barman

Ik spoel de glazen.
‘Wie staat er weer de glazen te spoelen?’ roepen we dan hard.
Degene die spoelt roept dat vooral. Ik in dit geval.
‘Ton!’ roept Fret dan meestal.
Maar ondertussen zie ik 2 meisjes elkaar ontmoeten. 1tje Staat in de rij voor de bar, de ander komt net aanlopen. Ze vliegen elkaar om de hals. Armen om elkaar heen, zodat degene die moet bestellen dat geheel vergeet. Ze zien geen van beiden nog wat er om hen heen gebeurt. Ze zijn blij. Rode wangen schemeren door de omhelzingen heen.
‘Wie is er aan de beurt?’ vraagt Fret.
Ik spoel nog steeds. Ik weet precies wie er aan de beurt is, juist omdat ik niemand help. Maar ik hou me even bij ’t spoelen. Ook al zou ik momenteel anders willen.
‘Die meisjes daar,’ wijs ik.
Ze hebben elkaar nog vast. 1tje Wordt wakker. Degene die in de rij stond. Ze had een doel toen ze in de rij ging staan. Dat is ze niet vergeten.
‘Ze hebben alleen een beetje veel aandacht voor elkaar,’ zeg ik tegen Fret, hard, zodat ze ’t kunnen verstaan.
‘Zeg ’t maar,’ zegt Fret.
Ook al staan er al enkele andere nekken reikhalzend voorovergebogen, toch houdt Fret z’n aandacht op de meisjes gericht. Zou ik ook doen. Denk ik.
De ander ontwaakt ook uit de omhelzing. Laat haar armen ietwat vieren. Zodat de nek naar Fret gewend kan worden.
Ze bestelt 2 bier. Of zoiets. De details ontgaan me. Ik sta immers de vuile glazen te spoelen. Iemand moet ’t doen, zeggen we dan altijd.
‘Maar ik snap niet dat die meisjes dan niet opletten op hun beurt,’ zegt Fret. ‘Ik moest helemaal een beetje wachten tot ze klaar waren met elkaar te omhelzen.’
‘Fret,’ zeg ik weer ‘ns veel te hard, ‘dat zou ik ook doen als ik 1 van die 2 meisjes was.’

Stil.

‘Oh,’ zegt Fret. ‘Wat zeg jij nou? Dat je best wel 1 van die meisjes zou willen zijn?’
‘Ja, maar dat hebben ze toch niet verstaan.’
Fret kijkt langs me heen, terwijl ’t bier in de glazen stroomt die hij onder de tap houdt. Ik spoel door, m’n hoofd schiet heen & weer.
‘Ze hebben alleen maar aandacht voor elkaar, zei ik toch al.’
Ik kijk naar de meisjes.
‘Toch?’ vraag ik ze.
‘Wat?’ vraagt 1.
‘Zie je wel,’ keer ik me om naar Fret.
‘Wat zie je wel?’ vraagt ze nu vertwijfeld.
‘Oh, dat jullie toch niet hadden verstaan wat ik had gezegd.’
‘Ik wel.’
‘Oh?’
‘Ja.’
‘Nou ja, jammer dan. Maar ’t was toch best een leuke opmerking, toch?’
‘Ja, vond ik ook.’
‘Wat dan?’ zegt haar vriendin.
‘Dat wij alleen maar aandacht voor elkaar hadden.’
‘Ja, maar daarna zei hij nog iets tegen hem.’
‘Oh?’
‘Zie je wel. Je hebt me niet verstaan.’
& Meteen er achter aan: ‘Fret, hou je mond.’

‘Hoe lang hebben jullie elkaar nou niet gezien?’ vraag ik als ik glazen ophaal.
Ze kijken elkaar schuldbewust aan.
‘Niet lachen, hoor.’
‘Tuurlijk niet.’
Ik wil ’t veel te graag horen. Al is ’t gisteren geweest.
’3 Weken.’
& Ze kijken elkaar weer aan. De wangen van de 1 zijn roodgebrand van de zon, zie ik. Of ze glimt.
‘Da’s best lang.’
Ze lachen naar elkaar. Goede vriendinnen. Een enkel lachje is genoeg.
‘Ik weet ondertussen wat je gezegd hebt,’ zegt de 1 tegen me.
Voldaan. Glimlach.
Ik blijf stoer. Ik ben een man. Barman bovendien. Barmannen kunnen wel een potje breken. Zolang je er maar in gelooft. Geloof ik. Een kort moment.
‘’t Was toch best een leuke opmerking,’ zeg ik. ‘Vond je niet?’
‘Ja, vonden we allebei.’
Zie je, denk ik: barman. Kan alles zeggen. Als je ’t maar zelfverzekerd doet.
‘Die andere jongen heeft ’t me net verteld,’ gaat ze verder, nog steeds met dezelfde glimlach, waardoor ik meermaals vergeet dat ik een barman ben, zo 1tje die wel een potje kan breken, die in zichzelf gelooft, voor een kort moment, ’t juiste moment, ‘daarnet, toen ik een biertje ging halen. Die jongen met ’t korte haar, dat rechtovereind staat.’
‘Oh, ja, Fret.’
M’n wraak zal zoet zijn.
‘Ja, Fret is een slijmbal. Die zegt alleen maar allerlei dingen om door vrouwen aardig gevonden te worden.’
Barman, denk ik. Barman.
Barman.

& Toen weer een hele tijd niet, maar dat was vanwege een glimlach die aankwam in Zijperspace.

voort

We hebben ’t over iemand. & Die iemand draagt niet altijd bh’s. Volgens Sas. & Volgens Von, beweert Sas, (Von kan ’t weten, zegt ze, want die kijkt gewoon naar vrouwen) draagt die iemand nóóit bh’s. ’t Is toch geen gezicht.
Nee, ’t is echt geen gezicht. We vinden ’t allemaal. Vooral ook niet omdat ze van zichzelf beweert peertietjes te hebben. Ja, die tepels die zie je door alles heen, als ze stijf staan. Maar dan heb je nog geen peertietjes. Vinden wij.
Ik heb ’t niet gezien, dat ze geen bh’s draagt. Ik let niet op borsten van vrouwen die zo oud zijn, betrap ik mezelf. Maar ik lach wel net zo hard mee.
Ze zou gewoon af & toe een bh moeten dragen, een fatsoenlijke bh.

‘Neem nou die ex-vriendin van me,’ zeg ik, ‘ik vertel ’t net van de week aan Rachel, die had altijd stijve tepels. Die stonden altijd recht vooruit. Rachel vertelde dat ze dat nog nooit van een vrouw had gehoord. Maar ik wist ’t toch echt zeker. Die ex-vriendin had ’t me zelf verteld.’
Ik heb me bij dit verhaal tot Sas gewend. Zij is de enige deskundige onder ons. Mar & Fret gniffelen nog na.
‘Nee,’ zegt Sas, ‘ik heb er ook nog nooit van gehoord.’
& Toch is ’t zo.
‘Maar waarom begon ik nou over m’n ex-vriendin te praten?’ vraag ik vertwijfeld.
‘Oja,’ schiet ’t me meteen te binnen, ‘omdat je ’t bij haar dus nooit kon zien. Zij droeg altijd bh’s, van die bh’s waardoor je niet kon zien dat haar tepels recht vooruit stonden.’
Mar & Fret lachen alweer ergens anders om.
‘Ik heb ’t in ieder geval nooit gezien, die 2 maanden dat ik wat met ‘r had.’

& Als je dan toch van alles & nog wat uit de doeken doet, dan ga je gewoon verder. Omstebeurt, of juist niet. ’t Kringetje rond, van kwaad tot erger, of juist niet. ’t Gesprek voert vanzelf voort. Van onderwerp naar onderwerp. Achteraf kom je niet meer te weten waarom je via een bepaald pad uiteindelijk op een bepaald punt terecht bent gekomen. Maar je weet wel dat ’t die avond allemaal met elkaar te maken had. ‘t 1 Leidde tot ’t ander.

‘Hahaha,’ lach ik even later. ‘& Dan die andere vriendin. Op m’n 1e afspraakje met haar gingen we drinken bij de Groene Olifant. We zouden daarna wat eten gaan halen bij de surinamer om dat bij mij thuis op te eten. Dus ik steek met m’n fiets de straat over, voor de aankomende tram langs, maar zij natuurlijk niet. Zij bleef staan.’
‘Ja,’ zegt Sas, ‘& daarom noemen we haar sleutelbeentje. Dat verhaal kennen we al.’
‘Ja, maar Fret nog niet.’
Nee, dat was waar. Ik mocht verder.
‘Ik kijk dus waar ze nou blijft. Maar die tram blijft de hele tijd voor me staan. Hij trok 1st op & daarna bleef-ie staan. Een ½e minuut of zo. Toen-ie eindelijk opgetrokken was, zag ik haar weer. Een beetje moeilijk stond ze daar. We zijn toen maar lopend verder gegaan. Ze was gevallen. Met haar fiets. Maar dat moest ik haar de hele tijd vertellen. Want als we 100 meter gelopen hadden, dan was ze ’t alweer vergeten. Dan vroeg ze weer: “Wat is er nou gebeurd?” & Na nog eens 100 meter vroeg ze ’t weer. Ik was de hele tijd ‘tzelfde verhaal aan ’t vertellen. ’t Verhaal dat zij oorspronkelijk aan mij verteld had.
Maar goed, we hebben evengoed eten gehaald & bij mij thuis gegeten. Daarna hebben we heerlijke seks gehad. Maar ook diep in de nacht heb ik ‘r moeten vertellen wat er met haar gebeurd was.’
Ik lach een beetje. Fret kende ’t verhaal inderdaad niet. Mar & Sas lachen ook voor de zoveelste keer om m’n belevenissen.
‘Maar waarom vertel ik dit verhaal eigenlijk?’ vraag ik vertwijfeld.
Mar & Fret zitten alweer grappen met elkaar te maken.
‘Oja,’ weet ik ’t weer. ‘De volgende dag is ze toch maar naar de dokter gegaan. Bleek ze door die val haar sleutelbeen gebroken te hebben.’
‘Hersenschudding,’ zegt Mar.
‘Nee,’ zeg ik, ‘volgens haar was ze niet op haar hoofd gevallen. Maar ja, dat wist ze achteraf ook niet meer. ’t Is overigens best wel lekker met vrouwen die hun sleutelbeen gebroken hebben. Wist je dat, Fret?’
Maar Fret lacht alweer met een opmerking van Mar mee.

Want gesprekken voeren vanzelf voort in Zijperspace.

dreiging

Een hels kabaal. Ik ging naar buiten. ’t Vrouwtje zat op m’n schutting leven te maken. ’t Mannetje zat in de boom van de buren, net zo luidruchtig. Ze maakten duikvluchten, ’t mannetje dichter langs de tegen de muur hangende druivenstruik van de buren dan ’t vrouwtje, & wisselden daardoor van plaats. ’t Ging razendsnel. In uiterste paniek. Na enkele minuten zag ik de kop van een ekster tussen de druiventakken tevoorschijn komen. Meermaals scheurde ’t mannetje rakelings langs de ekster. Op een gegeven moment gaf deze ’t op.
Ik liep wat verder m’n tuin in om beter te kunnen zien of zich tussen de druivenranken ‘t nest bevond. Dat moest haast wel. Ze zijn al weken bezig. 1st M’n tuin ontdaan van takjes & modder, de pas geplante reigersbek kwam helemaal kaal te staan daardoor, vervolgens kwamen ze me hun vangsten tbv de kinders tonen. Wormpjes & vliegen die uit de snavels staken. Trots & eigenwijs verbleven ze dan voor enkele momenten op de schutting. Schichtig om zich heen kijkend.
Ik zat binnen. ’t Was me te warm. Totdat ik door ’t gekakel van de vogels werd afgeleid. Zoveel lawaai hadden vogels in mijn buurt nog niet gemaakt. Ik stoof naar buiten. Nog net een broek aan m’n benen getrokken.
De ekster vloog naar een dichtbij gelegen boom. Moe van ’t gekrakeel van ’t echtpaar. Maar daarmee ontsnapte ze niet aan hun woede. Met nog steeds ‘tzelfde gekwetter zetten ze de jacht op de ekster voort. Tot ze de moed opgaf & met een duikvlucht ook de hoge, dik bebladerde boom van de achterburen verliet. Die zocht z’n heil ergens anders.
Maar de 2 bleven doorgaan. ’t Mannetje deed pogingen de druiventakken te benaderen, steeds erlangs schietend. ’t Vrouwtje deed soortgelijke pogingen met wat meer afstand tot de takken, maar maakte des te meer leven. Ze vlogen heen & weer. Met opstaande veren. ’t Vrouwtje had bijkans een hanenkam. Ze lieten zich niet door mij afschrikken. Ik was een minder gevaar. Ze lieten me zelfs op een afstand van minder dan een meter toe. ’t Gevaar voor ’t nest moest nog niet geweken zijn, anders waren ze niet zo door ’t dolle heen.
Plots zie ik weer een zwart-witte kop tevoorschijn komen, tussen de druivenranken door. ’t Mannetje scheert er weer langs. ’t Vrouwtje met onverminderd gekwetter erachteraan. De ekster laat zich in een duikvlucht vallen. In haar snavel iets kleins. ’t Steekt er net tussenuit.
’t Is voorbij, dacht ik, & ging weer naar binnen.
5 Minuten later ging ’t gekwetter nog onverminderd voort. Ik besloot nog maar een keertje te kijken. Vanuit diep in de tuin wierp ik een blik op de duivenranken langs de muur van m’n buren. 2 Eksterkoppen staken ertussenuit. Op hun gemak. Dit in tegenstelling tot ’t echtpaar dat bleef proberen hun kroost te verdedigen. Tevergeefs.

20 Minuten later was ’t weer stil buiten.

Een spreeuw keek voor zich uit, zwijgzaam, gezeten op een schutting in Zijperspace.

send

Wire - Comet

Ik wilde de muziek nog even horen voordat ik richting Paradiso zou vertrekken. Dus draaide ik 't hard. Dan wist ik tenminste weer hoe 't zou kunnen zijn. De spreeuw had net eten verzameld voor z'n kinders. Hij wilde 't me trots laten zien vanaf z'n vaste stekje op de schutting. Hij was 't echter niet met 't volume van Comet eens. De lucht trilde ouderwets, zoals 't jaren geleden had getrild, maar 't was ditmaal niet van de vroege lentehitte. Behalve Wire was 't zeker 15 minuten stil in de omgeving. Die stilte ga ik vanavond herbeleven. Met beelden.

Een verslag volt misschien later nog wel vanuit Zijperspace.

rust

Ik heb ’t briefje er maar ‘ns afgehaald. ’t Hing al langer dan 3 jaar aan de plantenpot. De plant doet ’t nog goed, is waarschijnlijk inmiddels 2 keer zo groot dan toen ik ‘m kreeg, dat is niet de reden. Maar ’t staat zo slordig, een kaartje dat bij de felicitatie hoort 3 jaar lang laten hangen. Dan is de intentie er al van af, zijn de gulle gevers ’t lang vergeten.

Lieve Ton,
We hopen dat je nu eindelijk in je nieuwe huisje je rust zal vinden.
En dus: “Steun de strijd tegen baldadigheid.”
Je collega’s.


Ik hoop maar dat ze refereerden aan de onrust die samenhing met ’t niet hebben van eigen woonruimte. Altijd in onderhuur, sloopwoningen van ’t grondbedrijf & korte logeeradressen. Niet de onrust in m’n lichaam & geest. Die gaat nooit over. Hoop ik. Deel van mij.

‘Ik kan wel 12 uur achter elkaar op ’t strand verblijven,’ zei Rachel. ‘Heerlijk vind ik dat.’
‘Oh, afschuwelijk,’ zei ik. ‘De hele tijd stil liggen. Niet bewegen. Niets te doen hebben. Ik ben blij dat ik niet meer hoef.’
‘Dat soort dingen vind ik nou juist prettig.’
‘Net als strijken. Dat vind jij ook lekker.'
'Ja, omdat ik dan niet hoef na te denken. Ik hou van dingen waarbij ik niet hoef na te denken.'
'& Ik kan dat nou juist helemaal niet. Ik zou niet meer weten hoe ik ’t had. & Buiten dat: al die mannetjes die stoer over ’t strand van Den Helder liepen. Die hele machocultuur. Vrouwen die stil liggen & mannen die ertussendoor paraderen met hun lichaam. & Dan heb ik ’t nogeneens over al ’t zand dat aan ’t eind van de dag overal op je lichaam zit.’
‘Maar ’t is toch lekker om af & toe een duik in de zee te nemen?’
‘Dat was nou de enige reden dat ik naar ’t strand ging. Dankzij ’t water koelde ik weer een beetje af. Maar zogauw ik 10 minuten lag, was ik alweer kleddernat van ’t zweet. Nee, God heeft ’t strand gecreëerd als persoonlijke hel voor mij. Stil zitten is ’t meest afschuwelijke dat er bestaat. Niks geen meditatief moment aan mijn lichaam.’

Nu zit ik gedwongen in de zon, in m’n tuin, om toch een beetje kleur te krijgen, om wat te doen te hebben een boek te lezen, of ik zit gedwongen binnen. Niets te doen. Rusteloos zwalk ik door m’n huis, tussen tuinstoel & bank. Op zoek naar iets dat me echt interesseert. Boeken zat, films zat, maar de hitte verlamt me, tegelijkertijd met ’t idee dat ’t een feestdag is, winkels dicht, niets te doen om er op uit te gaan.
In m’n huisje, waar ik eindelijk rust gevonden heb. Relatieve rust.

Slechts relatieve rust bestaat in Zijperspace.

prikken

Ik haal m’n ziekenfondspasje tevoorschijn. Ik zag de mededeling nog net staan voor ik binnenkwam.

Zonder ziekenfonds- of verzekeringspapieren kunt u niet geholpen worden

Je loopt er zowat tegenaan. Als je de haldeur opendoet.
Ik schrik. Heb ik die wel bij me? Maar nog voordat ik bij de balie sta heb ik ‘m te pakken. Die van vorig jaar.
‘Ik heb alleen maar ’t pasje van vorig jaar,’ verontschuldig ik me.
De vrouw knikt. Gelukkig. Anders zou ’t onderzoek pas een week later kunnen plaatsvinden.
Ik mag gaan zitten. Met nrtje 81. Nog 4 nrs wachten. Dat zal niet zoveel blzs van m’n boek betekenen.
Bovendien word ik afgeleid door de andere mensen die bloed moeten laten prikken. Ze komen 1 voor 1 voor de balie te staan. Met ziekenfondspasje.
Een vrouw zie ik binnenkomen. Naast haar wriemelt er iets wat ik niet kan zien. Ze praat ertegen. Als ze bij de balie weglopen, naast mij komen zitten, merk ik dat ’t iets dat wriemelde een meisje is dat niet op haar lijkt. De vrouw heeft een langwerpig gezicht, geblondeerd haar, een grote neus & sproeten. ’t Meisje heeft niets van dat alles, is natuurlijk blond, & kijkt wat intelligenter uit de ogen dan de vrouw. Ook al is ze slechts een jaar of 5.
‘Kijk,’ zegt de vrouw, ‘er liggen hier allemaal dingen die je kan lezen.’
Maar ’t meisje heeft geen trek in al die tijdschriften voor volwassenen.
‘We hadden misschien wat van huis moeten meenemen,’ zegt de vrouw berouwvol.
‘Zijn we al aan de beurt?’ vraagt ’t meisje als nr 80 op ’t bord tevoorschijn klinkt.
‘Nee, er zijn nog 2 mensen voor ons. Want wij hebben 83 & nu is nr 80 aan de beurt.’
Ik mag opstaan, want ’t volgende moment gaat de bel voor de volgende.

‘Goedendag,’ zeg ik tegen de dame die mij moet gaan prikken.
‘Goedendag,’ zegt ze, terwijl ze m’n formulier aanpakt. ‘Meneer Zijp, zie ik.’
‘Dat klopt.’
‘Welke arm wilt u?’
Ik steek m’n rechter naar voren. Vorm een vuist.
‘Is die dame daar van u?’ vraagt de dame.
’t Meisje staat verlegen te staren naar wat er met me gaat gebeuren. Ze wil zich al bijna terugtrekken.
‘Nee, die hoort niet bij me,’ antwoord ik. ‘Maar ze mag wel blijven kijken van me, als ze wil.’
Ze blijft staan. Ze heeft oogcontact met de dame die de naald in m’n arm wil steken.
‘Met wie ben je dan?’ vraagt de dame.
‘Met m’n moeder,’ zegt ’t meisje. ‘Met m’n oppasmoeder,’ verbetert ze.
De naald zit. Scheef, heb ik ’t idee. Ik voel ‘m duidelijk zitten. Maar ’t bloed loopt er al uit. 2e Buisje is al aan de beurt.
‘Je vindt ’t toch niet eng?’ vraagt de dame aan ’t meisje.
‘Nee.’
‘Ik voel deze trouwens best wel zitten,’ zeg ik. ‘’t Is vrij pijnlijk.’
Ik verkramp, voel ik.
‘’t Gaat anders heel goed. ’t Stroomt er uit.’
In m’n ooghoek zie ik ‘t meisje ’t gebeuren nog aandachtiger gadeslaan. De pijn zakt weg.
‘De pijn valt nu wel mee.’
‘’t Is dan ook al klaar,’ zegt de dame, die daarbij gelijk ‘t 3e buisje wegtrekt.
Ze duwt een watje tegen ’t gaatje in m’n arm.
‘Even aanduwen,’ commandeert ze me.
Een pleister er bovenop.
‘Wanneer weet ik de uitslag?’
‘Over een week bij je huisarts.’
Ik sta op. Pak m’n tas mee & loop richting uitgang. ’t Is alweer voorbij. Nog geen 10 minuten binnengeweest.
Achter me roept ’t meisje naar de oppasmoeder: ‘Hoehoe, je moet komen hoor.’

& Enkele grammetjes vloeistof lichter vertrok ik wederom richting Zijperspace.

niet storen

Als ik op ’t meetingpoint sta heb ik ‘r eindelijk te pakken.
‘Hoi, Ma. Waar ben je nu?’
‘Bij Sloterdijk.’
‘Oh, dan ga ik nog even m’n fiets wegzetten in de fietsflat. Dan kan je straks ’t beste bij ’t meetingpoint gaan staan.’
‘Is goed.’
‘Nee, wacht. Ga maar buiten bij de hoofdingang staan. Dan sta je tenminste in ’t zonnetje te wachten.’
‘Tot zo.’

Ik ben toch eerder terug. Ik ga in de schaduw van de metrohalte staan. Nog veel te veel zweet druipt van m’n voorhoofd. Een donkere man naast me fluistert iets naar me, maar ik schuif verder. Alsof ik niets door heb.
Zie ik er uit als een stomme toerist of zo? Toch maar goed dat m’n moeder er niet eerder was.
Ik wil al bijna weer bellen als m’n moeder uiteindelijk buiten komt.
‘We vertrokken een beetje laat.’
We zoenen & vragen ons af wat we zullen doen.
‘Jij hebt vast een plan gemaakt,’ zegt m’n moeder.
‘Nee, juist niet. Daar had ik ’t te druk voor.’
Dus besluiten we alvast te lopen. 1st Ergens een bak koffie.
‘Zeker in de Bijenkorf?’ vraag ik.
Dat deed m’n moeder immers altijd. Met Pa. Altijd linea recta naar de Bijenkorf. Vorig jaar was dat voor ’t laatst. Ik geloof dat ik er nog bij was. Toen heeft Pa ook nog bij de cd’s gekeken. Maar al niet meer zo op z’n gemak. Bang dat-ie m’n moeder uit ’t oog verloor.
‘Nee, hoor. Hoeft helemaal niet.’
Dus stel ik voor naar de Nieuwmarkt te gaan. Dan kunnen we van daar de metro nemen naar m’n huis.
‘Wat loop je raar.’
‘Ja,’ zegt m’n moeder, ‘opeens zat er vanochtend iets raars in m’n linkervoet. ’t Doet pijn.’
Gelukkig is ’t niet definitief. Geen ouwevrouwtjesloop. Maar de passen lijken zich wel aan ’t krimpen op deze leeftijd te hebben aangepast. Korte trippelende pasjes om mij bij te houden. Ik probeer zo langzaam mogelijk & lijk nog te rennen.

‘Wat wil jij, Moe?’
‘Doe maar koffie verkeerd. Maar ik moet 1st naar de wc.’
’t Meisje & ik wijzen allebei de wc aan.
Ik krijg m’n moeders tas aangereikt. Met die tas slungelig in de hand doe ik de bestelling bij ’t meisje. Koffie verkeerd & thee. Ze gaat aan de gang, terwijl ik me nestel in de zon.
M’n moeder komt terug & de koffie & thee worden uitgeserveerd. Ik reken meteen af.
We praten. Hoe ’t met Pa gaat. De laatste belevenissen. Den Koogh. De familie.
‘Heb je gister dat programma gezien bij de NCRV?’ bedenk ik me opeens. ‘Over euthanasie.’
Moet ik toch met iemand delen.
Ik vertel de inhoud. Over de dokter die luistert naar & praat met mensen die euthanasie willen. Over de vrouw die uiteindelijk niet gaat. Over de man die wel gaat. Dat-ie samen met z’n vrouw vertelt dat ze een mooi leven hebben gehad.
Ik zeg: ‘& Toen zei die vrouw: “We hebben 40 jaar lang een prachtig leven gehad.”’
& Ik besef me weer dat ’t me emotioneert. M’n moeder luistert. Haar blik op mij gevestigd. Snel schieten mij beelden van tranende migraine-ogen te binnen. De emoties zijn van m’n moeder altijd af te lezen. Maar ze houdt zich in. Ook al vertel ik beeldend van wat ik gezien heb.
Ik praat langzaam. Ik vertel hoe de man met slokdarmkanker de dokter vertelt waarom hij er genoeg van heeft. Dat hij waardig wil sterven. Want hij heeft waardig geleefd.
Ik herinner me ’t papiertje op de deur van de kamer. Op de achtergrond de stem van de dokter die de man zo dadelijk z’n uiteindelijke prikken zal toedienen. Op ’t papiertje staat met een stift ‘Niet Storen’ geschreven. Daar hebben ze geen bordjes voor in ’t ziekenhuis.
Dat stukje vertel ik niet, want ik moet steeds langzamer praten. Anders komen de woorden niet.
‘Hoor je dat?’ zeg ik tegen m’n moeder. ‘Door die verkoudheid valt m’n stem een beetje weg.’
‘Ja, inderdaad.’

