dierenjaaroverzicht

Eksters eten jonge vogels. Dat wist ik nog niet. Ik wist al dat ze arrogant aanwezig konden zijn, de andere vogels hovaardig over ’t hoofd ziend, maar dat ze zich als de kannibalen van m’n achtertuin zouden gedragen had ik niet verwacht. Hun staart wipte energiek & eigenwijs op & neer terwijl ze, onder luid gekwetter van de bedreigde ouders, een nest vanonder een druivenstruik (zo heet ’t weliswaar niet, maar zo laat ’t zich wel makkelijk noemen, zeker gezien de vorm die ’t zichzelf geschapen had onder ’t balkon van m’n buren) leegroofden. Een paar dagen later werd ik door ‘tzelfde gekwetter er op geattendeerd dat enkele huizen verder ‘tzelfde tafereel zich nogmaals afspeelde. Volgend jaar geen spreeuwen in mijn buurt, dacht ik.

Katten zijn dermate schuw geworden, door mijn niet aflatende ‘psssssssst’, plots geklop op de ramen, & onverwachte toeschietende bewegingen, dat ze mijn tuin slechts aan de achterkant, op doorreis van etensbak naar etensbak, durven te gebruiken. Drollen & stank heb ik dit jaar niet hoeven aantreffen. ’t Lijkt alsof er minder katten in mijn directe omgeving leven, maar ’t zou dus ook kunnen dat mijn niet aflatende campagne ze te verjagen een bijdrage hierin heeft gehad. Daarnaast zouden de vermiste katten, waarvan ik op de hoogte gebracht ben door gekopieerde briefjes met 10 spelfouten op de 4kante cm, dikke viltstiftpraat, tranen verwerkt in smeekbedes vooral melding te maken zogauw ’t geliefde kleinood gesignaleerd werd, ook een reden kunnen zijn dat ik mijn tuin niet meer zo erg lijdt onder ‘t bezoek van dit luie tuig, dat z’n dag doorbrengt met vooral slaap & een enkele keer de buren lastig vallen, dan wel juist die visite die ’t minst gesteld is op schootgedrag. (Mocht de laatste zinnen niet volledig te begrijpen zijn: ik heb gepoogd al mijn frustratie & ergernis omtrent dit huisdier hierin te verwerken).

Welk feit tot gevolg heeft, wellicht, dat muizen zich veiliger voelen in mijn omgeving. Tot 2 maal toe, in niet al te lang tijdsbestek, heb ik een muis mogen signaleren. Waarvan 1 op een afstand van nog geen 20 cm (ik probeer ’t mezelf realistisch voor te stellen door de afstand de andere overdreven kant op te beredeneren), op ’t moment dat ik de vuilnisbak opende. Muizen zijn wezens die zich heel plat kunnen drukken, hun botten kunnen vouwen, schijnheilig angstig zijn, & tot mijn niet aflatende overtuiging in staat zijn de menselijke keel in een overdonderende aanval door te bijten, de grote teen in een oogwenk kunnen oppeuzelen, ook al is deze verpakt in een stevige wandelschoen, alsook de verschrikte vinger, die welke ’t deksel van ’t vuilnisvat heeft opgelicht, met een laserstraal van de geniepige ogen kan doen oplossen in luchtledigheid.

Tevens hebben slakken zich mogen laven in ’t satanische genot mij te zien beven. Zij bleken in hun schik te zijn als zij in grote getale opdoken in nat ochtendschemer, ondanks ’t feit dat zij daarbij moesten constateren dat ik gewapend was met de zoutpot. ’t Vooruitzicht mij trillend te mogen aanschouwen gaf hun zelfmoordmissie bestaansrecht, & ’t sissend doen opgaan in niets anders dan hun eigen vocht, deed blijkbaar een geur verspreiden naar nevenliggende tuinen, dermate aantrekkelijk voor hun soortgenoten, dat ook deze besloten zich aan te melden voor de actie mij schrik aan te jagen. Welke tot gevolg had dat ik niet meer blootsvoets noch met slechts sokken aan mijn tuin durfde te betreden.

Padden durven & kunnen nog steeds door een smal kiertje mijn kelder in glippen. Ik was er ditmaal getuige van dankzij een plat lijk dat zich ik aan ’t eind van de zomer mocht waarnemen. Uitgedroogd, uitgemergeld, plat. Die kelder had ik de gehele zomer gemeden juist vanwege ’t feit dat er mogelijk weer een pad zou zijn. Dit omdat ik in mijn tuin meermaals opgeschrikt werd door flukse bewegingen vanonder bladeren. Ook voor padden bleek mijn tuin stukken aantrekkelijker dankzij de afwezigheid van katten, blijkbaar. Of anders hadden de eksters geen trek in ze vanwege ’t overweldigende jongevogeltjesaanbod dit jaar.

Pimpelmezen blijken niet door ’t keukenraam te kunnen zien dat ik naar ze zit te loeren. Koolmezen wel. Waardoor ik te weten ben gekomen dat pimpelmezen een ietwat kleiner zijn dan genoemde soortgenoten, ietwat dommer, alsook een ietwat suffiger in ’t zoeken naar voedsel. Om dit laatste gebrek te ondervangen volgen ze heel vaak de koolmees in ’t kielzog.

De ratten zijn dood. Als ’t goed is. Gister, op ’t randje van 2004, is ’t gat bij de buren, op aandringen van de dierenvernietigingsorganisatie, gedicht, zodat de ratten, mochten ze nog in leven zijn, of toch nog ergens verborgen nakomelingen hebben verstopt, niet meer de trap richting bovenburen kunnen bestijgen. Probleem is alleen dat ik de stofzuiger niet meer durf te pakken, die zich in een hok bevindt, onder de trap van de buren, boven een klein gaatje, een zogeheten vingergaatje, zodat je bijbehorend uitneembaar luik op kunt tillen & naar de kruipruimte kunt rijken, die waarschijnlijk in verbinding staat met die enge ruimte van mijn buren, zodat mijn huis langzamerhand in bezit wordt genomen door de huismijt.

Verder ben ik er achter gekomen, nog geen 2 weken geleden, bij ’t kerstdineetje met m’n buren, dat ik eigenlijk helemaal niet meer bang ben voor alle dieren.
‘Waar ben je dan zoal bang voor?’ vroeg iemand, een stukje kip in de mond schuivend, daarbij een syrisch servet hanterend om ’t smakelijke druppelen langs de kin toch enigszins in toom te houden.
‘Voor alles, zo’n beetje,’ zei ik, ’t voorbeeld volgend.
‘Ook voor spinnen?’
‘Nee, voor spinnen ben ik tegenwoordig niet meer bang,’ moest ik toegeven, ‘ik moet ze weliswaar zo snel mogelijk doodslaan, maar echt bang ben ik niet meer.’
‘& Voor honden?’ werd ’t vorige stereotiep geopperd.
‘Nee, voor honden ook niet. Vroeger als de dood. Maar ik hoef nu bijvoorbeeld niet meer langs de overkant van de straat te lopen om mijn eigen angst te mijden.’
Maar tegelijkertijd bedacht ik wel dat ik vaak bang ben voor de eigenaars van honden. Zoals dat stel verderop, waarvan ’t meisje altijd de honden uitlaat. Ze laat zich meeslepen door de ene, alsof zij uitgelaten wordt, & roept naar de andere, die los mag, dat-ie erbij moet blijven & op de stoep. & Ik schijt in m’n broek voor de man van dat stel, die veel te breed is & volgens mij degene is die alle vogeltjes in de buurt deed zwijgen toen hij, getuige de achterbuurman, op z’n vrouw met een stuk hout stond in te slaan.

& Bij deze moet ik nog even m’n spijt betuigen & dat ’t echt niet de bedoeling is van mijn leefconstructie, specifieker: de keuken, om daarin alle vliegjes te vangen & te laten verhongeren, te laten stoten tegen doorzichtige doch ondoordringbare ramen, te laten uitputten, totdat ze op de keukenkastjes, de vensterbank, de door de stofzuiger vergeten hoekjes, de koelkast & de pannenplanken dood blijven liggen. Dat heb ik niet zo bedoeld.

We beloven beterschap voor 2004 in Zijperspace (maar natuurlijk niet voor de reeds dode vliegjes).

4e kerstdag

‘”Nee”’ imiteerde Jag.
‘”Nee, ik drink 1st rustig m’n glas leeg”,’ viel ik in.
‘Praatte hij zo?’ vroeg Roen.
‘Ja, verschrikkelijk,’ zei Jag.
‘Tegen mij zei hij de hele tijd ‘tzelfde,’ zei Roen. ‘Op een gegeven moment zeiden z’n vrienden ook dat-ie nou op moest houden. Dat-ie al 8 keer had gezegd wat-ie ervan vond.’
‘1 Van z’n vrienden zei in ’t begin al dat-ie vervelend was als-ie gedronken had,’ zei ik. ‘Of iets in die strekking. Ik geloof dat-ie zei dat die André altijd moeilijk ging doen als-ie aangeschoten was.’
‘André?’
‘Ja, ze zeiden André tegen hem.’
‘Maar die groep aan de andere tafel was ook best moeilijk,’ zei Fret. ‘Ik had ’t al een paar keer gezegd dat ik wilde schoonmaken, maar al die meiden bleven zitten. Pas toen ik de tafels op de stoelen zette, schoven ze opzij.’
‘Zou ik ook doen als jij de tafels op de stoelen ging zetten,’ zei Jag.
‘Lijkt me best een eng gezicht,’ zei ik. ‘Dan weet je dat ’t fout gaat aflopen.’
‘Toen kostte ’t nog moeite om hun glazen leeg te krijgen,’ ging Fret gewoon verder. ‘Jij was toen al bezig bij de andere tafel.’
‘Ik dacht dat die verre tafel wel mee viel,’ zei ik, ‘want toen ik 1maal ’t glas van 1 van die dames vroeg, kreeg ik ‘m meteen. Maar ja, dat was dan ook degene die in m’n kont geknepen had.’
‘Kont geknepen?’
‘Ja, bij ’t glazen ophalen had ik gezegd dat ik een dikke kont had. & Toen keken ze meteen. Ik zei dat ze niet meteen zo pontificaal naar m’n kont moesten kijken. & Er zeker niet aan mochten komen. Maar aan ’t eind van de avond was die ene toch dapper genoeg. Ja, ze moest ’t toch even controleren, zei ze, & kneep in m’n billen. Toen zei ik “Oeps” & keek heel guitig. Ach, dan hebben die dames ook weer een leuke avond, toch? Maar ze vond m’n kont dus helemaal niet dik. Toen zei ik dat ik dat ook heus wel wist, maar dat ‘t voor mij de enige manier was waarop ik vrouwen aan m’n billen kon laten zitten.’
‘Haha,’ lachte Roen, ‘van de week zag Roos jouw lichaam & die was er geheel niet van onder de indruk.’
‘Je bedoelt toen ik m’n buik liet zien?’
‘Ja. Ze zei dat ’t niet veel voorstelde.’
‘Nee, ik ben zelf ook nooit trots op m’n lichaam geweest. Dat zal ik ook nooit zeggen, dat ik er trots op ben. Maar ik heb wel tot voordeel dat ik in de smaak val bij vrouwen die niet van borstharen houden. Dat zijn er tegenwoordig nogal wat. Haren zijn allang uit. Daarom halen ze hun hart bij mij op. Tenminste, toentertijd.’
‘Maar volgende keer moeten we proberen allemaal ‘tzelfde te doen,’ zei Fret.
‘Ja,’ zei ik, ‘op zich deden we ’t best goed. Niet de hele tijd achter elkaar die gozer te woord staan. Omstebeurt op ‘m afstappen. Dan merkt-ie dat-ie meerdere personen tegenover zich heeft. Daarom was ’t wel goed dat jij op een gegeven moment op ‘m afstormde, Roen. Daar schrok-ie vast van. Maar je had alleen de schijn van die woede moeten vasthouden.’
‘Ja, misschien wel. Maar hij bleef doorgaan met praten. & Toen kwamen z’n vrienden ook weer naar binnen. Ik dacht dat die hem wel mee naar buiten zouden sleuren.’
‘Dat weten we in ieder geval voor de volgende keer,’ zei Jag.
‘Ja, we zijn weer wijzer geworden,’ zei Fret.
‘Die Coen was trouwens ook vervelend,’ zei ik.
‘Ik heb al vanaf ‘t 1e moment dat ik ‘m zag een hekel aan hem,’ zei Jag. ‘Was de 1e keer dat ik achter de bar stond. “Ga jij uitmaken dat ik geen bier meer krijg?” zei hij toen. “Jij komt hier net kijken.”’
‘Jullie waren er nog niet,’ zei ik richting Roen & Jag, ‘maar ik kwam terug met een paar stapels glazen, & toen stak Coen vlak voordat ik bij de bar was z’n voet uit. Hij tackelde me.’
‘Ja, toen was Ton woest,’ zei Fret. ‘Wel terecht.’
‘Ik schold ‘m verrot. Ik ging net niet op m’n bek met al die glazen.’
‘Ik had ‘m meteen de deur uitgetrapt,’ zei Jag.
‘Ik was er toe in staat,’ zei ik. ‘Gaat ’t trouwens alweer een beetje?’
‘Nee, ’t gaat nog steeds niet,’ zei Jag.

& We dronken ons biertje aan ’t eind van de 4e kerstdag in Zijperspace.

5e kerstdag

Om ½ 7 werd ik wakker. Klaarwakker. Geen noodzaak tot toiletgang, maar om de verveling te verdrijven deed ik ’t toch maar. Onderweg de comp aangezet.
Op ’t toilet leegde ik met enkele druppels m’n blaas. Door ochtend-onwennige ogen staarde ik naar scheurkalenderbladzij van eergister. Saai verhaal, dus legde ik de volgende er bovenop.
Teruggekomen in de kamer bekeek ik ’t laatste nieuws op internet, verwijderde spam, zette wat muziek aan & verveelde me opnieuw. Met een boek vertrok ik weer richting bed.
‘Nog 1 dag,’ speelde er steeds weer door m’n hoofd.
Ik las een hoofdstuk uit & legde ’t boek opzij, in de veronderstelling dat m’n ogen moe genoeg waren gestaard. Ik deed ze toe, poogde m’n gedachten te concentreren op ’t vliegen boven de stad & ’t zwemmen als een dolfijn, maar de gedachtes dwarrelden alsof opgejaagd door een wervelstorm.
‘Nog 1 dag,’ dacht ik ook.
Toch kwam langzamerhand enig doezelen. Onderweg naar verre contreien werd ik echter afgeleid door mensen die al pratend aan mijn raam voorbijgaan, startende auto’s & de rattenvanger die bij de buren belt. M’n bovenbuurvrouw deed open, stond ‘m te woord, de rattenvanger opende vervolgens blijkbaar een luik, verwijderde ’t rattengif, zei gedag & sloeg keihard de deur dicht.
Nog moeizamer liet ik spanning uit m’n lichaam vloeien.

Om ½ 11 word ik wakker. M’n ogen willen niet. M’n lichaam nog minder. ’t Lijkt zich geketend aan de dekens, door draden die ’t dromenland niet los kunnen laten.
Maar ’t besef dat ½ 11 eigenlijk al te laat is, doet me opstaan. Traag zet m’n elleboog de rest in beweging.
Onderweg naar verticale stand blijken m’n darmen knopen te hebben gevormd. Een wee gevoel heeft zich achter in m’n keel gevormd, opgestuwd vanuit ’t gebied onder m’n borstkas.
‘Ik moet nog een dag,’ denk ik, ‘maar 1st moet ik schrijven.’
Ik zet thee. Drink met moeite. Ontdooi enkele boterhammen. 6 Om precies te zijn. De hoeveelheid voor een zware werkdag. Maar m’n darmen doen me ze kokhalzend aanzien.
Weer toilet. Zo lang mogelijk. Daarna een poging nog wat slaap op de bank te krijgen.
‘4e Kerstdag,’ denk ik. ‘4e Kerstdag moet nog.’
Ik krijg geen woord geschreven. M’n darmen lijken ’t creatiefste gedeelte van m’n lichaam als ik me weer op de wc-pot vlij.
Ziek melden overweeg ik niet. Je meldt je niet ziek voor de laatste werkdag van ’t jaar. Evenmin mag 4e kerstdag onvermeld blijven.

Maar dat moet dan maar na een voorlopige versie van 5e kerstdag in Zijperspace.

3e kerstdag

‘Hallo,’ zeg ik tegen man die voor de toonbank staat als ik de kelder uit kom.
‘Goedendag.’
Ik zie aan z’n blik dat-ie iets wil vragen.
‘Zegt u ’t maar.’
‘Ja, kijk,’ zegt-iej, ‘ik drink in Frankrijk altijd Grimbergen. Grimbergen blond, uit blik. Dat vind ik zeer elegant. Heeft u dat ook?’
‘Dat hebben wij ook,’ antwoord ik, ‘maar belgisch bier uit blik vinden wij niet echt elegant.’
Hij loopt achter me aan terwijl ik een armbeweging maak.
‘Nou ja,’ zegt de man, ‘ik vind uit een blik drinken elegant. Dat bedoel ik eigenlijk.’
‘Er staan hier 3 flesjes,’ wijs ik. ‘& Hier, in ’t tussenstuk, hebben we ook nog Grimbergen in 4-packs.’
‘Ah, mooi, dan kan ik ’t in ieder geval hier ook drinken.’
Bij de kassa staat ondertussen ’t engelse stel dat de winkel al eerder had betreden te wachten tot ze kunnen afrekenen.
‘Als u ’t niet erg vind ga ik de mensen bij de kassa even helpen,’ zeg ik tegen de man.
‘Ja, gaat uw gang.’

