bank

Ze waren ‘m aan ’t buiten zetten toen ik voorbij reed. Een andere bank stond klaar om via ’t raam naar binnen te worden gemanoeuvreerd. Nieuw, kleurig, heel.
Mijn bank had enkele draadjes die er los aanhingen. Je kon zien dat er mensen op gezeten hadden.
‘Gaan jullie die weggooien?’ vroeg ik.
‘Ja, wil jij ‘m hebben?’ reageerden ze spontaan.
Nog nooit eerder in m’n straat gezien, die mensen. Maar nu bleken ze te bestaan. Met een bank die ze overhadden.
‘Ik zou wel willen,’ zei ik, ‘maar ik zou niet weten hoe ik ‘m bij mij naar binnen moet krijgen.’
Ik kon niet zomaar enkele vrienden optrommelen om ‘m naar binnen te takelen.
‘Oh, dan help ik je wel,’ zei de jongen.
‘Hij is hartstikke schoon,’ zei z’n vriendin vanuit ’t raam. ‘We wilden alleen nou ‘ns wat nieuws. We hebben geen katten, dus je zal geen last van haren of kattenpis hebben.’
Alsof ze een verkooppraatje aan ’t houden was.
‘We hebben ‘m al vanaf ’t moment dat we in Amsterdam zijn gaan wonen. Eigenlijk wilden we ‘m niet kwijt. Want we zaten er altijd in. Gekregen van zijn tante, toen zij nieuwe meubels kocht.’
Ze knikt naar haar vriend, die ondertussen met een vriend druk doende was de nieuwe bank naar binnen te brengen. Zij sprak vanuit ’t raam dat vrij was.
‘& Anders laten we ‘m gewoon buiten staan. Dan komt vanzelf wel iemand ‘m ophalen. Of anders de dienst voor ’t grofvuil. We kunnen de bank gewoon niet houden. ’t Zou niet meer in ons huis passen. Zonde toch eigenlijk, hè!’
Ze keek daarbij naar haar vriend. Die steunend knikte.
‘Ik wil ‘m wel hebben,’ zei ik. ‘Maar dan moet ik 1st zorgen dat er ruimte in huis is. Zorgen jullie dan ondertussen dat-ie niet stiekem meegenomen wordt?’
‘Ja, we rusten wel even uit op de bank,’ zei de jongen, die de nieuwe bank ondertussen had neergezet. ‘Dan kunnen we afscheid nemen.’

Ik bracht m’n spullen thuis. Verschoof enkele stoelen & tafels. Keek of er ruimte was om via ’t trappenhuis met de bank boven te komen. & Zocht naar touw.
Vervolgens keerde ik terug.
Met de jongen sjouwde ik de bank de 100 meter richting mijn huis. We probeerden ’t trappenhuis, maar na 1½ meter zaten we al vast. Ik liep naar boven. Gooide 1 uiteind van ’t touw naar beneden, die hij bevestigde aan de armleuning. Hij kantelde de bank, ik trok. ’t Touw sneed in m’n vingers. Maar op ’t moment dat de jongen niet verder kon helpen met tillen, rende hij naar boven om mee te helpen trekken. We kantelden ‘m over de balkonleuning & plaatsten ‘m ergens in de huiskamer.
Ik bedankte de jongen. Hij vertrok & ik heb ‘m daarna nooit meer gezien.

De bank staat kalm. Hij wordt slechts voor ’t dumpen van kleren gebruikt. & Als er iemand langskomt. Ik zit er zelf hooguit 1 keer in de maand in, om de veters van m’n schoenen vast te maken. Dan zak ik aan de zijkant iets weg.
Ik heb er wel ‘ns in gelegen toen ik ziek was. Elke andere plek had niet gewerkt, leverde extra pijn in m’n rug op. Toen heb ik me tegen de achterkant van de bank laten zakken met m’n rug, kroop weg in de bank. Dat heeft 1 middag geholpen. Ik kon slapen.
Een andere keer zou iemand anders er de nacht op doorbrengen. Mijn huis was ’t logeeradres. De reguliere bank was al door iemand anders als bezet geclaimd. Maar aan ’t eind van ’t feest is alleen de laatste bank als slaapplaats gebruikt. De andere persoon bleek een zachter bed gevonden te hebben, met een nog zachter persoon als gezelschap.
Hij wordt gebruikt als we Catan spelen. De enige keer dat er daadwerkelijk iemand in gaat zitten voor langere tijd. Dan kunnen we met z’n 4-en, eventueel met z’n 5-en, om de tafel plaatsnemen. Ik haal dan de plank tevoorschijn die moet dienen als spelbord. De tafel zelf is te klein voor ‘t spel. Die plank staat verstopt achter de rug van de bank. Ik kan er goed spullen achter verstoppen. Platte dozen. Foto’s die ik niet wil zien. Spullen die ik per ongeluk verloren ben omdat er plotseling visite aandiende. & De speelplank voor Catan staat er goed verborgen.
Hij kraakt. Of eigenlijk de contactdoos. De achterpoot, die doorloopt in de achterleuning & vervolgens uitsteekt aan de bovenkant, komt ertegenaan. Als de bank verschoven is, kreunen ze als ik voorbij loop. De grond zakt daar blijkbaar ietsjes door, waardoor de bank lichtjes beweegt, & op een gegeven moment wrijving met de contactdoos veroorzaakt. 1 Keer per maand moet ik daarom de bank een cm verschuiven.
Maar de belangrijkste functie heeft de bank toch als voetensteun. Ik leg m’n benen erop neer als ik een boek ter hand genomen heb & in m’n relaxstoel ga lezen. M’n billen & benen hangen dan op een ideale zelfde hoogte. Niet te ver van de kachel verwijderd, maar ook niet te dichtbij. Eventueel kan ik m’n benen optrekken, tegen de rand van de bank laten steunen, & ’t boek laten rusten op m’n bovenbenen. Dat leest ’t lekkerst.
De bank laat zich alles gebeuren. Zolang-ie maar niet wordt verwijderd, schijnt-ie te denken. Eens in de zoveel tijd, vooral niet te vaak, want daar is mijn luiheid niet tegen opgewassen, wrijf ik ’t vuil tussen de kussens weg, pak er de stofzuigerslang eventueel bij.

Maar verder niks, voor de rest staat-ie daar maar, aan de zijkant van Zijperspace.

zondagsvisite

We zouden ergens heen gaan. Op visite op onze vrije zondag. Koffie & dergelijke.
De avond ervoor hadden we ’t niet laat gemaakt. Na sluitingstijd meteen naar huis, naar bed. Niet al te veel gedronken. Geen last de volgende ochtend.
Ik stond op. Rond ½ 9 had de onrust me te pakken. Dat waren we inmiddels gewend, dus vluchtte ik als gewoonlijk de huiskamer in. Terwijl Tineke bleef liggen.
Ik zette thee, bracht daarvan een kopje in de slaapkamer langs, maakte ontbijt, smeerde een paar beschuitjes op verzoek, & vermaakte voor de rest mezelf met boeken & muziek. Zeeën van tijd had ik op dit soort zondagen. Jammer dat ze onderbroken moesten worden door verplicht bezoek aan anderen.
‘Zeg,’ vroeg ik om de hoek, ‘wanneer wil jij die kant op?’
‘Dat weet ik niet, hoor,’ komt de chagrijnige reactie vanonder de dekens. ‘Ik lig nu lekker.’
‘Sorry, hoor. Ik wilde ’t alleen even weten. Kon ik er rekening mee houden.’
Ik ging door waar ik mee bezig was. Voor nog een uur. Keek af & toe naar de klok. De middag kroop naderbij. ’t Voelde alsof de vrijheid zich steeds verder van me verwijderde. Om dat benauwde gevoel te onderdrukken struinde ik een beetje heen & weer. Liet m’n hoofd weer ‘ns in de slaapkamer zien.
‘Moet ik nog iets voor je doen?’ vroeg ik, zoals slechts poeslieve echtgenoten kunnen.
Uit verveling een beetje oefenen voor de huwelijkse staat. Voorbeeldig gedrag vertonen, zodat ze me nimmer meer zou verlaten.
‘Sodemieter nou ‘ns op. Kan je me nou nooit ‘ns met rust laten?’
Ja, ik had moeten weten dat ik haar niet moest storen als ze haar verzameling oude Donald Duckies tevoorschijn had gehaald. Ze staken nog net boven ’t dekbed uit. Een lampje scheen ze bij. Aan de zijkant van ’t bed lag de stapel die ze reeds uit had.
Ik sloot de deur weer. Met hernieuwde energie & gemotiveerde rust in m’n kop zette ik me weer aan datgene dat me tot dan toe in de huiskamer had bezig gehouden.
Maar ik vond ’t ondertussen wel een beetje laat worden. Wilde men nog wat aan onze beloofde visite voor de koffie hebben, dan zouden we niet al te lang meer op ons moeten laten wachten.
‘Zeg, Tineke,’ vroeg ik na al m’n moed bij elkaar geraapt te hebben, ‘’t wordt een beetje laat. Wil je nog op visite gaan straks of moeten we maar afbellen?’
‘Kan je me nou nooit ‘ns met rust laten? Ik wil gewoon een tijdje hier liggen lezen. Ik kom straks wel uit bed.’
Daar moest ik ’t mee doen. Onrustig van ’t schuldgevoel ging ik weer naar de huiskamer. Ik zou natuurlijk kunnen bellen om ’t af te zeggen. Maar voor ‘tzelfde geld had Tineke opeens weer zin & stonden we over een uur bij ze op de stoep. Dus probeerde ik nog enkele blz van m’n boek te lezen.
De klok sloeg echter op een gegeven moment 12. Dat was ’t moment dat ik me voorgenomen had dat ik de beslissing zou nemen. Afbellen of langskomen. Desnoods alleen gaan.
‘Zeg, Tineke,’ begon ik weer, bij gebrek aan inspiratie, ‘je kan de hele tijd wel Donald Duckies blijven lezen, .’
Verder kwam ik niet. Ik had weliswaar enkele zinnen in m’n hoofd, maar die kon ik niet tevoorschijn halen. Ik had ze zorgvuldig voorbereid. Ik wist dat ik Tineke met fluwelen handschoentjes moest aanpakken als ze een bui als deze had, dus ik moest elke subtiliteit aanwenden die ik tot m’n beschikking had. Gedegen formuleren, waarbij ik vooral niet voorbij mocht gaan aan haar vrijheidsgevoel, haar manier om van de zondagochtend te genieten, maar toch moest benadrukken dat we ook een belofte voor visite hadden uitstaan.
Maar de voorbereiding was voor niets. Er vlogen enkele Donald Duckies pardoes richting mijn gezicht. Via de muur kaatsten ze richting mijn ogen. In een reflex wist ik ze nog net af te weren.
Toch me verkeerd voorbereid, dacht ik nog.
Ik wilde dat nog even corrigeren, laten zien dat ik bereid was m’n bedoeling om haar te storen uiteen te zetten, maar ’t volgende moment vloog er een lichaam de Donald Duckies achterna. ’t Dekbed werd opzij geworpen, in 1 beweging veranderde ’t liggende lichaam in rechtopstaand & stormde in die hoedanigheid op me af. Ik kon ’t tussen de naar beneden fladderende blaadjes nog net gewaar worden. Hoewel ’t wel erg snel ging.
Tineke stond voor me. Ze gilde. Ze sloeg. Achter elkaar door gingen haar handen op & neer. Overal waar ze me maar kon raken sloeg ze. Ik had ’t geluk dat ik nog voor de helft afgeschermd werd door de openstaande deur.
Ik liet haar haar gang gaan. Als zij geweld wil gebruiken dan moet ze dat gewoon maar doen, dacht ik. Ik zal tonen dat zoiets nergens voor nodig is. Ik bleef dus staan, bood m’n lichaam aan voor haar woede & kreeg ’t volgende moment plots een vlakke hand vol op m’n linkerwang.
Maar dat kan niet, dacht ik, alsof ik nog steeds in de voorgaande redenatie zat. Ze mocht slaan, maar niet raak, niet met pijn.
& Voordat ik ’t zelf doorhad, had zich een vuist gevormd van m’n rechterhand. Die kwam bij haar ook op de linkerwang terecht. Vol. Met kracht.
Beduusd keek ik naar m’n vuist. Bestudeerde waar die kracht opeens vandaan kwam, dat geweld. Ik keek naar Tineke. Ze leunde tegen de muur. Wreef met haar hand over de wang. De hand die net mijn wang nog had doen tintelen. Enkele secondes spreiden zich over ons uit, lieten ons realiseren wat er gebeurd was. Tineke barstte in huilen uit. Staand bovenop de Donald Duckies, die enkele tellen ervoor nog door de lucht hadden gezweefd, probeerde ik te voelen wat zij voelde door over haar wang te wrijven. Die van mij gloeide, maar daar voelde ik niks meer van.

Een uur later dronken we koffie & aten we gebak.

Geweld had de zondagsrust hersteld in Zijperspace.

spiegelgesprek

‘Ik heb van de week voor ‘t 1st een interview moeten doen,’ vertelt Jasmijn. ‘Waarbij er iemand achter de spiegel plaatsneemt, weet je wel. Die kan je dan niet zien. Je ziet een raam, die spiegelt, voor de rest niet, maar degene die er achter zit kan wel alles zien & horen wat er in de kamer gezegd wordt.’
‘Dan kunnen ze via de intercom op een gegeven moment zeggen: “Jasmijn, zou je niet even een andere vraag willen stellen.”,’ zegt Jojanneke lachend.
‘Nou, er wordt wel vaak een pauze ingelast in ‘t gesprek. Dan kan er even besproken worden wat er tot dan toe uit is gekomen, & hoe er verder gegaan moet worden. Tuurlijk kan er ingegrepen worden, maar dan moet ’t gesprek wel heel erg vastzitten.’
‘Ik had gezinsgesprekken op zo’n manier,’ zeg ik. ‘Op een gegeven moment vonden ze mijn geval zo serieus dat men vond dat ik opgenomen moest worden in Heiloo. Maar na een intakegesprek vond men daar dat gesprekken met ’t hele gezin meer zin zouden hebben.’
‘Merk je dat dan niet, dat er mensen achter die spiegel zitten?’
‘Ja, ’t wordt je wel verteld, maar al snel trek je je daar niks meer van aan. Maar de psycholoog achter ’t raam vond op een gegeven moment dat ’t gesprek de verkeerde kant opging & toen kwam-ie om ’t meer te sturen. Toen is-ie er meteen maar bijgebleven.’
’t Was een man met een lange rode baard, herinner ik me. Geitenwollen sokken met sandalen. Hij plukte in z’n baard, zat voorover. Hij leek de wijsheid in pacht te hebben, slofte op z’n dode gemak door ’t gebouw. Niets kon hem deren. Jaren ervaring.
Hij was ’t spiegelbeeld van Roodbaard. Hoeveel mensen had-ie al niet verslonden, op de drempel van de inrichting?
Ik ben vergeten hoe zijn collega er uit zag. Misschien donker haar. Kort. Maar meer schiet mij niet te binnen.

‘Ze vonden ’t toen noodzakelijk,’ vertel ik een dag later aan Sas, ‘bij ’t Riagg, dat ik opgenomen zou worden. Dus ging ik naar Heiloo, naar ’t Willibrord. Maar daar zeiden ze dat gezinsgesprekken in 1e instantie zouden voldoen. Dus kwamen al m’n broers & m’n ouders met mij naar Heiloo. 2 Gesprekken met z’n allen gehad. Marc was de enige die niet aanwezig was bij de 2e ontmoeting. ’t Waren gesprekken om te kijken welke overeenkomsten er waren tussen m’n broers.’
‘Om te kijken welke plek je in de familie had, ook natuurlijk,’ zegt Sas.
‘Ja, ook. Hoe ik daarmee omging, welke stappen ik ondernomen had. Later, toen ik een deel psychologie had gedaan, toen snapte ik dat ik ook veel meer van mijn positie in ’t gezin. Carel 1 jaar ouder, & Quint 2 jaar jonger. Daar hebben ze vast ook naar gekeken. Want ik was altijd vreselijk jaloers op Quint. Ik had ’t idee dat Quint heel vaak voorgetrokken werd. & Carel; Carel was een stil kind vergeleken met mij. Ik was een druktemaker, probeerde altijd de aandacht op me gevestigd te krijgen. Dat is al voor een groot gedeelte bepaald door die positie die je in ’t gezin hebt.
Maar goed, daar zullen we ’t wel allemaal over gehad hebben, tijdens die gezinsgesprekken. Ik kan me dat eigenlijk niet zo goed meer herinneren. Ik ben verschrikkelijk veel vergeten van die periode. Ik weet wel dat hun conclusie op een gegeven moment was dat ik een bepaalde fase doormaakte. Dat m’n oudere broers die fase ook hadden meegemaakt. Dat ik er vanzelf wel uit zou komen. Dat was hun conclusie. Dus kon ik naar huis. Daar durfde ik 2 jaar lang de deur niet uit zonder kalmeringsmiddelen bij me te hebben. Ik zat op zolder, keek uit ’t zolderraampje & durfde niks.’
‘Je had geen mogelijkheid om contact met ze op te nemen?’
‘Nee, voor zover ik me herinner niet. Pas na 2 jaar durfde ik weer naar ’t Riagg te gaan. Eigenlijk best wel zonde van de tijd, denk ik vaak. Als die mannen in Heiloo mij nou ‘ns wat meer begeleiding hadden gegeven, dan was ’t waarschijnlijk heel anders gelopen. Misschien had ik dan nu wel een relatie gehad, & kinderen. Dan was ik misschien al veel eerder rustiger geworden. Maar aan de andere kant: ik vind ’t ook wel goed dat ik ’t heb meegemaakt. Anders was ik nooit geworden zoals ik nu ben. Eigenlijk ben ik wel tevreden met zoals ik nu ben. Ook al heeft ’t me toen veel moeite gekost.’
Maar wie was die man met de rode baard?
Jaren later las ik in de krant dat ’t hele bestuur & de directeur van de instelling de laan uit was gestuurd. Dat bijna ’t voltallige personeel in de loop van de tijd weg was gegaan, uit onvrede met ’t gevoerde beleid. Ik waagde me te bedenken dat ik onderdeel was van ’t verkeerde beleid.
Ik ben een vergissing geworden. Een vergissing van een man die ’t idee had dat-ie wist wat er met mij aan de hand was. Hij boetseerde me, zonder me met z’n handen aan te raken, naar zijn eigen beeld. Maar hij vergat daarbij in de spiegel te kijken, hij keek slechts door een raam die niet spiegelde. Via de intercom had-ie de suggestie moeten krijgen een andere vraag te stellen, maar er was niemand die daartoe bevoegd was. & Ik was niet dapper. Ik stond nog maar aan de vooravond van de dingen die mij zouden gebeuren.

