toeschouwers

’t Merkwaardige verschijnsel doet zich voor dat er in gezelschap meer jeuk is dan in eenzaamheid. Zonder ’t woord eenzaamheid een negatieve bijklank te willen geven. Geenszins, ik vermaak me prima in stilte.
’t Zou ook kunnen zijn dat ik zonder toeschouwers me niet bewust ben van m’n eigen gedrag. Ik blijk niet op een podium te staan, dus ontstaat er geen hyperrealiteit. Een realiteit die bevestigd wordt door de blik, die ergens rondzwerft in de kamer waar ik & gezelschap ons bevinden.
Ik wip uit bed, ga rechtop staan & begin met m’n hand over m’n lichaam te wrijven. Nagels van 2 mm. Precies goed. Ik trek ze in zogauw ik over de bobbeltjes van moedervlekken denk te gaan. Ik kan ze meestal niet zien, want de meeste ochtendkriebel heb ik op m’n rug. Bovendien wordt ’t krabben onnadenkend ervaren.
Dan mompel ik dingen, mezelf realiserend dat ik gewoonlijk in de ochtend niets pleeg te zeggen, daaraan herinnerd door de raspende geluiden die m’n keel produceren; dan mompel ik dingen over thee, koffie, suiker, ontbijt, douchen & dat de kamer naar seks ruikt.
Bij dat laatste herinner ik me vroegere toekomstige schoonpapa’s. Die plots de deur openden om dezelfde info in te winnen. Over koffie, thee, suiker, ontbijt.
& Terwijl ik mompel ondernemen m’n vingers hun ontdekkingstocht. Ik trek onderwijl een t-shirt eroverheen, om de kriebel op te warmen. De kachel zo snel mogelijk aan, de deuren dicht; ’t huis moet zo lang mogelijk blijven zoals ’t is, maar dan nog aangenamer, nog meer van mezelf.

Dat alles gebeurt slechts zelden. Geen toeschouwers meestentijds. Minder jeuk, misschien. De enige toeschouwers zijn de buren aan de achterkant. 3 Gezinnen, verschillende etages, achterkant van ’t huis kijkt op mij uit.
Van de week zat ik ongegeneerd in m’n neus te pulken. In de veronderstelling dat ik als altijd alleen was. Geen muziek, geen radio, geen tv, niets aan. Ik las een boek. & Pulkte gedachteloos in m’n neus.
Een ex-vriendin die ’t kon weten vertelde ooit dat ’t in Zwitserland hartstikke normaal was. Midden in de klas kon iemand uit z’n neus eten. Niemand die er iets van zei.
Als je ’t dan doet, doe ’t dan stiekem. Een mens mag met zijn gedrag mijn wereld niet ontsieren. Datzelfde geldt voor mij andersom.
M’n gordijnen staan ’s ochtends ½ open. Of ½ dicht. De manier waarop je dat pleegt te zeggen schijnt iets te zeggen over hoe positief je in ’t leven staat.
In die toestand van ½ gesloten / ½ open gordijnen kan niemand mij zien, behalve de buurvrouw hiernaast die op haar tenen over de schutting wil gluren. Daar zou ze moeite voor moeten doen.
Ik kan naakt door m’n huis lopen. Of in m’n onderbroek. Of met slechts een t-shirt aan. Ik heb ’t zelf voor ’t kiezen. Als ik nog geen beslissing heb genomen over of ik al uitgeslapen ben. Als ik misschien nog terug wil kruipen bedwaarts.
Maar van de week was ik die fase alweer voorbij. Ik had m’n beslissing definitief genomen. Bovendien had ik licht nodig om m’n boek te lezen.
& Waar anders altijd gordijnen hangen, ’t is immers de achterkant voor de families met uitzicht op mij, ’t leven voor hun begint aan de voorkant, stond plots een man. De rug van een man. Geleund tegen ’t raam.
De vinger verdween uit m’n neus. Ik woonde niet meer alleen.

& Vanochtend, ik had de beslissing opnieuw nog niet genomen, liep ik in de keuken rond. Nadenkend over thee, suiker, ontbijt. Verder niks. T-shirt aan, onderbroek ook, vanwege ’t gebrek aan gordijnen daar, & sloffen voor bescherming tegen de koude ondergrond.
Ik dacht letterlijk over een theezakje na. & Over wanneer ’t water zou gaan koken. Ik verlangde daarnaast alweer terug naar ’t warme dekbed, ‘t wentelen in reeds gecreëerde warmte, & trilde bij ’t aanschouwen van rondzwiepende takken in de herfstkleurige tuin.
Ik stond kortom in gedachten. & Dacht nooit te krabben, te kriebelen zonder gezelschap, zonder toeschouwers.
Tot ik m’n hand terugvond bij ’t schrapen over m’n rechterbil. Die toegekeerd stond richting achterburen.
Ik dacht aan de kinderen, & hun kinderkamers aan de achterkant van de huizen hier tegenover me. & Besloot voortaan maar een broek te dragen in de keuken.

& De nagels worden voortaan gemillimeterd in Zijperspace.

nieuwmarkt

Ik had ‘m binnen zien komen. Ik stond op dat moment op ’t punt m’n mond open te doen, maar z’n blik verdween. Dan maar niet, dacht ik.
Nu ging-ie aan ’t tafeltje voor me zitten. In dezelfde richting als ik. Uitzicht op de Nieuwmarkt.
Iedereen gaat zo zitten, bedacht ik. Men wil niets missen. Als iemand andersom gaat zitten is-ie gek, of moet-ie zich concentreren. Maar daar hoor je ’t café niet voor in te gaan.
Hij vouwde de krant uit. Dacht na. Z’n schouder wendde zich kort. & Toen nogmaals.
Ik keek zoals je kijkt naar beweging die plots plaatsvindt. Afgeleid uit ‘tgeen ik las.
Hij keek me nu aan met ogen die herkenden.
‘Ben jij niet barman bij ..’
‘Ja, dat ben ik,’ zei ik voordat-ie z’n zin kon afmaken. ‘Ik probeerde je daarnet al gedag te zeggen.’
Ik heb er 100-en. 100-en Klanten. & Zij hebben slechts enkele barmensen. Toch blijk ik steeds weer degene te zijn die ze herkent. Niet andersom.
‘Ja, sorry,’ zei hij, ‘ik ben gewend je ergens anders ..’
& Weer was ik ‘m te snel af: ‘Dissociatie. Dissociatie heet dat.’
Hoewel ’t niet helemaal klopt, dacht ik. Maar ’t klinkt goed. Mensen laten zich erdoor aftroeven. & De rest van hun leven blijven ze er in geloven. Straks heb ik ervoor gezorgd dat de betekenisomschrijving in de van Dale moet worden aangepast. Heb ik toch nog iets bereikt.
‘Wat kom jij hier doen? Woon je in de buurt?’
Met verwondering. Anders had-ie me wel eerder hier aangetroffen, bedoelde hij te zeggen.
‘Ik fietste rond. & Ik had trek in een biertje.’
‘Mooie plek, hè. 1 Van de mooiste plekjes van Amsterdam. Prachtig uitzicht.’
Hij wendde z’n hand. Een vlakke hand die een korte rondleiding geeft. Kijk eens wat ik u voorschotel.
Maar ik ben in Amsterdam komen wonen toen de Nieuwmarkt nog niet mooi was. Ik vermeed ‘t. Ik kreeg altijd ’t gevoel dat ik achtervolgd werd. Tot er meer ruimte kwam. De zon ging schijnen op de Nieuwmarkt. Maar ’t oude beeld had zich al genesteld in m’n hoofd.
Ik knikte: ‘Ik hou er wel van dat er altijd mensen voorbij lopen.’
Verder kon ik niet gaan. Dit was ’t enige dat ik wilde toegeven.
‘Bij jullie is ’t ook altijd druk,’ zei de man met een kleine vraagteken.
‘Ja, wij zitten blijkbaar ook op 1 van de mooiste plekjes van Amsterdam. In ieder geval als we terras hebben.’
‘Is dat ’t enige werk dat je doet?’
Ik had een man die kon rekenen tegenover me. Meestal denkt men dat je van barwerk alleen kan rondkomen. Men ziet zelden dat ik er soms niet ben.
‘Ik werk ook in een bierwinkel, hier verderop.’
‘Oh, naast die galerie?’
‘Ja, maar daar kom ik nooit.’
Ik probeerde ’t te laten klinken als understatement. Wie had er nog wel een goed verhouding met de galeriehouder?
‘Daar heb ik 3 werkjes hangen.’
Oja, kunstenaars & passanten. M’n vraag was beantwoord.
‘Oh?’
‘Ja, ze hangen aan de muur. Of eigenlijk hangen er nog maar 2.’
‘Verkocht?’
‘Nee, 1tje is gestolen. Ik kreeg vanochtend een telefoontje. ’t Was weg.’
‘Krijg je dan evengoed je geld van de galeriehouder?’
‘Ja, de galeriehouder neemt de verantwoordelijkheid op zich zogauw hij iets van iemand ophangt.’
‘Oh, dat valt mee.’
Van die vent, bedoelde ik. Van die vent waar niemand een goede verhouding mee heeft. Of niemand, behalve enkele kunstenaars & passanten.
‘Maar nou weet ik eigenlijk niet of ik ’t moet zien als compliment, dat ’t gestolen is, of niet.’
Erkenning, erkenning is belangrijker, dacht ik. & Die vraag was een vraag voor hemzelf. Ik hoefde niet te reageren.
We keerden ons beiden een beetje af. Verdiepten onze blik in datgene dat we kort ervoor nog lazen. ’t Gesprek was voorbij.

De stroom mensen zette zich voort in Zijperspace.

pleister

Haar huid strekte zich uit tot boven haar broek. Zoals bij wel meer meisjes tegenwoordig, maar bij haar stond 't daar een beetje bol. Vooral aan de achterkant. Niet zo bol van ‘ik ben dik’, maar meer een bol van ‘ik ben jong & vrouw & ik vind dat ’t daar hoort of in ieder geval mag zitten’.
Ik was ’t volledig met haar eens. Ik was ’t ook eens met ’t feit dat zoiets best getoond mag worden. Ik kijk er graag naar. Tenzij ik betrapt wordt. Dan kijk ik niet meer graag. Kijken naar iemand moet je doen zonder dat je die persoon daarbij stoort.
Ze had haar truitje afgestemd op haar gevoel over wat mocht. Wat esthetisch verantwoord was. Precies tot daar waar ’t bol werd. Een reep van 10 cm tussen broek & truitje was daardoor zichtbaar.
Als ze achter de bar stond, ik was gezeten op een stoel 1½ meter verwijderd van de bar, dan zag ik nog net een randje van haar broek, dit als kader voor de reep buik & rug. Bovenkader was truitje. Stiekem gluurde linksachter een streepje slip. Een blauwe, scheef opgetrokken, want rechtsachter was niets te zien.
Haar buik plat. Ik zag dat ’t zich ter hoogte van haar bekkens alvast naar beneden schuin aan ’t invoegen was. Vooraankondiging van de verborgen 3-hoek. Een subtiele schaduw van links viel over dat reliëf van wegglijdende lijnen als ik m’n bestelling aan de bar deed.
Maar meer dan haar buik (ik hou meer van vrouwenbuikjes, ‘t vrouwenbuikje dat elke vrouw noodzakelijk moet hebben, maar vrouwen wanhopig door diëten proberen te ontkennen, die een ophoping vormen van alles dat vrouw is, dat geurt & zo zacht donzig is dat ik er m’n oren op moet leggen om te horen of ’t klopt, dat ik een vrouw hier onder m’n oor heb liggen, & dat dat anders hoort dan wat zich binnen in mij afspeelt), was haar rug, vanuit haar dij, degene die de juiste toon had weten te vinden door zich op te hopen in een zachte glooiing.

Ter vergelijking: de bedrijfsleidster (ik kwam iets later achter haar functie toen een troep jonge meiden aan kwam lopen om te melden dat ze de horecacursus met welslagen hadden voltooid & zij daar erg tevreden over was, zelfs zo tevreden dat ze er een rondje drank tegenover stelde) had 2 shirtjes aan. Over elkaar heen. Als er 1tje ook maar iets zou onthullen, verhulde de ander dat. Beiden shirtjes waren schijnbaar ondoorzichtig groen, beiden waren kort, maar net lang genoeg om haar buik & rug te bedekken. Van onder tot boven. Zij had geen bolvormig lichaam, zij had geen golf, geen slag, of ook maar iets dat sensueel zacht een bocht maakte ten opzichte van alles dat zich daarnaast of daaronder bevond, geen enkel klein onderdeel van haar lichaam was geneigd tot enigszins bol. De billen van de bedrijfsleidster vielen weg in een alles verhullende kreukel aan de achterkant van de spijkerbroek.

Dit wederom in tegenstelling tot mijn tijdelijke oogappel. ’t Kon niet anders of zij had billen. ’t Schuin rechtop staande notitieboekje & de tegengesteld gerichte pen ernaast, beiden ½ de achterbroekzak ontduikend, wezen duidelijk aan dat daaronder zich iets bolde, wat de vrijheidsdrang van ’t schrijfgerei dreigde te stimuleren, doordat ’t de broek telkenmale strak deed staan zogauw zij alleen maar ’t lichaam lichtelijk voorover boog.

Ik mocht weer ‘ns niet kijken van mezelf. Want zij keek na zo’n buiging rond of er toch nog misschien iemand was die wilde bestellen. Om vervolgens weer door te gaan met ’t vullen van haar dienblad met vieze kopjes.
Ik nam een slokje van m’n bier & las woordeloze regels in m’n boek.

Maar stiekem, elke keer probeerde ik tersluiks, de glimp van de pleister op haar rug op te vangen. Als ze zich ½ had afgewend van mij. Zo van de zijkant in de verte, ’t witte bijna doorzichtig plakkertje achter op haar rug te registreren. Of als ze de andere kant opstond, van dichtbij, maar toch nog in de diepte verdwijnend.

Ik vroeg me af wat de pleister er deed.
Om dat onmiddellijk weer te willen vergeten. Ik wilde geen oorzaak. De pleister behoefde geen verklaring.
De pleister was er, stak onder ’t truitje uit, & accentueerde precies de golf van huid die achter op haar rug de noodzakelijkheid van korte truitjes voor mij verklaarde. De pleister hobbelde mee op haar bewegingen, ’t bukken, ’t zijwaarts bewegen, ’t luisteren naar klanten, ’t opbergen van glazen & ’t volschenken van een glas wijn. Ritmisch wist de pleister elke beweging te beantwoorden door te deinen op haar huid. Af & toe hakend achter ’t truitje, linksboven was een hoekje losgeraakt, om zich vervolgens weer geheel te bevrijden & te genieten van de ogen die ’t naar zich toetrok.
Nog nooit heeft een pleister zoveel belangstelling weten te trekken.

De man die binnenkwam leek al te lachen bij ’t vooruitzicht. Hoewel hij niet op de hoogte kon zijn. Maar ik verweet ‘m bij voorbaat die glimlach.

Ik wilde ‘m afpulken. ’t Losse hoekje pakken & langzaam trekken. Zodat ze voelde waar ’t zat. Dat ze zich weer zou herinneren dat er vanochtend een reden was een pleister daar te plakken. & Dan na langzaam zou ik snel doen. Een ruk. Weg. & Haar ’t kleinood voorhouden.

Maar ik durfde hooguit aan de andere kant van de bar, de klantenkant, nog een biertje te bestellen & ademloos te kijken, net zo de stamgasten op de krukken naast mij op een rij, als zij ’t te vorderen bedrag met de pleister naar ons toe aansloeg op de kassa. We zagen tegelijkertijd een lichte trilling in de kadrering tussen broek & trui, dat was ’t subtotaal, & nog 1 voor ’t totaal, waarna de kassa zich opende & onze dagdroom ruw verstoord werd door een blik recht in onze ogen.

Maar ’t beeld van de pleister had zich vastgenageld in Zijperspace.

tapenadelog

- Men neme een fiets.
Waarvan wel de banden zijn opgepompt, daar moet ik nog even rekening mee houden. Fiets is zwaar noodzakelijk, want de afstanden naar de bewuste specialiteitenwinkels zijn dermate groot, ook al is in Amsterdam van alles te vinden & hoef je meestal niet lang te zoeken, dat je toch gauw een ½ uur tot 3 kwartier onderweg bent om alles bij elkaar te vergaren.
Gelukkig duurt de bereiding van ’t gerecht niet al te lang. Dat maakt veel goed.
- Men neme een blender.
Ikzelf heb zo’n milkshakeding. Ook handig. Lekker fijn. Niet te grof. & Als je dat niet wil, dan laat je ’t er gewoon niet al te lang in zitten.
- Men neme een klein koekenpannetje.
Die heb ik al jaren. Waarschijnlijk voor sinterklaas gekregen al voordat ik ’t ouderlijk huis verlaten had. Hoe nadenkend & opjuttend ouders bij tijd & wijle kunnen zijn.

De rest volgt vanzelf wel gedurende ’t verslag van de bereiding.

Ten 1e heb je natuurlijk olijven nodig. Kostte me enige moeite om uit te vinden waar je die redelijk goedkoop, redelijke kwaliteit, au naturel, kon verkrijgen. Maar Theo zat op een gegeven moment aan de bar.
Theo houdt van praten. Van enthousiast iets aanprijzen. Hij heeft een kinderlijk naïef enthousiasme. Bewonderenswaardig, op zijn leeftijd. Hij blijft verwonderd de wereld in kijken, gecharmeerd van ’t feit dat ’t elke keer weer anders kan.
‘Zo heb ik laatst een Turk ontdekt,’ vertelde hij, we hadden ’t over ’t bereiden van maaltijden & wisselden elkaar tips uit, ‘echt fantastisch. Die heeft alles. Moet je natuurlijk niet doorvertellen, want dan gaat iedereen er heen. Maar je kan daar gewoon, als je er naar vraagt, anders zie je ’t nergens, grote zakken pepers kopen. Doe je jaren mee. & Pepers die bederven niet zo snel.’

Een Turk in de Pretoriusstraat. Voor mij om de hoek. De man achter de kassa kijkt altijd lichtelijk chagrijnig. ’t Heeft me 3 maanden gekost om ‘m mij terug te laten groeten.
Hij slaat altijd de boodschappen aan & stopt ze dan eigenhandig in een plastic zakje. Tenzij je zelf al initiatieven daartoe ontplooit. Dan schuift-ie ze nonchalant achterwaarts. Af & toe kijkend of je ‘m wel kan bijhouden.
Daar haal ik dus de olijven vandaan. Groene olijven moeten dat zijn. De laatste keer per ongeluk zwarte olijven. Had ik meteen geen zin meer om ’t te bereiden. Ik wist niet of ’t resultaat wel naar behoren zou zijn. & Ik was lui natuurlijk. Maar daar hoor je ’t niet over te hebben in een kookrubriek.
‘Entkernte Oliven’. Staat op ’t blik. ‘t Blik zwarte, die nu de hele tijd in de weg staat, vermeldt: ‘Olives noires dénoyautées’ & ‘Pitted black olives’, met respectieve ondertitels ‘confites en saummures’ & ‘in brine’.
Niet echt belangrijk natuurlijk, maar ik heb dat blik groene olijven om mijn verhaal beter te kunnen omlijsten nog niet in huis.