’t Engelse stel besluit op ’t laatste moment dat ze ook een glas willen hebben.
‘That one, please,’ wijzen ze naar een Palmglas achter m’n rug.
Ik pak ’t uit ’t schap. Juist op ’t moment dat ik me omkeer, plaatst de nederlandse man z’n rugzak, volgeladen met Grimbergen, op de toonbank.
‘Sorry,’ zeg ik, ‘ik heb nog heel even ruimte nodig.’
Hij haalt snel z’n rugzak weg. Maar kijkt me daarbij bevreemd aan.
‘Bent u vandaag soms in een slecht humeur?’ vraagt-ie.
‘Nee,’ reageer ik verbaasd, ‘ik ben juist in een uitstekend humeur.’
‘O, dan komt ’t zeker verkeerd bij mij over.’
Ik hou er helemaal niet van als mensen voor je gaan beslissen in wat voor stemming je bent, dus reageer ik lichtelijk geagiteerd: ‘De volgende keer misschien wat beter opletten.’
Waarop ik me weer tot ’t stel wend: ‘That is all?’
‘Yes, thank you.’
Ik pak ‘t glas in in een oude krant. Daar had ik de ruimte op de toonbank voor nodig. In m’n ooghoek zie ik Ina de winkel binnenkomen. Ik zeg haar tussen de bedrijven door snel gedag.
‘Is dat alles?’ vraagt de nederlandse man plotseling.
‘Sorry?’ vraag ik, & kijk ‘m verwonderd aan.
‘Had je die ruimte alleen maar nodig om dat glas in te pakken?’
‘Ja, anders lukt ’t niet.’
‘Wat ben jij voor akelige vent? Een beetje chagrijnig naar mij reageren & ondertussen zeggen dat je in een goed humeur bent. Behandel je al je klanten zo? Vervelende rotvent. Zo kan je toch geen bedrijf runnen. Wat ben jij een misselijk creatuur. & Ik moet dan bier bij je kopen. Een beetje koeioneren, dat is ’t enige wat je kunt.’
Hij plaatst z’n rugzak weer op de toonbank. Er is nu ruimte zat.
‘Meneer,’ zeg ik, ‘kunt u niet wat beleefder zijn? Ik heb hier nog wat andere klanten staan.’
‘Ik wil helemaal niet beleefd zijn tegen mensen als u. Zoals u met mensen solt. U bent gewoon een onbeschofte vlegel.’
‘Ik sol helemaal niet met mensen,’ zeg ik terwijl ik de pakketjes Grimbergen uit z’n rugzak haal, ‘maar ik wil u wel verzoeken zo snel mogelijk mijn winkel te verlaten, want ik wil u in ’t geheel niets verkopen. & Dat ben ik in de toekomst ook niet meer van plan.’
Ik geef ‘m z’n lege rugzak aan.
‘Ik was ook niet van plan hier terug te komen,’ zegt de man terwijl-ie richting deur loopt.
‘Gelukkig, dan heb ik tenminste geen last meer van u,’ zeg ik, & me wederom naar ’t engelse stel wendend: ‘Sorry for this. I hope you didn’t understand what the man was saying.’
‘Well,’ zegt de engelse man, de man door ‘t raam nakijkend, ‘I think this man was being rude to you.’
Ina komt op me toegelopen.
‘Ik dacht dat die vent een grapje maakte, toen ik binnenkwam,’ zegt ze, ‘maar hij bleek inderdaad vergeten dat ’t gisteren nog kerstmis was. Dat heeft-ie zeker in z’n 1tje moeten vieren.’
De engelsman lijkt een stukje van Ina’s opmerking begrepen te hebben.
‘In England we have 12 days of christmas,’ zegt-ie met een minzame lach. ‘But for this man 12 days would probably last too long.’

Kerst duurt nog even wat langer in Zijperspace.

2e kerstdag

‘’t Is toch 112?’ vroeg Peet.
‘Wat?’ vroeg ik.
‘112? Voor ’t alarmnummer.’
‘Wat dan?’
‘Er ligt een man buiten. Zegt hij daar.’
Ze wees. Ik keek. Een vaste klant. Meerdere vaste klanten eigenlijk. ’t Kon iedereen zijn.
‘Waar is de telefoon?’ vroeg Peet.
‘Waar ik ‘m altijd leg.’
‘Nee, daar ligt-ie niet.’
Ze liep richting kantoor. Om de telefoon te gaan zoeken.
‘Hier ligt-ie,’ zei ik tegen haar.
Precies op z’n plaats. Ze had ‘m alleen omgestoten.
Ik gaf ‘m aan. Zij liep ermee naar achter.
‘Zeg ’t maar,’ zei ik daarna tegen de klant die al die tijd voor me had staan wachten.
‘Nee, wordt er nu gebeld?’ vroeg hij.
‘Oja, jij stond buiten?’ zei ik. ‘Wat is er aan de hand?’
‘Die man kan niet meer adem halen. Een somaliër. Ik zag ‘m daarnet al pillen slikken op de wc. & Nu kan-ie geen adem meer halen. Volgens mij heeft-ie een beroerte of iets dergelijks.’
Peet kwam terug. Ze legde € 5,- neer op een plek achter de bar.
‘Wat is daarmee?’ vroeg ik.
‘Ze komen er zo aan.’
Ze gaf me de telefoon terug.
‘Ga jij maar naar buiten,’ zei ik. ‘Dan doe ik de bar wel.’
Ik stopte de € 5,- in m’n achterbroekzak. Dat kon ik later nog wel een keer vragen.

‘Ik heb jullie nog nooit zo snel zien opruimen,’ zei Vera.
‘Dat kunnen wij ook alleen als we ergens naar toe moeten,’ zei ik. ‘Mooi, hè.’
‘Ja, hoor.’
Ik pakte de kratten met lege flesjes & schoof ze ’t cafégedeelte uit. Zette emmertjes met sop klaar bij de kraan. Kwam daarna terug bij de bar.
Vera & Freerk wilden afrekenen. Ze kregen hun bonnetje van Peet.
‘Veel plezier op jullie feest.’
‘Ach,’ zuchtte ik.
‘Heb je er geen zin in?’ vroegen ze aan mij.
‘Ach ja, kerst,’ zuchtte ik nogmaals, ‘wil ik er niet aan meedoen, maar dan ga ik ‘t uiteindelijk wel met m’n collega’s vieren. Maar ik zal proberen gezellig te zijn.’
‘Ton, jij bent iemand met vele dubbele bodems,’ zei Freerk.
‘Dat is ’t misschien.’

Ik tikte op ’t raam. Trok een rare bek naar Drik.
Van ‘Hé, Drik, waarom staan wij hier buiten.’
Die blik.
Drik reageerde door op te staan. ‘Waarom staan jullie daar nog buiten,’ keek hij.
Vervolgens opende hij ’t raam.
‘Kom maar,’ zei hij.
‘Is wel de kortste weg,’ zei ik.
Ik gebaarde naar Peet dat ze me moest volgen.
‘Ze komen echt door ’t raam,’ hoorde ik Von zeggen.
Iedereen lachte.
‘Merry Christmas,’ baste ik.

‘Hoe was ’t vandaag?’ vroegen enkelen onmiddellijk nadat we zaten.
Een routinevraag. Een collegiale vraag. Vanzelfsprekend als je de enigen bent die gewerkt heeft tijdens feestdagen.
‘Niks bijzonders,’ zei Peet.
‘Ach, er moest iemand opgehaald worden met een ambulance,’ zei ik.
‘Wat?’ reageerden enkelen.
’t Drong niet meteen tot iedereen door.
‘Ja, een ethiopiër kon geen adem meer halen,’ zei ik.
‘Hij bleek astmatisch te zijn,’ zei Peet. ‘Dan moet je niet in zo’n omgeving als bij ons komen.’
‘Voor de rest is er niets gebeurd. Was best gezellig.’
‘Maar ’t is best eng,’ ging Peet verder, ‘iemand te zien die niet goed kan ademhalen. De ambulance kwam & hij kreeg meteen een masker op z’n gezicht geduwd.’
We kregen soep voorgeschoteld. De rest praatte verder.
‘Waar waren we gebleven?’ zei iemand.
‘Ja, de kerstpakketten,’ riep Fret.
‘Nee, niet meer over de kerstpakketten,’ riep Sas uit de keuken.

Kerst naderde z’n einde in Zijperspace.

1e kerstdag

Ik stel me zo voor dat ze een landschap zien. Een verticaal heuvelig landschap, waarvan de horizon beperkt is. Wat zich daar onder bevindt weet men wel, men kan ’t zich immers nog van de slanke jeugd herinneren, maar voor de rest tast men in duisternis. Net als dat men niet weet wat zich aan de achterkant van de maan bevindt, hoewel men ’t kan bevroeden.
Gran heeft zo’n buik. Daar leunt hij een beetje door naar achteren. Verder probeert-ie z’n engelse kin naar achteren te drukken, in een poging zo correct mogelijk over te komen, hummend van woord naar woord, wat z’n gehele verschijning een raar zijaanzicht geeft. Hij zelf weet van niks, want kan niet verder kijken dan die heuvel daar aan de verticale einder. Ik kan me niet voorstellen dat hij ijdel voor een levensgrote spiegel staat om zijn goddelijke verschijning te verheerlijken, of ’t moet zijn om z’n scheiding aan de top van al dit moois te vervolmaken.
Warner is de enige die ‘m enthousiast tegemoet komt. Ze halen dan omstebeurt voor elkander bier aan de bar. & Zitten verder vooral zwijgzaam tegenover elkaar aan een tafeltje bij ‘t raam.
Als Warner iets zegt, dan steekt deze z’n lippen vooruit. Gretig om zichzelf hoorbaar te maken. Enthousiast dat iemand ‘m wil aanhoren. Natte lippen, die zich hebben verbeid tot er belangstelling was. Z’n kale hoofd glijdt langzaam enkele cms naar voren, & nerveus tippelen enkele woorden uit zijn mond. Hakkelend & stotend wegens onwennigheid. Een rode gloed verspreidt zich over z’n gezicht van zenuwachtige ontlading.
Gran heeft ’t tegenovergestelde. Wellicht dat ze elkaar daarom gevonden hebben. Gran lijkt bij elk woord een kort moment van introspectie te hebben, zoekend naar de juistheid van ’t volgende woord. Die vult-ie op door een ‘hm’ of een ‘hmm’, al naar gelang de zoektocht van binnen duurt. Z’n kin schuift in de golf huid die eronder ligt, z’n schouders worden gedwongen een ietwat dezelfde kant op te bewegen & z’n ogen lijken iets dieper in de kas te gaan liggen. Innerlijke overwegingen beeldend.
Maar op 1e kerstdag hield Warner ’t slechts bij 4 biertjes. Wij vermoedden vanwege een uitnodiging een kerstmaal bij te wonen. Vrouwen van op leeftijd, door wie Warner z’n hoofd op hol had laten brengen. 1st Moed indrinken & dan op ’t feestgewoel aan.
Wij konden ons niet anders voorstellen dan dat Warner de rest van de avond op ‘tzelfde stoeltje zou blijven zitten. De gastvrouwen zich amuserend met elke andere man van ‘t gezelschap. Warner z’n handen tussen z’n benen. Een enkele keer verlegen lachend als een volgend biertje hem gefêteerd zou worden. Z’n natte lippen slechts gebruikend voor de welkomstgroet, & droog staand omdat bij afscheid de beide vrouwen inmiddels beter wisten: te veel gretigheid.
Dus keek Gran op gegeven moment in z’n 1tje door ’t raam naar alles dat zich niet afspeelde op 1e kerstdag. Daarin af & toe gestoord door zijn niet aflatende dorst & de wetenschap dat-ie dit slechts kon verhelpen door zelf richting bar te lopen.

‘Hmm, ik zou gelijk m’n rekening willen betalen,’ zei Gran.
Ik bracht ‘m z’n bier & rekende vervolgens de bon uit.
‘Dat is dan € 12,40.’
Geduldig wachtte Gran ’t wisselgeld af. ’t Glas op ordentelijke hoogte in de hand. Alsof hij ook over die hoogte heeft nagedacht. Precies op borsthoogte, daarbij z’n schuine houding nog wat extra beïnvloedend. ’t Heeft wel wat van een klein mollig kind dat op de kermis een levensgrote lolly in handen heeft gedrukt gekregen. Om ‘t evenwicht te bewaren & tegelijkertijd z’n verwondering uit te drukken over zoveel groots & lekkers leunt ’t daardoor een klein beetje naar achteren.
Ditmaal zette hij z’n glas neer. Hij friemelde ’t wisselgeld terug in z’n portemonnee. Waar elk vakje een van te voren geplande bestemming leek te hebben. Vervolgens trok-ie een biljet van € 20,- tevoorschijn.
‘Ton,’ zei Gran met een kleine stemverheffing. ‘Hmm, je weet, hm, als ik deze plek niet had gehad, hm, dan zou ik dit jaar niet overleefd hebben. Hmm, & daarom, hm, leek ’t me juist om dit te overhandigen. Hmhm, dat mogen jullie delen.’
Hier heeft-ie enkele dagen over nagedacht, wist ik. ’t Zou hem storen als ik er bezwaren tegenin bracht. Maar toch kon ik niet anders dan ’t lichtelijk gegeneerd aan te nemen.
‘Een soortement kerstcadeau?’ zei ik.
‘Ja, inderdaad.’
Ik realiseerde me hoeveel moeite & overwegingen ’t deze man moest hebben gekost. Ik kon ’t niet laten m’n arm voor een kort moment op de schouder te leggen. Een ronde vorm, geen knokigheid.
‘Gaat ’t dan inmiddels?’ vroeg ik belangstellend.
Ik wist de risico’s die ik hiermee nam. Ik zou de komende 15 minuten niet van ‘m af zijn. Maar er moest op 1 of andere manier waardering voor zijn persoon getoond worden. Niet vanwege ’t geld. Vanwege de moeite.
‘Ik heb nog steeds geen baan,’ vertelde Gran, ‘hmm, maar ’t gaat nu toch veel beter. Hm, zonder deze plek had ik ’t afgelopen jaar niet overleefd.’
We praatten een beetje verder. Gran vertelde over z’n korte nieuwjaarsvakantie naar München.
‘München,’ zei ik, met een poging tot een jaloerse blik, ‘heerlijk bier.’
Gran lachte.
Toen ik in onze conversatie gestoord werd door andere klanten, vertrok Gran weer naar z’n zitplaats bij ’t raam.

‘Ton,’ zei Gran weer. ‘Ik ben, hmm, toch, hm, wat voorbarig geweest.’
‘Je hebt nog steeds dorst,’ concludeerde ik.
Ik tapte er nog 1 voor Gran.
‘Deze kan ik dan niet anders dan aanbieden namens ons. Op München.’
‘Ja,’ lachte Gran dankbaar, ‘zum wohl.’
Hij weifelde. Waardoor ik wist dat er nogmaals een conversatie van enkele minuten zou komen.
‘Hmm, weliswaar zal ik morgen nog in Amsterdam zijn. Hm, maar ik wil morgen niet drinken. Ik moet nl, hmm, de volgende dag om 7 uur 10 de trein nemen.’
‘Da’s vroeg,’ laat ik er snel tussendoor glippen, om aan te tonen dat ik aan ’t gesprek deelneem, ook al schiet mijn gezicht alle mogelijke klanten aan de bar af.
‘Dan moet ik, hmm, om 4 uur 30 op. Want ik wil, hm, wel alle laatste dingetjes, hm, in m’n koffer stoppen. Hm, ik moet me nl nog scheren, & daarna, hmm, de scheerspullen meenemen. & Ik moet, hmm, alle kranen nalopen. Ik doe de hoofdkraan ook uit, hm, & de andere kranen open. Hm, ik heb ‘ns een keer daardoor een kraan laten druppen. Hmm, dat vonden de buren niet leuk. Want, hm, ze hadden daar allemaal, hm, gips onder.’
Hij keek me veelbetekenend aan.
‘Ja, da’s niet goed,’ zei ik snel.
‘Dus nu, hm, loop ik dat risico niet, hmm, & ga ik alles controleren. Hm, haha, dan mag ik natuurlijk geen kater hebben, ’s ochtends vroeg. Haha.’
Ik lachte op m’n sympathiekst met ‘m mee. Langzaam trok Gran zich vervolgens terug, schouders weer naar voren, waarbij hij nog een keer omkeek naar de bar. Hij lachte nog, alsof hij een goede grap verteld had, z’n lichaam ontspannen.
Ik werd afgeleid door 2 andere klanten.
‘Hebben jullie nou alweer dorst?’ vroeg ik aan Radboud & Marjolijn.
Ze lachten terwijl ik bier in 2 glazen liet stromen.
‘Ja, je moet uitkijken,’ zei ik, ‘want alles wat je drinkt wordt hier geregistreerd.’

& Nog iets meer, wat vervolgens wordt vastgelegd in Zijperspace; u bent gewaarschuwd.

quizzen

Eigenlijk ken ik haar alleen met haar mond open. & Ogen dicht. Vaak haar ogen dicht.
Dan staarde ze naar de microfoon voor haar. & Kwamen er dunne reepjes tevoorschijn, waaruit niet op viel te maken of ze nou iets zag of niet. Misschien een glimp van wat zich om haar heen bevond. Meer niet. Misschien helemaal niks. Dat vond ik ’t meest aantrekkelijke idee.
Ik denk ook dat ze allemaal uit Amsterdam Noord komen. Alle vrouwen die zingen. Zolang ze met Jan Vos te maken hebben.
Jan Vos heet weliswaar geen Jan Vos, maar we noemen ‘m nu 1maal zo. Eigen schuld, denk ik dan.
Jan Vos heeft een studio in Amsterdam Noord. Ik ben dat ooit ter ore gekomen: Jan Vos heeft een studio, niet al te groot, in Amsterdam Noord. Daar doet-ie alles. ’t Moet in de buurt van de Nieuwendammerdijk zijn. Een klein studiootje dat ruimte biedt aan zijn instrumenten & enkele microfoons. Voor de zangeressen, denk ik dan. Die scharrelt-ie daar op, in ’t café om de hoek, in ’t café met ’t schijnbaar mooiste terras van geheel Amsterdam. Moet-ie uit kijken als-ie de straat op gaat, want er is bijna geen ruimte om te wandelen. Gelukkig gaan de auto’s stapvoets, in die contreien. Bussen doen uren over de Nieuwendammerdijk. Daarom betalen de mensen tonnen voor hun huizen. Soms nog wel meer.
Ik wil later in Amsterdam Noord gaan wonen. Niet voor die studio. Ook niet voor de smalle wandelpaadjes.
Ze had glitters in haar hals staan. Toen moest ik stoppen met zappen. Ik wist geheel niet dat ’t programma op dat moment bezig was.
Zij heeft zappen onmogelijk gemaakt.
Hoewel de presentatrice ook goed haar best deed. Maar dat drong later pas tot me door.
Hoe maak je wetenschap begrijpbaar, was de bedoeling. Of hoe laat je mensen nadenken over wetenschap.
Dus hebben ze, hun van de VPRO, er een strooisel erotiek in gegooid. Waardoor de aandacht niet verzwakt, was de veronderstelling.
Ik registreerde niets. Ik kon slechts vaststellen dat ‘Vraag Twaaaaaaallllllllllllllf’ aan de beurt was.
Deinende lichamen. Vanuit de heup. Ik staarde haar open mond in. Hun van de camera’s probeerden daarmee te duiden dat ’t geluid daar van afkomstig was.
Ach, men kan mij alles wijs maken.
Ik probeerde mezelf te verleiden naar de andere zangeresjes te kijken. Snel even keuren of zij ook de moeite waard waren richting Amsterdam Noord te vertrekken. Naar de Nieuwendammerdijk. Om de straat af te schuimen.
Maar ik werd steeds afgeleid door ’t voorste meisje.
‘Vraaaaaag Dertieeeeeeeeen,’ weerklonk ‘t.
& Haar vrolijke lach leek voor mij bestemd. Speciaal een tv-programma gemaakt voor mij. Een programma met korte onderbrekingen. Om de schijn op te houden dat ’t toch nog ergens over ging. Moeilijk vragen werden moeilijk beantwoord. Terwijl ik op ’t puntje van m’n stoel wipte, ongeduldig de volgende vraagaankondiging te mogen aanschouwen.
Soms vervloekte ik de cameraman, of de regisseur, als men Jan Vos & zijn band in beeld bracht. Waarbij veel te laat naar ’t koortje werd gezwenkt. Men moest wel weten wat de hoogtepunten van dit programma waren, vond ik.
& Zo bescheiden ook, zo heerlijk naïef, zoals zij haar hand gebruikte om de hangende lok weer in ’t gareel van haar rechteroor te brengen.
Maar in Amsterdam Noord zul je ze niet vinden, op de Nieuwendammerdijk, boodschappentas in de hand, hond aan de riem, de meisjes van ’t koortje. ’t Meisje van ’t koortje, moet ik zeggen. Je zal haar niet kunnen vinden. Jan Vos heeft haar opgesloten in zijn studiootje, zorgvuldig bevestigd aan alle microfoonsnoeren, & slechts 1 keer per jaar laat-ie haar los. Om olijk & gedwee mee te zingen. Mijn aandacht vast te houden. In een programma met korte onderbrekingen, om vragen te beantwoorden. Maar steeds weer komt dan weer:
‘Vraaaaag Twintig.’
‘Dat was de laatste vraag alweer,’ zegt even later Karen van Holst Pellekaan.
Ze glimt nog even opgewonden naar de mannelijke deelnemers. & Dan is ’t afgelopen. De zangeres vertrokken.

