guest

Ik belde toch nog maar een keer.
Antwoordapparaat. Opnieuw.
Ik wilde net ophangen toen er een stem klonk. Een oningesproken stem.
'Yeah, hello?' vroeg ik.
'Who's there?'
'Is this Tim?'
'Yes. Who are you?'
'Ik ben Ton Zijp. Je weet wel: uit Amsterdam.'
'Natuurlijk weet ik dat. Goed dat je belt. Vanavond is er een speciale bijeenkomst van onze Camra-branch....'
'Ja, dat weet ik. Ik was gister bij de Ventnor-brewery. Ze nodigden me uit om ook te komen. Maar ik ben bang dat ik niet kan komen.'
'Nee, je moet komen. We hebben een busje geregeld. Er is vast wel een mogelijkheid om jou ook op te halen.'
'Ja, maar ik zit helemaal in Wootton. In een tent. Ik moet 's avonds ook weer terug kunnen komen.'
'Dat moet geen probleem zijn. Ik bedoel: we gaan vanavond de beste pubs van 't eiland huldigen. & Ventnor krijgt de prijs voor 't beste bier van 't jaar.'
'Ja, ik heb 't allemaal gelezen.'
'Daar moet je bij zijn. Jij verkoopt dat bier in Amsterdam. Iedereen zou 't fantastisch vinden. Ik regel wel wat.'
Ik ben een beetje overdonderd. Er klinkt een 'hum' uit m'n mond.
'Waar ben je nu?'
'Bij de Bargage Inn in Newport.'
'Ik woon aan de andere kant van Newport. Weet je wat: ik haal je op van Wootton. Je staat daar op de camping? Waar is die?'
'Op Kyte Hill.'
'Weet niet waar dat is. We kunnen misschien beter bij The Snoop Inn afspreken.'
'Ja, ik weet waar die is. Dat is niet zover lopen vanaf de camping.'
'Dan spreken we daar om ½ 7 af.'
'Weet je zeker dat ik mee moet?'
'Yeah, man. You'll be the guest of honor. You have to be there.'

We liepen die avond in Zijperspace naast de schoenen.

Toevoeging: hier 't verhaal hoe ik in contact kwam met Tim (waarbij ik moet vermelden dat ik geen 'proprietor' ben), met daaronder de link (& ook bij deze dus) naar de foto's van die bewuste avond.

vliegtuig

Ze vroegen me waar de camping was. Net op 't punt dat ik om wilde keren. Ik wilde meer vinegar op m'n chips.
'Well, I have to go there myself,' zei ik.
& Begon verder te stuntelen dat ik 1st ergens anders moest zijn.
Maar zij stuntelden ook. Ze wezen naar de kaart. Wezen de camping daar aan. & Mompelden met elkaar wat in 't frans.
'Oui, c'est ici,' zei ik, 'pas la.'
& Stuntelen was 't woord.
'That's about all the french I can do.'
Ze lachten. Ik ook. Om vervolgens te vertellen dat ze de 1e weg links moesten nemen.
'I'll see you later.'
Maar ze keken al niet meer.

'You found it?' zei ik met 't restje patat in m'n handen.
Ze zaten achter 't hek. Op de camping. Ik liep over de opgang.
Ze keken verbaasd. Maar toen ze me herkenden lachten ze.

De man stond de volgende ochtend klaar om te vertrekken naast 't toilettenblok. Ik wilde gedag zeggen. Maar hij zat in de kaart. Keek welke weg ze vandaag zouden gaan.
Na gedane zaken op 't toilet kwam ik ze weer tegen. Met z'n 3-en.
'Goodmorning,' zei ik.
Moeizaam kwam de blik omhoog. Een vage glimlach. Ik kon verder lopen.

Bij de Monastery of Quarr raakte ik de weg kwijt. Ik kon langs de kerk lopen, maar overal waren tekens dat ik 'private road' naderde. Ik moest de weg vragen aan de monnik in de boekwinkel.
Vriendelijk, maar ietwat van z'n apropos, wees-ie waar ik de ruïnes kon aanschouwen. Hij strompelde terug naar z'n stoel.

Ik passeerde 2 pratende mannen. Bij 't hek keek ik zoekend naar de kerk. Kijken of hier een doorgang was. De jongste man haalde me daardoor in. Hij wees. Die kant op.
Een jonge man. Hooguit 20 jaren oud.
'To the bridleway?' vroeg ik.
'Yes.'
We liepen samen op.
'Are you from here?' lachte hij me toe.
'No, I'm from Holland.'
Hij lachte nog meer.
'I'm from Kroatia. I'm a monk.'
Hij verklaarde m'n vragende blik met de laatste toevoeging. Hij lachte nu breeduit. Hij reikte z'n hand.
'I'm learning english.'
'And then you go back? You don't stay here?'
'No, it's too cold here.'
'Today is fine, isn't it?'
'That's why I go working in the garden.'
Ik bekeek z'n heggeschaar. & De heg die enigszins beschadigd langs de kant van 't pad stond.
'Nice meeting you,' zei hij vervolgens bij 't afscheid.
Ik wist dat-ie 't meende. & Sloeg vervolgens m'n 'bridleway' in.
Ik sloeg m'n armen uiteen. Wijd. Ik wist dat ik er in m'n 1tje was. Ik sloeg ze uiteen zoals ik vroeger vliegtuigje speelde. Dan wist ik dat ik echt een vliegtuig was.

& Vervolgde m'n weg vliegend door Zijperspace.

souvenirs

Op m'n arm nu een rode vlek. Aan de binnenkant van m'n elleboog. Waar de 2 delen van m'n arm samenkomen.
Ik weet dat 't een naam heeft. Maar ik begin te vervreemden van elke taal. Terwijl ik wandel construeer ik zinnen in 't engels. Alsof ik aan 't oefenen ben voor een volgende ontmoeting. Alsof ik niet meer anders weet. Maar ik weet beter. 't Is echter zelfs zo dat er engels gepraat wordt als er 3 nederlanders bij elkaar zijn, in 't gezelschap van een engelsman. Ook al woont die reeds 1 jaar in Nederland. Na enkele dagen raak je al vervreemd.
De rode vlek is de extra toegift. Omdat ik niet weet waarvandaan ik 'm heb. De schram op m'n onderarm is van enkele uitsteeksels van touw. De scheur in m'n vinger komt door een rietstengel die ik te stevig vasthield. De (inmiddels niet meer zwerende) putjes in m'n hand zijn veroorzaakt door splinters hout. Een gaatje in m'n bovenarm, vanwege een stekel die mee wilde reizen tijdens m'n voettocht.
M'n lichaam is een verzamelplaats van tijdelijke souvenirs.
& Een hoop blauw. Op m'n benen. Dat zie ik pas 's avonds. Nee, eigenlijk pas de volgende ochtend. Want 's avonds heb ik geen licht. Tastend moet ik m'n weg naar 't bed zien te vinden. M'n schoenen uittrekken. M'n sokken op een vindbare plek leggen. M'n klokje naast m'n hoofd. & Ook dat hoofd moet de juiste bestemming hebben.
De volgende ochtend ben ik me pas van m'n gehele lichaam bewust. Dan zie ik 't blauw. Voor op m'n benen. Beurs, brak. Hoewel ik er niks van voel. Ik ben blijkbaar al zo gewend blauwe plekken te dragen. Ze doen niks. Ze logeren een tijdje.
Maar die rode vlek. Die jeukt. Na afloop van de wandeling zat ik in de pub ernaar te kijken. De zee van sproeten met m'n blik vermijdend. Die overheersen m'n arm. Leidt makkelijk de aandacht af.
Als ik m'n arm vouw komt deze plek bij elkaar. Bovenop elkaar. 't Vouwt zich dubbel. Dat heb ik blijkbaar vaak gedaan. Tijdens de wandeling, of anders terwijl ik dozen bier aan 't versjouwen was. In combinatie met een grote hoeveelheid vocht. Zweet noemen ze dat. Bij mij spreek je eerder van watervallen. Watervallen zweet dan.
Toen ik tot rust kwam liet ik m'n arm op kleur komen. Weg uit de zon. Weg van de inspannende wandeling. Bruin kon op een gegeven moment weer overheersen. Bruin van sproeten. Bruin van kleuring door de zon. Ik ben 't rood voorbij. 't Rood van 3 uur achter elkaar lopen. Nu nog 't rood van een hele dag. Gedwongen zon.
't Was een vlek. Rode puntjes vloeiden ervan uit. Eenzame schiereilandjes. Die langzaam een geheel vormden.
Jeuk ook. Brandende jeuk. Onrust veroorzakend. Te klein om er normaal over te doen.
Voor de rest voel ik me goed. De zon gedraagt zich hier. Ik ook. Om 12 uur neem ik m'n 1e pint. Omdat 't zo hoort in Engeland. 12 uur later begin ik aan de laatste rondes. Dan krab ik even.

Dat hoort blijkbaar ook zo als ik lichtelijk verwijderd ben van 't oorspronkelijk Zijperspace.

verstaan

Ik was vergeten dat ik Roger heel vaak niet versta. Dan zegt-ie ogenschijnlijk duidelijk iets, iedereen lacht, maar ik versta niks. Of alleen 1 zelfstandig naamwoord.
'Hmm?' zeg ik dan.
Vragende blik.
Dan herhaalt-ie de zin. Hij is 't onderhand gewend. Lacht-ie nog wat breder. De gniffel zit 'm tot in de nek. Hij wrijft z'n rechterhand over z'n bovenbuik. Altijd net over de heuvel heen.
& Hij zegt 't nogmaals.
Speciaal voor mij.

Dan denk je dat je goed engels kan spreken. Maar 't verstaan wil niet lukken.
Net als in 't nederlands overigens. Nu wordt ik echter nog wat meer met de neus op de feiten gedrukt. Dat ik niet luister. In 't nederlands kan je je korte termijnsgeheugen nog even aan 't werk zetten. Dat lukt hier niet. 't Gaat als een brij woorden langs me heen. M'n oren zijn na 2 dagen alweer gewend om niets, of ook maar kort, op te slaan.
Gebrek aan aandacht noemen sommige mensen dat.

Ik heb meerdere malen gevraagd wat voor weer 't zou worden vandaag. Zou 't kunnen gaan regenen?
Er volgt altijd een spottend antwoord.
& Dan weet ik bovendien niet hoe je zo'n vraag 't best kan stellen.
'What are the weather-forecasts?'
'Is it gonna rain today?'
'What's the weather gonna be?'
Van tevoren neem ik een heel scenario aan vragen door. De beste mogelijkheden. In m'n hoofd luisterend naar wat 't mooiste klinkt. Meteen in m'n mond laten proeven hoe ik 't best op 't antwoord kan reageren. Want je weet dat in elk antwoord een beetje humor gestopt wordt. Ze kunnen niet anders, die engelsen.
& Ondertussen stiekem controleren of ik 't wel juist spel.

Onderweg, ik was vandaag een wandeling aan 't maken, vanavond pas weer werken, veel bier verkopen, heb ik me af zitten vragen hoe ik bij de 1e pub die ik zou tegenkomen zou kunnen vragen of ik van 't toilet gebruik mocht maken.
't Hele arsenaal passeerd.
'Could I...'
'Can I...'
'Is it possible.....'
'Sorry Sir, may I....'
Bovendien was ik bang dat 't een vraag was die een mens niet hoorde te stellen: zomaar even naar de wc in een plaats waar je nogeneens woont.
Stank achterlaten.
Wc-papier gebruiken.
Niets consumeren.
Ik kwam binnen & vroeg: 'Can I use the toilet please?'
De man achter de bar maakte een gebaar van: ' Ben je daar dan nog niet?' & legde me vervolgens de kortste route die kant op uit.
Die ik natuurlijk weer niet verstond.

Veel lekkerder wc-papier als in Zijperspace, overigens.

afgeven

't Werkt. De pen geeft eindelijk inkt af. Nou moet ik nog opletten ook, want 't worden wel vette letters.
Ik veeg m'n vingers er overheen. Kijken of 't, als ik 1 regel verder ben, nog afgeeft.
Doet 't zomaar 'ns niet.
Voor de rest geeft alles af. De kratten, de grond, vooral de grond, de muren, de palen. Alles laat z'n sporen op m'n kleren achter. Ik had er rekening mee gehouden, wist 't van de voorgaande 3 edities van 't Kent Beer Festival, maar toch overviel 't me weer. Een geluk dat de grond in de schuur niet rood meer is. Bruinig beige, zijn de sporen van de ondergrond op m'n broek. & Zwart zijn de vlekken die vettige kratten hebben achtergelaten. 't Kunnen ook de koelsystemen voor 't bier zijn geweest.

Hugh zei: 'I finally said to the farmer to fuck off.'
'You did?' zei ik.
Even daarvoor had Hugh tegen de vrachtwagenchauffeur die 't bier kwam brengen gezegd dat de boer (' just between you & me') de grootste eikel van 't westelijk ½rond was.
In andere woorden, in een andere taal. Maar in 't nederlands zou ik 't zo uitgedrukt hebben.
Dat-ie daarom toch maar geen gebruik van de vorkheftruck wilde maken. Met de daarmee samengaande service van de boer. & De daaraan gepaard gaande risico's voor de kratten bier.
Maar hij had 't toch overwogen, vertelde Hugh. Omdat 't behoorlijk wat werk zou besparen. Voor ons 2-en. Uit- & opnieuw inladen. Omdat we 't daarna naar de koelcel zouden moeten brengen. Met de bus van Hugh. 100 Meter. Of eigenlijk iets minder. Niet zoveel, maar je wilt ze niet omsterbeurt dragen. 100 Kratten, 100 meter. Of iets minder. Da's ieder 50. Veel te veel in ieder geval.

Vanochtend had Hugh nog iets anders tegen de 'farmer' gezegd.
'I want you to fork off,' zei hij.
Daarbij doelend op 't gebruik van de vorkheftruck.
'What?' had de farmer gezegd.
'I want you to fork off.'

'It's not much,' zei Hugh tegen mij, 'but it's a small victory.'

Geheel geschreven met een pen die niet veegt door Zijperspace.

laatste zomer van 't groengele t-shirt

Dramatisch zit de gedachte al in m’n hoofd dat ’t de laatste zomer van ’t groengele t-shirt moet worden. Hij hangt momenteel nog te drogen. De laatste druppels moeten er uit voordat-ie aangetrokken wordt voor z’n laatste tocht. Maar misschien ook wel de 1e keer dat-ie meegaat op vakantie.
Een roemrijke dood. Er zijn t-shirts die niet durven dromen van een tocht met de baas de grens over.
Ik zit wel te denken dat de gaatjes ’t misschien niet zullen houden. Dat geschuur & getrek van de rugzak.

Ik heb genoeg onderbroeken mee. Sokken ook. Broeken. Alles voor de 3e keer doorgenomen. ’t Klopt.
M’n zaklantaarntje kan ik echter niet vinden. Voor de 3e keer m’n vakantiespullen overhoop gehaald.

M’n rugzak wordt echter wel een zwalkende medicijnkast. Nasonex, paracetamol, strumazol, pleisters, srl-gelei, ketoconazol, compeed & lippenzalf. Elk jaar lijkt er een artikel bij te komen. Als ik m’n vaders pelgrimleeftijd heb bereikt zal de rugzak geen ruimte meer hebben voor een slaapzak. Te weinig tijd bovendien voor de wandeling, omdat ik de ganse dag bezig ben op tijd de pillen te slikken, de zalven te smeren.

Ik zal minder suiker moeten gaan gebruiken. De voorraad suiker die ik de vorige vakantie mee had, & niet nodig bleek te hebben, heb ik grotendeels verbruikt bij de 2 koppen thee deze morgen. Wil ik elke dag thee drinken & zelf de suiker aandragen, geen suikerzakjes jattend in restauraties, dan zal 1 kilo niet toereikend zijn, ben ik bang.

Op ’t laatste moment m’n buurvrouw toch maar ingeschakeld. Voor de plantjes in de tuin. Alleen de planten die niet in de tuin zelf staan, heb ik gezegd, in de mandjes. De planten binnen mogen ook wel, maar die vergeet ik zelf ook wel ‘ns 2 weken. Zit minder liefde in, heb ik proberen uit te leggen.
Ik moest een hele handleiding geven hoe ze aan de sleutels moest komen. Die had ik eigenlijk voor m’n broer op m’n werk achtergelaten.
Oh, daar wipt ze vanmiddag wel even langs. Geen probleem.
We hebben de kaart van Engeland nog bestudeerd die zij aan de muur heeft hangen. Een antieke, zo leek ’t bijna. Slechts de allerbelangrijkste steden waren vermeld. & Een paar streepjes & kleuren, om aan te geven welke grondstoffen gewonnen werden in de verschillende streken.
Maar daar hadden we ’t niet over. We wezen aan waar we geweest waren. Waar ik heen moest gaan. & Waar zij heen zouden gaan. Toen heb ik ze verteld welk bier je daar kan drinken. & Welke je niet zou moeten drinken.

Daarnet nog even de deur uitgesjeest. Ik had nog post liggen. Al enkele dagen. Misschien was er iets belangrijks tussen, dacht ik.
Aanmaningen van de verzekering. Ik had na de 2e herinnering nog steeds niet betaald, vertelde de brief. 2 Rekeningen nog wel. Ik mocht mezelf als onverzekerd beschouwen.
Ik heb alle acceptgiro’s bij elkaar geraapt. M’n handtekening geplaatst. Naar m’n bank geracet. Die natuurlijk veel te ver weg gesitueerd is. Maar ik werd er wakker van. Wellicht kreeg ik er honger van, dacht ik onderweg.
Dat bleek helaas niet ’t geval. M’n buik is veel te zenuwachtig. M’n verstand niet, maar sommige dingen gaan nu 1maal verschrikkelijk stiekem in mijn lichaam.

‘Hoelang blijf je weg?’ vroeg iedereen.
Binnen een minuut lag die vraag op tafel als ik vertelde van m’n vertrek naar vreemde oorden.
‘Ik hoop 2 weken.’
Waarna gegniffel volgde als ik zei dat ik ’t waarschijnlijk niet zou halen.
‘Heimwee.’
Dan verbaasde blikken. Met vaak nog die lach erin.
& Dan ging ik ’t weer uitleggen. Elke keer werd m’n theorie beter. Ik raakte gewend aan m’n eigen gedachtegang.
Tot ik in m’n 1tje stond te gniffelen. Dat was vaak ’t moment dat mensen ’t begonnen te begrijpen. Dan begon ik ’t amusant te vinden. Gegeneerd gniffelen.
Ik maakte dan een gebaar met m’n arm. Een zwaai voorover.
Dan was ’t over. Kon ik vertrekken.

