naar volwassenheid aan ’t bewonderen was. Iedereen zat beneden & ik zat zogenaamd te studeren. Op iets anders dan de boeken van school, in ieder geval. Zachtjes raakte ik ze aan. Voelen of ze al hard werden. ’t Ging een beetje te traag, vond ik. Ik tilde m’n t-shirt op. Kijken of daar enige vordering door de mannelijke hormonen gemaakt was. Enkele minuten later poetste ik m’n tanden. Voor de spiegel in de douche begon ’t van voren af aan. Ik tilde m’n kin op; misschien dat daar enige aanwas waar te nemen viel.

Als ik m’n tanden poets, als ik wax in m’n haar stop, & als ik me scheer. Dat zijn de momenten dat ik tegenwoordig de spiegel in de badkamer aanschouw. & Dat wat zich er in laat tonen. Ik kruip wat dichterbij met m’n blik zogauw ik bemerk dat m’n wallen wat dieper gezonken zijn. Wil m’n kraaiepoten vaak ook wel hertellen. Soms wrijf ik langs m’n wenkbrauwen, stel mezelf met baard voor, & sta verwonderd over de vele kleuren haar die m’n lichaam uitscheidt. Ik baal van ’t haar bovenop dat steeds maar weer alle kanten op wil staan, op plekken waar ik ’t juist niet wil. Soms pak ik ’t kleine schaartje om overtolligheden op ongewenste plekken subtiel te verwijderen.
Maar ik sta niet meer verwonderd, in bewondering om datgeen dat ik zelf ben. Met angst zie ik de wittere vlekken in m’n gezicht tegemoet, stel mezelf tegelijkertijd alweer 20 jaar ouder voor. Stiekem, nog steeds alsof ze in de huiskamer niks van m’n activiteiten mogen weten, til ik m’n bos haar op & meet de haargrens. Niet serieus, mag ’t vooral niet te hoog opnemen met mezelf, want m’n vader maakte immers ook altijd een grapje erover. Wij lachten ‘m altijd uit als hij zei dat ’t pukkeltje op z’n voorhoofd nog steeds op de haargrens zat, tussen haar & kaal. ‘Ja, maar tegenwoordig kan je ‘m zien,’ zeiden wij.

Op ’t aanrecht stond tot voor kort een klein spiegeltje, rond, op een uitklapbaar voetje. Vies te worden van ’t vuil dat overal in de lucht zit, met de vettigheid van een keuken. Ik heb ‘m slechts een enkele maal schoongemaakt in de loop der jaren. Ik gebruikte z’n aanblik slechts in ’t voorbijgaan, als ik nog snel even moest controleren of m’n baardgroei wel volledig verwijderd was. Of soms om te zien of er geen resten tandpasta waren blijven plakken. Maar liefst zo min mogelijk. Hij verbeterde m’n verschijning niet, zeker niet door ’t vuil dat zich er op verzameld had. Ik had geen zin om ‘m schoon te maken.
’t Spiegeltje had ik gekregen voor m’n verjaardag. Ong 10 jaar geleden. Van m’n toenmalige vriendin. Grapje, zei ze erbij. Haar beste vriendin stond erbij te lachen. Ze hadden ’t samen uitgezocht. Erg veel lol gehad toen ze ’t vonden.
Ik ontdeed ’t spiegeltje van z’n verpakking. ’t Maakte toen al een vreemd geluid. Ik werd daardoor nieuwsgierig naar wat er achter de kadoverpakking verborgen zat. Toen kwam ’t spiegeltje tevoorschijn. Ik keek naar m’n eigen gezicht. Elke keer als ik ’t lichtjes bewoog weerklonk er een luide lach uit z’n binnenste. De 2 vriendinnen lachten mee.

Een gegeven paard kijkt men in Zijperspace niet graag in de bek, zeker niet als-ie hard staat te hinniken.

margriet (2)

'Hoe gaat 't?' stond er in 't meeltje.

'Goed,' antwoordde ik. 'Ik ben de gehele stad doorgesjeesd op m'n fiets, heb boodschappen gedaan, heb alle oude vrouwtjes vervloekt die zich niet aan ’t principe van op hun beurt wachten kunnen houden, de pan heb ik op 't vuur gezet & als vanzelf zijn de ingrediënten zich gaan mengen tot een fantastische maaltijd. Volgende keer zou je er bij aanwezig moeten zijn.
Ben jij aan 't doen?'

‘Ik drink de restanten wijn van Coen op. Dat verschaalt toch maar. Ik heb gewerkt. Op Schiphol. Werken is niets voor mij. Zeker niet met zulke mensen.
Wat doe jij?’

‘Ik drink ’t krat bier leeg dat ik vanmiddag gekocht heb. Iemand moet ’t doen, zeg ik altijd maar. Beter dan de resten van de flessen van Coen te legen. Vindt-ie dat eigenlijk wel goed?’

‘Ja, hoor. Ik moest doen alsof ’t m’n eigen huis was. Dat lukt me alleen maar als ik een paar flessen wijn bij de hand heb.
Maar dat werk was veel te vermoeiend. De personeelschef was ziek, & daarnaast ook nog 1 van m’n andere 2 collega’s. We moesten ’t werk van 4 man doen. Maar die personeelschef wordt waarschijnlijk ontslagen.
Gaat ’t een beetje met jouw werk?’

We controleerden elke minuut of er alweer meel was binnengekomen. Veel te duur. We betaalden nog per tik. Elke keer moesten we ’t modem opnieuw activeren. Meelprogramma inschakelen & controleren op binnengekomen post. ’t Hart ging er sneller van kloppen.
We hielden onze meeltjes zo kort mogelijk, omdat we wisten dat de ander met smart zat te wachten. De info moest er ingestampt worden, compact, helder, maar tegelijkertijd verbloemend, want ’t mocht er niet te dik bovenop liggen. We moesten elkaar niet gek maken.


‘De zon is hier net ondergegaan. Ik heb een gebakken ei gegeten in ’t licht dat door ’t raam viel. Saai, zo in m’n 1tje.’

‘Ik had maar wat graag bij je gekomen. Maar jij zei dat je vanavond nou ‘ns op jezelf wilde zijn.
Hier was ’t ook saai. Zelfs de buren maken geen geluid. De kinderen op ’t pleintje spelen niet.’

‘Ik bedoelde dat ’t zo gemakkelijk was om elkaar elke dag te zien.’

‘Is ’t ook. Maar we vinden ’t blijkbaar prettig.’

‘Ja.’

‘Zal ik evengoed komen?’

‘Ik vind ’t wel leuk. Maar wat moet je morgenochtend doen?’

‘Vast niet zo vroeg opstaan als jij.
Heb je nog wat te drinken in huis?’

‘Wijn.’

‘Kom ik er zo aan. Met wat bier.’

‘Lekker. Maar dat kan ik natuurlijk ook bij de avondwinkel halen.’

Dat laatste meeltje ontving ik altijd pas de volgende ochtend. Nadat ik Margriet naar de trein gebracht had & wederom thuis gekomen was.. Hand in hand hadden we naast elkaar gefietst, in de ochtend die gloorde over de grachten, door de nog koele wereld die toch wel een jas vergde, sloegen we de ene bocht om, scherp de andere brug af, met ’t smalle paadje de weg snijdend, maar steeds vast aan elkaar geklonken, blikken van elkaar stelend, glimmend in de 1e stralen, elkaar niet loslatend, zelfs niet op de scherpste helling, de steilste bocht, alsof elk moment de laatste zou kunnen zijn, omdat we wisten dat we diezelfde avond de afstand weer zouden voelen, de afstand van meeltje na meeltje aftasten wat de ander nou zou willen.

‘Doe die avondwinkel vanavond maar,’ meelde ik diezelfde ochtend.

‘Moet ik daar doen?’

In Zijperspace begint alles altijd van voren af aan.

zwerver

‘Weet je,’ zegt JW tegen mij, ‘jij zou bijv geld van mij kunnen lenen. Als jij nou plots een project hebt waarbij je veel geld nodig hebt. Dan zou ik iets terug kunnen doen.’
‘Kan je dat nu dan missen?’ vraag ik.
‘Ja, zolang ik niet in de bijstand zit, hoef ik m’n eigen geld niet op te eten.’ Hij neemt daarbij kort een pluk baard in z’n mond. ‘Door 1 of andere constructie hoef ik daar voorlopig niet in terecht te komen.’
‘Maar heb je dan zoveel geld van je vader geëerfd?’
‘Nou, geen miljoenen. Maar ik hoef de komende jaren niet na te denken over van wie ik geld moet lenen.’

JW komt al jaren langs. 1st Mocht-ie nog gewoon binnen staan, z’n biertje drinken. Als ’t maar bij enkele bleef. Dat liep meermaals uit de hand. Hij bemoeide zich met de vragen die klanten stelden. Hij rook, naar zweet, naar weed, naar een huis dat nodig een schoonmaakbeurt kon gebruiken. Z’n baard werd langer, onverzorgd, of hij was plotseling helemaal kaal. Hij had psychische hulp nodig & aan z’n gebogen houding & waterige ogen kon je zien dat dit ’t geval was.
M’n baas besloot dat hij wel een biertje kon kopen, maar niet binnen mocht blijven hangen. Te veel overlast voor de klanten. Misschien was ’t ook ‘ns beter dat JW minder dronk?
Maar ook al dronk JW niet, hij bleef doorgaan met blowen. Dat kostte hem te veel geld, vertelde hij. Of hij misschien wat geld kon lenen voor een maaltijd, vroeg hij aan mij.
Ik had altijd geld op zak. Geen probleem JW geld uit te lenen. Hij was altijd stipt in ’t terugbetalen. Zogauw z’n uitkering, een enkele keer salaris, binnen was, ging hij z’n schuldeisers af met envelopjes. Afgepast geld voor eenieder. Op de cent nauwkeurig. Hij had thuis een administratie om bij te houden van wie hij geld geleend had, & wanneer. Bij ’t overhandigen van de envelop kon ook de rekening opgemaakt worden z’n schuld aan de winkel. Met ’t restje geld redde hij ’t meestal nog een kleine week, waarna hij weer geld begon te lenen.

‘Ik was bij m’n vaste laatste hoop,’ zei hij wel ‘ns, ‘maar die was niet thuis. Terwijl hij normaliter nooit op dit tijdstip weg is.’ Z’n gezicht veranderde in een smekend, licht radeloos, maar net niet kruiperig gelaat. ‘Je weet: ’t is niet m’n gewoonte, maar zou ik voor deze ene keer nog een 10tje kunnen lenen van jou?’
‘Tuurlijk,’ zei ik, ‘geen probleem. Geld zat.’ Om ‘m minder schuldig te laten voelen. Ik pakte een 10tje, & daarmee sjokte JW even later de winkel uit.
De volgende dag ‘tzelfde verhaal. Maar een dankbaar gezicht als hij aan ’t eind van de maand mijn envelop kwam brengen.

‘Als jij dus geld nodig hebt, dan kan ‘t,’ zegt JW. ‘Jij deed ’t weliswaar belangeloos, maar dat zou ik niet kunnen doen. Want dan loop ik rente mis. & We zouden een papier moeten opstellen, waarbij er 2 getuigen mee tekenen. Dan is ’t volkomen rechtsgeldig.’
‘Dat is ’t in principe ook al als je allebei je handtekening eronder zet.’
‘Ja, dat is zo, dan is ’t al wettelijk, maar bij 2 getuigen kan men zeggen: Ik heb gezien dat hij getekend heeft voor dat bedrag. & Dat kan voor de rechtbank desnoods getuigd worden.’
JW peutert aan z’n lange nagels. Eronder zitten vuilrandjes.
‘’t Is op zich niet zo’n gek idee,’ zeg ik, ‘ik heb misschien wel geld nodig.’
‘Als je € 1000,- nodig hebt hoeven we alleen een contract op te stellen met 2 getuigen.’
‘Ik betaal natuurlijk wel minder bij jou als bij de bank.’
‘Ja, hooguit iets van 4%. Ik zit ook te denken: ik kan ’t best een tijdje volhouden met dit geld, maar op een gegeven moment is ’t toch op. Ik kan ’t ook veel beter in iets van zaken kunnen stoppen. Als jij dus iets weet waardoor ’t geld meer waard kan worden, dan moet je ’t me meteen vertellen. Ik weet weliswaar niets van zaken, maar ’t is ook zonde om de bank al de rente over dat bedrag te laten verdienen. Dat kan ik net zo goed zelf opstrijken.’
‘Had je vader dan zoveel geld op de bank?’
‘Nee, dat komt door al z’n kunstwerken. Da’s op zich wel grappig. Ik loop er nog steeds ‘tzelfde bij, voor de voorbijganger ben ik nog steeds dezelfde zwerver. Ik zwalk nog steeds over straat. Maar ik kom wel via de zij-ingang van ’t Rijksmuseum naar binnen. Dan kom ik aan tafel te zitten om serieuze zaken te doen. Ik zit echter wel de hele tijd te denken wat ik nou met dat geld moet doen. Voor die psychische problemen heb ik helemaal geen tijd meer. Ik moet verzinnen wat ik nou met dat geld moet doen.’

