verantwoording

‘Zeg, Kaspar,’ zei ik.
We stonden aan de bar een biertje te drinken. Eind van de woensdagmiddag, eind van mijn zogenaamde weekend, eind van zijn werkdag.
‘Dat van 2 weken geleden,’ ging ik verder, ‘toen ik ziek was, ik weet niet of je dat hebt meegekregen, maar dat lag aan m’n darmen.’
Kaspar knikte. Hoofd wat voorover om me beter te kunnen horen.
‘Nou ben ik gister naar m’n internist geweest,' zei ik.
‘Jij hebt een internist?’
Zo’n opmerking blijkt dan 1 van z’n grapjes te zijn. Dat weet je pas als je z’n gezicht erbij ziet. Ik moet altijd naar 'm kijken.
‘Ik heb er een beetje over gepraat met haar,’ vervolgde ik onverstoord. ‘Maar ’t is heel waarschijnlijk dat dat van die darmen ligt aan de ziekte van Graves. Vooral ook omdat ik er verschrikkelijk moe bij was.’
Kaspar knikte weer.
‘’t Ligt er aan dat m’n schildklier wel is uitgeschakeld, maar de hormonen die ik via een andere pil binnen krijg zijn niet voldoende. ’t Is nog niet op elkaar afgesteld. De ‘tuning’ is nog niet juist. Ik krijg nu wel meer van die hormonen, zeg maar, maar ’t kan voorkomen dat ik de komende tijd wat vaker niet in staat ben om te werken. Ik dacht: ik vertel ’t je maar even, dan weet je ’t tenminste, als ik me plots weer ziek meld.’
‘Weet je dat die ziekte van jou best wel vaak voorkomt?’ merkte Kaspar plots op.
‘Vooral bij vrouwen, geloof ik. Ik meen zelfs gelezen te hebben tot 4 % bij vrouwen.’
‘Ik ken naast jou 3 mensen die die ziekte hebben of hebben gehad.’
‘Maar vast niet bij mannen. Dus ben ik best nog wel een beetje speciaal.’
‘Jij blijft speciaal, Ton,’ zei Kaspar weer met z’n grappengrijns.

‘Hoi, Ton,’ zei Jos. ‘Wat is er?’
Ik belde ‘m in ieder geval niet wakker dit keer. Hij klonk opgewekt, ondanks z’n laatste vraag.
‘Hoi, Jos,’ zei ik. ‘Ik moet ’t je misschien toch maar even uitleggen. Ik heb dat van de week ook bij Kaspar gedaan. Ik heb je verteld over die schildklier van mij, toch?’
‘Ja, dat weet ik me nog wel te herinneren.’
‘Die is nu zeg maar op 0 gezet. Geen activiteit meer. Maar er moeten dus hormonen m’n lichaam ingebracht worden die anders door de schildklier geproduceerd zouden worden. Nou ben ik van de week bij m’n internist geweest. Ze zei dat ’t goed was met de schildklier, maar dat de hoeveelheid hormonen niet gelijk op loopt. Moet nog even wat beter afgesteld worden. Dat is dus waarschijnlijk de reden waarom ik ’t de laatste tijd vaak aan m’n darmen heb. & Waarom ik dan gelijk verschrikkelijk moe ben. Nu kan ik ook geen pap meer zeggen.’
‘Maar krijg je dan niet andere medicatie?’ vroeg Jos.
‘Ja, vanaf dat bezoek moet ik meer slikken. Zodat ’t beter op elkaar afgesteld raakt. Dat wil niet zeggen dat dat meteen gebeurd is.’
‘Goed. Maar vandaag lukt dus niet?’
‘Nee, ik duik weer m’n bed in. ’t Kan de komende tijd vaker gebeuren. Ik dacht: ik vertel ’t je maar even. Er wordt aan gewerkt, maar ’t kan vaker gebeuren.’
‘Die pillen zullen hun werk wel doen,’ zei Jos ter afsluiting, enigszins hoopvol.

& Daarom, waarde lezer, dat ik ook verantwoording tegenover u afleg.
Ik sta elke ochtend op, een ietwat vroeger dan strikt noodzakelijk, zodat ik in ieder geval de tijd heb om na te denken over, vervolgens een poging te wagen een stuk te schrijven. Ik vind ’t vaak nog veel belangrijker dan daadwerkelijk naar m’n werk te gaan. In plaats van ’t vroegere 9 uur sta ik zodoende vaak om ½ 9, of soms zelfs 8 uur op. Voor anderen totaal geen moeite, dagelijkse kost, voor mij een stap uit m’n dagelijkse ritme. Zwaar noodzakelijk, daarentegen, want geschreven díent er te worden.
De laatste tijd overkomt ’t me echter steeds vaker, zo ook hedenochtend, dat ik, 1maal bezig met mijn ochtendrituelen, bevangen word door een onnoemelijke vermoeidheid, een terugverlangen naar bed, & me derhalve op de bank te rusten leg.
Resultaat: verschrikkelijk weinig tijd om een stuk tekst te produceren.
Voor de rest stelt die ziekte geen reet voor. Bijna geen last van. Ik hoop alleen dat ’t me de komende tijd niet al te veel verstoord in m’n dagelijkse bezigheden. Want slapen vreet tijd, heb ik ondertussen gemerkt.

