strikje

‘Zeg, Fret,’ zei ik toen we klaar waren met spelen, ‘je weet wat een string is, hè?’
Ik zag aan de andere kant van de tafel Sas & Jag al lachen. Ze kenden ’t verhaal al. Ik had ’t Sas eerder verteld. & Jag had ’t waarschijnlijk weer van haar gehoord.
Of misschien lachte Jag al bij voorbaat. Ik kan nl best wel goed kijken. Illustrerend kijken.
Er zijn weinigen die zo goed illustrerend kunnen kijken als ik. Mijn gelaat spreekt boekdelen. Daarom verloor ik gisterenavond dan ook met Catan. Als ik er de pee in krijg dat anderen mij dwarsbomen, ga ik dusdanig kijken dat ze nog meer zin krijgen mij een hak te zetten. Dat leidt niet tot de overwinning bij Kolonisten. Komt door m'n blik.
Ik had gisterenavond bij ’t spel m’n gezicht niet mee. Echter wel op 't moment dat ik m’n vraag aan Fret stelde.
Fret keek z’n domme blik. Daar is hij dan weer goed in. Wij moeten er altijd erg om lachen. Jag vooral. Jag is onze lachebek. Zonder hem zouden we al behoorlijk veel lachen, maar hij brengt de gemiddelde lach per hoofd personeel nog even hoger.
Als Fret z’n domme blik kijkt, legt-ie z’n handen dwars op tafel. Of op de bar. Dat is afhankelijk van de plek waar we ons bevinden. Hij kijkt met een scheef hoofd, licht voorovergebogen rug, naar degene die een opmerking heeft geplaatst. Z’n neus gaat iets omhoog staan, waardoor je in z’n neusgaten kan kijken als je recht voor ‘m zit. Die neus onderhoudt-ie schijnbaar goed, dus geen kwaad woord daarover. Kort knippert-ie met z’n ogen om z’n blik te vervolmaken.
‘Een string,’ zei ik. ‘Je weet toch wel wat een string is? Die dingen die vrouwen dragen.’
‘Tuurlijk weet ik wat een string is,’ zei Fret. ‘Vertel mij wat.’
Fret is een kenner van vrouwen. Je zou ’t niet zeggen als je ‘m tegenkomt, maar hij kent vrouwen.
‘Ken je dan ook ’t verschijnsel van ’t strikje aan de string?’
‘Huh?’ deed Fret.
De domme blik ten voeten uit. Je avond is dan helemaal compleet. Jag lachte, Sas lachte, ik lachte. Fret kon ’t zelf ook niet meer houden, dus lachte hij mee. Vergat z'n blik even.
‘Je kent toch wel die tanga’s? Dat heet toch zo, Sas?’
Sas heeft ook verstand van vrouwen. Zij is er zelf 1 van dat soort. Zij heeft ook verstand van wat vrouwen dragen. & Hoe je de verschillende dingen van vrouwen moet benoemen.
‘Ja,’ zei Sas, ze wist waar ik naartoe wilde, want ik had ’t haar immers al verteld, ‘een tanga die bij een bikini hoort.’
‘Dat bedoel ik,’ zei ik. ‘Je weet wel, Fret: een tanga die bij een bikini hoort.’
‘Ja, die ken ik,’ zei Fret.
‘Van die tanga’s waar een knoop aan de zijkant zit,’ ging ik verder. ‘Vroeger droegen vrouwen dat allemaal. Toen waren die knoopjes, met de touwtjes eraan bungelend, in de mode.’
‘Dat is nu ook in de mode,’ zei Sas snel. ‘Tenminste, ik heb er zelf ook 1.’
‘Oh, dan zal ’t wel in de mode zijn.’
Dat wist ik eigenlijk niet. Ik wist niet of Sas in een bikini in de mode was. Ik vertrouwde daar maar op, want als je Sas ziet dan is mode opeens niet meer belangrijk. Dus dat zit wel goed.
‘Eerlijk gezegd zou ik absoluut niet weten wat tegenwoordig in is op ’t strand,’ vulde ik mezelf aan. ‘Ik ben al jaren niet op ’t strand geweest met mooi weer. Ik kom er eigenlijk alleen als ’t slecht weer is. Als ’t waait. & Regen mag er ook wel bij. De laatste keer dat ik er was met mooi weer lagen de meeste vrouwen topless. Dat weet ik nog wel. Da’s lang geleden. Tegenwoordig vast niet meer.’
‘Die goeie ouwe tijd,’ verzuchtte Fret.
Fret kent niet alleen vrouwen, hij houdt ook van ze. Een vrouw is aan hem welbesteed.
‘Maar goed,’ ging ik weer verder, ‘er bestaan dus ook strings die datzelfde effect kennen. Met zo’n knoopje aan de zijkant. Een knoopje in de vorm van een strikje.’
‘Oh?’ zei Fret.
Jag lachte. Dat doet-ie nl goed. Ook later op de avond. Net zo goed als Fret dom & ik illustrerend kan kijken & als Sas dingen kan vertellen over vrouwen. We vullen elkaar aan.
‘Als je dan aan ’t uiteinde van zo’n strikje trekt,’ ging ik weer verder met m’n uitleg, ‘dan heb je opeens geen string meer. Die is in ieder geval niet meer als zodanig terug te herkennen.’
‘Wat leuk.’
‘Ja, leuk, hè.’
‘Dus dan trek je aan ’t touwtje & opeens is datgene dat er onder zit naakt?’
‘Ja, zo zou je ’t kunnen omschrijven. & Je hebt dan alleen nog zo’n flubberdingetje in je hand.’
‘Leuk. Maar waarom vertel je dat?’
‘Oh, zomaar. Leek me een leuk verhaal zo aan ’t eind van de avond.’

& Gerustgesteld vielen ze allemaal kort daarop in katzwijm in Zijperspace.

zakje

Ik heb gemerkt dat er slechts 1 methode is. Als je ’t anders doet dan gaat ’t niet. Gaat 't niet zoals ’t hoort. Dan blijft er een hoekje van een boterham aan de zijkant steken, waardoor enkele zaden afvallen. Die zaden zijn essentieel voor ’t waldkornbrood. Ik verzamel de zaden die vallen bij ’t smeren van de boterham altijd aan m’n licht bevochtigde vinger & steek ze in m’n mond. Dat is ook essentieel. Ik geniet alvast een beetje vooruit van wat er strak tot mij zal komen.
Als je ’t niet doet zoals ’t hoort, niet volgens de beste methode, dan blijft ’t dus steken. Dan moet je wurmen & persen, opnieuw ’t plastic zakje in de lucht wapperen & herbeginnen. Kost alleen maar extra tijd. & ’t Verhoogt bovendien de irritatie. Niets zo erg als irritatie in de morgen. Rond dat tijdstip moet ik me altijd ergens anders mee bezighouden dan met irritatie.
Eigenlijk zou je ook niet meer dan 4 boterhammen in 1 zakje moeten stoppen. ’t Kan onoverkomelijke problemen veroorzaken, die gemakkelijk vermeden hadden kunnen worden door te kiezen voor een 2e zakje. Hoewel ik maar al te goed begrijp, ik heb ’t tenslotte zelf al vaak genoeg aan de hand gehad, dat de nederlandse zuinigheid een mens ertoe kan dwingen 5 boterhammen in 1 zakje te proppen. Niet doen!
Dit maakt de boterhammen onnodig plat. Ze ademen niet meer, verliezen hun luchtigheid. Zeker als ze pas enkele uren later worden genuttigd. Een platte fabrieksboterham wordt ’t dan. Kan je net zo goed naar de supermarkt.
Nu moet men niet met de suggestie komen dat een boterhamtrommel daarvoor de oplossing is. Want een boterhamtrommel laat juist weer veel te veel lucht toe. Daarnaast worden de boterhammen tijdens vervoer te veel door elkaar geschud, waardoor ’t ene beleg vermengd wordt met ’t andere beleg. Ik zou er niet aan moeten denken dat de torino-salami besmeerd wordt met roquefort-paté. Een doodzonde, waarvoor de vierendeling mij als straf te min lijkt. Ik hecht me zeer aan m’n diverse soorten beleg. ’t Heeft me laat in mijn levenswandel, te laat, doen beseffen dat ’t ontbijt ook heus wel de moeite waard is. Zo ook de lunch.
Een boterhamtrommel is geschikt voor de grootverbruiker. De stratenmaker, de tegelzetter, de gewichtheffer. Mannen die hun brede spieren moeten voeden met veel & groot.
Met ’t boterhamzakje, in de juiste maat vanzelfsprekend, niet ’t prullenbakformaat waaruit men ’t hele gezin een week lang kan voorzien van eten, creëer je de juiste ruimte die een boterham behoeft, met de nodige bewegingsvrijheid, maar net niet te veel, zodat de plakjes salami niet uit de dubbelgeslagen sandwichformule kunnen kruipen & uiteindelijk, aan ’t eind van de werkdag over ’t hoofd gezien, met de gebruikte boterhamzak de vuilnis in wordt gebonjourd. Dat is zonde.
Voor de juiste methode, de meest efficiënte, alles passende manier ’t pakket van standaard 4 dubbelgeslagen boterhammen weg te bergen in ’t plastic zakje, dient men 2 punten met beide duimen & wijsvingers te pakken, ’t zakje aldus een dm omhoog te brengen, & snel weer omlaag, zodat er een wapperend effect ontstaat & lucht geheel natuurlijk ’t zakje ingeblazen wordt. Mocht ’t zakje op dat moment aan de binnenkant nog een beetje plakken, dan kan men ertoe overgaan de wind er kunstmatig in te brengen door de met de mond te blazen. Gewoon subtiel zachtjes, geweld is hier niet van toepassing.
Men heeft vervolgens genoeg ruimte om de boterhammen op zijlingse wijze op de plaats van bestemming te brengen. Zorgvuldig dient men de wanden van de plastieken behuizing te mijden, vanwege eerder hierboven genoemd effect, de boterhammen langzaam in te brengen, &, als ze uiteindelijk de bodem van ’t zakje bereikt hebben, een ietwat te schuiven, zodat de hoeken aan weerszijden van ’t lunchpakket evenredig verwijderd staan van ’t middenstuk van de onderkant van ’t plastic zakje. Dit laatste zorgt ervoor dat de boterham zich niet in rare bochten & krommingen wringt gedurende ’t vervoer richting werk.
Als laatste dient men een platte knoop te maken van de uiteinden aan de bovenkant. Men steekt hiertoe de duimen diep weg in ’t zakje, tot vlak boven de boterhammen. Aan de buitenkant klemt men door de gecreëerde plastic wand de wijsvingers tegen de duimen, duwt ’t plastic daarbij zó dat de boterhammen niet kunnen ontvluchten, & gooit ’t pakket om. ’t Maakt een hele draai om z’n eigen as richting ’t lichaam, waarna men genoeg ruimte heeft bij de uiteinden om de platte knoop toe te passen.
Hierna kan men ’t pakketje brood & beleg toevoegen aan de andere werkbenodigdheden.

Een genoeglijke werkdag toegewenst vanuit Zijperspace, of als u vandaag ‘ns een lange wandeling wilt maken: veel plezier.

apothekersassistente

De vorige keer had ze al uitgerekend hoeveel ik er nog tegoed had. ’t Ging wat moeizaam. Na enkele tellen had ik haar de oplossing ‘128’ toegefluisterd, maar daar ging ze niet op in, omdat ze tegelijkertijd met haar cheffin moest overleggen.
‘Hoeveel mag ik er nu nog mee geven?’
‘Wil jij dan tekenen voor goedkeuring?’
‘Wat moet ik dan in de computer zetten?’
‘Hoeveel pillen dan de volgende keer?’
& Toen bleek ’t inderdaad 128 te moeten zijn: 6 weken lang 3 pillen per dag.
Misschien dat ik toen te veel bezig was met de grote hoeveelheid nieuwe pillen die ik moest gaan ontvangen (ik moest vooral zeggen dat ‘t chronisch was, had de internist gezegd, & anders weer liegen dat ik op vakantie zou gaan; dat had de vorige keer immers ook gewerkt), & ’t feit dat ik ze in 8 weken tijd allemaal geslikt zou moeten hebben, ’t bezoek aan de internist een kwartier ervoor zal ook de nodige indruk op me achtergelaten hebben, misschien dat ze die 1e keer andere kleren droeg, maar vandaag bleef m’n blik aan haar gekluisterd.
’t Was de 2e maal dat ik langs was voor ‘tzelfde recept.
‘We mogen van de verzekering niet meteen de hele hoeveelheid pillen meegeven de 1e keer,’ had ze de vorige keer uitgelegd, ‘want ’t komt heel vaak voor dat mensen de behandeling niet volhouden. Daar wil de verzekering op bezuinigen. Dus krijg je nu slechts voor 2 weken mee, & als je terugkomt de rest.’
Dus zei ik bij terugkomst: ‘Er liggen pillen voor mij klaar.’
In de veronderstelling dat ’t allemaal al klaargemaakt was. Ze had immers de hele tijd met doosjes & potjes rondgelopen.
Waarop haar wiegelende billen op zoek gingen. Ik wist dat er nog andere lichaamsdelen aan vast zaten, maar daar had ik even geen belangstelling voor. Ik had vol zicht vanaf mijn kant van de balie. Verontrust keek ik af & toe om me heen of de mensen die op hun beurt aan ’t wachten waren konden zien dat ik ongegeneerd van haar billenpartij genoot. Maar ik was werkelijk de enige die de voorstelling kreeg voorgeschoteld. Een solo-optreden, maar dan andersom.
‘Weet u wel zeker dat die pillen al klaargezet zijn?’ vroeg ze even later.
‘Ik dacht ’t wel. Dat begreep ik tenminste de vorige keer. Dat was ook bij jou, dacht ik.’
Maar toen was ik nog niet gebiologeerd door je blik, dacht ik. & Alles wat je meedraagt.
Zij begon opnieuw ’t beeldscherm te bestuderen. Wat ik me liet welgevallen. Nog nooit zo’n genoegen geschept in wachten. Lijdzaam was ik. Ik kon wel uren hier doorbrengen.
Snel keek ik bij die gedachte weer achterom. Zij, de mensen op de stoelen, recepten in hun handen geknepen, met in hun hoofd nog dat wat de dokter had gezegd, mochten niet merken dat ik mijn blik naar haar borsten had laten afzakken. Had gekeken hoe strak haar bh zat. Hoe haar shirt bolde, haar blik gekeerd naar ’t scherm, maar haar shirt, dat deel van haar shirt, op mij gericht was.
‘Nee, volgens mij moet ik ’t nog klaarmaken,’ concludeerde ze nav de gegevens voor haar.
Ik had haar ondertussen 3 keer uitgekleed, besefte ik me schuldbewust.
‘Dan zal ik me wel vergissen,’ zei ik.
Ze liep weer naar achter. Pakte uit een la doosjes tevoorschijn & legde dat op de tafel. Plakkertjes, potjes, formuliertjes, pen & schaar gebruikte ze. De werkbank van de apotheker.
& Ondertussen was geen van haar collega’s aanwezig. Allemaal naar ’t kantoortje boven geslopen? Belangrijke spoedvergadering terwijl ’t vol zat met wachtenden.
’t Interesseerde me niet. Ze stonden niet in m’n beeld. Ze hinderden niet mijn vrije zicht op de bewegingen van mijn eigen persoonlijke apothekersassistente. Die steeds maar weer lichtjes voorover moest bukken. Waardoor ik met blosjes op de wangen ’t publiek achter me in de gaten moest houden.
Allemaal blijven zitten, probeerde ik de wachtende zieke mensen in te seinen met mijn gedachten, voor 5 minuten is ze van mij.
& Uiteindelijk kwam ze terug. Met 1 potje & 2 doosjes. ’t Had nog wel een eeuwigheid mogen duren.
‘’t Voordeel is,’ zei ik met een glimlach, ik hoopte dat-ie hartveroverend was, ‘dat ik met deze pillen minder vergeetachtig ga worden. Dan gaat ’t de volgende keer goed.’
Ik hoopte eigenlijk van niet. Ik wilde m’n leven lang ziek zijn & dan op ’t goede moment verschrikkelijk vergeetachtig.
Maar ze lachte. Terwijl ze de laatste data bij de rest van mijn gegevens inbracht in de computer.
‘’t Zijn er 250,’ zei ze onderwijl. ‘Dan heb je er voorlopig genoeg.’
Ik glimlachte wederom, maar begreep meteen de consequentie ervan.
Op de fiets naar huis rekende ik uit hoeveel weken ’t nu zou duren voor ik weer terug mocht komen.

Weer een eeuwigheid er bij in Zijperspace.

koud

Gister deed ik ’t voor ‘t 1st. Ik rilde al, m’n maag kromp samen, bij ’t vluchtig aftasten, m'n hand bevoelde de temperatuur van ’t water. Je voelt je dan nog wat naakter. Onbeschermd.

’t Deed me denken aan de vakantie op de naturistencamping. Onmiddellijk schoot dat beeld me te binnen. Voordat je ’t zwembad inging moest je jezelf 1st afspoelen. Er stond een douche als poort voor de ingang naar ’t zwembadje. Je hele lichaam diende afgespoeld. & Ondanks dat ’t in dat zuidelijke Frankrijk op dat moment boven de 30° was, ging er een trilling door m’n hele lichaam. Ik bibberde. Liet ’t zo kort mogelijk duren. Als m’n voeten maar schoon waren.
Als ik er aan terugdenk zie ik toch vooral de borsten van dat ene meisje. Hoewel ik me toen er niets van aantrok. Iedereen was immers naakt. De douche was voor iedereen even koud. Er was niets bijzonders aan bloot. Hoogstens ongemakkelijk om de routine van je onderbroek aanhouden te moeten negeren.
Maar ik zag de borsten van ’t meisje. Blijkbaar hield ik ze in de gaten als zij haar vluchtige schoonmaak onderging voordat ze ’t zwembad betrad. Ik zag de rillingen over haar lijf gaan. ’t Koude water stroomde langs haar lichaam naar beneden. & Zij schudde datzelfde lichaam heen & weer. Lachte er een brede lach bij. Een lach om de strijd tussen ’t wel & niet op willen vangen van ’t koude water.
Nee, dat zie ik nu pas, bedenk ik me. Nu, als ik er aan terugdenk. Toen moest ik alles normaal vinden. Ook haar jonge, net volwassen borsten.

Vandaag zal ik voor de 2e keer moeten. Dus onderneem ik weer vruchteloze pogingen ’t waakvlammetje in de geiser te ontsteken. Vervolgens bel ik de onderhoudsdienst. Op 't moment dat ik concludeer dat-ie niet werkt.
Stuntelig. Ik geef de verkeerde postcode op. & Onhandig leg ik ’t verhaal uit.
‘Als ik de knop naar ’t bliksemschichtje draai & ik doe er een lucifer bij, dan gebeurt er niks.’
‘Woont u in de Bernardstraat?’
‘Nee, dan is m’n postcode toch 1092. Dan moet 1091 fout zijn.’
‘U bent de heer Zijp?’
‘Ja, dat klopt. Maar ’t kan ook best zijn dat er niets aan de hand is. Ik weet niks van geisers. Dat knopje van de geiser heb ik naar de bliksemschicht gedraaid.’
‘Dat is goed. Dan kunt u als ’t goed is nu ’t vlammetje ontsteken.’
De lucifers vallen uit m’n handen. In ’t water van de vaat. Als ik ’t pak wil redden van ’t vocht valt de telefoon uit m’n linkerhand. Vang ‘m nog net op met m’n elleboog.
‘Wacht even. Ik leg de hoorn tegen m’n schouder.’
Ik maak uiteindelijk een afspraak. Voor vandaag lukt waarschijnlijk niet meer. Ze hebben ’t hartstikke druk. Dat zou toch pas na 2-en worden. & Dan ben ik op m’n werk. Maandag dan. In de ochtend. Voor 12-en weet de man aan andere kant van de lijn ervan te maken.

Ik denk alleen maar aan de 3 dagen koude douche die ik zal moeten doormaken. Wordt een mens eigenlijk wel schoon van koud water? Ik lijk m’n eigen lichaam nu meteen al te ruiken. Ik steek m’n neus m’n t-shirt in om ’t te bevestigd te zien.
Ik besluit dat dat dan maar moet. De mensen van de bank zullen ’t misschien niet leuk vinden als ik straks bij ze langskom om m’n financiën te regelen. Maar om ze enigszins tegemoet te komen trek ik m’n jas aan. Die moet wel enige ochtendgeuren kunnen beletten de wijde wereld in te trekken. & Ik poets m’n tanden. Lichtjes. Na de lunch de grote beurt.
Onderweg besluit ik om straks, op de terugweg, hard te gaan fietsen. Nog harder. Zodat ik bezweet thuis aan zal komen. Een warm lichaam, een oververhit lichaam, vindt een koude douche minder erg.

M’n vader nam een duik. ’s Ochtends vroeg. Hoewel z’n zwemmen niet veel voorstelde. Hij dompelde zichzelf onder in ’t meertje van de camping. Koud water was gezond, beweerde hij. Hoofd bleef boven water. Een paar armbewegingen. Alsof-ie zwom. We moesten er om lachen als we ’t zagen. Toen mochten we er niet meer bij zijn. Of was Pa al vertrokken met z’n handdoek als wij amper uit de slaapzak waren gestapt.
Dat klopt niet, deze herinnering. Pa stond altijd als laatste op.
Wij waren vast bezig met ’t ontbijt, de caravan zat volgestouwd met moeder & jeugdige benen van minstens 4 broers die elkaar dwars zaten onder tafel, als Pa richting ochtendverfrissing trok. Een 100-tal meters verder. Hij at z’n ontbijt als-ie terugkwam, & er ruimte was voor zijn broodplankje.
Tijdens vakanties ging veel anders dan normaal. M’n moeder regelde dat alles nog een beetje leek op orde zoals thuis.
’t Water was koud. Vooral ’s ochtends. Rechtstreeks uit de Rijn. ‘t 1e Gedeelte van de Rijn. In ’t meertje stond ’t stil, maar ’t werd geregeld ververst, zeiden de campingeigenaars. In de loop van de middag maakte de zon de watertemperatuur aangenaam. Dan lag ’t vol met kinderen. Ouders aan de kant om de capriolen in de gaten te houden. We mochten niet plassen, had Ma verteld, & elke verdachte stilstand met de billen onder water werd in de gaten gehouden.
‘Gadverdamme, er zitten meer kinderen in dat water,’ zei ze dan.
Maar ’t water was zo lekker warm geworden ondertussen, & de toiletten zo ver weg.