Op naar de laatste zomer van ’t groengele t-shirt in Zijperspace.

lach

Voor me, bovenop ’t beeldscherm, ligt de foto van de terugkomst van m’n vader. De foto viel van de week uit ’t samengebundelde verslag van z’n pelgrimage naar Santiago. Mijn exemplaar van zijn dagboek. Ik wist niet dat er een foto bijzat. Maar ik vergeet zo veel dingen.
De foto is genomen bij Duinoord. De strandopgang aan ’t randje van Den Helder. 500 Meter van ons vroegere huis. M’n vader had symbolisch de 1e etappe opnieuw, maar nu in tegengestelde richting, gelopen. Een grote groep van mensen ontving ‘m, waaronder m’n broers & ik. Op de foto sta ik schuin achter m’n vader. Naast enkele andere broers. Gedeeltelijk overlapt z’n rugzak mijn silhouet. M’n vader staat bij een kruiwagen vol bloemen. Hij zegt een kleine jongen gedag. De zoon van Piet, de conciërge van de school van m’n vader. Die staat er naar te kijken. Te kijken wat m'n vader doet. M’n moeder ernaast, met glimlach. Afra, de hond van m’n broer, flankeert m’n vader. Midas zie je in de stilstaande beweging enthousiast kwispelen. Bek open. Schuine poten van de volgende stap. M’n vader is dan 56. Hij heeft nog geen Parkinson.

Gisteren ging ik bij m’n ouders langs. Nog net even, voordat ik vakantie ging. Dat hoort. Je hoort je ouders gedag te zeggen.
Ik had ’t druk, zei ik tegen m’n moeder toen ze me van de trein afhaalde.
Dat herhaalde ze enkele uren later tegenover m’n broer & schoonzus.
‘Ton heeft ’t zó druk!’ op schertsende toon.
Ze kon me wel ophalen, had ze me door de telefoon gezegd toen ik vanuit de trein belde, want Pa lag nu toch te slapen. Bij thuiskomst trof ik ‘m slapend op de bank aan.
Bij thuiskomst. Nog altijd.
‘Zo, die hangt erbij,’ zei ik.
‘Ja, Niek!’ riep m’n moeder, ‘Niek!’
Terwijl ik m’n rugzak gedeeltelijk uitpakte & aan de kant zette, stond m’n vader langzaam op. Een kreukel van de bankbekleding stond in z’n wang gedrukt. Z’n ogen stonden lang, streperig, net wakker.
Hij mompelde iets.
‘Wat zeg je, Pa?’
‘Ben jij er ook, Ton?’ herhaalde hij.
Hij lachte. Dat kan-ie de laatste tijd weer. Hij heeft de lach weer ergens vandaan gehaald. Een heel onschuldige lach. Ik moet altijd even slikken als ik die lach zie.
Ik zoende ‘m.
‘Wat heb je aan je hand?’ vroeg ik, wijzend op z’n pols.
Een rekverbandje. Met een dotje bloed erdoorheen schijnend.
‘Wat?’
‘Daar.’
Verwonderd keek-ie naar z’n pols. Hij wist ’t schijnbaar niet meer.
‘Hij heeft de laatste tijd zo’n dunne huid,’ zei m’n moeder.
Ik zag nog enkele bloeddoorlopen ouderdomsvlekken zitten.
M’n vader lachte dat-ie ’t niet wist.

Ik vind de uitdrukking ‘in de kracht van je leven zijn’ vreemd. Alsof je op een bepaald moment sterker bent dan anders. Eerder geloof ik dat elke leeftijd z’n eigen kracht meebrengt. Sommige dingen moet je op een gegeven moment laten, andere kan je juist beter dankzij ervaring, of doordat je beschikt over meer duurzame kracht. Geen kracht is dezelfde.
Maar toch zie ik m’n vader op die foto ‘in de kracht van z’n leven zijn’. Hij was nooit sterker, zelfstandiger, of een groter voorbeeld dan toen. Ik zie ‘m lachen op de foto. Waarschijnlijk houdt-ie met z’n bovenlip de rotte tanden verborgen. Zijn manier om schaamte te tonen. Of te verbergen.
De honden zijn dood. Allang. ’t Jochie waarschijnlijk volwassen. M’n schoonouders, toenmalig, die op de achtergrond staan, ben ik allang vergeten. Contact verloren. Inmiddels weet niemand in de familie hoe ’t met ze gaat. De broers zijn ouder. Kaler, de meesten. Ik heb ondertussen de meeste grijze haren. M’n vader & moeder zijn allebei slanker tegenwoordig. & Een kruiwagen hebben ze allang niet meer. Hebben ze niet nodig in ’t huis waar ze nu wonen. De tuin is kleiner. Geen volkstuin meer.
Nog een maand & ’t is 14 jaar geleden.

We dronken thee in de tuin. Ik moest Pa ertoe zetten.
‘Pa wil altijd binnen blijven,’ zei m’n moeder. ‘& Als we buiten zitten, dan is-ie binnen de kortste keren weer weg.’
‘Pa, dan ga jij in de zon zitten,’ stelde ik voor, ‘wij kunnen wel in de schaduw.’
We dronken. Aten een gevulde koek erbij. M’n moeder sneed er 1 doormidden. Allebei een ½e. Zij & Pa.
Ik zei dat ik ook geen hele hoefde, wijzend naar ’t andere exemplaar.
‘Wil jij dan ook?’ vroeg m’n moeder verbaasd. ‘Jij at toch nooit koek?’
Maar ik at de ½e die ik kreeg helemaal op. De rest was voor m’n ouders. M'n moeder brak de helft in een ¼.
We wachtten op de bus. Die zou om 10 uur komen om m’n vader naar de dagopvang te brengen.
‘De telefoon gaat dan 2 of 3 keer over,’ vertelde m’n moeder. ‘Dan weet ik dat ’t de chauffeur is die belt. Tegen de tijd dat je dan buiten staat is de bus gearriveerd.’
Ik keek naar m’n vader. Voorovergebogen dronk-ie nipjes thee. Of stak-ie een stukje koek in z’n mond.
‘Niek, drink even door. De bus komt zo.’
Uiteindelijk ging de telefoon. We stonden op. In de voortuin had ik m’n kopje nog in de hand. We zeiden Pa gedag. Ik 3 zoenen. M’n moeder 1. Veel tederder.
De chauffeur begeleidde m’n vader in de laatst overgebleven vrije stoel.
‘Hij wordt als laatste opgehaald?’ vroeg ik.
‘Ja, vaak wel.’
We zwaaiden. De andere oudjes zwaaiden terug. M’n vader had een trage glimlach op z’n mond bestorven.

Ik vertrok voor een andere bestemming in Zijperspace.

afgeluisterd

‘Goedendag. Ik spreek met de letterenfaculteit? Er wordt bij u een cursus duits gegeven, toch? Ik bel omdat ik m’n woning beschikbaar had gesteld voor onderhuur.’
( .)
‘Ik bel toch met de Zomercursus van de universiteit? Ja, ik bel omdat ik al eerder had doorgegeven dat ik m’n kamer beschikbaar wil stellen voor cursisten van jullie. Van de taalcursus duits. Ik had dat via 1 van jullie medewerkers doorgegeven, maar misschien is ’t niet aangekomen.’
( .)
‘Ja, de cursus is nu bezig? Zou u dan door willen geven, als ze vandaag klaar zijn natuurlijk, aan de cursisten dat er een woning beschikbaar is. Lijkt me hartstikke leuk. Voor de hele zomer.’
( .)
‘Vanaf direct.’
( .)
‘€ 225,-.’
( .)
’18 m².’
( .)
‘Tot de cursus afgelopen is.’
( .)
‘Ja. Dat is mobiel: 06-41063183.’
( .)
‘Vanavond al. Dat kan. Ze kunnen dan vanavond al langskomen.’
( .)
‘Goed, bedankt. ’t Lijkt me hartstikke leuk.’

‘Hoi, Marijke. Met Lise. Ik heb vanmiddag die mensen van de cursus duits opgebeld om te zeggen dat m’n kamer beschikbaar is. Daarbij heb ik jouw mobiele telefoonnummer opgegeven. Anders bellen ze mij direct. Weet je wel. Ik heb gezegd dat ze vanaf onmiddellijke ingang de kamer kunnen betrekken, maar dat ik 1st wil zien wie ’t is. Dus als er iemand belt, zou jij dan een afspraak kunnen maken voor vanavond. Zo rond een uur of ½ 8. Zou hartstikke leuk zijn. Bedankt. Doei.’

‘Hoi, Marijke. Met Lise. Hahaha. Ik ben zo blij dat ik je aan de lijn heb. Ik had net je voicemail al ingesproken. Maar ik dacht: laat ik je ook nog even thuis bellen. Ik heb net met dat instituut voor zomercursussen gebeld. Waar ze die cursus duits geven.’
( .)
‘Ja. Ja. Ja.’
( .)
‘Ja, ik heb mijn kamer aangeboden. Ik had dat al eerder via Elsa gedaan. Maar had niks gehoord. Misschien dat ze ’t vergeten was.’
( .)
‘Per direct. Dus dan kunnen er straks mensen gaan bellen voor die kamer. Want ik heb jouw nr opgegeven. Want anders zouden ze mij kunnen bellen. Zou jij dan die persoon kunnen vragen of-ie vanavond langs kan komen?’
( .)
‘Ja. Ja. Zo rond een uur of 7. Super.’
( .)
‘Super. Hartstikke leuk. Zie ik je vanavond. Hahaha. Doeg.’

Voor € 225,- kunnen we in Zijperspace tenminste ook nog ademhalen.

stoplicht

Ik kwam van achteren. Schuin van achteren. Want ik reed over 't smalle richeltje zonder reliëf. 't Richeltje dat de omtrek van 't plein siert.
Ik geloof nog altijd dat ik degene ben geweest die dat heeft uitgevonden, vlak na de introductie van de nieuwe Dam. Bij 't Paleis. Met al die nieuwe kasseien. Kasseien als een drilboor. Beter die te mijden. & Dat kan alleen via de stoep. De uiterste rand ervan. Een ½e meter breed. Of zelfs dat niet. Een veredeld fietspad, waar je alleen moet uitkijken dat er geen toerist loopt. & Hoewel 't tegenstrijdig klinkt heb je er ook wat meer ruimte. Want maar al te vaak staan de auto’s tot aan de rand van ’t echte fietspad & kan je slechts stapvoets passeren.
Ik zag nog net dat ’t een agente was. ’t Blauwe uniform. Een mal petje. Donkerblauwe broek. Mountainbike. Braaf geparkeerd voor ’t stoplicht. Ter hoogte van ’t gedenkplaatje van de dochter van Anna Enquist.
Ik remde snel. Vlak voordat ik naast haar kwam te staan. & Op brave wijze stopte ik, tegen ’t randje van de zebra aan. Een meter voor de agente. Een volle fietslengte.
Schijnheilig. Net alsof ik ’t niet doorhad. Alsof ik altijd zo stond. Voorbij de streep, maar toch zoals ’t hoort. Zoals ‘t hoort in Amsterdam. Naar de regels, of eigenlijk er net overheen, maar niet ver genoeg om er een opmerking over te maken.
’t Houdt de blik van de gerechtsdienaar scherp.
De voetgangers mochten lopen. ’t Wandelaartje stond groen. Maar niemand die voor me langs liep.
Ik voelde de aanwezigheid van de agente achter me. Normaal zou ik al aan de andere kant van ’t plein zijn. Nu ik gestopt was, werd ik gedwongen m’n geduld te bewaren. Ik kon niet meer veranderen. 1st Tonen dat je een braaf burger bent & dat beeld vervolgens demonstratief teniet doen. Had ik geen zin in. Ik wilde ook geen risico nemen.
Was me al een keer eerder gebeurd. Ik passeerde een politiewagen bij een stoplicht. Vond dat ik niet schijnheilig moest doen & deed wat ik normaliter altijd deed. Dit keer wat rustiger, zeer goed om me heen kijkend, overdreven zelfs, zodat zij ’t ook zouden zien, & stak de weg over. Aan de overkant gekomen, kreeg de rest, iedereen die wel was blijven staan, ook ’t sein te mogen vertrekken, hoorde ik aan de opstartende motoren. 100 Meter verder werd ik door dezelfde agenten aangehouden. Boete.
Zover kreeg deze agente mij niet. ’t Verkeer van 't Rokin mocht vertrekken & ik bleef staan.
Er kwam een fietser van de overkant. Duidelijk door rood gereden. De rest stond nog steeds stil langs Madam Tussaud. De fietser passeerde me aan de rechterkant. Tussen de weg & ’t monument in. Hij wilde ’t plein snijden of mijn truc gebruiken. Kasseien mijden.
De agente liet de jongen gewoon passeren. Dacht ik.
Tot-ie schuin langs ’t monument reed.
‘HÉ, GA EVEN LOPEN!’
De jongen stopte onmiddellijk. Stond snel naast z’n fiets. Zonder dat-ie zag wie ’t gezegd had.
’t Gezag was voelbaar. Daar worden ze op getraind. Korte & bondige zinnetjes. Verzoeken die klinken als bevelen. Je kunt ze niet weigeren.
Een teken dat ik moest blijven. Wachten op groen.
Ik keek snel achterom. Je hoort te kijken als iemand met stemverheffing roept. Ook al had je ’t verwacht. Je dient verrast te zijn.
Ik zag dat ’t een oudere agente was. ’t Petje stond mal. Roodgeverfd haar, ’t grijs was kundig verstopt, stak eronderuit.
& Ik keek weer voor me uit.
’t Verkeer van de overkant reed.
Daarna de trams.
De voetgangers mochten weer passeren. Ditmaal 1 man.
Er kwamen weer auto’s vanaf ’t Rokin.
‘Sta je braaf voor ’t licht te wachten, houden de stoplichten zelf geen rekening met je,’ zei de agente achter me.
Ik keek weer om.
‘Ja,’ zei ik met een wijzende vinger, ‘’t voetgangerslicht staat alweer voor de 2e keer op groen.’
‘Men vergeet wel ‘ns,’ ging de agente verder, ‘dat je ook van je fiets mag stappen & over de stoep verder mag gaan.’
Ze voegde de daad bij ’t woord. Ze pakte haar fiets bij de hand & sneed de hoek van ’t plein af.
Ze was best dik. & Ook best oud. ’t Viel me mee dat ze zo kon schreeuwen. Hoewel ze er streng uitzag. Misschien kwam die strengheid doordat ze nu ’t voorbeeld gaf aan al die fietsers achter haar. ’t Waren er inmiddels een stuk of 6. Brave burgers als ik. ’t Gaf haar een verantwoordelijke blik. Maar toch wel oud.
’t Gezag hield me niet in de gaten. Ze was veel te druk bezig op haar fiets te stappen. Naast de stoep weer. Ik zette me af. Trapte. Scheurde al snel over de kruising. Keek vlug even om. De agente was ook bezig vaart te maken. Geen aandacht voor mij. Of voor de andere fietser die ‘tzelfde deed als ik. Vlak achter me. We ontvluchtten beiden de stilstand.
Speciaal voor haar mompelde ik voor me uit: ‘Als zij dan toch niet oplet.’
Ik ontweek een taxi, schoot voor lijn 14 langs & reed daarna over ’t smalste fietspad van Nederland.

Voetgangers flitsten weer voorbij in Zijperspace.

controle

Ik schud haar de hand. We hebben beiden een glimlach op de lippen.
‘Ga maar vast in m’n kamer zitten. Aan ’t einde van de gang links.’
Ik was daar al 1 keer eerder geweest. Vind ’t meteen. Ik weet aan welke kant van de tafel ik moest zitten. Ook al omdat die stoelen een houten zitting hebben.
In afwachting kijk ik om me heen. Voor me ligt een beduimeld boek over hoe men laboratoriumonderzoek moet interpreteren. Een studieboek dat nog veel waarde schijnt te hebben. Achter ’t bureau 2 koppen koffie. Uit beiden was slechts genipt. Bij een moment van ontspanning zou ik straks kunnen vragen of ze ’t zo druk heeft dat ze zelfs geen tijd voor koffie had, bedenk ik.
Op ‘tzelfde moment komt de specialist binnen.
‘Heb je bloed laten prikken?’
‘Ja, vorige keer. Meteen na ’t gesprek.’
‘Niet een paar dagen geleden?’
Oeps. Ik heb ’t verkeerd begrepen. Alle instructies van de vorige keer. Ik ga verzitten naar m’n linkerbil.
‘Ik heb totaal geen gegevens van je. Wel van de scan, maar niet van enig bloedonderzoek. Ben je de vorige keer ook wel geweest?’
‘Ja. Dat weet ik zeker. Ik werd geholpen door een oude vrouw die chagrijnig was.’
Ik zie de blik weer voor me. De vrouw had ’t druk. Ze wilde naar huis. Ze had ook iets gemompeld dat iedereen naar huis was & zij alles op kon lossen. Ze mompelde de hele tijd in zichzelf, herinner ik me.
Ik ben toch niet gek, ook al is ’t computerscherm helemaal leeg. De specialist wijst nog een keer nadrukkelijk naar de plek waar de resultaten van ’t bloedonderzoek hadden moeten staan. Een lege plek.
‘& Hoe bevalt ’t medicijn?’
‘Ik dacht dat ik pas na deze afspraak een recept mee zou krijgen?’
‘Nee, meteen na de scan moest je er aan beginnen.’
‘Maar dan had ik toch een recept moeten hebben?’
‘Die heb ik je toch gegeven?’
Ik kijk verbaasd. Dit wist ik zeker. Er had geen dun receptenpapiertje gezeten tussen alle andere formulieren, vragenlijsten & afsprakenkaarten.
‘Die zal dan wel verloren zijn gegaan tussen de papierwinkel,’ concludeert ze.
Ze pakt de telefoon. Krijgt iemand van ’t laboratorium aan de lijn.
‘Ja, ik heb hier een patiënt van wie ik allemaal resultaten had moeten ontvangen, maar ik zie niets in ’t systeem staan.’
M’n gegevens worden doorgegeven.
‘Weet u nog hoeveel buisjes er gevuld werden?’ wordt mij tussendoor gevraagd.
Ik tast in m’n geheugen. Doe er een zwaai naar.
‘’t Zouden er 3 kunnen zijn geweest.’
Dat wordt meegedeeld aan de dame van ‘t lab.
‘Nee, ik ga niet naar jullie toe,’ zegt m’n dokter. ‘Jullie hebben een fout gemaakt, dus dan zoeken jullie maar even uit wat er gebeurd is.’
Ha, denk ik, dit is dus niet mijn fout. ’t Wordt nu immers telefonisch bevestigd.
‘Ja. Ja. Ja,’ gaat de dokter verder. ‘Oké. Bedankt.’
Ze hangt op & wendt zich weer tot mij.
‘Ze hebben alleen bloed afgenomen voor ’t onderzoek van ’t AMC. Dat mag voor de rest niemand inzien. Dus heb ik daar niks aan. Je moet opnieuw bloed voor mij laten prikken.’
Ik kijk alsof ik dat geen probleem vind. Maak ik toch nog iets goed, denk ik.
‘Heb je trouwens de vragenlijsten van ’t AMC teruggestuurd?’
‘Nee,’ zeg ik.
Ik wil er aan toevoegen dat ik er nog niet aan toegekomen ben. Maar zie dat dat geen zin heeft.
We nemen door wat er de komende tijd allemaal moet gebeuren. Hoeveel pillen ik moet slikken. Wanneer ik moet laten prikken.
‘Dus elke keer vlak voordat ik ter controle kom?’ herhaal ik.
‘& Elke dag een pil.’
We staan op. De deur open. Ze begeleidt me naar de secretaresse van de afdeling. Ze lacht ondertussen weer.
‘Die vragenlijst moet u ook zo spoedig mogelijk versturen.’
‘Ik zal ‘m weer tevoorschijn halen.’
‘Kan ’t zijn dat u een beetje vergeetachtig bent?’ vraagt ze onderweg.
Ojee, toch nog een beschuldiging. Snel schieten m’n gedachten naar allerlei voorvallen van de laatste tijd. Om te kijken of ik vergeetachtig ben geweest. Dan schiet me te binnen dat ik beter gewoon kan toegeven dat ik enkele fouten heb gemaakt.
‘Ja, ik vergeet wel ‘ns wat,’ zeg ik.
‘’t Kan heel goed zijn dat dat minder wordt als u een tijdje ’t medicijn gebruikt. Dan wordt u waarschijnlijk minder gejaagd.’
'Zou 't?' gaat er door me heen.

