groeten

Ik ben bang dat ik er niet aan toekom, vandaag. Ik heb ’t te druk. Ik heb de laatste 100 blzs bereikt. Ik kan wel een stukje gaan schrijven, maar m’n gedachten worden steeds afgeleid door ‘tgeen er nog meer zal gaan gebeuren.
Gisteren kon ik op een gegeven moment niet meer lezen, omdat m’n nek stijf werd. ’t Veroorzaakte een knallende koppijn zogauw ik m’n hoofd links of rechts bewoog. Ik kwam er echter achter dat dit niet ’t geval was als ik in bed verder las.
’t Nadeel daar weer van was dat ik geen biertje erbij kon drinken of al helemaal geen bakkie thee. Bovendien raakten m'n armen op gegeven moment lam. De spier in m'n rechterarm voelde aan alsof-ie 2 dagen lang kratten had staan sjouwen. Bij m'n pols tintelde 't.
Zitten achter de comp lukte ook al helemaal niet, want dat vergde precies de houding die m’n nek niet meer kon velen. Toch maar door blijven lezen tot 1 uur ’s nachts.
Vanochtend gewekt door de bouwvakkers om 8 uur. Onmiddellijk verder gegaan.
’t Probleem is dat ’t nu uiteindelijk echt spannend is geworden. ’t Boek kan niet meer losgelaten worden. ’t Feit dat ik dit nog schrijf is omdat ik vind dat ik ’t niet kan maken geheel niets van me te laten horen.
Bij andere boeken word ik tijdens ’t lezen nog wel ‘ns afgeleid door gedachtes over wat te gaan schrijven. Maar helaas nemen de laatste 200 blzs me teveel in beslag. Geen gedachte aan iets anders komt in mij op. Of ’t moet m’n ontbijt zijn, anders thee. & ’t Feit dat ik straks naar m’n werk moet.
Geen verhaal derhalve.

Slechts de groeten vanuit Zijperspace.

zwijg

Ik duwde de fiets achteruit naar buiten. Tussen de haldeur & de voordeur door. M’n maag maakte massieve bonkende geluiden, of zo voelde 't in ieder geval, terwijl ik de fiets zo manoeuvreerde dat er ik de verf aan de deurposten niet beschadigde. Er zat geen cm speling in m’n maag nadat ik ‘m gevuld had met Meti speciaal van de surinamer. Toch moest ’t zich voegen naar de fietstocht die ik ging ondernemen.
Ik hoorde gestommel achter de deur van de buren. In ’t trappenhuis kwamen benen naar beneden gestommeld. Terwijl ik mijn deur afsloot, ging de ander open. Suze & Nico kwamen tevoorschijn.
‘Zo,’ zei Suze, ‘moet je aan ’t werk?’
‘Nee,’ antwoordde ik met sip gezicht, ‘maar ik ga wel naar m’n werk.’
‘Je hoeft niet te werken, maar je gaat wel naar je werk?’
‘Ik heb m’n boek laten liggen,’ verklaarde ik.
‘Oh, Potter,’ concludeerde Suze, terwijl ze zich voorover naar haar fiets boog.
Nico ontkoppelde ondertussen zijn fiets van de verkeersbordpaal. Ze keken me aan. Geïnteresseerd. ½ Lachend. Blikken die je steeds weer tegenkomt als mensen merken dat je aan dl 5 begonnen bent.
‘Weet je al wie er dood is?’ vroeg Suze.
‘Nee, ik ben net over de helft.’
Ik stapte op. Wendde m’n hoofd nog ‘ns. Om gedag te zeggen. Op ’t moment dat ik terug naar voren wilde kijken, passeerde m’n blik die van de overbuurvrouw.
Met haar dikke lichaam bukte ze moeilijk voorover om iets voor haar deur weg te halen.
‘Ik weet ’t wel,’ kakelde zij onderwijl lachend.
Ze straalde er bij.
Stomme trol, dacht ik.
‘Mond dicht,’ riep ik naar haar & spurtte ervandoor.

Men eist dodelijke stilte in Zijperspace.

teen

Ik lag in m'n bed & moest met m’n teen de deurpost zien te raken. Zonder mezelf die kant op te verschuiven. Ik strekte m’n been, m’n tenen plat in de richting van ’t hout van de deurpost. Pogend, strekkend, reikend, nog wat platter, om vervolgens te concluderen dat ook m’n been langer moest worden, verlengd, om ’t te kunnen bereiken. M’n billen werden dunner, egaler, zodat ook zij hun bijdrage aan deze nobele taak konden leveren. Waarna ook m’n rug zich strekte. In elke wervel bleek wat extra speling te zitten.
& Eindelijk, m’n hiel schuin gekanteld & m’n hoofd met de nek plat tegen ’t kussen aangedrukt, wist ik ’t doel te bereiken: lichtjes raakten ze elkaar aan. ’t Koude hout afkoelend tegen de tenen die de hele nacht onder dek hadden gelegen.
’t Doel was bereikt; ik trok m’n lichaam terug in bed. Ik keerde me om. Om weer 5 minuten later te ontdekken dat ik verder geslapen was.

Sommige dingen zijn zo onzinnig, dat ’t bijna niet mogelijk is ze onder woorden te brengen. Van een onbenullige banaliteit, suffigheden die zich slechts in hoofden afspelen, waar niet over geschreven wordt, niet over geroemd. Al eeuwen niet.
Ik heb me jarenlang af zitten vragen, als klein kind, waarom mensen niet naar de wc gingen in boeken, in de bijbel, op tv, of in films. Toch zeker 1 % van mijn dagelijkse tijd per dag besteedde ik aan ’t toiletbezoek, was in zekere zin daardoor belangrijk voor me, maar ik zag dat moment van zelfbeschouwing, zelfaanschouwing zou men ’t ook kunnen noemen, nooit terug in enige vorm van literatuur. Al ’t triviale wordt al sinds jaar & dag ontweken in ’t beschrijven van de wereld op fictieve & non-fictieve wijze. ’t Moeten grote sensaties zijn, wil ’t uitnodigen tot bespiegeling, wil ’t aangeven dat de grote gevoelens, de grote thema’s er op van toepassing zijn. Sex, jaloezie, vriendschap, geweld, bekoring, verval, liefde, dronkenschap & roes. Al dat soort dingen. Zelden heb ik iemand zien beschrijven hoe de grote teen de deurpost aanraakte. Wat verder niets te betekenen had. Gewoon, omdat ’t moest, raakte de grote teen de deurpost. Verder niet. Niemand was erbij. De grote teen raakte de deurpost. ’t Kan niet vaak genoeg gezegd worden. Bij gebrek aan 't feit dat 't ooit eerder vermeld is. ’t Was onvoorstelbaar van grootse nietszeggendheid. Er klonk dan ook geen applaus. De grote teen raakte de deurpost. Nadat ’t lichaam zich op een ongelooflijke manier had uitgestrekt. Enkele minuten ervoor had ’t hoofd van ’t lichaam zich niet voor kunnen stellen dat deze zo ver uitgerekt kon worden.

Ik trek m’n t-shirt aan na 11-en. M’n t-shirt met lange mouwen. Over ’t andere t-shirt met korte mouwen. Zodat ik ’t weer warm krijg. M’n huis blijft koud. Of wordt ’t anders voorbeeldig snel. Waar andere mensen uit hun huis weg moeten vluchten vanwege de hitte, tot ’s avonds laat op hun balkon moeten blijven zitten. Ik heb een extra t-shirt nodig terwijl m’n bovenburen op ’t balkon zitten uit te hijgen.
& Als ik ’t tijd vind worden dat ik naar bed ga, trek ik m’n sokken uit. Langzamerhand onderneem ik meer stappen, zodat ik op ’t daadwerkelijke moment zo min mogelijk nog te doen heb. Ik schakel programma’s uit op m’n comp, zet een andere juist weer aan, draai de knop van een lampje in de hoek van de kamer om, verzin een onderwerp waar ik de volgende dag mogelijk over zou kunnen schrijven, laat een scheet, poets m’n tanden, doe een plasje (maar dat liefst zo laat mogelijk, anders wordt ik ’s nachts maar onnodig wakker), schakel de tv uit, spuit m’n neus vol nasonex, & besluit uiteindelijk de daad te volbrengen, m’n tanden te poetsen, muziek aan te zetten voor ’t slapen gaan & me te ontdoen van de overige kleding. Ik ga in bed liggen met een boek, val na 1 blz in slaap & ben daarmee klaar met de onbenulligheden van mijn bestaan van een dag.
Niets meer, niets minder. Soms probeer ik ’t dekbed volledig om m’n lichaam te wikkelen, bijna geen ademruimte meer over, maar verstopt voor alle muggenbeesten, of tel de lichtjes die zich als puntjes hebben weerspiegeld van buiten op m’n plafond, tast de geluiden af, als tekenen van leven dat doorgaat terwijl ik straks slaap, of probeer met m’n grote teen de deurpost te raken. Ik ben niet tevreden als ’t me lukt, noch misnoegd bij mislukking. Ik heb ’t gedaan, net als dat ik zeker weet dat ik de volgende dag wel weer naar de wc zal moeten.

Niks spannends in Zijperspace.

spoelen

’t Begon met per ongeluk. De tong floepte plots die kant op. De verkeerde kant op. Onbedoeld. Ik heb wel ‘ns gehoord dat de tong bijna niet stilligt, blijft bewegen, hoe miniem ook tijdens de slaap. Door die constante beweging kwam ’t dus per ongeluk boven op de warme gloed terecht. Daar mocht ’t niet zijn, dacht ik onmiddellijk. Dat had ‘t stenciltje dat de tandarts had meegegeven mij verteld. & Schielijk legde ik m’n mond aan ’t andere uiteinde van m’n gebit, op de overblijfselen van een lang geleden getrokken verstandskies.
Ik kon me onmiddellijk de hechtingen weer herinneren van 20 jaar her, toen m’n 1e verstandskiezen waren verwijderd. Er moest toen gegraven worden. Huid werd opzij gezet door de kaakchirurg. Dankzij een afgedekt hoofd had ik daar niets van kunnen zien. Maar later wel kunnen voelen. Met touwtjes werd de huid weer vastgebonden, bij elkaar getrokken. Touwtjes die uitstaken. Die lastig door m’n mond fladderden. Waar m’n tong geen genoeg van leek te krijgen.
& Elke keer dacht ik dat ik & m’n tong ’t wel afgeleerd hadden, als we gezamenlijk aan de touwtjes trokken. Ik stuurde, m’n tong tastte. We probeerden uit of de touwtjes al gaar waren om uit zichzelf, zoals de dokter had verteld, m’n wonde zou verlaten. Een pijnscheut liet weten dat dat nog niet ’t geval was. & Toch probeerde ik ’t later op de dag weer.

Na een dag vond ik ’t welletjes. M’n tong wilde perse, waarom zou ik ‘m tegenhouden als ik er voor de rest geen last van had? Dus legde ’t zich neer bovenop ’t gapend gat. Niet meer dan dat. ’t Mocht nog niet verkennen wat ’t resultaat was van de verwijdering. Slechts berustend, verwarmend, geruststellend liggen.
Maar ook daarvan profiteert een tong. ’t Zit in de aard van ’t beestje. Altijd onrustig, altijd een stapje verder dan dat de rest van ’t lichaam wil. Dus stak ’t z’n punt in de warme gloeiende hoop. Om te voelen wat er over was. Hoe groot ’t gapend gat.
Daarbij kwam dat ik na een ½e dag verontrust afwachten, & daarna ’t uiteindelijk onderkennen dat ’t verwijderen niet zoveel schade had berokkent, niet ten koste was gegaan van m’n algemeen welbevinden, ik wel genoeg had van licht verhapbare maaltijden uit zorg dat m’n kaken ’t niet eens zouden zijn met malende bewegingen. Dus nam ik een kroket uit de muur van de Febo. Voor slechts € 1,-.
Al ’t paneermeel echter, dat nodig is om de kroket haar krokante eigenschap mee te geven, brokkelde af, verspreidde zich in m’n mond, & zo ook in ’t gat dat overgebleven was. M’n tong kon z’n lol op. Poerend & peuterend bracht ze de paneermeelkorreltjes terug in m’n mond. Totdat ze niet dieper kon. Of eigenlijk tot ’t moment dat ik terug moest denken aan de hechtingen van 20 jaar geleden. Waarbij de mededeling op ’t stenciltje van de tandarts niet te mogen zuigen of poeren aan de wonde mij ook danig parten speelde. Angstvallig hield ik m’n tong weer opzij van de onheilsplek. ’s Avonds poetste ik m’n tanden alvorens in bed vrijwel na betreding in slaap te vallen.

Nou lijkt dit geen groot avontuur. Er is hoegenaamd niets beleefd, behalve dat m’n tong moeite heeft moeten doen restanten maaltijd uit de ruïne van de verstandskies te halen. & Ik ben er enkele dagen in gedachten mee bezig geweest te overwegen of ’t wel verstandig was m’n tong z’n gang te laten gaan. Of ik ’t wel die verkenningstocht mocht laten ondernemen. Daarbij steeds weer terugdenkend aan de 2 operaties van weleer. Lang geleden, maar in m’n geheugen gegrift.
Maar ook al lijkt dit niet opwekkende, verheffende, nieuwe inzichten tonende literatuur, ik kan hier niet verzwijgen hoe opgelucht ik was te ontdekken dat korrels gefrituurde paneermeel, alsook kruimels brood, flubbertjes gebakken ei, & klonters gebraden gehakt gemakkelijk te verwijderen zijn uit dit soort gapende gaten, door simpelweg de mond met water te spoelen na ’t consumeren van dergelijk voedsel. Daarbij eens flink ‘t hoofd heen & weer bewegend, ’t vocht al klotsend alle uithoeken van de mondholte doorspoelend, & vervolgens een draaikolk te veroorzaken door turbulenties te creëren met ’t in- & uitspannen van de wangwanden.

’t Was een hele opluchting dit te mogen constateren in Zijperspace.

mogen

Ik zat op ’t balkon van Vertigo. Alleen mensen die er qua uiterlijk wel mochten zijn, mochten daar zijn. Zo bepaalde de sfeer dat. Of anders de mensen die er mochten zijn. Ik voelde me er nog maar net op m’n gemak. Ik vond nl zelf dat ik er niet onaardig uitzag. Dat moest wel, dat gevoel van eigenwaarde, anders zou ik me niet durven voortbewegen temidden van al die mensen die er mochten zijn.
Maar eigenlijk bewoog je je niet op ’t balkon van Vertigo. Of ’t moest zijn dat je vanaf de traptreden zag dat er een stoel was vrijgekomen. Dan moest je je haasten. Om vooral die stoel te bemachtigen. & Liefst nog 1 die er naast stond. Vrijhouden, tot ’t moment dat je ‘m weg kon geven. Voor de rest bleef je stil zitten. Wachten tot er bekenden langskwamen. Wachten tot er getoond kon worden dat je herkend werd. Wachten tot je de stoel naast je aan kon bieden. Wachten tot je een rondje bier kon betalen. Onbetaalbaar, maar noodzakelijk. Gelukkig dronk iedereen in die tijd nog bier. Soms fris. Betaalbaar.
Gezeten op ’t balkon van Vertigo kon ik niets anders doen dan lezen. Een papiertje over de films die er gingen draaien. ’t Blad Skrien. M’n eigen blaadje van Film & Tv-wetenschap. ’t Volledige programma. Een boek.
Maar dat laatste kwam in die tijd weinig voor. Of ’t moest een boek voor de studie zijn.
Er waren bekenden voorbij gekomen. Eigenlijk zaten ze er al eerder dan ik, maar de 2 bekende dames liepen voorbij als ze naar ’t toilet gingen. Ik zat in ’t hoekje naast de trap. Ze konden ook de andere kant op lopen, maar de keuze voor de trap leverde minder drukte op. Alle stoelen op ’t balkon waren altijd bezet. Tenzij je er 1tje reserveerde: ‘M’n vriendin komt er zo aan.’ Dat zorgde ervoor dat er geen doorkomen aan was. Slechts voor de obers & oberinnen. Die dwongen een doorgang af. Met dienbladen hoog boven hun hoofd uitgeheven.
Dus liepen ze noodgedwongen langs mij heen. & Ik keek op. Kijken naar hoe ze ouder waren geworden. In 2 jaar. Kijken of ze zagen dat ik hun zag. Om dan tegelijkertijd, geen deel van een seconde later dan zij, gedag te zeggen: ‘Hé, hoe gaat ‘t?’ & Meer onzinnigs als: ‘Wat doe je nu?’ ‘Werk je nog steeds voor ?’ ‘& Studeer je nog?’
Maar ze zagen niet. Ze keken niet op of om als ze me passeerden. Hoewel m’n voeten in ontspannen houding toch een meter ver uitstaken over ’t pad, tenzij de obers & oberinnen wilden passeren.
Ik wist evengoed dat ze me zagen. Ook al lieten ze dat niet merken tijdens ’t passeren. Ik zag ’t aan de steelse blikken achterom. Gezeten in hun stoel schuin achterom. Net nadat ze enkele woorden met elkaar hadden gewisseld. Hun lichaam kort niet naar de rest van de groep gericht, maar naar elkaar. Om een enkele fluisterzin over te brengen. & De steelse blik er op te laten volgen. Die getroffen werd door mijn ogen. die net over ’t tijdschrift uitstaken. Speciaal de juiste kant op gericht. Omdat ik wilde dat ze me weer herkenden. Ik wilde dat ze me weer aanspraken.
Maar je geld raakt op. Zeer snel gebeurde dat als je in die tijd op ’t balkon van Vertigo zat. Zeker met ’t budget dat toentertijd beperkt was. Dus met geld voor nog slechts 2 bier, maar misschien nog wel een volledig maaltijd, besloot ik ’t gezelschap van mensen die er mochten zijn te verlaten. Die me geen van allen kenden. Behalve die 2 dames.
Ik knipperde met m’n ogen richting hun. Onopvallend, zogenaamd onbedoeld. Ik hoopte dat ze me weer zouden herkennen als ik in vol ornaat, m’n gehele houding, m’n zelfverzekerdheid, m’n air van ‘ja, ik mag er zijn’, hun kant op zou keren, om ze uiteindelijk maar ‘ns gedag te zeggen. Als zij mij niet willen herkennen, dan moest ik die herkenning van hun er maar dik bovenop leggen. Genoegdoening. Wraak. Gemakzucht, lafheid ook.
Ik liep langs. & Wist er niets meer aan toe te voegen. Zogenaamd op weg naar de wc, door de drukke menigte, waar normaliter niemand liep. Behalve de obers & oberinnen. Met hoge dienbladen.
& Werd teruggeroepen. Met glimlachjes. Verlegen. Gewaagd.
Ze moesten ’t weten, zeiden ze. Ze hadden nou de hele tijd naar me zitten kijken, zeiden ze. Maar ze kwamen er niet achter, bekenden ze.
Ja, wilde ik zeggen. Ik weet ’t wel, wilde ik toevoegen.
Maar zij met z’n 2tjes praatten sneller.
Ze wisten ’t zeker, ze hadden me gezien, ze hadden elke keer naar me gekeken, elke aflevering, maar nu wisten ze niet bij welke televisieserie ik speelde. Ze kwamen er gewoon niet op.
Toch geen rare vraag?
‘Doe normaal,’ zei ik, waarna ze alweer wat meer gekalmeerd gingen kijken, maar met die ondeugende blikjes, betrapt op ’t eten van een koek uit de trommel bovenop de kast. ‘Jullie werkten voor mij,’ voegde ik er aan toe, ‘2 jaar geleden, bij ’t onderzoeksbureau; ik moest zorgen dat jullie genoeg belden.’
& Terwijl ik ’t zei, werden ze normaal. Zo normaal als maar kan zijn. Ze lachten nog wat. Van ‘oja, dat weten we wel, we herkenden je wel, maar konden je niet plaatsen, met je gezicht dat overal op lijkt’, maar ze zeiden niks. Ze lachten.
Ik zei gedag. Deed m’n rugzak op, in die veel te hete zon, veegde zweet van m’n voorhoofd, zei proost, & liet ze vervolgens naar de vriendjes kijken, die in grote getale om hun heen waren vergaard. Ze mochten er zijn, die vriendjes. & Zij ook. Anders mochten ze niet zitten op ’t balkon van Vertigo. Dat wist iedereen.