M’n keuken ruikt naar gas als ik terugkom. Duidelijk. Ik steek een lucifer aan.
‘Is ’t meest verstandige dat je kan doen,’ bedenk ik, maar houd mezelf al niet meer tegen.
De geiser gaat aan. Een zwak vlammetje. Nauwelijks te zien, tenzij ik op m’n tenen sta.
Ik stuntel me weer door de telefoonprocedure.
‘’t Kan ook 1092 zijn.’
‘De heer Zijp dus. & U denkt dat ’t verholpen is?’
‘Vooralsnog wel. Ik heb zoiets van dat als-ie ’t weer begeeft, ik weet niet hoe groot die vlam normaliter is, want daar let ik nooit op, ik ben niet zo bekend met geisers, ziet u, hij hangt daar & werkt de hele tijd, dus zie ik ‘m eigenlijk nooit, dat als-ie ’t weer begeeft ik misschien toch weer jullie zal bellen om opnieuw een afspraak te maken. Maar ’t lijkt me zo onnodig jullie maandag langs te laten komen als-ie ’t hele weekend ’t gewoon doet.’
‘Dus u wilt de afspraak cancellen?’
‘Ja, vooralsnog wel.’

& ’t Zachte warme water stroomde vruchtbaar over de akkers van Zijperspace.

verwijsbriefje

‘Je hebt ’t me al een keer verteld,’ zei ik tegen de therapeute, ‘maar ik moet ’t even goed in m’n hoofd hebben: voor de verzekering heb ik dus een verwijsbriefje van m’n huisarts nodig & die stuur ik meteen naar ze toe tegelijk met de rekening?’
‘Ja,’ zei m’n podoloog, ‘’t hoeft natuurlijk niet meteen, maar dan kan ’t zijn dat ze ’t uiteindelijk toch willen. Dat zorgt er alleen maar voor dat je langer op je geld moet wachten. Want dan gaat er extra post heen & weer. Je kan ’t dus net zo goed meteen erbij stoppen.’

Dus belde ik m’n huisarts. Ik kreeg de assistente aan de lijn.
‘Dat moet kunnen,’ zei ze nadat ik ’t had uitgelegd. ‘Wat voor verwijzing moet ’t zijn?’
‘Voor een podoloog. Een podo-therapeute, zo noemt ze zichzelf. Ik had nl nieuwe zooltjes nodig. Die heb ik ondertussen al, vanochtend gekregen, maar ik moet ’t dus vergoed zien te krijgen van de verzekering.’
‘Ik heb ’t straks er even over met Wijsmüller. Dan kan je ’t morgen komen afhalen.’
‘Morgen kan ik niet. Is er ook een mogelijkheid dat ik ’t vandaag aan ’t eind van de middag ophaal?’
‘Ja, maar dan ben ik er niet. Dan moet je in de wachtkamer gaan zitten tussen 2 & ½ 4 & aan Wijsmüller vragen zogauw die komt.’
‘Die weet er dan al van?’
‘Ja, ik leg ’t hem straks voor.’

‘Wie was er aan de beurt?’ vraagt Wijsmüller als-ie de wachtkamer betreedt.
Ik had al meerdere openingszinnen voorbereidt. Ze waren allemaal de revue gepasseerd. Om zo snel & zo duidelijk mogelijk terzake te komen. Voor een doorverwijsbriefje wil je zo snel mogelijk weer buiten staan. Vooral als ’t slechts een administratieve handeling is.
Maar op een gegeven moment ging ’t me bevreemden dat ik zelfs voor zo’n simpel briefje zoveel voorbereiding in m’n hoofd aan ’t plegen was.
‘Ik kom alleen maar voor een verwijsbriefje,’ zeg ik. ‘Dat zou klaar liggen.’
Ik krijg de volle aandacht van de huisarts. De andere bezoeker van de praktijk zal moeten wachten.
‘Had je er over gebeld?’
‘Ja, vanochtend. Met de assistente.’
‘Ze heeft niets verteld. Ze is net nieuw. Ze zal allerlei dingen nog moeten leren,’ vertelt-ie snel terwijl-ie de deur naar z’n kamer wijd open gooit. ‘Kom maar even mee.’
Ik loop achter ‘m aan. ’t Gaat zo nonchalant dat ik niet weet of ik de deur achter me moet sluiten. Is ook niet belangrijk, denk ik snel, bij sommige huisartsen voel je je meteen op je gemak.
‘Hoe is ’t trouwens met je schildklier afgelopen?’ zegt Wijsmüller in een ½e draai.
‘Oh, ik heb de ziekte van Graves,’ zeg ik als we ’t kamertje van de assistente betreden. ‘Ik krijg nu medicijnen om m’n schildklier stop te zetten, & thyrax slik ik nu 2 weken om T3 & T4 weer toe te voegen.’
Vooral meteen laten merken dat je weet wat er met je lichaam gebeurt.
‘Even kijken, waar ging ’t om?’
Ik leg ’t weer uit. Hij pakt de juiste verwijskaart & begint te stempelen & schrijven.
‘Wat was je naam ook al weer?’
‘Zijp.’
‘Sorry, hoor, dat ik ’t moet vragen.’
Ik lach: ‘Geeft niks. Ik kan me het wel voorstellen met zoveel mensen in de praktijk.’
‘Dat is ’t niet. Want ik onthoud precies wat mensen hebben als ze bij me zijn geweest. Maar als ze een ½ uur geleden weg zijn gegaan, ben ik hun naam alweer vergeten. Alsof ik ze te weinig aandacht heb gegeven. Kijk eens.’
Hij overhandigt me ’t briefje. ’t Voelt alsof ik fraude pleeg, want de zooltjes zitten al in m’n schoenen. ’t Zal zo wel horen, stel ik mezelf gerust.
‘& Sterkte ermee.’
‘Dank je.’
We schudden elkaar de hand. Dat hoort er ook altijd bij. Ook al lijkt-ie haast te hebben. Huisartsen horen haast te hebben, tenzij ze tegenover je zitten.
Via een andere deur als waardoor ik binnen ben gekomen verlaat ik de kamer van de assistente. Wijsmüller neemt de weg terug, om de volgende patiënt te halen. Ik hoor z’n ontspannen stem praten met de man in de wachtkamer als ik de deur naar buiten neem.

We voelen ons gesteund als we de wegen bewandelen in Zijperspace.

scan

Ik moest plaatsnemen waar ik de vorige keer ook had zitten wachten. Achter een deur op een kier meende ik de stem te horen van de vrouw die me bij de schildklierscan begeleid had. ’t Zou kunnen dat ze me nu weer op kwam halen. Dan zou ik een bepaald gevoel van routine krijgen, dacht ik. Was 't niet meer vreemd voor me. ’t Zou wel weer een eeuwigheid gaan duren, dus haalde ik m’n boek tevoorschijn & begon te lezen.
De deur naast me ging op een gegeven moment open. Of meneer Meurting aanwezig was, vroeg ’t gezicht dat om de hoek verscheen.
Meneer Meurting stond op, gaf de verpleegster een hand & liep achter haar aan.
‘Dag, meneer Meurting,’ zei de verpleegster onderwijl, ‘we gaan hier een scan maken & daarvoor mag u al uw kleren uittrekken. Als u ’t prettig vindt mag u uw sokken aanhouden.’
De deur ging dicht.
Ik besefte me opeens weer wat ik kwam doen. M’n kleren uittrekken voor een vreemde. & Dan een kwartiertje stil blijven liggen. Anoniem liggen zijn. Bloot. Een object dat gefotografeerd moest worden. Van binnen. M'n binnenste moest bekend terrein worden, ik niet.

5 Minuten later ging een totaal andere deur open dan ik verwacht had. Links achter me, ipv rechts voor me om de hoek. ’t Gezicht van een man boog voorover.
‘Dhr Zijp?’ vroeg-ie.
Ik liep achter ‘m aan. In de deuropening gaven we elkaar de hand.
‘Dave Richters,’ stelde hij zichzelf voor.
‘Ton,’ zei ik.
M’n achternaam wist-ie tenslotte al.
‘We gaan dus een scan van je heup & je wervel maken,’ zei Dave.
‘Ja, wat moet ik daarvoor uittrekken?’
Beter meteen to the point komen. Ik keek naar ’t apparaat. Over ’t gedeelte waar ik kon liggen lag een oogverblindend wit laken, aan 't eind ervan een kussen eronder. Zo wit kon m’n moeder niet wassen. Aan de zijkant kwam een arm omhoog, met aan ’t uiteinde ’t brede fototoestel. Zo stelde ik ’t me maar voor. Je moet ’t jezelf niet te moeilijk maken.
‘Doe maar je schoenen & je broek uit,’ zei Dave.
Ik zag een weegschaal staan.
‘Mag ik mezelf even wegen?’ vroeg ik. ‘Ik ben wel nieuwsgierig hoe zwaar ik inmiddels weeg.’
‘Oh, ga je gang.’
Dave was bezig achter de computer. Mijn data moesten blijkbaar ingevoerd worden.
Zonder broek & schoenen woog ik mezelf. Ong 68 kilo.
‘Oh, dat valt mee,’ zei ik voor mezelf.
‘Dan mag je ‘t mij ook gelijk vertellen, want ik heb die gegevens nodig.’
‘Dan kan ik ’t beter nog een keer doen. Want ik keek niet nauwkeurig.’
Ik ging nog een keer staan: ‘68½ Kilo.’
‘Da’s dus 68. & Dan meten we ook even je lengte op.’
Ik plaatste mezelf tegen de meetlat. Dave las af.
‘1 Meter 77.’
Hij sloeg de gegevens op in de computer.
‘Dan mag je nu gaan liggen.’
Ik legde mezelf op ’t apparaat neer. Dave schoof me recht.
‘Je drinkt wel eens engels bier?’ vroeg-ie.
Oja, ik had een t-shirt van the Hogs Back Brewery aan, bedacht ik.
‘Ja, ik verkoop engels bier.’
‘Oh, in een bierwinkel? Ik ben al een tijdje op zoek naar een goede bierwinkel in Amsterdam.’
Ik vertelde waar hij ’t kon vinden.
‘La Trappe,’ zei hij. ‘La Trappe Blonde.’
‘Dat is wel heel gewoon.’
‘Ja, maar daar ben ik al een tijdje naar op zoek. Ik kan ’t nergens vinden.’
‘Dat hebben wij altijd op voorraad staan.’
Hij legde een hoge kussen onder m’n voeten. Dan werd m’n rug plat, begreep ik.
‘Ik ga nu de scan maken. Zo blijven liggen.’
De scan schoof met schokken over me heen. Maakte piepende geluidjes. Bleef stilstaan. Zoemend.
Ik hield m’n mond. Stiller kon ik niet liggen. Maar Dave praatte verder.
‘Hebben jullie ook een engels bier met een vogel er op?’
Ik dacht na. Of ik wel mocht praten vooral. & Een vogel wilde me niet te binnen schieten. Of ’t moest die raaf zijn.
‘Raven’s Ale?’ probeerde ik.
De 1e scan was gemaakt ondertussen. Dave verlegde m’n voeten. Hij legde nu een kussen tussen m’n voeten. Een band kwam om beide heen, zodat ze gefixeerd lagen.
‘Nee, dat is ‘m niet.’
‘Weet je wel of ’t op fles verkrijgbaar was?’
Hij dacht na. Achter z’n beeldscherm. De scan begon weer.
‘Ik dronk ’t in ’t midden van Engeland. Uit de tap.’
‘Dan is ’t waarschijnlijk niet van fles verkrijgbaar. De meest mooie bieren kan je in Engeland alleen maar van de tap drinken.’
‘Zo, dat was ‘t,’ zei Dave. ‘Je kan je weer aankleden.’
‘Zeg,’ zei ik terwijl ik me aankleedde, ‘weet jij waar dit onderzoek voor dient? Ik heb wel allerlei dingen opgezocht op internet, maar kon niet vinden wat m’n botten met m’n schildklier te maken hebben.’
‘Je hebt al jaren hypertheroïdie, zie ik hier staan,’ zei Dave. ‘Je schildklier maakt te veel hormoon.’
‘Ja, T3 & T4.’
Oh, dat weet-ie al, zo keek Dave.
‘’t Zou kunnen dat je botten dan aangetast raken. Dat er te weinig van bepaalde stoffen wordt aangemaakt. Maar zo te zien valt dat wel mee.’
Hij liet een grafiekje zien.
‘’t Gemiddelde bij de mens zit hier.’ Hij wees. ‘Bij jou zit ’t onder ’t gemiddelde. Maar niet verontrustend. Dan zou ’t in dit rode gedeelte moeten komen.’
‘Oh, valt best mee dus.’
‘Niks om je zorgen over te maken.’
‘Mooi. Dan ga ik maar. Ik zie je wel als je bier nodig hebt.’
‘Vast. Tot ziens.’
We gaven elkaar weer een hand. Daarna schoof Dave de deur weer achter me dicht.

We rechtten de rug in Zijperspace; we hoorden de botten krachtig voegen.

shirtjes

’t Mag best wijd, had ik laatst besloten, maar dan moet ’t wel weer in de broek. Anders lijkt ’t op een slabber die moet voorkomen dat je vlekken maakt op je broek. Een heel kinderachtige slabber. Alsof ik op m’n 39e heb besloten te gaan skaten, zodat ik weer ’t gevoel krijg bij de jeugd te horen.
Op een gegeven moment moet je ’t idee uit je hoofd zien te krijgen dat kleren altijd ‘tzelfde gedragen moeten worden. Dat ’t concept van je eigen jeugd niet tijdloos is gebleken. ’t Zou een beetje raar staan als ik tot ’t eind der tijden ‘tzelfde kapsel zou handhaven, dezelfde broek, dezelfde manier van aankleding. In m’n jeugd vond ik ’t immers zelf ook een anachronisme te moeten zien dat er nog steeds vetkuiven rondliepen.
‘Was dat niet iets dat stamt uit de prehistorie?’ grapte we toen naar elkaar.
Maar probeer aan de andere kant ‘ns ’t beeld uit m’n hoofd te praten dat Sieger stoer was, zoals-ie z’n t-shirtje wegstopte in z’n broek. Nonchalant kwam-ie aanlopen aan ’t begin van de pauze, een peuk in z’n mond. Alsof van al ’t zitten tijdens de les z’n t-shirtje, altijd wit, altijd wijd, altijd genoeg stof om vast te pakken, uit z’n broek was gefloept, stopte hij de uiteindes terug langs z’n niet al te strakke riem in z’n broek. Vooral niet te zorgvuldig. 1 Keer aan de voorkant, & 2 keer aan de achterkant. Dat moest genoeg zijn. Hij pakte daarna een lok haar & gooide die tezamen met z’n hoofd achterover. & Ik zag alle blikken van omringende & passerende meisjes wenden zogauw hij weer in z’n eigen juiste model was gevoegd. Spijt in hun ogen dat ze ’t hermodelleren hadden gemist.
Dus moesten t-shirts wit. & Wijd. Belangrijker nog: in de broek gepropt. Misschien ben ik door dat beeld ook wel gaan roken.
Alles droeg je toen in je broek. Bloesjes ook.
Alleen toen de gothen de overhand kregen, alles moest zwart, kwam er een korte tijd van bloesjes uit de broek. Toen werden de haren ook veel langer. Gothen waren ouderwets blijven hangen, wij ontwikkelden ons verder. De kleren werden wijder & kleurrijker. Alleen ’t t-shirt bleef zitten zoals-ie zat. Maar die kon je toch niet in z’n geheel zien. Bloes zat ervoor.
Ik ben een oude man geworden, bemerk ik. Alles moet ‘tzelfde blijven. Tenzij er een goed bewijs is geleverd dat ’t ook anders kan. Maar dan wel zonder al te veel concessies. ’t Kost te veel moeite mezelf te overwinnen & ’t concept van ‘me eigen zijn’ aan te passen aan die plotse nieuwe standaard.
Ik heb ‘m ook wel uit de broek gedragen, bedenk ik me. Gedeeltelijk uit de broek. Ik dacht dat anderen m’n voorbeeld wel zouden volgen. Aan de voorkant er ingepropt, aan de achterkant hangend er uit. Heb ik niet lang volgehouden. Als niemand doet wat jij denkt dat de nieuwe standaard in je subcultuur zal gaan worden, dan hou je ’t niet lang vol. ’t Was al moeilijk genoeg om als enige vol te houden dat zwart niet gedragen diende te worden. Misschien was dat ook wel de reden dat ik geen navolging kreeg.
Ik had stiekem enkele voorbeelden bestudeerd. Stiekem, omdat ik ’t zelf niet doorhad. Plots bleek ik ’t beeld in m’n hoofd opgeslagen te hebben. Ik begon me voor te stellen hoe ’t bij mij zou staan. Durfde nog niet naar de spiegel te lopen om ’t uit te proberen. Dat zou al ½ betekenen dat ik toe zou geven dat de wereld aan verandering onderhevig is. Dus had ’t zich nog niet in m’n hoofd genesteld. Slechts als soortement droombeelden, niet bestaand, van een andere wereld.
Totdat ik plots weer een t-shirt met lange mouwen in m’n bezit kreeg. Daar moest ik toch ‘ns iets mee doen. ’t Waren er inmiddels 5. De hele tijd 5 dezelfde shirts tonen aan de mensheid leek me een beetje saai. & Per ongeluk kwamen de onbewust opgeslagen voorbeelden boven drijven.
Ik ben wel 10 keer voor de spiegel gaan staan. Verschillende t-shirts over de lange mouwen heen, verschillende lange mouwen onder de korte mouwen. XL over L? L over XL? Shirt in broek, of juist slobberend de ene over de andere laag laten hangen? Een paar keer met bril op. Een enkele keer met groene pet.
Nee, ik ben wel 20 keer voor de spiegel gaan staan.
Stoer ben ik de straat opgegaan. Stiekem uit m’n ooghoeken loerend of anderen me voorbij zagen gaan.
Voelde ook best wel lekker warm, maakte ik mezelf wijs. ’t Zweet gutste uit m’n oksels, maar ’t voelde aan als comfortabel zweet.
De daaropvolgende dagen was ’t te warm om de nieuwe look vol te houden. Terug naar af. Maar wel een large gedragen om ’t uit de broek te kunnen houden.
Fret kwam naar me toe, een week later. We stonden samen achter de bar.
Fret is een klein jaartje ouder dan ik. We hebben in dezelfde scenes gezeten. Hij in Amsterdam, ik in Den Helder. We praten wel ‘ns over de muziek die we in dezelfde tijd gehoord hebben, 10-tallen kms van elkaar verwijderd, maar ’t voelde alsof we ‘tzelfde hadden meegemaakt.
‘Heb jij dat nou ook?’ vroeg-ie. ‘Dat je niet weet of je t-shirtje er uit moet of juist er in. Dat ’t t-shirtje ‘t zelf ook niet weet. Heb ik ‘m er in gestopt & doordat je de hele tijd beweegt, komt-ie er als vanzelf weer uit.’
Ik humde. Wist ’t niet zo goed.
Toen Fret zich omkeerde, stopte ik m’n t-shirt er maar weer in. Voor de helft. Aan de achterkant mocht-ie lekker doorgaan met wapperen. ’t Was veel te heet om ’t niet te laten doorluchten, dacht ik. Ik zag dat Fret z’n shirt er inmiddels ook zo bij hing.

Er vinden grote revoluties op de cm² plaats in Zijperspace.

actie geslaagd

Tijd voor openheid van zaken, tijd om te melden wat er heeft plaatsgevonden na de start van de Actie (zoals Bart 't uiteindelijk gedoopt heeft, & ik in dezelfde bewoording dankbaar heb overgenomen). Remco heeft tenslotte gisteravond laat gereageerd. Dankzij enkele meeltjes heen & weer hebben we uitgevonden waar de communicatiefout gelegen heeft (mijn oorspronkelijke meeltje was blijven hangen bij Michiel van Badlog, die prompt niet gelinkt wordt door ondergetekende). & Voor de rest moet ik vooral m’n gang gaan & met de cursus lijfloggen beginnen zogauw ik er klaar voor ben. Zaak voor enkele mensen om de abonnementen op About: Blank weer te vernieuwen, want ik ben nu reeds gereed. Of anders moet men maar maandelijks op zoek gaan op de website van about: blank.
Voor de volledigheid plaats ik hieronder nog even ’t meeltje dat ik heb doen uitgaan naar een 10-tal medewebloggers, waarna de Actie van start is gegaan. Best een leuk berichtje, al zeg ik ’t zelf. Ik heb er dan ook zeker aandacht aan besteed, alsook door gekregen. Helaas had ik enkele i-meel-adressen niet in m’n bezit, altijd die stomme crashes van computers, alsook de incompatibiliteit van dergelijke apparaten, anders hadden nog veel meer mensen mee mogen doen met de Actie. Die uiteindelijk vooral dankzij ’t initiatief van Bart geslaagd kan worden genoemd. Waarvoor dank.
Volgt nu ’t bewuste meeltje:

Een goedenavond dames & heren,

Men zou kunnen zeggen dat dit ook weer een bevlieging is, zoals zovele dingen in mijn leven bevliegingen zijn, 1-dagsvliegen, niemendalletjes achteraf. Maar ik blijf erbij dat mij de kans gegund moet worden deze 12-delige cursus lijfloggen te kunnen geven voor 't grote publiek. Wat heb ik nou aan die 100-tal visiteurs, die grotendeels afkomstig zijn van zoekmachiens? Nee, ik wil de mensen bereiken die geschikt zijn voor deze cursus: de webloggers!
& Dan nog niet eens specifiek de lijflogger zelf. Doe er gelijk maar een zooitje linkloggers bij. Kan voor hun ook geen kwaad, een beetje wetenschap over hoe 't moet & wat 't voor consequenties heeft. & Vooral ook: WAAROM?
& Zoals ik reeds heb uitgelegd bij aflevering 0 van deze cursus (men kan 't allemaal lezen op 't welbekende plekje) dient de te behandelen stof slechts te gaan over 't lijfloggen an sich, & dat wel in z'n meest letterlijke zin.
Want ik moet ook eerlijk zijn: waar ben ik nog meer goed in? Ik zou mezelf daarop geen antwoord durven geven.