Hebben we straks weer meer herinneringen in Zijperspace.

patattekes

Hij stapt ten 1e al langzamer op. Waarschijnlijk deels door z’n wat molliger lichaam. Maar zeker ook vanwege mijn persoon. Dat weet ik bijna zeker. Ik zie ’t aan de lusteloosheid in z’n gezicht. Z’n armen die hangen. ’t Onbegrip om m’n bestelling. De moeizaamheid waarmee hij m’n bestelling uit z’n hoofd leert. Om ’t traag, traag, langzaam in ’t vet te gooien.
Ik doe alsof er niets aan de hand is. Altijd. Even leuk, even aardig.
‘Hallo,’ bij binnenkomen.
‘Fantastisch, bedankt,’ bij ’t meenemen van m’n plastic tasje voedsel.
Breed lachend, in beide situaties.
Je bent een rund als je mijn goede bedoeling niet ziet.

Gister heb ik ’t bij de Albert Heijn geprobeerd.
‘Bedankt! Tot ziens!’
Maar niets. ’t Meisje bleef stil. Terwijl de groet in haar gezicht uiteenspatte. De kassa rinkelde ervan. Geschokt, besef ik me achteraf. Want niets kwam terug.
Toen ben ik mompelend: ‘Tot ziens’, ‘Bedankt’, ‘Tot kijk’, ‘Nog een prettige dag’, de winkel uitgelopen. M’n tas vol boodschappen meezeulend. De hele rij bij de kassa kon ‘t horen. Mijn dankwoord. & Mijn wens elkaar weer te mogen ontmoeten. Zoals ’t hoort, was me ooit verteld. Ik barstte van de goede bedoelingen, moet iedereen gedacht hebben.

Maar goede bedoelingen hebben geen effect bij de assistent-frietverkoper. Stoïcijns blijft-ie. Af & toe een lachje als z’n collega een grapje maakt vanachter de telefoon. Want deze kan me slechts dan niet helpen als-ie aan de telefoon dient te verblijven. Grappen makend. Die assistent-friet weet te waarderen. Zelfs dan zou hoofd-frietverkoper ’t maar wat graag zelf doen. Niet voor niets geklommen tot de functie van hoofd van de frietenverkoop.
De assistent-frietverkoper heeft dan opeens oogjes die twinkelen van onverwacht genoegen. Lief lachje richting hoofd-friet. Ik weet niet waarom, want ik spreek de taal niet van ‘t huidig friet bakkende volk. Ik begrijp slechts twinkelingen, glimlachjes & ongeïnteresseerde blikken.
Daarbij vergeet-ie dat ik meteen wil afrekenen. Sta ik al die tijd met een briefje van 10 te wapperen. Schuin hangend over de toonbank. Hoofd-friet heeft me al menig maal uit deze houding weten te bevrijden.

Dit keer liet ik ’t niet zover komen. Bij ’t bestellen zelf had ik m’n 10tje reeds tevoorschijn. Lag ½erwege tussen de blikken van assistent & mij. Schuldbewust over die aanwezigheid gooide hij de pikanto & de patatten in ’t vet. Schielijk zich omkerend in een poging ‘t toch te vergeten aan te nemen. Maar ’t briefje werd ‘m ditmaal onder de neus gewreven. Ik wilde meer doen dan slechts wachten op. Ik beschouw wachten op patat 1 van de meest onnutte dingen in ’s mens leven.
Met ’t wisselgeld kon ik een bamischijf in m’n mond proppen, terwijl photoplay genoten werd.
Ondertussen ben ik me er volledig van bewust dat assistent m’n eten probeert te versjteren. Op enigerlei wijze.
Ik speel ’t spelletje photoplay zo bekwaam, jarenlange training, steeds ‘tzelfde spelletje spelen, dat ik onderwijl af & toe een blik over de schouder kan werpen. Gedecideerd aanschouw ik assistent z’n handelingen. Laat ‘m voelen dat ik kijk.

Hij had me niets kunnen flikken. Dacht ik.
Maar de zak patat & bijbehoren stonden verrassend snel op de toonbank. Spel ternauwernoods beëindigd.
Ik zei hoofd-friet gedag. Kwam net tevoorschijn met z’n mobiel. De zak in m’n handen nemend. & Toen assistent.
‘Fantastisch, bedankt.’
In ‘tzelfde enthousiasme. Misschien zelfs iets meer. Degenen die tegen je zijn moet je om de tuin leiden. Laten denken dat je van ze houdt. Waardeert. Aanwezigheid op prijs stelt. Maakt je sterker.
Waarvoor sterker weet ik echter niet.

Thuis bemerkte ik dat ik geen servetjes had gekregen. Terwijl hoofd me altijd minstens 2 geeft. Ik had de laatste tijd juist een methode gevonden om m’n dankbaarheid in vette vlekken er op achter te laten. Een vertaalslag. Vooral omdat ik ze normaliter nimmer gebruik.
Vorkjes waren ook niet aanwezig. Die ik anders altijd nederig accepteer. De man weet niet beter of iedereen is blij met de plastic gift. Gratis vorkjes bij patat.
Zoals je vroeger een plastic speeltje mocht uitzoeken na bezoek aan tandarts. Tandarts stond trots te kijken hoe je ‘t 1-dagspeelgoed tegen beter weten in toch weer accepteerde.
& Bovenal was de patat klein. Kleiner dan ooit. Alle restafvalpatatjes waren in m’n maaltijd gestopt. Bij elkaar geschraapte harde brokjes. Kruimelige, moeilijk hanteerbare, niet door te prikken, patattekes. Zoals je ze slechts in vlaams frietenland krijgt aangeboden. Maar weten de marokkanen veel.
Ik genoot. Zat te kliederen met m’n vingers zoals ’t vroeger een lieve lust was. Bij moeders thuis. Waar ’t ook al niet mocht.
Tot aan ‘t 1e kootje in de smurrie van patat speciaal met extra sambal. Glibberend & klevend met m’n vingers wroetend door uitjes, tomaat & mayo, waar zich af & toe een minuscuul gefrituurde aardappel liet zien. Die zich knisperend liet verpulveren in m’n mond.
Patat zoals patat bedoeld was, besloot ik toen ik likkebaardend lekker m’n vingers van de restanten ontdeed.

Die vent moest niks van Zijperspace weten, dat was duidelijk.

maat

‘Ik heb een nieuw spel gekocht!’
‘Alweer?’
‘Ja, de Kolonisten van Catan.’
‘Die had je toch al?’
‘Nu heb ik 'm voor met z’n 2-en.’
‘& Wat had je dan gisteren gekocht?’
‘De uitbreidingsset. Zodat we ’t met z’n 5-en of 6-en kunnen spelen.’
Rachel zucht.
‘Jij weet ook nooit maat te houden, hè.’
Ik kijk ‘r aan. Denk even na. Betrapt.
‘Ja, is waar,’ zeg ik. ‘Ik ben een beetje manisch. Obsessief een beetje.’
‘Geeft niet, hoor. Is ook leuk.’
Ik ga achterover in de hangmat hangen. M’n benen bungelen aan de zijkanten overboord.
‘Een hangmat is misschien ook wel wat voor je,’ zegt Rachel.
‘Ik was eigenlijk bang dat ik er niet lekker in zou hangen. Maar dat valt mee. ’t Lijkt ook wel of ik ’t minder warm heb in de hangmat.’
‘Ja, een hangmat zou misschien wel wat voor jou zijn,’ zegt Rachel nogmaals.
Ze loopt snel tussen ’t aanrecht & de deinende hangmat door. Ik wil ondertussen niet meer aan de hangmat denken. Stel je voor dat ik die ook nog wil.

‘Ik heb een nieuw spel gekocht!’ zeg ik weer enthousiast.
‘Ja, ik hoorde dat je uitbreiding had gekocht,’ zegt Roen.
‘Leuk, hè? Jammer dat je op vakantie gaat.’
‘Welke heb je gekocht? Die van de Zeevaarders?’
‘Nee, ik heb vandaag ’t spel voor 2 personen gekocht. Met die uitbreiding is die andere nu geschikt voor 5 of 6 personen. Hoef je niet meer met Sas te spelen. Kijken of je dan nog kan winnen.’
‘Niet de Zeevaarders?’
‘Nee, maar die komt nog wel. Als ik terug van vakantie ben.’

Want ’t hoofd mag vooral niet stil staan in Zijperspace.

groengeel

Ik mag niet op m’n rug krabben. Via de onderkant wel, langs m'n schouderblad, want daar is 't nog niet zo poreus, maar dan kan ik niet tot bij m’n nek komen. Ik mag niet via de bovenkant op m'n rug krabben. Met een arm die over een schouder kantelt. Want dan kan ’t gaatje in ’t midden een gat worden. Of anders die daarnaast. Ik moet me inhouden bij jeuk.

Afgelopen zondag vierde ik z’n 25-jarig jubileum. Ik was net zo grappig als 1 van de typetjes van Kees van Kooten & sprak ’t uit met ‘eu’.
‘Nee, niet aankomen,’ zei ik tegen Rachel, ‘want hij is heel teer.’
& Ik liet zien hoe dun de stof nog was. Ze raakte ’t toen toch aan. Maar met tederheid. Dat mocht.
‘Mooi, hè!’ zei ik. ’25 Jaar oud. 1st 6 Jaar van m’n broer, & nu alweer 20 jaar in mijn bezit.’
‘Da’s 26 jaar!’ zei een slim meisje.
‘Ja, maar ik neem allebei de getallen een beetje ruim,’ probeerde ik. ‘& Omdat ik ‘m vandaag aan heb vier ik vandaag z’n jubileum.’
Verkeerde uitspraak.
‘Jubileum,’ verbeterde ik mezelf, zachtjes voor me uit.
’t Meisje had een betoverende glimlach. Waarschijnlijk vanwege haar eigen slimheid. Niet omdat ze m’n correctie gehoord had.

Ik had bedacht dat ’t m’n dunste shirt was. Prettig bij de hitte. Alsof je niks aan hebt. Want door de kleine gaatjes & de dunne stof die deze gaatjes bij elkaar houdt, vliegt de lucht m’n borst tegemoet.
Er staat echter geen bierig iets op. Zoals op al m’n andere shirts. Daarom moest ik ‘m maar tijdens vrije tijd dragen.
’t Kostte nogal wat moeite om ‘m te vinden. 10 Stapels t-shirts doorgespit. & Toen nog een 2e keer, omdat-ie ergens tussenin verstopt zat. Helemaal naar achteren geschoven lag-ie. Achterin middenin een stapel. Ik heb ‘m heel zachtjes tevoorschijn geschoven. De stapel tilde ik met m’n andere hand op. Zodat er niets kapot getrokken kon worden.
In m’n blote bast ben ik voor de spiegel gaan staan. Trok ’t t-shirt over m’n hoofd. Terwijl ’t langzaam naar beneden voegde over m’n borstkas tuurde ik naar m’n eigen spiegeling. Of ’t niet vreemd was geworden. Die gele & groene strepen. Ik keek naar de kleine gaatjes die in de loop der jaren waren ontstaan. Kon toch nog wel? Misschien stond ’t wel extra stoer, dacht ik, terwijl ik ’t gordijn wat verder open trok om met meer licht meer gaatjes te kunnen ontwaren.
Ik rolde vervolgens m’n broek bij de pijpen wat verder op. Hoge blote voeten stonden beter bij ’t korte shirtje. ’t Bewijs werd in de spiegel geleverd. Ik keerde me nog even naar links. Keek over m’n schouder. Waarna ik rechts ook niet kon laten. Bij die draai wipte ik even op de punten van m’n tenen. Waarom wist ik niet, maar ’t was noodzakelijk voor ’t gehele plaatje.
Ik was klaar om de deur uit te gaan. Ik haalde m’n slippers tevoorschijn. Door de blaren op m’n hielen was ik die genoodzaakt te dragen. Ipv m’n wandelschoenen.
Hé, wacht, dacht ik, even kijken hoe of ’t shirtje met de slippers staat.
Na goedkeuring vulde ik m’n broekzakken met sleutels & portemonnee. In m’n rechterachterzak m’n mobieltje, links m’n brillenkoker. Snel m’n bril op. & Controleren in de spiegel hoe die stond bij ’t shirt.
Vlak voordat ik m’n fiets ’t huis uit manoeuvreerde vond ik m’n pet. Naast de kapstok. Achtergelaten bij binnenkomst de dag ervoor. De fiets leunde ik tegen de haldeur, terwijl ik me nog 1maal naar de slaapkamer verwijlde. Ook de pet werd goedgekeurd door ’t shirt. Verstoorde de horizontale geelgroene lijnen niet. Gaf er eerder een extra dimensie aan.

2 Dagen later heb ik ook nog gekeken of m’n hele wijde broek, ooit 5 maten te groot gekocht omdat ’t de laatste groene was, er goed bij stond.
Beter zelfs, vonden ik & m’n shirt.

Maar ook shirtjes worden vies. Zeker met ’t zinderende weer in de zomer van 2003. Menig druppel is al van m’n rug gegleden. Om maar niet te spreken over de liters die via hoofd richting borstkas liepen. & Oud zweet stinkt. Zeker die van onder de oksel. Bij mij waarschijnlijk niet, maar omdat ik ’t niet zeker weet stop ik m’n shirts toch maar na 1 dag dragen in de was.
Ik wilde echter niet ’t risico nemen dat de dunne stof, na zovele jaren trouwe dienst, ook al was ’t de laatste 10 jaar vooral door elke keer weer mee te verhuizen, in de wasmachine ruw uit elkaar gerukt zou worden door stevige broeken, onstuimige sokken, dartele onderbroeken of een meedraaiende handdoek. Op de hand wassen zou misschien ook tot gevolg hebben dat je nog beter door de structuur ervan zou kunnen kijken.
Dus besloot ik maar om met ’t shirt aan onder de douche te gaan. Niets zo veilig als tegelijk met ’t baasje van vuil te worden ontdaan.
Ik had echter geen rekening gehouden met ’t feit dat ’t shirtje loodzwaar zou worden onder ’t gewicht van al ’t opgenomen vocht. Ik kon ’t beter niet uittrekken, want ’t shirt zou alsnog geheel uit elkaar gerukt worden.

Vandaar dat er, terwijl ik schrijf, een klein plasje om Zijperspace is ontstaan.

druppels

Weer dat getik! Elke keer lijkt er een druppel ergens neer te komen. Een drup die overgaat in ’t uiteenspatten ervan. Zo’n dimensie stel ik me steeds bij ’t geluid voor. Krachtig, voor zo’n minuscule hoeveelheid vocht, strak, gedecideerd geluid. Moeilijk te zeggen waar ’t zich laat horen; als je herkomst van geluid wil localiseren lijkt de slaapkamer opeens onmetelijk groot, een ruimte van 1000en kubieke cms.
Ik ben er al eerder naar wezen zoeken. Toen kwam ’t onregelmatiger. Slechts 1 keer per ½e minuut. & Op ’t moment dat ik dacht ’t te pakken te hebben, was ’t verdwenen. Ik ben nog een minuut blijven staan, een tikkeltje verschuivend, naar boven kijkend in de verwachting dat ik ’t nu op heterdaad zou betrappen. Maar ’t kwam niet. Pas toen ik weer in bed lag. Ik had de moed al opgegeven & viel opnieuw in slaap.
Nu laat ’t zich vaker horen. Elke 10 seconden hoor ik ‘tik’. & ’t Wordt begeleid door een soort van rommelen. Alsof er stenen op de bovenste verdieping steeds opnieuw verschoven worden. Ook al vaker waargenomen, dat geluid. Daarvan dacht ik eerder dat m’n bovenbuurvrouw de muziek hard aan had staan. Totdat ik ’t wel heel eentonig begon te vinden voor muziek. Meestal was ’t rond ’t tijdstip dat ik uit bed stapte & had ik er daardoor geen last meer van. Geen behoefte meer om uit te zoeken wat ’t was.
Vandaag wel. Ik stap weer ‘ns uit bed. Ga naar de hoek waar ik ’t geluid vermoed. Schuif een stoel opzij om er beter onder te kunnen staan. In de hoek aan de voorkant van de kamer. Vlak naast ’t raam.
Ik trek een stekker uit ’t stopcontact. Misschien maakt de stromende energie wel geluid. Of de kabel van de tv. Maar ’t druppen gaat door. Ook op een totaal andere plek als die van de snoeren, draden & contactdozen.
Misschien toch ‘ns aan m’n buurvrouw van 1-hoog vragen?
Ik ben echter eerder geneigd ’t geluid te ontkennen.
Hoewel ’t nu wel heel veel tekeer gaat. In zoverre getik tekeer kan gaan. Met ’t rommelen van die stenen toch zeker wel. Blijkbaar hoort ’t bij elkaar.
Ik wil m’n bed opnieuw instappen, maar trek me er onmiddellijk weer uit. Denk niet dat ik nog kan slapen.
Ik kan allicht buiten even kijken. Of ik aan de buitenkant van ’t huis iets zie.
Ik trek m’n broek aan. T-shirt ook maar. Met een blote bast de straat op vind ik maar niks.
Op de stoep aan de overkant keer ik me om. Tuur naar boven. ’t Gordijn van de buurvrouw op 1-hoog is voor de helft open. Voor de rest niets te zien. Toch maar aanbellen. Hopen dat ik ‘r niet wakker maak.
Onmiddellijk na ’t indrukken van de bel hoor ik roering. Een klak, of een klik. Iets dergelijks. Vervolgens een deur die opengaat & een trekken aan ’t koord. De voordeur gaat een stukje open. Ik duw ‘m verder open. Hanneke staat bovenaan de trap.
‘Hoi, Hanneke,’ begin ik, ‘ik ben ‘t.’
Ze staat zwaar te hijgen. Kijkt van bovenaan de trap naar me met snel op & neer bewegende borstkas.
’t Mollige meisje van enkele jaren her is veranderd in een mooie dame die strak in ’t lijf zit, bedenk ik me, terwijl ze boven me uit torent.
‘Ik wilde je vragen,’ ga ik verder, ‘ik hoor ’t de laatste tijd wel vaker .’
‘Oh, dat getik?’ interrumpeert Hanneke me.
‘Ja.’
‘Ja, ik heb m’n hometrainer proberen af te stellen. ’t Is wel minder, maar ik krijg dat getik niet helemaal weg.’
‘Oh, dan is er niks aan de hand. Ik had ’t kunnen weten toen ik je zag hijgen. Ik was bang dat er iets lekte. Dat er van boven water bleef druppen & naar beneden liep, maar dat ik ’t niet kon zien.’
‘Ik zal proberen ’t nog beter af te stellen.’
‘Nee, hoor. Is helemaal niet nodig. Nu weet ik wat ’t is.’
‘Nee, ik zal zorgen dat je er geen last van hebt. Ik wil dat m’n buren ’t net zo zalig hier vinden als ik.’
‘Maar over dat geluid hoef je je geen zorgen te maken. Als ik weet wat een bepaald geluid is dan heb ik er geen last van. Zo hard is ’t nl ook niet.’
Ik trek de deur langzaam naar me toe. Richt m’n hand op ten teken dat ik terug ga.
‘Ik zal m’n best doen,’ zegt m’n buuv nogmaals.
Onverbeterlijk, denk ik, & loop m’n huis weer in.
In gedachten loop ik m’n keuken aan de achterkant in. Ik gooi de deur open. De warme zomerlucht mag naar binnen. Ik werp een blik m’n tuin in om te kijken wat er bloeit. Een spetter valt op m’n achterhoofd als ik al starend onder ’t balkon van m’n buurvrouw stap.
De planten op 2-hoog hadden weer water nodig, bedenk ik.