Tijd die ik gaarne had besteed aan ’t verzinnen & schrijven van vulling voor Zijperspace.
(Moet ik ook nog de klus van deel 5 van de cursus Lijfloggen zien te klaren)

stoerigheid

’t Mogen tegenwoordig alleen maar Bert & Ernie-pleisters zijn. Of die van Jip & Janneke. Onder ’t mom van we hebben ze hier liggen voor de kinderen, sieren de volwassenen zich ermee in geval ze denken dat ze voor hun eigen imago van volgroeide mens die geen behoefte heeft aan bedekking van een plekje waar toevallig een beetje pijn achter schuilt beter geen pleister hadden kunnen gebruiken. Dat geeft zo’n extra cachet van: ik heb alleen maar een pleister om weer ‘ns lekker kinderachtig te doen, om toe te geven aan de oerdriften die ik sinds m’n jeugd heb gebannen uit m’n emotionele beleving.
Je moet er dus goed over nadenken voordat je er 1 gebruikt. Ik bof nog dat ik achter de bar sta. Dan vinden mensen ’t hygiënisch in geval van bloed. Komt doordat we nog steeds in ’t Aids-tijdperk leven. Alles dat rood kleurt mag niet in contact komen met de andere mens. Een barman met een wondje mag geen glazen spoelen.
Maar als je bijvoorbeeld een stukje huid bij de nagel hebt, dat lastig uitsteekt & overal achter blijft hangen, dan vinden mensen ’t kinderachtigheidgehalte van ’t omdoen van een pleister te hoog.
Van de week zat er een jongen aan de bar de hele tijd z’n wang met een stukje zakdoek te deppen. Hij had blijkbaar z’n vingers niet kunnen weerhouden van ’t openkrabben van een puistje. ’t Doekje zag redelijk rood. Hij was al op de wc geweest om de ergste schade te verdoezelen. ’t Mocht echter niet baten, bleek bij terugkomst.
Nou had die jongen ook een litteken in z’n gezicht, waardoor ik onbewust minder medelijden met ‘m kreeg. Dat blijkt toch mee te werken. Was ’t een schone dame geweest, dan had ik waarschijnlijk de ganse avond ’t doekje voor haar vastgehouden & meermaals verschoond bovendien.
Ik stond op een gegeven moment op ’t punt de jongen te vragen of-ie misschien een pleister behoefde. Daar hebben wij genoeg van immers. Zwaar noodzakelijk materiaal in onze professie. Maar toen ik bedacht dat-ie ’t dan schuin onder z’n mond moest plakken, ongeveer rechtsonder de mondhoek, op ongeveer 1 cm afstand ervan, & daar vervolgens toch een uur mee rond zou moeten lopen, dat ‘m dat dan geheel geen contact op zou leveren, wat aardig zielig zou zijn, omdat tot op dat moment de barman de enige was die enkele woorden met hem gewisseld had (‘Zeg ’t maar.’ ‘Doe maar een pilsje.’ ‘Alsjeblieft. € 1,50, Alsjeblieft.’ ‘Dankjewel.’ ‘Dankjewel.’), want hij had al een litteken & nu zou ook nog zo’n oubollig vleeskleurige, doch duidelijk zichtbare, pleister op z’n aangezicht moeten prijken, daar versier je geen vrouwen mee, zeker niet gezien ’t feit dat er onder een pleister, zoals eenieder weet, bloed zich bevindt.
Men weet dat reeds onder de huid bloed zich begeeft door meterslange kanalen die men wel aders noemt; een dun laagje huid schermt ’t menselijk lichaam af van leeglopen, maar een pleister geeft aan dat er reeds een beschadiging heeft plaatsgevonden & o wee, als dat beschermend laagje zich voordoet op ’t moment dat men in contact met een ander komt. Zeker als ’t materiaal zich bevindt op een in ’t oog springende plek als ’t vooraanzicht, dichtbij een plek dat bij ’t contact tussen elkander, de communicatie zogezegd, de hele tijd de aandacht trekt, omdat ’t een voorwaarde is dat deze beweegt om ’t contact te bewerkstelligen.
Volgt men mij nog? Kort gezegd: men kan beter geen pleister gebruiken bij wonden in ’t gelaat. Dat staat niet.
Dus heb ik de jongen, hoewel hij een beetje onbeholpen met z’n inmiddels rode zakdoek pogingen deed te deppen & te stelpen, geen pleister aangeboden.
Lijden mag wel, maar dan moet ’t met een grote ‘L’ van een kinderachtige pleister met tekeningetjes van Bert, Ernie, Jip, dan wel Janneke.
Zeer eigenwijs, deze morgen, ik had er genoeg van, maar voelde toch enige irritatie jegens alle vooroordelen, gedragscodes, stevige-hollandse-jongen-boerenstoerigheid, ben ik toch maar gezwicht voor mijn eigen ingeving over wat op dat moment beter zou zijn. Waar ik me lekkerder bij zou voelen. Wat me minder ongemak zou leveren.
Dus pakte ik expres de stevige desinfecterende pleisters uit mijn medicijnkastje (onder m’n wasbak in de keuken; dit in geval men bij bezoek aan mijn huis voor een zelfde soort opgedrongen gevoel van schaamte komt te staan, maar toch zwaar behoefte heeft maatregelen te nemen, aangezien men ’t niet meer houdt van eigen kleinzerigheid), welke bij nadere inspectie nog nooit eerder door mij gebruikt bleek te zijn, welke te merken was aan ’t feit dat alle strookjes pleister verzameld in ’t doosje geheel volledig tot aan ’t randje van de verpakking staken, trok m’n broek naar beneden (natuurlijk buiten ’t zicht van de achterburen)(maar nu ik ’t heb over ’t naar beneden trekken van m’n broek, bedenk ik me tevens dat ik ook nog een heel ander verhaal moet vertellen, wil men zo vriendelijk zijn mij hier ter zijner tijd aan te herinneren?), probeerde ’t irritante puistje (als ik m’n hand in m’n broekzak stak, voelde ’t alsof naaldjes vanuit die broekzak m’n been in staken) nog enigszins tussen nagels te pletten, zonder resultaat, & plakte een strookje pleister eroverheen.
Nu zal men zeggen: dit is een stukje leukoplast dat geheel buiten ’t waarnemingsvermogen van 3en valt, aangezien de broek er waarschijnlijk weer overheen is gedrapeerd zogauw jij de deur verlaat, maar toch vind ik zelf deze maatregel van een dergelijk gehalte dat ’t voorbij de stoerigheid & opgedrongen stevige hollandse jongensmentaliteit gaat waarmee men hier in ’t ondermaanse wordt opgevoed, dat ik ’t toch niet onvermeld mocht laten.