Er was toen nog een lange weg te gaan door Zijperspace.

blik

Ik kan me er nu mateloos aan irriteren.
‘At the height of your knees,’ roep ik naar boven, om een flesje bier te duiden waar men om gevraagd had.
Ik ben de fase voorbij dat ik elke keer meeliep om ’t de klant voor te houden. Dan kan je 100 keer op een dag trap op, trap af.
Maar mensen weten tegenwoordig niet waar hun knieën zich bevinden.
‘No, I said your knees. Not your thighs!’
Waarop ze zich een meter verplaatsen, om daar hun geluk te beproeven op nog steeds dezelfde hoogte.
’t Zou natuurlijk ook kunnen dat men er lol in heeft ’t winkelpersoneel onnodig naar boven te laten rennen. Ze verlangen naar de fysieke aanwezigheid van hulpjes. Maar ik vertik ‘t. Ik blijf m’n aanwijzingen vanuit m’n positie beneden geven. Ik vind dat ik duidelijk genoeg ben.

Zo moet m’n moeder zich vroeger gevoeld hebben, in de tijd dat ze mij opdracht gaf iets uit de voorraadkast te halen.
‘Maar waarschijnlijk kan je ’t toch niet vinden,’ verzuchtte ze al van te voren.
Ik had niet alleen 2 linkerhanden, hield ze de visite voor, ik had ook 2 linkerogen. Niets kon ik vinden.
Toch probeerde ik ’t elke keer weer.
‘Waar precies moet ik zoeken?’ riep ik van de voorraadkast naar de keuken.
‘Op de planken,’ werd er teruggeroepen.
‘Ja, dat snap ik. Maar waar op de planken?’
‘Tussen de blikken.’
De voorraadkast stond altijd vol met blikken. & Zakken suiker, maar ik wist dat ik daar in ieder geval niet moest zoeken. Ik moest ook niet in de doos aardappelen zijn, die rechts onder de planken stond.
‘Hoe ziet ’t er uit?’ vroeg ik dan maar.
‘’t Is een blik.’
Ik begon m’n moeder ervan te verdenken dat ze bij mij expres vage omschrijvingen verzon. Zodat ze met haar 2-linker-ogen-zoontje kon pronken tegenover visite.
‘Kijk, ik heb een zoontje met 2 linker ogen, die de hele dag loopt te dromen. Hij zit alleen maar in de boeken & als ik ‘m er uit haal om iets voor mij te doen, dan lukt dat niet omdat-ie de boeken niet van zich af kan zetten.’
Een soortement prestigekwestie. Er waren weinig andere kinderen in de omgeving die 2 linker ogen hadden. Ik kende er geen. Ik was best wel bijzonder, besloot ik, ook al kon je aan de buitenkant niet zien dat ze zo speciaal waren, die ogen van me.
‘Maar heeft ’t een blauw etiket, een groen etiket, is ’t groot of is ’t klein?’
Ik moest wel verder proberen. Want anders kwam m’n moeder, of 1 van m’n broers, om ’t voor m’n neus in 1 ruk uit de kast te halen. Dan werd er niks gezegd, slechts snuivend op me neergekeken.
Systematisch ging ik de hele kast af. Te beginnen bij de blikken. Van links naar rechts. Bovenste planken 1st.
Maar voordat ik dat had afgehandeld, kwam er alweer een opmerking uit de keuken.
‘Kom nou met dat blik,’ riep m’n moeder, ‘ik heb ’t nu nodig.’
‘Mam, ’t is er gewoon niet.’
99 % Zeker. Ik had alleen de onderste plank niet in m’n systematiek opgenomen, maar dat was gebrek aan tijd. Men gunde mij altijd zo weinig tijd.
‘Niek, kijk jij even,’ zei m’n moeder tegen m’n vader.
‘Wat is er aan de hand?’
Al 5 minuten lang was er heen & weer geroepen over een blikje dat zichzelf in de voorraadkast verborgen had & m’n vader wist hoegenaamd nergens van.
‘Ik moet een blikje ananas hebben.,’ legde m’n moeder m’n vader geduldig uit. ‘Je weet wel, van die schijfjes.’
M’n vader kwam naast me staan. In de deuropening. Vanuit zijn hogere positie beschouwde hij de planken.
‘Hoe ziet zoiets er uit?’ vroeg-ie mij.
Hij kende ananas alleen van in de yoghurt of gelatinepudding.
‘Als ik ’t wist, dan had ik ’t al. Maar Ma wil dat niet vertellen.’
Dus ging m’n vader over tot een andere tactiek.
‘Ik kan ’t niet vinden, Anny.’
‘Mannen,’ verzuchtte m’n moeder dan, ‘ze kunnen niks vinden als je ze niet met hun neus erbovenop drukt.’
Ze voegde zich bij ons in de voorraadkast, reikte over de schouders van m’n vader heen, & haalde in 1 beweging ’t bedoelde blik.
‘Maar daar kan ik toch helemaal niet bij,’ protesteerde ik. ‘Dat kan ik toch helemaal niet zien!’
M’n vader ging gewoon weer achter z’n plank zitten, op z’n stoel in de huiskamer, bladerde onverstoord verder in ’t boek waar hij gebleven was. Ik kon me beter de rest van de avond niet meer vertonen in de keuken, of ’t zou moeten zijn om de tafel voor ’t avondeten te dekken. De straf voor ’t niet vinden.

Er bevinden zich vast nog vele blikken ergens in een hoekje, te wachten op ’t moment dat links rechts wordt in Zijperspace.

voorrechten

De trap was met vloerbedekking belegd. De onderste trap. Dat was de moeilijkste klus als ’t huis weer ‘ns wat nieuws nodig had. Er werd enkele dagen over gedaan. Alle hoeken & draaiingen. ’t Moest allemaal worden vastgezet met roedes & voor ’t oog onzichtbare nieten & spijkers.
Maar ook dat hielp niet. Zeker niet als we met z’n 2-en tegelijk de trap af renden om aan de ontbijttafel te gaan zitten.
‘Kan ’t nou niet even wat zachter?’ zei m’n moeder misnoegd, maar toch op zo’n toon dat niemand aanstoot aan haar verwijt kon nemen.
Terwijl ze thee voor ons uitschonk: ‘Pa ligt nog te slapen. Hou daar ook ‘ns rekening mee.’
Dat deden we vooral ’s nachts, in ’t weekend, op latere leeftijd. Je moest de 1e tree overslaan. Ergens in ’t midden ook 1. Dan bijna bovenaan, in de bocht, ik geloof de 3e van boven.
Ik reed van de week voorbij ’t oude huis. Als de huidige bewoners me hadden binnengelaten, dan had ik blind kunnen tonen welke treden kraakten & waar.
De 3e van boven kraakte vooral in ’t midden. Dat was handig te weten, want die eronder juist aan de zijkant. ’t Was moeilijk 2 treden over te slaan, dus zette je je voet daar waar ’t op die tree toch geen kwaad kon.
Maar een aangeschoten been is onvast.
Als snel weerklonk uit ’t middernachtelijk donker: ‘Ben jij dat, Ton?’
M’n moeder hoorde immers alles.
Dan had ik de helft er nog niet opzitten. Want tegen de tijd dat ik ’s avonds de stad in mocht, was ik samen met Carel verhuist naar zolder. Daar moest je de houten trap voor bestijgen, met gaten tussen de treden, waar je doorheen naar beneden kon kijken. & Pas heel laat heeft Pa die kunnen bekleden. Wat ook niet hielp. We waren nl veel zwaarder geworden & de kraak zat na al die jaren ook al in deze trap.
Schoenen dus uit in huis. Dan werd ’t huis niet vies & maakten we minder lawaai. In de hal dienden ze achter gelaten te worden, meteen bij ’t betreden van de woning. Alle schoenen lagen daar verzameld onder de kapstok van m’n ouders.
‘Nee, jij hangt je jas aan de andere kant,’ werd er gezegd. ‘Als je net zo’n dure jas hebt als wij, dan gaan we er over nadenken of jij ook een kleerhanger verdient.’
De schoenen lagen daar hoog opgestapeld. Er waren veel monden te voeden, schoenen te poetsen. Dus schoof Pa z’n schoenen onder de tafel aan de voorkant van de woonkamer.
‘Wie z’n schoenen staan hier?’ schalde er door ’t huis, wijzende vinger van moeder op ’t abusievelijk paar gevestigd.
‘Die van Pa!’ was ’t vanzelfsprekende antwoord van degeen die de regel overtrad, daarbij schijnheilig niet opkijkend.
‘& Die andere?’
‘Oh, ik had geen tijd.’
‘Dan maak je nu maar tijd.’
Je mocht niet verder gaan met ’t ding waar je mee bezig was voordat je je schoenen had opgeruimd.
Vaak had Pa z’n schoenen naast ’t bed staan. Dan kon-ie ze snel aantrekken, vlak voordat-ie naar school moest. Want hij werd altijd te laat wakker. Nog maar net tijd voor een boterham & een kopje thee. Door m’n moeder reeds lang uitgeschonken, met een scheut melk erbij. Dan kon ’t meteen de keel in.
Onderweg naar beneden maakte hij met z’n schoenen minstens zoveel lawaai als wij met z’n allen. Daar mochten we echter niks van zeggen, want Pa had bepaalde voorrechten. Hij zorgde dat we elke dag te eten hadden.
‘Maar als hij ziek is, krijgen we evengoed te eten.’
Die opmerking wilde niet helpen.
Hij was ook de enige die boven op ’t toilet mocht zitten.
‘Dan kan ik niet douchen,’ hielp in deze ook niet.
Hij nam z’n tijdschrift mee om een ½ uur lang de douche & de overloop in zijn geur onder te dompelen. Nog lang nadat hij daar gezeten had durfden wij de badkamer niet te passeren.
‘Pa heeft rust nodig na zo’n harde dag werken.’

Ik kwam van de week ’s avonds laat bij m’n moeder aan. Rechtstreeks vanuit m’n werk de trein genomen.
‘Ik trek m’n schoenen uit, hoor.’
’t Is allang niet meer zo vanzelfsprekend.
‘Goed zeg,’ zei ik vervolgens, ‘deze tafel is 1 van de dingen die jullie ’t langst met jullie meegenomen hebben.’
& Ik zette m’n schoenen eronder.
‘Maar daar dient-ie niet voor,’ zei m’n moeder.
‘Jawel,’ zei ik eigenwijs. ‘Daar zetten we al jaren onze schoenen onder. Bovendien hoeven Pa z’n schoenen er niet meer te staan.’
De volgende ochtend ben ik in de badkamer boven op de wc gaan zitten.

Men voelt zich steeds zelfstandiger in Zijperspace.

uitvaart

Even ontstond er chaos. Allerlei stromingen ontstonden tegelijkertijd vanuit de banken. M’n moeder had net ervoor omgekeken, over de rij die gevuld werd door de familie Zijp, om te zien waar Theo bleef.
Er zat nog veel verdriet in haar ogen. Hulpeloosheid ook. Ondanks dat ik ’t verst verwijderd op de kerkbank zat, kon ik de rode randen nog zien. Ik had m’n bril er niet voor nodig. Ik zag de vraag in haar wenkbrauwen vormen.
Snel gebaarde ik naar Theo, die enkele rijen achter ons ruimte had gevonden om ongestoord in ’t middenpad terecht te kunnen komen. M’n moeder keek om, gerustgesteld. Zag Theo naderen.

Bij de communie was er ook al een kleine wanorde ontstaan. De pastoor had ongestoord daaraan bijgedragen, door mijn vader tegemoet te treden. In plaats van voor de trap naar ’t altaar kregen m’n ouders in de kerkbank hun hostie toegediend.
‘Vrede zij met u.’
Hij glimlachte, om de wil van m’n vader, om ’t stuntelen der rijen, om ’t herstel van de orde, om z’n eigen actie, die even plots uit zicht verdwenen was, slechts nog zichtbaar in ’t onhandig schuifelen van de rijen achter ons.
Met moeite kregen ze m’n vader weer zittend. Alsof hij niet meer wist waar de bank was, zette hij z’n hand verkeerd, knoopte z’n voeten vast in de knielplank. M’n moeder pakte z’n hand vast, aaide, & begon te bidden, zakdoek in de vuist gefrommeld. M’n vader maakte uiteindelijk ook een kruisje.

Er gebeurde van alles tegelijk. De naaste familie van tante Wil zou blijkbaar de kist naar buiten begeleiden. Vooraf gegaan door haar broers & zussen. Bossen bloemen werden uitgedeeld, voor later op ’t graf. Mensen schoven naar ’t middenpad om een laatste glimp, om straks achter de stoet aan te schuiven. & Theo probeerde Pa te doen bewegen.
’t Waren niet alleen z’n stramme ledematen, de desoriëntatie van z’n lichaam; je kon aan z’n bewegingen ook aflezen dat Pa niet wist wat er ging gebeuren. Hij had er zo z’n twijfels over.
Bovendien waren er al te veel mensen om hem heen verzameld. Hij verloor zichzelf in te veel factoren. ’t Overzicht ontbrak.
‘Kom, Pa,’ zag ik Theo gebaren.
‘Kom, Niek,’ deed Moe tegelijkertijd, waarschijnlijk iets erbij zeggend over dat ze snel weer langs zou komen.
Theo bukte voorover om ‘m iets toe te fluisteren.
Yvon stond er ondertussen naast, om z’n andere arm te kunnen ondersteunen.
Z’n lichaam rees. Zoals we inmiddels van ‘m gewend waren. Een ½e zit zat nog in z’n houding; de stramheid van Parkinson.
Omzichtig werd z’n jas aangetrokken. Met zorg werd z’n kraag recht getrokken, enkele knopen toegedaan. ’t Was koud buiten. Binnen rook ’t nog naar wierook.
& In ’t zich steeds verder vullende middenpad werd de tocht naar voren ondernomen. Via de voorkant was nog ruimte om te ontsnappen aan de drukte.

Naast de kist stond ome Ben. M’n vader liep op hem toe, ondersteund door m’n broer & schoonzus. Stapje voor stapje. Hij gaf ome Ben een hand & neigde meteen naar voren.
(Later zei Yvon dat je aan de houding van ome Ben kon merken dat-ie niet gewend was door mannen gezoend te worden, maar dat m’n vader hem naar zich toe trok. ‘Met Parkinson!’ zei ze. ‘Zo’n mooi gezicht zoals ome Ben ’t toen maar onderging.’)
Hij ging langs Ginette. Legde z’n hand op haar zij. Iets te hoog. Maar z’n lichaam heeft er geen controle over. We moesten blij zijn dat-ie dit initiatief zelf nam.
Als laatste kreeg Karin 3 zoenen. Hun mannen een hand.
Spoedig zou de rij zich in gang zetten. M’n moeder had zich ook al klaargezet, met een roos in haar hand. Wij broers neigden steeds verder weg naar de zijkant. In afwachting van wat er met Pa ging gebeuren.

Er waren mooie dingen gezegd. Hoe tante Wil functioneerde in een groot gezin waarvan zij de jongste telg was. Hoe kleinkinderen als vanzelf naar haar toetrokken omdat ze in leeftijd ’t dichtste bij stond. Over hoe zij ’t wisselgeld van de boodschappen verdeelde (er werd gelachen). Hoe bezorgd & toegewijd ze als moeder was, als oma later. & Hoe moeilijk ’t was om bij haar langs te gaan, toen de ziekte haar te pakken had gekregen & er geen zin zonder traan meer over haar lippen ging.
De sprekers stokten, kregen een ondersteunende hand op de schouder van meneer pastoor, hervonden zich, & met een trilling in hun stem wisten ze ’t eind van hun toespraak te halen.
Ik keek steeds om m’n broers & schoonzussen heen, om naar de andere kant van onze rij te kijken, te zien hoe ’t met m’n moeder ging. & Ik schoot elke keer vol als ik ’t zag.

M’n vader wierp nog een laatste blik op de kist, & begeleid door Theo & Yvon bewoog hij vervolgens langs de voorste rij naar de zijkant van de kerk. In ’t middenpad werd langzaam voortbewogen, ’t kruis voorop.
Wij wachtten. Marc, Quint & ik. De rest was ik uit ’t oog verloren. We hadden onze blik naar voren gewend. Waar om de pilaar Pa de hoek om zou komen.
Ik had Pa niet eens gedag gezegd, schoot me te binnen toen hij daar verscheen. Hij zat al opgesloten in de kerkbank toen ik aan ’t uiterste puntje aanschoof. De mis zou toen aanstonds beginnen. Er zeeg al een doek van stilte over de mensen heen.
M’n pet stond op, m’n bril ook. Ik had m’n jas aan, de rits van m’n sweater gedeeltelijk dicht. Ik wachtte, was er klaar voor, hield me groot, terwijl Pa stapvoets dichterbij kwam.
Maar bij ’t aanschouwen van de ogen van Yvon, hield ik ’t niet meer. Ik voelde ze 1 voor 1 onder m’n bril door glippen.