Wel, heerlijk vriendelijk welgewaardeerde medewebloggers, ik schrijf u natuurlijk niet voor niks aan. Zo en masse. Ik zou zo graag willen dat de redactie van About: blank wat meer vaart zet achter mijn sollicitatie. Ik heb ze ondertussen maar liefst 3 dagen geleden al een meeltje gestuurd met 't verzoek mij aan te nemen als mederedacteur. Slechts met de functie van cursusleider, meer wil ik niet, maar de vacature beschreven ze nu 1maal als redacteur, dus daar ben ik op ingegaan.
't Zou zo prettig zijn als men dit verzoek serieus nam. Ik heb er tenslotte al 2 slapeloze nachten aan overgehouden. Een bevlieging is tenslotte een bevlieging, & nog iets meer in 't geval 't mijn persoon treft.
Ach, ik kan er niks aan doen, moet men maar denken. Aard van 't beestje lijkt misschien een dooddoener, maar is wel degelijk zeer van toepassing.

Ik kan me nog herinneren dat ik op jongstleden meeting aan godfather Sikkema heb voorgesteld de functie van mederedacteur te willen bekleden, er was een open vacature tenslotte, maar dat slechts op de voorwaarde dat ik 1st wilde weten wat ik zou gaan doen.
'Denk er zelf maar even over na,' zei de weledelgeboren heer.
Dat heb ik inmiddels gedaan. Ik geloof dat ik m'n ideeën hieromtrent reeds heb uiteengezet op 't u allen welbekend adres.
Maar waarom krijg ik nou geen reactie? Terwijl 't juist zo'n alleraardigst meeltje was. Of zou men niet weten hoe 't medium werkt? Is men bang 't te gebruiken in geval mijn persoon teleurgesteld moet worden?

Ikzelf geloof dat ik met aflevering 0 een aardig voorbeeld heb neergezet hoe mijn cursus er in de toekomst uit zou kunnen gaan zien. & Daarbij aangetekend dat dit geheel & al vrijwillig zal gaan gebeuren, zonder onkosten. 12 Afleveringen lang. Ik heb nog niet eerder van een vrijwillige cursus gehoord, of desnoods 't aanbod daartoe van enig ander, mbt 't leren loggen, dus lijkt 't mij een alleraardigst voorstel. Vooral om 't feit, vergeeft u mij de arrogantie indien ongepast, dat er slechts weinigen zijn die zo letterlijk kunnen lijfloggen als ondergetekende. Enige uiteenzetting over de technieken hiermee verband houdend zou zeer zeker geen kwaad kunnen, waag ik mij zelf te bedenken. Opdat eenieder er wat aan heeft. Niet dan?

Ach, ik zeg nogmaals ach, zo aan 't begin van een zin; ach, 't zou mij zoveel plezier doen indien u allen (vergeef mij deze aanspreekvorm, maar doordat ik tegen meerdere tegelijk spreek, zie ik mij ertoe genoodzaakt, misschien ook wel vanwege 't officiële verzoek dat ermee samenhangt) mij op bepaalde wijze wilt steunen. Men weet vast wel wat de juiste weg hiertoe zou zijn. Iedereen heeft zo z'n eigen specialismen in 't verkrijgen van aandacht. Vandaar ook dat ik u als bont gezelschap heb aangeschreven.

Ik vertrouw erop dat dit schrijven zin heeft gehad.

Met vriendelijke groet,


Dat laatste natuurlijk ook geldend voor de reguliere & onregelmatige lezers van Zijperspace.

denken

Rachel vroeg of ik nog geschreven had.
‘Oja, eergisteren,’ zei ik. ‘& Gisteren ook. & Vandaag natuurlijk. Zoals elke dag kon ik ’t niet laten.’
‘Waarover?’
‘Oh, van alles. Vandaag over ’t feit dat ik een cursus lijfloggen wil gaan geven, maar door degenen bij wie ik dat verzoek daartoe heb ingediend wordt niet gereageerd.’
‘Dus je hebt niet over mij geschreven?’
Ze klonk opgelucht.
‘Nee, wat zou ik over je moeten schrijven?’
Ik lachte. Ik moest denken aan haar opmerking een paar dagen eerder.
‘Als ik een format heb, dan kan ik overal over schrijven,’ had ik gezegd. ‘Dan vloeit ’t er zonder moeite uit.’
‘Dat komt doordat jij de hele tijd overal bij nadenkt,’ had Rachel gereageerd.
‘Oh?’ dacht ik toen, maar zei ik niet.

Vliegen zitten tegen de muren geplakt. Vermorzeld onder m’n vuist of platte hand. Maar ’t is nog lang geen tijd er wat aan te doen. Ze te verbergen onder ’t jaarlijkse likje verf vlak voor m’n verjaardag. Hoewel ik me er nu al op verheug. Kijken of ’t lijfje van een platte mot op kan gaan in de structuur van rauhfaser behang.

Zelf vind ik dat ik helemaal niet wreed ben. Slechts praktisch ingesteld. Moet ook wel met m’n pietluttige angstjes. Zo snel mogelijk de angst wegstoppen, zorgen dat ’t niet meer bestaat, door een allesvernietigende klap.
Of de gangbare opmerking maken tegen een kind dat pinda’s voert aan duiven: ‘Goed zo, geef de duif maar lekker veel pinda’s. Dan gaat ze tenminste snel dood.’
Ik vergat even dat ’t een kind was. Een kind dat overal nog onrechtvaardigheid zag, leed, misdeeldheid, honger, & nog niet in staat was om de nuance van angst in ’t wereldbeeld van de volwassene daarop toe te passen.
Heel verontwaardigd klonk ze. Haar moeder deed er niet minder om mee.
‘Nou, da’s gemeen!’ riepen ze.
‘Nee, hoor. Duiven zijn de grootste ziekteverspreiders van Amsterdam. & Anders krijg je er jeuk van.’
‘Ja, maar een duif is ook een levend wezen.’
Oeps, dat had ze zeker net op school geleerd. Met z’n de hele klas naar ’t biologisch lescentrum geweest, of hoe dat tegenwoordig mag heten, & spinnen in de hand mogen houden. Nog even een paar extra slangetjes erbij & ’t kind is van de angst voor ’t leven af, zo luidt waarschijnlijk de op de achtergrond liggende opvoedkundige gedachte.
‘Maar wel een heel schadelijk wezen,’ voorzag ik moeder & dochter van repliek, ‘vooral ook omdat ’t beestje er zo onschuldig uit ziet.’
Mijn strijd tegen ’t beest duif gaat onverminderd voort. Ik laat me door niets tegenhouden.

Er zit 1 vlieg geplakt aan de wand in de woonkamer. Dat moet een motje zijn geweest. Want de vleugeltjes hangen als ruïnes van een Tineidae-achtige ernaast. Ik kan me nog herinneren dat ’t een heel gemakkelijke klap was. Dom langzaam beest, dacht ik erbij.
Die boven m’n bed, boven m’n voeteneind, was wat moeilijker. Ik moest me er voor concentreren. ’t Was ooit een mug. Die hebben van die antennes in hun rug zitten die de rest van ’t lichaam waarschuwen zogauw iets met een snelheid van hoger dan 100 km/uur nadert. Vandaar dat een list hiervoor vaak noodzakelijk is. 1st Net doen of je met je hand een bepaalde kant opgaat, in de buurt van ‘t muggenlichaam, & vervolgens de andere hand ongenadig hard op de beoogde vluchtroute terecht laten komen.
’t Gaf me toentertijd, ’t moet inmiddels 2 jaar geleden zijn, maar de spetters kan ik nog altijd als tekens aan de wand zien, ’t gevoel dat ’t bloed alle kanten op spoot.
‘Ha, datgene komt me rechtmatig ’t gezicht in geblazen wat ooit eens eerder van mij was,’ dacht ik erbij.
Maar ik veegde de denkbeeldige druppels toch maar weg. Kon ik gerust verder gaan slapen.

Naast de wc-deur plakt er nog 1tje. Een niet te definiëren beestje. Ook behorende tot de insect-achtigen, dat zij duidelijk, maar onmogelijk om daar nog wijs uit te worden wat haar specifieke eigenschappen waren. Er zal in de toekomst heus nog wel een intelligent mens afstuderen op de invloed van de menselijke hand op de gesteldheid van ‘t insectenlichaam, maar vooralsnog is deze persoon niet voor handen.
’t Hangt vlak boven de lichtknoppen van de wc & gang. Een waar ornament. Op een dergelijke mate opvallend, dat ik ’t waarschijnlijk weg zal moeten schrapen vooraleer ik begin aan de jaarlijkse restauratie van de kleuren. Anders valt ’t niet weg te moffelen. ’t Is rond die lichtschakelaars zowiezo noodzakelijk dat ’t keurig wordt afgewerkt, want de mate van bedomptheid beschouwend aldaar, zou men kunnen concluderen dat ’t dit plekje is dat ’t meest door mijn vingers wordt bezoedeld. Alsof ik m’n handen niet was na toiletgebruik. Die mogelijke indruk moet ik wegvegen, verstoppen onder weer een volgende laag geel.

Maar ’t meest verbaasd ben ik eigenlijk over de bromvlieg. Ik zag ‘m gister weer hangen. De laatste tijd hou ik mijn tuindeuren weer open. Alsook die van de keuken richting tuin. Daar zit-ie. Volledig plat. & Ik vraag me de hele tijd af hoe deze zich daar heeft kunnen laten vangen. Geen hand is er aan te pas gekomen. Geen opzet mijnerzijds. Vaak doe ik juist m’n best dergelijke brommers zonder kleerscheuren aan beide zijden de keuken uit te bonjouren. Er zit heus nog wel een beetje mede-wezenliefde in dit lichaam. Daar waar angst een niet al te grote rol speelt.
& Toch heeft dat domme ding zich laten pakken. ’t Heeft nog niet eens de kans gehad te verhongeren. Zoals de meeste vliegenlijken die een toonbeeld van sterfelijkheid vormen & de vergankelijkheid van ’t insectenbestaan duidelijk tentoon spreiden door her & der verspreid in mijn keuken definitief voor pampus te liggen.
‘Hoe krijg je ’t voor elkaar?’ denk ik elke keer bij aanschouwing van dat lichaam.
Of dat wat er nog van over is. Platter als een postzegel valt er nog wel een vlieg in te herkennen, maar meer dan een dun laagje is ’t niet. ’t Grootste gedeelte van de ooit aanwezige moleculen zijn er uit geperst.
’t Hangt daar, platgedrukt, op de deurpost. Binnenzijde zijkant. ’t Is zo dom geweest niet te vluchten op ’t moment dat ik, op inbrekers verdacht, de deur sloot om ’t huis te kunnen verlaten zonder de gedachte mee te hoeven dragen dat mijn schamele bezit door een onverlaat meegevoerd zou kunnen worden. ’t Is verpletterd terwijl ’t doodgemoedereerd dacht ’t sluiten van de deur wel te kunnen overleven.
Fout, denk ik dan elke keer.
Maar te laat om die boodschap nog over te brengen.

Dat zijn echter wel de momenten dat ik me begin te realiseren dat Rachel best wel ‘ns gelijk zou kunnen hebben.

Dat ’t nooit stopt daar diep binnen in Zijperspace.

mobilisatie

Vanwege de vele steunbetuigingen zie ik mijzelf genoodzaakt ook maar een banner te plaatsen, want alleraardigst ontworpen in een poep & een zucht door Bart. Cockie heeft 'm vervolgens ook geplaatst. Toen begon ik 't nog leuker te vinden. Waarna verdulleme Odette & Carin volgden.

Ik kan zelf niet achter blijven. Maar dan wel volgens de epilepsie voorkomende rustige versie die Odette ook reeds gebruikt heeft.



Vergeet u vooral niet 't begeleidend artikel te lezen in Zijperspace, hieronder afgedrukt; dat waar 't allemaal om begonnen is, wordt daarin uiteengezet.
(vanavond weer een stukje zoals men 't gewend is)

cursus lijfloggen

Ik heb me beschikbaar gesteld voor ’t e-zine about: blank. Over & door weblogs. Ik krijg de e-zine maandelijks in de elektronische bus, & met mij vele andere webloggers, maar men kan alle edities ook naslaan op de website zelf.
Een soortement sollicitatie-meeltje heb ik verstuurd. 2 Dagen geleden. Ik had midden in de nacht een lumineus idee (al zeg ik ’t zelf; ’t voelde in ieder geval zo op ’t moment dat ’t me wakker hield), wat mij de daarop volgende ochtend deed besluiten dit idee beschikbaar te stellen aan de redactie, mijn hulp daarbij incluis. Niemand die beter geschikt was voor de klus dan ikzelf, dacht ik bij 't mezelf voordragen als geschikte kandidaat voor 't uitvoeren van 't plan. Wat wil je: ik had er een nacht op wakker gelegen.
Een cursus lijfloggen dus. In de meest letterlijke zin van ’t woord. Ik dacht: daar hebben de jongelui misschien wel wat aan. Van mij, als oude rot in ’t vak. Ik als zijnde een persoon die ’t toetsenbord niet met rust kan laten. Wellicht dat men er iets van leert. Of anders een glimlach niet weet te onderdrukken.
Inmiddels zijn er 2 dagen voorbijgegaan sinds m’n open sollicitatie. Ik heb nog niets gehoord. Geen enkele reactie. Tuurlijk is er ondertussen tussen de huidige redactieleden onderling een hels i-meelverkeer door mijn suggestie op gang gebracht, is men druk overleggende over de mogelijke toevoeging die ik & mijn cursus kunnen betekenen voor ’t e-zine, heeft men reeds de neiging om een vergadering in levende lijve te beleggen, maar tast men door ’t afwezig zijn van enig bijgevoegd materiaal mbt 't idee wat een dergelijke cursus zou kunnen betekenen volledig in ’t duister. ’t Is moeilijk besluiten nemen indien men niet weet waarover men een besluit moet nemen.
Vandaar dat ik dacht: misschien moet ik ’t maar ‘ns illustreren door aflevering 0 van m’n cursus te publiceren.

Aflevering 0.

Op de kleuterschool moesten we opeens met de handen over elkaar zitten. Juf liet mij daarin even ongemoeid, want ik was net nieuw in de klas gekomen, wist niet wat me te wachten stond, wilde liever terug naar moeder, liet dat ook veelvuldig blijken door m'n ogen te bevochtigen, maar ’t feit dat we netjes rechtop moesten gaan zitten ontging mij niet. Tussen de tranen door, de medelijdende arm van de juf over mijn schouder, & een prachtig blanco tekenvel die ik zelf mocht vullen met allerhande kleuren krijt, werd mij gewaar dat alle kinderen op verzoek van reeds genoemde juf strak in houding op hun stoeltjes gingen zitten, de armen gekruist & de lippen als dunne reepjes vooruitstekend, in zoverre lippen die strak staan vooruitgestoken kunnen staan; daar stond ik nog 't meest verbaasd over.
Men kon ’t blijkbaar beter overdrijven, dachten de jonge kinders toen al. Dat leverde misschien wel een extra pluim van juf op.
2 Meter bij mij vandaan, 't leek in die tijd een onmetelijke afstand, nog maar net te overzien, zat er een jongen zodanig gedienstig met z’n armen over elkaar dat-ie daardoor bijna uit z’n stoel omhoog steeg. Hij kreeg meteen een beurt van de juf, waarbij hij mocht vertellen wat de klas zou gaan doen.
Ik tekende ondertussen driftig door, want mijn waterlanders vanwege ’t feit dat m’n moeder me voor ‘t 1st van m’n leven verlaten had, moesten zo snel mogelijk vergeten worden. ’t Gebeuren in de klas ontging me echter niet, brandde zich op m’n netvlies.

Lichaamstaal is belangrijk. Een essentieel onderdeel bij ’t sociale verkeer. Wil men iets duidelijk maken, iets extra kracht bijzetten, dan dient men ’t lichaam te gebruiken in ’t overbrengen van de boodschap. ’t Werkt ondersteunend, verhelderend, relativerend, maar kan ook, door bijvoorbeeld een kleine wenk van de daarvoor bedoelde wenkbrauw, een onderbelicht onderdeel van ’t over te brengen bericht extra onder de aandacht brengen.

Helaas: bij geschreven taal kan men moeilijk die connotaties van ’t lichaam inbrengen. Een probleem waar dagelijks menig meningsverschil op ’t internet door ontstaat. Internet is een plat medium, 1-dimensionaal, de finesses van de emoties zijn moeilijk dmv letters af te lezen. Emoticons zijn van ’t begin af aan gemeengoed om in ieder geval een gedeelte van dit probleem op te lossen, maar we zijn er dan nog niet.

& Toch gedijt ’t lijflog goed op ’t internet. Alle ontboezemingen van ’s mens persoonlijk leven worden gretig afgenomen door slurpende ogen. Reality-tv op internet waarbij de logger producent, acteur, regisseur, belichter & cameraman tegelijk is.

Dit alles even heel kort samengevat.

Probleem echter is dat iedereen eigenlijk de hele tijd ‘tzelfde meemaakt. Bij de basis zijn alle mensen ‘tzelfde. Ook al lijken ze anders op de verschillende situaties te reageren, men doet dagelijks boodschappen, gaat naar ’t werk, krijgt ruzie, oma overlijdt & ’t huisdier is van slag doordat de hond van de buren te weinig aandacht aan hem besteedt; men doet uiteindelijk allemaal ‘tzelfde: men wordt geboren, leeft, leert, wordt ziek & gaat dood.
Wil men dus een bijzondere weblog hebben, dan zal men de details die men de lezer wil voorschotelen op een originele, zinnenprikkelende manier moeten presenteren. Men moet iets doen voor de kijkcijfers! Dit wil niet iedereen bereiken door ’t tonen van de lichaamsdelen via webcams. Sommigen onder ons willen ’t juist spannender maken door alles te verhullen & slechts in woorden geleidelijk aan privé-aangelegenheden toonbaar te maken.
Ziehier een cursus lijfloggen. ’t Kan een hulp zijn bij uw verdere exploraties in ’t efficiënt & doeltreffend tonen van wat uw lichaam zoal bezig houdt.

Uw lichaam draagt u dagelijks mee. Of ’t lichaam u. ’t Is maar net hoe elkeen dit beleeft. Feit is dat zonder ’t lichaam een mens nergens is, tenzij als kasplantje op de intensive care.
Uw lichaam is materiaal. Een onuitputtelijke bron van inspiratie. Elke dag voelt men wel iets. Vindt er wel een verandering plaats. Doet iets ‘au’, of gaat er een genotscheut doorheen.
Daar moet men van profiteren, zeg ik altijd maar. Als men niets heeft om over te schrijven, dan heeft men altijd nog ’t lijf dat ergens pijn doet, of zich onverwachts anders gedraagt dan dat men gewend is. Of men kan ’t hebben over ’t litteken op de linkerduim & hoe deze ontstaan is.
Ikzelf ben al 2 jaar bezig mijn lichaam te ontdekken & deze tocht met vondsten op schrift, oftewel op internet ter beschikking te stellen aan eenieder die hierin geïnteresseerd is, maar bemerk telkens weer dat ik nog lang niet op m’n lauweren hoef te gaan rusten. Tenslotte krijg je daar op den duur ook alleen maar aambeien van.
Zoals ik reeds zei: een onuitputtelijke bron van inspiratie.

Zaak is alleen dat deze zielen- & lichaamsroerselen op een boeiende manier naar voren worden gebracht.
Om hierbij een voorbeeld te geven:
Vannacht had ik hartkloppingen.
(ik ga niet uitleggen hoe dat komt, deze stof kan altijd nog later van pas komen in de cursus)
Laat ik ’t slechts bij die opmerking, dan heeft niemand er wat aan, behalve degene die een vertrouwensrelatie met mij heeft opgebouwd, zoals familie & vrienden.
Schrijf ik echter:
Vannacht ging m’n hart tekeer. Ik ga dood. Dit is weliswaar een onherroepelijk onderdeel van ’t verschijnsel dat wij als leven denken te kunnen betitelen, maar ik werd me er vannacht ernstig van bewust.
Bij laatste voorbeeld geef ik wat meer informatie, dramatiek, men is geneigd wat beter te luisteren & zodoende wellicht nieuwsgierig is naar wat aflevering 1 van de cursus lijfloggen zal brengen.