De mooiste moeders komen toch echt alleen maar uit Zijperspace.

sublimeren

Ik ben meestal de 1e, op dinsdagochtend, de 1e van de week. Maar vandaag staat er al iemand binnen bij Berkhout, m’n delicatessen. Als ik binnenstap zie ik dat-ie met een sponsje de zijkanten van de toonbank aan ’t schoonmaken is. Met een sopje. Geen Jeroen te bekennen. Maar in de verte hoor ik geluid.
‘Goedemorgen,’ zeg ik dus maar.
‘Een Goedemorgen,’ weerklinkt ’t vrolijk als Jeroen z’n gezicht ’t hoekje om vertoont.
Er achteraan z’n lichaam.
We gaan ’t over patés hebben. 3 soorten. & Een stuk rillet van eend.
‘Alles maar van dat laatste beetje?’ vraagt Jeroen mbt de rillet.
‘’t Gaat toch op.’
‘230 Gram,’ constateert de weegschaal.
‘Hmpf.’
‘Betaal je 200 gram.’
Een scooter stopt voor de winkel.
‘Koffie?!’ roept de bestuurder naar binnen.
‘Ja!’ roept Jeroen.
De poetser kijkt even op van z’n activiteiten. Aanschouwt de eigenaar van de scooter die binnen komt vallen. Ik zie een buik binnen komen.
‘Dus je wil koffie?’
‘De koffie staat al klaar,’ reageert Jeroen. ‘Heb je een goed weekend gehad?’
‘Ja, hoor. Maar ik heb niet geneukt.’
Ongemerkt kijkt iedereen bij dat woord op. Ook de man met de spons.
‘Ha, die meneer z’n ogen beginnen zelfs te knipperen,’ wijst de buik naar mij, of eigenlijk de vingers die er bovenuit steken.
‘Nee, hoor,’ zeg ik. ‘Ik dacht eigenlijk afgelopen weekend ook de hele tijd aan neuken. Maar ’t kwam er alleen niet van.’
‘Je moet ’t sublimeren.’
‘Dat is ’t enige dat ons rest.’
Terwijl ik m’n bestellingen afrond, pakt de man een kop koffie van achter & gaat op de stoel voor de winkel zitten. Maar niet voordat-ie nog wat mededelingen heeft gedaan.
‘Ik stond vanochtend om ½ 6 op. Prachtig mooi weer. Ik ben op m’n scooter gestapt & ben 50 km wezen rijden. Schitterend zoals de zon boven de weides opkomt.’
‘Je scooter zal wel moe zijn,’ zegt Jeroen.
‘’t Is weer voor prammen,’ zegt de man, ‘prammen in hele dunne t-shirtjes.’
& Vervolgens houdt-ie z’n mond. De toonbankpoetser poetst door. Ik zie een bruine vlek onder z’n vingers verdwijnen. Terwijl hij constateert dat ik in de weg sta.
‘Ik kon vannacht niet slapen,’ vult Jeroen de stilte tussen m’n bestellingen door op. ‘Ik viel rond 5 uur in slaap. & Om 6 uur kon ik er weer uit.’
‘Ik dacht dat ik reden had om er niet bij te zijn met m'n gedachtes. Ik viel om 2 uur eindelijk in slaap. & Om 7 uur op.’
’t Lukt me nooit tegen Jeroen op te bieden. Dus verzin ik milde varianten op zijn slaapgewoontes.
Ik reken met ‘m af.
‘Ik ga misschien toch maar met Hemelvaart open. Van 12 tot 6 of zo.’
Hij geeft me ’t wisselgeld.
‘Ik zie je volgende week.’
‘Ja, prettig weekend.’
Als ik m’n fiets van slot gehaald heb, zegt de man van de scooter me gedag. Daarna neemt-ie meteen weer een slok koffie. Hij geniet zichtbaar.
Ik groet ‘m terug met een simpel ‘hoi’.

Ooit is die groet per ongeluk Zijperspace ingeslopen.

ouder

Hoe moet ’t straks dan? Als ik echt ouder ben. Als ik gedwongen wordt elke dag te blijven zitten, ’t huis niet te verlaten, als ik slechts schuifelend de keuken bereik om een bakje thee te zetten. Als dat alle beweging is die m’n lichaam aankan op een dag.
Ik heb me ziek gemeld. Ik zal de hele dag thuis moeten blijven zitten. ’t Bezoek aan de huisarts straks beschouw ik als een uitstapje. Met de onrust die ik in m’n kont heb is dit een kwelling. Ik verzin telkens weer iets om in ieder geval op te kunnen staan, een stukje door ’t huis te lopen, beweging te hebben, afleiding ook. Een stoel benauwt me na 5 minuten, dat wist ik al, maar nu weet ik ’t weer iets beter.
M’n benen werken ook niet mee. Na enkele uren gevangenis thuis beginnen ze op te spelen. Ze schreeuwen dat ze stijf worden. Dat ’t bloed niet door kan stromen. Dat ‘t nog maar even kan duren, & dan staat plots alles stil, elk vezeltje in m’n lichaam. Net als de klok die zou luiden vroeger, als je een gekke bek trok, dan bleef alles staan zoals ’t op dat moment stond. & De tantes stonden erbij te lachen.
Als ik een boek lees, dwing ik me tot ’t einde van een hoofdstuk te komen. Tenzij er plots een meeltje binnenkomt. Da’s een uitzondering. Als ik een boterham eet, moet die 1st op, voordat ik een nieuw bakkie thee inschenk. Als ik ’t huis schoonmaak, moet er niets van vuil meer te zien zijn, voordat ik weer achter de comp mag kruipen. Als ik m’n benen ga voelen, moet ik ’t zo lang mogelijk verdragen, zeker totdat ’t pijn gaat doen, maar liefst nog iets langer. Andere mensen kunnen hele dagen achter een bureau zitten, toch?
Maar zo hops ik noodgedwongen van tuinstoel naar de stoel achter de comp, om vervolgens iets op te pakken, naar de keuken te brengen, daar een boterham te smeren, weer in de zon te gaan zitten, boterham op, & weer een nieuw rondje. Ik loop achter mezelf aan, steeds met 10 minuten achterstand.
Ik lees over mensen die ouder worden, schrijvers, de ouders van schrijvers, & merk dat ik daar nog lang niet ben. Maar wat is nog lang niet als de tijd steeds sneller wordt? Ze lijken stukken tijd van de tijd af te hakken. Heeft een uur plots enkele secondes minder. Misschien wel een minuut. Volgend jaar blijkt er nog minder in dat uur te passen. Zo word ik vanzelf wel oud; ik heb nogeneens door dat de tijd voorbijvliegt.
Hoe moet ’t straks dan? Als ik echt ouder ben. Als ’t realiteit wordt dat ’t niet lang meer kan duren. Mag ik dan genieten van elke minuut die ik heb, of móet ik dat dan & zal ik dan vol kunnen houden ’t vast te houden, zolang ’t mooie duurt. Of is mooi dan allang niet meer mooi, omdat ik alles toch al heb gezien.
Ik moet hiermee stoppen. ’t Wordt tijd dat ik weer een boterham eet, rustig, in de zon. Onderwijl een nieuw hoofdstuk aanschouwend.

& Dan blijven zitten, rustig blijven zitten, totdat alles voorbij is in Zijperspace.

huisarts

Ik had besloten te gaan bellen zogauw ik wakker werd. Maar ik was al zo vroeg uit bed dat ik dat telefoontje beter nog een uur kon uitstellen.
'Ik begin te merken dat ik ouder word,' zei ik later tegen m'n moeder. 'M'n slaap wordt steeds onrustiger.'
Toen ik uiteindelijk belde, kreeg ik meteen contact. De assistente vroeg of ik diezelfde middag om 10 voor 3 kon.
‘Daar schrik je van, hè?’ zei ze.
‘Ja, ik ben gewend 1 of 2 dagen later te moeten komen.’
Er was ruimte zat.
Aan ’t raam hing de mededeling dat ziekenfondspatiënten zich nog konden aanmelden bij deze praktijk. & De wachtkamer was leeg. Ik pakte m’n boek, las daar 1 blz uit & werd toen door m’n huisarts gehaald.
‘Jullie werken steeds efficiënter,’ zei ik, terwijl ik m’n boek in m’n rugzak terugstopte. ‘Ik heb slechts tijd voor 1 blz.’
Hij legde uit dat de Pijp steeds meer veryupte. De allochtonen trekken weg. & De appartementen worden door steeds minder mensen bewoond. Rijkere alleenstaande jonge mensen nemen meer ruimte in beslag dan voorheen de allochtone gezinnen.
‘Net als de Jordaan,’ zei ik.
‘Ja, net als de Jordaan.’
Ik vertelde m’n klacht, waarna hij me onderzocht. Ik mocht er zelfs bij gaan liggen. We namen de diverse opties door. Hij suggereerde wat. & Schreef een recept uit.
‘Ik laat je bloed ook wel onderzoeken.’
Dus kreeg ik nog een formulier mee. Schildklier, lever, bloedlichaampjes & nog enkele andere aspecten, maar daar zou ik de betekenis van moeten opzoeken.
‘Kom je volgende week terug. Dan kijken we wat er gebeurd is.’

& Dat allemaal zo verschrikkelijk ontspannen, dat ik bijna zin heb nu al terug te gaan. Terwijl ik ‘t bezoek 2½ week had uitgesteld. Ik moest me vooral niet aanstellen, had ik me voorgehouden. Ik was hypochonder, dus juist daarom zou er wel weer niks aan de hand zijn. Juist daarom moest ik extra moed bij elkaar sprokkelen.
‘Ben je bang dat je wat hebt?’ vroeg-ie ook nog.
‘Ik ben ietwat hypochondrisch aangelegd,’ zei ik.
‘Dan ben je vooral bang,’ zei hij begrijpend.
Ik lachte er overheen. & Kwam vervolgens met een hele waslijst van kleine klachten die er allemaal mee te maken leken te hebben.
‘Kom volgende week maar terug,’ zei hij.
Alsof ’t een doodgewoon bezoekje is. Volgende keer krijg ik er misschien wel een bakje thee bij geserveerd. Zo gewoon. Zo ontspannen.
We schudden elkaar de hand. Zoals ik bij andere huisartsen ook gewend ben te doen. Maar geen knijp & zeker ook geen washandje. Ik keerde me om, & warempel: ik hoefde zomaar ‘ns niet te zoeken welke deur de uitgang was. In 1 keer goed.

Dat gaan we vaker doen in Zijperspace.

werkeloos

Gran loopt op me af. Hij heeft net z’n 1e biertje bij m’n collega besteld, een sigaar heeft-ie ook al in z’n handen, z’n beste (enige) vriend Warner is niet plots verschenen, dus dan kan ’t niet zijn dat-ie nog wat wil bestellen. Ik blijf rustig op m’n kruk zitten. Leun slechts lichtjes voorover, m’n hoofd wat dichterbij om te horen wat-ie in z’n hummende variatie van ’t nederlands zegt.
‘Ton,’ zegt Gran, ‘ik wil je iets vragen.’
‘Dat kan natuurlijk,’ zeg ik met een gevatte lach op m'n lippen.
‘Ronald,’ zegt-ie bedachtzaam, ‘dat die zelfmoord gepleegd heeft ..’
Ik lijk ‘m niet goed te verstaan. Ronald zelfmoord? Dat wist ik niet. Vandaar dat z’n broer zo afwezig was van de week.
‘ .. dat was toch een jaar geleden?’
‘O, die Ronald!’
Die is per ongeluk al een hele tijd uit m’n geheugen.
‘Ik schrok al. Ik dacht dat je Ronald van ‘de broertjes’ bedoelde,’ zeg ik.
‘Nee, ik bedoel die in Bergen zelfmoord pleegde. ‘t Rouwkaartje hing hier aan de deur.’
Ik weet wie hij bedoelt.
‘Dat moet toch al een jaar geleden zijn. Volgens mij 1½ jaar terug. Want ik dacht dat ’t in de herfst was.’
‘Hmmm, ja, hmmmm. Dank je.’

Ik zie Gran niet meer zo vaak. De laatste keer was-ie net weg bij z’n werkgever.
‘Je weet toch dat ik bij die internetprovider werkte?’ zei Gran toen tegen me.
‘Ja, ja, je bent hier nog met de hele groep geweest tijdens ‘t personeelsuitje.’
‘Ik wil niets meer van die schoften weten. ’t Zijn zulke valse mensen. Iedereen daar. Ik ben daar ontslagen. De schoften. Ik had ’t niet gedacht, maar ik ben nu in staat om mensen kapot te maken. Dat is ook wat ik ga doen. Ik ga alles doen om hun kapot te maken. Ze hebben me mishandeld. Dus als je ooit iets met internet wil doen: doe dat nooit bij mijn oude werkgever.’
Dit vergezeld met licht gepuf & gesteun, langzaam, maar gedreven, enkele haperingen van ‘hmmmm’ & ‘hmmm’, een verontwaardigde & verongelijkte blik, & geen enkele haal van z’n sigaar. Die laatste zat vast gekneld tussen wijs- & middelvinger, z’n duim pulkte aan ’t achtereind. Z’n blik zat vastgenageld op mijn ogen, tastten af hoe ik keek, luisterden of ik hoorde wat hij zei.
Nee, beloofde ik, ik zou nooit met z’n oude werkgever in zee gaan.

Gran komt weer naar me toe. Ik was afgeleid door een klant met een bestelling. Gran had zich teruggetrokken tot enkele meters verwijderd van de bar. Maar inmiddels zit ik weer op de kruk achter de bar.
‘Ik weet nu hoe Ronald zich voelde toen hij werkeloos was,’ zegt Gran. ‘Dat is heel treurig. Ik zie ’t ook vaak niet meer zitten nu.’
Ik mompel een ‘Oja’ & een ‘Oh’, maar verder kom ik niet. Ik probeer ‘m echter aan te blijven kijken.
‘Ik heb vele sollicitatiebrieven geschreven, maar heb nog geen enkele sollicitatiegesprek gevoerd. Ik weet nu waarom Ronald zelfmoord gepleegd heeft.’
Ik hou m’n mond. Dit is te treurig. Ik wil wel wat zeggen, maar Gran heeft mij de mogelijkheid ontnomen. Ik kijk ‘m aan. Verlegen met de situatie. Hij heeft z’n sigaar in z’n hand. Rookt niet. Z’n doorgaans bolle wangen lijken ingevallen.
Hij neemt een trek. De wolk drijft van ‘m weg. Vlak over mijn hoofd. Een klant verschijnt achter ‘m.
‘Zeg ’t maar,’ zeg ik.
Gran doet een stapje achteruit, de klant doet z’n bestelling, ik tap bier. Terwijl ik bezig ben zie ik dat Gran een slok bier neemt. Z’n sigaar houdt-ie voor z’n borst vooruit gestoken. Eigenwijs, geen invloeden proevend van buitenaf, staart-ie voor zich uit.

Waarbij we ons afvragen of er wellicht binnenkort 1 minder is in Zijperspace.

andermaal

’t Schijnt licht buiten, langs de gordijnen. Met daardoorheen een wolk van damp. De parasol staat de regen van afgelopen dagen weg te hijgen. Met elke zonnestraal komt er een nevel van damp los. Als ik niet had geweten dat ’t vocht van de parasol afkomstig is, dan had ik de brandweer moeten bellen.
’t Wordt tijd dat ik de deuren weer opengooi. De lente lijkt teruggekeerd.
Voordat ik me er toe kan zetten schiet er een vreemd vogeltje voorbij. Houdt rust op de schutting. Ik zie een witte vlek op z’n rug, maar door gemis van bril kan ik niet meer onderscheiden. Ja, dat-ie slanker is dan een mus, dat nog wel, maar de details ontgaan me, komen over als een wazige vlek van grote algemeenheid. Een vogel, dat zie ik, een vreemde vogel, maar een stapje dichterbij & hij is weg.
Nu ik ‘m toch weggejaagd heb, kan ik net zo goed de deuren meteen wijd openzetten. De frisse lucht ’t huis in laten trekken. Ik heb ’t gevoel dat visite slechts de geur van slaap hier kan ruiken. Dat moet er uit. In ieder geval ’t idee.
De spreeuw heeft kinderen. Ik zie ’t aan de foerage die hij met zich meezeult. O nee, dit is een zij. Ze houdt steeds een tussenstop op dezelfde schutting waar daarnet de vreemde vogel zat. Ik kijk ‘r recht in de ogen als ik m’n 1e stap buiten zet. ’t Wormpje krult een snor aan weerskanten van haar snavel. Schichtig kijkt ze om zich heen. Kijken of niemand ziet waar ze heen gaat. ’t Nest moet blijkbaar geheim blijven. Tot nu toe lukt dat, want ik zie ’t stel wel af & aan vliegen, maar heb nog niet ontdekt waar ze nesten. Ik heb eigenlijk ook nog geen zin gehad om ’t op ’t spoor te komen; laat ze liever met rust.
Ik til alle benodigdheden weer naar buiten. De stoel, ’t boek, de thermoskan thee, ’t krukje voor m’n voeten, de suiker, de snijplank met m’n ontbijt. ’t Ritueel is weer begonnen, alsof er zich geen weken van regen hebben voorgedaan, zo wordt alles vanzelfsprekend weer op dezelfde makkelijke eigen plek gezet. & Elke keer als ik weer naar binnen stap, til ik m’n voeten op om de sprietjes & takjes van m’n sokken af te slaan. Ik voel me op m’n gemak als ik telkens weer ‘tzelfde doe.
Vliegen ruimen de restanten dooie slak op, terwijl ik me in m’n stoel nestel. Ik laat ze begaan. Ze hebben hun eigen territorium & hebben daar al hun aandacht voor nodig. Met 10-tallen tegelijk zwermen ze om plekjes die, voor mij onherkenbaar, voedselrijk lijken te zijn. Voor m’n voeten, verder komen ze niet.
De zon wint aan kracht. De hitte lijkt krachtiger als ’t enkele weken door vocht is weggehouden. Een natte kracht. Ik frommel m’n mouwen tot bij m’n schouders. Wie weet wordt ’t daar ooit ook nog ‘ns bruin, ipv die wielrenner-t-shirt witte afscheiding van dat wat er onder hangt. Ik knipper met m’n ogen om te wennen aan ’t felle wit dat net zo fel van m’n boek weerkaatst.
De planken van de achterschutting beginnen te ademen. Als winters koude respiratie scheiden ook zij de regenbuien af. De rododendron bloeit ondertussen ongestoord verder. Die maakt ’t niet uit hoe nat of koud ’t is. Als ’t maar roze de vrolijke noot van de tuin mag plaatsen. De vogels in de omgeving krakelen de muziek er wel bij. Een mus doet een dansje in de lucht.

De lente lijkt weergekeerd in Zijperspace.

lawaai

Ik zit achter m’n comp als ik gegil hoor. Voor de 1e keer. Ik ga voor ’t raam staan. In gedachten over ’t geluid. & Dat waar ik mee bezig was tegelijk.
Nog een gil.
Een vrouw. Da’s duidelijk. ’t Duurt lang. Totale paniek. Ik trek me maar weer terug achter m’n comp. Dit is een geluid dat niet te bereiken is vanuit hier.
’t Is even stil.
Dan opnieuw.
Ik sta weer op. M’n achterburen gaan ook op hun balkon staan. Ik zie aan hun gezichten dat ’t gegil van enkele deuren naast mij komt. Zij kijken naar 't huis. Ik doe de deuren open. Nieuwsgierigheid. Onrust.
M’n buren praten met enkele deuren ernaast. Een vrouwenstem van over de 50. Ik kan haar niet zien, ze is achter de bomen. Maar ik hoor haar praten.
‘Ik weet niet welk nr ’t is,’ hoor ik.
Ze blijven praten. De buurman keert z’n hoofd naar mij.
‘Weet jij wat er aan de hand is?’
‘Nee.’
& Even later voeg ik toe: ‘Ik hoorde alleen maar gegil. Ik woon op 166. & Zij enkele deuren verder.’
&: ‘Wat is er gebeurd?’
‘Die buurvrouw zegt dat er een vrouw voor ’t raam stond & dat een man met een stok op haar zat in te rammen.’
Ik ril.
Ik denk: bel de politie.
& Ga naar binnen. Weer achter m’n comp.

Voor de winkel lopen enkele keren lawaaierige junkies langs. Steeds word ik gestoord. Ze zijn te luidruchtig.
Ik help een klant & zij maken weer ruzie. Nu aan de overkant van de straat. Ze lopen achter elkaar aan. 1 Trekt aan de ander z’n jas. De ander maakt een gebaar van je begrijpt ’t niet. & Kwaad. Ik heb nog veel handel. Dat allemaal in 1 blik.
Ik denk: rot op.
Ze komen nog een keer voorbij. Ik heb geen klanten ditmaal. Ik sta uit te rusten van te weinig slaap. Als ik ze hoor aankomen, ga ik in de deuropening staan. Dan kan ik ze laten weten dat ’t afgelopen moet zijn.
Maar ze lopen door. Te snel & te weinig erg van de irritatie van andere mensen op straat. Ze gaan weer naar de overkant.
Nog 1 keer, denk ik, & ik grijp ze bij hun kladden. Ondertussen rent de 1 achter de ander aan. Paniek. Waarschijnlijk ½ bedrogen.
Goed dat ik er niet naast sta. Voor allebei goed.
Zeker voor mij, besef ik me een minuut later. Je weet niet wat er kan gebeuren.

Ik praat met Rufus & Sigrid. Over van alles. Ik kan over van alles praten, want ’t werk is voorbij & ’t bier loopt gestaag m’n lichaam in.
‘1 Keer was ik heel kwaad op Sigrid,’ vertelt Rufus.
‘Waarom?’ vraag ik, terwijl ik de vragende blik naar Sigrid kijk.
‘Ik moest wegblijven,’ zegt Sigrid.
‘Ja,’ zegt Rufus, ‘we hadden afgesproken dat zij niet zou komen.’
‘Oja,’ zeg ik begrijpend, want ik begrijp op dit moment alles.
‘Ja, nee, ja, echt,’ zegt Rufus, zoals slechts een mens z’n eigen twijfel kan weergeven in 1 zin, ‘Ik had haar gezegd dat ze niet moest komen. & Toen kwam ze toch. Hier. Toen heb ik haar weggestuurd. Alle mensen keken.’
‘Stond ik achter de bar?’ vraag ik.
‘Ja,’ zeggen Rufus & Sigrid tegelijk.
‘Maar ’t was heel druk,’ vult Rufus aan.
‘’t Maakte best wel veel lawaai,’ zegt Sigrid, ‘er waren mensen die Rufus weg wilden slepen.’
‘Ik heb er niks van gemerkt,’ zeg ik.
‘’t Was druk,’ herhalen ze.
‘Maar goed ook voor Rufus,’ zeg ik, ‘want die had nooit meer teruggekomen.’
‘Nee, dan had ik van jou vast niet meer terug mogen komen.’
‘Want dan reageer ik impulsief. Dan was Rufus niet meer welkom geweest.’
‘Ja, maar goed ook dat je niks door had. Want jij doet zoiets.’

Zijperspace bestaat uit louter hypotheses.

tapje

‘Ik zal je even laten zien waar de drank & ’t eten staat,’ zegt Josje.
Ze neemt me mee naar de keuken. Opeens is ze veel kleiner, met al die visite om haar heen. Grote mannen heeft ze uitgenodigd. Ze lijkt nu in haar chique jurk voor me uit te dribbelen.
‘Goed zo,’ zeg ik, ‘dan ben ik niet van jou afhankelijk.’
In de keuken heeft ze een tapje staan. Een Heinekentap.
‘Ik hoop dat je ’t niet erg vindt,’ zegt ze verontschuldigend tegen mij.
‘Nee, hoor. Ik hoef niet altijd kwaliteitsbier te drinken. Op een feest heb je ’t toch niet door.’
Ik bekijk ’t tapje. Neemt niet te veel ruimte in, zie ik, & de fustjes zijn ook niet te groot.
‘Je hoefde geen water toe te voegen?’ vraag ik.
‘Nee?’
Josje kijkt alsof ze daar nog nooit van gehoord heeft.
‘Wij verhuren nl tapjes waarbij je dat wel moet doen. Dat scheelt, want dan is ’t tapje niet zo zwaar als je ’t moet vervoeren.’
Ik voel hoe zwaar de tap is. Ik krijg ‘m niet opgetild.
‘Ik denk dat-ie ongeveer 40 kilo weegt,’ zegt Josje.
‘& Die heb jij helemaal naar boven moeten tillen?’
‘Ja, ’t ging wel, hoor. Gewoon tree voor tree.’

Er staat een man naast de tap als ik een biertje voor mezelf wil tappen.
‘Misschien moeten we Josje halen,’ zegt-ie tegen haar moeder, die bij de aanrecht wat glazen staat schoon te maken.
Hij heeft een leeg glas in z’n hand. Alleen wat schuim zit er onderin.
‘Is ’t fust leeg?’ vraag ik.
‘Ja. We moeten even wachten.’
‘Oh, dan vervang ik ‘m wel. ’t Is m’n vak tenslotte.’
Terwijl ik bezig ben, komt er een andere vrouw de keuken binnen.
‘Zo, & hoe ken jij Josje?’ vraagt ze onmiddellijk aan de man die op z’n bier staat te wachten.
‘Waarom wil jij dat weten?’ is zijn wedervraag.
‘Gewoon, ik ken hier niemand. & Ik wil wel ‘ns weten hoe ze andere mensen heeft leren kennen. Waar kom je bijvoorbeeld vandaan?’
‘Uit Utrecht.’
‘Dan kan je toch meteen wat meer vertellen? Nu krijg ik totaal geen informatie.’
‘Maar je hebt toch de informatie waar je om vroeg?’
‘Hoe kwam je haar tegen.’
‘Op straat.’
‘Met jou schiet ik ook niks op.’
Ik heb mezelf ondertussen een pilsje getapt uit ’t nieuwe fust.
‘Jullie kunnen tappen, hoor,’ zeg ik tegen de 2 & verlaat de conversatie.