Ik zag in de ogen van m’n vader. Ik las. Ik verwonderde me. & Voelde me tegelijkertijd gegeneerd dat ik ze bij hem veroorzaakte.
Nog nooit eerder, dacht ik.
&: Hij wil niet dat z’n zoon om hem huilt.
&: Hij wil niet weg.
&: Hij weet niet wat verder.
&: ’t Is allemaal emotie, een opeenstapeling van emoties.
&: Hij denkt meer dan je af kan lezen.
& Ik realiseerde me tegelijkertijd dat ik niet wist wat hij dacht achter die tranen.

Ik gaf ‘m zoenen. We gaven ‘m allemaal zoenen. Waarna hij zich vervolgens weer verder liet begeleiden. M’n broers sjokten er achteraan.
Ik verstopte me achter een pilaar, zag in m’n ooghoek de rij verder schuiven, trok m’n jas recht, wreef onder m’n bril langs, & stapte even later verder naar achterin de kerk.
Marc stond daar nog. Hij gaf me een klap om m’n schouder.

We verlieten de kerk, waarvan we ’t bestaan niet meer hadden vermoed in Zijperspace.

speld

Er heerst stilte in Zijperspace, niet slechts uit piëteit met de gestorvene die vandaag ten grave werd gedragen, want ook in zulke stiltes gebeurt er veel. Maar er zijn even geen woorden om die stilte te doen doorbreken.

middelpunt

Ik begin me af te vragen waar ik ’t aan verdiend heb.
Waarom God?
Ik word weer religieus. M’n armen werken langzamer. Spreiden zich. Dat heeft er blijkbaar ook mee te maken. Nederigheid afgelegd in een vertraagde film. Waar niemand naar kijkt.
Voordeel is dat ik mezelf kan mishandelen. Plotselinge scheuten zetten me aan tot bloedige knokkels. Als ik zou durven. Ik weet aldoor nog net dat dat de pijn niet zal verminderen.
Ik verklaar mezelf voor gek. Betwijfel tegelijkertijd of ik gelijk heb.
Heeft u uzelf wel ‘ns in de spiegel gezien?
De beelden divergeren. U is ik, & je is jij. Jij ben ik.
De nek recht leggen. Trekken om te controleren of ’t er nog steeds is. Waar ligt ’t draagpunt & kan ik er zonder leven. Hoe ’t te aborteren.
& Ik bid tot God, god die niet bestaat, ik bid tot God, dat-ie me laat leven, leven zonder, waarom laat-ie me godverdomme leven met? Waarom, waarom, waarom schiet me elke keer te binnen, zonder afgeronde vraagstelling. Ik weet ’t niet te formuleren. Ik bid, ik bid, zonder ooit te weten waarom. Een waarom-vraag bestaat niet. Een waarom-antwoord evenmin.
Ik probeer m’n schouders te ontspannen, m’n handen te kruisen, m’n lichaam te laten afhangen, levenloos, zo goed als, & alles te laten eindigen in een karikatuur van mezelf. Of die andere man.
Hoeveel lijk ik op hem, durf ik mezelf af te vragen.
Waarom heeft nog niemand hoofdpijn in beeld gebracht? Of anders zo weinig. Waarom moet ’t elke keer weer opnieuw ondergaan worden?
Dreunen. Stampen. Andere stereotiepen.
Ik zie nog steeds m’n moeders hoofd. Elke tekening. Elke klop van ’t hart de rest van ’t lichaam door. & Bij haar hoofd houdt ’t nog even extra stil. Stil in een donderende lawine. Alle aders worden vol gestuwd van bloed dat nog moet komen. Een vertraging. Elke druppel is nodig om ergens anders een onbekend gat te vullen. ’t Doet de kleur in ’t gezicht wegtrekken.
M’n moeder is altijd grijs geweest. Dat zal ik straks denken. Later.
Of eerder. Waar ’t begon. Je dat afvragen. & Je vooral afvragen of je ’t anders had kunnen laten uitkomen. Op een beter moment. Je wil je leven plannen.
& Je beseft opeens dat ‘je’ eigenlijk ‘ik’ betekent.
Ze zeiden me steeds dat ’t een ziekte voor vrouwen was. De stoere mannen. De broers & ooms. Op een gegeven moment weet je niet meer waar stemmen vandaan komen. & Ik moest in ’t bed van m’n moeder liggen. Wachten tot m’n moeder tijd had m’n nek te masseren. Dan keek ik mezelf aan, als ’t zover was. In de spiegel. Zijlings. Waar ik normaliter keek of de broek me wel stond. Die ik samen met haar de dag ervoor had gekocht bij Peek.
’t Was een verre reis. Mezelf zien & m’n beeld geloven. Kwijl dat uit m’n mond stroomde. Maar nog net binnen bleef.
Een mens beeldt zich dingen in. Wordt ertoe gedwongen. ’t Zijn kleine pulsjes, elektrische ladingen, die een hoofd op hol brengen.
M’n armen kloppen. M’n benen zijn lam. M’n middel is ’t middelpunt van de rest van m’n lichaam. Maar ’t weet niet dat ’t leeft. De rest is te veel aanwezig.
Ik geloof in een ver schilderij, waar een zonsopgang wordt beweerd. Waar de lucht ijl is, & schapen lopen, alsof de tijd vertraagd is. De wolken zijn witoranje, een ruis van hun voorbij gaan trekt langzaam door m’n oren. Een wind, een trage wind.
& Zogauw ik ’t wil vergeten doet zich iets anders voor. M’n synapsen staan open. Overbodig. Axoon. Dreniet. Korte afgesnauwde woorden.
Ik wil een kungfu film zijn. Waar nietsontziend een vuist wordt gemolesteerd. Ik wil de muur zijn waar m’n eigen lichaam in volle vaart tegenop botst. Ik wil de schade zijn, de doorbloede ader, de open wonde, de doorgesneden pols. Ik wil anders zijn, de agressor, ’t slachtoffer tegelijkertijd.

Zijperspace mag niet willoos zijn.

einzelgänger

Ik had m’n videorecorder aan moeten zetten. Een belangrijk onderwerp in een blijkbaar spraakmakend programma. Ik weet alleen niet meer welk programma. Ik zapte er voorbij toen m’n aandacht per ongeluk wat langer vastgehouden werd doordat ’t onderwerp onmiddellijk genoemd werd. Een onderwerp waar een groot gedeelte van de nederlandse bevolking dagelijks mee geconfronteerd wordt. & Waar iedereen die ermee te maken heeft een mening over heeft. Eigenlijk heeft écht iedereen er een mening over. Want iedereen is ’t ooit geweest. Sommigen wat langer dan anderen. Maar zelfs in ’t geval men slechts heel kort ervan hebben mogen genieten, dan heeft men altijd wel iemand in de kennissenkring die er meer ervaring mee heeft.
& Ik moest er opeens weer aan denken toen Marjolijn & Radboud ’t over de eenzame drinker hadden. Links van hen, voor mij rechts, want ik stond achter de bar, zat zo’n eenzame drinker. Hij was weliswaar getrouwd, had een dochtertje van een jaar of 2, misschien wel 3, maar ’t was overduidelijk een eenzame drinker. Ik zag ’t aan z’n pet, z’n lippen die hingen, aan ’t resolute besluit ’t maar bij 3 biertjes te houden, & de mate waarin hij niet aangesproken werd door anderen dan de barman. Hij lachte vriendelijk als hij merkte dat ik doorhad dat-ie er nog wel 1tje lustte & ook precies wist wat ’t moest zijn. Dat zien eenzame drinkers graag, tenzij ze vinden dat je je teveel bemoeit met ze.
Dat kon ik natuurlijk niet vertellen terwijl hij gezeten was naast Marjolijn & Radboud.
Voor hen schuin aan de overkant, in de hoek van de bar, zat een andere eenzame drinker. 1tje Die zich inmiddels redelijk thuis voelde in die rol. Een portugees of een spanjaard, genaturaliseerd tot nederlander. Hij droeg een muts.
Waarom zijn die eenzame drinkers toch zo dramatisch erg geneigd hun pet of hoed te blijven dragen in openbare gelegenheden? Men zou er eens een onderzoek aan moeten wijden. Zou dat hun enige zekerheid zijn in die overdonderende massa van anders-zijn, anders-denkenden, anders-gerelateerden?
Ook deze eenzame drinker was geneigd voor zich uit te kijken. Af & toe afgeleid door iets wat achter hem meer geluid maakte dan ’t gewone stemvolume van cafébezoekers. Voor zich uit, bijna stoïcijns, zo min mogelijk emotie in ’t gezicht leggend.
Een eenzame heeft ruggengraat nodig. Dat kan hij pogen uit te stralen door geen emotie te tonen.
Waarbij ik mezelf betrap de eenzame drinker alweer overwegend masculiene kenmerken te hebben gegeven. Laten we ’t er op houden dat ik in mijn hoedanigheid van barman overwegend mannelijke eenzame drinkers tegenkom. Bij de vrouwelijke eenzame drinker ben ik bovendien geneigd andere criteria mee te laten wegen, dit vooral mbt ’t feit dat ik andere onderdelen van dit wezen probeer te bestuderen, zogauw ik haar aantrekkelijk genoeg vind om voor langere tijd aan mijn bar te zitten.
’t Grappige bij dat tv-programma, welke ik ook bij ’t korte gesprek met Marjolijn & Radboud noemde, was dat de 4 singles (zoals zij tegenwoordig blijkbaar schijnen te heten) ervan uitgingen dat als zij zich maar mengden onder grote groepen mensen, ze vanzelf wel weer een relatie zouden bemachtigen. Gerelationeerd zouden raken (& als woord dat nog niet bestaat, dan wordt ’t binnenkort wel uitgevonden; bij deze een 1e aanzet daartoe). Voor de rest waren ze allemaal hartstikke gelukkig, ze vermaakten zich allemaal wel, zo in hun leven alleen, waarom zouden ze zielig zijn, & nog meer zelfbevredigende, zelfondersteunende, zelfovertuigende gemeenplaatsen.
Men moet mij begrijpen, ik ben ook single (ik ga in deze tevens met mijn tijd mee & gebruik de vocabulaire die men heden ten dage ’t beste zal verstaan), alsook een eenzame drinker. Maar dat laatste doe ik ’t liefste thuis. Anders vind ik ’t niet echt.
Vroeger (ik ben al zo oud dat ik over dit onderwerp in die termen kan spreken) ging ik de stad in, bleef daar tot diep in de nacht & veronderstelde mezelf een einzelgänger te zijn. Dat stond wel zo romantisch, vond ik, dat was weer ‘ns wat anders dan een eenzame drinker, daar zat meer heroïek achter, een zelf nagestreefd doel, & een met bravoure te dragen geuzennaam.
Maar niet minder alcoholisch noch door meer mensen aangesproken dan de eenzame drinker die zich verdwaald acht in ’t geroezemoes van een donkere kroeg. ’t Is slechts de houding die kan verbloemen dat je niet tot die bepaalde groep behoort.
Tegenwoordig ben ik legaal een eenzame drinker. Zonder dat veel mensen daar aanstoot aan kunnen nemen. Ik drink ’t biertje thuis, in m’n eigen stoel, ga vermoeid naar bed, & word ondertussen ongemerkt ouder. Tot volle tevredenheid overigens (de dood zou alleen niet aan datzelfde prijskaartje moeten hangen; dat vind ik een storend onderdeel ervan).
Let wel: er is wel degelijk de wens zo nu & dan een vrouw per ongeluk naast mij te vinden in de stralen die ’t ochtendgloren mijn kamer doen opvrolijken, maar er is inmiddels geen noodzakelijkheid meer. De vrees dat dit slechts tot averechtse ongewendverschijnselen (dit in tegenstelling tot ’t reeds bestaande ‘ontwenningsverschijnselen’), die zich bij mij voordoen als heuse & zeer serieus te nemen cold turkeys als na ’t jarenlange onthouden van ‘t gebruik van heroïne, heeft mij een tijd geleden doen besluiten dat er aan mijn hoofd geen geestelijke polonaise moet plaatsvinden. Hoe graag mijn natuurlijke driften mij er ook toe willen aanzetten.
Kijk, & daarom, beste luisteraars, mocht men ’t nog tot hiertoe volgehouden hebben dit te lezen, heb ik besloten dat ’t imago van eenzame drinker mij best wel staat. Genoegzaam neem ik een slokje bier, laat me door niets & niemand storen, lees een boek, schrijf een verhaal waarbij ik zo af & toe daar ook nog ‘ns een reactie op krijg, maak mij op die manier in beperkte mate onsterfelijk, hoewel ’t krijgen van een kind ’t leven ook schijnt te verlengen, las ik van de week, verschaft dit gevoel mij redelijk veel genoegen, & laat ’t leven in al z’n beperkingen aan mij voorbij trekken.

Als ik in de kroeg ben tegenwoordig, dan zoek ik wel de mensen op, maak een praatje, & keer alleen terug naar Zijperspace.

guldenberg

‘Hoeveel kost deze fles?’ vraagt de man.
Ik noem de prijs.
‘Erg lekker bier,’ voeg ik aan m’n antwoord toe.
‘Maar ik weet niet of-ie geschikt is voor m’n broer,’ zegt de man. ‘’t Moet wel iets héél speciaals zijn, anders kent-ie ’t al. Heb je er ook een glas van?’
‘Nee, dat niet.’
Hij loopt naar boven & komt even later met een andere fles aanzetten. Guldenberg.
‘Nog veel beter,’ moedig ik ‘m aan. ‘1 Van de lekkerste bieren van België.’
‘Oh, dat wist ik niet.’
‘Naar mijn bescheiden mening natuurlijk.’
‘Ik pakte ‘m vooral omdat ik ‘m er mooi vond uit zien. Hij is toch niet zoet?’
‘Nee, absoluut niet. De mannen die ’t brouwen houden niet van zoet; wel van bitter.’
‘Ah, da’s goed. M’n broer houdt ook van bitter.’
‘Dan houdt-ie vast ook van duits bier.’
‘Nee, nee,’ zegt de man geschrokken, ‘geen duits bier.’
‘Oh, u moest ‘ns weten hoe lekker duits bier is.’
‘Nee, ik geloof best dat er lekker bier wordt gemaakt. & Als ik door ’t duitse land moet rijden wil ik ook best toegeven dat er mooie landschappen zijn, maar ik krijg nog altijd kippenvel als er duits tegen me gesproken wordt. Men zegt dat ’t best aardige mensen zijn, maar als ik er ben moet ik er altijd weer zo snel mogelijk vandaan.’
Ik mompel zoiets van ‘dat begrijp ik’, & inspecteer ondertussen hoe oud de man is. Heeft-ie de oorlog meegemaakt? Of de finale Nederland-Duitsland? Of moet je dat andersom zeggen: Duitsland-Nederland?
‘Ik was laatst in België,’ gaat de man verder. ‘We gingen een dagje de grens over, naar Luxemburg. Ook best een mooi land. Maar op een gegeven moment zag ik al die plaatsnaambordjes: Echternach, Diekirch, Reisdorf. Allemaal in ‘t duits. Voor mij was meteen de lol ervan af. Ik wilde zo snel mogelijk terug. ’t Landschap kon mij niet meer bekoren. Afschuwelijk vond ik ‘t, al die duitse namen.’
Ik mompel weer dat ik zoiets kon begrijpen. De man hoort ’t niet.
‘Bovendien is ’t bier daar niet te drinken,’ probeer ik nog een duit in ’t zakje te gooien. ‘In Duitsland wel.’
Maar ook dat dringt niet tot ‘m door.
‘Als iemand mij in ’t duits de weg vraagt, wend ik m’n hoofd af. Anders zou ik ‘m rechtstreeks de weg de gracht in wijzen.’
Ik pak z’n cadeau in. Inclusief glas.
De man bedankt.Verlaat de winkel.
Als-ie buiten is, oefen ik: ‘Goeldenberg’. Op z’n duits.

& Vraag me af hoe koud de grachten zijn in Zijperspace.

ademen

Ik vind ’t prachtig staan. 3 Dikke delen naast elkaar. Leer, standvastig, robuust. Maar ik verbaas me er over, plots schiet die gedachte me te binnen, dat ik ‘m toch elke dag nodig heb. Dat ik opsta uit m’n boek, naar de kast schuifel, ’t juiste deel de kast tevoorschijn kantel, & een woord opzoek.
Verlies ik er evenveel als dat ik onderweg verzamel?

Ik ga op een laag krukje zitten. Kijk door ’t raam onder de was door. Er ontstaan nu gaten in de tuin. De stengels worden ijl. ’t Wordt een Mondriaan met strepen & vlakken, maar minder kleurrijk. Een eigenwijze roos stipt rood. Geen boogie-woogie; ’t leven is er uit. Hoewel ik weet dat er stiekem, heel stiekem, zich iets aan ’t voorbereiden is. Ik weet niet hoe ik er dan tegenaan zal kijken.
Nu laat ik ’t maar. Ik beschouw slechts m’n eigen schilderijtje, dat zich laat omkaderen door een vensterbank, een schutting & een rijtje t-shirts.
Ik laat een boer. Een oprisping die me doet denken aan de tijd dat ik nog appels at.