’t Zij gezegd, alhier in Zijperspace (gelieve ’t niet te willen controleren).

zuchten

‘Ik kwam net JP al tegen,’ zegt Alan tegen Wieger. ‘’t Is niet goed.’
Wieger trekt een gezicht van ‘Oh?’ & wendt zich vervolgens snel naar een klant die al even aan de bar staat te wachten.
Ik tast. Zoek in gedachten naar wat niet goed schijnt te zijn. Wat JP daarover heeft te zeggen. Ondertussen zie ik OG aan de overkant de sigarenhandel inlopen. Trage stappen, z’n benen slingeren zich naar binnen, alsof ze eigenlijk geen zin hebben, maar er toe gedwongen worden.
‘Nee,’ gaat Alan verder als Wieger klaar is met de klant, ‘hij moet geopereerd worden. Hebben ze vanochtend gehoord.’
Een zwijgzame OG komt van achter Alan binnen. Ik heb ruim zicht op wat er gebeurt in 't café, want ik sta aan de uiterste hoek van de bar. Ik zie ’t gezicht dat OG trekt. Hoofd voorover, geen blik naar de mensen die aan de tafeltjes zitten, zoals gewoonlijk, geen luidruchtig ‘Zo! Mensen van ’t goede leven!’, een rustige pas richting bar, da’s alles, een schouderklop aan Alan.
Met een zucht neemt-ie plaats op een barkruk naast Alan.
‘Je moet onder ’t mes,’ constateert Alan.
‘Ja, binnen nu & 3 weken kan ik opgeroepen worden,’ zegt OG.
‘Wat gaan ze doen?’ vraag ik.
‘Ach,’ zucht OG.
Een hele lange ‘ach’. Z’n hand waait er even bij. Hij keert kort z’n hoofd af.
Ik had beter even kunnen wachten, bedenk ik. ’t Gesprek z’n gang laten gaan. Zo dicht sta ik niet bij hun.
Ze praten verder. Ik hou me wat meer afzijdig. Af & toe dringt er wat informatie tot mijn oren door. Maar ik probeer niet doelgericht te luisteren.
Aan de overkant is ondertussen JP aan de beurt de sigarenzaak te betreden. Enkele minuten later stapt ook hij binnen.
Ook een hand op de schouder. Die van OG ditmaal. Achter de rug van Alan langs zegt-ie mij gedag.
’t Gesprek kabbelt voort. Over de details. Welk gedeelte van de kaak van OG onder ’t mes moet. Wat de risico’s zijn. Alan & JP zitten aan weerskanten van OG. Achter OG langs geeft JP toelichtingen.
‘We hebben ’t hele ziekenhuis gehad,’ zegt OG. ‘Aan ’t eind kwamen we bij de an.., bij de anès , bij de... Hoe heet die vent van de verdovingen?’
‘Anesthesist,’ bemoei ik me ermee.
‘Ja, precies. Anesthesist. Geschikte kerel was dat, niet JP?’
‘Ja, was een leuke vent,’ zegt JP. ‘Die moest weten of-ie veel dronk. Wat-ie zoal at.’
‘Waarvoor?’ vraag ik.
‘’t Kan zijn dat-ie zwaar alcoholisch is,’ legt Alan uit. ‘Als OG dan bewusteloos ligt, na afloop van de operatie, dan kan ’t zijn dat-ie op een gegeven moment ontwenningsverschijnselen krijgt.’
‘Maar dat valt wel mee, toch?’ wendt-ie zich tot OG. ‘Je drinkt niet elke dag.’
Sander komt binnen. Z’n gezicht een glunderende lach.