‘’t Nadeel van die kleine glaasjes is dat je zo vaak naar de keuken moet,’ zegt de jongen tegen me.
Een oud klasgenoot van haar, had Josje me verteld.
‘Dan leer je onderweg tenminste veel mensen kennen,’ zeg ik.
‘Da’s waar,’ zegt-ie, om vervolgens met een vol glas de keuken te verlaten.
Er staat nog een stel in de keuken. De jongen legt aan z’n vriendin uit hoe ze moet tappen. Zij probeert z’n adviezen op te volgen & krijgt slechts schuim. Ik neem de tap over. Ik laat ’t bier langzaam in m’n glas stromen.
‘Wat je vooral niet moet doen is je glas bij ’t tuitje van de tap blijven houden. Zodat-ie op een gegeven moment ondergedompeld wordt in ’t bier.’
‘Ach, echt kwaad kan ’t niet,’ zeg ik. ‘’t Is alleen dat door slecht gespoelde glazen de meeste ziektes overgebracht worden.’
Ik pak ondertussen ’t mislukte glas.
‘Zal ik een nieuw biertje tappen?’ vraag ik.
Ik geef ’t meisje ’t nieuwe glas bier. Schenk mezelf wat bij met ’t schuim uit ’t andere glas.
‘Dat moet je dus nooit doen,’ zegt de jongen weer.
‘Nee, dat wil jij niet, hè?’ zegt z’n vriendin.
‘Daar is toch niets mis mee,’ zeg ik.
‘Jawel,’ zegt hij, ‘dan gaat ’t gas uit ’t ene glas zich vermengen met ’t bier in ’t andere glas.’
‘& Enige gas dat in ’t bier zit is koolzuurgas. In allebei de glazen.’
‘& Dat is niet goed.’
‘Onzin.’
‘Da’s helemaal geen onzin.’
‘Sorry, ik weet toevallig wel waar ik over praat. Ik zit nl in ’t bier.’
’t Is er uit voor ik ’t door heb. Ik ga een beetje etaleren dat ik er verstand van heb. Maar ik kan mezelf al niet meer stoppen.
‘& Ik heb ook jaren in ’t bier gezeten,’ zegt de jongen.
Ik was er al bang voor. Schamper lach ik. Ik kan niet tegen onuitroeibare bierverhalen die de wereld ingebracht zijn door mensen met een dikke duim. Ik hou m’n mond. Neem een slok van m’n bier. Ik schenk nog even wat uit ’t mislukte glas bij om weer een vol glas te hebben. Dan keer ik me uit de keuken.
‘Tsja,’ verzucht ik, ‘ik werk per ongeluk in een brouwerij & een bierwinkel. Dan is ’t vaak zo dat andere mensen meer verstand van bier hebben dan ik.’

We zouden vaker niet moeten luisteren in Zijperspace.

homme

Homme Piest blijkt overleden. ’t Werd me vannacht via een i-meeltje meegedeeld. Of ik ’t wist? Staat op de reunie-site van onze middelbare school ‘t Joco.
& Via de reunie-site kom ik op een site geheel gewijd aan Homme. Vol met gedichten. Met ook nog foto’s. & Op een andere plek zelfs z’n stem.
‘Ken jij Homme nog?’ was me vannacht ook nog gevraagd.
‘Ja,’ antwoordde ik, ‘ik kende ‘m vrij goed.’
Maar toen moest ik mezelf corrigeren. Want hoelang had ik Homme goed gekend? Alleen de padvinderij misschien, maar op school was hij inmiddels een kennis van toen tussen een massa van onbekenden, een 20-tal klasgenoten & een enkele vriend.

Homme had een hoofd waar meer hersens in zaten dan dat er vlees zat. ’t Kostte moeite om voor hem een passende welpenpet of padvindersbaret te vinden. Ze pasten moeilijk. Je wist ook meteen dat je de verkeerde te pakken had als je per ongeluk die van hem op je hoofd probeerde.
Schuchter bewoog-ie zich over straat, z’n schouders iets naar voren, korte pasjes, met z’n handen hangend langs z’n lichaam. Hij lachte een grijns, waarbij z’n ogen twinkelden. Die stonden zowiezo iets meer naar buiten dan bij anderen. Hij was mager & klein, z’n schooltas was ‘m altijd te groot. Maar dat kon er ook aan liggen dat hij meer naar school nam dan de andere joconezen. Hij sleepte z’n tas voort, achter z’n rug, met 2 armen omklemd.

Meer wist ik niet. Hoewel ik veel had meegemaakt met hem op de padvinderij. We hadden samen leren knopen, waarschijnlijk had hij me er enkele geleerd, kamperen, kaarten lezen, vlotten bouwen, koken, vliegeren & vast & zeker nog wel veel meer. Maar de anekdotes wilden zich niet vormen in m’n hoofd.

Hij is al 3 jaar dood. Op 1 januari 2000 overleden.
Hij is al veel langer uit m’n leven. Waarschijnlijk heb ik ‘m 20 jaar niet gezien.
Vol verbazing bekeek ik de foto’s op z’n in memoriam-site. Een volwassen jongeman. Met nog steeds die spitse kin, hangend onder die grote hersenpan. Die laatste is echter weggestopt onder een bos met haar, weelderiger dan ik me vroeger ooit had kunnen voorstellen bij hem. Hij was iemand die vroeg kaal had moeten worden, zei mijn herinnering.
Ik hoor z’n stem als hij op z'n site een gedicht voorleest. Ik luister niet, of alleen naar z’n stem.
Ik probeer te herkennen wat ik vroeger van ‘m dacht. Een einzelgänger, een eenzame jongen, gepest, weggetrokken, eigenwijs, intelligent.
& Ik zie ‘m op foto's in kleren waar ik geen rekening mee had gehouden. Onbewust had ik gedacht dat alles ‘tzelfde zou blijven. Dat niets verandert, terwijl ik eventjes m’n leven richting ouderdom doormaak. Maar hij blijkt ook ouder te zijn geworden, keuzes te hebben kunnen maken, daarbij passende kleren te hebben gevonden, te zijn veranderd, gedichten te hebben geschreven, dood te zijn gegaan.
Ik probeer ‘m z’n stem te herinneren, zoals ik ’t nog ervaren heb. Van toen wij 12 jaar waren. Van toen hij ’t sarcasme al had uitgevonden, lang voordat ik die techniek van wereldbeschouwing doorkreeg. Ik zie ‘m voorover buigen, z’n hand lichtjes voor de mond, waarbij hij verhaalt van een grappige gebeurtenis, voorzien van cynisch commentaar. Maar ik hoor ‘m niet.
& Ik wist niet dat hij van schrijven hield.

Maar al die jaren schreef hij, de jaren dat-ie geen deel uitmaakte van Zijperspace.

servetjes

Ik bestel altijd ‘tzelfde. Meestal bestel ik nogeneens, de jongen weet al wat ik wil hebben. Dan loop ik binnen, m’n fiets heb ik nog net op slot gezet vlak voor de deur, plaats me voor de toonbank, buig m’n hoofd een beetje voorover, zogenaamd om te kijken of de picanto er nog lekker bijligt, ik knik & hij zegt: ‘Weer ’t zelfde?’
‘Ja, doe maar,’ zeg ik.
Hij reikt naar de picanto, gooit de patat er in, ik haal een 10tje tevoorschijn, we rekenen af & ik kan daardoor met een muntje m’n bamischijf uit de muur trekken.
Soms vraagt-ie: ‘Ketchup?’
‘Ja, altijd ketchup.’
Onze conversaties bereiken aldus ongekende hoogtes rond ’t moment dat ik de 1e hap bamischijf in m’n mond stop. Die moet zo snel mogelijk op, want tijdens ’t wachten moet ik nog een spelletje spelen op de Photoplay. De 50 eurocent wisselgeld die ik in m’n hand gedrukt heb gekregen, heb ik daarvoor gereserveerd, de rest verdwijnt in m’n portemonnee.
Achter me hoor ik ’t borrelen van ’t frituurvet, de eventuele andere klanten hun bestellingen meedelen aan de jongen, de muur een paar keer opengetrokken worden. Naast me staat altijd wel iemand zinloos geld te gooien in ’t telefoontoestel. ’t Komt zelden voor dat iemand met dat apparaat direct contact krijgt. Buiten raast ’t verkeer voorbij, stappen mensen in de tram.
Als ik klaar ben met m’n spel duurt ’t meestal niet lang meer voordat m’n patat & picanto geserveerd kunnen worden. In de daarbij horende snackbarzakken. Ik haal m’n fiets alvast van slot, zodat ik meteen weg kan rijden. De laatste minuten wachten kan ik de fiets in de gaten houden. Ik heb geen aandacht meer voor ’t spel. Ik krijg m’n tas aangereikt, ik zeg gedag, hij wenst me een prettige avond, ik hem ook, tot de volgende keer, & eet smakelijk bovendien, allemaal voor dezelfde prijs, zelfs de brede glimlach. Ik stap op m’n fiets. Snel. M’n patat mag niet te veel afkoelen.
Thuisgekomen merk ik altijd de overbodige vorkjes op. Ik laat ze in de tas zitten, die vanaf ’t moment dat ik ga zitten als vuilniszak dienst gaat doen. Alles dat weg kan beland er in. Met m’n benen onder me gekruist neem ik plaats op m’n bank, de tv aan, zo min mogelijk lichten, kachel aan, maar de gordijnen nog open. Kost te veel tijd. Eten mag niet koud. Sambal erbij. Rust. Behalve in ’t eten.
& Uiteindelijk ben ik ‘m dankbaar, de jongen. Ik eet, denk ondertussen aan de glimlach, z’n petje dat net niet scheef staat, z’n snelheid, waardoor ik niet kan zien wat hij doet, wanneer & op welke volgorde, maar altijd op tijd, & besluit dat ’t toch wel prettig is dat-ie er zoveel servetjes bij heeft gestopt. Ik gebruik ze tegenwoordig allebei. Gewoon, omdat ik ’t zo aardig vind dat-ie ’t doet. Dat ik ze niet ongebruikt kan laten daarom.

We zouden inmiddels niet meer durven in Zijperspace.

columbine (dl 3)

Nou kan ik wel 2 stukjes schrijven over hoe ik op zoek ben naar de film Bowling for Columbine, maar ik vind ’t niet helemaal netjes van mezelf als ik daar niet bij vertel dat ’t nodig is dat zoveel mogelijk mensen die film moeten gaan zien. Zeker niet nadat ik ‘m uiteindelijk zelf heb bekeken. Thuis in m’n luie stoel, hangend voor de comp. Mbv ’t programma Divx.
Tuurlijk heeft ’t minder zin dat wij de film zien, ‘wij’, mensen in Europa, ‘wij’, mensen die mijn stukjes lezen, in vergelijking met ‘zij’, mensen die daar in de VS zitten. Ik ga er vooralsnog van uit dat ‘wij’ mensen intelligent genoeg zijn om de boodschap niet nodig te hebben, we gebruiken hier minder geweld, we doden hier minder mensen, Nederland is geen wereldmacht. Maar ’t zou evengoed een goede zaak zijn als men toch moeite deed de film te gaan zien. Ik heb er 2 dagen over gedaan om ‘m uiteindelijk te kunnen aanschouwen, ik heb er onnozele ‘avontuurtjes’ door beleefd, & over die wederwaardigheden heb ik onnozele stukjes geschreven. ’t Wordt tijd dat meer mensen dat doen.
Ik zet zodirect Kazaa aan. Ik laat de comp aan, ik laat de internet verbinding intact, terwijl ik ondertussen aan ’t werk ben. De komende tijd is mijn comp beschikbaar om stukken Columbine weg te halen. ’t Is geen groots gebaar, men zal vanwege mijn adsl-verbinding ’t niet razendsnel bij me weg kunnen trekken, ’t is geen grootse film, maar de film is ’t wel waard. Meer mensen zouden de film moeten zien. ’t Zou kunnen helpen tegen ’t niet nadenken. Da’s een begin.

Gaan we ons daarna wijden aan andere zinnige stukjes in Zijperspace.

columbine (dl 2)

Gisteren reeds, ik kwam net uit de voorstelling van The Matrix, Reloaded, dacht ik: ik moet Columbine misschien maar ‘ns op video gaan huren. Ik ben echter niet onmiddellijk richting videotheek getogen, om zodoende de daad bij ’t woord te voegen. Ik vond dat ik nog wel genoeg andere dingen te doen had. Maar toen ik 1maal in een kroeg gezeten was, gelegen dicht bij 1 van de filialen van Amsterdam Movie Centre, kreeg ik trek. M’n dorst had ik gelest, m’n behoefte er uit te gaan, uithuizig te zijn, was ook bevredigd; nu was ’t tijd om iets voor de avond te verzinnen. ’t Was tenslotte weekend, ’t was tijd om mezelf te vermaken, te ontspannen, bezig te houden, zogezegd. Dat kon ook anders dan door alleen maar alcoholische versnaperingen verorberen.
Maar de film die ik zocht was er niet. Uit hoge nood een andere band meegenomen. Iets luchtigs, iets om me mee te vermaken, iets om de gedachten te verzetten.

Vandaag, ’t was rond 13.00 uur, vertrok ik richting Tuschinski. Cinema.nl had mij gemeld dat Columbine om 13.20 uur zou draaien vandaag. Ik leg veel vertrouwen in Cinema.nl. Ik geloof zowiezo bijna alles wat men mij vertelt. Men kan mij veel wijsmaken. Dat beschouw ik als een goede eigenschap.
De dame aan de kassa wist van niets. Ook al had ik er een kwartier voor in de rij gestaan, de film draaide niet. Dat was ook iets waar ik geen rekening mee gehouden had: een rij. & Regen. Ik vind regen niet erg, ik vind ’t zelfs bij tijd & wijle aangenaam. Maar staande in de rij voor de film die reeds begonnen moet zijn, dan kan ’t mij niet bekoren.
Achteraf bleek ’t nog minder te genieten zijn geweest, want de film draaide dus niet. Onvertogen keerde ik terug naar m’n fiets, die ik in gezelschap van enkele soortgenoten met uitzicht op de Amstel had gezet. Ik nam nat plaats op m’n fiets. Niet vanwege de regen, die was alleen maar chagrijn verwekkend bezig geweest. Vooral door ’t haasten richting Tuschinski was mijn gelaat gehuld in vocht. Een kwartier rusten in de rij mocht dat niet doen vervluchtigen.

Ik besloot nog een visite aan de videotheek te wagen. Ik moest tenslotte nog een band inleveren. Nu zou ik echter ook zo dapper te zijn ’t te gaan vragen.
‘Geachte mevrouw (eventueel ‘meneer), zou u zo vriendelijk willen zijn mij op de hoogte te stellen van ’t al dan niet aanwezig zijn, ’t wellicht in ’t bezit hebben van een band door ’t bedrijf waar u hand & spandiensten aan verleend, waarschijnlijk tegen een redelijke vergoeding, waarbij ik geenszins nieuwsgierig ben naar de hoogte van ’t corresponderend bedrag waarmee uw broodheer u beloont, met de naam Bowling for Columbine? Mocht u deze vraag niet in ’t geheel kunnen bevatten, wil ik ’t wel simpeler stellen: heeft u een band met voornoemde titel op de voorkant, & geregisseerd, zoals dat zo mooi heet, maar ’t zou kunnen zijn dat de heer wel meer dan dat alleen heeft bewerkstelligd met als doel ’t realiseren van ’t finale product, zijnde de film reeds genoemd, door Michael Moore? Heeft u die?’
De winkel bleek dicht. In de tijd dat ik mijn dagen nog doorbracht met pretenderen dat ik film & tv-wetenschap studeerde, ging de winkel niet later open dan klokslag 12, maar in deze tijd, de tijd dat mensen niet meer naar bioscopen kunnen vóór noen, blijken videotheken hun deuren gesloten te houden tot aan ’t uur 2 in de middag.

Ik besloot naar de bieb te gaan. Ik moest m’n tijd door zien te brengen tot 2 uur.
Onderweg bedacht ik me dat men ook in bibliotheken videobanden te huur heeft. & Dat wel voor een lager tarief, tevens een langere periode, dan de commerciële videotheken gewend zijn te doen.
Zo kwam ik er achter dat ik nog een hele lading films te gaan heb. Ik heb veel gemist in de jaren van onthouding, de jaren dat ik af moest kicken van de gewoonte hele dagen voor de tv te hangen, dan wel me in ’t donker van de bioscoopzaal te begeven. De bibliotheek aan de Prinsengracht illustreert dat, & dat nog wel dmv een heel bescheiden collectie (die van mij is groter, ik kan ’t niet nalaten dat even te benadrukken, dan wel in ieder geval groter dan op dat moment in de kasten op de 4e verdieping stonden). Ik heb meteen maar, om mezelf van dit feit te doen doordringen 3 banden meegenomen.

Overigens las ik vanochtend dat mensen die lezen ’t visuele gedeelte van hun hersenen uitschakelen. Mensen met dyslexie hebben daar moeite mee. Ik vroeg me af hoe ’t toch kan dat ik als een bezetene films kan kijken, als wel als een geschifte boeken kan verslinden. Roepen die verschillende ervaringen ook niet verschillende belevingen op?

Thuisgekomen bleek de oplossing voor ’t bekijken van Columbine binnen te zijn. Ik heb gelijk gecontroleerd of ’t werkte.
’t Werkte.
Maar ik was moe van de jacht naar beeldmateriaal. Ik ben in de tuin een boek gaan lezen. Ik dronk er een biertje bij. Voordat ik ging zitten heb ik echter 1st de tuin gecontroleerd op slakken. Die moeten zich nergens mee bemoeien. Volgende keer zijn zij weer.

We moeten overal onze tijd voor nemen in Zijperspace.

columbine

Ik wilde Bowling for Columbine (vanaf nu kortweg: Columbine) wel ‘ns een keertje zien. M’n nieuwsgierigheid was reeds lang geleden geprikkeld, maar ik kwam er steeds niet toe de bioscoop er voor te gaan bezoeken. Enkele maanden geleden heb ik met Rachel op ’t punt gestaan erheen te gaan, maar we prefereerden uiteindelijk een film met een strekking die minder met geweld, politiek & opinies te maken had. We hebben ons vermaakt, zeker, maar de spijt bleef dat ik Columbine niet in m’n kijkrepertoire had zitten.
Gister ging ik naar The Matrix, Reloaded. Moest & zou ik zien. Zo snel mogelijk. Tuurlijk had ik ook wel naar Columbine kunnen gaan, maar die begon pas om 13.20 uur. Ik ga ’t liefst naar de vroegste film. Ligt aan m’n impulsiviteit, m’n behoefte me veel te bewegen, ook al zit ik, & ’t gevoel te willen hebben dat zo min mogelijk er last van hebben. Maar tevens m’n dwangmatigheid. Ik besluit naar een film te gaan & van dat idee ben ik niet meer af te brengen. Ik had ’t afgelopen vrijdag besloten & t/m gister bleef dat idee op die manier in m’n hoofd zitten. Ook al bleek Pathé de prijzen van recente films verhoogd tot maar liefst € 9.,50.
Dat brengt een mens aan ’t twijfelen. Zeker een persoon als ik, met een krappe portemonnee, een gebod richting zelf toch zo min mogelijk geld uit te geven, voor de duur van minstens 2 maanden, & slechts geld te besteden aan de allernoodzakelijkste luxe-goederen. Zoals daar is The Matrix, Reloaded. Maar dan wel betaalbaar.
Ik was ook zeker uit de rij gestapt als er niet achter mij, een man & een vrouw ontwaardde ik door sluiks met m’n ooghoeken waar te nemen bij een lichte draai die kant op, steen & been werd geklaagd.
‘Zo!’ kwam mij ter oor. ‘Die durven! Negen Euro Vijftig! Ze denken ook dat ze alles kunnen maken!’
Met 4 uitroeptekens & 6 hoofdletters sprak de man ’t uit. Ik wilde me niet meer laten kennen. Zeker niet tegenover mensen die klagen & dan toch gaan. Heel vervelend als juist die mensen achter je staan.
Bovendien zou ’t nog 1½ uur duren voordat Columbine in Tuschinski zou beginnen. Ook een goed excuus, bedacht ik me. Ik zou niet weten hoe ik me gedurende 1½ uur in hartje Amsterdam zou moeten vermaken. Ik ben geen toerist, laat staan provinciaal.

’s Avonds laat, ik had de dag er op zitten, inclusief ’t bekijken van The Matrix, Reloaded, koppijn, maaltijden, bier & enkele hoofdstukken van De Movo Tapes; ’s avonds laat besloot ik dat ik net zo goed Columbine kon downloaden. Ik heb tenslotte een comp & internet tot mijn beschikking. Stom dat ik daar niet eerder aan had gedacht. & Hoewel ik altijd de ondertitels lees bij films, ook al is ’t in helder & sprankelend engels, zweeds, frans, duits of fries, bedacht ik dat ’t ontbreken ervan toch geen enkel probleem voor mij moest betekenen.
Downloaden dus. (Ze hebben ondertussen een nederlands woord uitgevonden voor spam: plaagpost, maar ’t zou toch eens tijd worden dat een vindingrijk taalpurist zich zou buigen over ’t woordje downloaden; ik ben wars van purisme, maar heb wel een hekel aan dat engelstalig woord, & binnenhalen dekt de lading niet.)

Ik ben gek van getalletjes. Bedacht ik me vannacht weer ‘ns. Ik werd er akelig mee geconfronteerd. Ik bleef kijken naar ’t scherm. Naar ’t tellertje op ’t scherm dus. Naar meerdere tellertjes op ’t scherm eigenlijk. Ik zat mee te tellen, ik berekende percentages, moedigde mede-Kazaagebruikers aan vooral niet offline te gaan & zo snel mogelijk ’t eind van ’t tabelletje te halen, ik rekende uit hoelang ’t minstens nog zou duren, ik vermoedde hoe vroeg ’t misschien wel klaar zou zijn, & leerde ondertussen ’t getal uit m’n hoofd dat stond voor de hoeveelheid bytes dat binnengehaald moest worden: 717236 Kb.
De conclusie van al de getalletjes die ik in m’n hoofd kreeg, geholpen daarbij door de overzichtelijke statistieken die Kazaa zelf me voorschotelde, van alle gegevens die door m’n hoofd dwarrelden, combinaties probeerden te maken, hun eigen, weliswaar kortstondige, leven in m’n kop gingen leiden, was dat ik des ochtends me zelf kon trakteren op een film bij ontbijt.
Ware ’t niet dat m’n screensaver roet in ’t eten gooide.
Maar ik was in ieder geval al halfweg. Gedurende m’n ontbijt heb ik weer kunnen genieten van verder lopende balkjes, een uitdijend universum (Columbine in z’n geheel op mijn comp, dat is), prognoses, teleurstellingen, herboren hoop & de uiteindelijke bevrediging toen ’t programma aan gaf dat alles binnen was. Ik nam terstond de laatste hap van m’n boterham met zelfgemaakte tapenade.

Bleek alleen dat ik geen decompressieprogramma op m’n comp had. Dat gaf ’t programma tenminste aan dat de film vervolgens had moeten afspelen. ’t Enige dat ik mezelf kon voorschotelen was ’t geluid. Geen probleem, zoals reeds gemeld, zonder ondertitels kan ik gerust de engelse taal volgen, maar ik had zo graag plaatjes erbij voorgeschoteld gekregen.

Goed. Om 13.20 uur dus. In Tuschinski. Nog iets minder dan 1½ uur te gaan.

Ik zit nu echter wel gezellig bij mezelf thuis in Zijperspace.

drrrrriiingggg

Bij mij klinkt de deurbel nooit, of in ieder geval zelden, dus ik beweeg me onmiddellijk verrast naar de deur. Een greintje huiver doet me onderweg nog twijfelen. ’t Illegaal in onderhuur wonen zit nog steeds in me, ik schrik een beetje terug. Tegelijkertijd vrees ik de Jehova’s getuigen: hoe moet ik zo snel mogelijk van ze af komen & de avond weer in ’t teken van mezelf krijgen?
Lopend door de gang bedenk ik me ook voor de zoveelste keer dat ik de lamp niet vervangen heb. Te lui om een tafel & een trap de gang in te schuiven. Te lui om een geschikte lamp te zoeken. Te lui. Ik moet me bij de voordeur maar even excuseren voor ’t ontbreken van licht.
Misschien is ’t wel een vriendin. Vroeger, toen ze nog om de hoek woonde, kon Marlies ook plotseling voor de deur staan. Maar ze was wel de enige van m’n kennissen. Hooguit Roen kwam nog ‘ns aanwaaien, diep in de nacht, ik was toch tot laat wakker wist-ie, om wat videobanden te lenen. Had-ie wat te doen.
Of anders 1 van m’n buren. Iets niet meer in huis. Zoals dat vroeger in strips voorkwam. ’t Kopje suiker. Mijn buren zouden bij mij langs kunnen komen om te vragen of ik misschien nog wat bier overhad: plots visite & niets in huis. Kom ook wat drinken, gezellig, dan breng ik morgen je bier terug. Zo zou dat gaan. Ze weten dat ik altijd bier in huis heb. Vandaag nou net even wat minder, maar er is altijd een speciale noodvoorraad in de kelder. Heel duur, & eigenlijk alleen voor speciale gelegenheden, maar nood breekt wet.
Wie zou ’t zijn, daar aan de deur?

