geen stukje vandaag

‘Wat heb jij toch? Dat je elke keer wat hebt,’ zei Rachel. ‘Dat je meteen zo verschrikkelijk uitgeschakeld bent.’
‘Ik weet ’t niet. Maar als jij ‘tzelfde zou hebben, dan zou je ook niet veel kunnen.’
Daarom vandaag maar geen stukje, denk ik. Nadenken gaat me niet zo goed af met een hoofd dat ik niet kan schudden om de gedachtes los te maken. Krampachtig probeer ik bij ’t typen in exact dezelfde houding te blijven zitten; ik voel dat m’n ogen ’t werk moeten doen. Ze volgen de steeds verder rechts in ’t beeld verschijnende letters. De enige beweging die m’n hoofd toestaat. Totaal gefixeerd staat-ie op m’n romp.
‘Kan jij geen sms-je naar Sas sturen?’ vroeg ik nog aan Rachel. ‘Dan hoef ik haar niet wakker te bellen. & Ik heb de telefoonnrs van de anderen niet.’
‘Ja, dan denkt ze meteen: “Wat doet Rachel bij Ton?” Hahaha.’
‘Oh, ja, daar had ik niet aan gedacht. Stuur dan maar: “Ton heeft een stijve. Hij kan niet werken.”’
Nog meer gelach. Moeizaam lach ik mee. M’n kaak voelt ‘t. Zelfs m’n kaak.
‘”Ton heeft een stijve. Groeten, Rachel”. Hahahaha.’
Maar ze stuurt wel wat. & Ze komt straks even langs om m’n nek te masseren.
Ik moet in bed gaan liggen, vond Rachel. Een boekje gaan lezen, rustig, ontspannen.
‘Nu hang ik op, hoor,’ zei ik. ‘Die hoorn vasthouden is ook niet goed.’

Vandaag dus geen stukje vanuit Zijperspace.

buik

Ik kijk naar beneden & zie een bobbel. Ik constateer ‘t: 't is meer dan ik gewend ben. Nog niks vergeleken met wat andere mannen elke dag met zich meedragen, mannen die niet eens kunnen zien dat ze iets tussen de benen hebben hangen, mannen die misschien wel denken dat hun lichaam niet verder loopt dan die afgrond daar beneden, terwijl de rest van de mensheid kan constateren dat dat slechts ½erwege is, mannen die geen weet hebben, wellicht hun jeugdherinneringen verdrongen om geen traumatisch zelfbeeld te kweken, van hoe ze zich tegenwoordig voortbewegen & -planten; maar ik moet constateren dat ’t zich daar bevindt.
Een heuveltje. Een heuveltje van een late maaltijd & bier als toetje. O nee, voor ‘t bier was daar nog een bak thee. Toch ook bijna een ½e liter vocht.
Die thee wil er nu uit. Daarom sta ik voor de toiletpot. Dat is de reden dat ik zo’n fraai uitzicht over m’n lichaam heb. Een verticale horizon. Ik heb ’t t-shirt wat hoger opgetrokken om te zien of ’t waar is wat ik zie. & Ja, de buik lijkt momenteel niet verder te gaan dan vlak voorbij de navel. Daarna de genoemde afgrond.
Proberen zoveel mogelijk eruit te plassen, denk ik, dan slinkt-ie vanzelf.
Ik zet er dus nog even wat extra kracht achter. 3 Druppels bonus levert dat op. & Een voldaan gevoel.
Ik kan me overigens niet herinneren, bedenk ik me, ’t zaakje op de tast weer opbergend, dat een vrouw heel genoeglijk haar oor op mijn buik heeft gelegd. Zoals ik pleeg te doen als ik me volledig op m’n gemak voel in ’t gezelschap van een vrouw. Daar zijn de vrouwenbuikjes voor, pleeg ik dan te denken, om genoeglijk je oor op te rusten te leggen. Voor de rest denk ik dan niks. Behalve dat ik dan eigenlijk van regeringswege verplicht gesteld zou willen hebben dat alle vrouwen een vrouwenbuikje onderhouden. Een kleine bobbel, ter hoogte ong van de navel beginnend. Dat die door de vrouwen zelf niet wegbezuinigd mag worden door minder te gaan eten. Dat die vrouwenbuikjes gewoon bij elke vrouw aanwezig zijn, in allerlei soorten & maten. Dat zou veel mannen gemoedsrust geven. Meer gemoedsrust. Zolang ze tenminste hun oor daarop te ruste kunnen leggen.
Vroeger werd er altijd gewaarschuwd: ‘Wacht maar tot je 30 bent, dan zul je zien dat jij ook een buik hebt.’
Maar toen was ik 30 & er was niks.
Toen pasten ze de uitspraak aan: ‘Wacht maar tot je 35e, dan zul je zien dat jij ook een buik hebt.’
35 Jaar oud was ik & ik kon nog steeds niets onderscheiden. Alsof er aan een dwerg beloofd is dat-ie later groot zal worden.
Op m’n 37e zei ik dat ik toch iets van een buikje bij mezelf begon waar te nemen. Ik pakte demonstratief een vetrol beet van onder m’n shirt & wachtte op commentaar.
‘Nee, jij wordt niet dik,’ werd er ontkent. ‘Bij jou groeit er geen greintje spek.’
Alsof ik daardoor meteen een minder mens was, zo voelde dat. Bij mij zou de groei nooit komen. Een volledige volwassen status zou mijn lichaam niet bereiken.
& ’s Avonds laat, da’s ’t treurige, kan ik bij mezelf constateren dat ’t er wel degelijk is. Zo’n gezwollen heuvel, precies op de plek waar ’t hoort te zijn. Maar niemand die kijkt.
Gefrustreerd sta ik dan voor de pot, de liters overtollig vocht er weer uit te plassen, in de wetenschap dat de mensen mij de volgende ochtend weer zullen herkennen.
‘Oh, daar heb je die man weer die geen buik wil krijgen.’
& Dan pers ik er weer 3 druppels extra uit. Om toch nog een beetje mee te doen.

Met 3 druppels doet men al aardig mee in Zijperspace.

woordjes

Ik weet zo goed als zeker dat Dimitri mij ’t woordje geleerd heeft. Hij was de 1e die 't in z'n mond nam waar ik bij stond. ‘Neuken’. Ik wist absoluut niet wat ’t zou moeten betekenen. Evenmin wist ik wat ‘kapotje’, dat hij & Frans heel vuig konden zeggen, moest voorstellen, of ‘kutje’, laat staan ‘condoom’, dat ik vanaf toen naïef met een ‘k’ schreef, jarenlang, & later pas bewust principieel vanwege de broodnodige taalvernieuwing.
Ze zullen misschien ook wel ‘beffen’ hebben genoemd. Maar dat ben ik dan vergeten. Want jaren later, ik zat al op de middelbare school, ben ik tijdens ’t bollenpellen dat woord ter ore gekomen. Door een stoer meisje. Ze schreeuwde ’t naar elke jongen die afgebluft moest worden. M’n buurman heeft toen moeten uitleggen wat beffen was.
Dimitri & Frans bezigden hun woorden achter de fietsenstalling van school. We stonden tussen de fietsen in. Als we ergens op gingen staan, dan konden we de balken van ’t afdak pakken & hangen. Ze werden nl onrustig van ’t gebruik van deze & andere woorden. Dat interpreteerde ik toentertijd als stoer.
Ik wilde ook stoer zijn & probeerde de balken ook te halen. Maar toen was ik al de kleinste van de klas, dus zag ik me gedwongen slechts hun geheime woordjes te herhalen.
‘Wat betekent dat dan?’ vroeg ik.
Dat vertelden ze niet. Ze bleven geheimzinnig doen. & Opgewonden.
Maar waarom kenden zij woorden die ik niet kende? Dat snapte ik niet. Vooral Dimitri. Die kende heel veel onbekende woorden. Hij ging er een beetje raar bij kijken als-ie ze noemde. ’t Bracht een beetje spanning teweeg. Ook bij mij.
‘Ah, vertel nou,’ zei ik nog een keer.
‘Vraag maar aan je moeder,’ zei Dimitri. ‘Die weet ’t vast wel.’

Ik weet dat ik net naar muziekschool was geweest. Dat ik, zoals anders, via de achterdeur binnen was gekomen. De keuken in. We hadden nog geen barretje in de keuken. & ’t Was er nog niet bruin. Meer wit. & Bloemen, geloof ik.
Muziekles had ik van meneer van Oefelen gehad. De man die slofte. Hij slofte z’n buik vooruit. Waar een vieze blouse overheen hing. Niet alle knoopjes in de juiste gaatjes.
Dus moet ik in de 2e klas hebben gezeten. Meneer van Oefelen had ik in de 2e. We waren net verhuisd naar de Marsdiepstraat. Alles was nieuw. M’n vriendjes eigenlijk ook. Maar een kind vind alle nieuwigheid als snel heel gewoon.
Vanuit school naar muziekschool. Terwijl Dimitri & Frans achter bleven in de fietsenstalling. Er was vast nog wel iemand anders aanwezig. Misschien Frank. Of Andrew.
Ik ging meteen door. Wipte even langs huis om eventueel spullen achter te laten. Daarna kon ik op ’t pleintje van muziekschool nog een kwartier wachten tot de les begon. Carel kwam dan naar buiten, want die zat een klas hoger. Ook op muziekschool. Ik probeerde ‘m altijd te zien, als-ie naar buiten kwam. Maar soms rende hij zo langs me heen, weg, naar huis.

Maar ’t ging erom hoe ik thuiskwam.
Ik stapte de keuken binnen. M’n moeder stond daar. Eten te maken, of de vaat te doen. Ze vroeg vast of ik nog wat geleerd had. Dan vertelde ik vast weer hoe meneer van Oefelen was. Want meneer van Oefelen was een hele belevenis. Ook al waren z’n lessen saai.
Ik moet daar in de keuken hebben afgetast, om me heen hebben gekeken, of er niemand anders aanwezig was. Want ik vond ’t maar een beetje raar dat Dimitri woorden kende waar ik nog nooit van had gehoord. Dat mochten m’n broers niet horen. Carel al helemaal niet. Want die sliep in dezelfde kamer.
De kust was veilig. We hadden toen nog geen doorgebroken muur naar de achterkamer. Een ½-open keuken was wel heel erg modern. Dat kwam een paar jaar later. Er was toen nog een deur naar de gang. Van de gang kwam je pas in de woonkamer. Er was niemand in de gang & in de keuken waren alleen m’n moeder & ik. Toen heb ik de vraag durven stellen.

‘Mam, wat is ‘neuken’? & Wat is een kapotje? Dat zeggen ze op school de hele tijd. Ze zeggen dat ik dat maar aan u moest vragen.’

& Ik weet absoluut niet meer hoe m’n moeder gereageerd heeft. Ik weet dat ik bij de achterdeur heb gestaan. Naast de prullenmand. Ik weet dat ik die avond gewoon een maaltijd heb gehad. Dat ik gespeeld heb. Ik weet dat m’n moeder bij ’t aanrecht heeft gestaan.

Maar ’t heeft nog best lang geduurd, dat weet ik ook, voordat men in Zijperspace wist wat neuken was.

wanhopig

Vlak achter ons gaat een man met een mobieltje zitten. Hij laat dat apparaatje geen moment los. Continu hangt 't aan z'n oren. Slechts bij ’t halen van z’n biertje geeft-ie ’t machientje even rust. Dan laat-ie alles liggen, z'n jas, z'n tas, z'n tijdschrift; alles, behalve z’n mobiel. Die steekt-ie in z'n broekzak.
‘Irritante man,’ fluister ik tegen Rachel.
‘Ja, inderdaad. Hoor je wat-ie zegt?’
‘Nee, ik doe juist extra m’n best om niet mee te luisteren.’
Maar ik hoor wel dat de gesprekken die de man voert in onvervalst plat amsterdams gaan.
‘Hé, Sjaak,’ begint-ie een nieuw gesprek, ‘ik moest je even hebben. Jij bent nu in de Smartshop?’
Z’n stem stijgt overal boven uit. Ook boven onze stemmen. We buigen licht voorover om elkaar beter te verstaan.
‘Tuurlijk wil ik wel kinderen,’ vervolgde ik ons gesprek. ‘In de volkskrant stond afgelopen weekend een artikel over mannen die kinderen wilden & dat inmiddels hebben. 1 Man vertelde dat-ie zo een bepaalde kroeg in kon lopen, vol met radeloze vrouwen van boven de 30 met kinderwens, & binnen een jaar een gezinnetje kon hebben.’
‘Ja, maar jij wil helemaal geen vrouw.’
‘Jawel, juist wel. Alleen denk ik niet dat die vrouw uiteindelijk mij te lang zal willen. Al die ex-en hebben ’t uitgemaakt omdat ze genoeg van me hadden. Bijna allemaal.’
De man met ’t mobieltje is vervangen door een groep die langzaam uitdijt. Personeelsfeestje aan ’t eind van de werkdag. Steeds meer terrasstoelen worden geconfisqueerd.
Wij kijken sluiks.
‘Wat zouden ze doen?’ vraagt Rachel. ‘Vind ik altijd leuk om te raden.’
‘’t Zou heel goed kunnen dat ze van de universiteit zijn. Ze zien er intelligent uit.’
‘Nee, dan zouden er meer vrouwen bij moeten zitten.’
Rachel kan ’t weten.
‘Voor de administratie?’
‘Ja. Maar je hebt er natuurlijk niet zoveel nodig.’
‘Er zijn wel erg veel jonge mannen bij. Te veel om van de universiteit te zijn.’
‘Misschien allemaal aio’s.’
‘Natuurkunde.’
‘Zou kunnen. Maar misschien zouden we ‘ns naar een kroeg in ’t begin van Spuistraat moeten gaan. Maurice & Pieter zijn er laatst voor ‘t 1st geweest. Die kroeg is vrij nieuw. Iets voor onze leeftijd. Je kan er ook dansen.’
‘Allemaal vrouwen die een wanhopige kinderwens hebben?’
‘Ja, vast. Jij nog een biertje?’
‘Lekker.’
Terwijl Rachel naar binnen gaat ontstaat er achter me een conversatie tussen 1 van de weinige vrouwen in ’t gezelschap & een man. Af & toe geflankeerd door degene die naast ‘m zit. Ze moedigen beiden de man aan.
‘Ja, je moet met ‘ns met haar in contact treden,’ zegt de vrouw. ‘Waarom niet?’
‘Ik ken ‘r toch niet,’ zegt de man. ‘Ik heb haar nog nooit gezien.’
‘Ja, maar je kan ’t altijd proberen. Misschien is ze straks wel heel goed met je kinderen. Dat wilde je toch?’
‘Ja, maar ik wil wel zo’n vrouw kennen.’
Hij wrijft door z’n haar. Over z’n kale kruin eigenlijk.
‘Man, waarom zou je ’t niet ‘ns proberen,’ zegt z’n buurman. ‘Heb je ‘ns wat anders om over te praten in de trein.’
Terwijl hij ’t zegt ziet-ie dat ik meeluister. Ik glimlach. Herken de situatie.
‘Wat zou jij nou doen?’ vraagt de buurman aan mij.
‘Ja, waar zou jij nou opletten?’ vraagt de dame tegelijk aan mij.
‘Oh, hoe ze er uit ziet,’ zeg ik impulsief.
Fout antwoord.
‘’t Gaat er toch niet om hoe iemand er uit ziet?’ reageert ze direct, & zich onmiddellijk tot de man zonder vrouw wendend: ‘Ze hoeft toch niet meteen een ongelooflijke spetter te zijn. ’t Kan toch zijn dat ze evengoed onwijs leuk is?’
Ik kijk om. Ik val weer buiten ’t gesprek.
Rachel komt alweer naar buiten met 2 biertjes. Over de brug komt een mooie dame aanfietsen waarvan ’t t-shirt door de wind strak om haar boezem staat. Ik kijk ‘r aan. Zij kijkt terug. Pas als ze voorbij is verliezen we oogcontact.
‘Ja, daar moeten we ‘ns met z’n 2-en naar toegaan,’ zegt Rachel terwijl ze de biertjes neerzet.

Wij vinden alles best in Zijperspace.

toiletpapier (5)

Ik vergeet geheel & al eenieder op de hoogte te stellen van ’t wc-papier dat ik met mij meegenomen heb tijdens de vakantie. Ik word er nu plots aan herinnerd door de rol die op m’n toilet zojuist aangebroken moest worden. Hoewel aanbreken ’t verkeerde woord in deze is. Want er waren reeds enkele velletjes van afgescheurd. Dat bleek een noodzakelijkheid onderweg. Om die reden heb ik nog overwogen om de rol achter te laten in Oostende, waar ik m’n laatste nacht doorbracht. Maar m’n ervaring mbt reiscomfort & treinen seinde mij in dat dit niet een wijs besluit zou zijn. Altijd ’t zekere voor ’t onzekere.
Dit jaar had ik de wijsheid in pacht door vlak voor vertrek uit eigener beweging een gloednieuwe rol in m’n bagage te stoppen. Ik kende Canterbury inmiddels. Alsook mijn neiging bloedende wondjes te stelpen door de bewuste vinger in m'n mond te stoppen. Dat had mij vorig jaar toch minstens 1½ closetrol in 3 dagen tijd gekost. Geen vel daarvan is op directe wijze aan de vinger besteed. Dit natuurlijk veroorzaakt door mijn onbenulligheid aangaande ’t feit dat de accommodatie waar ’t bierfestival elk jaar weer gehouden wordt een koeienstal betreft. Waar stront doorgaans welig tiert, maar de beschaafde mens toch nog steeds ’t enige wezen blijkt die een hulpmiddel uitgevonden heeft ter voorkoming van lastige sporen in de bilnaad.
Neemt u van mij aan: bij verwondingen zoals in genoemd voorval is een pleister doorgaans afdoende om ’t bloeden te stelpen. Anders voldoet geduld.
Van ’t laatste bezit mijn persoon spijtig genoeg weinig. & Op vakantie bezit ik van ‘t 1e middel sinds voorgaande jaar slechts 1 of 2 exemplaren. Men moet immers niet te veel meezeulen.
Na enkele dagen bierfestival Kent, ik zal u de engelse benaming besparen, waarbij ik in de omgeving van Canterbury gewandeld heb, tevens gedronken, geplast, gepoept & gevreten, waarbij ik de meest ranzige banaliteiten gemakshalve maar achterwege laat, mocht ik mij verheugen in een nagenoeg nog complete pleerol. Slechts enkele velletjes hadden de revue gepasseerd.
Dit dwong mij tot ’t nemen van een beslissing. Zeker gezien 't feit dat ik mijn vakantie nog met enkele dagen wilde voortzetten, wandelend. Met in m’n achterhoofd de wetenschap dat niets zo heerlijk is als engels toiletpapier, degelijk doch stevig, krachtig maar veegbaar bovendien, mij medegedeeld door een lezer die bekend was met ’t engelse, & de continentale variatie hierop wel degelijk zachter is, maar o zo verraderlijk sporen achterlatend, uit elkaar vallend onder de minste schuivende beweging, zag ik mij gedwongen op een nagenoeg onopvallende plek m’n rol achter te laten, dit te beschouwen als een donatie aan de oekraïense dames die gebruikt werden als goedkope zomerkrachten op de boerderij waar onderhevig festival had plaatsgevonden, & een gloednieuwe rol te bekomen van de organisatie dezes.
Nieuwe rollen, nieuwe kansen, zo zou de organisator van ’t bingofestival te Tietsjerksteradeel goedmoedig meedelen. ’t Schijnt daar 3 dagen aan 1 stuk door te gaan. Rollators worden tegen duur geld op een speciaal daarvoor ingericht parkeergymzaaltje geparkeerd & worden in sommige gevallen pas een ½ jaar na datum weer afgehaald. ’t Kan er wild aan toegaan in de wereld van ’t kienen.
Maar daar wilde ik ’t niet over hebben.
Ik nam mijn nieuwe rol, vol enthousiasme over de verworven kwaliteit, mede in mijn speciaal daarvoor economisch ingerichte rugzak. Men moet immers altijd rekening houden met de hoeveelheid liters die een rugzak kan bergen. Gelukkig kon ik een groot deel van mijn meegesleepte bagage meegeven aan Hugh, verantwoordelijk voor ’t verkopen van ‘Foreign beer’ te Canterbury. Dat zou vanzelf wel weer op mijn reguliere adres in Nederland terechtkomen.
Ik wil u niet te veel lastig vallen met allerhande details, maar laatstgenoemde is toch zeer belangrijk geweest voor ’t welslagen van mijn vakantie. Ik zou er niet aan moeten denken dat ik geen ruimte had gehad voor die heerlijke wc-rol uit Canterbury. Terwijl ik mij aan ’t begeven was in de wilde natuur die the Isle of Wight rijk was. Meermaals heb ik dankzij dit dappere besluit, de wijsheid de ene rol voor de andere te ruilen, ’t genoegen kunnen proeven van een schoongeveegde bril. Waarbij ik ’t heb over de bril die ik doorgaans gebruik om de lange afstanden beter te kunnen aanschouwen. Want ondanks dat de hitte nog niet z’n hoogtepunt van de zomer had bereikt, heb ik toch meermaals te kampen gehad met ’t beslaan van de ruiten. Aangezien wissers nog steeds als ‘not done’ worden beschouwd, in zake ’t gebruik van de genoemde lange afstandsbril, gelijk in Engeland als in Nederland, voelde ik mij zeer behept met de velletjes die in ruime mate op voorraad waren tijdens mijn wandelingen aldaar. Zodoende kon ik ’t overtollig zweet ervan afvegen.
Dit jaar heb ik mij niet bezoldigd aan ’t steken van de vinger in de mond, vooral ook niet op momenten dat dit niet verstandig zou zijn ihkv ’t gezond & met niet te veel samengeknepen billen verblijven in een vreemd land. Vandaar dat ik genoemde toiletrol zojuist tegengekomen ben. De oude, tot een kokertje gereduceerd niemendalletje, hangend aan de closetrolhouder, moest vervangen worden. Mijn hollandse zuinigheid, waar ik, ondanks geenszins calvinistische opvoeding, mee gezegend ben, bracht mijn blik op de samengeknepen, verfomfaaide, om niet te zeggen kreukelige uitvoering van een wc-rol, & met volle overtuiging heb ik die geheel aan mijn billen gezet. Vakantieherinneringen moet men koesteren & de gelegenheid dient men te baat te nemen om alles dat ’t genot van weleer weer kan oproepen her te beleven.
&, Zoals ik elders al eerder heb gezegd, ik bezig geen plakboek. Ook niet van mijn vakanties. Mijn woorden zullen de herinnering in leven moeten houden. Maar anders had ik vast een exemplarisch velletje geplakt in een dergelijk schrift, om m’n nageslacht op de hoogte te stellen van ‘tgeen grootvaders in een ooit ver verleden heeft meegemaakt.