‘Hoi,’ zegt-ie.
‘Alles goed?’ vraagt Alan, zich even afwendend van OG.
‘Ja,’ zegt Sander, ‘ik ben afgestudeerd.’
‘Eindelijk dan,’ zegt Alan. ‘Gefeliciteerd.’
Sander komt naast me staan. Ik feliciteer ‘m ook.
‘Dat heeft lang geduurd,’ zeg ik.
‘Ja, blij dat ’t voorbij is. Wieger,’ gaat-ie meteen verder, ‘ik lust wel een biertje.’
Maar 1st krijgt-ie een hand van de barman.
‘Hoe weet je dan meteen dat je geslaagd bent?’ vraag ik nieuwsgierig.
‘’t Was een mondeling. Zo!’ zucht-ie. ‘Wat een opluchting. ’t Begint langzaam tot me door te dringen.’
‘Hoe laat had je ‘t?’ vraagt Wieger.
‘2 Uur geleden. Binnenkort even m’n bul ophalen & dan heb ik niks meer te maken met de universiteit. Mag ik trouwens even bellen, Wieger?’
’t Gesprek van OG, JP & Alan zet zich ondertussen voort. Alan & JP leunen meestentijds een beetje achterover, om achter de rug van OG te overleggen wat er moet gebeuren mocht de operatie verkeerd aflopen. Of eigenlijk: wat er van tevoren geregeld moet zijn.
‘Er moet op papier komen te staan onder welke voorwaarden,’ zegt Alan, ‘onder welke levensomstandigheden OG niet meer wenst door te gaan met leven.’
OG kijkt voor zich uit. Roodomrande ogen.
‘Ja,’ zegt-ie plots hard. ‘Want een kasplantje: over mijn lijk! Over my dead body!’
‘Zeg, Ton,’ hoor ik Wieger naast me zeggen.
Ik kijk om.
‘Heb jij dat ook wel ‘ns,’ zegt Wieger, ‘dat je heel kort adem kan halen? Een soortement hyperventilatie. Alsof er iets dwars zit, iets m’n adem tegenhoudt. Dan moet ik diep ademhalen, m’n borst indrukken, & soms gaat ’t dan weg.’
‘Hyperventilatie heb ik wel ‘ns gehad,’ zeg ik.
‘Ik heb ’t wel vaker. Als ik te veel op stap ben geweest. Of als ik weer ‘ns gestopt ben met roken.’
‘Zeg, Barman,’ roept OG naar Wieger. ‘Geef me hier ‘ns een rondje. Nu ’t nog kan. Geef die heren ‘ns allemaal wat te drinken.’
‘Nee, ik niet,’ zegt Alan, ‘ik moet nog rijden.’
Wieger gaat aan de gang.
‘Wat een toestand,’ verzucht OG weer. ‘Ik ben nooit ziek geweest, & dan dit.’
‘Ja, je mankeerde nooit wat,’ zegt Alan, ‘& dan krijg je opeens de jackpot.’
OG barst in lachen uit. Er wordt wat mee gehinnikt.
‘Ha,’ schreeuwt-ie bijna. ‘Maar ik heb nog precies genoeg de tijd om dit weekend nog ‘ns snel naar de Zeedijk te gaan. ’t Laatste geld gaat mooi op aan de hoeren!’
Hij lacht & wijst aan Wieger wie er nog meer te drinken moet krijgen.
’t Volgende moment is-ie weer stil & staart-ie voor zich uit.
‘Nou is ’t opeens weg,’ zegt Wieger tegen mij.
Hij zucht een paar maal diep terwijl hij mijn consumptie voor me neerzet, & wrijft over z’n borst. Achter hem legt Sander de telefoon neer.
‘Komen jullie vanavond even wat drinken?’ vraagt-ie. ‘Om ’t te vieren.’