Dit was een teaser, die uitgezonden werd door Zijperspace; wordt vervolgd als 't aan ons ligt.

sport

‘Lees je nog?’ vroeg ik.
‘Ja,’ antwoordde Roald. ‘Ik kan vrij goedkoop via m’n werk boeken kopen. 40% Korting. Dan hoef ik slechts een weekje op m’n boeken te wachten. Soms bevallen ze niet & dan verkoop ik ze weer door.’
Ik was onmiddellijk jaloers. 40 % Korting! Omdat je toevallig bij een krant werkt. Maar aan de andere kant bedacht ik dat ’t me al veel moeite kostte om alle boeken gelezen te krijgen die ik had aangeschaft. Ik zou alleen maar meer boeken gaan kopen waar ik niet aan toe zou komen.
‘Ik heb bijvoorbeeld de boeken van de Russische Bibliotheek aangeschaft,’ ging Roald verder. ‘Anders is dat niet te betalen. Met die 40 % korting wordt ’t een beetje betaalbaar.’
‘& Als ’t niet bevalt, dan verkoop je ze weer?’
Niet dat ik ze zelf wilde overnemen. Ik was nieuwsgierig. Als ik iets heb gekocht, kan ik niet zomaar afscheid nemen. Alles blijft, vormt zich een verzameling uiteindelijk.
‘Ja, hier om de hoek zit een boekenantiquariaat. Op de Singel. Daar breng ik m’n boeken dan. Krijg ik meestal wel een redelijk bedrag voor. Ik lijd er niet zoveel verlies op omdat ik ze goedkoop heb aangeschaft. Maar laatst was ik die engelse winkel: American Discount. Die hadden boeken van David Hamilton in de aanbieding. Weet je wie David Hamilton is?’
Tuurlijk weet ik wie David Hamilton is. Foto’s van blote meisjes, of gedeeltelijk bloot. In zachte tonen, alsof de ochtendmist nog rond hun heen waart.
‘Hij was populair in de jaren 70 & 80,’ vulde Roald meteen aan, zonder op m’n reactie te wachten. ‘Van die soft-erotische foto’s.’
Ik knikte.
‘Ik kocht een boek van € 7,-. Daar ben ik mee naar die antiquariaat gegaan. Heb ’t laten zien. Ik zei: “Da’s van David Hamilton. In de jaren 70 & 80 was-ie heel erg populair.” Ze namen ’t boek over voor € 25,-.’
We lachen.
‘Dat doe je vaker?’ vroeg ik.
‘Niet zo heel vaak. Anders gaat ’t opvallen. ’t Wordt wel een sport om te kijken of ’t lukt. Maar ik ben de volgende dag wel meteen teruggegaan naar American Discount. Ze hadden nog meer boeken staan. ’t Standaardwerk van David Hamilton stond er ook. Ik dacht: daar moet ik niet meteen mee naar dezelfde winkel gaan. Om de hoek, hier verderop, ik kom daar ook wel vaker, is nog een andere antiquariaat. Ik vind de mensen daar minder leuk, dus daarom ga ik altijd 1st naar die op de Singel. Ik laat weer m’n boek zien, dat ditmaal € 10,- had gekost. Maar die man zegt dat-ie niet zoveel belangstelling heeft voor fotoboeken. Hooguit € 10,- had-ie voor m’n boek over. Ik zeg dus tegen hem: “Dit is David Hamilton. Hij was heel populair in de jaren 70 & 80. Maakte allemaal foto’s van ½-naakte meisjes.” Waarop die man naar z’n etalage loopt & een boek tevoorschijn haalt.’
‘Wil je trouwens wat te drinken?’ onderbreek ik hem. ‘Je drinkt waarschijnlijk nog steeds geen bier, iets fris?’
‘Is allemaal zoet, denk ik? Geef maar wat water.’
Ik schenk ‘m een glas water in. & Ga weer zitten.
‘Bij die antiquariaten gaat ’t vaak om een 1e druk,’ legt Roald uit. ‘Een 1e druk is vaak veel meer waard dan een latere. Zeker als ’t nog in perfecte staat is. Die man haalde uit z’n etalage een fotoboek van Hamilton tevoorschijn. Duidelijk gedrukt in de 70-er jaren. Zag er nog heel goed uit. Moest € 20,- kosten. Ik blader er een beetje in & zeg op een gegeven moment: “Weet je wat: ik laat mijn boek hier achter voor € 15,-. Dan leg ik daar nog € 5,- bij & neem dit boek mee.” Vond die man goed.’
Ik denk: wat moet je nou met een boek van David Hamilton? Ouderwetse kitscherige softporno voor oude mannetjes die hun gebitten met moeite in hun mond weten te houden.
Maar Roald gaat verder: ‘Ik loop dus naar m’n vaste antiquariaat op de Singel. Met dat boek uit de 70-er jaren. ’t Boek gaf een mooi overzicht van alles wat Hamilton tot op dat moment had gedaan. Ik laat ’t boek zien & zeg: “Je weet dat ik gister met een boek van David Hamilton ben langs geweest? Dit is er nog 1. Een 1e druk. Geeft een heel mooi overzicht van wat-ie tot op dat moment had gedaan.” Hij bladert een beetje in ’t boek & geeft me er uiteindelijk € 35,- voor.’
Ik lach.
‘Had ik toch € 20,- winst. Dan wordt ’t een beetje een sport. Kijken wat mensen voor iets over hebben. Je moet ze er ook in laten geloven.’

Maar ’t voelt alsof er rondjes gelopen worden in Zijperspace, eeuwige worden mensen in cirkeltjes om hun eigen as gedraaid.

onrecht

Ik weet niet waarom, maar men wil gewoon dat ’t lekt. De ontwerper heeft er lol in dat zijn product ’t aanrecht blank zet. De handtekening van degeen die 't apparaat verzonnen heeft wordt zodoende achtergelaten in spetters. De tafel komt onder de koffie- dan wel theevlekken te zitten. ’s Avonds laat overdenkt de man die verantwoordelijk is voor 't wanstaltig product zijn zonden & barst in lachen uit bij ’t idee hoe lastig hij ’t de mens gemaakt heeft die van zijn creaties afhankelijk zijn ('t zou natuurlijk heel goed kunnen dat we in dit geval spreken van een vrouw, maar dat zou de zinsconstructie onnodig ingewikkeld maken). Juist dat lekken van de tuit maakt ’t voor hem blijkbaar de moeite waard verder te gaan met ’t volgende modieus design, de ruwe schetsen liggen reeds klaar op de ontwerptafel, dat de mensheid weer hoofdbrekens, troep & bovenal vlekken moet bezorgen.

Hij moet zich voelen als God, die de wereld perfect had kunnen creëren, er een harmonieus geheel van had kunnen maken, alle dieren & planten in pais & vree, in zoverre ze niet afhankelijk waren van elkanders vlees & groen, maar God leek ’t nodig, in al z’n wijsheid had-ie dit besloten, een klein pesterijtje op te nemen in de weelde van dit dierenrijk: hij stopte grotere hersenen in de mens, & daarmee samengaand hoogmoed, sluwheid, liefde, ambitie, leedvermaak & jaloezie. Vergeef mij als ik uw karaktereigenschappen heb overgeslagen; ik ben behept met gemakzucht.

& Juist deze gemakzucht wordt zwaar tegengewerkt door mijn theepot. Of eigenlijk de waterkoker. Ik moet de pot hete water op zo’n manier draaien boven de wasbak, de theepot daarbij precies op de goede plek gereed staand hebbende, zodat al die overtollige druppels (want in zijn creativiteit beschouwde de vormgever van dit kleinood de druppels die er naast zouden vallen als overtollig, misschien wel ongeschikt om over te laten schenken & thee van te maken; ’t is moeilijk gissen welke motivaties, welke kronkels er in ’s mans brein rondspookten) vooral niet andere objecten uitgestald op ’t aanrecht lastig zullen vallen.

Waarbij ik maar bedoel te zeggen: ik ben best bereid die strijd tussen mezelf & de wereld, beter gezegd: de strijd tussen m’n gevoel & m’n verstand, of nog beter: de nimmer aflatende twijfels over mijn recht tot ’t hebben van een bestaan, met bijbehorend comfort & ’t altijd streven naar nog beter, waardoor er een destructief deel in een donker hoekje van mijn geest zegt dat ‘goed’ slechts kan bestaan bij de gratie van ’t tevens aanwezig zijn van ‘kwaad’; ik ben dus best bereid die strijd onvervaard aan te gaan, daarbij niets ontziend, mezelf incluis, of juist niet mijzelf, zo men wil, & mezelf er van te overtuigen dat ’t leven een verbeten gevecht is tussen mijn weten dat iets goed is & de twijfel dat niets is wat lijkt dat ’t is. Daar heb ik geen god voor nodig, laat staan een afgeleide daarvan. Vrijwilligerswerk. Liefdewerk oud papier.

Als ik m’n eten bereid, bijvoorbeeld een stoofpotje, waarbij taaie sukadelappen omgeprutteld moeten worden tot malse slierten die uiteindelijk hardnekkig tussen de spleten van je tanden blijven hangen, & ik bij ’t omscheppen van ’t goedje net even té onstuimig handel & er zodoende een spetter bruine jus op m’n fornuis terecht komt, dan zal ik daar de consequenties van moeten dragen. Wat betekent dat ik deze zogeheten viezigheid, tegelijk met de korrels rijst die overboord gingen bij ’t omscheppen van de nasi, zal moeten verwijderen zogauw er visite op komst is. Ik ben er geheel & al zelf verantwoordelijk voor: de Le Creuset-pannen zijn zodanig ontworpen dat ik de fabrikanten niets euvel kan duiden. Pannen dienen rond te zijn, een boven- & onderkant te hebben, waarbij er sprake is van een zekere begrenzing, een plek waarbij de bovenkant op een gegeven moment ophoudt & dit ’t risico met zich meebrengt dat iets onbedoeld de pan kan verlaten.
Dit als voorbeeld van een degelijk ontwerp, waarbij ondanks die luxe van degelijkheid toch iets verkeerd kan gaan. De consument zal in deze zorgvuldig moeten handelen.
Maar bij mijn waterkoker gaat ’t altijd mis. Er bestaat geen uitschenken zonder lekken.

Dit, zo luidt de conclusie, is abjecte, want opzettelijke, onrechtvaardigheid.

Wij keuren dit af in Zijperspace, laat dat duidelijk zijn.

denig-personeel

‘Zo, kom je in werkkledij?’ vroeg ik.
Hij keek me verbaasd aan. Hoe of ik dat wist, zo keek-ie.
‘Want dat bloesje draag je volgens mij ook altijd als ik schoenen kom kopen bij jou in de winkel,’ legde ik m’n opmerking uit.
Ik had ‘m vooral herkend omdat z’n vrouwelijke collega naast ‘m stond. Die werkt ook al jaren bij Carl Denig, had ik op dat moment gedacht; beiden werkten ze op de schoenenafdeling. Maar zij had na afloop van haar werkdag zichzelf de gelegenheid gegeven nog even iets anders aan te trekken.
Licht stotterend antwoordde hij: ‘Ja, we zijn net klaar met werk.’

Bij ’t glazen ophalen moest ik nog wat extra’s kwijt. Kon ’t niet gewoon laten bij een opmerking aan de bar; ze moesten doorhebben dat ik mijn vakantiespullen bij hun kocht.
‘Maar aan de andere kant,’ begon ik terwijl ik de lege glazen aannam vanuit de inmiddels groot gegroeide groep Carl-Denig-medewerkers, ‘als ik inkopen bij jullie doe, ben ik ook altijd in werkkledij. Altijd een t-shirt & een broek die ik op mijn werk ook draag. Zelfs m’n schoenen draag ik op m’n werk.’
Hij lachte. Hij begon zich op z’n gemak te voelen.
‘Dat wou ik nou net zeggen.’
Helaas was-ie niet zo bijdehand als ik. & Anders begon-ie te stotteren.

We hebben vaak een tekort aan pindabakjes. Ze zijn niet makkelijk mee te nemen. ’t Risico is te groot dat ze van de glazen af vallen als je ze daar bovenop stapelt. Dus stop ik ze in m’n broekzak. Niet meer dan 3 per ronde.
Carl-Denig-medewerkers houden van pinda’s. Of 't kan zijn dat ze op hun werk niks te eten krijgen. Een groot gedeelte van de weekendvoorraad pinda's ging op aan de groep.
‘Mag ik de lege pindabakjes ook, alsjeblieft?’ vroeg ik nadat ik alle lege glazen had mogen ontvangen.
5 Handen reikten naar de bakjes.
Een ijverig publiek, winkelpersoneel, moest ik toegeven. Heel gedienstig.
‘Nee, sorry,’ zei ik. ‘Ik kan er maar 3 per keer meenemen.’
Ik nam ze aan & stopte zoals gewoonlijk 2 in m’n rechter achterbroekzak, 1 aan de voorkant rechts. ’t Publiek keek mee.
‘Je hebt daar nog ruimte,’ zei 1 van de meisjes, wijzend naar m’n linkerbroekzak.
‘Nee, dat zou slecht zijn voor m’n nageslacht,’ zei ik.
Ik weet dat die opmerking ’t altijd goed doet. Gehinnik met handen voor de mond was ’t resultaat. Dat weet ik ook van tevoren.
’t Meisje bleef kijken alsof ze dat moest controleren.
‘Dan is ’t natuurlijk niet fatsoenlijk,’ zei ik, ‘om mijn opmerking ter plekke op waarheid te gaan checken. Dan hoor je heel braaf voor je uit te kijken. Die seksistische blikken van vrouwen ook altijd!’
Onmiddellijk keerde ze haar hoofd om. Gegeneerd. ’t Meisje van de schoenen deed ‘Pffffffffff’. Zoiets had ze vast nog nooit meegemaakt van een barman. De mannen in ’t gezelschap lachten luid.

Ik moest naar Carl Denig. Vragen of m’n schoenen nog te repareren waren. De jongen die lichtjes stotterde was bezig een klant nieuwe wandelschoenen aan te meten. Hij had weer dezelfde bloes aan.
‘Kan ik je helpen?’ vroeg-ie terwijl de klant een testrondje liep met de schoenen.
‘Kijk,' zei ik.
Ik liet de binnenkant van m’n rechterschoen zien.
‘Is dit nog te repareren?’
De voering bij de hiel hing er in flarden bij.
‘Draag je ze dagelijks?’
‘Ja. & Er komt ook veel bier op. Dat is volgens mij ook slecht.’
‘’t Is wel mogelijk, denk ik,' opperde hij mbt reparatie.
Hij legde uit wat voor mogelijkheden er waren. Kunststof of leer. Hoelang ’t nog zou meegaan. Ook gezien ’t feit dat er een barst aan de buitenkant van de schoen zat.
& Ik dacht ondertussen aan m’n opmerking. & Dat ze na mijn opmerking snel verdwenen waren. Eigenlijk was ik bang dat ik te ver was gegaan.
‘Dat zou betekenen,’ ging hij tijdens die gedachtengang verder, ‘dat als je beide schoenen zou laten doen, ’t op ong € 30,- zou komen.’
‘Oh, dat valt best mee.’
Ik lachte naar hem. Ik moest ’t toch ‘ns vragen, dacht ik onderwijl.
‘Jullie hebben je wel geamuseerd bij ons?’ vroeg ik plots.
‘Oh, ja, hoor.’
Alsof-ie me nu pas herkende. Een glimlach.
‘Was ’t een personeeels-uitje?’
‘Ja, 1 van onze collega’s zou naar Nieuw Zeeland vertrekken. Een afscheidsborrel. We hebben erg lekker gedronken.’
‘Jullie waren zo plotseling weg.’
Ik moest er toch een beetje op aansturen.
‘Ja, jullie zijn altijd zo vroeg dicht. We konden geen bier meer krijgen.’

De zorgen voeren weg uit Zijperspace.

lenin (dl 2)

Ik hoorde een stem die ik 3 weken niet gehoord had. 3½e Week, wist ik me te herinneren. 't Was me verteld hoe lang ze op vakantie zouden zijn. ’t Weerklonk vanaf de balkons boven me, de tuin in, m’n kamer door naar m’n oren. Een lach. Een hoge lach, die boven alles uit klonk.
Suze is er weer, dacht ik. & Nico zal er dan ook wel wezen. Maar zijn stem & zijn lach zijn minder aanwezig.
Ik keek stiekem door de gordijnen aan de voorkant naar de gereserveerde parkeerplek voor m’n huis. & Daar stond de blauwe auto weer. M’n oren horen goed.
Ik zou ze straks wel zien, dacht ik, als ik mijn sleutels aan Nienke zou geven. Want ik moest straks weg. Op jacht naar geld.

Een telefoontje met Sas.
‘Hé, Sas. Ben jij thuis? Of eigenlijk moet ik vragen: ben je vrij?’
‘Ja, ik ben thuis.’
‘Is ’t goed dat ik dan even langskom om m’n sleutels op te halen? Want m’n buurvrouw heeft een schilderij bij mij thuis geplaatst, die straks opgehaald moet worden. & Nou ga ik ze mijn sleutels geven, maar dan is ’t handig dat ik m’n reservesleutels weer heb. Dan kan ik m’n eigen huis weer in.’
‘Ja, is goed.’
‘Dan ben ik over ongeveer een kwartier bij je.’

Ik ging een krat Rochefort 10 uit de kelder halen. Schichtig daalde ik de trap af. Nog steeds niet over m’n paddenfobie heen. Maar ik zag niets dat op een dergelijk beest leek. Ik zag een blaadje, een dood herfstblaadje, vlak onder de trap. Niet om schrik van te hebben.
Op de harde ondergrond van de kelder aangekomen bleek ’t een uitgemergelde dode pad te zijn. Niets zo eng als de dood. Niets zo trots als de weerstand tegen de angst voor de dood.
Ik liep er omheen.
Bukte me. Pakte een krat van 3 jaar oud. Vet van ’t verleden plakte deze aan die er onder. Ik rukte. Keek nog een keer naar de datum dat-ie in de kelder was gekomen: 01-07-00. Houdbaarheidsdatum: 08-07-05. Rukte nog een keer. Ik schudde de stilstand door elkaar. Er zou een einde komen aan de lange rust. ’t Bier moest tot leven gewekt worden door ’t spoelen van kelen.

Ik reed m’n fiets naar buiten. ’t Kratje plaatste ik ernaast. Ik drukte op de bel van de bovenste verdieping.
De deur ging open.
Ik schreeuwde: ‘Hoi, Nienke! Ik kom de sleutels brengen!’
Ze kwamen naar beneden. Allemaal. Ik hoorde ’t aan ’t vele stommelen.
‘Suze is er ook,’ constateerde ik.
Ze dook ’t volgende moment om de hoek van ’t trappenhuis.
Ik excuseerde me: ‘Sorry, ik kan niet naar boven komen. Er staat hier een heel duur kratje bier.’
‘Alles goed?’ vroeg ik op 't moment dat ze beneden waren.
‘Ja, joh. Maar verschrikkelijk veel gedaan.’
‘Ze hebben vakantie nodig vanwege hun vakantie,’ zei Nienke. 'Een paar dagen rust.'
‘We hebben gezwommen, geklommen, gegeten, gedronken. Van alles.’
‘Ken je Cherokee? & Wookie?’ vroeg Nico.
‘Canadees bier?’
‘Ja, de 1 is een lager. De ander een ale. Die laatste was heerlijk.’
‘Nee, ik ken ze niet.’
‘Wat is dit?’ wees Suze. 'Ga je bier verkopen?’
‘Dit moet naar m’n werk. ’t Heeft 3 jaar in m’n kelder gestaan. De inhoud is meer dan € 100,- waard. Daarvan is de helft voor mij. Ik heb geld nodig.’
Een flesje werd tevoorschijn gehaald. Bestudeerd.
‘Maar hier heb je de sleutels,’ zei ik tegen Nienke.
& Tegen Suze: ‘Jij hebt ’t schilderij helemaal niet gezien. Ik zal nog even bijlichten.’
Ik liep weer naar binnen. Deed ’t ganglicht aan. We stonden met z’n 5-en voor ’t schilderij in bubbeltjesplastic.
‘Oh, prachtig, zeg,’ zei Suze tegen Nienke. ‘Waarvoor heb je Lenin geschilderd?’
‘Voor Klaas Bruinsma,’ lachte Nienke.
‘Klaas Bruinsma?’
‘Er wordt een film over hem gemaakt. Dit schilderij moest bij z’n secretaresse hangen of iets dergelijks.’
‘Zo, dus je hebt al contacten gemaakt in de filmwereld?’ vroeg ik.
‘Nee, contact met Klaas Bruinsma,’ lachte Nienke weer.
We liepen langzaam naar buiten. Ik legde bij ’t sluiten van de deur aan Nienke uit welke sleutel voor welk slot diende.
‘Ik moet even ’t kratje naar m’n werk brengen,’ zei ik. ‘Dan heb ik tenminste weer geld.’
Panos raapte ’t kratje op terwijl ik m’n fiets vasthield.
‘Ha, hulp bij ’t opladen van een kratje. Had ik net nodig.’
Ik stapte op de fiets. M’n 4 buren bleven voor de deur staan.
‘Doeg,’ zei ik.
‘Doeg,’ zeiden m’n buren.
Ze zwaaiden.
‘Heerlijk,’ zei ik, ‘uitgezwaaid worden door je buren.’

Alsof we voor lang op vakantie gingen naar Zijperspace.

lenin

’t Was Lenin! Levensgroot.
‘Wacht even,’ riep ik naar boven. ‘Ik trek even sokken aan.’
Ik liep meteen langs de comp om muziek aan te zetten. Dit moest onder begeleiding van muziek plaatsvinden. Niet te hard, want dan kon ik de aanwijzingen niet horen, maar zeker niet te zacht.
Met m’n sokken aan stapte ik in m’n schoenen. De veters kwamen achter me aan slingeren toen ik weer naar buiten ging. Ik stapte diep de tuin in zodat ik zonder m'n nek te forceren alles goed kon zien.
Panos had Lenin aan een waslijntje gebonden. Nienke stond op de 2e verdieping om Lenin door te manoeuvreren. Ik moest ‘m opvangen.

Nienke had gezegd dat ’t om een groot doek ging. Dat ze niet wist wanneer ’t opgehaald zou worden. Maar dat ’t niet via ’t trappenhuis zou gaan. Of ik ’t goed vond. Had ze een paar weken geleden gevraagd. Gister nog een telefoontje van boven naar beneden om ’t te bespreken. Met nog steeds geen zekerheid omtrent de tijd.

Nienke had Lenin te pakken. Ze duwde ‘m van zich af, zodat de waslijnen ontweken werden.
Waslijnen zijn een essentieel onderdeel van ’t hedendaags huishouden. Ik merkte ’t zomaar ‘ns niet middels de knijpers die geregeld in mijn tuin terecht komen.
Lenin vervolgde z’n weg naar beneden. Ik stapte weer wat dichterbij. Ik hoefde geen overzicht meer te hebben. Beter was ‘m op te vangen.
Ik plaatste Lenin op de grond. Hij zat achter bubbeltjesplastic.
Soms is ’t handig geen kind meer te zijn. Ik liet de bubbeltjes heel.
‘Zal ik de waslijn losmaken?’ riep ik naar Panos.
‘Is goed.’
Op ’t moment dat Lenin van z’n strop bevrijd was, die aan ’t frame bevestigd zat, kwam Nienke naast me staan.
‘We dachten dat we ‘m ’t beste bij ons in ’t trappenhuis konden plaatsen, als-ie past. Ze komen ‘m na 11-en halen, maar we weten niet wanneer.’
We kantelden. We draaiden. We bewogen ‘m onder de waslijn door.
Daarna had ik ‘m in m’n 1tje vast. Bij ’t frame. Ik droeg ‘m door de tuindeuren heen. Nienke haalde alle stoelen uit de weg. Deed de gangdeur open.
Panos kwam binnen. Deed de keukendeur open. & Pakte de andere kant vast. Klein stukje de keuken in. Terug de gang in. Nienke opende de deuren.
We gingen naar buiten. Lenin nam de volledige stoep in beslag.
‘& Toen kwam er plots een voetganger,’ grapte ik.
We zagen ‘m al door ’t doek heen lopen. Slapstick á la Laurel & Hardy.
Panos trok Lenin mee ’t trappenhuis in. Maar bleef steken. De breedte was te hoog.