Bij de Turk haal ik ook de rucola. Een grote bak. Ik kan er desnoods 2 keer mee doen. Maar dan moet ik mezelf er aan dood eten. Visite helpt in deze.
Alsook de pijnboompitten. Waarbij aangetekend moet worden dat je ze niet te lang moet laten staan. Want zoals eerder via deze weg vermeld: ze gaan dan lopen, krioelen in ’t pannetje. Dan zit er zogezegd iets te veel leven in; zeer onsmakelijk.
Daarnaast de witte uien. Als ik dan toch specialistisch bezig ben, vind ik altijd, dan kan ik net zo goed bijzondere uien in huis halen. Ik gebruik er 2. Die bak ik glazig in ’tzelfde koekenpannetje als waarin ik de pijnboompitten heb laten bruinen. Ditmaal echter wél met olie. Gewone slaolie om mee te bakken.
Olijfolie komt ook bij de Turk vandaan. Extravirgine. Een paar goede scheuten in de blender. ’t Moet vet zien.
Knoflook. 2 Teentjes, niet uitknijpen, niet bakken, gewoon hele tenen. Ze worden vanzelf vermalen.
Basilicum. Een heerlijk potje nog groeiende basilicum, die je op de vensterbank kan laten staan, zodat de buren denken dat je toch nog wat groens in huis hebt. Waag ’t niet gedroogde basilicum te gebruiken. Gij zult vanwege heiligschennis de toppen van ’t paradijselijk genot nimmer bereiken.
Dat was de Turk. Hij zit in ’t begin van de Pretoriusstraat aan de rechterkant als je er vanaf de Linnaeusstraat in gaat.

Verder heb je ook nog kappertjes nodig. Die zou je ook bij de Turk kunnen halen, ware ’t niet dat kappertjes op zeezout stukken lekkerder zijn dan kappertjes uit zo’n glazen potje. Neem dat maar van mij aan. Dat geldt ‘tzelfde voor ansjovis, maar aangezien ’t dan wel héél erg zout zal gaan smaken, gebruik ik daarvoor een blikje uit de supermarkt. De kappertjes op zout haal ik weg bij Jeroen van Berkhout.
Die moest ik nog even noemen. Die heeft mij nl de inspiratie gegeven om tot dit recept te komen (ik ben er stukken populairder van geworden). & De kappertjes dus ook. Hoewel ik voor dat laatste natuurlijk wel heb moeten betalen. Berkhout zit in de Sumatrastraat (niet in de Molukkenstraat). In de Indische buurt. Neem niet alleen uw kappertjes daarvan weg. Dat zou zonde zijn.
Even ’t zout een beetje van de kappertjes afwassen. Dan kunnen zij in de blender worden gedumpt. Alsook 5-6 stukjes ansjovisfilet. & De rest. Een beetje naar eigen inzicht de hoeveelheden bepalen. Ook van de gemalen peper.

Blender aan & men heeft al snel tapenade á la Zijperspace.

toiletpapier (7)

Ik moet er niet over beginnen. Gewoon accepteren dat ik ’t van hun heb gekregen. Of geleend. Niet belerend gaan doen.
Toch zou ik wat graag even naar boven willen lopen. Onder ’t mom van een gezellig gesprek.
‘Hoe gaat ’t nou?’
‘Ja, met mij gaat alles goed.’
‘& De hond?’
‘Ja, ook. Jij verder geen angsten meer?’
‘Nee, ik heb de laatste tijd geen enge beesten meer gezien. Noch van ze gedroomd.’
Dat laatste lieg ik dan natuurlijk. Maar voor een prettig gesprek met de buren hoor je niet zomaar alles op tafel te gooien.
& Terwijl ’t gesprek vordert komt ’t moment ook nader, een ontspannen moment, ’t evenwicht van ’t converseren met elkaar wordt bereikt, zodat elke weg ingeslagen kan worden, je hebt elkaar zienswijze, manier van doen, weer volledig geaccepteerd & bent blij dat je ’t zo getroffen hebt met al die mensen onder datzelfde dak, met 'tzelfde huisnr; dan komt ’t moment dus nader dat je best wel wat mag zeggen over ‘tgeen je geleend hebt. Dat je daar toch eigenlijk wel een mening over hebt.

Als ik naar de supermarkt ga om inkopen te doen, dan zal ik juist bij bewuste schap wat extra aandacht besteden aan de verschillende keuzemogelijkheden. Je hebt ze tenslotte in allerlei soorten & maten. Zacht, dubbelwandig, teder, recyclebaar, met kussentjes, milieuvriendelijk, met opdruk, extra stevig, met nieuwe scheurstrip, hartstikke handig verpakt, met revolutionair nieuw afscheurmogelijkheid, & soms zelfs met korting als men tenminste in ’t bezit is van de bonuskaart.
Zoveel keus dat ik elke keer weer twijfel.
Wat had ik de vorige keer? Zitten er echt geen plaatjes op? Durf ik hiermee over straat? Blijft deze niet aan m’n billen plakken? Dit is wel heel goedkoop; moet ik niet vertrouwen. Hoe zal mogelijke visite zich voelen onder ’t genot van deze tissues aan de gat?
Om al deze motivaties & argumenten voor de juiste keuze op een rijtje te zetten loop ik vaak nog even een extra rondje. Even naar de suiker, daar heb ik ook nog een pak van nodig. Wat zakdoekjes voor als ik weer een keer verkouden raak. Dan valt ’t ook niet zo op dat ik geen beslissing kan nemen.
(Wat doet die vent met die lange jas toch de hele tijd bij ’t wc-papier? Hij heeft ook nog een petje op, zeker om z’n gezichtsuitdrukking af te schermen. Hij zit daar nu al 5 minuten voor zichzelf uit te mijmeren, je kan z’n lippen zien prevelen. Is ’t een toiletpapierfetisjist?)
’t Vergt moeite. Aandacht. Maar ik vind dan ook dat je er de tijd voor moet nemen. ’t Is tenslotte een artikel waarmee je een groot deel van ’t dagelijks comfort kan binnen halen. & Als die uiteindelijke visite gebruik moet maken van ’t toilet, zien ze aan ’t toiletpapier ook onmiddellijk waar je voor staat.
Degelijkheid. Kracht. Geen overbodige luxe. Geen poespas. Direct. Kwaliteit, niet bereikt door kwantiteit.
’t Heeft aandacht nodig. Toiletpapier hoort bij je persoonlijkheid te passen. Men moet kunnen zien dat men niet op de pot zit van Tante Truus in de Jordaan.

Daarom wil ik even naar boven lopen. Om toch even serieus te praten. Eigenlijk in de hoop dat ik een rol in m’n handen kreeg gedrukt van de week, dat zij node konden missen. Ze hadden ’t eigenlijk al een hele tijd verstopt, weggemoffeld, was toch ’t slechte merk, maar je gooit nooit zomaar iets weg, misschien bewaren voor als we gaan papier-machéen met ’t neefje.
& Misschien, dat hoop ik dan te horen, was ’t zo diep weggemoffeld, weg voor elke per ongeluk aanwezige vreemde blik, in de buurt van een warmtebron, dat ’t daardoor is gaan uitdrogen, ietwat ruw is geworden, onbruikbaar bijna, & ’t daardoor moeilijk is geworden de tissues van elkaar te scheiden, vanwege spontane scheuren elders op ’t vel.

Nee, ik moet m’n mond houden. ’t Er niet over hebben. Ik moet gewoon een kopje suiker brengen, uit dankbaarheid, of een pak zakdoekjes als 1 van hen snotverkouden is of aan de griep, dan van die hele stevige, kwaliteitszakdoekjes, die niet gaan scheuren, & geen verschraling veroorzaken aan de randen van de neus, hoe vaak je ’t ook gebruikt.

Want verschraling dient voorkomen te worden in Zijperspace.

bockbierfestival

‘Kijk, daar staan we dan met z’n 5-en op een rijtje,’ begon ik plots, ik verbaasde mezelf er over, maar terwijl ik doorging met praten deed ik alsof er niks aan de hand was, ‘& niemand zegt wat.’
Ik zag de mannen kijken. Even snel een zijwaartse blik naar wie er wel wat te zeggen had.
‘We hadden best een leuke tijd met elkaar kunnen hebben,’ ging ik verder. ‘Ik bedoel: we zijn nu al met z’n 6-en, & als we met z’n allen een leuk onderwerp hadden gehad, dan hadden we dit noodzakelijk bezoekje aan ’t toilet tot een feest kunnen laten uitgroeien, zeker vergeleken met al die andere keren dat we in ons 1tje, afgezonderd op ons eigen wc thuis, ’t hebben moeten doen.’
Er glimlachten een paar. M’n buurman rechts begon al te grinniken.
‘Al hadden we ’t alleen maar gehad over ’t weer, of wat je schoonmoeder gister allemaal heeft gezegd door de telefoon; ’t had iets kunnen zijn waar we met z’n allen lekker boers & onbeholpen om hadden kunnen lachen. Kom op, we drinken met z’n allen bier, daarvoor zijn we hier gekomen, & dit soort malle praatjes moeten gewoon gemaakt worden op zo’n bijeenkomst. Waarom dan niet als we naar onze eigen leuters staan te staren? Dit had ’t hoogtepunt van ’t festival kunnen zijn, hadden we met z’n 6-en, kijk, daar komt nr 7, misschien wil die zodirect jullie vermaken; ’t hoogtepunt dus, hadden we met z’n 6-en onze ervaringen uitgewisseld, een beetje gecommuniceerd, maar nu blijkt toch weer dat ik de enige ben die de concentratie kan opbrengen er enige reuring in te brengen.’
Ik keek nog even om me heen. M’n buurman grinnikte nog steeds. Ik sloot m’n gulp.
‘’t Had zo leuk kunnen zijn.’
Ik liep de hoek om & gaf de toiletdame 30 cent.

Er kwam een dame achter me staan. In de rij voor de Utrechtse bock. Ik keek om.
‘Hé,’ zei ik, ‘jij bent klein zeg.’
‘Ja, lekker toch?’
‘Nou, dat zal best. Maar ik keek achterom & dacht dat ik tegen borsten aan zou kijken, maar toen bleek ’t je neus te zijn.’
‘Die lijken nogal op elkaar,' zei ze ironisch.
‘Dat dacht ik ook meteen. Maar ik ben zo vrij om niet te verzoeken dat aan te tonen. Dat heb ik liever niet. Hoewel ik er heus in m’n dagelijks leven gerust naar kijk, naar dat soort manifestaties van ’t vrouwelijk lichaam. Maar ik vind ’t eigenlijk momenteel niet erg gepast, snap je, nu ik in de rij voor een glas bockbier sta. Ik vind dat ik me daar even op moet concentreren.’
‘Er is toch niks mis met m’n neus?’
‘Nee, absoluut niet. Vooral niet, omdat-ie in geen velden of wegen op een stel borsten lijkt. & Hij is perfect in balans met de rest van je lichaam, waarbij ik natuurlijk doel op de lengte ervan. De juiste proporties, zogezegd. Maar nu ik er overigens wat beter naar kijk: er zit wel een puistje aan te komen. Precies bovenop.’
Ze bracht automatisch haar vinger naar haar neus.
‘Ja, daar,’ gaf ik aanwijzingen, ‘& dan ietsjes opzij. Op ’t puntje. Als je neus nou op je borsten had geleken, dan had je ’t waarschijnlijk meteen kunnen zien.’
Maar ik was aan de beurt. Ik kon niet verder helpen. Bij inlevering van een fiche kreeg ik een Utrechtse bock overhandigd.

Met m'n gevulde glas in de hand kwam ik iemand van de organisatie tegen. We wisselden wat korte gebaren. Lachten om de grap die achter de gebaren zaten. & Weer moest ik denken aan de openingstoespraak. Dat er iemand moest zijn die 't festival officieel zou openen.
Maar opnieuw durfde ik mezelf niet voor te dragen.

Toen ik vanochtend voor de 1e maal vandaag in de spiegel keek, ontwaarde ik een witte punt tussen de haren die zich tot een snor aan ’t vormen waren. Van een andere soort dan 't meisje op haar neus had. Ik wilde nog niet er aan denken hem te moeten verwijderen. Dat was iets voor later op de dag.

Voorlopig 1st de mond een tijdlang gesloten houden in Zijperspace.

toiletpapier (6)

‘Gaat ’t weer een beetje?’ werd er naar binnen geroepen.
Ik had de deur openstaan. Net in de deuropening m’n band geplakt. Ik verzamelde de nodige spulletjes die ik nodig had om ’t Bockbierfestival door te komen. 3 Repen Kitkat Crunch, 2 boterhammen, 1 zakdoek, lippenzalf. Je weet maar nooit. & Een zooitje lege flessen die ik onderweg ergens zou dumpen, zodat ik bij thuiskomst na afloop toch ’t idee zou hebben dat ’t huis er niet zo wanordelijk & alcoholisch erbij lag als m’n hoofd waarschijnlijk op dat moment zou zijn.
Buurvrouw Suze stond naar haar deur voorovergebogen. Met een fiets volgeladen met boodschappen. Ik zag ‘r in de verte, ik heb de langste gang van Nederland, nog net lachen.
‘Ja, ’t gaat wel weer,’ antwoordde ik.
De avond ervoor had ik aangebeld. Nico, haar vriend, deed open. Z’n hond stond zich bij z’n benen nieuwsgierig op te dringen.
‘Misschien een rare vraag,’ begon ik toen.
’t Was helemaal geen rare vraag, dacht ik tegelijkertijd. Ik wist alleen niet hoe ik anders moest beginnen. Hoewel je nog geen 20 meter van elkaar vandaan woont, zie je elkaar lang niet elke dag, kan je weken achter elkaar geen woord met je buren wisselen, gewoon omdat je andere ritmes hebt, op een ander tijdstip ’t huis verlaat, waardoor je, als ’t dan zover is, je toch een zinnetje moet zeggen die de rest van ’t gesprek moet introduceren. Alle begin is moeilijk, zou m’n Oma gezegd hebben.
Bovendien had ik nog nooit een kopje suiker van m’n buren geleend.
‘Ik zit al de hele dag thuis,’ ging ik verder, ‘want ik heb een beetje diarree.’
Een "beetje". Een pars pro toto zou je dat kunnen noemen.
‘Maar nou is m’n wc-papier op.’
Vindt dan maar ‘ns een buur die niet spontaan een rol te voorschijn haalt.
Ik moet toegeven: ’t verhaal was natuurlijk perfect. Niemand die bij zo’n verzoek de tranen droog houdt.
Nico gaf me een rol aan.
‘Had je ons binnen horen komen?’
Dat was de reden waarom ik er op gekomen was even aan te bellen. ’t Gestommel van man & hond op trap verried wie van de buren ’t huis was binnengetreden.
‘Ja, ik zal je maar niet vertellen waar ik zat op ’t moment dat ik jullie hoorde.’
Understatement. Is leuk om je eigen toiletgedrag even op de korrel te nemen. Nooit jezelf te zielig doen voorkomen. Altijd er om kunnen lachen. Ook al is ’t met een flauw grapje.

Suze dus. De volgende dag. Ik beter. Zij belangstellend. Daar was is gebleven.
‘Want ’t was best wel erg,’ zei ik.
Ik liep wat meer naar de deur. Op een afstand van meer dan 10 meter vond ik een beetje raar praten.
‘Ik stond hier gisterochtend,’ wijzend naar de wc-deur die ik ondertussen passeerde, ‘& ik kon niet beslissen of ik nou op de wc-bril zou gaan zitten of m’n hoofd boven de pot zou houden.’
Vond ik mooi om ’t zo te vertellen. Eigenlijk zou een mens alleen maar verhalen moeten vertellen die meteen tot de verbeelding spreken. Waarbij men onmiddellijk een beeld voor de geest krijgt.
‘Heb jij dan geen wasbak voor je wc-pot staan?’ vroeg Suze.
‘Jawel, maar die staat net te hoog. & Ik dacht dat-ie mogelijk te klein zou zijn.’
‘Maar dan had je er toch een teiltje bij gepakt. Je hebt toch wel een teiltje of een emmer.’
‘Dat wilde ik ook wel, maar ik durfde me niet te verroeren. Ik was bang dat als ik van de wc weg zou lopen, dat ’t dan zou beginnen. Dan zou ik in die zieke toestand m’n huis moeten gaan schoonmaken. M’n lichaam stond onder hoogspanning. Uiteindelijk ben ik toch maar gaan zitten.’
Ik lachte er een beetje bij.
‘Ach, dan was je best wel zielig,’ zei Suze. ‘Ik stond daarnet in de supermarkt & toen dacht ik helemaal schuldig: “Ik had even bij Ton moeten aanbellen om te vragen of hij ook nog wat nodig had.” Maar gelukkig ben je al helemaal beter.’
Lief, hè. Zulke buren heb ik dus. Midden in Amsterdam.
‘Mwah, ’t rommelt nog een beetje,’ zei ik vergoelijkend, om toch nog iets te vergoelijken te hebben, ook al was er niets te vergoelijken, ‘maar ik vond dat ’t maar ‘ns afgelopen moest zijn.’

Volgende keer dient men uit te zieken, ook al is er niks uit te zieken in Zijperspace.

bockbier

We hadden strippenkaarten. Met 5 strippen. Elk nr op de strippenkaart stond voor 2 soorten bockbier. Zodat je in ieder geval 5 soorten bockbier had gedronken aan ’t eind van de middag. Met optimale korting. Mensen moesten immers gestimuleerd worden de strippenkaart te nemen. Dan hadden we de beste kans dat we alle bockbieren zouden verkopen.
Ik stond achter de bar. Vanaf 2 uur ging die open.
M’n broers hadden de vloer opgevrolijkt met herfstbladeren. Volgend jaar, spraken we elke keer af, zouden we ook een echte bock nemen. Die zouden we aan een bank vastbinden. Of we zouden de box van vroeger gebruiken. Waar we allemaal als kind nog in hadden gespeeld. Nog leuker.
Remco, Remco & Richard kwamen als 1en binnen. Dat was traditie. Die moesten laten zien dat ze toch minstens 2 strippenkaarten bockbier konden drinken. Ze waren vrolijk. Maakten de 1e flauwe grapjes. & Dronken bockbier.
De baas zelf kwam een uurtje na openingstijd. Hij dronk alleen maar Chouffebock. Dat vond-ie ’t lekkerst. ’t Enige bockbier dat lekker was, eigenlijk, vooral ook omdat ’t de enige van de tap was.
Behalve hij liep iedereen met een touwtje om z’n nek. Alle strippenkaarten waren van een touwtje voorzien. Een jeukend touwtje, sisal, zodat je zeker wist dat je ‘m nog steeds bij je had.
’t Begon tam. Mensen waren net wakker geworden. ’t Was immers weekend. Lichte kater van de dag ervoor, die weggedronken moest worden met bock. Voorzichtig nippend verdween gister.
De muziek ging harder. Voor de sfeer. & Soms juist weer niet. Zodat de volgende ronde flauwe grappen gehoord konden worden. Men had nog hangende schouders rond dat tijdstip. Ellebogen op de bar. Beiden. De lachen die weerklonken waren nog schamper.
Iemand had soep gemaakt. Bruine bonensoep. Dat hoort bij de herfst. Dat hoort bij bockbier. Met stokbrood. & Elk jaar werd er op ’t laatste moment, terwijl ’t aan de bar opgewarmd werd, de inhoud van een flesje bockbier aan toegevoegd. ’t Moest wel in stijl blijven. Bruine Bonen BockBiersoep.
Gister werd vergeten. De muziek ging nog ietsjes harder. Alleen bij echt goede nrs. Mensen schaften hun 2e strippenkaart aan. Ik hoefde niet meer achter de bar, werd vervangen, & dronk onbekommerd mee.
& ’t Was gezellig, we hadden lol, we deden aan barsurfen, een speciale sport die slechts bij ons bestond, we maakten grappen, deden stoer, maar maakten vooral grappen, & haalden iedereen die nieuw binnenkwam over ook aan ’t bockbier te gaan, maar ook weer niet te veel, want er moest wel wat voor ons overblijven, & dronken verder, een volgende strippenkaart vol, of leeg, dat wisten we op gegeven moment niet meer. & M’n broer draaide muziek die wij leuk vonden & soms ook niet.
Maar we lachten vooral, dat weet ik nog, want bockbier, dat was de leukste tijd van ’t jaar, zeiden we tegen elkaar, behalve dan je eigen verjaardag.
& Op een gegeven moment gingen we naar huis, moesten we wel naar huis, omdat we niet meer konden. ’t Was hartstikke gezellig geweest, al wisten we niet meer waarom, waarschijnlijk door ’t bockbier, we wisten dat we hadden gelachen, ieders lach werd nog even tevoorschijn gehaald, maar de werkelijke reden waren we kwijt, we moesten naar huis.
Eigenlijk wisten we alleen nog maar hoe ’t begonnen was. Tam, nog denkend aan gister. Dat zouden we de volgende dag waarschijnlijk weer doen. Denken aan gister.