’t Blijft naar beneden stromen in Zijperspace.

mijn vader (deel 4)

Een oude legende vertelt dat de apostel Jacobus de Meerdere het evangelie verkondigd zou hebben in Galicië, in het noordwesten van Spanje. Zijn prediking had weinig succes en hij keerde terug naar Jerusalem, waar hij in het jaar ’44 de marteldood stierf. Twee leerlingen namen het lichaam van de apostel met zich mee in een bootje zonder roer en lieten zich op de zee afdrijven. Na enkel dagen spoelde het bootje aan in Galicië. Daar werd Sint Jacob (Santiago) begraven en later vonden de twee leerlingen daar ook hun laatste rustplaats.
Eeuwen verliepen en niemand wist nog van het graf, tot het in de loop van de negende eeuw werd ontdekt. Een kluizenaar, Pelagius genaamd, zag op zekere nacht een groot licht, dat straalde boven een bosje struikgewas. Het verschijnsel herhaalde zicht verschillende nachten en Pelagius bracht de plaatselijke bisschop hiervan op de hoogte. Deze liet de plaats onderzoeken en men ontdekte er de sarcofagen met het gebeente van de apostel en dat van zijn leerlingen. Weldra gebeurden daar wonderen en boven het graf van Sint Jacob bouwde men een kerkje. Als herinnering aan de hemelse lichten welke de kluizenaar gezien had, kreeg de plaats de naam “campus stellae” (vel van de ster) of Compostela.
Algauw werd Santiago de Cmpostela door pelgrimsbezocht en groeide uit tot een bedevaartsoord, dat in belangrijkheid en populariteit de reeds bestaande pelgrimsoorden, namelijk het Heilig Land en Rome, overvleugelde. Gedurende de elfde en de twaalfde eeuw bouwde men de huidige kathedraal, groot genoeg om de talloze pelgrims te kunnen bevatten. In genoemde periode namen de tochten naar het graf van Sint Jacob gestadig toe en de hele middeleeuwen door trokken talloze lieden uit heel Europa van huis naar het verre Galicië.
In de tweede helft van de twaalfde eeuw schreef Aimery Picaud, afkomstig uit de Poitou, een gids voor de pelgrims. Deze gids impliceert dat er in die tijd reeds een betrekkelijk vaste route naar het Galicische heiligdom bestond. Inderdaad worden in het boek van Picaud de voornaamste wegen door Frankrijk beschreven. De belangrijkste vertrekpunten waren: Parijs, Vézelay, Le Puy en Arles. Drie wegen voegden zich tezamen voor de Pyreneeën. Men stak dit gebergte over vanuit Saint-Jean-Pied-de-Port naar Roncevalles (Navarra). De weg uit Arles liep via de Col du Somport naar Jaca (Aragon). Bij het stadje Puente la Reina kwamen de zogenaamde Navarrese en Aragonese wegen samen en tot Santiago volgden de pelgrims éénzelfde weg, de camino de Santiago.
Langs de camino, zowel in Frankrijk als in Spanje, bouwde men kerken, kloosters en hospitalen waar de pelgrims konden overnachten.
In de loop van de eeuwen is de weg naar Santiago het belangrijkste religieuze en culturele fenomeen geworden, dat nergens in Europa geëvenaard wordt. Vanaf de zestiende eeuw, mede als gevolg van de veranderingen in politieke en kerkelijke omstandigheden, taande de bloei van de bedevaarten. De laatste jaren is echter de belangstelling voor de middeleeuwse pelgrimsroute zeer sterk toegenomen.

Rond 1980 las ik tijdens een bezoek aan Oma Zegers een krantenverslag over iemand, die lopend heen en terug naar Santiago de Compostella was geweest. Dat boeide mij en het leek wel iets voor mijzelf. Maar ja, toen leek mijn pensioen met veel vrije tijd wel erg ver in het verschiet. Een jaar later kwam het reisverslag van deze pelgrim , Hans Annink, in boekvorm uit. Ik las het een paar keer door. Zo’n tocht bleef de jaren daarna steeds in mijn gedachten. In 1986 waren er twee oorzaken om die wens in de nabije toekomst toch mogelijk te maken. Er werd in Nederland het Genootschap van Sint Jacob opgericht. Ik was één van de eerste leden. Ik raakte wat overwerkt en hoefde niet meer naar de Lichtbaak. Bovendien kwam de vervroegde VUT in zicht. Uiteindelijk ben ik in het voorjaar 1988 begonnen met eerst enkele korte tochten van een paar dagen, steeds verder van huis. Ik kwam toen tot de Franse grens. Omdat er nog wat zaken betreffende de VUT nit in orde waren, kon ik niet samen op stap met enkele andere pelgrims, met wie ik al samenspraak had. April 1989 waren alle schoolzaken voorgoed achter de rug en het grootste deel van de pelgrimsroute lag nu voor me. 30 Juni daarop volgend stapte ik Santiago de Compostela binnen. Het einddoel was bereikt. Ja, het einddoel, maar wat toch veel belangrijker was, dat was het op weg zijn, Santiago hoort erbij, maar het is niet het hoogtepunt van de tocht.
Waarom was ik nu zo geboeid door zo’n grote tocht, grotendeels alleen, te maken. Dat is moeilijk onder woorden te brengen. Allereerst had het op-weg-zijn voor mij een geestelijke inhoud. Het was een soort retraite, een terugtrekken in je eentje. Je staat op de grens van twee levensfasen: werken voor je beroep en daarna bezig zijn, maar dan als “liefhebberij”. Het is ook boeiend het rustige levenstempo aan te nemen van 5 kilometer per uur. Alles om je heen kan je dam rustig bekijken en in je opnemen. Langs de weg ontgaat je dan ook niet veel. Spannend is het ook om de miljoenen pelgrims uit de middeleeuwen, die mij voorgingen, na te doen. Je loopt op dezelfde wegen. Net als vroeger loop je meestal over de niet-verharde paden. Je zweet, zucht, loopt, bibbert ’s nachts, bent dorstig en hongerig en zoekt naar een slaapplaats net zoals zij. Er zijn natuurlijk ook verschillen. Zij hadden geen wegenkaarten, geen zwaarbepakte rugzak, geen tent, geen telefoons, geen girobetaalkaarten, geen noodrantsoen en ga zo nog maar even door. Het is ook fijn om eens geheel andere, onbekende mensen te ontmoeten, een eenling, een pelgrim, wordt overal gemakkelijk aangesproken. Natuurlijk trok ook de vrije natuur, door dagelijks allerlei bloemetjes, vogels en andere beestjes tegen te komen. Eigenlijk wisselde het motief om zo’n lange tocht te maken met de dag, of eigenlijk ieder uur. Terugkijkend is de wandeling goed verlopen. Waren er dan geen minpunten? Ja, natuurlijk, thuis trek je altijd veel met elkaar op. Met Anny praatte ik veel over werk-gebeurtenissen. Nu was dat contact, alleen op stap, helemaal weggevallen. Menigmaal dacht ik: dat hadden we met ons tweeën moeten beleven. Wat wel echt tegen viel waren de hoge temperaturen in Spanje. Deze liepen soms zo hoog op, dat je wel eens wanhoopte het einde te halen. Bij aankomst in Santiago de Compostela nam ik het voornemen, nooit meer naar Spanje te gaan. Maar ja, na enige tijd begin je dat weer te vergeten. Nu denk ik wel eens: zou ik nog eens zo’n tocht maken????

Dagelijks noteerde ik wat belevenisjes op losse blaadjes. Om de paar dagen stuurde ik die op naar het thuisfront. Dit boekwerkje is een meer uitgebreide uitgave hiervan. Het origineel met foto’s is voor Anny. Een kopie ervan bied ik mijn jongens Jan, Theo, Carel, Ton, Quint, Marc en mijn lieve schoondochters aan.

Den Helder, najaar 1990
N.J. Zijp


Aldus sprak mijn vader ooit, in een alweer ver verleden, zo schijnt ’t in Zijperspace, maar ’t lijkt steeds dichterbij te komen naarmate 't verder weg gaat.

kwijt

Ik heb ’t net iemand horen zeggen. Zeg maar een uur geleden. Ben toen druk aan de gang gegaan om ’t voorval op te schrijven. & Terwijl ik schreef stond ik af & toe op om de benen & gedachten te strekken. Gebeurt altijd plotseling. Ik word er toe gedwongen. Dan moet ik opeens uit de stoel, kan ik in de richting van de keuken lopen, of naar de tv; ik doe iets onzinnigs, of juist niet, om vervolgens weer voor de comp terecht te komen. ’t Kan midden in ’t verhaal voorkomen. Of middenin een zin. Om weer verder met ’t verhaal te gaan als ik weer zit. Verder met de zin.
Maar nu stond ik op omdat ik ’t woord niet wist. Totaal verloren in m’n hoofd. Onvindbaar. Weggestopt in een duister hoekje.
Vreemd, want ik heb ’t net nog horen gebruiken. Weliswaar een engels woord, maar heel gangbaar. Ik wist meteen waar de persoon die ’t bezigde ’t over had. Geen twijfel mogelijk. Ik zag ’t voor me.
Nu nog steeds. Ik weet hoe zo’n ding er uitziet. Weet ’t alleen niet een naam te geven. M’n vingers hangen boven ’t toetsenbord. & ’t Wil maar niet komen.

Ik heb m’n woordenboek erbij gepakt. ‘Het Juiste Woord’. Van Dr. L. Brouwers & Dr. F. Claes. ‘Systematische ordening, betekenisvarianten, stijlvarianten, synoniemen’.
Eigenlijk geen woordenboek. Maar een verzamelbak van allerlei woorden. Gesorteerd op categorie. Je hebt ’t idee dat je associatief aan ’t struinen bent als je erin op zoek gaat. Achterin zoek je een woord dat te maken heeft met ‘tgeen je zoekt, vervolgens kom je bij een categorie terecht, in de voorste helft van ’t boek, waar alle woorden dat met 1 onderwerp te maken heeft staan verzameld, & je struint daar alles af. Je vindt ’t vanzelf.
Maar nu niet.
Misschien omdat ’t een engels woord van oorsprong is. Zo’n leenwoord. Omdat we de bezigheid niet hebben uitgevonden, hebben we er ook geen woord voor kunnen bedenken dat de bezigheid & ’t apparaat dat erbij hoort beschrijft. Noemt, eigenlijk. We zijn te ver afgedwaald van Adam, de 1e mens die alles mocht benoemen. Nederlanders zijn z’n bastaardkinderen.

Ik probeerde Rachel te bellen. Ze kon altijd m’n teksten corrigeren. Alle foutjes er uit te vissen. Dan weet ze vast ook wel wat ’t woord moet zijn als ik beschrijf waar ’t voor dient.
Kan ik gelijk vragen hoe ’t met ‘r gaat. Waarom ze gister niet een biertje kwam drinken? & Hoe regelen we ’t met de sleutel van m’n huis als ik straks op vakantie ben?
Maar ze nam niet op.
& Voor ’t zoeken van een woord ga ik geen voicemail inspreken.

Ik besloot dat ik maar geduld moest hebben. De zoektocht zorgt er juist voor dat ’t woord zich steeds dieper in m’n hoofd gaat verstoppen. Alsof er op gejaagd wordt & ’t angstvallig eraan probeert te ontsnappen. Steeds dieper weg in ’t struikgewas.
M’n boek haal ik erbij. ’t Boek waar ik al een week in bezig ben. Ik eet er een boterham bij. Tussendoor kijk ik in de gids hoe laat de Tour de France begint. Neem een slokje thee op ’t moment dat ik m’n boek weer opensla. & ’t Schiet me plots te binnen dat m’n broer vast wel ‘ns gebruik gemaakt heeft van zo’n apparaat.
Bovendien moet ik ‘m vragen hoe we ’t moeten regelen met de sleutel van ’t huis als ik straks op vakantie ben.

‘’t Is een engels woord,’ zeg ik.
‘Nee, ik zou niet weten hoe dat heet,’ zegt Marc.
‘Nou goed. Wanneer wil je in m’n huis zijn?’
‘Weet ik nog niet. Wanneer ben je weg?’
‘Vanaf de 21e. & Dan ben ik in ieder geval t/m de zondag daarop weg. Waarschijnlijk nog 1 of 2 dagen langer. Ja, da’s zelfs zeker. Maar daarna weet ik ’t nog zo net niet.’
‘Welke data zijn dat?’
‘Die zondag is de 27e. Dan ben ik dus zeker de 28e & de 29e ook nog weg. Daarna weet ik ’t niet, want ik wil wel langer weg blijven, maar ik kom toch altijd eerder terug dan dat ik plan.’
‘Dat merk ik dan wel. Ik blijf hooguit tot die vrijdag in je huis.’
‘Ok, maar ik moet nog even met Rachel regelen hoe ’t dan met de sleutels gaat.’
‘Ja, dat hoor ik dan nog wel.’
‘Maar weet je echt niet hoe zo’n apparaat heet?’
‘Nee. Ik zou ’t niet weten.’

Excuseer; daarom vooralsnog niets vanuit Zijperspace.

huis

Jasmijn ging verhuizen, dus moest er een aardigheidje meegenomen worden. Is over ’t algemeen niet m’n sterkste kant. Te weinig ideeën over wat mensen nou zouden willen hebben.
Toch vond ik deze wel aardig. Vandaar dat ik ‘t zelf samengestelde cdtje maar even op m’n server gezet heb. Ruimte zat, & voorlopig komen m’n compagnons & ik toch niet aan ’t maximaal toegestane dataverkeer. Dit geeft de lezer, bij deze tot luisteraar gepromoveerd, tegelijkertijd de mogelijkheid om een fijn cadeau samen te stellen voor ’t geval dat er iemand in de kennissenkring gaat verhuizen (men hoeft mijn naam niet te vermelden bij ’t overhandigen, slechts dank te zeggen in ‘t reactieding).
Ditmaal geen plaatje om te klikken (ik merk ondertussen nl dat ’t plaatsen van een illustratie niet altijd uitnodigt tot ’t beluisteren van ’t ondergelegen muziekfragment; ik dacht dat men er inmiddels wel aan gewend was, maar ’t aantal luisteraars van ’t stukje ethiopische muziek van afgelopen week bedraagt niet meer dan 6; daar doe je dan al die moeite voor!), maar gewoon de volgende link.
Na beluistering of anders als ’t beluisterde niet mocht welgevallen verandert men ‘01’ tegen ’t einde in de url van ’t mp3’tje in ‘02’ of hoger (t/m 19, genoeg nrs & variatie dus) & men hoort de andere melodietjes (te weinig tijd & zin om ’t zelf te doen; mocht men bezwaar hebben, dan hoor ik dat wel; dan ga ik alsnog m’n best doen).
’t Lijkt me natuurlijk ook grappig dat men gaat raden naar hoe & wat. Een zekere competitie bij dit soort gelegenheden verhoogt de vreugde. Daar stel ik ’t reactieding voor beschikbaar (dus geen correspondentie hierover via meel). Degene die de meeste nrs (uitvoerenden & titel) juist raadt, krijgt bij de 1stvolgende keer dat we elkaar in levende lijve ontmoeten een speciale fles bier. Oftewel een fles met speciaal bier. Dat wordt over ’t algemeen op prijs gesteld, dus ik zou maar meedoen.
Een kleine hulp hierbij: in alle titels zit ‘tzelfde woord. Maar dat had u natuurlijk zelf kunnen raden bij aanschouwing van de urls.
Nu nog slechts genieten van de muziek (voor zoverre dit tot de mogelijkheden behoort), & raden wie wat & hoe. Of laat die laatste eigenlijk maar zitten.

Schrijf ik morgen weer een normaal stukje voor Zijperspace.