We zijn weer veel wijzer geworden in Zijperspace.

kerstwens

Waar ’t is ontstaan weet ik niet meer. Ergens in m’n jeugd. Tussen massa’s familie. Te overweldigend. Waar ik degene wilde zijn die aandacht kreeg. Nietsontziend, tot ik tot de orde werd geroepen, rustig te zijn, kalm te blijven, normaal te doen.
Vriendinnetjes behoorden tot datzelfde vijandige kamp.
Ik hoefde me toch niet zo uit te sloven? Ze wisten allemaal wie ik was. Zag ik niet dat ze probeerden rustig met m’n moeder een praatje te maken? Waarom moest ik overal bovenuit knallen? Ik kon thuis toch zeker ook normaal doen?
De pret was voor mij bedorven. De enige manier om rustig te zijn, was door mezelf terug te trekken. Niet mee te doen aan de familievoorstelling ‘familiefilmpjes van jaren her’, die en plein public werd vertoond. De hele familie bijeen. & Ik op een kamer boven. Of een rondje lopen met de hond. Een boek lezen ergens anders in ‘t huis. Uit ’t dakraam op zolder een sigaretje roken.

’t Waren vaak kerstbijeenkomsten waar ik de grootste moeite mee had. Dan was de meeste familie aanwezig, ’t keurslijf ’t strakst, ontsnappingsmogelijkheden miniem.
Ik heb ze dan ook afgeschaft voor mezelf. Kerst bestaat niet voor mij. Of slechts in kerstliedjes.
Men hoeft geen kerstkaartjes van mij te verwachten.

Hoewel mijn ‘prettige feestdagen’ richting klanten oprecht klinkt. Net op ’t laatste moment uitgesproken. Er is afgerekend, ik heb gevraagd of ze nog een tasje nodig hebben, wellicht de bon?, waarna ik ze met een vriendelijke glimlach die ‘prettige feestdagen’ wens. Zonder opsmuk, zonder overdrijving.
Snel schakel ik over naar de volgende klant, want in deze tijd van ’t jaar staat er altijd een rij van enkele meters.

‘Harry,’ zei ik tegen m’n postbode, ‘van mij heb je in ieder geval geen extra werk te verwachten.’
‘Hoezo?’ vroeg-ie, kort pauzerend voor mijn deur.
‘Ik krijg al een paar jaar geen kaartjes,’ legde ik uit. ‘Ik verstuur ze ook nooit.’
‘Wedden dat je er wel 1 krijgt.’
‘Nee, hoor. Ik heb m’n vrienden & familie goed afgericht. Geen extra puinhoop. Geen extra oud papier. Geen zware lasten voor mijn favoriete postbode.’
Aan ’t eind van ’t vorig seizoen moest-ie toegeven dat ik gelijk had gekregen.
‘Nou, ja,’ zei hij, alsnog twijfelend, ‘er zat 1 dag wel een witte enveloppe bij.’
‘Dat was omdat iemand overleden was,’ zei ik.

Ik ga altijd enkele dagen eerder bij mijn ouders langs. Tegenwoordig naar m’n moeder. Maar een visite aan mijn vader hoort daar nu ook bij.
Ik werd zondag door m’n moeder van ’t station opgehaald, waarna we onmiddellijk richting De Koogh vertrokken. Een kopje koffie met m’n vader drinken. We sleepten ‘m gezamenlijk naar ’t cafetaria-gedeelte. M’n vader at er een ½e gevulde koek bij.
‘Dat vond je altijd al heerlijk.’
Achteraf zei ze: ‘Hij was er stukken beter aan toe dan gister. Toen had-ie een rolator nodig.’
We gingen bij m’n oudste broer langs. Een cadeautje overhandigen aan ’t nichtje dat de dag ervoor jarig was. & Vervolgens maakte ik bij m’n moeder thuis ’t eten klaar. Tussendoor ging ik een biertje drinken met een andere broer. Kwam terug om te constateren dat 1½ uur iets te lang was voor deze kippenbouten. Maakte er daarom maar een 1-pansmaaltijd van.
’t Was niet feestelijk. Met z’n 4-en aan tafel, opscheppend uit 1 pan, maar ik was er. Op mijn wijze hadden we niet te veel poeha van kerstmis gemaakt.

Maar dit jaar blijven de kerstkaartjes binnenstromen. Gelukkig dat ik Harry op straat nog niet tegengekomen ben.
Ik kreeg er 1 uit Engeland. Van een man die me tot ‘guest of honour’ had gemaakt bij een prijsuitreiking. Best Pub of the Year & Best Ale of the Year van the Isle of Wight. Bijgevoegd een blaadje waarin een foto van mij was opgenomen.
Ik kreeg er 1 van Puck. Veel te lang elkaar niet meer gesproken, schreef ze, maar beslist niet vergeten.
Van Marlies kreeg ik ‘Liefs’, Hugh deed op dezelfde kaart de engelse versie: ‘Leafs’.
Rachel & Ramon stuurden me een kaart. M’n broer & schoonzus ook.
Mensen wensen me spontaan prettige dagen in ’t reactieding.

Ik zat met Rachel & Ramon aan. Café Scharrebier, tot ze gingen sluiten voor kerst.
Rachel zou eten klaar maken voor Ramon.
‘Wat ga jij dan doen?’ vroeg 1 van hen.
Ik ben kwijt wie zich ’t meest schuldig voelde.
‘Ik ga naar huis,’ zei ik. ‘Me voorbereiden op de rest van kerst.’
Ze keken me schuldig aan.
‘Nee, ik wil niet,’ zei ik, de stilte opvullend.

Ik ben er niet voor geschapen, denk ik. Er is iets genetisch bij mij fout gegaan. Geen kerstgeen. & Wel helemaal op ’t moment dat ik die wensen krijg.
Ik ben in de war. Neem ’t me ajb niet kwalijk.
Daarom als laatste bod, omdat ik wil dat mensen zullen genieten als ik eens deed, omdat ik vrolijk word zogauw ik ’t nr hoor, omdat ik best wel snap wat de strekking van kerst is, de consequenties, de confrontaties, daarom krijgt men dit van mij aangeboden, ’t nr dat mij deed dansen afgelopen zomer, of was ’t lente, in ieder geval stilletjes in m’n huis, deuren open, zodat men in de omgeving in ieder geval zou horen dat ’t klopte; daarom als laatste bod, omdat ik tevreden ben met de mensen om me heen, met de mensen die me een kaartje hebben gestuurd, tegen beter weten in, mensen die blijkbaar doorzetten, doorprikken, geacht worden te weten wat goed voor me is; voor hun, & ook voor al diegenen die ik wijs heb gemaakt dat ik iets te onkwetsbaar ben:

Boban markovic='Markovic' Orkestar - disko='Disko' Dzumbus

Prettige feestdagen gewenst vanuit Zijperspace.

dieper

Je moet er doorheen. Je moet karakter tonen. Je moet willen weten wie ’t is. Die persoon aan de andere kant, de persoon die schrijft.
Ik verlang niet anders.
& Ik kan niet anders. Als je geen concessie naar mij wilt doen, doe ik dat ook niet naar jou. & Die concessie van mij voel je pas als je er doorheen bent. Als je net even die stap verder gezet hebt die anderen nalaten.
Ik word niet voor niets door slechts een enkeling gelezen. Hoewel een 100-tal lezers allang geen enkeling mag heten. Maar dat stelt in weblogland niet al te veel voor. Zeker niet als je al meer dan 2 jaar consistent bezig bent. & Zo te zien dermate consistent bent dat mensen je teksten gaan omschrijven als lange lappen tekst, met een enorme hoeveelheid &-tekens, die niet makkelijk weg lezen.
Ik ben geen man waar vrouwen bij weg zwijmelen. Dat doen ze zeker niet en plein public. Eerder in de situatie van 1 op 1. Dan schijn ik meer te bieden te hebben. Of meer ontwapenend te zijn.
Hoewel ik er wel altijd van heb liggen dromen. Aan de dijk van Den Helder. Toen dacht ik dat ooit alle vrouwen zouden laten blijken dat ik de enige was. Met mijn originele gedachtes. Met m’n tedere momenten. Met m’n uitstraling.
’t Was nog erger. Ik droomde dat ik aan de dijk lag te dromen.
Ik moest ’t van m’n uitstraling hebben, dacht ik toen. & Van m’n snelle benen. Die kon niemand bijhouden op de dansvloer.
Maar zogauw ik de dansvloer verliet, was ik dezelfde weer. Eender als altijd. Opgaand in de massa. De man die niks te zeggen had. Een veelheid aan informatie bestormde me dan, alle beelden van om me heen slurpten mij op. Waarop ik niks meer wist te zeggen, bang er ingeluisd te worden door m’n eigen enthousiasme over die hoeveelheid.
Links gingen er borsten, rechts billen, voor me stond een intelligent gezicht, aan de overkant een partner voor de nacht & daar ergens tussenin vergat ik mezelf.
Ik bofte dat ik in die tijd nog rookte. Dat gaf een houding. Een zekerheid.
Sinds ik gestopt ben, ben ik me gaan realiseren dat ik onbereikbaar ben. Des te meer ik m’n rokende houding heb laten varen, des te meer ik ben gaan beseffen dat ik ongenaakbaar ben. Men moet moeite doen om daar te komen.
Tussen vormpjes & regeltjes door lezen.
Ik geef ook lang niet iedereen de gelegenheid daar te komen. Ik wil niet dat iedereen daar komt. Hoewel ik ’t daarentegen af & toe per ongeluk wel weer graag zou willen. Ik pleeg mezelf als een groot volksschrijver te beschouwen, maar vergeet daarbij consequenties te trekken. Afstoten, aantrekken. & Andersom. Vaker andersom. & ’t Tegenovergestelde daarvan dan weer.
Soms wou ik dat ik m’n broers was. Die weten hoe ’t hoort. Maar dan had ik weinig nog om over te schrijven. Een beter geheugen misschien, maar een besef van een latere dood tegelijkertijd. Ik moet me haasten. Daar bof ik mee. Dat heb ik dan weer.
Je hoeft m’n &-stukjes niet te lezen. Je kan ze skippen. Je hoeft me niet in m’n groengrijze ogen te aanschouwen. Die dringen pas tot je door als je er langer naar kijkt. Als je stil blijft staan, naast me zit, of wellicht tegenover. Ze priemen niet. Pas als ze woedend kijken word je overdonderd (dat wil je jezelf ook niet laten overkomen).
Mensen houden hun mond als ze bij mij zijn. Alsof er een immens grote kathedraal hun woorden wegsleept & gekwadrateerd doet weerkaatsen tegen de zijbeuken, ‘t altaar & de relikwieën.
Ik ben een man van extreme reacties. Van andere personen. Mensen houden hun mond of proberen me te kwetsen. Waarbij ik je niet wil aanvallen, Evelien. Geheel niet. Ik wil aanduiden waar ’t om gaat. Wat mensen drijft. Hoe ’t komt. Zonder daarbij mezelf als persoon te vergeten. Want uiteindelijk draait ’t allemaal om mij. Ik ben de enige die in mijn hoofd zit.
Toevallig schrijf ik ook nog graag. & Ook daarbij wil ik dichtbij mezelf blijven. Daarom kost ’t moeite. Maar als je dieper doordringt, dan is ’t de moeite waard geweest, waag ik te geloven.

Dan ben je diep, diep, diep in Zijperspace weggezonken.

PS: Dit als reactie op de opmerking van Eveline in 't reactieding van Kika.

huis (2)

’t Staat klaar om versleept te worden. De kelder in. Waar ’t voor jaren onvindbaar zal blijven. Onopgemerkt in ieder geval. Waarna ik uiteindelijk zal besluiten dat ’t toch maar bij de vuilnis moet.
Zo zal ’t ong gaan. ’t Zal een uitgesteld einde tegemoet gaan. Geen afgesteld. Daar zijn ze te oud voor.
Ik heb er zelfs nog 1tje laten staan. Tijdelijk, totdat ze definitief vervangen gaan worden. Bovenop de boekenkast staat ’t er, alsof elk moment de muziek er weer uit zal luiden. Doodgemoedereerd tussen stenen bierpullen & een lamp. Gericht, zodat de muziek optimaal m’n kamer kan vullen. In zoverre die kleine ouderwetse boxjes dat optimaal konden.
Ik laat ‘m daar nog even. Ik wil niet door een kale lege plek er aan herinnerd worden dat ze me meer dan 25 jaar hebben begeleid (hoewel ’t slechts een kwestie van schuiven is om kaal & leeg te doen verdwijnen, daar is ’t boven op de kast druk genoeg voor). ’t Dient ook om te verbloemen dat ik te onhandig ben om even 4 boxen op te hangen. Nu staat-ie daar, nutteloos niet aangesloten, maar met de intentie de kamer te vullen, zo goed hij nog kan. De rechthoekige voorkant staart me eigenwijs aan als ik me omdraai: ik kan nog wel, ik ben bereid, ik ben een Dual!

De pick-up/versterker stond tussen ons in. Tussen ons beider bureaus. We hoefden onze handen maar uit te strekken om de naald van de plaat te halen. Of de handel op start te schuiven, waarna ’t automatisch z’n weg zocht (stond-ie op 45 toeren, dan moest je ‘m bij een maxi-single corrigeren, want dan ging de arm als vanzelf een stuk verder richting midden).
Carel zat links, bij de deuropening, ik zat rechts van de pick-up, bij ’t raam. Bij onze voeten, onder de pick-up, stond de kleine collectie platen. M’n broer disco & funk; ik synthesizer & reggae. Niet meer dan 10 exemplaren.
De knop van de volume werd ’t meest gebruikt. Correctie als we van beneden de trap een gil hoorden van te hard.
‘Zo goed?’ riepen we dan de hoek om naar beneden.
Correctie van de knop terug als we de kamerdeur weer dicht hoorden gaan: snel onze deur ook dicht & een klein tikje harder, anders konden we niet volop genieten.
M’n broer regelde de stand van de boxen. Daar had hij meer verstand van. Hij was technischer, had meer inzicht in dat soort zaken. Ik mocht zeggen of ’t beter klonk, gezeten achter m’n bureau, waarna Carel zelf weer plaats nam & ik op zijn instructies de boxen kleine stukjes moest verplaatsen.
’t Snoer moest ook weg, vond hij, ’t moest niet te zien zijn, of anders moest ’t zorgvuldig plat tegen de muur geplakt worden. Dus regelde hij haakjes & spijkertjes, gaf mij de oude jaargangen Okki & Taptoe aan, om ’t snoer boven op de kast achterlangs die jaargangen te laten lopen. 1 Deel is tijdens die actie merkwaardigerwijs in een spleet achter de ingebouwde kast gevallen & nooit meer teruggevonden. Jaren later hadden we ’t er nog over: waar dat ene deel toch naar verdwenen was?

Carel wist me ook te vertellen dat Dual een 1e klas merk was. Een goede investering van ons bollenpelgeld. Zouden we geen spijt van hebben.
Maar toen we in de winkel stonden, twijfelde ook Carel nog een moment. Zomaar 100 gulden per persoon uitgeven. Dat zou voor hem betekenen dat-ie geen brommer kon kopen.
Mijn ouders juichten dat toe. Liever muziek dan een knetterende machine waar elke dag in de garage aan gesleuteld moest worden. Daar hebben ze wellicht spijt van gekregen toen bleek dat onze belangstelling voor muziek enigszins fanatieke trekjes begon te krijgen (& die brommer kwam er evengoed wel).
‘Met zulke muziek kan je toch je huiswerk niet maken,’ zei m’n moeder.
‘Ah, Moe! Zonder die muziek kan ik me juist niet concentreren.’
Ik geloof nog steeds dat dat toentertijd een juiste opvatting was. Er moest drukte zijn, lawaai, anders kwam er geen overzicht in ’t hoofd. In ieder geval niet in die van mij.

Een Dual dus. Die ik mocht houden toen Carel de deur uitging. Inmiddels was ’t apparaat ong 5 jaar oud. Veel te oud, naar Carels maatstaven. Mij ging ’t niet om de kwaliteit van ’t geluid, maar om die van de muziek. Als ik mijn muziek maar kon afspelen. Ik vond ’t best om met ’t afgedankte apparaatje nog een paar jaar door te gaan.
20 Jaar later staat-ie eindelijk klaar om afgevoerd te worden. 1st De kelder in. De boxen in ieder geval. De pick-up/versterker misschien beter ergens anders te plaatsen. De vochtige kelder is vast niet goed voor al die snoertjes & draadjes in z’n ingewanden.
Ik zoek alleen nog een geschikt moment. Een moment dat ’t in de weg staat. Dat ik er niet meer omheen kan ’t op te bergen. Tot die tijd mag ’t me blijven herinneren aan de tijd dat ’t dienst heeft gedaan. 25 Jaar. ’t Zal straks definitief voelen dat ik m’n jeugd voorbij ben.

Langzaam nemen we afscheid van de oudste medebewoner van Zijperspace.

vrouwen

Kijk.
Ik zat te praten. Op een gegeven moment met een jonge vrouw. Veronique.
Ik mocht ’t schrijven zoals ik zelf wilde, zei ze me ooit.
‘Veroniek,’ zei ik toen.
Zij vond alles best.
Ik zat te praten. Zij heette Veronique. Zij begreep meteen. Zij wist wat de ziekte van Graves was. Ze wist er al van. Verbaasd dat ik ’t had.
Ok, geen ADHD. Dat niet. Geen verplichte ritolin.
We hebben nog veel meer gezegd. Maar ze vroeg op een gegeven moment vooral wie m’n nieuwe vriendin was.