We zijn die avond thuis gebleven, in Zijperspace.

vragen

Ik keek op & zag dat ’t wit de wereld bedekte. M’n eigen kleine wereld. M’n beperkte zicht.
Ik kon zien hoe de wind stroomde. De vlokken lieten zich de weg wijzen door de wendingen van de luchtstroom. Ze leken bijna horizontaal over de schutting van de buurvrouw te komen, verloren plots vaart & dwarrelden in bochtjes op de bodem van m'n tuin. ’t Volgende moment leek de wind te zijn gaan liggen & kwam de massa van hoog boven via een wat meer rechtstreekse route verticaal op de aarde aanzetten.
Ik tuurde door de vlokken heen. Zoals ik als kind pleegde te doen. Kijken in de onmetelijke oneindigheid; ergens moest een eind komen aan die grote hoeveelheid die zich boven mijn hoofd bevond, die onafgebroken val van kleine deeltjes, die allemaal op weg naar mij leken. Ik probeerde voor mezelf ver in de diepte van die grote hoeveelheid een vlokje apart te nemen, me te concentreren op ‘t verst waarneembare pluisje, & die helemaal te volgen tot aan de grond. Om te weten welke route ’t volgde, om ’t z’n anonimiteit te ontnemen, om ’t te laten voelen dat ’t niet voor niets die grote reis had ondernomen: ik had ‘m immers waargenomen.
Stel dat ’t niet alleen maar vlokken waren, besloot ik te denken, dat ’t niet slechts ijskristallen waren die daar met miljarden tegelijk aan mijn aandacht voorbij gingen, maar dat 't elk een wezen, een ziel bezat, waren ze dan nu niet bezig als lemmingen zichzelf de afgrond in te storten? Ter meerdere eer en glorie slechts van de tijdelijke witte aankleding van de wereld. Een deken over de dingen, de meubels van de natuur ingepakt, zodat deze niet zouden beschadigen, onder ’t stof zouden raken, vooraleer ze opnieuw gebruikt gingen worden in ’t volgende seizoen. Stel dat ze allemaal een eigen opdracht hadden, elk klein entiteitje dat nu op weg was, jij gaat daar liggen, & jij moet daar, wisten ze dan allemaal de weg & hoe die te bewandelen mbv die schijnbaar wispelturige wind?
Ik weet dat ik als kind met die gedachtes in m’n hoofd plots werd opgeschrikt door een vlok die pardoes in m’n linkeroog terechtkwam. Een plots verwijt voelde ik, alsof ik niet mocht kijken, alsof ik niet op de hoogte van ’t grote plan achter deze tijdelijke schepping mocht komen.

Ik trok m’n jas aan. Deed m’n pet op, trok ‘m iets verder over m’n voorhoofd, zodat m’n bril niet onder zou sneeuwen. Ik keek nog een laatste maal door mijn eigen kleine venster op de wereld om te zien of ik wel de bui mee zou krijgen & besloot daarop lopend te gaan. Geen slippartijen met de fiets, rustig kunnen genieten van ’t tafereel, de tijdelijkheid, & ervan overtuigd dat ik evengoed wel op tijd zou komen, want ’t was toch maar om de hoek.
Buiten gekomen liep ik zo veel mogelijk over de voetstappen van de dame 100 meter voor me, om ’t witte doek dat zich had uitgespreid zo min mogelijk te beschadigen. Haar puntige laarsafdrukken veranderden in een wat breder wandelschoenprofiel.

In ’t ziekenhuis maakten m’n schoenen een piepend geluid op de stenen ondergrond. Elke stap was te horen. Terwijl de mensen in stilte elkaar passeerden, elke ziekte anoniem, leek ’t alsof mijn schoenen zich wilden opdringen.
’t Heeft gesneeuwd, leken m'n schoenen te willen zeggen. Hoor! ’t Heeft gesneeuwd. ’t Smeltend sneeuw druipt van ons af.