(Voor alle duidelijkheid: Jasmijn, haar familieleden, alsook vrienden & kennissen aanwezig bij ’t gezellig samenzijn ter inwijding van haar nieuwe behuizing, zijn uitgesloten van deelneming)

(Ok, voor 't gemak dan, voorkomt velerlei gezeur, maar men moet bedenken dat 't niet van harte gaat: nr 2, nr 3, nr 4, nr 5, nr 6, nr 7, nr 8, nr 9, nr 10, nr 11, nr 12, nr 13, nr 14, nr 15, nr 16, nr 17, nr 18 & uiteindelijk nr 19)

terug

Ik stond in een telefooncel te bellen met Nederland. Aan ’t randje van Åland. Aan de overkant van de weg lag de Baltische Zee. ’t Liep al tegen 11-en, maar er was nog volop licht om te kunnen zien welke knoppen ik in moest drukken. Zelfs als ’t donker was, was ’t nog schemerig.
Ik kreeg Pam aan de lijn. Ze was naar beneden komen rennen. Nam de hoorn van haar vader over.
‘Hoi,’ zoals alleen Pam ‘hoi’ kon zeggen. Met een lange ‘o’. 1tje Die golfde onderweg.
Ik deed m’n verhaal. Ik vertelde dat ik niet meer wist waarom ik daar was. Op een eiland. Met duidelijk afgebakende grenzen. Je kon niet anders dan ’t land in, of je moest de boot terug nemen. Ik vertelde dat ik voor de laatste mogelijkheid ging. & Zei dat ik een lafbek was. Dat ik niks durfde. Maar dat ik ’t nu toch echt niet meer wist. ’t Leek allemaal zo zinloos. Er was alleen nog maar een verlangen om terug te gaan. Zo snel mogelijk, met de 1e boot, over alle snelwegen scheurend, om uiteindelijk terug aan te komen in Nederland.
Pam probeerde me te kalmeren, gerust te stellen, trots te laten voelen dat ik toch zo ver gekomen was. Maar begreep ’t wel. & Ze wilde ook nog zeggen .

’t Geld was op. Geen muntjes meer.
Tijdens ’t gesprek was m’n besluit in ieder geval genomen. Morgenochtend terug. Na 1 dag op ’t eiland te zijn geweest. ’t Eiland waar ik enkele jaren over gedroomd had.

De zonsondergang vervolgens, die eeuwig duurde: langzaam, zeer langzaam daalde dit deel van de aarde in ’t donker. Gloeiende strepen achterlatend, daar waar de aarde de wolken de zon aan liet raken. Ik zat op een rots, op een stuk steen dat deel uitmaakte van een fjord, & wist dat niets nog mooier zou worden. Alles zou voortaan gereduceerd worden tot al meegemaakt, of niet gelijkend op. & Ik wist dat ik zelf die keuze maakte. Schoonheid moest nou 1maal niet te overdonderend zijn.

Thuis aangekomen wachtte ik op Pam. Daags na m’n telefoontje was ze op Interrail vertrokken. Met haar vriendin. 4 Weken zou ’t duren. Misschien 3. Als hun geld op was.

Eindelijk kreeg ik een telefoontje. Ze zou de volgende dag aankomen. ’t Waren toch 4 weken geworden, maar morgen was ze er. Ze wist nog niet hoe laat, want ze moest onderweg ook nog overstappen, als dat maar goed ging, maar ’t zou ergens in de loop van de dag worden. Ze zou wel van zich laten horen.

Ik was in Amsterdam. Ik werkte. Ik probeerde zoveel mogelijk geld te verdienen. Wist toch niets anders te doen. & Men wilde graag dat ik ’t werk deed dat ik deed. Anderen konden ’t niet zo goed. Dus was er werk zat.
Ik bekeek hoe laat Pam kon aankomen. Of hoe laat anders. Misschien wel een andere verbinding vanaf Parijs. Dan zou ’t nog later worden. Misschien wel vroeger. Maar om 11 uur was de 1e mogelijkheid.

Ik stond om 11 uur op ’t station. Op ’t perron waar de internationale trein zou arriveren. Ik wachtte 10 minuten & zag de trein ’t station in rijden. Ik had mezelf bij de trap geplaatst. Leunend ertegenaan. Dan kon ik de stroom rugzakken & koffers aan me voorbij zien trekken terwijl ze zo snel mogelijk ’t station probeerden te ontvluchten. Had ik meer kans dat Pam niet aan m’n aandacht zou ontsnappen.
Een deur stopte recht voor me. Ik dacht dat ’t zo voorbestemd was. Voor een moment was ik bijgelovig. Geloofde ik in voorbestemming. Deze relatie zou nooit meer overgaan. Anders worden dergelijke onzekere factoren niet op zo’n manier bij elkaar gebracht. Want Pam stapte uit. Uit precies de deur die voor me stond. Met naast haar haar vriendin.

Ik lachte. Zij keek verongelijkt.

Ze wilden meteen naar de toiletten. Op ’t station. Ik huppelde erachteraan. 2 Tassen dragend om hulp te bieden. & Vervolgens wachtte ik buiten tot zij klaar waren met zichzelf te ontdoen van ’t ergste treinzweet.
& Ik wachtte tot er bekend werd wat we gingen doen. 1st Wat drinken? Of meteen naar Den Helder? Vertellen over onze vakanties?

Maar uiteindelijk werd me verteld dat ik er eigenlijk nog helemaal niet hoorde te zijn. ’t Plan was geweest dat ze ’t laatste moment samenzijn wilden genieten in Amsterdam. Met z’n 2-en. Pam & haar vriendin. Of ik niet liever iets anders wilde doen.

Weg was ’t beeld dat ik al die tijd voor me had gezien. Vanaf ’t moment dat ik Åland had verlaten. Traag springende benen, die stapvoets, hupsend alsof er een herhaling van een mooi doelpunt wordt getoond, elkaar naderen, verliefd op elkander toelopen, wetend dat ze niet buiten die ander kunnen. Armen wijd uitgespreid in die toekomstige omhelzing die maar op zich liet wachten, maar ’t wachten kon in dit tempo niet lang genoeg duren. Groene zoden werden betreden, groene zoden die nog niet eerder zo helder groen hadden geschenen; de zon, die stralende halo’s om de hoofden legde, ook al zouden we in ’t overkoepelde station staan, waar de groene zoden grijs beton was & de halo’s ’t licht was dat ver weg aan de einder toevallig tevoorschijn kwam, aan de uitgang van de hal, bruinig van al de roestige rails, met een grijs stipje ertussendoor van wc-papier dat de bielzen als afscheid sierde.

Ik liep naar m’n werk. Ze konden me daar elk moment van de dag gebruiken. Tijd was geld voor hen. Ze waren blij met elke besparing. Als ik m’n werk deed, deden zij aan besparing.

Zijperspace was Zijperspace, & ’t was beter daar te blijven.

feedback

We hadden een aantal uren gelopen. Door ’t Amsterdamse Bos. We waren er achter gekomen dat ’t Amsterdamse Bos geen spannende natuur was. Voor de doorsnee stadsmens geschikt, maar ons doorgewinterde wandelaars had ’t niet al te veel te bieden. Verwend als we waren.
Aan ’t randje van een grote open plek, zei Rachel: ‘Misschien is dat wel wat voor je.’
Doelend op de dame die in ’t midden ervan ging zitten.
‘Wat dan?’
‘Je zei toch net je misschien wel aan een vrouw moest beginnen.’
‘Ja, maar ik bedoelde niet dat ik zomaar een vrouw die in ’t midden van een weiland gaat zitten moet nemen. Ik heb een vrouw nodig die rijk is & goed auto kan rijden. & Ook nog van bier houdt. Ik weet niet of dat bij haar ’t geval is.’
We keken nog ‘ns in de verte. Precies in ’t midden zat ze. Alle hoeken van ’t weiland wezen naar haar.
‘Ik zou nooit in ’t midden gaan zitten,’ zei ik.
‘Nou, ik wel. Precies net als haar. Helemaal in ’t midden.’
‘Misschien is dat een verschil tussen mannen & vrouwen. Mannen gaan op een plek zitten waar ze nog wat bomen achter zich hebben.’
‘Dan hebben ze rugdekking.’
‘Ja, zoiets. Jagersinstinct.’

Een uur later zaten we op ’t terras van Vertigo bij te komen.
‘Vroeger selecteerden ze ’t personeel hier op mooiheid,’ zei ik.
‘Dat doen ze volgens mij overal in de horeca.’
Dat wist ik dan weer niet. Ik haalde in gedachten al m’n collega’s even voor de geest.
‘Maar hier was ’t extreem toentertijd,’ zei ik tenslotte. ‘Maar dat meisje dat me daarnet binnen hielp mocht er evengoed wel zijn. Ze wist alleen niets van bier.’
‘Misschien nog maar net begonnen.’
‘Die indruk had ik ook.’
‘Zullen we nog een biertje nemen?’
Achter me was plots een serveerster verschenen.

‘Ik vind ’t wel jammer dat je m’n weblog niet meer kan volgen.’
‘Ah, ik lees ’t wel.’
‘Ja, maar later pas.’
‘Hm, ja. Je hebt nu natuurlijk geen redactrice meer.’
‘Dat is ’t niet alleen. Ik mis ook dat ik er achteraf meteen over kan praten. Je weet wel.’
Als een soort understatement.
‘Je mist de feedback.’
‘Precies.’
‘Dan zou je iemand anders moeten vragen.’
‘Ik zou niet weten wie.’
‘1 Van de 3 J’s?’
‘Wie?’
‘Johanneke, Jojanneke of Jasmijn.’
‘Nee, die lezen ’t niet vaak genoeg.’

Ellen zette haar fiets neer. 10 Meter van ons vandaan.
‘Da’s ook een weblogger.’
& Ik riep: ‘Hoi, Ellen.’
Ze kwam naar ons toe lopen. Ging op een vrije stoel zitten om tijdens een korte conversatie haar skates met haar schoenen te verwisselen.
‘Hoe is ’t met je weblog?’ vroeg ik.
‘Ach, gaat wel. Ik schrijf er niet alles op dat ik meemaak. De mensen die ’t lezen hoeven niet alles van me te weten. Dus schrijf ik zo af & toe een stukje.’
‘In ’t begin schreef je toch ook over wat je meegemaakt had tijdens je reis?’
‘Ja, dat wel. Maar ik ga niet al m’n gedachtes op schrijven.’
‘Mij maakt ’t niet uit. Als ik maar een manier heb om ’t op te schrijven.’
‘Maar jouw weblog is dan ook extreem.’
Waarbij ze ‘extreem’ uitrekte. Een lang woord.
Ik zat er verwonderd bij. Ellen lachte. Rachel hield haar mond.
Ze stond op. Ze ging door ’t park skaten. Een vriend kwam er net aan om met haar mee te gaan. Ze hadden blijkbaar hier afgesproken.
‘Is dat haar vriend?’ vroeg Rachel.
‘Weet ik niet,’ zei ik, & na een kort moment nadenken: ‘Nee, volgens mij niet. Dat zag je aan haar lichaamstaal.’

Zouden we wat meer aan moeten doen in Zijperspace, aan lichaamstaal.

wit

Radboud, ik ben bang dat dat niet lukt.
Maar eigenlijk heb ik daar tegelijkertijd ook weer geheel geen angst voor. Dergelijke vrees is aan mij gewoon niet besteed.

Misschien ben je er zelf wel ‘ns getuige van geweest. Op 't moment dat je langs was op m'n werk. Ik heb ’t menig keer gedemonstreerd op ’t terras. Terwijl ik eigenlijk bezig was glazen te verzamelen (maar ik zeg altijd maar: een klant wil ook wel wat anders van de barman genieten dan alleen maar een getapt biertje, dus neem ik er even de tijd voor. ’t Is natuurlijk niet niks. Zoiets krijgen mensen niet elke dag te zien. & Ik heb er ook behoorlijk wat moeite voor verricht. & De energie die je er in stopt wil je ook weer terugverdienen door aandacht voor ’t fenomeen).
Je zou ’t kunnen beschouwen als een tattoo. ’t Is niet slechts voor jezelf dat je een ‘kunstwerk’ van je lichaam maakt.
Op zo’n manier zou je ook tegenover mijn lichaam kunnen staan. Behalve dan dat een tattoo plaatsen slechts enkele behandelingen vergt, waar ’t bij mij jaren heeft geduurd. ’t Plaatsen van tattoo’s kan een pijnlijk gebeuren zijn, weliswaar, maar men weet niet hoeveel ik heb moeten opofferen om te komen tot waar ik nu ben.

Ondertussen wil ik niet naast m’n schoenen paraderen van fierheid op datgene wat ik heb bereikt. Ik weet dat andere mensen ’t ook kunnen. Soms kom ik wel mensen tegen die zelfs een stapje verder zijn gegaan. Hun gehele lichaam!
Bij mij slechts de benen.
Net als met tattoo’s moet je niet overdrijven, is mijn motto. ‘Overdaad schaadt’ is in deze een oude volkswijsheid die menigeen eens zou kunnen overwegen te gaan hanteren.

Ik heb wel verbaasde gezichten gehad.
‘Hoe krijg je dat voor elkaar?’
‘Hmm,’ verzuchtte ik dan verlegen.
Je weet niet ½ hoeveel aandacht zo’n opmerking trekt.
Midden op ’t terras. De barman die normaliter glazen haalt rond dat tijdstip, geeft de glazen reeds vergaard over aan een klant, die vervolgens een dergelijke verwondering als hierboven uit.
1 & Al verbazing van mensen over waarom die ophef tegenover de barman.
Men is dan snel geneigd de persoon in kwestie aan te vallen, bevreesd als men is dat mogelijk de barman in z’n gezag wordt aangetast. Wat dat betreft is de nederlandse burger nog steeds redelijk conservatief & autoriteitsgezind. Ik profiteer daar in m’n werkende functie met veel graagte van.

‘Hmm,’ verzucht ik dan nogmaals.
Om de burgers weer op hun gemak te stellen. Daarbij vrolijk, de gemoederen sussend, een ommedraai te maken, een kleine pirouette op m’n standbeen (de reden dat ik dit voor de toekijkende klanten doe heb ik geloof ik al verteld), zodat iedereen de geruststellende gezichtsuitdrukking van hun aller eigenste barman kan zien, nog steeds dezelfde rustige, overzicht houdende, bedaarde houding als dat ze als vanouds gewend zijn.
& Ik begin uit te leggen. Ten overstaan van al degenen die willen toehoren.

‘Kijk,’ zei ik laatst, ik meen me te herinneren dat jij, Radboud, minder dan een 5tal meters van deze uiteenzetting verwijderd was.
‘Kijk,’ zei ik, ‘ik heb er 17 jaar over gedaan om te komen tot waar ik nu ben.’
Ondertussen hou ik m’n broekspijp zo hoog mogelijk. Men moet ’t tenslotte allemaal kunnen zien. Ook in de achterste regionen van daar waar mijn stem reikt.
‘Of preciezer: ik heb er 17½ jaar over gedaan. Ik heb me nog een keer laten verleiden op vakantie te gaan met m’n broer & schoonzus. Toen hebben we nakend in de Ourthe gezwommen.’
Da’s in de Ardennen.
‘& ’t Vocht van dat water door de zon laten opdrogen.’
Dat verklaart veel. Mensen begrijpen dan al wat meer. Dat ’t bijvoorbeeld niet met opzet was, maar meer onder sociale dwang.
‘Dat was de laatste keer dat ik m’n benen in de zon heb laten staan.’
Ik hoor dan altijd een lichtelijk hum terug. Waar ik normaliter degene ben die ‘hmm’, ‘hè?’ & ‘och’ zegt, vertonen na dit soort bekentenissen de omstanders deze verzuchtingen. In woord & gezichtsuitdrukking.
‘Ik ben er dan ook best trots op. Mocht wit geen kleur zijn, zoals de wetenschappers neigen te beweren, ik ben ’t levend bewijs dat men zich daar in vergist. Kijk,’ ga ik verder, ‘je ziet ‘t: melkwit. Hoewel ik me afvraag of de koe er toe in staat is.’

’t Zou zonde zijn om die kleur te ignoreren in Zijperspace.

gat

’t Is klein, dacht ik, ’t is klein. Ik hoef er niet op te letten. ’t Is niet zo groot.
& Vervolgens zat m’n hand onder m’n kruis. Om te kijken hoe klein of ’t wel was. Want ’t mocht vooral niet te groot zijn. Of tocht doorlaten.
Onzin, ’t was klein. Een heel klein gaatje. Ik voelde ’t toch zeker? Klein, niet meer dan klein. M’n vinger pastte er niet eens door.
Ondanks dat voelde ik toch wel degelijk wind langs m’n benen strijken als ik me ook maar enigszins bewoog. Een zuchtje, minder nog, maar er was beweging, er was verplaatsing van lucht. & M’n zeldzame haren op m’n benen (toch nog altijd meer aanwezig, langer dan die op m’n borst) waren zich ervan bewust.
‘t Zelfde gevoel als je je gulp open hebt laten staan.
Pardoes gebeurde me dat diezelfde middag. Ik kwam er achter doordat ik weer een bepaalde tocht langs m’n benen voelde gaan. De klant had niks gezien. Maar toch voelde ik me schuldbewust toen ik merkte dat-ie toch 5 minuten had opengestaan.
’t Is overigens best wel moeilijk om je kruis op de grootte van een gat te controleren als elk moment een klant kan binnenkomen. Vooral omdat de neiging tot controle zich vooral voordoet als je door je hurken zit. Dan pulken aan je broek, op genoemde hoogte: ’t blijft raar. Zeker voor iemand die er naar moet kijken.
Je zakt door je knieën & je hoort: trrrrrrrrrsssstttttttttt. & Dan snel.
Je moet wel. Paniek. Weten wat er aan de hand is. Hoe groot.
Of iets dergelijks.
Je bedenkt meteen dat je je broek bij je knieën had moeten optrekken. Zoals je acteurs eerder had zien doen. In films die zich afspeelden in de 30-er tot 50-er jaren. Even de broek omhoog. Of in ieder geval de pijpen. Haalt de spanning er af als je gaat zitten. Of moet bukken.

Maar ik vergat ‘t.
Rond ’t moment dat ik m’n gulp open liet staan was ik ’t allang vergeten. ’t Zat niet meer in m’n hoofd.
Daarvoor had ik me de hele tijd afgevraagd of iemand vandaag de mogelijkheid zou hebben te kunnen zien wat voor kleur onderbroek ik droeg. Ik probeerde me voor te stellen hoeveel moeite die persoon er voor zou moeten doen. Bukken of gewoon voor je uit kijken. Signaleren & onmiddellijk vergeten, of gebrand staan in je geheugen.
’t Leek me allemaal sterk. Niet te zien. Ik kon nog steeds niet m’n vinger er doorheen krijgen. Ook al was de 2e ‘trrrrrrrrsssstttttttt’ voorbij gekomen. Toen ik een kratje oppakte om naar beneden te brengen.

& Een 3e kwam. Toen ik in m’n tuin ’t woekerend wild wilde verwijderen. Terwijl de buren achter me toekeken. Juist dan moet je doen alsof er niets aan de hand is. Dus bleef ik doorgaan met ’t verwijderen van onkruid.
Onder ’t afdak, veilig afgesloten van mogelijk spiedende blikken, maakte ik nog een keer de vreemde beweging, waarvan je gewoon niet wilt dat iemand ’t ziet, ’t staat zo raar, je hand grijpend naar je eigen kruis, om te voelen hoe groot ’t gat was geworden.
Ik kon vaststellen dat de broek bijna uit 2 afzonderlijke pijpen bestond. ’t Was uitgedijd tot zeker 15 cm.
Ik wendde m’n blik naar beneden, maar ik kon slechts ’t begin, vlak onder m’n gulp, zien. Gevoelsmatig was er een kloof ontstaan. Een gapende kloof.