De bockbiertijd is de mooiste tijd van ’t jaar in Zijperspace, behalve dan je eigen verjaardag.
(Vanmiddag gaat ’t jaarlijkse bockbierfestival beginnen, ziet u).

muren

Er zouden geen muren omheen moeten zitten. Om ’t ziek zijn. Ik zou me vrijelijk moeten kunnen bewegen. Dan zou ik ’t durven ondergaan. Dan zou ik er geen moeite mee hebben dat ik 5 minuten lang naar ’t plafond lig te kijken, onderzoekend welke gezichten, stripfiguren zijn te herkennen in de structuur van ’t systeemplafond.
Die muren bestaan niet echt. Ook al zouden ze fysiek aangewezen kunnen worden. ’t Is eerder een idee-fixe. ’t Gegeven van muren heeft zich genesteld in m’n hoofd, ooit, lang geleden, toen ik perse 's avonds de stad in wilde om niet te missen wat er gemist kon worden.
(Daar zou de ziekte van Graves ontstaan moeten zijn).
Ik hyperventileerde op de fiets. Ik voelde hartkloppingen. Soms dacht ik dat ik de fietstocht van hooguit 15 minuten niet zou overleven. Ik was verbaasd als m’n ademhaling weer op orde was op ’t moment dat ik de deur van ’t café opendeed, m’n vrienden tegenkwam.
Nou ja, vrienden. Was dat ook niet een concept, geschapen in m’n hoofd naar voorbeeld van anderen? Vriendinnen had ik, ben ik altijd blijven houden, maar met vrienden heb ik me nog nooit op gelijk niveau bevonden.
Ik moest de deur uit. Weten wat zich buiten afspeelde. & Als ik daar was, had ik ’t idee dat dat ’t enige universum was dat werkelijk bestond.
God was waarschijnlijk degene die de decors verwisselde. Hij liep voor me uit. Creëerde nieuwe settings, om mij te doen geloven dat ik bestond. Dat de rest ook bestond.
Tot ik achter zijn Wezen kwam, zijn Zijn. Tot ik er achter kwam dat-ie me iets voorspiegelde. Dat-ie alle decorstukken in dienst stelde van míjn bestaan.
God was overigens razendsnel. Als ik plots op m’n stappen terugkeerde, hem probeerde te verrassen, had-ie de situatie zo aangepast dat ’t leek alsof er tijd voorbij gegaan was.
Toen ik ‘m doorkreeg bestond-ie niet meer. Hij had ernaar gestreefd zichzelf op te kunnen heffen. Ik heb ‘m aanvaard, of eigenlijk z’n aan- dan wel afwezigheid me eigen gemaakt, & de boel de boel gelaten. Maar een gedeelte van z’n decors liet-ie achter.
Die muren bijvoorbeeld. Elke keer als ik ziek ben, worden ze weer neergezet. & Wil ik ze slechten. Ik wil naar buiten, zien wat die anderen doen, ook al zijn ’t er verschrikkelijk veel & weet ik inmiddels dat ik niet alles kan volgen.
Maar m’n eigen beperkte wereldje wel, denk ik dan eigenwijs.
Ik vind massa’s ook veel minder leuk dan weleer. Ik wil m’n eigen positie kunnen bepalen. Een goed uitzicht hebben. Controle. De grapjes maken die ík leuk vind. Aandacht geven als ’t vederlicht kan, als ’t geen onoverkomelijke verplichtingen met zich meebrengt.
Ik ben een beperkte barman.
Een regisseur wilde ik nooit worden. In tegenstelling tot ieders ambitie binnen m'n studie.
Toeschouwer. Dat wel. Ik wilde zuchten om, een enkele keer commentaar leveren over andermans lot. Zien hoe de decors wisselden.
Bij die massa’s, waar ik ‘t net over had, dacht ik ook toeschouwer te zijn. Ik zag iedereen, dus keek ik, zo was m’n veronderstelling. De decorstukken waren voor mij opgesteld. Dat was in de tijd dat God nog bestond.
Momenteel denk ik dat er te weinig variatie plaatsvindt. Ik weet niet waar ik ’t vandaan haal. Ik kan mezelf niet gerust stellen. Dat er morgen nog een dag is. Dat er een eind aan alles komt, dat moet ik onderhand toch wel ‘ns weten, verwijt ik me op zo’n moment.
’t Is vooral de angst dat die ene seconde zich onverhoeds gaat uitspreiden over een uur; bijvoorbeeld een uur. Dat ’t samengebalde zich uitvouwt & onoverzichtelijk, of eigenlijk overdonderend wordt. Niets ontziend, ook mijn muren niet.
Die vervelende stripfiguren aan ’t plafond. Je bent er na 5 minuten hondsmoe van (& horendol, dat vind ik nl ook een mooi woord).
Dan vind ik dat die muren er beter niet kunnen zijn. Ik hoop dan toch een reden te vinden wel ’t huis te mogen verlaten.

Maar uiteindelijk blijft Zijperspace beperkt tot Zijperspace.

rudbeckia

‘Ik ben net wakker. Ik ga proberen zo snel mogelijk de trein te nemen. Maar ik weet niet of dat nou 10 voor 9 of 10 voor ½ 10 wordt.’
‘Is goed. Je kan me zeker niet bellen, want je hebt nog steeds geen mobiel, toch?. Maar je hebt toch wel een sleutel van ’t huis? Heb ik je laatst gegeven, dacht ik.’
‘Nee, kan ik me niet herinneren. Dus daar zou ik maar niet van uit gaan.’
‘Ik ga in ieder geval nu nog even douchen. & Dan om ½ 10 naar De Koogh. Ik ben waarschijnlijk wel op tijd terug.’
‘Dan zie ik je straks wel.’

‘Hoe is ‘t?’
‘Niet zo goed. Hij herkende me niet meer.’
‘Oh?’
‘& Hij hing met z’n hoofd scheef. Hij wilde bijna niks drinken. Ook niet eten. Ze hebben geprobeerd hem z'n koffie met zo'n tuitje te laten drinken, maar dat ging ook niet.’
‘Hoe kan dat zo plots?’
‘Hij heeft een ander medicijn gekregen. Ik denk dat dat 't is.’
‘Hoezo?’
‘Dat weet ik ook niet. Ik heb Theo geprobeerd te bellen, maar ik kreeg een rare engelse stem.’

‘Hoe heet die plant, Ma, die daar, die nog steeds bloemen heeft?’
‘God, hoe heet die ook alweer?’
‘Ik heb ‘m in mijn tuin ook staan. Ongeveer net zo veel als jullie hier hebben.’

‘Ben je nog naar De Koogh geweest?’
‘Nee, dat doe ik voorlopig nog maar niet.’
‘Huh?’
‘Na de vorige keer leek me dat beter. Toen hield ik ’t niet meer. Ik word er veel te emotioneel van.’
‘Ja, dat snap ik. Ma wel, vandaag?’
‘Ja, vanochtend. Maar ’t gaat niet zo goed.’

‘Rudbeckia!’
‘Nou! Ik denk: ik loop weer naar binnen om te zeggen dat ’t best wel ‘ns rudbeckia kon zijn. ’t Schoot me opeens te binnen toen ik z’n gele bloemen zat te bestuderen.’
‘Ja, rudbeckia moet ’t zijn. Die bloeit altijd tot ver de herfst in.’
‘Ik zal ’t straks nog even op internet controleren.’

‘’t Kan toch niet? Ze hebben gewoon een andere medicatie gegeven. Zonder dat jij ingelicht bent. Dat kunnen ze toch niet doen.’
‘Ik probeer al de hele tijd met de dokter in contact te komen. Maar hij is er steeds niet. Ze zouden me bellen als-ie er was.’
‘Dan wel zeggen dat ’t echt niet kan.’
‘Ja, ik weet ‘t. Ik zal ’t zeggen.’

‘Hij zei dat hij ook niet wist hoe ’t kwam. Waarschijnlijk komt ’t door een waarnemend arts.’
‘Maar dan nog zouden ze ’t niet zonder overleg met jou moeten doen. Dat kan toch niet zomaar?’
‘Nee, maar hij zei ook dat ’t misschien, vanwege z’n houding dacht-ie dat, hij wilde ’t toch maar zeggen zoals hij dacht dat de zaken mogelijk ervoor stonden, rechttoe rechtaan, zei hij, dat ’t misschien een lichte beroerte was. Vanwege de houding. Maar hij heeft in ieder geval ‘t oude medicijn weer gegeven. Die werd tijdens m’n bezoek gegeven.’

‘Hoe was jij er zelf onder? Toen Schendelaar er was?’
‘Ach, dat ging wel.’
‘Ik hoorde dat je ’t er zelf ook moeilijk mee had.’
‘Ja, zogauw Ma ’t moeilijk heeft, dan houd ik ’t zelf ook niet meer.’

‘Hé, Ma. Kijk ‘ns.’
‘Ja, dat lijkt er wel op, hè.’
‘Ik zal ’t plaatje even uitvergroten.’
‘Ja, dat is dezelfde.’
‘Rudbeckia.’

M’n moeder was op een gegeven moment naar De Koogh. In de hoop dat ze de dokter zou zien. Ik bleef thuis.
Als ik verder wilde moest ik dat vooral doen. Ze wist niet hoelang ’t zou duren. Of ik wel de telefoonnrs wilde programmeren in de telefoon boven. & Haar mobiel in orde wilde maken.
Ik liep door ’t huis toen ik klaar was. Alles deed ’t weer. Ik schoof gordijntjes opzij op zolder. Alle Katholieke Illustraties die in de loop der jaren verzameld waren. Ik beschouwde de opgezette vogels. Kwartels vooral. Ik bekeek de boeken. Over mensen in de oertijd. Voor ’s avonds laat, vlak voor ’t slapen gaan. Ik zie ze zo zitten in bed. In ’t schijnsel van de nachtlamp. Als ik welterusten kwam zeggen.
Foto’s ook. De hele familie. Misschien wel 4 keer. Alle kinderen afzonderlijk. Stoere blikken. Geposeerd, soms ook niet. We waren een knappe familie, dacht ik, jong vooral. Ik snapte z’n trotse zinnen als-ie weer ‘ns de behoefte had ons te showen aan vreemden.
Maar alles is dood. Nostalgie hooguit. Ik voelde rillingen op m’n rug bij ’t zien van alle boeken over vogels, planten. Ik besefte me hoe kort die beestjes leven. Ik keek nog ‘ns naar hun opgezette lichamen, op de plank bovenaan de 2e trap. Voor altijd blijven ze ‘tzelfde.
Ze hebben me nooit verteld dat ’t leven afgelopen voelt als 1 van je ouders er niet is. Als je ‘m niet durft te zien, omdat je weet dat ’t ophoudt, stopt.

Er lopen plots alleen maar oude mensen door de straten van Zijperspace.

trager

Vannacht hadden ze de tijd langzamer gemaakt. De snelheid waarmee de wereld draaide hadden ze blijkbaar op een tandje minder gezet. Ik dacht dat 't had kunnen komen doordat ik m'n dekbedovertrek niet meteen had vervangen. Vlak voor slapen gaan was ik daar te lui voor. Hoeslaken al vervangen, kussenslopen ook; dekbedovertrek was een beetje te veel van 't goede zo rond dat tijdstip.
Zo zie je maar, je wordt overal meteen voor gestraft, dacht ik in 't middernachtelijk donker. 't Enige dat ik kon ontwaren waren de cijfers van de wekker. Die stonden nagenoeg stil. Waren niet vooruit te branden.
Hoe kon 't ook anders: ze hadden de tijd langzamer gemaakt.
Overigens was ik de enige die er last van had. Ik heb er meerdere mensen over geraadpleegd. Oa mensen die verstand hadden van computers. Want die zouden wel weten waarom de tijd niet vooruit kwam. Anders hadden ze vast wel hulpmiddeltjes om 't te verhelpen.
Ze hielden me voor dat 't iets met pingen van doen had. De tijd moest gepingd worden. Maar, daar kwam m'n dekbedovertrek weer, doordat ik de boel had verstoord, moest alles gereset worden.
Ik vond 't maar ingewikkeld. & Waarom ondernamen ze er dan niets tegen?
Och, ze vonden 't prima zo. Beetje rustig. Meer tijd binnen een uur.
Dat was ik wel met ze eens, maar 't leek alsof er niks gebeurde. Iedereen wachtte maar. Mensen aan de kassa, bij een pinautomaat, & bij de uitleen van de bieb. Ik hield niet van wachten, probeerde ik uit te leggen. Ik miste 't jachtige. Zonder jachtigheid kon 't leven toch niet bestaan?
Daar stond ik alleen in. Men ging gewoon door met waar men mee bezig was. Wachten vooral. Ze maakten grapjes naar elkaar als een bepaald apparaat wat langer na moest denken, of geheel geen reactie gaf. Dan schreven ze 't met de hand op. Alles. Om 't later pas weer in te voeren. Misschien zouden alle gegevens wel nooit meer ingevoerd worden.
De nacht zou wel heel lang gaan duren, besloot ik tegen ½ 7 's ochtends. Nog minstens 2 uur te gaan. Een oneindigheid in dit tempo. & 't Leek alleen maar langzamer te worden, de tijd. Ik vroeg me nogmaals af waar ik dit aan verdiend had, overwoog zelfs 't dekbedovertrek alsnog erbij te betrekken. Hoewel men mij verteld had dat dat toch niets meer zou uithalen.
De orde was verstoord, daar kon je niet eigenhandig maatregelen tegen nemen. Bovendien vond de wereld 't wel 'ns prettig, zo rustig aan.
Toen heb ik 't kussen, waar ik normaal tegenaan lig, 1 voor onder m'n hoofd, & 1 om tegenaan te liggen, benen er omheen geslagen, maar 'ns aan de andere kant gelegd. De wekker afgedekt. Ik ben nog wat gaan plassen & heb onderweg naar 't toilet voor 't komende ochtendgloren de helft van de gordijnen opengeschoven. Zodat 't toch m'n huis in zou vallen, zogauw 't eindelijk dan zover was. Ben weer gaan liggen. Benen weer om 't kussen heen, vanaf de andere zij.
& Traag ben ik weggezakt in een wereld die niet meer de snelheid wilde aannemen die ik voorstond.

Eigenlijk had ik gedacht dat 't helemaal niet toegestaan was in Zijperspace, & waarom had men geen veiligheidspal voor de tijd?

kung fu

Enge jongens zagen er in mijn jeugd al uit zoals enge mannen in films. Veel te dikke lippen, een eng gebit, ogen die scheef stonden, een vieze jas & een veel te grote mond. Dat laatste vooral als de lach weerklonk.
De jongen die ons toentertijd dwars zat, was verder ook nog dik, had grote handen, dikke vingers ook, veel vrienden om zich heen, & keek gemeen. Dat kon-ie heel goed, want hij had dat scheefgetrokken gebit ook nog mee. Nog geen rotte tanden, maar overal staken hoektanden langs z’n lippen naar buiten. & Ergens zat er een spleetje. Later zouden mensen daar trots op worden, maar in de tijd dat wij op de padvinderij zaten was dat nog niet ’t geval.
Iedereen in de Schooten kende hem. We vertelden elkaar dat-ie lid was van een bende. Dat-ie die bende zelf had opgericht. ’s Zaterdags zag je ‘m over straat struinen, door ’t winkelcentrum, met achter zich aan een club van minstens 6. Wij meden hem lichtelijk angstvallig.
Zijn club van vrienden was een bende, in onze ogen. Onze verhalen hadden dat er van gemaakt. In onze brave padvindersogen was de jongen allang al een bloeddorstig monster geworden, zonder dat we ‘m ook maar 1 persoon hadden zien aanraken.
Maar ’t was een vreemde wereld. De wereld van jongens die de straat afschuimden, terwijl wij met touwen knoopten, vlotten bouwden, vliegers knutselden, & sporen zochten.

Nu stond-ie tegenover ons. Op ’t pad richting ons clubhuis. Waar niemand kwam, behalve de eigenaar van de boerderij & de padvinders die lid waren van de Guldemond.
M’n broertje had iets tegen ‘m gezegd. ’t Zal wel iets ernstigs zijn geweest, want hij stond er dreigend bij, op de achtergrond omgeven door z’n 6 hulpjes. & Hij wilde er langs, zoveel werd mij duidelijk, toen ik als laatste de 2 partijen die tegenover elkaar stonden benaderde.
Er werd hem duidelijk gemaakt dat ’t terrein van de padvinderij was. Maar daar moest-ie om lachen. & Hij keek vervolgens weer dreigend naar m’n broertje. Die had nog steeds wat fout gedaan, of gezegd.
Hij deed een stapje dichter naar m’n broertje toe. Z’n brede lichaam liet zich van een andere hoek zien. Eigenlijk was-ie niet zo groot, meer breed, meer ondefinieerbaar, met een korte nek & een veel te grote kop daarbovenop.
Hij gebaarde naar 1 van z’n kameraden. Terwijl hij door ging met praten. Waarom-ie niet ’t terrein op zou mogen. Dat de Schooten van iedereen was. Er stonden nergens afscheidingen met prikkeldraad. & Wij woonden niet eens in de Schooten. Wij waren van die rijkeluiskinderen uit Nieuw Den Helder. Vast uit villa’s. & M’n broertje was een etterig jochie, die vooral z’n kop moest houden.
Hij zette nog een stap. Nog dreigender. M’n broertje moest wel uitwijken naar achter. Waardoor hij ondersteboven ging. Want ’t hulpje had zich op aanwijzen van z’n leider achter de rug m’n broertje genesteld. De oude truc, die wij echter alleen maar uit jongens- & stripboeken kenden.

De wereld was onrechtvaardig. Op dat ene moment besefte ik dat. Alsof me daarvoor nog nooit wat gebeurd was. Alsof ik nooit goed naar de televisieserie Kung Fu had gekeken. Alsof de wereld verdeeld was in mensen die alle situaties naar hun hand konden zetten & mensen die zich de gebeurtenissen moesten laten overkomen.
Ik wilde me er echter nog niet aan overgeven. Mij zou ’t niet gebeuren, ook al stond ik in ’t groepje van scharminkelige padvinders, werd m’n broertje door de tegenstander hardhandig opgepakt & keihard uitgelachen. Ik zou wel even laten zien dat Kwai Chang Cain mij een goede les geleerd had.

Ik zei dat-ie m’n broertje moest loslaten. Ik schreeuwde ’t misschien. Maar ik keek in ieder geval met de doordringende ogen van m’n grote voorbeeld. Zo voelde ‘t.
Ze keerden zich echter met z’n allen om, van de boerderij af, m’n broertje een arm om de nek, zodat-ie struikelend moest volgen. Ze lachten ons uit. De leider ’t hardst, in ’t oor van m’n broertje, z’n hulpjes schielijk, vluchtig achterom kijkend naar wat ze achterlieten.
Ik wist hoe je ’t moest doen. ’t Moest snel & onverwachts. Misschien niet van achteren, maar wel zo dat ’t effectief was. Aangezien ik niet de zelfde opleiding in een klooster had gehad als Kwai Chang Cain, zou hij mijn impulsieve handelen vast niet kwalijk nemen.
Dus sprong ik omhoog. M’n voet vooruit.
(Fout, dacht ik achteraf, je moet je voet pas op ’t laatste moment explosief strekken, zodat je tegenstander ook nog wat voelt van je trap)
& Raakte de rug van de tegenstander. Die niemand ooit eerder had durven aanraken. De enge gozer. Met scheve tanden. Z’n dikke lippen, waar altijd vocht op lag. Z’n vormeloze lichaam.
Hij bewoog amper onder mijn geweld.
Maar m’n broertje schoot los.