‘God, wat maken mijn schoenen een lawaai,’ was mijn 1e opmerking richting internist.
Ze lachte. Daarna werden we serieuzer.
‘Heb je nog opmerkingen?’ vroeg ze.
‘Ja, eigenlijk wel,’ antwoordde ik. ‘Ik had ’t een week geleden aan m’n darmen. Ongeveer dezelfde problemen, ongeveer op dezelfde plek, als toen ik voor ‘t 1st naar de huisarts ging. Toen hij voor ‘t 1st m’n bloed liet onderzoeken.’
Ik wees. Probeerde m’n darmen te visualiseren. Mijn duim & wijsvinger gaven de dikte van ’n darmen aan. De dikte zoals ik die beleefde.
‘Pijn daarbij?’ vroeg ze.
‘Ja, wel een beetje pijn. Nou, eigenlijk vooral veel borrelen, van die kronkelingen in m’n darmen. & Ik was gedurende 2 dagen verschrikkelijk moe. & Daarvan dacht ik, ik had ’t op internet gelezen, herinnerde ik me toen plots, dat dat een verschijnsel kon zijn bij mensen wiens schildklier op een gegeven moment is uitgeschakeld.’
‘Ja, dat kan inderdaad. Hoeft niet, maar er is een grote kans. Heel erg verschillend bij de diverse mensen. Sommigen kunnen wat zwaarmoedig worden. Anderen moe. Of allebei. Maar last van darmen komt ook vaak voor. Vooral als ’t nog niet helemaal in balans is. Jouw schildklier staat nu helemaal op nul, maar naar aanleiding van ’t bloedonderzoek van vorige week lijkt ‘t of dat proces iets te voorspoedig gaat. Je zal wat meer hormonen binnen moeten krijgen. Dus verhogen we de dosering. Dan komt ’t weer in balans. De meeste mensen hebben geen last meer zogauw alles weer in balans is.’
Ze schreef een recept uit.
‘Heb je nog meer vragen?’ vroeg ze ondertussen.
Ik keek bedenkelijk. Ik probeerde alles tevoorschijn te halen van wat ik afgelopen weken had bedacht.
‘Ja, ik had aardig wat vragen, maar daar kan ik weer ‘ns niet opkomen.’
‘’t Is altijd handig om meteen een vraag op te schrijven, zogauw je iets bedenkt,’ lachte ze me toe.
‘Ja, ik weet ‘t.’

Ik ging door de draaiende schuifdeuren naar buiten. Naast me een meisje dat door ’t enthousiasme over de sneeuw tegen de ruit van de deuren liep. Ze botste haar hoofd hard, maar dat mocht niet deren.
Achter me verzuchtte een vrouw: ‘Ach, schatje, kindje toch!’
Maar ’t meisje rende onverstoord verder door de inmiddels open deuren.
Ik zag slechts modder. De witte deken vertoonde in mijn ogen enkel zwarte gaten. Bij elke stap spetterde ’t water onder m’n schoenen vandaan.

Er waren geen vragen meer te stellen in Zijperspace.

tijdelijk (vervolg van hieronder)

We zaten in een ½e kring. Op banken met zachte kussens. Op sommige plekken de brandgaten reeds, van kruimels brandende stuff. De wanden werden traag vergeeld van de walmen rook.
Naast me zat Wemmeke, tegenover me haar vriendin. Die laatste lachte. Ze vond alles grappig wat ik zei. Ik had 't idee dat ik kon zien dat ze ’t buiten onze ontmoetingen over me hadden. Ik werd besproken, & achteraf getoetst.
Ik wist alleen niet waar m’n rol op neer kwam. Welke rol had ik? Op de achtergrond speelde er iets, wat verzwegen werd; naar ik vermoedde, niet bewust, een man.
Als de toon van zorgen te veel boven kwam drijven, ik m’n vraag mocht stellen over hoe ’t ging, werd er ’t zwakzinnige broertje bijgehaald. Agressie, geweld, vermoeide ouders, & geen oplossing voor opvang. Hoe 't kleinere zusje Wemmeke de grotere broer moest opvoeden.
Er werd verzwegen door de verkeerde verhalen te vertellen. Ik kon ’t ook aflezen aan de glimlach van de vriendin. Die stond anders.