We zinnen op grote investeringen in Zijperspace.

antwoord

Ach, hmm, dat laatste. Tsja, dank je.
Maar toch, hè, toch is 't raar dat mensen dood gaan. Dat ik daar niet van weet, of in ieder geval niet op de hoogte ben van hoe dat dan gaat, of dat 't pijn doet, wie je daarna wordt, of juist wel niet, welk gat er aan gene zijde ligt & wordt dat gat steeds verder gedicht naarmate er meer zielen in ten onder gaan, komt Belcampo ons bezoeken, haalt hij ons uiteindelijk weg, & blijft de boer op ’t land staan, wie zegt dat wij overleven, verder leven, wie geeft ons 't recht dat wij, met ons intellectueel vermogen, mogen vermoeden dat wij wel, maar de mieren niet, de vliegjes, de vogels, de olifanten, de planeten, de onlevenden, blijven voortleven, of zo leven meer moge zijn dan slechts denken & bestaan. Maar misschien ook wel andersom. Kriebelt ‘t, zo tegen ’t einde aan, of is ’t alsof de trein net gemist wordt? Hoort men oude mannen praten over huiselijk geluk van weleer, of krijgt men een vermaning van de leraar die jaren geleden de klas schuchter bekeek? Tikt de klok, of is de dood tegenwoordig ook digitaal? Weet men dan nog een onderscheid te maken tussen tik & tak? Zijn de hartslagmeters aan gene zijde uitgerust met polyfone tonen?
In dat kader: wat is mijn stukje dan nog? Waar leidt mijn vraag toe, mijn schrijven? Een blubje van een goudvis, maar dan niet in Willem Duys' viskom, eerder in een grote oceaan (ook al weet ik dat goudvissen daar niet zullen overleven). Waartoe, vraag ik u. & Hoe laat gaat de laatste trein derwaarts?
Verder hoeft men niet te antwoorden. 1 Vraag is genoeg. & Omstebeurt graag.
& Mag ik daar misschien een stukje over mogen schrijven, zo ongeveer dat 't u niet vermoeit, maar eerder uitnodigt ja te zeggen, want Ton, zegt men dan, of anders denkt, dat wat jij schrijft dat vermoeit ons toch nimmer, of hoe men zich ook wil uitdrukken. Zo men wil. Mag dat mogen?

Mag ik dat antwoord dan geheim houden voor Zijperspace, op welke vraag ook?

naschrift

Nou is 't verdorie wel de bedoeling dat er op 't plaatje hieronder geklikt wordt, zodat 't wonderschone nr beluisterd kan worden. Ook al was er 1st een fout in de 'programmatuur' geslopen, 't is zeker de moeite waard 't nogmaals te proberen. Doe dat. Anders heb ik niet geschreven wat ik heb geschreven. Ik hoop dat men begrijpt wat ik bedoel na beluistering ervan. Denk erom: ik hou in de gaten hoeveel mensen doen wat ik nu opdraag te doen. Ik heb daar dan ook tegenwoordig de mogelijkheid toe. Men is gewaarschuwd.

Verdorie, zoveel moeite heb ik mezelf getroost & dit is m'n dank, wordt er gemompeld terwijl 't doek valt ergens ver weg in Zijperspace.

autumn

Lee Hazlewood - My Autumn's Done Come

’t Galmde door de aula, onder de portalen door, naar de belendende ruimtes, tot achterin, tot daar waar ik stond. Vlak voor ’t raam. Nog net binnen. Tussen mij & ‘t raam stonden slechts een tafel & een stoel. Schuin achter me had iemand de tafel tot stoel verheven. Verstandig, bedacht ik me veel te laat.
Ik wiebelde. Ik wachtte & wiebelde. Probeerde ’t wiebelen te verbloemen. Men dient stil te staan op begrafenissen. Men hoort respect te tonen. Mijn voeten hadden minder respect dan ik. Ik probeerde m’n voeten te verstoppen. Liet ’t leer van m’n hakken stom & stil schuiven. De muziek mocht niet verstoord worden. Geen echo mocht verloren gaan.
Voor me had een man een pleister om z’n duim. Vlak onder z’n nagel. De man naast me had puntschoenen. Ik zag dat de bakkebaarden iets verderop vanochtend bijgewerkt hadden kunnen worden. & De man rechts van me had z’n gehele baard laten verstoppelen. ’t Kon. Niets werd door me afgekeurd. Alles was normaal. Ik had te veel aanleidingen om te zien wat zich om me heen afspeelde. Gebeurtenissen in verstilde beweging.
Terwijl de muziek door merg & been ging. Schallend, echoënd, zonder geluid voorbij zoemend langs & in de oren die dicht opeen gepakt stonden. De akoestiek leek geboren voor dit nr.
De jongen links voor me had puntige oren. Trilde licht. Rechts daarvan had iemand een anorak aan; hij keek achterom. Blikken botsten. In de spiegeling van ’t marmer aan ’t plafond zag ik de zaal op z’n kop zitten. Een enkele aai over de kin, voelen of de baard geschoren was, nog glad, in vertwijfeling. Verderop schuifelde een voet. Op ’t ritme van die van mij.
M’n voeten deden pijn. Maar elke keer bleef ik zo lang mogelijk in dezelfde houding staan. Ik was niet geschikt voor dit soort bijeenkomsten; toch moest ik m’n best doen.
Een toespraak kwam fluisterend zacht tot onze oren. Ik & de mensen die naast me stonden. Muisstil. De muziek klonk nog na. De woorden werden in ‘tzelfde ritme uitgesproken. Niemand sprak. Niemand haalde adem. Niemand applaudisseerde. Stil in gezamenlijke herinnering. In al z’n verschillende verschijningen. De violen zongen, achtergrond koorde. Terwijl allang vertrokken. Toespraak spreekt. Arie leeft. Luisterend naar muziek.

Ik waggel achter de stoet aan. De stoet die langzaam uiteengereten wordt door de verschillende tempo’s. Op de terugweg neemt iedereen plots z’n eigen ritme weer aan. De gezamenlijkheid is over. Omstebeurt heeft iedereen daarnet al dan niet een hand zand gegooid. Bloemen gelegd. Blik geworpen: de kist ligt diep. 't Ligt ver achter me. Achter ons.
Groep voor groep dringt men de volgende ruimte binnen. Na de lange weg over de slingerende paden van de begraafplaats te hebben afgelegd. Een kop thee, een kop koffie.
Ik loop voorbij aan de aula. De stoet gaat rechts, ik links. M’n fiets wacht op m’n verjaring & de daarvoor noodzakelijke boodschappen. M’n oren doen hun best, zijn welwillend, terwijl ik langs de Amstel ‘My autumn’s done come’ probeer te herinneren. Arie staat achter de toonbank. Ik kijk in de bakken. Ik stel een vraag. Hij steekt z’n peuk aan. Hij wijst. & Ik koop. Get Records is nooit meer ‘tzelfde.

Muziek blijft echter in Zijperspace.

rondleiding (10)

De kelder

’t Staat hier helemaal vol met bier. ’t Is niet de bedoeling dat u hier komt. 'tGeen voor u beschikbaar was is reeds verdronken.

't Leven gaat verder dan een feest in Zijperspace.

rondleiding (9)

M’n videobanden

Ik zou alleen maar zweedse films gaan verzamelen, zei ik op de 1e borrel van Film & Tv-wetenschap. Tegen een jongen die de verleiding z’n verzameling te blijven uitbreiden al niet meer had kunnen weerstaan voordat-ie aan deze studie begon. Hij vertelde me de plek waar hij goedkoop z’n lege videobanden aanschafte. Per 10 stuks. Ik trok de volgende dag onmiddellijk richting dat adres. Met een kater van die 1e borrel.
’t Was een zeldzaamheid dat een student in die tijd een comp had. Nog minder gebruikelijk was de videorecorder. Een student Film & Tv had beiden. Wij waren onze tijd ver vooruit. We moesten wel. Anders konden we niet bijhouden welke films we gezien hadden, op video hadden, & welk nr, welke titel, welke regisseur, welke acteurs er bij welke band hoorden. We namen onze lijsten, uitgeprint bij moeders thuis, mee naar onze feestjes, wisselden de interessante titels uit, & vertoonden ons bij de volgende ontmoeting met de beloofde stapel videobanden.
Nadeel was alleen dat we de banden moesten afstoffen in geval er visite van de familie dreigde. Was ook gister weer ’t geval. Gelieve daarom de banden in ’t schap te laten staan.

Men is gevoelig voor stof in Zijperspace

rondleiding (8)

De wc

Overweldigend vond ik ‘t, toen ik geleidelijk aan de kleur van de wc zag veranderen onder m’n kwast. 3 Jaar geleden was dat. ’t Laatste stukje huis dat nog niet in stijl was. Stijl Zijperspace.
Ik had informatie ingewonnen bij Myrte. Die zou er verstand van hebben, dacht ik.
‘Hé, Myrte,’ zei ik, ‘als ik nou ’t hele toilethok, boven de tegels bedoel ik dan, wil veranderen, helemaal in dezelfde kleur wil verven, met latex, houdt dat dan? Ook al sta ik daar vaak te douchen?’
Maar Myrte was op dat moment een heel ander gesprek aan ’t voeren met een andere collega. Over opdrachten die ze voor school moest uitvoeren, maar waar ze veel te weinig tijd voor had. Ik kreeg geen antwoord.
Ik kreeg wel antwoord toen ik ’t ten langen leste toch maar gedaan had. Zonder goedkeuring.
Ik zei: ‘Ik heb ’t toch maar gedaan, ook al wist ik niet of ’t kon.’
‘Wat?’ vroeg Myrte.
‘’t Toilet helemaal geverfd, boven de tegels bedoel ik dan, helemaal in dezelfde kleur, met latex. Zou dat houden? Ook al sta ik daar vaak te douchen?’
‘Ja, hoor,’ zei Myrte.

Op ’t toilet kom je tot de essentie van Zijperspace.

rondleiding (7)

M’n boekenkast

Die staat er ook dankzij een broer.
Ik kan dat soort dingen niet. Wil ik ook niet kunnen misschien, maar voel evengoed een bepaalde jaloezie tegenover mensen die ’t wel in hun handen hebben. M’n moeder zei dat ik 2 linker handen had. Of nee, dat zei m’n vader. Volgens m’n moeder had ik 2 linker ogen. Vandaar dan waarschijnlijk dat ik zo’n kast nooit waterpas had gekregen. & Op m’n vingers sloeg als ik alleen maar een hamer aankeek.
Ik heb ’t wel ‘ns geprobeerd, maar dat is niet interessant om hier te vertellen.
Ik raak elke keer weer gefascineerd van boekenkasten. Ik stond laatst stil; nee, ik liep terug, om nog 1 keer te kunnen genieten van een boekenkast die tot bovenaan ’t plafond reikte. Dat doet die van mij ook wel, maar die is niet zo breed als degeen die ik toen voor ogen had. Ik vind breed ook wel wat hebben. Maar goed, ik ben nu in ieder geval de hoogte in gegaan met m’n kast, straks ga ik in de breedte. Nog even doorsparen. & Hopen dat m’n broer nogmaals genegen is deze kant op te komen.