Ik leef m’n dag in een ritme van medicijnen. Een ½ uur voor ’t ontbijt. Zo snel mogelijk na ’t ontbijt. Een ander als ik voorbij m’n portemonnee loop. Vlak voordat ik de deur uitga. Na ’t middageten. Na ’t avondeten. Vlak voor ik naar bed ga.
Op een gegeven moment zit er slechts nog een herinnering van pijn in m’n rug. Alsof m’n heup iets meer naar achteren wil, maar ’t haar aan kracht ontbreekt. Maar de enige getuigenis van dat wat eigenlijk werkelijk aanwezig is, maar er niet is, zijn de borrels in m’n buik. Trage borrels, grote bellen lucht, die zich moeizaam door m’n darmen begeven.
‘Weet je of je een gevoelige maag hebt?’ vroeg de huisarts.
‘Nou, m’n darmen,’ zei ik. ‘M’n darmen, die kunnen wat raar doen. Vanwege . Ja, ik heb de ziekte van Graves, zie je. Ik slik strumazol & thyrax.’
‘Maar dat is je schildklier.’
‘Ja, die is nu goeddeels uitgeschakeld. Ik weet niet wat dat voor invloed heeft?’
‘Oh, dat kan geen kwaad,’ zei ze, nadat ze ’t beeldscherm had bestudeerd.
M’n maag voelt vol. M’n darmen zijn stijve, gelijktijdig gewillige ledematen. Geen organen. Daar bewegen ze te veel voor.

Ijverig komen de koolmezen & pimpelmezen de takken bestuderen. Schuren hun snavel aan de knopen. Schichtig kijken ze om zich heen. Zien me evengoed niet vanachter ’t keukenraam spieden. Niets staat stil aan hun lijf. Ik zou hun hartjes kunnen zien kloppen, als ik niet zoveel aandacht had voor de kleuren van hun verenkleed. Want alles moet snel. Elk moment kan de aanblik alweer voorbij zijn. De seconde moet genoten.
Dat lijken zij ook te denken. Ze zijn zich blijkbaar bewust van hun veel grotere tijdelijkheid. Tijdelijk nog groter gemaakt in z’n kortstondigheid. Snel schieten ze ervandoor als de struik of plant al z’n schatten heeft prijsgegeven. Ze verdwijnen tussen takken & bladeren die geen ruimte bieden voor zulke hoge snelheden. Maar toch wijkt alles om mij een vloeiende verdwijntruc voor te schotelen.
Zouden ze daarom korter leven? Vanwege hun kleine hart, dat driftige overuren maakt. Vanwege alles dat zo snel mogelijk beleefd moet worden. Vanwege ’t kleine, dat ’t grote niet aankan.
Ik snapte vroeger nooit dat Gulliver de naalden van de kleine mensjes niet kon zien. Een oog is een oog, dacht ik. Hoe kan ’t dat als je kleiner wordt, dat je dan meer kan overzien? & Zijn er andersom dingen die niet bestaan, omdat er een kolossaliteit tegenover staat die niet te bevatten valt?
Misschien bestond Gulliver wel helemaal niet voor de kleine mensjes. Zijn zij slechts ontsproten aan z’n eigen fantasie.

Elke keer als visite zich aankondigt, probeer ik de vlekken op ’t gele behang met resten verf te verdoezelen. De plek waar m’n vingers voorbij de gordijnen de muur aanraken. De omlijning van de lichtknop van de wc. De spetters in de keuken. De muren waar m’n fiets tegenaan schuurt. Geleidelijk aan moet ’t dikker worden. Uiteindelijk moet dat te zien zijn. Vooralsnog kijk ik ’t aan van de voorkant. Plat blijft ‘t. Zijaanzicht wordt niet noodzakelijk geacht. Nog niet.
M’n huis verandert & ademt mij.

& Ik adem Zijperspace.

koffie

‘Niek, loop jij even met Ton mee,’ zei m’n moeder, ‘dan haal ik ondertussen koffie.’
Ze maakte de ingehaakte arm los. Probeerde ‘m over te geven.
Ik stond er onhandig bij. Ik was niet gewend m’n vader te begeleiden. Ik wilde z’n arm net zo laten inhaken als m’n moeder ’t gewoon was, maar ’t leek alsof ’t bij mij niet wilde passen. Ongemakkelijk pakte ik z’n hand vast. M’n moeder ging naar ’t zelfbedieningsbuffet.
Pa & ik liepen naar ’t tafeltje met de 3 stoelen in de hal. Ik trok ‘m een beetje mee. Voordat-ie eraan dacht dat m’n moeder ook mee moest. Hij leunde al schuin achterover, maar dat kon ook z’n afwijking naar links zijn.
(‘We hebben ‘m gister vroeg op laten staan,’ had de verpleegster gezegd, ‘misschien dat ’t daaraan ligt dat-ie vandaag zo moe is. Maar hij hangt inderdaad weer heel erg naar links. Vooral nu hij in z’n stoel in slaap is gevallen.’
& M’n moeder vertelde me even later dat een neuroloog langs zou komen. Ze hadden haar daarvan op de hoogte gebracht. Ze was akkoord gegaan. Maar niks meer gehoord over wanneer de man nou zou komen.
‘Dan weet je ook de hele tijd niet waar die afwijking naar links nou aan ligt,’ zei ze.
‘Maar ’t ligt toch zowiezo aan Parkinson?’ zei ik.)
’t Was slechts 15 meter. Even de hoek om & dan door de gang naar ’t tafeltje. Een kruispunt langs, waar rolstoelen, bewoners & personeel af & aan gingen. Maar op ’t moment dat wij passeerden was er toevallig geen verkeer.
Ik hield de hand van m’n vader vast & probeerde er niet aan te denken. Ik wilde niet weten hoe lang geleden ’t was dat de rollen omgedraaid waren. Dat ik me veilig in zijn omvattende handen waande. Ons voortbewegend door een drukke winkelstraat in den vreemde.
& Door de poging ’t weg te drukken dacht ik er aan. Ik was ook al bijna een kop groter dan hij, bedacht ik me; hij krimpt.
We kwamen bij de bewuste tafel aan.
‘Wil jij hier zitten, Pa?’ terwijl ik ‘m naar de 1e de beste stoel manoeuvreerde.
Hij keek over z’n schouder. Waar Ma bleef. Maar ondertussen schuifelde hij toch naar de plek waar-ie zodirect zou gaan zitten. Ik had de stoel even aan de kant geschoven, zodat-ie erbij kon.
‘Blijf staan,’ zei ik, ‘dan schuif ik de stoel gewoon onder je gat.’
Maar nog ging ’t moeizaam.
‘Ja, ga nu maar zitten.’
Ma kwam er ook aan. We zaten nog maar net. 2 Koffie & 1 thee, met een gevulde koek. Die laatste deelden ze altijd.
‘Wil jij ook een stukje?’
‘Nee,’ antwoordde ik, ‘ik heb net in de trein gegeten.
M’n moeder zei passanten gedag.
‘Is dat 1 van die dokters?’ vroeg ik.
‘Nee, ik ken ‘m niet,’ zei m’n moeder. ‘Maar hij heeft wel iets dokterigs.’
Ze gaf onderwijl ’t bakje koffie aan m’n vader. Die pakte ’t met beide handen aan & bracht ’t voorzichtig naar z’n mond.
Er kwam een verpleegster voorbij. Ze keek ons vriendelijk aan & zei gedag.
‘Ken je ook niet?’ vroeg ik
‘Nee. Iedereen zegt elkaar hier gedag.’
‘’t Is ook net een dorp,’ zei ik.
‘Ja, maar dan een treurig dorp,’ zei m’n moeder.
‘Ja, da’s misschien wel waar.’
M’n vader haalde iets van z’n trui. Alsof er een pluisje zat. Hij hield ’t tussen z’n vingers & bestudeerde ‘t. Wij zagen niks.
‘Dat is weer 1 van die waanbeelden,’ zei m’n moeder. ‘Dan ziet-ie weer dingen.’
M’n vader keek op. Vragend naar m’n moeder.
‘’t Gaat niet zo goed met Wil,’ zei ze, wat luider nu.

Zijn we gebleven waar we gister begonnen zijn in Zijperspace.

peettante

Ze zei ’t tegen m’n vader.
‘’t Duurt niet lang meer met Wil.’
M’n tante Wil. M’n peettante Wil.
& Zich naar mij kerend zei m’n moeder: ‘Pa kent haar vanaf dat ze klein was. Pa was de 1e in de familie. Hij was erbij toen ze 1e communie deed.’
Bij ’t afscheid zegt ze ’t nog even tegen de dienstdoende zuster.
‘Ik bel jullie misschien op als ’t zover is met m’n zuster. Want ze loopt op de laatste dagen. Ik zou toch graag willen dat-ie ’t weet. Anders is ’t zo raar als we plots naar de begrafenis gaan. Hij heeft ‘r toch erg goed gekend.’

M’n moeder laat merken hoe ze zich voelt. Ze kan niet anders. Als ze vroeger hoofdpijn had kon je dat van haar gezicht aflezen. Ze is een open boek, ook al zou ze zo nu & dan liever wat verzwijgen. Aan de minste zucht over de telefoon weet ik of er iets aan de hand is, denk ik soms. Dan blijkt ze net naar binnen gerend te zijn, om toch op tijd de telefoon aan te kunnen nemen.
‘& Hoe gaat ’t met u?’ vroeg Laura, nadat ze mij kort had gesproken.
‘Nou, niet zo lekker,’ antwoordde ze. ‘’t Gaat niet zo goed met m’n zus.’
Ze krijgt een aai over haar schouder.
Ik zie de laatste tijd vaak dat m’n moeder een bemoedigende aai over de schouder krijgt. Dat verdient ze.

We arriveerden bij tante Dien. Door de schuifdeuren aan de achterkant gingen we naar binnen. Tante Dien aan de eettafel lachte door ’t raam heen. Haar wangen gloeiden rood.
‘Hoe was ’t met Wil?’ vroeg ze.
‘Nou, niet goed.’
‘’t Zou toch beter zijn als er een eind aan kwam,’ zei tante Dien. ‘Zo heeft ze er toch niets meer aan.’
M’n moeder & ik beaamden dat. Maar tante Dien kon zulke dingen beter in woorden brengen.
‘Ze lag er zo bij vanochtend,’ zei m’n moeder.
M’n moeder kantelde haar hoofd naar achteren. Ze probeerde weer haar ogen weg te draaien, zoals ze ’t me ’s middag had uitgelegd. Haar mond wijd open.
‘Er is dus helemaal geen contact mogelijk?’ vroeg ik.
‘Nee, ze zegt niets meer. Ben die werd ’t vanochtend toch ook een paar keer te veel.’
‘Ja, ’t begint nu natuurlijk tot ‘m door te dringen,’ zei tante Dien. ‘Die staat er straks helemaal alleen voor.’
‘Maar hij heeft toch de laatste tijd wel een beetje bewezen dat-ie ’t alleen kan?’ vroeg ik.
‘Nou, nee hoor. Hij kan nog niet ‘ns water laten koken. Misschien om thee te zetten, maar dan houdt ’t op.’
‘Tot ’t laatst heeft Wil nog eten voor hem gemaakt,’ vulde m’n moeder aan.
‘Ja, vorige week dat ik langs was, toen heeft ze nog in de keuken soep voor me opgewarmd,’ zei Tante Dien. ‘Dat had ze van de buurvrouw gekregen. Maar dan loopt ze toch nog naar de keuken om ’t in de gaten te houden.’
‘Ik denk wel ‘ns,’ zei m’n moeder, ‘dat er in de familie Zegers erg weinig gebeurd is, maar dat ze hier boven nu toch ‘ns besloten hebben dat we nu toch ‘ns aan de beurt zijn.’
‘Maar ach, An,’ reageerde tante Dien, ‘als je nou kijkt: de oudste van de 11 is 78. De jongste 60. & Er zijn er nog 10 over. Dan mogen we toch evengoed van geluk spreken.’
‘Maar dan komt ’t wel extra hard aan als ’t zover is,’ zei ik.
‘Ja, we zijn niet echt gewend dat er veel leed plaats vindt in de familie,’ beaamde tante Dien.
Ze haalde voorbeelden aan van families waarvan meerdere broers & zussen in een opvanghuis lagen, of reeds gestorven, een enkeling nog gezond over. Zo slecht had de familie van m’n moeder ’t uiteindelijk toch niet getroffen, was de boodschap.
‘& Gaan doen we uiteindelijk toch.’
‘Maar wat denk je,’ zei m’n moeder, ‘dat als ze vanmiddag overlijdt, dan zal ’t voor ’t weekend toch niet gebeurd zijn, de begrafenis.’
‘Nee, die moet over ’t weekend heen.’

Ze zetten me voor ’t station van Anna Paulowna af. Even verderop moesten ze ’t kleinkind van tante Dien ophalen.
Ik gaf m’n moeder 3 zoenen. Daarna boog ik naar achteren voor tante Dien.
Terwijl ik nog in de deuropening stond, zei ik: ‘Bel je me wel op als tante Wil overlijdt? Dan kan ik misschien nog vrij regelen voor de begrafenis. Als ’t maandag gaat plaats vinden.’
‘Ja, ik bel.’

In de trein terug dacht ik aan tante Wil. Hoe ik haar elke dag zag. Ik bracht de reservekrant bij haar langs, aan ’t eind van m’n wijk. ’s Middags. Op zaterdag in de ochtend. Dan had ze om 10 uur nog steeds haar nachtpon aan. Ik kreeg altijd een bakje thee, als ik geen haast had. Een jodenkoek erbij. We maakten een praatje. Ik pestte m’n nichtjes, of m’n tante & zij mij.
Ik hoorde haar plagerig piepstemmetje weer: ‘Nou, Ton, heb je al een vriendinnetje?’
Dan giechelden de nichtjes.
Op m’n verjaardag kwam ze meestal met een envelop aanzetten. Er zat bijna altijd 5 gulden in. Daar moest ik blij mee zijn, zei m’n moeder dan, want tante Wil & ome Ben hadden ’t niet breed.
’s Zondags kwamen ze langs. Vlak na de kerk. Dan aten ze een kop soep mee. Weer een praatje. Ome Ben alleen maar over ’t weer. Dan liep tante Wil maar naar de keuken. Praatte een beetje met m’n moeder. Maakte een grapje met mij.
Ze wist hoe ik reageerde. We zagen elkaar 7 dagen in de week. Dat leek te komen doordat ze m’n peettante was, maar ’t kwam vooral door de krantenwijk.
Maar jaren later, ik woonde al jaren in Amsterdam, bleef ze specifiek naar mij vragen.
‘Ton, je moet ‘ns een kaartje sturen,’ zei m’n moeder dan.
Dat heb ik 1 keer gedaan. Toen lag ze al in ’t ziekenhuis.
Daar ben ik een paar maanden geleden met m’n moeder geweest. ’t VU-ziekenhuis, hier in Amsterdam. Tante Wil vroeg weer hoe ’t met me ging.
‘Heb je al een vriendinnetje?’ vroeg ze met haar plagerig piepstemmetje, waar evengoed oprechte belangstelling uit klonk.

Ik kwam thuis. Ik legde m’n rugzak op de bank, trok m’n jas uit. De telefoon ging.
‘Met mij,’ zei m’n moeder. ‘Tante Wil is vanmiddag overleden.’
‘Oh, god,’ zei ik. ‘Hoe laat is ’t nou uiteindelijk gebeurd?’
‘Om 3 uur.’
‘Toen zaten wij met tante Dien te praten over haar. Dan hebben ze hierboven misschien toch nog naar ons geluisterd.’
‘Ja, ’t kon niet lang meer zo duren.’
‘Had ome Ben gebeld?’
‘Nee, Karin belde. Ik stond net op ’t punt om bij tante Dien weg te gaan. Ze vroeg of we vanavond nog een laatste maal bij elkaar wilden komen. Om 7 uur. Dan willen ze daarna nog even alleen zijn. Dan zal ’t lichaam vanavond wel weggebracht worden.’
‘Sterkte, Moe.’
‘Ja, dank je.’

Hoe gaat ’t nou met je, tante Wil, zo plots ver verwijderd, maar toch langzaam, ijselijk langzaam weggetrokken van Zijperspace?

klar

‘Ga je een beetje flesjes bier leeg zitten schenken, die je voor de helft van de prijs hebt gekocht als je ’t gewoon aan de bar had besteld,’ zei ik verontwaardigd. ‘Als je flesjes bij ons koopt, dan is dat om mee te nemen, niet om hier uit te schenken.’
Hij knikte. Hij aarzelde. Hij stond op ’t punt zichzelf te verdedigen.
Ik pakte ’t flesje. ½ Leeg. Ik pakte ’t glas ook, ½ vol. Ik keerde me om naar de bar, bedacht me, & pakte ’t andere glas ook.
‘Maar ’t was zo druk,’ kwam-ie achter me aan. ‘Ik wilde die mensen ’t bier van hier laten proeven.’
‘Ik hoef geen uitleg. Ga jij maar lekker weg. Vandaag ben je niet meer welkom.’
‘Alles klar,’ zei hij met z’n duitse accent, ‘maar ik wil gewoon de normale prijs betalen.’
‘Nee, hoeft niet meer. Je kan nu beter gaan. Ik hoef je niet meer te zien.’
‘Kunnen we er niet over praten.’
‘Ik wil er best over praten, maar dat doen we dan de volgende keer.’
‘Alles klar.’