Welke nieuwe vriendin?
Er bestaan nl vriendinnen in haar vriendenkring die ik graag mijn vriendin zou willen noemen. & Als ze mij, of als haar eigen vriend mij even vergunt, dan zou ik. Men begrijpt wel.
Al is nieuw slechts voor enkele uren. Dat doe ik graag. Nieuw is altijd van korte duur.
Nee, hoor, zei ik haar ook nog, ik ben vrijgezel. Dat zal ik waarschijnlijk ook blijven.
Zonder toelichting. Zonder aanhalingstekens.

Ik had haar kort ervoor aangeraakt.
Soms ben ik zo dapper. Snel. Plots. In haar zij.
Zij. Onderweg naar de wc.
Ze sloeg af.
‘Wat deed je wuft?’ vroeg ik later.
‘Ik raakte je alleen maar in de zij.’
‘Ik was onderweg naar de wc.’
‘Maar wie is je nieuwe vriendin?’
Nieuwe vriendin, vroeg ik. Dat is Rachel. Geen nieuwe vriendin. Ik heb haar alleen maar aandacht gegeven.

Rachel?
Dat vroeg Kika dan weer. O, jij bent Rachel! Rachel.
O, je kent me.
Ja. Van Ton. Ton z’n verhalen.
& Pieter zat er naast. Naast Rachel. Aan de andere kant Jeroen. Naast Kika.
Ik praatte met Veronique, die ik mocht schrijven zoals ik zelf wilde.

& Jeroen had een comp naar mij genoemd. Degene die alles serveerde.
De server, dacht ik.
Ik begrijp dingen redelijk snel, dacht ik toen nog.
& Zijn comp heette Vlo. Die van een ander Columbus. Maar die ertussen heette Ton. Naar mij.
‘We hebben een machine naar jou genoemd.’

& Alex. Zij is nog steeds een vrouw. Alex, zij stopte bijna een tong in m’n mond.
‘Alexandra,’ zeggen sommige mannen dan nog eigenwijs. Ze willen perse die vrouw herkennen in hun mond.
Dat mag ik eigenlijk niet zeggen.
Maar toen was alles al bijna voorbij.
Voorbij de 5 gesprekken die ik voerde.
Alex heeft grote borsten, waar je ruig in kan zwemmen. Ik liet ze tegen me aanleunen.

Ik had Rachel gebeld. Van ik wil je wel weer ‘ns een keer zien. Van anders zie ik je dinsdag of woensdag wel, want dan ben ik ook weer vrij. Maar eerder niet. Want ik werk de hele tijd.
Wat uiteindelijk best wel mee valt. Want zij kon me vanavond ook zien.
’t Leek een soort vriendinnenavond.
& We lachten. & We huilden. Hoewel ik iets minder. Dat laat zich altijd later raden. Voelen.

Maar toen ik thuis kwam, hè. Toen ik thuis kwam. Toen ik thuis kwam.
Toen Rachel & Veronique & Kika & Alex & m’n moeder & alles & de rest.
Ach, ik heb sterke ogen.
Niemand kan dat ontkennen, behalve ikzelf.
Ach, ik heb sterke ogen.
Er zijn vele vrouwen. Ze zullen zich onafhankelijk moeten maken. Mij weerstaan. M’n ogen. & Alles & de rest. Ze zullen zich sterk moeten maken.

Ik ben naar bed gegaan. Men hoeft zich niet meer ongerust te maken. Ik ben naar bed.
Of ik nog stukjes schrijf over vrouwen. Werd er ook gevraagd. Maar ik ga naar bed. Alleen.

Maar of ik nog stukjes schrijf over vrouwen in Zijperspace, werd er gevraagd.

afscheid

‘We kwamen aan & m’n moeder lag er al met open mond bij. Geel gezicht. Hoofd achterover. M’n broer zat ernaast. Die was er al de hele ochtend. M’n broer & ik waren net hersteld van de griep.
Lola schrok. Die was wel aangedaan. Carel heeft Lola toen maar meegenomen. We hadden niet verwacht m’n moeder zó aan te treffen.
Carel stelde toen voor om m’n schoonzus te gaan halen. Dat was wel een goed idee. Ook de overburen moesten ingeschakeld. Dat waren overburen van de tijdelijke opvang waar m’n moeder in terecht had gekund. Die hadden toch een tijdlang zorg gedragen over m’n moeder.
Toen zaten m’n broer & ik daar, ieder aan 1 kant. We hielden allebei een hand van m’n moeder vast. Ze zei nog wat, maar ’t was moeilijk te verstaan.
& Toen. Toen.
Ze zuchtte. Ik denk zo’n 4 keer. & Toen ademde ze de laatste adem uit. Na 4 zuchten.
’t Was zo gebeurd.’

‘Terwijl ’t de laatste tijd best wel goed met ‘r ging. Ze was weer wat opgeknapt. Ze was een week ervoor voor ‘t 1st in 2 jaar bij ons langs geweest voor Sinterklaas. Dat ging best leuk. Ze wilde ook nog een glaasje madeira. Dat was ook een tijd geleden. Ze was gewoon gezond.
Daarna werden m’n broer & ik allebei ziek. Dus hebben we haar een week niet gezien. Toen werden we opgebeld. Dat m’n moeder toch wel lag te ijlen. Dat ’t nu toch wel serieus ging. Ik was nog maar net opgeknapt.’

‘M’n broer belde al. Dan maakt-ie een grapje. Op zijn manier. Hij belde nl nooit. Hij zei: “Nou, dan moet ik jou maar bellen. Want wie moet ik anders nog elke dag bellen?”
Dat is zijn manier. Dan moet-ie er een grapje van maken.’

‘Ja, je bent opeens volwassen. Pa was al dood. Nu sta ik er echt alleen voor.’

‘Ik nam elke keer een beetje afscheid van m’n moeder. Dan streek ik over haar handen. & Gaf ‘r nog een kus. Dat zag Lola natuurlijk. Ze stond er elke keer naast. Dat ziet ze toch.
Ik waarschuwde haar wel van te voren. Dat ’t wel een koud lichaam was.
Maar ’t was een ½ open kist. Je kon er zo bij. Je kon haar zien.
Op een gegeven moment stak Lola bij afscheid ook haar hand in de kist. Dat ging heel natuurlijk. Ik weet natuurlijk niet wat ze dacht. Maar voor haar is er natuurlijk ook heel wat aan de hand.
Kinderen zijn wat dat betreft veel verstandelijker.’

‘Ze zei tegen mij: “Mam, je moet er niet zoveel over praten. Want als je er over praat, dan ga je huilen. Ik wil niet dat je zoveel huilt.”
& Dan zei ik: “Maar Lola, ze was wel m’n moeder.”
Dan zei ze: “Ja, dat is waar.”
“& ’t Is helemaal niet erg om een beetje te huilen. Dat heb ik nodig. Dan kan ik ’t een beetje verwerken.”
Je weet ook niet waar kinderen zelf om huilen. Misschien huilde Lola wel vanwege de sfeer. ’t Is natuurlijk een heel drukkend sfeertje. Ze voelt best wel aan hoe de volwassenen zich voelen.
Bij de kist, toen de kist de grond in ging, toen moest ze verschrikkelijk huilen. Misschien wel omdat ze ’t verdriet van ons voelde. Misschien ook wel vanwege de laatste week. Aan de andere kant kwamen we bijna elke week wel 1 keer bij m’n moeder langs. Ze weet natuurlijk dondersgoed wat er aan de hand is.’

‘Je merkt ook dat mensen die zelf 1 van hun ouders hebben verloren, veel meer rekening met je houden. Die hangen meteen aan de telefoon. Die laten iets van zich horen. Mensen die allebei hun ouders nog hebben, daar hoor je minder snel van. Die snappen nog niet wat voor impact ’t allemaal heeft.
Er waren toch meer dan 50 mensen bij de begrafenis. Toch allemaal mensen die m’n moeder de moeite waard vonden. Dat doet je dan toch wel goed.’

‘We hebben alles zelf gedaan. M’n broer & ik. We hebben haar zelf afgelegd. Zelf in de kist gedaan. De kist naar buiten gebracht. Dan ben je toch elke keer afscheid aan ’t nemen. Steeds een stukje.
Ik merk toch wel dat dat goed is voor de verwerking. Ik heb daadwerkelijk afscheid van haar genomen.
Maar ja, nu is ze er niet meer. We moeten ’t zelf doen.’

& Al die tijd was ’t muisstil in Zijperspace.

huis (1)

Er zijn voorwerpen in m’n huis, meubelstukken, stoelen, een trappetje, die eigendom zijn geweest van Stella. Stonden in haar huis toen ik bij haar in onderhuur ging. Zij was gaan samenwonen met haar vriend, maar om toch een woning achter de hand te hebben, verhuurde ze die van haar aan mij. Bepaalde artikelen waren te veel om dubbel te hebben & ik kon er wellicht gebruik van maken. Dus liet ze ze staan. Wasmachine, tafeltje, lamp. Ze zijn onderdeel geworden van mijn omgeving. Deel van mij. Ze hebben echter geen bezit van me genomen. Er kleeft geen verhaal aan. Ze hebben hun geschiedenis met mij nog niet bewezen.
Neem de plant die ik van m’n collega’s gekregen heb. 4 Jaar geleden. Bij ’t inwijdingsfeestje van m’n 1e echte eigen huis. Geen onderhuur, geen samenwonen, geen tijdelijke sloopwoning. Ze hadden er zelfs aan gedacht er een gele pot bij te geven. Dat past in m’n huis. Wekenlang hebben ze de gele verfspetters op m’n handen & kleren kunnen aanschouwen.
2 Maanden geleden heb ik eindelijk besloten ’t begeleidend kaartje er af te halen. 2 Weken geleden gooide ik ’t weg.
Of nee, ’t ligt hier op tafel, onder de papieren. Onder mislukte printjes van teksten. Onder mislukte teksten. Ik stond op ’t punt ’t kaartje weg te gooien & werd afgeleid door die stukken tekst. ’t Raakte er onder bedolven.

Lieve Ton,
We hopen dat je nu eindelijk in je nieuwe huisje je rust zal vinden.
En dus: “Steun de strijd tegen baldadigheid”
Peet
En de rest.
P.S. Liefs


Dat staat op de achterkant. Op de voorkant een irritante cartoon van karikaturale mensen in hun blootje. Dat van die strijd tegen baldadigheid heb ik nooit helemaal kunnen plaatsen. Maar dat was niet belangrijk. We zeiden wel meer onzin tegen elkaar. Dat doen we nog.
Tot voordien had ik nooit planten in m’n huis. Ik liet ze toch langzaam vergaan. Ik kon me niet voorstellen dat groen in huis meer huisgevoel creëerde. Bovendien leek ’t dagelijks verzorgen, 2-dagelijks, maar liever 3 of 4-dagelijks, me te veel moeite. Voor een plant die niks terugzegt.
Maar nu werd ik gedwongen. Binnen enkele maanden kreeg ik nog 2 potten met bijpassende planten. Van einzelgänger werd ik verzorger. Weliswaar van slechts 3 planten, maar ’t vereiste aandacht.
Je zal me niet zien praten met ze. Ik weiger alleen in huis een conversatie met de dingen aan te gaan. Een vrijgezel neigt al veel te snel naar mompelen in zichzelf. Ik wil geen geluiden maken die uiteindelijk slechts voor mezelf bestemd zijn. Ook al zegt men dat de plant daar bij gebaat is. ’t Zij zo.
Ik weet niet hoe zo’n plant heet. ’t Heeft lange stengels. Met dunne spits toelopende bladeren. Die waaieren naar buiten. Spietsen alles dat aan hen voorbij gaat, zonder er in door te dringen.
Meestentijds staat ’t achter de gordijnen. Ik laat niet veel licht binnen. Dat vraagt om de begeleiding van blikken van pottenkijkers. Of in ieder geval ’t idee dat ze zouden kunnen kijken.
Desondanks ziet-ie groen. Helder groen. ’t Lijkt de laatste tijd zelfs beter met ’m te gaan, sinds ik ‘m aan 2 zijden een dm meer ruimte heb gegeven. Geen gordijn meer dat de bladeren bruin slijt. & ’t Kan nu de diepte van de kamer inleunen.
’t Lijkt niet zo belangrijk, zo’n plant. Zeker niet als je beseft dat ik sommige voorwerpen die ooit bezit waren van Stella vaker gebruik dan dat ik omkijk naar de plant. De wasmachine gebruik ik minstens 1 maal per week. Ik leeg m’n broekzakken met portemonnee & sleutels dagelijks op een bijzettafeltje dat ooit ’t huis van Stella heeft gesierd. Als ik m’n nagels heb geknipt gooi ik ’t afval vaak tijdelijk in 1 van Stella d’r asbakken.
Maar ik weet nog precies waar m’n collega’s zaten, die avond van ’t inwijdingsfeestje. & ’t Kostte me moeite ’t kaartje, zelfs na 4 jaar, te verwijderen.

We stoppen ’t nog maar een tijdje weg, onder een stapel teksten in Zijperspace.

burenpraat

‘Die man met z’n pitbull zegt me tegenwoordig ook wel ‘ns gedag,’ zeg ik. ‘Hij lacht altijd wel vriendelijk.’
‘Ja, dat is een hartstikke aardige man,’ zegt Suze van 2-hoog. ‘Maar hij woont nu alleen. Z’n vrouw woont nu verderop.’
Ze wijst waar we die ex van hem moeten plaatsen.
‘Die heeft die 2 brede witte dogs meegenomen. Woont nu samen met een vroegere vriend van hem. Enkele 100-en meters verder,’ lacht ze.
‘Jemig, je raakt wel op de hoogte van de buurt bij zo’n etentje,’ zegt Nienke van hiernaast.
‘Ja, daarom is ’t zaak dat je elk jaar op dit kerstmaal aanwezig bent,’ zeg ik. ‘Maar ‘t wordt ook wel tijd dat jij je bijdrage levert. We willen nu eindelijk wel ‘ns weten hoe ’t zit met dat stelletje boven jou.’
‘Oh, daar is niks mee aan de hand. Gewoon een leuk stel.’
‘Ja, & op 3-hoog bij jou woont die duitse, toch?’ vraagt Nienke van dit huis. ‘Die had toch zo’n moeite met ’t feit dat ze in de steek was gelaten door haar man?’
‘Ja, heb jij ook wel ‘ns een praatje met haar gemaakt?’ zegt de Nienke van hiernaast. ‘Ik ook. Ik dacht dat ik niet meer van haar afkwam. ’t Ging ’t ene oor in, ’t andere oor uit. Dat soort dingen kan ik nooit zo goed onthouden. Ik weet alleen nog dat ze lerares wiskunde is.’
‘Lerares wiskunde?’ vraagt Suze enthousiast. ‘Dat kan handig zijn. Moet ook maar ‘ns een praatje met haar maken.’
‘Maar ik wilde ’t hebben over dat stelletje boven jullie,’ begin ik weer. ‘Dat vind ik veel interessanter.’
‘Wat vind je daar dan zo interessant aan?’ vraagt Hanneke van 1-hoog.
‘Oh, ik heb ze wel ‘ns ruzie horen maken toen ik in de tuin zat. Dat ging op een bepaalde manier. Misschien dat Nienke daar meer informatie over heeft. Of ze vaak ruzie maken & zo. Is toch best belangrijk dat je dat weet als buur zijnde.’
‘Volgens mij denken ze van ons ook wel dat ik vaak ruzie maak met Edward, de manier waarop ik praat,’ zegt Nienke van hiernaast. ‘Mijn stem klinkt volgens mij overal doorheen.’
‘Jammer, nog nooit gehoord,’ reageer ik. ‘Terwijl ik toch naast je woon.’
‘Maar nu we ’t over ruzie hebben,’ zegt Nico van 2-hoog, ‘hebben we de laatste tijd nog ruzie met de overkant gehad?’
‘Met Hans?’ vraagt Suze. ‘Hier recht tegenover?’
‘Hoe weet jij nou weer zijn naam?’ vraagt Nienke van hiernaast.
‘Hé, Hanneke,’ zeg ik, ‘ik zie jou wel ‘ns een praatje met die Hans maken. ‘Dus jij moet meer over hun weten.’
‘Ach, daar word je heel moe van,’ zegt Hanneke. ‘Er is altijd wel wat aan de hand dat niet klopt. Nooit iets positiefs. Hij wilde 2 jaar geleden docent worden. Handenarbeid. Volgde hij een opleiding. Maar binnen de kortste keren kwam hij met verhalen dat niets goed was aan die opleiding. Dus na een ½ jaar was-ie daar mee gestopt. Zat-ie weer in de uitkering. Kreeg ik alleen maar verhalen te horen wat dáár weer aan mankeerde. Wat-ie nu doet weet ik niet.’
‘Hij doet klusjes, toch?’ zegt Nico. ‘Dat staat tenminste op z’n bus. Kan me niet voorstellen dat je zo’n chagrijn terug vraagt als-ie langs is geweest.’
‘Maar als z’n vrouw een praatje met je maakt dan is ze heel aardig, hoor,’ zegt Hanneke. ‘Van een afstand lijkt zij ook zo, net als die Hans van haar, maar dan moet je eens een praatje maken, dan is ze heel leuk. Ze denkt er over om haar opleiding sociologie weer op te pakken.’
‘Mijn wasbak die lekte laatst,’ vertelt Nienke van 3-hoog. ‘Dus ik dacht: dan haal ik wel aan de overkant een waterpomptang; dat moet zo’n klusjesman toch wel op voorraad hebben. Wel een beetje raar, want je praat nooit met ze. Maar ik bel aan & zij doet open. Oh, was geen probleem, zei ze, kom maar even verder.’
‘Oh, je bent in ’t hol van de leeuw geweest?’ vraagt Suze.
‘Ja, & ik loop achter haar aan naar binnen. Kreeg de juiste sleutel zo mee. Toen moest ik ’t een paar uur later terug brengen. Bel weer aan, kom weer naar binnen. De hele familie om de tafel, slavinkjes eten & zo.’
‘Mmm, lekker,’ zeg ik. ‘Dus jij wordt onmiddellijk uitgenodigd aan tafel?’
‘Nee, maar die Hans zegt: ach, dat had ik zo voor je kunnen doen. Was geen moeite geweest.’
‘Zo zijn ze dan ook wel weer,’ zegt Suze. ‘Goed, zeg, dat je naar binnen ging.’
‘Ja, maar hoe is ’t nou afgelopen met die slavinkjes?’ vraag ik.
‘Ach,’ zegt Suze naast me, & ik krijg een lachende douw tegen m’n schouder.
‘Daar ging ’t verhaal toch over?’ vraag ik zachtjes aan Nico, die aan m’n andere kant zit.