‘Je blijft van m’n broertje af!’ heb ik ook nog geroepen.

Ze moesten weer lachen. Om zo’n stomme trap. Die niets deed.
& Ze liepen verder. Van ’t terrein af. Ze gingen naar ’t winkelcentrum. Daar konden ze keten. Hier was ’t niks aan.

‘Je bent gek,’ zei m’n oudere broer. ‘Je gaat toch niet die gozer een trap geven?’
Maar ik vond dat ik de wereld had veranderd.

Kwai Chang Cain maakte deel uit van Zijperspace.

helling

Callantsoog of daaromtrent. De strandopgang. Hoewel me ook bijstaat dat ’t dichter bij Den Helder kan zijn geweest. Ter hoogte van Julianadorp ongeveer. Waar m’n oudste broer tegenwoordig verantwoordelijk voor is. Geloof ik. Vroeger stonden er bij dat gebouwtje tussen de duinen allemaal verschillende soorten dakpannen uitgestald. Men testte uit welke dakpan nuttig was. Energie en dat soort dingen. Zon ook.
Maar nu ik er goed over nadenk klopt die situering niet. ’t Was een strandopgang met 2 mogelijkheden om weer bij de weg te komen. Als je van bovenop de duinen de richting van de weg liep. Je kon naar links & naar rechts. Steil & breed. Alle strandafslagen waren gebouwd om ook toegankelijk te zijn voor gemotoriseerd verkeer. Hoewel de slagbomen altijd omlaag stonden.
’t Moet in de buurt van Callantsoog zijn geweest. M’n vader had daar een voorkeur voor. Vlak voor Callantsoog. Daar was ’t rustiger. Er was een weg ’t land in. De bollenvelden reikten tot de einder. Kale velden meestal in dat jaargetijde. & Daartussenin liep de weg waar we altijd de auto zetten, in de berm. Iedereen deed dat. Des te later je kwam, des te langer ’t traject tussen de bollenvelden in je moest lopen. Als je voortijdig vertrok kostte ’t moeite de auto eruit gemanoeuvreerd te krijgen. Handgebaren van degene die keek of ’t wel kon.
& Je kon links lopen, dan wel rechts, vanaf ’t strand. Of eigenlijk vanaf de duinen. ’t Strand ligt daar allang al achter je. Links naar beneden, ’t laatste stukje, of rechts. ’t Lag allemaal even ver van de auto verwijderd. Maar steil dus. Beide zijdes.
We moesten altijd denken aan de klimduinen in Schoorl. Net een dag strand achter de rug, met duinen. Veel kabaal & gerollebol. Zandkastelen. Dammen. Irrigatiewerken. Zandverstuivingen bij ’t afrollen van de duinen. Toen ’t nog kon. Helm verdroeg toen nog alle beschadigingen van kinderhanden. Anders hadden we Pa wel horen klagen.
De duinen waren achter de rug. We hadden slechts de steile helling omlaag richting auto nog. Links of rechts.
Rechts leek altijd te lang. De hoek richting pad ’t land in, de weg tussen de bollenvelden door, leek te ver verwijderd. Dus gingen we links.
Tenzij je een broer was & ouder & stoerder dan de rest. Oudere broers wonnen altijd. Die vonden altijd een nog sneller afsnijstukje rechts, nog steiler, tussen ’t helm door. Hun benen zagen achteraf rood van de spikkeltjes veroorzaakt door de punten van ’t helm.
Die konden ook van de spelletjes eerder op de dag zijn. De duinen aan ’t strand.
Carel was vooruit. Via rechts. Misschien via links. De weg die wij ook zouden nemen.
Ik was verliefd op m’n moeder. Hield haar hand vast. Ook die van Pa. We waren samen. Carel besefte dat niet. Er waren misschien nog wel meer broers die daar geen idee van hadden. Die waren zelfs Carel dan ver vooruit. Want ouder.
Ouder wint altijd.
‘Zullen wij ook rennen?’ vroeg ik, met de gigantische helling onder me nog te gaan.
‘Wie ‘t 1st er is?’ vroeg Pa. ‘Bij de slagboom?’
‘Ja,’ zei ik, waarschijnlijk naïef.
Maar ik liet de hand van Ma niet los. Ik wilde samen met haar winnen. Samen waren we onoverwinnelijk.
Tot ze op een gegeven moment zei dat ze niet meer kon. Zo snel als ik.
Ik dacht dat ik een klein knapie was. Een opsodemieter. Zo lieten m’n broers dat vaak voelen. & Nu kon m’n moeder niet meer mee.
Hoewel Pa er nog altijd 2 meter achteraan rende. We zouden winnen, als we maar volhielden.
Ik keek om. Zag m’n moeder mij heupwiegend volgen. Moeizaam, maar ze deed echt haar best. Aan haar gezichtsuitdrukking & haar zuchten was te merken dat ik een stukje te sterk was voor haar. Ik moest maar in m’n 1tje winnen van Pa, keken haar ogen.
Ik liet haar hand los. Zag haar afzakken. Pa was al snel ter hoogte van haar. Kneep. In haar dij. Ik die niks zag. Want moest vooral winnen. Ze lachten. M’n moeder & m’n vader. Ze lachten. & Terwijl ze vertraagd renden & ik won, ik kwam steeds dichter bij de slagboom, m’n broers lang & breed bij de auto, terwijl ik achterom keek, zo vaak ik kon, om te zien of de overwinning zeker gesteld kon worden, misschien was ik wel een wielrenner, we waren immers altijd wielrenners, Joop Zoetemelk of Hennie Kuiper, terwijl ik m’n doel bereikte, uitgeput, gelukkig, m’n moeder binnen handbereik, m’n vader die altijd stoer was & sterker dan de rest, maar toch niet zo snel als ik, sloeg die vader van mij, terwijl m’n broers niets doorhadden, want ze stonden allang al bij de auto te wachten op de trage rest van de familie, een arm om m’n moeders heupen, glimlachte, m’n moeder glimlachte, ze daalden nog steeds, schijnbaar uitgeput, & m’n vader gaf een kus.
Op de wang van m’n moeder.
Terwijl we wel met 100 km per uur ‘t duin afdaalden.
Ik won.

Uren later arriveerde de rest van de bevolking van Zijperspace.

geachte lezer,

’t Zal u niet ontgaan zijn dat ik ’t moeilijk heb. Misschien wel moeilijker dan men zich voor kan stellen.
M’n vader is de deur uit. Hij is weg bij m’n moeder.
’t Kon niet anders. Zo zou ’t beter zijn voor beiden, heeft m’n moeder ‘m geprobeerd uit te leggen. Hij begreep dat, zei hij op gegeven moment, met alle beperkingen die hij heeft om z’n gevoelens te uiten.
Maar net als hij snap ik ’t waarschijnlijk nog steeds niet. Niets mag ophouden, vind ik altijd, wil ik altijd vinden. Mensen mogen elkaar niet verlaten, zogauw ze hebben besloten van elkaar te houden, hun leven lang. Ik zou willen dat we dat zo simpel konden stellen.

Ik heb de afgelopen 2 jaar veel aandacht aan m’n vader besteed middels m’n weblog. ’t Zal de vaste lezers onder u vast niet ontgaan zijn. Of mensen die hun blik verder hebben laten gaan dan de tekst die hun in ’t midden van ’t beeld werd voorgeschoteld.
Met enige moeite is die stroom aan teksten over m’n vader op gang gekomen, ik kan me herinneren dat ik 't in ’t begin zwaar had iets over m’n vader op ’t internet te plaatsen, maar toen ik 1maal wist waar ik mee bezig was, wist wat voor voorvallen ik moest vastleggen om vooral niet verloren te laten gaan, toen is er een continue vloed van verhalen over mijn herinneringen aan & de gebeurtenissen met m’n vader op gang gekomen. Nog lang niet volledig, gekleurd door degene die ’t allemaal opgeschreven heeft, maar niet minder dan een poging een monument voor m’n vader te bouwen. Voordat ’t te laat was. Voordat hij & de herinneringen aan zijn persoon verloren zouden zijn, vervaagd.
Want ’t lijkt alsof hij, naarmate zijn persoonlijkheid meer uit ’t oog verdween, uit ’t beeld zoals wij gewend waren hem te zien, vervaagde, een schim werd van de man die hij ooit was. Niet om minder van te houden, maar ’t kost zoveel moeite te beseffen, uit je hoofd te zetten, dat die man ooit beter was, in betere geestelijke conditie, rondliep zonder de ziekte van Parkinson, zonder Alzheimer. Een mens wil over ‘t algemeen dat z’n vader altijd dezelfde sterke man blijft die hij ooit was. Zeker met een vader als mijn broers & ik hadden (‘hadden’; ik zeg al ‘hadden’).

De huidige buurman van m’n ouders stuurde me een meeltje waarin hij omschreef hoe hij m’n vader zag als een éminence grise, vooral ook omdat m'n vader een man bleek die alles wist over vogeltjes & plantjes. Een man die hij met graagte zou aanspreken met ‘u’, vanwege de verdienste, vanwege de uitstraling die m’n vader had. Een man zoals ik me zelf ook slechts een enkele docent weet te herinneren, een enkeling die een dergelijke waardering weet te behalen. Ik was trots toen ik ’t las, ik zag niet meer de strenge vader die een enkele keer een afstraffing uitdeelde, ik zag niet de man die een zuidwester droeg voor ’t raam van de caravan & die wij zoons gezamenlijk uitlachten, ik zag de man niet die 100-en kms lang Henk Elsink & Toon Hermans draaide onderweg naar Zwitserland, ik zag niet meer de man die directeur was over een bunder meiden & hun docenten, ik zag niet de man die met liefde met sinterklaas z’n spaargeld opgaf om uit te geven aan cadeaus voor zonen, schoondochters & kleinkinders, ik zag niet meer de man die je emotioneel moeilijk kon bereiken, ik zag een man die trots op zich afriep, die van m’n moeder hield, een dansje maakte, z’n haren naar achteren kamde, z’n geuren achterliet in onze neuzen & z’n eigen eigenwijze neus naar voren stak.
Hoe een klein zinnetje een leven op een minieme wijze belicht. Z’n eigen ingang geeft. Elke gebeurtenis maakt een andere herinnering los, kleurt een ander beeld van de man die hij ooit was. & Kleurrijk kon je m’n vader zeker noemen.

We praten er over. Ik & m’n broers. Ieder op onze eigen manier. Met broers, met schoonzussen. Ik merk dat ik er niet meer zo goed in ben. Ik ben te lang vrijgezel. Ik heb ’t te lang, te veel jaren, alleen moeten oplossen. Sorry dat u daar slachtoffer van bent. M’n weblog blijkt een manier om emoties te ventileren, een methode die ik anders niet had gehad.
Maar ik ben kritisch. Ik mag niet zomaar over m’n vader schrijven. ’t Moet zich voegen in een groter geheel. ’t Moet mooi zijn, aan een bepaalde zelf gestelde standaard, kwaliteit, voldoen. Ik vind dat ik moet proberen literatuur te schrijven zogauw ’t over m’n vader gaat. Ik moet in ieder geval de moeite nemen daar te komen. Waarbij ik hoop dat men mij 't gebruik van dit woord niet kwalijk neemt.

Ik schreef van de week Marjolijn nav een meeltje van haar:

Of ik er op een natuurlijke manier mee om ga weet ik niet, 't is op zich natuurlijk heel gek dat je je gevoelens omtrent je vader & z'n langzame vertrek naar ver van hier, waar wij 'm niet meer kunnen vatten & hij ons niet; dat je die gevoelens vertaalt in verhalen die je plaatst op internet. Ik blijf 't een rare combinatie vinden, maar wel 1 die bij mij klaarblijkelijk werkt. 't Verduidelijkt mijn standpunt, mijn gevoelens. Mijn manier van dingen op een rijtje zetten wordt er mee vergemakkelijkt; ik stop ze niet weg, zoals ik vermoedelijk zonder weblog wel gedaan zou hebben.
Natuurlijk dus niet. Maar 't werkt wel.


& Dat ik:

perse alles wilde betrekken in de stukjes die ik schreef. Dat alles bij elkaar moest komen. Dat ik niet zomaar verslag wilde doen van 'tgeen ik dacht over m'n vader & z'n bijbehorende toestand, maar dat ik wilde dat elk stuk dat ik daarover zou schrijven iets moois zou zijn, iets diepers dan men elders op internet kan vinden, niet iets onbenulligs. Dat m'n vader dat verdiend heeft. Dat ik daarom schijnbaar op de achtergrond liggende gedachtes tevoorschijn moest halen, naar voren moest brengen, ze moest combineren tot iets meer dan gewoon een vertelling.

Wellicht te hoog gegrepen, zou men denken, maar ik heb in ieder geval een poging gewaagd. Ik denk dat m’n vader die poging verdiend heeft.

Gister raakte ik een ietwat van streek. Ik wist niet meer wat ik moest denken over de toestand van m’n vader. Ik was te ver weg geweest. Met m’n gedachtes, m’n redenaties, m’n oordelen over wat beter zou zijn. Voor m’n vader, voor m’n moeder.
M’n broer was plots langs. Jan. Met z’n vrouw & kinderen. Op m’n werk. Even een paar biertjes drinken bij mij. Terwijl ik aan ’t werk was. Hij was met z’n gezin in Amsterdam, ’t was nog herfstvakantie, & wilde nog even bij mij langs. Had me gebeld, had aan de deur gebeld, & was uiteindelijk op m’n werk aangekomen.
’t Enige waar we over konden praten was m’n vader.
‘Wist je,’ zei hij, hij onderbrak daarbij zelfs een zin van mij die ’t gesprek een andere kant op wilde doen manoeuvreren, ‘dat Pa gisteravond gehuild heeft?’
Brok in keel. Ik had de gevoelens van m'n vader, z’n vermogen tot begrip, verkeerd ingeschat.
‘Ik vroeg toen aan Theo,’ ging Jan verder, ‘heb jij Pa dan ooit zien huilen?’
Nee, dat kon Theo zich ook niet herinneren.
Ik zag alleen maar een vader die intens van m’n moeder hield, die krampachtig moeite wilde doen bij m’n moeder te kunnen blijven, maar daar ’t vermogen dit uit te drukken niet meer voor bezat. Ook de kracht niet meer.

Ondertussen ben ik bezig verslag te doen van m’n eigen verhaal. Zolang woorden voor míj toereikend zijn. Elk woord dient gewogen te worden. Want ik heb te maken met iemand die ’t niet meer machtig is. Ik waag een poging ’t verhaal van iemand te vertellen. Zonder die persoon daarvan op de hoogte te stellen, zonder ‘m te raadplegen. Eigenlijk m’n eigen verhaal, waarin m’n vader een belangrijke rol speelt, dat wel.

Ik zal heus nog wel stukken tekst middels deze weg over m’n vader publiceren. Maar ik besef terdege dat we op een keerpunt terechtgekomen zijn, mijn familie & ik. We hebben een grens overschreden. We zijn een pad ingeslagen die we niet terug kunnen gaan. We weten niet wat er hierna met onze vader gaat gebeuren, maar we weten wel dat ’t zeker niet beter met ‘m zal gaan. Hij zal steeds meer stappen zetten, moeizame stappen, verder van ons weg, maar wij hebben ‘m eigenlijk gedwongen een wel zeer grote stap te nemen, daadwerkelijk weg bij m’n moeder.

Ik wil m’n weblog niet geheel vullen met alle emoties die momenteel op me afkomen. Dan krijgen de lezers misschien een overdosis voorgeschoteld. & Ziet men door de torenhoge bomen aan emoties ’t bos van ’t werkelijke gevoel niet meer. ’t Geheel zal er niet leesbaarder van worden. Ik zal moeten doseren. Ik wil een monument neerzetten dat ook door anderen mooi bevonden kan worden.

Maar mocht men denken: wat is ’t stil hier? Of: wat schrijft-ie nu weer voor onzin? Dan weet men dat ik ergens anders mee bezig ben. Dat ik me even verschuil.
Ik denk niet dat ik ’t beter kan uitleggen.

Dus laten we ’t maar hierbij in Zijperspace.

subwoover

Subwoover. Subwoover.
’t Woord spookt door m’n hoofd. Ik lig in bed nog te genieten van ’t teveel van gisteren. Boven begon er op een gegeven moment muziek. Juist toen ik veel te vroeg wakker werd.
¼ Over 8 is geen tijd om op je vrije dag op te staan. Zeker niet als je na 2-en op de bank in slaap bent gevallen. Niet meer gewend.
De muziek weerklonk. Van de bovenburen. Of van buiten. Ik wilde er geen aandacht aan besteden. Erger was de subwoover.
Subwoover. Subwoover. Subwoover.
Ik weet niet eens hoe je dat moet schrijven. Misschien wel subwoofer.
Wat is ’t in godesnaam? Heb ik er wel eerder van gehoord of word ik beïnvloed door nachtelijke dromen? Op dit moment is 't niet meer dan een woordje dat m’n brein lastig valt. Maar niet zomaar een woordje. Om de paar seconden duikt ’t op. Laat ’t zich spellen. Waardoor ik in paniek raak over de betekenis van ’t woord.
Subwoover. Of subwoofer. Subwoover. Subwoover.
Ik heb manische gedachtes. Die raak ik nooit meer kwijt. Vanaf vandaag zie ik mezelf gedwongen tot in de eeuwigheid subwoover te herhalen. Of subwoofer. Door de twijfels over de spelling, over de waarde van ’t woord, zal ik er niet vanaf raken. Psychiatrische hulp zal nodig zijn.
Subwoover.
Hoewel ik weet dat ik sterk ben. Ik kan dingen vergeten. Gewoon me richten op iets anders manisch.
Subwoover. Subwoover.
Ik laat ’t doorpruttelen. Ergens op de achtergrond. Dan kan ik tegelijkertijd over de rest van de dingen nadenken.

Een uur later sta ik in de keuken. Voor een veel te vroeg ontbijt voor een vrije dag. Je gaat niet ontbijten om ½ 10 als je nog een hele dag te gaan hebt, & als je weet dat je elk moment neergeslagen kan worden door de plots opdoemende vermoeidheid. Valt-ie me van achter in de rug aan. Plots. Net als ik ’t niet verwacht.
Ik heb 3 boterhammen ontdooit. Die moeten nog versierd worden met beleg.
Ik pak de veel te vette sardinella’s in tomatensaus. Anders is ’t te laat. Ik had er al plastic omheen gedaan, zodat ’t niet te snel zou bederven. ’t Enige wat ik kan doen is ze zo snel mogelijk opeten. Gewoon op de boterham. Hoewel ze veel te vet zijn. & Te vochtig.
Maar dat laatste bedenk ik me weer ‘ns te laat. De tomatensap loopt al over m’n vingers. De vingers die nog niet besmeurd zijn proberen de stroom een halt toe te roepen. ’t Sijpelt over de rand van de dubbelgeslagen boterham. Ook door ’t gaatje aan de onderkant. Precies in ’t midden.
M’n duim speelt de wijsvinger van Hansje Brinker. Een uitstekende rol. Een Oscar waardig.
& Dan is ’t niet ‘ns pittig genoeg. Ik heb de boterhammen al dubbelgeslagen, er zit er zelfs al 1tje voor de helft in m’n mond, voordat ik bedacht dat sardinella’s wat extra’s nodig hebben.
Aardappelchutney & mangochutney. De laatste net nieuw. Hartstikke heet, heb ik van de week al voorgeproefd. De 1e is bijna op. Ik weet niet of ’t wel aardappelchutney is. Er zat geen etiket op. Die surinamers verkopen af & toe maar wat. Voor hun & de reguliere klanten is ’t allemaal gesneden koek. Ik laat me elke keer verrassen.
Misschien moet ik ze maar bij elkaar gooien. Ik neem een proefje of ’t past.
Ik roer door de mangochutney. Met m’n mes. Die steekt er diep in. Ik probeer de vette olie naar beneden te drukken & de mangoreepjes omhoog te werken. Als ik over ’t randje van ’t potje mors lik ik met m’n vinger de olie weg.
Kan ik beter niet doen, bedenk ik nog, maar de drang is groter. Ik moet. M’n vinger is al onderweg.
Met m’n mes pik ik wat stukjes chutney uit ’t potje. Leg ’t op zo’n sardinella. (’t Staat er toch echt. Sardinella. Voor € 0,70 per potje. Ik kon er ook 10 voor slechts € 5,- kopen. Maar dat vond ik overdreven. Ik krijg er toch op een gegeven moment genoeg van. De 1e sensatie is leuk, daarna wordt ’t alweer saai.)
Chutney op de sardinella, sardinella op ’t brood, brood in de mond, net als vinger, want die is ook weer bekliederd geraakt onderweg. Maar mes is ook vies; moet ook de mond in.
Ik kan niet anders dan in de keuken m’n brood verorberen, want ik maak er een zooitje van. De spetters rood vallen op ’t aanrecht. Als ik er een spikkeltje bruin tussen ontdek, duikt m’n vinger er achteraan. Da’s chutney, denkt m’n vinger verlekkerd. De aparte onderdelen hebben ’t van m’n denkraam overgenomen.
& Dan begint ’t weer.
Subwoover. Subwoover. Of is ’t subwoofer? Subwoover. Subwoofer. Subwoover.