Ik herkende haar nog net. ’t Meisje dat naast de duitser zat. Of ertegenover. Ik peilde haar blik. Ze stak 2 vingers op.
‘Nee,’ zei ik terwijl ik dichterbij kwam. ‘Ik ga jou niet helpen als die andere man nog steeds binnen is.’
‘Ja, maar ’t is voor ons.’
‘Dat maakt mij niet uit. Ik heb tegen hem gezegd dat-ie kon gaan. Als-ie hier blijft wil ik ook niet dat-ie de kans krijgt nog wat te drinken.’
Ik wende m’n hoofd. Ook al zag ik dat ze verder wilde gaan. Ik schudde nog 1maal m’n hoofd. Om m’n besluit kracht bij te zetten.
M’n collega’s zoefden voorbij. Af & toe een blik werpend op de gang van zaken. Ze hielden ’t in de gaten. Ze leken 2 keer zo snel te zijn in hun bewegingen dan ik. Ik deed een stap naar achteren, om ze de ruimte te geven. Zodat ze makkelijker langs me konden. Om afstand te nemen ook.
Ik vroeg aan een klant wat-ie wilde hebben.
Achter me pakte ’t meisje haar gezicht beet. Ze legde ’t in haar 2 handpalmen. Haar ogen ½ verborgen. Haar hoofd schokte. Ze keek me aan, tussen de spleetjes van haar vingers. Smekend. Ze haalde haar haar handen voor haar gezicht weg, waardoor ik de tranen te zien kreeg.
Von ook. Ze pakte een glas, stak ’t onder de kraan van de spoelbak & zette ’t vol voor haar neer. Resoluut. Zonder een woord.
Klanten maakten plots ruimte voor ’t meisje. Ze stond opeens in haar 1tje aan de bar. Er werd een schouderklopje gegeven. Een aai over haar hoofd.
Haar tranen kwamen nog. Ze veegde er een paar weg. Waardoor ’t er nog treuriger uit ging zien.

Plots stond ik naast haar. Ik tikte op haar schouder.
‘Waarom huil je nou?’
‘Sorry, ik ben altijd een beetje emotioneel.’
Ze slikte. Probeerde nog wat te zeggen. Maar een brok weerhield de woorden er uit te komen. Ze slikte nogmaals. Toen ging ’t wel.
‘’t Is een aardige jongen. We zaten heel leuk met ‘m te praten.’
‘Ja, ’t kan best een aardige jongen zijn, maar hij moet hier niet de boel willen belazeren.’
‘Hij was gewoon een beetje lui. & Een beetje dronken. Daarom wilde hij niet in de rij gaan staan.’
‘Maar mensen die dronken zijn & dan niet meer kunnen zien dat ze zich niet aan de regels houden, die schenken we niet meer. Die kunnen beter naar huis gaan. Dat heb ik tegen ‘m gezegd. & Als-ie er over wil praten, dan ben ik de volgende keer daartoe bereid. Maar nu niet. Ik vind ’t nu niet een goed moment om met hem te praten.’
Ze knikte.
‘& Jij mag best nog wel wat drinken van me,’ ging ik verder, ‘maar dan moet hij 1st weg zijn. Want anders drinkt-ie misschien toch mee. & Dan moeten we de hele tijd hem in de gaten houden.’
‘Ja, ik begrijp ‘t.’
Ze legde haar hand op m’n onderarm. Kneep kort. & Ging naar de plek waar de anderen nog steeds zaten.

‘Volgens mij is ’t jaren geleden dat ik een meisje aan ’t huilen heb gemaakt,’ zei ik teruggekomen achter de bar tegen Von.
‘Ja, erg hè? Ik dacht toen ik ’t zag ook meteen dat ze die tranen aan ’t opwekken was.’
‘Nee, dat geloof ik nou ook weer niet.’
‘Maar volgende keer moet je 1st maar met zo’n meid naar bed gaan, dan heeft ze tenminste een reden om te huilen.’

De duitser liep voorbij. Hij ging naar buiten. Gaf me een onderweg een kort knikje. Vlak erachter werd-ie gevolgd door ’t meisje. Ze reikte over de bar naar me & gaf me een hand. Ze lachte verontschuldigend. Ik wist niet waar ik kijken moest. Mijn blik ontmoette slechts een kort moment haar ogen. Er stond een glimlach in.

Die straalde rechtstreeks Zijperspace in.

als zij

Als ik m’n hoofd zou wenden
als zij er was
zou ik dan ook pijn hebben
zo’n steek in m’n nek
van ’t niet willen voegen
als zij er was

Die onnozele wending
toevallig bevindt zich daar iets
een lichtstraal
een beweging
een gedachte
die aandacht nodig heeft

Als zij daar was
had ik die aandacht
die beweging dan ook nodig gehad
& had ik gevoeld dat ’t niet klopt

Als zij er was
die ene zij
was ik dan door blijven gaan met lezen
was ik vermoeid geraakt van geroezemoes
bestaande uit ademhaling
was ik onrustig geworden
omdat er nou 1maal onrust bestaat
daar waar beweging is
daar waar 2 eenheden samenkomen

& Nu zij er niet is
nu ik alleen m’n boek lees
m’n dagen doorkom
m’n geluiden produceer
slechts voor mezelf
mediteer, verzwijg, verwijder
dichterbij kom tot alles
dat niet is
& alles dat ooit zal zijn.

& Daarachter dan een zinnetje dat eindigt op Zijperspace, want anders is ’t niet kompleet.

matras

Ik wentel me naar de zijkant. Keer op keer. Ik wek me wakker genoeg om in ieder geval aan de zijkant te liggen. ’t Dekbed strak om me heen geslagen. Geen kiertje lucht mag ontsnappen of binnensluipen de andere kant op.
Maar ook in slaap kan ik niet stilliggen. Beweging is noodzakelijk, een andere houding, een nieuw uitzicht over dromenland. Waardoor ik gedwongen word mezelf te corrigeren, omdat ik niet in de kuil terecht mag komen. De kuil die een verkeerde hoek in m’n rug slaat. 1tje Die ik de rest van de dag zal voelen, heb ik afgelopen dagen gemerkt.
Ik had alleen tot gisteravond de kuil nog niet ontdekt.

Hij moet nu 12 jaar oud zijn. Gekocht aan ’t einde van de zomer met Pam.
Ik belde haar op. Zij klonk verveeld. Getergd. Maar ik had slechts een beetje hulp nodig. Ik wist niet hoe ik er anders aan moest komen. Ze hadden ‘m al klaar staan in de V & D. Ik moest ‘m zelf op komen halen.
Pam deed geen uitspraken. Ze kon niet beslissen voor haar vader. Ze wist wel dat-ie ’t zou doen, maar ik moest wel weten dat ’t niet zomaar kon. ’t Moest zwaar noodzakelijk zijn, anders zou ze ‘t ‘m niet vragen.
1 Week daarvoor was ’t nl voor de 2e keer uitgegaan. Elke keer als ik haar tegenkwam keek ze me aan alsof ik haar achtervolgde.
Alsof dit onderdeel was daarvan.
Ik had slechts hulp nodig. Hij paste niet in m’n vaders auto.

De vader van Pam hielp nors. Op instructie van z’n dochter, vermoedde ik. Pam legde ’t echter uit als pijn in z’n rug, toen-ie weg was. Ik moest ‘m ook niet zoveel laten tillen.
Dan moet-ie maar laten merken dat-ie pijn heeft, vond ik.
Maar dat hoorde niet in die familie.

Hij heeft niet lang in ’t ouderlijk huis gelegen waar we ‘m toen naar vervoerd hadden. Jan heeft geholpen ‘m te verhuizen naar de Ferdinand Bol.
Bij elke verhuizing was ’t steeds weer 1 van de belangrijkste voorwerpen. ’t Mocht niet vouwen, vanwege de binnenvering. Maar elke keer vouwde ’t toch. Ook al stond ik er met m’n neus bovenop. ’t Touw dat ‘m naar beneden moest takelen trok zichzelf strak. Er kwam een kromming in de matras die ‘m net niet deed dubbel slaan. Waardoor ook ’t plastic, ’t beschermende plastic, niet alles meer omvatte. Zorgvuldig bewaarde ik ’t plastic, precies op de omtrek van ’t matras afgemeten. Met steeds meer scheuren. Vieze vegen van verhuisbusjes kwamen er daardoor op ’t matras te staan. Sommige onmogelijk te verwijderen. Vet langs de zijkant. Stof die tot in ’t binnenste leek door te dringen. Ik was aan ’t eind van ’t verhuizen meestal te vermoeid om onmiddellijk in te grijpen. Tussen stapels onuitgepakte dozen legde ik m’n matras neer & viel in slaap.
’t Matras werd steeds meer voor mijn leven getekend.

’t Lag op de grond. ’t Had een harde ondergrond nodig, moest ik m’n moeder steeds weer uitleggen, vanwege z’n binnenvering. Ik mocht niet zomaar een lattenbodem voor ‘m bouwen & dat ophangen tussen wat rechtopstaande planken.
Bovendien was alles tijdelijk. Onderhuur. Sloopwoning. & Lange tijd leefde ik ’t leven van een student.
’t Matras met mij. ’t Hechtte zich vooral niet te veel aan de lichamen die bij tijd & wijle kwamen logeren.

Ik heb ‘m al eerder een keer omgedraaid, in de tijd dat-ie in een echte hoogslaper ligt. Een matras heeft variatie nodig, moet kunnen ademen. Maar ik deed ‘t bovendien omdat ik ’t vermoeden kreeg dat-ie ging zakken. Zakken in z’n binnenste. Ik kon de kuil niet vinden, maar de afwijking in m’n rug wel. Dus draaide ik.

Elke keer als ik me nu weer naar de zijkant wentel, zo min mogelijk inspanning, want daar word ik alleen maar wakker van, hoor ik ’t bed zuchten. Zuchten dat steeds meer klagen wordt. Hoewel m’n broer ’t bed aan de muur heeft gekluisterd met ellenlange bouten. ’t Bed wil dat ik naar ’t midden zak, me onderdompel in ’t vanzelfsprekende dieptepunt van ’t matras. Maar ik vind dat ik de laatste tijd overdag te veel nadenk over de afgelopen nacht. Dus wek ik mezelf een beetje wakker, & schuif terug, plak mezelf tegen de muur, & bekijk van de zijkant hoe de wereld erbij ligt.
Niet te lang, want ik wil verder waar ik gebleven was.

Ik heb ‘m daarnet nog maar even opgemeten, hoewel ik ’t jarenlang uit m’n blote hoofd wist. 135 x 195 cm.

Waar vind je nog zo’n maatje in Zijperspace?

gemist

Ik hoop dat men ’t mij kan vergeven. Weer ‘ns geen stukje vandaag. Ik moet me ervoor excuseren, maar ’t is nu 1maal niet anders.
Ik zei gister nog in Utrecht dat ik om 11 uur moest beginnen. Waarop gereageerd dat dat toch best wel meeviel.
‘Maar ja, ik moet ook nog een stukje schrijven,’ voegde ik er aan toe.
& Dat is ook zo. Er moet een stukje geschreven worden. Er dient continuïteit geboden te worden.
‘Oja, ja,’ zei Jenneke.
Ze begreep ‘t.
De laatste trein, volgens mijn berekeningen de meest gunstige trein om nog een beetje bijtijds thuis te zijn, zou vertrekken om 23.08 uur. Die miste ik. Want ’t was prettig om nog een laatste biertje te accepteren.
Om ¼ over 10 dacht ik nog: ‘’t Is nog lekker vroeg. Maar dat betekent dat vanaf nu de tijd opeens veel sneller zal gaan.’
Dat is een wet. Ik weet niet waar ik die wet vandaan heb. Maar ’t komt altijd zo uit. Vanaf ’t moment dat ’t einde nadert, gaat de tijd zich onevenredig versnellen. Waardoor je geneigd bent de bus of de trein te missen.
Niet met opzet. ’t Gebeurt gewoon.
’t Werd de trein van 23.37. Waarbij de conducteur opeens de deuren sloot. Op ’t moment dat ik samen met een andere heer juist de trein had betreden. Dan ga je denken dat dit degene is die richting remise gaat.
Bestaat er ook een remise voor treinen? Of geldt dat slechts voor trams?
‘Nee,’ legde de conducteur ons snel uit, ‘julie waren er al ingestapt voordat ik ze kon sluiten. We openen met deze trein altijd alle deuren, op 1 na, zodat iedereen langs de conducteur moet om binnen te komen.’
‘Maar dat ben ik toch helemaal niet gewend,’ was mijn reactie.
Braaf m’n kaartje laten zien. & Ik begon ook al te wriemelen naar m’n kortingskaart, maar dat geloofde meneer de conducteur wel.
Meneer de conducteur zag ik 5 minuten later weer. Toen we reden. Ik stond in ’t donker van ’t toilet, een onverlaat had de lamp tot onnuttig & niet werkend omgebouwd, waarbij hij bovendien de plee had volgestopt met een drol, gehuld in kms wc-papier; ik stond dus in ’t donker van ’t toilet te pogen of ik kon plassen, deur op een kier, toen de conducteur z’n hoofd de hoek om stak.
Ik laat m’n plasser nooit vrijwillig aan een conducteur zien, dus dat diende verklaart. Maar dan moest ik wel klaar zijn met de boodschap.
Hij bleek om de hoek geduldig te staan wachten. Dat dwong mij tot een extra verklaring.
‘Ja, niet alleen ’t licht is uit,’ zei ik, ‘hij zit ook helemaal verstopt.’
‘Ik was al van plan ‘m helemaal af te sluiten.’
Hij voegde de daad bij ’t woord.

In die trein zat ik dus. De trein van net te laat. De stoptrein tussen Utrecht CS & Amsterdam CS. Omdat ik had bedacht dat Amsterdam Muiderpoort een handige opstapplek was voor mij.
Ik weet inmiddels beter.

Thuis gekomen zat er onrust in m’n lichaam. Dat dwingt mij altijd tot ontspannend vertier. Wat op zijn beurt weer tijd vergt.
’t Is allemaal niet makkelijk, moet men begrijpen, zomaar een avondje ’t huiselijke verlaten voor buitenstads.
Ik werd vanochtend wel op tijd wakker. Hoewel ‘wakker’ misschien niet ’t juiste woord is. Ik wist me ertoe te zetten ’t bed te verlaten. Maar vervolgens heb ik me op de bank gelegd. Een bakje thee was ondertussen ’t enige dat zich in m’n maag bevond. Ik wilde even niet nadenken, geen boek lezen, geen stukje schrijven. Moe, vooral moe.
Vandaar dus.
Als ik me nu nog een beetje haast, dan kan ik me nog net voorzien van een 2e bakje thee. M’n boterhammen heb ik gegeten, terwijl ik u deze mededeling doe. Dan ga ik na de thee mezelf een ietwat verschonen, zodat ik fris & toch nog redelijk fruitig op m’n werk verschijn. Maar geen stukje dus. ’t Spijt me. Geen stukje.

Maar een gek die daar op let in Zijperspace.

blind

Weken later hebben we ’t er nog over. M’n broer lachend. Ik kwaad. Een jaar later nog. Nog steeds kwaad. Verontwaardigd. Carel lacht onder z’n bril door. Hij had toen nog een bril.

Elke maandag gym. ’s Avonds van 7 tot 8. Met een maag die nog redelijk vol zat van de maaltijd. We moesten daarom extra vroeg eten. Speciaal daarvoor had Ma ’t eten voor ons vroeg op tafel. Een tafel voor 2 personen. Tafelkleed opzij, & een kort stukje zeil aan ’t eind. Ook al was de rest van de familie er niet, ik wilde evengoed aan ’t hoofdeind zitten.
Gym van Ruud. Een jonge vent nog. Maar dat wisten we pas op latere leeftijd. Toen wij zijn leeftijd bereikt hadden.
Ruud drilde ons. Wist elke keer weer een nieuwe oefening te verzinnen. Wist precies wie er goed waren & wat er aan ons mankeerde. Keihard probeerde hij meer soepelheid in ons lichaam te kweken.
‘Verder!’
& Hij duwde onze achterwaarts gekruiste armen nog wat hoger boven de schouderbladen.
‘Als je dat vaak genoeg doet dan komt er vanzelf rek in.’
’t Zal wel, dachten Carel & ik. ’t Enige dat wij deden was niet de slechtste worden. Er waren altijd nog wat dikkerdjes die minder lenig waren. Voor hen was OKK een strafkamp. Oefening Kweekt Kunst. Daar waren de dikkerdjes & stijf van leden ’t niet mee eens. Wij waren tenminste nog bereid die naam te aanvaarden.
& Met dat beetje gym bij OKK waren we tenslotte leniger dan de rest van de klas. Op de lagere school, & later op de middelbare school. Zo slecht als we bij OKK waren, zo goed waren we ten opzichte van de leerlingen in de schoolklas. Elke keer werden we naar voren geroepen om ’t voorbeeld te geven. Bij OKK was dat altijd iemand anders. Daar dienden wij hooguit om te laten zien hoe ’t niet moest.
We waren echt niet slecht. Maar de rest was beter.

We wilden van gym af, niet langer elke maandag naar de gymzaal. Omdat ’t geen bevrediging gaf. Nooit ‘ns de beste zijn. Altijd ging ’t om jezelf. Niet om een team. Andere kinderen zaten op teamsport.
Maar daar hadden wij de padvinderij voor, vonden onze ouders.
Eigenlijk vonden wij padvinderij toen al kinderachtig. Dat vonden de andere leerlingen van school in ieder geval ook. Dus moesten we wel tegensputteren.

Maar braaf liepen we elke maandagavond naar gym. Verderop in de Marsdiepstraat. 5 Minuten lopen. Zo laat mogelijk vertrekken om zo min mogelijk mee te maken.
& Opgelucht weer naar huis. Als ’t voorbij was. Als we nog genoeg energie overhadden om met elkaar te klieren. Wedstrijdje wie ‘t 1st thuis was. Of met een blikje trappend omstebeurt. Hoewel we niet op voetbal zaten. Daarom stopten we daarmee zogauw er een voorbijganger aankwam.