’t Kerstmaal vloog voorbij, recht de monden in van Zijperspace.

loterij

Ik doe de deur open. Voor me staat een jonge dame. Geen Leger des Heils met de Vuurtoren (‘Bestaat die nog?’ vraag ik me snel af). Geen Jehova-getuige. Ik zie ’t aan de manier waarop haar blonde haren over haar sjaal hangen.
‘Goedemorgen, meneer,’ zegt ze, ‘sorry dat ik u stoor, maar misschien heeft u ’t al van 1 van uw buren gehoord ..’
Wat heb ik de laatste tijd van de buren gehoord? Dat van die rat, ja. Maar wat zou zij daarmee te maken kunnen hebben?
‘We zijn bezig met een leuk onderzoek in de buurt over loterijen.’
‘Nee, niets over gehoord.’
Met m’n linkerarm houd ik de deur open. Die heeft sinds ik de scharnieren heb geolied de neiging om langzaam dicht te vallen.
‘O, dan zult u vast binnenkort er iets over horen,’ gaat de jongedame verder, allervriendelijkst gezicht. ‘Doet u wel ‘ns mee met de Staatsloterij of iets dergelijks?’
‘Nee, nooit.’
Daar kan ik resoluut over zijn. Zal ik de rest er ook maar meteen bij vertellen?
‘Nou, wij doen een onderzoekje, hier in de buurt, om uit te zoeken hoe mensen wat meer kans kunnen krijgen op een prijs in dat soort loterijen. Want heel veel mensen winnen nooit ‘ns wat. Dus zoeken wij de mensen op om te kijken of we de prijzen misschien wat meer evenredig kunnen verdelen. Snapt u?’
Ik knik. Maar vraag me meteen af waarom ik knik. Dat meisje had thuis moeten blijven zitten bij haar man. Of anders op een uitzendbureau moeten gaan werken.
‘’t Is een heel leuk onderzoekje wat wij met de mensen hier in de buurt mogen doen. Al heel veel mensen hebben er erg veel plezier in gehad. Daarom dacht ik dat u misschien al wist dat we hier bezig waren met ons onderzoek.’
Ik ga er even wat meer ontspannen bij staan, besluit ik. Schouder tegen de muur. Linkerhand nog steeds tegen de deur, want anders staat ’t zo raar: een beetje door je houding meer belangstelling tonen & dan toch de deur langzaam dicht laten gaan.
Tegelijkertijd vraag ik me af waarom ik die lichaamstaal nodig heb.
Ze leunt over naar de map die ze al die tijd al in haar arm heeft liggen.
‘Zou u misschien mee willen doen aan ons onderzoek? U kunt er iets mee winnen.’
Ik was er al bang voor. Toch maar goed dat ik er nu ontspannen bij sta. Geeft meer zelfvertrouwen. Waar hangen al niet goed voor is.
‘Nou, eigenlijk niet.’
Ze kijkt op. De beweging van haar armen die de map zouden openen stokt.
‘U moet maar zo denken: niet gewonnen, niets verloren.’
Die heeft ze van te voren uit haar hoofd geleerd. Om mensen over te halen. Truc van de training coach, die alle onderzoekstertjes ter harte hebben genomen.. Haar armen reiken weer naar haar map.
Ik moet ’t haar nu vertellen, denk ik. Ik moet haar vertellen dat mensen die plots hoge bedragen winnen over ’t algemeen nog maar kort te leven hebben. Dat dit soort veranderingen veel te veel stress in ’t lichaam veroorzaakt, waar de mens, hoe nuchter ook, niet tegen opgewassen is. & Welzeker mijn lichaam niet.
Of wellicht dat ik advocaat van God moet spelen: ’t zou makkelijker zijn voor een kameel om door ’t oog van een naald te gaan, als voor een rijk man in ’t rijk Gods te komen. Matheüs 19:16-26.
Ik kan haar ook vertellen dat de uitdrukking die ze zojuist poogde te gebruiken anders luidt.
‘Nee, hoor,’ zeg ik, ‘ik heb helemaal geen belangstelling voor loterijen.’
Hoewel ik met Kerst wel weer een oudejaarslot in m’n pakket zal vinden. Maar ook hierbij straft God de ongelovigen van geest, bedenk ik me: totale winst in al die jaren bedraagt hooguit 30 gulden; in ‘t €-tijdperk er zelfs nog niets mee gewonnen.
Ze draait zich al om. Zonder me nog aan te kijken. Haar map hangt weer verticaal langs haar lichaam.
‘Goed, dan ga ik wel weer verder.’
‘Tot ziens,’ zeg ik vrolijk & kom langzaam overeind. Ik heb immers een Jehova-getuige van me afgeschud, zo voelt ‘t. ‘Succes nog.’
Ze is al om ’t hoekje van mijn portiek verdwenen.

De deur van Zijperspace valt langzaam in z’n slot.

rat

‘Hoi, Ton,’ zegt Suze.
‘Hoe weet je zo snel dat ik ’t ben?’ vraag ik verbaasd.
Ze heeft amper haar hoofd naar me gekeerd.
‘Wie zou anders aan jouw deur zitten morrelen met sleutels?’
‘Oh, dat is te horen als je de trap afgaat?’
‘Ja, heel goed,’ lacht ze. ‘Zeg, je hoeft niet alleen maar speciaal bier in huis te halen voor woensdag, hoor. Op een gegeven moment gaan er waarschijnlijk een paar aan de wijn. Dan lusten Panos & Nico vast nog wel een biertje, maar dat kan gewoon pils zijn. Hoeft niet speciaal.’
‘Ja, dat vermoedde ik al. Ik haal gewoon een paar flessen in huis, net als vorig jaar.’
‘Dat we weer bier kunnen proeven. Vond ik vorig jaar wel heel leuk.’
‘Ja, ik ook. Maar ’t moet geen kapitalen gaan kosten. Op een gegeven moment proef je ’t toch niet meer. Dan kunnen we over gaan op de pils.’
‘Weet je trouwens,’ schiet ’t Suze plots te binnen, ‘we hebben een rat!’
’t Nieuwtje is er uit. Zo kijkt ze. ½ Lachend, ½ verontwaardigd.
‘Oh, dus toch. Panos had ‘m .’
Ik kan m’n zin niet afmaken.
‘Ja, Nico heeft ‘m nu ook gezien.’
‘Lekker om dan bij jullie langs te komen, van de week.’
‘Ben je bang voor ratten?’
‘Ik ben zo’n beetje overal bang voor.’
‘Oh, shit, o ja. Ik had afgesproken dat ik niks zou zeggen.’ Ze houdt haar handen voor haar mond. ‘Nienke & Panos waren gister langs & toen hadden we ’t er over. Nienke zei dat ’t dan beter was om niks tegen jou te zeggen.’
‘Ach,’ zeg ik nonchalant, ‘ik durf nu hooguit niet naar binnen te komen, woensdag, & ik slaap de komende nachten niet. Maar voor de rest niks aan de hand, hoor.’
Ik lach erbij.
‘Maar zou jij dan ook last van die rat kunnen hebben?’
Heerlijk, denk ik even, er niet over mogen praten, maar als ’t er dan toch uitgefloept is wel de angst er even goed in wrijven.
‘Dat beest gaat natuurlijk door allerlei gaten die onder de grond zitten. Volgens mij kan-ie alleen niet in mijn huis terecht komen. Want alles is daar afgesloten. Zover ik weet.’
‘Als je maar niks te eten open & bloot laat liggen.’
‘Nee, daar let ik de laatste tijd erg goed op.’
‘Verrek, ben ik helemaal vergeten dat pak koekjes op te ruimen. Dat staat nog in de gang.’
‘Dat zal de rat lekker vinden.’
‘Ik ga ’t maar snel even binnen zetten.’
Suze doet haar deur weer open. Ik ga m’n eigen deur in.
‘Dan zie ik je woensdag wel. Om ½ 8 ongeveer.’
‘Is goed. Dan hebben wij kip klaar staan. Ook net als vorig jaar.’
‘Heerlijk. Kip & bier voor ons. & Voor de rat koekjes uit een pak.’

We weten nog niet of we Zijperspace wel uit durven, woensdag.

retrospectie

‘Shit,’ zei ik.
De vrouw voor me keek verschrikt op. Ze stopte even met haar tas volladen met flessen.
‘Nee, hoor,’ zei ik snel, ‘’t is niks.’
Ik toonde kort m’n vinger. Klein wondje. Met een druppeltje bloed.
‘Thomas,’ riep ik naar achter, ‘je moet nu echt even pleisters halen.’
‘Ik heb toevallig ook een pleister bij me,’ zei de vrouw voor me. ‘Mag je ook wel gebruiken, als je wil.’
‘Nee, is niet nodig, hoor. We moeten gewoon pleisters in huis hebben. & Voor de rest is ’t een klein wondje. Daar heb ik bijna dagelijks last van. Elke dag gebeurt er wel iets met dit werk.’
Ik verzweeg voor ’t gemak m’n andere baan, waar ’t nog sneller gebeurt.
Ik stopte de vinger in m’n mond. Druppeltje bloed weglikken. ’t Heeft iets instinctiefs.
‘Nou, sterkte,’ zei de vrouw, terwijl ze haar volgestouwde tas oppakte.
‘Hmmm,’ mompelde ik, vinger in de mond.
Thomas liep achter haar aan de winkel uit.

Inmiddels zit er ook een snee in de top van m’n wijsvinger.
Sas zei ‘Gadverdamme’ toen ik voorbijliep. Zij was de toiletten aan ’t schoonmaken. Ik keek om om te zien wat gadverdamme was. Een streep bloed bij de ingang van de dames. Rood tegen een witte ondergrond.
‘Oh, jij bent ‘t,’ zei Sas.
‘Wat bedoelt ze met die opmerking?’ vroeg ik me af.
Maar Sas bleef naar m’n hand kijken. Ik keek met haar mee. M’n wijsvinger roodgekleurd. Nagel niet meer te ontwaren.
‘Da’s ook gek,’ dacht ik, ‘ik voel niets.’
‘Oja, da’s de glasbak,’ zei ik tegen Sas, ‘die heb ik net geleegd.’
Ik likte een klein sneetje tevoorschijn. Een kaarsrechte glassnee.

2 Pleisters hebben de snee ingepakt. Horizontaal de onderste & verticaal er overheen om ’t te fixeren. Anders blijf je overal aan haken. Opstaand huidrandje. Vervelender dan ’t snijden zelf.
Daarmee kriebel ik in gedachten over m’n kin. Ik trek lijnen van m’n linkerkaak naar m’n rechter. Hoor daarbij ’t licht raspende geluid van de korte stoppels. Daarna voel ik een spoor van vocht. De pleisters hebben net in ’t afwaswater gezeten. ’t Gaas verliest langzaam ’t opgenomen vocht aan m’n huid. Ik teken figuurtjes. Ik ben me er niet eens van bewust. Ik lees een boek. Terwijl de krullen van een 8 op m’n wang komen te staan. Onzichtbaar in dunne streepjes nat. Ik kan nog net de afkoeling voelen.
Als ik m’n vinger op m’n lippen leg, betrap ik mezelf op de onwillekeurige bewegingen met de pleister. Ik word even wakker uit m’n boek.
‘Alsof ik mezelf ’t zwijgen op heb gelegd,’ bedenk ik me.
Waarna ik me weer verdiep in de roman. De pleister knispert ondertussen verder, over de snor in wording.

Voor de rest hoort men geen zucht in Zijperspace.

top 2003

‘t Heeft voor mij nogal wat voeten in aarde, een lijstje samenstellen van de mooiste liedjes van afgelopen jaar. ’t Neemt in ieder geval meer tijd in beslag dan een eenvoudig stukje schrijven, zoals ik gewend ben te doen.
’t Is me echter na enkele uren zoeken, herbeluisteren, overwegen, schrappen, heroverwegen, toevoegen, m'n gevoel inschatten, & wederom schrappen, gelukt. Uiteindelijk heb ik 't voor elkaar gekregen, & is-ie hier, mijn top-10 liedjes van 2003:

- Smog - Ambition
- Bonnie Prince Billy - The Way
- Daniel Johnston - Mountain Top
- Dave Clarke - Way of Life
-
Elbow - Fugitive Motel
- Prefuse 73 - Storm Returns
- The Eighties B-Line Matchbox Disaster - Psychosis Safari
- Wire - Nice Streets Above
- Beth Gibbons & Rustin Man - Romance
- Zea - Of Course It Hurts, It Always Does

‘t Mochten er ook 6 zijn, of 8, zei Bob van Mijn kop thee. Maar ik kon ’t niet over m’n hart verkrijgen minder dan 10 te bieden. Ik kon er niet om heen de bovenstaande dame & heren (wellicht dat er nog ergens verborgen, stiekem een vrouw haar bijdrage levert, waar ik geen directe weet van heb; excuses als ik die bij deze oversla) te eren door ze op te nemen in m’n lijstje.
Enkelen heb ik reeds hoorbaar gemaakt door ze op m’n server te zetten. Men wordt in staat gesteld ze te beluisteren door ze te beklikken. Nog niet alles, maar daar wordt aan gewerkt.

Op naar de top 20-2004 van Zijperspace.

gehaktballen

‘Heb ik wel ‘ns verteld hoe lekker gehaktballen zijn? Of doe ik dat alweer voor de tig zoveelste keer?’ vraag ik Thomas.
‘Nee, ik kan me niet herinneren dat je me dat eerder verteld hebt,’ antwoordt Thomas, terwijl-ie de klant verder helpt.

‘Waar is Thomas?’ vraagt Hein.
‘O, die is even gehaktballen halen,’ zeg ik. ‘Weet je trouwens dat de gehaktballen van de Albert Heijn ong gelijk staan aan de Hema-worsten?’
‘Nee, dat wist ik niet,’ zegt Hein. ‘Maar ik kan aan je ongeduld zien dat ’t bepaalde uitwerkingen op je geestesgesteldheid heeft.’

‘Zal ik alvast gaan?’ vraagt Thomas.
Ik mag de winkel niet uit. Kan Thomas niet alleen laten met allemaal klanten.
‘Nou, nee,’ zeg ik. ‘’t Lijkt me een beetje vroeg. Er staan nog te veel klanten in de winkel.’
‘Ok.’
‘Evengoed zou ’t een hele mooie tijd zijn om die gehaktballen te beginnen.’
‘Ja.’
‘Jammer.’
‘Ja.’
‘Zolang je jezelf tart, ’t verlangen uitstelt, dan wordt de beloning uiteindelijk des te meer aanvaard.’
Thomas knikt wijs.

‘Hm, lekker,’ zegt Thomas.
Hij neemt een laatste lik uit ’t zakje. Neusdiep erin.
‘Ja,’ is mijn reactie.
Ik scheur de zak open. Diep in de bodem ervan ligt de jus.
‘Je moet weten,’ leg ik ‘m uit, ‘hoe je ’t onderste uit de kan haalt.’
Ik leidt ‘m op, denk ik af & toe, maar we staan op gelijke hoogte.
Begerig steek ik m’n tong in de zak. De laatste korreltjes gehakt hechten zich aan mijn tong. Jus kwijlt over m’n wang. Een klant komt binnen.
‘Hallo,’ zeggen we beiden tegelijk, Thomas & ik.
Een veeg van ons beider rechterarm heeft ons gered.

‘Hij is te warm,’ zeg ik. ‘Veel te heet.’
Ik neem een hap.
‘Zie je. De buitenkant is heet, maar van binnen is ’t nog steeds koud. Ze hebben ‘m op een veel te hoge temperatuur in de magnetron gezet.’
‘Hm, hmm,’ kauwt Thomas als antwoord.

‘Bij Albert Heijn zijn ze echt dom,’ zegt Thomas bij binnenkomst.
Hij zet z’n muts af. Blij dat-ie geen vakkenvuller meer is.
‘Dat wisten we al. Anders hadden ze wel allemaal hier gewerkt.’
We lachen.
‘Ik zeg tegen ze,’ gaat Thomas verder, ‘ik wil wel warme gehaktballen hebben. Stopt die knul ze er in & geeft ze na nog geen ½e minuut terug. Hartstikke lauw. Warm, maar niet warm genoeg. Nee, die wil ik niet, zeg ik. Warmer. Ik moet ook een bonnetje hebben, trouwens. Is goed, zegt die gozer. Stopt de ballen weer in de magnetron. Ik reken af, maar ik krijg geen bonnetje. & Ondertussen rekent-ie iets van een andere klant af. Ik zeg: ik wil wel een bonnetje. Moet-ie helemaal naar de bedrijfsleider. Duurt een kwartier voordat-ie terug is. Met de bedrijfsleider. Die maakt uiteindelijk een geschreven bon. Is-ie 10 minuten mee bezig. Zijn die gehaktballen helemaal koud. Dus ik zeg: die gehaktballen wil ik niet meer. Stopt die gozer ze weer in de magnetron. Nee, ik wil andere, zeg ik. Die bedrijfsleider zegt ook: geef die jongen andere ballen. Krijg ik ze uiteindelijk, maakt-ie de bon vuil. De bedrijfsleider was net weggelopen. Maakt-ie dus uiteindelijk deze bon.’
Hij laat ’t me zien.
‘Ze zijn wel lekker evengoed,’ zeg ik, terwijl ik kijk.
‘Ja, jammer dat ze zo snel op zijn.’

‘Hé, Thomas!’
‘Ja?’
‘Vind je ’t nou niet een beetje tijd?’
‘Sorry, ik lette niet op.’
‘Ik wil er 2, dit keer. Op 1 been kunnen we vandaag niet lopen.’
‘Ong net zo veel als de vorige keer, bedoel je?’
‘Ja, & doe wel even de groeten aan Appie. Als-ie nog bestaat.’

’t Is een eenzijdige economie in Zijperspace.

grotgraaf

1st Was er Papillon. Een veel te dik boek. Waarom ik dat mocht lezen, werd er gevraagd. Maar ik zou ’t toch lezen, ook al zou ’t me verboden worden.
Daarna volgde Sartre. Met ‘De teerling is geworpen’. Veel te moeilijk vonden tantes nu. Dat kan hij toch nog niet snappen?
Ik had ’t in een week uit. De hele tijd een woordenboek in de buurt. Voor ’t geval m’n tantes gelijk mochten krijgen.
Een volgend boek van Sartre, enkele jaren later, stond aan ’t begin van m’n gekte. Ik zei tegen m’n huisarts dat ik ’t gevoel had dat de stenen uit de muur konden komen. Dat elke steen een eenheid was, waarvan ik me zeer goed bewust was. Ik vroeg ‘m of-ie ooit ‘De muur’ van Sartre had gelezen. Ik had ’t net uit. Hij had er wel van gehoord, maar nooit tijd gehad ’t te lezen. ’t Leek ‘m beter voor mij, nadat ik over de inhoud had verteld, dat soort boeken niet te veel te lezen. Niet in deze toestand. Hij stuurde me door naar ’t Riagg.