Alsook over de kilometers die z’n toiletrol heeft afgelegd in Zijperspace.

lamlendig

Johannes Brahms   Clarinet Quintet B minor Op. 115, Allegro

‘Hallo, met Ton.’
‘Hoi, met Rachel.’
‘Hoi.’
‘Ik ga toch maar niet mee.’
‘Jammer. Maar dan ga ik wel in m’n 1tje. Ik kan niet de hele dag binnen blijven zitten.’
‘Nee, dat moet je niet doen. Ik heb gewoon te veel te doen vandaag.’
‘Geeft niks.’
‘Hoe gaat ‘t?’
‘Hm, een beetje lamlendig. Weet niet wat ik moet gaan doen. Ik ga wel wandelen, maar ik moet ook nog een stukje schrijven. Maar daar heb ik geen zin in.’
‘Heb je gister nog geschreven?’
‘Ja, maar dat hoef je niet te lezen. Dat stelt niets voor.’
‘Zo slecht?’
‘Nou, dat ook weer niet. Maar ik moest iets schrijven. Wat er staat klopt evengoed wel allemaal, maar ’t gaat nergens over. 't Is bij elkaar geraapt. Niet de moeite waard.’
‘Je hebt ’t er uitgeperst?’
‘Ja, dat is ‘t. & Ik heb wel een verhaal in m’n hoofd om vandaag te schrijven, maar ik heb nog geen zin. Dat doe ik dan wel na die wandeling.’
'Ja, joh. Je hebt de hele dag de tijd. & Morgen ben je toch ook nog vrij.'
'Ja, maar dan moet ik een volgend stuk schrijven. Elke dag weer.'
'Oh, ja. Da's waar. Dat doe je al 2 jaar lang.'
'Ja, bijna 2 jaar lang. 9 September 2 jaar lang.'
'Dan al? Dat moet je vieren.'
'Nee, ik vier m'n verjaardag al elk jaar.'
‘Ja, da's waar. Waar ga je trouwens straks heen?’
‘Naar IJmuiden met de veerboot. Of naar Velsen-Zuid is dat. & Dan daar door de duinen wandelen.’
‘Oh ja. Waarvandaan vertrekt die veerboot?’
‘Vanaf pier 9, achter ’t station.’
‘Oh, ja, ik weet 't weer: da’s zo’n hele snelle.’
‘Ja. Ik ga maar ‘ns even douchen. Dan vertrek ik zo.’
‘Mag ik nog even klagen?’
‘Ja, tuurlijk, ga je gang.’
‘M’n wasmachine doet ’t niet meer.’
‘Ja, dat had ik gehoord van Sas.’
‘& Nou doet m’n tv ’t ook niet meer. De kabel is afgesloten. Ik zag al de hele tijd een envelop van Chello liggen. Ik dacht: die ga ik even aan m’n buurvrouw geven, maar die was er steeds niet. Want zij moet die rekening betalen. & Nou is-ie afgesloten. Volgens mij is een beetje slordig in dat soort dingen. Ik probeer haar wel te pakken te krijgen, maar ze is er steeds niet als ik er ben. Ik hoor wel af & toe keihard muziek aan staan, maar dan moet ik meestal de deur uit.’
‘Die buurvrouw van je is toch predikante?’
‘Ja.’
‘Predikanten die keihard muziek draaien, dat kan toch niet?’
‘Ze draait keihard klassieke muziek.’
‘Oh. Ja. Da’s eigenlijk wel een goed idee. Ga ik ook doen.’
‘Ja, leuk.’
‘& Zeg, hé, we kunnen misschien evengoed vanmiddag ergens afspreken.’
‘Ja, maar ik krijg vanavond visite. Er komt iemand eten om 7 uur. Daarvoor kan wel, maar dan vooral niet te veel.’
‘Ik heb natuurlijk geen mobiel, dus dan zouden we nu moeten afspreken. Dat ik er heen ga, zogauw ik terug ben.’
‘Ja.’
‘We kunnen bij je om de hoek afspreken. Bij dat café.’
‘Ja, da’s wel een goed idee. Om een uurtje of 5?’
‘½ 5. Anders wordt ’t zo laat.’
‘Is goed. Maar dan drink ik dus niet te veel. Want om 7 uur komt die visite.’
'Hoe heet 't café nou ook alweer?'
'Scharrebier.'
'Zo ik toch 'n moeten onthouden. Voor mij toch een heel makkelijk woord.'
'Zo heet de brug ook.'
‘Goed. Ik heb de cd er in zitten. Ga ik nu die klassieke muziek keihard aanzetten. & Een douche nemen.’
‘Zie ik je dan.’
‘Ja, tot dan.’

& Lamlendigheid werd verdreven uit Zijperspace.

préééérrrèèèrrrrrèèèéééerrrruut

’t Gaat van ‘préééérrrèèèrrrrrèèèéééerrrruut’. Waarbij ’t einde zeer abrupt plaatsvindt. Een plotse stop. Dat maakt me wakker. 't Houdt me wakke. Wakkerder dan als ’t de hele tijd zou doorgaan. Ik sliep vroeger door ’t koeren van duiven heen, komend van de richel boven 't raam van m'n slaapkamer, omdat ze aan 1 stuk doorgingen.
Maar ’t heeft aan de andere kant wel weer iets geruststellends. De theepot die staat te trappelen van ongeduld. & Daarom overtollig lucht dumpt via een miniem gaatje. Ik lig op de bank na te denken waarom ’t nou zo graag wil. ’t Is goed daar over na te denken, denk ik er bij.
Liever aandacht voor de theepot dan m’n hart te voelen kloppen. Die bonkt momenteel overal doorheen. Of ik m’n hand nou op m’n borst heb liggen, of op m’n zij gelegen ben. ’t Lijkt of 't m’n lichaam lichtjes doet schudden. Ik weet niet wat ik verkeerd gedaan heb om in dergelijke mate op zijn aanwezigheid & z'n functioneren geattendeerd te moeten worden. Maar ik wil er niet over nadenken, mijn gewetensschuld tegenover m’n lichaam, ik wil niet weten hoeveel slagen hij maakt, ik wil de hypochondrie niet toe laten slaan.
M’n hart is ook verontrustender dan de bouwvakkers hiernaast, die eindelijk de vloer er weer inleggen. ’t Al maanden leeg staande huis wordt weer bewoonbaar gemaakt. Plank voor plank wordt er vastgespijkerd. Af & toe wordt een boormachine gebruikt. Maar die lage monotone brom stelt me op m’n gemak. Terwijl ik met ogen dicht op de bank lig. Alsof een zware vaderlijke stem me in slaap sust met een verhaaltje. Ik doe ’t verhaaltje, zij de monotonie. Als ’t alleen dat was, dan zou ik al een uur geleden over m’n slaap zijn heen geweest.
Ik zet de comp tegenwoordig ’s nachts uit. Hij begint me te vervelen. Met z’n continue stroom van ruis. Alsof de toon te hoog is afgesteld. Alsof er een zeer snelle golfbeweging in z’n geluid zit. Bovendien klinkt ’t alsof-ie niet geaard is.
Nu staat-ie aan. De comp hoort overdag aan te staan. Stel je voor dat ik iets mis. Ook al doe ik op de bank een poging slaap in te halen.
& Dan klinkt er een ritme dat ik nergens vandaan kan halen. Nee, dat ik niet kan plaatsen. Waar ’t vandaan komt. Loom in m’n droom weet ik dat ’t er is. Ik ben kaas aan ’t snijden, zoals op m’n werk, & ondertussen klinkt er een tik & een zomp. Schel tegenover drassig. Waardoor ik niet meer weet wat m’n mes doet. ’t Mes dat steeds meer kazen snijdt. In ’t tempo dat ’t ritme aangeeft. De kaasblokjes vliegen onder m'n mes vandaan. Ik weet niet wat ik hier doe.
Ik wordt wakker van de pruttelende theepot. De thermoskan. Préééérrrèèèrrrrrèèèéééerrrruut. M’n ogen zijn dicht geweest. Eindelijk.
Ik hoor de buurvrouw boven van de hometrainer afstappen. De tik & de zomp. Hiernaast pakken ze de boor weer ter hand. Tegelijkertijd wordt nog een plank genageld. Er komt een meeltje binnen meldt de comp.
Ik besef opeens dat ik m’n hart niet meer voel. De onrust is weg.

Dat ’t zich diep weggestopt heeft, ergens ver weg in Zijperspace.

bestelformulier

Vanaf heden kan men 't gehele stuk, alle lappen stukken aan elkaar geregen zogezegd, over m'n vader opvragen. 1 Simpel meeltje! Richting Zijperspace. & Men krijgt de geheel gereviseerde, de door Rachel (elke weblogger zou zo'n redactrice wensen) geredigeerde stukjes thuis gestuurd. Via meel vanzelfsprekend. Alles dat tot nu toe verschenen is. Men mag z'n eigen boek samenstellen uit 77 stukken tekst in 2 jaar geschreven. 56 Blz lang. Kantjes, moet ik eigenlijk zeggen. In een Word-filetje. Lettertype Times New Roman. Grootte 10. Men moet zelf maar zien of dat handig is. Men kan 't zelf aanpassen, wil men 't printen.
Ik maak geen reclame voor mezelf. Ik zou alleen graag willen dat zoveel mogelijk mensen lezen wat ik geschreven heb. Onder de juiste condities. Met de juiste spelling. Zoals ik 't bedoeld had, als ik van te voren wist dat de spelling of woordvolgorde anders had moeten zijn. Of beter had opgelet.
Dus bij deze stel ik elkeen die m'n stukken op deze wijze bestelt tegelijk verantwoordelijk voor 't verdere voortbestaan van de stukken: Levert commentaar, zoekt de fouten, & weest tevreden als dit alles niet nodig mocht zijn; neemt direct contact op dus, mocht 't anders moeten zijn dan u voorgeschoteld heeft gekregen. Maar bovenal: leest over m'n vader. Een man die de moeite waard was, & nog steeds, elke dag bedenk ik me dat weer, dat hij 't nog steeds is. Maar anders. Hij is anders. Ook elke dag weer. Elk spaarzaam moment dat ik 'm ontmoet is-ie anders. Veel meer anders dan ik eigenlijk kan bevatten. & Ik hoop dat men vooral meevoelt met m'n moeder, die dit alles bewust, & met haar neus erbovenop gedrukt, meemaakt. Ik neem slechts waar, heb ik af & toe 't gevoel.

Onderaan 't kader links dient men te klikken op 'Gerichte post naar Zijperspace' & men kan 't gehele pakket opvragen.

verloren

Ergens onderweg moet ’t zijn blijven haken, is m’n aandacht verloren gegaan. Ik ging een andere kant op dan de tuin. ’t Zou ook kunnen dat ik ’t niet meer wilde zien, niet meer kon zien, wat er gebeurde. De aandacht voor ’t detail verdween. Alles was inmiddels zó groot geworden dat de kleintjes slechts over ’t hoofd gezien konden worden. Met een kapmes zou ik ten strijde moeten trekken om achteraan de tuin te kunnen geraken. Dat was net ’t moment dat ik mank liep. ’t Moment ook dat de hitte & lusteloosheid op hun hoogtepunt waren gekomen.
Van de week kreeg ik enkele foto’s van hoe m’n tuin er in april uit had gezien. Ik met blote bast op de vuilnisbak, de 1e mooie dagen, op de achtergrond ’t jonge groen. Hier & daar al een bloem. Vooral wilde hyacint. Een enkele struik was manshoog, de rest kwam niet verder dan m’n knieën. Alles was nog overzichtelijk, er was nog duidelijk te onderscheiden van wat waar op zou komen. Er konden nog correcties plaatsvinden, woekeringen verwijderd, zonder dat ’t z’n rommelige karakter zou verliezen.
Nu heb ik de controle verloren. Vakantie heeft er tussen gezeten. & Hitte. Vooral hitte. Die me binnen deed zitten. Geen aandacht voor alles wat de hitte wel doorstond. Liever zat ik met m’n poot omhoog een boek te lezen. Druipend van ’t zweet. Maar in ieder geval minder zweet dan dat ik me de tuin in zou begeven. Minder pijn ook.
Een stuk verwijderd onkruid, om ’t zo maar te noemen, hangt verloren over een evengoed stug door bloeiende teunisbloem. Die blijft nog wel een tijdje eigenwijs. Lang geleden had ik ’t onkruid uit de grond getrokken, maar niet ver genoeg weggeworpen. ’t Kwam op een stengel terecht. & Heeft zich niks aangetrokken van de wind. Hoewel die ook spaarzaam was.
De stappen van de bouwvakkers zijn weggewist. Door hondsdraf, munt & vrouwenmantel. Op ongeïnteresseerde wijze. Alsof ’t niet anders kon.
& Er bloeien iets verderop hoge planten waarvan ik de naam niet weet. De 2 delen Flora die ik van m’n vader heb geleend, die ik wilde gebruiken om de vermiste namen in op te zoeken, staan reeds enkele maanden onaangeroerd tegen de boekenkast aangeleund.
Alles lijkt in verval. Mijn inspanningen in ieder geval.
M’n tuin neemt wraak. De passiebloem kruipt langzaam m’n huis op. ’t Is al voorbij de veranda. ’t Groeit, ondersteuning voor z’n expansie zoekend, via ’t ongebruikt tuingereedschap & enkele verloren stokken omhoog, tegen de witte wand op. ’t Plakt, ’t lijkt zichzelf vast te zuigen aan de witte muur. De druif van de buren, die reeds maanden m’n buren niet meer zijn, kruipt op zijn beurt via ’t balkon van m’n bovenbuurvrouw richting waslijn. De winde komt achter de golfplaten wandbescherming van de buren mijn kant opgekropen. & Een onbekende variant op dit kruipende gezelschap woekert zich richting mijn tuindeuren. ’t Begint al richting m’n ramen te steigeren.
Ik neem er genoegen mee. ’t Voelt als een terechte annexatie. ’t Doet me nog een beetje deugd: een laatste baldadige stuiptrekking. Omdat ‘t wil tonen dat ’t niets aan kracht heeft ingeboet.
Ik heb nog een poging gewaagd ’t koninginnekruid te beteugelen, gelijk met een agressief prikkende distel. Achterin de tuin. Maar na mijn actie had ik moeite terug te keren. In ieder geval met de gevelde stengels in mijn hand. Ik heb ze laten liggen. Voor ’t volgende seizoen. Voor de bemesting van ’t volgende seizoen.
Tot overmaat van ramp beginnen de potplanten ook aan hun terugtocht. Slechts een enkele knop lijkt nog te willen, straks. Maar ’t zijn vooral hangende kopjes & vergeelde blaadjes. De zonnehoed kleurt al treurig bruin. Degene die ik ondanks alles toch aandacht heb gegeven. Gedurende de hitte elke avond water.
Ik hou niet van de afloop van de zomer, denk ik, kijkend naar de foto’s genomen in april. Ik hou van de opbouw. Hoe ’t groot word. Niet de langzame stilstand, niet de vooraankondiging van de afloop. Die van achter je rug plots invalt. Als je even niet oplet. Dan liever ’t definitieve van de herfst. Dan weet je dat ’t afgelopen is.

Liever staan we een stukje tijd over in Zijperspace om ’t volgend jaar weer te proberen.

pijlen

Aan Johanneke probeerde ik via meel uit te leggen wat er gebeurd was. Natuurlijk niet geheel naar waarheid. M'n verhaal was een beetje gekleurd. Aangedikt. Dat is nou 1maal leuker als je via meel iets vertelt. Kan je later wel corrigeren in de vorm van een gesprek. Als 't praatje zich voordoet.
Ik liet haar tussen haakjes middels ’t meeltje ’t volgende weten:

(Je had me overigens vandaag moeten zien, dat was veel erger. Maar de troela in kwestie, van vandaag dus, bleek, ondanks 't feit dat ik haar zei dat ze haar pijlen ergens anders op moest richten, uitermate gecharmeerd van haar gesprekspartner. Ik kreeg 't niet uitgelegd, of geïnsinueerd zo men wil, dat ze meer aandacht aan mij moest besteden. Overigens spreek ik nu over een dame die ik wel vaker in jullie gezelschap heb zien zitten, maar waar ik de naam van vergeten ben. Zwart haar, prachtig gezicht, een perfecte neus [zei Rachel ook], maar totaal niet voldoende aandacht voor de knapste barman van 't westelijk ½-rond. Zo miskend voel ik me dan. Gelukkig wist ze wel te bekennen dat de gozer niet genoeg voor haar voelde, dus dat wordt in de toekomst wel weer gecorrigeerd. Dat zegt de barman die vooral een meter of meer naast z'n schoenen loopt. Maar da's dan weer overcompensatie.)

Rachel had er nl ook mee te maken. Ze stond toe te kijken. Ik probeerde dmv 't wapperen van m’n handen haar blik weg te krijgen. In zoverre dat mogelijk is op een afstand van 3 meter. Door de drukte heen van een volle kroeg. Zonder begeleidend geluid. De dame in kwestie moest er tenslotte niets van merken, terwijl ik druk bezig was de schijn op te houden alleen met haar te converseren.
Wapper, wapper, doe weg die blik.
Maar ze moedigde me aan. Zoals vriendinnen horen te doen. Ook al wil je dat niet.
Rachel had inderdaad gezegd dat ze (Zij), dat ze (nogmaals Zij), dat ze een mooie neus had. Rachel zei ’t echter zonder stotteren. Dat deden m’n gedachten.
Ik had er nog niet op gelet. Op die neus. Dus keek ik nog maar een keer. Ik wou zeggen dat ik m’n bril niet op had. Maar dat vond ik een slechte smoes voor ’t niet klaar hebben van een mening. Ik zei dus maar dat ze gelijk had. Rachel had gelijk. Maar ik keek ondertussen alweer naar de rest. ’t Geheel. Of misschien die glimlach. Die zwarte wenkbrauwen. & Eender wimpers. Ik keek hoe ze vooroverboog om met de man tegenover gezeten aan tafel lachend te converseren. & Ik keek hoe groot een afstand van 3 meter was. Daar waar ik stond & daar waar zij zat.