‘Dan moet-ie maar bij mij in de gang.’
‘Maar je bent er niet de hele dag,’ zei Nienke ½-vragend.
‘Ja, & ’t nadeel is dat ik m’n reservesleutels heb uitgeleend. & Ik heb ook geen mobiel meer.’
‘Voor 11-en maakt ’t niet zoveel uit. Dan komen ze nog niet.’
‘Jij bent er wel de hele dag?’
‘Ja, ik zorg dat ik de hele dag thuis ben.’
‘Dan kan ik bijvoorbeeld m’n sleutels achterlaten bij jou als ik de deur uit ga. & Ik bel bij jou aan als ik weer terug ben.’
‘Ja, da’s wel een goed idee.’

Lenin ging weer naar binnen.
‘Hij moet tegen de rechterwand,’ zei ik, ‘da’s ’t veiligst. Maar is ’t dan handiger als we ‘m keren? Zodat de schildering tegen de muur aan leunt?’
‘Nee, hoor. Da’s niet nodig. ’t Is beter dat ’t frame tegen de muur aanleunt. Da’s steviger.’
Ik zette ‘m neer.
‘Als ik niet de deur uit ga, dan laat ik dus niks van me horen.’
‘Ja, is goed.’

Nu staat Lenin in mijn gang. Of eigenlijk ligt-ie op z’n zij.
Lenin is groter dan ik. Met de spanwijdte van m’n gestrekte armen haal ik net niet de breedte.
Ik heb al 2 keer ’t ganglicht aangedaan om door ’t plastic naar ‘m te kijken.

Hij kleurt goed in Zijperspace.

chantal

Ik keek op een gegeven moment over de schutting & ik zag mensen lopen. ’t Was toevallig, want ik had vanwege de grote hitte in m’n tuin al een tijdje m’n tuindeuren niet open gehad. 1 Van de weinige keren dat ’t weer uit te houden was. & Er geen regenbui voor de hitte in de plaats was gekomen.
‘Zo, zijn jullie de nieuwe buren?’ vroeg ik.
Ze keken op. De dochter meer dan de moeder. Geen interesse voor wat er in de woning ernaast leefde.
‘Ja,’ zei de dochter met een lach, ‘ik kom hier wonen. M’n moeder niet.’
Ze had steil haar. Een scheiding in ’t midden, waardoor er toch nog een beetje beweging in ‘t kapsel zat. Donkerblond, tot vlak boven haar kin. Ze rookte terwijl ze met me praatte. Haar moeder liep door naar binnen.
‘Dat werd tijd,’ zei ik. ‘’t Huis stond ondertussen al 8 maanden leeg, denk ik.’
‘Zo lang? Dat wist ik niet.’
‘Ik ben trouwens Ton.’
‘Hoi. & Ik ben Chantal.’
Toen heb ik ze met rust gelaten. Ze moesten vast nog veel doen. ’t Zou nog wel een maand duren voordat ze haar nieuwe huis kon betrekken, had ze ook nog gezegd. Er moest nog heel veel gebeuren.

Een doodgewoon meisje. Spijkerjasje zonder smaak. Sigaret constant in haar mond of tussen de vingers. Muziek luid knallend als ze binnen aan ’t werk waren. Radio van 538 of iets dergelijks. Een stem die zich niet van andere onderscheidde. Behalve dat ’t amsterdams klonk. Nog net amsterdams. ’t Dialect trekt langzaam weg uit Amsterdam.

De volgende dag was ze spullen uit de auto voor de deur aan ’t halen toen ik op m’n fiets richting werk vertrok. Ze herkende me al niet meer. Moeder keek me weer niet aan. Zij wilde dat iedereen in de stad anoniem door ’t leven ging.

De druif van de vorige buren hing op een gegeven moment slap over de schutting. ’t Leven was er uit gehaald.
De volgende dag kwam ik m’n bovenbuurvrouw Hanneke voor de deur tegen. Ze had net boodschappen gedaan. Druiven hingen in een doorzichtig plastic tasje aan haar fietsstuur.
‘Ja, je zal nu wel zelf druiven moeten kopen,’ zei tegen haar. ‘Want voorlopig kan je vanaf je balkon geen druiven meer plukken.’
‘Ja, ze hebben ‘m helemaal weggeknipt, hè?’ zei Hanneke.
‘Zonde, hè. Ik was net van plan om ‘m onder jouw balkon verder te laten groeien.’
‘Ja, ik had al enkele ranken bevestigd. ’t Stond zo mooi.’
‘De nieuwe buurvrouw houdt blijkbaar niet van druiven.’

Ik hoorde een jongensstem. Van over de schutting.
‘Jemig, waar zijn we aan begonnen.’
Hij zei ’t tegen een vriendje. Zelfde leeftijd kon ik nog net over de schutting zien. Ze stonden midden in de tuin.
Ik had net een boterham gesmeerd. Stond in gedachten naar m’n tuin te kijken. Wilgeroosje bloeide nog. Teunisbloem & kattenkruid ook. Een roos verderop. De gamander deed nog een laatste poging. De zonnehoed had de moed opgegeven.
Hij praatte luid. Zodat iedereen ’t zou horen. Ze vriendje volgde gedwee.
‘Wil je dat we alles wegknippen?’ riep broertje naar zus Chantal binnen.
Ik hoorde geen antwoord.
‘Daar zijn we nog wel een paar uurtjes mee zoet.’
Hij trok een peuk uit z’n mond & gooide die op de grond. Aan de beweging van z’n hoofd kon ik zien dat-ie ‘m uittrapte.
Een grijns verscheen op z’n gezicht. Hij zag dat ik ’t zag. De grijns verschoof naar de blik van z’n vriendje.
‘Hé, Chantal,’ riep-ie naar weer naar binnen, ‘je kan ook alles laten groeien. Dan wordt ’t een wilde stadstuin. Net als je buurman.’
Hij had nog wel een amsterdams accent.
Ik at m’n boterham op. Zonder me van m’n plaats te begeven. Ik zag dat de stokroos uitgebloeid was. Uit de woning naast me weerklonk Queen. Boven ’t gesprek van broertje & vriendje uit.
Ik stapte naar binnen & deed de tuindeuren dicht.

’t Ziet kaal in de naaste omgeving van Zijperspace.

stinken

‘Hoe is ’t met Tabe?’ vroeg ik aan Linda. ‘Ik hoor al een paar dagen niets van ‘m. 't Enige dat ik hoorde was dat z'n internetverbinding 't niet deed, of iets dergelijks.’
‘Oh, die ligt voor pampus. Internet doet 't gewoon, maar daar heeft-ie geen puf voor. Hij ligt een beetje weg te rotten op de bank. We zijn donderdagavond uit eten geweest & waarschijnlijk heeft-ie toen wat verkeerds gegeten. Hij ziet helemaal wit & grauw. Maar als je ’t aan hem vraagt, zal-ie dat wel weer ontkennen. Dan is er niks aan de hand. Hij wil dat soort dingen nooit toegeven. Maar ondertussen ligt-ie de hele tijd op de bank te stinken.’
‘Te stinken?’ vroeg ik.
Ik moest aan Jan denken die vanochtend rechtstreeks van een klus de winkel in kwam lopen. Je kon ruiken dat-ie hard gewerkt had. & De klant schoot me weer te binnen die bijna elke zaterdag aan ’t eind van de openingstijd komt. We knijpen dan achter z’n rug onze neuzen dicht & met de andere hand omhoog maken we een golfbeweging naar beneden alsof we kopje onder gaan. Thomas & ik lachen dan een beetje om elkaar. Maar ondertussen is de man z’n lichaamsgeur overweldigend. Je kan beter de ventilator uitzetten, want die zorgt er alleen maar voor dat de stank eerder je neus bereikt.
‘Ach, zo noem ik dat altijd,’ zei Linda. ‘Ik ben de volgende dag gewoon gaan werken, ook al had ik aardig wat gedronken.’
‘Ja, ik vind dat je met een kater altijd gewoon moet werken,’ zei ik. ‘’t Is tenslotte je eigen schuld. Ik heb me 1 keer in m’n leven vanwege ziek gemeld. Toen was ik 18. Later nooit meer.’
‘Vind ik ook. Ik heb nog geen enkele keer verzaakt vanwege drank. 1 Keer was ’t zo érg, dat m’n collega’s er wat van zeiden. “Linda!” zeiden ze. “Wat is er?” vroeg ik. “Wat heb jij gister gedaan?” “Kan je ’t zien dan?” “Nee,” zeiden ze, “maar er hangt een walm van alcohol om je heen.” Dat was ook zo. Ik had zo verschrikkelijk veel gedronken dat alle flessen wijn nog door m’n poriën naar buiten liep. Ik had me gedoucht, geurtje opgedaan, tanden gepoetst, maar ’t hielp niet. Gelukkig nemen ze bij mij op ’t kantoor geen blad voor de mond. Wil ik ook niet. Ik heb gewoon de ramen tegen elkaar open gezet & ben aan ’t werk gegaan. Er kwam wel wat minder uit m’n handen dan gewoon, maar dat mag ook wel een keertje.’
‘Wel goed dat je collega’s ’t tegen je zeggen.’
‘Ja, maar ik neem zelf ook geen blad voor de mond. Als iets mij dwars zit, dan is ’t er uit voordat ik ’t zelf door heb. We hebben bijvoorbeeld een tolk, die heb ik een keer apart genomen. Ik zeg tegen ‘m: “Zeg, ik geloof heus wel dat je knoflook lekker vindt, maar je moet wel zorgen dat de dag voordat je hier komt er even wat minder van eet.” Ik zei ’t wel toen er niemand anders bij was. Want anders voelt die man zich ook gigantisch voor aap staan. Ik zeg dus tegen ‘m: “Jij wilt toch ook niet dat iedereen ruikt dat je langs bent. We moeten ’t hele kantoor opengooien zogauw jij bent geweest. Dan kan je beter wat minder knoflook eten.” Vanaf die dag hebben we geen last meer ervan gehad. Goed toch?’
‘Ik wou dat ik ’t durfde,’ zei ik, & stelde mezelf de situatie met de stinkende man voor.
‘Nou, gelukkig kan ik vandaag wel drinken, dus ik neem lekker 4 bockbier voor mezelf mee,’ zei Linda terwijl ze haar tas vulde.

’t Is zaak dat we onszelf eens gaan verschonen, voordat we er weer op uit gaan in Zijperspace.

cash

Voor de mensen die zo aardig zijn geweest mijn weblog te bezoeken, zonder aanziens des persoons, & toch verwachten dat ene mooie plaatje van Johnny Cash aan te treffen. Om 't geheel wat meer aan te kleden kan men bovendien 'Then I see a Darkness' horen door slechts te klikken op deze illustratie.

Vlak voordat ik m'n huis verliet om naar m’n werk te gaan las ik ’t op nu.nl. De nieuwswebsite. Ik las ’t laatste nieuws. 't Nieuws bovenaan.
Ik pakte vervolgens al de cd’s die van Johnny Cash bezat, wisselde ze in voor degene die reeds in m'n rugzak zaten & nu ongeschikt waren geworden, waarna ik vertrok.

Fret & Nirvano waren net klaar met hun lunch. Ze waren de tafel aan ’t afruimen.
‘Hebben jullie ’t gehoord?’ vroeg ik met een sombere blik.
‘Wat?’
Vragende ogen.
‘Johnny Cash is dood.’
Ik liep naar 't hok achter de bar & zette de 1st cd aan: Murder.

Love stond aan toen ik open ging.
1 Van de klanten kwam op me af. Ik had 'm al een biertje getapt. Maar hij kwam terug.
‘Dat is Johnny, toch?’ zei hij. ‘Hij is dood, toch?’
‘Ja, erg, hè. Hij was net zo oud als m’n vader: 71 jaar.’
Toen de cd afgelopen was, heb ik ‘m uitgelaten. We geven geen geld uit aan Buma/Stemra. Gewoonlijk wordt er alleen op 1 januari bij ons muziek gedraaid.

’t Geroezemoes was luid. Alsof ’t volle maan is, suggereerde ik nog naar Von. Een enkele keer klonk een schreeuw van Joop boven alles uit. Hij had er zin in.
Fret kwam achter de bar. Hij had dienst vanaf 5 uur.
‘Zal ik Darkness even aanzetten?’ stelde ik voor.
‘Ja, doe maar.’
‘Zeg even dat de mensen stil moeten zijn.’
‘& Nou stil wezen,’ schreeuwde hij me achterna.
‘Nee, de andere kant op, Fret.’
We lachten.
Ik zette ’t nr aan. ’t Geluid ging op in ’t geroezemoes. Maar iedereen wist op een gegeven moment dat Johnny Cash dood was.
Om ’t kwartier zetten we een ander nr aan. Als de 1e tonen klonken, lieten we dat begeleiden met ‘Ssssssssssst’, waarvan we wisten dat ’t geen effect zou hebben. Maar we hadden lol.

‘Oh, zetten jullie zodirect Johnny Cash weer aan?’ vroeg Frank.
Op z’n Franks: zijig, je schouder zachtjes beetpakkend.
‘Tuurlijk,’ zei ik. ‘Want Johnny is vandaag doodgegaan. Dat moeten we hem memoreren. Maar dan moeten jullie wel allemaal de deur uit zijn.’
’t Was immers sluitingstijd. We deden al 10 minuten moeite de mensen de deur uit te krijgen.
‘Oh, dan ga ik hier voor op de stoep liggen.’
‘Ga jij maar lekker in de goot liggen.’
Fret zette een cd aan. Solitary man.

Ik ruimde ’t terras op. Gijs kwam even naast me staan. Een praatje. & Voor de 4e keer een prettig weekend. Klanten worden een beetje vergeetachtig bij ons.
‘Hé, dat is Johnny Cash.’
‘Ja, daar draaien we al de hele dag nrs van. Hij is dood.’
‘Dat kon ik niet horen, want ik zat de hele tijd buiten. Dan moet ik nog even naar binnen om wat tegen Mar te zeggen.’
‘Vooruit dan maar.’
Bij terugkomst zei ik ‘m: ‘’t Nr dat je net hoorde was wel origineel van Bonnie Prince Billy, hè.’
‘Ja, & hij zingt nog mee ook, op de achtergrond. Dus jij houdt ook van Johnny Cash?’
‘Ja, hij was net zo groot als Marvin Gay & the Beach Boys. & Dan was er nog iemand die ik altijd in dat rijtje zei, maar daar kan ik nu even niet opkomen.’
‘Ha, jij houdt tenminste van goede muziek.’

We zaten na. Aan de bar, met ieder bier voor onszelf. Er rammelde op een gegeven moment nog wel iemand aan de deur, maar we gebaarden dat we dicht waren.
‘Dat nr van U2 vond ik mooi,’ zei Von. ‘Ik kon bij ’t schoonmaken nog maar net m’n tranen inhouden.’
Ze keek naar Mar. Die was stil. Maar leek ’t juist daardoor te beamen.
‘Daarom kan ik niet altijd tegen die muziek van jou. Vooral nu niet.’
Vandaag begreep ik wat ze bedoelde. ’t Was uit.
‘Laat ‘m nog maar een keer horen,’ zei Fret.
Ik zette One nog een keer aan.
‘Maar daarna nog 1 keer Darkness,’ zei ik bij terugkomst uit ’t hok.
Mar & Von waren stil. Fret praatte tegen mij over waarom ’t wel zo mooi was. & Welk nr nog veel mooier. Daar waren we ’t met elkaar eens.
‘Maar nou moet je wel je mond houden,’ zei ik. ‘Want Johnny Cash is dood.’
Ik liep weer ‘t hok in. One was afgelopen. Er moest 1 nr overgeslagen worden. Daarna draaide Darkness.
Von bukte naar Mar. Ze fluisterden iets. Von had rode ogen. Terwijl ik bier voor Fret & mij pakte, sloeg Fret een arm om haar schouder.

The man in black speelt nog steeds in Zijperspace.

hypertheroied

Er ligt een bloedvlek in m’n bed. Ik heb er daarnet nog even naar gekeken. Wist me niet te herinneren waar ’t van gekomen kan zijn. Ik ben in bed gaan liggen. Was nog moe. Met een boek bij me. Om enkele blzs te lezen & dan nog wat te slapen. Onderweg met m’n hoofd naar de kussens kwam ik de bloedvlek tegen.
‘Eindelijk m’n bed opgemaakt,’ dacht ik, ‘& nou ligt er meteen al een bloedvlek.’
Niet een levensgrote. Een kleintje slechts. Maar wel met een veeg. Een veeg veroorzaakt door een lichaam dat zich draaide.
Ik legde m’n hoofd op de kussens. 2 Kussens, zodat ik makkelijker kon lezen. & Mat in gedachten waar mijn lichaam kwam. Waar lichaam & bloedvlek elkaar zouden raken.
Lichtelijk vertekend, realiseerde ik me, want met 1 kussen lig ik waarschijnlijk iets lager. Of juist hoger, daar kwam ik op dat moment niet uit. & Ik was te moe om ’t uit te proberen.
Maar m’n hand bewoog zich al over m’n rug. Op zoek naar een korstje. Of iets dat irriteerde.
‘Ik kan ook gedraaid hebben gelegen,’ bedacht ik, ‘op m’n zij, of over ‘t dikke kussen heen.’
Ik kon niks vinden. Ben gaan lezen. & In slaap gevallen. Ik droomde over glutenvrij bier.
‘Wereldschokkend,’ dacht ik toen ik wakker werd. ‘Er zijn niet veel mensen die op niets af dromen over glutenvrij bier.’
’t Was in ieder geval onrustig geweest. Net als afgelopen nacht. Ik kon niet zeggen dat ik na dit extra slaapje iets meer uitgerust was.

’t Lopende water op de wc verontrust me ook. Ik kan niet meer rustig zitten. ’t Blijft van boven naar beneden stromen. Ik ben beneden, dus bij mij komt ’t allemaal langs. Via de buizen.
Omdat ik niet weet of m’n bovenburen misschien een kraan open hebben laten staan, of gewoon ervan houden lang achter elkaar te douchen, veroorzaakt ’t dat onbehagen.
Terwijl ik op de pot zit, kan ik me niet concentreren op m’n boek door ’t stromende water. De stoelgang dient oorspronkelijk om mij onbekommerd verder te laten lezen. Dat is ’t hoofddoel. De rest komt toch vanzelf.
Laatst kwam ik er ook achter dat ’t mogelijk regen was dat wegstroomde. Na een zware bui begon ‘t. Door de buizen heen kon ik ’t vallen van de druppels horen. Dat veroorzaakte bij mij nog wel een kalmerend gevoel. Lekker in de tent op de hei. De regen die je in slaap sust.
’t Zijn de dingen die ik niet weet. Ze maken ’t me ongemakkelijk.

M’n broek is een bouwval. Ik moet regelmatig m’n moeder opzoeken om herstelwerkzaamheden te laten uitvoeren. Buiten ’t gaatje bij de knie (hoe vaak kruip ik nog op m’n knieën over de vloer om met m’n speelgoed te spelen?), valt nu zowat de gulp er uit. Met de gulp zelf is er niks aan de hand. Slechts met de stiksels die m’n gulp in toom moeten houden.
Ik heb er gister mee gewerkt. Misschien stond ik wel de gehele dag met open vizier te strijden. Alle mensen aan de bar hadden wellicht vrij zicht op m’n onderbroek.
Tuurlijk is daar niets bijzonders aan te zien. Een hele fatsoenlijke onderbroek. Toch schaamt een mens zich kapot als-ie er achter komt dat hij er zo bijgelopen heeft.
Hadden we daarom zo weinig fooi? Omdat ’t uitzicht voor de heren tegenviel? Op donderdag zitten er altijd te weinig vrouwen aan de bar. Dat had de dag nog ten goede kunnen keren.

Ik slik strumazol. Ik heb gister pas gelezen dat je daar moe van wordt. De schildklier wordt uitgeschakeld. Van hypertheroied wordt je hypotheroied. Heb ik inmiddels een beetje begrepen. De thyrax, die ik sinds eergisteren erbij moet slikken, zorgt ervoor dat ’t inactief stellen van de schildklier opgevangen wordt. Thyrax levert nu de noodzakelijke hormonen.
Maar pas sinds de thyrax voel ik me moe.
Ben ik moe van ’t op de hoogte zijn of moe omdat ’t begint te werken?

Liever zat ik nu in ’t tentje op de hei. De regen in een continue stroom. Met m’n eigen matras, weliswaar. M’n eigen dikke matras, uit de hoogslaper. Zonder bloedvlek. & 2 Kussens onder m’n hoofd. Dan kan ik lekker verder lezen.

& Keert de rust weder in Zijperspace.

wapperen

De avond ervoor hadden we ’t er nog over. Ellen moest laten prikken om oa ’t cholesterolgehalte te meten, ihkv haar suikerziekte. Mirjam kreeg een hogere dosis van haar medicijn ter voorkoming van epileptische aanvallen. & Ik vertelde dat ik weliswaar een medicijn kreeg, waarschijnlijk de volgende dag nog 1tje extra, maar dat ik niet wist of 't nou allemaal verschil zou uitmaken.
‘Ik heb een tijd lang gedacht dat ik een milde vorm van ADHD had,’ vertelde ik, ‘of iets wat er op lijkt. Maar als mij Ritolin voorgeschreven zou worden, had ik toentertijd besloten, dan zou ik ’t niet geslikt hebben. Ik was al jaren zo, ik was er tevreden mee, dus waarom zou ik me laten veranderen dmv een chemisch stofje.’
‘Da’s toch iets heel anders dan wat je nu hebt?’ vroeg iemand.
‘Nou ja, een heleboel van die hyperactiviteit kan verklaard worden door de overactieve schildklier. ’t Zou daardoor kunnen komen. & Nu slik ik wel die pillen. Maar da’s vooral omdat ik bijna geen last heb van de ziekte. Ik merk er hoegenaamd niks van. Ja, in ’t begin had ik last van m’n darmen. Dat was de reden waarom ze een bloedonderzoek lieten doen. Maar die darmen voel ik al een tijdje niet meer. Ik heb gewoon een ziekte waar ik niks aan heb. ’t Schijnt daar te zitten, maar ’t komt bij mij niet aan de oppervlakte, heb ik 't gevoel. ’t Heeft iets mysterieus, ik kan er geen grip op krijgen. Als ik nou wijd opengesperde ogen kreeg, dan kon je ’t ook nog zien, maar bij mij is er niks aan de hand, zo lijkt ‘t.’
‘Dan moet je ’t toch zo laten,’ zei Mirjam, ‘je kan zelf ’t heft in handen nemen & elk moment beslissen dat je stopt met een pillenkuur.’
‘Ja, maar ’t is wel zo dat m’n collega’s soms horendol worden als ik met ze achter de bar sta. Als ik alle klanten tegelijk help & ze ondersteboven loop in de haast om de klanten te bedienen.’
‘Hm, als dat alles is.’