Maar in Zijperspace zijn de regels minder streng.

macht

De duitser bleek opeens ook engels te kunnen spreken. Hij stond voor m’n deur & mompelde iets van ‘repair window’. Hij toonde daarbij de schuurmachine die hij in z'n hand had.
Dat versta ik: 'repair window'. Dus liet ik ‘m meelopen naar achteren.
Ik verwachtte al dat er iemand zou komen vandaag, want rond 8 uur, ik stond net op ’t punt m’n bed te verlaten, was er reeds aangebeld. Daar reageerde ik niet op. Ik ga een beetje in m’n blote niks me zitten haasten omdat andere mensen perse op onchristelijke tijden aan ’t werk willen. Ik ben blijven liggen, ervoer enige gevoelens van revanche, hoorde de persoon luidruchtig de trap richting bovenburen beklimmen, & besloot vandaag niet thuis te geven.
Nadat de geluiden in ‘t trappenhuis enigszins weggestorven waren, & aan de achterkant van ’t huis de schuurmachines hun werk begonnen, ben ik uit bed gestapt. Kalmpjes, geen lawaai makend, ben ik naar de wc gegaan, heb een kiertje van ’t gordijn geopend, & heb stiekem thee gezet. Wel zodanig dat men niet te snel door zou hebben dat ik wel degelijk thuis aanwezig was.
Toen er echter om ½ 9 opnieuw werd aangebeld, moest ik m’n aanwezigheid wel kenbaar maken. Ik zou straks immers ook ’t huis verlaten. Dat zouden ze kunnen zien. Dat zou een vreemde indruk kunnen wekken. ’t Moest wel de schijn blijven houden dat ik er niks aan had kunnen doen. Dus ik deed de deur open.
Voor me stond de duitser, die de window wilde repairen.
‘That’s allright,’ zei ik & nam ‘m mee de gang door.
Ik keek even achterom om te kijken of hij me volgde & zag daardoor dat-ie de deur opengelaten had.
‘The door has to stay open?’ vroeg ik ‘m streng.
Heerlijk, je autoriteit van bewoner laten gelden. Hij stond er al een beetje bij van ‘ik ben buitenlander & spreek je taal niet, laat staan dat ik in de engelse taal vloeiend kan oreren’, nu kreeg-ie nog een keer ’t gevoel erbovenop dat-ie zich wel op terrein ging begeven waar hij duidelijk niet de dienst uitmaakte.
‘Hmm, no,’ zei hij.
& Met kromme schouders haastte hij zich terug.
Dat moet je ‘m dan ook zelf laten doen. Z’n fouten zelf laten verbeteren. Dat geeft meer voldoening, dat kost minder energie, & bovendien kan je op je gemak de handelingen gade slaan. Dan kan je goed- dan wel afkeuring in je gezicht leggen, voor op ’t moment dat de heer terugkomt & je per ongeluk aankijkt.
De 1e overwinning had ik binnen. Als ik de bel van 8 uur niet meerekende.
Hij liep naar buiten, schuurmachine in de hand, & ik ging ’t keukenraampje vrijmaken.
‘The window must open,’ zei hij.
‘That’s just what I’m taking care of,’ zei ik, ondertussen de parefernalia van de vensterbank verwijderend.
Hij stapte de tuin in. Letterlijk. Om de steiger te kunnen beklimmen.
Dit keer pik ik ’t niet, dacht ik. & Liep door m’n keukendeur naar buiten.
Nu kon ik ’t tenminste in ’t engels zeggen. Dat scheelde. De vorige keer had ik ’t idee dat de jongen slechts duits machtig was. Een heerlijke taal om streng, bestraffend & autoritair te klinken, maar ik zou nu even bewijzen dat dit ook in ’t engels mogelijk was.
‘Hey,’ zei ik.
Een mooie opening. ‘t Schudt iemand meteen wakker. ‘’t Kan niet anders of hij moet ’t tegen mij hebben,’ denkt de persoon in kwestie dan, maar ’t geeft ‘m gelijk de ruimte om er nog even over te twijfelen. Want hij wordt niet met z’n naam aangesproken. Juist daardoor is ’t meteen ook denigrerend: degene die aanspreekt geeft de aangesprokene geen identiteit, geen naam, geen waarde. Hij is voor een kort moment anoniem. Tot ’t moment dat-ie zich realiseert dat híj ’t is waarnaar ‘hey’ is gericht.
Dat was mijn bedoeling.
De jongen keek schichtig op. Z’n schouders nu ook gekromd door de licht hangende houding in de steiger.
‘Don’t step into my garden anymore,’ zei ik. ‘Last time you ruined quite a lot of it.’
Ik wees naar de plantjes die de 2 duitsers verwoest hadden. Bruine aarde kwam door ’t platte groen tevoorschijn. & ’t Volgende moment keek ik ‘m weer aan. Verontwaardigde blik, diep verongelijkt in z’n ogen dringend. Om te laten merken dat ’t echte emoties waren.
‘Yes,’ zei hij.
Ik keerde me om de keuken weer in. De jongen ging met z’n schuurmachine voor m’n raam zitten.Ik haalde de afwas van de aanrecht weg, om ’t in de kastjes weg te ruimen. Deed ’t raam open. Ondertussen bedacht ik dat ik de bouwvakkers binnenkort ook op de hoogte moest brengen van de schade die ze aangebracht hadden. Door planken van 3-hoog naar beneden te laten vallen. Maar dat wilde ik nog even laten sudderen. Dat wilde ik voor een heel mooi moment reserveren.
1st Moet ik ze nog op de hoogte brengen van ’t feit dat ze niet verder zullen kunnen werken met mijn raam, omdat ik zo dadelijk vertrek. Ik wil m’n raam niet open achterlaten terwijl ik de hele dag elders werk.

We proberen de hoogtepunten te spreiden in Zijperspace.

verstandskies

De deur ging open. & Onmiddellijk zag ik dat de tandarts zich verwend had geweten met een mooie blonde dame. Ze keek ‘m nog 1 keer aan, bedankte hem met een betoverende glimlach & liep mij tegemoet. Gezeten op de wachtende stoel.
In die enkele meters die ze daarbij moest afleggen bestudeerde ik haar verschijning van top tot teen.
Niets aan haar lichaam zat op de verkeerde plek.
Als ik niet op de plek had gezeten waar zodirect een aanslag op m’n mond zou worden gedaan & ik daardoor, terdege van dit feit bewust, angstvallig deze zolang mogelijk gesloten hield, dan had m’n tong waarschijnlijk op dat moment op de grond gelegen. Maar terwijl ik haar nastaarde, zag hoe ze buiten haar mobieltje ter hand nam & daarmee met iedereen ter wereld contact opnam, behalve met mij, was m’n tandarts, of eigenlijk niet die van mij, maar de man die sterk genoeg was om deze operatie te kunnen voleindigen, zich aan ’t opmaken om mij te gaan mishandelen.
Ik werd teruggebracht op deze aarde door de roep om: ‘Dhr Zijp!’

‘Zo, we gaan een verstandkies doen,’ zei hij, terwijl-ie de deur achter me sloot.
‘Ja, zullen we ’t er maar niet meer over hebben?’ was mijn reactie.
Ik mocht gaan zitten. De stoel begon al achterover te hellen.
‘Hoe ga je ’t eigenlijk doen?’ vroeg ik.
Hij legde me de situatie uit, & zoverre ik in staat was dit soort uiteenzettingen te bevatten, was ik geheel bereid om deze gegevens onmiddellijk bij verlating van ’t pand van m’n harde schijf te verwijderen.
‘Een controle,’ riep de assistente, die blijkbaar van weggeweest terug de kamer inkwam.
Ik genoot van dit vooruitzicht, maar de tandarts zelf wist dit te ontnuchteren.
‘Nee, hoor. Die heb ik net gehad.’
Vluchtig dacht ik nog even aan de feeërieke verschijning die daarnet voorbij gezweefd was, maar daar had ik echter niet al te lang de tijd voor.
‘Dit is een verstandskies,’ legde hij z'n assistente uit.
Ik was blij met de rol die me werd toebedeeld, kon me enigszins voorstellen dat de tandarts z’n dagelijks leven meenam z’n bed in, & ook weer andersom, maar voelde me toch ook een ietwat verontrust toen ik me poogde voor te stellen dat-ie zou proberen mij te verwijderen. Als-ie maar wakker genoeg was, deze ochtend.
Hij zette een spuit in m’n mond. Die hij ’t volgende moment er alweer uithaalde.
‘Ha,’ zei ik opgelucht, ‘dit is de 1e spuit die ik niet gevoeld heb.’
‘Ja, deze valt inderdaad altijd erg mee,’ zei hij, ‘maar de volgende is wat pijnlijker.’
Daar gaf ik ‘m gelijk in. Maar op ’t moment dat ik ‘m dat wilde vertellen, liet-ie mij met rust & ging-ie met z’n assistente de administratie doornemen.
‘’t Moet 1st even op je in gaan werken,’ zei hij nog even voordat-ie zich verwijderde.

Een minuut later waren ze terug. Er werden al snel allerlei gereedschappen in m’n mond geduwd. Ik deinsde terug.
‘Voel je ‘t?’ schrok de tandarts.
Alles was opeens weer uit m’n mond verdwenen.
‘Nou, ja. Ik voel dat je tegen me aan zit te duwen,’ zei ik.
Dus begon-ie gewoon weer van voren af aan.
Ik bedacht opeens dat ik niet wist dat 1st de vullingen verwijderd werden, voordat men aan de kies zelf begon, toen de tandarts iets op ’t schoteltje gooide dat z’n assistente voorhield. Maar vervolgens stopte hij een gaasje in m’n mond & verzocht mij te bijten. Dat soort vragen stel je niet als de kies er nog ½ aanhangt, dacht ik, dus ’t is blijkbaar al voorbij. Ik beet overijverig op z’n vinger, wist nog net te verzuchten dat ’t waarschijnlijk de verdoving was dat ik dat niet voelde, & na verwijdering van zijn lichaamsdelen vertelde de heer dat ik zo 10 minuten m’n kaken op elkaar moest blijven houden.
’t Was voorbij.

Buitengekomen sprong ik op m’n fiets in een wanhopige poging de liefde van m’n leven in te halen.

’t Fietste een stuk lichter in Zijperspace.

conclusie

Ik zal streng moeten zijn. Anders heeft men er niets aan. Een slappeling haaft geen orde met de hand. Of hoe dat op enige volgorde ook mag heten.
U krijgt derhalve de komende tijd slechts 1 keer per dag iets van mij te horen. Bij gebrek aan enthousiasme mijn richting op. Ik kan wel door blijven schrijven, maar er moet ook iets tegenover staan. Ik dacht dat ik van mijn kant goed genoeg m’n best had gedaan. Nu u nog.
& Daar bedoel ik de lezer bij. Maakt mij niet uit waar-ie vandaan komt. Groen, geel of paars, de huidskleur baart mij geen zorgen. Slechts enige belangstelling tonen voor ‘tgeen hier verricht wordt, daar wacht ik op. Opbouwende kritiek kan ik somtijds ook nog wel hebben.
Dus dient men danig te smeken, door de knieën te gaan, zich nederig op te stellen, belangstelling te tonen, onbenulligheid voor te wenden, vragen te stellen, in de war te zijn, wederzijds genoegen te faken, & af & toe een compliment te maken richting mijn persoon.
Want anders red ik ’t niet.
Daar heb ik niet genoeg ruggengraat voor. & Anders wil ik dat niet weten.

Dus.
Vooralsnog.
Bij gebrek aan stimulans.
Bij gebrek aan beter.
Vergelijkingsmateriaal.
Of hoe dat mag heten.
Men moet tevreden zijn met wat ik bied.
Of wat ik in de toekomst zal tonen.
Minder of meer.
Ik wil meer proberen, maar men zal meer moeten willen.
& Dat zal men moeten tonen.
Anders blijft ’t slechts bij 1maal daags.

Daar zal men mee moeten leren leven in Zijperspace.

potter

Ik had ‘m ’s ochtends net gekocht, de 1e mogelijkheid dat ’t kon, ik passeerde een boekenwinkel op m'n weg, & op m’n werk heb ik er enkele blzs van gelezen. Tussen de werkzaamheden door, bij een broodje. Enkele uren later, op m’n andere baan, in m’n vrije tijd een biertje drinkend, zag ik een ander stel ermee zitten. Allebei een exemplaar. Voorovergebogen, verdiept. Ondertussen genietend van ’t mooie weer dat in hun rug scheen.
Ik zei: ‘Ik ben al op blz 3. Hoever zijn jullie?’
Hij reageerde niet. Zij wel. Ik kwetterde m’n vraag zowat in haar nek.
Ze keek even op: ‘Op blz 110.’

Thuisgekomen kwam ik er achter dat blz 3 eigenlijk niet bestond.
Dat had ik moeten weten, dacht ik, met m’n bibliotheekachtergrond. Een boek begint meestal pas bij blz 9.
Ik was op blz 11.

Ik begon uit te rekenen hoe lang ik er over zou doen.
Bijna 770 blzs, & na 2 dagen was ik voorbij blz 70. Als ik de 1e dag niet meerekende, dan zou ik er ong 10 dagen over doen. Want straks had ik vrij. 2 Dagen achter elkaar. Misschien dat ik door de pijn van de tandarts wel niets anders meer zou kunnen doen dan lezen. Dan 9 dagen. Als ik geen pijn had, toch 10, misschien wel 11.

De zus van m’n buurvrouw had ‘m ook. Die was er ook voor de barbecue op ’t balkon.
Ik zei: ‘Hoever ben jij?’
Maar dat was tegen Suze, de buurvrouw zelf.
‘Oh, die is van m’n zus,’ antwoordde ze. ‘Maar ze is op blz 100. Geloof ik.’
Ik wist ’t precies. Want ik had op m’n werk geprobeerd ’t einde van ’t hoofdstuk te halen, gezeten in de wind van de ventilator. & Elke keer kwamen er klanten om me te storen. Ik wilde nog schreeuwen. Dat vond ik net op tijd niet fatsoenlijk. Toen heb ik ’t een ½ uur voor sluitingstijd toch nog gehaald. Daarna geen blz meer gelezen. Want ik was waar ik wezen wou.
‘Ha!’ zei ik. ‘Ik ben op blz 112.’

‘Ik ga naar huis,’ zei ik op een gegeven moment, ‘want ik wil naar de wc.’
‘Durf je dan niet hier te plassen?’ vroeg Suze.
‘Ja, tuurlijk wel.’
‘Oh, je wil iets anders.’
‘Ja.’
Maar ik moest ook eerlijk zijn. Naar de wc was een bekentenis van niks.
‘Ik wil ook verder lezen.’
‘Oja.’
Haar zus ging ook.
‘Ik ga ook weer verder lezen,’ zei ik, toen ze haar boek onder de oksel stak.
‘Hoever ben jij?’ vroeg ze gretig.
‘Verder dan jij. Op blz 112.’
‘Ja, da’s waar.’
Maar vervolgens nam ze een kijkje in haar boek. Om te concluderen dat ze verder was.
‘Ik ben al op 120!’ riep ze.
& Ietwat gekalmeerd: ‘Ze zijn al op ’t ministerie.’

‘1 Van de sleutelfiguren gaat dood, hè, in de loop van dit boek,’ zei ik vertrouwelijk.
‘Ja,’ reageerde Suze, ‘we hebben al weddenschappen afgesloten over wie ’t zou zijn. Sirius of Ron. Maar we denken Ron.’
‘Dat heb ik inderdaad een ½ jaar geleden ook iemand horen zeggen.’
‘’t Kan Hermione niet zijn,’ zei de zus van Suze.
‘Nee, ’t is Hermie-o-nie,’ zeiden Suze & ik.
‘Oh, ik dacht Hermai-o-nie.’
‘Nee, Hermie-o-nie.’
‘In de film zeiden ze anders de hele tijd Hermai-o-nie.’

‘Maar die film wil ik niet zien,’ zei Suze.
‘Nee, je kan ’t boek niet meer lezen zonder de gezichten van de mensen in de film voor je te zien,’ zei haar zus.
‘Zo erg vind ik dat niet als ik die tweelingbroers moet voorstellen,’ zei ik. ‘Dat klopt gewoon.’
‘& Ron,’ zei de zus, ‘die klopt ook.’
‘Maar die gaat dood,’ zei Suze.

''t Nadeel is alleen,' zei de zus van Suze, 'dat 't boek zo dik is dat als je ermee in bed ligt er lamme armen van krijgt.'
'Oh, dat vind ik helemaal niet erg,' zei ik. 'Ik pak m'n dekbed, vouw 'm dubbel, sla 'm nog 'ns om, & daarna vouw ik 't voorover, zo op m'n borst & dan hou ik 't boek erboven op vast. Ik kan dan uren blijven liggen. Tenzij 't winter is, want dan krijg ik koude voeten.'

Niets is zeker meer in Zijperspace, of anders juist wel.

radioactief

‘Een radioactief goedje?’ dacht ik. ‘Ga ik volgestopt worden met radioactieve vloeistof?’
Maar ik werd meteen alweer gerustgesteld door de mededeling van de zuster dat ’t slechts een heel klein beetje zou zijn. Ik zou er niks van voelen. Geen bijwerkingen ook.
Toch was ik er niet geheel gerust op. Bij ’t inspuiten keek ik ditmaal geheel niet. Dit in tegenstelling tot wanneer er bloed afgetapt moet worden: dan kijk ik nooit op ’t moment van prikken, maar vol verwondering als ’t er uit stroomt. Ook om te controleren of er niet te veel bloed m’n lichaam zou verlaten.
Nu hoefde ik echter niet te zien hoe er 1 ml radioactieve vloeistof m’n lichaam in werd gespoten. Ik bedacht dat ’t waarschijnlijk voor ‘t 1st was dat iets m’n lichaam in werd gebracht, behalve de gangbare prikken tegen div ziektes tijdens m’n jeugd.

Of ik nog iets te vragen had.
‘Nee,’ zei ik, ‘vragen schieten me altijd pas te binnen als ’t te laat is.’
Maar de verpleegster had me ook al aardig wat informatie toegeleverd. Over wat er allemaal met me ging gebeuren, waar ik de nodige zenuwen van kreeg. Om me daarna pas te vertellen dat ’t allemaal geen kwaad kon.
Ik hield echter in m’n achterhoofd dat ik zenuwachtiger moest zijn voor de verwijdering van m’n verstandskies morgen dan voor de scan van m’n schildklier vandaag.
Vervolgens werd me verteld dat ik tijdens de foto’s me niet mocht bewegen (‘Als er iets is dat ik vreselijk vind, is ’t stil moeten blijven zitten,’ zei ik), & dat ik hooguit 1 keer mocht slikken. Dan moest die foto wel over, maar daar gingen ze dan nog mee akkoord. Als ik ’t voor de rest dus vooral maar niet deed.
Je moet een mens nooit vertellen dat-ie niet mag slikken, want dan doet-ie ’t juist. Dat gaven de 2 verpleegsters meteen toe. Ik controleerde meteen even hoe slikken ook alweer ging. ’t Werkte wat vervreemdend, alsof je een woord 10 keer achter elkaar zegt, om dan te ervaren dat ’t maar een gek ding is, dat woord. Zo voelde ’t ook in m’n keel.

Voor de rest was ’t niets bijzonders. Ik moest vooral veel wachten. Wachten tot ik aan de beurt was bij de receptie. Wachten tot ik opgeroepen werd om die prik met radioactieve vloeistof te kunnen krijgen. Wachten op de dokter die handmatig zou controleren hoe groot m’n schildklier was. Wachten tot de vloeistof in m’n schildklier was terechtgekomen. Wachten tot de foto gemaakt was. Wachten tot ik goed neergelegd was om een volgende foto te kunnen maken. Wachten op de mededeling of ik nog moest blijven om ook nog een echo te laten maken.
& In die tijd van wachten kon ik verder gaan met Harry Potter. & Ik kon daardoor gelijk wachten op opmerkingen van passerende verpleegsters.
‘Zooooooo, dus al aan Harry Potteeeeeeeeeeerrrrr?’ zei er 1, grinnikend de hoek omgaand.
Een ander begon te lachen toen ze mij zag. Tenminste, dat dacht ik. Kende ik haar ergens van? Kwam ze wel ‘ns bier bij me drinken.
Maar op ’t moment dat ik dacht dat ik haar favoriete barman was, vroeg ze: ‘&? Is ’t al spannend?’
Ik lachte minzaam. Alle keren. Dacht eigenlijk meer aan de radioactieve vloeistof. Ik kon uit m’n wondje lekken, had de verpleegster gezegd, een klein druppeltje misschien. Dus kreeg ik een watje met een pleister.
‘Oh, anders straal ik radioactiviteit uit naar andere mensen?’ zei ik verwachtingsvol.
‘Nee,’ zei ze glimlachend, ‘ik dacht meer aan je kleren. Dan worden die niet vies.’

’t Is blijkbaar nog steeds veilig dichtbij Zijperspace te komen.

tering

‘Tering,’ dacht ik.
Voor mij een uiting van verwondering, verontwaardiging, alsook verontrusting. Dat laatste was vooral van toepassing in dit geval van tering. De onrust deed zich net even wat meer gelden.
‘Ik ga dood,’ dacht ik achter tering aan.
Ik was me er weer ‘ns volledig van bewust. Of onze lieve god, van wiens bestaan ik zeker niet uitga, moet een loopje met me genomen hebben, & alle redenen voor zijn aanwezigheid op ‘deez aard’ ongeloofwaardig hebben doen voorkomen. In ieder geval voor mij. Dat zou uiteindelijk, aan ’t einde van de rit, een hele opluchting kunnen betekenen.
Wat dat betreft kan je maar ’t beste van 't ‘worst-case scenario' uitgaan. Misschien valt ’t dan toch nog een beetje mee.
Op ’t moment echter dat ik ’t weer ‘ns bedacht, hield ’t me wel degelijk bezig. Ik realiseerde me ineens dat er ooit een eind zou komen aan mijn zijn, mijn denken, mijn leven. Waarbij ik ditmaal de meeste moeite had met de middelste, ’t denken.
Nou zou men misschien zeggen dat ’t denken niet bestaat zonder ’t zijn, dan wel ’t leven, maar puur an sich vind ik ’t denken nou 1maal ’t leukste aspect van de 3. Ze kunnen wat mij betreft die andere 2 wegnemen, als ik maar door mag gaan met deze bezigheid. Dan heb ik er geen idee van dat ik de overige 2 mis. Ook al ga ik dan misschien een beetje extra hard nadenken, door ’t gemis van de andere wezenskenmerken. Ook op zoek naar de reden van 't gemis van hen.