Kan iemand de knop omdraaien in Zijperspace?

meegemaakt

‘Hoe is ’t gesprek gegaan?’ vroeg ik.
‘Och, ’t ging,’ antwoordde m’n moeder. ‘Schendelaar kwam op een gegeven moment binnen. Quint was er ook bij. & Toen begon Schendelaar tegen Pa. “Ik heb misschien een wat minder leuke mededeling voor u,” zei hij. “Er is ruimte vrij in De Koogh. & Vanaf morgen wordt u daar dan opgenomen.” Maar Pa reageerde helemaal niet.’
‘Hij liet ’t over zich heen komen?’
‘Ja, Schendelaar zei nog wat dingen, maar Pa zei niet veel. Quint zat naast ‘m. Die had ook tranen in z’n ogen. & Toen keerde Pa zich naar Quint & zei: “Heb jij zoiets wel ‘ns meegemaakt?” & Quint zei: “Nee, zoiets heb ik nog nooit meegemaakt.” Voor de rest bleef-ie stil. Ik ben nog even naast ‘m gaan zitten & heb gezegd dat ’t toch echt moest. Dat ’t niet meer zo ging. Toen is Schendelaar op een gegeven moment weggegaan. Hij zei tegen Pa dat-ie volgende week wel een keertje langs zou komen, om te kijken hoe ’t met ‘m gaat. & Daarna zaten we alleen nog met Quint. We hebben wat gegeten & een tijdje over de zaak gepraat. Maar Pa zei niks.’
‘’t Is blijkbaar niet tot ‘m doorgedrongen.’
‘Ja, dat zou je zeggen. Ik weet dan ook niet wat ik moet doen. Ik kan ’t er wel instampen, maar ik weet niet of ‘t wel goed is hem er de hele tijd aan te herinneren.’
‘Tsja, ’t gaat misschien z’n ene oor in & ’t andere weer uit.’
‘Ja, dat denk ik.’
‘Maar aan Quint vroeg-ie of die wel ‘ns zoiets had meegemaakt?’
‘Ja, hij vroeg: “Heb jij zoiets wel ‘ns meegemaakt?” & Quint zei dat-ie zoiets nooit had meegemaakt. & Terwijl Schendelaar aan ‘t praten was ging ook nog de telefoon. Paul Baars. Ik had ‘m laatst een kaartje gestuurd omdat-ie zoveel jaar getrouwd was. Daar wilde hij even voor bedanken. Hij vroeg hoe ’t ging. Toen zei ik tegen hem: “Sorry, Paul, maar we hebben op dit moment een heel zwaar gesprek. Ik probeer je vanmiddag wel even terug te bellen, Paul.” Toen zei Pa: “Hé, Paul Baars. De vriend van Jan.” Snap je dat nou?’
‘Ja, dat soort dingen weet-ie nog. Maar dat van De Koogh is-ie zo weer vergeten.’
‘Had je nou gehoord dat vrijdag de Efteling niet doorging?’
‘Ja, dat had je verteld. Maar die vrije dag heb ik al. Misschien dat ik wel even langskom. Anders kom ik dinsdag.’
‘Is goed.’
‘Hoor ik Marc daar op de achtergrond?’
‘Nee, Marc is toch varen.’
‘Oja, was ik vergeten.’
‘Ik kwam per ongeluk tegen de afstandsbediening aan. Dus je hoorde de tv die plots aanging.’
‘Geef Pa maar een kus van me.’
‘Zal ik doen. Dan hoor ik nog wel van je.’
‘Ja, je hoort nog wel van me.’

Pa is ondertussen onderweg, zet weer een paar stappen verder weg uit Zijperspace.

kaarsje

Ik dacht dat ’t niet meer bestond. Dat men ’t niet meer deed.
Maar Sas zei ’t duidelijk van de week.
‘Ja, Roen gaat vandaag kijken voor een woning. Dus zou ik een kaarsje aansteken. Ik was ’t bijna vergeten.’
Ongeveer in die bewoordingen. Ze stak 't waxinelichtje aan & zette 't achter ons op 't personeelsbarretje.
Ik dacht dat alleen m’n moeder dat kon zeggen. Of Oma, vroeger. In haar huisje op de Middenweg. Midden op de tafel aan de voorkant stond ’t kaarsje als gedachte aan een familielid. Een kind, een kleinkind. Als ze op haar stoel ’t raam uit keek, dan stond ’t recht voor haar. Ze controleerde de wereld die aan haar voorbij trok door de drukke straat, & hield haar eigen overzicht door te weten dat ze iemand in stilte steunde.

Ik wilde denken dat ’t kinderachtig was. Of dat 't uit een oud geloof afkomstig was, waar wij moderne mensen geen behoefte meer aan hebben.
Ik was man, ik had de wereld al beredeneerd.
Maar als ik thuis kwam na een zwaar tentamen & er stond een kaarsje te branden in de voorkamer, dan voelde ik me toch gerustgesteld. Of verontrust, juist als 't lichtje er niet stond. Ze was me blijkbaar vergeten.
‘Nee, ik doe ‘m net uit,’ zei ze dan. ‘’t Was toch tot een uur geleden?’
’t Gaat niet alleen om geloof, ’t gaat ook om aandacht. & Ook al werkt ’t niet, stralen de positieve gedachten niet uit naar de gebeurtenis die ze proberen te beïnvloeden, ’t heeft waarde. Gewoon omdat ’t gedaan wordt. 't Kaarsje brandt, doet niemand kwaad.

Roen kreeg de woning niet. & M’n vader kan zich hoogst waarschijnlijk niet verzetten tegen de mededeling die op dit moment wordt gedaan.
Hij zal zeggen: ‘’t Moet dan maar.’
Hij zal zich voegen in de beslissing die voor hem genomen is.
M’n moeder voelt zich schuldig. Al een hele week worstelt ze met dat probleem, zonder dat ze haar man er in kan betrekken. Juist hem niet.
Of ze toch niet beter haar best moet doen om ’t vertrek van m’n vader nog een tijdje uit te stellen. & M’n broers & ik vragen zich af hoe verstandig ’t was m’n moeder in deze beslissing te steunen. Steeds weer proberen we ons te realiseren dat ’t voor Ma ’t beste is. Om vooral niet te hoeven denken aan wat m’n vader te wachten staat: een leven zonder dat m’n moeder binnen handbereik is.
We weten allemaal wat verstandig is. We hebben ’t allemaal op een rijtje. We weten hoe Pa zal reageren.

Maar ’t liefst zouden we 100-en kaarsjes branden om dat wat is niet onherroepelijk te maken in Zijperspace.

binnenkant/buitenkant

Nou zit ik me weer af te vragen welke kant ik moet gebruiken. Net als bij ’t wc-papier dat iedereen mijns inziens omdraait naar de verkeerde kant. Ik ben de mening toegedaan dat ’t flapje van de volgende te gebruiken tissue richting de muur aan moet hangen. Van je af. & Die gekke zanger van Normaal durfde eens op tv (’t was een waarlijk diepte-interview, ze lieten hem in z’n eigen omgeving uren achtereen voor de camera ouwehoeren) te beweren dat juist andersom standaard hoorde te zijn. Hij vertelde dat-ie zo brutaal was om op visite die boodschap te prediken door eigenhandig, ongevraagd, de closetrol te draaien. Tijdens die handeling onderwijl ijverig doorzeikend (zonder spetters, zo beweerde hij).
Ik vond die vent al niet leuk. Daarna vond ik ‘m nog meer niet leuk.
Aangezien ik vaak de toiletten op m’n werk dien te verschonen, 't is nou 1maal deel van 't werk, ze ook van nieuwe voorraden dien te voorzien, kom ik in de gelegenheid om aldaar mijn opinie de boventoon te laten voeren. Zogauw aan ’t eind van de dag ze gedraaid, de verkeerde kant op hangen, dan ga ik over tot 't nemen van maatregelen.
Maar ik raak danig van slag als ik mensen over de vloer heb gehad die á la Joling hebben laten blijken dat ze er anders over denken dan ik. Haastig hang ik de rol dan weer in de juiste stand. Alsof ik ze zodoende nog een verwijt naar hun hoofd kan slingeren, hoewel ze al lang & breed mijn woning verlaten hebben, door ’t extra snel, extra agressief, terug in oude staat te brengen.
‘Jullie lijken wel fans van Normaal,’ denk ik er dan bij, & dat bedoel ik dan niet als compliment.
Dat diepte-interview met Benny krijg ik niet uit m’n hoofd.

De fabrikant van de papieren zakdoekjes zal toch wel een voorkeur hebben over welke kant hij wijselijk acht te gebruiken? Daarvoor laat-ie ’t op juist die bepaalde manier vouwen & voegen in ’t plastic omhulsel, lijkt me. Je haalt ’t zakdoekje uit ’t plastic, vouwt ‘m open & snuit je neus er in. Zonder er over hoeven na te denken welke kant je gebruikt, als ’t goed is, want dat heeft de fabrikant & zijn in dienst genomen vormgever voor ons reeds gedaan.
& Toch vind ik mezelf op een gegeven moment voor ’t dilemma geplaatst of ik nu de boven- dan wel onderkant moet gaan gebruiken. Dan heeft de zakdoek een tijdlang liggen drogen (momenteel bevinden zich op diverse plekken verspreid over ’t huis een 10-tal zakdoeken, zodat ik in kritieke toestand waar ik me ook bevind nooit mis hoef te grijpen, wat bij enkele zakdoeken resulteert in uitdrogingsverschijnselen), zich gevoegd in niet terug te herkennen kreukels, slechts ’t plekje waar duim & wijsvinger de neus samenknepen zijn te herleiden doordat ’t er nog net zo bijligt als dat ’t eerder aan de neus geplakt stond. Er valt echter niet uit te concluderen wat eerder als binnen- dan wel buitenkant heeft gefungeerd. Daarvoor ligt 't geheel er te opgefrommeld bij.
Want ondanks ’t feit dat zakdoekjes gebouwd zijn om zo min mogelijk irritatie op te roepen, is ’t wel degelijk zo dat er aan de rand een profiel is waar te nemen. Je kan ’t ook voelen. Blijkbaar om ze ook bruikbaar voor blinden & slechtzienden te maken.
Is dit slechts ter decoratie, of wellicht om een betere grip van de vingers op de neus te hebben? Of misschien is ’t juist andersom: de vingers moeten meer grip hebben op ’t zakdoekje, zodat ze niet wegglippen op ’t moment dat er krachtige winden uit de neus ’t ding doen vullen.

Ik heb besloten de hele dag binnen te blijven. Of anders in ieder geval zolang ’t lukt. Dit noopt mij tot ’t overdenken van mijn situatie. Niet diepgaand, daar lenen zich de omstandigheden niet voor. ’t Kan nl elk moment gebeuren dat ik voorover sla vanwege weer een niesbui. Ik lijk op m’n vader, wat dat betreft, maar gelukkig zijn de buren nog niet komen klagen. Ze zullen wel horen dat ’t lawaai dat tot hen komt, door ’t plafond of de muren, veroorzaakt wordt door een te vol gemoed. Men is dan al snel vergevingsgezind. Zou ik in ieder geval wel zijn in hun geval (hoewel we vroeger Pa wel verweten dat-ie ’t expres deed, zo hard, zo toeterend, zo oorverdovend plotseling).
Deze omstandigheden doen mij aan niet veel anders denken dan aan wit papier. ’t Witte papier dat ik nodig heb om m’n neus te legen. Om mensonwaardige omstandigheden te voorkomen. Ik heb vroeger altijd veel meelij gehad met de kinderen op de kleuterschool die nog niet op de hoogte gebracht waren van ’t bestaan van een handig gereedschap om dat groene slijm dat welig vanonder hun neus naar beneden stroomde op een simpele wijze te verwijderen. Ik vond dat zij slordige ouders hadden.
Jammer genoeg heb ik zelf niet opgelet op ’t moment dat mijn moeder, ik vermoed dat ’t toentertijd de taak van moeders was, de uitleg over binnen- & buitenkant van de zakdoek gaf. Wellicht dat ’t in mijn opvoeding niet aan bod is gekomen, daar wij jarenlang, tegen beter weten in, doorgegaan zijn met ’t hergebruiken van steeds weer dezelfde linnen zakdoeken.
Ik bedenk opeens dat de wasmand van toen verdacht veel lijkt op de grote gele prullenmand die momenteel dienst doet als vergaarbak van de gebruikte zakdoeken.

Alles komt terug, ooit, in Zijperspace.

verkoudheid

Ik heb ’t al ‘ns eerder geprobeerd: rekening houden met de generaties die na mij komen. Feitelijke waarnemingen doen, dit alles bijhouden om 't vervolgens zorgvuldig te noteren wat er met mij & m’n lichaam gebeurt. De plas-o-meter leek mij een geschikte vondst hiertoe. Alleen lastig zulks bij te houden. ’t Leek mij uiteindelijk te veel moeite alle gegevens te verzamelen, slechts met als doel de mensheid later te vergasten op aspecten die in al die tijd geheel niet veranderd zijn.
Eigenlijk had ik er ook gewoon geen tijd voor.
Maar nu ben ik er achter gekomen, ik heb er al veel eerder enkele artikelen over gelezen, & was in zekere zin ook reeds jaren ervaringsdeskundig, dat elke verkoudheid anders is. Geen enkele keer lijkt ’t zo te zijn dat de verschijnselen van de verkoudheid dezelfde zijn als de keer ervoor. Dan weer slaat ’t toe in de keel, met scherpe naalden lijkt deze van binnen te worden bewerkt; de daarop volgende verkoudheid doet je neus lopen alsof er een ijsberg in ‘t hoofd onder invloed van verhoogde temperatuur aldaar plots besloten heeft zich om te zetten tot vloeibare vorm.
Er valt geen pijl op te trekken, op de luimen van de verkoudheidsbacterie (of virus, daar ben ik niet over uit). Heeft-ie in Zuid-Oost Azië een kip leren kennen, dan wel een varken, doet ‘t ‘m besluiten dat de volgende aanval op de mens dit keer via de achterkant van ’t middenneusbeentje kan gaan.
Ik heb er natuurlijk geheel geen verstand van. Bovenstaande opmerking is waarschijnlijk aperte nonsens, zal door menig deskundig gezelschap onmiddellijk neergesabeld worden als wetenschappelijk onnuttig, maar ’t dient dan ook slechts om te omschrijven hoe verschillend de diverse verkoudheden ervaren kunnen worden. Een kleine introductie op ‘tgeen ik afgelopen 24 uur heb moeten meemaken, zogezegd.

Maar laat ik bij vrijdag beginnen. Want wellicht dat ik toen ’t virusje heb overgenomen.
Alex (afkorting van Alexandra) zei nog: ‘Nee, je kan me beter niet kussen, want ik ben verkouden.’
& Ik reageerde, met alle wijsheid in mijn leven vergaard: ‘Een mens wordt ziek als-ie er aan toe is.’
Daar had zij niet van terug. Dus kreeg ik m’n kus.

Gisterochtend werd ik vergast op 2 maal niezen. Op zich niet zo bijzonder, de gangen achter in mijn neus zijn iets te nauw, waardoor dagelijks gebruik van Nasonex noodzakelijk is. Zodat ik weer vrij kan ademhalen. Dat ik tegelijkertijd last had van een loopneus leek mij in ‘tzelfde verband ook niet zo bijzonder.
Alles gaat vanzelf weer over, dacht ik nog.
Maar tegen de avond was er geen sprake van ‘over’, maar eerder van ‘erger’. ’t Vocht in mijn hoofd zocht naarstig een uitweg naar buiten, & daarvoor had ’t de neus als beste optie geleken.
Evengoed was ’t allemaal nog best te overzien. Beetje pulken aan m’n neus, ik was immers alleen thuis & hoefde me voor niemand niet te schamen, af & toe de neus ophalen, & voor de rest vooral negeren, resulteerde in een genoeglijk avondje van mij & mezelf alleen op de bank. Met een boek in de hand. Niets om me zorgen over te maken, vooralsnog.
Vanochtend werd ik voortijds wakker. Dat wil zeggen, 2 uur te vroeg. Een niet te definiëren onrust had mij al snel te pakken, die mij ertoe dwong ’t bed te verlaten.
Rechtop gezeten achter de computer, ik wil elke ochtend zien wat er gebeurt is tijdens mijn afwezigheid, begon ’t serieus: een onbedwingbare stroom vocht liet zichzelf uit m’n neus naar beneden zakken. Ik had niet eens de mogelijkheid er een zakdoek bij te raadplegen: een druppel kletterde niets ontziend op mijn nog blote bovenbeen.
Ik ben weer snel in bed gaan liggen, een stapel zakdoekjes van ’t weggooiformaat naast mij gereed om de fluctuaties in mijn hoofd in te kunnen dammen bij ’t gat welke waarschijnlijk als vluchtroute zou worden gebruikt.

Verderop in de ochtend begon er achter in m’n neus een prop te ontstaan. Alsof daar niets meer langs mag, zo voelt ‘t. Slechts een kleine irritatie valt te bespeuren in de omgeving van m’n keel. Dat valt te overzien, maar de hoeveelheden zakdoeken die nodig zijn voor spul dat m’n neus wil verlaten echter niet.

Benevens deze feiten valt misschien ook op te merken, wellicht dat de mensheid later zoveel inzicht heeft in de materie dat ze met deze omschrijving precies kunnen duiden welk varken de virus heeft gevisiteerd vooraleer ’t in gemuteerde vorm terug z’n genoegen is gaan zoeken in de mens, dat m’n nachtrust evengoed heerlijk genoemd mag worden. Hoewel ik zelden rond ½ 7 uit bed stap, heeft ’t me niet belemmerd in ’t halen van mijn quotum slaap per nacht. Rond klokslag 7 viel ik onherroepelijk in een nog 2 uur durende diepe slaap. Met mooie, geheel niet verontrustend te noemen dromen. Hoewel m’n ogen me wel vanaf definitief ontwaken steeds opdragen een moment van sluiting van de leden te overwegen. Dit geschiedde zonet nog, toen ik moe van ’t staren naar de zelfgeschreven letters op ’t beeldscherm uitbarstte in 2 opeenvolgende heftige niesbuien.