Om Zijperspace verder de breedte in te bouwen.

rondleiding (6)

't Bed

Mijn hoogslaper heeft Myrte gemaakt. Dat kan ze. Zelf ontworpen, zelf in elkaar gezet. ’t Enige dat ik hoefde te doen was verven. Ben ik dan weer goed in. Zoals men kan zien heeft de kleurkeuze behoorlijk wat moeite gekost. ’t Mocht nl mijns inziens niet vloeken met de achtergrond. Ik denk dat ’t resultaat getuigt van een weloverwogen keuze.
Ik slaap in m’n hoogslaper. Dat klinkt vanzelfsprekend, maar als men zich bedenkt dat ik jarenlang niet hoger heb gelegen dan de dikte van m’n matras & dat ik al verschijnselen van hoogtevrees vertoon zogauw ik op tv iemand in een schommel zie heen & weer slingeren, dan zal men begrijpen dat ’t nogal wat moeite heeft gekost voor ‘t 1st de trap te bestijgen.
De trap is overigens niet geverfd. Steekt dan ook een beetje af. De trap heeft Myrte pas veel later geconstrueerd. ’t Bed stond er al enkele maanden. Ze wilde niet onnodig een trap creëren. Ik diende haar 1st te overtuigen van ’t feit dat ik van plan was de trap te gaan bestijgen. Ik had de verf toen inmiddels opgebruikt aan ’t bijwerken van de raamkozijnen & deurposten.
Vanuit m’n bed kan ik tegenwoordig zeer goed zien of ik de comp nog aan heb staan, de televisie wel of niet heb uitgezet. Dat drong vroeger, op ’t lagere nivo van slapen vlak boven de grond, minder goed tot me door.

Er is meer overzicht over Zijperspace.

rondleiding (5)

M’n t-shirts

Ik heb er een ½ uur over gedaan, ditmaal. Kwam waarschijnlijk omdat ik ze niet van ’t gehele jaar hoefde te vouwen. M’n gehele familie was nl langsgekomen, zo rond 5 december. Dan hoort ’t huis ook gefatsoeneerd te worden. De familie weet dat vaak te waarderen. Belangrijk onderdeel van de algehele opruiming van ‘t huis is ’t vouwen van de t-shirts.
Ik heb er over zitten denken de t-shirts speciaal voor vandaag te sorteren naar kleur. Leek me dat ’t een leuk effect zou geven. Maar toch iets te veel moeite. Bovendien is Zijperspace zo al overdonderend genoeg.
Mensen vragen me vaak, bijna elke week wordt die vraag wel een keer gesteld, hoe ik toch aan al die shirts kom. ‘Hmm,’ zeg ik dan, met een grote nadruk op de ondertoon, de brom in m’n keel, waarom weet ik eigenlijk ook niet, maar men is gelijk wel onder de indruk, ‘ik krijg ze. Soms koop ik ze. Maar meestal vinden mensen mij aardig. Tenminste, dat prefereer ik dan te denken. Ik kan me overigens niet voorstellen dat mensen een t-shirt aan iemand weggeven omdat ze de persoon in kwestie een klootzak vinden.’
Vervolgens trek ik me voor een kort moment terug. Om na te denken over ‘tgeen ik daarnet gezegd heb. Ik denk niet altijd van te voren na over de dingen die m’n mond ontsnappen. Vandaar dat ik achteraf daarvoor de tijd neem. Geeft me ook even om te bedenken welk t-shirt ik morgen aan zal trekken.

De volgende dag moet Zijperspace er ook weer top uitzien.

rondleiding (4)

M’n comp

Daar moet iedereen maar vanaf blijven. Zolang men geen toestemming heeft. Ik ben er veel te afhankelijk van om die zomaar uit handen te geven. Ook tijdens m’n verjaardag. Zéker tijdens m’n verjaardag.
Nu loopt bijv de gehele dag lang m’n met moeite geselecteerde selectie muziek ad random. Continu. Vanochtend om ½ 8 begonnen. Daar ga ik proberen van af te blijven.
M’n meelprogramma staat altijd aan. Ik wil meteen weten wanneer men mij mededelingen wil doen. Wel zo leuk op m’n verjaardag. Weet ik wie ik dankbaar moet zijn. Zogauw zich meel aandient, gaat er een vogeltje fluiten. Klinkt zo. Word ik meteen wakker van. Of stop ik ’t gesprek met degene die me net heeft gefeliciteerd.
Verder heb ik ‘m natuurlijk ook nodig om m’n stukjes te plaatsen. Anders heb ik al die moeite voor niets gedaan. Alle teksten vantevoren ingetikt, klaargezet. ’t Enige dat ik nog moet doen is ze inbrengen in Pivot.

& Hatsjekiedee, men leert wat meer over Zijperspace.

(Overigens kan men ook maar beter van alle spullen afblijven die verspreid over de comp-tafel liggen. Puinhoop, zo lijkt ‘t. & Daar heeft men dan gelijk in. Zelfs voor mij, degene die ’t zo geconstrueerd heeft, is ’t een algehele klerezooi. Juist daarom maar beter er af te blijven. Dan weet ik tenminste waar de klerezooi ligt.)

rondleiding (3)

De kapstok

Gekregen van m’n broer. Eigenlijk wilde ik dat-ie geel was. Dan stond ’t beter. Of groen. Je ziet ’t onmiddellijk als je de achtergrond, de omgeving erbij bekijkt. Ik ben er erg gevoelig voor. Maar een gegeven paard moet je niet in de bek kijken, zeker niet als ’t je 1e kapstok is. De enige dus. U bent er dus zwaar van afhankelijk. Behalve dan dat ik ook nog de gelegenheid heb geschapen dat mensen hun jassen op ’t bed kunnen neerleggen. Of eronder.
Mooi hè? Evengoed. Hij past er wel, ondanks de kleur blauw. M’n broer had ‘m over. Waarschijnlijk had-ie een overdosis 50-er jaren kapstokken op voorraad. Mocht ik ‘m meenemen. Jammer was alleen dat ik niet weet hoe je een kapstok op moet hangen. Dat heeft dan ook een hele tijd geduurd. Toen m’n broers allemaal, dus ook de bewuste gulle gever, langs zouden komen voor ’t vieren van Sinterklaas, moest ik er toch werk van maken. Niet alleen omdat ik de ruimte nodig had voor de dikke jassen die opgehangen moesten kunnen worden.
Daar heb ik dan weer een andere broer voor. Die kwam expres wat vroeger. Zodat-ie de kapstok op kon hangen.
Best wel handig hoor, broers.

Zonder zou Zijperspace niet bestaan.

rondleiding (2)

De gordijnen

Ik heb de gordijnen geërfd van 2 dode mensen die ik nooit heb gekend. Ze hadden een totaal verschillende smaak. Dat is te zien. Daarom woonden ze wellicht niet bij elkaar. Ze kenden elkaar hoogstwaarschijnlijk ook niet. De 1 woonde op de Albert Cuyp, de ander op m’n huidige adres. Die mevrouw (de laatste) had de minste smaak. Over de doden niets dan goeds, maar ze wist gewoonweg niet wat leuk stond in een huis als dit. Of ’t zou kunnen zijn dat smaak te duur was voor dit arme vrouwtje.
’t Kost te veel, ik verdien te weinig om zomaar ‘ns de gordijnen te vervangen. Ze zeiden, ‘ze’ van daar bij die gordijnhandel, dat ’t me ongeveer (ze rekenden me dat helemaal voor), zo om & nabij (ik stond te flapperen met m’n oren), nou toch zeker wel (ik kon ’t niet geloven) € 200,- ging kosten. Voor de achtergordijnen. Ik wilde gordijnen voor ’t hele huis.
Ik ben de deur uitgelopen & gaan hopen op een wonder.
Nou, nee, dat ook weer niet. Ik moet niet overdrijven.
Ik heb een week later gordijnen gekocht voor ’t tussenstuk. Die kan men momenteel weliswaar niet zien hangen, maar ik heb ze toch wel degelijk.Weggehaald zodat er meer ruimte voor u & de andere gasten ontstond. Die gordijnen, door m’n moeder zorgvuldig aan elkaar genaaid, hebben me een aardige cent gekost.
Mocht u een indruk van de verschijning ervan willen hebben: ze zien er ong ‘tzelfde uit als de velours gordijnen aan de voorkant.
Ik hou van gordijnen. Vooral als ze dicht hangen. Ik ben wat dat betreft geen nederlander. Bij mij mogen de mensen niet binnen kijken. Dat doe ik liever zelf. In m’n 1tje.
Ik had een vriendin, die hield van licht. Nou, ik niet. Gordijnen toe, zo min mogelijk lichten aan. Als ik nog maar m’n boek kon lezen. Maar zij wilde licht. Helderheid. Ook als we in bed lagen. Kon ze me zien. Hup, daar gingen de gordijnen weer open. Midden in de zomer. Late avondlicht, of anders ‘t vroege ochtendlicht viel binnen.
‘& Die mensen aan de overkant van ’t water dan?’ dacht ik dan, ‘die kunnen ons toch bezig zien?’
‘Pff,’ dacht zij op haar beurt.
Maar we zeiden ’t niet. Duurde niet zo lang, die relatie. Ik heb ook nooit geweten wat ze met die ‘Pff’ bedoelde.

Als dat al belangrijk mocht zijn in Zijperspace.

rondleiding (1)

Om u enigszins een indruk te geven van dat wat u te wachten staat, gij uitgenodigden & kloek ter moede, wil ik u alvast 't 1e deel voorschotelen van de komende dag: de rondleiding in Zijperspace.
Helaas in 'tzelfde lettertype zoals ik reeds in deze zinsnedes gebruik, maar ik beschik nu 1maal niet tot meer mogelijkheden, meer variatie, ik, met mijn beperkte geest. Evenzogoed:

De deurbel

Gisterochtend was er nog geen deurbel. Althans, geen werkende. Je moet heel wat organiseren voordat je een soepel lopend feestje met je verjaardag mogelijk kan maken. Een werkende deurbel is een noodzakelijkheid. Ik had ’t er nog met de verkoper van deze nieuwe bel over.
‘Ik ben morgen jarig,’ zei ik, ‘& ik kan natuurlijk niet de visite buiten laten wachten totdat ik ‘ns bij de deur ga kijken of er iemand staat.’
‘Nee,’ zei de verkoper, ‘een deurbel is wel degelijk een vereiste voor ’t soepel verlopen van een feestje.’
Dat waren z’n woorden. Ik kon ’t niet minder met ‘m eens zijn. Ik schafte gelijk een hoog-kwaliteitsschroevendraaier bij ‘m aan. Kruiskop. Zodat ik de oude deurbel kon vervangen.
‘Ik krijg ‘m er niet met m’n huidige schroevendraaier uit,’ vervolgde ik m’n verhaal, ‘die past gewoon niet in ’t schroefje.’
We hadden een zeer interessante conversatie, de ijzerwarenwinkelmedewerker & ik.
Thuisgekomen heb ik met grof geweld, zijnde een hamer, de oude deurbel er uitgesloopt; de schroevendraaier bleek overbodig. U kunt de sporen van dit treffen van de deurpost & de hamer nog waarnemen. Ik was er door genoodzaakt ’t nieuwe exemplaar schuin te hangen. Had ik niet zoveel moeite mee. Als ik dan toch een deurbel moet hebben, dan maar een scheve, dacht ik. Bovendien is ’t wel handig. Voor de bezoekers, bedoel ik dan.
‘Waar is Zijperspace dan?’ zal heus wel iemand gedurende deze dag als vraag te stellen hebben.
‘O, da’s bij dat huis met de scheve deurbel,’ luidt ’t antwoord.

Zijperspace begint bij de deurbel.

uitnodiging (via meel)

't Spijt me, 't spijt me,

Vergeet ik 't bijna helemaal persoonlijk te doen.
Nou ja, persoonlijk. Men ziet 't misschien niet, maar een hele massa wordt bij deze via 1 meeltje benaderd om toch zo snel mogelijk recht te zetten wat ik nagelaten heb. Gewoon, vanwege uitstel. Nalatigheid. Komt later wel, dacht ik.
Maar straks weten ze van niks, bedacht ik me vanavond. Of zijn ze 't vergeten. Had ik er op moeten hameren. Sommige mensen hebben dat nodig. Moeten over de streep geholpen worden. Natuurlijk niet dmv zo'n schijnbaar persoonlijk doch zeer algemeen geschreven-waardoor-mogelijkheid-tot-massaal-te-versturen meeltje, maar 't effect zou beter zijn dan 't totaal te laten. Ik heb in ieder geval iets gedaan. Mij valt niets te verwijten. Na deze. Of ik moet 't verkeerde i-meel-adres hebben opgeslagen. Hoewel mij dat dan weer sterk lijkt.
Ziehier, de poging te corrigeren, dat waarin ik nalatig was. Slordig, zou men kunnen zeggen.

U bent uitgenodigd. Voor donderdag 10 april. Te genieten van mijn verjaardag. Tussen 15.00-22.00 uur. U hoeft geen kado's mee te nemen. U dient gewoon te komen. Dat vindt uw gastheer leuk. Ik hoop u ook.