Maar op dat moment lag ik dus in bed. Altijd weer dat eeuwige bed dat mij confronteert met existentiële twijfel over ’t einde. Waarschijnlijk bereik ik in de hoedanigheid van liggend aldaar wel ‘t punt dat ik zo vrees.
Punt. Dat is ’t juiste woord. Denk ik. Want er is een moment dat er is, & een moment dat er niet meer is. ’t Kan geen streep zijn in ieder geval. Misschien wel een streep die overschreden wordt, denkbeeldig dan, maar niet een streep als zijnde iets 2-dimensionaals, die ik in horizontale richting ga passeren. Op een gegeven moment is er 't einde van de streep, & dan zal 't met mij ook wel afgelopen zijn. Zo is 't dus niet, denk ik.
Of men zou kunnen zeggen dat zogauw de dood bereikt wordt, men vervluchtigt in een 4-dimensionaal iets. Of niets, zo men wil. Maar volgens mij zou dat slechts betekenen dat men zich toch vastklampt aan ’t mogelijke bestaan van god. Ik wil me niet laten verleiden tot die valse hoop.
Gelegen in bed, met mijn gedachten dus bij de realiteit van mijn toekomst, begon ik een ietwat te schudden. M’n hoofd deed daar ijverig aan mee. Een bibber die m’n hele lichaam te pakken had. Voor niet al te lange tijd gelukkig. ’t Zou er nog bij moeten komen dat de gedachte aan de dood een trillend heengaan kan bewerkstelligen. Ik was echter in die omstandigheid dat ik geneigd was dit te geloven. Niets behoorde meer tot de onmogelijkheden, zeker nu ik me weer terdege bewust was van ’t feit dat er ooit een halt komt aan dit zijn.
(Aan dit denken, corrigeerde ik mezelf.)

Dit zijn van mijn, wist ik nog lollig te rijmen. Een ongepaste positieve inslag, drong daarna tot mij door. Dat calvinisme van de hollandse bevolking moet toch ergens z’n sporen hebben achtergelaten bij mij.

Behalve dat ‘tering’ & ‘ik ga dood’ dacht ik eigenliik niet veel. Ik was me bewust van iets, iets dat ik niet onder woorden kon brengen. Ik voelde me ergens ½erwege m’n leven zitten, gezien m’n leeftijd & verwachting over hoe oud ik met dit lichaam kon worden (hield daarbij rekening met de verdere vordering van de medische mogelijkheden tot verlenging ervan), maar wist tevens dat naarmate ik ouder werd de dagen nog veel sneller aan me voorbij zouden gaan. Qua beleving kon ik dus stellen dat ’t grootste gedeelte al ruimschoots achter m’n rug lag. Ergens daar verderop, in die niet al te verre toekomst, zeker gemeten naar dat oneindig lijkende bestaan van de mensheid zelf, de nog ouder-dan-oneindige aarde, & de mijns insziens nimmer tot verwoesting overgaande heelal (de wetenschappers konden me nog meer vertellen over ’t niet te bevatten uitdijen & inkrimpen van deze), in dat zielige pietepeuterige stukje verdere leven dat ik nog te doen had, wachtte mij een zwart gat. Bedacht ik.

‘Tering’ & ‘ik ga dood’ waren wel enigszins begrijpelijke gedachtes. Ze vatten voor mij samen wat ik me op dat moment besefte. Zeer eenvoudig, zeer miniem uitgedrukt, maar wel direct tot de essentie doordringend.

Ik draaide me om & ging weer verder met slapen.

Een ander zwart gat in Zijperspace.

raam

Ik voelde me weer een klein kind. Of eigenlijk een puber. Een puber angstvallig op zoek naar z’n liefje. Om elke glimp op te vangen, om elke gedachte aan haar besteed naar haar uit te doen stralen, door in ieder geval zo dicht mogelijk bij haar in de buurt te komen.
Per ongeluk moest ik in die straat zijn. Zoals van puberwege, toen, lang geleden. Ik moest toevallig over deze weg. Waarvoor? Een boodschapje bij een gespecialiseerde winkel. Of een kennis die toch echt hier ergens moest wonen. Of ik was op zoek naar een goede roti-zaak. Ik kon niet anders dan deze straat te gebruiken. ’t Is een lange straat, een brede straat, dat is niet voor niets. Veel verkeer moet er doorheen, omdat ’t een verbindingsweg is, eigenlijk. Daarom moest ik er ook gebruik van maken. Ik was van ’t ene naar ’t andere punt op weg. Deze straat lag daartussenin.
In m’n hoofd had ik de smoezen al voor elkaar. Ik was zelfs zover dat ik ze niet meer als smoes beschouwde. Van tevoren al zo vaak aan roti gedacht, de trek er in, waar je dat nou zou kunnen kopen in West & hoe er snel te komen, dat ik de oorspronkelijke reden om daar over na te gaan denken op de achtergrond had weten te drukken. Naarmate je hoofd een grotere warboel van motieven & redenen wordt, een ratjetoe van aan elkaar gerelateerde gedachtes, zodat de zoektocht naar de oorsprong van de eigenlijke drive een doolhof van smalle gangetjes, doodlopende zijpaadjes, & bedrieglijke trompe d’oeuils op elke kruising van samenvallende gedachtes wordt, kan je zonder gewetensbezwaren de daad ondernemen, omdat de verkeerde motivatie toch niet meer te achterhalen valt. Ik had ze nauwkeurig onder laten sneeuwen door dwarrelgedachtes.

Margriet zou in ’t buitenland zijn. Vlak daarvoor had ze haar spullen naar haar nieuwe logeerplek gebracht. Nog steeds had ze geen vast adres in Amsterdam. Ik had niet geholpen, want ik had ’t vlak daarvoor uitgemaakt. Ik vertrouwde de relatie niet meer. Er zaten gaten, waar je opeens een lichaamsdeel in kon verliezen, zodat we niet verder kwamen. Of de 1 wel, terwijl de ander op de plaats rust hield.
Ik moest haar logeerplek zien. Dat snapte ik pas nadat ik er aan voorbij gefietst was. ’t Was vreemd om in een lange straat alle nrs op de huizen zorgvuldig te bestuderen, af te tellen, op zoek te gaan naar die boodschap in m’n geheugen die daar enkele dagen eerder in was achtergelaten. Maar dat was nog voordat ik had bedacht dat ’t met ons niet meer ging. Toen had ze verteld wat de volgende logeerplek was. Daarna wilden we er niet meer over praten. Wilden we elkaar er niet meer over lastig vallen.
& Dat aftellen van de nrs ging zonder dat ik er over nadacht. ’t Leek van tevoren in m’n hoofd zo geprogrammeerd. Waarbij ik verwonderd keek toen ik op ’t bewuste huisnr een raam zag openstaan. Terwijl ze toch echt in ’t buitenland was.
Rome. Of Venetië. Iets waar ze nou eindelijk aan toe was. Ze kon niet stil blijven zitten in ’t hollandse. Ook al had ze dan een relatie. & Ondertussen alweer niet meer.
Maar ik reed ik verder, voorbij aan ’t open raam. ’t Was immers heel toevallig dat ik ‘t passeerde. ’t Zou heel goed kunnen dat ’t niet haar huidig onderkomen was. Verkeerd geteld, verkeerde nr of straat onthouden.

Ze was teruggekomen. Dat had ik uitgerekend. ’t Was zeker 8 dagen later. Plus nog een dag om weer op adem te komen. Ik kon haar weer opbellen. Om te vragen of we elkaar nog 1 keer konden zien.
Maar zij belde net even eerder.
Spullen teruggeven. Punt erachter zetten. Nog 1 keer zien. & Ze zou weggaan uit Amsterdam, meldde ze. Want Amsterdam was ’t niet voor haar. Bleek nu.

Rustig gezeten op een stoel, timide zoals je bij een ex doet, zat ik te wachten op de thee. Daarna op bier. Vervolgens op eten.
Ondertussen pratend, van huiskamer naar keuken roepend, of soms vanuit de gang, een enkele keer zaten we naast elkaar op de bank ongemakkelijk te zijn, over hoe ’t afgelopen 1½e week was gegaan.
Ik had genoeg te vertellen. Daar vulden we de 1e uren mee. We dronken & praatten. Zoals we gewend waren. Daar waren we allebei goed in gebleken. Daar hadden we elkaar door leren kennen. Daar waren we verliefd op geworden. Ik vertelde, zij lachte. De kuiltjes waren snel terug.
Maar hoe of ’t nou in ’t buitenland was geweest? Vroeg ik. Waar was ze ook alweer naartoe? Naar Rome? Of Venetië? Of allebei?

Nee, ze was niet weggeweest. Ze was gebleven. 1½e Week had ze ’t huis niet verlaten. Alleen voor enkele boodschappen. Of roti aan de overkant. Ze voelde zich ziek. Nu ze mij zag ging ’t weer beter.
Maar ’t was over. Zeiden we. Of dat wisten we de volgende ochtend. We zeiden eigenlijk niks meer. Hooguit gedag toen ik vroeg opstond om naar m’n werk te gaan.
Ik deed de slaapkamerdeur dicht, liep naar beneden, pakte m’n fiets, reed weg, keek om. & Zag een raam open staan.

Hij leek gesloten vanuit Zijperspace.

plat

Ik heb ’t aan enkele mensen verteld. Mensen die ’t wilden weten. Die toevallig een willig oor beschikbaar hadden.
Sommigen reageerden fel: ‘Dat moet je toch niet pikken.’
Enkelen weten verhalen van bouwvakkers die er wel rekening mee houden. Zorgvuldig wordt elk perkje groen door hen ontweken.
Anderen verzuchtten: ‘Bouwvakkers!’ Alsof daarmee de kous af was. Onzinnig je daartegen te verweren, lijken ze te zeggen.

Maar toch blijf ik alleen staan. Ik, bij mezelf thuis. Alleen kijk ik door ’t raam m’n tuin in. Alleen moet ik de confrontatie met de werklui aan. Alleen zie ik geen plantjes meer waar eens wel plantjes stonden. Waar ze uitstaken, lachten, vrolijk de zon tegemoet traden, & vele insecten tolereerden, waar ’t leven was, ook al stonden ze hele dagen stil.
Wat rest is een plat stuk aarde, je kan nog maar net de kromming zien, zodat je, als je goed kijkt, kan weten dat-ie in z’n geheel rond is, maar dat zal ook wel illusie zijn. Dat was vast een verhaaltje van m’n vader.

& Ik kijk ook steeds weer m’n tuin in om te constateren dat ’t helemaal niet zoveel is. Bij elkaar 2 m². Ook een onbelangrijk stukje, denk ik er meteen bij. De wilde hyacint was al meer dan een maand uitgebloeid, verzonk zichzelf inmiddels opnieuw in de aarde; de majoraan is sterk genoeg om volgend jaar te herrijzen; de groene munt ging teveel ruimte innemen, was bezig te woekeren; daarnaast stond gras, uitgeschoten gras, waarvan m’n moeder vond dat ik ’t allang al weg had moeten trekken; & een stengel knopig helmkruid, waarvan nog genoeg te vinden is elders in de tuin.
Ik denk ’t om mezelf gerust te stellen. De schade in te dammen.

Wat betreft de munt: vol genoegen rook ik de duitse bouwvakker, vakantiearbeid waarschijnlijk, als hij me in de gang passeerde. Een wolk van munt walmde om hem heen. Ik stelde me z’n thuiskomst voor, terug op z’n logeerplek. Waar hij bovenop de andere duitsers zit, mensen die ook tijdelijk hier zijn voor illegale arbeid. Z’n minieme hoeveelheid kleren die hij meegenomen heeft, om vooral makkelijk naar een ander karweitje te kunnen trekken. De moeite die hij moet doen om z’n was gewassen te krijgen. & Vond daar nog een klein beetje wraak in. Moet je met je lompe poten van m’n planten afblijven.

Ik zie mezelf als held, de volgende keer dat ze in m’n tuin zullen treden. Ik zal ze toespreken, vermanen, aansprakelijk stellen, zonder schroom. Desnoods in ’t duits. Ik zal de woningbouwvereniging op de hoogte stellen dat ik een vergoeding verlang zogauw er ook maar 1 overbodige stap geplaatst wordt. Waarbij ik ‘overbodige’ schrap, want ik bepaal wel wat noodzakelijk is. Ik zal de heren werkers wegsturen zogauw ’t me niet bevalt. Dan kunnen ze hun steiger ophalen als ’t mij schikt. & Ik zie mezelf lopen over de daken van hun busjes, hun bouwvakkerbusjes. M’n wraak zal zoet zijn. Hun daken ingedeukt. & Als ze dan bij me aanbellen & verzuchten dat ’t toch zonde is dat de daken van hun busjes ingedeukt zijn, dan zeg ik ze dat dat nou 1maal erbij hoort. ’t Gaat moeilijk die daken niet te deuken als je over ze heen loopt. Dat zal ik ze dan uitleggen. Maar niet te lang. Want jongens, zeg ik dan, er moet ook weer gewerkt worden, waarna ik de deur sluit. & Door de brievenbus ga luisteren wat ze elkaar nog te zeggen hebben.
Als snel zal ik me dan echter bedenken, hangend met m’n oor aan de brievenbus, dat ’t toch zonde van m’n tijd is, dat de zon schijnt, dat de tuin bloeit, dat ik een stellage heb, vlak achter m’n huis, waar ik in kan klimmen, een klimrek voor mij alleen, & dat als ik hoog genoeg ben gekomen in die steiger, op een plateautje in die steiger, als ik ga zitten in ’t milde licht van de ochtendzon, dat ik dan van metershoog erbovenuit rijzend m’n hele tuin kan overzien, & zien wat bloeit, wat groeit, wat verdwijnt, & wat misschien wel volgend jaar weer verschijnt.

God, wat zal ik me dan heerser voelen over Zijperspace.

vogelbescherming

‘Kijk, wat ik gevonden heb,’ zei Westmalle.
Ik keek in de tas die hij voorhield. & Bewoog m’n hoofd meteen een stukje terug. Vooral door ’t bloed. ’t Was ‘t 1e wat ik zag. Een tas, een oranje AH-tas, daarin een bruine doos, de zijkanten ervan, de binnenzijkanten, een grijs lichaam daarin, & daar sprong ’t rood tussen uit.
‘Ik heb ‘m net gered,’ zei Westmalle.
Ik keek nog een keer. Om te laten zien dat ik wist wat ’t was. Maar Westmalle had al geregistreerd dat ik was geschrokken.
‘Hoef je niet te schrikken. ’t Is maar een zielig duifje.’
Ik zag nu inderdaad een duif. Met een gebroken vleugel. Op de breuk zaten de bloedsporen.
Niet te redden, dacht ik onmiddellijk.
‘Ik neem ‘m mee naar huis,’ ging Westmalle verder. ‘Ik ga proberen of ik ‘m kan laten leven.’
Ik werd wakker. Een duif! Gadverdamme.
‘Weet je wel dat een duif heel schadelijk kan zijn?’ zei ik.
‘Ja, duiven zijn vliegende ratten,’ zei Westmalle, & hij keek er ‘onzin’ bij. ‘Daar trek ik me niks van aan.’
Hij keek voorover z’n tas in. Hij had ‘m inmiddels op de grond gezet. De duif liet alles gebeuren. Ook de 2 mannen die de tas inkeken.
‘Weet je,’ zei Westmalle, ‘ik ben lid van de Vogelbescherming.’
Vol overtuiging.
‘Ik ga dat beestje dus mee naar huis nemen. Ik zal ’t moeten proberen. Ik zal ‘m water geven. & Voer. Ik zal ‘m in de warmte zetten. Zodat-ie misschien wel blijft leven.’
Terwijl hij doorging met praten liep-ie naar boven. Om z’n biertje te pakken.
‘Ja, joh, ik ben al jaren lid van de Vogelbescherming. Ik ga proberen dat beestje in leven te houden. Ook al is ’t dan een rat. Zeggen mensen dan. Ik trek me er niks van aan.’
Hij was alweer onderweg naar beneden. Op de trap stond-ie even stil.
‘Duiven zijn net zulke mooie beesten als andere vogels. Ja toch?’
Ik dacht ‘ja toch’, maar wilde ‘t ‘m niet zeggen. Als ik dapper was geweest had ik liever de nek van ’t beest omgedraaid. Dat is vogelbescherming. Bescherming tegen overbodig leed.
Maar ik knikte. Want Westmalle is lid van de Vogelbescherming. & Had z’n doel daar op dat moment in gevonden.
‘Ik ben al 15 jaar lid van de Vogelbescherming. Dat beestje kan toch best wel gered worden door iemand die lid daarvan is?’
Ik gaf ‘m geld terug.
‘Alsjeblieft.’
‘Je hoort ’t wel,’ zei Westmalle.
Alsof-ie me zal laten horen of-ie uiteindelijk afgekickt is. ‘Of ik zie ‘m niet meer,’ zoals-ie anders altijd zegt. Want dat is een goed teken. Nu hoor ik ’t wel, als laatste groet.
‘Je hoort ’t wel. Ik hou je op de hoogte hoe ’t met de duif gaat.’
Hij pakt z’n tas op. Met duif. Z’n fles bier gaat in de andere hand. Balancerend met volle handen aan ’t fietsstuur brengt-ie zichzelf in beweging.

We laten de bijna-doden liever sterven in Zijperspace.

rondtrekken

Hij keek op een papiertje dat-ie in z’n hand hield. Hij tuurde eigenlijk. Vergeleek ’t met ‘tgeen er op ’t bord stond schuin boven 'm. Waarna hij weer naar de mensen om zich heen keek. Onzeker, maar niet tegenover de mensen. Onzeker over de situatie. Keek daarom nogmaals naar z’n papiertje. Hij hield ’t stevig vast.
Toen ik even niet oplette, kwam-ie plots op mij af.
‘May I ask you something?’ met schots accent.
Tuurlijk, reageerde ik.
Hij voelde zich onzeker over de trein die hij morgen moest nemen.
‘Ik reis nooit met de trein, zie je.’
Daarom was-ie er al een dag eerder. Om te kijken hoe ’t zou gaan. Z’n vrouw zat nog op de hotelkamer.
‘Hier komt toch de trein richting Köln?’ vroeg-ie.
‘Ja, hoor. ’t Staat daar aangegeven in ieder geval,’ terwijl ik naar ’t bord wees.
Dan zou hij hier waarschijnlijk wel moeten zijn, morgen.
Hoewel er natuurlijk wel problemen waren, constateerde ik. Er werden weer mededelingen gedaan over vertragingen ivm een seinstoring.
‘Dat geldt niet voor deze richting,’ stelde ik vast nadat de omroeper klaar was met z’n annonce.
Om ‘m gerust te stellen.
Zijn oren bleven nog even gespitst staan. Ook al was ’t geluid uit de luidsprekers verdwenen & verstond-ie de taal niet.
Ik bedacht dat de volgende dag weekend zou zijn. Op zaterdag kunnen de treinen anders rijden.
We keken op z’n papiertje. Hij moest op een ander perron zijn. Op 5a ipv 2a.
‘Da’s gewoon de volgende,’ wees ik.
’t Werd onrustiger om ons heen. Op ’t bord verscheen de boodschap dat de trein naar Frankfurt 5 minuten vertraging zou hebben. Mensen liepen heen & weer. Keken omhoog, verplaatsten zich, gingen weer zitten.
Ik zette m’n rugzak wat strakker tegen m’n benen aan. Zodat ik elke beweging onmiddellijk zou voelen.
‘Ik heb er ook 1,’ zei de Schot, op m'n rugzak doelend. ‘2 Jaar geleden gekocht. Ik wil ‘m nog steeds gebruiken. Rondtrekken. Maar ’t komt er steeds niet van. Nu zit m’n vrouw met allemaal koffers op de hotelkamer. Weer geen rugzakken. Als ik ’t wat rustiger heb dan gaan we door Europa rondtrekken.’
‘Nog te druk met ’t werk?’
‘Yeah, the farm needs attention.’
Hij trok z’n bovenlip omhoog. Schuin naar rechts. Maar z’n ogen behielden hun twinkeling.
‘Maar binnenkort gaan we. Volgend jaar misschien. The kids will look after the farm.’
Ondertussen keek-ie z’n gegevens op ’t papiertje nogmaals na. & Over de rails om te zien of de trein er al aankwam.
‘Amsterdam is mooi,’ zei hij, toen-ie daarmee klaar was. ‘Heerlijke stad. Morgen gaan we naar Koblenz. Ben ik nog nooit geweest. In heel Duitsland niet. Ben jij er wel ‘ns geweest?’
‘Nee, in Koblenz niet.’
‘’t Wordt ook de 1e keer dat ik met een hoge-snelheids-trein ga reizen.’
Ik hoorde geluid achter me. Een locomotief, zag ik toen ik achterom keek. Ik pakte m’n rugzak op.
‘M’n trein komt er aan,’ zei ik.
‘Een prettige vakantie,’ zei de Schot, terwijl ik opstapte.
Hij keek onmiddellijk weer op z’n papiertje.
‘Jij ook,’ zei ik nog net.
Ik liep een 10-tal meters verder, om te ontdekken dat de locomotief van de NS was, geen internationale trein. Ik liep terug naar de plek waar ik de hele tijd gestaan had. Bij de leuningen van de trap.
De man was verdwenen. Een stel met koffers had z’n plaats ingenomen.
De trein naar Frankfurt kwam binnen. Hij was zilverkleurig, met een spitse neus. Geen locomotief aan de voorkant. Ik hoopte maar dat de man morgen niet in een gele trein ging zitten. Dan zou ’t vast niet zo hard gaan.