Blind lopen. De 1 houdt de ander vast, die z’n ogen dicht heeft. Om te voelen hoe ’t is om blind te zijn.
‘Ik ga wel als 1e,’ zei Carel.
Waarna we 100 meter liepen.
‘Nou mag ik.’
‘Nee, ik ben nog niet klaar.’
‘Ja, maar we zouden omstebeurt.’
Hoewel ik rekening moest houden met ’t feit dat hij de oudste was. Hij had meer macht. Meer kracht om gelijk te hebben.
Maar toch zei hij: ‘Ok.’
‘Hoever zijn we nu?’ vroeg ik na een tijdje.
Want die vraag had Carel tijdens zijn beurt ook gesteld. Je moest weten hoe ’t was om blind te zijn, maar je moest ook weten waar je was. Ook wel handig als je de stoep af moest.
‘Wat?’ vroeg Carel.
‘Hoever zijn we nu?’
Waarschijnlijk heb ik die zin nooit afgemaakt. De lantaarnpaal zal dat wel belet hebben. Keihard liet-ie weten waar ik was, waar hij stond. Dat ik al die tijd dichter op ‘m toegelopen was. M’n hand in de hand van m’n broer. M’n broer die niet blind mocht zijn, maar evengoed ook z’n ogen dicht had. Tot de lantaarnpaal liet weten dat ik niet verder kon.

M’n broer lachte. Elke keer weer.
‘Ik had gezegd dat ik blind zou zijn,’ smaalde hij.
‘Ja, maar ik was aan de beurt.’
& Iedereen kon zien dat ik ongelijk had. Want ik had een blauw oog. & Carel lachte. Waarop iedereen mee ging lachen. Carel zag er grappig uit met z’n bril als-ie lachte.
Ik wilde niet meer met ‘m meelopen naar OKK. Of terug. Dus ging ik alleen. & Oefende ik mezelf in ’t heel snel aankleden, & ’t nog sneller veters strikken. Om weg te zijn als hij klaar was.

Oefening kweekt kunst in Zijperspace.

wie

Mij bedonderen ze niet. Ik weet wie wie is. Men hoeft zich niet te gedragen als een keurig nette man, met sjaaltje nonchalant achterover geslagen, of vrouw met kinderwagen, zodat ik niet door zou hebben dat ze respectievelijk een gebruiker van een door mij nooit ervaren drugs, of een jong wulps meisje dat naarstig op zoek is naar een nieuw vriendje blijken te zijn.
De gebruikers gaan dagelijks aan mij voorbij. Of in ieder geval 3 van m’n wekelijkse werkdagen. Ik beschouw ze wel ‘ns als studiemateriaal. Studiemateriaal van mezelf.
Waarom weet ik ’t al bij 1e oogopslag? Waarom is ’t voor mij zo makkelijk om ’t te doorzien dat ze slechts op weg zijn naar de volgende score?
Voor de rest weet ik niks van ze. Ik hoor wel ‘ns verhalen van de vaste klanten die zich in dezelfde scene bevinden. Maar meer niet. Ik herken ze alleen. Ik kijk hoe ze achter iemand aanrennen. De straat volproppen met hun gegil & geschreeuw. Hoe ze gebaren dat er opgepast moet worden omdat er politie op de loer staat. Meer niet.
Ik ben een toeschouwer die zichzelf vragen stelt.

De vrouw houdt de deur open voor haar vriendin. Die heeft moeite met de kinderwagen. Ze lachen om ’t stuntelen. & Komen traag ’t café binnen.
Ik lees door. Om slechts af & toe op te kijken. Afgeleid door geluid. Andere klanten. Bewegingen buiten.
Vriendin is geen moeder, zie ik. De vrouw wel. Hoewel de vriendin de hele tijd met ’t kind zit. Ze lacht & kirt. Een hoog stemmetje weerklinkt als ’t kind terug in de kinderwagen wordt gestopt omdat de broodjes zijn gearriveerd. ’t Broodje krijgt pas later aandacht. Vriendin moet 1st afscheid nemen van ’t kleine hummeltje. Ze bukt voorover, haar v-hals valt open, maar daar houdt ze geen rekening mee. Ze lacht hoog om de blijkbaar vertederende lach die ik niet kan zien.
‘Kijk nou,’ zegt ze tegen de vrouw.
De vrouw is de moeder, zie ik. Die kijkt zakelijk. Moe ook. Ze gedraagt zich alsof ze nog maar 1 taak heeft. ’t Opvoeden van haar kind. Blij dat ze er even van verlost is dankzij ’t enthousiasme van vriendin.

Ik verzamel feiten. Ik wil dat ’t aangetoond wordt.

Moeder draagt een lang t-shirt. Tot bijna bij de knieën. ’t Verhult. Een sombere bruine kleur. Ze loopt op gympen waar ze geen moeite voor hoeft te doen. Waarop ze ’t lang volhoudt.
’t T-shirt van vriendin komt nog maar net tot haar broek. Af & toe glimpt een reepje huid tevoorschijn. Op gegeven moment wrijft ze onnadenkend over haar buik. Voelt aan ’t teveel dat mijns inziens geen teveel is. Kriebelt onopgemerkt onder haar shirt & steekt héél, héél kort haar vinger in haar navel.
Schijnheilig lees ik weer m’n boek. Op zulke momenten mag men me niet betrappen op staren.
’t Kind laat wat vallen. Aan moeders kant. Efficiënt wordt ’t onmiddellijk opgepakt & teruggegeven.
Een tel later valt ’t aan de kant van de vriendin. Zij bukt met gratie. Of is dat inbeelding van me? Ik zie opeens dat ze lange laarzen draagt. Met hoge hakken. Ze reikt ’t speeltje terug naar ’t kind, maakt er geluiden bij. Ze wil bekoren. Hoge toontjes komen uit haar mond. Toontjes. ’t Zijn geen tonen. Te kort & te zingend.

Ik wandelde ‘ns met Corry & kind. Sytze was nog jong. Nog geen ½ jaar.
Corry vroeg of ik niet af & toe met Sytze wilde lopen.
‘Mannen worden altijd aangesproken door vrouwen als ze met een kind lopen,’ zei ze lachend.
Om me over te halen.
‘Net de verkeerde vrouwen,’ dacht ik per ongeluk.

Dan vraagt de moeder of de fles misschien even in de magnetron mag staan. Doelbewust was ze op de barman afgestapt. ’t Is iets vanzelfsprekends. Terwijl vriendin kijkt hoe ze ’t aanpakt. Benen over elkaar. Waar moeder de benen de hele tijd naast elkaar had staan. Vriendin steekt haar hand tussen de benen. Lekker warm.
De moeder komt terug met de fles. Geeft ‘m aan ’t kind. & Keert weer terug in haar oorspronkelijke houding. Recht achter de tafel. Armen over elkaar heen gevouwen.
Haar vriendin heeft haar armen wijd uit elkaar. De 1 op de leuning van de stoel, de ander rust op tafel. Een open houding, zouden mensen zeggen die aandacht hebben voor lichaamstaal.

Ik ben klaar. Ik heb een biertje gedronken, met de barman gepraat, ben naar de wc geweest (onderweg zag ik dat op ’t biljart de luier van ’t kind werd verschoond), & heb zin om weer thuis te zijn.
Ik reken af.
‘Bedankt, Ton,’ zegt Wieger, de barman.
‘Bedankt,’ zeg ik. ‘Ik zie je volgende week wel weer.’
& Loop naar buiten.
’t Kind wordt teruggeplaatst in de kinderwagen. Kan rusten op z’n schone luier. Ik loop net voorbij. De vriendin steekt hulpvaardige handen richting kind. Ze lacht weer. Haar stem haalt weer de hoge registers tevoorschijn. Ze bukt voorover om ’t kind over z’n borst te strijken. Terwijl ik zie dat dat niet kan met een v-hals.
Toch kijk ik.
Maar snel wend ik m’n hoofd af. Want ik betrap me op de gedachte dat vriendin misschien wel de moeder is.

In Zijperspace weten we niets zeker, hoewel we denken van wel.

lootje

‘Hé, we hebben lootjes getrokken,’ zeggen Jasmijn & Johanneke enthousiast aan de bar.
Voor 10 december, bedoelen ze. Of ik daar aan mee wilde doen, was de vraag in een meeltje van Jojanneke. Met jas, jo, door, bas, jeannine, michiel, yohann. Moest ik wel snel reageren, want dan konden ze lootjes-trek-datum plannen.

Bij ons in de familie moesten we voor Sinterklaas ook 2 keer bijeenkomen. 1 Keer om de cadeaus uit te pakken, & een keer vóór die datum, liefst een maand, om de lootjes te trekken.
Er waren toen nog niet al te veel kleinkinderen. Maar wel schoonzussen. Er was er altijd wel 1tje die niet op de lootjes-trek-datum niet aanwezig kon zijn. Dat was niet erg, in ieder geval overkomelijk, want m’n vader vergat toch altijd wie hij trok. Hij bewaarde dan ’t lootje voor de bewuste schoondochter.
‘Ik weet in ieder geval wel dat je mij jammer genoeg niet getrokken hebt,’ zei hij bij de uiteindelijke overhandiging van ’t lootje, ‘want dan hadden we vast de hele avond marsepein kunnen eten.’
Een guitig glimlachje tekende z’n gezicht. Marsepein was ’t lekkerste dat er op aard bestond, & zou ten allen tijde zo min mogelijk gedeeld moeten worden, behalve dan met schoondochters. M’n vader was een schoondochtercharmeur.

‘Oh, dus jullie hebben al getrokken?’ zeg ik als ik langskom om lege glazen te halen. ‘Ik had anders een perfecte methode gehad om lootjes te trekken zonder dat iemand te weten komt wie wie getrokken heeft.’
‘Ja, dat heeft Jasmijn ook,’ zegt Jojanneke.
Jasmijn kijkt vrolijk op de achtergrond.
‘Maar die methode hebben we ook niet gebruikt,’ gaat Jojanneke verder met een sarcastisch lachje.
Jasmijn blijft vrolijk kijken.
‘Nee, we hebben iemand anders laten trekken,’ zegt Johanneke. ‘Dat werkt ook.’
‘Jammer, want ik heb echt een perfect systeem.’

Ik had er genoeg van dat er van Pa altijd gezegd werd dat-ie toch vergat wie hij voor iemand anders getrokken had. Ik wilde ’t nog eerlijker dan eerlijk laten verlopen. Die voldane glimlach van m’n vader na afloop van de trekking moest maar ‘ns achterwege blijven.
‘Hij weet wie hij zelf getrokken heeft, hij weet wie er getrokken heeft voor een schoonzus, waardoor-ie van 4 personen tijdens de viering zelf weet wat er staat te gebeuren.’
Ik wilde ’t even scherp stellen.
‘Terwijl ’t heel simpel is.’
& Omstandig legde ik m’n methode uit.

Voor iedereen die aan de loting mee moet doen, maakt men 2 lootjes. Elk met de naam van die persoon er op. Men vouwt ze dubbel, voegt de 2 bij elkaar, doet er een elastiekje omheen, waarna ze in de grote hoed verdwijnen. Er wordt gehusseld. Vervolgens worden alle lootjes er uit gehaald, elastiekjes weer los, & elk paar krijgt op de buitenkant van ’t lootje een nr toebedeeld. Beiden ‘tzelfde nr. Men legt van elk persoon, een nr representeert nu een persoon, maar men weet echter niet welk er achter schuilt, een lootje neer. Op een rij. Van 1 tot 10 bijvoorbeeld. Onder die rij maakt men van de overige corresponderende lootjes een zelfde rij, maar dan zo dat de nrs niet overeenkomen met degene die erboven liggen. Iemand anders kan nu 1 van de 2 rijen openvouwen, liefst zonder daarbij de nrs te bekijken, de nrs liggen bijvoorbeeld aan de onderkant van ‘t papiertje, enveloppe voor de betreffende persoon (van tevoren zijn de enveloppen reeds van de deelnemende namen voorzien) wordt erbij gepakt, waarin ’t lootje vanuit de andere rij wordt gestopt.

Maar dat was veel te ingewikkeld. Terwijl ’t zo simpel was als Pa gewoon vergat wie hij voor iemand anders getrokken had.
Waarna er keer op keer opnieuw getrokken moest worden, omdat iemand zichzelf getrokken had.
‘Volgend jaar doen we mijn methode,’ zei ik nurks.

‘Wanneer krijg ik m’n lootje nou?’ vraag ik als ik weer met lege glazen passeer.
‘Oh, die heeft Johanneke.’
‘Johanneke, wanneer krijg ik m’n lootje nou?’
‘Hier, wacht even.’
Ze moet ‘m blijkbaar uit haar jas halen. Ik maak van de gelegenheid gebruik om nog wat glazen aangereikt te krijgen van een tafel achter me. Ik ben tenslotte aan ’t werk.
Ik heb m’n handen vol als ik me weer omkeer.
‘Hier is je lootje.’
‘Stop maar in m’n achterzak.’
Wend m’n billen toe. Johanneke duikt diep in m’n achterbroekzak met hand & lootje.
‘Hé, je moet niet van de gelegenheid gebruik maken, hè!’
Maar bij die opmerking voel ik ouderwets blozend bloed langs m’n wangen omhoog kruipen.
‘Ja, jij gaat met je reet uitdagend naar achteren staan,’ zegt Jojanneke.
Ze doet ’t voor. Zoals ik ’t gedaan zou hebben. Ze lachen.
‘Maar met mijn billen moet ’t er toch heel anders uitgezien hebben,’ denk ik erbij.
‘Ik vind dat je geen gebruik mag maken van een man die zichzelf niet verdedigen kan,’ zeg ik. ‘Tenslotte ben ik een fatsoenlijke barman.’
& Parmantig loop ik met de glazen richting bar. Op m’n achterwerk brandt een lootje.

Niemand in Zijperspace, behalve ik, die m’n achterbroekzak mag raken de komende maand.

begin

’t Begon op een zondag. Want er was veel visite op de verjaardag van m’n schoonzus. Dat is waarom ik ’t weet. Doordeweeks heb je niet zoveel visite. Ook niet op een verjaardag. & Franchet had een huis vol. M’n moeder zou daar ook wel bij zijn, heb ik die middag gedacht.
Ik heb vast ook wel valse starten gemaakt. Zoals de spacecake, waarvan ik vergeten was dat ik ‘m gegeten had. Rillend lag ik in bed, meteen nadat ik thuis kwam, m’n lichaam geheel niet onder controle. Toen heb ik Inge er maar bij geroepen, toentertijd m’n huisgenote, gevraagd of ze even bij me wilde blijven. We hebben een tijdje gepraat, ik volledig bij m’n verstand, hyperbewust, totdat ik besefte dat ik eigenlijk stoned had moeten zijn. Vanwege die spacecake. M’n lichaam stopte onmiddellijk met schokken.

Vooraankondigingen. Lichaam & geest konden ’t niet meer met elkaar vinden. Waren niet met elkaar in overeenstemming.
Ik probeerde mezelf terug te vinden door me vaak in een roes te dompelen. Een continue roes. Met averechts effect. Ik wist immers niet dat ik iets verloren had. Dat ik iets terug moest vinden.
Ik moest iets vinden, wist ik later, maar niet opnieuw.

Die zondag blies m’n hoofd zichzelf op. Tot ongekende proporties. Ik wist waar m’n hoofd zich daadwerkelijk bevond, waar m’n hersenen zaten, maar ’t denkvermogen was overgegaan in een onzichtbaar fluïdum. Groter dan ikzelf.
’t Was voor ‘t 1st, dus ik schrok. Ik bleef schrikken toen ’t me later vaker gebeurde. Elke keer weer. Maar die 1e keer wist ik niet dat ’t ooit over zou gaan.
Je hebt geen controle meer. Alles glipt uit je handen. Waarbij ik niet doel op materiële dingen. Gedachten vooral. Alles wat met gedachten te maken heeft. Je moet extra moeite doen om na te denken. Omdat alles fladdert, weggevoerd wordt. Wil je een voorwerp pakken dan zal je je 10 keer sterker moeten concentreren, de controle moeten vastgrijpen. Waardoor alles in je hoofd samengeknepen lijkt te worden; een wurggreep. & Dat fluïdum lijkt zich constant verder uit te breiden.
Ik zei tegen Folkert: ‘Ik sta niet meer.’
‘Ik kan niet meer staan.’
‘’t Gaat niet goed.’
& Eindelijk was-ie bereid m’n dienst in de koffieshop over te nemen. Ik denk dat ‘t 2 uur ’s middags was. Ik had ’t hooguit 2 uur op m’n werk volgehouden.
‘Ik ga naar huis,’ zei ik.
Maar liep de andere kant op.
Ik rilde. M’n hoofd voelde bleek. Ogen ingevallen & uitpuilend tegelijk. & Overal schoten m’n gedachten voorbij, alomtegenwoordig, maar niet meer door mij bestuurd.
M’n benen zwabberden me over straat. Ik wist waar ik heen wilde, maar ik durfde me alleen nog niet te laten zien. Bang voor verwijten. Bang voor onbegrip. Dus liep ik nog maar een rondje. Liet de paniek meer invloed over m’n lichaam krijgen, zodat ik uiteindelijk niet anders meer zou kunnen.
Ik belde aan. Franchet deed open. Ik vergat te feliciteren. Kon dat ook niet, want de tranen stonden al in m’n mond. M’n lippen werden strak getrokken. & Huiverend werd ik vastgepakt in de deuropening.
Dat ik rustig moest zijn.
Dat ik ’t gewoon moest laten gaan.
Dat er toch wel iets aan de hand was.
Dat ik ’t niet moest ontkennen.
Rustig, nog een keer.
Dat alles ooit wel weer beter zou gaan.
Dat ’t nu allemaal somber leek, maar dat ik er wel uit zou komen.
Dat ik maar moest blijven huilen.
Dat ’t geen kwaad kon.
Dat hulp misschien toch wel beter was, professioneel.
Dat ze m’n moeder er ook wel even bij zou halen.
Rustig, rustig maar.