Mocht men 't niet persoonlijk genoeg vinden, deze uitnodiging, dan moet men zich maar voorstellen dat ik er een kus op 't voorhoofd bij geef. Dat doe ik immers nooit. Lang niet gedaan, in ieder geval.
Zo, die heeft u dan alvast binnen.

Nu nog komen.

Ik verwacht u.

Groeten,

Ton.

(voor de zekerheid m'n adres: ******straat ***-hs)
(& telnr: 020-*******)
(dit alleen als men de weg niet kan vinden)
(mobiel: 06-********)
(dit in geval m'n gewone lijn vanwege afbellen overbezet blijkt)
(mocht men nou bedenken dat ik iemand vergeten ben, neem die persoon gerust
mee)
(ook zij hoeven niet af te bellen, in geval dezen toch bedenken niet te
willen komen)
(maar ik had ze graag een persoonlijke uitnodiging gestuurd)
(misschien wist ik 't i-meel-adres gewoon niet)
(dat heb ik wel vaker)
(nieuwe comp)
(mocht men dit meeltje kwijt raken, of niet bij de hand op 't moment van
vertrekken richting mij, dan staat 't adres vanaf as woensdagmiddag op m'n
weblog)
(zijperspace.nl is dat natuurlijk)
(mocht men dat ook niet weten)
(nou overdrijf ik)
(had ik al gezegd dat ik 't leuk vind als jullie allemaal verschijnen?)
(mond dicht)


Men zou kunnen zeggen dat vanaf heden, maar zeker niet voor lang, Zijperspace gelokaliseerd is.

PS: Vergeet ik 't weer. Maar dat komt dit keer vooral doordat ik 't al eerder gezegd heb, & daarbij voorbij ga aan 't feit dat niet iedereen alles leest wat alhier gepubliceerd wordt. Voor alle duidelijkheid: ik heb de lezers van Zijperspace uitgenodigd langs te komen voor de viering van m'n 39e. Bier zat, moet men maar denken. Adres staat vermeld in bovenstaand stuk. Te Amsterdam wel te verstaan.

uitnodiging (buren)

Buren,

Jullie zijn uitgenodigd. Dat spreekt eigenlijk vanzelf; m’n buren zijn altijd welkom op mijn verjaardagsfeestjes, maar buren dienen er wel op geattendeerd te worden. & Dat niet dmv luide muziek tetterend door parket of vloerbedekking.
Uitgenodigd dus, & wel op mijn verjaardag, vandaar dat ik ’t een verjaardagsfeestje noem, die ik morgen, zijnde de 10e April, net als elk jaar, tussen 15.00-22.00 uur vier.
Kom langs, vergeet de noodzakelijkheid van een kadootje, nergens voor nodig, & drink een biertje met me. Mocht ik ’t te druk hebben met de rest van de visite die mijn huis zal bevolken, schroom niet & drink er gewoon nog 1. & Nog 1. Ooit komen jullie wel aan de beurt gedurende jullie aanwezigheid op de begane grond mij te mogen feliciteren. Want dat is alles dat jullie te doen staat. (Behalve dan gezellig zijn, praten, lachen, mensen herkennen, & een poging wagen zonder morsen een biertje te tappen).

Zo, nu kunnen jullie niet meer weigeren. Kom langs.


Verdere gegevens over de ligging van Zijperspace volgen later.

uitleg

Hoe leg ik ’t m’n moeder uit? Ze zal verschrikkelijk teleurgesteld zijn zogauw ze ’t te weten komt. Met treurige ogen zal me aankijken.
‘Hoe oud ben je nou?’ zal ze vragen. ‘Ik dacht dat ik m’n kinderen toch wat netter had opgevoed.’
‘Maar Mam, maar Mam ..’ zal niet helpen.
Nee, ik had er wat aan moeten doen.
‘Bij anderen ziet ’t er toch ook netjes uit? Laatst bij Theo zag je toch ook geen kleren her & der verspreid door de kamer liggen.’
‘Ja, maar Yvon was ziek.’
‘& Toch lag er niks.’
M’n moeder zal ’t altijd winnen. Ik gebruik de verkeerde argumenten.
Morgen moet ik maar zo snel mogelijk beginnen aan de rest. Hoewel ik weet dat ik ’t niet zal redden. Hoe moet ik haar dat uitleggen?
‘Mam, ik wil even serieus met je praten,’ zal ik zeggen zogauw ze de auto uitstapt. ‘Even van zoon tot moeder. Ilse kan dan alvast wel koffie zetten. Ze vind de koffiepot vanzelf wel.’
‘Vergeet de suiker niet bij te vullen,’ smoes ik m’n schoonzus Ilse nog snel even toe, terwijl ze langs me m’n huis inloopt, in haar handen een stapel kado’s, allemaal voor mij. ‘& Zet voor mij nog even snel een bakkie thee.’
‘Kijk, Mam,’ ga ik dan verder, ‘ik wilde ’t je al over de telefoon vertellen, maar je was zo ongerust over ’t feit dat je misschien wel niet kon komen. Ik wilde de pret niet nog extra bederven.’
M’n moeder zal me 1st wat bevreemd aankijken. Waar zal dit toe leiden? Vervolgens zullen haar wenkbrauwen donker kleuren. Mijn zoon is m’n opvoeding afvallig geweest, denkt ze. Uiteindelijk zal ze toch naar binnen gaan, vooral omdat de kadootjes & lekkernijtjes dan niet onaangetast richting huis genomen hoeven worden. Weg feestvreugde, zou dat betekenen, weg de zin van een rit van 80 km. Heen. & Weer.
Ze zal ’t uiteindelijk wel accepteren. Ook al zeg ik er niks van & zal ze haar nek op gegeven moment breken omdat ze erover struikelt bij binnentreden van m’n woonkamer. Of omdat ze m’n slaapkamer nog ‘ns wil bewonderen.
Moeders bewonderen slaapkamers niet. Ze inspecteren ze. Gaan met hun handen stiekem over de randjes boven aan de deuren & planken. Als niemand kijkt gaan ze op een stoel staan, om bovenop de kast te kijken wat er verstopt ligt & hoe dik de laag stof. Opeens blijkt hun lichaam veel elastischer dan menigeen kon bevroeden; ze laten zich op de grond vallen & terwijl de gebakjes uit de koelkast worden gehaald controleren zij de vergeten nissen, hoekjes & gaten, om onmiddellijk daarop ’t ondergoed te checken op vlekken.
Ik zal ’t haar eerlijk moeten bekennen; ze is niet anders van me gewend. Ik ben m’n leven lang al openhartig geweest. Soms tot verdriet, vaker nog tot uiteindelijk genoegen. Dan kon ze ’t in de loop van de tijd toch accepteren. Moest m’n vader wel er tevens van overtuigd raken, met argumenten die een beroep deden op ‘t gevoel, dagen achter elkaar, tot diep in de nacht. Kregen we achteraf te horen dat Pa er niet van had kunnen slapen. & Als iets erg was, was ’t onze vader die niet kon slapen. Hij kon altijd slapen! We hoorden ’t immers tot op zolder. ‘t Niet slapen van hem was voor ons een straf. Maar wij zoons wisten dan in ieder geval dat we moeder aan onze kant hadden.
Hoe leg ik ’t echter nu uit? Ik heb niets om me achter te verstoppen. Ja, ik moest nog een tekstje intikken voordat ik naar bed toe ging. 'Maar dan had je toch zeker tijd de volgende ochtend?' zal ze te berde brengen. & Ik sta geparalyseerd om zoveel logisch vermogen. Had m’n moeder de wereld maar uitgevonden, we zouden verlost zijn van hoofdpijn & ingewikkelde verhalen die veel te lang duren. Een punt is een punt & hij staat meestal aan ’t eind van een zin.
‘Mam’ oefen ik in de spiegel, ‘ik wilde zo graag, ik had ’t helemaal in m’n hoofd, ik wist dat je ’t zou weten te waarderen, ’t huis staat zoveel mooier als jij komt & ., ik heb echt m’n best gedaan om ’t voor elkaar te krijgen, maar ..’
‘Er liep een kudde mammoeten over toen je besloten had er wat aan te gaan doen,’ vult ze aan.
Weer die spiegel, die verdomde spiegel.
‘Mam.’ Nu meen ik ’t serieus. ‘Ik heb ’t geprobeerd. Ik heb er 8 gevouwen, maar toen begon m’n rug op te spelen. Dus die 30 t-shirts die midden in de kamer liggen (ik dacht: ik kan ze beter open & bloot tonen, dan schijnheilig betrapt worden bij je inspectieronde) heb ik niet kunnen vouwen. Zoals andere jaren. Ik weet: 30 is niet zoveel; vorig jaar heb ik in 2 dagen tijd 70 t-shirts moeten vouwen, maar m’n rug deed zo’n pijn, Mam. M’n rug deed pijn.’
Ze zal me een aai over de bol geven. & Zeggen dat ik niet zoveel suiker in m’n thee moet doen.

& Daarna begint ’t echte feest in Zijperspace.

tocht (dl 4)

‘Jan,’ zeg ik, ‘speenkruid, zou dat ook een beetje groeien in mijn tuin?’
‘Oja, hoor. Dat doet 't waarschijnlijk heel goed in je tuin. Als 't maar een beetje vochtig is & niet te veel zon. Had je 't dan nog niet in je tuin?’
‘Nee. Dus ik wou vragen of ik misschien wat uit jouw bos mee mocht nemen.’

Pa doet een dutje, Ma stikt een jas van m’n nichtje, terwijl wij ’t bos in trekken. Met een schop in de hand.
‘Schep daar maar een stuk uit,’ zegt Jan. Hij wijst een bed speenkruid aan, 2 meter van ’t pad af gelegen.
Ik steek de spade de grond in. 4 keer. Een 4-kant creërend. Ik neem de homp aarde & speenkruid in m’n arm.
We lopen terug.
‘Wat is dit hier?’ Ik wijs enkele blaadjes aan die net uit de grond tevoorschijn zijn gekomen.
‘Koekoeksbloem,’ zegt Jan, ‘heb ik dat vorig jaar niet meegenomen?’
‘Niet dat ik weet. ’t Komt me niet bekend voor.’
Jan spit in de grond. Over de kale plek die vervolgens ontstaat, spreidt hij wat aarde & takjes uit.
‘Even husselen & ’t ziet er weer heel natuurlijk uit,’ zeg ik.

‘Breng me maar naar Anna Paulowna,’ zeg ik tegen m’n moeder, ‘dan heb ik 5 minuten extra de tijd.’
We pakken de plantjes in. Die gaan, samen met m’n rugzak, achterin, onder de klep van de auto. Oude Helderse Couranten moeten nog snel naar binnen gebracht worden. Ik ren naar binnen. M’n moeder probeert ondertussen m’n vader in de riem te krijgen.
‘Zal ik ’t doen?’ vraag ik als ik terug kom. ‘Ik kan er van de andere kant makkelijker bij.’
Ik pak de riem & steek ‘m vast. M’n vader zit stil. Hij laat ’t zich gebeuren.
Ik ga voorin naast m’n moeder zitten. We vertrekken.
Terwijl we de oprit afrijden zwaaien we. Maar er staat niemand voor ’t raam.
‘Niemand die kijkt als we vertrekken,’ zegt m’n moeder.
Jan springt nog net met een zwaaiende hand tevoorschijn als we uit ’t zicht verdwijnen.
‘Nee, Jan zwaait,’ zeg ik.
M’n vader steekt nogmaals z’n hand op.

Ik geef m’n moeder een zoen. Stap de auto uit.
‘Niet te snel nog, hoor,’ zeg ik, ‘ik moet Pa nog gedag zeggen & m’n spullen van achteren halen.’
‘Ja, dat weet ik.’
Ik doe de achterdeur open. Leun voorover.
‘Dag, Pa.’ & Geef ‘m ondertussen 3 zoenen. Ik weet niet wat ik voor de rest moet zeggen. Pak ‘m voor een moment bij z’n schouder vast. Stevig, zodat ik voel hoe breed hij is. Of juist niet, eigenlijk.
Hij kijkt me lief aan. Z’n ogen lichten op.
‘Dag, Ton.’
Ik doe de deur dicht & pak m’n spullen van achter uit de auto. De trap ligt achter me; ik beklim enkele treden richting perron. Keer me om.
M’n moeder zwaait, geeft gas. M’n vader zwaait. Langzaam trekt de auto op. Vlak voordat de auto de bocht moet maken, zwaait m’n moeder nogmaals. Vanonder de zonneklep lacht ze naar me. Ik zwaai terug. M’n vader kijkt recht voor zich uit, in afwachting van waar ze naar toe gaan. Licht gespannen. Hij ziet dat m’n moeder zwaait. Hij steekt als automatisch z’n hand ook weer op. Zwaait. Maar kijkt niet waarnaar.
Ik zwaai ook nog 1 maal. Naar niemand, besef ik.