Ik hoop dat men hier later wat aan heeft, aan deze aantekeningen vanuit Zijperspace van lang geleden.

haar

Ik was opeens verworden tot iets waar om gelachen kon worden. Dat vond m'n leraar wiskunde blijkbaar, die me als 1e met gemillimeterd haar zag. 't Was de 1e les van de dag.
Behalve Inge dan, die ’t had uitgevoerd, m’n familie, die met mij aan de grote tafel de maaltijd van de avond ervoor had gebruikt, & enkele anonieme voorbijgangers, zoals je die in elke stad hebt.
M’n leraar wiskunde hield ’t niet meer. Hij moest z’n hand voor de mond houden om z’n hikkende lach tot een fatsoenlijk niveau te brengen.
Terwijl hij toch de persoon was met de puisterige pukkels bij z’n kin, 2 stuks om voorin de klas de ganse dag aan te pulken, & een bril die om de minuut teruggeschoven moest worden naar de juiste plek op de neus. Daar had ik me toch ook over in kunnen houden?
Ik heb m’n haar maar laten groeien. Limoen in gedaan & in de zon gaan zitten.
Toen was ik Sting. Of iemand anders stoer met blond haar.
Ik moest terugdenken aan de lagere school. Toen iedereen Kwai Chang Caine wilde zijn. We liepen traag over ’t schoolplein & waren aldus een perfecte imitatie van onze held. Kostte niet zoveel moeite. Als je ’t maar met een serene blik in de ogen deed.
Ik wilde geen Sting zijn. The Police werd veel te populair. Kinderachtig bijna. Je mag alleen leuk vinden wat anderen niet kennen. Dat was niet kinderachtig, vonden we.
Inge deed ’t af & toe. Misschien kon Suzanne ’t ook wel. 1 Van m’n vriendinnen in ieder geval. Maar er mocht vooral niet te veel af, want ik wilde geen stekels meer of leraren die lachten.
(Hoewel ik ze aankon. Allemaal. Op een bepaalde manier was ik gevreesd. Doldwaas misschien, met tegelijk z’n mondje klaar, ik zou ‘t ‘ns moeten navragen. Ze waren bij mij bang dat ze hun autoriteit zouden verliezen. Ik maakte gebruik van die angst. Soms meedogenloos. Behalve bij nederlands. Daar wilde ik mezelf bewijzen.)
Er mocht dus niet te veel af. ’t Moest langer worden. Al die stomme alternatieve lui, die allemaal hun haren kort & zwart hadden. Ik was alternatief, maar dan echt, want mijn haren waren blond & m’n kleren rood of groen.
Toen zei Helma dat ik David Bowie was. Hij had net dat hitje over die rode schoenen. Ik dacht aan m’n grote broer, die veel meer stijl had. Ik was slechts een opdondertje. Een mager opdondertje. Wat wist Helma ervan? Toch lachte ik met haar mee.
We waren bezig onze waardes te bepalen. & Die van elkaar. Waar staan we allemaal & hoe dicht stond de 1 bij de ander? We vormden een grote cirkel, bepaalden wie er dichtbij ’t centrum moesten staan, wie er vanaf. We schoven enkele lichamen dichter naar anderen toe, verwijderden enkelen uit een groep. We stelden teleur, we enthousiasmeerden, maar ’t grootste deel van de tijd wisten we niet waar we mee bezig waren.
Ik schreef gedichten waarvan de woorden zichzelf lieten voegen. De betekenis zou later wel volgen. Als ik ’t eind ervan zou lezen. Ik dacht dat ik me niet anders kon uiten.
Ik zat in de problemen, toen.
& M’n haar groeide. ’t Kwam in een staartje terecht, dankzij een stukje elastiek.
Ik zal wel weer op iemand geleken hebben. Er waren meisjes op me verliefd. Maar dat hoorde ik altijd te laat. Jaren later. Toen de zee weg was, de vloed voorbij, we geen zomeravonden meer hoog op de dijk doorbrachten.
Ik verving m’n staart voor een pluim (in de trein gaf ik ’t restant staart aan een meisje, zij was de 1e die me zag zonder, een meisje met een piepend stemmetje, zoals je slechts in amerikaanse films hoort, ze had mooie borsten & ik zou haar nog wel ‘ns in nachtelijk Den Helder tegenkomen, lichtelijk probeerde ik dan altijd door de drukte daar tegenaan gedrukt te worden, maar ik heb nooit gevraagd of ze m’n haar lang bewaard heeft). Een pluim lang haar die over m’n rechtervoorhoofd kon vallen. De rest was kort. Gepikt uit een stripboek. Er waren geen helden meer. Slechts fictie. Dat wat niet bestond kon ik in ieder geval nog kopiëren.
Ergens onderweg moet dat vermoeiend zijn geworden. Ik weet alleen niet meer waar die afslag was. ’t Zal wel weer een vriendin geweest zijn die plots besloot ex te worden. M’n haar schreeuwde om rouw, om verandering, om niet meer herkend te worden op straat, niet meer te zijn die ik iedereen wijs had gemaakt te zijn.
Ik schreef dan weer dagboeken vol. Zodat ik ze kon laten lezen aan volgende vriendinnen. Misschien dat ze uiteindelijk wel bereid waren m’n haar te knippen. Ik leverde ’t vertrouwen & ’t haar, dachten ze.

Voorlopig blijft ’t nog wel groeien in Zijperspace, de schijn & ’t omhulsel.

theezakje

Ze hebben ’t theezakje veranderd. Zij van Pickwick. Douwe Egberts heet dat. & ’t Theezakje is die van ‘tea for one’. Dus van Douwe Egberts.
Wat overigens ook niet klopt. Dat van 'tea for one'.
Ik laat de thee trekken in een thermoskan. Van de Hema. Goedkoop maar afdoende. De thee blijft lekker lang warm. & Je krijgt niet van die vieze bruinige oude theevlekken. Van die vlekken die je door de thee heen ziet dwarrelen. ’t Zal de theïne wel zijn. Maar ’t lijkt altijd alsof je de theevlekken (ik noem ’t maar even zo) proeft. ’t Lijkt ouder te smaken. Dat klopt waarschijnlijk ook wel, want die theevlekken krijg je als je de thee reeds een poosje op ’t lichtje hebt staan.
Daar heb je met een thermoskan geen last van. Laatst heb ik mezelf abusievelijk de volgende dag nog van de oude partij thee een mok volgeschonken. Pas toen ik bedacht dat ’t een ietwat lauw smaakte, kwam ik er achter dat dit de thee van de dag ervoor moest zijn. Met m’n slaperige kop heb ik toen toch maar nieuwe gezet.
Maar goed. ’t Klopt dus niet. ‘Tea for one’. Ik laat ‘t nl in die thermoskan trekken. Als ik zou willen dan zou ik er zeker 4 mokken uit kunnen halen. Laatst had ik visite van 3, & die hebben, tezamen met mij, genoten van een heerlijk getrokken bakje thee. Pickwick ‘tea for one’. Gebruik ik altijd & is afdoende sterk om een thermoskan mee te vullen.
Pickwick is gewoon een genereus bedrijf. Neem nou die spaarpunten. Ik heb er een pot van vol. & Ik krijg er elke keer meer bij. Mensen zoals ik raken dan natuurlijk verknocht aan hun merk, dankzij die spaarpunten, maar ik vind ’t nl nogal wat: 4 spaarpunten per pakje thee. Met veel plezier scheur ik ze vlak na aankoop los van de verpakking & berg ze op in de verzamelpot (hij zit al tot de nok toe vol, maar elke keer blijkt er nog een lading bij te kunnen), elke keer met ’t plan ze ooit, in een verre toekomst, te gaan tellen & in baar geld of een waarlijke aardigheid uit hun DE-winkel (ik weet dat er zich 1 in Amsterdam bevindt, ik ben er ooit met m’n moeder geweest) om te zetten.
& Buiten die spaarpunten stoppen ze dus heel veel thee in een zakje dat volgens de meegegeven verpakkingstitel slechts goed zou zijn voor 1.
Ze weten heus wel dat er meer uit kan dan slechts 1 bakje. Op de achterkant staat nl vermeld:
Een theezakje is voldoende voor 1 tot 2 koppen thee.
Zelfs in hun voorlichting zijn ze bescheiden. Heb je ze bijvoorbeeld ooit reclame horen maken voor hun spaarpunten. Toch zo’n beetje ’t oudste spaarpuntensysteem van Nederland, & ze reppen er met geen woord over. Je komt ze vanzelf wel tegen op de verpakking.
Ze geven ook een milieutip overigens:
Milieutip: het kartonnen doosje kan bij het oud papier. Theezakjes horen bij het GFT afval.
Toen me dat onder ogen kwam ben ik gelijk gaan controleren op nietjes. Van die ijzeren nietjes. Absoluut niet geschikt voor GFT.
Maar die zijn er niet meer! Vervangen, heel vernuftig, door papieren plakkertjes. Zal wel zeer goed plakkende lijm bevatten, oplosbaar in water of iets dergelijks.
Op dat moment, tijdens ’t controleren op GFT-fähigheid (zo dat woord al mocht bestaan), realiseerde ik me opeens dat ’t hele zakje een verandering van looks heeft ondergaan.
’t Zakje is van ander materiaal.
Je hoeft ’t zakje niet meer los te trekken uit z’n papieren omhulsel, ’t hangt er zonder bevestiging in.
De nietjes zijn verdwenen.
’t Omhulsel is anders vormgegeven.
Allemaal hartstikke handig. Maar er kleeft toch een klein bezwaar. Waar ik uiteindelijk best wel veel moeite mee heb.
Ik kan niet meer wapperen. ’t Korte wapperen om ’t touwtje los te krijgen van ’t nietje, zodat ’t zakje los komt te hangen.
’t Was in 1e instantie niet tot me doorgedrongen, maar bij aanschouwing van al die veranderingen realiseerde ik me opeens dat wapperen niet meer kon, overgeslagen kon worden. Onder huidige omstandigheden is ‘t beter om onmiddellijk over te gaan op ’t lostrekken van ’t zakje. ’t Moet uit z’n vouwtoestand getrokken worden. Zodat ’t zakje los kan hangen.
Ik hoop dat men mij begrijpt. Ik vind alles prima. Ik ga heus wel af & toe mee met veranderingen. Maar in deze mis ik ’t wapperen. Een hele korte wapper was ‘t, maar ’t creëerde wel ’t ochtendlijke plezier van wakker worden.

Bij ons in Zijperspace in ieder geval wel.

hondenlog

M’n vader liet de honden die na Tasja ons gezin in kwamen ook altijd uit. Midas & Fleur. ’s Avonds laat. Nog even een blokje om.
Marc wilde ’t achteraf nooit bekennen, maar wij dachten ’t allemaal gezien te hebben. Voor Sinterklaas kreeg Marc Midas. Die zat in de schuur in een grote doos te wachten. De schuur die hoorde bij ’t oude huis. 't Huis waar alle jongens nog met z'n allen gewoond hadden.
Heel stiekem was Midas naar binnen gebracht.
‘Maar hij was voor ’t hele gezin!’ werd er benadrukt. Door Sint of Piet. Misschien dat 1 van m'n ouders dat op dat moment gezegd heeft.
Marc liet tranen bij aanschouwing van Midas. Dachten wij. Hij ontkende dat later.
In ieder geval had-ie waarschijnlijk nog nooit zo’n mooi cadeau voor Sinterklaas gekregen.
Ik liet Midas uit in de tijd dat ik gek was. Wat vaak ruzie veroorzaakte. Ik wilde grote wandelingen maken om tot rust te komen. Afleiding. Marc wilde ‘tzelfde. Maar Marc had geen gekmakende hyperventilatie. Ma moest er vaak bij komen om de ruzie te beslechten. Om uit te leggen waarom ik ’t nodig had.
Fleur kwam erbij. Enkele jaren later. Net als Midas een kooikerhondje. Kinderen gingen de deur uit, werden minder gek, of hadden een opleiding buiten de stad. Pa moest steeds vaker ’t rondje met de honden doen. Maar hij was ondertussen gepensioneerd.
De honden werden ouder. Zo ook m’n vader. Hij bleek de ziekte van Parkinson te hebben. Met Alzheimer later als gevolg daarvan.
Rond 10-jarige leeftijd overleed Midas. & Fleur bleef als enige over om ’t ritueel aan ’t eind van de avond te volvoeren. De rondjes werden kleiner. Zeker toen voor de 2e keer in korte tijd verhuisd moest worden.
Maar Pa leerde de buren kennen. De buren die ook een hond hadden & rond dezelfde tijd ’t laatste uitje hadden. Hij humde ze in ’t donker gedag, & werd daarop terug gehumd.
Geleidelijk aan moest m’n vader steeds meer gedwongen worden ’t rondje te lopen.
'Niek, doe de honden nou even,' zei m'n moeder tegen haar slaperige man.
Hij liep steeds moeilijker, raakte makkelijker in de war. Maar ’t was in ieder geval een beetje afleiding. Hij bleef in beweging.
Fleur ging evengoed op een gegeven moment naar Marc. Daar maakte ze haar laatste jaren door.
Pa bleef steeds meer binnen. Zag de buren slechts zelden. Hooguit als-ie op een boodschap werd uitgestuurd.
Hij zei wel ‘ns als-ie 1 van hen tegenkwam: ‘Hé, die ken ik nog van ’t uitlaten. Maar die loopt tegenwoordig niet meer zo goed.’
Daarbij z'n eigen situatie ontkennend.
Maar ook de kleinste boodschapjes ging-ie vergeten. Zelfs ’t papiertje waar de boodschappen op genoteerd stonden. Of hij wist niet bij welke winkel hij moest zijn.
Tasja is al jaren dood. Midas ook. Marc heeft na een tijdje afscheid van Fleur moeten nemen. Kooikerhondjes worden niet oud. Bij m’n ouders zullen geen nieuwe honden meer hun intrede maken.
M’n vader gaat ook de deur uit. Gister heeft m’n moeder gekeken naar de nieuwe groep. Geheel nieuw. Maandag komen de 1e bewoners. Bewoners die al in De Koogh zitten. Een interne verhuizing. Woensdag is m’n vader aan de beurt. Hij krijgt een kamer met een andere man. Misschien wel goed, dacht m’n moeder.
M’n vader zal geen rondjes meer om ’t huis maken. Dat is al jaren voorbij. Geen boodschappen meer. Hij hoeft niet meer de bril van m’n moeder te zoeken, die ze altijd kwijt is. Dat kon-ie overigens ook al niet meer. Als-ie bij ’t dressoir stond, was-ie al vergeten waarvoor hij die kant op was gelopen. Hij mag een enkele keer helpen bij de afwas. Dat kon-ie nog. Niet afwassen zelf; dan werd ’t niet schoon. Afdrogen. Dan ruimde Moe de boel wel op. Ik stel me voor dat iets soortgelijks ook wel op zijn toekomstige afdeling zal gebeuren.
& Een enkele keer kan er een familiedag zijn, zo luidt 1 van de doelstellingen van de nieuwe groep. Kan de hele familie langskomen. Of m’n vader kan een weekend naar huis. Op een gegeven moment zal-ie z’n draai wel gevonden hebben, zeiden ze tegen m’n moeder. Dan is ’t misschien leuk om dergelijke dingen te doen. Dan kan je er misschien op een bepaalde manier van genieten.
Woensdag gaat m’n vader weg. Voorgoed.
Dinsdag komt Schendelaar langs. Hij zal er bij zijn als m’n moeder ’t hem vertelt.

We weten dat er in ieder geval een hondenparadijs bestaat in Zijperspace.

(ina)tasja

We noemden haar Tasja, hoewel m’n vader bleef volhouden dat ’t Inatasja moest zijn.
Nooit van gehoord van zo’n naam, vonden wij, & bovendien belachelijk. Inatasja. Maar Pa zei dat de honden van dat jaar allemaal een naam moesten krijgen die zou beginnen met een ‘i’. Ze was immers een hond met een stamboom. Dus vulde hij de officiële papieren in & riepen wij ‘Tasja’ (Als er visite was, vroegen we heel schijnheilig aan Pa: ‘Hoe heet de hond ook alweer, Pa?’ Dan zei hij ‘Inatasja’ & lachten wij met de visite mee).
Ons vond ze leuk & aardig & naar m’n vader luisterde ze. Hij was de enige. Ze dook weg als-ie kwaad op 'r was. Met een korte piep. Dan kon ze in haar mand zitten met de handen over elkaar. Hoewel ze die niet had.
Tasja was een franse basset. Een bracque Normandier. ’t Meest eigenwijze ras ter aard. We dachten dat een prikkelketting wel zou helpen, maar Tasja liet ondanks dat evengoed traag meesleuren. ’t Moet een koddig gezicht zijn geweest voor de buren: ’t dagelijkse rondje van 1 van de familie Zijp met Tasja er achteraan. De riem stond altijd strak. Want Tasja wilde net zo hard als jij dat er gehoorzaamd werd; zogauw ’t pand verlaten was, vond zij dat er naar huis teruggekeerd moest worden.
& We wisten dat er commentaar zou zijn indien de hond gehoorzaamd werd. Indien we deden wat de hond wou. Een wandeling met de hond diende op z’n minst 5 minuten te duren. Vanachter ’t raam werd gecontroleerd of we wel de overkant bereikten.
Tasja was een sleurhond.
Dat viel ‘t 1e jaar nog wel mee. Vol enthousiasme kon ze op andere honden afrennen, de kat van de buren najagen & verwonderd de kop van een vogel afbijten. Ze had toentertijd nog geen jeuk over ’t hele lichaam, stonk nog niet, was nog geen racist & kon bovendien springen over een balk van 20 cm hoog (vooral ’t racisme zou later een probleem worden; vriendjes met enigszins donkere huidskleur durfden niet verder binnen te komen dan de drempel van de voordeur; een eigenwijze donkere verkoper moest ’t bekopen met een winkelhaak in z’n broek).
Die levendigheid heeft ons de prijs doen bekomen. Of mij eigenlijk. ’t Kostte nog behoorlijk wat overtuigingskracht m’n broertje te doen geloven dat ik degene diende te zijn die de riem moest vasthouden. Hij stond uiteindelijk huilend buiten ’t beeld van de camera, bewerend dat-ie ondertussen groot genoeg was om Tasja in toom te houden. Achteraf geloof ik heus wel dat-ie gelijk had, maar ik was nou 1maal sterker. Dat vond ik op dat moment een steekhoudend argument.
We mochten de prikkelketting niet laten zien, had Ma vlak voor de bijeenkomst benadrukt. Dat zouden de organisatie juist op werelddierendag vast niet leuk vinden.
‘Stop ‘m maar in je jas,’ had ze gezegd, ‘dan doe je ‘m weer om als je naar huis moet.’
Heel deskundig keken de dames van de jury, temidden van papegaaien, muizen, woestijnratten & katten, de andere kandidaten voor uitverkiezing van ’t huisdier van ’t jaar, naar ’t gebit van Tasja. Ze vroegen of die ogen zo hoorden & wij antwoorden dat een franse basset altijd een beetje treurig keek. De levendigheid van de nog geen 5 maanden oude Tasja overtuigde hen van ons gelijk. Waarna ze stilletjes in een hoek gingen overleggen.
Tot 2 maal toe kwam 1 van de dames jury naar ons toe, om te vragen wat ook alweer onze namen waren. Ik duwde Quint weg, hield de riem nog wat strakker in de hand, & gaf antwoord. ’t Vermoeden ontstond bij mij dat ik, of eigenlijk wij, in aanmerking zouden komen voor een prijs. Quint moest zich nergens mee bemoeien. Dit was een zaak voor grotere broers.
Tussen al dat gekrakeel van zich totaal niet op hun gemak voelende beesten viel de jankbui van m’n broertje in ’t niet.
Uiteindelijk werd ik naar voren geroepen, samen met Inatasja (‘Heb jij dat gezegd?’ vroeg ik verontwaardigd aan Quint; een reden temeer dat hij niet mee ’t podium op mocht). We mochten de 3e prijs in ontvangst nemen, met een certificaat, waarop vermeld stond dat ik Tom Sijp heette. Terwijl ik ’t tot 3 keer toe had gespeld (ik probeerde dit feit nog even benadrukt te krijgen door aan de mouw van de dame hoofdjury te trekken, wat niet hielp). De andere prijswinnaars werden erbij gehaald. De fotograaf ook. & Gezamenlijk stelden we ons op, dieren aan de riem of in de kooi, om voor de Heldersche Courant vereeuwigd te worden (Tom Sijp wederom; voor mij de 1e teleurstelling in de nieuwsgaring van de schrijvende pers). Ik kon m’n broertje op de achtergrond horen gillen bij ’t moment van de flits.
Toen ik thuis verslag deed van de wederwaardigheden, de medaille toonde, & van m’n eeuwige liefde voor Tasja kond deed, kwamen er tranen tevoorschijn. De emoties waren te veel geweest tijdens deze memorabele dierendag.
Quint zat mokkend op z’n kamer, slechts gerustgesteld met de mededeling dat hij volgend jaar de riem mocht vasthouden.
Zover zou ’t niet komen. Tasja werd te eigenwijs. Haar buik te dik om ook maar enigszins kans te maken op enige prijs. Bovendien was ze niet meer te vertrouwen met kinderen. Ze kon kinderen van indische komaf met huid & haar op, zo deed ze voorkomen als ze haar gebit te voorschijn lachte.