Vrouwen moeten zich ook bewust zijn van ’t feit dat barmannen kunnen schrikken als ze plots gedag gezegd worden. Als de barman beseft dat-ie niet meer weet, of nooit heeft geweten, wat de naam van de schoonheid is. In tegenstelling tot haar. Vrouwen moeten zich bewust zijn van ’t feit dat de wereld oneerlijk verdeeld is. Dat de naam van de barman genoegzaam bekend is. & ’t Jaren van ijver & inzet kost, meeluisteren, oren spitsen, aandacht tonen, informeren, herinneren, in ’t geheugen graven, voordat de barman enkele namen van de klanten onbekommerd kan gebruiken. Dat ’t tevens oneerlijk is dat iedereen aandacht heeft, slechts enkele minuten durend, voor de barman, maar dat ’t eigenlijk andersom wordt verwacht. Voor alle klanten, de hele tijd.

Ze zei dus: ‘Hoi, Ton.’

Dat zei ze toen ik voor ‘t 1st om de glazen op de tafel vroeg.
‘Mag ik misschien de lege glazen?’
Toen zei ze: ‘Hoi, Ton.’

Een naam, een naam, een naam, zat ik in m’n hoofd te drammen.
Maar niks kwam tevoorschijn.
Dus ik zei: ‘Hoooooiiii.’
Om mezelf een houding te geven. Beetje olijk.

‘Hoe gaat ’t ermee?’
Dat zei ze ook nog.

Ik begon te denken dat ik misschien eerder een praatje met haar had gemaakt. Maar dat ik dat vergeten was. Iemand weet m’n naam. & Iemand vraagt hoe ’t met me gaat. Bovendien is die iemand een vrouwspersoon. Mijn specialiteit als ’t om seksuele voorkeur gaat.

Rachel keek ondertussen. & Ik wapperde.

‘Goed,’ zei ik. ‘& Jij?’

’t Antwoord ben ik vergeten. ’t Zal wel goed zijn geweest.

Met Rachel even kort overleg gehad toen ik me weer achter de bar terugtrok. Zoals ik al zei: dat hoort met vriendinnen. Die horen je te stimuleren. Aan te moedigen. Te behoeden slechts eventueel.

Bij de 2e maal glazen halen was de jongen naast haar verdwenen. Degene met wie ze afgesproken had. Waar ze de hele tijd mee praatte. De jas lag nog op de stoel, dus ver kon hij niet zijn.
‘Waar is m’n vriendje nou?’ vroeg de dame.
‘Heb je een vriendje?’ vroeg ik.
Heel schijnheilig. Maar als je de vraag op een belangstellende toon stelt, dan kan ’t net. Bovendien wordt er veel geheiligd, zogauw men een doel heeft.
Ze keek ontwijkend. Die vraag wilde ze niet beantwoorden.
‘Die jongen,’ (ik wees naar de lege stoel) ‘is je vriendje?’
‘Nou, nou, nou. Ik denk dat ik dat wel wil, maar dat hij nog niet enthousiast is. Wat vindt jij ervan?’

Er wordt barmannen vaak om raad gevraagd. Ze zijn de moderne biechtvaders. Daarbij vergeten de vrouwen gemakshalve dat barmannen stukken minder aseksueel zijn dan de pastoren van weleer.

‘Nou, nou, nou.’
Ik begon m’n zin ‘tzelfde als dat zij zojuist had gedaan. Een soortement vertwijfeling probeerde ik uit te drukken. Zoals zij dat net had gedaan. Maar ondertussen kwam ik gewoon niet op de uitdrukking die op ’t randje van m’n tong lag. ’t Wilde me maar niet te binnen schieten.
‘Je vindt dat ik m’n charmes er in moet gooien.’
‘Nee,’ opeens wist ik ’t weer. ‘Ik denk dat je dan je pijlen ergens anders op moet richten.’
Ik lachte de lach van een clown. Dat moeten barmannen nl ook kunnen: ze moeten kunnen amuseren. Kwinkslagen geven. De nar spelen.
& Ondertussen legde ik een stilzwijgend verlangen in m’n blik.

Die waarschijnlijk niet vertaald kon worden buiten de regionen van Zijperspace.

zoen

‘Van de week is Pa jarig, hè,’ zegt m’n moeder.
‘Ja, ja, dat was ik nog niet vergeten,’ zeg ik. ‘Op welke dag valt dat?’
‘Donderdags. & Die van Marc dus op zaterdag. Maar we vieren de verjaardagen op zondag.’
‘Dan kan ik niet. Maar dat zal je vast al wel begrepen hebben. Ik moet toch altijd werken op zondag.’
‘Ja, dat dacht ik al. Maar je wist wel dat Billy vrijdag jarig is?’
‘Ja, ik heb van Carel een meeltje gekregen. Ik heb meteen terug gestuurd dat ik dan niet kan.’
‘Bel ze dan even.’
‘Ja, ik zal m’n best doen.’
‘Niet je best doen. Gewoon doen.’
‘Ja, Moe.’

Ik bel enkele dagen later vanaf m’n werk.
‘Met mevrouw Zijp.’
‘Hoi, Moe. Hoe gaat ‘t?’
‘Goed. Maar je belt natuurlijk om je vader te feliciteren.’
Zeer argwanend. Ze is niet van mij anders gewend dan dat ik verjaardagen vergeet. Altijd. Behalve m'n eigen.
‘Ja, tuurlijk,’ zeg ik schijnheilig.
Op zo’n toon dat je ’t er doorheen zou kunnen horen, maar dat dat niet perse hoeft. Voor 2erlei uitleg vatbaar. Hoop ik op dat moment.
‘Maar ik wilde natuurlijk ook weten hoe ’t met je gaat.’
Ik zou nu door kunnen gaan met praten, bedenk ik me, maar 't schiet me op tijd te binnen dat ik 't dan alsnog zou kunnen vergeten.
Daarom: ‘1st Dus maar: Gefeliciteerd! Waar is Pa?’
‘Die doet z’n middagdutje.’
‘Geef ‘m maar een zoen als-ie wakker wordt.’

& Dan zie ik m’n vader voor me. M’n vader die m’n moeder een zoen geeft. Dat kon-ie altijd goed. Hij ging glimmen. Je zag dat-ie ’t meende. Hij kwam traag op m’n moeder af. Omarmde haar. & Teder legde hij z’n mond op haar wang. Z’n wangen nog iets roder dan gewoonlijk. Z’n mond stond getuit, alsof z’n gezicht wat langwerpiger was geworden. Een twinkeling in z’n ogen. Dan zag je opeens dat ze blauw waren. M’n moeder was een moment een vrouw, niet alleen maar moeder. Ze glimlachte, krulde in z’n armen. Beider glimlachen hadden zich in de loop van de jaren aan elkaar aangepast. Ze voegden zich. Ze waren op elkaar afgestemd.
& ’t Ging traag, o zo traag; je wist dat je een moment niets moest zeggen. Dat ’t spelletje even wat minder belangrijk was. Of de afwas. Of wie er aan de afstandsbediening mocht zitten.
M’n vader had een grote neus als-ie een zoen gaf. Dat zag je als-ie die zoen gaf. M’n moeder bleke wangen. Migrainewangen. M’n vader kon de mooiste zoenen geven omdat-ie rekening hield. Met z’n neus. & Met m’n moeders wangen. Die vaak stijf stonden van de pijn die er achter verborgen zat.
Als we familiefilms keken moesten de mooie beelden altijd 1 keer in slowmotion afgespeeld worden. Dat was lachen. De zoen van m’n vader is nooit opgenomen. Want hij was degene die altijd filmde. Slowmotion was dan niet nodig geweest. M’n vader had zelf al ’t juiste ritme gevonden.

‘Zal ik doen,’ zegt m’n moeder.
‘Wie hoor ik op de achtergrond? Jullie hebben wel al visite?’
‘Ja, Gre & Kees zijn er.’
‘Oh, leuk; doe ze maar de groeten.’
‘Je komt dus niet, zondag?’
‘Nee, ik kan niet. Ik kan niet zo kort op die dag vrij krijgen. Bovendien heb ik ’t geld hard nodig.’
‘Denk je dan wel nog om de verjaardag van Billy?’
‘Ja, tuurlijk.’

Maar ik weet dat ’t proces van vergeten al is ingezet in Zijperspace.

sanne

We zijn de laatste tijd enthousiast als Sanne binnenkomt. Hij lacht zo leuk. Hij laat ’t zo leuk over zich heen komen.
‘Haaaa, die Sanne,' roept er minstens 1 van ons. 'Leuk dat je er bent. Heb je een nieuwe blouse?’
& Dan lacht-ie. De lach van een man die je geen kwaad wil doen.
‘Ja, deze heb ik net nieuw.’
& Vervolgens draagt-ie de hele week dezelfde.
‘Haaaa, die Sanne. Leuk dat je er bent. Draag je nou de hele week dezelfde blouse, of heb je meteen een paar gekocht?’
Dan lacht-ie ook. Zo’n glimlach van een dikke goeierd.
‘Ja, ik koop er altijd meteen 10.’
De verhalen die we tegenover elkaar hebben verteld worden dan ontnuchterd. Hij gaat niet altijd vroeg naar huis om snel z’n blouse of shirt in de was te doen zodat deze de volgende dag droog genoeg is om weer te dragen.
Bovendien gaat-ie niet altijd vroeg naar huis. Hij blijft ook vaak tot sluitingstijd. We hebben niet goed genoeg opgelet om te weten of-ie in dat soort gevallen de volgende dag in een andere blouse verschijnt.
‘Ik vind ’t zo makkelijk,’ zei hij me laatst, ‘ik steek m’n hand in de kast & ik heb een blouse. Dan hoef ik niet na te denken over wat ik nou ‘ns zal aantrekken.’
We vinden ’t ook zo leuk van Sanne dat-ie alles evengoed heel serieus neemt. Van ons is de lol van ’t gezicht te lezen. Maar we bedoelen ’t niet kwaad. Dat weet-ie. We denken dat-ie dat weet.
Toch stond-ie met z’n minzame glimlach uit te leggen hoe ’t komt. Een beetje haspelend. Z’n neus iets omhoog. Terwijl-ie z’n portemonnee in z’n handen hield, want hij moest nog betalen.
‘Ik hoef ook geen keuze te maken,’ zei ik. ‘Ik pak gewoon een t-shirt.’
Maar ik begon meteen te twijfelen. Ik heb er zoveel dat ik 150 dagen achter elkaar een andere kan dragen. Dan moet je wel een keuze maken.
‘Nee, jij hebt elke dag een ander aan.’
‘Nee, ’t klopt niet wat ik zeg,’ weersprak ik mezelf. ‘Ik moet wel keuzes maken.’
Voor Sanne was ’t allang al goed. Hij keerde zich om met z’n biertje & ging op ’t terras zitten. Waarschijnlijk een cryptogram oplossen. Als de gebouwen aan de overkant hem in de schaduw zetten verschoof-ie z’n stoel.
Behalve aan de bar kom ik Sanne ook wel op de wc tegen. Staan we met z’n 2-en bij de pisbak. Een soortement trog voor mannen die moeten plassen. Een omgekeerde functie. Er hangen drie buizen boven waar straaltjes water uit komen.
Bij de vorige pisbak hield Sanne z’n hand wel in de straal. In de waterstraal, voor alle duidelijkheid. Misschien uit smetvrees. Ik heb ‘t ‘m nooit durven vragen. Nu staan de stralen niet ver genoeg naar voren. Hij concentreert zich daarom tegenwoordig vooral op z’n eigen lichaam. & De activiteiten die daarmee plaatsvinden.
‘Ha, die Ton,’ lachte hij me van de week tegemoet.
Hij was blijkbaar bijna klaar. Kon zichzelf toelaten afgeleid te worden.
Sanne is een man die voor bepaalde handelingen concentratie nodig heeft. ’t Zoeken van muntjes & ’t onthouden van een bestelling behoren bij dergelijke handelingen. Volgens mij ’t plassen in de pisbak ook. Ook dat durf ik ‘m niet te vragen.
‘Mon Ton,’ giechelde Sanne zacht. ‘Bon Ton.’
Je vraagt je af waar je dat aan verdient hebt. Dat moet je echter niet te lang doen, want anders is ’t grapje van Sanne niet meer leuk.
‘Da’s nou grappig dat je dat zegt,’ zei ik. ‘Toen ik klein was, mocht ik naar de Sinterklaasbingo in de speeltuin. Ik won bijna niks. Maar er waren zo verschrikkelijk veel chocoladeletters dat ik er uiteindelijk toch ook 3 won. De M, de B, & aan ’t einde toch ook nog de T. Mon Bon Ton, dacht ik toen. Precies wat jij zegt. Grappig, hè?’
Maar Sanne begreep ’t niet. Zo keek-ie in ieder geval.
‘Ja, ja,’ zei hij.
Hij keerde zich om & verliet ’t toilet. Hij vergat geheel z’n handen te wassen.

Dat hebben wij dus maar voor hem gedaan in Zijperspace.

vlo

De studenten waren weg; ik had ’t proeflokaal opgeruimd. Ik kon naar huis gaan.
‘Fret,’ zei ik echter, ‘zullen we nog een biertje drinken zodirect?’
‘Ja, maar we moeten de spoelruimte nog opruimen.’
‘Dan help ik wel even.’
2 Emmers sop. 2 Moppen. 1 Trekker.
‘Drink jij er straks ook nog 1?’ vroeg ik aan Nirvano, die uit de kelder kwam.
‘Nee.’
Z’n vrouw zou anders op ‘m moeten wachten.
‘Hoe laat is ’t eigenlijk?’ vroeg Fret.
‘Ong ¼ voor 5.’
‘Oh. Dan moeten we eigenlijk nog een tijdje doorgaan. Officieel werken we tot ¼ over 5.’
‘Maar we kunnen altijd tegen Kaspar zeggen dat ik geholpen heb.’
‘Da’s waar.’
‘Scheelt toch 5 minuten in ’t schoonmaken.’
We boenden & schrobden de vloer.
‘Veel water gebruiken,’ zei Fret.
Dat wist ik nog wel van de tijd dat ik ’t werk zelf deed.
Nirvano trok ’t vocht weg. We waren om 5 voor 5 klaar. Om toch iets te doen te hebben, sloten we alle ramen. Deden de lichten uit. Controleerden alles.
Ik wilde de achterdeur op slot doen.
‘Nee, de boertjes kunnen nog komen om de bostel te halen.’
Dus liet ik ‘m open.
Verveeld gingen we om 5 over 5 zitten aan een tafel in ’t proeflokaal. Ik haalde ’t bier erbij. Vlo, uit de koele tapruimte. Nirvano schonk zichzelf karnemelk in. We keken steeds naar de klok. & Naar buiten, om te kijken of Kaspar er aan kwam.
‘Hij gaat straks naar z’n ouders, zei hij,’ zei Fret. ‘Maar hij kan altijd wat vergeten zijn.’
Om ¼ over 5 wilden we er nog 1. Ik haalde ze uit de kelder. Nirvano ging naar huis.
‘Als Kaspar nu komt, dan is ’t onze 1e,’ zei Fret.
‘Dat had ik al bedacht. Daarom heb ik de flesjes opgeruimd.’
We praatten. Over Kaspar. Of-ie ’t wel goed zou vinden dat we een biertje dronken.
‘Normaal neem ik ook altijd een biertje na een bardienst,’ zei ik. ‘Nu heb ik ook 80 studenten rondgeleid & bier getapt. Dan heb ik er wel 1 verdiend.’
’t Was om mezelf gerust te stellen.
‘Hij was een keer kwaad toen Rob & ik na afloop een biertje dronken. “Maandag & dinsdag wordt er geen bier gedronken,” zei hij toen.’
‘Daar zal je ‘m hebben.’
Ik zag ’t door de gordijntjes heen.
We hielden onze mond toen Kaspar de sleutel in ’t gat stak. Nog steeds toen-ie ’t brouwhuis inliep. We wisten niet meer waar we ’t over zouden moeten hebben.
Opeens kwam Kaspar terug.
‘Zeg,’ zei hij, ‘is er nog koude Vlo?’
‘Ja,’ zei ik opgelucht. ‘Ik heb vanmiddag een krat in de tapruimte gezet.’
‘Willen jullie ook nog?’
We wisten opeens weer waar we ’t over moesten hebben.
‘De boertjes komen denk ik niet meer,’ zei Fret.
‘Gelukkig maar,’ zei ik. ‘De boertjes stinken.’

’t Was ’t officiële einde van de werkdag in Zijperspace.

recht

Hij vloog als een rechte streep.
Ik zat in m’n stoel een boek te lezen. M'n leesstoel. Ik ging op in ’t verhaal. Tot ik wakker gemaakt werd, me weer bewust werd van m’n bestaan. Of eigenlijk van die rare rechte streep.
Vliegen maken geen rechte strepen. Ze krullen bochten & slingeren curven.
Ik hoorde opeens weer alles.
Zelfs de afwezigheid van een trein.
Ik werd ’t gemompel enkele deuren verder gewaar.
‘t Duel snelvliegen van degene die een rechte streep had gemaakt met 1 van z’n soortgenoten.
Een lepel hoorde ik in een glazen mok tikken. Ik weet niet hoever weg.
De wind zuchtte zoals wanneer we op vakantie net de snelweg hadden verlaten & ergens afgelegen bij een picknicktafel rust namen.
De vogels zwegen zelfbewust. Of toch een eenzame piep uit de boom van de achterburen.
’t Is gek wat een vlieg zonder naam kan doen. Een vliegend ding. Hij ging mij toevallig voorbij op 't moment dat ik een boek aan ’t lezen was. Hij vloog van achter uit m’n kamer door de tuindeuren naar buiten. In een schijnbaar rechte lijn.
Is een rechte lijn voor een vlieg afhankelijk van allerlei toevallig samenkomende factoren?
Des te meer je hoort, des te meer je beseft hoeveel rust hier hangt. Een passerende trein is slechts de bevestiging ervan. Een koe op een weiland moet zich ook zo voelen. Zich niet bewust van m’n onderzoekende blik achter ’t passerende raam. Slechts af & toe afgeleid doordat ‘t z’n staart niet lukt de vlieg te verjagen. Met z’n tong nog uit z’n mond, een graspolletje spriet er aan hangend, wendt ’t z’n hoofd ruw naar ’t vermaledijde beest, om vervolgens weer snel verder te gaan.
Nee, een koe is niet snel. De vlieg wel. Maar meestal maakt-ie geen rechte strepen.
Ik weet niet hoe ik dat weet.

Gelukkig is vandaag niets vanzelfsprekend in Zijperspace.

non-stop

‘Ik ben van de dames!’ roep ik.
& Fret stapt onmiddellijk aan de kant.
‘Ja,’ legt-ie uit aan de vrouw die voor ‘m staat, maar niet meer door hem geholpen gaat worden, ‘Ton is van de dames.’
Met een gezicht van dat is nou 1maal zo.
’t Is een running gag geworden achter de bar. 1st Een onschuldig grapje, nu lijden de klanten er onder. Hoewel de meeste 1st overdonderd lijken, verschijnt er op een gegeven moment een glimlach. Bij iedereen. Behalve bij de mannen. Niet alle mannen. De meisjes, de dames, ze deinen licht naar achteren als ik aan kom stormen met de mededeling dat ik van de dames ben. Hun schouders trekken een moment samen & gooien hun houding vervolgens juist weer helemaal open. Gecharmeerd. Ook al weten ze dat ’t een grapje is.
‘Hé, Jagga!’ zeg ik ’t volgende moment verontwaardigd.
‘Oh, sorry Ton. Ik was ’t even vergeten. Maar je mag ’t wel van me overnemen.’
‘Nee, dat zou die dame alleen maar raar vinden, als ik nu plots haar de bestelling kom brengen. Dat weet ik. & Dat kan ik weten, want ik ben van de dames.’
Ja, Ton is van de dames.