Ik drink bier op m’n werk. Aan ’t eind van de middag. Drik is er ook. We laten de andere collega’s werken.
‘Ben je nou alweer terug?’ vraagt Drik.
‘Nou al?’ zeg ik. ‘Ik ben in Den Helder geweest, in ’t Zand, in Anna Paulowna. Ik heb 4 wandelingen door ’t bos gemaakt. Ik heb thee gedronken & soep gegeten.’
‘& Je bent met de trein heen & weer gereisd bovendien.’
‘Ik vertrok vroeg. Maar nu we ’t over vroeg hebben: mijn verjaardag begint om 3 uur, hè. Dan kan je ook je kind meenemen desnoods.’
‘Ja, is goed. Maar ik moet nu gaan.’
‘Ok. Doei.’
‘Hoi, hè.’
Drik gaat door de deur naar buiten. Koude lucht komt naar binnen. Ik ril van de tocht.

& De rilling is in heel Zijperspace hoorbaar.

tocht (dl 3)

‘Neem Pa maar mee,’ zegt m’n moeder.
‘Ja, Pa,’ zeg ik, ‘ga even mee. Dan maken we een rondje door ’t bos.’
Ik pak de jassen. Er wordt voor m’n vader een extra sjaal gezocht. De wind is hard, in dit open landschap. & Zoveel bomen staan er niet in ’t bos van de eendenkooi om die wind tegen te houden.
‘Saartje wil vast ook mee,’ zegt m’n broer Jan, ‘dan is-ie er ook uit.’
‘Leuk,’ zeg ik.
Saartje rent al voor ons uit zogauw ik de deur open doe. Pa stommelt er achter aan. Ik hou de deur nog wat langer vast. Reik nog even m’n hand aan, voor de drempel, maar hij heeft ’t toch niet nodig.

‘Da’s speenkruid,’ zegt m’n vader plotseling. Hij wijst naar de grond, maar ’t enige dat ik zie is boerenwormkruid.
‘Dat daar?’ vraag ik.
‘Ja.’
Ik gooi ’t stokje van Saartje voor ons uit. Saartje stuift er achteraan.
‘Hij heeft ’t al de hele tijd ’
‘Wat zeg je, Pa?’ vraag ik.
Hij kijkt me aan. Ik ken z’n blik onderhand.
Z’n sjaal zit knullig om z’n nek gebonden. Is niet belangrijk. We zijn toch maar in ’t bos. Schuin voorover loopt-ie de sjaal achterna, zonder dat-ie door heeft dat er een sjaal zit. Hij probeert z'n handen in de jaszakken te stoppen. Ik help 'm erbij, maar juist dan lijkt er geen soepelheid in z'n arm te zitten.
‘Saartje,’ roep ik naar de hond, ‘jij mag bepalen hoe we ’t rondje maken.’
We zijn op de splitsing. We kunnen rechtsom, of we kunnen rechtdoor om ’t bos te ronden. Saartje laat ’t rechterpad liggen.
‘We moeten rechtdoor, maar volgens mij luistert ze nogeneens naar me,’ zeg ik tegen Pa.

Aan ’t eind van ‘t pad kunnen we alleen nog naar rechts. De 1e bocht op onze ronde.
‘Zullen we nu niet....’ zegt m’n vader.
Ik haat ’t als m’n vader niet....
Waarom kan hij nou niet z’n zinnen afmaken?
‘Wat zeg je, Pa?’
‘Hmmm.’
‘Zullen we ’t rondje 1st afmaken? ’t Is een klein stukje.’
‘We kunnen beter teruggaan.’
‘We zijn in ’t bos van Jan. Dit hebben we al heel vaak gelopen, Pa. Over 5 minuten zijn we terug.’
‘’t Is beter dat we teruggaan.’
Hij kijkt vertwijfeld om zich heen. Hij durft me niet aan te kijken, lijkt ‘t. & Toch valt er schuins een blik op m’n gezicht.
‘We zijn hier al heel vaak geweest, Pa.’
Ik wil niet opgeven. Maar tegelijkertijd ook wel. Ik wil niet dat m’n vader is zoals-ie is.
Ik zie mezelf met m’n vader tegen boomstammen aanspringen. Om ’t bevroren rijp als sneeuw over de aarde te laten dwarrelen. Ik zie m’n vader de eenden voer geven, over de vangpijpen van de eendenkooi voer uitstrooien, in de tijd dat m’n broer op vakantie is. Ik zie m’n vader rondleidingen geven in ’t bos. Hij vertelt anekdotes, hij weet alles over de natuur. Ik zie ons bomen zagen, zieke iepen ontdoen van hun bast. We werken hard. We werken in ’t bos van m’n broer.
Lang geleden.
‘Ik wil terug,’ zegt m’n vader.
‘Ik breng u wel terug. Dan maak ik ’t rondje straks wel in m’n 1tje.’
Saartje rent al voor ons uit. Vlak langs ’t speenkruid. M'n vader stopt z'n handen in de jaszakken.

Alsof ’t ons niks uitmaakt, in Zijperspace.

tocht (dl 2)

‘Moe, ik ben vergeten te bellen,’ zeg ik door m’n mobiele telefoon. ‘Ik had Jan aan de lijn vlak voordat ik de trein instapte & toen kwam ik bekenden tegen. ‘t Ontschoot me helemaal dat ik beloofd had jou te bellen. Maar ik kom er nu aan.’
‘Zal ik je toch nog ophalen?’ vraagt m’n moeder.
‘Nee, ik loop wel.’
M’n gezelschap vraagt waar m’n ouders wonen. Ik wijs de straat achter die waarin we op dat moment lopen aan.
‘Wonen onze ouders eigenlijk nog steeds dicht bij elkaar.’
‘Of opnieuw.’

Ik bel aan. M’n moeder doet open. Ik zoen.
M’n vader staat in de huiskamer. Met slaperige ogen.
‘Hoi, Pa.’
Ik geef ook hem een paar zoenen.
‘Je lijkt wel dikker geworden,’ zeg ik. In ’t algemeen, omdat ik niet weet of m’n vader er op zal reageren.
‘Ja, hij is dikker geworden,’ zegt m’n moeder.
M’n vader kijkt lodderig uit z’n ogen. Z’n wangen hangen. Z’n armen dalen recht omlaag langs z’n lichaam. Vingers gekromd.
‘Hoe komt dat dan? Ligt ’t aan z’n nieuwe medicijnen?’
‘Dat weten we niet,’ zegt m’n moeder.
‘Er was een plek waar we ..’ & Langzaam dooft m’n vaders stem.
‘Wat zeg je, Pa?’
Hij kijkt vragend. Alsof er een mogelijkheid bestaat dat wij hem woorden kunnen geven.

We zitten in de auto. Onderweg naar ’t Zand, onderweg naar m’n broer. Pa achterin, ik naast m’n moeder. Net zoals Opa altijd achterin moest zitten van m’n vader, denk ik per ongeluk.
‘Sinds wanneer is-ie dan dikker geworden?’ vraag ik aan m’n moeder.
‘’t Begon zo rond ’t tijdstip dat we met de nieuwe medicijnen begonnen. Maar we zijn naar de specialist geweest. Ze keek naar de handen van Pa. ’t Kon in ieder geval geen ophoping van vocht zijn, zei ze.’
‘Maar dat wil niet zeggen dat ’t evengoed aan de medicijnen kan liggen.’
‘Alkmaar, Schoorl, Bergen,’ zegt m’n vader achterin.
‘Wat zeg je, Pa?’
Hij zwijgt. Weer diezelfde blik die iets wil zeggen, maar waarbij de woorden gehuld zijn in mist.
We moeten afslaan naar ’t Zand. M’n moeder is aan ’t voorsorteren.
‘’t Zand, Callantsoog, Groote Keeten,’ leest m’n vader weer voor. Nu zie ik ’t aanwijsbord ook. Ik had niet beseft dat-ie nog kon lezen. Hij leest de borden voor zoals ik dat tijdens vakanties in vreemde landen deed.

Men mag de weg niet kwijtraken in Zijperspace.

tocht (dl 1)

Ik kom aan op ’t verkeerde perron. In de verte zie ik Drik staan. Met kinderwagen.
‘Hé, Pappa-Drik!’ roep ik.
Drik kijkt een beetje om zich heen & beseft plots waar ’t vandaan komt.
‘Hé,’ zegt-ie, terwijl ik dichterbij kom, ‘wat doe jij hier?’
‘O, ik ga naar m’n ouders. Jij hebt Droes gehad?’
‘Ja, ik breng nu Droes naar Janneke. Mag zij weer op ‘m passen.’
‘Hij heeft gezonde blozende wangetjes,’ zeg ik, Droes aanschouwend.
‘Ja, hij is afgelopen weekend bij mij aan boord geweest. Lekker fris.’
We dalen gezamenlijk de roltrap af. Drik & Droes rustig aan. Ik druk om me heen kijkend of ik een signaal zie staan over welk perron mij een trein aanbiedt de goed kant op.
‘Ik heb nog 6 minuten,’ zeg ik. Ik begrijp de mededelingen over wijzigingen in 't vervoer uiteindelijk.
Voor iemand anders tijd zat, 6 minuten, realiseer ik me, maar voor mij een teken dat ik me moet haasten. Te weinig marge voor mijn gevoel.
Drik keert zich aan ’t eind van de roltrap om om naar Noord te gaan.
‘Ik ben wel donderdag wel jarig, hè,’ roep ik ‘m nog net na.
‘Oja. & Dat vier je?’
‘Gelooft de paus in God?’
‘Ok, ik zal proberen te komen.’
Terwijl ik de volgende trap neem verdwijnen Drik & Droes uit beeld. Ik pak m’n mobiel tevoorschijn.

‘Hoi, Jan,’ zeg ik bovenaan de trap.
Onderwijl zeg ik mensen gedag die op een bankje op de trein wachten. Vaste klanten van me.
‘Zeg Jan,’ praat ik verder in m’n mobiel, ‘ik ben helemaal vergeten te bellen nog. Maar je was er toch wel vanuit gegaan dat ik straks met Pa & Ma langs zou komen?’
‘Wat? Nee.’
Hij probeert ’t zo echt mogelijk te laten klinken, maar lacht er alweer overheen voordat ik kan reageren. Ik knik ondertussen nogmaals naar ’t stelletje op de bank. Ze houden me in de gaten. Hun barman.
‘Grapje. Nee, tuurlijk,’ zegt Jan.
‘Ik neem nu de trein & word dan opgehaald vanaf ’t station door Ma. We gaan dan meteen door naar jou.’
‘Tot straks.’

Ik keer me tot m’n klanten. Ik hoor beleefdheidshalve wel wat te zeggen.
‘Ook op weg naar ’t Noorden?’ vraagt hij.
‘Ja, ik ga naar m’n ouders in Den Helder.’
‘O, dat gaan wij ook doen.’
‘Jullie hebben ook ouders in Den Helder wonen?’
‘Ja, allebei,’ antwoordt hij weer. Zij kijkt lijdzaam toe. ‘Jij bent dus ook een echte Heldenaar?’
‘Nee, ik ben een echte Jutter,’ zeg ik met nadruk. ‘Ik ben er geboren & getogen, dus ben ik een Jutter.’
‘Ja, inderdaad. Wij ook. Maar da’s ook toevallig.’
‘Ja, zeker. Op welke school hebben jullie gezeten?’
‘Op ’t Joco.’
‘Ik ook.’
‘& Jíj staat de hele tijd ons bier te tappen. Weten we nogeneens dat we uit dezelfde stad komen. Hoe heet je van je achternaam?’
‘Zijp. Mijn vader was directeur van de huishoudschool. De Lichtbaak.’
‘Zijp?’ zegt hij. ‘Ben jij een broer van Jantje Zijp?’
‘Ja, ik had ‘m net aan de lijn. Ik hang ‘m net op.’
‘Nu ik beter kijk zie ik inderdaad dat jij een zijpenkop hebt. Die jukbeenderen, die ogen. Ik woonde vroeger in de Cornelis Ditostraat. Jullie woonden aan ’t pleintje achter ons huis, in de van der Hamstraat.’
‘Hoe heet jij dan van je achternaam?’ vraag ik.
‘Kuipers. Ik speelde altijd met Jan. Hoewel hij ook vaak met de jongens van Ouwens speelde. Hoe is ’t met je vader?’
‘Hmm.’