Er staan 3 jongens in ’t portaal. 2 Zijn kortgeschoren, stekeltjes, de 3e heeft oor tot tegen de oren. Niet langer. Korte jasjes. Zwart & blauw. New wave zou je zeggen, als ‘t 15 jaar geleden was.
De voorste brabbelt iets onverstaanbaars. Totaal onverwacht onverstaanbaars. Zou hij toch van de Jehova zijn? Herken ik de boodschap niet?
‘Sorry?’
Maar na de 2e zin weet ik dat ik ‘sorry’ met een engelse intonatie moet zeggen. Daarom verstond ik ’t niet meteen.
Hij brabbelt nog iets onverstaanbaars. Met ’t woordje ‘squatting’ er in. Dat woord ken ik. Gebruik ik vaak als ik op m’n werk een rondleiding moet geven.
‘Squatting?’ vraag ik. ‘What do you mean?’
‘Isn’t there a meeting here?’
Eindelijk een zin die ik in z’n geheel versta. ’t Zijn australiërs. Zoveel is duidelijk. 2 Van de australiërs, de achterste 2, schamen zich voor de vraag die gesteld wordt. Ook dat wordt me gewaar. Ze gniffelen, doen een stap terug, ’t portaal uit, & verdwijnen uit beeld, om de hoek.
‘A meeting?’
‘Yeah, there should be a squatmeeting here.’
& Dat dan bijna onverstaanbaar.
‘Can’t be.’
‘Is this a private house?’
Hij heeft ‘t geloof al verloren, ik kan ’t aan z’n lichaamstaal zien, maar maakt ’t geheel voor de vorm nog even af.
‘Yeah, this is private.’
Hij keert zich om, achter z’n vrienden aan.
‘I think you should be somewhere else,’ zeg ik nog even. ‘Good luck.’

Ik loop weer m’n kamer weer in. Wil weer gaan zitten. Maar besluit nog even in de voorkamer, achter de gordijnen, te gaan staan. Als een oud mannetje spied ik langs de gordijnen door ’t raam. Ik hoor de jongen die me aangesproken heeft nog wat zeggen. Ik probeer ze in ’t vizier te krijgen. Maar ik zie noch versta ze. Langzaam sterft ’t geluid van de jongens weg.
Ik loop naar de keuken. Zet ’t water weer aan. ’t Moet nog maar eens koken. ’t Is al te veel afgekoeld. Terwijl ’t weer naar de kook gaat, werp ik een blik op de regen die buiten de sfeer bepaalt. Lekker, denk ik, maar jammer voor die jongens.
Ik pak een theezakje. Met een grote mok thee zet ik me even later weer in m’n stoel.

Dat was een spannende avond in Zijperspace.

woongroep

‘Nou,’ zegt Ina, ‘ik heb zoiets: als Steven ’t huis uit is, mij niet perse meer nodig heeft, dan ga ik op m’n 55e lekker een woongroep in.’
‘Ah,’ zegt Linda, ‘dus jij denkt daar ook zo over?’
‘Ja, wat zou ik nou in m’n 1tje thuis gaan zitten? Zogauw ik de mogelijkheid heb, schrijf ik me in. & Dan zal ik wel door een ballotagecommissie moeten, maar dat vind ik allemaal prima. Ik zie wel of ik er in gestemd word. Ik vind dat ik dan toch net zo goed ’t gezelschap kan zoeken van andere mensen. ’t Enige wat je moet doen is af & toe je opgang boenen, maar dat ook alleen als je er toe in staat bent. Als je mee wil eten, dan kan ‘t, maar je kan ook je eigen eten blijven klaarmaken. Je kan je aanpassen aan datgene wat ze organiseren, maar ’t hoeft niet.’
‘Maar dan wil je dus de stad uit?’
‘Nee, hoor. Een vriendin van me, die zit hier op de Marnixkade. Als je er uit wil, dan ben je zo in de stad, & ertegenover ligt een zwembad. Je doet je raam open & je kan autootjes voorbij zien rijden, dus je zit midden in de wereld. Kijk, die mensen zijn nog zo zelfstandig dat ze elke dag kunnen beslissen of ze een borrel willen gaan drinken in een café of dat ze een filmpje willen pakken. Dat wil ik straks ook. Daar langzaam oud worden lijkt me wel wat. & Je hebt altijd mensen om je heen, terwijl je toch je eigen opgang hebt.’
‘Wie weet komt een mens nog iemand tegen daar.’
‘Ja, dat kan toch ook. Dat zal wel niet gebeuren, maar je hebt in ieder geval contact met iedereen.’
‘Zo dacht m’n vader er in ieder geval over. M’n moeder was overleden & op z’n 80e kwam-ie een andere vrouw tegen. “Ja, wat moet ik dan?” zei hij. “Ik kan toch ook niet bij de pakken neerzitten?” & Elk jaar gaat-ie naar Spanje. Zolang ’t gaat, moet-ie ervan profiteren, vindt-ie.’
‘Ik ken een vrouwtje, ik ga er regelmatig een uurtje langs, ze is 93, die is nog hartstikke bij. Alleen haar lichaam wil niet. Ze zegt: “Ik weet niet waar ik ’t nog voor doe. Ik weet alles, maar m’n lichaam is ’t daar niet mee eens.” Ze heeft kleinkinderen & acherkleinkinderen, maar die zijn allemaal al geboren. Op dit moment staat er geen geboorte op stapel dus heeft ze niets meer om naar uit te kijken. Dan zegt ze: “Ik kan wel blijven leven, maar ik heb alles al meegemaakt, kinderen, kleinkinderen, achterkleinkinderen. Ik weet niet waar ik ’t nog voor moet doen.” & Echt: als ik langskom, dan weet ze alles, dan moet ze een foto van Steven zien & zegt ze dat-ie toch wel gegroeid is sinds de laatste keer. Maar eigenlijk wil ze niet meer.’
‘Je zou ook de mogelijkheid moeten hebben er uit te stappen als je wil.’
‘Nou, ik heb ’t tegen Steven gezegd hoor. Als ik er geen zin meer in heb, dan moet ’t afgelopen zijn. Maar goed, 1st ga ik straks naar een woongroep. Dat lijkt me wel wat: langzaam ouder worden in zo’n woongroep.’
‘Ha,’ bemoei ik me er mee, ‘nog 16 jaar & dan mag ik ook naar een woongroep.’
‘Ik zal 1st nog maar even eten klaar gaan maken voor m’n jongen,’ zegt Ina. ‘Aju.’
Ze pakt haar tas op & gaat ervandoor. Ik reken nog even uit wanneer ik me aan moet gaan melden om bijtijds verzekerd te zijn van een plaats op de Marnixstraat, of dat ik toch liever dan op ’t platteland wil wonen.

We zijn nog niet voorbereid op dat wat komen gaat in Zijperspace.

accumulation

Smog - Little Girl Shoes

Smog (oftewel Bill Calahan)(soms pleegt-ie z’n artiestennaam/bandnaam tussen haakjes te schrijven) heeft enkele van de b-kantjes van z'n tot op dat moment verschenen singles verzameld op 1 cd: Accumulation None. Lang niet alles, nog lang niet al z’n bijzonder, moeilijk verkrijgbaar werk. Maar als je echt moeite moet doen om er aan kan komen, dan zal je al tevreden zijn met 't kleine beetje dat aangereikt wordt.
Terwijl ik naar enkele b-sides zat te luisteren wendde m’n hoofd zich in gedachten naar boven, richting plafond. Ik zag behang dat niet overal gelijk weggesneden was, ik zag streepjes verf uitgeschoten zitten op plinten in een andere kleur. Als ik goed keek zag ik overal wel onregelmatigheden in de afwerking van m'n woonkamer.
M’n huis is net niet perfect, dacht ik.
Maar ik wil ook geen a-kantje als huis, schoot me meteen te binnen, ik wil geen grote hit zijn. Liever de b-kant van ’t hitje. Een aantal nrs die als toegift gegeven worden bij 'tgeen de meeste aandach moet trekken. Ik wil een huis waarbij je aan de voorkant niet kan zien hoe de tuin bloeit & groeit. Ik wil een man zijn waarvan al m’n ex-vriendinnen spijt hebben, omdat ze de andere kant, m'n later leven, niet hebben beluisterd. M’n wraak zal zoet zijn als die kant op de markt komt. Moeilijk verkrijgbaar, voor de afficionado. Geen rechte lijnen, geen afgewerkt geheel, geen puntjes op de I. Ik wil die toevallige voorbijganger zijn, die slechts van een bepaalde kant je aandacht trekt, die voorbij gelopen is & er is je iets opgevallen, maar je weet niet wat.
Ik zou willen dat men moeite moest doen om mij te krijgen. & Als ’t dan zover is dat men mij heeft, dat ’t dan nog moeilijk te doorgronden is ook. Een spetter verf, die je niet weg wil halen, omdat ’t de moeite laat zien die je je getroost hebt ’t te maken tot wat ’t is.

& Dat dan op de achtergrond al ’t werk van Smog wordt afgespeeld in Zijperspace.

groen

Ik dacht aldoor dat Marjolijn uit Den Helder kwam. Dat idee kwam ergens vandaan, dat idee zat ergens diep in me. Misschien omdat de zoon van 1 van mijn vroegere docenten wel vaker bij haar zat. Als ze bier kwamen drinken. Maar ik kon haar niet plaatsen, niet precies. Ik dacht alleen dat ze uit Den Helder kwam. Dat kon niet anders. Haar gezicht was ooit voorbij gekomen, Den Helder moest ’t zijn.
& Marjolijn droeg groen.
Ik zei ‘ns tegen haar: ‘Hé, je bent net als ik.’
‘Wat dan?’ vroeg ze.
‘Je draagt groen.’
Maar ik had op dat moment een broek aan waarvan ’t groen goeddeels weggesleten was. M’n t-shirt kende de kleur niet eens. Toch wist ik ’t zeker. Zij droeg groen, net als ik. Vanaf toen lachte ze elke keer als ze ’t herkende. Of juist niet.

Ik kreeg plots meeltjes van Marjolijn & haar vriend Radboud. Nou ja, ze hadden ontdekt dat hun barman de man achter een weblog was. Ik werd gefeliciteerd met m’n verjaardag, terwijl ik niet wist wie zij waren. Hoewel ik ze moest kennen. Ik ging ’t hele repertoire aan klanten wiens gezicht ik voor de geest wist te halen af. Ze kwamen niet tevoorschijn. Totdat er een ‘gefeliciteerd’ uit ’t publiek weerklonk toen ik glazen aan ’t halen was.
‘Hoe weet je dat ik jarig was?’
‘Oh, sorry, ik ben Radboud. Ik heb je een meeltje gestuurd met je verjaardag.’
& Zij was Marjolijn. Ze las de stukjes over m’n vader.

‘Bedankt voor ’t meeltje dat je stuurde nav de stukjes over m’n vader,’ zei ik zondagmiddag tegen haar.
Ze was even daarvoor binnengekomen. Samen met Radboud. Ik had ’t geregistreerd. Ik had haar gedag gezegd. Een blik van herkenning. Een blik die enkele jaren geleden nog niet bestond. Zonder internet.
‘Wij weten iets van elkaar, dat zien andere mensen niet, & dat hoeft ook niet.’
Die blik. Zo ongeveer.
Vluchtig ging die blik voorbij, in de drukte die ’t barwerk vergt. In de drukte waarin een klant z’n bier bestelt & ontvangt.
Maar soms haal ik ook glazen. Vermengd met ’t publiek, m’n weg vindend door ’t publiek, blikken metend, vangend, ontmoetend.

Ik knielde neer naast Marjolijn. Radboud was net naar binnen om bier te halen.
‘Bedankt voor ’t meeltje dat je stuurde nav de stukjes over m’n vader,’ zei ik tegen haar.
& Voelde me ondertussen onbeholpen door de stapels glazen die m’n armen vulden.

Ik had al veel vaker zitten denken hoe ik zou moeten reageren. Moest ik ’t onderwerp aansnijden, als zij binnenkwam, ook al was ’t druk? Moest ik afwachten wat er zou gebeuren? Moest ik begrip tonen? & Hoe toon je begrip? Waar begrijp je elkaar & waar houdt ’t begrip op? Wanneer zou ze binnenkomen & hoe gedraag je je als je met een mond vol tanden staat?

‘Bedankt voor ’t meeltje dat je stuurde nav de stukjes over m’n vader,’ zei ik tegen haar.
Ik zat op m’n knieën bijna. Door m’n hurken, vlak naast Marjolijn. Ik herinnerde me hoe ze plots verdwenen kon zijn als ik enkele tranen had zien glinsteren. Enkele maanden geleden.
‘Ik had ze allemaal doorgenomen, & ik zag allemaal dingen die me aan mijn vader deden denken,’ zei ze. ‘Hoe oud zijn jouw ouders nu?’
‘M’n moeder is 68, m’n vader 70.’
‘Mijn vader was 70 toen hij ziek werd, 71 toen hij stierf.’
Soms zie je geen tranen, maar voel je tranen door alles heen, door ’t gelaat getrokken, verborgen, weggestopt in een hoek, & toch door de houding, door ’t vertrouwen die iemand in je stelt, zie je stille weerklanken van pijn.
‘Hoe gaat ’t nu met ‘m?’ vroeg ze.
‘Ik heb ‘m nu eigenlijk al 3 weken niet gezien. Maar ik geloof dat ’t nu weer wat beter gaat. & Toch gaat ’t heel snel bergafwaarts.’
Ik voelde hoe ik alles had weggestopt, hoe m’n vader wel bestond over de telefoon, in gesprek met m’n moeder, maar niet in levende lijve.
‘Hij is nu opgenomen?’
‘Nee, hij kon een week logeren, zeg maar. Er was een plek vrij voor hem, een week lang. Maar ondertussen is hij weer thuis. We hopen eigenlijk dat er snel definitief een plek voor hem is. ’t Gaat ten koste van m’n moeder.’

Ik zei nog veel meer. In die enkele minuut. Marjolijn ook. Maar niets is belangrijk, & toch alles tegelijkertijd weer wel.

Radboud kwam terug met bier. Net rond ’t moment dat we uitgesproken waren. Ik probeerde overeind te komen, want ook ik moest weer verder.
‘Lukt ‘t?’ vroeg Marjolijn.
‘Nee, eigenlijk niet,’ zei ik.
M’n spieren in m’n bovenbenen waren verkrampt geraakt door de stramme gehurkte houding. Ik stak een hand uit om m’n lichaam & de zware vracht glazen extra steun te geven. Ik leunde daarmee op de schouder van Marjolijn. Moeizaam kwam ik omhoog.

Ik kwam overeind. & Heb de rest van de middag gewerkt. Marjolijn & Radboud hebben op ’t terras gezeten. Af & toe kwam ik langs om glazen op te halen. De dag was voor een groot deel ‘tzelfde als elk andere willekeurige zondag.
Ik droeg een groene broek, die allang niet meer groen was. Maar ‘t voelde groen.

Zoals dingen niet meer zijn in Zijperspace, maar er wel zijn.

grijs

De buurman van de Gay- & Lesbianbookshop heeft nog wat kranten over aan ’t eind van de dag. Die kunnen wij gebruiken om glazen in te pakken. We krijgen ze vlak voordat Frank de deur van z’n winkel op slot doet. Wij hebben nog een klein uurtje te gaan; we blijven altijd een uur langer open, maar aangezien er niemand op dit moment aan bier lijkt te denken, of men zit reeds op ’t terras, kunnen we niets anders doen dan in de zon voor ons uit te zitten staren. Kijken naar wat er gebeurt.
Ik krijg de stapel kranten aangereikt. Frank kijkt onderwijl naar m’n kapsel waar de zon vol op schijnt.
‘Zo, je begint behoorlijk grijs te worden,’ zegt-ie.
Blijkbaar doet de zon de grijze haren duidelijker weerschijnen. Al jarenlang willen mensen opmerkingen maken over m’n verdere vergrijzing.
‘Ja, da’s al jaren aan de gang,’ reageer ik op Frank.
‘’t Begint serieus te worden,’ gaat Frank verder, ‘je jeugd lijkt voorbij.’
‘Ach, vind ik helemaal niet erg. Weet je nog m’n neef? Die had die posters gemaakt voor ’t Gay- & Lesbian Filmfestival. Die was vlak na z’n 20e al helemaal grijs. Bij mij kwamen de 1e grijze haren ook zo rond m’n 21e. ’t Heeft alleen niet doorgezet.’
Frank knikt.
‘’t Staat jou best wel mooi,’ zegt-ie, na me nog een kort moment aanschouwd te hebben. ‘Ik kan me voorstellen dat mensen de grijze haren er uit trekken, maar dat moet jij vooral niet doen.’
Ik glunder een beetje onder ’t compliment. Frank kijkt me nog ‘ns aan & keert zich dan om. Z’n vriend staat voor de winkeldeur ongeduldig te wachten om ’t weekend te laten beginnen.

Thomas, m’n zaterdaghulp, past in leeftijd 2 keer in die van mij. Dan houd ik nog wat jaartjes over ook. Hij werkte bij de Albert Heijn, maar nadat hij bij ons stage had gelopen, & er achter kwam dat ’t uurloon bij ons hoger was dan bij de grootgrutter, koos hij voor onze winkel. We hadden ‘m hard nodig. Hij vindt ’t bij ons niet zo massaal & anoniem als bij de AH. & Dat-ie in een speciale winkel werkt, vindt-ie ook belangrijk.
Hij is jong, maar door z’n lengte zie je dat makkelijk over ’t hoofd. Dit in tegenstelling tot z’n vriendjes & vriendinnetjes, die af & toe komen aanwaaien. Die zijn vaak nog klein & tenger, nog niet volgroeit. Thomas steekt makkelijk 2 koppen boven ze uit. Maar hij steekt ook af, met z’n rossige haar.
‘M’n vader heeft geen rood haar, m’n moeder niet, & ook m’n broer niet,’ heeft-ie wel ‘ns verteld, ‘m’n opa van moederskant wel; ’t heeft een generatie overgeslagen.’
Met z’n vrienden spreekt-ie telefonisch af. Z’n mobiel gaat een paar keer per dag af.
‘Wat ga jij doen vanavond?’ luidt de vraag elke keer weer.
Dan komt-ie de week erna bezaaid met blauwe plekken de winkel in.
‘Er liep een kleuter door de half-pipe toen ik met m’n skateboard naar beneden ging.’
Maar hij werkt door. Behalve als iemand langskomt, dan maken ze een praatje, maar dat mag van mij. Hij moet zich op z’n gemak voelen. Dat werkt prettiger.

Bij sluitingstijd komt Ingo. Thomas had ’t al aangekondigd. Hij komt even een biertje drinken, als ik ’t goedvind.
Tuurlijk.
Maar als ik om 6 uur de spullen naar binnenbreng, sla ik de deur voor z’n neus dicht. Een kleine jongen met een muts op. Tot vlak boven z’n ogen, zoals ’t hoort bij skaters.
‘Oh, daar is-ie al,’ zegt Thomas.
De deur gaat weer open, we wijzen Ingo de koelkast & de trap waar-ie plaats kan nemen, & beginnen met de kas opmaken.
Hoi,’ zeg ik tegen Ingo als we klaar zijn, ‘ik heb me nog niet voorgesteld: ik ben Ton.’
‘Hoi. Ingo.’
We schudden handen in de lucht.
We drinken een biertje voor de deur. Op gekantelde lege kratjes. Met z’n 3-en op een rij voor de etalage. We laten ’t publiek aan ons voorbijtrekken. Indien nodig geven we commentaar. Ondertussen beslissen Thomas & Ingo ook wat ze die avond gaan doen.
Ik zie in de verte 2 dames aan komen lopen. Zijn ze nou ouder of jonger dan ik, vraag ik me af, terwijl ik m’n ogen probeer te focussen. Op afstand gaat dat moeilijk zonder bril. Maar als ze voorbij zijn heb ik m’n conclusie getrokken.
‘Die vrouwen hebben volgens mij ong dezelfde leeftijd als ik,’ zeg ik naar opzij, ‘maar ik heb altijd ’t gevoel bij dit soort dames, dat ze er veel ouder uitzien.’
‘Hoe oud ben je dan?’ vraagt Ingo.
Minstens 2 keer zo oud als jij, denk ik weer, maar ik zeg: ’39.’
’39?’ zegt Ingo. ‘Dan ben je best wel vroeg grijs aan ’t worden.’
Hij haalt z’n moeder als voorbeeld er bij & ik ben alweer bereid ’t verhaal van m’n neef te gaan vertellen. De dames zijn inmiddels uit zicht verdwenen.

Er vindt een vergaande vergrijzing plaats in Zijperspace.

buurttuin

Ik duw de deur wat verder open om binnen te komen. M’n blik zoekt Suze. Ik leun een beetje voorover om dieper de kamer in te kunnen kijken. Voorbij de gezichten die de tafel omgeven.
‘Hé, Ton!’ roept Suze van de andere kant van de tafel. ‘Da’s de buurman van de tuin,’ verklaart ze snel even voor de andere gasten.
Ik loop om de tafel heen om Suze te feliciteren.
‘Leuk dat je er bent, schat,’ zegt Suze. ‘Ik heb ze allemaal verteld dat ’t jouw tuin was. Ze vonden ‘m allemaal mooi.’

Ik buig me voorover over ’t balkon.
‘Even de tuin bekijken,’ geef ik als verklaring aan de man die naast me staat.
Hij werpt ook een blik.
‘Ja, een mooi boeltje daar beneden, hè,’ zegt-ie. ‘Maar kijk, bij de buren hebben ze een fietsenstalling van de tuin gecreëerd.’
Hij wijst naar de fietsen die op de lege plek van de buren staan.
‘Daar heeft een tuinhuisje gestaan,’ zeg ik, ‘maar die mensen zijn verhuisd & er woont nog niemand anders.’
‘O, hoe weet je dat?’
‘Die tuin hier onder is van mij.’
‘Ah, jij woont hieronder? Prachtig, hoor, jouw tuin. Wat ik daarnet zei, moet je maar niet al te serieus nemen, hoor. Toen ik de 1e keer naar je tuin keek, daarstraks, dacht ik: da’s ook niet veel aan. Ik zag alleen maar groen. Maar toen ik beter keek, zag ik allerlei verschillende dingen.’
‘Mijn tuin moet groeien,’ probeer ik te verklaren, maar ik krijg niet de gelegenheid om ’t uiteen te zetten.
‘’t Is 1 & al leven, in jouw tuin.’

Ik zit even later naast Nienke van hierboven & Nienke van hiernaast. Om ’t voor de rest van de visite overzichtelijk te maken zijn ze maar bij elkaar gaan zitten.
‘Nou je dat van de week zei,’ zegt Nienke van hiernaast, ‘over die padden, ben ik er eens op gaan letten. Ik was wat onkruid aan ’t wegwerken. Oja, dat
barstte van de slakken. Je tilt een blad op & ’t zit helemaal vol. Maar er sprong toen een pad weg. Ik schrok wel even, maar doordat jij ’t had verteld was ik er op voorbereid.’
‘Verschrikkelijk, die slakken,’ verzucht ik.
‘Weet je wat je met slakken moet doen?’ vraagt Nienke van hierboven.
‘Hij gooit er zout overheen,’ zegt Nienke van hiernaast.
‘Je pakt ze op & je gooit ze tegen een schutting,’ zegt Nienke van hierboven.
‘Hèègggghh,’ zeggen Nienke & ik tegelijkertijd.
‘Maar ’t zijn allemaal naaktslakken,’ zeg ik.
‘O nee, gatsie. Dan niet.’

Suze kijkt even met me mee naar de tuin.
‘Ik vind ’t van boven eigenlijk een beetje plat,’ zeg ik. ‘Er zit geen diepte in.’
‘Ja, dat is wel zo, maar ’t is wel een mooie tuin.’
‘Ik vind ’t van hierboven eigenlijk een beetje tegenvallen.’
‘Helemaal niet, joh. ’t Is hartstikke mooi. Ik ben erg blij met m’n uitzicht op jouw tuin. Vooral dat hoekje dat je daar hebt opgehoogd, da’s echt prachtig.’
‘Ja, maar vanaf hier zie je toch veel meer kale plekken. Daar aan de linkerkant bijvoorbeeld.’
Ik wijs naar de plek waar ik 2 jaar geleden de coniferen heb weggehaald. Er wil daar weinig groeien.
‘Oh, da’s toch de plek waar de katten aldoor zitten te poepen?’
‘Nee, da’s aan de andere kant.’

‘Ik heb nou nog nooit je tuin van dichtbij gezien,’ zegt Nienke van hierboven. ‘Ik heb er nog nooit ingestaan.’
‘O, Suze wel.’
‘Suze wel?’
‘Ja, ze gaf me een boek over biologisch tuinieren & toen heb ik ‘r de tuin laten zien.’
‘Je moet dus 1st iets geven,’ zegt Nienke van hiernaast, ‘dan mag je pas in Ton z’n tuin.’
‘Nee, dat bedoelde ik niet zo,’ probeer ik te zeggen, maar dat is al te laat: ze luisteren al niet meer.
‘Ik zat te denken,’ zegt Nienke van hiernaast, ‘om in onze tuin binnenkort een barbecue te geven.’
‘Goed,’ zeg ik enthousiast, ‘dan regel ik ’t bier.’