3 Dagen leef ik al in een roes. Weer achter de bar. Na een kleine maand afwezig. Een tomeloze energie lijkt zich in mijn lichaam te bevinden. Ik stop niet. Ik stop niet met praten, ik stop niet met tappen. & Terwijl ik met ‘t 1 bezig ben, doe ik tussendoor ’t andere tegelijkertijd.
‘Hoe is ’t met je ADHD?’ vraagt Jeroen als ik glazen kom halen.
‘Gaat lekker, joh,’ antwoord ik, alsof er niks met die vraag aan de hand is. ‘& Jij zit ook lekker in je kruis te friemelen, zie ik.’
‘Ja, dit is een heel leuk touwtje,’ wijst-ie naar ’t koordje dat z’n broek om z’n middel houdt, achterover leunend in z’n stoel om er enkele knopen in te leggen.
‘& ’t Zit precies op de goede plek,’ ga ik verder ,’zodat niemand ’t merkt.’

‘Zeg ’t maar,’ zeg ik tegen ’t meisje dat ’t meest vooraan staat in de rij.
Ze doet haar mond al open. Maar schrikt terug van de man schuin voor haar. Hij is verontwaardigd.
‘Wij staan hier al veel langer.’
Hij bedoelt zichzelf & de 3 andere mannen achter hem. Duidelijk eerder dan ’t meisje aan de beurt.
‘Ja, maar jullie weten toch wel dat ik van de dames ben?’
Ik neem toch haar bestelling op & begin bier te tappen.
‘Snap je dat nou?’ zeg ik tegen Jagga, semi-verontwaardigd, ‘ik werk hier toch al jaren. Dan zou die man toch moeten weten dat ik van de dames ben. Doe ik daar nou zo m’n best voor? Die mannen hebben 3 barmensen die hun kunnen helpen. & De dames hebben mij alleen maar.’

Ik geef een voorstelling. Alleen ben ik me er niet van bewust op ’t moment dat ik er mee bezig ben. ’t Gaat als vanzelf. Ik haal niet gewoon glazen op als ik ze op ’t terras verzamel. Er moet iets bij gezegd worden. Bij ’t verzoek of iemand ze misschien wil aanreiken. Zodat ’t niet iets vanzelfsprekends is. Zodat ’t elke keer anders is. Niet alleen voor de klanten.
‘Mag ik misschien die lege glazen, alsjeblieft?’
Maar de mensen zitten te verdiept in hun gesprek.
‘Lege glazen,’ leg ik daarom maar even uit, ‘dat zijn glazen waar nagenoeg niets meer in zit. Je zou kunnen zeggen dat er nog een beetje schuim instaat. Zoals bijvoorbeeld deze hier.’
Ik hef een leeg glas op van de stapel die ik in m’n armen heb geklemd.
‘Kijk, hier zie je nog duidelijk een behoorlijke hoeveelheid schuim afgetekend staan tegen de wanden aan de binnenkant van ’t glas. Toch noemen we dit glas leeg.’
Een man kantelt z’n glas een beetje. Om te laten zien in welke conditie zijn glas is. Een druppel kantelt mee. Een bodempje vullend.
‘Je zou kunnen zeggen dat deze ook virtueel leeg is,’ ga ik verder. ‘Want als je deze aan je mond zet, dan zal je merken dat de hoeveelheid vocht die je in je mond krijgt, te verwaarlozen valt. ’t Lest de dorst niet. ’t Ontbeert toegevoegde waarde. Ik noem een dergelijk glas vacant. Leeg dus. Voor de slechte verstaander. Kan aan mij meegegeven worden. Maar om even samenvattend te concluderen: men moet zich vooral niets aantrekken van ’t schuim dat tegen de wand zit geplakt. ’t Is dan wel een kenmerk van bier, ‘t schuim, ’t verzameld koolzuurgas vermengd met kleine hoeveelheden bier, maar ’t wil niet zeggen dat waar schuim is, bier zich bevind. Waar rook is, is ook niet altijd vuur.’
‘Kan ik deze nog wel leegdrinken?’ vraagt de vrouw met ‘t ½volle glas.
‘Wel degelijk,’ antwoord ik. ‘In dat glas zitten dermate grote hoeveelheden druppels, bij elkaar verzameld door ’t verschijnsel cohesie, dat men zou kunnen spreken van een ½vol glas.’
Dankbaar neemt ze er een slok van. Haar gespreksgenoten geven ieder een leeg glas.
Waarna ik verder trek op mijn zoektocht naar lege glazen.

‘Mag ik misschien een bakje pinda’s?’ vraagt ’t meisje aan de bar.
‘Natuurlijk mag jij een bakje pinda’s,’ antwoord ik. ‘Ik vind ’t zelfs heel goed als je pinda’s neemt. Ten 1e krijg je dan een beetje maagvulling, waardoor je meer bier kan drinken. Maar bovendien zou je ’t aan de duiven kunnen geven.’
‘Maar dat vind ik zonde.’
‘Nee, hoor. Is helemaal niet zonde. Duiven kunnen er nl niet tegen.’
Ze kijkt geschokt.
‘Nou, Ton,’ hoor ik collega Sas achter me lachen.
‘Nee, duiven krijgen dan een vette klomp in hun maag. Daar sterven ze langzaam van. Dat is nou precies de bedoeling. Want duiven, dat zijn de ratten van Amsterdam. Duiven moeten weg.’
Ik geef haar ’t bakje pinda’s & ontvang ’t geld. Ze loopt terug naar ’t groepje vrienden.
‘Dat hoef je toch niet te vertellen aan dat meisje,’ lacht Sas verder.
‘Nou, mensen vinden ’t anders altijd een heel leuk verhaal als ik dat vertel. Ze moeten er altijd erg om lachen.’

De voorstelling in Zijperspace is weer voor enkele dagen voorbij.

santpoort-zuid

Ik was vergeten op te letten bij ’t bord met de aankondiging van de trein die ik nam. Hoeveel keer stoppen 't zou duren. Maar ’t zou toch wel goed komen. Zoals alles uiteindelijk altijd wel goed komt als ik onderweg ben. Ook in ’t buitenland. Ik moest denken aan de treinreizen in ’t buitenland. & De angst voor de conducteur die zou gaan zeggen dat ik in de verkeerde trein zat. Dat dat in boete zou resulteren.
In Nederland kan me dat niet zoveel schelen. Wat kan mij nou in Nederland gebeuren?
Maar nu in Santpoort-Zuid. ’t Juiste station. Een verlaten station. Op 5 uitstappende reizigers na.
Voor me uit liepen 2 meisjes ’t perron af. & Een oud stel was in de verte van de lange trein druk bezig hun koffers uit te laden. De conductrice keek hoelang ’t nog zou duren.
Toen ik passeerde pakte de man de laatste koffer van z’n vrouw aan. Ze keken elkaar vertwijfeld aan op ’t moment dat alles op ’t perron stond. Ik keerde af & toe om, om te kijken of ‘t ging. De man stond met z’n hoofd iets naar beneden. In de richting van de bukkende beweging straks. Om ze op te pakken. Zoveel mogelijk tegelijk, kon je ‘m zien denken.
Ik stopte. & Liep toch weer door. Waarom vreemde mensen lastig vallen? Misschien zouden ze ’t wel bedreigend vinden. Misschien zag ik er wel vreemd uit. Zouden ze bang zijn een koffer kwijt te raken aan een hard wegrennende man.
Maar waarom ook niet?
Ik liep de 20 meter weer terug.
‘Kan ik misschien iets dragen?’
De glimlach van de man was veel jonger dan z’n manier van dragen.
‘Da’s heel aardig.’
De vrouw keek ook opgelucht, maar nog steeds licht bezorgd.
‘Neem jij deze dan maar,’ zei de man, terwijl hij de rest opraapte.
Z’n vrouw had enkele tassen om de schouders.
‘Gaat ‘t?’ vroeg-ie aan z’n vrouw.
Na 3 passen liep ze al achter. Ze knikte van maak je nou maar niet bezorgd. & Een beetje stoer waar hij al aan gewend leek.
‘We hebben weer veel te veel meegenomen,’ wendde man zich tot mij. ‘Elke keer weer. We weten ’t van te voren. Toch doen we ‘t.’
Ik droeg een kleine groene koffer, die ik me niet zo zwaar had kunnen voorstellen. Stiekem kwamen er gedachtes over een archeologisch echtpaar bij me op. Ik fantaseerde stenen in de koffer. & Een professor naast me lopend.
‘We moeten tot bij de brievenbus.’
‘Welke brievenbus?’
Ik zag er geen.
‘O, om ’t hoekje van ’t stationshuis. Naast de parkeerplaats.’
De man lachte. Ik kon zien dat ’t een knappe man was geweest.
‘Waar zijn jullie geweest?’
‘Italië. Verschrikkelijk warm. Boven de 40°.’
‘Ja, hier was ’t ook warm. Vreselijk. Ik kan er niet tegen, tegen die hitte.’
‘Ik vind ’t heerlijk, warmte. Maar echt handig is ’t ook weer niet als je bij 35° ’s nachts moet slapen.’
We hoorden de vrouw achter ons aan sloffen. Ze leek moeilijk te lopen.
‘Gaat ‘t?’ vroeg haar man nogmaals.
‘Ja, hoor.’
Zelfde stoere blik die bij haar man verried dat ze elkaar al eeuwen kenden.
‘Voor de rest van de weg heb je niet zoveel last van die zware koffers. Bij ’t vliegtuig gaat ’t allemaal wel.’
‘Daar heb je karretjes,’ vulde ik aan.
‘De laatste meters zijn uiteindelijk ’t moeilijkst.’
Ik glimlachte om de grappige constatering.
‘Zet hier maar neer.’
We stonden aan ’t randje van ’t parkeerterrein. Om de hoek van ’t gebouwtje waar ik de koffer tegenaan zette, zag ik nog net ’t rood van de brievenbus.
‘Ik loop nu naar de auto. Die hebben we 100 meter verderop gezet.’
‘Zo!’ zei ik terwijl ik weer rechtop ging staan. ‘Dan mag u me nu helpen met mij de weg wijzen.’
Ik haalde m’n aantekeningen tevoorschijn.
‘De bloemendaalsestraatweg,’ las ik voor.
‘Dat weet m’n vrouw wel.’
Die was net aan de laatste meters bezig.
‘Marie, waar ligt de bloemendaalsestraatweg?’
‘Die is daar. Daar waar die auto nu naar rechts gaat.’
‘Goed dat ik ’t aan u heb gevraagd. Want ik was naar de andere kant van ‘t spoor gelopen.’
We lachten als afscheid. & De man zei nog een bedankt.
‘Wel thuis,’ zei ik ouderwets.
Ik vond ’t wel bij hun leeftijd passen.
Ik voelde in m’n broekzak. Om op m’n mobiel te kijken hoe laat ’t was. Maar die had de reis richting Beverwijk met de trein voortgezet.

Steeds verder weg verwijderde deze zich van Zijperspace, zodat ik voortaan onbereikbaar was.

verkiezingen

Ik weet nog dat we later in een bootje hebben gezeten. Met z’n 3-en. Over de waters van Julianadorp. Onder bruggetjes door. Dat we naar plaatsen zijn gevaren waar de meisjes wel vaker kwamen, waar ze vriendinnen tegenkwamen. Op heuveltjes met speeltoestellen. Afgeschermd van volwassenen door enkele bosschages. & Ik herinner me vooral dat ik in de wolken was, zenuwachtig tegelijk. & Uiteindelijk teleurgesteld, omdat de tijd evengoed langzaam bleek te gaan.

Aan de vijver van de school waren we dichter bij elkaar gekomen. We moesten een plots vrij uur zien door te komen. Leraar ziek. & Waren in elkaars gezelschap terechtgekomen.
Peter hoorde in die tijd bij mij. Of ik hoorde bij Peter. Ik had ’t gevoel dat wij beiden niet veel durfden, & daarom tijdens school samen optrokken. We kochten samen pennywafels, jodenkoeken & thee voor tijdens de pauzes. Op de blokken in de aula aten we onze boterhammen, gezeten tegenover elkaar. We struinden gezamenlijk door de school & scholen voor de ouderejaars. We zaten desnoods tijdens de lessen naast elkaar, als ’t alfabetisch zitten eens niet hoefde.
Maar Peter droeg z’n tas zo raar. ’t Was al een tas die nog veel dikker was dan die van mij. Waardoor-ie voorovergebogen ’t mee zeulde leunend op z’n onderrug. & Hij kreeg een rode kop als iemand hem iets vroeg. Niet alleen bij vrouwen. Dan stak-ie z’n vinger bijna in z’n mond. Net tegen z’n lippen aan. & Alsof-ie iets fouts had gedaan boog-ie z’n hoofd.
Peter was ’t vriendje voor slechts ‘t 1e jaar, besefte ik toen al.

We waren eigenlijk per ongeluk in ’t gezelschap van meisjes gekomen. In dat plotse vrije uur wilden we bij ’t water zitten, op ’t gras. Dat wilden de meisjes ook. We namen daardoor al snel gezamenlijk ’t lesrooster door. Nog lang niet aan gewend. & We peilden elkaar mbt de mening over de verschillende docenten.
’t Was spannend om te merken dat meisjes andere criteria hanteerden. & Dat dat verschil toch zo makkelijk te begrijpen was.
1 Voor 1 passeerden de docenten de revue. Omstebeurt gaven we onze mening. Dan weer leuk. Dan weer afschuwelijk. Maar nooit in heftige bewoordingen. Daarvoor waren we elkaar nog te veel aan ’t aftasten. Maar als iemand omstreden was, dan kon 1 van de meisjes plots omhoog komen, om haar woorden meer kracht te geven. Dan vertelde ze iets vanuit de hoogte, tegen de 3 kinderen die op ’t gras lagen aan.
Dat laatste deed vooral Ingeborg. Die had net wat meer leven in zich dan Astrid. Ze had ook een lach die makkelijker kwam. Waarbij de kuiltjes nog in de wangen zaten. & Een twinkeling in de ogen verscheen. Bij Astrid gingen slechts de sproeten kleuren als ’t leuk werd.
Astrid moest ’t niet van haar uitstraling hebben in de 1e klas. Haar haren liepen recht naar beneden, met een pony die scherp verticaal was weggesneden. Terwijl Ingeborg zwarte krullen had, die vrolijk naar beneden dansten als ze zich door school bewoog.

De leraren waren op; we hadden onze favorieten op elkaar afgestemd. Maar ’t uur was nog niet voorbij, terwijl we de nodige informatie over huiswerk & lesrooster ook allang al gehad hadden.
‘Wie vind jij dan ’t mooiste meisje?’ vroeg er plots iemand.
1 Van 4-en moet ’t zijn geweest. Peter & Astrid zullen waarschijnlijk niet die vraag hebben gesteld, daar waren ze te onzeker over hun uiterlijk voor. & Ingeborg mocht ’t aan de andere kant vast ook niet. Dat was iets dat niet hoorde, volgens haar moeder. Maar ’t staat me ook niet bij dat ik zo dapper durfde zijn. & Toch werd die vraag gesteld.
We namen de hele klas door, Peter & ik. De helft van de klas. De meisjes. Traag, moeizaam in ’t begin. Maar toen er systeem in kwam, we ze van lelijk naar knap gingen noemen, toen kregen we de smaak te pakken. Spannender onderwerpen kon je niet met meisjes verzinnen.
Als 1 na laatste noemde we Astrid. Ook al waren Marjan, Christien & Elleke stukken knapper. & Wisten we dat allebei. Maar dat kan je niet maken, gezeten aan de vijver, als je voor ‘t 1st in je leven een uur enerverend met 2 meisjes hebt gepraat.
Dus Astrid werd 2e. De op 1 na knapste van de klas. & Ingeborg nr 1. Ze illustreerde ’t meteen, door een verlegen tevreden lach, met haar handen in haar schoot.

& De jongens?
Volgens mij kwamen ze er zelf mee. Ze moesten er iets tegenover zetten. Dus werden alle jongens afgekraakt. In bedekte termen. Tot ze bij de knapste kwamen. De mooiste.
Ik keek opzij naar Peter toen hij als 1 van de laatste genoemd werd. Z’n rode wangen gloeiden van ongeloof.
& ’t Werd al spannender, want ze waren nog steeds niet bij mij aangeland.
Maar uiteindelijk kreeg ook ik de meeste waardering.
‘Ja, je bent gewoon de knapste,’ werd er bekend.

Ik weet dat ik zeer tevreden die middag naar huis ben gekeerd. Trots. Zoiets had ik nog nooit over mezelf gehoord. Maar ik vertelde er niets over tegen m’n moeder. Niets bijzonders gebeurd op school vandaag. Wel toen ik uitgenodigd was om eens bij de meisjes langs te komen in Julianadorp. Toen vertelde ik dat ik met een vriendje ging spelen. Meer niet.
Als ik maar om 5 uur weer thuis was, zei m’n moeder. & Voorzichtig over dat lange fietspad tussen Den Helder & Julianadorp.
Verlegen kreeg ik thee aangeboden, nadat de moeder van Ingeborg daar op aangedrongen had. Anders zaten we daar maar te zitten op de bank.
We konden de boot uit de schuur halen, werd voorgesteld, nadat we een ½ uur aan een leeg kopje hadden zitten lurken.
We hebben rondgevaren. Met z’n 2-en, terwijl er 1tje steeds langs de waterkant meeliep. De boot was voor 3 te klein. We hebben ’t nog ‘ns over dat ene vrije uur op school gehad. Maar telkens als ’t weer in de buurt van die spanning van toen kwam, dan wilde degene die aan de kant stond wisselen met iemand in de boot.
Nog even, nog heel even was ’t er. Op dat pleintje achter een school. We hadden de boot aan wal getrokken. Ze lieten zien waar ze stonden als ze ’s avonds na ’t eten nog even de deur uit mochten. Waar ze over school praatten. Over jongens. Maar toen was ’t al bijna tijd om naar huis te gaan. Toen moest ik me al bijna haasten.
’t Was vooral saai geweest. Te saai eigenlijk, doordat ik een jongen alleen was, in een wereld die veel te vertrouwd was voor de meisjes zelf.

Dat was men nog niet gewend in Zijperspace.