‘Hoi, Corry. Met Ton. Ik ben op zoek naar iemand die in ’t bezit is van een naaimachine. Naast m’n moeder. Want ik kan niet voor een enkele broek de reis naar Den Helder ondernemen. M’n broek dus, die vandaag een beetje uit elkaar gevallen is, waardoor ik nog maar 1 broek overheb om mee op vakantie te gaan. Dus als jij toevallig in ’t bezit bent van een naaimachine, is er dan een mogelijkheid wellicht dat je me zou kunnen helpen. Ik hoop wat van je te horen.’

Ook Sas opgebeld. Om te vragen waar die kledingateliers zitten, die mogelijkheid goedkoop kleding reviseren. Lang geleden erover gepraat. Ik wist me ’t gesprek al niet meer te herinneren. Maar wel dat we ’t over die ateliers hadden. Voor als je een knoop moest laten aanzetten. Dat kan ik zelf nog wel, dacht ik toen, ik heb alleen geen naald & draad.
Tsja, waar die zaten? In Oost? Hier in de Kinkerstraat wist ze ’t wel. Maar je ziet ze toch vanzelf wel?
Maar ik wist niet hoe de kledingateliers eruitzien. Er was me nog nooit een kledingatelier opgevallen in ’t straatbeeld.
Gewoon even in de Gouden Gids zoeken op kledingateliers. Of iets dergelijks.
Ja, ik zou wel zoeken.

Toen belde Corry terug. Ze had m’n boodschap gehoord. & Ze had een naaimachien.
Morgen misschien? Hoelaat?
Ja, dat moest zij zeggen.
Overleg aan de andere kant. Een gezin waar ze rekening mee moest houden. ½ 10?

Tot die tijd is er slechts 1 hele broek in Zijperspace, plus die ene die niemand meer wil dragen.

munt

De zenuwvliegjes zijn gekomen. Ze bibberen tussen de restanten munt, vrouwenmantel & majoraan heen. ’t Is geen vliegen meer wat ze doen. ’t Lijkt eerder een ritueel, een regendans, want ze stoppen niet, ze blijven hupsend & hopsend bewegen rondom hun mogelijke slachtoffers. Dat moeten voornoemde planten dan wel zijn. Want wijken doen ze daar niet van. Of ’t moet die minieme nerveuze beweging heen & op & neer zijn. Ze dansen op ’t graf. Ze dansen op de punkrock van the Thermals, die ik aan heb staan, headbangend, pogoënd kunnen ze ’t wel de hele dag volhouden. Alsof ze in gesloopte krakerspakhuizen hun favoriete concerten bijwonen. Waarbij ’t pakhuis vandaag mijn tuin is.
Ze bewegen zich boven de herinnering aan de bouwvakkers. Ik durf er vandaag voor ‘t 1st met m’n neus bovenop te zitten. Daarvoor zat ik in de ontkenning, ook al wist ik precies hoe ’t er uitzag. Ik wilde ’t gewoon niet zien. Ook al is ’t inmiddels alweer een week geleden. 3 m² Platgetrapt groen. ’t Bruin dat ertussenuit steekt was van de wilde hyacint, die reeds maanden terug aan ’t bloeien was. Zo lijkt ‘t. Ik had de restanten van de hyacint niet moeten zien. Dat moest overdekt worden met planten die boven de grond nu 1maal alle ruimte nodig hebben die ze kunnen vinden. Waardoor de vergane glorie aan ’t oog onttrokken wordt. Nu ligt alles, zeer democratisch, op gelijke wijze plat op de grond. Groen & vergaan door elkaar heen. Platgetrapt & bruin.
Tuurlijk gaat ’t maar om die 3 m². M’n tuin is veel groter dan dat. De teunisbloem, de stokroos, alsook de gewone roos, z’n roze & z’n rode variant, de welriekende agrimonie in ver weg schemerend geel, & nog wat ander wit & geel, blauw & rood schijnt nog steeds olijk door ’t overwegend groen. ’t Bloeit allemaal & lijkt daarmee de onschendbaarheid van ’t geheel te willen aantonen. Maar ’t voelt alsof er een deel van is geamputeerd & ik nog steeds jeuk heb op die plek. ’t Is alsof m’n kind verminkt is & ik ’t niet van z’n gezicht wil aflezen. De wonden, de kneuzingen, de amputaties. Ontkennend bleef ik binnen, achter gesloten gordijnen zitten. Ik wilde niet de schoonheid zien van dat wat wel was blijven staan. Hun verdere levensloop. Hun kortstondig seizoengebonden bestaan meemaken. Omdat elke schijn van vrolijke bloei me waarschijnlijk deed denken aan ’t platte karakter daar voorin de tuin.
’t Is ook ‘t 1e dat ik ontmoet als ik m’n tuin instap. Daar achter liggen de hoogtes van een oa de guldenroede, maar ik moet elke keer 1st die vlakte van ’t platgetrapte zien te passeren.
Maar goed, vandaag heb ik de deuren opengegooid. ’t Kon weer. Er was geen dubbele naargeestigheid van buien die me dwongen binnen te blijven. Ik heb een boekje zitten lezen, aan de rand van de tuin, zoals in ’t begin van ’t seizoen. & Toen ik moe was van ’t felle licht dat op m’n boek scheen, de klep van m’n pet kon niet alle stralen opvangen, ben ik binnen op de bank even gaan liggen.
Ik werd 15 minuten later gewekt door de geur van die stinkende plant, waarvan ik steeds weer de naam vergeet. Ik laat ‘m elk jaar weer groeien, geef ‘m toch een beetje ruimte, omdat ik niet op geur wil discrimineren. Perk ‘m wel altijd wat in, trek wat scheuten in ’t begin van ’t seizoen er uit, ook al moet ik daarna m’n handen goed wassen om van de geur af te komen.
De walm die m’n kamer binnen kwam, tot aan de bank waar ik op gelegen was, toch enkele meters diep ’t huis in, was vermengd met een vleugje munt, ik kon ’t nog net ruiken. ’t Dwarrelde als een sliertje nevel tussen de rest van de mij tegemoetkomende geur in. Dat polletje dat de heren bouwvakkers niet hadden kunnen platwalsen, omdat ’t aan de poot van hun steiger stond. Beschermd door hun eigen materiaal.
’t Restje munt. ’t Beetje geur dat zij niet in hun kleren hadden meegenomen naar huis.

Ondanks alles ruikt ’t nog steeds naar Zijperspace.

weerwoord

‘Ik heb nog een foto van je liggen,’ zegt de dame.
‘Ja, ik weet ‘t,’ zeg ik.
Ze heeft 't me al een aantal keren verteld.
‘Je hebt die hele stapel glazen bij je op die foto. Da’s zo’n mooi gezicht.’
‘Leuk.’
‘Ik moet ‘m nog steeds een keer meenemen.’
Ik wil zeggen dat mensen dat wel vaker beloven, dat men al heel vaak een foto van me genomen heeft. Dat ik gewend ben even stil te staan zodat mensen die foto kunnen nemen.
Maar dat zeg ik niet.
In plaats daarvan: ‘Ik vind dat alle vrouwen een foto van mij thuis zouden moeten bewaren.’
& Loop door voor de rest van m’n ronde.

Blij dat ik m’n mond deels gehouden heb, want 5 minuten later blijkt ook Marjem een foto van me thuis te hebben. Haar vriendje zit ernaast als ze ’t me vertelt. ’t Is al helemaal niet bijzonder meer om mij op de foto thuis te hebben liggen, bedenk ik me.
Ondertussen krijg ik nog meer glazen & pindabakjes aangereikt.
‘Ik wil maar 2 pindabakjes,’ zeg ik.
Maar er zijn alweer 3 onderweg. Toch pak ik er maar 2 aan. Stop ze in m’n achterbroekzak. Aan de voorkant zit er al 1.
‘t 3e Pindabakje hangt nog ergens in de lucht. Ze willen perse dat ik die ook meeneem.
‘Waarom neem je die nou niet mee?’ vraagt Marjem.
‘Dat zou slecht zijn voor m’n nageslacht.’
Ik heb m’n antwoorden al klaar.
‘Ja, dat kan ik zien,’ zegt een vriendin van Marjem, schuin achter me, ‘je achterbroekzak staat helemaal bol.’
‘Ja, & dan keer ik me maar niet om,’ zeg ik, ’want jij lijkt er kijk op te hebben. Anders zou je kunnen zien dat datzelfde geldt voor de voorkant van m’n broek. Maar ook dat is slechts een pindabakje.’
Gegiechel. Ooh, & aaah, uit meisjeskelen. Hun vriendjes gniffelen luid. Maar ik loop door. De glazen moeten naar de bar.

’t Ziet er indrukwekkend uit,’ luidt ’t commentaar als ik ’t terras aan ’t vegen ben.
Veilig vanachter de heggen hoor ik ’t weerklinken. Daar waar iedereen de fietsen van slot af aan ’t halen is. Om op weg naar huis of volgende kroeg te gaan.
Een brede bezem is m’n gereedschap. Dat kan ’t niet zijn. Eerder ’t zweet dat zonder moeite in straaltjes m’n hoofd afloopt. & ’t Feit dat ik onafgebroken doorga. Daar houd ik ’t maar op.
‘Ach, ik kan nou 1maal nergens maat mee houden,’ zeg ik, terwijl de stofwolken omhoog stuiven.
‘Heerlijk, zo’n vent,’ zegt de dame tegen haar man.
‘Ja, wacht maar tot je in mijn lichaam zit,’ zeg ik.
De meisjes lachen. Hun vriendjes ook. Ik doe ’t goed vandaag bij de vriendjes van.
‘Spannend,’ zegt 1 van de vriendjes.
‘O ja,’ verzucht ik. Een wolk van zand dwarrelt om me heen, blijft deels plakken aan ’t zweet op m’n voorhoofd. ‘Maar ’t zou fijn zijn als jij ’t niet zei, maar dat alle vrouwen zwegen & ’t ondertussen dachten.’

Ze stappen echter op hun fiets & verdwijnen alras uit Zijperspace.

ethiopiques

Frew Haylou - Eyètègnu Nèqu

Er was de man die altijd de glazen aangaf. Klein, tenger, gedienstig. Vroeger deed-ie dat met 1 hand onder de glazen. Hij doneerde ze, zo leek 't. Ik heb 't ook bij een ander meermaals gezien. Hij reikte ze aan met een beleefd gebaar. Maar dat is er afgesleten. Aangepast wellicht aan de westerse samenleving van glazen aangeven. Toch pakt-ie altijd de glazen op. Hij bukt zogauw-ie ziet dat ik er aankom. Ik hoef ‘m niets te vragen.
Hij kwam binnen & strekte z’n armen. Hij lachte. Met z’n hele gezicht. Je zag dat-ie ’t paradijs inging. Voor even.

De jongen (hij is nog niet zo oud, hoewel ik ‘m al jaren lijk te kennen) bleef buiten. Misschien was-ie al weg. Hij houdt van Sjostakovich & wil die cd’s van me lenen. Ik vergeet ’t alleen steeds mee te nemen.
Hij dronk die dag veel. Zoals altijd. Zonder dat je ’t aan ‘m merkt. Tenzij hij begint te praten. Dan giechelt-ie, dan raakt-ie je met z’n rechterhand aan. Zo’n aaitje. Hij heeft lange vingers.
De jongen gaat tegenwoordig vaak apart zitten. Hij vindt lang niet alle ethiopiërs aardig. Aanstellers, zei hij laatst. Hij giechelde z’n lachje erbij.

De vrouw was er ook. Ik had haar kort ervoor al een stukje laten horen. Ze herkende ’t meteen. Nog voordat de zang begon.
Maar ’t was nog te vroeg. Dus ging ’t weer uit. We draaien altijd pas muziek als de klanten weg zijn. Tijdens ’t schoonmaken.
Ze keek me evengoed met veelbetekenende ogen aan. Ze vroeg hoe ik heette. Ik vroeg niks terug. Had ik misschien moeten doen. Ze wachtte met verlangende ogen. Haar hoofd neigde schuin naar rechts terug, haar ogen langzaam van mij los trekkend.
Ze is trouwens de enige vrouw die echt regelmatig komt. Voor de rest zijn ’t altijd mannen. Een enkele vrouw, maar die zie je daarna meestal een hele tijd niet.

Ze trok een andere man mee naar binnen. De man die betrokken was in de discussie over ’t glas. Een rustige man.
Terwijl iedereen verontwaardigd was vroeg hij in rustig duidelijk verstaanbaar nederlands: ‘Maar we kunnen toch niet de hele tijd kwaad blijven? We moeten toch tot een vergelijk kunnen komen.’
Geen heftige gebaren. Heel rustig. Kalm. Alsof-ie gewend was mannen toe te spreken. Mannen die voor hem werkten.
Haar arm zat in die van hem gestoken toen ze terug naar binnen kwamen. Beiden lichtjes verbaasde blik. Zij leunde lichtjes voorover. Hij rechtop. Behield ’t evenwicht. Hij luisterde. Herkende vroeger (maar dat hoorde ik van iemand anders). Zij ook, maar op een andere manier. Ze keek me smekend aan. Begreep ik toen ze me een knipoog gaf. Toen ze toch echt naar buiten moesten omdat wij verder moesten met opruimen.

De stevige man was ook buiten gebleven. Leek me ook geen type voor uitbundigheden. Bij de discussie kon-ie vooral kwaad kijken. & Kwaad ging-ie de deur uit. Hij wilde zich niet verlagen tot zulke discussies. Gefrustreerd was-ie. Dook liever weg. De stevige man houdt niet van blanken, lijkt ‘t. Hij begrijpt ze in ieder geval niet. Wilt ’t misschien niet.

De man met de krullen was vast al vertrokken. Anders had ik een klop op m’n schouder gekregen.
Hij zei laatst al: ‘Ton, voor jou hebben we respect.’
Vanwege die discussie. Omdat ik rustig bleef. & De beslissing nam ons niet meer druk te maken. Ik gaf ‘m toen een biertje. Helpt altijd.
Ik kom ‘m wel vaker op straat tegen. Laatst was-ie bij een vriend, bij mij in de straat. Ze waren met z’n auto bezig. Z’n vriend kende ik ook nog wel van vroeger. Kwam toen vaak. Nu heeft-ie een druk gezin, vertelde hij.
Ze lieten merken dat ze blij waren mij te zien. Dat geeft een raar gevoel. Ik weet alleen niet welk raar gevoel.

De kale had gezegd dat ’t oude muziek was. Ik had ‘m de 1e tonen laten horen. Hij moest lachen toen ik m’n collega’s had gezegd dat ik ethiopische muziek mee had genomen. Hij stond op dat moment aan de bar.
‘Nee, echt,’ zei ik, & liet ‘t ‘m horen.
Hij was verbaasd.
’t Was oude muziek, zei hij dus. Hij zou van de week een bandje met moderne muziek meenemen.
‘Ook mooi,’ zei hij.

De oude man liet een paar gilletjes horen. Hij had ook aan de bar gestaan. Herkende ’t nu meteen. Kwam naar binnen & ging met gespreide armen door ’t café. Leuke gilletjes.

’t Was leuk om te zien. Maar we moesten opruimen. & ’t Was ook raar. We draaiden hun muziek. & Zij wisten waar ’t over ging. Ik schaamde me bijna. Had een rood hoofd. Ik probeerde voor te doen alsof ’t van ’t harde werken kwam, maar ik denk dat dat niet lukte.
‘Weet je wat,’ zei ik, ‘ik doe ’t raam open. Dan kunnen jullie ’t buiten evengoed horen.’
Ze keken me aan. Gewoon. Zonder uitdrukking. Omdat ik iets zei, keken ze me aan.
‘Dan kunnen wij verder met schoonmaken,’ ging ik verder.
Ik was erg oneerbiedig, dacht ik, maar ik moest aan de andere kant ook gewoon mezelf blijven.

De deur naar Ethiopië ging weer dicht in Zijperspace.

binnen

De vuilnisbak is een ver object. Bijna onbereikbaar. Ik zou wel willen dat ik alles nu weg kon gooien, maar de afstand belet ’t me. & Ik wil de deur niet open doen. Want buiten is ’t donker. Zeker niet koud. Kou ben ik toch zo vergeten. Doet me niks. Een grens van zwart is getrokken achter de barrière van m’n deur. Da’s erger.
De prullen & proppen liggen tijdelijk op 't afdruiprek. Te wachten tot ik morgen meer moed heb. Ik durf ’t heus wel, bedenk ik bij mezelf, maar ik wil ’t niet. Als ik naar buiten ga wil ik naar buiten willen. & Nu wil ik niet. Er is te weinig moeten.
Stel dat ik in een slak sta, voeg ik toe aan de reeds bestaande angsten, dan kan ik een paar dagen m’n sok niet meer dragen. Die ene linkersok. Want met m’n rechter heb ik minder kans een slak te pletten. & De slak, de platte slak, uitgesmeerd over de onderkant van m’n sok, zal mee moeten m’n wasmachine in.
Hoe lang duurt ’t voordat ’t wasmiddel de slak heeft op laten lossen? Is wasmiddel net zo effectief als zout?
Hoelang duurt ’t voordat ik dat vergeten ben? De aanwezigheid van restanten slak.
Hoe kan je überhaupt een sok uit trekken waar een slak aan vastgeplakt zit?
Je ziet de slakken niet. Tenzij je er op let. Maar dan nog zijn ze behoorlijk zwart in ’t zwarte licht van de nacht. Ook al schijnt ’t licht van binnen, vanuit de keuken, naar buiten, de tuin in. Tot voorbij de deur. Richting de vuilnisbak.
& Dan zie je nog veel meer niet. Veel andere dingen buiten slakken. Maar daar wil ik niet aan denken. Want ik ga toch niet naar buiten om de proppen & prullen op te ruimen. Die laat ik liggen. Hoef ik ook niet aan de rest te denken.
Als ik nu de deur uit zou willen gaan, dan zou ik ’t zo doen. Via de voorkant van ’t huis. Zo de straat op.
Ik wil niet. Maar ik zou ’t zo doen. Ik ben heus niet bang voor donker. Of voor alles dat zich buiten bevindt. & Zich laat maskeren door ’t ontbreken van licht.
Maar ik heb gewoon niks te doen in de tuin. Behalve dan die prullen & proppen opruimen. Dat kan later wel.
& Waarom zou ik vliegen & muggen binnenlaten? Ik voel me al vaak genoeg een monster, die zielige geleedpotige beestjes een marteldood van versterving door hitte & een zoektocht naar vrijheid laat doorgaan. Ik wil me niet nog schuldiger gaan voelen. De wereld drukt al op m’n schouders. Blij dat daar even geen mug bij zit.
Ik zou bezwijken. Niet alleen vanwege de mug. Er zijn al zoveel dingen waar ik rekening mee moet houden. Ik hoef geen donkerte erbij. De deur kan net zo goed dicht blijven. De nacht blijft buiten. Ik binnen. & Als ’t perse moet, dan mag er morgen wel weer frisse lucht komen.