Ik stapte in, om me naar elders in Zijperspace te begeven.

poeketanokunoluudèlaketunôloekeseh

’t Is helemaal niet erg dat ik in m’n 1tje ben. Dat ik dagelijks vrijgezel ben. ’t Is alleen dat ik van die rare geluiden ga maken. Die niemand hoort.
Ik word wakker & m’n brein zegt dat ik dat feit ritueel moet begroeten door een primitieve roep. Als ik ’t al primitief mag noemen. Een kreet die me op dat moment te binnen schiet. Geheel spontaan.
Ik heb al een paar keer geprobeerd mezelf tegen te houden. ’t Lukte niet.
Volslagen uit ’t niets komen ze tevoorschijn. Zonder betekenis. ’t Geluid zelf is de enige waarde die ik er aan kan geven. Maar evengoed slaak ik de kreten dermate zacht dat niemand ervan kan profiteren, er aanstoot aan kan geven, of ‘t ook maar enigszins gewaar kan worden. Wat dat betreft is ’t verspilde moeite, verspilling van energie. Zachtjes mompelend komt een yell over m’n lippen; ik ben mezelf ervan bewust dat iedere toevallig aanwezige me voor gek zou kunnen verklaren, maar toch komt-ie fluisterzacht m’n lippen overrompelen. Als een verrassingsaanval. Van achteren. M’n spraakorgaan keek even niet. Was er niet op bedacht.

‘Pallaketuutemappetiedèh.’

Ze beginnen vaak met een ‘p’. Klinkt blijkbaar lekker. Stoot er lekker plotseling uit. & Een ‘d’ gevolgd door een ‘è’-klank komt ook vaak voor. Brengt de vaart er misschien in. Of maakt ’t welluidender. Hoewel de overtreffende trap van welluidend natuurlijk niet bestaat.

Ik ga me er zeker niet lekkerder door voelen. Elke keer dat er dergelijk geluid bij me op komt borrelen.
‘God, kan ik nou niet beter in mezelf gaan praten,’ denk ik dan bij mezelf, ‘dat heeft nog een zweem van communicatie, tussen mij & mezelf; dat schept nog een beetje schijn van nut.’
& Ondertussen kijk ik op straat mensen raar na als ze mompelend in zichzelf hun leven zitten te becommentariëren. Van de week in Duitsland vond ik een meisje zelfs zo raar, dat ik op een afstand verliefd op haar werd. Ik dacht te kunnen liplezen dat ze ’t uit ging maken met haar vriendje die net op dat moment van de wc gebruik maakte. Niet de inhoud, maar de beweging van haar wenkbrauwen, ’t commentaar van haar lichaam op haar zacht voor zich uitgesproken bedenkingen, deden me beseffen dat dit de vrouw van m’n dromen was. Dat ’t lichaam ook aan bepaalde schoonheidsvoorwaarden voldeed speelde waarschijnlijk ook wel een rol. Ik zou haar waarschijnlijk vermoorden zogauw ik uitgekeken was op ’t truukje. Zo ben ik ook wel weer.
Maar meestal krijg ik ’t idee dat ’t mensen zijn die niet zelf hun kleren kunnen wassen, hun huishoudster vergeten uit te betalen, & terugverlangen naar de tijd dat hun moeder alle afgevallen knopen nog opnieuw aan de kleren vastzette. Ondertussen voorovergebogen de weg richting universiteit of kantoor afleggend. Te voet. De weg afspeurend naar verloren muntjes, maar onderwijl vergetend dat ze wel opgeraapt dienen te worden zogauw ze aan de blik voorbij gaan. Deze mensen nemen ook meestal liever de tram, dan wel de trein, laten de fiets staan, & ondanks dit gebrek aan beweging blijven ze hun leven lang slank.
Zo luidt ong ’t stereotype dat in m’n hoofd zit van ’t soort mensen dat in zichzelf praat.

Ik fiets.
Ik heb bijna geen knopen meer aan m’n kleren zitten. Daar selecteer ik ze op. Meestal zitten de knopen er levenslang aan vast. & Anders koop ik wel andere kleren. Op die regenjas dan na. Maar m’n moeder doet ’t nog steeds graag.
Ik maak geluiden. Ik praat niet.

‘Wappengósoluungamosudaangalong.’

Vaak laat ik ze ook op een ‘h’ eindigen. ’t Moet ergens in ’t niets stranden, heb ik dan ’t gevoel. Een klank die nog iets kan na laten galmen.

Eigenlijk zou ik wel japanner willen zijn. Die nog een bepaalde vechtsport beoefent. Trage bewegingen producerend kan ik dan, geheel verantwoord, allerlei kreten & gilletjes produceren, zonder dat iemand er raar van opkijkt.
Niet dat iemand dat nu al doet, behalve ikzelf. Men weet ’t gewoon niet van me. Omdat ik ’t slechts doe als ik alleen ben.
Ik schaam me dood! Men zou me moeten betrappen.

‘Hé, Ton! Wat zeg jij nou allemaal?’
‘Oh, gewoon: “Lakotumasollekikifamusokiesieh.” Wat dan?’
‘Oh, nee, ik dacht dat je onfatsoenlijke dingen over mij zei.’
‘Nee, hoor. ’t Is gewoon een uitdrukking voor ’t feit dat ik een mens zo verschrikkelijk kan waarderen als-ie heerlijk nonchalant voor zich uitkijkt terwijl z’n neus z’n stuitje raakt.’

Ik heb dat meisje nog proberen in te halen. Toen ze met dat vriendje de berg aan ’t afdalen was. Maar toen ze uiteindelijk de richting van een ander dorp gingen, besloot ik dat ’t beter was de weg naar m’n logeeradres in te zetten. Ik moest nog voor ’t eten terug zijn, zei ik tegen mezelf.

Maar dat klonk dan even anders in Zijperspace.

stadsgekken

Als 1e kwam Bratt. Amerikaan. Verdwaald in Duitsland. Blijven hangen in Oberursel. Verloren misschien. Gedoemd te blijven daar waar-ie nu was. Een duitse dame had zich over hem ontfermd. Wilde dat. Had 't voor 'm over.
Hij sprak zelfs enkele woorden nederlands. Een tijd samengewoond in Amsterdam. Waarna hij naar Duitsland was vertrokken.
Wat moet een amerikaan hier, vroegen wij ons af, in een gebied waar amper een toerist komt.
Hij stond er plots, toen ik terugkwam, naast ’t kraampje waar wij ons bier moesten gaan verkopen. Z’n mountainbike in de hand.
Geen bier. Nee, hij was gestopt. Anders was ’t z’n dood geweest.

Hugh had me even ervoor ingelicht over de vaste klanten. Bij brouwerij Vetter, gezeten aan een stamtisch, in hun biergarten.
Er was Bratt. De amerikaan. Alcoholist. Hugh was benieuwd of-ie nog zou leven, want als-ie door zou gaan met drinken, had Bratt verteld, dan zou hij vorig jaar nog maar een ½ jaar te leven hebben.
Dan was er Alex. Een duitse jongen met een licht aziatisch uiterlijk, die heel misschien een tijdje in Ierland had gezeten. Maar dat geloofde Hugh niet. Alex verzon z’n eigen engelse variant van spreken. Door klinkers van plaats te veranderen. ’t Had iers kunnen zijn, maar eerder was ’t een jongen die een beetje stoer deed over z’n vermogen engels te praten. Dacht Hugh.
De man die altijd verliefd om Marlies bleef hangen, elk jaar weer, zou ook wel weer komen. Deze Wolfgang dronk alles wat engels was. Ale, ciders, whiskey. Bleef desnoods ’t hele feest bij de engelse stand staan. Om naar Marlies te kunnen kijken.
& De dame die een klap van de mallemolen had gehad, onverstaanbaar praatte, maar dat alleen tegen Marlies. Omdat Marlies de enige was die van de engelse stand goed duits sprak. Hugh noemde haar ‘the dolphin’. ’t Is me ontgaan waarom.
Ik zou ze allemaal vanzelf wel herkennen.
Ze waren allemaal een beetje gek, volgens Hugh. ’t Waren losers. Maar in de loop van de jaren was hij toch aan ze gaan hechten. Hij was benieuwd hoe ’t met ze ging.

Wolfgang bestelde de 1e dag niets bij mij. Hij bleef apathisch door z’n brillenglazen kijken naar Marlies, tot ’t moment dat ze bereid was hem nog een bier te schenken. Op de 3e dag waagde hij Marlies weer ‘ns uit te nodigen een rondrit in zijn auto te maken. Maar Marlies had geen trek met hem door Taunus te rijden.
Met z’n dikke buik bewoog hij zich traag door de menigte. Liever kwam-ie dan ook op de rustige momenten overdag. Dan kon-ie ook meer aandacht verwachten. Z’n handen brachten z’n glas net zo langzaam naar de mond als dat de rest van z’n lichaam door ’t gepeupel bewoog. De enige met wie hij geregeld woorden wisselde was de dolphin.

De dolphin keek rond met haar eeuwige glimlach. Schokkend keerde haar blik, haar wimpers zo hoog mogelijk, om vooral alles te kunnen opvangen. Maar ’t ontging haar tegelijkertijd. Terwijl ze keek. ’t Gaf haar een verbaasd uiterlijk. Haar handen hingen langs haar tengere lichaam, haar mond immer klaar om van wal te steken in onverstaanbaar snel duits. Alleen Marlies wist enigszins wat er aan de hand was.
’t Was nooit belangrijk, vertelde ze ons, & anders verstond ook zij ’t niet.

Alex was vooral stoer. Zeker als er iemand anders naast ‘m stond. Een jongen van over de 20, die zich op een gestoorde manier moest profileren. Zonder daarin vervelend te zijn. ’t Was vooral lachwekkend.
‘Neihj, yaw’ kiddin’’ zei hij, waarmee hij bedoelde te zeggen dat-ie ’tgeen gezegd was niet kon geloven.
Hugh beweerde dat Alex ‘in paand’ bestelde, als-ie ‘one pint’ bedoelde. Doordat-ie de klinkers verwisselde, volgens Hugh.
Als-ie zich omkeerde nadat-ie besteld had, lagen wij in een deuk omdat-ie zo prachtig ‘aye’ zei, waar hij ‘ja’ of ‘yes’ bedoelde. Soms schrok-ie van zichzelf & corrigeerde hij z’n uitspraak.
‘Well, I mean yes,’ zei hij dan.

& Bratt vertelde anekdotes. Uit z’n eigen leven. Hij vertelde hoe ’t afgelopen jaar was gelopen. Alle verhalen die Hugh ter voorbereiding mij had meegedeeld, passeerden de revu. Maar dan nog amusanter.
‘With my last job I had to chop some trees,’ vertelde Bratt. ‘Ik zei tegen de aannemer dat ’t misschien verstandig was touw te gebruiken, zodat de boom de goede kant op zou vallen. Maar dat leek ‘m niet nodig. We moesten maar gewoon goed duwen. ’t Duurde een tijdje, maar toen begon de boom toch te hellen. De verkeerde kant op. De kant op waar een mercedes & enkele andere dure auto’s stonden geparkeerd. De boom was precies zo lang als 3 van die auto’s. Hij kwam bovenop hun daken te liggen. 1 Van die eigenaars kwam heel omstandig verhaal halen. & Op een gegeven moment had ik genoeg van ‘m. Ik zei: “You’re a fucking nazi.” Toen begon die vent meteen de politie te bellen. Je schijnt hier in Duitsland niemand voor nazi te mogen uitmaken. Kan je moeilijkheden mee krijgen.’
‘Maar de politie zit toch de hele tijd achter je aan,’ zei Hugh, ‘sinds je een keertje niet rechtop je fiets kon blijven zitten.’
Bratt ging verder. Uitleggen waarom de politie ‘m in de gaten hield. Met verontruste ogen. Dat ze hem dat aan konden doen.
& Eigenlijk gaven we hem gelijk.

Maar dat zeg je niet in Zijperspace.

klok

Belle & Sebastian - Sleep the Clock Around

’s Ochtends stond ik als 1e op. Alsof niets mij kon vermoeien. Zin in de volgende dag. Hij had niet later moeten beginnen.
Soms ook omdat ik niet anders kon. Zo vreemd, deze omgeving, zoveel mensen om me heen die er anders niet waren. De onrust dwong mij de 1e stap te zetten, terwijl de rest van ‘t gezelschap nog bedenkelijk op z’n andere zij ging liggen. Ik ging zien wat er komen ging, welke verrassingen. Hoe ik anticipeerde. Welke bochten ik nam. Hoe fel de zon scheen. Waar m’n uithoudingsvermogen zou stranden.
& Ook al bonkte m’n hoofd, wilde hij nog niet, weigerde hij zo onmiddellijk de vorige dag te vergeten, wilde hij m’n handelingen van toen doen voelen door een mindere gesteldheid, m’n wil overwon elke lamlendigheid & dwong m’n gehele lichaam in ’t gareel. Spartaans, dat is ’t woord voor deze dictatuur van veel te laat naar bed & veel te vroeg op & ’t lichaam geen kans geven dat te voelen.

& Teruggekomen sta ik laat op. Val een uur later weer in slaap. Doe dat ’s middags nog een keertje dunnetjes over. & Na ’t eten ben ik moe van de rest van de dag.

Ik ga op pad om de noodzakelijke boodschappen te doen. Hervatten, heet dat.
Onderweg even langs m’n stamkroeg, waar niemand me gemist heeft, waar niemand wist dat ik weg was.
Aangekomen in een winkel voor m’n 1e boodschap blijkt ’t niet aanwezig, volgende keer beter, hij is in bestelling, binnen een week moet-ie er zijn, wordt me verzekerd, moet ik een nieuw doel verzinnen. Want een boodschappenlijstje heb ik niet gemaakt.
’t Hangt tussen een zoektocht naar vermaak & nergens geen zin in. Gisteravond al vastgesteld. De vakantie hangt als een donkere wolk achter me & probeert me in te halen. Ik word, als in een nachtmerrie, alleen maar langzamer.
Liever nooit meer, niks meer, nimmer meer, niets.
’t Vooruitzicht, ook ‘t inzicht, dat dat een vergissing is, omdat ik mezelf toch van levenskost moet voorzien, omdat verveling ook maar verveling is, bovendien saai, & traag, maar er toch in blijven hangen.
Op de fiets, wankelend tussen gebouwen die vertrouwd maar gezapig boven me uithangen. Dreigend hellen ze over vandaag. Broeierig weerkaatsen de muren de hitte over de grachten van Amsterdam. Als niet, dan toch over ’t pad waarover ik ga. De schaduwen vormen nog net een tunnel waar ik onderdoor kan fietsen.

Een boodschappenlijstje dat geen boodschappenlijstje is. Zeker als je slechts vaag voor jezelf hebt vastgesteld dat er dingen in huis gehaald moeten worden, maar niet de moed hebt ze gedecideerd te onthouden: zonder wordt ’t opnieuw opgevatte leven geen succes.
Dus vergeet ik de nieuwe broek.
& ’t Brood voor de komende ochtenden. & Komende lunchpakketten. Om mee te nemen. Tussen ’t werk door. Dat straks wacht.
& De olijven om van ’t betreden van de keuken weer een feest te maken.

Alles wat lol geeft moet vernietigd. Of vergeten. Ik moet niet overdrijven.

Lamzalig hang ik een uur later weer in ’t café. Nu is ’t wel tijd voor bier. Nu weet er tenminste 1 persoon dat de vakantie verleden tijd is. De barman. We wisselen nog enkele duitse woorden. Om er even in te blijven.
‘Tot hoe laat blijven bouwvakkers werken?’ vraag ik aan m’n barman, daarmee pogend ’t daadwerkelijke leven weer op te vatten.
Niks geen zoektocht naar ’t legen van de portemonnee. Thuis kan er ook vermaakt worden. Zeker als de harde werkers zich niet meer achter & boven m’n huis bevinden. Als er rust is buiten. Misschien ook wel binnen.
We komen overeen dat ze rond dat tijdstip wel klaar zullen zijn voor de dag. & Ik reken af.
Waarna ik thuis weer in slaap val. Ook al probeer ik mezelf weer tot leven te wekken met ’t nr waarbij m’n benen niet kunnen stilstaan.

& De klok tikt ongemerkt door in Zijperspace.

zurück

‘Dat wist je niet?’ vroeg de vrouw tegenover me.
Haar zoon keek mee. Kijken wat ik zeggen zou. De koptelefoon ½ op.
‘Nou ja, ik was aan ’t bestuderen hoe ’t werkte,’ antwoordde ik. ‘Maar ik heb toch geen oorsetje meegenomen, dus ik heb er niks aan.’
Ik wierp nog even een blik naast me. Naar ’t bedieningspaneeltje & ’t gaatje dat er voor zorgde dat je geluid op je hoofd kon krijgen.
De vrouw lachte minzaam naar me. Ik veegde wat zweet van m’n voorhoofd. Ondanks de airco in de trein was ’t voor mij nog steeds onaangenaam warm.
‘Maar ach, ik reis de hele tijd al in stilte,’ glimlachte ik terug.
Ik probeerde weer m’n boek te gaan lezen, maar keek vooral voor me uit. & Naast me, waar ’t landschap met 200 km/uur voorbijscheurde.

‘Had je ’t leuk?’ vroeg Rachel.
M’n blik wordt afgeleid door 2 dames die in de verte aan komen lopen. Ik heb m’n bril niet op, dus knijp ik m’n ogen samen tot optimale staarsterkte. & Ondertussen vertel ik m’n verhaal.
‘Ja, hoor. Maar ik was alleen maar bezig met de borsten van de vrouwen daar in Oberursel.’
Rachel lacht: ‘God, ik zit nog geen kwartier met je & je hebt ’t al over sex.’
‘Nee, over borsten! ’t Is daar 29° & al die vrouwen lopen daar met mierentieten.’
‘Mierentieten?’ Rachel kijkt bedenkelijk. ‘Is dat ‘tzelfde als die sprekende tieten die je laatst gebruikte?’
‘Ja.’
‘Hoe kwam je daar aan?’
‘Verzonnen.’
‘Meen je dat?’
‘Ja.’
‘Oh,’ zegt ze enigszins beschaamd, ‘ik heb laatst aan een collega verteld dat stijve tepels sprekende tieten heten. Dat wist ze niet. Omdat jij ’t zo vanzelfsprekend gebruikte, dacht ik dat ’t een gangbare uitdrukking was van mannen.’
‘Nee, ik heb ’t verzonnen.’
‘’t Is een afschuwelijk woord, maar je weet wel meteen waar je ’t over hebt.’
‘Ja, mooi hè?’ zeg ik voldaan. ‘Maar ik werd daar wel helemaal gek van al die vrouwen op straat met mierentieten.’

Er wordt aangebeld. Ik ben net bezig m’n baard van 5 dagen eraf te halen. M’n gezicht is ½ wit.
‘Oh, ik stoor zeker?’ zegt de jongen met een lach.
‘Ach, ja,’ reageer ik.
Hij vertelt dat-ie een steiger in m’n achtertuin wil zetten. Liefst nu meteen. Maar ik wil zo weg.
‘Eigenlijk zou ik nu nog met vakantie zijn,’ zeg ik.
‘Ja, dat weet ik. Maar ik dacht: ik probeer ’t toch even.’
5 Minuten later brengen 2 jongens de 1e stangen door m’n huis de tuin in.
‘Niet in m’n tuin staan,’ roep ik.
Maar ’t is al te laat.
‘Zou je anders willen gaan staan,’ probeer ik nog een keer.
De jongen blijft staan waar-ie staat. Een vragende blik.
‘Hij verstaat je niet,’ zegt de ander naast me. ‘Hij spreekt duits.’
O, dat heb ik de afgelopen dagen wel vaker gesproken.
‘Das ist mein Garten,’ zeg ik. ‘Wolst du nicht stehen af das Grön. Auf die Steinen ist oke, aber nicht in mein Garten.’
Een beetje improviseren. De jongen weet meteen wat ik bedoel. Over de stangen loopt-ie terug.

15 Minuten niks. & Ik wil straks de deur uit. Ik besluit naar de jongens toe te lopen. Om te vragen hoe lang ’t gaat duren. Om te vertellen dat ik wil douchen. Om te weten te komen hoe ’t verder in z’n gang gaat.
Ze komen er net aanlopen. Met nog meer stangen, nog meer plateaus, & 4 wielen voor aan de onderkant.
‘Ja, die 2 duitse jongens begrepen niet helemaal wat ik bedoelde,’ zeg ik tegen de jongen die aan de deur was gekomen, ‘maar ik wil niet dat er in m’n tuin wordt gestaan.’
‘Wilde tuin,’ constateert-ie.
‘Ja, dat moet ook.’
‘Lekker toch.’
Bouwvakkeropmerking. Heb ik vaker gehoord.
We nemen door wat wel kan & wat niet. Ik vertel dat ik nu even wil gaan douchen. & Daarna de deur uit.
‘Ah, joh, we redden ’t wel. Als dat ding er staat dan kunnen we aan de gang. & Als we weg willen dan gaan we via zolder.’
‘Oh, via zolder!’
Alsof ik daar nog nooit aan gedacht had.
Ik verstop in de douche. Nu ‘ns een keertje met de deur dicht. Alle schone kleren, van te voren uitgezocht, leg ik op de wc-klep. De kraan aan.
‘Ik ga de vakantie er af wassen,’ had ik nog willen zeggen.
Maar ik douche in alle stilte.
Buiten vertrappen ze ondertussen m’n tuin.