Ik had dit keer van te voren een vraag bedacht die ik zou gaan stellen. Ik moest dat vooral doen, had de internist me gezegd bij de 1e ontmoeting. Maar elke keer wilde me niks te binnen schieten. Ik had ’t al van ’t internet gehaald, dacht ik. Of was de vraag op 'le moment suprême' alweer vergeten.
‘Doordat je overal tegelijk aandacht voor hebt, kan ’t zijn dat je een beetje vergeetachtig bent,’ zei de internist met een glimlach toen.
Vandaag dezelfde glimlach. Ik excuseerde me beschaamd. Ik had me niet bij de administratie aangemeld & was gewoon in de hal gaan zitten wachten. Pas toen een patiënt die veel later was gearriveerd eerder door haar werd opgeroepen, bedacht ik dat ik iets verkeerd had gedaan.
‘Ja, je moet je altijd 1st aanmelden,’ zei de vrouw achter de balie, toen ik verhaal kwam halen.
‘Maar hier staat dat je gewoon kunt gaan zitten,’ wees ik naar een mededeling die schuin boven haar hoofd hing.
‘Bovenaan de mededeling staat dat ’t voor diabetespatiënten geldt. Niet voor u, volgens mij. Maar 't komt nog wel in orde, hoor. Ik licht 'r wel even in.’
‘’t Komt door m’n verstrooidheid,’ excuseerde me ik een kwartiertje later tegenover de internist.
Ik kon nu alles daarop gooien. Dat was dan wel weer handig. Zij glimlachte evengoed wel.

Maar ik had een vraag. Ik had ‘m er goed ingestampt. Terwijl ze bezig was aantekeningen te maken nav ’t laatste bloedonderzoek, durfde ik ‘m te stellen. Hoewel ’t lastig was de schrijvende stilte te doorbreken.
‘De klachten die ik heb, of de verschijnselen eigenlijk, zou ik daar al niet jarenlang mee te maken hebben?’
‘Oh, dat kan heel goed,’ antwoordde ze.
‘Ik bedoel, bij ’t lezen over de verschijnselen kwam ik heel veel dingen tegen die ik volgens mij al vanaf m’n jeugd heb. Ik weet niet anders meer.’
‘Ja, wat dat betreft moeten we wel een beetje je botten in de gaten houden. Daarom moeten we maar een scan laten maken van je botten.’
‘Wat dan?’ vroeg ik verbaasd over deze maatregel.
Weer iets wat er met me gebeurde zonder dat ik er controle over had. Weer minder houvast. M’n lichaam een nog groter mysterie.
‘Want een overactieve schildklier kan ervoor zorgen dat in de loop van de jaren je botten een beetje broos worden. We moeten dat dus in ieder geval even controleren.’

‘Ja, & ik schijn een kans te hebben op broze botten,’ vertelde ik Rachel een uur later over de telefoon. ‘Of zoiets. Er moet een röntgenfoto gemaakt worden. Of een scan. Ik weet niet wat ’t verschil is.’
‘Dat soort dingen moet je vragen,’ zegt Rachel stellig.
‘Ja, dat wil ik ook wel. & Soms doe ik dat ook. Maar meestal schiet me zoiets niet te binnen als ik daar zit. Dan haal ik ’t maar van ’t internet, denk ik dan.’
‘Maar zo’n dokter dient ervoor dat je uitgelegd krijgt wat er met je lichaam aan de hand is. Je moet toch weten waarom je medicijnen slikt?’
‘Ja, dat is wel zo. Maar, ja. Maar, ja. Ik denk dat ik ’t dan ook de informatie zelf tevoorschijn kan halen.’
‘Maar op internet staan alleen maar specifieke gevallen. Of heel algemene. Niet jouw geval! Dus je moet ’t gewoon aan de specialist vragen.’
‘Ja. & Hoe is ’t nou met jou?’
‘Oh, je bent aan ’t wapperen?’
‘Wapperen?’
‘Je bent ’t onderwerp aan ’t wegwapperen.’
Met de hoorn van de telefoon nog aan m’n oor maakte ik met m’n vrije hand een wapperende beweging.

Alles fladderde gedwee weg richting duisternis van Zijperspace.

hoedje

Iemand had een hoedje op gezet. & Een ander had een toeter bij de hand. We zijn in polonaise achter de 2 aan gejakkerd. Onderweg struikelde er menigeen, want doordat we alle handelingen imiteerden van de man voorop, die met ’t hoedje, stonden we dan weer vol op de benen & gingen werden we even later gedwongen door de knieën te zakken. ’t Was me een jolige janboel. De dj kon ’t op een gegeven moment ook niet meer houden & is achteraan aangesloten. Dat had-ie niet moeten doen,want de pick-up werd onmiddellijk overgenomen door een onverlaat.
‘& We gaan nog een rondje,’ schreeuwde deze man.
‘Waarom zijn ’t toch altijd mannen die de draaitafel willen beheren?’ dacht ik voor een kort moment. Maar ik werd al snel afgeleid door een kettingbotsing van lichamen. Waarbij de meeste mensen over stoelen & tafels uitgleden, maar er 1tje over de bar viel, je begon je af te vragen hoe de mensen deze buitelingen konden maken, & de glazen aan gruzelementen gingen. Bij gebrek aan drinkgerei hebben we vanaf toen maar de mond aan de kraan gezet. Of de kraan aan de mond; dat onderscheid kon ik op dat moment niet meer maken.
’t Hoedje wisselde van eigenaar, waardoor we vervolgens met z’n allen in de vijver lagen. We gingen gewoon ’t hoofddeksel achterna. Jammer dat de toeter toen niet meer wilde toeteren, maar als men z’n buik ontluchtte door een ferme boer werd er evengoed net zo enthousiast op gereageerd. De geluiden die ons vanuit ’t toiletblok bereikten, boven de tonen van een hoempapa-band uit, droegen ook wel bij aan de algehele feestsfeer.
Er ging er 1 in de lamp hangen. Vlak onder de discobol. We schenen met meegebrachte zaklantaarns z’n kale kop glanzend wit. Een fraai gezicht toen hij een zwaai had gekregen & slingerende rondjes op topsnelheid beleefde. Helaas begaf ’t plafond ’t toen iemand aan z’n benen meegesleurd wilde worden.
We hebben de lichamen een ietwat aan de kant geschoven om ruimte te maken voor wat nieuw licht. Een openhaard in de open lucht leek ons wel gepast. De stoelen waren toch niet meer bruikbaar & aan ’t merendeel van de tafels ontbrak een poot.
Achteraf werd er beweerd dat ’t allemaal 3-potige tafels waren, maar die info bereikte ons te laat. ’t Gaf in ieder geval een prachtig vreugdevuur met flikkerende lichtjes & rondschietende spuitbussen. Die laatste hadden we geconfisqueerd van de dames. Die lagen toch inmiddels voor apengapen aan de rand van de dansvloer of wat er nog van over was. De dames hadden geen belang meer bij een beetje haarlak. Hopeloze gevallen van kapsels.
’t Begon wel een beetje te stinken doordat de vuurspuw-act van 1 van de meest dwaze gasten niet resulteerde in een prachtige steekvlam van hem af. Men kon eerder spreken van een implosie. Een gigantisch dol effect, maar hij moest wel afscheid nemen van al z’n lichaamshaar. Dat mocht de pret niet drukken. Wederom renden we achter de initiatiefnemer van deze stunt aan, hij had zo’n grappig zwart toupetje op z’n kop, die we per abuis voor ’t feesthoedje hielden, & sprongen gelijk met hem ’t water in.
Vervolgens volgde de oneindige stoelendans, waarvan de spelregels tegengesteld waren aan die van ’t originele spel. Je moet blijven lopen in een kringetje; degene die gaat zitten, of anderszins gebruik maakt van z’n zitvlak, is uitgeschakeld. Naarmate de groep deelnemers kleiner werd tijdens dit spel, werd ’t te lopen kringetje kleiner & sneller afgelegd. Aangezien we geen muziek hierbij nodig hadden was ’t een leuke oplossing voor ’t ontbreken van de dj & z’n geluidsinstallatie. Niemand wist waar die zo snel naar toe was gegaan.
De tapkraan stond inmiddels, onder de druk van ’t naar beneden gevallen plafond, te spuiten. We hielden onze monden in de straal, maar dat had soms tot resultaat dat wat losliggend puin in de mond terecht kwam. Dus hebben we de onbeschadigde flessen sterke drank maar aan de mond gezet. We waren inmiddels gewend ons zonder glazen van vocht te voorzien.
Uiteindelijk kreeg ik ’t hoedje te pakken, dus mocht ik zeggen wat er ging gebeuren. Ik ben hard naar huis gerend, niemand die me nog kon volgen. Daar heb ik me net als de rest neergelegd.

Er had genoeg 2-jarig feestgedruis plaats gevonden in Zijperspace.

waar ben je nu eigenlijk mee bezig?

Wat bedoel je? Vind je ’t niet nuttig? Had ik iets anders moeten doen met m’n vrije tijd? Tot volle tevredenheid van eenieder, daar ging ik in ieder geval vanuit, beantwoord ik je vragen, wijd daarbij ietwat uit zodat er enig structuur, enig verhaal in terug te vinden is, & jij begint je af te vragen waar ik mee bezig ben. Had ik korter van stof moeten zijn? Gerichter moeten antwoorden? Me meer moeten houden aan de strekking van de vraag? Had ik mezelf geen vrijheden mogen vergunnen?
Of doel je meer op de activiteiten van de afgelopen 2 jaar? Ik had volgens jou 2 jaar geleden op een eenzame kille avond (’t was dat jaar een vroege herfst, ’t donker viel net als vanavond reeds om ½ 9 in) niet de stoute schoenen mogen aantrekken om mezelf een weblog te creëren. Ik had me vervolgens moeten houden aan de conventie van kort geschreven stukjes, met minieme mededelingen over ’t welzijn van oa huis, tuin & keuken. Ik had m'n berichten moeten beperken tot m’n gang naar ’t postkantoor, m’n boodschappen op de markt, m’n belevenissen op ’t werk, geformuleerd in korte staccato zinnetjes, zonder franje, zonder opsmuk, doodordinair, doelgericht, 13 in een dozijn. Ik had moeten linken, verwijzen, citeren, refereren, vernoemen, beroepen op & me ondertussen moeten houden aan alle reeds bestaande stereotiepen.
Ik moet niet berichten over m’n vader, over wc-papier, over angstaanjagende insecten, vervelende klanten; ik moet mezelf niet weergeven als stoere alerte barman, onzekere blaaskaak, opgewonden & te eigenwijs bevonden verstokte vrijgezel, in ’t verleden teder liefhebbende nooit fouten makende vrijer; ik moet niet dromen & dit tegelijkertijd nuchter weergeven, ik moet met beide benen stevig verankerd staan op dit aardse, m’n werk doen, verder leven, sterven & zodoende tot niets teniet gaan. Een vleugje, een klein briesje voor een grasspriet, toevallig passerend tijdens een wandeling, dat is ’t belangrijkste wat ik zou bereiken in mijn leven, vergeleken bij wat de aarde is tov de rest van ’t oneindig universum, zo zou ik te boek moeten staan in de stroom van constante beweging & beroering op deze wereld. Mijn leven zou niet meer moeten zijn dan een moment dat ’t halmpje in de onmetelijke weide deining voelt door verplaatsing van lucht. Meer niet.
Geen grootsheid door achtergelaten geschriften.
Ik zou niet mogen berichten over ’t kleine, ’t pietluttige, ik zou niet mogen laten zien dat als je ’t abject pietepeuterige in woorden probeert te vangen dat dat iets wil zeggen over alles wat dat overstijgt? Dat klein groot weerspiegelt, dat zouden de mensen zelf wel kunnen ontdekken, dat zouden mensen kunnen lezen in intelligente verhandelingen, wetenschappelijk & theoretisch onderbouwd, gestaafd aan onderzoeken, ervaringsdeskundig bevestigd, & ik zou m’n mond moeten houden, omdat men nu 1maal niet geïnteresseerd is in ’t relaas over wc-papier dat door mij meegenomen werd naar ’t toiletblok van de camping, ik zou niet mogen verhalen hoe zuchtend mooi vrouwenbillen kunnen dansen, & zacht & teder planten tot bloem kunnen groeien, of hoe mijn vader traag terugkeert, ineen schrompelt, verdwijnt van deze aardbodem, & de zwervers die de straten af blijven schuimen op zoek naar vergetelheid in de vorm van een fles bier.
Ik zou de boel de boel moeten laten, m’n mond moeten houden & mezelf niet reeds op de kop af 2 jaar lang schrijver wanen?

Helaas, ik moet u berichten: er bestaat ook nog iets als eigengereidheid in Zijperspace.
(Deze serie wordt u gebracht dankzij 't initiatief '5 vragen, 5 antwoorden', zie toelichting, waarvoor men zich in Zijperspace zeer despotische vrijheden heeft toegeëigend)
(Mocht men na afloop van deze cyclus nog behoefte hebben tot 't verder stellen van vragen, liefst met een zelfde gehalte als degene die ik mijzelf heb gesteld, dan moet men zich vrij voelen deze in 't reactieding te plaatsen; ik zal m'n best doen deze verzoeken tot openheid in breedsprakige artikelen u te doen toekomen middels de bekende weg)

Extra zojuist binnengekomen mededeling: Speciaal voor dit 2-jarig bestaan heeft men de mogelijkheid de samengevoegde teksten over m’n vader via meel te bestellen, waarbij alle eigenwijsheden mbt spelling, in de vorm van ‘&’, ‘had-ie’, ‘1tje’ etc, etc, aangepast zijn naar de huidige maatstaven zoals vermeld staan in de dikke heer van Dale. Een 2e mogelijkheid hiertoe, zou men kunnen denken, ware ’t niet dat de vorige ter beschikking gestelde editie niet opgefleurd was met deze concessies richting leesbaarheid. Laat slechts uw i-meel-adres achter op mijn adres, of anders in ’t reactieding, & men zal ’t spoedig mogen bekomen.

welk toetje vind je 't lekkerst?

Ik hou niet van toetjes. Niet aan mij besteed. Ik eet ze in ieder geval niet. Omdat ik na de maaltijd niet meer kan. Dan zit ’t vol & past er niks meer bij. & Als er wel wat past dan voelt ’t niet lekker: zo’n opgeblazen gevoel waardoor ik urenlang geen pap meer kan zeggen.
Ik heb ze waarschijnlijk als klein kind wel gegeten na de maaltijd. Lang geleden, zodat ik ’t niet meer weet. Maar ik vond ’t lekkerder als tussendoortje. Vla & yoghurt stonden altijd in de koelkast. Ik herinner me dat ik vooral de vla vaak stiekem aan m’n mond zette. Koelkastdeur open, zachtjes, zodat ’t piepje van ‘t scharnier niet te horen was in de huiskamer, langzaam ’t pak tevoorschijn schuiven, & de tuut aan de mond.
‘Wat moet dat in de ijskast?’ hoorde je dan vanuit de kamer roepen.
Wij noemden de koelkast altijd ijskast. Is er niet meer uit te rammen.
‘Niets,’ riep ik dan, snel de slok vla achterover slaand.
Ze mochten vooral niet horen dat ik een volle mond had.
& Als m’n moeder me op heterdaad betrapte werd er gezegd dat ik ’t toch gewoon uit een bakje kon eten. ’t Was vies om zo uit ’t pak te lurken.
Ze had gelijk. Zeker in zo’n groot gezin. Bovendien ging de vla er sneller van schiften. Toen ik door had dat dat laatste een feit was, hield ik ’t pak op een grotere afstand van m’n mond. Vielen de klodders vla letterlijk m’n mond in. Vooral toen de 2-kleurenvla in ons gezin geïntroduceerd werd was dat een genot. Je zag groen & roze op je afstormen. Gretig streden de beide soorten vla om ‘t 1st de sprong richting ’t diepe gat van m’n keel te maken. & Begerig stak ik m’n tong naar ze uit.
‘Wie heeft ‘t pak 2-kleurenvla open gemaakt?’ was de vraag dan aan ’t einde van de maaltijd.
Er moesten nog 7 monden mee gevoed worden, maar slechts de helft van ’t pak was over.
‘Verdorie,’ zei m’n moeder, ‘ik heb vanochtend net dat nieuwe pak gekocht.’
Ik keek nonchalant schuldbewust voor me uit, tussen ’t gekibbel & geruzie over de resten vla door vroeg ik schijnheilig of ik misschien alvast tv mocht kijken omdat ik toch geen toetje wou & werd door dat ontwijkende gedrag aangewezen als dader.
‘Jij stond vanmiddag de hele tijd in de keuken,’ werd geargumenteerd.
‘Zo erg is ’t toch niet,’ bracht ik als verdediging, ‘want ik neem bij de maaltijd nooit een toetje. Nou heb ik mijn deel ‘ns een keertje overdag genomen, terwijl jullie dat extraatje elke dag krijgen.’
‘Maar dan legen we dat pak niet meteen voor de helft. Wij verdelen dat, zodat iedereen evenveel krijgt.’
Een heel belangrijke issue in onze familie. Iedereen moest altijd evenveel krijgen. Maar m’n vader de grootste gehaktbal.
‘Nu heb ik mijn deel voor de rest van de week gehad. & Een beetje extra vanwege de voorgaande keren dat ik moest wachten tot jullie eindelijk klaar waren met eten.’
De discussie had dan al weer te lang geduurd, naar de zin van m’n moeder.
‘Iedereen monden dicht,’ klonk ’t dan streng. ‘Dat gezanik de hele tijd.’
‘Maar hij ’ probeerde er nog iemand, maar de stem werd gesmoord door de strenge blik van m’n vader.

Voldaan werd er dan in Zijperspace gemijmerd over de grote gehaktbal die uit de jus was gevist voordat moeders keek.
(Deze serie wordt u gebracht dankzij 't initiatief '5 vragen, 5 antwoorden', zie toelichting, waarvoor men zich in Zijperspace zeer despotische vrijheden heeft toegeëigend)

hoe vaak moet je jezelf scheren?

Eigenlijk weet ik ’t niet. Ik beweerde vroeger dat ik ‘t 1 keer in de week deed. Tot ik er achter kwam dat ’t gebeuren elke keer op een andere dag viel. Verbaasd was ik. Dat m’n baardgroei toch iets sneller ging dan gedacht. Er zaten meer mannelijke hormonen in m’n lichaam dan ik vermoed had.
Maar goed, als ik tegenwoordig zeg dat ik me 1 keer in de 5 dagen scheer, dan staan mensen, vooral mannen natuurlijk, nog verbaasd. Blijken die zich bijna elke dag te moeten scheren.
Ik vind ’t een vervelende gebeurtenis, dus stel ik ’t uit. ’t Moet secuur, je mag je niet snijden, geen haartje mag overgeslagen, je moet een scheidslijn maken van waar je wel scheert & waar niet. Verder wordt je huid droog, gaat wat strakker staan, & ben je gedwongen aftershave of balsem te gebruiken.
M’n werkgever zei ‘ns dat dat niet nodig was. Ik droeg in die tijd een afschuwelijke aftershave. Ik was die mening zelf ook toegedaan. Hij vond dat ’t op ’t werk niet naar aftershave moest ruiken. We verkochten bier, dan moest ’t ook naar bier ruiken.
‘Maar ik heb ’t nodig,’ zei ik. ‘Ik heb een gevoelige huid.’
‘Dan gebruik je maar alcohol,’ was zijn reactie. ‘Ik heb hier nog wel een flesje staan.’
Niet aangenomen. Ik heb een ander balsem gekocht. Voor de gevoelige huid.
Die huid heb ik van m’n vader. Als hij zich had geschoren zagen z’n wangen er roodgloeiend uit. Deels door de couperose, deels door ’t hete water dat hij gebruikte, maar vooral door de dunne huid. Hij voelde warm aan als ik ‘m een kus gaf vlak voordat-ie naar z’n werk ging. Bij m’n moeder bleef-ie dan nog wat langer stilstaan. Hij aaide z’n wang over die van haar. Om te laten voelen dat de overbodige haren weg waren. Daarna een kus, & een zachte veeg over haar wang, om nog even te laten voelen dat de kus er zat. Hij plakte de herinnering vast.
M’n vader gebruikte een scheerapparaat. Ik mocht ‘m in die dagen lenen. Als ik ‘m maar wel weer schoon maakte. Dat werd vaak vergeten. Dan moest je bij hoog & bij laag blijven beweren dat jij ’t niet was geweest, dat je ’t apparaat altijd schoonmaakte, dat je ‘m de dag ervoor had gebruikt & dat je daarna uit ’t doucheraampje de haartjes had laten wegwaaien, & dat je toen ontdekt had dat Pa ’t zelf vergeten was.
Maar ’t was zijn scheerapparaat, verdedigde hij zich dan. Degene die ’t leende diende zorg te dragen dat zijn haren waren verwijderd.
Dan was ’t zeker 1 van de broers geweest, kwamen we tot de conclusie.
‘Maar als ’t zo door gaat,’ zei m’n vader, ‘dan moet iedereen maar een eigen scheerapparaat gaan kopen.’
Die waren duur. Zo duur, dat m’n vader hooguit 1 keer in de 4 jaar een nieuwe voor vaderdag kreeg. Dan mochten de jongens, wij broers dus, de oude gaan gebruiken. Daarvan was ’t motortje ondertussen langzaam gaan lopen, waardoor de haartjes er pijnlijk uitgetrokken werden. Extra aftershave was noodzakelijk. We roken in die tijd allemaal naar onze vader. Behalve m’n oudste broer. Die had bij z’n wasbak op zijn zolderkamer z’n eigen flesje staan. M’n broer rook modern. Hij kon makkelijk vrouwen krijgen, dachten wij.
Ik was denk ik 21 toen ik voor ‘t 1st kennis maakte met ’t natte scheren. Ik was op stap met Jos & Peter. We logeerden enkele dagen bij iemand in Nijmegen. Aan ’t eind van de logeerpartij moest toch maar ‘ns m’n baard er af. Of wat zich daarvoor probeerde uit te geven. Vlassige haartjes met gapende gaten waar ’t niet volledig dekte.
Jos moest ’t uitleggen. Hoe ik ’t scheerschuim moest aanbrengen, hoe ik ’t mesje moest houden, hoe vaak ik moest spoelen, & wat te doen als ik mezelf gesneden had. Want er kwam een flinke jaap in m’n wang te staan doordat ik de smaak te pakken kreeg & ietwat te gehaast een haal naar beneden maakte. Ik kreeg opeens de geur van m’n opa terug. Als deze zich speciaal voor onze visite opgeknapt had, maar er een wondje op z’n wang zat. De aluinsteen die ik van Jos kreeg aangereikt om ’t bloeden te stelpen rook naar m’n opa van toen.
Ik vind ’t zonde om me te scheren als ’t wat wilder begint te staan. ’t Moet altijd nog net een dag langer blijven. Tenzij ik een vrouw moet gaan zoenen die dag. Dan ben ik wel bereid. Maar ligt dat niet in ’t vooruitzicht dan laat ik ‘t. Staat me goed. De kale plekken zijn grotendeels verdwenen ondertussen. Ik ben stoer als ik mezelf in de spiegel zie. Ik ben een man.
Maar wat zou ’t prettig zijn als die stomme haartjes bij een bepaalde lengte ‘ns wat minder jeukten.