Maar voordat ’t zover was, las ik andere boeken. Vóór ’t begin van Papillon. Ik las alles wat los & vast zat.
Onderweg naar Zwitserland werd ik in de auto van m’n oom & tante geplaatst. Vanwege de grote hoeveelheid kinderen die m’n ouders mee moesten nemen. Achterin de auto, naast Frank & Simon, waar we veel minder lawaai mochten maken dan in de auto van m’n ouders. Dat was niet erg, want dan kon ik tenminste hun verzameling boekjes doornemen.
Een gele serie, met historische verhalen. Elk deeltje vertelde over een andere tijd, een ander personage. In 1 dag kon ik 2 delen lezen, & me weg van de wereld wanen.
Op de camping aangekomen, ging ik dagelijks naar de caravan van Frank & Simon, 2 nieuwe deeltjes halen. Totdat ik halverwege de vakantie alles uit had.
‘Nou moet je maar ‘ns andere dingen doen dan de hele tijd lezen & binnen zitten,’ vond m’n tante.

In 1 van die deeltjes kwam een graaf voor. Een wijs man. Alle hoofdpersonages in de gele boekjes waren wijze mensen, of anders waren ze dapper, voorwaardes om held te worden, maar ondanks die kwaliteiten liep ’t toch vaak slecht met ze af.
De graaf werd gevangen genomen & opgesloten in een grot. ’t Was er vochtig & koud. Hij zag er niks, behalve een klein beetje zonlicht dat naar binnen glipte, de wanden van de grot & enkele ratten & kakkerlakken.
Hij vroeg om pen & papier aan zijn bewakers & kreeg ‘t. Jarenlang bleef-ie opgesloten in de grot & jarenlang bleef-ie schrijven.
Waarover moet je dan schrijven, vroeg ik me af. Als je niks beleeft, dan is er toch ook niets om te vertellen?
Maar toen de man eindelijk, na 10-tallen jaren gevangenschap, werd vrijgelaten, had-ie een dik boekwerk bij elkaar geschreven. ’t Werd uitgegeven & ’t was een wijs boek, van een wijs man. Spoedig werd de man weer gevangen genomen. Vanwege dat boek. Hij werd in een hok gestopt waar hij niet rechtop kon staan & niet kon zitten.

Of ’t echt waar is weet ik niet. Misschien heb ik in de loop der jaren 2 verhalen tot 1 samengesmeed. Of hoorde de geschiedenis van de graaf in de grot niet tot de gele serie historische verhalen. Wat is waarheid voor een kind?

Nu ligt er een plastic tas in mijn tuin. Eigenlijk ligt-ie niet ‘ns. Hij hangt eerder. Tussen de doodse stengels guldenroede. Als een traliewerk hebben ze de tas omsloten. Sinds vanochtend. Of anders gisteravond, toen ’t al donker was, & ik niet kon zien dat ’t arriveerde.
Ik probeer me voor te stellen hoe ’t hier terecht is gekomen. Waarbij ik beelden zie die mij eerder zijn voorgeschoteld. In films. Of door uitvoerig beschrijvende romans. Wapperende beelden, van in de lucht koprollend krantenpapier, voortgedreven door de nukken van een najaarswind. ’t Draait salto’s in de herfststorm, buitelingen die ’t bijna op de grond doet rusten, maar steeds, als ’t haast zover is dat ’t gedwongen wordt te blijven plakken aan ’t aardse, wekt een onderwind ’t weer tot leven. Een oneindige reeks draaiingen & pirouettes om een denkbeeldige as doet ’t verder gaan, ’t verhaal in, daarbij een achtergrond passerend, een decor, ter introductie op dat wat verder nog gaat komen. ’t Danst, ’t neigt, ’t legt ogenschijnlijk stil in een niemandsland van oneindig diep zwart horizon, om een tel later weer uitbundig te genieten van een plotse turbulentie. Waarna ’t plots betrapt wordt door de zwaartekracht. Of in mijn geval: een bosje stengels guldenroede.
Een afzichtelijke tas van Komart De Wit. Bij mij om de hoek. Met vloekende balken geel op wit, & enkele rode & zwarte letters; ’t beeld verstorend van ’t afbraakproces dat beter past in dit jaargetij.

& Ik moet denken aan de graaf in z’n grot. Voor 10-tallen jaren gevangen met niks meer dan z’n wanden & z’n papier.
Een ekster neemt plaats op de waslijn van m’n achterburen. Hij vliegt op, om in de hoek van ’t balkon iets te pakken te kunnen krijgen. Maar ’t stoot z’n kop. Hij waande zich voor een kort moment een kolibri, in ogenschijnlijke stilte hangend, maar werd door z’n eigen onstuimig lichaam gecorrigeerd.
Daar had ik ook over kunnen schrijven.

De tas van Komart verstoorde echter ’t beeld in Zijperspace.

oma

Oma Zegers woonde op de Middenweg. In een bejaardenflat. Zonder verzorging.
Ik zag haar vaak zitten, als ik onder haar door fietste, richting stad, op de 1e verdieping. Aan ’t raam, zoals oude mensen doen. Ik keerde m’n nek vaak nog even om, kijken of ze me toch niet alsnog had gezien. Maar er gebeurde veel op de Middenweg, aan 1 stuk vloog ’t helderse verkeer aan haar flat voorbij. Een fietser was een klein onderdeel daarvan.
’s Zondags trokken we vaak naar de Middenweg. Na de mis, of in ’t begin van de middag. De hele familie had zich daar verzameld. De dochters maakten de soep warm die Oma al 2 dagen had laten trekken. De mannen dronken hun koffie, praatten & namen de soep aan. De kinderen waren aangewezen op de kamer ernaast, waar ’t bed gekanteld stond, & waar een tafel was die ruimte bood voor minstens 6 koppen soep. We mochten daar blijven zolang we niet te veel lawaai maakten. Want we moesten altijd rekening houden met de hoofdpijn van Oma. De geur van eau de cologne waarde door ’t huis & werd ’t sterkst als je neus in de buurt van haar zakdoek kwam bij ’t begroeten of afscheid nemen.
Een enkele keer mocht ik mee op de maandagochtend. Als m’n school plots vrij had gegeven. Dan zag ik m’n moeder & tantes over de vloer kruipen om ’t huis schoon te maken.
‘Als je op je knieën zuigt, dan wordt ’t tenminste écht schoon,’ zei m’n moeder.
Ze geloofde er heilig in.
Ik verveelde me al snel ergens in de voorkamer op een veel te grote stoel. Wachtend op de thee & een koekje. Ook Oma had geen aandacht voor me. Die poetste ’t koper in de kamer waar wij anders mochten spelen. Ik mocht hooguit de theelepeltjes vanuit de keuken voor haar halen & weer terugbrengen. Maar ook dan mocht ik niet in de weg staan.
Op de schouw stond een foto van Opa, in pak. Zoals ik ‘m nog gekend had, dacht ik altijd, maar ik wist niet hoe oud ik was toen hij overleed. Ik kon me slechts een bal herinneren die tegen z’n voet aankwam, in ’t oude huis, & dat ik toen snel naar buiten moest gaan, de Krugerstraat in, met bal & al.
In de speelkamer hing een andere foto. Opa in kokskostuum. Een hoge koksmuts op, pannen in z’n hand. Een foto die je elders in de familie ook aan kon treffen. M’n moeder had ‘m op de slaapkamer staan. Daar ging ik wel ‘ns met m’n neus bovenop staan. De foto bestuderen. Kijken of-ie tot leven kwam in andermans gezichten.
Ze zeiden dat Quint zo op hem leek.
Als we ons op zondag verveelden, gingen we naar buiten. Als ’t mocht. 1st Altijd vragen. Met neefjes Frank & Simon gingen we achter de flat spelen met de bal. Stiekem klommen we via de regenpijp naar beneden. Iemand bij de deur om te kijken of niemand ’t zou zien. & Als ik naar beneden wilde werd er geschreeuwd.
‘Oh, Ton. Wat doe jij nou?’
Zodat ik me van schrik onmiddellijk naar beneden liet vallen. Ik mocht niet gesnapt worden.
Spelen met de lift mocht ook al niet. Als we door een andere oma gesnapt werden, kreeg m’n Oma ‘t diezelfde week nog gerapporteerd.
‘Gewoon met de trap naar beneden,’ werd er bij de daarop volgende visite dan gezegd.
Je bovenarm werd er bij fijn geknepen. Zodat je wel moest luisteren. Vaak deden ooms dat. De oom die ’t dichtst bij de deur naar buiten zat.
De huid van Oma was een beetje ruw, droog ook. Ze had meer groeven dan Oma Zijp. Waarschijnlijk van al die eau de cologne die ze gebruikte, dachten wij kleinkinderen. Toch zoenden we haar graag. Ze kon enthousiast zoenen. Oma Zijp liet ’t maar over haar heen gaan, terwijl Oma Zegers plots pretoogjes kreeg. Naarmate je dichter bij haar kwam werden die ogen kleiner, werden weggedrukt door haar glimlach. Haar armen reikten al naar ons uit, alsof we nog een baby waren die opgevangen moest worden.
Ik bracht een enkele keer een krant. Of soms een boodschap van m’n moeder. Als niemand tijd had om ’t te doen.
‘Frank komt elke dag over de vloer bij Oma,’ kreeg ik te horen als ik bezwaren had.
Dan volgde ik toch maar ’t voorbeeld van m’n liefste neef.
Uitbundig werd ik binnengelaten. Of ik thee wilde. & Een koekje. Wat er allemaal thuis gebeurde. & Of ’t een beetje goed ging op school.
Ik bungelde ondertussen met m’n benen in de stoel. Reikte af & toe, maar toch veel te vaak & te snel, naar ’t bakje thee op tafel (op ’t kleedje, want anders kwamen er vlekken). Wachtend op ‘t moment dat ik lang genoeg gezeten had.
1 Maal ben ik binnen gelopen toen vlak ervoor nieuw meubilair was gebracht. Nieuwe banken, nieuwe stoelen. ’t Rook naar nieuw & de plekken waar de oude stoelen op ’t tapijt hadden gesteund waren nog te ontwaren.
‘Wat vind je ervan?’ vroeg m’n Oma.
Ik wist geen andere woorden. Ik was niet goed in complimentjes geven. Er werd niet vaak om de mening van kinderen gevraagd. Dus was ik overdonderd.
Ik zei: ‘’t Lijkt wel een paleis.’
M’n Oma barstte in lachen uit, reikte met haar armen naar me, trok me tegen zich aan.
Ik snakte, stond ademloos bekneld in de boezem van m’n Oma. Al haar geuren drongen tot mij door. Eau de cologne vooral.
Ze duwde me van zich af, trok me weer naar zich toe & gaf me een zoen op ’t voorhoofd.

Er moet nog ergens een plekje zijn, waar ’t ruikt zoals ’t bij Oma rook, in Zijperspace.

pakjesavondexcuses

Bij gebrek aan tijd, hieronder wordt geïllustreerd hoe dat komt, ben ik er niet aan toegekomen een stukje te schrijven. Weliswaar heb ik wel een sinterklaasgedicht geschreven, eigenlijk niet voor publicatie bestemd, maar ik was dermate tevreden & ik zag evengoed de noodzakelijkheid de dagelijkse bezoeker te vergasten op een stuk tekst, dat ik besloot deze vlak voor vertrek richting sinterklaasviering alhier te plaatsen.

Beste Michiel,

Ik was reeds lang en breed
In m’n thuisland Spanje aangekomen,
Had de decembermaandvrijgevigheid uitbesteed
Aan m’n collega met die achterlijke kerstbomen,

Toen mij op ’t laatste moment ter ore kwam,
Ik had mijn koffers en Pieter z’n zakken al bijna opgeruimd,
Dat een groepje mensen mijn verjaardag zou vieren te Amsterdam
Op de 10e, omdat ze ’t op de 5e hadden verzuimd.

‘Daar ben ik zo laat niet meer voor te porren,’
Zei Piet tot mij, gedecideerd,
Maar ik pakte een zak met vulling, en zonder morren
Ben ik gezwind naar de lage landen teruggekeerd.

Ik was nl op de hoogte, zo moet gezegd,
Van de rechten van de mens, en gezien de
Verdeling van goederen op aarde, sommigen hebben ’t slecht,
Wordt daar speciaal aandacht aan gegeven op december de 10e.

Ik hoop dat jelui daar ook even stil bij staat,
’t Gaat niet overal zo goed als hier in ’t hollandse land
Daarom is de rest van de wereldbevolking wellicht gebaat
Bij wat extra aandacht voor die rechten van jullie kant.

Wil ik even hierbij aanhalen
Een andere collega, maar dan eentje die ook dicht.
Vergeef mij dit ogenschijnlijk afdwalen,
Maar hij bracht 1 van de rechten van de mens voor ’t voetlicht.

Ik heb ’t als bijlage aan dit schrijven toegevoegd,
Zodat Michiel dat nu kan voorlezen,
’t Stemt de toehoorders wellicht vergenoegd,
Indien hij dit luidop doet en zonder vreze.

Michiel, ga daarom rechtovereind staan,
Toon u fier en spreek welluid,
Gooi al uw inlevingsvermogen ertegenaan,
En verkondig de inhoud van de bijlage voluit.

(Een kort intermezzo voor het voorlezen van de bijlage)

Na dit onvolprezen optreden
Wordt ’t tijd om een wending aan te brengen
En aandacht aan uw persoon te besteden,
Om ook de spanning voor ’t kado niet te veel te verlengen.

Want hoewel Michiel allang al voorbij de leeftijd is van een kind,
Heeft hij net als anderen een present verdiend,
Een aardigheidje te bekomen van de Sint
Want die is niet alleen kinder-, maar ook mensenvriend.

Nu kan ik ‘m natuurlijk muziek gaan geven,
Maar vergeleken met Michiel is Sint’s kennis daarvan summier,
Want met muziek wekt Michiel de Winston ’s avonds laat tot leven;
Gelukkig heeft Sint meer verstand van bier.

Alsook van ’t feit dat Michiel ’t volgaarne consumeert,
Op diverse dagen, maar ’s zondags toch wel ’t meest,
Als hij Brouwerij ’t IJ met gezelschap visiteert,
En, net als hun, blijkt te kunnen drinken als een beest.

Maar enkel en alleen drogeert hij zichzelf met ’t biertje de Zatte,
Meer variatie op de doordeweekse pils komt er niet door de keel,
’t Wordt hoog tijd dat hij zich met iets anders gaat benatten,
Enige afwisseling kan geen kwaad naar Sint’s ordeel.

Vandaar dat ik nu ‘ns niet aankom met ordinaire speculaas,
Of lekkernij voor de steeds kortere winterdagen,
Maar wel met iets dat te maken heeft met de tijd van Sinterklaas.
(Pas op, na consumptie van beiden zult u zich naar huis moeten laten dragen).

Geniet ervan en bedenk onderwijl
Dat ik ’t u gun, alsook u toewens
Dat u toekomt niets dan heil
En zelden hoeft te denken aan uw recht als mens.

Sint.


't Kado betrof 2 grote flessen bier, zoals men wellicht buiten Zijperspace zal begrijpen.

bovenbeenlandschap

’t Is waarschijnlijk iets dat de Heer speciaal bestemd had voor mannen, maar waar vrouwen dan weer net even wat meer verstand van hebben. Zo’n vondst van hem die in de loop der tijd de onderscheiding der seksen moest benadrukken. Hoe geëmancipeerd ook: bij vrouwen zie je ze zelden, maar ze blijven toch altijd meer verstand hebben van pitjes, putjes & puistjes.
Ik zit geheel ongeïnteresseerd op ’t toilet te zitten, blote benen, want broek naar beneden gestroopt, met m’n nagel tastend wat voor landschap zich nu weer daar op die bovenbenen heeft gevormd. Eigenlijk ben ik me er niet ‘ns bewust van. Ik pulk, krab, wrijf oneffenheden egaal.
’t Is dat pokdalig gedeelte van m’n lichaam waar ik ’t beste zicht op heb, maar welke ik geen blik waardig keur. Ik ben in die hoedanigheid meestal te druk bezig met belangrijker zaken.
Toch zou ik ’t me eens moeten afvragen, niet alleen omdat ik er met m’n neus bovenop zit bij tijd & wijle. Ook omdat ik niet aflatend ’t oppervlak probeer te egaliseren. Gedachteloos zou ‘ns bewust moeten worden.
Waarom vrouwen er bijv ook geen aandacht voor hebben. Zo velen die me in m’n gezicht hebben bijgestaan, met raad & daad, pulkend & wriemelend, nagels tegenover elkaar & spannen maar, tot voorbij mijn akelige gil toch er maar mee te stoppen (nee, dat kan niet; ik heb ‘m bijna te pakken, stil nou even). Maar geen blik die op m’n bovenbenen terecht kwam.
Nou zijn m’n benen ook niet indrukwekkend te noemen. Ik kan me een Jeanette herinneren, op de middelbare school, die m’n beste vijandin werd door tijdens de gymnastieklessen de opmerking te plaatsen dat ik vlooienbenen zou hebben. Ze keek er zo gemeen mogelijk bij. ’t Was opzet mij te kwetsen. Daar ben ik sterker van geworden, maar m’n benen bleven ‘tzelfde. Vrouwen kijken niet naar mijn benen; dat heb ik aanvaard. Een broek dient om deze storende elementen te verhullen.
Daardoor wordt niemand op de pukkels geattendeerd. Hooguit in bed. Mijn ervaring is dan echter dat je op dat soort momenten vooral met de bovenste helft van ’t lichaam bezig bent. Dat wat zich eronder afspeelt wordt gecodeerd in de bovenste regionen beleefd.
’t Zijn witte pitten. Ik heb er daarnet nog ‘ns goed naar gekeken. Als een vrouw er maar ‘ns een keertje aandacht voor had gehad, dan had ik geweten hoe ik ze moest benoemen. Witte pitten met een rood randje. Maar dat laatste kan liggen aan mijn dagelijkse bezigheden, op momenten dat m’n broek afgestroopt tot onder m’n knieën hangt. Ze pulken heerlijk & wat weg gekrabd is, lijkt de volgende dag door een verse te zijn vervangen: nieuw reliëf op een miniem begroeid mensenvel.
’t Zou aan de broeken kunnen liggen. Of aan ’t weer.
Vooral dat laatste. Bij warm weer heb ik er geen omkijken naar. Nu de koude z’n intrede doet is ’t een kraterlandschap op microformaat.
Ik zit er wel ‘ns aan te denken, hoor. Heus. Dat een relatie, een vrouw die met mij samenwoont, of desnoods op de wijze van een Lat, maar toch een vrouw die me wat vaker ziet, me in dergelijke mate vertrouwd wordt dat ik bereid ben m’n broek naar beneden te trekken, zomaar in de huiskamer, op klaarlichte dag. & Dan niet om spontaan de daad te bedrijven. Nee, gewoon om eens te beschouwen wat voor pulkjes zich hebben gevormd.
Een vrouw heeft daar serieuze belangstelling voor, zo heb ik ‘t idee, een man lacht je uit.
‘Whaahhaaaaha,’ wordt er dan recht in je bek gelachen, ‘dat hebben toch alle mannen.’
Maar dat wist ik niet. Hoe kan ik dat weten? Ik zit niet op voetbal. Nooit gezeten ook. & Bij gym vond ik ’t eng om met de andere jongens onder de douche te moeten staan. Bang dat ik een andere plasser had dan zij. & Toen ik voorbij de aanvang van baardgroei in & aan de buitenkant van de keel was, gebruikte ik thuis ook de douche slechts dan als ik de deur op slot kon houden.
Goed, dat weet ik dus niet. Volgens mij heeft ook nog niemand er onderzoek naar gedaan. Of anders is ’t niet in openbaarheid gebracht. Omdat uiteindelijk alle mannen & vrouwen ‘tzelfde zijn. Maar mannen niet ‘tzelfde als vrouwen. Vrouwen hebben er alleen maar verstand van. Zij hoeven slechts naar hun bovenbenen te kijken om te zien of de bikinilijn nog wel klopt. Dat denk ik tenminste.
’t Zou ook kunnen dat ze er zo verschrikkelijk veel verstand van hebben dat ze die witte rood omrande puistjes vakkundig weten weg te werken zogauw ze weten dat ze zich blootbeens aan mij zullen gaan tonen.