1e dag

Ik ben nog geen ½ uur aan 't werk & de 1e bestelling komt binnen. Wijn ditmaal.
Jos aan de lijn.
‘Ik laat ’t gewoon maar staan,’ zeg ik. ‘Ik kan beter niet m’n enkel nu forceren.’
‘Ach, ik kom straks wel even langs.’
Hij is nog maar net binnen of er komt een vertegenwoordiger. Ze wil kruiken bier slijten. Ik bemoei me ergens anders mee. Schuif blikken op hun plaats. ’t Lichte werk. Jos praat.
De telefoon gaat weer. Ik pak de handsfree achter de rug van Jos langs.
‘Hoe moet ik bij jullie terechtkomen?’ vraagt de vrachtwagenchauffeur.
‘Wacht, ik geef je Jos wel. De straat ligt hier opengebroken & ik zou niet weten welke route je nu moet gebruiken. Ik rijd geen auto, zie je.’
Een leverantie van Wielinga, legt Jos even later uit. Wijn ook. De voorraad was bijna op.
Dan moet hij z’n dochter halen. We hebben ondertussen 2 dozen opgeruimd.
Ik wil gaan zitten als Marlies binnenkomt. Die heb ik sinds de 1e dag van m’n vakantie niet meer gezien. Terwijl zij de 1e dozen bier naar binnenrijdt wisselen we wederwaardigheden uit.
’70 Collie ongeveer,’ vertelt ze tussen neus & lippen door.
Ik zal Jos weer moeten bellen. De vrachtwagenchauffeur met wijn heeft immers ook weer gebeld.
‘Marlies is hier. Met minstens 70 collie. & De vrachtwagenchauffeur van Wielinga vindt geen plek om goed te parkeren. Wil z’n pallet naar de winkel rijden, maar ik heb ‘m uitgelegd dat-ie ’t met een steekwagen zal moeten doen. Ik zeg nog tegen ‘m: “Wij moeten ons ook aanpassen aan de situatie. We hebben evengoed onze spullen nodig.” Maar die vent wil niks snappen.’
‘Ik bel wel even met Wielinga. & Ik kom er zo aan om je te helpen.’
Marlies & ik maken ruimte. Zodat er meer bier naar binnen kan. Praten gewoon verder.
‘Ik werd gister nog voor gek verklaard, dat ik vandaag ging werken. Maar ik zei dat ik ’t rustig aan zou doen. & Dan laat Jos 3 bestellingen binnenkomen.’
‘Ach, die vent is gek,’ zegt Marlies.
Af & toe draag ik een doos. Totdat Jos komt. Met dochter die op de trap plaatsneemt.
Een kwartier later is er alweer honger.
‘Kery,’ zegt Jos tegen z’n dochter, ‘ik val bijna van m’n graatje. Heb jij trek in een broodje?’
Waarop ze de winkel verlaten.
Ik laat Marlies alles in stapels aan de rand van ’t pad plaatsen. Ze druipt van ’t zweet. Ik zit aangenaam in de wind van de ventilator. Af & toe een klant.
Marlies is al een uur weg als Jos terugkomt.
‘Dat moet Clemens straks maar doen,’ zegt-ie na de inhoud van enkele dozen te hebben weggewerkt.
‘Trouwens,’ begin ik, ‘ik zag nou opeens de agenda. & Ik begreep waarom jij zo verbaasd was dat ik alweer terug was. Ik had m’n terugkomst bij de verkeerde week ingevuld.’
‘Ach, maakt niet uit. Je was toch niet in staat te werken.’
‘Ja, da’s waar. Maar ik wilde eigenlijk nog een vrije dag op de 6e september hebben.’
‘Kijk, ziek is ziek,’ zegt Jos. ‘Ook al heb je vakantie. Help me nog even te herinneren tegen die tijd. Dan is Jan waarschijnlijk ook wel terug, dus dat moet wel lukken.’
‘Ach, & zaterdag; dan kan ik best in m’n 1tje werken. Dan is ’t een puinhoop aan ’t eind, maar dat ruimen we later wel weer op. Dan hoeven we ons niet druk te maken over iemand extra.’
‘Oja, & die pallet van Wielinga komt morgen pas.’

We zijn ’t eens in Zijperspace.

taakverdeling

Eens heeft m’n hoofd gezegd dat m’n lichaam zo min mogelijk moest bewegen. Dat zo min mogelijk beweging goed was voor de rust in ’t hoofd.
M’n lichaam interpreteerde die opdracht van boven op haar manier. Dat ‘t optimale uit de beweging gehaald moest worden, zo heeft m’n lichaam dat vertaald. Waardoor er razendsnel naar bezigheden wordt gezocht, zogauw er slechts 1 arm zich zogenaamd nuttig maakt, & de andere ledematen er doelloos bij hangen. Er mag niet met lede ogen worden toegekeken, spijt dat de beweging zich heeft ingezet. Of lede maten.
Er valt ook best iets voor te zeggen: waarom zou ’t linkerbeen niet ’t kastdeurtje kunnen sluiten als de rechterarm grijpend op zoek is in ’t volgende kastje? & Terwijl de linkerhand moet wachten tot iets volgelopen is, kan de rechterhand de spullen die toch ‘ns opgeruimd moeten worden, ordenen, 1 van de ellebogen de deur openen & de rechterbeen ter stimulatie van dit gebeuren de deur een zet geven. Mijn lichaam vindt dergelijke activiteiten al niet meer dan normaal. Des te meer er in ’t moment wordt gestopt des te groter de daaropvolgende rust, denkt ‘t.
Mijn lichaam denkt. Die taak heeft-ie langzamerhand ook van ’t hoofd voor een belangrijk deel overgenomen.
Naarmate ’t punt van vertrek richting werk dichterbij komt, is er minder tijd op te maken. Moet er meer ingestopt worden. Mijn hoofd wil nog steeds rust. M’n lichaam moet daar zorg voor dragen.
Dus kwam ‘t lichaam op ’t lumineuze idee dan maar vroeger op te staan. Kan er nog kalmer, nog meer ongedwongen, genoten worden van de ochtendrust. Slurpen van de thee, kauwen op een broodje, lezen in een boek. Al die dingen waar m’n hoofd zo intens van kan genieten in de ochtendschemer. Hoewel ’t niet perse schemer hoeft te zijn, vindt-ie. Maar daar heeft-ie voor de rest geen notie van. Hij heeft zich overgegeven aan de zorg die m’n lichaam draagt over de gang van zaken.
Thee! Er zal thee gezet moeten worden, wordt er gedacht. De droge bek van de afgelopen nacht, ’t wegvloeien van ’t lichaamsvocht terwijl ’t bewustzijn even afwezig was, ‘t ontbreken van grote hoeveelheden levenssappen; dat alles dient ten positieve gekeerd te worden.
& Terwijl ik, m’n hoofd & m’n lichaam, de 1 wat beter bij de tijd dan de ander, richting keuken loop, kan er net zo goed meteen wat meegenomen worden. ’t Suikerpotje dient gevuld. ’t Lege flesje bier kan opgeruimd. De prullenmand leeg. Gelijk de theepot meenemen.
Meteen de deur maar opendoen, de ochtendlucht ’t huis laten vullen, zodat de trek vanzelf komt.
Dat is slechts ’t voorspel. Volgt de orgie aan bewegingen die als een ongecontroleerde dans m’n keuken lijkt te vullen.
M’n hand pakt de waterkoker. De andere de broodplank. De waterkoker wordt gevuld, terwijl de koelkast wordt opengetrokken door m’n voet. Bij ’t hervinden van m’n evenwicht, heeft de rechter plots nog meer behoefte aan de buitenlucht & duwt de deur van kier naar wijdopen. De koker is ondertussen vol, wordt op de elektra aangesloten, terwijl de andere hand ’t beleg van ’t brood uit de koelkast pakt. Klaar met ’t aansluiten van de koker, gaat de hand nu richting vriezer, waardoor ingevroren brood & beleg tegelijkertijd ’t aanrecht gaan vullen. Als er 1 van de handen klaar is met de taak, kan er net zo goed gelijk zorg gedragen worden voor een schone theepot. Een draai aan de hete kraan, de pot eronder. De benen dragen zorg voor ’t sluiten van de deurtjes. Ergens wordt een mes tevoorschijn gehaald, ’t hoofd is allang al kwijt welk ledemaat daar zorg voor draagt.
Maar juist op dat moment is ’t tijd voor pauze. ’t Water heeft tijd nodig om te gaan koken, & ’t brood moet nog ontdooid.
’t Duizelt m’n hoofd. ’t Weet niet of ’t van de choreografie komt, of door de slaap van ’t extra vroeg opstaan. ’t Is blij dat ’t mee mag naar de kamer om even plaats te nemen in de stoel. Bij ’t raam. De zon toont zich. M’n hoofd geniet als ’t de tuin ziet baden.

& ’t Begint zich langzaam af te vragen waarom 3½e week vrije tijd niet eeuwig kunnen duren in Zijperspace.

semesterslut

Ik ben in vorm. Ik geef 't onmiddellijk toe. Vanmiddag hadden ze 't over de Ton geboden. Een woordspeling die blijkbaar al langer bestond. Maar een leven leidde naast die van mij. Zonder mijn kennis daarover.
Edoch: ik kan u niet onthouden wat ik nog meer schrijf. Waar men die woordspeling op zou willen botvieren. Ook al is 't baarlijke onzin. Zoals wel vaker. Maar ik ga u niet vertellen waar baarlijk & waar onzin zijn gelegen. Onderstaand kan men ook vinden bij Astrid van Assiewam, & wel bij 't commentaar van 1 van de stukjes geschreven op woensdag, augustus 13, 2003. De link volgens is overigens makkelijker. Onderstaand lezen nog veel meer. Maar vergeet dan uiteindelijk vooral niet 't leuke stukje van As nog even te lezen.
Niet dat wat ik geschreven heb belangrijk is, maar ik ben nu toch bezig met u op de hoogte te houden van m'n zieleroerselen. Al of niet naar waarheid.


Maak 't nou! Ik ga voor de gezellige, o zo gezellige campingtalk (ik weet niet wat dat voor taal is). Vooral ook omdat ik tijdens mijn vakanties nooit enig medelander tegenkom of 't moet in een toeristisch plaatsje zijn dat ik onderweg noodzakelijkerwijs moet aandoen. Geef mij maar een lekker gesprek met de duitse buren met hun 7-persoons-iglo in 't candlelight van campinggaz, o zo internationaal bij dit soort gelegenheden, totdat de muggen & steekvliegen m'n benen bont & blauw hebben gestoken & tevens door de dikke trui voor de avondse kou zijn gedrongen. Ik haal tevens gaarne een bakkie thee bij de engelsen die mij zo zielig vonden zitten in 't licht van 't washok, me met veel genoegen hun laatste beetje avondmaal aanbieden of anders bereid zijn te gaan koken, in de veronderstelling dat mensen op zichzelf niet voor diezelfde zichzelf kunnen zorgen. Ik hou ervan, sterker: ik adoreer de situatie waarin ik alles moet ontnuchteren. Dat vakantie op jezelf allang niet meer betekent dat je 2 weken lang in dezelfde onderbroek moet rondlopen, bruin aangekoekt tenzij je 't moest gebruiken als zwembroek bij toevallig aanwezig zijn van schoonheden van nevenliggend dorp.
Whaaaaghhh! Ik verheug me alweer op volgend jaar. Misschien moet ik nogmaals tussendoor als m'n portemonnee 't inmiddels weer toelaat. Lekker alles ontnuchteren wat er te ontnuchteren valt, mijzelf incluis.

Dat was 't wel weer voor deze vakantie in Zijperspace.

panne/n/koek

Je zou die laatste dag, de dag voordat je opnieuw moet, eigenlijk heel speciaal moeten maken. Een beetje een feestje, of iets dergelijks. De boel afsluiten. Iets doen wat je anders nooit doet. Gedenken wat er allemaal is gebeurd de afgelopen tijd. Een uitstapje maken. Je moeder bellen. & Tegelijk enkele vrienden. Je zou iets moeten doen waardoor ’t minder moeilijk is weer aan de gang te gaan. Extra lekker eten maken. & Dan de hele buurt uitnodigen. Een grappig resumerend stukje schrijven, waarin je nou eindelijk ‘ns duidelijk vertelt wat er zich heeft voorgedaan, & wat niet. Je zou een kerktoren kunnen beklimmen & ’t van de daken schreeuwen. Op de weg terug, alle treden afgaand, onnoemelijk veel risico kunnen nemen, zodat je uiteindelijk toch nog op je smoel beland, & ’t geen gezicht is, er geen gezicht is, om zo de klanten de komende tijd te helpen. Voor ’t gemak breek je daarbij ook nog een bot. Ergens in je lichaam. Op de terugweg, met breuken, maak je al fietsend ruzie met een taxichauffeur, snijdt de op z'n gemak wandelende burgemeester af, spuugt in ’t gezicht van een brede duitser in de Damstraat, & maakt rare gebaren naar een vrouw met grote tieten, wiens pooier daar vlak naast loopt, & de man met ’t postuur van een portier, toch een bepaald slag mensen besef je je evengoed, geef je een knietje cadeau. Of een elleboog.
Je moet zo’n dag gedenkwaardig maken. Koesteren. Elke seconde optimaal benutten. De tijd laten uitdijen. Dat zou je moeten doen.

Gister werd ik uitgescholden voor pannenkoek.
‘Pannekoek,’ zei hij eigenlijk, zonder de hedendaagse tussen-n.
Maar ik vond dat ik ‘t in dit geval niet kon maken om z’n uitspraak te verbeteren. Ik vond ’t een beetje overdreven om hem er op te duiden dat je die tussen-n, nu hij toch geschreven werd, beter wel kon uitspreken, omdat de kinderen dan makkelijker zouden begrijpen waar we ’t over hebben. Hoewel ik ’t ook weer overdreven vind dat ik die neiging tot uitspraak heb, zeker met die op de achtergrond liggende reden.
Ik moest me rustig houden, vond ik. Ik was immers onderweg naar m’n werkgever om ‘m te vertellen dat ik donderdag weer zou beginnen. Ik kon best wel ‘ns minder riskante onderwerpen aansnijden.
Ik zei slechts dat ik de bescheiden mening was toegedaan dat ik geen pannenkoek was. & Dat ik uitkeek. Dat laatste vermeldde ik voordat ik zei dat ik geen pannenkoek was. Waarmee ik dus eigenlijk beweerde dat ik zijn mening in deze dus ook naast me neerlegde. Dat ik heel goed had opgelet, maar dat er ineens toch een auto van over de brug links kwam. Dat ik daarom zo plots moest remmen.
Verder wilde ik ‘m ook vertellen dat degene die achterop rijdt degene is die schuld draagt, dat als je geen afstand houdt er makkelijk kettingbotsingen ontstaan, dat de verzekering mij in ’t gelijk zou stellen, alsook de politie, dat er voor de rest toch niets gebeurd was, maar dat híj degene was die voortaan beter uit z’n doppen moest kijken.
Maar dat deed ik dus niet.
Ondanks dat noemde hij me nogmaals ‘pannekoek’. Weer zonder tussen-n, maar daar kon ik me inmiddels niet meer druk om maken. & Dat ik niet zo brutaal moest zijn, zei hij terwijl-ie nog steeds naast me fietste, want dan zou hij m’n gezicht (daar had-ie een ander woord voor) wel ‘ns bewerken.
Terwijl ’t toch wel een klein mannetje was. Een nietszeggend niemendalletje. Dacht ik vooral toen ik nog achter ‘m reed. Een mannetje dat wel hard kon rijden, maar niet na kon denken hoe je die fanatiek verbruikte energie ook efficiënt kon omzetten in grote afstanden in korte tijdspanne. Dat liet ik ‘m dus maar even gratis zien door ‘m in te halen via de efficiënte weg. Totdat die auto van links kwam. Maar die had-ie zelf dus ook niet aan zien komen.
‘& Iedereen moest plots op z’n remmen staan. Door jou, pannekoek.’
Met van die tanden die ijzingwekkend wit uit z’n mond kwamen glinsteren. Waarbij je de bruine vlekjes ertussendoor kon zien schijnen. & De hoektanden plots enorme proporties aannamen. & Je kon veronderstellen dat z’n snijtanden slechts voor ’t vermalen van vlees dienden. & Z’n ogen stonden op intens verdriet. Die wisten niet meer wat z’n mond daaronder aan ’t bauwen was.
Toen-ie echter dat stukje over m’n gezicht zei, toen had ik er genoeg van. Toen zei ik sorry. Toen zei ik dat heel zachtjes, maar toch wel hoorbaar voor iemand die naast je rijdt, & lief bovendien. Toen fietste hij door. Toen dacht ik dat ik de wijste was. Toen dacht ik dat ik maar niet meer moest laten zien dat hij een mietje was dat-ie zo langzaam reed. Toen stond-ie plots op de remmen. & Toen meed ik hem met gemak. Toen vond ik dat wel grappig.
Vooral toen-ie zei: ‘Kijk, zo plotseling remde jij nou.’
Hij probeerde een voorbeeld te stellen.
‘Ja, & ik heb je niet aangeraakt,’ reageerde ik.
Niet te hard, want ik wilde niet nog een keer een ‘pannekoek’ zijn.
Maar om de hoek heb ik ‘m toch maar ingehaald. Op ’t drukke verkeerspunt schoot ik tussen 2 aanstormende auto’s door. Terwijl hij voor ’t stoplicht bleef staan.
& Ik dacht: ‘Hij is een mietje.’
Dat dacht ik. Had ik uiteindelijk toch gelijk, dacht ik.

Toen dacht ik dus gelijk dat ik wat gedenkwaardigs moest doen met die laatste dag van 3½ week geen werk.

Maar men had de dag ervoor al pannenkoeken gegeten in Zijperspace.

vliegensvlug

Onderstaande is opgenomen als antwoord op de reactie van Cranium. Die u overigens nu allemaal regelmatig moet gaan lezen (ik was 't bijna vergeten te vermelden).

Dit is dan ook een handeling die enige ervaring vergt. Men wil nl niet de achterblijfsels, om 't zo maar even uit te drukken, de rest van de dag met zich meedragen. Een voordeel hierin is dan ook dat dit me vaak in de douche- annex toiletruimte gebeurt. Waar 't plotse licht aardig wat kleinood, dorstig voor de dag & bijbehorende verlichting, aantrekt. Vooral als ze reeds enkele uren in de gang hebben moeten bivakkeren. Voor hun een kwelling. Want afgesloten van ’t licht, tenzij ik de knop ervoor gebruik.
Goed, in dat geval heb ik de mogelijkheid me onmiddellijk van allerlei overblijfselen des insekts te ontdoen. Aangezien ik toch vaak gebruik maak van deze voorziening zogauw ik deze ruimte heb betreden, niet echt iets om over na te denken.
Mocht ’t zo zijn dat de situatie zich voordoet in de keuken, of nog vervelender: in de huiskamer, anders ’t ergst, ten allen tijde dient dit te voorkomen te worden: in de slaapkamer, waar ’t voor een onrustige nacht kan zorgen; mocht ’t op voornoemde locaties zich voordoen, dan dien ik er me bewust van te zijn wat ik doe, & vooral niet nonchalant te handelen. Effectiviteit, daar draait ’t dan om.

Misschien moet ik op dit punt een stap in ’t verleden maken.
Mijn moeder bewaarde altijd alle elastiekjes die ze kon bemachtigen. De slager pakte haar bestelling in, deed om de papieren zak een brede elastiek om ’t bij elkaar te houden; de groenteboer evenzo; soms waren postpakketten dusdanig omvangrijk, m’n vader was een belangrijk man, dat ’t hele zooitje tevens door elastiek samengebonden diende te zijn. Ik zie sommige postbodes nog steeds met dergelijk bundelingsmateriaal hun fietsen decoreren.
M’n moeder bond daar de broodtrommel van vader mee toe. 1 Keer in de lengte & 1 keer overdwars. Dat lukte ons niet, toentertijd, want daarvoor hadden wij de kracht niet in onze armpjes. Ze maakte er pakketjes oude kranten mee. & Als de gezamenlijke boodschappen van de tantes bij ons thuis opnieuw verdeeld moest worden, dan kwamen ze ook vaak te pas.
Ze werden in de la bij de achterdeur bewaard. Soms zat ’t daar tot berstens toe vol aan elastieken.
In mijn zelfstandig huishouden heb ik er ook een la voor gereserveerd. Ik kan ’t niet over m’n hart verkrijgen ze weg te gooien. Ze dienen bewaard voor later. Als zich een situatie voordoet waarbij elastiekjes onontbeerlijk zijn.
Toentertijd gebruikten wij kinderen ze om mee te spelen. We knutselden er een katapult voor, of een slinger, door ze aan elkaar vast te knopen. Of we maakten er een enkele katapult van, door er niks mee te doen, behalve dan ’t schieten zelf.
Ik was zeer bedreven in dit laatste. Ik kon uren op de bank hangen, in afwachting van vliegen die zich begaven in de voor hun gevaarlijke zone van de voorkamer. Mijn elastiek was onverbiddelijk. Op gegeven moment had ik bijna altijd prijs. Van een afstand van 3 meter wist ik de insecten nog steeds met gemak te verpletteren onder de plotse kracht van mijn afgeschoten elastiek. Ik waande me Lucky Luke met de elastiek.
‘Hé, Mam!’ riep ik dan naar de keuken, ‘alle vliegen zijn ’t huis uit.’
Verwonderd kwam m’n moeder kijken naar de verspreide lijken. Op de lamp, op ’t dressoir, op de tv, op de ramen; overal had mijn razendsnelle schiettuig restjes vlieg, verpletterde vlieg, achtergelaten.
Ik mocht de kamer schoonmaken & de lamp repareren door een nieuw bolletje te kopen in de supermarkt. De kosten ervan werden ingetrokken op m’n zakgeld. De elastiekjes kwamen weer in de la bij de achterdeur te liggen. Daar moest ik voortaan wegblijven.