In de loop van de avond kwam er wel ‘ns iemand aanzitten. Z’n eigen bakje thee meenemend. Een joint een enkele keer.
Ik mocht niet te veel roken. Ik moest overzicht zien te houden. Uitkijken voor de paranoia die ik nog maar net deels van me afgeschud had. Bovendien was ik in afwachting van behandeling. Bij ’t Riagg was men druk aan ’t overleggen waar ik naartoe gestuurd moest worden.
Maar een joint sloeg je niet af. Als ’t zich aandeed als iemand die gezellig aan kwam zitten. Een praatje, een jointje, een bakje thee van je eigen geld, koekjes voor de vriendin.
Dick vertelde over platen, net aangeschaft.
Oud-klasgenoten over hun nieuwe studieplannen.
Vreemden over hun laatste trip.
Theo over z’n nieuwe coffeeshop.
Mark over Julianadorp.

Er was nog iemand. Een jongen van net 18 jaar. Hij was net begonnen met blowen, vertelde hij toen-ie erbij kwam zitten. Daarvoor had-ie z’n tijd anders besteed. Hij vond ’t een fantastische ontdekking, ’t blowen. Of we de nieuwe weed al geprobeerd hadden, vroeg-ie ook.
Dat ging door. Wemmeke & ik zaten stijf achterover. Er was inbreuk gepleegd op onze poging dichter naar elkaar toe te komen. Alsof we betrapt waren. Of dat ’t elk moment zou kunnen gebeuren.
Vriendin lachte evengoed. Liet zich alle verhalen aanleunen. Af & toe een blik naar ons, waar geen contact meer uit sprak. Geen poging meer contact te maken. Handen stijf langs ’t lichaam, hooguit een vinger door ’t oor van de kop thee, geen onopzettelijke aanrakingen die stiekem plaatsvonden.
’t Kwam als een vloedgolf over ons. Een waas van de echte wereld kwam tot ons, want we waren koortsachtig bezig ‘t contact te herstellen, maar werden daar steeds in gestoord door de niet aflatende waterval van woorden van de jongen die ’t blowen net ontdekt had.
Hij had een motor, vertelde hij, van z’n vader gekregen op z’n 13e. Helemaal uit elkaar gehaald. Bleek ’t slechts een tuitje, een toetertje of een tuutje te zijn. Hij scheurde daarmee over ’t strand, politie achter ‘m aan. Besloot daarom terug te gaan naar Hypolytushoef, mooie vrouwen daar, in ’t hoogseizoen. Die vrouwen die wilden alleen maar, heel anders dan hier in Den Helder. ’t Plein in ’t midden, de patatzaak met brommers, maar dat was voor kleine jongens, wist-ie ondertussen. Hij ging liever naar de camping in de buurt. Kratje bier mee achterop, dan leerde je vanzelf wel mensen kennen. Dat deed-ie vroeger: veel drinken; sinds hij de joint had ontdekt, vooral de weed, was-ie anders geworden. Want je moest bewust met de wereld omgaan. Altijd zuiver & met geweten, had-ie pas van een nieuwe vriend geleerd. Die gozer dealde in stuff, daarom kreeg hij ’t ook goedkoop. ’t Liefst kocht-ie dan een plak. Dan kon z’n vader er ook van meegenieten. Die betaalde dan de helft, dan had-ie de hele maand geen last van hem.
Vonden wij dat ook niet? maakte hij ons wakker, dat ouderen allemaal zouden moeten blowen, dan zou ’t veel relaxter worden, weet je wel.

Hij had me wakker, ook al zat ik in de roes van 2 haaltjes. Een band had zich om m’n hoofd gevormd, zette de huid strak, deden m’n haren rechtovereind staan, m’n oren hingen ½ lui aan de onderkant van m’n wangen, m’n kin kon nog net de zwaartekracht overwinnen, zodoende m’n mond dicht te dwingen, zolang de niet-aflatende stroom woorden niet gestelpt kon worden.
‘Kan je niet even stil zijn?’ hoorde ik Wemmeke naast me zeggen.
Ik keek opzij. Verbaasd over hoe makkelijk een zinnetje kan zijn, hoe eenvoudig ’t is een boodschap over te brengen. Men hoeft slechts z’n mond open te doen & er uit te laten komen wat zich in ’t hoofd heeft gevormd.
’t Leek alleen niet tot de jongen door te dringen. Hij vertelde verder over de reizen die hij in z’n 1tje had ondernomen naar ’t buitenland, met in z’n rugzak een dikke plak stuff, die hij grotendeels verkocht had aan vet betalende spaanse jongeren.
‘Heb je niet verstaan wat zij daarnet zei?’ kwam plots uit mijn mond tevoorschijn, waarbij ik tegen z’n elleboog schudde, als om hem ook wakker te maken. ‘Heb je niet gehoord wat zij daarnet zei? We zouden ’t prettig vinden als je eens je mond hield. We zitten hier al een hele tijd, gezellig met z’n 3-en, & opeens kom jij er ongevraagd bijzitten. Om te vertellen over je vader, je stuff, je ervaringen, allemaal dingen die ons de ballen interesseren, waar we niks mee te maken willen hebben. We willen niets van je weten. We willen dat je weg bent. Eigenlijk zou ik moeten zeggen dat we zouden willen dat je nooit had bestaan, dat dat stonede gevoel dat we hadden omgekeerd is in een nachtmerrie sinds we ontdekt hebben dat er mensen als jij op de wereld bestaan. We worden doodmoe door ’t aan 1 stuk door open & dicht trekken van je mond, met ’t bijbehorende probleem dat er dan ook nog geluid uit komt, geluid die zich laat karakteriseren als spraak, maar in dit geval spraak waar wij helemaal niet gediend van zijn. Of als dat nog niet duidelijk is: we willen helemaal jouw stem niet horen. We willen hier met z’n 3-en praten, rustig, gezellig, af & toe een slokje thee nemend, maar niet die continue stroom van gebazel van jou. Dus sta op, pak ’t koekje van je schoteltje, geef dat aan haar & ga ergens in een hoek zitten grienen omdat je blijkbaar niet in staat bent een normale conversatie te voeren. Ik wil je niet meer zien.’