Eigenlijk hebben we er gewoon geen verstand van in Zijperspace.

stoelgang

‘Kijk, ik vlieg nooit,’ zeg ik tegen JP, ‘dus ik weet ook niet hoe ’t is. Maar als je gaat vliegen, hoe is dat dan, als je naar de wc gaat?’
‘Nou, ’t is een heel klein hokje, meestal,’ vertelt JP. ‘Met vaak van die schuin staande wanden, zodat je nog maar net kan staan, & met moeite je op de juiste plek kan zetten.’
‘& Iedereen heeft ’t er altijd over dat ze op ’t toilet in ’t vliegtuig seks willen hebben,’ onderbreek ik ‘m. ‘Logisch dat ze dat nu strafbaar gaan stellen.’
‘& Als je doortrekt,’ ging JP verder, ‘dan wordt alles weggezogen. Zo’n slurpend geluid, & whap! alles weg. Daar moet je niet boven zitten, als je doortrekt.’
‘Ik zit er nooit boven als ik doortrek.’
‘Ik denk dat ’t komt doordat mensen zo weinig ruimte hebben als ze in dat hokje zitten. Vroeger hadden ze van die brillen die direct op de pot terecht kwamen, maar op een gegeven moment hebben ze toch van die dopjes eronder gezet.’
Met z’n handen drukt-ie uit wat-ie bedoelt. Ik stel me de gewone dopjes van de toiletbril voor. Zoiets zal ’t wel zijn. Maar ondertussen vraag ik me af wat er nou zo belangrijk is aan deze mededeling dat JP ’t zo nauwkeurig probeert uit te leggen.
‘Je hebt nl nogal eens dikke mensen die met ’t vliegtuig gaan,’ vervolgt-ie. ‘Zulke mensen hun billen omvatten de volledige bril. Als dan doorgetrokken werd, in de tijd dat die dopjes niet onder de bril zaten, dan werd die hele pot vacuüm getrokken. Dan sloten al die vetkwabben de hele pot af & konden ze niet meer van de wc afkomen.’
We lachen. Leunen daarbij licht achterover, weg van de bar. Onze handen maken bewegingen om te illustreren hoe de billen vast blijven zitten. JP tuit z’n mond & maakt een slurpend geluid.
‘Daarom nemen stewardessen dus altijd een schoenlepel mee aan boord,’ lach ik.
We bestellen nog wat te drinken.
‘Op mijn werk hadden we vroeger de wc’s boven staan,’ begin ik nu te vertellen. ‘We hadden daar op de heren een gewone plee & zo’n pispot.’
‘Ja,’ laat JP merken dat-ie weet wat ik bedoel.
‘Rob had een keertje pauze,’ vertel ik. ’Was een boterham aan ’t eten. ’t Café was toen niet open. Op een gegeven moment wordt er aangebeld. Rob doet open & er staat een spanjaard voor de deur. Met z’n vader. Een kromme man, echt oud, grijs, al bezig te krimpen. Z’n zoon vraagt aan Rob of de man misschien van ’t toilet gebruik mag maken. Hij moet zo nodig.’
‘Dat zei hij in ’t spaans?’ vraagt JP.
‘Nee, want dat spreekt Rob volgens mij niet. Toen-ie bij ons werkte in ieder geval niet. ’t Zal wel in ’t engels zijn geweest.’
Ik pauzeer even. Neem een slokje van m’n bier.
‘In de tijd dat ik nog doordeweeks daar werkte, lieten we meestal niemand toe. Er werd om de haverklap buiten openingstijd aan de deur gebeld. Werd je niet goed van. Dus ’t moest er heel meelijwekkend uit hebben gezien, dat Rob die man dus toestemming geeft om naar de wc te gaan. Maar ach, hij was toch aan ’t pauzeren.’
Nog een slokje van m’n bier. JP zit al te grinniken.
‘Die man dus naar de wc, & Rob gaat door met z’n middageten. Drinkt z’n bakje thee erbij. Misschien wat karnemelk. Maar op een gegeven moment is z’n lunch toch wel voorbij. Maar die man is nog steeds niet van de wc afgekomen. Hij wacht dus. Echt een hele tijd moet-ie wachten. & Eindelijk, Rob dacht al dat-ie de wc moest gaan inspecteren om te kijken of ’t hart van de man ’t misschien begeven had, komt die man dus weer tevoorschijn. Rob opgelucht, hij laat ‘m uit, & gaat weer aan ’t werk.’
JP zit nog steeds verwachtingsvol te grinniken. Ik hou een korte adempauze.
‘Op een gegeven moment moet Rob ook naar de wc. Komt-ie daar aan, zit die hele pispot vol met stront! Tot aan ’t randje!’
JP barst uit in lachen.
‘Heeft die man dus, dat kleine oude mannetje, verschrikkelijk veel moeite lopen doen om z’n gat boven de pispot te krijgen. & Daarna nog vol gescheten ook.’
Ik probeer de bewegingen van de man uit te beelden. Manoeuvrerend met z’n gat boven een pispot waar-ie eigenlijk niet bij kan.
‘& Blijkbaar vegen ze daar in Spanje ook niet hun gat af. Dat lag allemaal op de gewone wc.’

Spanje bestaat sindsdien niet meer in Zijperspace, & spanjaarden zijn er niet welkom.

vijand

’t Zijn de dingen. Alle dingen. Ik moet me wapenen. Want elk moment kan vanuit een onverwachte hoek een ding spontaan iets doen wat ik niet verwacht. Iets wat tegen de verwachting in gaat. ’t Is er niet voor geschapen, maar ’t doet ’t toch.
Ik bestudeer ze, concentreer me op hun bewegingen. Hoewel ze niet kunnen bewegen. Ik ben de enige hier die ze dat kan laten doen. Dacht ik. Ik dacht dat ik de alleenheerschappij op beroering had. Ik geef een stootje & dat heeft een gevolg.
Ik hou daarbij rekening met de krachten der natuur. Zwaartekracht vooral. Daar valt niets tegen te doen.
Ik zeg altijd maar: ‘Zwaartekracht; je doet er niets tegen.’
Ik stel mezelf er ook afhankelijk tegenover. Zwaartekracht kan de dingen dwingen. Over ’t algemeen richting beneden. Daar waar zich ’t andere eind van m’n lichaam bevindt. Daar waar de grootste tegenwerking tegen de zwaartekracht plaatsvindt. De revolte, de oppositie. Alles erboven vaart er wel bij.
Soms valt iets schuin. Dat heeft met andere krachten te maken. Ik ben die andere krachten aan ’t verzamelen. Een inventarisatie is noodzakelijk.
Eigenlijk pleeg ik verzet. Met alle energie die ik in me heb. Ik probeer ’t van me af te houden, niet afhankelijk te worden. Ik weet dat ik langer leef als ik kleine overwinningen boek. Zwaartekracht drukt uiteindelijk alles dood. We worden gedwongen alles gespannen te houden. Op een gegeven moment wordt de spanning gebroken. Als de krachten ’t maar lang genoeg volhouden, dan wordt iedereen gesloopt.
Daar wil ik op verdacht zijn. De slijtage voor. Ik wil de ontkenning zijn. Door ’t sluipgaatje kruipen waar de concentratie van macht verslapt.
Op zich maakt ’t niet zoveel uit of ik mezelf rechtop zet of plat leg. De invloed van de dingen is even groot. Ze gaan door met zijn zoals ze zijn. De krachten blijven ook. De spreiding van de invloed op mijn lichaam lijkt misschien minder last te bezorgen, afhankelijk van de vorm waarin ik mijn lichaam giet, maar ’t resultaat blijft, vreemd genoeg, ‘tzelfde. Misschien doordat training harder maakt.
Ik probeer ’t gat daar ergens tussenin te vinden. In ’t onverwachte voorspelbare. Waar alle theorieën bij elkaar lijken te komen, probeer ik ’t hoekje te vinden waar de verdediging ’t zwakst is. Mezelf laten ontsnappen.
Misschien mezelf ontkennen, maar daar zijn de meningen nog over verdeeld.
Je moet zoiets in ’t hart treffen. Daar wordt tegenstand ’t minst verwacht. & Dwars door ’t centrum terecht komen aan de andere kant. Waar ik m’n eigen wetten kan bepalen.
Maar de dingen, zij werken tegen. Ze houden mij in de gaten, lijken ze te willen zeggen.
Vanochtend, ’t douchegordijn, ’t bewoog. Ik zat m’n boodschap te doen, comfortabel zittend. Daar nodigt de pot toe uit. Voor me de douche, met ’t begeleidend douchegordijn.
Een schuiver hoorde ik. Als een zucht. Een zucht van plastic (mijn douchegordijn is van plastic), schurend langs de muur. ’t Kwam nader.
Ik heb al gezegd dat ik de enige ben die de dingen doet beroeren hier. Dit was een uitzondering.
Ook vanochtend, nu in bed. Moe van niet slapen, legde ik me weer neer. Hoofd in ’t kussen, boek erbij voor als ik toch niet moe bleek.
’t Kussen dat ik niet gebruikte, naast m’n hoofd gelegen. Ik zag ‘m niet, maar wist dat-ie daar was. Daar was-ie immers altijd. ’t Schoof. Ik kon niet zien waar naartoe. Maar ’t klonk als diezelfde zucht. De zucht van dingen ’t zelf te willen doen. Een kreun ook. Een kussen lijkt meer emotie te kunnen tonen. ’t Heeft al veel van me afgekeken.
Laatste maal, ditmaal in ’t begin van de middag. Ik was de eerdere voorvallen alweer vergeten. Weggedrukt. Moest me concentreren weer. Op de dingen die komen gaan, zoals altijd. Aandacht mag niet verslappen is een belangrijk devies.
Ik liep uit de keuken. Met in m’n hand een middagmaaltje in blik. Kon koud gegeten worden. Van de turk afkomstig. De keukendeur had ik opengezet om m’n lichaam voor te bereiden erdoorheen te gaan. Over de drempel wilde ’t blik niet meer. Smeet zichzelf pardoes op de grond.
’t Ergste was dat ik ’t niet voelde. Ook geen zucht, noch kreun. ’t Smeet zichzelf. Tomatensaus op de wand van de gang. Rijst in ’t tapijt. Een bloederig tafereel van etenswaren die rood kleurden.
Ik heb ’t schouwspel ontkent. Snel een theedoek, die je hier eigenlijk niet voor hoort te gebruiken, & een dweil. Weggedrukt zover ’t zich nog liet wegdrukken. Verf over dat wat nog getuigt komt later wel.
Ze moeten weer gaan beseffen dat ik degene ben die de dingen hier doet bewegen. Dat de rest zwaartekracht is. Dat ’t moeilijk verzetten is tegen zulke krachten. Ik zal zegevieren, hoewel ik nog gegevens moet verzamelen over waarover.

Zogauw meer bekend, hoort u van me, vanuit Zijperspace.

de staf van sinterklaas (finale)

Druppels heeft Luna met de staf opgescheept,
Hoewel, hij noemde 't ondertussen de roede,
Maar ik kreeg opdracht van Sint & heb 'm bij haar weggesleept,
Want ook terug in Spanje is Sint voor vallen op zijn hoede.

Net geen 3 weken heeft de staf in Weblogland rond lopen dwalen,
Op zoek naar personen die raad met 'm wisten,
Mensen die met gemak in rijm konden verhalen
Wat anderen in gewone spraak zelfs node misten.

Na een slinger van ondergetekende te hebben gekregen,
Kreeg de staf de kans Cranium te visiteren,
Hierop volgend zat Suffie om tijd & inspiratie verlegen,
Dus bleef-ie daar wat langer logeren.

Zoals gezegd, Druppels werd 'm in de handen gedrukt,
De staf ging de grens over naar de zuiderburen,
Maar ook daar weet men raad met dit product,
Want 't rijm werd opgesmukt met enkele stijlfiguren.

Maar helaas, we moeten 't laten bij dit sonnet,
De roede alsook de staf worden door Sint meegenomen
Volgend jaar zullen zij in Weblogland wederom vragen om belet
Om meegesleurd te kunnen worden door rijmende woordenstromen.

Luna, 't spijt me, je komt niet aan bod,
Sint is inmiddels alweer onderweg naar 't spaanse,
Hij verliet 't land van blogspot, movable type & pivot,
Want vindt 3 weken lang genoeg om te verkeren in 't ondermaanse.

Ook wij trekken ons weer terug in 't niet te rijmen Zijperspace.

vuilnis

’t Vreemde is dat ik er al een hele tijd op bedacht was. Vanaf ’t moment dat ik er 1tje had zien zitten op ’t binnenplaatsje. Laten we ’t zo maar noemen: ’t binnenplaatsje. Tussen de tuindeuren & de keukendeur naar buiten, waar de tuin nog net niet begonnen is. Waar enkele planten in rieten manden staan.
& Daar dan weer net naast. Precies in ’t midden. Tussen de tuindeuren van m’n huiskamer & de keukendeur naar buiten. Daar zat een klein muisje. Zodat ik niet meer naar buiten durfde. Hoewel-ie onmiddellijk verdwenen was zogauw ik de deur aanraakte. Lafhartig stond ik achter ’t raam te kijken hoe de muis er op zou reageren. Hij bleef nog even stram van schrik staan & schoot toen weg in de woestenij van gare overhangende planten.
Ik heb er 2 weken geen voet gezet. Op ’t binnenplaatsje wel, maar niet in de tuin.
Toch zette ik de vuilnisbak niet dichterbij de keukendeur. Ik dacht: als er dan toch muizen op afkomen, dan zijn ze in ieder geval minder snel in de keuken.
Een afleidingsmanoeuvre.
Ik dacht aan de vuilnisbak van Roald. Die kon je openzetten door ‘m te kantelen. Roald sloeg er dan met een pan in. Hij hoefde ze niet te raken. De beesten schrokken zo dat hun tere hartjes ’t al snel begaven. 5 Muizen in 1 keer vanochtend, vertelde hij me wel ‘ns. Ik vond de keuken van Roald geen prettige plek meer om te zitten. Ik zorgde dat m’n afval in de asbak terecht kwam. Of in de prullenmand in de kamer.
In die zin had ik er al rekening mee gehouden. Ik was er op bedacht. Ik wist dat muizen tegen vuilnisbakken konden opklimmen. Hoewel ’t me nog steeds onwaarschijnlijk leek dat ze dat ook konden met zo’n ouderwetse ijzeren vuilnisbak, zoals die van mij. Die staat schuin, schuine wanden. Die heeft niets om aan vast te houden. & De klep sluit hermetisch, zolang-ie niet overvol zit.
Dus enigszins onverschrokken stopte ik er allerlei lekkernij in. Kapjes van brood. Voor mij een verschrikking, voor ongedierte een feestmaal. Spaghetti van de vorige dag. Dat wat ik net niet opkon van een maaltijd. Of verschimmelde kaas.
Brood nooit uitstrooien, herinnerde ik me nog gelezen te hebben, de dag ervoor, want dat trekt alleen maar ratten. & Duiven, dacht ik erbij. Net zo erg.
Waarschijnlijk schrok de muis meer dan ik. Hoewel ik achteraf dacht ooit aan een muis te zullen overlijden. Zoals m’n hart tekeer ging. 10 Minuten later nog.
Ik liet de deksel naar achteren vallen. Volledig open. & Deed geschrokken enkele stappen achteruit. Maar ik bleef kijken. Ik probeerde me ondertussen te herinneren of ik had geschreeuwd. De bouwvakkers even verderop bleven ‘tzelfde lawaai maken.
De muis schoot 1st een stukje door de vuilnisbak heen. Z’n belager bespiedend. Ik zag ‘m kijken met z’n rechteroog. Vervolgens sprong-ie er pardoes uit & liet zich vallen in een teiltje.
Ik vroeg me af waar ik dat teiltje toch voor gebruikt had, dat-ie daar terecht was gekomen. Waarom blijft iets liggen waar ’t ligt, ben je je er niet van bewust, tot een rare gebeurtenis je op zijn aanwezigheid attendeert?
De muis, ik vond ‘m best groot, probeerde op dat moment waarschijnlijk de situatie te overzien. ’t Bleef zitten. Geen beweging. Net als ik. Op 1 of andere manier voelde ik me toch iets groter dan de muis. Die muis moest maar laten zien dat-ie besefte dat-ie zich op een verkeerde plek had begeven. Ik bleef gewoon staan. Me afvragend wie ‘t 1st een volgende stap zou zetten.
’t Sprong plots over de rand van de teil, waarschijnlijk voelde ’t toch als een gevangenis, een hinderlaag, & liet zich vallen in ’t regenwater van ’t verfbakje. De roller lag er alweer 2 maanden in. Ik moest maar weer nieuw spul kopen om m’n trap te verven.
Ik vroeg me af of muizen konden zwemmen. In alle consternatie die me nog steeds paralyseerde. Hoewel ’t laagje water in ’t verfbakje niet diep was, dacht ik dat. & Ik overwoog hoelang een muis er over deed om weer droog te worden. Of worden ze niet nat, hebben ze een vacht dat geen vocht vasthoudt.
’t Floepte er ’t volgende moment alweer uit. ’t Was nog een geluk dat ik de korte tel dat ’t zich daar bevond mee had mogen maken. Als in een flits had de muis zich beseft op een verkeerde plek te zijn terecht gekomen & zich richting elders begeven. ’t Schoot de wildernis in. Uit ’t zicht.
Best een grote muis, dacht ik, met in m’n handen nog steeds de vuilnis die ik had willen weggooien. Die heb ik maar weer mee naar binnen genomen.
Vervolgens ben ik in de kamer m’n ontbijt gaan eten. Regelmatig stond ik op. Staarde door de tuin, om een excuus te hebben m’n blik te laten afglijden richting vuilnisbak. Daar op gevestigd werd m’n blik leeg. Ik wist niet meer wat ik moest denken. Tot ik me op gegeven moment realiseerde dat ’t bij ’t raam kouder was dan in de stoel naast de kachel.
Vlak voordat ik de deur uitging heb ik besloten dat ik handschoenen moest dragen. M’n schoenen extra strak aangestrikt. M’n jas aan & m’n pet op. Rits van m’n sweater omhoog. Dat leek me afdoende. Hoewel ik wist dat ’t wellicht door anderen overdreven zou worden bevonden.
Ik gaf een trap tegen de vuilnisbak (iets wat ik vandaag weer heb gedaan, ook al was-ie op een nieuwe vuilniszak na geheel leeg), drukte m’n lichaam zo ver mogelijk naar achter & met m’n rechterhand bewoog ik in 1 beweging de klep open. Nog een trap. Maar geen beweging.
Langzaam trok ik de vuilniszak omhoog, verdacht op iets onverwachts. Snel strikte ik ‘m toe. Ditmaal onhandig met 2 keer omdraaien van de sluiting, in tegenstelling tot de gewoonlijke 3 of 4 keer. ’t Ging een beetje moeizaam met handschoenen aan. Ik liep naar de voordeur, stak de straat over & gooide de zak in de container.