Ik was beroofd van ’t meest effectieve wapen in de strijd tegen de vliegen. & Van een zeer prettige bezigheid. Ik heb daarna nooit meer een activiteit kunnen ontwikkelen waarbij ik uren achtereen stil kon blijven zitten. Zelfs bij ’t lezen van een boek dien ik om de 10 minuten m’n benen te strekken.
Maar ’t vliegend tuig liet niet af. Zij bleven komen.
Na enige maanden van alles over me heen laten komen, een winter waarin de insecten zich meestal beperkten tot kruipend tuig, ben ik vervolgens m’n handen gaan ontwikkelen tot daadkrachtige moordwapens. Dit echter wel zó, dat de sporen niet terug te vinden waren. & De lamp niet nogmaals kapot zou gaan (veel zakgeld kregen wij immers niet).
Mijn handen, in platte dan wel vuistvorm, zijn razendsnel geworden. Ik hoor bijkans ’t zoeven van de lucht. Een pootje of een vleugel raken is voor mij vaak al voldoende om mezelf ervan te vergewissen dat de vlieg geen kwaad meer kan doen. Doeltreffend zijn mijn ingrepen in hun leven dan ook wel te noemen. Slechts uit frustratie wil ik nog wel ‘ns de lichamen uit elkaar gereten door de explosieve kracht van mijn handen verspreid over ’t aanrecht doen neerkomen.

Vandaar onderhevig geval in Zijperspace.

bijna-dood

De telefoon gaat. Om ½ 9. Rachel belt niet rond deze tijd, denk ik meteen. Collega’s ook niet. ’t Zou m’n moeder moeten zijn. Die weet dat ik de laatste tijd wat vroeger opsta.
Ik hoor mensen praten. M’n moeder lijkt instructies te geven. Maar geen aandacht nog voor wie ze aan de lijn heeft.
‘Nou? Wat is er, Moe?’ vraag ik.
Ze wendt zich tot de hoorn.
‘Ik bel je om te zeggen dat Leo Munier gisteravond is overleden.’
We hadden ’t nog over ‘m. Bij ’t laatste telefoongesprek. ’t Ging niet zo goed met de vader van m’n schoonzus. Leny had verteld dat de dokters de apparatuur hadden afgesloten. Ze hadden de moed opgegeven. Binnen 48 uur zou ’t einde komen, hadden ze gezegd.
Ik kon geen verschrompelde man voor de geest halen. Een zieke man in een ziekenhuisbed zag ik niet. Alleen die lach, die brede lach van wang tot wang. Getekend in rimpels die de zelfde kant opstonden. Met een peuk in z’n hand. & Een bijbehorende roestige stem.
‘Oh, nadat we ’t over hem hadden?’ vraag ik m’n moeder.
‘Ja, om 11 uur.’
‘Da’s net nadat we hadden opgehangen.’
‘Ja, Jan belde. Hij zei dat ’t afgelopen was met z’n schoonvader. Ik belde je maar niet, omdat je dan misschien niet zou kunnen slapen.’
Ik denk aan wat ik gister had gedaan. Barstende koppijn schiet me te binnen. Met moeite televisie die eigenlijk verveelde. Ik had koppijn om mee te voelen, waag ik voor een moment te denken. & Vind ’t meteen onzin.
‘Dan moet ik maar een condoleancekaart sturen, toch?’
‘Nee, doe dat nou nog maar niet. 1st Even de rouwkaart afwachten.’
Ach, ik ben ’t nog niet gewend. Te weinig meegemaakt. & Anders werd ’t door m’n moeder afgehandeld.
Er is te veel dood om me heen de laatste tijd, besef ik me. Of bijna-dood. Veel mensen die angstvallig dicht bij de rand komen. Ik heb van de week een kaartje gestuurd naar m’n tante. M’n peettante. Een verjaardagskaartje. M’n moeder benadrukte dat ik dat even moest doen.
‘Ligt ze weer in ’t ziekenhuis?’ vroeg ik toen.
‘Nee, ze is thuis.’
M’n moeder dicteerde ’t adres. Inclusief postcode. Ze gaf me zelfs een postzegel.
‘Die heb ik zelf, Moe,’ zei ik. ‘Ik kan heus wel voor mezelf zorgen.’
Ze lachte. & Ik nam toch maar de postzegel aan. Voor ’t geval dat ik ’t weer ‘ns zou vergeten.
Tante Wil is een beetje ‘tzelfde verhaal als Leo. De doktoren die behandeling niet meer zien zitten. Hopeloos. Daarom zit ze nu thuis. Hoewel de tumor ervoor zorgt dat ze heel moeilijk zit. Ze kan ‘t maar op 1 bil.
‘Dus ’t gaat niet lang meer duren?’ vroeg ik aan m’n moeder.
‘’t Kan een paar maanden zijn, maar ook 2 jaar.’
Tante Wil heeft wat meer tijd in ieder geval. Ze is dan ook 20 jaar jonger dan Leo Munier. 60 Jaar. Maar Leo bestaat inmiddels niet meer.
Ik bereid me voor. Door een kaartje naar m’n tante te sturen. Gefeliciteerd met uw verjaardag. Een fijne dag. & Sterkte de komende tijd. Waarbij ik niet weet of ik die laatste zin wel moest schrijven. Bij ’t minste of geringste begint m’n tante al te huilen. Ze is niet sterk genoeg, zeggen haar zussen.
’t Is egoïstisch, denk ik, dat ik te weinig bij hun stilsta. Steeds weer ’t beeld van m’n eigen vader. Die is 70. Precies tussen hun in.

’t Is een beperkt kringetje, waar Zijperspace om draait.

kerkhof

Ze komen hier vrijwillig om te sterven. Ze verkiezen zelf hun lot. Ik heb ze wel ‘ns weggejaagd door op ’t aanrecht te gaan staan, de ramen open te gooien & ze naar buiten te wapperen met een krant, maar 5 minuten later kwamen de 1e toekomstige sterfgevallen alweer ’t keukenraam bevolken. Ik laat de deur expres open staan, mochten ze zich bedenken. Maar als ik de volgende dag kijk, dan is de vensterbank al veranderd in een vliegenkerkhof. Ze kunnen niet tegen de hitte van de directe zon. Dan schroeien ze blijkbaar hun pootjes & blijven ze niet meer plakken. Neergekomen op hun ruggetjes drogen ze dan al snel uit. Ik zie ze slechts zelden spartelen, zich verweren tegen de onherroepelijk intredende dood. Ze laten ’t meestal over zich heen komen, te moe van ’t zoeken naar een uitweg. Of misschien is ’t wel echt zo dat ze puur vrijwillig mijn keuken hebben verkozen, bedenk ik dan wel ‘ns. Als ik ze aantref. Hebben ze reeds afscheid genomen van ’t volk. Net als eskimo’s. Die lieten zichzelf ook achter om te sterven als ze slechts tot last voor de rest waren.

Deze was dus eigenwijs. Ik was ‘m gisteravond al tegengekomen. Midden op ’t aanrecht. Ik zag een zwarte vlek in ’t donker. Ik trapte er met m’n vinger tegenaan. Zoals we vroeger in ’t klaslokaal in de lesbanken voetbalden met propjes papier. Ik deed ’t vooral omdat ik niet wist hoe dood of levend de zwarte vlek was. Wist niet eens hoe ik ‘m anders dan vlek moest definiëren. Ik had ’t licht al uitgedaan, maar had toch nog iets lekkers uit de koelkast nodig. In de laatste schemer van buiten, misschien ’t weerkaatsend stadslicht dat m’n keuken bescheen, zag ik iets zwarts. Grijs misschien, maar verder kon ik niet onderscheiden. Terwijl ik dacht dat ik alles had schoongemaakt. De fles Ajax stond er nog als stille getuige van deze activiteit. Ik moest toen de vlek controleren op z’n identiteit. Wat & hoe. & Hoe was ’t mogelijk dat ’t daar terecht was gekomen. Daar ging ’t me om.
Als ik geweten had dat ’t een vlieg was, dan had ik ’t niet eens willen aanraken. Ook niet al vingervoetballend. Ik gebruik over ’t algemeen hooguit een vuist of een snelle platte hand om irritante wezens te vermorzelen. In 1 klap. Niet nadenkend. Overdonderende vernietiging. Splet! Voor de rest vermijd ik aanraking met dergelijke beesten. Eigenlijk kan alleen een hond van mij een liefkozende, vertrouwelijke, tot begrip geneigde aai verwachten. Maar dan houd ’t ook op.
’t Was dus niet bedoeld als aai. Meer als onderzoek. Tastend. Toen ik de neiging tot stuiteren in de schemer had weten te ontwaren, welke kant ’t op wilde gaan & hoe vaak op & neer, begreep ik dat ik te maken had met een insectachtige. Daar maakte ik m’n vingers niet aan vuil, concludeerde ik, laat staan m’n aanrecht, maar dat was voor later zorg. 1st Mezelf verwennen op ‘tgeen ik uit de koelkast had getrokken. & Er een nachtje over slapen.

Vanochtend heb ik met een dweiltje, net schoon uit de was, ’t diertje wakker geschud. Ik wilde wel ‘ns weten wat ’t daar deed. Ik dacht dat neervallen van ’t keukenraam naar de vensterbank een rechtere lijn, meer rekening houdend met de zwaartekracht, zou vormen dan van ’t keukenraam naar ’t randje van m’n aanrecht. Toch bijna een meter verschil met de verticale val.
’t Vliegje begon onmiddellijk levendig te spartelen. Geen teken van dood. Geen enkel. ’t Had zich gewoon een beetje stom gehouden. Blijkbaar genietend van mijn schoonmaakwoede, die ik gister op ’t aanrecht had losgelaten.
Overigens was ik tot op dat moment ervan overtuigd dat vliegen liever in een hoop stront zitten dan zoiets schoons als mijn keuken & toebehoren. Ze gaan voor alles dat neigt naar vies, ranzig, afval & in ’s mens ogen oneetbaar. Dacht ik.
Deze blijkbaar niet. Maar ik heb hierboven al moeten concluderen dat deze waarschijnlijk eigenwijs was.
Hij maakte een heel kabaal, na ’t korte stootje met de dweil. Kermend & schreeuwend bewoog ’t zich over de lengte van m’n aanrecht. Zo leek ’t in ieder geval. ’t Geluid verzon ik er zelf bij. Maar als ik zelf een vliegachtig beest zou zijn geweest, dan had ik naar alle waarschijnlijkheid m’n gehoororganen moeten afdekken, zo ging deze tekeer na mijn aanraking met de dweil. Nu hoorde ik daar niets van, maar moest ik dit concluderen uit z’n bewegingen. ’t Beest maakte behoorlijk leven. Alsof ik ‘m mishandeld had.
Toen had ik er genoeg van. Mij een beetje valselijk zitten te beschuldigen! Ik ben nog te laf om een zoogdier met handschoenen aan te raken. Behalve dan ’t verschijnsel hond.
Mijn vlakke hand deed z’n werk. Razendsnel. Zodat ik er niet over hoefde na te denken. Dat is nl mijn grootste manco: ik denk over dit soort dingen na.
Splet!
Ik vloekte er ook nog even bij. Beledigd als ik was.
Bied je ze zóveel ruimte. & Dit is wat je als dank terugkrijgt.
Dat dacht ik dus. Zo ongeveer.

De overblijfselen werden bij de volgende grote schoonmaak weggespoeld uit Zijperspace.

testtekst

‘Ik dacht dat je dood was,’ zegt m’n moeder.
Zonder te melden wie ze is. Ook niet echt noodzakelijk. Ik herken haar stem meteen. Ietwat hoger in toon dan normaal door de verontwaardiging.
‘O,’ zeg ik.
Even confuus. Maar al snel bedenk ik dat m’n moeder sterk kan overdrijven. Als ’t om gebrek aan aandacht gaat. Ze weet inmiddels dat ’t anders niet aankomt bij haar zoons. Ze zijn allemaal ‘tzelfde. We weten 't zelf ook ondertussen.
‘Je hebt helemaal niet laten horen hoe ’t voor de rest ging,’ gaat ze verder. ‘Ik dacht dat je misschien wel met spoed in ’t ziekenhuis opgenomen was.’
‘Nou,’ steek ik laconiek van wal, ‘ik moest die ochtend nog een paar keer plassen. & Op een gegeven moment deed ’t geen pijn meer. Dus ik ben nog maar ‘ns met de assistent van de huisarts gaan bellen. Die zei dat ’t dan niet nodig was dat ik een plasje zou brengen. Hij legde me gelijk uit waar ’t allemaal voor had moeten dienen.’
‘O,’ zegt m’n moeder nu op haar beurt.
Maar meer concluderend.
‘Misschien heb ik ’t er wel uitgeplast.’
‘Ja, dat zou kunnen natuurlijk.’
‘Dat ’t daarom pijn deed.’
‘Ja, dat kan. Hoe is ’t nu met je voet?’
‘Sinds gister gaat dat eindelijk beter. Ik merk nu dat ’t aan ’t genezen is, zogezegd. De pijn wordt minder.’
‘Heb je die krukken nog gebruikt?’
‘Ja, ik gebruik ze elke dag. Behalve als ik binnen ben.’
‘Ja, dan maak je ook niet van die grote afstanden.’
‘Nou, toen ik ze net van je had gekregen, toen heb ik ’t wel gebruikt om in de keuken te komen. Maar dat is nu niet meer nodig. Ik denk dat ik ze vandaag helemaal niet meer gebruik.’
‘Nou, mooi.’
De zaak is rond. Zo klinkt dat. Haar bezorgdheid weg.
‘Maar zeg,’ gaat ze verder, ‘kan je je weblog niet een beetje aanpassen?’
‘Wat bedoel je?’
‘Nou, als ik je stukjes wil uitprinten dan wil ’t niet helemaal op ’t a-4tje. Als jij ’t nou een beetje aanpast, dan lukt ’t misschien wel.’
‘Kan je niet de tekst kopiëren naar Word & dan de tekst uitprinten?’

Dit is dus eigenlijk slechts een testtekst in Zijperspace, voor m’n moeder, die ik veel te vaak vergeet.

determinatie

Ik keek van boven neer op m’n vader. Ik zag z'n lichaam nog net schijnen door de gordijntjes heen. In de zon. Hij strekte z’n handen uit. Naar de bloemetjes waarvan hij de namen niet meer wist. We hadden ’t net nog gecontroleerd.
‘& Dat is..... ’ zei hij.
‘Dat is brunel,’ vulde ik aan.
Waarna hij ‘t 5 minuten later weer zei. Weer op zoek ging in z'n geheugen. Toen m’n moeder met de thee aan kwam zetten. Voor m’n vader koffie. Misschien zij zelf ook wel koffie. Of anders thee. M’n vader had z’n hand nog overhangen toen ze passeerde. Over de stoelleuning. Deed ’t nogmaals toen m’n moeder alweer voorbij was.
We hadden ’t koninginnekruid al gezien. We hadden de uitgebloeide akelei herkend. Niet de wijnruitakelei. Die kende ik niet. M’n vader niet meer. M’n moeder vulde dat aan. Ik had de stengel van de wolfsmelk gebroken. Om 't sap de naam te laten illustreren. Zoals hij dat vroeger had gedaan.
‘Boerenwormkruid,’ zei ik daarna. ‘& Dat is lievevrouwbedstro. Maar da’s al uitgebloeid. Woekert bij mij verschrikkelijk.’
M’n vader lachte. Zoals hij gelachen had toen ik binnenkwam.
Toen stapte hij op van de bank. Slaperige ogen.
‘Ha, ik was op je aan ’t wachten.’
Geloofde ik niet. Maar ik ben bereid te geloven. Dan krijg je meer glimlach. ’t Resultaat was er meteen.
Hij zei nog iets.
‘Nee, dat was de vorige keer dat ik langs was,’ weet ik dat ik reageerde.
‘Oh, dat weet ik niet meer. Ben ik al vergeten.’
Zoals-ie alles vergeet.
M’n vader is een toonbeeld van vergankelijkheid. Hoewel ik dat niet wil zeggen. Hij glipt weg. Voor hemzelf ook.
M’n moeder had gezegd dat-ie lag te slapen. Dat ze me daarom op kon halen van ’t station.
‘Ach, hij slaapt.’
Zoiets. We worden laconiek. We raken eraan gewend. We weten af & toe alleen niet waaraan. Dat alles verloren gaat, misschien.
Ze was verrast dat ik toch kwam. De dag ervoor had ik telefonisch gemeld dat ik ’t eigenlijk maar niet zou doen.
‘M’n voet doet pijn. De trein zal reteheet zijn. & Ik ben moe.’
Er waren nog meer redenen.
M’n moeder vroeg: ‘Rete?’
‘Ja, rete. Zoals retedruk. Reterustig. Retegemakkelijk. Rete. Snap je?’
& Toch kwam ik. Je moet je gezicht laten zien, was ’t dogma. Hoe vaak zal ’t nog zijn? Dat was de vraag. Nu weet-ie ’t tenminste nog. Hoewel-ie 't ook weer snel vergeet.

Ik zag ‘m de plantjes raken. Determineren. Zoals hij alleen maar kon. Hij bestudeerde ooit de blaadjes. De bloemetjes. Zoals ze tevoorschijn kwamen. Zoals de stengels zich groepeerden, splitsten, groeiden. Hij classificeerde.
‘Ik vond ’t altijd zo fijn zoals Pa de bloemetjes herkende,’ zei m’n moeder laatst. ‘Ik weet van niemand die dat zo goed kon als hij.’
& Ik werd treurig. Te laat.
Dus liep ik met ‘m door de tuin. Die allang niet meer de tuin was zoals m’n vader z’n tuin gewend was. Tegenwoordig ingericht op z’n neiging z’n evenwicht kwijt te raken. Van z’n pad af te wijken. Een breed pad. Weinig lucht voor woekering.
& Ik zei: ‘Koninginnekruid.’
& Zei: ‘Welriekende agrimonie. Wat is die van jullie klein.’
Waarop hij me meesleepte naar een hoek. Hij wees. Welriekende agrimonie. Groot. Bijna uitgebloeid. Als bij mij thuis. Pa zag dat ’t leek. Precies als die ander.
‘Hop,’ ging ik verder.
‘Majoraan.’
‘Groene munt.’
‘Witte munt.’
M’n vader humde. M’n vader wist ’t al. Maar m’n vader wist de namen niet.

Maar nu zat ik achter ’t raam. Achter de comp van m’n moeder. Boven.
M’n moeder riep: ‘Hoe gaat ’t met Pa?’
Vanuit de kamer met de naaimachine.
‘Slaapt-ie?’
‘Nee,’ concludeerde ik. ‘Hij kijkt naar de bloemetjes.’
& Teder pakte hij een stengel uit de woestenij op. Zodat ’t zich uitrekte. Hij spreidde de blaadjes. Hij las. Zonder luidop te kunnen voorlezen.

‘Nu is-ie in slaap gevallen,’ zei ik een minuut later.
Hij lag in de zon. In de stoel die hij zelf midden tussen de planten had gesleept. Z’n handen in elkaar gevouwen. Ellebogen op de stoelleuningen. Rustig. Hij kan tegenwoordig in elke houding slapen.
‘Mam, hij is in slaap gevallen,’ riep ik nogmaals.