& De tocht werd voortgezet in Zijperspace.

geen

Ik heb een goed excuus, geen zorgen, ik heb een goed excuus.

Kijk, ten 1e voelde ’t vreemd aan in m’n keel, nadat ik een kitkat-chunk had gegeten vlak voor slapen gaan, & vervolgens nog m’n tanden had gepoetst. Dat gaf een vreemde oprisping, zo midden in de nacht, net voor ’t indutten.
‘Hèèghhh, dat moet ik in de gaten houden,’ dacht ik.
Volgende ochtend geheel vergeten.

Gister, op m’n werk aangekomen, bij ’t helpen van de 1e klant, voelde ik een zware niet-meewerkende stroefheid in m’n rug zitten, die al snel zich vertaalde in, helaas niet anders te benamen, rugpijn. Ik probeerde ’t los te gooien, kwestie van een beetje heen & weer bewegen, naar links, naar rechts, licht vooroverbuigen, armen boven de schouders, naar voren naar achteren, etcetera, maar dat leverde slechts een nog grotere vermoeidheid op. Vervolgens ben ik achterin de winkel op de grond gaan liggen, alleen bij afwezigheid van klanten, om oefeningen van 15 jaar her opnieuw op m’n lichaam uit te proberen. Hielp niet, maar ’t verzachte wel voor een kort moment.

Ik heb altijd last van een min of meer verstopte neus. Daar ben ik aan gewend; hooguit kan ik m’n snot wat vloeibaarder, snuitbaarder, makkelijker te verwijderen maken door ’t medicijn nasonex m’n neus in te spuiten. Kan ik tenminste nog een beetje buiten-adem-hard fietsen richting werk. Ik heb nl bijna altijd ’t idee dat ik te laat ben of wil anders vooral vroeg aanwezig zijn. Valt niet te veranderen; aard van ’t beestje, voel me er lekker bij & houd zodoende bovendien m’n conditie enigszins op peil.
Om niet te veel uit te wijden over onderwerpen die slechts zijlings met ’t eigenlijke doel van mijn uiteenzetting te maken hebben, ga ik hier verder met wat ik beoogde te vertellen.
M’n neus leek wat meer verstopt dan gewoonlijk: reeds 3 keer m’n neus gesnoten & verrassend genoeg (slechts tot mijn eigen verrassing natuurlijk; niemand die zich hierover ook maar enigszins druk zou maken behalve ikzelf) tot 4 maal toe luidruchtig geniest.

De 3 factoren bracht ik met elkaar in verband, stopte ze in de husselpan, mengde ze een beetje met elkander, & uit de toverdoos van mijn eigen vindingrijke redenatie kwam als mogelijke oorzaak van de genoemde verschijnselen dat ik enkele varianten van de griep zou kunnen hebben opgelopen, of anders alle ziektes die mij de laatste tijd ter ore waren gekomen, met als gevolg dat ik een week lang te bed zou moeten blijven, m’n verjaardag niet zou kunnen vieren, & nog enkele andere rampen van wereldformaat.
Dit suggereerde ik in monoloog, zonder enig antwoord hierop te verwachten, laat staan enige reactie, aan m’n zaterdaghulpje Thomas, die ik vervolgens ook maar gelijk uitlegde wat een hypochonder nou is, wat-ie doet & hoe snel zo’n persoon zou sterven.

Dit alles tezamen voegend, daarbij bedenkend dat m’n rugpijn toch wel degelijk pijn deed, besloot ik dat een paracetamolletje niet afdoende zou werken, maar alcohol wel, of in ieder geval ontspannend & verdovend, & heb ik ‘t, onder ’t mom: we moeten tenslotte weten hoe alle bieren smaken die we verkopen & dat zijn er veel, dus kan ik beter nu meteen beginnen, op een drinken gezet, wat resulteerde in een vroege kater, te weten vlak na m’n warme etensmaal.

U ziet: volledig legitiem. Ik hoop op enig begrip na dit open boek.
Vanochtend ben ik enige mate hersteld van al ’t euvel mij gister geschiedde, maar ik ben juist van plan richting ouderlijk huis te vertrekken.

Vandaar geen verhaaltje momenteel in Zijperspace, men zal ’t zonder moeten stellen.

verjaring

Ik kan me nog herinneren dat Quint ooit zei: ‘Ik ben zo zenuwachtig voor Carel z’n verjaardag.’ Dat hij daarom niet slapen kon. Wij moesten er allemaal om lachen. Zenuwachtig zijn voor je eigen verjaardag, dat kon, maar zenuwachtig voor die van je broer, dat was ontroerend, vertederend, maar we deden net alsof we ’t een beetje kinderachtig vonden. We hebben Quint er nog jarenlang mee gepest.
We kregen van iedereen een kado, van m’n ouders een extra grote. De oma’s kwamen ook langs, kregen we wat in ons hand gedrukt. Zo, dat niemand kon zien wat ’t was, maar iedereen kon zien dat je iets moest wegmoffelen. Dan stopten we ’t snel in een broekzak & keken we op onze eigen kamer hoe groot ’t bedrag was.
Ik zal wel een fijne jeugd hebben gehad, zeker zo rond m’n verjaardagen, want ik kijk er elk jaar weer naar uit.
‘Sinterklaas is de mooiste dag van ’t jaar,’ zeg ik altijd tegen kinderen, m’n neefjes, m’n nichtjes, ‘behalve dan je eigen verjaardag.’
& Ik meen ‘t. Hoewel ik dat menen ook wel een beetje kinderachtig vind. Alsof ’t om de kado’s gaat die je krijgt. Ik wil niet dat mensen die indruk krijgen. Daarom vraag ik geen kado’s voor m’n verjaardag. Men mag wat meenemen, maar ’t hoeft niet.
Aandacht. Ik schreeuw om aandacht. Hoewel ik ’t tegenwoordig goed weet te verbloemen. Ik heb me altijd al uitgesloofd. Rende door de gangen van school tussen alle grotere leerlingen door. Had een grote mond tijdens de les. Ik probeerde altijd de 1e te zijn, of maakte anders een leuke opmerking, zodat ik mijn beurt toch niet onopgemerkt voorbijging.
In grote lijnen ben ik nog steeds dezelfde. Ik heb er alleen andere vormen voor gevonden. Men heeft er minder last van. Ikzelf incluis. Er zijn legale vormen van aandacht winnen, heb ik ondervonden. Men is zelfs bereid mij daarvoor te betalen. Of ik ben degene die luid over iedereen uitbrult. Iemand moet ’t doen, zeg ik dan, ik maak dankbaar gebruik van de gelegenheid dat anderen niet zo nodig hoeven. M’n stem heeft zich inmiddels gevormd naar die vorm van aandacht vragen.
Als klein kind maakte ik een dansje. Temidden van de verzamelde familie. Men klapte, men lachte, ik bewoog op de aangegeven maat. Ik was zo’n lekker jong, hoorde ik zeggen. & Ik lachte mee.
M’n broer, 1 jaar ouder, stond afzijdig. Van hem hoefde ’t niet zo nodig, die aandacht. Of men vergat dat hij er was. Dan is ’t op een gegeven moment vanzelfsprekend dat je die aandacht niet meer wil. & Ik werd er steeds afhankelijker van.
Ik kan ’t allemaal wel verklaren, hoe ’t zo gekomen is, waarom ik me er prettig bij voel, waarom ik niet meer anders wil, waarom ’t perse zo moet, & niet anders. Maar liever sta ik zo af & toe nog verbaasd over mezelf. Verrast. Ondanks ’t feit dat ik weet waar ’t vandaan komt. & Hoewel ik weet dat anderen ’t liever anders zien.
Nee, ik blijf mezelf. In zoverre een door omstandigheden gevormd karakter een eigen zelf mag heten. Ik blijf aandacht vragen. Ik vind dat ik ’t leuk mag blijven vinden in ’t middelpunt van de belangstelling te staan.

Daarom, beste lezer, bent u van harte uitgenodigd, as donderdag de 10e april. Ik vier m’n verjaardag tussen 15.00-22.00 uur. Er staat 60 liter bier gereed om weggetapt te worden (zeer speciaal bier & bovendien tamelijk zwaar; ik moet tenslotte m’n naam als bierspecialist hooghouden).
Men hoeft niks mee te nemen, geen kado’s, als men ’t maar leuk vind langs te komen bij de schrijver dezes.

As woensdag meer details over waar ’t gaat plaatsvinden.

Waar ergens in Amsterdam bevindt zich Zijperspace, wordt dan beantwoord.

eitje

’t Is nog helemaal niet makkelijk, een eitje bakken. Ik bedoel, als je alle aspecten ervan bij elkaar optelt. ’t Is niet zomaar een eitje breken & daarbij pogen geen eischil in de pan te laten vallen of eiwit over je vingers te laten lopen (ik zal ’t maar niet over eigeel hebben, want dat ziet er helemaal smerig uit). & Met op de juiste momenten kijken of ’t eitje aan de onderkant al de juiste kleur heeft, de bovenkant mooi gestold is, daar red je ’t ook niet mee. Ik ben zelf van mening dat ik op andere vlakken zwaardere verantwoordelijkheden tegenover mezelf & m’n welbevinden heb.
Alleen al ’t simpele feit dat ik 3 eieren nog in de koelkast heb liggen (op ’t moment dat ik voor die kast sta, moet ik weer denken aan ’t feit dat ik geneigd ben ‘ijskast’ te zeggen, terwijl iedereen ’t een koelkast noemt; de vriezer zou een ijskast kunnen zijn, gezien de grote hoeveelheden ijs aldaar & de lage temperatuur die dat bewerkstelligt, maar daar waar ’t hooguit 4° C is, daar vind je geen ijsvorming: een koelkast dus), een gebakken eitje bij mij meestal bestaat uit 2 eenheden ei, & m’n schone beschikbare steelpan te groot is voor die kleine hoeveelheid; alleen al die, in andermans ogen niet ter zake doende, omstandigheden creëren twijfel in mij. Die wordt nog vergroot als ik een luttele 3 plakjes ontbijtspek aantref. In diezelfde koelkast, die vanaf mijn jeugd, tot niet zo lang geleden, eigenlijk altijd ijskast heeft geheten.

3 Is een moeilijk getal. Je kan er niks mee. ’t Is eigenlijk de moeder der priemgetallen. Moet je 1 even niet meetellen, die is geheel niet interessant, want door 1 ontstaat er niet meer dan 1-dimensionaliteit. Nee, 3 dan. Hoogte, breedte, diepte. Met z’n 3-en staat er altijd iemand buiten spel. Je kan nou 1maal geen gesprek, geen zinnig gesprek van man tot man voeren als je met z’n 3-en onder elkaar bent. & Degene die brons wint, wordt nog sneller vergeten dan degene die zilver mag bekomen. Wat aan de andere kant wel weer handig aan 3 is, is dat je altijd evenwichtig zit op een kruk met 3 poten.
Maar als je een ontbijt bereidt in een net te grote pan, waardoor je gedwongen bent 3 eieren kapot te slaan, meer dan 3 plakjes ontbijtspek te gebruiken, bij gebrek daaraan deze hoeveelheid aanvult met katenspek (die uiteindelijk veel lekkerder in ’t gebakken resultaat blijkt te smaken), & 3 ipv de gewoonlijke 2 boterhammen daarmee kan bedekken, dan ga je wel even anders over dat getalletje denken. Zowiezo blijkt ’t bakken van een eitje veel minder makkelijk dan gedacht.
Kijk, ik heb ’t bakken van een eitje van m’n vroegere baas Nan geleerd. Ik stond achter zijn bar & moest derhalve tijdens de lunch meermaals eitjes bakken. Hij heeft me laten zien hoe hij ’t eitje lekker vond & ik heb z’n methode verder geperfectioneerd. Maar dan alleen voor mezelf. Als ik thuis zat. Als ik genoeg eieren & bijbehorende producten in huis had. Ik kreeg tenslotte niet genoeg betaald om de lunch tot een ware paradijselijke ervaring te laten uitgroeien. Zeker niet de lunch van Nan.
Nan liet me zien dat ik vooral moest kijken. Kijken naar ’t stollen, kijken terwijl ik allerhande andere benodigdheden sneed, kijken terwijl ik kruiden toevoegde, & kijken op ’t moment dat ik de plakken ontbijtspek in de pan legde. Klinkt simpel, maar men heeft een geoefend oog nodig om de finesses achter ‘t goed bakken van een eitje te ontwaren.
Daarenboven moest ik goed opletten bij ’t draperen van de dressing op ’t bord van ‘t eitje, zei Nan. Minstens zo belangrijk, want de mensen aten met hun ogen. Dan kon hij meer geld vragen voor minder inhoud.
Nou, die dressing lukte me wel. Men zei op een gegeven moment dat mijn aangedragen borden gebakken ei er mooier uitzagen dan die van de baas zelf. ’t Leverde me echter geen loonsverhoging op, laat staan bewondering. Dus nam ik maar wat eieren uit de keuken mee, plakjes kaas, plakjes ontbijtspek, tomaatje, komkommertje, om thuis verder te oefenen op mijn professie & geen honger daarbij te hoeven lijden.
Waarmee ik maar bedoel te zeggen dat ik heus wel weet hoe je een eitje moet bakken. Ben er geweest, heb ’t geproefd. ’t Wordt alleen zo’n onoverzichtelijk zooitje zogauw je voor 3 boterhammen met 3 eitjes & 3 plakjes ontbijtspek aan de gang moet. & Een te grote pan, niet te vergeten.