Wir sind ja wieder zurück in Zijperspace.

oberursel

Vlak voordat ik m’n laatste douche nam keek ik nog even in de spiegel. Gewoon, in ’t voorbijgaan. Als je dan toch langsloopt, dan kan je net zogoed even naar jezelf kijken. Zo’n blik ong, zo'n blik van nog net even meenemen.
Ik zag er niet uit. M’n haar overeind alsof ik niet reeds 2 uur geleden uit bed was gestapt. Een druppel bloed boven m’n lip, een dotje schuim naast m’n neus, een druppel op ’t puntje ervan. M’n ogen vragend. Zenuwachtig waarschijnlijk.
Maar ik was in ieder geval geschoren. Een week baardgroei moet nog net kunnen. Woensdag, als ik terugkom, dan kan ’t wel weer.
M’n maag zei ook nog dat-ie nog 1 keer wilde. Even lekker zitten.
De rest van m’n lichaam is ’t daar niet mee eens. Die wil weg. Helemaal.
Ik denk dat m’n maag gaat winnen.
Zoals wel vaker in dit soort gevallen.
Straks nog een blik in de spiegel. In de grote. Dat hoort. Traditie. Met rugzak op. Kijken hoe of-ie staat. Rechttrekken, rukje hier, rukje daar, band weg, opschudden, & dan richting deur lopen. Om te ontdekken dat ik toch iets vergeten ben.

Nu even daar niet aan denken. Ik moet weg. Ik moet naar Oberursel. Taunus.

’t Is een week lang vakantie in Zijperspace.

instulping

Ik heb ’t nu al meermaals onderzocht, maar nog steeds is ’t niet verdwenen. & Nog steeds heb ik de essentie niet te pakken. Ik kan er de hele tijd naar kijken, zonder dat ik ’t snap. Een gewoon wondje zie je, dat ligt normaliter aan de oppervlakte, dat vervormt, stolt, gaat jeuken, wordt opengekrabd, zie je kortom de hele tijd veranderen, ben je bekend mee. Maar een wondje in je mond is een mysterie omdat ’t zich aan de blik onttrekt. 't Toont zich niet.
Dus sta ik voor de spiegel, m’n gezicht zo dicht mogelijk er bovenop, pak met beide handen m’n bovenlip vast, krul ‘m om, & tuur, tuur, tuur, om te constateren dat ik er niks van snap.
Een wondje in je mond zou snel moeten genezen. Heb ik altijd gedacht. Omdat er geen beschermende huid, stevige huid, omheen zit. Ik meen dat ik ’t me zo ‘ns heb laten uitleggen. ’t Is kwetsbaarder, maar herstelt daardoor ook eerder.

De resultaten van ’t laatste onderzoek.
’t Ziet er wit uit. Ipv roodrozig. ’t Stulpt. Naar binnen. Dus komt ’t steeds makkelijk tegen m’n tanden aan. Irritant makkelijk; ik voel ’t daardoor constant. Om preciezer te lokaliseren: m’n linkerbovenhoektand & de aanliggende snijtand. De wonde zelf heeft ong de grootte van beide tanden tezamen. Waarschijnlijk de afdruk van ervan. ’t Voelt net alsof ik een extra dikke lip heb. Maar ’t is gewoon een stuk dik vlees, hangend aan de binnenkant van m’n bovenlip. In de spiegel is dat bijna niet vast te stellen, dit is onderzoek verricht door m’n tong, waardoor ik dit resultaat als gevoelsmatig dien te omschrijven. Gevoelsmatige pijn & ongemak dient evengoed serieus genomen te worden. Vooral omdat ik er zelf slachtoffer van ben.
Bovenstaande is zeker niet te classificeren als wetenschappelijk onderzoek; ’t is daarvoor té emotioneel geladen, waarbij de metingen doordrenkt zijn van onnauwkeurigheden verricht door instrumenten die daar niet daadwerkelijk geschikt voor zijn, niet voor dit doeleind ontworpen. Maar daarbij heeft ’t des te meer emotionele lading, welke in ’t vervolg zeer serieus genomen dient te worden, aangezien dit niet ‘t geïntendeerde leed weergeeft, maar wel degelijk ‘t gerealiseerde ongemak.

Ik zou de resultaten eigenlijk moeten doorspelen aan m’n tandarts. Zodat zij zich wat beter realiseert wat de gevolgen zijn van haar mededeling: ‘Deze ga je wat meer voelen dan de vorige.’ Daarbij verwijzend naar de naald (ik zag ‘m in m’n ooghoek voorbij gaan; hij was eng lang), die zij ging gebruiken om me ditmaal volledig te verdoven in de zone waar zij wilde gaan ploegen, boren, eggen & strijken. Waarbij ik momenteel waarschijnlijk niet de juiste vocabulaire gebruik. Ik ben dan ook geen tandheelkundige. Slechts een willoos slachtoffer ervan.
Ik ging de bewuste spuit inderdaad wat meer voelen dan de daaraan voorafgaande. Zeker gezien ’t feit dat ik daar vervolgens niks meer voelde. Klinkt als een tegenstrijdigheid, maar is ’t niet zo dat mensen met geamputeerde ledematen deze ledematen des te intenser voelen. Juist door de afwezigheid ervan. Nou noemt men dat verschijnsel fantoompijn, & in mijn geval zou men daar geenszins van kunnen spreken, maar ’t feit was daar dat ik vanaf dat moment wel zeer bewust was van de ongevoeligheid, ’t niet aanwezig zijn, van mijn wang. Of eigenlijk de spieren ervan. & De daarbij behorende zenuwen.
Men weet niet hoeveel leed dat kan veroorzaken wil men een boterham gaan eten. Dat zal ook moeten gebeuren. Zeker als men vroeg in de morgen de tandarts heeft gevisiteerd, zal men in de middag toch een keer een beetje vulling aan de maag willen geven. Verdoving of geen verdoving.
Genoemde wond is daarvan ’t gevolg. Al kauwend aan flarden gegeten. Gelukkig niet volledig doorgebeten & doorgeslikt, maar wel dusdanig toegetakeld dat ik al enkele dagen mij gedwongen zie voor de spiegel te gaan inspecteren op de vorderingen van ’t genezend proces. Met bovengenoemd resultaat.

We zijn geenszins tevreden in Zijperspace.

teunisbloem

‘Hé, & dat is een teunisbloem,’ zei ik. ‘Een middelgrote, of de middelste teunisbloem. Hoe ’t ook mag heten. ’t Is in ieder geval niet de grootste teunisbloem.’
‘Nee, dat is geen teunisbloem,’ zei m’n moeder.
‘Jawel,’ hield ik vol.
& Ik vertelde nog wat meer over de grote, de middelste & de kleine. Zover ik ’t me nog kon herinneren.
‘Nee, hoor. Kom maar mee.’
Ze nam me mee naar de voortuin.
‘Oh, ja,’ gaf ik toe.
Dat was de teunisbloem. Dezelfde als ik vorig jaar in m’n tuin had. M’n moeder hield de bloem voor m’n neus.
We keerden ons om & Pa kwam plots tevoorschijn vanuit de hal.
‘Zo, Pa, lekker geslapen?’ vroeg ik.

Pa liep mee, terwijl we terugkeerden naar de keuken. Moe ging verder met ’t schoonmaken ervan. Onderwijl praatten we verder.
M’n vader schoot af & toe om de hoek, de huiskamer in, om vervolgens weer terug te keren. Steeds kortstondig afwezig, steeds weer opnieuw nieuwsgierig wat er gebeurde, wat er besproken werd.
Ik begon me af te vragen waar-ie steeds naar toe liep. Besloot om ’t hoekje van de keuken te kijken.
Hij verdween weer richting huiskamer. Ik deed een stapje opzij. Zodat ik ‘m in de gaten kon houden. & Evengoed kon doorpraten met m’n moeder.
Hij liep naar de hal. Deed de haldeur open.
Misschien bedenkt-ie opeens dat-ie moet plassen, dacht ik.
Maar hij bleef stilstaan. Starend door de deurkier.
Parkinson deed ‘m bevriezen. Of misschien deden de medicamenten wel stemmen uit de muur komen. Hij bleef geparalyseerd voor zich uitkijken. Enkele tellen lang. Toen keerde hij om. Om weer naar de keuken te gaan. Daar hoorde hij immers de stem van z’n vrouw. M’n moeder.
Ik deed opnieuw een stap de keuken in. Zodat-ie niet kon zien dat ik ‘m in de gaten had gehouden. Ik deed voorkomen dat ik de hele tijd met Ma was blijven praten. M’n vader keek weer om ’t hoekje. M’n moeder keek ‘m aan. Korte glimlach.

‘’t Was jammer dat je er niet was,’ zei m’n moeder toen ik terugkwam. ‘Er was ook een dochter van Frans Zijp bij, Femke Zijp, die wel ‘ns bij jou op je werk komt.’
Ik dacht na over de beschrijving. Ze had rood haar. Ze kwam wel vaker, had ze m’n moeder verteld. Maar ik wist ’t niet.
M’n moeder ging door met haar verslag.
‘Op een gegeven moment gingen ze weg. Toen had Pa ’t in de hal er helemaal moeilijk mee. ’t Werd ‘m even teveel. & Ik hield ’t zelf ook niet droog. Frans trouwens ook niet. “Nou, ’t wordt hier helemaal nat,” zei hij toen.’

& Dan was er nog iets. Zei m’n moeder. Dat moest ik maar niet op m’n blog zetten, zei ze.
Maar ze vertelde ’t wel.

’t Verschijnt echter niet in Zijperspace.

terraspraat

Hier zat Dennis ook altijd als-ie z’n stuff kwam halen. Z’n handel voor in z’n zaak in Den Helder. Waarschijnlijk deed-ie er nog wel meer mee, maar dat wilde ik vroeger liever niet weten.
Maar hier wachtte hij altijd tot z’n compagnon kwam. Degene die de zaakjes leverde. Ik zag ‘m op een gegeven moment zitten op ’t bankje buiten. Maakte een praatje, tussen de snelle telefoongesprekjes door. Dennis was 1 van de 1e met een mobiel & maakte er in Amsterdam druk gebruik van. Maar evengoed had-ie aandacht voor mij. Dennis kon nl sinds jaar & dag meerdere dingen tegelijk. Door z’n armen snel te bewegen zei hij al wat. Dat betekende dat ik even naast ‘m moest gaan zitten. Ik bracht ‘m dan weer op de hoogte. Van mezelf. & Hij vertelde hoe ’t met de zaken in Den Helder ging. Ik kreeg soms verhalen te horen die ik vroeger niet kon bevroeden. & Dan snapte ik eindelijk hoe de vork in de steel zat. Maar ik had er niks meer aan, want ik woonde inmiddels hier, in Amsterdam.

Maar hier zat-ie altijd. Want die grote vent, dat was volgens mij z’n compagnon. Ik heb ‘m nog nooit gezien, maar hij leek precies op een man die compagnon van Dennis was. Een kop steekt-ie boven de rest uit. Een allemachtige borstkas, z’n kinderen zouden er in gewassen kunnen worden als ’t na z’n dood als tobbe zou gaan functioneren. Z’n mond staat niet stil of hij moet iemand de beurt tot praten hebben gegeven. Hij is amicaal, kent iedereen & heeft geld zat om nog ‘ns een rondje te bestellen. Bovendien heeft-ie een swingende zonnebril op, die geen ander op zijn leeftijd zou durven dragen.
Robin is hier ook. De huidige eigenaar van de Buuv, m’n nachtelijke stamkroeg van weleer. Krijgt een spa rood aangeboden van de compagnon. & Komt naast me op ’t terras zitten. Ik leg m’n boek opzij.
‘Hoe gaat ‘t?’
‘Goed, joh. Ik ben hier om m’n maat gedag te zeggen.’
Ik ben jaloers op mensen die makkelijk een verhaal kunnen vertellen. Je komt ze tegen & enkele tellen later hebben ze al een onderwerp. Met 2 zinnen hebben ze ’t aangesneden, rustig, kalm, met een afwachtende klemtoon aan ’t eind van de 2e zin zodat jij jouw gedachte kan invullen, & ze wenden zich ongemerkt af zogauw de aandacht bij een ander gesprek vereist is. Ik praat dan meestal door, maak m’n zin af, om in een leegte van geen reactie te eindigen.
Robin heeft ook de gave mij op zo’n manier achter te laten. Op een sympathieke manier. Bovendien ben ik ’t gewend.
‘Hij gaat 4 weken naar Afrika, maar hij moest op ’t laatst geopereerd worden aan z’n kaak & daardoor is-ie te laat voor z’n vliegtuig. Maar die had vertraging & nou ben ik hier om ‘m te ondersteunen.’
Ik zie geen maat. Maar ik kan me ‘m al voorstellen.
‘Gaat ’t goed met de Buuv?’
‘Ja, joh,’ & hij wendt zich tot de compagnon, die niet wist dat hij een eigen zaak had.
5 Minuten later pak ik m’n boek weer op.

’t Meisje voor me heeft bier voor 2 gehaald. Haar vriendin draait zich om haar glas aan te pakken, waardoor ik haar linkeroog zie. Een kuil, eigenlijk, met daarin iets wat niet kijkt als een oog. Van glas misschien.
Ik voel dat ze mij ziet kijken. Dus staar ik verder in de verte. Er fietst wat voorbij, hou ik de schijn op.
Ze wendt zich terug. ’t Volle bierglas op ’t tafeltje achter haar.
‘Wat voor sterrenbeeld ben jij?’ vraagt ze aan haar vriendin. ‘Je bent toch van 28 april?’
Met 1 oog leest ze voor uit ’t tijdschrift.

Naast me wil iemand bestellen. Hij kijkt door ’t open raam naar de bardame.
‘Hoe heet ze?’ vraagt-ie aan de compagnon.
‘Margreet,’ zegt de compagnon, maar begint meteen zelf naar haar te roepen. ‘Margreet!’
Hij keert zich om.
‘Weet je, Margreet,’ zegt-ie terwijl hij 2 kopjes van de vensterbank omstoot, ‘weet je, Margreet, dat je hier altijd moet oppassen als je je omdraait.’
De compagnon kan dit aan. Zonder te blozen raapt-ie de kopjes op. & Zegt ondertussen nog wel een puntje te lusten. Een puntje wodka.
‘Russia,’ imiteert-ie ‘t Eurovisiesongfestival ‘one point.’

Voor me hebben de vriendinnen de horoscoop doorgenomen.
‘Weet je wat me laatst gebeurde,’ zegt ’t meisje met de goede ogen. ‘Ik weet niet of ik ’t na kan vertellen.’
Haar vriendin gaat er belangstellend voor zitten, arm over de stoelleuning. Ze heeft in ieder geval aandacht met ’t oog dat ik kan zien.
‘Ik zat in de trein & tegenover me zat een jongen een blaadje te lezen. Ik las een boek. Op een gegeven moment vraagt-ie aan me wat ik vanavond ging doen. Verbaasd vertelde ik dat ik de stad in zou gaan. Toen liet-ie me ’t tijdschrift zien. De blz van de horoscopen. Hij las ’t voor: “Er komt een dame tegenover u te zitten, waarvan u onder de indruk raakt. Verlies geen contact. Probeer alles te doen om aandacht te krijgen. Stel een vraag, want ze kan belangrijk worden voor de loop van de rest van de dag.” Wij lagen helemaal blauw. Maar voor de rest van de dag heb ik ‘m niet meer gezien.’

Er kwam iemand voorbij die Robin groette. Robin stond op. Leunde voorover om een hand te geven.
''t Beste, maat.'
De jongen keek wat nors. Geconcentreerd.
'Hij is nu op van de zenuwen,' zei Robin toen hij weer zat. ''t Zal je maar gebeuren, vlak voordat je op safari in Afrika gaat een kaakoperatie.'
Z'n maat ging in een auto zitten. Een oude man achter 't stuur. Robin zwaaide. Maar niemand zwaaide terug. De jongen keek sjachrijnig voor zich uit.

We beleven 100 avonturen door slechts stilzitten in Zijperspace.

toch

Er zitten wél haren!
Enigszins verrast heb ik dat daarnet geconstateerd. Ik keek naar beneden & 't viel me voor de ogen. ’t Krioelde van de haren plots. Niet overal, maar toch ’t grootste gedeelte is bedekt. ’t Is ook niet dat 't woekert, je kan er nog doorheen kijken, maar als de zon er op schijnt dan flikkert ‘t. & Valt 't op.

Ik kwam er achter doordat ’t zulk benauwd weer was. Ik moest m’n t-shirt uittrekken. Vanwege overdadig vocht dat over m’n lichaam liep. Ik moest in de tuin gaan zitten om enigszins te bekoelen. Geluk dat de zon niet scheen. Niet rechtstreeks.
Ik las een boek, zoals wel vaker, gezeten in m’n hangstoel. Ik wachtte op de doorbraak, de donder, de neerslag, de afkoeling, die nog zeker uren zou duren, maar die zich wel aankondigde. Ik overdacht onderwijl ’t warmer worden van de hollandse aardkorst. Zo erg werd ik gehinderd door de vochtige temperatuur & de daarmee samenhangende vertropisering van ’t nederlandse klimaat, dat ik slechts daaraan kon denken.

& Bij ’t plots doorbreken van een straaltje zon, die weerkaatste op de muur van de achterburenflat, zag ik, afgeleid door ’t extra licht dat op m’n buik viel, dat er meer groeide op god’s akkers dan ik tot dan toe bevroedde.
Een heerlijke vergelijking: mijn borstkas, god’s akkers. Wat ik er verder mee moet weet ik echter niet. ’t Zal de hongerige kinders in de afrikaanse landen niet voeden.

Ik ben best wel dun. Of zoals enkelen zeggen: mager. Ik heb iemand laatst zelfs horen zeggen dat ik een spriet was.
’t Zal wel. Gezet ben ik in ieder geval zeker niet.
Maar toch kan ik niet ontkennen dat, gezeten in m’n blote bast, m’n buik, of in ieder geval een rol die onderaan hangt, over m’n riem uitstulpt. M’n zicht naar beneden wordt er niet door belemmerd, geenszins, ik kan precies zien waar de gaatjes van m’n broekriem zich bevinden. Maar ’t betekende daarnet wel dat de haartjes, die zich op genoemde buik bevinden, een ietwat uitsteken. Waardoor ’t licht wat meer invloed heeft op de weerschijn van de haartjes. Die toch echt daar groeien. Kwam ik net achter. Door ’t licht. Dat weerkaatste.

Ik ben de hele tijd in de maling genomen, bedacht ik me. Ik heb wel degelijk meer mannelijkheid dan die 5 haartjes die rond m’n tepels dwarrelen. Ieder heeft daar z’n eigen plekje. Mijlenver afstand houdend.
Ik moest ’t alleen nog even ontdekken. Afstappen van m’n eigen schroom m’n borst te tonen. Ook jegens mezelf.
Laat ik ’t zo omschrijven:
Rond linkertepel hangen er 2 zwarte. Als ik ze zo mag noemen. Dezelfde kleur in ieder geval als op de huid die bij mij bijna eeuwig bedekt is. Ze vertonen verwantschap. Rechtertepel heeft er 1. Waarbij ik ’t nog steeds over dezelfde kleur heb. In de wijdere omgeving van beiden huizen er nog 2, hangen ergens in ’t midden. De rest, richting schaamgedeelte begeef ik me in m’n omschrijving, is niet noemenswaardig. We benaderen dan de grijze zone. De grensstreek.
Maar door dat plotse licht ontwaarde ik grijze haren. Zoals reeds op m’n hoofd zijn te vinden. Ze bevonden zich tot zelfs boven m’n navel. Een hele gewaarwording. Niet zo lang als op ’t dak van m’n lichaam, maar ze hadden blijkbaar wel de intentie langer te groeien dan ’t donzig dekentje dat m’n voorkant tot nu toe heeft bedekt. Ze vertoonden zelfs krulgedrag.
Dat was mede de oorzaak dat ze me opvielen. ’t Krulgedrag. Dat doet meer licht weerkaatsen. Heeft de ene kant de straal niet te pakken, dan doet de andere kant ’t wel weerschijnen.

Rond m’n beide tepels ben ik rijker geschapen dan ik ooit heb mogen hopen. Hoewel ik nooit op haren heb zitten wachten. Laat staan hopen. Maar ’t klinkt wel lekker. Ik moet bovendien ’t beetje mannelijkheid dat ik geacht word te hebben zien te behouden door ernaar te verlangen.
Bij deze.
Dan groeit er ook nog een brede band, ietwat korter in lengte, nog niet geneigd te gaan krullen, maar men hoort mij niet klagen, van m’n middenrif naar m’n navel. Staat best wel stoer evengoed. Jammer dat ’t slechts met weerkaatsend zonlicht te zien is.
Ertussendoor floepen er wat moedervlekken tevoorschijn. Best wel schattig.