De zon veroorzaakt alleen maar meer ouderdomsvlekken in Zijperspace.

gespiegeld

Ik zit in de spiegel. Ik zit aan de andere kant; daar waar alles tegengesteld is. Waar links rechts is. & Onder boven. Gespiegeld in de as. ’t Middelpunt der assen. Punt 0. Daar waar niets iets blijkt te zijn. Daar zit ik. Maar meestal is ‘t niets, want ooit was ’t meer dan niks. Als dat iets mocht zijn.
Aan de andere kant van ’t spiegelpunt dacht ik nog: van alles gebeurt me. Niets gaat aan mij voorbij. Niets stopt. Ik kan een stap zetten & ’t is in avontuur veranderd. Een afstand afleggen van slechts enkele meters betekent elke keer weer, steeds opnieuw, een nieuwe situatie. Een ander persoon spreekt me aan. De horizon verandert. Een wolk doet ’t licht de wereld anders beschijnen. Een beest begeeft zich door ’t beeld. & Ik boek vooruitgang. Onderweg.
Ik had verkozen de wegen te bewandelen waar anderen niet kwamen. Alle achterafjes. Waar niemand kwam, behalve de boer. Ik wilde niet nog eens erbovenop, de aanwezigheid van vele anderen. Daar waar ik was nog iemand anders. Waar ik voor uit moest wijken. Liever de overzichtelijkheid zoveel mogelijk behouden van mij & mezelf. & Alles wat daar al bij hoort.
Kale paden liep ik. Bosschages, struiken, bomen, & soms simpel prikkeldraad schermden de alternatieven, de foute keuzes af. Te veel aan keuzes kan leiden tot overdaad. Overdaad schaadt. Omdat je niet meer weet waar te stoppen. Wat genoeg is geweest.
Kale paden begroeid met hooguit gras, zegge, winde. & Dat waar ik de namen niet van weet. Kale schuine paden; ’t zand neeg naar binnen. Hoopte zich in ’t midden op. Waardoor de keus werd beperkt tot 3: midden, links, rechts. & Dan vooruit. Anders was er geen weg. Blijf je 1-dimensionaal. Paden dienen ergens toe te leiden.
Daar heb ik de fout gemaakt. De verkeerde van de 3. Maar daar kwam ik later pas achter. Voorbij ’t keerpunt.
’t Is een vreemde vaststelling. Dat als je je beweegt, je beleeft. Telkens weer. Elke verandering, elke beweging, is steeds weer een reden om ’t overzicht in je hoofd te herordenen. Alles overhoop, dat gebeurde daar regelmatig. Daar, in m’n hoofd.
Ik hoefde slechts de voorwaardes ietwat aan te passen. Andere omgeving. Andere tijd. Andere ritme.
’s Avonds probeerde ik ’t weer geordend te krijgen. Te overzien wat ’t had gedaan. Wat ’t was geweest dat gepasseerd was. Ik bestudeerde de hemel. De heldere hemel bij middernacht. Zonder dat ik begreep wat er stond geschreven. Anders keek ik naar de vertes, zover de vertes zich lieten bekijken, in zoverre de vertes reikten. Maar ’t was een rustige omgeving. Een behang dat geen oneffenheden vertoonde. ’t Was een prelude op de rust.

Nu zit ik aan de andere kant. Ik heb geen keuzemogelijkheden meer. Ik kan slechts gaan. Maar zelfs die gang is stilstand. Ik kan me bijna niet herinneren waar ’t keerpunt was. Ik kan ’t situeren. Ong. Ergens, op bepaalde dag, maar aanwijzen niet.

Nu kijk ik voor me uit, gezeten in een stoel, been omhoog, in Zijperspace.

plaspauze

Ik hoorde zacht ‘Ton’ roepen. Nog net hoorbaar in m'n vaart, achter me. Keek om. In ’t gras zat een gezicht met grijze haren. Die ik herkende omdat ik 'r afgelopen vrijdag weer ‘ns had gezien. & De combinatie klopte. Klopte naar wat ze me had verteld. Een vrouw erbij, & een kind. De laatste ong 4 jaar oud. ’t Gezin compleet.
Ik keerde m’n fiets om. Lachte. Reed ’t gras op & zette m’n fiets op z’n standaard.
‘Zo zie je,’ zei ik.
‘Ja, inderdaad,’ zei Lineke.
Jaren niet gezien. & Toen ze had gezegd dat we elkaar wel weer zouden treffen, wisten we beiden dat ze gelijk zou krijgen.
Haar vriendin heette Anneke.
‘& Dat is Huug,’ zei ik.
‘Dat heb je goed onthouden.’
‘Die heb ik er meteen ingeramd.’
Namen van kinderen moet je onthouden. Daar moet je in ieder geval extra je best voor doen. Toch is ’t af & toe een puinhoop in m’n hoofd als ik die van mijn neefjes & nichtjes tevoorschijn moet toveren.
‘Ik heb wel een paar dagen aan je zitten denken,’ zei Lineke.
‘Goed zo.’
Lachte een beetje. Niet te veel. Want ’t gesprek van vrijdag was vrij serieus geweest. Nog geen 2 uur terug van vakantie & meteen zó'n gesprek.
‘Ik was onder de indruk dat ik niet de enige was die dat soort dingen voelde,’ ging ze verder. ‘Ik heb er ’s nachts wel over nagedacht.’
‘’t Is al jaren zo,’ zei ik, ‘maar in de familie praten we er niet altijd over. Proberen we ’t te negeren. Anders kan je ’t op een gegeven moment niet meer aan. Dan zouden we ‘tzelfde moeten doen als jij.’
‘Wat heb je aan je voet?’
‘O, dat had ik vrijdag ook al. Maar toen wist ik nog niet dat ’t zo ernstig was.’
In sommige gesprekken worden grote dingen kleine dingen, zonder dat ze daardoor naar de achtergrond verdwijnen. Ze spelen mee. Blijven meespelen.

We keken naar Huug. Hoe hij een nieuwe luier omkreeg. Terwijl Anneke vertelde wat zij in ’t dagelijks leven deed.
‘Mij assisteren,’ grapte Lineke, ‘als ik gestresst in de Melkweg foto’s sta te maken.’
Lach. Een duw tegen de elleboog. Terwijl de oude luier werd afgehaald.
‘Had je dan niet even kunnen zeggen dat je moest plassen, Huug?’ zei Anneke.
Huug reageerde niet. Hij kauwde op z’n appel.
‘Nee, ik zit in de voorlichting,’ ging Anneke verder. ‘SOA; geslachtsziektes.’
‘Veel te veel mensen weten daar te weinig van,’ vulde Lineke aan. ‘Weet jij bijv hoe groot jouw risico op een geslachtsziekte is?’
‘Ja, nihil.’
Ondertussen zat Huug aan z’n piemel te jeuken. Hij lag op ’t doek. Anneke was een schone luier uit de tas aan ’t halen.
‘Ik heb slechts 1 keer per jaar sex, denk ik.’
‘Da’s niet vaak,’ zei Lineke.
‘Vaak genoeg om daar een geslachtsziekte aan over te houden,’ zei Anneke.
Ze lachten. Terwijl de luier om de billen van Huug getrokken werd.
‘Hij is al zindelijk, hoor,’ zei Lineke, ‘maar op dit soort uitstapjes gaat ’t nog steeds wel fout.’

Huug rende weer rond. In z’n luier. Z’n broek was nat geworden. Maar ongegeneerd rende hij langs de boomrand. Met stokjes in z’n hand.
‘Hij is nieuwsgierig naar de mensen die tussen de bomen plassen,’ vertelde Lineke. ‘Dat wilde hij ook.’
Op een gegeven moment een gil.
Hij moest weer. Tegen een boom ditmaal. Lineke stond op om ‘m te helpen.
1st Wilde ze geen kind, had ze vrijdag verteld. Maar haar vriendin wel heel graag. Toen hadden ze een donor gevonden die z’n zaadjes af wilde staan. Zo zei ze ‘t. & Toen ’t kind gekomen was, vond ze ’t prachtig.
Kan je nagaan, had ik toen gezegd, dan hadden we elkaar meer dan 4 jaar niet gezien.
Nu stond ze haar zoon te helpen met plassen tegen een boom.
Ze kwamen even later terug. Lineke ging weer op de deken zitten. Deelde een dropje uit. Huug ging rende verder. 1st Een rondje om ons heen.
‘Goed, hoor,’ zei Anneke. ‘Hartstikke goed van je, Huug.’
& Naar Lineke: ‘Dat was de 1e keer buiten, zeker?’
‘Nee, gisteren waren we hier ook. Toen hij steeds mensen de bosjes in zag gaan, vroeg-ie wat ze deden. Toen heeft-ie ’t voor ‘t 1st gedaan.’
‘Anders had je een historisch moment meegemaakt,’ zei Anneke tegen mij.
‘Hoe deed je ‘t, Huug?’ vroeg Lineke.
Hij boog door z’n knieën. Pakte denkbeeldig z’n plasser vast. Ging achterover hangen. & Lachte voldaan.
‘Nee, je moet naar voren hangen. Je moet kunnen zien wat je doet.’
Hij rende weer weg. Zag tegelijkertijd weer een vrouw uit de bosjes komen. Wij staarden haar ook na.
‘Daar werd-ie zo nieuwsgierig van.’
De vrouw keek alsof we wat van haar moeten.

‘Ik moet maar weer ‘ns verder gaan,’ zei ik.
‘Ja, we komen ‘ns bij je op je werk langs. We rijden er wel altijd voorbij, maar zijn nog steeds niet geweest.’
‘Is goed.’
In de verte stond Huug toen ik weer op m’n fiets stapte. Met z’n stokjes slaat-ie op een grote boom. De boom van daarnet paste daar wel 10 keer in.
‘Die wil-ie de volgende keer omplassen.’
‘Een echte man,’ vulde ik aan.

& Ik reed weg, fietste verder door m’n eigen Zijperspace.

saai

De wereld wordt saai. 't Leven hier. Ik kan op een terras gaan zitten. Voor me uit kijken. Converseren eventueel. & Daar houdt ’t mee op. Dan kan ik gaan fietsen. De stad door. Op weg naar een volgend terras. Voor nog meer bier. Voor nog meer onbekenden die passeren. & Enkele blzs van m’n boek.
Ondertussen doe ik een beetje boodschappen. Tussendoor eigenlijk. Als ik niet thuis zit of op een terras. Vooral niet te veel, want ik moet ze dragen. Ik moet ze van de fiets afladen. Maar belangrijker, want riskanter: ik moet stoppen met m’n fiets. Terwijl de boodschappen hoog opgestapeld staan. Remmen, vaart minderen & dan op een gegeven moment de voeten op de grond. Dat zijn de zwaarste taken voor een manke. Er mag niets vallen, de tas mag niet voorover gaan hellen. De voeten moeten juist neergezet.
Ik heb er inmiddels een speciale methode voor ontwikkeld. Ik gooi, net als voorheen, m’n rechterbeen, de geblesseerde, over m’n zadel. Zo rond ’t laatste moment, de laatste paar meters. Ik heb nog een klein beetje vaart. Zonder snelheid val je. ’t Been zwaait eroverheen. Ik laat de linkertrapper met m’n linkervoet ook los, kom daarmee op de grond terecht & stuiter de laatste decimeters richting plaats van bestemming. Op de linkervoet vanzelfsprekend. De gang die er nog inzit zorgt voor ’t stuiteren. Als de rechtervoet uiteindelijk volgt, kan die in de achterna komende beweging gelijk de standaard tevoorschijn klappen. M’n fiets staat. Ik ernaast. De boodschappen hopelijk nog balancerend in ’t voorbakje.
Dus meestentijds lees ik een boekje. Of een boek. Om de tijd door te komen. Terwijl ik dat voorheen om een andere reden deed. Die andere reden is er nog steeds wel, of misschien moet ik ‘andere redenen’ zeggen, maar die ene is wat belangrijker geworden. Er zijn nu heel veel uren die ik op moet vullen. Terwijl iedereen andere dingen te doen heeft.
Maar ook al zouden ze dat niet hebben, zogauw ze zich met mij zouden bemoeien zou de onrust nog groter worden. Door stilzitten wordt de meeste onrust veroorzaakt. Door verandering van omstandigheid wordt dit alleen maar extra bevestigd.
Ik communiceer derhalve met m’n theepot. Die piept lucht door z’n schenktuit. Die eigenlijk hermetisch gesloten dient te zijn. Borrelend, kriebelig piepend scheidt ’t lucht uit. Een dotje lucht met een omhulsel van thee. Water dat heeft staan trekken in theeblaadjes. Dat hoor je. ’t Water in ieder geval.
Ik zeg: ‘Hou nou ‘ns op.’
& Daar luistert de theepot dan niet naar.
De theepot moet ik eigenlijk thermosfles noemen, maar dat vind ik minder passend. Ik hou van ‘m zoals-ie is, maar ik noem ‘m theepot. Dat is immers z’n voornaamste functie.
‘Ik moet je binnenkort maar ‘ns gaan vervangen,’ mompel ik vervolgens tegen ‘m.
Waarop ’t fluitend piepje een treurige toon krijgt. Ipv omhoog gaat de toon enkele noten omlaag.
Ik strek dan m’n been. ’t Wordt weer ‘ns tijd om een andere houding te vinden voor m’n voet. De theepot gaat door met z’n reflectieve samenzijn met zichzelf.
1 Voordeel heeft ’t wel. Ik vind dat ik nu over de stoep mag fietsen. Dat de buurvrouw er dan niks over mag zeggen. Ook over de markt. M’n ingetapete voet springt ertussenuit. Tussen de ontelbare schoenen die zich op de markt voortbewegen. Zeker als ze evengoed trappend werk verrichten.
Ik zit dan te wachten op een opmerking. Ik hoopte van de week op een stadswacht, of zelfs politie. Op de Albert Cuyp. Leek me spannend. Ik een zielig verhaal afsteken als zij verbaal hadden opgemaakt. Als je uiteindelijk mag zeggen wat je beweegredenen zijn voor dergelijk gedrag: fietsen waar dat niet is toegestaan. Als ze nog net een klein stukje papier overhebben. ’t Witkader onderaan. Dat ik dan vertel dat ik moeilijk anders kan met m’n voet. & Dat ik dan m’n voet laat zien. Of voordoe hoe ik anders zou moeten lopen. Heel zielig mank.
Dat lijkt me leuk. Heb ik er nog een beetje profijt van.
Maar niemand zegt wat. Ze kijken hooguit naar m’n voet. & Laten me voorbijfietsen. Maken zelfs extra ruimte.

De wereld is maar saai, momenteel in Zijperspace.

aandacht

Gisteren was Rachel al in lachen uitgebarsten. Zittend op 't terras van m'n werk. Alle klanten liepen voorbij. Niemand kon z'n mond houden.
‘Jemig,’ zei ze, ‘je moet ‘tzelfde verhaal wel 100 keer vertellen!’
Waarna ik ’t toch maar weer ‘ns afstak.
Nu moest ik ’t weer. Maar nu voor ’t echie.
‘Ik liep op een schuin pad....’
& Daarbij houd ik m’n hand dan voor me. Om ’t te illustreren. De vlakke hand voor me, schuin, als een hellend vlak. Dat moet ’t pad voorstellen. Ik denk dat mensen dan tenminste meteen begrijpen waar ik ’t over heb.
‘....& ik zwikte een paar maal. Zakte een beetje door.’
Doorzakken of zwikken. Niet verzwikken. Want dan voel je meteen de pijn. Ik voelde wel iets, maar om dat dan meteen pijn te noemen. Ik zwikte. Of zakte door. Met m’n rechtervoet.
Maar dat laatste zagen de mensen meteen al. Want door ’t dragen van slippers was ’t rekverband, zelf aangelegd, duidelijk te ontwaren. Aan de rechtervoet. Dat hoefde ik er niet bij te vertellen.
‘Ton heeft er gewoon een verband omheen gedaan om aandacht te krijgen,’ grapten Rachel & Alex.
Schiet ik meteen in de verdediging. Ook al weet ik heus dat ’t een grapje is. Maar ’t is dat ‘aandacht’, hè, dat woordje wil ik niet horen. Alsof ik betrapt word op ’t moment dat ’t toevallig juist niet daar om gaat.
Ik liep dus op een schuin pad & zwikte een paar maal. Daar was ik gebleven. De huisarts bleef gewoon luisteren. Ze had ’t al geraden toen ik binnen kwam lopen.
‘Wat heb je aan je voet?’ vroeg ze. ‘Daar kom je voor?’
Terwijl ik precies tegelijk zei: ‘Daar kom ik dus voor.’
Ik weet dus niet zeker of zij werkelijk wel die laatste zin van haar zei, want ik praatte er doorheen. Ik zag alleen gelijktijdig haar lippen bewegen.
‘Op dat moment had ik niet zo’n pijn,’ ging ik verder. ‘Pas ’s avonds. Of de volgende dag, toen ik weer ging wandelen.’
Huisartsen kunnen mooi kijken. Als ’t goeie zijn, vind ik zelf. ’t Is een verschijnsel dat hoort bij een goede huisarts: mooi kijken. Luisterend kijken. ’t Verhaal wordt uit je hoofd gezogen. Zoveel belangstelling. Zo’n behoefte om ’t snel & correct, bondig ook, tot zich te laten komen.
‘Ik ben er gewoon mee door gaan lopen,’ zei ik, ‘want anders kon ik m’n vakantie wel opgeven.’
‘Ja, da’s zonde. Daar heb je geen vakantie voor. Dan kan je beter kijken hoever ’t gaat, dan dat je ’t helemaal opgeeft.’
Kijk, dat vind ik dan een goede huisarts. 1tje Die me helemaal naar m’n mond praat. & Goed luistert. Mooi kijkt.
Daarna mocht ik m’n schoen uittrekken, zij kneep, we deden samen testjes, ik zei ‘ja’, om aan te geven dat ik iets voelde, & we bespraken de ernst. Vond ik heel belangrijk: de ernst. Ik moest tenslotte weten wat ik wel mocht doen & wat niet. ’t Hoefde van mij niet perse snel te genezen, als ik maar wist of ik mocht werken of dat ik met m’n voet omhoog in een stoel moest blijven hangen.
Geen van beiden. Leek de huisarts verstandiger. Ze kende zat mensen die dan evengoed gingen werken, maar ik zei dat ik niet zo eigenwijs was. Zeker niet met mijn werk. Dat zei zij. Of ik. Dat weet ik niet meer. Als ik nou op m’n werk op een barkruk kon blijven zitten, zei zij dan weer, maar dat kon niet, zei ik, dus was ’t beter van niet, zei zij.
Nu heeft ze allemaal pleisters op m’n voet geplakt. Ingetapet heet dat. Dan blijft ’t in ’t gareel, zogezegd. Net als met m’n wandelschoenen, zeg maar. ’t Ziet er nu veel echter uit. Zelfs zo echt, dat ik denk er toch maar een verbandje om te wikkelen. Dat trekt minder aandacht, denk ik.

Voorlopig blijven we dus thuis, in Zijperspace.

leukemie

Op de heenweg was hij me niet opgevallen. Ook al was-ie de chauffeur & zat-ie daardoor schuin voor me. Met flaporen, hoorde ik een medepassagier later zeggen (''t Is omdat ik je van achteren zag op de heenweg, dat ik je niet had herkend van de krant,' zei hij op de terugweg). ’t Was een onopvallende chauffeur, ondanks die oren. Deed geen rare dingen. Nam alle bochten op ’t eiland nauwkeurig, rekening houdend met tegemoet komend verkeer. Voorkomend. Een afwezige chauffeur. ’t Gesprek in de bus zette zich voort, zonder dat we notie namen aan waar we waren & hoe lang nog.

Op de terugweg moest-ie echter betaald worden.
Ik haalde m’n portemonnee tevoorschijn toen men er over begonnen.
‘No,’ zei Tim, ‘I’ll treat you. You were the guest of honour.’
£ 17,- Moest ‘t kosten. Voor 7 passagiers. Iedereen £ 2,50.
‘And this is all for leukemia?’ vroeg Tim aan George.
Ja, allemaal voor z’n inzameling voor leukemie.
‘Heeft er nog iemand iets extra over voor de leukemie?’ vroeg Tim toen.
Waarop ik ditmaal wel een bijdrage mocht leveren.
‘It’s very good what you’re doing, George,’ zei Tim.
Waarop George van wal stak. Maar nog steeds reed de auto soepel. We konden er desnoods bij in slaap vallen.