Anders waren kinnen vast veel langer geweest in Zijperspace.
(Deze serie wordt u gebracht dankzij 't initiatief '5 vragen, 5 antwoorden', zie toelichting, waarvoor men zich in Zijperspace zeer despotische vrijheden heeft toegeëigend)

waarom maak je je bed niet op?

Hé, zachtjes. Niet iedereen hoeft te weten dat ’t er al 2 weken onopgemaakt bij ligt.
Maar ik slaap er goed in. ’t Dekbed ligt over me heen, met tussen ons in ’t dekbedovertrek. Ik neem niet de moeite de 1 over de ander te trekken. Dat is waar ’t eigenlijk voor dient; ’t heeft niet voor niets een naam die de lading dekt.
& Ach ja, de sloop. De sloop naast de kussensloop. Die hoort over ’t matras gespannen te worden. Ik hoor niet op ’t molton te liggen. ’t Voelt lekker zacht aan, die stof. Ik heb daardoor geen last van 't ontbreken van de sloop, houd ik mezelf voor. Hoewel ik weet dat ’t niet hoort.
’t Zal wel iets vrijgezellerigs zijn. De luiheid. De nonchalance wat betreft de plek der dingen. Zoals de afwas die blijft staan. ’t Me niet kunnen bewegen tot ’t zuigen van 't stof in de gang & de hal. Hoewel de motivatie groot is, vind ik zelf. Of ’t laten hangen van de was. Altijd net even een dag te lang.
Ze hebben wel ‘ns gezegd dat ik een lijst moet opstellen van alle activiteiten die in huis moeten gebeuren. Die geregeld in huis moeten gebeuren. & Nav die lijst zou ik dan elke dag 1 van die taken moeten volbrengen. Dan blijft ’t huis vanzelf schoon & onderhouden.
Ik kan me er echter niet toe zetten zo’n lijst te maken. Luiheid misschien, wederom. Misschien te weinig tijd. Er zijn te veel andere, veel belangrijkere zaken, die me elke dag bezig houden.

M’n moeder zei ’t vroeger al: ‘Waarom kan je nou niet even je bed strak trekken?’
Met de ouderwetse dekens kostte ’t toentertijd nog veel meer moeite. Laag over laag moest weer geordend worden, als laatste ’t laken om niet de kriebel van de dekens op je huid te krijgen. ’t Moest netjes, anders sliep ik niet van de kreukels boven me, waardoor enige aandacht & moeite noodzakelijk was. Maar met ’t moderne dekbed, waar ook de Fam Zijp op een gegeven moment toe overging, moest ’t geen moeite zijn alles weer te kuisen.
‘Je stapt uit bed,’ zei m’n moeder, ‘je kijkt even om, pakt een punt met de ene hand, met de andere hand de punt ertegenover, je wappert alles omhoog, & legt ’t vervolgens neer; stukje schuiven & alles ziet er als nieuw uit.’
‘Ja, Moe,’ zei ik dan.
‘Ja-moe zeggen & nee-moe doen, zeker,’ zei m’n moeder.
Moeders hebben er verstand van. Ze hebben in ieder geval verstand van hun kinderen.

Ik stap ’s avonds m’n hoogslaper in, om te bemerken dat ik ’t weer een dag heb uitgesteld.
Niet nu, denk ik dan. Niet nu, want ik ben te moe om nog iets te doen.
Misschien ligt ’t er wel aan dat ik pas naar bed ga als ik écht moe ben. Als ik als een blok in slaap zal vallen.
Ik leg alles over me heen. De 2 kussens stapel ik, zodat ik met die in m’n nek nog een blz uit m’n boek kan lezen. & Na die blz val ik in slaap. ’t Lukt me nog net ’t onderste kussen weg te trekken & ’t licht uit te doen.
’t Zou toch zonde zijn als ik die laatste energie zou besteden aan ’t opmaken van ’t bed.

Ik hoor m’n moeder zuchten: ‘Je wilt toch dat je huis er mooi uit ziet. Je wilt toch dat visite zich op z’n gemak voelt & zich niet stoort aan allerlei rommel.’
Daarom ga ik als een gek tekeer zogauw die er aan dreigt te komen, de visite. ’t Huis gaat ondersteboven. Plots vormen zich stapels van opgeruimde boel, plots gaat alles aan de kant, kan men zich normaal voortbewegen, is er ruimte te over in de keuken. & Is deze laatste bovendien blinkend schoon.
Maar de slaapkamer verstop ik achter de gordijnen. Bang dat ’t een muffe slaapgeur zal verspreiden. Of dat ’t onopgemaakte bed zal worden gesignaleerd. Ook bang dat men de stapels t-shirts aan al treffen. Wat echter een inferieur probleem is. Iedereen weet dat ik te veel t-shirts heb om even in een middag op te vouwen.

Waarom ik ’t niet doe? Ik weet ’t eigenlijk niet. Ik kom niet verder dan dat ik weet dat ik lui ben. Lui in dit ene specifieke geval. ’t Staat me tegen. ’t Komt niet uit. ’t Doet zich steeds op ’t verkeerde moment voor.
Ik ben de enige die er last van heeft, zou ik kunnen zeggen, maar ik heb er geen last van. Maar daar wil ik ’t niet mee afdoen. Er is iets vreemds met me aan de hand. Ik maak m’n bed niet op. Dat verschijnsel is chronisch. Elke avond, bij ’t aanschouwen van wat los overhoop liggende stukken stof, bedenk ik me dat weer.

Maar ’t verstoort gelukkig niet de nachtrust in Zijperspace.
(Deze serie wordt u gebracht dankzij 't initiatief '5 vragen, 5 antwoorden', zie toelichting, waarvoor men zich in Zijperspace zeer despotische vrijheden heeft toegeëigend)

intermezzo

Snel. Bier. Gek. Boeken. Zweet. Tuin. Impulsief. Stem. Vrijgezel. Broers. Vrouwenman. Hyper. Vrolijk. Vriendinnen. Schrijver.

Waar bovenstaande op slaat, dat vertel ik later wel. 1st Schakelen we terug naar de dag van gister. De meeting.

‘Hoi, Mark,’ groette ik.
Hij keek me aan. Lichtelijk afgeleid in zijn tocht naar waar ’t feestelijk samenzijn moest gaan plaatsvinden. Vlak naast de meeting waar ik deel van uitmaakte.
Hij zei me gedag.
‘Ken jij hem?’ vroeg ik aan Ellen. ‘Ook ooit Theaterwetenschap.’
‘Nee.’
‘Heb jij Theaterwetenschap gedaan?’ vroeg iemand van ’t gezelschap.
’t Kan Arnoud, Bart, andere Bart, of Hugo zijn geweest. We zaten een beetje afgezonderd van de grote groep webloggers. Wij behandelden de wereld & bijkomende problemen. Terwijl de rest ’t over weblogtools had. Daar hadden wij geen tijd voor.
‘Ja, maar slechts heel kort,’ antwoordde Ellen.
‘Maar Merel kende je er wel door,’ zei ik.
‘Jullie hebben samen gestudeerd?’ vroeg Arnoud.
‘Ja, ik deed Film & Tv-wetenschap,’ zei ik. ‘Dat was in ‘tzelfde gebouw.’
‘Maar ik heb ’t slechts als opstapje gedaan,’ zei Ellen. ‘Na ‘t 1e jaar ben ik al snel wat anders gaan doen.’
‘Nou, ja,’ zei ik verwonderd. ‘Nog een theaterwetenschapper.’
Ik stond op & riep Aude, die net ons tafeltje gepasseerd was.
Ze keerde zich om. Een kind hing om haar middel.
‘Hé, Ton.’
Ik liep op haar toe.
‘Je hebt een kind?’
‘Ja, nog niet zo lang, hoor. Sinds 2 weken.’
Ik boog ietwat voorover. Stak m’n vinger uit. Maar ’t groepje vingers dat me in een slaapstuiptrekking tegemoet kwam was dermate klein kwetsbaar, dat ik m’n vinger terugtrok. Stel je voor dat ik er 1tje brak.
‘Maar je was toch nog niet zwanger toen we dat afscheidsfeestje van Stella hadden?’
‘Nee, dat zou best kunnen. Ik denk dat dat een paar weken later was.’
‘Dan is dat alweer bijna een jaar geleden,’ verzuchtte ik.
‘Zijperspace,’ las Aude voor van m’n borst.
Ik had daar een sticker geplakt. Zodat mensen wisten wie ik was.
‘Ja, we hebben hier een weblogmeeting. Bijna iedereen die je hier ziet is logger.’
‘Oh, dan hoor ik er ook bij. Ik heet Logger van m’n achternaam.’
‘Haha, ja, dan mag je blijven.’
We praatten nog even door. Ik wees Merel aan, die ook Theaterwetenschap had gedaan. Die kende Aude niet. Ellen evenmin.
‘Merel is beroemd,’ zei ik.
‘Waar moet ik haar dan van kennen?’
‘Van haar weblog. & Ze heeft een keer op de voorpagina van een krant gestaan.’
‘Oh, dat gaat blijkbaar geheel aan mij voorbij. Ik was jouw naam trouwens ook vergeten. Dus ik moet Zijperspace.nl intypen of zo?’
‘Ja, maar ik zou dan 1st de computer aanzetten.’
We zeiden elkaar gedag. Ze ging ergens anders zitten. Waar ’t rustig was voor haar zoontje.
Ik liep terug naar de mensen aan tafel. Maakte een praatje met Bart. Dronk ’t bier dat zojuist gehaald was. & Nog vele consumpties later legde ik voor de 4e maal uit, in lange bewoordingen, zoals men van mij gewend was, dat er weliswaar niet zo verschrikkelijk veel gebeurd was in m'n leven, maar dat ik er nou 1maal lang over deed dat beetje te vertellen.

De volgende ochtend werd ik wakker doordat ’t geluid weerklonk van een meeltje dat in m’n comp was terecht gekomen. Met een stalen kop bekeek ik wat er gemeld werd. Steunend op de stoel. Ik ging niet zitten, bang als ik was dat ik dan niet meer op zou kunnen staan.
Een stokje werd mij toegeworpen. Door Cranium (die ik de dag ervoor node had gemist, vooral ook vanwege 't feit dat ik had gehoopt dat ze van mij boeken zou komen lenen als ze in Amsterdam was). Of ik zo vriendelijk wilde zijn in 15 woorden mijn persoon te omschrijven. & ’t Dan door te geven aan een volgende vrijwilliger.

Hij zoeft bij deze van Zijperspace naar Bart, die andere, of die ene, dat weten we eigenlijk niet.

hoe gaat 't?

De meest gestelde vraag. De vraag zonder inhoud. Vaak slechts een omhulsel. Bestaat bij de gratie van ’t omhulsel. De aankleding. De intonatie. ’t Moment.

Toen ik oud genoeg was, de problemen groeiden mij boven ’t hoofd, stelden m’n tantes die vraag geregeld. Om hun zorg te uiten. Ik diende steeds weer ‘tzelfde antwoord te geven.
‘Goed.’
Een ander antwoord bestaat niet. ’t Zou slecht zijn, onnadenkend als men van ’t voorgeschreven antwoord afwijkt.

Mijn moeder deed waarschijnlijk geregeld verslag van mijn toestand. Hoe ik niet kon ademhalen, ’t benauwd had, hoe eng de straat voor mij was, hoe bang ik was voor alles dat zich buiten ’t huis bevond. Of hoe ik haar opzocht, midden in de nacht, bij haar bed, hoe ik vertelde over m’n boze dromen, m’n angst te sterven, m’n ziektes die ik mogelijk onder de leden had. Of hoe ze uren achter elkaar de stramme spieren glad streek. & Over m’n tranen, m’n tranen tenslotte, dat ’t afschuwelijk moet zijn je eigen kind te zien huilen op ’t moment dat deze die fase allang achter de rug moet hebben. Op ’t moment dat-ie stoer & onbekommerd over straat moet lopen, vrienden moet hebben bij de vleet, studeren, leren, werken, zuipen, groter worden. Ik bleef een dunne jongeman, fragiel van binnen & buiten. Een breekbaar dun takje, door elkaar gemangeld door de eigen vroegtijdige herfststormen.

‘Hoi, Ton. Hoe gaat ’t met je?’
Ik kon ’t m’n tantes niet kwalijk nemen. Ik wist alleen niet wat te antwoorden. Was de vraag net zo leeg als ’t antwoord dat verwacht werd?
& Omdat alles beredeneerd moest worden, zodat ik m’n eigen overzichtelijkheid kon creëren, waardoor ik wist waar ’t begin was & waar ’t eind, ik daar niet tussendoor hoefde te waggelen als een zeeziek scheepsmaatje op z’n 1e reis, omdat ik de zekerheid wilde hebben over dan maar een heel klein wereldje, een wereldje vergelijkbaar met de jongen z’n kajuit, besloot ik de waarheid te vertellen.
‘Slecht.’
Ik zag de belangstellende gezichten van m’n tantes veranderen in bezorgd. & Even snel herstelden ze zich van bezorgd tot een blik van ‘kop op, niet bij de pakken neer zitten, vooral niet toegeven aan je eigen sores’.
Mijn tantes waren dochters van m’n Oma.

Ik verschool me boven als er weer visite was. Liet even kort m’n gezicht zien, ’t zou niet beleefd zijn visite zogenaamd ongemerkt te laten voorbijgaan, maar dook dan onder op mijn slaapkamer. De groet, ’t handen schudden, de kussen; ze mochten niet te lang duren. Dat zou gelegenheid schapen tot ’t stellen van de vraag. & Een onvermijdelijk duidelijk antwoord.

Geleidelijk aan ging ’t antwoord over in ‘’t Gaat wel’. Of ‘mwaah’. Met een enkele terugval. Ik moest echter nog steeds er over nadenken. In een fractie van een seconde moest ik m’n toestand overzien, op waarde schatten, proberen te duiden. Alsof ik er over moest jureren & een oplopende schaal van waardering over mijn gesteldheid kon uitspreken in een schaal van 1 tot 5.
Ik scoorde langzaamaan hoger. Veel te langzaam, maar ik kreeg geduld.

Tegenwoordig bestaat slechts ‘goed’ in Zijperspace, waarna ’t gesprek de inhoud van dit zogenaamde oordeel bepaalt.
(Zo dadelijk zal dit ook meermaals plaats gaan vinden op de weblogmeeting in ’t Vondelpark)
(Deze serie wordt u gebracht dankzij 't initiatief '5 vragen, 5 antwoorden' (zie toelichting, waarvoor men zich in Zijperspace zeer despotische vrijheden heeft toegeëigend)

introductie

Aangezien ik ’t risico niet aandurf verschrikkelijke vragen gesteld te krijgen (iets wat ik meermaals voorbij heb zien gaan de afgelopen tijd in Weblogland), aangezien ik vrees geen antwoord te weten op onnozele onschuldige onbekommerde of juist onbedoeld overdonderende vraagstukken mij voorgelegd door iemand mij merendeels onbekend, alsook gezien ’t feit dat ik zoiets gewoon niet uit handen durf te geven, mede gezien de overweging dat ik slechts een enkele keer elders een poging heb kunnen waarnemen (zeker deels dank zij de vragensteller) waar ’t genre van ‘t antwoorden boven zichzelf uitsteeg; dit alles beschouwend, zie ik mij gedwongen ’t heft in eigen handen te nemen.
’t Risico is te groot.
Ik wil ’t m’n moeder niet aandoen.
Ik weet niet te kiezen.
Ik heb geen vertrouwen.
’t Is zo leuk om ’t zelf te doen.
Ik heb ’t gevoel anders gemeten te worden in een keurslijf.
Daar wil ik aan ontsnappen.
Dat pas ik niet.
Denk ik van mezelf.
Ik wil slechts verantwoording tegenover mijzelf af leggen.
& Tegenover de lezer die daarop reageert.
Maar dat kan ik wel aan.
Want reageren doen ze toch slechts zelden bij mij.
& Slechts een enkeling die mij leest.
Dat idee is er niet uit te rammen.
Maar dít geeft mij plezier.
Hoewel een veel groter risico.
Ik wil wel een keertje op dat smalle randje langs de afgrond te balanceren.
Mijn geluk beproeven.
Van mezelf kond doen.
Zoals nimmer eerder.

Vandaar: de komende dagen, heden ten dage inbegrepen, alsook de dag van ‘t 2-jarig bestaan, vragen die mij vaak worden gesteld, vragen die mij nooit worden gesteld, vragen die mij gesteld hadden moeten worden, & vragen waar ik gewoonlijk, maar soms ook niet, een adequaat afdoend antwoord op kan geven, maar welk feit in dit kader absoluut niet ter zake doet, aangezien ik er toch mee ga doen wat ik er mee wil doen: er een eigen interpretatie aan geven, de vraag een eigen leven laten leiden, ’t antwoord ergens tussen leven, onzin & alledag laten zweven, ’t niets verklaard laten worden; ’t niets op de smalle cm², de smalheid die zich slechts in Zijperspace doet gelden, dit uitvergroten tot ongekende proporties, benauwend, beklemmend, prangend, edoch niet verstikkend, eerder bevrijdend; om kort te gaan: u zult ’t wel merken.

Samenvattend: 5 vragen, 5 antwoorden. Niemand die er ook maar iets aan kan doen om dat tegen te houden.

Er heerst een bevrijdende alleenheerschappij in Zijperspace.

weerweerzien

‘Weet je wel hoe ’t met Stella gaat?’ vroeg Esther.
‘Nee, ik heb niets meer van haar gehoord. Misschien is ze wel zwanger van een 4e kind.’
‘Nee, joh. Als je in iets meer dan een jaar 3 kinderen krijgt, dan ga je niet meer aan een 4e beginnen.’
‘Ja, dat zal dan wel.’

Esther kwam 5 minuten daarvoor de winkel binnen.
‘Ik was al eerder voorbij gelopen. Ik had je achterin de winkel zien staan. Maar ik moest 1st nog een paar boodschappen doen. Didgeridoo kopen.’
‘Tuurlijk. Zonder dat is ’t geen leven in A’dam-West.’
Samengeknepen ogen. Met glinstering diep van binnen. Je moet goed kijken om die twinkeling te zien. Die gulle, maar soms ook geniepige lach om haar mond, daar waar we allebei de meeste lol om hebben, leidt wel ‘ns af. Gelukkig weet ik dat ’t er is, als ze lacht.
‘Je ziet er goed uit.’
‘Ja, jij ziet er ook goed uit.’

Ik zie de mensen te weinig. Verlies ze uit ’t oog. Zijn ze vertrokken naar een ander onderkomen. Juist op ’t moment dat communicatie moeilijk gaat. Verloren telefoon. Nieuwe behuizing. Andere agenda. Zwangerschap. Of gewoon moeilijkheden.

Stella was naar ’t buitenland. & Ik leefde ondertussen weer in Den Helder. Dan ontmoet je elkaar niet.
Ik moest aan de tramchauffeur vragen of ik uit mocht stappen. Ook al waren we de tramhalte reeds gepasseerd. Maar we stonden stil.
‘Er rijdt daar een vriendin die ik jaren niet heb gezien,’ probeerde ik nogmaals.
Toen liet-ie me gaan. Met tegenzin.
‘’t Is op je eigen verantwoordelijkheid.’
Dat hoorde ik nog net. Riep ondertussen al keihard: ‘Stella!’
& Nogmaals: ‘Stella!’
Ze reed op een opoefiets. Of stond eigenlijk vooral stil. Om dezelfde reden als de tram. Opengebroken weg. Mondjesmaat werd verkeer doorgelaten.
Ik rende op haar af. We hadden elkaar 2 jaar niet gezien. Vervolgens zagen we elkaar 6 jaar lang wekelijks, zoniet dagelijks. Toen ik haar daarna weer uit ’t oog verloor, zag we elkaar meer dan een jaar niet. Ze kwam vervolgens voorbij rijden met een kind voor de borst. Weer gillen over straat. Nu niet te hard, want anders stoorde ik de rust van de pasgeboren baby.

Joe kwam binnen. Die kwam voor z’n flesje bier. Hij wist de weg naar de koelkast. Ik zag ‘m de deur openen toen ik uit de kelder tevoorschijn kwam. M’n armen beladen met voorraad.
‘Hai, Joe’ zei ik op z’n engels.
‘Hai, Ton,’ zei Joe.
Dat hoorde ik al niet meer, want achter hem stond Esther.
Die samengeknepen ogen. De sproeten. Een glunderen van ‘hier ben ik weer’. Schielijk om de hoek van uitgestalde waren.