Want we hebben van meer dingen verstand in Zijperspace, dan van tuinen alleen.

mijmeren

Ik kijk voor me uit de tuin in. Dat doe ik wel vaker. Onbewust, ik ben er niet helemaal bij, laat ik m’n gedachten gaan over de guldenroede, die als een brede bos hoog uitsteekt boven de rest van de planten in z’n directe omgeving. Ik ben in opperste conditie om over dit soort dingen te mijmeren. Ik denk niet echt, de gedachte is eigenlijk iets dat me overkomt, niet gepland. Ik zit met m’n blote bast in de ligstoel. (De zon is warm genoeg; ’t wordt tijd dat m’n borst ook ‘ns een bruine teint krijgt. ’t Is weliswaar niet m’n hobby: zonnebaden, maar ik had bedacht dat er tijdens ’t lezen van een boek best een poging gewaagd kan worden, kijken of die buik ook in staat is te veranderen van doorschijnend wit in roestig bruin.) Voor me uitstarend, m’n boek opzij, m’n ogen te moe om de volgende pagina te halen.
Op een gegeven moment moet de guldenroede besluiten om ipv recht omhoog te groeien, al z’n energie daarin te steken, bloemen te willen ontwikkelen. Pluimen van bloemen in dit geval, geel. Wanneer besluit-ie dat? & Tuurlijk weet ik dat een guldenroede dat niet besluit, volgens mij is-ie niet tot denken in staat, maar waarom is ’t wel zo dat alle guldenroedes op dezelfde hoogte daartoe overgaan? Dat zit ‘m in de struktuur van hun dna, hoor ik suggereren, dat ligt daar in besloten, ik weet ’t allemaal, ik heb ’t allemaal al ‘ns horen vertellen, maar waarom, vraag ik mezelf af, waarom? Dat plantje daarnaast doet toch iets heel anders, dat denkt op z’n eigen manier nuttig, efficiënter, weerbaarder, vruchtbaarder te zijn. De guldenroede is eigenlijk een eigenwijs stuk vreten (net als al die andere plantjes, incluis die ernaast), die z’n eigen methode denkt te hebben ontwikkeld. Een eigen overlevingsstrategie.
Ik vermaak me wel als ik in de tuin een beetje om me heen kijk. Met een nietszeggende blik kan ik alles aanschouwen wat zich onberoerd, ik kan geen beweging, ook geen emotie, bij de plantjes waarnemen, laat afspelen in m’n tuin. Verbazingwekkend evengoed, voor iemand die altijd tijd te kort heeft, voor iemand die z’n tijd, elke seconde van de tijd die hij heeft, zo nuttig mogelijk in wil delen, geen moment verloren wil laten gaan, want er moet nog zoveel gedaan worden, beleefd worden, gezien, gelezen, ervaren.
Ondertussen word ik haast in slaap gesoesd door de kalmerende, onderdompelende gloed van de zonnestralen. Ik weet nog net de vrouwtjesmerel te registreren die over de guldenroede vliegt. Baldadig, driftig, met achter zich aan ’t mannetje. Luid kwetterend neemt ze plaats op de schutting. Weet dat beest eigenlijk wel dat ze net over de guldenroede vloog? Ik weet eigenlijk niet eens of vogels onderscheid kunnen maken tussen de verschillende soorten planten & bloemen. Tuurlijk weten ze wat eetbaar is & wat niet, dat hoort bij hun instinct, maar zien ze daadwerkelijk ’t verschil tussen een tulp & een guldenroede? Dat ding waar mijn gedachten al 10 minuten naar uitgaan. (Hoe komt ’t dat ik weet dat dit ’t vrouwtjesmerel is? Heb ik dat geleerd of weet ik dat instinctief?)
Nog zo’n gek ding: 1 van die staken guldenroede steekt zo’n 15 cm boven de andere uit. Ze lijken allemaal een gemiddelde lengte te benaderen, sommige zitten er onder, duidelijk ietsjes later geboren, maar die ene steekt opvallend in z’n 1tje met kop & schouder boven de rest uit. Heeft die beter voedsel, daar onder in de grond, zijn de condities 1 cm verwijderd van buurman guldenroede stukken beter, of is de dna-struktuur bij hem gebaseerd op een vergissing, waardoor hij in een tijdsbestek van een kleine 2 maanden 15 cm sneller groeit?
Ik pak m’n boek & lees verder.

We kunnen niet eeuwig stilstaan bij ongestelde vragen in Zijperspace.

welzijn

‘Hoe gaat ’t met je?’
‘Ach, ’t gaat wel goed.’
‘Dat klinkt niet echt enthousiast.’
‘Tja, ach. ’t Gaat wel.’
‘Wat is er aan de hand?’
‘Niet zo veel, hoor. Ik voelde alleen van de week iets in m’n darmen. Zo, hier, vlak onder m’n ribbenkast.’
‘Zitten daar je darmen wel?’
‘Ja, mij hoef je niet te vertellen waar je darmen zitten. De darmen zijn sinds jaar & dag 't spil van m'n onrust. Ik weet ze blindelings te vinden.’
‘Dan zal ’t wel.’
‘Maar ik hoorde van de week een Z-verkoper praten, die altijd bij mij z’n krantje komt brengen. Hij vertelde dat z’n vriendinnetje in ’t ziekenhuis ligt. Je weet wel, die hele dunne. Ze loopt al jaren over straat. Klein zwartharig dametje. Heel dunne junkie. Hij zegt dus dat ze in ’t ziekenhuis opgenomen is omdat haar schildklier niet werkt. Ze werd steeds dunner.’
‘Dan is de schildklier overactief.’
‘Ja, maar ze werd steeds dunner.’
‘Dat heb je als de schildklier te veel werk verricht. Anders word je nl heel dik.’
‘Ze was in ieder geval nog maar 31 kilo. Nou, ik hoorde dat verhaal & ik dacht meteen: dat heb ik ook.’
‘Jij bent opeens veel te dun?’
‘Ik ben natuurlijk zowiezo dunner dan andere mensen. Maar van de week stond ik bij ’t scheren voor de spiegel & toen vond ik dat m’n wangen zo ingevallen waren. & Als ik ’s ochtends bij ‘t wakker worden nog even in bed lag, dan had ik ’t gevoel dat m’n buik niets voorstelde; ik kon alle botten van m’n borstkas voelen. & M’n bekken die staken een minstens een cm uit. Dat gecombineerd met dat gevoel in m’n darmen deed me besluiten om minder te gaan drinken.’
‘Wat heeft dat nou met je schildklier te maken?’
‘Weet ik niet. Maar ik voelde me af & toe ook een beetje misselijk door dat gevoel in m’n darmen. 1st Dacht ik: wat is dit nou weer? Een beetje stekend gevoel in m’n darmen, deed niet echt pijn, ’t leek soms alsof ik honger had, & dan weer alsof ’t een opgeblazen buik was van te veel eten. Een echt prettig gevoel was ’t in ieder geval niet. Op een gegeven moment bedacht ik dat ik dat al eerder had gehad. In een periode dat ik heel veel gedronken had. Dus moest ik maar een beetje minder drinken. Hoewel ik de laatste tijd zowiezo al minder dronk dan voorheen. Op afgelopen vrijdag & zaterdag na dan. Dat verhaal heb ik je al verteld.’
‘Ja.’
‘& Ik ga dus steeds vroeger naar bed. Deels omdat ik dan denk dat ik de volgende ochtend meer tijd heb, nuchterder ben ook, kan ik beter nadenken, om m’n teksten te schrijven. Maar deels ook omdat ik moe ben. Lig ik er al om 12 uur in, lees ik nog een paar blzs & val ik in slaap. Tot ong 7 uur. Word ik wakker, schrijf ik een stukje tekst, ben vervolgens moe, ga weer naar bed & lig dan nog een uur te slapen. Dat klopte ook niet, dacht ik. Daar zullen m’n darmen vast ook mee te maken hebben. Of misschien wel m’n schildklier.’
‘Je maakt je wel druk.’
‘Ja, maar nou komt ‘t. Ik ga dus gisteravond naar bed. Ik denk om ½ 12. Ik had niks gedronken, ik dacht: dat moet ik vanavond maar ‘ns niet doen. Dat zou misschien wel betekenen dat ik slecht zou slapen, maar ik voelde me al zo moe dat ik dacht dat ik dat risico wel kon nemen. Ik lees m’n boek, val na een ½ uur in slaap, zie om ½ 8 pas hoe laat ’t is, & ben plots klaarwakker. Veel te lang geslapen, denk ik, zonde van m’n tijd. Nou, ‘t 1e wat ik ’s ochtends doe, vooral deze ochtend want ik werd ditmaal niet wakker gemaakt door de hoeveelheid bier dat zich in m’n lichaam bevond, is naar de wc gaan. Ik sta voor de pot, sta daar te plassen, kijk naar beneden, & ik zie een bolle buik.’
‘Ja, &?’
‘Nou, ja. Hm. Niks. Ik dacht, tja, dacht ik, hmm .. Heb jij dat dan nooit?’
‘Misschien.’

’t Voelde in ieder geval enigszins bevrijd in Zijperspace.

selbach

Eyeless in Gaza - No Noise

Op zaterdagmiddag hadden Ton & ik ons eigen plekje aan de toonbank van Selbach. Of eigenlijk had Lange Ton dat in z'n 1tje. Ik liep slechts achter 'm aan, mocht erbij staan, mocht meeluisteren. Terwijl hij besloot welke platen hij zou aanschaffen.
Aan de zijkant van de toonbank kon Lange Ton zelf beslissen wanneer-ie ‘t volgende nr wilde luisteren. Dan boog-ie zich even om ’t hoekje van de pick-up, boog met z'n lange lichaam voorover & verplaatste de naald. Slechts een enkeling had dit voorrecht bij Selbach. Je moest genoeg geld uitgeven, was een belangrijke voorwaarde hiervoor. Pa Selbach wist daar niks van, stond altijd vreemd te kijken als-ie eens op een zaterdag moest bijspringen. Dat werd met een simpel handgebaar van z’n zoon goedgekeurd. Laat ze maar, betekende de beweging waarbij de hand van John Selbach Jr voorover kantelde, waarna Pa de boel de boel liet, z'n zoon gehoorzamend. Maar de platen werden door de mensen van Selbach zelf op de draaitafel gelegd. Dan mocht zelfs Ton er niet aanzitten. Hij moest net als elk ander wachten op ’t verwisselen van de lp’s. Wat mij de gelegenheid gaf om de plaat te keuren. Ik nam de koptelefoon over & ging de restjes muziek luisteren. Dat duurde tot ik een trap tegen m’n schenen kreeg; dan moest de koptelefoon weer ingeleverd worden bij Ton. De naald werd op de volgende plaat aangezet.
‘Je hoort ’t straks wel bij mij thuis,’ zei hij dan.

Mijn budget was niet al te groot. Ik kwam weliswaar 2, soms wel 3 keer per week bij Selbach, maar dat was vooral om de bakken door te struinen, op zoek naar iets nieuws. Dat kwam echter zelden voor. Je wist meestal wel wat je kon verwachten. ‘tZelfde als vorige week, aangevuld met 1 nieuwe aanwinst. Als die nog niet door Ton was aangeschaft.
Ze hadden een speciale bak voor ons. Daar stond de new wave in verzameld. Niet meer dan 40 stuks, een klein rijtje. ’t Grootste gedeelte was ooit door ons afgekeurd & zou tot ‘t eind der tijden in dezelfde bak blijven staan, als Selbach niet 1 keer per jaar uitverkoop hield. Dan kocht Ton ze alsnog. Soms maakte dat deel uit van z’n strategie.
’15 Gulden is teveel voor deze plaat. Ik wacht wel tot-ie 5 gulden moet opbrengen.’
Hij verstopte ‘m achterin de bak. Of liever nog in ’t vakje ernaast. Daar keek nooit iemand. In ieder geval niet de mensen die zo’n plaat ooit zouden kopen. Een ½ jaar later liep Ton dan triomfantelijk met z’n lp van 5 gulden naar buiten.
‘Hartstikke geschift zijn die lui van Selbach.’
Dat mocht Ton zeggen. Als ik ’t in m’n mond nam, kon ik weer een trap tegen m’n schenen verwachten. Maar ik deed ’t erom.

Ik ging alleen platen luisteren als ik zelf iets van plan was te gaan kopen. Zonder Lange Ton er bij, want die wilde toch meteen naar ’t volgende nr, nog voordat de 2e toon voorbij was gekomen. Speciaal wekenlang geld gereserveerd om uiteindelijk een plaat te kopen, dan moest de keuze verantwoord zijn. Dus luisterde ik 3 tot 5 albums. Om na een ½ uur Selbach te verlaten met een plaat in m’n tas. Een Selbach-tas, zonder kon je niet over straat. Een paarse tas, met ’t logo van Selbach, daar durfde je de winkel mee te verlaten. Jongens met tassen van George Blok werden uitgelachen.
John Selbach kwam op me af. Ik zag ‘m dichterbij komen. Ik stond op dezelfde plaats waar Lange Ton ook altijd z’n platen beluisterde. Durfde weliswaar niet de naald te verplaatsen, maar ik stond wel op de plek van de vaste klanten. Ik was tenslotte net zo vaak in de winkel als Ton. Selbach verliet z’n vaste plek achter de toonbank om iets tegen mij te gaan zeggen. Ik moest de koptelefoon maar even schuin op m’n hoofd zetten, zodat ik zou horen wat er was.
‘Jij verzamelt dus ook platen?’ zei hij.
‘Ja,’ antwoordde ik, ‘als ik geld heb.’
‘Wat verzamel je?’
‘Goede platen.’
Die had ik binnen. Mij kon-ie niet betichten van geen smaak te hebben. & Ik was met m’n antwoord minstens zo ad rem als Lange Ton. ’t Had me vast een trap tegen m’n schenen opgeleverd als hij erbij was geweest. & Een gnuivende ingehouden lach.
‘Ja, ik ook,’ zei Selbach. ‘Weet je, jullie willen er misschien niet zo snel aan beginnen, maar ’t is toch zeker de moeite waard om er eens naar te luisteren. Ik heb al z’n platen. Je zou er ‘ns naar moeten luisteren. Echt heel goed: James Last. Je denkt misschien dat die muziek niet bij je past, maar je zou eens moeten luisteren hoe goed die muziek in elkaar zit. Ik verzamel alle platen van James Last.’
Toen ik ’t diezelfde middag Ton vertelde kreeg ik toch nog een trap tegen m’n schenen. Waarschijnlijk omdat ik een rottige opmerking over John Selbach maakte.
Na de mededeling van John Selbach luisterde ik niet meer verder. Ik legde de koptelefoon neer.
‘Ik neem deze wel,’ zei ik tegen Selbach, & reikte de meest onbekende plaat aan, met de gele hoes. Ik had geen enkel nr gehoord, maar ik was gefascineerd door de foto op de hoes. Achter zo’n mooie vormgeving kon geen slechte muziek zitten, dacht ik. Ik vond ’t haast jammer dat de paarse tas er omheen ging.

’t Tegengestelde bleek later ook waar in Zijperspace.

video's

Waarom al die films in de kast staan. 8 Rijen. Boven op elkaar. Of onder elkaar. 't Is net hoe je 't bekijkt. Waarom ze op volgorde staan. Waarom ik al die moeite heb betracht ze te voorzien van titel & regisseur. Waarom?
Vraagt ze. Omstebeurt. In korte zinnetjes. Onmerkbaar korte zinnetjes.
Ik kijk haar aan. Ik wil serieus antwoord geven. Maar ’t zwijgt van binnen. Ik wil wel, maar ’t gaat niet.
Ze heeft een lief gezicht. Roze wangen. Rozig haar. Net niet rood. Ogen stralen. Ogen stralen groen, wazig blauw.
Maar ik wil niet. Ik wil geen antwoord geven. Liever druk ik m’n woorden door, dwars door ’t hartje, ’t zielig hartje, ’t toeluisterend vermogen, vervuld van doodgemoedereerd vertrouwen.
‘Ach, ik verzamelde,’ antwoord ik, zuchtend zacht.
‘Oh,’ zegt ze.
Maar ze luistert niet. Ze fluistert slechts. Ze kan niet horen. Ze ziet ‘t voor zich. & Luistert naar wat ze ziet. Haar hoofdje dwars, om de titels te lezen.
‘Hoelang?’
‘Hmmpff.’
Daar moet ze ’t maar mee doen. Zolang ze niet verder vraagt. Zolang ze de bodem niet wil zien. Zolang zij grijpt naar wat ze denkt te kunnen bereiken. Een verhaal moet verdiend worden.
‘Ach, ben al een tijdje ermee gestopt.’
‘Leuk.’
Dat was reactie op de vorige.
‘Hmmpff.’
Maar nu zachter. Schouders omhoog. Die ziet ze toch niet.
Ze heeft haar armen gekruist. Ik bewonder ’t gewone ervan. Word gestoord als ze anders wil.
‘Mag ik ‘ns wat van je lenen?’
‘Is goed.’

Toen is ze naar huis gegaan. Ik heb ‘r nog tot de deur begeleid.
Een uur later ben ik in slaap gevallen. Vanuit m’n bed had ik nog een laatste blik op m’n kast geworpen. Trots. Maar lusteloos. Hopeloos. Slaap was beter.

Een dag duurt soms lang in Zijperspace.

morgenstond

Als we naar school moesten, waren we rond ¼ over 8 op straat. Op z’n vroegst. Liefst kwam ik op ’t laatste moment 't klaslokaal binnen. Vooral in ’t begin van ’t jaar. Dan leerden m’n medeleerlingen me wat sneller kennen was de gedachte daar achter. De jongen die altijd op ’t laatste moment, of te laat, binnenkwam. Tegen de tijd dat de docenten ’t te laat komen niet meer leuk vonden, wist iedereen wie ik was.
Voor ’t vakantiewerk, bollenpellen, moesten we wat vroeger opstaan. M’n moeder riep ons al rond ¼ voor 6 dat we uit bed moesten komen. Om 7 uur uiterlijk zouden we toch moeten beginnen met pellen, hield zij vol. & De rit naar de bollenschuur was wat langer dan die naar school.
’t Ochtendgloren was net achter de rug als we op onze fiets zaten. Restjes rood zagen we nog tussen enkele vergelegen wolken door glimmen. Daar hadden we geen belangstelling voor. Met slaapomrande ogen, met een geest die zich nog ergens tussen bed & badkamer bevond, & niet 3 km verder op een fietspad, waren we onderweg naar de gebroeders Pijnacker, de bollenboeren aan de Rijksweg. De nimmer aflatende zin ruzie te maken met broers deed ’t leven ontwaken in onze lichamen. Of anders de voortdurende strijd eerder aan te kunnen komen dan de ander. Er heerste altijd een hevige concurrentiestrijd tussen ons broers; we moesten altijd beter sneller meer zijn dan de ander. Ruzie & wedstrijd was daarbij onontbeerlijk.
M’n broer had echter een racefiets. Ik kon ‘m niet bijhouden. Ik moest wel in m’n eigen tempo doorfietsen, terwijl hij in de horizon van de lange doggersvaart verdween.
Ik fietste langzamer dan m’n broer & andere racefietsen, maar ik fietste sneller dan bollenpellers zonder een dergelijk luxe vervoermiddel. Waardoor ik de kans had een vriendinnetje onderweg tegen te komen. Was altijd prettiger. Dan konden we samen de Rijksweg nemen. Dan konden we samen proberen zoveel mogelijk slakken te ontwijken.
’t Vergde veel concentratie. Elke paar meters kon je er 1tje voor je wielen krijgen. Vooral in ’t geval de fietspaden wat vochtiger waren door de ochtenddauw of een nachtelijke bui. Je kon de slakken in allerlei vormen & maten tegenkomen. Zwarte tot lichtbruine, grijze tot beige-kleurige, platte uitgestrekte, die reeds enkele banden over zich heen hadden gehad, of exemplaren die nog maar net doormidden gereden waren. Met diverse gradaties aan slijm terzijde van ’t levenloze lichaam. Slakken vonden ’t fietspad blijkbaar zeer aantrekkelijk bij ’t licht van de opkomende zon. Wij probeerden er tussendoor te fietsen, er net langs, of, als ’t dan toch moest, over de reeds platte lichamen. Anders hield ik er een slapeloze nacht aan over.

Vannacht, ’t was tegen de morgenstond, kwamen er vanuit de tuin 2 levensgrote slakken naar mijn huis toe kruipen. Levensgroot is ong 20 cm lang. Ze pletten enkele planten in ’t midden van de tuin, hun gewicht was te veel voor de doorgaans stevige guldenroede. Ik stond in de opening van m’n 2 tuindeuren. Ik overwoog of ik naar m’n keukenkastje moest rennen om ’t zout tevoorschijn te halen. Of ik ’t nog wel zou halen. Of dat de 2 ertegen bestand waren. Ze kwamen steeds dichterbij, terwijl ik besluiteloos bleef staan, totdat de droom mij te eng werd om te blijven doorgaan met slapen.

’t Was lang geleden dat slakken de morgen in Zijperspace in dergelijke mate hadden beïnvloed.

ontspannen

‘&? Gaat ’t goed met jou?’ vraagt Rachel.
‘Mwaaaaaah,’ antwoord ik, waarbij ik begin te lachen.
Ik kijk ‘r aan. Zeg ’t nog ‘ns, om mezelf in de maling te nemen.
‘Ik denk er eigenlijk nooit zo over na,’ probeer ik uit te leggen.
& Hou m’n mond. Ik kijk geconcentreerd naar ’t fietspad dat onder ons door gaat. ’t Rechte fietspad, zonder bobbels & kuilen. ’t Gaat wel goed met me, denk ik onderwijl.
‘Nee, is niet waar,’ verbeter ik mezelf, ‘ik denk er wel over na.’
Ik weet alleen niet hóe ik over mezelf nadenk, voeg ik er voor mezelf aan toe.

Jasmijn had me vanmiddag geschreven:
Wist trouwens niet, of niet meer, dat je niet aan verliefdheid doet. Ik ook al een hele tijd niet, maar ja dat is niet bepaald uit vrije wil.
Ik doe ’t voorkomen alsof ’t bij mij wel uit vrije wil is. In mijn meeltje aan haar.

‘Hoe gaat ’t met de liefde?’ wordt er vaak gevraagd.
‘Wat is dat?’ is 1 van m’n standaardantwoorden.
‘Goed, je moet de groeten hebben,’ krijg ik wat minder snel uit m’n mond.
‘Ik weet ’t niet; ik dacht eigenlijk ergens gelezen te hebben dat ze ’t afgeschaft hadden,’ is leuk als-ie vloeiend tevoorschijn komt.
‘Ik dacht ‘m laatst nog ontmoet te hebben, maar hij zag me niet,’ moet ik nog uitproberen.

Ik besloot Rachel te bellen. Ik wilde wat te doen hebben. Ik wilde ’t huis uit. Ik wilde niet aan antwoorden denken.
‘Hoe was ’t op ’t werk?’ vroeg Rachel over de telefoon.
‘Prima,’ antwoordde ik, ‘ik nam natuurlijk geen blad voor de mond tegenover m’n collega’s, ik kan nou nooit eens m’n mond houden over dingen die me gebeuren, dus aan ’t eind van de avond kreeg ik een opmerking dat ze ’t hartstikke leuk voor me vonden. Dat ze hoopten dat ’t me vaker zou gebeuren. Want ik was die dag zó ontspannen geweest achter de bar.’
Ik hield even m’n mond. Een pauze van een tel.
‘Maar ik was hélemáál niet ontspannen. Ik had die avond met haar zóveel gedronken dat ik niet ontspannen kon zijn. & Bovendien veel te weinig geslapen. Niet dat ik verschrikkelijk gespannen was, maar ’t was zeker niet de meest ontspannen zondag die ik meegemaakt heb. & Dan zeggen ze dat ik vaker sex moet hebben, omdat ik daar prettig in de omgang van word. Totale onzin!’
Rachel lachte. Er kwam een tijdlang geen zinnig woord van de andere kant van de lijn.
‘Nee, ik meen ‘t.’

We drinken wat bij Kaap Kot. We praten. Zij over Ramon, ik over mezelf. We kijken ondertussen naar IJburg. & Daarna naar Durgerdam.
‘Daar ga ik wonen,’ wijst Rachel naar de woning naast de vuurtoren van IJdoorn.
IJdoorn & Durgerdam staan heel panoramisch te glanzen door de zonstralen die tussen de wolken uit hebben weten te ontsnappen.
Anders ik wel, denk ik er bij, maar ik weet me geen vrouw te vinden die me gezelschap zou kunnen houden.
Rachel zet haar gezicht in de zon. ’t Haar wappert naar achteren, richting Durgerdam. Mijn blik staat nog steeds die kant op. Ik zie een boot aankomen. Rechts van de vuurtoren. Plots vanuit ’t door wolken overschaduwde meer.
‘De zon is weg,’ zegt Rachel. ‘Zullen we gaan?’
Ik neem afscheid van ’t beeld & ga voor Rachel uit terug naar de fietsen.

Terug naar de realiteit van Zijperspace.

thans

Er is geen nu. Of ’t zou moeten bestaan uit nu, nu, nu, nu, nu, nu, & nu. & Dat in eeuwigheid. Maar dat alleen bij de gratie van ’t bestaan van ’t menselijk geheugen. Hoewel ik ook twijfels heb of dat concept wel bestaat. Laat ik er vooralsnog gemakshalve wel van uitgaan.
Ik lees een boek, terwijl er op de achtergrond muziek speelt, terwijl buiten de zon schijnt, terwijl de temperatuur aangenaam is, terwijl de klok tikt. Ik ben me van alles in meerdere dan wel mindere mate bewust, ik ervaar al die omstandigheden, maar ben me er blijkbaar niet constant van bewust dat ze aan verandering onderhevig zijn. Want als ik lees, kan ik niet anders dan continu andere leestekens mezelf voorschotelen, die combineren, die samenvoegen tot woorden, zinnen, alinea’s, verhalen. Ik zal iets van een geheugen-achtig ding in m’n hersenen hebben, een concept dat voor bepaalde tijd gegevens opslaat, laat ’t geheugen heten, een korte termijns-, die op zijn beurt gegevens vervoert naar een langer termijnsgeheugen, waardoor ik niet te lang bij 1 punt zal hoeven stilstaan om de daaropvolgende ermee te kunnen combineren. Zodat er een besef van tijd & ’t vlieden ervan ontstaat.
Als ik dan niet dood wil gaan, als ik nimmer weggerukt wil worden van ’t besef van een nu, een nu, een nu, een nu, een nu, een nu, een nu, & een nu, een moment waarop iets ervaren wordt, een 1-dimensionaal tijdsbesef, als een speldenprik, een puntig iets, altijd aan 1 stuk door ervaren, zal ik dan uiteindelijk moe worden van steeds weer dezelfde pijn ervaren? Ook al is ’t slechts dat minuscule geen breedte geen hoogte geen diepte bezittende puntje. Ergens balancerend, zwevend, verloren rondbanjerend, of toch vastgenageld, ergens midden in ‘t multi-dimensionale ding tijd. Zal ik dan zo nietig worden dat de hemel op mij neer zal vallen? & God zich wreekt.