Ademhalen kan altijd nog in Zijperspace.

vrankrijk

Cd gekocht. Op internet zocht ik naar info over de band. & Ik merk dat Zea nog deze week in Amsterdam speelt. Bijna voor nop. Zea & Solbakken voor slechts € 3,- in Vrankrijk. Benefiet heet dat. Da’s ouderwets, dacht ik. Daar ga ik naartoe.
Dus ik bleef niet treuzelen op m’n werk. Ging snel naar huis. Nam onderweg patat mee. Met een fricadel. Verschoonde me ietwat. Ook m’n tanden. & Oksels. & Sprong weer op m’n fiets.

Die liet ik 15 minuten later achter op m’n andere werkplek. Daar stond-ie veilig. & Om de hoek van Vrankrijk. De laatste 100 meter kon ik lopen.
Om de hoek fietsten 2 heren even gelijk met me op. Ze gingen samen uit, was te merken. Voor de deur van Vrankrijk bleven ook zij staan. Tussen de deur & een groepje punkers in. Ze tuurden naar wat er geschreven stond op de deur.
‘Is dat vandaag?’ vroegen ze aan elkander. ‘5 Juli?’
‘Ja, is vandaag,’ zei ik, want ik had me hier al een paar dagen op verheugd, wist ’t dus zeker. ‘Kijk,’ wees ik naar de naam Zea, ‘is erg leuk. De moeite waard.’
Ik lachte & drukte op de bel.
Een bekend gezicht deed open. Ik zie al die mensen van Vrankrijk regelmatig voorbij lopen als ik werk.
Ik liep langs haar heen. Alsook de heren. & Plots bleken de punkers te verlegen om zelf aan te bellen, want nu pas durfden zij aanstalten te maken om binnen te gaan.

Maar waarom was ’t zo rustig, vroeg ik me ineens af. & Wilde ’t onmiddellijk vragen aan de barmensen.
‘Dat benefiet .’ begon ik, maar viel al snel stil door onthutsing.
’t Is vandaag de 4e, drong ’t tot me door. Ik was een dag te vroeg.
Daarna zei ik allemaal woorden die m’n moeder me niet geleerd heeft. & Omdat ik er toch was, bestelde ik daar tussendoor een biertje.

€ 1,30 Voor een glas Chouffe. Geheel gevuld, nog wel. Daarna een fles Columbus. Voor een prijs waar ze ’t bij de brouwerij zelf niet kunnen verkopen.
’t Was zo goedkoop dat ik geen fooi durfde te geven. In 1e instantie. Daarna juist weer wel, waarschijnlijk te veel, wat een verbaasd gezicht veroorzaakte bij de bardame. Misschien moet je wel helemaal geen fooi geven in de kraaksector.
Dus keek ik beter om me heen. Kijken hoe anderen betaalden. Maar ’t leek net alsof niemand geld had om bier te betalen. Behalve dan dat groepje jongens met letterlijk te grote bekken. Bij 1tje liep de bek helemaal van kaak tot kaak. Als-ie lachte tot dicht bij z’n oren. Die jongens haalden meteen 2 rondjes & wuifden met hun briefjes, in strijd om wie er zou mogen betalen. De jongen met de grootste letterlijke bek won.
Niemand trok zich daar echter wat van aan. Liever zat men voorovergebogen naar ’t blad van de bar dan wel tafel te kijken.
Af & toe bestelde er iemand een flesje. Dat bleek dan een pijpje Gulpener te zijn. € 0,20 Cent duurder dan een tapje. Maar een tapje had je in 1 slok op. Als men betaalde kon je amper zien dat er geld werd overhandigd. Een puntje muntjes verzameld in de top van de vingers.
Nu snapte ik ook waarom ik altijd Vrankrijk kon bellen voor kleingeld. Er kwam alleen maar kleingeld binnen.

De bel ging weer. Opeens weer een grote groep. Terwijl ik wist dat je ook alleen mocht binnenkomen. Want de pot met de pet naast me aan de bar was zo ook gekomen.
In de groep die net binnen was gekomen zat ook een meisje met een duits accent. Dat bleek toen ze vroeg hoe duur ’t bier kostte.
‘Hoe duur is ’t goedkoopste biertje?’
Uit die zin blijkt ’t niet, maar ik ben er achter gekomen dat je die zin wel zo kan uitspreken dat iedereen meteen denkt van: ‘hé, die is duits.’
Maar € 0,90 had ze niet.
‘Hoeveel kost chips?’
De barman wist de hele rits chipsprijzen uit z’n hoofd op te noemen. Dat was nogal wat, want hij bleef wel een minuut lang voor me staan, z’n gericht op ’t meisje gericht. Namen verkondigend waarvan ik niet wist dat ze in chipsvorm bestonden.
‘O, nee,’ zei ’t meisje met ’t duits accent, ‘ik heb maar € 0,40.’
Maar de barman was een filantropische instelling. Hij gaf haar voor dat geld een zakje chips.

Ik voelde me schuldig. Ik had nog maar € 2,80 uitgegeven. Dat zou ik in een andere kroeg kwijt geweest zijn aan ’t Photoplay-apparaat. & Hier moest ik misschien wel besluiten om te stoppen met drinken. Omdat ’t te snel ging. Te gemakkelijk. Terwijl dat meisje niet genoeg geld had om een zakje chips te betalen.
Ik rekende stilletjes voor mezelf uit dat ik genoeg geld op zak had om de hele tent 5 rondjes te geven. Dan had ik dat meisje ook wel wat kunnen geven. Ik wist alleen niet of dat wel kon in de kraakscene.
Dat meisje ging ondertussen voorovergebogen aan een tafel zitten, om naar de tafel & haar zakje chips te kunnen kijken. Af & toe wat uit de laatste plukkend om ’t in haar mond te stoppen. Een hond kwam tegenover haar staan. Die wilde ook delen in haar luxe. Maar een tik op de staart maakte ‘m duidelijk dat z’n baas dat niet goed vond.
Doe er ook nog maar een rondje hondenbrokken bij, dacht ik, voor de hele zaak.

Dat doen we nog een keer in Zijperspace, maar dan gaan we ’t beter plannen.

liftlog 9

M’n moeder ging naar ’t optreden van m’n broer. In Schoorl.
‘O, dan ga ik mee,’ zei ik.
Heel plotseling. Ik besloot 't ter plekke. Iedereen keek op. Nu opeens?
‘Maar je weet helemaal niet of je nog vervoer kunt krijgen vanuit Schoorl,’ was ‘t 1e commentaar. ‘& Je moet niet van Ma willen dat ze je naar Alkmaar brengt.’
Ach, ik ging gewoon mee. Onderweg zou ik wel bedenken wat ik ging doen, maakte ik duidelijk. Misschien wel verder liften.

Bij Schoorldam liet ik me afzetten. Ik gaf m’n moeder een paar zoenen & zei m’n tante gedag, die achter had gezeten & nu mijn plaats voor innam. Gezellig naast m’n moeder. Ze reden de afslag naar Schoorl in. & Ik liep verder over de Rijksweg naar Alkmaar. Nog maar 8 km.
Je weet niet wie je mee gaat nemen. ’t Enige dat zeker is, is dat je enkele woorden met elkaar gaat wisselen. Waar je naartoe moet, hoever hij/zij gaat, hoelang je al staat. ’t Is altijd een leukere conversatie dan voor je uit zitten staren in de trein.
Van elke auto die voorbij komt kijk je de bestuurder recht in de ogen. Ook al gaan ze nog zo snel. Overtuigd dat je ’t waard bent om meegenomen te worden. Vriendelijk, minzaam, vertrouwenwekkend. Alles draagt bij tot ’t snel meegenomen worden. Zelfs hoe je je benen zet. Nonchalant, stroef of doorgezakt. Degene die je meeneemt wil de ideale passagier in z’n auto. Hoewel men wel degelijk geneigd is veel op de koop toe te nemen. Mocht ’t tegenvallen zogauw je naast ze zit.

De 5e auto nam me mee.
‘Waar moet je naartoe?’
‘Oh, alleen maar tot Alkmaar. M’n moeder heeft me net hier afgezet.’
Totaal overbodig zoveel info bij ’t instappen. Maar ik was goedgemutst. Eindelijk weer ‘ns liften.
De man haalde allerlei spullen van de stoel. Gooide ’t naar achteren. Zodat ik zonder reliëf in m’n billen kon zitten.
‘Ik kom van de camping,’ zei hij toen we reden. ‘Ik moet even naar huis. De was doen. De post doornemen.’
‘U zit daar ’t hele seizoen?’
‘Ja, ’t is heerlijk, ’t leven op de camping. Je leert allerlei andere mensen kennen. Je speelt ‘ns een spelletje kaart. Drinkt een glaasje wijn bij elkaar. & Niemand moet iets. Je hebt allemaal ‘tzelfde doel. ’t Is heerlijk om daar de laatste jaren van je leven door te brengen, zolang ’t kan. ’t Leven is niet meer zo gejaagd, als vroeger.’
Hij keek voor zich uit. We reden achter enkele andere auto’s. Rustig tempo, geen neiging om iets in te halen, maar net zo snel als degenen voor ons.
& Als de man wat zei, dan keek-ie me kort aan. Bij de 1e woorden.
‘Dat is ook zo mooi van deze auto. De techniek gaat zo snel. Ze kunnen alles. Moet je kijken: we rijden de hele tijd 80. Ik hoef niets ervoor te doen. Cruisecontrol heet dat. Alleen als ik rem, dan gaat-ie er vanaf. Maar als ik denk dat ik op een lekkere snelheid zit, dan druk ik weer deze knop hier in,’ hij wees op een knopje naast ’t stuur dat ik net niet kon zien, ‘& dan rijd ik de hele tijd ‘tzelfde tempo. Je rijdt dan veel rustiger. Geen spanning.’
& We waren al in Alkmaar. Via de oude weg gingen we Alkmaar in.
‘Kijk,’ wees-ie naar een scheefstaand bord, ‘dat bord daar, dat staat al jaren scheef. Gebeurt nooit wat aan.’
‘Niet zoveel mensen gebruiken deze weg nog, denk ik.’
We naderden ’t station.
‘De trein staat al klaar,’ zei hij, ‘als je nou snel bent ’
We zijn inmiddels gestopt. Vlak voorbij de spoorwegovergang. 200 Meter verder langs ’t spoor ligt ’t station.
‘Nee, hoor, ik ga me niet haasten. Als ik lift dan heb ik alle tijd van de wereld. Anders neem ik gewoon de volgende trein.’
‘Nee, ik bedoel: dat als je nu snel uitstapt, dan heeft die man die daar achter ons rijdt geen last van ons.’
Ik keek om & zag een auto naderen. Ik stapte snel uit. & Keek de man zo lang mogelijk na. Met opgeheven hand om te zwaaien.

’t Einde van een rit is net zo belangrijk als ’t begin ervan in Zijperspace.

made

Ik had wel ‘ns gelezen dat ’t gezond zou zijn. Met foto’s erbij van hoe ’t geserveerd kon worden. Of hoe men ’t in bepaalde landen bereidde tot maaltijden als ware ‘t delicatessen. Daar, in landen waar ’t veel warmer is dan hier. Daar waar men somtijds geen ander voedsel had, zo waagde ik te geloven.
’t Staat me ook bij dat ’t wel ‘ns op tv is getoond. Allemaal studenten voedingsleer van een engelse universiteit die exotische producten gingen bereiden. Met beesten waar gewone westerse mensen van gruwelen. Alleen al bij ’t idee dat ze ditmaal door de mond naar binnen moesten. ‘Genoten’ moesten worden.
Sprinkhanen werden toen geïntroduceerd, gefrituurd, of gebakken met een uitje. & Allerlei ander ongedierte. Wat wij nog onder ongedierte verstaan. Allemaal zeer rijk aan voedingsstoffen, zo zeiden de studenten & hun begeleiders. & Volgens degenen die voor de camera durfden te melden dat ze ’t gegeten hadden ook zeker de moeite waard.
’t Zou allemaal wel. Mij werd ’t vooralsnog niet voorgeschoteld, dus ik hoefde me niet druk te maken.

Gister wel. Uit ’t doosje pijnboomzaad, zo’n plastic doorzichtig bakje, een gemakkelijke verpakking voor de turkse winkel om ’t in kleine hoeveelheden aan z’n klanten te slijten, kwam een klein dun wormpje gerold, toen ik van plan was enkele exemplaren van de oorspronkelijke inhoud te gaan aanbakken tbv een te bereiden tapenade. Er volgden er zelfs meer. Ze kronkelden ijverig, schreeuwden, gilden, krakeelden luidruchtig, voor hun doen waarschijnlijk keihard: ‘Ik wil er uit, ik wil er uit!’
Maar dat hoorde ik niet, confuus als ik was dit soort beestjes te mogen aantreffen in mijn eigen huishouden.
’t Was een heel dun pietepeuterig wormpje, dat 1e beestje, alsook degenen die er op volgden. Stuk voor stuk. Wit, met dunne rimpeltjes over ‘t lichaam. Ik kon kop nog kont van elkaar onderscheiden, maar ik geloof dat dit een normaal verschijnsel is bij dieren die een dergelijke vorm aangenomen hebben. Of anders ligt ’t aan ’t feit dat ik met mijn menselijke ogen gewoon ’t voorste noch ‘t achterste weet te duiden. Daar zijn ze wellicht te klein voor, de madeoogjes & de madepoepgaatjes.
Want die conclusie had ik onmiddellijk al getrokken: dit moesten maden zijn.
Veel over gehoord. Sterke verhalen, onsmakelijke verhalen, beeldend vooral ook.

Ik geloof dat Ron me ooit verteld had dat-ie terugkwam van vakantie & ’t verschrikkelijk vond stinken. Dat vertelde hij me lang geleden. Meer dan 15 jaar terug. Maar ik kan me z’n verhaal nog levendig voor de geest halen.
Na lang zoeken & niets vinden besloot-ie ’t gasfornuis maar ‘ns te verplaatsen. Hij kon de bron van de stank daar met z’n reukorgaan lokaliseren. De plak biefstuk, vlak voor de vakantie in alle haast weggeschoten uit de pan & onmiddellijk vergeten vanwege bezigheden die op stapel stonden te gaan plaatsvinden in verre oorden, was veranderd in een woedende witte menigte, wild krioelend op een gigantische hoop leven dat toch echt dood was toen-ie er afscheid van genomen had.
& Ik kon me ‘t beeld maar al te levendig voorstellen. M’n armen kringelden over m’n hoofd, m’n handen in m’n gezicht, voor m’n ogen, krabbend in m’n haar, alsof ik daarmee ’t beeld van de hordes maden kon bezweren.
Die nogeneens aanwezig waren. ’t Was maar een vertelsel van Ron.

Ik had ze dus in m’n steelpannetje rond spartellen. Tevoorschijn getoverd uit ’t bakje van de turk. Wil ik voor de rest niks mee zeggen, niets kwaads over m’n allochtone medemens, maar ’t klinkt zo lekker, dus noem ik ‘t ’t bakje van de turk. Maden uit ’t bakje van de turk. Korte kronkelende witte lichaampjes, genietend van de warme gloed die onder hun ontstond.
Ik vraag me dan af waar ze vandaan komen. Ik weet toch zeker dat ik dat bakje al die tijd afgesloten heb bewaard. Deksel er op, toegedrukt, geen kier mogelijkheid om er in te ontsnappen. Zelfs niet voor een mammamade.
Net als fruitvliegjes. Je laat een flesje bier staan. & Vervolgens weten ze de inhoud als lekker te herkennen & komen ze er in grote getale op af. Vanochtend nog. Er was op m’n werk gedurende de nacht een flesje gebarsten. & In alle donkerte hadden toch een 10-tal fruitvliegen de lekkernij weten te lokaliseren.

Ik heb die tapenade dit keer maar zonder pijnboompitten bereid. Leek me zinvol. Ik wilde niet die extra voedingsstoffen binnenhebben. Hoe luid men vanuit Engeland ook zou beweren over hoe gezond deze maaltijd dan had kunnen zijn. Liever maakte ik een tapenade met slechts olijven, ansjovis, basilicum & peper (ik vergat in alle consternatie ook nog de kappertjes toe te voegen, waar toch geenszins schimmel op was ontstaan, dan wel een ander levend wezen z’n voortbestaan dacht te kunnen garanderen door zich daarop te vestigen).

Daarnaast bevreemdt ’t me dat ik zo zit te rillen van dat kleine beestje. ’t Was dan wel met enkele soortgenoten aanwezig & ze lieten al bewegend merken dat ze daar wel degelijk waren, maar ze waren daar met z’n allen toch vooral bezig heel klein te zijn. Niets vergeleken met ’t sterke, maar ik durf van de volledige waarheid ervan uit te gaan, verhaal van Ron. Slechts een enkele exemplaartje dat toevallig z’n broertje & zusje had meegenomen om ‘ns vrolijk met z’n allen op z’n ‘made’’s te dansen in een hete steelpan. Niets om je ongerust over te maken, bedacht ik me even later.

Nadat geheel Zijperspace gedesinfecteerd was.

voorstel

Dit is heel moeilijk. Een reactie geven als je hebt gezien dat er al 24 je voor zijn gegaan. Misschien zijn dat er nog wel meer zogauw ik klaar ben met reageren. Maar ik moet, want ik heb iets te zeggen & waarschijnlijk is 'tgeen ik ga zeggen veel belangrijker dan 'tgeen anderen tot dusverre hebben gezegd.
Derhalve lees ik niet wat er aan mijn reactie is voorafgegaan.

Kijk, Charlotte, ik doe 't met zo'n 100 bezoekers per dag. Unieke bezoekers. De laatste recessieperiode van aanvangende vakantiedagen zelfs met minder. Ik moet daar tevreden mee zijn. Vindt men. Zelfs met 't feit dat ik daar nog een marginale hoeveelheid reacties op krijg. Hoewel men daar een beetje van teruggekomen is toen ik een stukje schreef dat ik daar toch wel genoeg van had. 't Moet geen 1-richtingsverkeer worden, zei ik ze. Vooral niet omdat ik zo hard m'n best deed 2 keer per dag toch wel van mijn zieleroerselen gewag te doen.