Jammer dat ik de enige ben die alles ziet in Zijperspace.

geurverspreiding

Als ik naar m’n huisarts ga, of naar een specialist die een blik op m’n lichaam & z’n functioneren moet werpen, of als ik anders een bezoek aan een fysiotherapeut ga afleggen, ik douche me altijd even van te voren. Dat doe ik altijd voordat ik m’n huis verlaat, ik vind dat wel zo fris voor m’n medemensen (ik vervloek dan ook geuren van mensen die mij ongevraagd komen lastig vallen, zeker zogauw die zurige sensaties doen ontstaan in m’n neus) & ’t geeft me een wat zekerder gevoel als ik mij onder hen ga begeven. Ik wil niet dat men een bepaald beeld van mij krijgt & al helemaal niet dat men zich ongemakkelijk voelt in mijn nabijheid.
Dat doet mij overigens denken aan de klant die bij warm weer niet te harden is. Hij komt regelmatig aan ’t eind van de zaterdagmiddag bij mij z’n inkopen doen. Als al z’n zweet aangekoekt zit in z’n t-shirt. Buiten ’t feit dat-ie onder warme omstandigheden waarschijnlijk meer zweet produceert, zie ik mij dan tevens geconfronteerd met een lichaam waar geen jas omheen zit. Waardoor zijn lichaam nog even wat sneller z’n geuren kan verspreiden. Mijn neus raakt daar akelig van de wijs van. Mijn gemoedsstemming ook. De enige oplossing die ik heb als ik deze heer dien te helpen in zijn consumentisme (uiteindelijk blijken ook dit soort gevallen recht te hebben op ’t besteden van hun pecunia) is hem van een afstand te helpen. Ik voel mij dan gezegend met armen die ver kunnen reiken, een zekere nonchalante houding in m’n lichaam die dit ontwijkend gedrag niet als beledigend doen ervaren & een immer redelijk verstopte neus, waardoor ik gewend ben door m’n mond adem te halen. Maar liefst zou ik ’t heerschap zeggen dat-ie pas kan weerkeren als-ie een douche van minstens een ½ uur genomen heeft.
Buiten ’t praten met consumptie uit een mond waar geen tand meer recht staat & waar de bruine kleuren in doorschemeren, reken ik bovenstaand gedrag tot 1 van de grootste wandaden die mensen mij kunnen berokkenen.
Ik vind dat ik ’t niet kan maken dat ik m’n huisarts, of enig ander persoon werkzaam in de gezondheidszorg & met verantwoordelijkheid over ’t welzijn van delen van mijn lichaam, lastig te vallen met welk soort verschijnsel van uitscheiding van geur dan ook. Ze zijn natuurlijk wel wat gewend, & een lichaam scheidt nu 1maal onbedoeld toch wel wat af, hoe grondig ook geboend, maar ik zal me toch enige moeite moeten hebben getroost dit tot een minimum te beperken.

Bij deze groep van mensen, mensen die zo min mogelijk met andermans odeur lastig gevallen dienen te worden, reken ik ook de tandarts. ’t Lastige vind ik alleen dat ik niet weet wanneer m’n gebit stinkt. Of wellicht m’n keel. Of ’t achtereind van m’n tong. Want door laatste schijnen de meest verschrikkelijke stanken geproduceerd te worden. Heb ik me eens laten vertellen door een expert op de radio.
Ik hecht veel waarde aan datgene dat experts op de radio zeggen. Zeker als ’t te maken heeft met lichaamsgeur. Dan spits ik m’n oren & neem elke zin, elk woord in me op. Ik ben gepreoccupeerd met lichaamsgeur.
Ik poets dus m’n tanden voordat ik derwaarts vertrek. Ik weet echter niet hoe ’t met ’t achtereind van m’n tong gesteld staat. Bovendien weet ik ook niet hoe m’n broodje verwerkt is. Ik vind ’t vervelend om met een lege maag in de stoel van de tandarts te hangen, weet dat ik dan nog eerder kokhalzende neigingen zal vertonen, dus prop ik me op dat soort dagen ’s ochtends vroeg even snel vol met een sneetje brood. Met beleg natuurlijk; anders krijg ik ’t niet door m’n keel.
Ik ben blij dat tandartsen tegenwoordig altijd van die kapjes voor hun mond hebben. Ik hoop voor hen dat er in dat kapje een lekker geurtje zit, dat al ’t andere verdoezelt. Maar ondanks die geruststelling van kapjes ga ik nu toch even m’n tanden poetsen.
Er moet nl een kies gevuld worden. Mijn tandarts achtte dat noodzakelijk.
Ik hoop dat ze vindt dat ik lekker ruik. Want ik heb ook m’n baardharen geschoren vanmorgen. ’t Waren er niet veel, maar toch misschien lastig bij ’t vatten van mijn mond.

Zijperspace ruikt optimaal hedenochtend.

toeval

‘Waar ken ik je nou van?’ vroeg ze, achteromgekeerd op haar stoel.
Ik had ‘r meteen gedag gezegd. Niet enthousiast, maar met een knikje, licht m’n hand omhoog. Dat ’t niet ontkend kon worden dat ik gegroet had. Zij was de enige die naar me keek. Pim & Erik keken beiden naar buiten. Ze hielden de tram in de gaten, bleek later. 2 Snelle grijnzen draaiden zich om toen ik vertelde waar ze me van moest kennen.
‘Ik was je barman in de Gaeper.’
‘Ooooojaaaaaaa,’ zei ze. ‘Maar da’s al een hele tijd geleden.’
‘8½ jaar om precies te zijn.’
We hebben nog wel 1 of 2 zinnetjes gewisseld, maar ik kan me vooral herinneren dat ik me onhandig afwendde, naar Wieger, die achter de bar stond.
‘Zó!’ was zijn commentaar op ons gesprek.
‘Jaja, zó, ja, toch, hè?’ waren de loze woorden die ik vervolgens tot hem richtte.
De tram kwam. Ze namen razendsnel de laatste slokken uit hun glas & scheurden met de koffers achter zich aan de deur uit. De glazen waren tot op de bodem leeg. Zuipen konden ze alle3 nog steeds.

De volgende dag kwam ik haar weer tegen. ’t Stomme was dat ik nogeneens twijfelde. Ze had ook haar 2-lingzus kunnen zijn.
‘Ben jij ‘t? Of is ’t je broer?’ zeggen ik & m’n collega’s altijd achter de bar op m’n huidige werk.
Ik kon vroeger ook nooit hun namen onthouden. Monique, Astrid, Suus, Marjan ; doodgewone namen moeten ’t zijn geweest, onmogelijk om te onthouden. Zeker 8 jaar lang.
‘Dat kan geen toeval zijn,’ zei ze ditmaal, terwijl ik bijna met m’n wagentje tegen die van haar opbotste.
‘Hoe gaat ’t met je?’ liet ze er meteen op volgen.
Dat gedeelte hadden we gister overgeslagen.
‘Goed. Ik sta alweer 8 jaar ergens anders achter de bar.’
Ik kon niet anders zeggen.
‘Komen jullie nog steeds in de Gaeper?’
‘Ja, joh. Nog elke dag. Nog steeds ‘tzelfde clubje.’
Een zucht ging door me heen. Niet van opluchting. Ik probeerde mezelf voor te stellen dat ik er nog 8 jaar was gebleven. Met dezelfde klanten. In dat kleine bedompte cafeetje.
‘Maar ik vond gister wel dat Pim er oud uit was gaan zien.’
‘Oh?’
‘Erik & jij niet zo. Nog steeds dezelfde. Maar Pim wel. Ik dacht even dat-ie een ongeluk had gehad.’
‘Laat ‘m dat maar niet horen.’
‘Nee, vertel ’t vooral niet door dat ik ’t gezegd heb.’
Toen gingen we allebei weer boodschappen doen. We reden elk een andere kant op tussen de schappen door van de supermarkt. In de volgende gang, bij de doperwten & sperziebonen, reden we bijna weer tegen elkaar op, maar we waren uitgepraat. Hoewel ik vergeten was te vragen hoe ’t ondertussen met m’n vroegere baas ging.

Dezelfde dag kwam ik ook nog Erik tegen. Andere Erik. Erik met de baard. Hij bestelde een biertje bij me.
‘Kom jij er nog wel ‘ns?’ vroeg ik.
‘Ja, ik woon erboven, hè. Ik moet ‘m de huur betalen.’
‘Oja, da’s waar ook.’
‘Maar ik kom er hooguit 1 keer per dag een bakkie koffie drinken. Wat zou ik er moeten zoeken?’
‘Dus die vaste klanten daar ken je niet?’
‘Nee.’

Behalve ’t verleden bestaan er nog meer dingen niet in Zijperspace.

denbymok

Ik heb m’n kop thee net leeggedronken. Tot de laatste slok. Ik krijg er een vol gevoel van in m’n maag. M’n darmen kruipen even wat dichter tegen elkaar aan. Koesteren zich aan de warmte die de thee achterlaat. Gloeiend hete thee. ’t Lijkt nog even na te borrelen, daar diep weg in m’n ingewanden.
M’n lippen zijn ’t er helemaal mee eens. Ze plakken zich behaaglijk aan ’t kopje. Een mok, bijna. Een Denby. Schijnt een bekend merk te zijn. Wat aardewerk betreft. Ik heb er ook een bordje van. Maar die zet ik nooit aan m’n mond. Vandaar misschien dat ik ‘m minder gebruik. ’t Contact is daardoor minder intensief. Ik kan me niet lichamelijk hechten.
’t Gaat om de wanden van de mok. De gladde wanden, waar m’n lippen precies tegenaan passen. Ze glijden eroverheen. Zetten zich onder de rand. Om zodoende ’t vocht op weg naar m’n mond te behoeden voor ’t verkeerde pad. Naast m’n mond, dat is. Lekkend langs m’n mond, richting shirt of broek, vette suikervlekken achterlatend.
Want suiker is noodzakelijk. Zonder suiker kan ik mij thee niet als lekker voorstellen. Zonder suiker bestaat thee niet voor mij. In redelijke hoeveelheden moet ’t aanwezig zijn. Zodat je ’t proeft. Anders geen thee. Ik heb 1 keer thee zonder suiker bij m’n fysio gedronken. Ik heb me goed gehouden. Gedaan alsof ik dat alternatieve sterrenmixje juist op waarde wist te schatten zonder zoetigheid. Maar eigenlijk zag ik metershoog ertegenop om de week erna weer een volle bak voorgeschoteld te krijgen.
Ik was snel van m’n rugklachten af.
De mok heb ik van Rachel gekregen. Voor m’n verjaardag. Ik zou ’t zelf nooit gekocht hebben, moet ik eerlijk zeggen, want bij mij moet alles geel zijn. Aangepast aan, toegemeten op m’n interieur. De mok is mistig groenbeige, of beigegroen. Als dat al bestaat. Een expert zal de kleur op de juiste wijze weten te categoriseren.
2 Weken na m’n verjaardag vroeg Rachel waarom ik ’t niet gebruikt had. ’t Stond nog steeds op dezelfde plek. Dat zag ze. Waar bijna alle kado’s nog stonden. Geen tijd om er mee te spelen.
Schuldbewust keek ik ‘r aan. Geen tijd voor gehad, was m’n smoes. Dat ik gehecht was aan m’n daagse elke-dag-kop was de waarheid die ik daarna opbiechtte. ’t Kopje dat vies stond te worden van 100 dagen achter elkaar me van thee te voorzien, zonder afwasbeurt. Dingen die vies worden van eigen gebruik, daar gaat een mens zich aan hechten. Vaak. Bij mij. Als ik een kater heb van de vorige dag stel ik de douche altijd zolang mogelijk uit. Mezelf wentelen in de geuren van verval, drank & gezelligheid. Meegenomen als seks er een onderdeel van was. Dat mag niet weg. Pas als gister helemaal uit m’n lichaam & hoofd vertrokken is.
Toen ben ik maar ‘ns een keertje gaan proberen. Rustig op mezelf. Niemand in de buurt om me af te leiden. Heb mezelf een grote mok thee volgeschonken. ’s Avonds laat. Vlak na werk & maaltijd. Om uit te proberen of ’t de moeite waard was er uit te drinken. Slechts uitproberen. Ik hou niet van definitieve veranderingen. Zeker niet van de ene op de andere dag.
Maar de thee gleed meteen zo makkelijk m’n mond in. Genoeglijk. Zacht. Teder. Vloeiend. Als de vloeistof dat al niet was. Nog vloeiender in ieder geval.
Jammer is dat m’n lepeltje, dezelfde als die ik in voorgaande kopje gebruikte, de wereld moet niet op z’n kop, nog maar net in de mok past. De Denby-mok. Waardoor deze gloeiend heet is als ik probeer te roeren. Da’s minder. Als ik ’t echter plan, even vantevoren ’t lepeltje eruit vissen, te ruste leggen, & pas gebruiken indien noodzakelijk, dan hoef ik m’n vingers niet te branden. Geen centje pijn.
Da’s echter niet ’t grootste euvel. Er is immers iets aan te doen. Echt onbehaaglijk is pas ’t gevoel te noemen als ik moet constateren dat ’t laatste slokje al in m’n keel zit. & Niet tevoorschijn komt op ’t moment dat ik denk dat ’t er nog inzit. ’t Laatste slokje, ’t afscheidsslokje, is al verdwenen op ’t moment dat ik door ’t gewicht van de mok denk te kunnen concluderen dat ’t nog moet komen. Ik sla ’t kopje helemaal achterover, nog steeds in dezelfde, verkeerde, veronderstelling, m’n tong heeft zich al op ’t laatste beetje vocht verheugd, maar ’t komt niet.
Dan wil ik even weer m’n oude kopje terug. M’n overzichtelijke kopje. Mooi wit, waar de bodem te zien is.

Verder is ’t evengoed een behaaglijk gevoel, daar diep van binnen in Zijperspace.

boeken

Er liggen nu 3 boeken opengevouwen in m’n kamer, op een tafel of ergens op een bank. 3 Boeken waar ik aan begonnen ben. Nr 4 heb ik maar weer dichtgeslagen. Daar ben ik nog niet aan toe. Nr 5 evenzo. Die gaat van de week terug naar de bieb.
Nr 6 ligt in m’n tas. ’t Boek voor onderweg. Of als ik pauze op m’n werk heb. Of in de wachtkamers. Daar bevind ik me de laatste tijd wat vaker. Ik moet altijd een boek bij me hebben. Ook als ik naar de wc ga. Er mogen zich geen verloren momenten voordoen.
’t Zijn er teveel. Ik kan geen beslissing nemen. Weet niet wat me momenteel interesseert. De bijbel nader bekijken onder begeleiding van een gids, de kunst van ’t redevoeren bestuderen, of toch weer duiken in een verhaal. Ik weet niet wat me ’t best kan wegvoeren gedurende ’t uurtje zon dat ik wil pikken vanuit m’n tuinstoel. Welk boek me kan dwingen dat zo lang vol te houden.
Dan maar geen van allen.
Weer een nieuw boek.
Na 1st als uitstel alle magazines van ’t weekend doorgenomen te hebben. Op zoek naar geen nieuws.

Voor me ligt nu een ander boek. Iemand zei dat ik dat moest lezen. Verbaasd dat ’t nog niet was gebeurd. Ik kan me de verbazing herinneren, maar niet ’t gezicht. Opeens kwam een collega naar me toe.
‘Iemand heeft dit voor je achtergelaten. Voor je verjaardag, zei hij erbij.’
Da’s dus alweer 1½ maand geleden. Ik heb nog geen opmerking van een onbekend, of eigenlijk vergeten persoon gekregen. De vraag hoe ik ’t boek nou vind. Dat ’t toch ’t allerbeste van ’t allerbeste is. Op ’t gebied van literatuur. Met hoofdletter.
Ik kan me ’t gesprek vaag herinneren. ’t Gezicht niet. Onnoemelijk irritant. Daardoor weet ik ook de details niet meer. De gelaatsuitdrukking. De overtuiging. Misschien wel de zelfgenoegzaamheid.
Nee, dat kan niet. Ik ga geen gesprek met zelfgenoegzame mensen over literatuur aan. Ligt niet in m’n aard. Bang te verliezen.
Ik had gedronken. ’t Was op m’n werk in m’n vrije tijd. Dat is zeker. Daarom ben ik ’t ook vergeten. Daarom is ’t ook een gesprek geworden. ’t Is zonde tijd onbesteed te laten, ’t verliezen van een herinnering is onvergefelijk, ’t kwijt raken onderweg; alsof je herinneringen bij ’t afval gooit. Op de stoep voor als de vuilnisman langskomt. Je weet dat je geconsumeerd hebt, je bent ervan gaan groeien, maar hoe de groei tot stand gekomen is? De verpakking kan dan net zo goed ook overboord.

Maar ik moest ’t lezen. ’t Beste boek zal ’t wel geweest zijn. Dat zal-ie wel in z’n mond hebben genomen. Mensen weten dat altijd met veel overtuiging te vertellen. Kan ik ook. Over De bliken trommel. Oskar Matzerath van Grass. Over hoe geuren werken, nooit meer ‘tzelfde worden als je dat boek gelezen hebt. Ik ben nog steeds op zoek naar de vrouw die naar perzik ruikt. Tot in ’t diepst van haar poriën.
Ik heb ’t boek opengeslagen. ’t Boek dat ik moet lezen.
Titelpagina. Opgedragen aan . De blz ervoor staat van wie ’t ooit was, in blauwe pen, maar ik kan ’t niet ontcijferen. Over de rand loopt een vlek. ’t Kan koffie zijn. Oud. De hoeken beginnen te ezelsoren. Elke blz is gelezen. Da’s makkelijk. Dan buigt ’t boek soepeler op de blz waar je gebleven bent. Boeken moeten gelezen worden. Slechts enkele mogen met fluwelen handschoenen gepakt worden. Voor ’t museum. Ook noodzakelijk. Maar mijn boeken moeten gelezen. Elke letter. Elke alinea. Ik ben afgestapt van diagonaal. Dan schiet ’t leven voorbij alsof je een postbode bent & niet af & toe een bakkie doet bij de buren. Nog net in z’n kaft hangend van afgekloven letters maakt ’t verhaal van ’t boek mooier.

Ik ga maar ‘ns beginnen. Dan heb ik wat te zeggen als ik straks een onbekende tegenkom.
‘Mooi boek gelezen,’ zeg ik dan.

Maar 1st moeten we nog overtuigd worden in Zijperspace.

junkies

‘Shit, hij komt deze kant op,’ zeg ik.
Vanaf de hoek van de straat loopt de man op ons toe. Nadat-ie net nog iets aan iemand anders heeft gevraagd. Ik heb ‘m meteen al ingeschat, m’n oordeel ligt al klaar, vooral door z’n manier van lopen. Maar misschien dat z’n magere lichaam ook een rol heeft gespeeld bij die snelle beoordeling.
‘Heren,’ groet-ie al van een afstand.
Duidelijk dat-ie ons moet hebben.
‘Heer,’ groeten wij terug, ondertussen ’t glas onverstoord naar de mond brengend.
‘Hebben jullie binnen misschien een munttelefoon?’ gaat-ie verder. ‘Of een gewone telefoon. Dat ik even kan bellen. Ik wil ervoor betalen.’
Dat hebben we door. Z’n kleingeld rinkelt al in z’n handpalm.
‘Nee, dat lukt niet,’ zeg ik.
We hebben er geen zin in, betekent dat. Dat weten we alle 3.
‘Kan je niet bij de buren bellen?’ zegt Jag.
‘Nee, die hebben geen muntjestelefoon.’
‘& Bij ’t benzinestation?’
‘Die telefoon hebben ze weggehaald.’
‘Dan moet je ’t aan de overkant proberen.’
‘Daar is teveel lawaai.’
We halen onze schouders op. Dat we er echt niets aan kunnen doen. Maar de man geeft niet zo makkelijk op.
‘Hebben jullie geen mobieltje dat ik kan gebruiken? Ik betaal ervoor. Zie je, ik had hier een afspraak, ik zou opgehaald worden, maar die vent komt niet opdagen. Ik moet ‘m even proberen te bereiken.’
‘Ik heb m’n telefoon niet bij me,’ lieg ik.
Maar Roen wel.
‘Hier,’ reikt-ie aan. ‘Gebruik deze maar.’
Maar als Roen geld aangeboden krijgt, weigert-ie.

‘Hé, waar zit je nou? ( ) In Tiel? Ik sta de hele tijd op je te wachten. ( ) Ja. ( ) Sáááááááááánggg. ( ) Ja. ( ) Ja. ( )Hoe laat ben je dan hier? ( ) 1 Uur? Doe je er zo lang over?’
Roen tussendoor: ‘Tiel is 1 uur rijden.’
‘Hier zeggen ze dat Tiel 1 uur rijden is. Ik kon hier bij een kroeg bellen. ( ) Ja, hoe laat is ’t nu?’
Ik wil bijna op mijn mobieltje naar de tijd kijken, maar weet net op tijd dat ik die zogenaamd niet bij me had.
Roen: ’20 Over 9.’
Jag zegt ‘tzelfde.
‘¼ over 9 geweest. ( ) Dan ben je dus vlak na 10-en klaar. Kan je om 11 uur vertrekken. Om 12 uur in Amsterdam. Zeg dat ‘t ½ 1 wordt. ( ) Goed. Dan wacht ik op je. Later.’
Hij geeft de telefoon terug aan Roen.
‘Bedankt, hè. Ja, hij zit helemaal in Tiel. Taxichauffeur, hè. Hoi, hè. Bedankt.’