Toen is ’t allemaal begonnen. Op een zondag. Franchet was jarig. & Had een huis vol visite.
Daarna is ’t allemaal anders geworden. Ben ik geworden wie ik ben.

Zijperspace vormde zich traag, doch plotseling was ’t er.

verandering

‘Maar hoe gaat ’t nu met je?’ vroeg Rachel.
‘Ach, gaat goed,’ zei ik. ‘Ik voel er niks van. Dat zei ik ook tegen de internist. Dat ik er niks van merk. & Ik vroeg aan haar of dat wel vaker voorkwam, dat mensen er niks van merkten.’
‘Voel je er ook echt niks van?’
‘Ja, dat vraag ik me dus af. Ik wilde tegen die internist dus zeggen dat Pes afgelopen zaterdag had gezegd dat ik stukken rustiger leek. Die zei dat ik niet zo onrustig om me heen keek als voorheen. Maar ik zei dat dat kwam doordat ’t zo verschrikkelijk rustig was. Er was niemand die me lastig viel, die m’n aandacht opeiste.’
‘’t Zou toch leuk zijn als je rustiger werd. Zou ik helemaal niet erg vinden.’
‘Nee, juist helemaal niet. Ik wil gewoon blijven wie ik ben.’
‘Nou, ik zou ’t helemaal niet erg vinden als je wat meer rust in je lichaam had.’
‘Ja, dat snap ik wel, maar ik wil niet dat ik verander. Stel dat ik ’t inderdaad al vanaf m’n puberteit heb, dan ben ik meer dan de helft van m’n leven zo. Meer dan 20 jaar. Ik wil niet zomaar afstand nemen van de persoon die ik ’t grootste gedeelte van m’n leven ben geweest. Daar was ik gewend aan.’
‘Maar ’t is toch prettig als je wat rustiger in je hoofd bijvoorbeeld wordt?’
‘Dat zal best. Maar ik wil ’t niet. Als ik ADHD had gehad, zoals ik een tijdlang dacht, dan was ik ook niet aan de ritolin begonnen. Ik wil zijn zoals ik ben. Of was, eigenlijk.’
‘Maar ’t betekent dus dat je eigenlijk wel wat merkt van een verandering?’
‘Nou, ik word dikker.’
‘Hoeveel dikker?’
‘3 Of 4 kilo zwaarder.’
'Hm, zie je niet. Nou, je bent wat voller in je gezicht geworden. Maar er kon best wel wat bij, bij jou. Word je er ook trager van?’
‘Dat wou ik nou net zeggen. ’t Lijkt net alsof ik op de fiets ook veel langzamer ga. Mensen halen me in. Dat gebeurde nooit.’
‘Maar da’s toch niet erg. Je fietst evengoed wel snel. Sneller dan de meeste andere mensen.’
‘Da’s wel erg. Dat betekent dat ik niet meer dezelfde ben.’
‘Oja, jij wilt dat er nooit wat verandert.’
‘Precies. Alles moet altijd ‘tzelfde blijven. Anders verlies ik ’t overzicht.’

Er kwam een man tegenover me staan. Hij keek me recht in ’t gezicht. Krijt in z’n handen. Houtskool bleek dat even later te zijn. Een schetsblok klaar onder z’n arm.
‘Mag ik je tekenen?’
‘Waarschijnlijk kost dat geld?’ vroeg ik huiverig.
Hij knikte.
‘Ja, wat je ervoor wilt geven.’
‘Maar momenteel ben ik bijna bankroet.’
‘Maakt niet uit. Dan doe ik ’t gratis. Vind je ’t ok?’
‘Ja, als ’t me niet te veel tijd kost.’
‘Je hoeft me slechts 5 minuten in de ogen te kijken.’
Hij ging zitten & ging aan de gang. Met snelle halen, veel geveeg & een turende blik.

‘Hij lijkt niet,’ zei Ramon. ‘De neus klopt niet.’
‘Ik herken mezelf er anders wel meteen in,’ zei ik.
‘’t Zijn wel duidelijk de ogen van Ton,’ zei Rachel.
Ik rolde ‘m op. Legde ‘m opzij.
De man kwam teruglopen. Hij was alle tafels langs geweest.
‘Dat wordt niks vanavond,’ zei hij.
‘De mensen willen niet nagetekend worden,’ begreep ik. ‘Of ze hebben net zoveel geld als ik.’

Ik heb ‘m thuis opgehangen. Aan de muur naast de tv. Ook naast de foto van alle broers bij elkaar.
Ik ben al 2 dagen aan ’t controleren of ik veranderd ben. Zijn de wangen boller? Of heeft-ie de jukbeenderen, die altijd uitstaken, verloren laten gaan in ’t licht?
Maar die neus klopt niet, denk ik. & Oren kon-ie al helemaal niet tekenen. ’t Zijn niet de kleine oortjes waar ik m’n broers mee kon pesten.

Of ’t moet zo zijn dat alles uiteindelijk verwordt tot flapoor in Zijperspace.

stem

Ik keek om naar de deur. Ik had de deurbel gehoord. ’t Monotone gezoem dat uit de kelder weerklinkt als iemand binnenkomt.
Ik kende de man. Wist ‘m niet direct te plaatsen, maar ik herkende z’n baard. Z’n dwaze uitdrukking in de ogen. Licht onzeker. Hij liep met 2 dochtertjes in de hand. Nog niet eerder gezien. Maar ’t was duidelijk dat hij de beschermende vader voor ze was.
‘Goedendag,’ zei ik.
’t Was immers geen toerist. Dan zou ik ‘hallo’ hebben gezegd. Met een intonatie die voor internationaal kon doorgaan. Zodat mensen die nederlands blijken te zijn er niets verkeerds in horen.
‘Goeiendag,’ zei de man.
Met ’t piepstemmetje. Ik wist weer wie hij was. Hij was ’t mannetje met ’t piepstemmetje. Heel hoog, heel gek. Daarom had ik ‘m ook die dwaze uitdrukking in z’n ogen toebedacht. Terwijl ’t toch een doodgewone vader was.
Ze liepen gedrieën de trap op. Ik verschanste me bij de kassa. Waar ze zich enkele minuten later vervoegden.
Hij had de oudste dochter al losgelaten. Hij moest z’n mandje bier immers vast kunnen houden. Nu liet-ie dochter nr 2 ook los. Z’n portemonnee moest tevoorschijn, geld overhandigd & de boodschappentas gevuld. Daar heb je meerdere handen voor nodig.
‘Deze alstublieft,’ zei ’t piepstemmetje.
Z’n dochters begonnen de omgeving te verkennen, terwijl ik de biertjes inscande.
‘In de buurt blijven,’ waarschuwde ’t piepje.
Maar de jongste stond al buiten. Die was de dingen aan ’t ontdekken. Ze keek door ’t winkelruit. Wees flesjes bier aan. Zag voetgangers voorbij gaan. Werd ook afgeleid door de portemonnee van vader. Maar de strepen op ’t raam waren interessanter.
‘Trudy, hier blijven,’ klonk de piep met veel autoriteit.
Dacht ik tenminste. Trudy luisterde echter niet.
‘Trudy, kom naar binnen!’
Ook zonder gevolg. Daarentegen zag de wereld haar verwonderde glimlach tegemoet. Ze draaide onderwijl om haar eigen as. Onvolledige woordjes brabbelend. De stenen van de stoep ontdekkend.
‘Ze loopt verder, Pap,’ zei de andere dochter.
Hij had net heel teder ‘Alstublieft’ naar mij gepiept. Bij ’t overhandigen van ’t geld. Daarbij had-ie z’n vreemde lach gelachen. Dwaas, dacht ik nog even. ’t Deed me denken aan russische bannelingen uit de 19e eeuw. Of romanschrijvers. Door die baard. & De gekte die in hun ogen stond getekend, net als bij hem. Dat was waar ik op dat moment aan dacht. Hij zou wel een struise dame als vrouw thuis hebben zitten wachten.
We keken tegelijkertijd naar buiten. Naar waar de oudste dochter bedoelde. Trudy stond tussen de geparkeerde auto’s, op ‘t punt om haar ontdekkingsreis voort te zetten richting openbare weg. Haar lach stond klaar om alle indrukken onbevangen op te nemen. Er kwamen enkele auto’s voorbij scheuren. Om ’t dreigende gevaar te illustreren.
‘TRUDY,’ klonk opeens een oorverdovende basstem uit de keel tegenover me, ‘KOM HIER!’

Ik kreeg jaren later, m’n vader was al een paar jaar met pensioen, van meisjes in de stad te horen hoe vervaarlijk luid mijn vaders stem kon klinken.
Onder ’t genot van een glaasje bier vertelden meisjes over ’t trauma van een schreeuwende directeur, wiens stem door de gangen van de school schalde. Hoe meneer Zijp hun lichaam verstokt kon doen staan, als ze wisten dat ze iets verkeerds hadden gedaan, & m’n vaders stem hun daarop betrapte. Dat ze zich niet meer durfden te verroeren. Als een willig slachtoffer dat zich dan maar zo snel mogelijk zal laten verschalken. Geparalyseerd levert dat de minste pijn op, schijnt. Ze volgden nog slechts dat instinct als mijn vader z’n woede liet galmen.
& Ik vertelde dan dat hij dat thuis ook kon, als 1 van z’n zonen iets had uitgehaald dat ‘m niet aanstond. Dat m’n moeder dan hard smekend ‘Niek, Niek’ ertussendoor moest roepen, om hem schijnbaar weer tot zinnen te brengen. Of te laten merken dat er ook nog iets als buren bestonden die alles door de muren heen mee konden beleven.
Want m’n vader kon niet alleen als hardste niezen, wat 5 deuren verder mee te genieten viel; datzelfde gold in niet mindere mate voor zijn stem, als iemand iets verkeerd had gedaan. In een gezin van 6 jongens kwam dat geregeld voor.

Trudy stond stil. Haar hand plakte nog vast aan de geparkeerde auto. Bevroren in de laatste beweging. Haar lippen plots strak. Ze had die oerschreeuw eerder gehoord, want ze scheen zich te beseffen dat nu niks meer mocht.
Niks bewegen, niks niets meer doen, stil, stilstaan.
Haar vader kwam naar buiten lopen, z’n piepstem weer hervonden, om haar vermanend mee te nemen naar binnen, voor de kassa.
Ik gebaarde hartkloppingen naar de volgende klanten, die braaf in de rij achter hem waren blijven staan. Trok denkbeeldig zweet van m’n voorhoofd weg met m’n handpalm. & Lachte opgelucht naar de weerkerende vader.
‘Da’s € 1,35 wisselgeld,’ zei ik, & overhandigde ’t bedrag dat al een tijdje klam in m’n hand had gehangen.
‘Dank u wel,’ zei de piepstem weer.
Hij lachte onder z’n baard & snor door.
Mijn vader heeft nooit een snor gehad, bedacht ik me.

Maar weerklonk daar niet minder om in Zijperspace.

afspraak

‘Ik heb om 10 uur een afspraak,’ zei ik.
‘Mag ik dan even uw afsprakenkaart,’ zei de dame achter de balie.
‘Ik weet alleen niet met wie,’ voegde ik er nog even aan toe.
‘Eens kijken,’ terwijl ze allerlei mappen doorspitte, ‘dat is de heer Freriks.’

Tenminste, ik dacht dat ze ‘de heer’ zei. Ik had me daar geheel op ingesteld, toen een dame riep: ‘De heer Zijp?’
Een tengere gestalte. Met een vrolijke lach. Waarschijnlijk een jaar of 8 jonger dan ik. Ze sprak me aan met u. Ook toen ik haar daarentegen tutoyeerde. De zin die ik daarna tot haar richtte probeerde ik ’t ook, een zin met u, maar ’t lukte niet. Ik bleef jij zeggen. Ze was ook echt een jij.

‘Merkt u nog iets?’ vroeg ze. ‘Heeft u nog klachten?’
‘Nee,’ antwoordde ik, ‘voor mij is ’t een ziekte van niks. Ik merk er niets van.’
‘Da’s mooi,’ zei ze. ‘Ik zie ook dat u bloed heeft laten prikken & dat er een scan van uw botten is gemaakt. Dat laatste is uitgevoerd, las ik, omdat u dacht dat u de ziekte misschien al van jongs af aan heeft. Om te controleren of de botten niet waren aangetast.’
‘Ja, de man die de scan uitvoerde zei dat er niks aan de hand was.’
‘O, dat weet u al.’
‘Ja, hij liet me meteen de grafiekjes zien. We hebben met z’n 2-en naar de computerbeelden zitten kijken.’

‘Heeft u nog vragen?’
‘Ja, eigenlijk wel. Ik ben er de vorige keer ook over begonnen. Daarom hebben we dat botonderzoek gedaan. Omdat ik ’t vermoeden had dat ik ’t al vanaf m’n puberteit heb. Want ik had op internet gelezen dat de ziekte van Graves vaak aan ’t eind van de jeugd ontstaat.’
‘Ja, maar dat hoeft niet hoor. Er zijn ook heel veel mensen bij wie ’t veel later begint.’
‘Maar goed, ik heb dat vermoeden omdat ik niet anders weet dan dat ik een druk mannetje ben. Ik las op internet dat men ’t wel omschrijft als ‘jachtigheid’. Ik beschouw mezelf echter meer als een beetje hyperactief.’
‘Ja, jachtig is ook niet echt een woord dat de lading dekt.’
‘Zo rond m’n 20e raakte ik een beetje in de war. Zo’n 5 jaar heb ik toen in therapie gezeten. & Nu zit ik te denken dat ’t misschien wel gekomen is doordat ik de ziekte toen al had.’
‘Dat zou heel goed kunnen. Want een overactieve schildklier kan er ook voor zorgen dat er geestelijk wat gebeurt. Dat zie je vooral bij mensen met een inactieve schildklier. Die worden sneller depressief. Mensen met een overactieve schildklier krijgen meer te maken met manische depressiviteit. Ik weet niet wat jouw klachten toen waren, maar ’t zal er best mee te maken kunnen hebben. Een psychiater had dat waarschijnlijk weten te behandelen. Die kijkt ook altijd naar mogelijke lichamelijke oorzaken.’
‘Ik zat bij ’t Riagg. 5 Jaar lang. Ik had alleen maar te maken met psychologen.’

Ze begeleidde me naar een andere kamer. De afspraakkamer. Er zaten 2 mensen klaar. Ze wisselden snel van plaats.
‘Moet ik maar weer?’ vroeg ’t meisje dat achter ’t beeldscherm plaatsnam.
‘Zo, dan kunt u hier uw afspraken maken voor over 6 weken & 12 weken,’ zei de interniste. ‘Dan spreek ik u over 6 weken.’
Ze gaf me een hand.
‘Tot ziens,’ zei ik & nam plaats op een stoel tegenover de 2.
Ik lachte nog even naar mevrouw Freriks. Meisje Freriks. Daar ergens tussenin.
‘U bent de heer Zijp,’ zei ’t meisje achter ’t beeldscherm.
Ze las ’t voor van de map die ze in haar handen had.
‘& U moet een telefonische afspraak maken voor over 6 weken, zie ik, & een controleafspraak voor over 12 weken.’
Ze boog zich over ’t toetsenbord, ogen richting beeldscherm. Onzeker. Ze was vast in opleiding. De jongen achter haar moest haar begeleiden.
‘Moet ik nou in dit scherm die afspraak maken?’ vroeg ze. ‘Nee, ik zit zeker verkeerd. Of toch niet.’
‘Nee, je zit goed.’
Ik merkte onrust. In m’n eigen lichaam. Ik zat gespannen te wachten op wat komen ging.

& Te wachten op dat wat voorbij was in Zijperspace.

bedreigd

Ik noem ze altijd de ‘ratten van Amsterdam’.
‘Geef ze maar pinda’s,’ zeg ik tegen de klanten op ’t terras, ‘dan gaan ze sneller dood.’
Mensen zijn dan geschokt. Of lachen.
‘Hoe dat zo?’ vragen ze dan.
‘Oh, ze kunnen niet tegen pinda’s. Dat vet stapelt zich alleen maar op in hun maag. Daardoor sterven ze binnenkort een pijnlijke & langzame dood.’
& Dan loop ik door.
Soms heb ik de opmerking van ‘ratten van Amsterdam’ er ook nog bij nodig. Maar dat is een uitdrukking die ik eigenlijk verkeerd gebruik. Want officieel, ’t staat nu in de krant, zijn ‘t ‘vliegende ratten’. & Dan moet ik erbij zeggen dat ’t de grootste ziekteverspreiders van Amsterdam zijn. Dan klopt ‘t. Maar ik gooi die 2 opmerkingen bij elkaar. ’t Heeft uiteindelijk meer effect, denk ik altijd maar. Mensen luisteren tenminste naar me. Dat zou er natuurlijk ook aan kunnen liggen dat ik met gigantische stapels glazen aan hun voorbijtrek. De glazen die mensen niet zelf naar de bar brengen. Terwijl ik praat & tegelijkertijd glazen til wordt er door de buurvrouw van de aangesprokene een foto van me genomen. & Ik maar denken dat ze naar m’n verhaal over duiven luisteren.