Gelukkig ben ik heer & meester in Zijperspace.

buuv

‘WhaawhaaWhaWhaaawhawhaWhawha.’
Meer kon ik er niet uit wijs worden. ’t Geluid kwam door m’n plafond heen. Dat gebeurt niet al te vaak. Ik hoor mijn buren zelden. Hiernaast, voor mij links, voor de kijkers rechts, zijn de vertrokken buren Ingmar & Marit nog altijd niet vervangen; uit ’t andere hiernaast klinkt amper geluid door doordat er een gang, een wc met douche & een keldertrap tussen zitten. Dus zal ik ’t moeten doen met de geluiden die van hierboven naar beneden galmen. Maar van galmen kan je eigenlijk niet spreken. Zeker niet als men ’t bovenstaande in degelijk geluid, echt geluid, krijgt voorgeschoteld. Bovenstaande was een soortement vertaling zoals de roep van de koekoek wordt omschreven met ‘koekoek’, of die van de kip met ‘kukelekuu’: men krijgt een beetje ’t idee hoe ’t geklonken heeft, maar weet tegelijkertijd dat ’t toch net iets anders was dan dat ’t op papier toont.
Als de buren dan toch schreeuwen vind ik eigenlijk dat ze er gelijk de ondertiteling bij moeten geven. Net als dat alle jeugdprogramma’s ondertiteld moeten worden. De nieuwsgierigheid is al opgeroepen, maar ’t bevredigen hiervan wordt uitgesteld tot ’t moment dat je eindelijk ‘ns de gelegenheid krijgt een praatje te maken met je buurvrouw.
‘Zeg, buuv, ik zat van de week lekker in m’n luie stoel een boekje te lezen. Nou, eigenlijk nogeneens een boekje, ’t was eerder een pil, & lekker is misschien ook niet ’t juiste woord, want ’t vergde veel van m’n vermogen tot concentreren, aangezien de schrijver ervan op de hitlijst van snobistisch intellectualisme aan ’t eind van ’t jaar zich in de hoogste regionen zal bevinden. Gedurig pogend de essentie van z’n gewauwel tot me te laten doordringen werd ik me plots gewaar van een hoge stem, die met schelle kreten & snerpend gegier door merg & been moet zijn gegaan bij de persoon waar ’t keelgeluid zich op richtte. Na uitsluiting van de buren in de belendende panden, waarvan ik vermoedde dat zij niet in staat waren dit leven tot in mijn leefwereld te laten doordringen, begon ik ‘t vermoeden te ontwikkelen dat jij misschien enig conflict had. Wat was er zoal aan ’t handje? & Wie was de opponent?’
Heb ik meteen een gelegenheid de buurvrouw wat beter te leren kennen. Zij is eigenlijk degene die zich ’t meest onttrekt aan de feestjes & partijtjes die wij, ik & m’n andere buren, in goede harmonie & tot jolijt van elkeen, regelmatig geven. Wij brengen elkaar dan op de hoogte van ‘tgeen we graag over praten, zoals ’t behoort te gaan als je een goede relatie met je buren wilt hebben. Je moet je op je gemak voelen, wat eerder de conditie schept tot ’t produceren van een gulle lach, wat op zijn beurt weer zeer aanstekelijk werd op de lachspieren van de rest van ‘t gezelschap, waardoor wij allen later op de avond vergenoegd te bed kunnen gaan & ’t hele pand zal slapen als een roos. Iedereen gelukkig, zogezegd. ’t Kan niet anders of dit moet een positieve uitstraling op de rest van de buurt hebben. Wij doen zogezegd goed werk, ’t zou tijd worden dat de buuv van 1-hoog zich daar ook ‘ns mee ging bemoeien.
Ik zie haar wel ‘ns op haar balkon zitten. Als ik loop te struinen door m’n tuin, op zoek naar verandering, groei, onkruid, & verborgen kleinoden. Dan wisselen wij een blik, zwaaien eventjes, of zeggen soms wel ‘ns luidop ‘Hallo’. Soms tref ik haar bij de voordeur, waarbij we toch iets verder moeten gaan dan slechts deze korte begroeting. Ik informeer dan een enkele keer naar haar fiets, zij heeft ’t over ’t heerlijke weer, of anders laten we merken dat we haast hebben op ’t werk te geraken. Van de week was zij zeer dapper & complimenteerde zij me met de kleurige tuin. Ik heb me laatst ook goed van m’n taak gekweten door haar te bedanken toen ik haar knielend voor onze beider voordeuren aantrof, druk doende de zaadjes van de bomen, door de wind tot een grote hoop verzameld in ons portiek, met een stoffer te verzamelen op een blik. Maar verder wil ons contact zich niet ontwikkelen. Behalve dan de genoemde kreten, die moeizaam, onduidelijk, ongearticuleerd zou men kunnen zeggen, tot mij doordrongen.
Ik heb bij vroegere buren, ’t klonk toentertijd behoorlijk spannend, ik kon ’t daardoor niet laten, wel ‘ns een glas tegen de muur geplaatst. Ik wist niet meer welke kant ik nou tegen m’n oor moest drukken & welke tegen de muur. De opening tegen m’n oor, of juist de bodem? ’t Resultaat was ook navenant. Navenant, gemeten naar de mate waarin ik meer te horen kreeg. Weinig dus. Jammer, dacht ik toen, ze hadden hun spannende conversatie toch best wat verder kunnen laten dragen. Ze weten momenteel waarschijnlijk toch wel dat ’t enige roering bij de buren zal geven, waarom dan niet een beetje duidelijkheid scheppen door ’t geproduceerde geluid wat verder te laten reiken?
Hé! Ik hoor zojuist een vrouwenstem ‘au, au’ roepen; 2 maal; ’t klonk ietwat dof, maar ‘t drong toch nog net herkenbaar door m’n plafond door. Ik kon er alleen niet m’n buurvrouw in herkennen. Jammer.

We verdiepen ons weer in de stilte van Zijperspace.

nonnen

‘Ik heb ook les van nonnen gehad,’ zei Von. ‘Had je zeker niet gedacht, hè?’
‘Je zal wel op een katholieke school hebben gezeten,’ reageerde ik.
‘2 Nonnen waren er bij mij op school,’ vertelde Von. ‘& Ik had ze allebei. Totdat ze allebei naar een klooster in Soest vertrokken. Bij 1 van hen moest ik altijd vooraan zitten. Dat was verschrikkelijk. Ik heb een hekel aan nonnen gekregen daardoor. Ze zat de hele tijd in haar neus te poeren. Dan rolde ze dat tussen haar vingers tot een bolletje & schoot ’t naar mijn bureau. Afschuwelijk.’
‘Dat deed ze expres?’
‘Volgens mij wel. Ze had denk ik een hekel aan me. Aan ’t eind van ’t jaar vroeg ze wie haar nog een jaar als lerares wilde hebben. Ik keek om me heen. Ik hoopte niemand. Maar iedereen stak z’n hand op & begon te juichen. Toen kreeg ik nog een jaar les van haar. Kon ik weer vooraan zitten. Zat ik de hele tijd in de rook van haar sigaretten ook.’
‘Ze rookte?’
‘Als een ketter. Paar pakjes per dag.’

‘Mijn vader was directeur van een huishoudschool,’ vertelde ik. ‘Naast die school stond een klooster. Daar woonden zusters Urselinen, die ook een rol speelden op de school. Voor die tijd had m’n vader lesgegeven in Schoorl. Een school die bijna geheel door nonnen werd bestierd. Daar bleef hij z’n leven lang een goed contact mee houden. Dan gingen we 1 keer in de zoveel tijd met z’n allen naar Nieuwe Niedorp. Daar stond een klooster dat nog maar sinds enkele jaren opengesteld was. Of hoe moet je dat zeggen: de nonnen daar mochten niet naar buiten. Ze zaten zeg maar achter tralies, totaal afgesloten van de buitenwereld. Maar toen wij daar kwamen dus niet meer. M’n vader maakte dan een praatje met enkele zusters, terwijl wij aan een tafel met enkele oude nonnen gingen zitten. Gingen we kaarten. Dat was fantastisch. Ze leerden ons allerlei kaartspelletjes. Nonnen van in de 80, 1tje kon bijna niets meer zien, maar ’t was een belevenis om bij haar aan de kaarttafel te zitten.’

‘Nou, die 2 van mij,’ zei Von, ‘die waren niet te genieten. Die ene zat alleen maar te paffen.’
‘Oja, dat bedoelde ik dus te vertellen: ik kende geen enkele non die rookte.’
‘Ik moest altijd sigaretten halen voor die non. Dan bleef ik wel een ½ uur weg. Ging ik even bij mijn vader langs. & Als ik dan terugkwam, dan lag m’n bureau helemaal vol met groene kruimeltjes. Daarom ben ik gaan roken. & Daarom ben ik lesbisch. Uit wraak. Of zoiets.’

In Zijperspace is wraak niet nodig.

voorstelling

Ik voel ze zitten. Achter me, 2-hoog. Terwijl ik weer wat woekerende winde uit m’n tuin verwijder. Ik voel dat ze naar me kijken. M’n blik kruist die van hen als ze snel wegkijken. Lachend naar elkaar, geanimeerd verdergaand met hun gesprek. Ik weet dat ze zodirect weer al mijn handelingen gade zullen slaan. Ik besluit maar wat potaarde toe te voegen tussen enkele stenen, zodat ‘t plantje sedum wat meer houvast krijgt, zodat ’t lijkt alsof ik wel degelijk nuttige dingen aan ’t doen ben, zodat ze waar voor hun geld krijgen voor hun plek op de 1e rang. M’n buren van hiernaast, op 2-hoog, zittend in de zon, genietend van elke activiteit.
Tijdens m’n bezigheden zie ik af & toe enkele bladeren bewegen. Er glipt iets weg. Ik heb besloten er niet meer van te schrikken, maar automatisch doe ik toch elke keer een stapje terug. Afstand nemen, stel je voor dat ’t me aanvalt. Maar vooral niet te opzichtig, want achter me houden ze me nog steeds in de gaten.
& Plots staat ik oog in oog met zo’n creatuur. Als ik ’t bochtje om kijk, achter bladeren langs, zie ik een pad zitten op een tegel. Onbeweeglijk. Geel, groengeel, plat, weggedoken, pokdalig, met ogen die overal naar lijken te kijken, maar vooral naar mij. Ik weet niet of ik doodsangst van die ogen moet aflezen, of bravoure. Pak derhalve een stokje, lang genoeg om me niet bedreigd te gaan voelen, & steek ‘m richting z’n achterste. Ondertussen ten volle bewust van nog steeds diezelfde blikken achter me. ‘Wat zou hij nou doen?’ vragen ze zich vast af. Waarna ze iets weg zien flitsen. Voor me uit. Dat moet ik nog maar een keer doen. Nog beter demonstreren hoe dapper ik de pad opjaag. Ook al is de voorstelling gratis nog een toegift.
Als de pad is verdwenen besluit ik maar verderop in de tuin wat onbedoeld groen te verwijderen. Geleidelijk aan beweeg ik richting de keuken, m’n handen steeds voller met stengels, sprieten, bladeren, soms hele planten. De kleine plantjes krijgen wat meer licht zodoende. Ik buk me nog eens voorover als ik opgeschrikt word door m’n buurvrouw Nienke. Van de begane grond.
‘Hoi,’ lacht ze me toe.
‘Oh, hoi,’ zeg ik, ‘ik had je helemaal niet gezien.’
‘Die plant daar gaat wel woekeren, hè?’
Ze wijst naar ’t robertskruid.
‘O, daar heb ik helemaal geen last van. Ik heb een groot gedeelte al weggehaald, maar in deze hoek vind ik ’t wel leuk om ’t te behouden.’
‘Gelukkig. Ik dacht al dat ik misschien bij je moest gaan wieden als ’t een beetje te veel werd.’
‘Nee, hoor. Helemaal niet nodig. Bovendien zijn ze heel makkelijk uit de grond te trekken, met wortel & al.’
Ik zie ze niet meer. Ze zitten nu recht boven me, op hun balkon, uit mijn zicht. Maar ongemerkt hou ik tijdens ’t gesprek met Nienke rekening met ze. Praat misschien wat harder. Probeer een verklaring te geven voor m’n gedrag. Ongemerkt, ’t sluipt er in.
‘Heb jij ook padden?’ vraag ik.
‘Nee. Niet gezien nog.’
‘Oh, bij mij barst ’t ervan. Ik schrik me af & toe rot. Springen ze plots tevoorschijn.’
Nienke lacht. Nog maar een schepje erbovenop gooien. Ik hou van publiek.
‘Vorig jaar had ik er 1tje in m’n kelder.’
Die werkt. Nienke reageert: ‘Hè, gatsie.’
‘Ik durfde m’n kelder niet meer in. Daar zat-ie de hele tijd onder aan de trap. Je gaat je net een klein kind voelen. Angst voor zo’n klein beestje, heel kinderachtig lijkt dat dan.’
‘Ik kan ’t me wel voorstellen.’
Nienke is een hele sympathieke buurvrouw. Begrip heb je nodig van je buren, geen kopjes suiker.
‘Maar ’t schijnt wel,’ ga ik verder, ‘dat padden de slakken verjagen.’
‘Ja, daar hebben wij er ook wel veel van. Wat doen die padden daar dan mee?’
‘Die eten ze op, denk ik. Maar ik had zoveel slakken dat ik ze maar zelf ben gaan uitmoorden. Met zout.’
‘Hoe doe je dat dan? Strooi je zout op slakken? Wat gebeurt er dan?’
‘Dan dijen ze snel uit om vervolgens op te lossen. Zo ziet ’t er tenminste uit. Maar van andere mensen mag ik ’t niet met zout doen. Vinden ze dieronvriendelijk.’
‘Wat moet je dan om ze weg te krijgen? Zeker heel veel padden nemen.’
‘Je schijnt een bakje met bier in de tuin te moeten zetten. Daar komen ze op af & daar verdrinken ze in. Volgens mij lijden die beesten dan nog meer dan als je er zout op strooit.’
‘Zouden slakken kunnen denken?’
Daar had ik zelfs nog niet over nagedacht. Kunnen slakken denken? Kunnen ze voelen dat ze dood gemaakt worden?
‘Dat weet ik niet. Daar denk ik ook maar niet over na.’
‘Dan moet je toch maar een flesje bier in een bakkie doen.’
‘Nee, da’s zonde van ’t bier.’
‘Maar in de supermarkt kan je heel goedkoop bier kopen. Zo’n 3e-rangs biertje.’
‘Daar gaat dan m’n reputatie als bierkenner.’
‘Dan moet je maar een dikke jas aantrekken & een zonnebril op.’
‘Ik denk dat ik ’t voorlopig toch maar bij padden hou,’ besluit ik als ik me omkeer om de volgende overbodige plant uit de grond te trekken. ‘& Een beetje zout.’
Terwijl ik me afwend van Nienke kijk ik slinks naar boven. De buren van 2-hoog zijn van ’t balkon verdwenen. Maar m’n aandacht wordt snel afgeleid door een insectenkoppel die op een blaadje de daad verrichten. Een piepklein vlindertje vliegt eraan voorbij.

In Zijperspace gaat de voorstelling non-stop door.

handelaar

‘Há, Boekenman,’ zeg ik, misschien iets te enthousiast, ‘ben je er weer?’
‘Nou, als je ’t niet leuk vindt, dan hoef ik je niet meer te zien, hoor,’ zegt Boekenman. ‘Zeg je tegen alle klanten van: ‘Ben je er alweer?”’
‘Zo bedoel ik ’t natuurlijk niet. Ik vind ’t altijd leuk als je even langs komt wippen.’
‘Ja, jij bent een echte handelaar. Jij houdt alle mensen te vriend. Daar moet jij boterham immers mee verdienen.’
‘Ik ga er heus niet minder van verdienen als ik dat niet doe. Ik krijg evengoed m’n salaris wel betaald. Ik vind ’t gewoon leuk dat je langskomt. Maar je komt weer een biertje halen?’
‘Ja, ik kom je kas spekken.’
Daar kon ik niks tegenin brengen.
‘Die man hier om de hoek, die heeft allemaal pijpjes,’ vertelt Boekenman terwijl-ie z’n biertje afrekent, ‘& nou heb ik er 1tje gezien, die past precies bij mij. Ik vroeg aan ‘m hoeveel-ie moest kosten. Nou, hij zei: “Wel € 5,-!” Dat vond ik veel te veel. Ik heb er € 4,- van weten te maken. Dus ik ga ‘m straks halen, want ik heb geld verdient door boodschappen te doen voor die blonde dames.’
Boekenman moet altijd lachen als-ie ’t over de blonde dames heeft. ’t Zijn z’n beste vrienden. Zolang ze maar betalen voor z’n diensten.
‘Jij krijgt ook alles voor elkaar,’ zeg ik & geef ‘m z’n wisselgeld terug.
‘Heb je misschien 2 muntjes van 1 euro, ipv deze van 2?’
‘Ja, natuurlijk.’
‘Kijk,’ zegt Boekenman, ‘ik had gezegd dat ik dat pijpje wilde hebben, maar als ik maar 3 euro’s heb, dan zegt-ie misschien wel ja.’
‘Jij bent ook een echte zakenman, Boekenman,’ zeg ik lachend.
‘Nee,’ reageert-ie, ‘die vent is gewoon een afzetter.’

De baat gaat voor de kosten in sommige delen van Zijperspace.

logés (3)

Maar altijd als ik zelf ergens bleef slapen liep ’t anders. Ik probeerde er in ieder geval altijd voor te zorgen dat ’t niet fout kon lopen. & Als dat wel ’t geval was, dat men dan in ieder geval er op voorbereid was. Men was er op verdacht. Men kon ’t verwachten. Men was op de hoogte. Men vond ’t niet meer zo raar. Meestal vonden de vrouwen, ze waren meisjes toentertijd, ’t best wel vertederend, verrassend, grappig, gezellig omdat ik 't verteld had, ietwat raar, maar omdat ’t zo apart was totaal te accepteren, lief zelfs, terwijl ik met schuchtere ogen, & bijbehorende blozende wangen nadacht over m’n bekentenis. Misschien had ik toch m’n mond moeten houden.
Daar is ’t verkeerd gegaan. Meisjes vonden ’t vertederend. Alles wat ik zei, alles wat ermee te maken had. Ze hadden nog nooit een jongen als ik meegemaakt. Ze stootten elkaar aan om non-verbaal te zeggen van: ‘Hé, heb je dat gehoord, wat schattig, wat lief, vind je niet?’ Maar eigenlijk geloofden ze me aanvankelijk niet, zochten ze overtuiging bij iemand van ‘tzelfde geslacht, om gezamenlijk te kunnen concluderen dat ik toch echt gezegd had wat ik had gezegd, 2 keer ‘tzelfde zeggen met de zelfde mate van geloof in eigen waarheid, dat kon toch niet anders betekenen dan ‘ja, hij zal ’t dan toch zeker wel echt menen, wellicht is ’t waar’, & gezellig volbrachten ze de rest van de nacht in mijn gezelschap, gezellig, vertederd & al die andere bijvoeglijkheden tezaam, maar wel in de gelijktijdige aanwezigheid van degene die ’t bevestigd had.
’t Heeft lang geduurd voordat ik ontmaagd werd. Maar ach, ik werd in ieder geval geaccepteerd. Met bijbehorende afwijkingen.
Dus hadden we heerlijk gezellige avonden, Suus, Inge & ik, die uitliepen in nachten, tot in ’t ochtendgloren toe, waarna we gingen slapen. Zij in volle overtuiging dat ’t geen kwaad kon. Ik in volle overtuiging dat ’t vertrouwd was. Hele zomers brachten we zo door. & Als ’t verkeerd mocht gaan, niemand die zich er wat van aantrok, een glimlach verscheen slechts op de lippen, een lach iets later in de middag, voor de gewone mensen avond geheten, een schater als we onszelf weer aan ’t benevelen waren richting de volgende dag die ons al aan ’t achterhalen was. In afwachting van wat mijn onbewust gedrag de komende nacht, of nachtrust zogezegd, weer brengen zou.
Dan legden we ons te bed. Vooraleerst ons ontkleed te hebben. Ik poogde niks aan te trekken van de blote borsten, hoewel ik exact wist welke vormen & maten, welke kenmerken ze droegen in beide gevallen, & zij hadden schijnbaar besloten ‘tzelfde te doen mbt ’t verschijnsel dat ik hun beschreven had. In zenuwachtig amechtig lachen van: ’t is weer zover. & Suus sliep in haar bed, als haar ouders op vakantie waren, & Inge in die van haar (hoewel ik me niet kan herinneren dat haar ouders ooit weg waren) of anders ik in die van mij, bij afwezigheid van Pa & Ma, waarbij de logés ’t bed tezaam moesten kiezen, gezellig naast elkaar.
& Onbekommerd, maar naarstig op zoek, werd ik de volgende ochtend, die middag zou moeten heten, aangetroffen, wroetend rond ’t bed, op zoek naar de onderbroek, die ik elke nacht weer, totaal onbewust gedurende m’n slaap, uitgetrokken had.
Ze wisten ‘t. Ze vonden ’t niet raar, hadden ze beloofd. Dus ik kon in slaap vallen naast een vrouw, een meisje kon men ze nog noemen, om de volgende dag te ontwaken, geheel ontdaan van m’n ondergoed, zonder iets van sex te hebben genoten, met Suus noch met Inge. ’t Was een afwijking, maar toch heel gewoon.

& Alles wat gewoon is, is een afwijking in Zijperspace.

logés (2)

Ze hadden een taxi genomen, vertelden ze. Tot 2 keer toe. € 30,- Er aan gespendeerd. Doordat ze de laatste trein naar Den Helder gemist hadden hadden ze er nog 1 moeten nemen. Later. Toen ze nog wat meer gedronken hadden. Waarschijnlijk met Leo. De laatste taxi was richting mijn huis. Quint belde van daaruit. Hij wist de straatnaam niet meer. Was ook ’t nr vergeten. & Hij vroeg of ’t mocht. Blijven slapen. Ik kon niet meer weigeren.
Toen ik een auto m’n voordeur hoorde passeren, ben ik maar even door ’t raam naar buiten wezen kijken. Ik zag nog iemand uitstappen. Naast Quint. Ze stonden stil op straat. Quint herkende ik wel. Remco niet. Ik had ‘m ook niet verwacht. Quint had ’t doen voorkomen alsof-ie in z’n 1tje zou komen. Ze stonden nogmaals stil. In zoverre ze nog stil konden staan. Keken een beetje naar de huizen. Waarschijnlijk probeerde Quint zich te herinneren welk nr ’t ook alweer was. Hij wankelde. Ik besloot ze toch maar naar binnen te halen. Ik had de deur weliswaar opengezet, maar die leken ze niet te vinden. & Door ’t streepje van ’t gordijn zagen ze me niet. Ook ’t felle licht dat achter mij vandaan kwam blijkbaar niet.
Ik zou zelf zijn gaan lopen. Net als toen. Quint kon niet meer, die keer. We moesten van ’t centrum naar oost.
‘Kom op,’ zei ik, ‘’t is maar een kwartiertje nog.’
‘Ah, Ton, mag ik niet een 10tje van je lenen?’
‘Nee. Zeker voor een taxi.’
Maar uiteindelijk kreeg-ie z’n zin. Ik bleef doorlopen, terwijl hij een taxi zocht. Ik had er zo diep in de nacht nog geen voorbij zien komen. Van mij mocht-ie, die sufferd, dacht ik, ik zou in ieder geval niet dik worden. Een beetje je laatste geld, je laatste geleende geld, uitgeven aan een taxi; ik vond ’t belachelijk.
‘Hoi,’ zei ik, toen ik ‘m voor m’n deur weer tegenkwam.
‘Ik sta hier alweer 5 minuten,’ zei hij.
Hij moest wel wachten, want ik was de enige met de sleutel.
5 Minuten winst voor 10 gulden.
Remco & Quint strompelden naar binnen, de muren van m’n gang meermaals met hun schouders rakend. Ik probeerde de deur dicht te doen, maar Remco bleef te lang met z’n voet staan.
‘Oh, sorry,’ zei ik, toen ik z’n hiel raakte.
‘Geeft niet,’ zei hij, ‘ik voel nu toch niks.’
Hij bewonderde m’n huis.
‘Zo, Ton,’ zei hij, ‘hoe kom jij toch altijd aan die mooie woningen?’
‘Dat valt toch wel mee?’
Hij mocht een keer in mijn huis slapen, lang geleden, op de Albert Cuyp, terwijl ik ondertussen ’t weekend in Den Helder werkte. Ik had ‘m vrijdagmiddag de sleutel meegegeven. Zaterdagmiddag kreeg ik een stompje terug.
‘Hij brak af.’
‘Hoe kan dat nou?’
‘We probeerden de deur open te krijgen. & Plots kregen we alleen dit stukje er uit.’
Ik heb ‘m de volgende dag meegenomen. Om te helpen bij ’t openbreken van de deur. Dat bleek niet nodig. Boven de deur haalden we een plaat weg. Heel eenvoudig. We tilden ’t plafond in m’n gang omhoog & Remco liet zich toen naar binnen zakken. Daar vond-ie de reservesleutel, waarmee hij de restanten sleutel uit ’t slot kon wippen. De deur kon weer open. Vervolgens hebben we dat heugelijke feit gevierd door m’n voorraad bier op te drinken.
Ze zouden vannochtend om ½ 7 opstaan. Maar om ½ 8 kon ik ze zelf weer wakker maken. Totaal buiten bewustzijn. Ik heb ze een bakkie thee aangeboden. Ik had nog net genoeg eten in huis voor mezelf, dus dat ging niet.
‘Ook niet 1 boterham?’ vroeg Quint.
‘Ja, dat kan nog wel.’
Uiteindelijk vergat-ie toch ook die ene boterham.
‘Jullie moeten nou opschieten,’ zei ik om ¼ over 8, ‘want anders halen jullie de trein van 10 voor niet.’
Maar Quint was niet vooruit te branden. Ook al moest-ie om 11 uur z’n zaak open gooien.
‘Hé, bedankt, Ton,’ zei Remco bij ’t verlaten van m’n huis. Hij gaf me een hand.
Quint deed dat ook maar. Lachte erbij. Ik gaf ‘m maar geen zoen, zoals wij broers gewoon zijn te doen. Hij had de dag van gister nog in z'n mond, bedacht ik.