Wilden we even kwijt, hier in Zijperspace.

vlekken

Ik kijk in de spiegel. Bestudeer m’n gezicht voor misschien wel de 10e keer vandaag. Doe nog een stapje dichterbij & krijg daardoor ’t gevoel dat ik m’n eigen neus bijna aan kan raken. Neus tegen neus. Ik hou m’n hoofd schuin, m’n neus deint mee, probeer m’n porieën te openen door m’n neusgaten te verwijden, staar naar alles wat los & vast zit op m’n gezicht, vergelijk ’t ene deel met ’t andere, & kom toch weer tot de conclusie dat ik er niks aan kan doen.
Daar zou ik nou een vriendin voor moeten hebben, denk ik dan. Ik krijg alleen maar wazige ogen & dring niet dieper m’n huid in, kom niet dichter bij de waarheid. Een vriendin; alleen al om me te zeggen dat ik nou ‘ns op moet houden met er aan zitten, een tik op m’n vingers om ’t te benadrukken, & dan een bezorgd bestuderende blik om ’t boeltje te analyseren.
Vrouwen hebben vast meer verstand van huid & de diverse verschijningsvormen ervan, waag ik me te bedenken, terwijl ik verder ga met m’n eigen studie voor de spiegel. Kijk, verzucht ik, bij die linkerplek zal die mogelijke vriendin niet kunnen laten te bedenken: daar heeft-ie vast jeuk. Daaronder zit er 1tje die ’t resultaat is van z’n drankgebruik, vervolgt ze dan in zichzelf, maar die 3e, daar vlak onder de haargrens van z’n wenkbrauwen, daar zou ik nog wel eens in kunnen knijpen. Ik heb tenslotte m’n nagels vanavond nog gevijld. & Mannen vinden een beetje pijn ten bate van de liefde meestal niet erg.
Ik zie dat ze gelijk heeft, ook al weet ik dat ze niet bestaat. Maar de spiegel toont wel degelijk dat ’t rode plekje op m’n neusschot, vrij hoog gelegen, een tintje wit in ’t midden vertoont. Misschien zou de kleur geel een betere benadering van z’n verschijningsvorm kunnen zijn. Maar de hint naar wit is al aanwezig. Hij voelt ook anders.
Maar wat moet ik dan met die andere plekjes? Daar vlak onder m’n oog, ’t doet de waas van wallen duidelijker naar voren schijnen, vloekt een rode vlek met m’n eigenlijke huidkleur, dat wat de rest van m’n lichaam vertoont. Of in ieder geval m’n hoofd. Net even te rood.
Misschien omdat ik niet kan laten te voelen & te jeuken, soms te krabben. Nee, niet krabben; zo wijs ben ik nog wel. Daar heb ik geen vriendin voor nodig. Ik hoor ’t mezelf al verwijten: afblijven, Ton, daar wordt ’t alleen maar erger van.
Toch is ’t prettiger als een vriendin ’t zegt, waag ik echter weer. ’t Geeft meteen een bepaalde mate van aandacht. Er is iemand die op meer aspecten van je persoon let dan slechts de onzinnigheden die je de hele de hele dag door spuit. Ze kunnen nog zo hard zeggen dat ’t niet om de uiterlijke verschijningsvorm van de mens gaat, ’t innerlijk is veel belangrijker, maar god, wat is ’t lekker als ’t tegendeel per ongeluk naar voren komt.
Zolang ’t niet te lang duurt.
’t Zou nu echter best mogen beginnen. Ik & die vrouw. 2 Mensen denken nl meer dan 1. Meer oplossingen, meer mogelijkheden, meer rust misschien ook wel. Weg rode vlek. Vlekken.
Ik kijk nog ‘ns in de spiegel. Zet m’n nagels tegen de vlek op m’n neus. Die met de witte punt. Of geel.
Goh, er zitten inderdaad zwarte pitten in die poriën, denk ik, terwijl m’n zicht opeens microscopische kwaliteiten lijkt te krijgen. De zwarte pitten waar Pamela ’t altijd over had, waardoor zij zichzelf gelegitimeerd voelde om toe te slaan.
Ik word echter snel afgeleid door ’t plotse verdwijnen van de wit-gele punt onder m’n nagels. & ’t Verschijnen van nog meer rood op m’n neus. Vergenoegd, & toch licht verontrust, beschouw ik ’t resultaat. Ik wist niet dat ik zo handig was. Pamela is blijkbaar niet de enige die mijn huid weet te bewerken.
Nu moet ik alleen nog te weten komen wat die 3 andere rode vlekken betekenen, bedenk ik me weer nuchter. ’t Zal toch geen vreemde ziekte zijn? Ik sla meteen weer door. ’t Zou best handig zijn een vriendin te hebben op dit moment: vrouwen hebben veel meer verstand van de huid. Vrouwen; ach ja, vrouwen. Vrouwen zijn altijd beter dan elke keer naar de huisarts gaan. Er zijn vast nog meer voordelen aan vrouwen. Maar 1st moet ik weten wat er aan de hand is met m’n huid.
Ik wend me van de spiegel af om in de kamer een boek te gaan lezen. Tijdens de draai druk ik de knop van de wc in & met de andere hand de knop van ’t licht.

Als we ’t niet kunnen zien, weten we ook niet wat er is in Zijperspace.

arie

Hij kwam naast me staan.
‘Misschien kan ik ’t je beter nu vertellen.’
Hij zweeg even. Om daarna weer verder te gaan. Serieus.
‘Arie komt niet meer terug.’
‘Arie?’ vroeg ik kort.
‘Onze ouwe man.’
‘Oh, da’s Arie? Ik ben niet zo goed in namen onthouden.’
'Ja, zo heet onze ouwe: Arie. Hij komt niet meer terug.'
'Waarom niet?'
'Er was longkanker bij hem geconstateerd. Ze hadden de helft van z'n long weggehaald. Maar hij had weer last. Toen kwamen ze achter een hersentumor. & Uitzaaiingen in z'n rug. & In z'n andere longhelft. Ze laten 'm nu rustig inslapen.'
Ik ben geschokt. Ik kijk met open mond naar 't verhaal dat uit die van hem komt.
'Inslapen?'
'Waarschijnlijk gebeurt 't binnen 2 dagen. Ik wilde 't je vertellen, zodat je je niet afvraagt waar Arie plots gebleven is.'

Arie is 1 van mijn cd-boeren. Waarschijnlijk is 't grootste deel van m'n cd-collectie door z'n handen gegaan. Op 3 kwart van de cd's zitten zijn vingerafdrukken, schat ik. Misschien is Arie al dood. Of anders beseft-ie misschien al niet meer dat-ie nog leeft. Maar 1 dezer dagen staat er een rouwadvertentie in de krant. Dan is de muziek definitief afgelopen voor Arie.
Een lang slungelig lichaam had Arie. Hij bewoog zich soepel achter de toonbank & cd-bakken langs. Keek licht afwachtend ironisch naar de vraag die je ging stellen. Wist alles. Vooral alles van dat wat 'oud' was. Terwijl hij praatte & nadacht boog-ie z'n hoofd voorover, je keek 'm van opzij meestal in de nek, pakte met z'n vingers z'n neus of lippen vast & murmelde dan z'n antwoord.
Ik weet niet anders of hij stond 20 jaar geleden, bij m'n 1e intrede in Get Records, al in de winkel. Klaar om mij te vertellen wat er nieuw was, interessant, de moeite waard.
& Tot mijn spijt kan ik me de laatste keer niet herinneren, hoewel ik me Get Records in ’t geheel niet zonder hem kan herinneren. Ik meen ‘m zelfs gezien te hebben bij ’t laatste optreden dat ik bezocht heb, naast 1 van z’n collega’s. Maar zeker weten doe ik ’t niet. Ik ben me niet bewust geweest van de laatste keer dat ik ‘m gezien heb. Dat spijt me. Niet dat dat helpt. Maar ’t zou prettig zijn geweest. Dan zou dat laatste moment ’t moment van afscheid kunnen zijn, in retro.

Ik geloof dat Arie wel van Nick Lowe hield. Vandaar. Ik weet niets anders te doen. Ik heb de cd waar dit nr op staat bij hem gekocht.

Er weerklinkt veel muziek dankzij Arie in Zijperspace.

sokken

Aangezien ik de afgelopen 2 dagen (ik hou een paar sokken altijd 2 dagen aan, behalve dan dat ik ze vlak voor slapen gaan uittrek & de volgende ochtend bij ontwaken weer aan) op 2 linker sokken heb gelopen, zoals eerder vermeld duidelijk vast te stellen, daar de linkersokken bij mij duidelijk zichtbaar een ‘L’ vertonen, de rechter daarentegen een ‘R’, zal ik de komende dagen doorbrengen op rechtersokken. Louter rechtersokken. 2 Wel te verstaan. Ik benadruk ’t nog maar even. Of ik moet trek krijgen in blootsvoets, maar dat gebeurt mij meestentijds slechts bij de gang richting sponde.
Nou vroeg ik mij af, een gedachte die mij te binnen schoot & mij vervolgens de gehele ochtend niet meer wilde verlaten, of ik nu anders in de wereld zou staan doordat er bij mijn linker kleine teen wat meer ruimte overschiet & de grote teen aan dezelfde zijde ’t met een kleinere behuizing zal moeten doen. De 1 kan plots vrij ademen, de ander stoot bij ’t minste geringste pardoes z’n neus. Dat moet iets doen met de gemoedsgesteldheid van beiden, welke mogelijk effect kan hebben op ’t humeur van de algehele voet, ‘t been, ’t zenuwgestel aldaar, de bloeddoorloop, m’n hersenen, m’n hart, etcetera.
Een omstandigheid van ogenschijnlijk nietszeggende aard kan een wereldrevolutie veroorzaken. U weet wel: de vlinder, de orkaan. Zo ook de 2 rechtersokken die elkaar de komende 2 dagen gezelschap zullen houden in ’t verwarmen van een belangrijk deel van mijn onderlichaam. Overigens zonder dat zij elkaar kunnen zien. Maar ik ga er vooralsnog van uit dat een sok dat niet nodig heeft: hij weet dat-ie altijd een broertje dan wel zusje bij zich heeft, die hij helpt voort te bewegen & vice versa. Maar nu blijkt dat ’t bedachte broertje dan wel zusje ’t broertje noch ’t zusje blijkt te zijn. Een volkomen vreemdeling, weliswaar van ‘tzelfde ras & af & toe gedumpt in dezelfde sokkenmand, maar vooralsnog hebben ze niet dezelfde avonturen beleefd, of zogezegd tegelijkertijd dezelfde paden bewandeld.
Zogauw 1 van beiden ’t te weten komt zal er onevenwicht ontstaan, ametrie, een wanverhouding. Zo die al niet reeds bestond voordat ’t bekend werd. Wellicht dat ik plots een vreemd loopje zal gaan vertonen, de ene voet trager op gang komt dan de ander, of juist grotere afstanden pleegt af te leggen binnen 1 stap, zodoende verder verwijderd te raken van z’n gedwongen wederhelft, of dat hij achter elk hobbeltje of andere oneffenheid probeert te blijven haken, een ware suïcidale aanslag op z’n meester plegend; misschien is ’t wel de andere voet die pogingen onderneemt tot dit soort ondermijningen van de voortbeweging van de grote baas. Zijnde mijn persoon.
Men begrijpt hopelijk mijn onrustig gevoel.
Daarentegen stel ik me enigszins gerust door te denken aan de afgelopen dagen die in pais & vree zijn doorgebracht door ondergetekende in gezelschap van de per abuis aangetrokken linkersokken. Hoewel ’t weer gister wat slechter was, meen ik te mogen bevroeden dat dit niet te wijten kan zijn aan ‘tgeen zich afspeelde in de onderste regionen van mijn lichaam.