We probeerden een slagveld te voorkomen in Zijperspace.
(Dit nav de hausse aan katlogs, 't noemen van katten op logs, & 't verwijzen naar logs waar katten een belangrijke rol spelen, waarbij de laatste loot aan de kattenlogboom Charlotte aangewezen kan worden. Wij kattenhaters zijn een uitstervend ras.)

onrust

’t Is stil om me heen.

Gister heb ik Roen gebeld. Omdat ik geen zin had in een spelletje Catan met z'n allen. Ik wilde weer ‘ns een avond gewoon thuis zijn, zei ik. Ik wilde weer ‘ns tot mezelf komen.
Roen vond ’t goed.

Dit is de 2e avond. ’t Is stil om me heen. Geen regen, geen donder. Ook al weet ik dat 't woedt. Hooguit een kachel die zucht.
De regen heeft me ’t grootste gedeelte van de dag binnengehouden. Ik stelde ’t moment van naar buiten gaan uit. Dacht onderwijl terug aan de tijd dat ik niet anders kon dan de deur uitgaan.
‘Waar is die onrust gebleven?’ dacht ik.
Een gezin van 8 leden. Dat moest de oorzaak zijn. Altijd was er leven. Iedereen maakte deel uit van een dynamisch geheel. Onrust was een voorwaarde. Pa & Moe waren nodig om orde in de chaos te scheppen.
Maar lichamelijkheid bestond niet. Niet voor mij. Geen aanrakingen. Tenzij door ruzie. Dan kon ik of een ander een tik uitdelen. Of een arm omdraaien. Spierballen rollen. Maar echte lichamelijkheid niet. Zeker niet toen de meisjes binnenkwamen.
Jaloers keek ik naar ’t gebrek aan moeite bij m’n broers. Ze lagen op de bank tegen de vriendinnen van de oudste broers aan. Totdat ze rechtop moesten zitten van m’n moeder.
‘Niet zo plakken! Ze is de vriendin van Jan. Niet van jou.’
Dat hoefde ze mij nooit te zeggen.

Een windvlaag klinkt. Ik hoor buiten de takken zwiepen. Bladeren worden waarschijnlijk van de takken afgerukt. Alles lijkt te bewegen. Ik hoor ’t door de deur heen. Door de ramen, die verscholen staan achter gordijnen.

M’n moeder heeft gebeld daarnet.
‘Ik kreeg gistermiddag een telefoontje,’ zei ze. ‘Toen de anderen er nog waren.’
‘Theo & Yvon waren er nog,’ vulde ik aan.
‘Een telefoontje van Schendelaar.’
Ik heb inmiddels besloten die naam niet meer te vergeten. Die man is van levensbelang. Of daaromtrent. ’t Is alsof hij over leven & dood beslist. ’t Lot van m’n moeder ligt in z’n handen. ’t Lot van m’n vader ook. Misschien nog wel meer.
Ik had in voorgaande 3 zinnen ‘moeder’ door ‘vader’ kunnen vervangen. & Andersom. Ik weet niet meer wat ’t belangrijkste is.
‘Misschien overvalt ’t je,’ zei m’n moeder.
Waardoor ik wist waar ’t over zou gaan. Dacht ik. Er zou weer iemand dood gaan. Ziek zijn. Of er zou iets met Pa zijn.
‘Maar,’ ging ze verder, ‘er is een plekje voor Pa. In de Koogh. Hij kan opgenomen worden.’
Stilte.
Om mij heen. Om m’n moeder. Die vulden we met zachte zuchten.
‘Quint zegt dan meteen dat ik ’t moet doen,’ zei m’n moeder even later. ‘Die is daar vrij direct in.’
Ik probeerde mijn mening te bepalen. Ik probeerde hard te zijn & definitief ’t lot van m’n vader te bepalen. Ik probeerde zacht te zijn & vond onmiddellijk dat ik dan geen rekening met m’n moeder hield.
‘Ik heb daarna met Theo & Yvon gepraat. Marc was er ook. & ’s Avonds heb ik met Jan gebeld. Die schoot ook vol.’
Net als ik, bedoelde ze. Ik had dus toch m’n emoties door de telefoon laten klinken, bedacht ik. Voortaan moest ik sterker zijn in ’t controleren ervan. M’n moeder heeft me op een andere manier nodig.
‘& Carel & Franchet?’ vroeg ik.
‘Die heb ik daarna gebeld. Toen heb ik een tijdje met Carel gepraat. Nadat ik opgehangen had belde Franchet me terug. Die wilde ook nog even met me praten. Toen was ’t alweer laat. Ik wilde jou niet vlak voor slapen storen.’
‘Dat geeft helemaal niks.’
‘Ik was vanmiddag bij tante Wil. Die werd bediend in ’t ziekenhuis. Bij haar bed. Bediening voor de zieken. We waren er met de zussen.’
De dood gaat verder. M’n moeder probeerde ’t af te zwakken. Maar ’t was er al uit.
‘Ik was de hele dag druk,’ excuseerde ze zich nogmaals. ‘Sorry, dat ik je nu toch evengoed weer laat bel.’
‘Ma, dat is helemaal niet erg.’
& Ik wist dat ik ’t meende.
‘Maar ik bedacht vanmiddag dat ik Schendelaar ook nog wel een keer kon bellen. Om te informeren. Hij vertelde toen dat ’t een andere groep gaat worden. & Dat niets definitief is. Als ’t me niet bevalt kan ik Pa altijd nog terug nemen. Maar dan staat-ie natuurlijk wel weer onderaan de lijst. Dit is een groep voor wat rustigere mensen. Een nieuwe groep. Met mensen die nog wat kunnen. Pa kan nog altijd helpen bij ’t afdrogen.’

‘Ma, je moet ’t gewoon maar doen.’
Dat heb ik op een gegeven moment gezegd. Tussen 2 keer slikken door.
Toen hebben we elkaar welterusten gewenst.

Ik heb m’n boek gepakt & ben in m’n stoel gaan zitten.
Ik dacht terug aan de vriendinnen waar m’n broers tegenaan lagen. Op de bank voor de tv.
& Ik dacht aan de stilte die heerste. Die me afleidde. Ik las woorden die geen betekenis wilden vormen. & Onderwijl vloog de wind buiten aan m’n huis voorbij.
‘Waarom die onrust?’ dacht ik.

& De wind, die blies door Zijperspace.

vanzelfsprekend

‘Hoe was ’t etentje?’ vroeg m’n moeder.
‘Welk etentje?’ vroeg ik, me nergens van bewust.
‘Je ging toch bij een vriendin eten, nadat je bij ons wegging?’
‘Oja, ik ging eten bij Marloes. Dat was ik alweer vergeten.’
Ik was niks vergeten. Maar zo druk je ’t nou 1maal uit. De combinatie was kwijt. Van 't ene evenement met 't andere. Die kwam niet in me op net op ’t moment dat ik met m’n moeder aan ’t bellen was.
‘Was leuk,’ zei ik. ‘Ik ben gelijk maar blijven slapen.’
Dat kon een schokeffect veroorzaken. Maar ik heb m’n moeder wel vaker met zulke mededelingen verrast.
Ze hebben een ander leven geleid. Ik vermoed dat m’n vader ‘t 1e vriendje van m’n moeder was. Andersom misschien ook wel. Hoewel ik er nooit iets over gehoord heb. Alles was altijd vanzelfsprekend. Ook voor hun. Er werd niets over gezegd. Misschien omdat je er niet over praatte. We waren keurig. Net niet op de verkeerde manier. Gelovig keurig. Waarbij we 1 keer in de week naar de kerk gingen. Ook een vanzelfsprekendheid. We kregen een douw als we niet meezongen.
‘Dat doe je dan gewoon?’ vroeg m’n moeder.
‘Nee, niet gewoon. De tijd dat dat gewoon was is allang voorbij voor mij.’
De tijd dat ze me kon betrappen. Dat ik alles stiekem deed. Dat ik niet wilde dat ze zag hoe ik was. Hoewel niets verkeerds gezegd kon worden, vond ik. Maar ik wilde m’n moeder niet kwetsen. Ik wilde heus wel eerlijk zijn, maar niet ten koste van.
Ze heeft 1 keer de blote borsten gezien van de vriendin die op dat moment bij me in bed lag. De ochtend nadat de vriendin plotseling 1 nachtje was wezen logeren. Ik woonde weer ‘ns thuis omdat ik geen ander onderdak had.
Misschien dat ze ook m’n activiteiten heeft gehoord met latere vriendinnen, maar dat ze zich daar subtieler in heeft opgesteld. Pas met de thee binnenkomen als ’t stil is.
M’n vader had ondertussen niets door. Hij had nooit iets door, tenzij ’t hem meegedeeld werd. Die moest slechts een oordeel vellen als we ’t er over hadden in de huiskamer. Streng. M’n moeders kant. & Dan strenger.
Die tijd was voorbij toen ik net zo oud was als m’n vader toen ik geboren werd. Of nog iets later. Hij was 31. M’n moeder 29. Ik was ondertussen alweer ‘t 4e kind. Weer een zoon.
Ik weet niet hoe zij er toen over dachten. Vanzelfsprekend? Zo ook ’t feit dat ze alleen maar zonen kregen? Ze geloofden immers. Alles was Gods geschenk, zei de bijbel, zei de pastoor. & Een zoon is gewoon nog een mond te voeden. Dat konden zij aan. Ik heb ze nooit horen klagen. Echt klagen is niet in mijn herinnering tevoorschijn te halen, in ieder geval.

Voor de rest hield ze haar mond. Over Marloes.
Ik zei nog: ‘’t Was leuk.’
Zonder haar daarmee voor ’t blok te willen zetten. Ik wil slechts dat ze weet. Dat ik een beetje raar doe. Ook al merkt ze ’t niet op 80 km afstand. Ik hoop dat ze mijn paniek voelt. Ook al is ’t slechts lichte paniek. Paniek die me steeds weer de verkeerde kant opstuurt, evengoed.
M’n moeder hoeft me geen raad meer te geven. M’n pols vast te houden. M’n nek te masseren vanwege onverklaarbare pijnen. Me te leren hoe ik moet adem halen.
Ze moet gewoon op de hoogte zijn. Ze moet op de hoogte zijn van de twijfel, die ik uit m’n stem laat ademen, van de onzekerheid, van alles wat ik tot dan toe heb meegemaakt, dat moet ze zich weer herinneren, zonder dat ze zich zorgen maakt.
‘Dat is dan mooi,’ zei ze.
& Vervolgens deed ik de groeten aan Theo & Yvon. Die zaten bij m’n moeder in de kamer. Marc ook.
‘Oh, Ma, er staat een klant voor me. Ik moet nu ophangen.’
‘Doeg. De groeten terug van Theo & Yvon.’
‘Doeg.’

’t Contact werd simpel beëindigd, door ’t neerleggen van de hoorn in Zijperspace.

worst

Er waren 8 slagers met gerookte ossenworst. ’t Moesten er eigenlijk 9 zijn, maar 1 kwam niet opdagen op deze zondag. De 1 gaf me een hand, de ander besteedde slechts aandacht aan z’n stand. De worsten moesten immers getoond worden. Geproefd. Beoordeeld.
Ik ging dus zelf ook maar aan de gang. Plaatste lege glazen ondersteboven op tafel. Plakte enkele postertjes van bier aan ’t tafellaken. Schreef op dat alle bieren slechts € 1,50 zouden kosten. Maakte daarbij een spelfout, maar dat werd pas 3 uur later opgemerkt.
Naast me kwam Kees met jenevers te staan. Hij stalde z’n flessen uit. Door de variatie zag ’t er al snel aantrekkelijker uit dan bij mij. Vlak na 1-en had Kees al z’n 1e klant.
‘Ik vraag slechts een kleine bijdrage voor ’t proeven,’ zei hij & schonk een streepje in.
Om de verveling te bestrijden ging ik ossenworst voor ons beiden halen. We jureerden mee. Zonder onze stem uit te brengen.
Te kruidig. Te weinig gerookt. Te vet. Te koud geserveerd. Te veel knoflook.
Alles kreeg een ‘te’, ondanks dat ze allemaal perfect smaakten.
Maar Danny spande de kroon.

Ik was ‘m al eerder tegengekomen. Bij de witbierproeverij. ’t Café was vaste afnemer van zijn producten. & Hij vice versa.
Hij kwam te laat. & Werd daardoor naast mij geplaatst. Aan de middelste tafel.
‘Hé, Danny,’ riep iemand vanachter een van de andere proefpaneltafels, ‘heb je je worsten meegenomen?’
‘& De bitterballen,’ riep iemand anders. ‘& De fricandellen?’
Gelach.
‘Kom ’t zondag maar proeven in ’t Hilton,’ riep Danny terug.
‘Of je worst lust?’ vroeg ik.
Een understatement. Zo heette de ossenworstpresentatie: ‘Of je worst lust’.
‘Daar sta ik ook. Met bier.’

‘Ik heb 1 keer eerder meegedaan aan wedstrijden,’ vertelde Danny tijdens de pauze. ‘Slagerswedstrijden. Ik had hoog ingezet. Verschrikkelijk m’n best gedaan. Ik had de slagerij net van m’n vader overgenomen. & Ik wist dat ik goed was. Maar iedereen kan een 1e prijs krijgen. Als je boven een bepaalde score zit, dan heb je een 1e prijs.’
‘Oh, vandaar dat al die slagers volhangen met oorkondes & 1e prijzen,’ zei ik.
‘Ja, als je maar een beetje je best doet heb je al een 1e prijs. Tegelijkertijd met 100 anderen voor dezelfde soort worst. Maar je kan ook de hoofdprijs winnen. Dat is er altijd maar 1. Dan moet je in meer dan 5 categorieën een 1e prijs hebben. Daar had ik op ingezet. Ik kreeg 6 1e prijzen. & Nog enkele eervolle vermeldingen. Maar iemand anders had dat ook. Een slager uit Enkhuizen, die al z’n leven lang meedeed. Maar volgend jaar zou hij met pensioen gaan. Hij zat in ’t bestuur maar had nog nooit de hoofdprijs gewonnen. Ik had een veel hogere puntenscore, ik was gewoon de beste, maar die slager uit Enkhuizen ging er met de prijs vandoor. Toen heb ik gezegd dat ik nooit meer aan dat soort wedstrijden zou meedoen. Allemaal hielenlikkerij. Bestuursleden die elkaar bevoordelen.’
‘Maar op de ossenworstproeverij wordt er toch ook een prijs voor de beste ossenworst uitgereikt?’
‘Ja, maar dit vind ik leuk. Hier kan ’t publiek beslissen welke zij ’t lekkerste vindt. Geen gesjoemel.’

‘Hebben jullie zelf ook geproefd?’ vroeg Huib, de organisator.
‘Ja, tussen de bedrijven door hebben we alle 8 ossenworsten geproefd. Smaakt erg goed bij bier,’ zei Kees.
‘Smaakt erg goed bij 5 jaar oude gerstjenever,’ zei ik.
‘Maar we hadden alleen geen tijd om ons oordeel officieel te maken,’ vulde Kees aan.

4 Uur.
Er kwam een dame ’t podium op. Toespraak over hoe goed de ossenworsten waren. Overblijfsel van een joodse samenleving in Amsterdam. Hoe dicht op elkaar de verschillende ossenworsten bij de puntentelling bleken te zitten. Slechts 1 punt verschil tussen nr 1 & nr 8!
Applaus.
Dat vooral de organisatie bedankt moest worden: Huib & Andrea.
Applaus.
Dat ’t uniek was dat zulke authentieke amsterdamse producten, tezamen met unieke amsterdamse jenevers & amsterdamse bieren gepresenteerd konden worden. Een dank voor ieders medewerking.
Applaus.
Dat ’t nu tijd was om bekend te maken welke ossenworst ’t best was bevonden door ’t publiek.
‘Daarom roep ik nu m’n charmante assistent naar voren, die zal laten zien welke prijs er voor de winnaar beschikbaar zal zijn,’ ging ze verder. ‘Huib!’
Huib beklom ’t podium.
‘Zeer charmant,’ reageerde iemand.
& Huib liet ’t kunstwerk zien dat als prijs moest gaan dienen.
De dame ging verder: ‘& De winnaar is geworden ’
Danny werd op ’t podium geroepen.
Applaus.
‘Ook nog maar even zoenen,’ zei Danny op ’t podium aangekomen.
Hij zoende de dame die hem tot winnaar had uitgeroepen.
‘Nee, je moet de charmante assistent hebben,’ werd uit ’t publiek geroepen.
’t Viel stil. Waarna de lach volgde. & Applaus.
Danny zei toen ’t weer stil was dat-ie ’t niet had verwacht. & Wij geloofden hem.

Waarna de vraag werd gesteld of we worst lusten in Zijperspace.

beeldscherm

Elke dag weer schotel ik mezelf een leeg beeldscherm voor. Slechts enkele balken, tools, kaders, nrtjes, etc, allen om de grote leegte heen gedrapeerd, kunnen de aandacht afleiden. Zo snel mogelijk maak ik gebruik ze in zoverre nodig, om de juiste afstelling te krijgen. Juiste lettertype, juiste grootte, juiste breedte.
& Dan ga ik wachten tot de juiste openingszin me te binnen schiet. Als die er al niet was.
Of ik zet er gewoon een zin neer die ik later aan kan passen. De rest van de inhoud zit toch wel in m’n hoofd. Als alles er op een gegeven moment staat, er een sluitstuk aan de openingszin is gegeven, dan kan er vervolgens bijgeschaafd worden. Ook aan die vermaledijde openingszin.
Ik haat ’t lege beeldscherm. Ze doet me telkens denken aan de keren dat ’t niet wilde lukken. Scherm werd gesloten, om later op de dag weer geopend te worden. Zelfde ritueel. Zelfde angst.
(Alsof je de punten van de potlood slijpt. Een doekje klaarlegt voor ’t mogelijk lekken van de inkt.)
Zo ook de gedachtes voordat ’t toetsenbord ter hand wordt genomen. ’t Voelt alsof m’n hoofd zwaar is. Groter. Er moet een kraantje open gezet worden.
& Zogauw ik ‘m geleegd heb, stroomt ’t alweer vol. Maar ’t weegt dan nog niet zo zwaar. Ik heb nog een dag te gaan.
’t Enige dat ik hoef te doen is de zaak een beetje ordenen. De juiste gedachte bij de best passende vondst. Een leuk idee bij een origineel gevoel. & Andersom. Alles door elkaar gehusseld. Passen & meten. Tot ik ’t allemaal achter een openingszin kan plaatsen.
Vandaag is er geen openingszin. Maar meestal ik red ’t ook wel zonder openingszin. Dat weet ik ondertussen. Maar vandaag is er ook de rest niet.
Vandaag is er wel een hoofd. Groot. Zwaar. Niet alleen van de alcohol van gister. Een juiste conditie, zou je zeggen.
Maar er is geen orde. Geen structuur. ’t Is slechts massa. Waarin ’t moeilijk roeren is. Stijf, stram. De lepel blijft er rechtop in staan. Zoals koude erwtensoep hoort te zijn. Maar daarbinnen hoort dat niet.
We zijn met een project bezig. Ik & m’n hoofd. We zijn onszelf aan ’t wegredeneren. Zodat we geen last van elkaar hebben. ’t Is een moordend gevoel. We stappen een doodse duisternis binnen.