Die dag had veel te lang geduurd in Zijperspace.

logés

M’n broer snurkt. ’t Is lang geleden dat ik dat mocht meemaken. Opeens ruikt m’n huis ook weer naar rook. Niet dat dit huis eerder naar tabak heeft geroken, buiten m’n verjaardagen, daar ben ik te lang voor gestopt; m’n vorige huizen echter wel. Dat nam ik zelf echter niet waar. Remco, ’t gezelschap van Quint, heeft z’n geur momenteel hier achtergelaten. Zware van Nelle. 1 Peuk. Ik wist niet dat m’n neus zo gevoelig daarvoor was.
Ik wacht op slaap. Die is verdwenen. Vanaf ’t moment dat m’n broer me belde. Of ik de deur open wilde zetten. Ik moest vooral blijven slapen. Hij zou op de grond gaan slapen. Ondertussen vult-ie de ruimte met snurk, geronk die Remco maar wat graag zou willen kopiëren, maar die heeft de rust nog niet gevonden.
Ik ben de tijd voorbij dat een dronken broertje me ontroerde. Tenminste, ’t ontroert me niet onmiddellijk. 1st Moet-ie normaal doen, recht lopen, niets omgooien, gaan zitten, dan begint ’t familiegevoel pas. Hoewel dat wat zich daarvoor in m’n hoofd afspeelde daar ook vast mee te maken heeft. Maar pas als dat heeft plaats gevonden begin ik zinnetjes te formuleren als: ‘Maakt helemaal niks uit’, ‘Nu ben ik toch wakker’, ‘Wil je nog een biertje?’, ‘Hoe laat moeten jullie op?’ ‘Heb je dit nr al gehoord?’.
Ik moest vooral blijven slapen. Zei hij, met z’n dronken kop.
‘Maar wat is je adres ook alweer? Oja, 160. Nee, ja, ik hoor ‘t: 166.’
& Daar moet ik vooral van gaan slapen.
Ik heb ‘m vaker over de vloer gehad. Jaren geleden. Met Richard. Die ondertussen alweer een paar jaar in Duitsland vast zit. Daar heeft m’n broer echter niets mee te maken. Alleen met ’t feit dat ze enkele dagen over de vloer waren. Dat ze dag in, dag uit, of eigenlijk de gehele dag (die 2 dagen dat ze op visite waren) vermaakt moesten worden. & Geld lenen, daar waren ze ook goed in. Vooral Richard. Ik krijg nog steeds 25 gulden van ‘m.
’s Ochtends vroeg was m’n broer altijd al verdwenen. De deur uit. Om rond 12-en weer terug te komen. Omdat-ie gek werd. Geen rust in z’n kont. Maakte mij helemaal niets uit. Kon ik tenminste op m’n gemak wakker worden. Richard paste zich wel aan. Als die z’n peukie maar kon roken, 't 1e wat-ie 's ochtends deed, hangend in z’n slaapzak. De kater koesterend: ‘Whaaaaaaaaaaahaaa, wat hebben we gisteren gedaan?’ Met die opmerking werd-ie wakker, niemand die luisterde, maar hij & zichzelf konden goed met elkaar communiceren. Als-ie ons daarbij maar niet te vaak stoorde, vonden we alles best. Daar hadden we ’s ochtends vroeg gelukkig geen last van.
Quint is weer wakker geworden. De bank trilde. Bleek z’n mobieltje te zijn. Hoe ’t met ‘m ging, was de vraag. Hij heeft uitgelegd dat-ie lag te slapen bij z’n broer. Ik vroeg de hele tijd wie 't was die hij aan de telefoon had. Ik hoorde een vrouwenstem. Maakt me toch nieuwsgierig. Hij hing op een gegeven moment op, zei dat ’t Leo was.
‘Oh, ik dacht dat ’t een vrouw was.’
‘Leo. Van Leontien.’
‘Dan klopt ’t toch.’
Je hebt weinig woorden nodig als je broers bent.
Richard. Daar hadden we lol aan. Zolang-ie niet te veel geld hoefde te lenen. M’n broer zei gewoon dat-ie ’t niet had. Waarschijnlijk was dat ook wel zo. Ze waren onderweg naar Spanje, om geld te verdienen, maar hadden de bus gemist. ’t Zou enkele dagen duren voordat de volgende ging. Of ze bij mij konden blijven slapen. Anders moesten ze terug naar Den Helder. Daar hadden ze ’t geld niet voor. Gelukkig wel om ’s nachts nog een beetje lol te hebben. Dan namen we amsterdamse studentjes in de maling. Want met behulp van hen was ik daar ook best wel goed in. Zolang we maar genoeg geld hadden om aangeschoten te raken.
’t Ging altijd om geld, toentertijd.
Richard was onze stiefbroer. Vertelden we. & Richard keek daar altijd treurig bij.
‘Niet zo somber, Rich,’ zeiden wij dan, ‘Ma zal je ooit wel weer accepteren.’
Waarna we hele verhalen op gingen hangen. Over waar we gewoond hadden. Was jij niet een broer van? & Woonde je niet daar? Naast die ene mevrouw?
Ze geloofden alles, die amsterdamse studenten. Waarvan ik er 1 was, maar gelukkig niet zo goedgelovig. ’t Leverde altijd wel een biertje op. Waarna we een volgende slachtoffer zochten. Quint & Richard, bedoel ik. Ik liep er achteraan.
M’n broer snurkt weer. Ik moet ‘m maar in alle rust laten slapen. Hij moet om ½ 7 op. Ze zullen dan vast wel weer zeggen dat ik vooral moet blijven slapen.

Zijperspace moet weer in rust worden ondergedompeld.

begraafplaats

We kwamen in de buurt, zo voelde ’t voor mij. ’t Was bijna vanzelfsprekend dat de begraafplaats hier vlakbij was.
‘Om de hoek is zeker de begraafplaats?’ vroeg ik, wijzend naar ’t pad dat naar links afboog.
‘Ja,’ zei Rachel, precies op ’t moment dat m’n blik op ’t bordje viel.
‘Oja, ik had ’t kunnen lezen,’ merkte ik op. ‘Maar hier liggen zeker ook oorlogsslachtoffers?’
‘Ja, die ook,’ waarbij wederom m’n blik op een bordje viel waarop te lezen was wat ik vroeg.
‘Ook dat had ik kunnen lezen,’ constateerde ik hardop.
Op ’t moment dat we van de oprijlaan, vele begrafenisauto’s hadden hier traag hun pakket afgeleverd, overgingen op ’t pad van de begraafplaats zelf, zacht, onverhard, maakte zich een beklemmend gevoel van me meester. Hier lagen tonnen aan emoties, liters verdriet waren hier geplengd. & Ik, nog slechts een amateur in deze droefheid, mocht even meelopen.
Ik mocht dit niet laten verworden tot een ‘apies kijken’, bedacht ik me, ik moest me realiseren waar ik was, ik moest respect tonen voor de grafzuilen, voor de sporen van mensen die verlaten waren & 'tgeen hun verlaten had hier gelaten hadden, van mensen die door moesten gaan met leven, die hun rug moesten rechten, opnieuw weerbaar moesten worden, maar deze plek nodig hadden om zo af & toe dichtbij degene te komen die ervandoor was gegaan.
Rachel wees ’t graf van haar grootouders aan. Waarbij ik getroffen werd door dat van Adriaan Roland Holst, ernaast.
‘Jouw opa ligt naast Roland Holst,’ verzuchtte ik.
‘Ik vind ’t helemaal niet zo bijzonder, anders,’ ontnuchterde zij m’n opmerking.
& Ik bedacht dat ’t ook maar een dood mens was, een hoopje botten hooguit, dat naast ’t volgende teken van ‘herinnering aan' lag, maar daarvan niets kon merken.
Enkele 10-tallen witte grafstenen doemden op. In strakke rijen, in lijnen uitgezet, op de mm precies achter & naast elkaar geplaatst. Zelfs de plantjes, de madeliefjes, de varens, stonden strak in ’t gelid, geplaatst ter ere van de militairen die in de oorlog waren gevallen. Enige achtergelaten bloemstukken & kransen herinnerden aan dodenherdenking, enkele dagen geleden.
We gingen de hoek om, richting een veldje dat nog maar net in gebruik was genomen. ’t Viel meteen op. Net iets meer dan de helft van ’t veld was bezet, de graven zagen er nieuw & verzorgd uit. Enkelen waren versierd, als je daarvan mocht spreken, met memorabilia, die de herinnering aan de persoon die er begraven lag moesten oproepen. Een houten kruis, een stenen kat eraan hangend, stukken tekst, opgesierd met een foto van de overledene, verpakt in plastic, maar toch al flets. Een bankje, in marmer, geplaatst bovenop ’t graf zelf. Een glazen plaat, met poep van een vogel die niet ‘tzelfde respect voor de doden kon opbrengen.
‘Ligt je moeder hier?’ vroeg ik.
‘Ja,’ zei Rachel, terwijl ze ’t stuk terrein dat nog slechts bedekt was met gras, waar in de toekomst nog vele graven geplaatst moesten worden, begon af te snijden. Recht op ’t graf van haar moeder af.
Ze werd stil. Stiller. Meer met haar moeder, dan met alles dat er om haar heen gebeurde. Ik kon slechts op een afstand staan kijken. Ook al stond ik ernaast.
Ze ordende de dingen. De plantjes. ’t Zand. Enkele objecten. Ze wreef over de olifant bovenop de steen. Ze haalde de pioenroos tevoorschijn. De pioenroos waarvoor we de reis hadden ondernomen.
‘Zal ik anders even water halen?’ bood ik aan, toen ze verzuchtte dat ze dat eigenlijk nodig had.
Kon ik haar even alleen laten. Kon ik mezelf terugtrekken.
Ik liep weer naar de oorlogsgraven. Bestudeerde de gedenkstenen, nam m’n tijd, lichtte mezelf in over de verschillende mensen die hier herdacht werden: militairen, joden, verzetsmensen. Voor ‘t 1st in m’n leven was ik me bewust van ’t feit dat ik de doden van de oorlog herdacht. Terwijl ik ondertussen naar een gieter zocht. & Een kraan voor water.
Ik kwam terug met een geheel gevulde gieter. Tot de nok toe vol. ’t Kostte moeite om ’m de hele weg te tillen. Ik reikte ’m Rachel aan. Zij schikte de planten, de pioenroos, & gaf ze water. Ze herschikte de steentjes, ’t steentje waar ze wierookstokjes in plaatste. Ze stak de stokjes aan, haalde waxinelichtjes tevoorschijn, plaatste die, & voorzag ook die van vuur. Toen ging ze zitten. Op ’t randje van ’t graf ernaast. Ik zette me neer in ’t gras van ’t voetpad.
‘Anders ga ik altijd op die steen daar zitten,’ wees ze.
Ik keek naar de steen, schuin achter ’t graf van haar moeder.
‘Ik zou dat niet durven,’ zei ik. ‘Ik zou niet op ’t graf van iemand anders durven staan.’
‘Oh, daar heb ik geen moeite mee.’
'Ik blijf hier altijd zitten tot de wierook op is,' zei ze ook nog, 'dat hoort bij 't ritueel.'
‘Dat dacht ik al.’
We hielden onze mond vervolgens. De zon scheen. De vlammetjes brandden. ’t Wierook verspreidde zich. Verloren in de wijde wereld, maar we roken ’t nog net voordat ‘t vervluchtigde.
Op de terugweg stak Rachel een hand in m’n arm.
‘Vind je toch wel goed?’ vroeg ze.
‘Ja, is goed,’ & ik gaf ‘r een zoen.

We moeten nog aan de doden wennen in Zijperspace.

libris 2003

Net als vorig jaar heb ik nou net 't boek dat de prijs binnenhaalde niet gelezen. Of in ieder geval niet volledig. Ik ben tot blz 174 gekomen. Da's toch 170 blzs meer dan dat ik vorig jaar van 'Een soort Engeland' had gelezen. Ik heb me gehaast, ik had 'm slechts een week geleden aangeschaft, om 'Hokwerda's kind' van Oek de Jong uit te krijgen, vanavond de laatste 40 blz gelezen, gehaast, ik moest een gefundeerde mening hebben zogauw de prijs uitgereikt zou worden, omdat deze de gedoodverfde winnaar was. Ik vond 't niet veel aan, zag liever Marek van der Jagt's 'Gstaad 95/98' winnen, maar las toch door. Ik liet 'De langverwachte' van Abdelkader Benali daarom links liggen; die maakte toch geen kans, was m'n bescheiden mening na 174 blzs.

Morgen beteren we ons leven in Zijperspace.

biologisch

‘Ik heb net een slakkenplaag achter de rug,’ vertel ik Rachel als ze m’n tuin betreedt. ‘100-en Slakken.’
Rachel bekijkt de tuin, maar beseft op een gegeven moment dat ze totaal geen slakken ziet.
‘Waar heb je die slakken dan gelaten?’ vraagt ze.
‘Oh, weg,’ zeg ik nonchalant, met m’n handen in de lucht. Ik lach er een beetje bij. Dan begrijpt ze ’t wel, denk ik. ‘Als sneeuw voor de zon.’
‘Je hebt ze laten oplossen?’ zegt Rachel.
‘Hmm. Ja. Met zout.’
‘Ik dacht dat jij zo biologisch was ingesteld?’
‘Dat ben ik ook. Maar ik vertaal de angst die ik heb voor dieren in ’t doden van ’t beest waarvoor ik bang ben,’ vertel ik. ‘Zolang ik dat durf tenminste. Als ik een enge spin in de douche zie, dan pak ik een wc-papiertje, verfrommel ’t beestje erin & spoel ’t door de wc. ’t Moet zo snel mogelijk weg. De angst moet weg.’
Ik loop naar binnen. Pak een boek tevoorschijn. ‘Tuinieren in de biotuin; Praktische handleiding met meer dan 150 foto’s in kleur’. Ik speur door ’t register & blader naar de bewuste blz.
‘Hier,’ zeg ik, opkijkend uit ’t boek, ‘hoe je slakken op een biologische manier kunt bestrijden.’
Ik lees voor: ‘De biotuinier moet in de 1e plaats proberen weer zoveel mogelijk natuurlijke tegenstanders in zijn tuin op ‘jacht’ te laten gaan, bijv egels, padden, hazelwormen, vogels, loopkevers, mollen & spitsmuizen.’
‘Die pad & de egel heb ik in ieder geval in m’n tuin,’ zeg ik.
‘Maar die pad verjaag je de hele tijd.’
‘Ja, nou ja, ik schrik elke keer als ik de pad tegenkom. Maar een pad durf ik niet te doden. Dus stuur ik ‘m alleen maar naar de buren.’
Ik lees verder: ‘De volgende middelen weren de slakken min of meer af: mulch van varenbladeren & tomatenblad (“wat is ‘mulch’?” vraag ik aan Rachel). Heel goed helpen ook biervallen (“zonde van ’t bier”). In de handel zijn handig geconstrueerde bakjes. Een yoghurtbeker die tot de rand wordt ingegraven en ’s avonds met bier wordt gevuld, doet ‘t echter net zo goed. De volgende morgen zijn de biervallen gevuld met slakken van elk formaat, die in ’t lokkende brouwsel van hop & mout zijn verdronken.’
Ik kijk op.
‘Dat is toch ook gemeen. Net zo gemeen als zout over slakken strooien. Ze gaan misschien nog wel langzamer dood dan met zout. & Dat noemen ze dan biotuinieren.’

’t Barst van de vliegjes door de dode slakken. Als ik ’s avonds m’n keukendeur dicht doe, hangt ’t keukenraam vol met vliegen die op zoek zijn naar buiten. ’t Bedrieglijke raam houdt hen tegen.
‘Ik kan ze allemaal doodslaan,’ denk ik, terwijl ik een tv-gids van de oud-papierstapel pak.
Ik stap op de aanrecht, klap de 2 raampjes open. Van boven af jaag ik de vliegen naar beneden, richting de openstaande raampjes. Eigenwijs blijven ze omhoog gaan. Maar steeds weer geef ik ze een klap naar beneden. Tot ’t bovenraam helemaal vliegleeg is. De ramen kunnen weer dicht. Ik spring van ’t aanrecht. Op ’t vensterbank licht een 10-tal lijkjes. Ik veeg ze met een doekje de wasbak in.
‘’t Heeft misschien enkele levens gekost,’ bedenk ik, ‘maar ’t was in ieder geval biologisch.’

’t Barst van de biologische bestrijdingsmiddelen in Zijperspace.

revolutie

‘Dan wilden ze de stad in,’ vertelt de jongen naast me, ‘& dan stonden ze uren in de spiegel te kijken of er iets te zien was.’
Hij doet ’t voor. Alsof-ie voor de spiegel staat, kijkt-ie over z’n schouder. Lichtjes voorovergebogen. Z’n handen spreidt-ie over de zijkanten van z’n billen.
‘”Niks te zien, toch?” vroegen ze dan altijd aan mij,’ gaat-ie verder.
‘Ja, dat zie je toch?’ zeg ik. ‘Ik zie ’t altijd van veraf of een vrouw een string aan heeft of niet.’
‘& M’n zusjes, die droegen dus strings, omdat je dan tenminste niet de randjes van de onderbroek kon zien,’ zei de jongen naast me aan de bar. ‘Ze vonden ’t afschuwelijk, zeiden ze, als door de broek heen te zien was wat voor slipje ze aanhadden. “Dat kan je met een string tenminste niet zien,” zeiden ze.’
‘Hè?’ zei ik verbaasd, ‘Ik dacht altijd dat ze strings droegen omdat ’t veel lekkerder aanvoelde. 1 Met de wereld buiten, directer contact met alles wat ze aanraken. & Natuurlijk omdat ’t veel sexier stond. Ik dacht dat ze daar best wel gevoelig voor waren.’
‘Nee, hoor,’ legde de jongen verder uit, ‘ze deden ’t alleen omdat je dan die afschuwelijke lijn over de billen niet zag. Zeiden m’n zussen mij, in ieder geval. Ik zei dan dat ik toch best wel duidelijk kon zien dat ze een string aanhadden.’
‘Ja,’ zei ik, ‘als ik iets duidelijk kan zien aan ’t ondergoed van vrouwen, dan is ’t de string wel. Ik zie onmiddellijk aan de bolling van de billen, ’t trillen van ’t vlees, dat er een string im sprache is.’
‘Daar gingen ze gewoon niet op in. Alsof een man daar geen aandacht voor had.’
‘Ik keek vroeger nooit naar billen. Ik wist niet eens dat billen bestonden. Totdat ik van ’t bestaan van de string hoorde. Toen ben ik eens gaan kijken. Als de string niet had bestaan, dan had de vrouw gewoon over straat kunnen lopen, zonder dat ik ‘r in ’t voorbijgaan na zou kijken. De wereld is radicaal veranderd sinds ik weet van ’t bestaan ervan.’

’t Betekende een grote ommekeer in Zijperspace.

jenny

We liepen tijdens koninginnedag door ’t Vondelpark. Schuifelend. Zoals dat hoorde. Je mocht de kinderen niet ondersteboven lopen. Langzaam achter haar zus & zwager aan. Die had ik diezelfde dag leren kennen. Zus die helemaal niet leek. Veel langer. Zwart ipv blond haar. Scherpe opmerkingen. Maar wel dezelfde jankstem. Waarin een traan verborgen zat in elke zin. Tussen 2 woorden in een kraak.
We probeerden van ze af te komen. Jenny was niet op haar zus gesteld. & Ik had al snel een hekel aan de zwager. We konden elkaar later nog een keer tegenkomen, stelden we voor. Kon ieder vinden wat-ie zocht.
Waarna ik Pieter tegenkwam. & Remco. Van de middelbare school. Jaren niet gezien. Hoe gaat ’t ermee, hoe gaat ’t ermee, leuk, goed, grapje, lachen. Biertje?
Maar Jenny wilde doorlopen. Dus liep ik door. Jenny naast me.
Waarom ik nou perse met hun wilde praten? Of zij niet genoeg was? Wat had ze gedaan dat ik niet bij haar wilde blijven?

Terwijl ik met haar vree liet zij haar shirt aan. Die haalde ze tevoorschijn uit de doucheruimte, aangetrokken als ze de kamer weer betrad. Als ik m’n tong gebruikte, had ik kans dat-ie er afgebeten werd. Zij lag onder. Altijd onder. Ik kon niet op m’n zij gaan liggen, zeker niet op m’n rug. Alleen als ’t tijd was om daadwerkelijk te gaan slapen. ’t Licht was altijd uit. Ik mocht haar wangen niet aanraken. Zij had een traan in haar stem. Een kraak tussen 2 woorden in.

Waar was ik geweest?
Gewoon, bij Stella.
Waarom wist ze dat niet?
Omdat ik gewoon met Stella was meegegaan. Na college. Biertje drinken.
Maar zij kon toch ook mee?
Nee, want zij moest werken.
Ik kon toch niet zomaar zonder haar naar Stella?
Jawel, want dat deed ik al jaren. & ’t Was slechts voor een biertje. Misschien kon ze me ook knippen. Dat had ze ook gedaan.
Helemaal belachelijk. Waarom?
Gewoon. Zo was ik ’t gewend. Normaal.
Is niet normaal.
Wel.
Tranen. Niet alleen in stem.

Ik maakte ’t uit. Door te vluchten. Ik haalde de stekker er uit. Want de telefoon bleef overgaan. Achter elkaar door. De hele nacht. Ik wilde niet meer.
Ik durfde niet meer naar college. Want Jenny zou op ’t instituut kunnen zijn. Ik durfde niet meer de kroeg in. Want Jenny zou me achtervolgen.
Ik ging naar Stella. Ik wilde niet thuis zijn. Straks stond ze voor m’n deur. Ik had al 1 nacht geluid buiten gehoord. Geen geluid klonk in m’n huis. Al ’t geluid kwam van buiten. Ik hield m’n adem in. Maar durfde niet door ’t gordijn te gluren om te zien wie er bij de deur stond.
Ik zat bij Stella op de keukenstoel. Stella stond in de deuropening.
‘Ton, je bent gek.’
‘Nee, zij is gek. & Straks word ik ’t ook.’
De telefoon ging.
‘Ik ben er niet. Vertel alsjeblieft dat ik er niet ben.’
Ik was al gek. Trillend liep ik door de keuken van 3 bij 2. Rondjes, zo groot mogelijke rondjes. Terwijl in de huiskamer Stella beweerde dat ze toch echt niet wist waar Ton zou uithangen. Ze had me al een paar dagen niet gezien.

Ik keek voor me uit. Ver voor me uit. Als ik de Nieuwe Doelenstraat inreed. Ik wilde weten wat me te wachten stond. Ik keerde om als ik Jenny op de stoep zag zitten.
Ik keek schielijk naar buiten als ik ’t instituut wilde verlaten. Bij aanschouwing van Jenny vluchtte ik via de geheime zij-ingang naar buiten.
Maar uiteindelijk heb ik bij haar thuis moeten vertellen dat ’t echt niet meer ging. Nee, echt niet. Dat ’t niet nog een keer zou werken. Dat ik heus wel van haar hield, maar niet op de manier zoals zij wilde.
Er zaten kraken in haar stem. Ze vertelde slechts ½e zinnen.

Jaren later kwam ik haar tegen in de Pijp. Ze woonde daar. Ze liep met boodschappentassen in haar handen. Ik herkende haar. Maar keek recht vooruit. Ik wilde niet weer wakker worden in dezelfde nachtmerrie. Zij keek me aan. Vernietigend. In een ooghoek zag ik haar voorbij lopen. Terwijl m’n fiets haast had. ’t Was in de straat waar ik vroeger gewoond had. Of net om de hoek. Daar waar ik haar de hele nacht voor de deur had horen staan. De telefoon die niet ging, omdat de stekker er niet inzat. De deurbel die ’t niet deed. Een stem die huilde.

De stilte ging door merg & been in Zijperspace.

ikzelf

Iemand zei: ‘Je weblog is je vriendje.’
Ik zei: ‘Nee, ’t is meer dan dat.’
& Ik dacht na. Want ik wist dat ’t meer was. Maar nog niet hoe.
Alsof ik m’n weblog slechts kon vertellen hoe ik me voelde. Dat kon ’t niet alleen zijn.
Alsof ik alleen maar aan m’n weblog kon vertellen dat ik iets beleefd had. Ook dat niet.
Alsof m’n weblog een afspiegeling kreeg voorgeschoteld van hoe ik eigenlijk in elkaar zat. Meer toch?

‘Stel nou dat je een vriendin krijgt?’
‘Dan schrijf ik misschien niet meer.’
‘Meen je dat?’
‘Ja. Of ik weet alleen nog maar over haar te schrijven.’
‘Oh?’
‘& Ik ga me steeds slechter voelen. Want dat gaat zowiezo gebeuren. Ik ga ooit dood aan liefde. Dat komt dan allemaal terecht op m’n weblog.’