& Da's niet niks hoor, 2 keer per dag, dat kan ik je wel vertellen. Da's poepveel. Ik werd er af & toe tureluurs van. Ik kon niet met een meisje afspreken of ik zag alweer stof om te schrijven, of was teleurgesteld als dat niet 't geval was. Sex was niet nodig. Een onderwerp & stof tot schrijven noodzakelijk. Anders geen reden tot nog een keer ontmoeten.
Alles heeft een bestaansrecht. Een bestaansrecht, bedoel ik dan, om in woorden gevangen te worden. Om voort te blijven leven. Om tot verhaal gesmeed te worden. Zodat anderen ’t kunnen lezen. Zodat er een bepaalde diepgang méér aan wordt gegeven dan slechts datgene dat zich afspeelt in mijn hoofd. Of datgene dat toevallig passanten aan mij zien. Alles wat gebeurt in mijn bescheiden leventje heeft de mogelijkheid om, samengesmeed met andere voorvalletjes, gebundeld in een orgie van toevalligheidjes die op dat moment ook in datzelfde gedeelte van mijn brein rondspoken, tot verhaal geboetseerd te worden. Met een leugentje links, een lekkermakertje rechts, & in ’t midden een sausje van opsmuk erbovenop. ’t Moet wel leuk om te lezen zijn tenslotte.

Grappig genoeg had ik van de week precies ‘tzelfde idee als dat jij nu onder woorden hebt gebracht: elke lezer moet 2 andere lezers meenemen of anders ga ik er niet mee door. Leek me wel een leuk plan. Jammer dat jij ’t nu als 1e kond hebt gemaakt. Ik wilde ‘t 1st nog even verder uitwerken voordat ik de lezer ermee ging lastig vallen.
Maar ja, uitvindingen blijken vaak op meerdere plekken tegelijkertijd te worden geboren.
Ik had ook nog een ander plan: elke medelogger moest mij bovenaan de linklijst zetten, een maand lang. Dit om te bewijzen dat ik, met mijn naam die met een ‘z’ begint & daardoor altijd als laatste wordt genoemd, vanwege de menselijke drang alles op alfabetische volgorde te plaatsen; dat ik meer bezoekers zou trekken zogauw ik aaperspace had geheten. Waarbij ik met ‘ik’ natuurlijk mijn weblog bedoel (je gaat je hele persoonlijkheid op een gegeven moment identificeren met ‘tgeen je schrijft; ik in ieder geval wel; & da’s dan weer heel vreemd, vooral omdat ik net beweer dat niet alles wat gezegd wordt volledige waarheid is; men krijgt er als vanzelf een gespleten persoonlijkheid van; maar ja, ’t dient een hoger doel, denk ik er dan maar bij).

Edoch. Ik ga natuurlijk niet voor niets zo’n ellenlange verhandeling geven op jouw reageerding. ’t Moet natuurlijk ook een functie hebben, zeker gezien ’t feit dat ik bijna nooit meer ergens reageer, ik zeker niet gezien kan worden als een reageur (een geuzennaam, zo beschouw ik dat nog steeds), & ik dit, aangezien ’t toch al de omvang heeft gekregen van 1 van m’n eigen stukjes, ga plaatsen op m’n eigen weblog (je moet maar denken: dat levert je in ieder geval nog een beetje meer lezers in de richting van die bedoelde 1000 op; niet veel, maar toch wel een stapje verder).
Ik moet er zelf ook wel profijt van hebben. Anders zijn mensen ook niet geneigd naar mijn blog te stappen. Met de intentie van: ‘Zo, kan hij ook schrijven dan?’
Mensen moeten denken van: ‘Goh, wat leuk, wisten we niet; jammer dat we dat nog niet eerder ontdekt hadden.’
& Andersom natuurlijk ook.

Daarom leek ’t mij wel leuk om dat ideetje van je, door mij al ‘ns eerder gebruikt, maar er zijn nog vele varianten mogelijk, ’t ideetje dat je eigenlijk tussen neus & lippen door wegmoffelt, vanwege ’t feit dat anderen, jouw lezers in deze, niet begrijpen wat je met die suggestie wil. De baby van Maxima. Dat mensen hun eigen onderwerp indienen. & Dat wij, logvullers, weblogschrijvers, beroepsdagboekadepten, of hoe men de afwijking die we hebben ook noemen wil, ingaan op hun suggesties. Tezamen, tegelijk, zonder te weten wat de ander schrijft. & Dat we dan beiden 1000 lezers krijgen. Wellicht 3000. Omdat we zo goed kunnen schrijven over onderwerpen die de lezers zelf aandragen.
We verdienen meer aandacht nl, jij & ik (misschien anderen ook wel, maar daar wil ik even helemaal niet over nadenken). We kunnen toch niet zomaar blijven sukkelen bij de respectievelijke 100 & 284 unieke bezoekers. Daar moet meer inzitten. Zeker met die woordenboeken die jij & ik dagelijks raadplegen. ’t Gewicht alleen al van die boeken dient ‘ns in daadwerkelijke lezers omgezet te worden.

Dit natuurlijk alleen als jouw actie van 2 lezers extra per lezer niet lukt.
Om je hierin aan te moedigen draag ik, behalve door je te linken dmv dit stukje, geen andere toekomstige lezers aan.

Zijperspace moet tenslotte ook profijt trekken van onzinnige voorstellen.

muis

Ik riep naar Quint: ‘Schiet ’t al op?’
Waarop m’n moeder zei dat ik stil moest zijn. Pa sliep.
Dus begaf ik me naar boven. Naar de comp. Om te kijken of de nieuwe harde schijf aangesloten kon worden.
Ik leunde achterover tegen een tafel, m’n rechtervoet op een stoel. Over de schouder meekijkend. Quint gaf de comp allerlei opdrachten. Dan weer aan. Dan weer uit. Steeds weer kijken of ’t werkte.
Plots zag ik iets in m’n ooghoek.
‘Hoi, Pa!’ zei ik. ‘Heb ik je wakker gemaakt?’
‘Nee, hoor,’ zei hij met een slaapsuffe blik, een pluk haar omhoog, de kussen in z'n wang afgedrukt. ‘Waar is Ma?’
Z’n hoofd was nog steeds alleen maar z’n hoofd. De deur sloot de rest van ’t beeld af.
‘Ma is beneden.’
De deur bleef vervolgens op een kier open staan. Zonder hoofd.

Ik ging maar weer naar beneden. Naar de keuken. Kijken hoe ’t er daar voor stond. Alles verandert snel als je even langs wipt. ’t Hele huis is in beweging.
‘Waar is Pa?’ vroeg ik.
‘Oh, die is boven,’ zei m’n moeder, ‘ligt te slapen.’
‘Hij ging daarnet nog naar beneden,’ zei ik verwonderd.
‘Maar hij was nog niet uitgeslapen.’
Marc stond naast m’n moeder ’t eten klaar te maken.
‘Zouden we wel genoeg eten hebben voor 5 man?’ vroeg-ie.
‘Ach, Pa eet niet zoveel.’

‘Hé, Quint,’ zei ik terwijl ik weer naar boven liep.
Weer iets te hard.
‘Oja, ik moet zachtjes praten.’
Om vervolgens in de computerkamer te roepen: ‘Quint!’
Maar Quint zat er niet.
Ik deed de gesloten deur open die uitkwam op de overloop. De deur waarachter m’n vader niet kon liggen. Quint lag op bed. Kussen op z’n hoofd.
‘Lukt niet,’ mompelde hij. ‘Ik moet slapen.’
Ik kan nooit slapen als ik op familiebezoek ben.

‘Wil je zitten, Pa?’ vroeg ik.
Hij stond met z’n knikkende knieën bij z’n nieuwe stoel. Apathisch, met een dove blik. Ik had z’n stoel daarnet uitgeprobeerd. Je kon je achterover laten leunen, terwijl je benen mee omhoog bewogen. & ’t Hoofd kon ook achterover. Dan moest je ’t koord aan de zijkant omhoog trekken.
‘Nee,’ zei Pa, waarop-ie langzaam om de tafel heen bewoog.
Maar toch die ingezakte benen. Armen los langs z’n lichaam hangend.
‘Nou,’ zei m’n moeder, ‘niet zo die armen laten hangen.’
Pa trok z’n schouders op. Met een plotse glimlach.
Ik lachte.
‘Ja, Pa,’ zei ik, ‘fit!’
Zoals ik vroeger zei als ik dronken was. M’n armen omhoog. Vuisten gespannen.
M’n vaders armen bleven hangen. Een cm hoger dan daarnet.

Ik ging in Pa z’n stoel zitten. Om nog een keer uit te proberen. Vlak voor ’t eten. Ma naast me. Op de oude bank. We praatten. Terwijl Pa ernaast stond.
‘Vind je ‘m lekker zitten, Pa?’ vroeg ik.
Hij keek verwonderd. Maar opeens leek-ie de vraag te vatten. Hij neigde licht voorover. Over de knieën van m’n moeder heen. Zover z’n rug al niet die kant opstond.
‘Moet je niet verder vertellen,’ keek-ie guitig. 'Ik weet ook niet of ik 't wel mag zeggen.'
Z’n wangen gloeiden.
M’n moeder zei ondertussen ook iets. Over de videorecorder. Maar ik wilde horen wat m’n vader zei.
‘Er liep gister een muis.’
Z’n hand wees naast de tv. Naar de contactdoos voor de tv & videorecorder.
‘Ja, hij had gister erg veel lol toen Carel & Franchet langs waren,’ zei m’n moeder.
Pa hoorde opeens wat m’n moeder zei. Hij keek haar aan.
‘O, ze zit daar!’ zag ik ‘m denken.
Hij was vergeten waar m’n moeder zich bevond.
‘Vind je toch niet erg?’ terwijl-ie de schouder van m’n moeder pakte 'dat ik 't verteld heb.'
In dezelfde overhangende houding. Hij lachte nog steeds. Die muis. Hij keek naar de contactdoos.
‘Een grote bruine,’ voegde hij er aan toe.
Hij had bijna tranen in z’n ogen van vrolijkheid.
M’n moeder zei zacht: ‘Inbeelding. Komt door de medicatie.’
M’n vader hoorde ’t niet. We wisten dat-ie ’t niet hoorde. Maar hij lachte.
‘’t Eten is klaar,’ riep Marc vanuit de keuken. ‘Roep Quint even.’

Sinds lang niet zo’n mooie droeve glimlach gezien in Zijperspace; of was ’t een droeve mooie?

herkenning

Ik sta weer buiten. M’n fiets van slot. Omgekeerd. Om weer naar huis te
gaan.
Een man komt stapvoets dichterbij. Werpt een trage blik de boekwinkel in. Ik zie ondertussen nog wat in de uitverkoopbakken liggen. Onder de luifel.
‘Kinderboeken,’ zegt de man.
Hij is oud. Grijs haar. Z’n wangen worden langzamerhand lege zakken die
hangen.
‘Nou, niet alleen kinderboeken,’ zeg ik, terwijl ik Pirandello in m’n hand neem. Voor € 3,95. Ernaast ligt ‘Metamorfose’ van Kafka.
De man ziet ’t nu ook. Langzaam & stroef buigt-ie voorover. Pakt Kafka. & Legt ’t weer terug.
‘Op m’n werk heb ik 60.000 boeken,’ zegt-ie tegen me.
Ik hum. Zodat ik niets hoef te zeggen, maar toch niet onbeleefd ben.
‘In een bibliotheek,’ gaat-ie verder. ‘Van ’t Rijksmuseum. In de Jan
Luykenstraat.’
Ik leg ondertussen Pirandello terug. Ik wil verder rijden, maar de man kijkt me nog aan. Met starre ogen. Glazig. Hij leunt onderwijl op de bak van de uitverkoop. Lichtjes, maar toch.
‘Gratis,’ vertelt-ie. ‘Dat weten een hoop mensen niet. We krijgen een hele hoop lezers evengoed.’
Nog een hum van mij. Ik besef me opeens dat wegrijden zonde is.
‘Nu zal ’t wel minder zijn. Want studenten hebben nu vakantie. Nu hebben ze de bibliotheek niet meer zo hard nodig.’
Ik glimlach. Ik wil nog zeggen dat ik ook in een bibliotheek heb gewerkt. Maar dan ga ik in ’t verleden praten. De man leeft nog in ’t nu. Ook al is die al even geleden.
‘Nou,’ zegt-ie, z'n linkerhand lichtjes omhoog bewegend.
Met z'n rechter laat-ie de uitverkoopbak los. Ik schuif automatisch een dm op. Dan kan-ie er langs.
Langzaam zet-ie weer een voet voorwaarts.
‘Tot ziens,’ zeg ik maar.
‘Ja, dag.’
Zo zeiden mensen vroeger gedag, denk ik erbij.
Z’n rug buigt iets voorover. Daar herkende ik ’t aan. & Z’n ogen. Z’n ogen leken ook op die van m’n vader. Maar dat denk ik pas als ik de hoek om ben.
Hij loopt tenminste nog los rond, denk ik de volgende bocht nemend. Alsof ik ’t over een hond heb, betrap ik mezelf meteen.

Ik kan m’n vader overal tegenkomen in Zijperspace.

finished

‘Ik heb ‘m bijna uit,’ zei ik & ik pakte m’n boek op van de toonbank.
Hij lag over ’t randje. De blz die ik al achter de rug had op ’t blad. De rest hangend. De laatste blzs & de achterkaft.
Ik liet ‘m zien. Ik liet zien hoever ik was. Hoever ik nog te gaan had. Ik liet zien hoe ik ernaar verlangde terug te duiken in ’t verhaal.
‘Je bent bijna aan ’t einde?’ vroeg de klant. ‘’t Ziet er eerder uit alsof je ‘m al een paar keer gelezen hebt.’
Ik keek naar de beduimelde zijkanten. Ik zag hoe ik te pas & te onpas ’t boek had opgepakt. Waar ik ook was. Hij reisde met me mee. De zijkanten waren zwart.

De laatste blzs heb ik gelezen terwijl ik een liter Schumacher Alt dronk. Vorige week zelf uit Düsseldorf meegenomen. Een krat vol met literflessen. Elke avond 1. 5 Avonden achter elkaar. Terwijl m’n nek scheef groeide van ’t boek. & Van ’t glas dat vol naast me stond. Aan de rechterkant. M’n hand moest ik steeds optillen, in een bocht manoeuvreren & naar m’n mond brengen, onderwijl ’t polsgewricht met een knikkend geluid draaiend.
Ik zat liever in een andere houding. In een andere stoel. Vooral met dit boek. Maar ik kon niet anders.
Onderweg naar Düsseldorf, & weer terug, heb ik geprobeerd te lezen. Maar juist tijdens de meest saaie bezigheden kan ik me er niet toe concentreren.
Zet me in een drukke metro, ik blijf lezen.
Een lange weg, met slechts auto’s die langsrijden, allen elkaar gelijkend, dwingen me voor me uit te staren. Anders niet. Ik had hooguit 10 blzs gelezen. Op 5½ uur auto. Ik ging aangeschoten naar bed, die avond.

Ik wilde slechts 1 glaasje Schumacher drinken. Daarna m’n maaltijd. Daarna ’t boek. Verder.
Want tijdens dat 1e glaasje wilde ik ook lezen.
Maar ik vond Schumacher zo lekker. & ’t Boek wilde niet stoppen.

Vroeger gooide ik elke keer weer een gulden in de automaat. Omdat ik niet kon geloven dat nadat ik ermee zou stoppen ’t niet meer leuk zou zijn. De volgende keer zou veel leuker worden dan alle voorgaande.
& Op een bepaalde manier was dat ook altijd zo. Ook al had ik spijt van ’t geld dat ik niet kon missen. Of om ’t feit dat ik ’t volgende niveau weer niet haalde.
Maar ik bleef doorgaan. Tot ik niet anders meer kon dan naar huis gaan.

Gister begon de hoofdpijn. & M’n arm wilde niet meer. Nek & arm waren lamgeslagen. Ik moest denken aan een hersenschudding nav een ongeluk.
Ik bleef zitten. Nam hooguit een andere houding aan. Bewoog m’n hoofd heen & weer terwijl ik doorging met letters spellen. Ik was aan ’t klokkenluiden terwijl ’t langzaam spannender werd. Anders haalde ik de eindstreep niet.
Diezelfde avond besloot ik dat ik niet meer verder mocht lezen. Want anders kon ik de volgende dag m’n hoofd niet meer rechthouden. Ik ging tv kijken. & Zat een ½ uur later weer in m’n leesstoel. Hoofdschuddend.

Ik verloor een stukje van blz 719/720. Bleef vastzitten aan de toonbank. Enkele letters waren verwijderd van de tekst. Tabe & Jan maakten grappen. Of ik wel kon lezen. Ik liet ze ’t stukje zien.
Nee, ik moest ’t boek lezen.
‘Zal ik ‘t ‘ns voordoen,’ zei Jan, terwijl-ie op m’n boek afliep.
Ik hield ‘m weg. Jan & Tabe lachten.

Merijn zei even later dat-ie m’n boek wel wilde lezen. Ik moest denken aan de vetvlekken, de zwarte strepen langs de zijkanten van de blzs. Ik moest denken aan ’t hoekje van de gescheurde blz. Die ik weer vastgeplakt had met 3 streepjes plakband.
‘Nee,’ zei Merijn even later, ‘is ook niet nodig. Ik lees ‘m wel van Els. Die koopt ‘m ook.’
Ik was opgelucht, want ik wilde mijn scheuren & vlekken voor mezelf houden. Ook al vond ik ze niet mooi. Maar ze waren van mij.

Ik had al pijn in m’n hoofd, maar toch probeerde ik vlak voor m’n werk gister nog even te lezen.
Evert stond op een gegeven moment aan de rand van ’t terras. Ik zat in de schaduw van een boom. Te wachten tot ik geroepen zou worden dat ik nodig was achter de bar. Ik zat tussen 2 groepjes in. Man & vrouw, beiden.
‘Is ’t spannend?’ vroeg Evert over de heg heen.
Glunderend, met z’n kind ernaast.
‘Ja, nu begint ’t spannend te worden.’
De vrouw die de hele tijd naast me tegen haar man had zitten kwebbelen, dook plotseling voorover.
‘Oh, Harry Potter,’ zei ze.
Ik wilde ’t boek wegtrekken. Maar drukte ’t tegen m’n benen aan, zodat niemand meer de omslag zag.

Een liter Schumacher was op. ’t Boek nog enkele blzs te gaan. M’n eten was klaar. Stond in de magnetron op me te wachten.
Ik strompelde letters, hinkte woorden, & struikelde leestekens. Ik moest & zou ‘m uitkrijgen.
Omdat ik geen afscheid wilde nemen. Ik wilde ‘m bij me houden. Daarom moest-ie uit.

We beginnen in Zijperspace opnieuw met ’t lange wachten.