2 Jaar eerder had ik haar terug geroepen. Ik had haar door ’t raam van de etalage voorbij zien gaan. Ik excuseerde me naar de klant die voor me stond. & Met weergaloos enthousiasme, ik wist dat ’t zo over zou komen, riep ik Esther na.
‘Ik ben hier met een vriend,’ legde ze snel de situatie uit. ‘We zijn even een paar deuren verder. Vind je ’t erg als ik straks nog even langs kom?’
‘Nee, nee. Ik moet toch 1st deze klanten helpen.’
Ze bleef een uur. We praatten een uur. We wisselden telefoonnrs uit. & Wetenswaardigheden. Over mensen die we kenden. Uit ’t oog verloren hadden. Stella hoorde daar ook bij.
‘Stella heeft een kind,’ zei ik. ‘& Is nu zwanger van een tweeling.’
We zijn daarna naar de bios geweest. ‘La stanza del figlio’. We hebben gedronken. Zoals we gewend waren te doen. Veel te vroeg beginnen & veel te laat eindigen. Ze kwam langs op m’n verjaardag. Waar Stella ook was.
& Opeens niks meer van beiden gehoord. Stella buiten de stad, Esther in therapie.

‘Ik heb een ticket gekocht,’ vertelde Esther me nu. ‘Voor Egypte. Ik ga naar m’n toekomstige vriend.’
‘Oh, hij weet ’t zelf nog niet,’ concludeerde ik.
& Vanwege die kuiltjes in de wangen, die ogen, waarvan je weet dat ze zo zullen reageren, daarvoor maak je die opmerkingen. Omdat heel geniepig er een andere opmerking terug zal komen. Onderhuids stekend, of kietelend in haar geval. Sarcastisch. Maar afkomstig van degene die dat met verve & een grijns kon doen.
‘Die jongen die toen bij me was. 2 Jaar geleden. Hij belde dat ik een didgeridoo mee moest nemen. Die heb ik net gekocht. Een uitschuifbare. In 3 delen.’
‘Hoe is ’t met die jongen die toen bij je woonde?’
‘Naz? Die is net getrouwd. In Algerije. ’t Ging net weer goed tussen ons. ’t Overviel me. Daarom ga ik nu naar m’n toekomstige vriend.’
‘Ja, je moet natuurlijk iets met je pas verworven vrijheid.’
‘Heb jij nog iets van Stella gehoord?’
‘Nee. & Ik kan haar niet bellen, want ik ben alle telefoonnrs kwijt. Ook die van jou.’
‘Ik heb haar, nadat ik haar hier in A’dam nog bezocht had, nog een keer proberen te bellen. Toen ze al in Culemborg woonde. Antwoordapparaat ingesproken. Niets meer van gehoord. Hier, heb je mijn telefoonnr.’
‘Je ziet er goed uit.’
‘Jij ziet er ook goed uit.’

& We spraken af dat we elkaar weer zouden ontmoeten, ergens in Zijperspace.

bloedafname

Ik zet m’n fiets neer op de plek waar ’t misschien net niet mag. Of misschien juist weer wel. Aan ’t raam hangt: ‘Fietsen worden verwijderd’. M'n fiets staat ½ voor ’t raam, ½ ernaast. Op een standaard. Bloembakken die de entree moeten aankleden zijn opzij geschoven. Gipsplaten hebben die ruimte nodig. ’t OLVG-ziekenhuis is nog steeds niet af.
Ik fluit mezelf naar binnen. Klinkt mooi in de hoge hal met weinig meubilair. Hoewel m’n fluitje al een tijdje niet gebruikt is. Ietwat schel, ietwat breekbaar, ietwat onevenwichtig. Maar 't is heerlijk van mezelf temidden van ’t stille geroezemoes van schuifelend publiek. De voorbijgangers zijn dan weer alledaags aangekleed, dan weer dragen ze dusters, pantoffels & pyjama’s. In alle soorten & maten, soms met karretjes waar hun voorraadzakjes aan hangen. Ik ga zo in de voorstelling op dat ik bijna voorbij loop aan de afdeling bloedafname.
‘t 1e Dat je hier moet doen is een nrtje trekken, herinner ik me bijtijds. Voordat iemand achter me ‘tzelfde eerder doet & ’t me 5 minuten extra kost. & Dan wachten tot je nr afgeroepen wordt, om vervolgens weer te gaan zitten wachten. Bloedafname is vooral geduld betrachten.
Die heb ik niet. Maar wel een boek. In de tijd dat de meeste mensen wachtend hun tijd beiden, vermaak ik mezelf meestal met een boek. Altijd op zak. Men werpt jaloerse blikken zogauw ik de dikke pil, of ’t argeloos dunne niemendalletje uit m’n plastic tas tevoorschijn peuter. M’n bril & koker leg ik ervoor in de plaats. Niet nodig op deze afstand.
Terwijl ik de blzs langzaam laat passeren bestudeer ik onopvallend m’n medeslachtoffers. Steels beschouw ik hun handelingen. Hun wachten in ledigheid. Hun bladeren in lege tijdschriften. Hun versufte blikken. & ’t Kind dat door vader gemaand wordt door te lopen.
’t Is een open afdeling. De gang ligt achter de ruggen van de wachtkamerstoelen. Alles gaat aan je voorbij als je stoel de juiste kant op gericht is. ’t Leven gaat hier door. ’t Speelt zich voor je af. Terwijl je wacht.
Links van me zit een donkere dame. Aan de andere kant een dikke. 1½e Stoel heeft die nodig. Tegenover me een heer met grijze jas. Ze kijken allemaal voor zich uit. Verbazen zich over ’t boek dat onmiddellijk tevoorschijn is gehaald. Misschien ook wel ’t melodietje dat nog steeds af & toe gedachteloos tussen m’n lippen de wereld tegemoet treedt.
Een jongen komt erbij zitten. Schuin tegenover me in de hoek. Hij pakt een tijdschrift van de tafel. Bladert. Reageert opgetogen als enkele minuten later een bekende aanschuift.
‘Hoe kon je me vinden in deze drukte?’ vraagt-ie haar.
Een onverstaanbaar antwoord. ’t Is fluisteren bij ’t oor, duidelijk & luid articuleren, of je woorden verloren laten gaan in de hoge lege hal.
Ze lacht. Ze luistert naar z’n uiteenzetting. Ik vang af & toe wat op.
Ondertussen achter me, bij de balie:
‘Hoe bent u hier gekomen?’
‘Lopend.’
‘Nee, door wie bent u doorgestuurd? Door uw huisarts?’
‘Weet ik niet.’
‘De man die u bezocht heeft?’
‘Even nadenken. Er gebeurt ook zoveel. Mijn huisdokter, dat zou kunnen.’
‘Heeft u papieren bij u?’
‘Ja, ik heb een hele tas vol.’
‘Geeft u dan maar.’
De jongen tegenover me praat over z’n kwaal. Dat niemand weet wat ’t is. & Elke keer drukken ze weer in z’n zij. Dan gaat er een pijnscheut door z’n lichaam.
’t Meisje wrijft over z’n knie.
Ik probeer weer een blz te lezen. M’n buurvrouw rechts wordt op nr afgeroepen. Daarna m’n buurvrouw links. Ik ben met nr 310 hierna aan de beurt.
Ik sta op bij ’t afroepen. Gedecideerd. Over ’t feit dat ik nr 310 ben kan geen misverstand bestaan.
‘Goedendag,’ zeg ik opgemonterd aan de balie, om ’t gebrek aan begroetingen van anderen te compenseren.
Ik geef ’t bloedafname-formulier. M’n ziekenhuisponskaart mag ik houden. Niet nodig hier. Ik dacht dat ik inmiddels ervaren was in dit soort bezoeken.
‘Bedankt,’ zeg ik als ik weer mag zitten.
Ook opgeruimd. Ze maken ’t zelden mee, heb ik altijd ’t gevoel. Maar de dame in kwestie laat ’t niet blijken.
‘Nee, ik kan me niet ziek melden,’ gaat de jongen ondertussen verder. ‘Dan word ik ontslagen. Ik neem nu m’n vakantiedagen op. Ik stel ’t zo lang mogelijk uit.’
Een aai door z’n haar. Z’n hoofd wordt vastgepakt. Een zoen op z’n voorhoofd. Er gaat ook weer een hand over de knie. ’t Doet me beseffen dat ik hier in m’n 1tje ben.
Nog een blz & er weerklinkt: ‘De heer Zijp!?’
Ik loop de laatste letters spellend richting de stem. Een man ditmaal. Ik sla ’t boek dicht als hij me meeneemt de zaal in. Daar waar iedereen een hokje heeft. Zodat je niet ziet hoe bij een ander de naald er in gaat.
‘Een man,’ zeg ik. ‘Ik heb nog nooit meegemaakt dat ik hier geholpen werd door een man.’
‘Ja, alle mensen hier werden meegenomen voor een uitje. Op de afdeling boven werden wij allemaal aangewezen als vrijwilligers.’
‘Ik heb hier nog nooit een man gezien,’ constateer ik nogmaals.
‘’t Is voor mij ook 10 jaar geleden dat ik dit voor ’t laatst gedaan heb.’
‘Spannend,’ zeg ik, terwijl de naald al m’n arm in gaat. ‘Toch niet verleerd, hè?’
‘Nee, ik wist nog dat ik de naald ergens in moest steken. Dat is me gelukt, geloof ik.’
Hij bind m’n arm af. Watje er op. Pleister. Aantekening op ’t buisje.
‘Ik kan gaan?’
‘Ja, ’t is gelukt; ik weet nog hoe ‘t moet.’
Ik loop voorbij de wachtkamer. Enkele anderen hebben de plaatsen overgenomen van de mensen die ik daarnet nog heb leren kennen door naast ze te zitten. In een paar minuten tijd is die wereld alweer verdwenen. Vervangen.
Ik sla de hoek om richting uitgang. Fluit ondertussen ‘For unto us a child is born’. Is lekker schel in zo’n hal. Zoveel optimistischer dan de algehele sfeer. De draaideuren nemen me mee naar de buitenlucht.

’t Geluid vervluchtigt in Zijperspace.

ochtendgesprek

De telefoon gaat. Ik spring uit bed, daarbij rekening houdend met m’n nog licht stijve nek. Er zit nog een automatische piloot in de spieren daar. Ze zorgen ervoor dat er geen onverhoedse bewegingen worden gemaakt. Er mag niet te veel van de veilige koers afgeweken worden.
Bij de 6e keer overgaan neem ik op.
‘Met Ton.’
‘Hoi, met Rachel.’
Ik kijk op de klok. ¼ Over 8.
‘Heb je zin om te wandelen?’ vraagt ze.
‘Ik zou wel willen, maar ik moet straks bloed laten prikken. & Vanmiddag moet ik naar de podoloog.’
‘O ja. Jammer. Hoe was ’t gister?’
‘Leuk. Jojanneke & Jasmijn moesten vroeg weg, maar Johanneke bleef nog een tijdje hangen. ’t Werd na 1-en. Was gezellig.’
‘Was ’t leuk leuk?’
‘Nee, ik heb niets gedaan.’
‘Ha ha. Dat bedoel ik helemaal niet.’
‘Oh, ik dacht dat jij ’t met ‘leuk leuk’ op een vrouwenmanier zei. Ik dacht: dan zeg ik ’t op een mannenmanier.’
We lachen allebei. Een ochtendhumeur is er bij ons niet in te rammen, denk ik ondertussen.
‘Hé, maar ik ben 2e bij een huisje geworden. ’t Is wel slechts 25 m², maar met een tuin van 75 m².’
‘O, dat laatste klinkt goed. Grote tuin moet dat zijn. Maar 25 m² is wel heel klein.’
‘Is net zo groot als dat ik nu heb.’
‘Ja, nu misschien wel leuk, maar je moet er rekening mee houden dat je dan weer 9 jaar moet wachten voordat je voor iets anders in aanmerking komt. Je begint weer bij 0.’
‘Hm, ja, dat is waar.’
‘Tenzij je straks natuurlijk reteveel geld hebt. Of een vriendje ontmoet die dat op kan brengen. Dan koop je zo een ander pand.’
’t Is stil aan de andere kant. Rachel ziet ’t al voor zich. Ze zwijmelt in de ochtendzon, stel ik me voor. Ik zie de 1e stralen in m’n tuin vallen.
‘Maar zo’n rijk vriendje kan je natuurlijk vooralsnog vergeten,’ zeg ik droog.
Rachel barst in lachen uit. Ik mompel nog wat. Onderkoeld. Dat hoort bij dit soort grapjes.
‘Ha ha, ik vond ’t net zo’n mooie omschrijving,’ lacht Rachel. ’Ik zat al helemaal weg te fantaseren.’
‘Ja, ik dacht: ik moet haar even ontnuchteren.’
Er komen enkele secondes lang geen woorden uit onze monden.
‘Jij bent de enige die ik ’s ochtends vroeg kan bellen. De rest is aan ’t werk of slaapt nog.’
‘Oh, ik lag ook nog in bed, hoor. Maar ik ben ’s ochtends net zo grappig als ’s avonds.’
‘Oh, je sliep nog.’
‘Nee, ik was wel wakker aan ’t worden. Dat maakt niet uit, hoor. Wat ga je voor de rest van de dag nou doen?’
‘Oh, wandelen. In m’n 1tje dan maar. ’t Is hartstikke mooi weer. Echt zonde dat je niet mee kan.’
‘Ach, ja. Ik ga maar aan m’n comp zitten.’
Met m’n teen voeg ik de daad bij ’t woord door ‘m aan te zetten.
‘Ik zet ‘m nu aan,’ vervolg ik. ‘Internet begint zo.’

’t Werd een lange uitzending van internet in Zijperspace.

was

Nog een beetje dwaas van de slaap loop ik de keuken in. ’t Ruikt er nog naar was. Andere was dan ik gewend ben. Sas heeft m’n wasmachine gebruikt, herinner ik me weer. Ze zou de was vandaag komen ophalen.
Ik zou ’t natuurlijk kunnen ophangen, bedenk ik. Dat zal ze vast wel op prijs stellen. Hoewel ik dan misschien ook haar ondergoed zal tegenkomen. Als ze die bij de was gedaan heeft.
Ben ik niet gewend. ’t Is 14 jaar geleden dat ik met m’n toenmalige vriendin samenwoonde. Toen hing ik de was van een vrouw nog wel ‘ns buiten. Toen wist ik nog hoe slipjes er uit zagen. Voor de rest alleen maar met broers te maken gehad. & Een moeder die de was van de hele familie deed. We hoefden slechts te helpen bij ’t strak houden van ’t beddengoed.
‘Niet loslaten,’ commandeerde ze dan, want anders konden we opnieuw beginnen met vouwen.

Is ook stom, denk ik nu, ik ben niet eens gewend de was van een vrouw aan de lijn op te hangen.
Toch open ik vervolgens de deur van de wasmachine.
‘t 1e Dat naar voren valt is een string. Die waren 14 jaar geleden nog geen gemeengoed.
Ik doe ’t deurtje maar weer dicht.

‘Kijk, als ik een onbekende vrouw tegenkom die plots voorover bukt,’ probeerde ik ooit 'ns uit te leggen, ‘dan kijk ik. ‘t Is een kort moment van sensatie als ik haar borsten zie. Maar als een vriendin of een collega inkijk heeft, dan wend ik m’n hoofd af. Dan hoor ik niet te kijken. Vind ik niet fatsoenlijk.’
‘Ja, maar dat is dan toch vertrouwelijk,’ zei Sas toen. ‘Je kent elkaar al jaren. Je ziet elkaar heel vaak. Dan is ’t juist niet erg dat je iets persoonlijks van iemand anders ziet.’
‘Nou, ik kijk graag naar borsten,’ probeerde ik nogmaals, ‘maar die van m’n vriendinnen hoef ik niet te zien. Ik mag daar geen seksuele prikkeling van mezelf bij voelen. Dus kijk ik maar alvast niet. Net als dat ik achter de bar tijdens werk tegen iemands borsten oploop. Dan moet dat meteen uit m’n hoofd gezet worden. Want ik ben aan ’t werk.’
‘Je neemt ’t misschien iets te zwaar op,’ zei Sas toen.
‘Ja, misschien. Maar ik ben groot gegroeid in een gezin van 7 mannen. Geen vrouw behalve m’n moeder. & Op school wilde ik later serieus genomen worden door m’n vriendinnen. Dus moest ik m'n verleden niet laten blijken.’

Ik stop ‘t 1e hapje van m’n ontbijt in m’n mond als de telefoon gaat. Dat moet Sas zijn.
‘Hoi, met Sas,’ zegt ze inderdaad.
‘Dat dacht ik al. Je kan gewoon langskomen om je was te halen.’
Iets te snel gereageerd, bedenk ik me. We hadden iets anders afgesproken, weet ik me weer van gisteravond te herinneren. Bovendien had ik haar de sleutels gegeven zodat ze gewoon haar gang kon gaan.
‘Nee,’ interrumpeert Sas me, ‘ik zou bellen zodat je thuis kon zijn ivm de comp.’
‘O, ja.’
Vergeten. Na mijn uitleg zou ze dan ’t internet op kunnen.
‘Maar ik moet nog lessen voor de auto. & Ik moet ook nog iets anders doen. Dus ’t wordt pas ½ 6 of zo.’
‘O, dan ben ik zowiezo thuis. Dan sta ik in de keuken, want ik krijg visite. Zal ik anders je was alvast een beetje uithangen?’
‘Ja, als je dat zou willen, heel graag. Anders gaat ’t zo ruiken.’

Enkele minuten later haal ik de string uit de wasmachine. Als 1e. Ik klop ‘m uit, pak een knijper & hang ‘m aan ’t rek. Onder ’t balkon van m’n buren. 't Moet maar blijken dat ik 't kan.

De schroom moet uit Zijperspace.

opnemen & storten

’t Was niet m’n gewoonte, maar als anderen ’t doen, doe ik ’t ook. Hoewel ik enigszins twijfelde. De volgende bezoeker deed me echter besluiten dat ik maar moest toegeven. Anders kwam ik nooit aan de beurt.
Er kwam een oud vrouwtje binnen. Ze zuchtte al bij ’t openen van de deur. Daar had ze geen zin in.
‘U bent de laatste?’ vroeg ze.
& Ze ging zitten.
‘Dan doe ik dat ook maar,’ zei ik.
Dan was ’t tenminste weer zoals ’t altijd was.
‘Zitten is lekkerder,’ zei ik, terwijl ik plaatsnam.
Ik kon niet zien hoe ze reageerde, want m’n nek wilde nog steeds niet opzij. ’t Meisje dat na mij was binnengekomen draalde rond.
Nog een jonge vrouw kwam binnen. Ze nam als automatisch plaats tussen de oude dame & mij. Omdat ik me niet naar rechts kon keren kon ik niet goed zien hoe ze er uit zag, maar ’t was de moeite van ’t gezelschap waard, schatte ik in.
De rij slonk. Nog slechts 1 wachtende voor me.
Een bankmedewerkster kwam.
‘Storten & opnemen?’
Ik stak m’n hand kort op & knikte.
‘Nog meer mensen voor storten & opnemen?’
De oude dame reageerde.
‘Ja, mevrouw. U moet zien: ik kan niet te lang wachten.’
‘Nee, hoor. Dat hoeft ook niet. U was voor die meneeer.’
Ze wees naar mij.
‘Nee, ik was na die meneer.’
‘& U, dames?’
De 1e moest een nieuwe rekening openen. De ander een handtekening plaatsen.
‘Heeft u wel legitimatie meegenomen?’
Dat was in orde.
‘& Wie van u beiden was als 1e?’
Ze beaamden beiden dat dat ’t dralende meisje was.
‘Dan kunt u met mij meelopen.’
‘Ja, maar mevrouw,’ begon opeens de oude dame, ‘ik kan niet zo lang wachten, hoor. Ik was eerder dan deze 2 dames. U moet weten dat ik al 83 ben. Dan kunnen die 2 dames toch niet zomaar voor mij?’
‘Nee, mevrouw. Maar u moet bij balie 3 zijn. & Deze 2 dames ergens anders. Daar kunnen ze u niet helpen.’
Op ‘tzelfde moment kwamen 2 brede turkse mannen binnen. In alle consternatie werd hen niet uitgelegd welke beurt ze hadden. De bankmedewerkster was veel te druk ’t dralende meisje met zich mee te nemen. Terwijl de oude vrouw nog steeds verontwaardigd zat te brabbelen namen de 2 heren plaats achterin de rij voor balie 3. Achter de man die voor mij aan de beurt was.
‘Ik zeg ’t straks wel even,’ zei ik tegen de oude vrouw.
Op ’t moment dat mijn voorganger aan de beurt was, zag ik mij er inderdaad toe genoodzaakt. Ze gingen er al van uit dat ’t een snel bezoekje aan de bank was.
‘Heren,’ zei ik, ‘’t spijt me, maar ik ben na die heer aan de beurt. & Daarna is deze mevrouw hier. We hoefden niet in de rij te gaan staan nl.’
1 Van de mannen keek verontwaardigd.
‘Dan moet je hier in de rij gaan staan.’
‘Nee, we konden plaats gaan nemen.’
Dat loog ik. Maar dat was hier wel de normale gang van zaken.
De man die verontwaardigd keek ging toch maar naast me op een stoel zitten. Z’n broer stond naast ‘m.
‘’t Zit ook veel lekkerder,’ probeerde ik m’n buurman gerust te stellen.
Op de achtergrond jeremieerde de oude dame.
Plots kwam een 2 bankmedewerkster tevoorschijn.
‘Sorry, dames, heren. Ik kon er even niet bij zijn om u de weg te wijzen. Ik had even wat anders te doen. Maar wie was er allemaal voor opnemen & storten?’
Weer stak ik m’n hand op. & Wees vervolgens naar de oude vrouw 2 plekken verder.
‘Ja, mevrouw,’ begon die al, ‘ik was hier eerder dan die andere mensen. & Ik kan niet te lang wachten, want ik ben 83, moet u weten.’
‘Dus opnemen & storten? Bent u dan eerder aan de beurt dan deze heer hier?’
‘Nee, ik ben na die meneer.’
‘Wie nog meer opnemen & storten? & Wat kwam u doen, mevrouw?’
‘Een handtekening zetten.’
‘Dan kom ik u straks halen. Zo, dat is geregeld.’
De oude dame zat nog even te mompelen, maar de onrust was verdwenen. We lieten haar d’r gang gaan. We wisten dat ’t anders toch alleen maar nog onoverzichtelijker zou worden.
Een volgende dame betrad de bank. Ze werd ontvangen door een 3e bankmedewerkster.
‘Goedemiddag, mevrouw. Opnemen of storten?’
Haar stem ging aan ’t eind enkele octaven omhoog.

Zoals we ’t inmiddels gewend waren in Zijperspace.