Ik dacht: ‘M’n weblog ben ik zelf.’
& Betrapte mezelf op ’t verzinnen van een gebeurtenis. Die kwam er op terecht.
‘Zie je,’ dacht ik, ‘dat ben ik. Of zo denk ik dat ik ben. & Anders verzin ik 't wel.’
Maar niemand luisterde. Niemand wist immers wat ik zei. Of wist me te betrappen op een rare opmerking. Alles was immers waar. Voor hun. Voor mij.
‘Ik ben m’n weblog,’ dacht ik.
Alles is waarheid. Of naar waarheid geschreven.

Maar nu.
Ik houd m’n mond.
Ik schrijf niet. Ik steel de woorden zodat ze me niet ontglippen. Ik ben de eigenaar van m’n woorden, m’n zinnen, rechtmatig, maar niemand mag ze lenen. Nu even niet.

Er is een ongeschreven verhaal gepubliceerd in Zijperspace.

dodenherdenking 2003

‘Pff,’ zegt Fret, als-ie achter de bar komt staan, ‘’t is dodenherdenking vandaag.’
‘Ja,’ zeg ik, ‘daar moeten we wel even aan denken om 8 uur.’
Fret kijkt vermoeid. Hij heeft er geen zin in. ‘Zullen we ’t dit jaar gewoon overslaan? ’t Is al 60 jaar geleden.’
Jeroen kijkt verontwaardigd. Hij zit aan de bar, voor de tap. Hij kan alles horen wat we zeggen.
‘’t Is niet alleen voor de doden van de 2e Wereldoorlog. Er sterven nog steeds mensen door oorlogen.’
‘Oja, ’t is ook daarvoor,’ verzucht Fret. ‘Dan moet ’t maar.’
Fret keert zich af. Naar de volgende klant. Maar Jeroen is nog niet klaar.
‘Ik ben m’n vader & m’n moeder allebei verloren daardoor. Dan kan er best wel 2 minuten stilgehouden worden.’
Ik dacht dat Jeroen nederlands was, bedenk ik, & wend me ook naar een klant.
‘Zeg ’t maar.’

‘Gaan jullie straks dicht?’ vraagt een ethiopiër, wat later in de middag.
‘Tuurlijk gaan we dicht,’ zeg ik, ‘we gaan elke dag dicht.’
‘Dodenherdenking?’ stelt-ie vragend.
1 Woordje. We zijn weer terug in de realiteit.
‘Oja,’ reageer ik snel, ‘we gaan net als anders om ¼ voor 8 dicht & om 8 uur roep ik denk ik om 2 minuten stilte.’
Ik weet ’t nog niet zeker. Een heel terras tot stilte manen is iets wat ik nog niet eerder heb gedaan. Misschien alleen maar binnen.

‘Dames & heren,’ roep ik, ‘’t is 4 Mei: dodenherdenking. Graag 2 minuten stilte.’
Ik loop naar buiten terwijl ’t binnen stilvalt. Ik ga midden op ’t terras staan.
‘Dames & heren,’ begin ik weer, ‘’t is vandaag 4 Mei: de doden worden vandaag herdacht. ’t Is 8 uur, 2 minuten stilte, alstublieft.’
Ik keer me om. Voel alle blikken in m’n nek. Een ethiopiër gebaart rechts voor me.
‘Wat zei je? Is de bar nog niet dicht?’
Ik leg m’n vinger op m’n mond. Ssssst, gebaar ik. Hij kijkt vragend.
‘Dodenherdenking,’ zeg ik zacht.
Hij krijgt een zetje tegen z’n elleboog. Met een kort woord. Opeens is-ie stil. Met een verontschuldigende hand richting mij.
Ik loop weer naar binnen. Zie 2 lege glazen staan. Ik weet me nog net in te houden. & Loop door naar een kruk aan de bar.
Stilte.
Behalve aan de tafel waar Fret bij is gaan zitten. Zacht gefluister.

Sas staat bij de klok. Ze knikt als ’t zover is.
‘Dankuwel,’ zeg ik.
Onmiddellijk begint er geroezemoes.
Ik loop meteen door naar ‘t terras. Voordat ik iets zeg kan ik nog net zien dat iedereen op ’t terras stil is. Ook de ethiopiër die nog wat wilde drinken.
‘Dankuwel,’ zeg ik ook hier.
De ethiopiërs klappen. Net als vorig jaar. Ik keer me snel om. Wil niet dat ze voor mij klappen.

‘Ik vind ’t altijd heel bijzonder,’ zegt Sas na ’t schoonmaken, ‘als opeens ’t hele proeflokaal stil is. Van ’t ene op ’t andere moment.’
We zitten voor ‘t 1st buiten, dit seizoen, na afloop van ’t werk. Ik neem een slok van m’n bier. Fret zit ongeïnteresseerd tegenover me. Z’n glas staat voor ‘m.
‘Ik vind ’t zo afschuwelijk,’ zeg ik. ‘Ik weet absoluut niet meer wat ik moet doen op zo’n moment. Ik kijk een beetje voor me uit, maar ik krijg altijd ’t idee dat anderen zien dat ik me verschrikkelijk druk maak. Omdat ik niks te doen heb voor 2 minuten.’
‘Niemand die dat ziet,’ zegt Sas.

Zeker weten doen we dat nooit in Zijperspace.

vliegen

Op ’t balkon boven me verschuift m’n buurvrouw haar zit in de zon. Ik pulk wat zweet uit m’n navel, vlak onder haar. Gedachteloos kijk ik op uit m’n boek, afgeleid door ’t geluid van m’n buurvrouw. De zon doet de vliegen glinsterend oplichten, flitsen, op hun tocht door ’t groen dat afgewisseld wordt door bloemen. ’t Lijken er veel meer dan andere jaren.
Ik bekijk de lijkjes voor me. Of wat er nog van over is. Zwarte kleverige vlekken, onherkenbare overblijfselen van naaktslakken. De vliegen schijnen ’t lekker te vinden. Of misschien dat ze ’t zout weten te appreciëren, dat ik heb gestrooid. Zout maakt de maaltijd aangenaam.
Speciale vliegen lijken ‘t; ze houden al enkele dagen kantoor op mijn veranda. Specifieker: op ’t krukje waar ik graag mijn voeten op leg als ik daar een boek lees. Afgelopen dagen zat ik er niet, bij gebrek aan zon & warmte, maar nu dient ’t weer mijn domein worden, de grote hoeveelheid vliegen verjaagd.
Ze zijn wat kleiner dan de vliegen die ’t meest gangbaar zijn, ong de helft in grootte. Ze hebben ook minder felle ogen, waardoor ik ze minder associeer met stront. Want als je ergens een drol ziet, lichten altijd dezelfde ogen op vanuit de hoop. Ze lijken daardoor minder gevaarlijk, minder bedreigend, maar acteren wel in kuddeverband. Een hele horde had ’t krukje van de week bezet; ’t zag er zwart van & daartussendoor lichtte ’t bruin van ’t houten krukje op. Vaag. Ik bleef binnen, aanschouwde ’t tafereel door ’t keukenraam, onder ’t mom dat ’t weer me niet uitnodigde.
Ik veroorzaak aardbevingen. Langzaam kantel ik ’t krukje op 2 poten & laat ’t dan weer keihard terecht komen op poten 3 & 4. De vliegen schrikken & verdwijnen voor een tel. Niet meer. Niet langer. Hun korte memorie is met recht kort. Ze lijken niets te leren van datgene dat ze meemaken. Ik wapper met m’n hand. Maar razendsnel weten ze elke onverwachte beweging te ontwijken. Moet ook wel, bedenk ik, met zo’n slecht geheugen kan je je alleen redden als je vliegensvlug aan hachelijke situaties ontkomt.
Van mij mogen ze wel blijven leven, besluit ik. Ze zijn niet zo levensbedreigend als de enge slakken. Zolang ze maar van m’n kopje thee afblijven.
Ik pak m’n boek weer op, poog verder te lezen, & wrijf onderwijl met m’n linkervoet een jeukende insect op m’n rechterbeen plat.

De slakken zijn bijna opgeruimd, weg uit Zijperspace.

gekopieerd

Schrikt vooral niet. Weest verwonderd, net als ik. Hoe krijgen ze 't voor elkaar? Hoeveel moeite heeft 't ze gekost? Waarom hebben ze zich die moeite willen getroosten? Zijn slechts enkele vragen die me te binnen geschoten zijn. Ik weet nogeneens of 't wel 'ze' zijn; misschien maar 1 persoon. Of een hele club. Waarschijnlijk heten ze ook niet Hessel & Annette.
Ik heb even gekeken. Was verwonderd, zoals ik al zei. Ik heb gekeken of de archieven ook er in opgenomen waren. Dat bleek 't geval. De geselecteerde stukjes op onderwerp echter niet. Die verwezen naar Zijperspace zelf. 't Lijkt me dat iemand verschrikkelijk z'n best gedaan heeft. Of ik heb er weer 'ns geen bal verstand van & was 't in een poep & een zucht gebeurd.

Men mag vandaag reageren in Zijperspace, suggesties aanleveren, verklaringen afleggen, etcetera.
(met dank aan Cockie)

Update: De oplossing is er. De site van Hessel & Annette moet op mijn server geplaatst worden. Ze hebben daarvoor de ruimte gekregen van 1 van de aangeslotenen bij zijperspace.net (een 4-manschap). Daarbij is per ongeluk 'tzelfde php-nr gebruikt, begrijp ik, waardoor alles dat ik op zijperspace.net plaats onmiddellijk gekopieerd wordt naar hesselenannette.nl. 'Onmogelijk,' zegt onze technische man, maar 't is toch gebeurd.

nak

’t Was een jochie van Nak. Zo heette die familie. Een rare naam. Voor een rare familie. Ze waren niet netjes. Niet netjes in onze ogen. ’t Vriendje van m’n broertje liep vaak met een vieze trui & snot tot aan z’n lippen. Je durfde ‘m geen hand te geven, bang dat er iets aan je handen bleef plakken.
Daar had m’n broertje blijkbaar geen moeite mee. Jochie Nak was een tijdlang z’n beste vriendje. Kwam dagelijks over de vloer. Zeker omdat ze in Huize Nak geen snoep bij ’t spelen kregen. Of moeder was nooit thuis. Jochie Nak was 1 van de 1e sleutelkinderen die ik leerde kennen: touwtje om de nek met sleutel eraan bungelend. Dat was bij ons nog lang niet ’t geval. Wij hoefden maar door de brievenbus te brullen & moeder kwam de deur openen.
’t Was een eng jochie, vond ik. Niet alleen veel te vies. Hij stonk ook. & Hij praatte raar, beetje volks besefte ik achteraf, niet al te intelligent. & Z’n kleren waren uit ’t jaar 0. Of anders van toch zeker 10 jaar geleden. De kleren had-ie van z’n reeds lang er uit gegroeide neef, nadat 1st z’n oudere broer ze gedragen had. Een ideaal jongetje om een hekel aan te ontwikkelen.

Of ik ‘m straks naar huis wilde brengen, had m’n moeder gevraagd, als ze uitgespeeld waren.
‘Aaaaahhhh.’
Om daarmee duidelijk te maken dat ik er geen zin in had.
‘Toe,’ drong m’n moeder aan, ‘’t is alleen maar de straat aan de overkant.’
Dus moest ik ’t doen. M’n moeder had nog wat boodschappen te doen & voor de rest was er op dat moment niemand thuis.

M’n moeder was nog niet terug toen jochie Nak & broertje er genoeg van hadden. Ik begeleidde de jongen naar de kapstok.
‘Ik moet je thuis brengen,’ zei ik.
In de hal lag Tasja, onze hond, in de zon. Te lui om op te staan. Ik sprak Tasja aan.
‘Kom, Tasja, sta eens op.’
Ik keek naar jochie Nak die voorzichtig langs Tasja voorover naar z’n jas leunde. Ik begreep dat-ie bang was van honden.
‘Laat je tanden ‘ns zien, Tasja,’ zei ik, terwijl ik ‘m zachtjes porde om ‘m van z’n plek te doen bewegen.
De tanden kwamen dan als vanzelf. Begeleid door een grom.
‘Ojee, als-ie je nou maar niet op wil eten.’
’t Jongetje van Nak deinsde voorzichtig achteruit, z’n jas in z’n knuistjes geknepen.
‘Vorig jaar heeft-ie ’t beste vriendje van Carel opgegeten. Toen we allemaal in de kamer zaten. We hoorden alleen maar een hoop gegrom.’
Hij keek angstig naar de hond. Geen aandacht voor mij, behalve dan ‘tgeen ik vertelde.
‘Toen gromde hij ong als nu,’ ging ik door, terwijl ik Tasja met m’n voet nog wat meer opzij schoof. Nog wat meer gegrom als resultaat. Z’n tanden kwamen weer bloot.
‘We hebben nog wel wat terug gevonden van dat vriendje van Carel, maar niet veel. Dus ik zou maar voorzichtig die jas aantrekken.’
Ik gromde naar Tasja, om ’t nog wat enger te maken. ’t Jongetje van Nak wilde alleen maar naar buiten. Hij wist alleen niet hoe.
‘Misschien moet je maar niet terug komen hier,’ zei ik tegen hem, ‘want ik denk niet dat Tasja jou aardig vindt.’

Ik heb ‘m voor z’n deur neergezet. De rest kon-ie zelf. Z’n tranen waren nog niet helemaal verdwenen, ook al had ik ‘m een paar minuutjes in de hal laten staan. Zonder Tasja. Dus smeerde ik ‘m snel weer naar huis. Zodat z’n moeder niet de kans kreeg mij te zien.
Hij is een week lang niet bij ons langs geweest. Daarna kwam-ie slechts een heel enkele keer. Angstvallig de huiskamer vermijdend, waar Tasja z’n mand had. De hond mocht niet meer in de hal liggen van m’n moeder.

Men is tot alles in staat in Zijperspace.

spreeuwennest

Ik ben nog maar net wakker of ik merk al dat er buiten activiteit gaande is. Niet dat ’t luidruchtig plaatsvindt; eerder in alle stilte, zodat niemand ze zal lastig vallen, zodat niemand zal ontdekken dat ze een goede vergaarplaats hebben gevonden. ’t Meeste lawaai is afkomstig van ’t af & aanvliegen, de gehaaste vleugels die zo snel mogelijk naar ’t te bouwen nest moeten dragen. Maar die korte races worden plotsklaps onderbroken, om even op de hoede te zijn, rond te spieden, verdacht te zijn op gevaar of concurrentie. Dan zit de spreeuw boven op de schutting spitsig voor zich uit te kijken, mij in ’t ongewisse latend waarnaar, snavel vol bouwmateriaal, wachtend op ik weet niet wat, want ik snap niet of ze nou langs hun snavel naar voren kijken of juist vanuit beide zijden tegelijk spieden. Om dat uit te vinden probeer ik er 1tje langzaam vanachter ’t raam te benaderen, onderzoekend wanneer de vogel ’t door heeft & door welke blik ze van mijn sluipende komst op de hoogte wordt gebracht.

M’n oma wist altijd wat nieuws te vertellen over de duif die in de boom aan 't broeden was. Ze had er zicht op vanuit haar stoel in de achterkamer, woonachtig op 1-hoog. Ondanks haar beperkte zicht, langzaamaan begon m’n oma blind te worden, haar blik verkokerde tot ze nog slechts een smal rondje gezichtsveld had, kon ze alle activiteiten van de duif, gezeten op 3 meter afstand in een dik gebladerde boom, in haar nest zien. Ze bracht ons wekelijks op de hoogte van de vorderingen van duifjes kroost & hoeveel kinderen de weg naar volwassenheid nog aan ’t bewandelen waren. Schreeuwend om voedsel, dat kon Oma duidelijk horen. Met haar oren was er niks aan de hand, spiegelde zij ons voor.
Wij zagen geen nest, we zagen geen jongen, geen eieren, wij zagen geen duif. Alleen als ze plots voor voedsel eropuit moest, zagen we de duif van m'n oma de boom verlaten. Maar voor m’n oma hield de duif geen geheimen achter. ’t Was ’t enige leven dat oma van dichtbij nog meemaakte, naast ’t wekelijks bezoek van haar zoon, schoondochter & kleinkinderen.

& Als de spreeuw nou plots tegen z’n spreeuwin zou zeggen: ‘Pieppieperdepiep, piep piep, pieppiep.’
Waarmee hij maar bedoelt te zeggen: ‘Dit jaar heb ik er eigenlijk helemaal geen zin in. Je moet ’t maar een jaartje zonder mij stellen. Dat gezanik de hele tijd met jonge kinderen, geschreeuw geklaag gezeur gebedel om voedsel & wij worden steeds maar magerder, dat hoeft voor mij eventjes niet. Als jij nou perse moet, zoek dan voor dit seizoen maar een ander ventje, minder aantrekkelijk als ik, dat spreekt, maar fit & ijverig, zodat jij evengoed je ei kwijt kan, dan neem ik rust & ben volgend jaar weer volledig jouw mannetje.’
Maar dan wat compacter & makkelijker te begrijpen.
Waarop spreeuw de wijde wereld intrekt, nieuwe gebieden ontdekt, heerlijk uitheems voedsel vreet (vogels vreten, mensen eten) & spreeuwinnetje, z’n trouwe echtgenote, ’t voor 1 keertje doet met de spreeuw van de buurvrouw, die aan ’t eind van ’t seizoen daardoor jammerlijk komt te overlijden doordat-ie overwerkt raakt van ’t bevoorraden van 2 nesten kuikens, maar hij had ’t jaar van z’n leven, want zovele keren had-ie anders van z’n levensdagen niet kunnen wippen.
Daarbij ga ik er gemakshalve van uit dat we de poging tot voortplanten van spreeuwen mogen aanduiden met ’t woord wippen.

Maar nee, hoor. De spreeuw is momenteel druk bezig m’n plantenbakken te legen, daarmee aanduidend dat-ie geen wipje aan z’n buurman gunt. Alles wat ook maar enigszins kleiachtig oogt, verovert-ie op de mens, ietwat specifieker: zijnde mijn persoon, om zodoende ’t nest een solide structuur te kunnen geven. Kleiachtig bevindt zich in mijn plantenbakken. Waardoor de plantjes, ze stonden zo koddig vond ik, aldaar geplant, ‘droog’ komen te staan, geheel ontdaan van aarde die ze lekker stevig in ’t bakje lieten leunen. Waarbij ik ook nog moet vermelden dat de spreeuwen, alvorens ze een pluk klei met hun snavel richting nest dragen, 1st woelend & schuddend op zoek gaan naar ’t juiste plakje, de juiste houvast, daarbij de gehele omgeving van de plantenbak onder strooiend met losse stukjes aarde. ’t Is een vies & slordig gezicht. De reigersbek valt bijna uit ’t bakje, de kat van even verderop ruikt door al die activiteit & verspreid liggende aarde de aanwezigheid van spreeuwen & stopt haar neus erbovenop, geheel niet geïnteresseerd in de groei van een dergelijk prachtig plantje, waarschijnlijk onderweg ook nog haar sporen & tekenen van suprematie over de andere levende wezens achterlatend, waarna ik besluit niet meer te genieten van de wonderen van de zogeheten natuurlijke wereld & de kat verjaag, de spreeuw verjaag, m’n plantenbakken verzet & een hekel aan nestvorming ontwikkel.

De spreeuwen worden de nieuwe buren van Zijperspace.

inspiratie

‘Hoe kom je op ideeën om te loggen,’ vroeg Marjanne Dijkstra via een meeltje, dit ivm haar eindscriptie voor haar studie journalistiek.
‘Ik maak ze mee,’ antwoordde ik via terugkerende post, ‘ik zit op de wc & 't schiet me te binnen, ik peins & eindelijk is 't daar, ik praat met iemand & vertaal dat in tekst, etcetera.’

Dus besloot ik maar naar de wc te gaan. Wat moest ik anders? Na 24 uur lang vervuld te zijn van paniek dat ’t niet meer zou lukken, zeker voorlopig niet, ’t zou vast weer op zich laten wachten & pas komen op een moment dat ik ‘t ’t minst verwachtte, besloot ik inspiratie te zoeken boven de meest onappetijtelijke luchten die mijn lichaam kan produceren. Hoewel ik maaltijden heb verorberd waarbij ’t resultaat desastreus was. Ik wilde ‘t echter wel eventjes proberen. Baat ’t niet, ik heb dan in ieder geval een wens vervuld van mijn lichaam. Wensen zijn er om uit te komen, vertelde m'n kleuterleidster ooit.
Ik verwachtte nl niet dat ik de komende 4 uur, de tijd die ’t zou duren voordat ik te werk zou moeten, nog met iemand een gesprek zou voeren, zeker niet met een bepaalde mate van zinnigheid; m’n activiteiten binnenshuis zouden me dwingen tot avonturen van ’t niveau kijken door ’t raam naar wat er in m’n achtertuintje gebeurt; & ‘eindelijk is ’t daar’, dáár was m’n gepeins al dodelijk vermoeid van & niet meer te motiveren tot nog een poging dit ultimatum te bereiken.
Weet men overigens wel dat ’t zeker geen makkie is een boek te lezen al zittende op de wc? Zovele correcties moeten er toegepast worden op ’t boek, van ‘hé, je blijft wel stil liggen op de wasmand’ & ‘hé, je gaat niet dichtvallen, net nu ik op een spannend moment ben aangekomen’, waarbij ik even in ’t midden laat of dit moment behoort tot de fictie of de werkelijkheid. Ter voorkoming van dergelijke situaties heb ik gereedschappen tot mijn beschikking, allen staande op ’t plankje boven de wasbak, onder de spiegel, die variëren van m’n tandenborstel, dienend als bladwijzer, via m’n pot met wax, voor als ’t een niemendalletje betreft, tot m’n fles aftershave balsem, in ’t geval ’t een volumineus, strak in z’n vel & bladzijden zittende pil is, die met geen mogelijkheid op andere wijze op de juiste pagina blijft liggen. Ik wil m’n handen nl losjes hangend over m’n knieën hebben. Dat zit ’t lekkerst. Ontspanning vóór alles.
Terwijl ik lees begin ik me dan te beseffen dat er niets zo tijdelijk is als ’t menselijk lichaam, vooral ook omdat deze de kennis met zich meedraagt dat ’t ooit voorbij is, ooit komt er een einde & hopelijk stinkt ’t dan niet zo onnoemelijk als ‘tgeen we nu aan ’t produceren zijn. Niet dat ik dat denk, gedurende mijn bezigheden aldaar, maar ’t behoort natuurlijk wel tot de mogelijkheden, & ik zal menigeen op straat zijn tegengekomen die nog geen 5 minuten daarvoor dezelfde situatie in al z’n facetten aan ’t uitoefenen was. Zoals zojuist beschreven, bedoel ik. Met zo’n persoon schud ik dan de hand, zonder me van zijn beleden bezigheden bewust te zijn.
Om weer terug te komen op wat ik wilde vertellen: ik probeer ten allen tijde te vermijden dat ik aan ’t tijdelijke van mijn lichaam moet denken. Paniekgedachten werken verlammend in mijn geval. Obstipatie is 1 van de minder ver strekkende gevolgen hiervan. Alle gevolgen van die paniekgedachten, alle verlammingen werken bij mij deprimerend. Vandaar dat boek. Vandaar ook mijn inspiratie. Angstvallig zoek ik nl naar alternatieve gedachten. Een mens kan vindingrijk zijn indien ’t in ’t nauw gedreven wordt. Men moet ’t in die context zien. Ik word er toe gedreven, zeg maar, ik kan niet anders dan inspiratie krijgen op de wc, ter voorkoming van de paniek. Ik doe 't tussen de regels van ’t boek door dat ik op dat moment aan ’t lezen ben. Om vooral niet bezig te zijn met de tijdelijke consequentie van ‘tgeen men leven noemt. Ook niet met die noodgedwongen consequentie.

Waarvan ik de details liever achterwege laat in Zijperspace.

koninginnedag

Ik liep 's ochtends over de vrijmarkt. In de Jordaan. Ik kwam m’n buurman Panos tegen. Die stond daar met ene Roos voor ’t Theo Thijssen-museum. Ze kende me wel, vertelde Roos, van de verjaardagen boven, bij Nienke. Ik kreeg een bak thee , die ik na 4 slokken niet meer lekker vond & leegde boven de goot, met een koekje, maar die at ik dankbaar op. Zo’n platte, met rozijnen er in, waar je eigenlijk nog veel meer dorst van krijgt. We praatten een beetje, over dingen die je nou 1maal bepraat op koninginnedag. Niets geks. De 1e spetters vielen, & ik liep verder.
Om de hoek, op de Westermarkt, kwam ik nog een bekende tegen. Jaren niet gezien. Net wat dikker geworden, zoals iedereen van toen dikker is geworden behalve ik. Ik moet ermee zien te leren leven.
We praatten een beetje, ditmaal zoals je met elkaar praat als je elkander enkele jaren niet hebt gezien. Zij werkte in de Rode Hoed, o, daar heb ik vlak na Film & Tv-Wetenschap ook gewerkt, maar dan anders, ik zat tegenwoordig in ’t bier, dat had ze, dacht ze, van Kiki gehoord, want Kiki & Carolien zag ze nog wel, & weet je nog wat je gekregen hebt toen je afgestudeerd was, ja, die bh is nu wel versleten, niet te koop aangeboden op koninginnedag, nee, gewoon weggegooid, ik moet verder, want ik heb een afspraak over een uur, dooeei.
& Ik kon de hele tijd maar niet op haar naam komen.

Later op de dag zat er ook nog een spreeuw op de schutting achterin m’n tuin. Terwijl de regen met bakken naar beneden viel. De spreeuw had z'n vleugels opengezet, wijd. Hij wipte een beetje op & neer, snavel open.
‘Hij geniet van de regen,’ zei Rachel.
't Was ook net of-ie lachte, dacht ik.
‘Nee, hij vindt m’n muziek mooi,’ zei ik. ‘Kijk, hoe hij staat te dansen op ’t ritme van de muziek.’
Toen vloog-ie weg.

Koninginnedag was daarmee voorbij voor Zijperspace.