Nou blijkt de duif opeens bedreigd diersoort te worden. Alsof dat niet m’n bedoeling is geweest. Wel dus.
Alle duiven de wereld uit & om te beginnen uit Amsterdam.
Stuur de duivenmelkers er meteen maar achteraan. Is ook een raar diersoort. Soortement gemuteerd mens. Of een soort mens dat de bijbel, dat verhaal van Noach, te serieus heeft genomen.
Duiven schijnen nl helemaal niet zo vredelievend te zijn. Ze pikken hun soortgenoten langzaam dood. Als ’t bestaan van hun soortgenoot hun even niet zint. Niet in 1 keer een dodelijke pik, maar dagen achter elkaar kleine pikjes. Steeds weer. Zodat die soortgenoot 1st kaal wordt, daarna geen trek meer heeft in eten, & vervolgens dood blijft liggen. & Dan komt er weer een snavel, ‘pik, pik, pik’, om ’t nog even extra te bevestigen.

Ik woonde op de Albert Cuyp, in een woning die op de nominatie stond gesloopt te worden.
De vorige bewoner was kort tevoren overleden. Een oude man. Kon op een gegeven moment niet goed meer de trappen op & af lopen. De boodschappen werden door z’n zoon & schoondochter gedaan. Die stonden toch op de markt met een stal. Maar de duiven op zolder kregen geen aandacht meer.
Ik ben gaan kijken wat er nog op zolder stond. De hele zolder was immers van mij. Ik mocht er in ieder geval gebruik van maken. Misschien stond er op die zolder nog wat zinnigs, wat bruikbaars. Maar ’t was meestendeels troep & duivenstront.
De zolder was verbouwd tot duiventil. Van voor tot achter. Langs de wanden. Met gaas afgedekt. Gaas met gaten op enkele plekken. & Ook al kregen ze al een jaar geen voer meer, de duiven bleven terugkomen. Een veilig onderdak waarschijnlijk. & De geur van een megazak zaad. Duivenzaad. Een sterke vent kwam er op een gegeven moment achter, heeft de zak tevoorschijn gehaald & meegenomen. Hij kon ’t nog net tillen.
Toen ik terugkwam van de inspectietocht op zolder zat ik onder de rode plekjes. Van m’n hielen tot m’n knieën. Vlooienpikken. Daar kwam ik achter toen ik met die sterke man naar zolder ging. Onmiddellijk voelde ik de jeuk op m’n benen springen. & Ondanks dikke sokken drongen ze door tot op m’n huid.
‘Die vlooien komen van de duiven,’ zei de sterke man, die zelf een duivenmelker beweerde te zijn, ‘& met al die duivenstront krijg je die niet zomaar weg. Maar goed dat ze dit pand gaan slopen. Anders had ’t kapitalen gekost.’

Sindsdien loop ik in een boogje om een kwak stront waarvan ik denk dat een duif de producent ervan is. & Ondanks dat boogje ontstaat er jeuk. Automatisch moet ik krabben op m’n kuiten.

De duiven de wereld uit, te beginnen met Zijperspace.

argentina

M’n vader zou wc-papier meenemen. ’t Werd me meermaals verzekerd. Genoeg voor 2 dagen. & Hij liet zien dat-ie ’t in z’n rugzak stopte.
M’n ouders hadden al genoeg ervaring met mij. Als we ergens heen gingen, als we gingen wandelen, moest ik op de meest ongunstige momenten poepen. & Zonder wc-papier gaat dat niet.
‘Veeg je gat dan af met bladeren,’ was er wel ‘ns voorgesteld.
Zoiets doe je eens & nooit weer. Bovendien zouden er in de bergen niet veel bladeren te vinden zijn. Niet op de berg die wij gingen beklimmen.

M’n moeder ging niet mee. & Quint mocht ook bij de caravan blijven. Waarom ik dan altijd? Vroeg ik me af. Hardop.
‘Je zou ‘ns moeten weten hoeveel kinderen met je zouden willen ruilen.’
Zoveel kinderen die een wandeling in de bergen willen maken, zoveel kinderen die een dag in de bergen willen slapen. Op avontuur, 2 dagen lang, richting een Hütte.
‘Laat me dan met ze ruilen.’

Evengoed deed ik m’n best. Ik wilde niet onderdoen voor Carel, ook al was-ie een jaar ouder. Ik werd afgeleid door de paden met onregelmatige bochten, zigzaggend, met ongelijke stenen, ik werd afgeleid door ’t tempo, door ’t feit dat ik sneller wilde gaan dan de anderen. Ik wilde laten zien hoe sterk ik was. Daardoor vergat ik ’t verlangen naar de caravan, naar de veilige thuishaven.

Totdat er kramp bij m’n lies ontstond. M’n vader concludeerde dat ’t m’n lies moest zijn. M’n rechterbeen trok. Wilde niet dezelfde passen als m’n linkerbeen maken.
We waren nog maar net halverwege. De bomen voorbij, ’t was al kaal, slechts steen.
‘Dan nemen we gewoon pauze,’ zei m’n vader.
& Hij haalde de befaamde mueslikoeken tevoorschijn. Die kregen we alleen tijdens lange wandelingen. & Dan ook nog mondjesmaat. M’n vader had ze voor de vakantie in een speciale wandelwinkel ingekocht. Dure samengeperste mueslikoeken. Elke koek stond voor een maaltijd. Zonder de ruimtevaart waren deze koeken niet uitgevonden.
Nu hielden we een lange pauze. Ieder een koek. Allemaal een steen onder de billen. M’n vader liet z’n voeten luchten. & Carel & ik gooiden steentjes naar elkaar. Of dronken om beurten uit de veldfles. We maakten ook alvast ruzie over wie straks de rugzak voor een kwartier moest dragen.

Als ’t niet ging dan moest ik ’t zeggen. Dan hielden we gewoon nog een keer halt. Of zouden we langzamer gaan lopen.
Dus liepen we langzamer. Zolang ’t nodig was. Vooral niet te lang, want er kwamen donkere wolken aan.
& Carel moest maar wat langer de rugzak dragen.

We naderden de sneeuwgrens. Plekken sneeuw die nooit smolten. M’n vader zei dat we op 2000 meter hoogte waren. Dat we nu niet meer terug konden. Ook al zou ’t straks gaan regenen.
We liepen over een smal paadje tussen de sneeuw door. ’t Smeltwater baande zich een weg over ‘tzelfde pad. In tegengestelde richting. ‘t Vormde de 1e stroompjes van de latere Rijn. We waren eigenlijk bij de bron van de Rijn, legde m’n vader uit. Over enkele weken zou dat water in Nederland de zee bereiken.
Ik legde in gedachten dezelfde weg naar huis af. & Liep ondertussen door. Van m’n lies geen last.

’t Begon te sneeuwen. 1st Met zachte vlokken. Die onder invloed van de toenemende wind al snel veranderden in striemende ijsklontjes.
We moesten stoppen. M’n vader haalde alles uit de rugzak tevoorschijn dat kon dienen als extra verwarming. Sokken werden handschoenen. Schone t-shirts truien. Plastic zakken moesten de schoenen zo lang mogelijk droog houden. & Voor nog wat extra warmte ook de regenjassen aan. Strak aangesnoerd.
Maar m’n vader zag de Hütte. In de verte. Kijk maar.
We volgden z’n vinger. Stopten even naast ‘m om te zien waar ’t huisje zich in de donkerte van de berg bevond. & Zagen niks. Veel te veel sneeuw.
We konden beter doorlopen, zei m’n vader.
Er was echter geen pad meer. De merktekens waren moeilijk te onderscheiden. ’t Enige dat we konden doen was in de richting van m’n vaders vinger lopen. Daar waar hij naar gewezen had.
‘We lopen goed,’ zei hij steeds geruststellend.
Maar ’t was zo koud. De sokken waren niet toereikend. & De schoenen gleden weg.

’t Meisje in de Hütte opende verbaasd de deur. Ze had niemand verwacht. Er was slecht weer voorspeld. Dat had m’n vader toch kunnen horen op de radio?
M’n vader had de avond ervoor geluisterd. Hij had over een buitje gehoord. Maar zich niet gerealiseerd dat ’t een sneeuwstorm bovenop de berg zou kunnen zijn.
We hingen onze natte kleren op in de buurt van de kachel. Onze slaapspullen in de slaapzaal. Die was berekend op ‘t 10-voudige van ons 3-koppig gezelschap. M’n vader praatte met ’t meisje. & De radio speelde muziek.
Don’t cry for me, Argentina.
Was dat niet uit een musical? M’n vader scheen zich dat te herinneren. Hij converseerde er over met ’t meisje. Zij wist van niks.
Daarna legde hij ’t verhaal aan ons uit. Net zo stuntelig als in z’n duits. ’t Had vast meer te betekenen, dachten wij, want we hadden Pa nog nooit zo gelukzalig zien glimlachen bij een stukje muziek anders dan jazz.
We kregen eten uit blik. Waar m’n vader vreselijk veel voor moest betalen, liet-ie weten.
We gingen vroeg naar bed. M’n vader snurkte & ’t was koud.

Maar ‘Argentina’ weerklonk de hele nacht in Zijperspace.

puntje

’t Is een heel klein puntje. Een puntje dat ervoor ook al bestond, maar nu pas tot leven is gewekt, wiens aanwezigheid nu pas tot me doordringt. 1st Was ’t er ook wel, maar nu is ’t er daadwerkelijk. Zoiets.
Zo bestaat m’n lichaam uit 1000-en puntjes, misschien wel ‘t 10-voudige daarvan, maar ben ik me niet de hele tijd bewust ervan. Zoals een foto, tot ’t digitale tijdperk, bij nadere bestudering bleek te bestaan uit minuscule puntjes ipv een groter geheel, pixels bleken die puntjes later te heten. Ze bestaan niet anders dan in hun groter geheel. Alles dat hun omgeeft voegt meerwaarde aan hun bestaan. Omdat ze er in opgaan, net als hun buurman, & de buurman van de buurman, & de buurmannen tot in ’t schijnbaar oneindige. Wij hebben niet de ogen om dat te overzien.
Tenzij de orde verstoord wordt. Daarom is ’t nu daadwerkelijk een puntje geworden. Weet ik dat 't er is.

‘Wat heb je?’ vroeg Sas.
‘Ach, niks.’
& Ik wilde ’t erbij laten. Maar dan moet je geen pleister op je vinger plakken. Dus legde ik ’t toch maar zo kort mogelijk uit.

De glasbak moet schoon op zondag. Niet overdreven, maar wel wat sop er in. Even spoelen van tevoren. De spuit er op.
Ik was ijverig op dat moment. Ik wilde ook de buitenkant doen. Die moest er grijs uitzien, maar vuiligheid deed ’t een waas van bruin krijgen. Zwart ook, in grote schimmelvochtige vlekken.
Dus draaide ik ‘m om. Greep ‘m van binnen om 'm van buiten aan te kunnen pakken. & Zette m’n vinger, m’n wijsvinger, in een puntje glas. Niet meer dan een puntje. ’t Kleinste stukje glas dat zich kan hechten aan de glasbak. & Dat ook alleen maar omdat er eerder toevallig ook een spetter bier zich had gehecht aan de wand. Glas plakt aan oud opdrogend bier.
Als je elk individuele gebeurtenis op zich beschouwt zou je kunnen stellen dat alles op toeval berust. Maar door de massa van alles dat aanwezig is vormen alle toevalligheden tezamen een logisch geheel. Een onontkoombaar proces.

Door spettertje bier, splintertje glas op spettertje bier, door een tel onoplettend handelen, door een kort moment dat de viezigheid op een glasbak in vol licht zich aan mij toont, komt dat splintertje in m’n vinger terecht. & Vormt een puntje gevoel. Meer gevoel dan ik me eerder bewust was. Hoewel optioneel reeds aanwezig.

Pleister op m’n vinger. Om ’t bloeden te stelpen. Tegen te houden, zodat niet alles onder de vlekken zou komen. Een kussentje tegelijk, die stoten verzacht.
Maar bij ’t tellen van de fooi is een pleister op de wijsvinger een obstakel. ’t Bloeden bleek inmiddels gestopt, dus kon de pleister er af. Maar elk muntje in de linkerhand was extra bewust aanwezig.

Na ’t werk hadden we ’t over piercings & oorbellen. We hadden ’t over mensen met tongpiercings. Ze zouden volgens Sas 4 weken lang geen alcohol mogen drinken, & 6 weken geen orale seks. Ook geen tongzoenen.
Een hel voor mensen met ons werk. 4 Weken geen alcohol.
Maar bepaalde lijnen konden ook verstoord raken, vertelde ik. Iemand die ik kende had een oorbel genomen op een plek waar hij 1st erg gevoelig was. Een erogene zone. Die was totaal verdwenen met z’n oorbel. Spijt, want sabbelen aan z’n oor was lang niet meer zo’n goddelijke ervaring als voorheen.
Dat kan ook met een tongpiercing. Blijkt een tongzoen helemaal niet meer lekker. Daar kom je dan 6 weken te laat achter.
Alles staat met elkaar in verbinding, wisten we. Als je spanning ergens in je lichaam spanning hebt, zei Jag, dan kan je dat verhelpen door massage van je voeten.
Accupunctuur kwam ter sprake. Lijnen die door ’t lichaam lopen. Ingewikkelde termen kwamen voorbij, waarvoor ik nooit geleerd heb. Maar we begrepen waar we ’t over hadden.

& Ik wreef over m’n vinger. Die was aanwezig. Alsof ik nog nooit eerder een wijsvinger had gehad. Een heel klein wijsvingertje weliswaar, maar hij was er. Zomaar, ineens, sinds een klein ½ uurtje. Niet als we praatten, maar wel als ik jeuk op m’n neus had. Dan wees-ie extra duidelijk naar mij. Ik, die daarnet niet had opgelet.

’t Heeft eigenlijk allemaal niets om ’t lijf in Zijperspace.
(Dit ihkv deel 2 van de cursus Lijfloggen, die vandaag verschenen is middels een nieuwe editie van about:blank, waar eenieders aandacht even op gevestigd dient te worden)

herfst

Ik kijk naar waar 't tikken vandaan komt. Ergens tegen de muur. Door 't raam heen kan ik blijkbaar ook de ruimte horen, de dimensie.
De wind laat 't bordje heen & weer deinen. Tikt daardoor tegen de muur.
Ik heb me al 2 weken afgevraagd waar 't geluid door veroorzaakt werd. Egel, of misschien een menselijke indringer? De buurvrouw die weer wat had laten vallen?
Ik volg de gemoedstemming van de wind. Ik bezie hoe hij z'n humeur botviert op enkele tengere plantjes, die stug stand blijven houden. Soms lijken ze verticaal ondersteboven geschopt te worden, maar als de wind even later iets gekalmeerd schijnt, stijgen ze fier weer overeind. Ondanks de inmiddels grijze haren van de guldenroede. De natte plakkerige bladeren van de rudbeckia. 't Verwarde kapsel van de laatste roos. Ze hergroeperen zich steeds weer. Ze hebben lol in de weerstand die ze de wind nog kunnen leveren.
Appeltje wiegelen eigenwijs mee op de nukken van de elementen. Kleine appeltjes die steeds geel blijven zien, hooguit een oranje blos lijken te hebben, maar nog steeds niet willen vallen van rijpheid.
't Enige dat door de wind vliegt, de mussen van de kieren aan de overkant zijn verdwenen, alsook de parkieten van 't Oosterpark, de rovende eksters schuilen, de merels, de spreeuwen; 't enige dat door de wind vliegt zijn de zwakke bladeren van de bomen. Onvoorspelbare tochten leggen ze af, ongecontroleerd zwiepend, slalommend, om zich plots ergens aan vast te plakken, niet meer te willen bewegen, te willen vergaan.
M'n tuindeuren houden 't niet meer. De herfst komt binnen door de kieren die ze niet kunnen sluiten. Zachtjes fluisterend. Een huilende fluister.
Ik sluit de gordijnen weer, niet om geen getuige te hoeven zijn van de opnieuw in alle hevigheid uitgebroken strijd; meer om 't janken niet te hoeven horen, om m'n nog warme voeten te beschermen tegen die tot in alles doordringende herfst.
Hij ziet er mooi uit, maar eigenlijk zou hij in een kooitje moeten zitten. & Niet ik.

't Heeft nu werkelijk z'n intrede gedaan in Zijperspace.

grotegriepmeting

Hm, ik doe mee aan de Grote Griepmeting.
Alsof 't om een meeting gaat. Maar 't is slechts een meting. Met 1 'e'. Zo'n ding waarin gemeten wordt wat daarvoor nog niet te meten was. Geen getalletjes voor, geen exacte feiten. Ik draag ertoe bij dat dat nu wel gebeurt met de griep.
& De verkoudheden.
Ook een raar ding. Vooral omdat iedereen altijd zegt dat-ie een griepje onder de leden heeft, maar dat mijns inziens helemaal niet 't geval is. Daarom vind ik ook dat iedereen zou mee moeten doen met de Grote Griepmeting. Zodat men niet zomaar 't woordje griep in de mond neemt. Vandaar. Om misverstanden te voorkomen. Voortaan. Dat we begrijpen waar we 't over hebben. & Dat we voortaan ook weten wanneer de griep er daadwerkelijk aankomt.
Ach ja, ik ben best een prediker. Ik verspreid 't woord. & Ik wil gaarne dat men weet waar dingen voor staan. Vandaar dat men dus van mij de Grote Griepmeting-link meekrijgt. Want iedereen moet natuurlijk meedoen. Omdat we dan kunnen zien hoe de griep, dan wel de verkoudheid, zich ontwikkelt, waar-ie vandaan komt, welke bevolkingsgroepen 't meest getroffen worden, etc.
Mocht men deze link kwijt raken, dan kan men altijd nog een paar pagina's naar beneden scrollen om aan de linkerzijde 't logo van de Grote Griepmeting te kunnen vinden. Daar kan men ook op klikken. Gebeurt er ook iets. Niet veel bijzonders, natuurlijk, maar toch.

Veel plezier met de griep vanuit Zijperspace, dat men maar wijs, of anders wijzer, mag worden.