‘Dat was een junk,’ zegt Roen.
‘Ja, dat zag ik meteen,’ zeg ik.
‘Hmm,’ beaamt Jag.
‘Ik hoorde ’t meteen toen-ie ‘sáááááááááánggg’ zei,’ zegt Roen. ‘Dat zeggen surinamers nl altijd. Dan bedoelen ze zoiets als ‘godverdomme’. Dan zijn ze kwaad. Of verontwaardigd.’
Roen heeft op Suriname gewerkt. Hij kan ’t weten. Hij heeft met ze gepraat.
‘Veel van de junkies & dealers hier in Amsterdam zijn surinamers. Zeggen heel vaak sáááááááááánggg, oftewel: sang. Die jongen heeft ’t overgenomen van die surinamers. Want hij koopt z’n drugs van hun.’
Grappig, denk ik. Klinkt heel plausibel. Roen kent de surinamer, weliswaar niet de junk, maar wel de surinamer. Er lopen vast wel een paar in zijn woonwijk rond.
‘Ik zag ’t meteen aan die manier van lopen,’ zeg ik. ‘Een junk is een beetje motorisch gestoord. Die kan niet normaal lopen. Altijd van die snelle stapjes, waarbij z’n lichaam niet helemaal mee wil.’
Ik sta op. Moet ’t loopje van de jongen nog even nadoen. M’n gelijk even benadrukken.
‘Kijk, zo.’
Ik loop snel. Met kleine pasjes. Gehaast. Op jacht naar de volgende ontmoetingsplek.
‘Ze kunnen niet anders meer, junkies.’
Nu Jag.
‘Hij had best wel bij de buren kunnen bellen. Daar hebben ze ook een telefoon. & Die zijn open. Wij niet. Maar hij moest voet bij stuk houden. Overdrijven. Want anders kreeg-ie vast z’n zin niet. Junks zijn dat gewend.’

Wij snappen hoe de wereld in elkaar zit, wij in Zijperspace.

ietsjepietsje

’t Is ’t kleine beetje. Ook de verrassingsaanval. Totaal onverwacht is wel belangrijk. Maar vooral ’t ongedoseerde, in die zin dat je ’t bijna geen dosis kan noemen, omdat ’t zo weinig is; ’t is niet de grote hoeveelheid die ’t speciaal maakt. Je moet snel kijken, anders is ’t voorbij. & Dan nog moet je elke teug die de lucht je gunt inademen, diep, dankbaar, genoegzaam. Je moet nl zorgen dat ’t zo lang mogelijk blijft. Herinnerd, niet vergeten. Zwelgen zou je moeten, in al die kleine hoeveelheidjes, de ietsjes, de pietsjes, ’t kriebelige priegelige, zonet gebeurd, maar reeds verdwenen, in al die ongemakkelijke kleine gebeurtenissen moet je je hele leven stoppen, al de kracht die je hebt om gebeurtenisjes in je geheugen op te slaan, want anders heb je niet geleefd. Was ’t de moeite van 't ademen niet.
& Dan gaat ’t slechts om een pietepeuterig klein vleermuisje dat vloog. Om 10 uur. Of net iets later. Flapperende fladders kon ’t beestje produceren, ovaalvormige cirkels trok ze, die ze onderweg steeds opnieuw moest definiëren. Alsof ’t wiskundige logaritmes aan ’t berekenen was, er van de wijs van raakte, herbegon, daardoor kortstondig uit beeld verdween, achter bomen & struiken die schaduwen wierpen, & met hernieuwd enthousiasme de wereld van een andere hoek probeerde te aanschouwen, in hyperbolen, asymptoten, via brandpunten & assenkruisen. Hoe een blik alle lijnen kan invullen, punten tot lijnen kan samenvoegen, die ’t beest wanhopig af probeert te tasten, alsof ’t langs cijfertjes een figuur poogt te creëren, langzaam wordt de bedoeling zichtbaar, ’t tekent zich af tegen ’t donker wordend gewelf, van ’t puntje nr 1 tot aan ’t hoogste getal, terugkerend in z’n 0-punt, maar uiteindelijk net te laat: de nacht is daar. Een zwarte schaduw wordt 1 met ’t donker van de nacht. De vleermuis verdwenen.
Of ’t gaat om een egel. Met een puntig snuivende toet vooruit gestoken speurt ’t de vuilnisbak af, ‘t aanschouwt hoe hoog die torenflat van afval boven z’n eigen lichaam uitsteekt & besluit andere doelen te moeten stellen. Ik aanschouw ’t midden in de nacht. Rond 2-en ditmaal. Gordijn opengeschoven, stiekem kierend, de keukenlichten ’t podium van ’t diertje verlichtend, als volgspots, zolang ’t zich in mijn belangstelling weet. Af & toe denk ik meer licht te kunnen werpen door meer spleet, breder licht vanuit de kamer te laten vallen, & hoewel bang dat dan alles voorbij zal zijn, schuif ik toch de gordijnen verder, gedwongen door nieuwsgierigheid, poging ’t minieme moment wijder in de secondes te laten vallen, de momenten die slechts kort duren, halveren, korter worden naarmate ’t kleine groter aanschouwd wil worden. De egel loopt weg. Weg van ’t voetlicht, van de tribune, weg van die korte tel aandacht, gestolen aandacht, gezakkenrold, opgaand plots in de massa van 100en sprieterig groen, voorlopig niet meer terugkerend in beeld. Verjaagd door de grote ambitie meer te willen zien.
’t Potje bonen, of dat wat ooit bonen herbergde, ligt als stille getuige, omvergeworpen door de nieuwsgierig snuffende snuit, als stille wankelende getuige, ’t rolt nog even een cm heen, een cm terug, legt zich stil naast de vuilnisbak. De duistere geur van voedsel, gaar vergaan voedsel wellicht, ’t potje oninteressant achtergelaten vergeleken met dat onbereikbaar paradijs van stank, herinnerend aan ’t verlangen van ‘t stekelig beest.

Dat allemaal tijdens de avond- & nachtvoorstelling in Zijperspace.

glazen

‘Sorry,’ roep ik de jongen na, ‘’t is niet de bedoeling dat je aan de achterkant van ’t gebouw gaat zitten. Als je ons bier wilt drinken dan kan je voor de brouwerij, aan de waterkant of op ’t terras gaan zitten. Niet ergens anders.’
Ik zag ‘m nog net wegglippen op ’t moment dat ik begon met glazen halen. Met 2 volle glazen. Ik haastte me achter ‘m aan.
‘Ah, kan ’t echt niet?’
‘Nee, sorry. Er komen zo ontzettend veel mensen dat we ’t overzicht beginnen te verliezen.’
‘Maar ik heb slecht nieuws vandaag gehad. Ik wilde even op een rustig plekje ergens gaan praten.’
‘Dat snap ik best. Ik vind ’t vervelend voor je, maar ik wil toch niet dat je daar gaat zitten. We hebben ruimte zat om ergens anders rustig te zitten.’
Hij knikt iets van oké. Ik ga verder met m’n rondje glazen halen.

We zijn klaar met schoonmaken. Voor de deur hebben we 2 stoelen neergezet. 2 Glazen bier erbij & we kunnen zelf nog even genieten.
‘Daar schijnt nog de zon,’ wijst Peet naar ‘t terras.
‘Ik ben daar wel ‘ns gaan zitten na afloop van ‘t werk. Met Mar & Sas, geloof ik. Maar binnen 5 minuten vonden we ’t toch niets. Zaten we toch weer voor de deur.’
We praten nog een beetje na. Dat ’t uiteindelijk toch wel druk was. Met vlagen. Over hoeveel glazen er nu weer gejat zijn.
‘Toch wel grappig, hè, die brief?’ zegt Peet.
Een klant is weggestuurd omdat-ie 5 glazen in z’n tas had. Kwam al jaren, maar hoeft nu niet meer terug te komen. Hij heeft een brief gestuurd waarin hij z’n spijt betuigt & vraagt of we ‘m misschien weer kunnen toelaten. Voorlopig zonder resultaat.
‘We zouden die brief op kunnen hangen,’ zeg ik. ‘Dan denken mensen wel een 2e keer na voordat ze onze glazen jatten.’
‘Ik weet dus helemaal niet wie hij is,’ zegt Peet.
‘Hij kwam hier elke week. Anton, heet-ie. Met een groepje mannen van ong dezelfde leeftijd. Ach, je kent ‘m vast wel.’
Maar onze aandacht wordt afgeleid door een stelletje dat van ’t terras afkomt. De jongen haalt z’n fiets van slot. ’t Meisje staat ernaast, met een volgeladen tas van Albert Heijn. Ze praten. Ons gesprek stokt.
‘Hé,’ zeg ik op een gegeven moment, ‘hoor jij dat ook?’
‘Ja,’ zegt Peet.
Maar we blijven zitten. We kijken hoe ’t stel afscheid van elkaar neemt. De jongen blijkt degene te zijn die eerder op de dag achter ’t gebouw wilde gaan zitten. Hij is nog steeds met z’n slot bezig.
‘We moeten er eigenlijk wat van zeggen,’ zeg ik als ’t meisje naar de overkant loopt.
‘Loop dan naar ze toe.’
‘Nee, want straks heb ik ongelijk.’
& Toch doe ik ‘t.
‘Sorry,’ begin ik, terwijl ik achter ’t meisje aanloop, ‘mag ik je wat vragen?’
Ze keert zich om: ‘Ja, natuurlijk.’
‘Ik werk hier al jaren. & Daarom herken ik ’t geluid volgens mij uit 1000-en. Ik dacht dat uit jouw tas ’t geluid hoorde komen van enkele van onze glazen. Ze tikten tegen elkaar aan.’
’t Is vreemd te zien hoe snel een gezichtsuitdrukking kan veranderen. Geen blozen, maar opeens een uitdrukking van eerlijk & openhartig. De enige manier om er onderuit te komen, lijkt haar overlevingsstrategie in deze.

De detectoren werken in Zijperspace.

woning

M’n buren links hebben wat meer last van de flat achter ons. Bovendien een boom. Daardoor hebben ze pas na 10-en zon. Bij de buren rechts is er dieper in de tuin veel schaduw door de bomen van de achterburen. Mijn tuin ligt helemaal open. Vanaf 9 uur zon. Tot aan ½ 6. Ik geloof niet dat ik daar naar gekeken heb toen ik deze woning heb geaccepteerd. Maar stel dat ik ooit zal moeten verhuizen, dan zal mijn aandacht bij ’t uitkijken naar een volgende woning zeker op die voorwaarden gericht zijn.

Ik schreef me in op woningen waarbij voorrang gold voor mensen van boven de 55. Op advies van een ex van me. Zo was zij aan haar benedenwoning gekomen. In West. Binnen enkele maanden had ze die woning, toen ze 1maal begon te reageren op advertenties.
Ik had weinig hoop toen ik voorbij ’t Vondelpark een onpraktische woning kreeg aangeboden. Ik was nr 1. Een woning op 1-hoog, groot genoeg voor mij alleen, maar met een kachel in de achterkamer, zonder mogelijkheid om de voorkamer te verwarmen. De achterkamer was echter ingedeeld als doorloopruimte, niet als een woonkamer. De muren stonden te dicht bij elkaar. De kachel had in de voorkamer moeten staan.
Als alle aanbiedingen voor 55+ er zo uit zouden zien, dacht ik. Amsterdam is geen stad voor oudere mensen.

M’n ex had verteld dat ouderen geen zin hadden in oude woningen. Ze wilden volledig geïsoleerde appartementen. Liefst op 1-hoog. & Nieuwbouw. Begane grond was inbraakgevaarlijk, dachten ze, & koud bovendien. Door weinig zon & kou vanuit de grond.
’t Scheen overigens, vertelde m’n ex, dat je juist op 1-hoog ’t hoogste risico op inbraak hebt. Begane grond wordt relatief ’t minste ingebroken omdat die een eigen opgang heeft.

De volgende woning waarvoor ik uitgenodigd werd om te bezichtigen, kwam niemand opdagen. Een groepje van 10 man stond in de druilerige regen een ½ uur te wachten op iemand van Woningbouwvereniging ’t Oosten.

De keer daarop was ik nr 7. Ik was stipt op tijd. Maar binnen stond er al een vrouw met iemand van ’t Oosten te praten. Of er nog geïsoleerd ging worden. Waar de deuren waren. Of ’t asbest opgeruimd ging worden. De antwoorden waren niet bemoedigend, zag ik aan de uitdrukking op ’t gezicht van de vrouw.
Ze was over de 50. Iemand die voorrang had. Voor ‘t 1st dat ik zo iemand bij bezichtiging zag. Ze was nr 1. Kwam ‘t 1st in aanmerking om te beslissen.
Er was ook nog een jongere vrouw. Ze was 2 jaar jonger dan ik, schatte ik. Nr 8. Zij vond de woning prachtig. Vooral de tuin. Dat was de reden waarom ze er was. Ze wilde alleen maar een woning met een tuin. Daar reageerde ze op & anders niet. Ze wilde geen degradatie vanaf haar huidige woning.
‘Ik dacht dat er voorrang voor 55+ was,’ legde ik voor aan de dame van ’t Oosten.
‘Klopt. Er was al een groep uitgenodigd voor bezichtiging. Maar daar kwam 1 man van opdraven. Die vond ’t maar niks om z’n wachttijd van 30 jaar ervoor op te geven.’
Dus eigenlijk was ik nr 17.
De oudere vrouw was snel weg. Ze moest er nog even hard over nadenken, had ze gezegd.
‘Over 2 dagen moeten we ’t weten,’ zei mevrouw ’t Oosten, ‘dus je hebt de tijd.’
De jongere kon niet ophouden met kijken. Ze was gek van de woning.
‘Ah, ook nog een kelder!’ ontdekte ze bij ’t openen van een deur.
& De tuin vond ze fantastisch. Maar ’t zou wel weer niet haar woning worden.
‘Zou er nog iemand komen?’ vroegen we.
‘Dan is die persoon nu te laat,’ zei mevrouw ’t Oosten, ‘want ik ga nu weg.’
Tegelijk met ons. Ik had nog nooit zo lang een woning bekeken.

Ik belde een uur later ’t Oosten op om te zeggen dat ik de woning wilde accepteren. Dezelfde middag kreeg ik een telefoontje terug dat ik in aanmerking kwam.

Ik zit niet vaak in de zon. Ik ben geen zonaanbidder. Maar ’t is lekker voor de tuin. Veel variatie. & Ik kan altijd een parasol opzetten wil ik geen last van de hete zonnestralen hebben. Terwijl ’t heet is in de tuin, is ’t in huis de hele zomer door nog lekker koel. ’t Huis is ooit gebouwd met mijn persoon in ’t achterhoofd, denk ik wel ‘ns.

Zijperspace is als een pak op maat.

kaspar

Je kan ’t beter meteen vertellen. Dacht ik. Ik wist alleen niet zo goed op welk moment. ’t Is dan opeens een achterlijk onderwerp. Aandacht vragen. Negatief. Afhankelijk van 't tijdstip dat 't verteld wordt.
Maar ik heb ook mensen meegemaakt die doodgingen zonder dat ze verteld hadden wat er mankeerde. Stomme manier. Heb ik altijd al gevonden.
Dus toen iemand ’t had over ziek zijn, dat ze liever ziek was, maar niet ziek kon worden, kon ik net zo goed er op inhaken.
‘Ik ben wel ziek,’ zei ik. ‘Ik heb ’t net vanochtend gehoord.’
Ik heb tenslotte ’t titeltje aan m’n lichaam hangen. Dan kan ik ’t net zo goed zo noemen. Ook al voel ik me prima.
Voordeel was dat iedereen er stond. Op 3 collega’s na misschien.
‘Mogen we er grapjes over maken?’ vroeg Kaspar.
‘Jij wel. Zolang je maar door blijft gaan met m’n salaris te betalen.’
& Daarna gewoon door gaan met drinken. Ook al had de dokter gezegd dat m’n mate van drinken behoorlijk hoog lag. Waarop ik had gezegd dat ik dat wist.

Na 4 bier, na de stortbui bovendien, ben ik naar buiten gegaan. Op weg naar m’n fiets. Betaald, gedag gezegd.
Kaspar kwam achter me aan.
‘Voor de rest gaat alles gewoon ‘tzelfde?’ vroeg-ie.
‘Ja, hoor. Ik voel er voor de rest niet veel van. Behalve raar gevoel in m’n darmen. & Een zooitje zweet.’
Hij keek me aan. Met die ogen van ‘m. Rare vent om als werkgever te hebben, dacht ik. Maar hij bedoelt ’t tenminste goed.
‘O ja, & ’t kan zijn dat ik een beetje hyperactief ben daardoor. Wat dat betreft verandert er dus weinig.’
Ik lachte. Kaspar ook. Z’n mond wat scheef. Daar komt 1 van z’n opmerkingen aan, zag ik.
Een hand kwam op m’n schouder te liggen. Zachtjes.
‘Ton, je weet dat ik niet anders van je wil dan dat je hyper bent.’
& Ik kreeg een nauwelijks voelbaar zetje terwijl ik me met m’n fiets afzette.

Waardoor ik eerder terugkeerde in Zijperspace.

waarschijnlijk

Of ik angsten heb. & Of ik beweeglijk ben, dingen doe die eigenlijk niet hoeven. Hoe vaak ik zweet & hoe ik ervaar hitte ervaar. Of ik me verzwakt voel. Hoe de ontlasting is. & Hoe m’n dagelijks functioneren is.
Hoewel er 2 nullen tussen de antwoorden zitten scoor ik een totaal van 13. Mooie score, dacht ik erbij. Dat mag ik meesturen naar ’t AMC. Samen met een ingevulde vragenlijst. Dit ihkv een onderzoek naar de ziekte van Graves. Dat schijn ik onder de leden te hebben. Misschien ook niet, maar ’t is wel zeer waarschijnlijk.

Als alle ziektes zouden zijn zoals de ziekte van Graves, dan zou ik er minder moeite mee hebben. Met ziek worden, bedoel ik. Misschien dat ik doodgaan op de lange duur dan ook nog wel kan accepteren. Tot nu toe in ieder geval. Af & toe een opgeblazen buik. Wat darmen die knorren & krampen. Wat extra zweet. Een slanke verschijning.
Maar de dokter zei dat ’t wel de bedoeling was dat ik niet verder af zou vallen. Ze kon niet zeggen of ik na afdoende behandeling van de ziekte aan gewicht zou winnen. Daar had ik nl niet echt veel zin in. Ik voel me wel lekker bij die 65 kilo die haar assistente had gemeten.
Ik kijk nu naar beneden. Er valt een rimpeltje buik over de rand van m’n broek. Ik vind een rimpeltje wel sympathiek staan. Neemt niet te veel ruimte in beslag.
’t Betekent dat ik aan de medicijnen moet. Maar dat mag pas nadat ik een scan van m’n schildklier heb laten maken. Anders kunnen ze de afwijking niet waarnemen. Dan mag ik 1½ jaar lang dat medicijn slikken. Niet langer. Want dan moeten ze op zoek naar een andere methode. Dat gebeurt slechts zelden.

Opeens nemen ze me serieus. & Naarmate dat meer gebeurt lijk ik dat bij mezelf juist steeds minder te doen. Zijn de pijntjes er wel? Heb ik werkelijk datgene wat op div internetpagina’s wordt beschreven?
M’n huisarts belde me op. Ik was op de fiets onderweg naar Amsterdam Noord. Hij had ’t ziekenhuis even gebeld. Hoewel ik natuurlijk niet al te veel last had, dacht-ie toch dat ’t misschien wel verstandig zou zijn mij voorrang te geven. Maar hij had me niet kunnen verzekeren dat ik een afspraak op een vroegere datum zou krijgen. Hij belde me op met de mededeling dat ik de volgende ochtend om 11 uur op de interne poli van ’t OLVG kon komen. Vanochtend was dat.
‘Da’s snel,’ zei ik.
‘Ja, ik schrok er zelf ook wel van dat ’t zo snel kon opeens,’ zei hij.
Als je huisarts schrikt, dan schrik je zelf ook. Hoewel ’t slechts om een vervroegde afspraak ging. Maar ze lijken alles zo serieus te nemen, opeens. Ze, dat zijn de experts, de dokters.

Hoe onrustig ben ik nu eigenlijk, vraag ik mezelf af. Ik kan rustig een boekje lezen tijdens ’t wachten. & Je moet een zooitje keren wachten als je in ’t ziekenhuis bent. Je moet wachten tot men een ponskaartje kan maken. Je moet wachten tot je je kan aanmelden voor de afspraak van 11 uur. Je moet wachten totdat je opgeroepen wordt om je lichaamslengte & -gewicht te meten. Je moet wachten tot je opgeroepen wordt door de dokter zelf. Je moet wachten om verdere afspraken te maken met de afsprakenmiep van de afdeling. Je moet wachten bij de prikafdeling totdat je nrtje aan de beurt is, zodat je de formulieren met prikaanvragen kan inleveren. Je moet wachten tot je aan de beurt bent om geprikt te worden. Dat zijn toch mooi even 20 blz die gelezen kunnen worden gedurende die tussentijden. Zo onrustig ben ik nou ook weer niet.

‘Maar ik heb wel angst voor de dood,’ zei ik tegen de dokter, ‘dat zit me altijd wel dwars. M’n grootste angst eigenlijk.’
Even stil. Ik denk dat ik alles wel verteld heb. Maar plots bedenk ik me.
‘Oja, ik heb ook nog een tijd gehad dat ik alleen maar bang was. Overal voor. Maar vooral om dood te gaan natuurlijk. Toen zat ik in therapie. Ik moest eigenlijk zelfs opgenomen worden. Maar dat ging niet door. Toen zat ik dus elke dag thuis bang te zijn. Da’s ondertussen al een tijd geleden. Ong 18 jaar of zo.’
Alsof ik niet weet wanneer ’t was. Niet precies weet wat ooit de belangrijkste fase in m’n leven was.
& Als ik alweer lang & breed thuis zit, m’n moeder heb gebeld, Rachel ook telefonisch heb verteld wat er aan de hand is, als ik een boterham heb gegeten, muziek heb geluisterd & net even geen zin heb om een boek te lezen, terwijl ik dat anders wel heb, als ik dus even voor me uit kijk, naar niets, naar ’t beeldscherm, naar een vogeltje dat in de tuin voorbij komt vliegen, dan besef ik dat ik een 2e belangrijke periode in m’n leven door ga maken. Denk ik. Misschien ook niet, maar ’t is wel zeer waarschijnlijk.