Vandaar een leeg beeldscherm in Zijperspace, geel weliswaar, maar tasten zullen we.

achtiswat

Ramon is terug. & Sandra natuurlijk. Maar Ramon ouwehoert tot nu toe & we moeten maar afwachten of Sandra zin heeft dat logswijs te doen.
& Eigenlijk hoor ik dan te zeggen: ze zijn er al die tijd geweest, alleen konden we hun aanwezigheid, hun belevenissen & ups & mogelijke downs niet volgen, omdat ze ons dat niet meedeelden. Maar we koesterden ze evengoed. We waren ze niet vergeten.
Ik bedoel: als ik aan Ramon & Sandra denk, dan zie ik onmiddellijk hun gezichten voor me. Dat heb ik niet met iedereen. Sommige mensen, daar vergeet je onmiddellijk van hoe ze er uit zagen. Dat heb ik bij Ramon & Sandra dus absoluut niet, hoewel ik ze beiden dus ook in ’t echte leven (IRL noemt men dat, Moe: In ’t Reële Leven) meer dan een ½ jaar niet gezien heb.
Da’s ook weer niet helemaal waar. Volgende week zou ’t een ½ jaar worden, want dan is mijn verjaardag zolang geleden. Waar Ramon z’n gezicht liet zien.
Dat kostte overigens nog best wel moeite, want Ramon is behept met een richtingsgevoel waardoor hij zich plots aan de andere kant van de aardkloot kan bevinden, terwijl hij eigenlijk alleen maar een pakje boter in de Willemsparkweg wilde halen. Dat zal hij u zeker nog wel ‘ns voorschotelen, dit geheel & al verpakt in ogenschijnlijk pietluttige details & aandacht afleidende anekdotes, maar op z’n eigen oorspronkelijke kolderieke manier.
Want nu ‘t reeds een ½ jaar geleden is, dat we voor ’t laatst iets mochten lezen via Ach ’t is wat, iets nieuws, nu doet ’t me beseffen dat ik hun beiden welzeker node gemist heb. Daar zal verandering in komen, & ’t werd tijd ook. Ondertussen is er een hele generatie webloggers opgestaan die totaal geen weet heeft van ’t feit dat Ach ’t is wat verantwoordelijk was voor de onderbroekenlol-rage, om maar ‘ns een ludiek verschijnsel te noemen. Daar komt vanaf gisteren dus weer verandering in. Eindelijk zal blijken dat lachspieren wel degelijk zin hebben bij ’t bezoeken van Weblogland (hoewel Ramon waarschijnlijk nog steeds wel zal zitten prakkiseren of hij dat hele serieuze stuk zal gaan schrijven).

De links worden hersteld in Zijperspace.
(hé, Ramon, weet je nog van toen we die bloem allemaal op onze weblogs plaatsten, dat we vonden dat iedereen lief tegenover elkaar moesten zijn, & dat jij 't verzon & ik er een zooitje woorden bij schreef & dat opeens van heinde & verre mensen onze weblogs kwamen bezoeken, hoewel we nog maar net begonnen waren & weet je nog dat we elkaar tegenkwamen bij 't lunchconcert & dat we uren ouwehoerden over weblogland & dat dat vriendje een beetje verveeld voor zich uit moest kijken omdat wij niet konden stoppen of dat we elkaar tegenkwamen op 't station van Nijmegen & dat ik enkele uren later vastzat in een cel op 't politiebureau in Amsterdam omdat ik bang was dat een taxi-chauffeur mij anders zou molesteren & weet je dat die bloem die ik voor m'n verjaardag kreeg 2 jaar geleden, dat die nog steeds op dezelfde plek hangt, wist je dat?)

fassbinder

Er bestond maar 1 superpoes. & Dat was Superpoes. Ik pakte ‘m in m’n handen, z’n pootjes bungelden aan weerszijden ervan, & samen vlogen we de supervlucht van Superpoes door de kamer. Langs de lamp, scherend over de banken, z’n klauwen probeerden nog snel even de kussens te grijpen, omhoog langs de gordijnen., & dan rakelings langs ’t gezicht van m’n moeder. Superpoes lachen (onhoorbaar weliswaar), ik lachen, & m’n moeder verontwaardigd.
M’n broer, met wie ik officieel de poes deelde, op ons initiatief was Superpoes ’t huis in gekomen, ’t huis waaruit wij beiden spoedig zouden vertrekken, pakte de poes bij z’n poten beet & ging als met een trekharmonica tekeer. Poten uit elkaar, poten bij elkaar. Een heel koddig gezicht, vonden wij.
‘Zet die poes neer,’ zei m’n moeder.
‘Ja, maar ’t is een superpoes. ’t Kan niet vroeg genoeg wennen aan de vluchten die ze zal moeten gaan maken.’
Maar Superpoes vond m’n moeder maar niks. Net als enkele andere familieleden.
‘Hij is net zo gewoon als andere poezen.’
‘Als je ‘m net als andere poezen gaat bejegenen, dan zal ’t net zo’n gewone poes worden als andere gewone poezen. Maar als je Superpoes een kans geeft om een superpoes te worden, dan wordt-ie dat ook. Dat heeft-ie in zich.’
Maar dan werd er al niet meer naar me geluisterd. Waarop Superpoes & ik nog maar een testvlucht door de ruimte van ’t huis maakten.
‘Superpoes is toch geen naam,’ werd er vervolgens dwarsgezeten.
‘Hoe moet-ie dan heten?’
‘Weet ik niet. Maar Superpoes is belachelijk.’
Ik bedacht me dat Superman in ’t dagelijks leven ook gewoon Clark Kent heette & liet m’n gedachten gaan over mogelijke alternatieve poezennamen. 1tje Die acceptabel zou zijn voor de rest van Huize Zijp. Evenzowel moest ‘t wel 1 zijn waar z’n uitzonderlijke gaven uit zouden blijken, hoewel dat ook weer niet al te sterk. Enige anonimiteit gedurende de levenswandel was ook op prijs te stellen.
Aangezien Rainer Werner Fassbinder rond die tijd overleed, & ik ’t gehele retrospectief in ’t plaatselijke filmhuis met genoegen had gevolgd, werd ’t tijd om die man te eren. Door Superpoes met zijn naam op te zadelen.
Bovendien klonk ’t zo lekker als ik Superpoes uit de tuin moest roepen om zich gereed te maken voor de maaltijd.
‘Fassbinderfassbinderfassbinderfassbinder.’
Liefst met de hoge stem van vrouwen die katten adoreren.
‘Wat een belachelijke naam voor een poes,’ was ditmaal ’t commentaar.
‘Fassbinder is dan ook geen gewone poes. Fassbinder is een superpoes.’
Maar ze trapten er al niet meer in. Ik was immers inmiddels uit huis vertrokken. & Had Fassbinder niet mee kunnen nemen. Mijn invloed taande.
De enige die Fassbinder zodoende bij z’n ware naam aanriep was ik, 1 keer in de week logerend in ’t ouderlijk huis, als ik naar Den Helder terug moest keren om m’n zaterdagse arbeid in de bibliotheek te verrichten.
‘Poekiepoekiepoekie,’ riep m’n moeder in die tijd de tuin in, met haar handen een blik ordinair kattenvoer omvattend.
Waarop Fassbinder voortaan Poekie werd. & Veranderde in een doodnormale, net niet gezellig dikke poes.
Gezellig dus niet (dat had ik in ieder geval bereikt; als ik ergens een hekel aan heb, dan zijn ’t wel gezellige katten), & dik dus ook al net niet (hoewel m’n moeder haar best deed).
Maar zoals ik al zei: ooit bezat deze poes alle eigenschappen die hem een superpoes hadden kunnen maken. De mens heeft ’t in deze weer laten afweten. Een toekomst verloren, een ideaalbeeld onontgonnen.

Denk echter vooral niet dat er enig moraal zit in de verhalen van Zijperspace.
('t is slechts in 't kader van 't zich weer aankondigen van dierendag, benevens als reactie op 't schrijven van Cranium & Carin mbt de vermeende liefde van loggers voor katten, wat ik probeer te bestrijden, maar niet dmv bovenstaande, als men nog begrijpt wat ik bedoel)

vreemde

‘Niek!’ zei m’n moeder, ‘Waarom zet je nou je kopje niet op ’t schoteltje?’
M’n vader scheen ’t niet te horen. Hij keek m’n moeder aan. Doordringend, zou je denken als je niet weet dat ’t door Parkinson is. Maar de boodschap kwam niet over.
‘Niek!’ zei m'n moeder nog wat harder, scherper.
M’n vader reageerde. Alsof-ie uit z’n slaap werd gewekt.
‘Ja, wat is er?’ vroeg-ie.
M’n moeder had echter ’t kopje al opgepakt & terug gezet op ’t schoteltje. M’n vader liet ’t zich welgevallen. ’t Scheen ‘m niets uit te maken.
‘& Drink je kopje nou even leeg,’ zei m’n moeder. ‘Anders wordt ‘t koud.’

Ik vertel ’t voorval aan Marloes. Dezelfde dag nog.
‘Elke keer verschoof-ie ’t foldertje dat op tafel lag & dan zette hij z’n kopje daar bovenop. Terwijl ’t schoteltje voor ‘m stond. Maar die schoof-ie dan een stukje weg.’
‘Ik heb altijd zoiets dat je dan die mensen gewoon moet laten gaan,’ zei Marloes.
‘Ja, dat willen we dan eigenlijk wel, maar je gaat na zitten denken wat nou de achterliggende motivatie is om dat kopje niet op ’t schoteltje te zetten.’
‘Maar je hoeft die verklaring er niet voor te hebben. Je kan ‘m ook gewoon z’n gang laten gaan. Je weet dat-ie zeg maar langzaam uit je handen glipt, dat je 'm steeds minder goed zal kunnen bereiken, maar je maakt ’t jezelf onnodig moeilijk door je te storen aan ‘tgeen dat afwijkt van wat-ie vroeger deed.’
‘Nee, dat standpunt kunnen wij niet innemen. Daarvoor staat-ie te dichtbij bij ons. We zien ‘m langzaamaan veranderen. Hij gaat steeds minder lijken op de man die hij eens was. & Toch probeer je als familie dat beeld van toen zo lang mogelijk vast te houden. Je probeert ‘m zelfs terug te dwingen in die oude rol. Je kan ook niet anders: je moet zo lang mogelijk blijven proberen dat-ie nog even blijft. Dat-ie geen vreemde wordt. Dat bakkie thee is ook zoiets. Als-ie ’t niet op ’t schoteltje zet, & je weet niet de reden daarvoor, dan heb je weer iets wat vreemd voor je geworden is. Dus zoeken we naar een verklaring.’

M’n moeder ging even boodschappen doen.
‘Niek, blijf jij maar hier even zitten met Ton,’ zei ze tegen m’n vader. ‘Ik ben even naar de V & D. Over 5 minuten ben ik terug.’
‘Dan kan ik toch wel mee?’ zei m’n vader.
M’n moeder is de enige zekerheid. In een vreemde omgeving, tegenwoordig kan elke omgeving zich voor m’n vader voordoen als vreemd, blijft-ie m’n moeder aanstaren. Hij wil haar niet uit ’t oog verliezen, zo lijkt ‘t. Via m’n moeder heeft-ie overzicht over de wereld, door haar heeft-ie nog er een beetje vertrouwen in dat ’t wel goed komt.
‘Nee, ik moet snel even een boodschapje doen. Als jij mee gaat, dan zijn we niet op tijd voor de parkeermeter.’
M’n vader bleef zitten.
‘Pa, wil je nog een bakje thee?’ vroeg ik.
Z’n oogleden gingen hoog staan. Z’n neus in de lucht.
‘Ja,’ knikte hij.
Ik kreeg aan de bar thee voor m’n vader. Ik zette ’t voor ‘m neer. Met suiker.
Ondertussen kwam m’n moeder alweer terug. Ze mopperde.
‘Bij V & D weten ze ook van niks. Brengen ze een klantenkaart uit & niemand weet hoe je daar aan moet komen.’
‘Geef mij maar een koffie verkeerd,’ antwoordde ze op mijn vraag of zij nog wat wilde drinken.
Ze pakte voor m’n vader een theezakje uit ’t mandje.
‘Geef ook maar een nieuwe suiker.’
‘Hij heeft net suiker gekregen,’ wilde ik reageren, maar zag dat m’n vader de suiker onhandig over tafel heeft gestrooid.
‘Geef maar, Pa,’ zei ik.
Ik haalde de suiker uit z’n handen. ’t Zakje hield-ie ondersteboven, maar er zat nog genoeg in om ’t kopje te voorzien. M’n moeder had ’t hete water ondertussen met thee laten trekken.
‘Drink nou maar je thee.’
Voorzichtig boog-ie zich voorover. Hij nipte.
& Ik zag opeens weer voor me hoe ze dat vroeger deden. Hete thee drinken als je haast had. Alle volwassen mensen deden dat. Een beetje morsen op ’t schoteltje. Slurpen. ’t Kopje van ’t schoteltje afhalen & nog een beetje extra op ’t schoteltje morsen. ’t Kopje werd op een plek gezet waar ’t geen kringen op de tafel kon veroorzaken & dan werd ’t schoteltje naar de mond gebracht. Afgekoelde thee. Of koffie. Dan kon je ’t sneller drinken. Of slurpen eigenlijk. Dat was toen heel normaal.
M’n vader keek weer naar m’n moeder.
‘& Drink je kopje nou even leeg,’ zei m’n moeder, ‘dan kunnen we zo gaan. De parkeermeter is zo afgelopen.’

Slurpen wordt zeer gewaardeerd in Zijperspace, omdat ’t doet denken aan toen, toen alles veel groter was.

aardappelchutney

‘Wat maakt de buurvrouw nou weer voor raar geluid?’ dacht ik midden in de nacht.
Ik zat nog na te tollen van de fietstocht richting huis. & Van ‘t vele witbier dat ik had moeten proeven om deskundig te kunnen besluiten welke de beste was.
Maar niet alleen dat. Deel uitmaken van een ter zake kundig panel is op zich niet zo erg, naar mijn opinie, maar de vele gesprekken die er uit voortvloeien met andere bierhotemetoten, de rondjes die vertegenwoordigers niet kunnen laten uit te delen, ’t nieuwe net ontwikkelde bier dat je moet proeven van brouwers, & ’t uiteindelijk rustgevende onderonsje met de barman onder ’t genot van een biertje die je niet meer hoeft te beoordelen op onderscheidende kenmerken, maar die je daarom gewoon in 1 keer leeg zuipt; dat geheel zorgt ervoor dat je toch op een ietwat wereldvreemde manier tegen de spullen thuis aankijkt.
‘’t Is midden in de nacht, buuv,’ dacht ik, & begon een beetje onrustig door ’t huis te banjeren, ongeïnteresseerd op zoek naar waar ’t geluid vandaan kwam.
Maar toen er weer enig realiteitszin tot mij doorgedrongen was, een wandelingetje, hoe kort ook, al is 't om de tafel in de huiskamer, doet wonderen in ’t doorgaans trage & vooral nachtrust nodig hebbende ontnuchteringproces, besefte ik dat ’t niet van de boven maar van buiten kwam.
Gerinkel van een potje. Met dekseltje, wist ik opeens zelfs te onderscheiden. M’n grote vriend was weer gearriveerd.
Zachtjes, & vooral langzaam, trok ik de 2 stukken gordijn in ’t midden van ’t achterraam van elkaar. Op een kier, zodat m’n ogen er nog net tussen pasten. Hoewel ik weet dat ’t beest zich niet zomaar laat wegjagen. ‘t Trekt zich nergens wat van aan.
De egel was druk doende ’t lege potje aardappelchutney om te gooien. ’t Brave beest onderwerpt alle potjes die ik buiten uitstal voor latere bezorging aan de glasbak aan een grondig onderzoek. Dat doet-ie ‘t liefst ’s nachts, eventueel bij ’t licht van ’t spotje in m’n keuken, maar niet noodzakelijk. Hij snuffelt doorgaans aan alle randjes van de potjes & flesjes, werpt z’n lichaam er tegen aan & met z’n snuit weet-ie ’t kleinood om te kieperen. Diezelfde snuit gebruikt-ie vervolgens om de inhoud, of dat wat er van over is, op odeur te inspecteren.
Een egel is neus. Meer nog dan stekels is een egel neus. Heb ik geconcludeerd na reeds 3 jaar achter elkaar enkele generaties egels in m’n tuin te hebben mogen bestuderen. Dit exemplaar is veel kleiner, want waarschijnlijk minder volgroeit, dan z’n ouders vorig jaar, maar duidelijk valt in ’t spaarzame licht vanuit mijn keuken te onderscheiden dat vooral z’n neus ’t werk verricht.
Z’n vader, tenminste, ik vermoed dat ’t z’n vader was, wist me 2 jaar geleden des nachts te verlokken z’n bezigheden waar te gaan nemen, door een niet aflatend gesnuif & gesteun. Die holde van hot naar her. Zat dan weer onder ’t balkon van m’n buurvrouw om vervolgens te verdwijnen tussen de wilde hyacinten, waarna hij pardoes op de potjes af kwam rennen om die van ’t beetje inhoud dat ze nog herbergden te ontdoen. Onder ’t veelvuldig uiten van veel hijg & puf. ’t Diertje was duidelijk bezig met z’n oude dag.
Deze gaat wat stiller te werk. Behalve als-ie een aantrekkelijk potje ontwaart.
Ik had ’t bewuste potje afgedekt gelaten. Aardappelchutney leek me niet ’t juiste voedsel voor egels. Vooral omdat deze aardappelchutney afkomstig was van de surinamer: heet, pittig & scherp tegelijk. Heerlijk bij nasi, aardappels, spaghetti, 1-pansmaaltijden; je kan ’t zo gek niet bedenken of ik heb ’t er al mee uitgeprobeerd.
Maar zeker niet geschikt voor egels.
Daar dacht meneer egel echter anders over. Vanochtend vond ik ’t potje ontdaan van z’n deksel naast de keukendeur. ’t Dekseltje lag 30 cm verwijderd van ’t omvergegooide potje. Ik denk dat z’n neus er nog net in heeft gepast. De egel heeft ’t randje van ‘t glas ontdaan van alle resten aardappel & olie, tot ’t punt waar ’t met z’n neus er bij kon.
Bij ’t zien van ’t omvergeworpen potje moet ik steeds weer denken aan die 1e keer dat ik de aardappelchutney bij m’n maaltijd had geserveerd. & Dan vooral aan de stoelgang die er spoedig op volgde.

We vragen ons af hoe groot egelpotten, die andere egelpotten, zijn in Zijperspace, & hoe vaak ze vandaag zullen worden gebruikt.

cursus lijfloggen (aflevering 1)

De cursus lijfloggen is van start gegaan. Men kan zich ervan op de hoogte stellen dmv de volgende link (ben ik toch even kort, maar vooral niet te lang, een linklogger).

Ook natte dromen komen uit in Zijperspace.