’t Voelt weer veilig in Zijperspace, voorlopig.

afstand

‘Dit is nou mijn installatie,’ zei ik.
’t Was niet klein, ’t was niet groot. ’t Was alleen oud. Niets van 1 & ‘tzelfde merk. Pick-up die niet werkte, discman als cd-speler.
Ik was opgelucht dat Theo meteen bij binnenkomst had gezegd dat ik een leuk huis had.

‘Kijk,’ had Theo eerder laten zien, ‘dit is alles wat ik nu heb.’
Hij wees een klein kastje aan. Zilverkleurig. Ik moest m’n bril afzetten om te zien wat ‘t ‘trafootje’ inhield.
‘Zit alles in,’ zei Theo.
Hij drukte op wat knoppen.
‘Radio, cd, cd-rom; alles wat ik nodig heb. Alleen de pick-up staat hier nog naast. Dan kan ik m’n oude platen tenminste nog draaien.’

Theo kwam naar buiten lopen op ’t moment dat ik m’n fiets aan ’t voorbereiden was op enkele kilo’s gewicht.
‘Hé, wat ik zat te denken, ik kan natuurlijk net zo goed even met de auto de spullen naar jouw huis brengen. Je woont hier toch om de hoek. Dan hoef je niet een paar maal heen & weer te fietsen.’
‘Hm, nou, ja,’ zei ik, lichtelijk overdonderd. ‘Dat soort voorstellen kan ik alleen maar goedkeuren.’
Ik liep achter ‘m aan weer naar binnen.
‘Dan eet ik 1st even m’n tosti op, als je ’t niet erg vindt.’
‘Jij ook een bakje thee?’ vroeg Linda, toen ik op de bank gezeten was.

‘Ik heb ‘m wel ‘ns meegenomen naar feesten,’ vertelde Theo. ‘Dan bliezen we ’t dak van de tent er af. Veel te veel vermogen. Maar dat was toen in. Fantastische feesten waren dat. Iedereen wilde zoveel mogelijk geluid uit z’n installatie krijgen. & Alles moest apart. Elk onderdeel moest apart vervangen kunnen worden. Ik ben blij dat ik nu een apparaatje heb dat alles in 1 heeft. Had ik 10 jaar geleden niet aan moeten denken. Maar ja, wanneer kom ik nu nog op feesten waarbij je zo’n helse installatie nodig hebt?’

‘Kijk, ’t zijn 4 boxen,’ ging Theo verder. ‘2 Kan je ophangen, die andere 2 moet je ergens neerzetten. Ik heb je alleen niet de snoeren gegeven, want die had ik nodig voor de nieuwe boxen. Anders moest ik weer onder de grond. Die liggen onder ’t parket. Ik heb ze helemaal door de kruipruimte getrokken.’
‘Ja, dan kan je opnieuw beginnen met snoeren aanleggen,’ zei ik. ‘Kan je weer onder de grond.’
‘Oh, ik heb ’t wel vaker gedaan.’
‘Krijg je ’t daar niet benauwd van?’
‘Nee, hoor. ’t Probleem is meer dat de geur van de coating dan ’t hele huis doortrekt. Die kruipruimte is toentertijd helemaal bewerkt. & De lucht komt vrij zogauw je ’t luik opengooit.’

‘Je tuin is niet zo diep,’ zei ik.
‘Wat bedoel je?’ vroeg Theo.
‘Nou, dat je zo bij je buren binnenkijkt.’
‘Oh, maar ik heb er wel m’n eigen werkruimte staan. M’n eigen schuurtje, waar ik kan klooien. Moet je kijken.’
Hij nam me mee naar achteren. We keken uit ’t raam.
‘Heb ik alle ruimte om te doen wat ik wil.’
Een klein hokje stond achterin de tuin.
‘& Dan heb ik hier beneden, vanuit de tuin, ook nog toegang tot een kelder. Kan ik net in staan.’
Hij wijst op z’n lichaam aan waar ’t plafond van de kelder komt.
‘Ik heb ook een kelder,’ zei ik, ‘die staat helemaal vol met bier.’
‘Ja, dat heb ik er ook in staan.’

De telefoon ging. Vlak voordat ik weer vertrekken zou.
‘Hoi, Ton. Met Theo. Ik bedacht op de terugweg opeens dat ik een onderdeel vergeten was. Er klopte iets niet.’
‘Oh, wat dan?’
‘De versterker. Ik zei toch al dat er ook nog een heel zwaar onderdeel tussen moest zitten. Die heb ik dus laten staan. Zal ik ‘m even langs komen brengen nog?’
‘Nee, joh. Ik stond op ’t punt om weg te gaan. Ik kom ‘m wel bij jou halen.’

’s Avonds zette ik alles neer. Al ’t oude materiaal weg, aan de kant op de grond. De nieuwe installatie met de achterkant naar me toe, zodat ik de snoeren kon bevestigen.
De boxen liet ik staan. Ik had nog geen snoeren daarvoor.
Ik tilde de stapel op. 4 Delen boven op elkaar. Plaatste ’t op ’t hoekje van de boekenkast. Alle delen op 1 lijn, zodat niets uitstak. Stekkers in ’t stopcontact.
Ik drukte de knopjes in. Alles ging branden zoals ’t hoorde. Ik bestudeerde wat er in beeld verscheen. Bekeek de afstandsbediening van de cd-speler.
Ik pakte de koptelefoon van m’n discman. Stopte ‘m in de cd-speler. Pakte een willekeurige cd uit de kast. Met de afstandsbediening ging ik vooruit & achteruit, sloeg nrs over, spoelde de cd nog een stukje terug, zette ’t geluid op z’n hardst, daarna weer zacht. Ik bleef naast de installatie staan, de knopjes op de cd-speler die ik niet wilde gebruiken binnen handbereik; ’t snoer van de koptelefoon was te kort om afstand te nemen.

Maar in principe kunnen we voortaan blijven zitten in Zijperspace.

burenbriefjes

1st Wilde ik een papiertje er op plakken.

Moet dit hier blijven liggen?

Maar ik was bang dat ’t z’n effect zou missen. Stel je voor dat iemand zou zien dat ik ’t er op had geplakt. Misschien kwam ik de verantwoordelijke buurman wel tegen op ’t moment dat ik met plakband bezig was de mededeling op te hangen.
Dat mocht echter geen bezwaar zijn, besloot ik. Vooral niet toen er afgelopen maandag ook nog glasscherven bijkwamen. Van een nieuw ingezette ruit.
Ik probeerde ze te vermijden, manoeuvreerde m’n wielen tussen de splinters door. Om er bij de bakker achter te komen dat m’n band lek was. Alle boodschappen gedaan met m’n fiets aan de hand. Bij passeren schoot me weer te binnen dat ’t aan die scherven moest hebben gelegen.

Een nieuw briefje kwam me in gedachten.

Waarom moet dit hier de hele week blijven liggen? Er kunnen bijna geen kinderwagens langs dankzij de pallet. Hij had toch ook rechtop gezet kunnen worden? Nu liggen er ook nog glasscherven. Op een stoep waar dagelijks kinderen spelend voorbij komen. Kan ’t niet opgeruimd worden? 1 Van de buren.

Vooral met dat laatste had ik moeite. Mezelf een beetje anoniem voorstellen. Een zorgzame buur. Een bemoeial, die toch onbekend wil blijven. Je krijgt er argwanende buren voor terug. Iedereen is ’t met je eens, behalve ’t gezin dat zich beschuldigd voelt. Een anoniem pact tegen een boosdoener. Niemand communiceert, maar iedereen denkt er ’t zijne van.

Ik fietste er nog een paar maal langs. Besloot meteen voor m’n deur de straat op te gaan, tussen de strak tegen elkaar geparkeerde auto’s door, ipv ’t makkelijker & aangenamer stukje tussen de fietsenrekken door. Maar ik moest om m’n band denken, die ik weer ‘ns had moeten plakken.
In ’t voorbijgaan keek ik naar ’t raam waar de pallet voor lag. ’t Leek bewoond. ’t Leek een normaal gezin, ook al kon ik niet naar binnen kijken. Misschien kwam ’t wel van boven. Stond er vorige week niet een afvalcontainer voor de deur?
& Op de terugweg, weer in ’t voorbijgaan, dacht ik opnieuw ’t mijne. Of ik de enige was die zich er aan irriteerde. Had iemand anders al kenbaar gemaakt dat ’t toch maar raar was dat ’t niet onmiddellijk opgeruimd was. & Waarom kom ik zo weinig buren tegen. Werd er überhaupt gecommuniceerd aan deze kant van de straat? ’t Glas lag er nog, de pallet ook. Misschien 1 scherfje minder; meegenomen door een band die inmiddels lek stond.

Ik begon me de buren voor de geest te halen. De blonde vrouw die vond dat ik niet op de stoep mocht fietsen. De man die z’n vrouw mishandeld had, maar waarvan ik alleen op de hoogte was door ’t gegil & de achterburen die glimpen van de schermutseling hadden gezien. ’t Gezin met de brede vent, ’t smalle meisje, dat met een dikke buik liep op veel te jonge leeftijd, & de pitbull. De buurman van mijn leeftijd die ik via wederzijdse kennissen kende, waardoor ik wist dat-ie wel ‘ns te veel dronk, slecht voor zichzelf zorgde. ’t Knappe meisje dat elke keer gelijktijdig met mij op huis aan kwam rijden, maar slechts sluiks naar me keek.

& ’s Nachts verzon ik weer een nieuw briefje.

Beste buren,
Ik ben zo vrij geweest om de pallet rechtop tegen ’t raam te zetten. Ik hoop dat jullie daar niet al te veel last van hebben. ’t Barricadeerde al enkele dagen de doorgang voor de voetgangers voor uw huis langs. Vooral met kinderwagens ongemakkelijk. Ik weet voor de rest niet wat er met de pallet moet gebeuren, maar mocht-ie in de weg staan, dan ben ik bereid daar een helpende hand bij aan te bieden. Dan slepen we ‘m naar ’t grofvuil.
Die pallet moest ook wel even aan de kant, buiten ’t feit dat-ie te veel ruimte van de stoep innam, lag-ie sinds afgelopen maandag bovenop een grote hoeveelheid glasscherven. Die heb ik nu bij elkaar kunnen vegen. Want, hoewel ik ’t eigenlijk niet hoor te doen, maar ’t is zo’n gewoonte geworden dat ik ’t mezelf maar moeilijk kan afleren (niets menselijks is ook uw buurman van enkele deuren verder vreemd), elke keer als ik hier voorbij reed om tussen de fietsenrekken de straat op te rijden, kwamen er splinters in m’n band terecht. Dan kon ik weer m’n band gaan plakken. Ik vond ’t ook een te groot risico voor de kinderen die hier elke dag voorbijkomen.
Ik hoop dat jullie ’t zullen weten te waarderen


Je moet zelf initiatief nemen, had ik bedacht. Niet willoos blijven toekijken tot er iets gebeurt. Er gebeurt nooit iets als je ’t van andere mensen laat afhangen. Des te anoniemer men in een grote stad woont, des te minder men geneigd is in te grijpen. & Uiteindelijk zou ’t slechts een kleine moeite zijn. Een pallet optillen & met stoffer & blik de scherven bij elkaar vegen.

Maar ik durfde ’t niet, toen ik vanochtend opstond. Ik bleef zolang mogelijk binnen zitten, in de verwachting dat als ik straks de deur uitging ’t wel opgeruimd zou zijn.

& Ik bleef maar denken aan pitbulls & brede mannen die vrouwen slaan in Zijperspace.

associeer!

Mag ik de trouwe lezer er bij deze op attenderen dat de 3e aflevering van de cursus lijfloggen is verschenen? 'Associeer!' heet deze episode, & 't bevat weer allerlei handige tips voor mensen die over hun eigen lijf willen schrijven.
Natuurlijk verschenen in 't e-zine about:blank, waar ook ditmaal veel schoons te vinden is. Laat u zich vooral even leiden door een zekere kliklust als u er toch bent & lees meer dan alleen maar 'tgeen van mijn hand afkomstig is. Mijn collega's hebben er tenslotte ook hun best voor gedaan.

Er is meer moois dan de zon die schijnt over Zijperspace.

verboden

Hij haalde ergens een sleutel vandaan. Uit een diepe broekzak. Zo diep dat-ie niet wist waar. Hij twijfelde of ’t wel de goede was & ging weer wroeten. Uiteindelijk was-ie tevreden, hoewel je dat niet van z’n gezicht af kon lezen, & opende ’t hek.
Boswachter Groen keek altijd streng. Dat moest ook wel, want ’t was zijn taak kleine kinderen te vermanen & weg te jagen. De ernst die dat werk met zich meebracht stond in z’n gelaat gegroefd.
We probeerden altijd ’t bos in te komen zonder dat-ie ons zou zien. Z’n woning stond bij de ingang van de Donkere Duinen. We stelden ons altijd voor dat de boswachter voor ’t raam stond te kijken wie er binnenkwamen. Je moest er langs, voorbij zijn blik. Maar als je via ’t donkere paadje kwam aanlopen, langs de donkere kant ’t pad ’t bos in nam, snel, een beetje wegduikend, dan had je kans dat je aan zijn aandacht voorbijging.
’t Was evengoed een open bos, voor iedereen toegankelijk. Wij maakten ’t onszelf spannender door te proberen onopgemerkt ’t bos te betreden. We fantaseerden dat we dan plekken konden vinden die anders verborgen zouden blijven. Evengoed durfden we niet onder ’t hek door te kruipen, of door ’t gat in de afrastering, richting de Verboden Donkere Duinen. Dat was héél erg verboden.
Boswachter Groen had dat ons op ‘t hart gedrukt, toen hij ons meevoerde deze duinen in, voorbij ’t hek waarvan alleen hij de sleutel had, diep weggeborgen ergens in z’n boswachtersbroekzak. De hele klas mocht voor 1 keer mee, op voorwaarde dat we verschrikkelijk stil zouden zijn. Meermaals kreeg een groepje een strenge blik toegeworpen als men zich daar niet aan hield (1 kind werd teruggestuurd, omdat-ie zich niet aan de afspraak hield; die moest maar bij ’t hek stil blijven wachten tot wij terug zouden komen). We durfden geen ander geluid te maken dan ’t schuifelen van onze voeten & ’t te luisteren leggen van onze oren.
Boswachter Groen had ’t over uilen & uilenballen. Hij pulkte drolletjes van dieren open & vond op vergeten plekken nog andere tekenen van de aanwezigheid van dieren. Dieren die wij in ’t openbare gedeelte vast niet zouden zien. Hij toonde ons plekjes, die zo aan je aandacht voorbij zouden gaan, als je niet kon kijken zoals hij. & Hij vertelde verhalen, strenge verhalen, dat bleef zo bij hem, met zijn norse stem, over hoe ’t bos was ontstaan & waarom dit gedeelte verboden was.
Er zouden vogels broeden die mensen liever niet in hun omgeving hadden. Als er te veel mensen in hun buurt zouden komen, dan zouden ze hun pasgeborenen in de steek laten. Waarop boswachter Groen een dood vogeltje onderaan een boom vond. Een klein verschrompeld vogeltje, zonder veren nog. Zachtjes vertelde hij verder & omstebeurt mochten we naar ’t dood kleinood in z’n handen kijken. Er moest daar bovenin een nest hebben gehangen, waarschijnlijk overvallen door een roofvogel, misschien een uil, & ’t vogeltje was door de beroering uit ’t nest gevallen. Dat was op zich niet erg, zei de boswachter, want anders was-ie ook wel opgegeten.
Ik stelde me voor hoe vogel zou smaken, rauwe vogel, hoe ’t was een kind van een uil te zijn & ’s nachts te kunnen zien waar lekkernij te vinden was.
Dat mocht echter niet te lang duren, want de boswachter sleurde ons alweer mee naar de volgende verboden plek.
& Heel, heel zachtjes begon-ie te vertellen over de reiger. Dat die zowat verdwenen was. Maar toen kwam er een stel logeren in de Donkere Duinen. & Van dat stel kwam er ’t jaar daarop een nieuw stel. Wat zich ’t jaar daar weer op had vermeerderd tot wel 4 koppels. & Nu waren ’t er wel 64, had boswachter Groen laatst geteld. Daarom moesten de Verboden Donkere Duinen verboden blijven, zo luidde zijn boodschap, want dan bleef de reiger in ieder geval bestaan.
Verschrikkelijk stil moesten we toen teruglopen, langs alle plekken waar we verhalen over hadden gehoord. Boswachter Groen opende weer ’t hek voor ons. & Hij kon ’t niet laten nogmaals te benadrukken dat de Verboden Donkere Duinen verboden waren.
& Ondanks ’t gat in de afrastering & de ruimte onder ’t hek zijn we nooit meer naar binnen gekropen.
Wel zie ik in de stad tegenwoordig vaak reigers op rare plekken. Midden op een plein, waar geen vis te vinden is, of daarnet, opvliegend uit de tuin van m’n achterburen. Evenmin visgeschikt. Misschien eten ze inmiddels wel wat anders. Maar ze komen oorspronkelijk uit de Donkere Duinen, dat weet ik, zonder Donkere Duinen hadden ze niet meer bestaan. & Ze hebben allemaal de strenge stem van boswachter Groen horen vertellen hoe ooit hun voorouders een jaartje kwamen logeren.

Daar dacht ik aan, toen ik daarnet die ene reiger zag vliegen over Zijperspace.