Hoewel ’t zich wel zeer toevallig tegelijkertijd afspeelde in Zijperspace.

zij

Ik huilde ‘Waarom? Waarom?’, terwijl de handen van m’n moeder m’n tranen wegwisten. Ze wreven m’n slapen zacht, m’n huid week, m’n nekspieren slap. Ze drongen tot diep m’n hoofd in. Ik huilde ‘Waarom? Waarom?’, zachtjes, traag, me afvragend wat m’n broers dan voor pijn hadden. Want alles moest toch eerlijk verdeeld zijn, bikkelde m’n tranen in vraagvorm. ’t Kon toch niet zomaar zijn dat ik de enige was die naast m’n moeder zulke pijn ervoer.
M’n moeder wreef, ’t washandje verkoelde, m’n slaap overmande, ik zakte weg. Hoewel de hoofdpijn bleef.
Altijd lig ik in m’n moeders bed bij ’t zien van hoofdpijn. Op m’n zij gelegen in de van licht afgesloten kamer. ’t Washandje blindeert m’n zicht. Nog net ververst met koel water. M’n moeder zit naast me, op een stoel of gehurkt op haar knieën. Ze masseert ’t gebied tussen m’n duim & wijsvinger, want men had haar net geleerd dat daar wrijven zou kunnen helpen. Of ze beweegt met haar handen in m’n nek. Beneden hoor ik nog net ’t leven van de rest van de familie. Tot stilte gemaand zoals we stil moesten zijn als 't m’n moeder was die door migraine geveld was.
’s Avonds laat, heel diep in de nacht voor mijn gevoel, gingen mijn ouders ook naar bed. De pijn hield me nog steeds sluimerend wakker, waardoor ik ze stil hoorde omkleden. Ik hoorde de schaduwen fluisterend bewegen. M’n moeder legde zich naast me neer, ik viel in haar veilige schoot, een arm legde zich om me heen.
‘Niek, doe jij ’t licht uit?’
Ik voelde aan de andere kant van ‘t bed een arm van mijn vader omhoog steken, ’t touwtje grijpen. ’t Licht verdween, we zonken weg.
Als de hoofdpijn schielijk stiekem verdwenen was, & ik van ’t vele liggen overdag midden in de nacht onrustig werd, vertrok ik naar m’n eigen bed.

Nu slaap ik, dag na dag, alleen in m’n eigen bed. Ong net zo groot als ’t bed van mijn ouders. Ik word slechts zelden nog lastig gevallen, & indien ’t zich voordoet helpt een pil al vaak afdoende. Maar toch, zo diep in de nacht, zo alleen, een wereld voor me, die zich schuilhoudt achter gordijnen, veilig gesloten, afgesloten van elk stads licht, gelegen op m’n zij, wachtend op de nacht die voorbijgaat, denk ik aan m’n moeder die mij omarmt. Ik weet dat ik slapen moet, de nacht van vandaag zal dan sneller voorbij zijn, de vraag van waarom wordt als vanzelf wel in m’n rust beantwoord. Ze slaapt achter me, ze zit voor me, ze sleept me door de nacht.

& Ook in Zijperspace zal ooit de nacht voorbijgaan.

ondergoed

‘Hoe gaat ‘t?’ vroeg m’n fysiotherapeute.
‘Gaat goed,’ zei ik, ‘bijna geen last.’
‘& Hoe gaat 't met je oefeningen?’
‘Heb ik gedaan. Wat vaker dan vorige keer. Hoewel die oefening op m’n buik, waarbij ik m’n benen moet kruisen, die schiet er wel wat vaker bij in.’
‘Kleed je maar uit. Alles behalve je onderbroek.’
Na 3 bezoeken aan m’n fysio was ik wel gewend aan die mededeling. Ik trok m’n kleren uit, praatte ondertussen wat verder, nam een slok van m’n thee, & kon ’t even niet laten naar m’n nieuwe Hema-onderbroek te kijken. Een snelle blik naar beneden. Hij was dan wel niet groen, maar in ieder geval geen kindermaat.
Ik ging liggen. M’n fysio trok m’n onderbroek een klein stukje naar beneden, waarna ze m’n rechterbil begon te masseren.
‘Je voelt ’t nog wel,’ constateerde ze. ‘Je bent nog helemaal gespannen.’
Ik probeerde m’n benen een beetje los te laten.
‘Welke huisarts had je ook alweer?’ vroeg m’n therapeute.
‘Hmm, dat was Lok. Tenminste, die 2 artsen die de praktijk van Lok hebben overgenomen.’
‘Ja, ja. Wijsmüller & Fransen. Ga je vaak naar de huisarts?’
‘Eigenlijk best wel veel.’ Ik dacht even na. ‘Ik denk ong 2 á 3 keer per jaar.’
Ze lachte kort.
‘'t Is altijd erg grappig hoe mensen zelf tegen hun huisartsbezoek aankijken. Sommige mensen zijn bijna elke week bij de huisarts te vinden & zeggen dat ze niet zo vaak gaan, anderen komen er bijna nooit & vinden dat ze veel te vaak gaan.’
‘Dus ik ga op zich dus toch niet zo veel?’
‘Valt wel mee, ja, als ik ’t vergelijk met anderen die bijna elke maand op de stoep van hun huisarts staan. Heb jij wel eens hypochondrische neigingen?’
‘Ik bén een hypochonder.’
De 1e echte bekentenis is er uit.
‘Dus als iemand anders je vertelt dat-ie een bepaalde ziekte onder de leden heeft.... ’
‘Dan heb ik ’t de volgende dag,’ vulde ik aan. ‘2 Collega’s hebben een hernia gehad; dus toen ik last van m’n rug kreeg, wist ik bijna zeker dat ik ’t ook had.’
Jammer dat mensen in de zorgsector nou nooit eens een opmerking maken over ’t ondergoed, dacht ik. Al pratende komen ze alleen maar de slechte eigenschappen van de patiënten te weten, maar nooit hebben ze aandacht voor de weloverwogen keuzes die zo’n persoon maakt om toch fatsoenlijk op de praktijk te kunnen verschijnen.

‘Kleed je maar weer aan’ zei m’n therapeute, nadat ze m’n onderbroek weer terug op z'n plek had gelegd.
Ik stond op.
‘Ik houd je papieren nog tot eind april aan,’ zei ze, terwijl ik me aankleedde, ‘voor ’t geval je weer meer last mocht krijgen. Dan bel je gewoon weer op om een nieuwe afspraak te maken. Na april moet je weer een nieuwe verwijzing van de huisarts krijgen om terug te kunnen komen. Dan is ’t uit m’n administratie.’
Ik knikte dat ik ’t begreep. Trok m’n broek over m’n benen.
‘Wel je oefeningen blijven doen voorlopig.’
‘Ja, tuurlijk.’
M’n t-shirt ging aan. Ik boog voorover om m’n sokken te pakken. De sok met de ‘L’ van links erop getekend trok ik aan m’n linkervoet. Heerlijke sokken zijn ’t toch, dacht ik, ik hoef nooit na te denken aan welke kant ik ze moet aantrekken. Ik raapte de volgende sok op. Ook een ‘L’.

Men heeft de laatste tijd te veel aandacht voor onderbroeken gehad in Zijperspace.

pannenkoeken (2)

’t Was een groot succes. Hoewel ’t enig rekenwerk vergde om de juiste dosering melk tov pannekoekenmeel te bepalen, daar tevens ’t ei bij betrekkend, was ik binnen afzienbare tijd aan ’t knoeien met suiker, stroop, boter & ’t uiteindelijke pannenkoekenpapje.
De 1e pannenkoek was een experiment. Zonder spek nog, maar omdat 't resultaat er mooi rond uitzag, hij had zich goed gevoegd aan de schuine omheining van de panrand, heb ik ‘m gedecoreerd, op smaak gebracht, met wat plakjes kaas. Tot aan die laatste toevoeging was ’t een pannenkoek klassiek model, geen poeha, geen randverschijnselen, slechts een pannenkoek om zo snel mogelijk achterover te slaan. Stroop er op, rollen, vingers besmeren met alle gradaties vettigheid die een pannenkoek z’n bestaansrecht geeft, & trachten ’t kleinood ordentelijk richting & in de mond te bewegen. De kaasschaaf bleek zich hierbij te ontplooien tot handig extra bestek-attribuut.
Fascinerend was ook ’t tijdens 't bakken weghalen van de bruinbrandende uiterste randen van de pannenkoek. Ook hierbij leek ’t alsof de kaasschaaf niet slechts uitgevonden was voor ‘tgeen waar haar naam voor opteerde. Velerlei mogelijkheden biedt dit sinds jaar & dag ruimschoots onderschatte instrument.
Ik oefende ’t omgooien door lichtelijk de pan op & neer te bewegen. 1st Een beetje naar rechts bewegen, kijken of de pannenkoek reeds enige mobiliteit vertoonde; een korte inspectie aan de onderkant, wat enigszins deed denken aan ’t optillen van damesrokjes, maar dit met niet al te verstrekkende gevolgen; ’t bestuderen van de structuur aan de bovenkant, beschouwen op luchtgaatjes die aan moesten geven dat de onderkant, die zeer binnenkort bovenkant genoemd mocht worden, gereed was zich van z’n nieuwe taak te kwijten; & ’t droog oefenen door een willekeurige andere pan de beoogde beweging opwaarts te laten maken, flink ondersteund door beide handen. Bij de laatste voorbereiding stelde ik zelf de op & neergaande, alsook de draaiende salto-beweging van de pannenkoek voor, zonder dat deze zich in de oefenpan bevond.
Dat was misschien wel mijn fout, want iets later kwam in ’t echt deze 1e pannenkoek dubbelgeslagen terug in de koekenpan. De ongebakken kant aan de binnenzijde. M’n poging de pannenkoek te redden leverde naast vette vingers ook redelijk schroeierige plekjes aldaar op. & Natuurlijk een pannenkoek die de rest van z’n nog korte bestaan doormidden gedeeld zou moeten doormaken.
‘Dat wat je eet komt altijd in stukjes in je maag terecht,’ waren de wijze woorden van mijn oma, woorden die m’n moeder ook maar wat graag hanteerde. & Ondanks die wijsheid hielden wij niet van verkruimelde koek, brokken speculaas, afgebroken lollies of hapjes pannenkoek (deze moest in z'n geheel genoten worden). De mislukte pannenkoek lag altijd onderop; die was voor degene die kampioen pannenkoeken eten van de dag wilde worden. Voor de rest had niemand daar belang bij.
Ik dacht m’n lesje wel geleerd te hebben & poogde de 2e met spek te bakken. Nog niet eerder mogen proberen. Bij ons thuis werden de pannenkoeken hooguit gevuld met een schijfje appel of banaan, soms een plakje kaas erbovenop. Overigens werden deze uitwassen door mij ten volle verafschuwd. Zulke verschijnselen mochten de naam pannenkoek niet dragen. Tenzij we in ’t pannenkoekenrestaurant in Callantsoog terechtgekomen waren. Daar waren plots alle variëteiten geoorloofd.
Bij ’t omdraaien viel ook de 2e poging in stukjes uiteen. Meerdere delen zelfs. Een nog grotere rotzooi van plakkerige plekken op ’t aanrecht, van strepen stroop, spetters boter, klodders pannenkoekenbeslag & misgehapte stukjes pannenkoek zelf. ’t Werd tijd voor een grande finale. Om mezelf te tonen dat ik, buiten lekker, ook een goed gestructureerde pannenkoek kon bakken. Stevig, sterk, solide, deugdelijk, voedzaam, degelijk, machtig, een pannenkoek met karakter, met alles erop & eraan.
Dat is gelukt. Ik kreeg ‘m alleen niet op. Maar m’n broer zou zeker niet gewonnen hebben vandaag.

Men was in topvorm in Zijperspace.