Ja, ’t is nu 24 jaar dat ik ’t doe. 24 Jaar. & Nog steeds met veel plezier. ’t Is voor de strijd tegen leukemie. & Weet je, m’n zoon is er bovenop gekomen. Die is nu 30. ’t Is 25 jaar geleden dat-ie leukemie had. Toen ben ik begonnen met dit werk. We zijn inmiddels met z’n 4-en. M’n zoon gaat binnenkort trouwen. Met een meisje dat vroeger ook leukemie had. Dat had je je 20 jaar niet voor kunnen stellen. Maar m’n zoon heeft kort geleden nog een behandeling gehad & hij hoeft nergens last van te hebben. Da’s mooi, weet je. Da’s heel mooi. Dat had ik niet kunnen denken. Zie je, ik heb er alles aan gedaan om ervoor te zorgen dat er genoeg geld binnenkwam om die ziekte te bestrijden. Ik geloof dat ik er heel veel voor gedaan heb. Je kan me altijd bellen om een afspraak te maken. Tot 3 uur ’s nachts wil ik rijden. Ook wel later hoor. Dat is ook wel voorgekomen. Dat was een rijke man. Die wilde z’n huwelijk vieren. Ik heb de gasten heen gebracht met ’t busje. Toen zijn ze gaan eten. Gaan drinken. Hij heeft een toespraak gehouden. & Vervolgens kon ik de 1e gasten naar huis brengen. Of naar de boot. Dat begon om 10 uur. Daar was ik tot ’s ochtends vroeg mee bezig. Toen stond die man er. Een rijke man. Met hem ik toen ontbeten. Hij heeft me toen een fles champagne meegegeven. Mocht ik meenemen naar huis. Als dank. & Een grote donatie voor de kas. Zie je, dat weet ik dan te waarderen. Ik drink wel geen champagne, maar die man die denkt er tenminste aan wat voor moeite ik ervoor gedaan heb. Hij zei: ‘Wat heb je nou na vannacht nodig?’ ‘Meneer,’ zei ik, ‘ik heb zelf helemaal niks nodig. Ik wil alleen maar dat de leukemie uit de wereld verdwijnt. Dus als u daar een bijdrage in kunt leveren, dan vind ik dat allang al mooi.’ Toen heeft-ie m’n naam & telefoonnr opgeschreven. Een week later kwam er een stel op vakantie op Isle of Wight. Die heeft de hele week gebruik gemaakt van m’n diensten. Via die man hadden ze m’n nr gekregen. Ik kreeg £ 30 als ik om 15 vroeg. Dat is dan mooi, zie je. Daar doe je ’t dan voor. Dan vind ik ’t ook mooi dat ik een advertentie bij jullie kan plaatsen. Want dan weten weer meer mensen waar ik mee bezig ben. Zoveel mogelijk mensen moeten weten dat ’t belangrijk is. ’t Is een zware strijd, zie je. Iedereen moet te weten komen dat leukemie bestreden moet worden. & Dan dank ik God dat ik hem mag helpen bij die strijd. Ik doe ’t nu 24 jaar, weet je. Zie je, dat is dankbaar werk. Vooral omdat we nu met z’n 4-en zijn. We zijn altijd beschikbaar om groepen over ’t eiland te vervoeren. & Ik ben al 24 jaar woordvoerder. Je hebt vast wel ‘ns een foto in de krant van me gezien. Dat is mooi, dat is mooi, want dan weten mensen dat die strijd gevoerd wordt. Want ’t is een verschrikkelijke ziekte, zie je. Een verschrikkelijke ziekte. Ik heb ’t aan m’n zoon gezien. Maar die is er nu helemaal bovenop. Dat had je toch niet kunnen denken, 20 jaar geleden, dat m’n zoon zou trouwen ooit. & ’t Is een mooie dame. Jazeker, ’t is een prachtig mooie dame. Dan denk ik: dat heb ik toch maar mooi bereikt. Niet dankzij ’t geld ophalen, hoor. Niet alleen dat. Maar ik heb wel geholpen in die strijd stapje voor stapje te overwinnen. We zijn er nog lang niet. We zullen nog een hele tijd geld moeten inzamelen, weet je. & Dat we dan een advertentie kunnen plaatsen, dat helpt. Ja, dat helpt. Ik ben er dankbaar voor. & Ik doe ’t graag, weet je. Ik doe ’t graag. Ik ga ’t hele eiland over. Als ’t maar niet later wordt dan 3 uur. Da’s al hartstikke laat. Mensen zijn ook altijd blij dat ik ze kom halen. Dat we er zijn, 7 dagen in de week. Wel op afspraak, maar we zijn er als we gevraagd worden. & We zijn geen concurrentie voor de taxi’s, denk ik. We zijn eerder een extra iets. We doen dingen die taxi’s niet kunnen doen. Omdat we vrijwilligers zijn. Omdat we andere dingen doen. Omdat we een busje voor 17 personen hebben. We doen ’t graag, weet je. We gaan graag ’t hele eiland over. Want we weten waar we ’t voor doen. Zie je, we weten waarvoor.

Vervolgens werd ik afgezet bij Zijperspace, wat op dat moment dichtbij Wootton lag.

inge

Ik kon ’t niet laten. Eindelijk weer wat nederlands. Ook al was ’t slechts 4 dagen geleden. ’t Was prettig om ’t uit m’n eigen mond te laten komen.
Tintelend onwennig voelt dat. Alsof ’t de drempel niet durft te nemen. De 1e woorden komen onwennig langzaam uit de mondholte gestoten. Hortend. De moeder kon me dan ook niet verstaan. Dat had echter ook aan 't lawaai van de boot kunnen liggen. Ze reageerde in ’t engels.
Ik herhaalde m’n woorden. Probeerde de opmerking wat meer zin te geven. Verdraaide ‘m ietwat. Zodat er toch nog iets snedigs aan zat. & Beter te verstaan. Zodat er in ieder geval een glimlach uit zou ontstaan.
& Toen de moeder in ‘t nederlands reageerde, keek ’t meisje op. Zo’n 4 à 5 jaar. Met vragende ogen. Vol verwondering nog de wereld inkijkend. & Ook wel angstig. Want ’t was zo winderig & daardoor koud op ’t dek.
Ze wilde niet buiten. Maar met haar jas aan gaf ze geen kick. Die opdracht had haar moeder net gegeven. Ik had gekeken dat ik ’t verstaan had. & Vervolgens zei ik dat ik ’t verstaan had.
Dat ’t een tegenstelling was. Naar binnen willen & een jas aandoen.

‘Wie ben jij?’ vroeg 't meisje.
Haar ogen hoog optillend. Een vraagteken stellend onder haar blonde haren vandaan. Ik stak al zittend ver boven haar uit.
‘Ik ben Ton.’
‘Ik ben Inge.’
& Ze begon vervolgens naar haar moeder te wijzen.
‘Dat is Anneke.’
Alsof ’t allemaal maar vanzelfsprekend is. Iemand die nederlands praat. Op een dek waar fransen, duitsers & engelsen door elkaar spartelen. Heen & weer gesmeten door de deining. Af & toe een pool ertussendoor. Of was ’t een zwitser? Er waren te veel talen om iedereen te kunnen verstaan.
‘M’n vader heet Jan.’
Die kwam er net aan lopen.
‘Zo, heeft Inge nieuwe vrienden gemaakt?’
Ze keek ook zo. ’t Vertrouwen zat volledig in haar ogen. Ik besloot ’t maar normaal te vinden. Moeder mompelde nog iets van dat ze dat anders nooit deed. Maar iets per ongeluks moet je per ongeluks laten. Zeker bij een kind. Was net m’n filosofie geworden mbt de omgang met kinderen. Op 't moment dat Inge me in vertrouwen nam.
De beer werd tevoorschijn gehaald. De beer die meer een konijn leek. Maar Inge noemde ’t een beer.
Haar favoriete knuffel, vertelde ze.
‘Maar niet ermee gooien, hoor,’ zei haar moeder.
Dat moest extra uitgelegd.
Niet in de richting van de reling gooien. Zoals ze gewoon was te doen. Want dan zou Kees zinken. Dan zou ze Kees kwijt zijn.
‘Nee, dat moet je niet doen,’ zei ik, de boodschap pogend te ondersteunen.
Waarop Kees mijn kant op vloog. Een lach op de achtergrond. Schuin achter ’t voorbij vliegend gezicht van Kees.
‘Nee, dat moet je nou net niet doen,’ zei Anneke.
Kees werd ingepikt. Inge verdriet.
Een leerzaam pedagogisch rollenspel speelde zich af. Ik dronk mijn bier.
‘Bier is vies,’ zei Inge even later.
Lachend weer.

’t Waaide. Van de snelheid die we maakten. Van de Kanaalwinden. Alle winden leken hier samen te komen. We drukten onszelf tegen de ramen achter ons. Op de bank in de buitenlucht. Af & toe vloog een spetter voorbij.
Inge vond ’t allang leuk. Had haar jas aan. Ze lachte naar me. Ze stelde vragen. Of vertelde verhalen. Dat vooral. Korte 1zinsverhalen.
Mooie blouse. Mooie bloemen op haar blouse. Vele vriendjes op de camping. & Papa was lief.

& Soms hielden we onze mond. Keken we voor ons uit. Terugkijkend op Engeland.
Of Inge hield haar mond. Maakte ik een praatje met haar moeder. Of met vader die net terug kwam van een rondje.

Ze zat naast me. Ik had ‘t 1st niet door. Zachtjes, heel subtiel viel haar hoofd opzij. Zo, tegen m’n schouder. Tegen de sweater.
Ze had net ervoor nog gezegd: ‘Hé, dezelfde kleur.’
Dezelfde kleur als m’n t-shirt. De sweater.
‘Ja, die horen bij elkaar.’
Net als jouw bloem & je blouse. Maar ik wilde ’t niet te moeilijk maken.
Ze legde haar hoofd tegen m’n schouder aan. Ze haalde ’t nog net.
Ik schrok.
‘Hé, wat is dat?’
Ik vroeg ’t zonder ’t te willen bederven.
Maar zij voelde de schrik net als ik. Ze had ’t al in haar lichaam zitten.
Ze keek omhoog, schuin achter haar schouder naar mij op. Een lieve glimlach. De wangen ingesteld op de wind inmiddels. Een vermoeide blik, die evengoed zei dat ze nog wel even door kon gaan. Haar lippen sperden zich tot een lief gebaar. & Toch nam ze afstand. Trok de hand van haar moeder nog even wat meer naar zich toe. Zichzelf erachteraan.

Zij gingen met de auto, benedendeks. Ik moest wachten op looptrap voor de passagiers zonder auto. Die aangelegd zou worden op de plek waar we de hele tijd hadden gezeten. Bovendeks.
Ik moest afscheid nemen van de ouders met wie ik vakantieverhalen had uitgewisseld. Over ’t hoofd van Inge heen.
‘Jij kent Annemiek niet,’ zei ze er tussendoor.
‘Nee, die ken ik niet.’
‘Ik wel.’
‘Ik ken wel een Annemiek, maar die ken jij misschien niet.’
‘Er is vast ook nog een andere Annemiek,’ legde haar moeder toen snel uit.
We wisselden informatie uit. Over ons volgende doel. Onze volgende vakantie. Of ver in de toekomst. Terwijl Inge ’t over haar heen liet komen. Ze zat met haar lichaam ertussenin.
Tot ze weggingen. Naar Delft, wist ik inmiddels.
‘Tot ziens,’ zei ik.
‘Tot ziens,’ zeiden zij.
Ik wist niet of ik ze een hand moest geven. Op een boottocht over ’t Kanaal. Zo kort allemaal om een hand te geven.
Maar Inge wel. Ik dacht dat dat wel hoorde.
‘Geef me ‘ns een hand,’ zei ik.
Ze gaf me de hand. Terwijl ze niet keek. Een hand in mijn hand. De hand die haar zou begeleiden. Ipv papa & mama. Niet een hand van gedag zeggen.
‘Nee, niet zo.’
Haar ouders klungelig. Ik klungelig.
Toen begreep ze ‘t. Ze zou met papa & mama meegaan.
‘Hij blijft,’ werd uitgelegd.
Zachtjes werden voeten vooruit gezet. Weg. Ze keek langzaam om. Of ze keek nog steeds dezelfde kant op als vanaf ’t moment dat ze m’n hand had losgelaten. Een ½e meter achter haar ouders aan.
& Ze herinnerde weer waar haar hand voor gebruikt kon worden.
’t Kwam omhoog. ’t Zette een trage wuif in. Van de ene kant naar de andere kant. Ze haperde in haar lopen. Ouders nog een stap verder vooruit. Ze keek nog ‘ns vragend om. Wuif. Nogmaals. Een blik van waar blijf jij dan.
Ik keek zelf maar om. Richting reling. Om ’t afscheid niet nog moeilijker te maken. Ik kon haar voeten horen lopen over ‘t geluid van de golven heen.

Ze namen langzaam in kracht af, zich verwijderend van Zijperspace.

vanhieruit

Een lampje aan.
1 Voor 1 doe ik iets. Een andere taak. Andere bezigheid. Ander lampje. Een shirt naar de kast. Een ander juist aan de waslijn. De knop van de videorecorder. Gelijk de tv.
& Ik ga weer even zitten. Me weer thuis voelen. Zijn waar ik ben. Ik schuif m’n billen in de juiste kuil. De juiste hoek van de kussen voor m’n rug. Alles zoals alles hoort te zijn.
Nu zou ik naar de hemel zitten staren.
Of nee, ’t is een uur vroeger daar. Ik zou nog een pint drinken in ‘The Cedars’. Kwartier lopen. Misschien nog een 2e. Afhankelijk van de aandacht die je krijgt. Dan weer terug. Weer een kwartier. In de hoop dat men op de camping reden tot aanspraak zou vinden in ’t feit dat ik in ’t licht van de toiletten een boek zou zitten lezen. Dat ik niet in ‘t washok hoor te zitten na 10-en. Of ik misschien trek in thee heb.
Je beseft ’t niet zo goed als je er 1maal mee bezig bent. Dan is alles normaal. Je komt je tijd door. Maakt niet uit hoe. Je vermaakt je. Want alles is nieuw. Normaal is nieuw. Of andersom. Ook al lijken dingen op wat vorig jaar gebeurde. Of ’t jaar daarvoor. Ik kan ook m’n vader zien, de muggen van zich afslaand met z’n maigret-pocket. Of nog even thee zettend, was ’t misschien koffie, vlak voor naar bed.
M’n vader heeft me alles geleerd, heb ik vaak gedacht terwijl ik voor me uit zat te mijmeren.
Alles ís avontuur. Je weet niet anders. Intensief beleefd.
Iets té, ben ik vaak bang. Vooral terwijl ik ze meemaak & bijna fotografisch opsla.
Ik heb intern een foto afgebeeld staan van ’t moment dat de buien voorbij waren & ik terugkwam uit de pub. Ik op m’n 3-pootstoeltje voor de tent. Alle lichten in de stadjes, dorpjes, verlichtten de hemel. Rode gloed tegen de laaghangende wolken. De achterhoede van enkele uren slecht weer. Hangend van de haven tot diep in ’t land.
‘Newport,’ zei iemand later, ‘heeft verschrikkelijk veel lichten; vooral lichten waar ’t niet nodig is.’
Ik zag Newport volstrekt overbodig tegen de vergelegen wolken afgebeeld staan. ’t Was een lange rode streep. Oranje in de buitenste regionen. Daar waar je ogen net niet lijken te reiken. Steeds smaller, naarmate ’t meer landinwaarts ging. De wolken lichter. Minder vocht dragend. De dreigende volgende bui was Havenstreet, zag ik vanaf de heuvel waar ik op kampeerde, ’t plaatsje achter Newport, in mijn vergezicht links in ’t beeld, wist ik de volgende dag, waar de lantaarnpalen met moeite te vinden zijn. Maar op ’t moment van ’t krukje voor m’n tent, bovenop Kyte Hill, wist ik niet anders of er dreigde iets. & ’t Kwam vanuit de richting van Havenstreet. Een grote donkere plek. Schaduw. De donkere man van de wolken kwam op me af. De god van de donder. Onheil. Mijn slaap verstoren. Mijn zicht op de nacht. M’n laatste slokje, ’t laatste slokje op de camping, ’t laatste bewustzijn van de lichten van de nacht, de lichten van ’t eiland.
Wat zijn die 4 muren nou eindelijk? Die muren die zich om me heen bevinden. Begeven, misschien. Want waar ik ook ben. Want hoe de omstandigheid ook. Ze zijn er. Al is ’t een 1-persoonstentje. Of een slaapzak, vanwege veel te warm. Of een hoeslaken, vanwege nog veel warmer. Wat zijn die 4 muren meer dan de plek waar ik me bevind?
De omstandigheid dus.
De gemoedstoestand.
De mate van veiligheid.
Of de aanwezigheid van gezelschap. Of juist ’t ontbreken eraan. Want muren. Waartussen ik me wil bevinden. Die visite tegenhouden.
Ik doe nu nog maar een lichtje aan. Dan kan ik zien welk nr ik aanzet. Ik moet zien wat er voor geluid zich voordoet. ’t Lijkt alweer lang geleden dat ik de cd-speler blind wist te vinden.
In de nacht was ik eindelijk blij met onverwacht geruis. Dit jaar. Eindelijk. Ik leek veel rustiger. Ik liep door een wei met koeien zonder nadenken.
Hoewel ik een enkele keer wakker schrok. Een varken die me aanviel. Een mol die in m’n nek zat te bijten. Een windhoos die m’n tent meenam. Natuurrampen. Nachtmerries.
Slechts een simpel geruis, achteraf. Misschien een keutel van een konijn.
Maar ’t was stil. Op een jankend kind na. Van de duitse buren. Ze jankte duits, ’t kind. Of misschien schots. Van de moeder.
& Op ‘t gesnurk verderop na. Maar iedereen snurkt op de camping. Daar mag ’t eindelijk.
Ik doe m’n sokken nu maar ‘ns uit. ’t Lijkt alsof de brandende lampen de zomer binnenbrengen.
Elke keer als ik me terugzie op de camping, zie ik m’n vader. Zoals hij ’t deed. Wat hij deed. Ik heb m’n eigen systeem, maar ik zie wat hij doet. Deed. Ik ben er afhankelijk van. Vooral van die laatste vakantie naar Zweden met z’n 2-en. Hij ging naar bed, terwijl ik in de auto nog een boek las. Hij snurkte, als ik moe begon te worden. Hij was wakker, als ik net lekker sliep. Hij liet 't theezakje in de thee zitten, terwijl ik ’t slap wilde hebben. Hij keek naar de hemel & ik wist niks te zeggen.

Maar ’t zijn de dingen tussendoor in Zijperspace.

gebruiksaanwijzing

Terug.
De comp gaat meteen aan. De meeltjes die ik onderweg al gelezen had komen binnen.
De klok stil. Op ¼ voor 11. Hoewel ik ’t gevoel van tijd een beetje kwijt ben weet ik dat dat in ieder geval niet klopt. Ooit lang geleden moet-ie besloten hebben om te blijven waar-ie was. Ik ben te lui om de batterij te verwisselen.
Alles uit m’n rugzak. Tenminste, dat wat ik nodig vind. De was. & Enkele dingen die ik tegenkom onderweg. Tijdens ’t graven.
Wasmachine.
Deuren open. Lucht moet weer binnenkomen, want die geur ken ik niet van mezelf. Ook weer dicht, maar dat 5 minuten later als ik besluit weg te gaan. Ik moet de spullen halen die Marlies op m'n werk heeft langsgebracht. M’n scheerspullen vooral.
Muziek. ’t Nrtje dat op de terugweg de hele tijd door m’n hoofd bleef spelen. Eindelijk de juiste volgorde. De juiste maat. Timbre. De herinnering aan correctheid bevestigd zien.
Wasmachine begint lawaai te maken. Muziek speelt. Marlies belt. Alles goed. Isle of Wight leuk. Ventnor leuk. Camra leuk. Veel plezier, jij ook. Enz.
Er zal bier gedronken moeten worden. Terug moet gevierd worden. & ’t Feit dat ik niet meer weet wat ik verder kan doen moet weggestopt.
’t Huis is leeg van al m’n spullen waarvan ik de gebruiksaanwijzing terug moet vinden.

Wat deed ik ook alweer gewoonlijk in Zijperspace?