Dingen worden belangrijker in Zijperspace naarmate de onzekerheid erover groter wordt.

telefoongesprek

‘Met Zijp,’ zegt m’n vader.
Als 10 jaar geleden. M'n vader, de directeur van de huishoudschool. Da’s zelfs 20 jaar geleden. Licht verkouden klinkt-ie, hees misschien, maar onmiskenbaar de directeur van toen.
Z’n stem klonk altijd gedecideerd, zoals directeuren hoorden te zijn, dachten wij. Als-ie een leerlinge aan de telefoon kreeg, moest ze meteen weten met wie ze te maken had. Docenten evenzo. Hij was in staat onmiddellijk beslissingen te nemen. Dat klonk door in z’n stem, alleen al als-ie de telefoon opnam.
Nu is ’t een stem die z’n woorden zoekt. Hij weet z’n naam, hij weet hoe hij ’t altijd verkondigde via de hoorn, dat zit in z’n systeem, maar de onzekerheid van wat erop moet volgen hangt tussen elke syllabe.
‘Hoi, Pa,’ zeg ik.
Ik krijg tegenwoordig altijd m’n moeder aan de telefoon. Kan ik meteen van wal steken. Of vragen hoe ’t gaat & er antwoord op verwachten. Nu is dat niet zo zeker; ik kan de vraag wel stellen, maar ’t antwoord zal een vraagteken vormen.
‘Hoe gaat ’t ermee?’ laat ik erop volgen.
Ik moet me normaal gedragen. Ook al weet ik dat hij moeilijk zal antwoorden. Er zullen enkele woorden volgen op m’n vraag, gestotter als ’t meezit, ’t zal verzanden in een zucht naar woorden, naar vulling van de zinnen die reeds half begonnen zijn. Maar daarop anticiperen mag niet. Elke belangstelling moet m’n vader blijven voelen. Hij moet weten dat ik aan ‘m denk. Ook al is-ie ’t misschien straks alweer vergeten. Nu is belangrijk, nu kan een prettig gevoel zijn, nu ben ik z’n zoon die vraagt hoe ’t gaat.
‘Hmm, ’t gaat .’
Waarop wat gebrabbel volgt. Ik zit op de fiets. Midden in ’t centrum. Toeristen lopen over straat, winkels staan op ’t punt hun deuren te sluiten, medeweggebruikers ondernemen de weg naar huis, & terrasjes worden aan kant gemaakt vanwege ’t water dat uit de hemel neerdaalt. Ik versta m’n vader daardoor niet al te goed. Ook door de wegvallende vergetelheid die zich vormt in elke zin die hij probeert te formuleren.
‘ Maar ’t moet maar.’
Hij is somber. Ik durf niet te vragen of dat komt doordat-ie op de dagopvang is geweest. Dat verstevigt misschien wel ’t negatieve gevoel. ’t Doet ‘m er weer aan herinneren.
Ik denk terug aan de laatste keer dat ik ‘m heb gezien. Toen hij een week opgenomen was. M’n moeder overspannen van de dagelijkse zorg. Ik herinner me hoe ik m’n tranen niet in kon houden. & Me laf terugtrok. Niet volop genoot van elke seconde dat ik ‘m kon zien. Of andersom hem de mogelijkheid niet gunde.
‘Waar is Ma?’
Want helaas moet ik m’n moeder uiteindelijk hebben. Ik weet ook niet waar ik ’t voor de rest met m’n vader over moet hebben, weet dat hij ‘tzelfde gevoel van zichzelf heeft.
M’n moeder moet op de hoogte gebracht worden. Ze moet weten hoe ’t ervoor staat. Als iemand iets ‘t 1st moet weten, dan is ’t m’n moeder wel. Ik kan ’t wel doorgeven aan m’n vader, maar die is de inhoud van de boodschap na enkele minuten toch alweer vergeten. Waar is ma dus?
‘Oh, die is, uhm die is ’
Verzanden. Dat is ‘t. Alsof er een grote golf ’t strand lijkt te overspoelen, maar dermate breekt, vertraagt, dat er niets meer dan een kabbelend stroompje overblijft, kruipend over, kietelend aan de vele zandkorrels, totdat de zwaartekracht ’t water terugdringt.
‘Boodschappen doen?’
Ik zal een stotteraar nooit interrumperen in z’n strijd ’t eruit te krijgen, ’t gezegd te hebben, maar ik weet dat m’n vader opgelucht is als de verborgen woorden tevoorschijn worden getoverd. Weg van ’t randje van de tong.
‘Ja.’
De hese stem is eventjes naar achteren gedrukt. Weg twijfel, binnen in ‘m, de nimmer aflatende twijfel zogauw hij moet gaan nadenken over hoe & wat & hoe ’t te zeggen. ‘Ja’ is makkelijk, ‘ja’ is er altijd. Als enkel andere woorden. Ik vraag me af of ‘Ton’ er ook altijd is. Zou hij altijd ‘Ton’ voorradig hebben, ook al sta ik, net als enkele weken geleden, naast ‘m, & ziet-ie niet dat ik er ben, naast ‘m, dichtbij ‘m, als-ie niet ’t overzicht meer heeft dat er iemand bij ‘m is die hij kent, die beantwoordt aan dat woordje dat hij altijd voorradig heeft, dat woordje dat-ie zelf verzonnen heeft, samen met z’n vrouw. M’n moeder.
‘Dan bel ik later wel terug.’
Ik kan niet anders. Misschien dat Ma zelf wel terugbelt. Hoewel dat sterk is, want er is geen reden om mij te bellen. M’n vader vergeet toch te zeggen dat ik gebeld heb. Een boodschap doorgeven is dus ook overbodig. Ik moet er gewoon aan denken later nog een keer terug te bellen.
‘Goed. Doeg.’
’t Afscheid nemen is tegenwoordig abrupt. Dan hebben we plots niets meer te zeggen. De woorden zijn op. Ik zou ’t nog kunnen rekken, maar m’n vader heeft geen antwoorden meer.
‘Doeg.’

2 Uur later belt m’n moeder. Tijdens ’t eten had m’n vader verteld dat-ie mij aan de lijn had gehad. Ik vertel wat ik op m’n hart heb.

Zijperspace lijkt soms onbereikbaar.

schildklier

Een voordeel is, had ik al bedacht, dat ik misschien ‘ns een keertje wat minder ga zweten. Als er wat aan m’n schildklier wordt gedaan. Als-ie getuned kan worden. Als-ie gaat werken zoals bij andere mensen. Dat ’t een heel gewoon schildkliertje wordt, redelijk functionerend, z’n best doend, een burgermannetje van een schildklier, & braaf de rest van m’n leven uitzingt. Waardoor er geen golven vocht meer over m’n voorhoofd naar beneden druppen. ’t Zou ook leuk zijn als mensen niet meer opmerkingen hoeven te maken als ‘jij hebt zeker hard gefietst’, ‘je moet ’t misschien ‘ns wat rustiger aandoen’, ‘gisteren beetje veel gedronken?’ of ‘wind je niet zo op’. (Nooit ‘ns origineel als: ‘Krijg ik die extra druppel gratis bij m’n bier?’)

Maar dat is wellicht een beetje te hoopvol.

Vooralsnog moet ik nog een maand wachten voordat de afspraak met de internist plaats gaat vinden. Ik heb zojuist een lijst met vragen in de bus gekregen, die ik ingevuld moet meenemen.
Of ik ooit in ’t verleden op een polikliniek ben geweest of eerder ben opgenomen geweest. Naam & plaats van ’t ziekenhuis, aard van de aandoening/ziekte/operatie, maan & jaar van opname. Of ik medicijnen gebruik, overgevoelig voor jodium/penicilline/andere stoffen ben, of ik rook, drink of drugs gebruik. Komen er ziektes in m’n familie voor, waarbij voor ’t gemak een hartaanval ook onder die noemer valt, alsook een beroerte & hoge bloeddruk. & Wat is nou uiteindelijk m’n hoofdklacht.

Ik ging vorige week naar de huisarts. Vertelde dat als ik gegeten had m’n darmen nogal drukten. Opgezwollen aanvoelden. & Dat vooral aan de linkerkant. Voor hem rechts. Ik poogde te vertellen dat ik er een misselijk gevoel bij kreeg, zo nu & dan. & Dat ik honger bleef hebben. Maar dat ’t niet altijd paste. Ik beschreef m’n ontlasting. Suggereerde dat ’t misschien aan ’t vette eten van de laatste tijd zou kunnen liggen.
& Hij legde z’n stethoscoop op m’n buik. Net iets onder m’n borstkas. Vergeleek de geluiden met de andere zijde. Schreef me lactulose voor (ik moest wel in de buurt van ’t toilet blijven, voor ’t geval ik er sterk op zou reageren) & gaf me opdracht m’n bloed te laten onderzoeken. Voor ’t geval dat. ’t Functioneren van m’n schildklier, m’n lever & nog wat andere zaken zouden aldus onderzocht kunnen worden. Voor ’t geval dat, zei hij nog ‘ns.
Volgende week zou ik terug mogen komen, als de uitslag bekend was.

Nadat-ie me gister wakker gebeld had, maakten we meteen een afspraak. 1½ Uur later zat ik bij ‘m in de wachtkamer. Rustig een boekje lezend. Altijd wel een voordeel van wachten: je komt er eindelijk ‘ns aan toe een boek op je gemak te lezen.
Goed, m’n schildklier dus. Normale mensen hebben een waarde van 25, vertelde m’n huisarts. Ik had een waarde van 32. Mensen met grote problemen konden wel een waarde van 80 hebben. Die voelden zich over ’t algemeen niet zo lekker.
Geen reden om meteen verontrust te zijn, zei ik.
Geen reden om verontrust te zijn. Maar ’t moest wel onderzocht worden. Daarom maar naar een internist. Ik had er immers evengoed last van.
& Ik had op internet gekeken wat de gevolgen waren van een overactieve schildklier, vertelde ik, dat je er veel meer zweet van gaat produceren.
Oja, ik was vorige week ook al zo bezweet aangekomen, herinnerde hij zich.
Ja, maar dat ben ik m’n leven lang al zo gewend. Had ik ‘m vorige week ook al gezegd.
Wie weet heb je je leven lang al een overactieve schildklier, zei hij toen.
Dat leek me wel grappig.
Maar ’t zou ook kunnen betekenen dat ik straks uiteindelijk toch nog dik ga worden. Omdat mensen met een hyperschildklier ook snel stoffen verbranden. Waardoor ze dun worden, of blijven. Word ik straks een dikke pad. Word ik straks misschien wel een rustig mens. Zonder ritolin. Zonder valeriaan. Zonder oxazepam. Zonder alcohol. Word ik misschien wel nooit meer verslaafd. Dacht ik.
Daar had ik niet zo’n zin in.

Maar iemand vertelde me dat je zweetklieren ook te behandelen zijn. Had ze gelezen. Dat je er minder van gaat zweten. Zou wel pijnlijk zijn, maar ’t zou helpen. Voor als die schildklier uiteindelijk niet te tunen viel. Voor als dat zweet niet door de overactieve schildklier veroorzaakt zou worden.

Want met een beetje minder vocht valt wel te leven in Zijperspace.

blik

Hij zat plotseling op de achterschutting. Ik keek net de tuin in. Met op de achtergrond de perzik kleur van de flat van al m'n achterburen stak-ie plots boven ’t groen uit. Ik meen slechts een glimp van een vlucht te hebben opgevangen. Onmiddellijk zat de spreeuw. Bovenop de rechtopstaande planken die mijn schutting vormen. Voorovergebogen. Rustend. 1 Tel. 2 Tel. Kopje opzij. Inspecterend. Snavel mijn kant op.
Weg.

De ochtend erna had ik vroeg, zeer vroeg, nog wat gekrakeel gehoord. Ik was opgestaan omdat ik niet meer kon slapen. Door hoestbuien ertoe gedwongen.
’t Was 5 uur ’s morgens. Hoopvol deed ik de gordijnen open. Benieuwd naar zonneschijn, leven & ’t nieuwe. Tevens in de veronderstelling dat er nog zorg in ’t beestje zat. In ’t spreeuwinnetje dat bovenop ’t hek aan de zijkant zat. ’t Beestje dat de buurt weer bij elkaar kakelde met haar lawaai.
Maar als een mens in staat kan zijn agressie in de blik van een vogel te lezen dan was ik op dat moment met dat talent behept. Een snavel priemde zich van 2 meter afstand, door de glazen van m’n tuindeuren, dringend, vernietigend, heen. Terwijl ik weet dat snavels niet kunnen kijken. Ik weet dat de vogel aan de zijkant van z’n gezicht een blikveld heeft, een blikveld dat een grote radius heeft, maar niet tot aan de voorkant, recht vooruitstekend langs de snavel, maar op dat moment vernietigde ’t vrouwtje dat haar kinders verloren had, elk vertrouwen dat ’t nog overhad in andersoortig levend wezen. Door mij op mode ‘neglect’ te zetten. Ik hoopte dat de vogel deze taal ook machtig was.
Neglect. Genegeerd. Niet bestaand. Ook al had ik bijna over ’t hek gesprongen om de eksters met menselijk geweld te verbannen. Te verjagen.
Ik mocht me niet met de natuur bemoeien. Ook al bevond de natuur zich onder de veranda van m’n buren.

Vader spreeuw zat daar. Als ik mezelf ’t talent kon toedichten vogels te herkennen, alleen al op ’t feit dat ze een maand lang mijn buren waren geweest. Een zwarte vacht, een puntige snavel, 2 poten, & de mogelijkheid tot vliegen had hij bewezen. Dat waren de enige onderscheidende kwaliteiten die ik aan ‘m kon herkennen in vergelijking met ander levend goed in de buurt. Ik herkende er zeker een spreeuw in. Maar ik wist, sterker nog: dat ’t niet anders kon dan dat ‘t ’t mannetje was die ’t nest had gebouwd (mijn aarde daarvoor had gebruikt), voer had aangesleept, de verdedigende aanvallen had uitgevoerd, & uiteindelijk was vertrokken. Al of niet met z’n vrouw.
Ik weet niet hoe dat gaat in de natuur. Blijft zo’n stelletje bij elkaar? Of hebben ze meteen geheel genoeg ervan? & Wel helemaal van hun partner. Omdat deze ’t gezinnetje niet afdoende had kunnen beschermen. Willen ze dan afstand, willen ze dan alleen nog maar denken aan volgend jaar, aan nieuwe kansen, aan kroost dat nog in ’t verschiet ligt?
Vader zat daar. Bovenop de schutting aan de achterkant van m’n tuin. Perzik op de achtergrond. Hij knikte met z’n kop. Z’n snavel daalde. Met ondertussen rechte rug, bijna horizontaal. Snavel wees naar m’n tuin. Recht op de guldenroede die zich eronder bevond. Daarna hief hij z’n kop weer op.
Hij wierp een vlugge blik naar links, voor de kijkers rechts. & Uit de boom achter de schutting schoten op datzelfde moment 2 lichamen, een vale & een zwarte, van ‘tzelfde soort, tevoorschijn. Elegant, duikend & opkomend. Speels tussen de uitsteeksels van heggen door. Die van de buren verderop. Glippend langs takken. Levendig, genietend.
Vader, die inmiddels geen vader meer was, liet zich vallen, dook, erachteraan, gleed op de lucht, & vervolgde z’n weg met onbezorgd gezelschap.
Ik dacht een vlugge blik te hebben gezien. Een blik van weemoed. Een blik van treur. Een blik van nooit meer. Een weggevlogen blik, gevlucht voor kinders die niet meer bestonden.

Maar ik wist niet of dit slechts een verzinsel was in Zijperspace.

overactief

Om ½ 9 gaat de telefoon. Een ½ uur ervoor heb ik me nog omgekeerd, overwogen er uit te stappen, maar ik ben toch blijven liggen. Bij 't rinkelende geluid moet ik 1st even nadenken. Wil ik er wel uit? Maar als ik me realiseer dat ’t de telefoon maar is, richt ik me op.
‘Met Ton.’
M’n stem is bijna verdwenen. Raspend schuurt-ie door de hoorn.
‘Ja, goedendag, met je huisarts.’
Dan schrik je al. Een mens wordt niet zomaar door z’n huisarts gebeld. Of er moeten administratieve complicaties zijn.
‘Sorry dat ik je zo vroeg bel,’ gaat-ie verder, ‘maar ik heb hier de uitslag van je bloedtest voor me liggen.’
Die zou woensdag toch pas bekend worden, schiet er door me heen. Terwijl de huisarts doorpraat mompel ik wat ja’s & hmm’s. Zodat-ie vooral niet stopt. Ook weer niet te veel hmm’s & ja’s, want anders wordt de aandacht weer te veel verlegd naar de gevolgen van m’n verkoudheid. Er zijn nu blijkbaar belangrijker zaken.
‘’t Blijkt toch dat je schildklier een beetje te actief is. Daar komen die klachten van je darmen waarschijnlijk vandaan. Er moet snel wat aan gedaan worden. Dat is de reden dat ik je zo vroeg bel.’
Hij praat, ik denk.
Worden de uitkomsten van de tests eerder doorgestuurd naar de huisarts als er alarmerend nieuws uit tevoorschijn komt? Ik stel me een laborante voor die bij ‘t 1e buisje de alarmbel laat klinken: ‘Ik heb er weer 1 met een overactieve schildklier.’ De rest van de test is niet meer belangrijk; de gegevens worden zo snel mogelijk verzonden richting contactpersoon.
Met m’n minieme kennis van ’t menselijk lichaam, ik heb slechts verstand van dingen die m’n lichaam reeds zijn overkomen, probeer ik de bijverschijnselen van dit euvel te duiden.
‘Dan is dat zeker de reden dat ik de laatste tijd zo mager ben?’ suggereer ik.
‘Wat bedoel je?’
‘Ik heb wel ‘ns gehoord dat men bij een actieve schildklier kan vermageren.’
‘Dat zou 1 van de bijverschijnselen kunnen zijn.’
Hij houdt een slag om de arm.
Maar ik blijf doorgaan. Ik probeer te achterhalen waarom ik zo snel opgebeld word. Is ’t levensbedreigend? Verontrustend? Ongemakkelijk? Of gewoon beter er nu wat aan te doen, omdat later steeds moeilijker ingrijpen wordt?
‘Ik dacht dat ’t maar beter was je door te verwijzen naar een internist. Kan je straks even langskomen?’
‘Ja, is goed.’
’t Komt nog net uit m’n strot. Groene rochels beperken m’n verbale vermogens.
’10 Over 10? Of anders ½ 12?’
‘Nee, liefst zo vroeg mogelijk. 10 Over 10 dus, graag.’
Ik heb ’t gevoel dat ik nog nooit zo serieus ben genomen. Wie wordt er tegenwoordig nog door z’n huisarts gebeld? De initiatieven tot communicatie tussen beiden verlopen eerder in tegengestelde richting.

5 Minuten later ga ik naar de wc.
‘Zal wel door m’n schildklier komen,’ denk ik. ‘Misschien die schorre stem ook wel.’

Alles wordt duidelijk binnenkort in Zijperspace.

viering

Rachel was jarig & we zaten op een terras. ’s Avonds, ’t donker was ingevallen, maar er hing nog genoeg warmte om zonder jas of trui te blijven zitten. We zaten in een kring. Ouderwets.
‘Ik wilde helemaal niet dat we zo gingen zitten,’ zei Rachel. ‘Ik wilde liever dat we gingen staan.’
’t Stond ook wel wat oubollig. Een zittende receptie, waarbij je aangewezen was op degene die toevallig naast je zat. Of er moest zich een groepsgesprek vormen.
Iemand had ’t over de schoenen 2 plaatsen van me verwijderd. Ik bemoeide me ermee. Zei dat ik toch wel hele mooie schoenen had. Ook al leken ze niet op de damesschoentjes waar ’t eigenlijk over ging. Oerdegelijke stappers. Niemand die ze draagt in deze warme tijden, behalve ik.
‘Ja, ’t zijn mooie schoenen, Ton,’ werd er gezegd, ‘maar je krijgt er wel zweetvoeten in.’
‘Mooi dat mijn zweetvoeten niet stinken,’ zei ik.
‘Ja, hoor.’
‘Ja.’
& Ik ging m’n schoen uittrekken.
‘O, nee!’ werd er gezegd.
Hilariteit.
Pieter maakte een opmerking. Plagerig gooide ik m’n schoen naar hem.
‘Dat had je niet moeten doen.’
Hij dreigde. Hij liep ermee weg. Richting water. & Ik besloot niet meer te kijken. Maar door ’t gegil om me heen begreep ik dat-ie ‘m weggegooid had. Waarna hij weer kwam zitten. In de kring.
Kwaad.
‘Je zorgt maar dat-ie weer terugkomt,’ zei ik, ‘of anders gaat ’t je minstens € 200,- kosten.’
& Ik zag me de komende dagen al voortbewegen op 1 schoen.
Iedereen was stil. Zo voelde ‘t.
Pieter stond op. Hij liep richting de plek waar-ie m’n schoen net geworpen had. Klom op ’t dak van ’t PEN-huisje. & Kwam met m’n schoen terug.
Gejoel.
Ik bleef serieus.
‘Nou, ruik maar. Hij stinkt niet.’
Alex stak haar neus in de schoen.
‘Nee, hij stinkt niet.’

‘Oja,’ zei ik tegen Rachel, ‘op de cd die je net van me gekregen hebt, daar staat een nr op dat nog niet op Zijperspace staat.’