’t Kwam er in 1 keer uit.
& Terwijl ik sprak zag ik de schouders van de jongen dieper zakken. Hij stond uiteindelijk op, liet z’n kopje thee staan, & ging aan de bar zitten.
Bij ons was ’t stil.

We zijn nog een paar maal in de coffeeshop geweest. Vrij snel na ‘t voorval werd echter toch duidelijk dat Wemmeke een vriend had. Wonend in Amsterdam. Maar in een weekend liet-ie z’n gezicht in Den Helder zien. Ik bleek ‘m te kennen.
Ik werd doorverwezen door ’t Riagg. Durfde op een gegeven moment niet meer de straat op. Slikte pillen om die angst & nog enkele andere voor korte tijden kwijt te zijn.
Wemmeke vertrok naar Amsterdam toen zij haar avondschool af had. Korte tijd later haar vriendin ook. Die kwam ik jaren later daar op straat tegen. Wemmeke slechts 1 keer in ’t voorbijgaan. Ik had van haar vriendin gehoord dat ze met haar verleden had gebroken & daarom zichzelf een andere naam had aangemeten. Ik wist niet hoe ik haar aan moest roepen toen ik voorbijging, dus fietste ik door.

Eigenlijk had alles ‘tzelfde moeten blijven in Zijperspace, bedacht ik toen.

tijdelijk

Rond de herfst moet 't zijn geweest, want we trokken onze jassen uit als we binnenkwamen. Soms nat, soms droog vanwege paraplu. De avonden werden al vroeger donker. We hadden nog slechts een herinnering aan de laatste zomerdagen, een tijd waarin we onbekommerd over straat zwierven, geen dikke jassen, geen tassen met extra bagage, een toevallige ontmoeting die makkelijker mogelijk was omdat iedereen naar buiten ging vanwege de hitte. Een zweem van ’t moment dat onze monden elkaar per ongeluk ontmoetten, de hitte van buiten naar binnen sloeg.
In ’t guurdere jaargetijde probeerden we die herinnering te mijden, te koesteren tegelijkertijd. Wat geheim was, moest geheim blijven.
In de herfst moesten we onze ontmoetingen meer gaan arrangeren. Moeilijke constructies mbv vriendinnen, cursussen & nog wat drinken achteraf.
’t Was dus wel degelijk herfst, zegt m'n herinnering, want we zaten bij de verwarming, dicht bij ’t raam. We konden zien hoe laat ’t werd & wanneer ’t afgelopen zou zijn. Stiekem raakten onze vingers elkaar aan bij ’t voorbij gaan, om vooral niet op te vallen. Vriendin mocht ’t wel weten, wist ’t al, maar mocht ’t niet merken. Niet de goden verzoeken. Want als zij ’t zag, zag de rest ’t ook.
Later ben ik me pas gaan afvragen of ’t wel waar was. Of ’t wegstoppen & ’t ontkennen niet allemaal onderdeel was van een grote leugen, een spel om mij zo lang mogelijk vast te houden. Lijntje uitwerpen, lijntje intrekken, lijntje laten vieren, & op ’t juiste moment kort houden.
In die tijd heb ik mezelf ook wel vragen gesteld, maar was ik niet op zoek naar antwoorden. ’t Was prettiger ’t me te laten overkomen.
Ik kwam binnen, bestelde thee, ging zitten & wachtte. Niet te lang. Dat hoefde niet.
Wemmeke kwam vrij snel. Altijd wel iets later, maar niet al te lang na mij. Vriendin in haar gevolg. Een lach die schuin stond van overdenking: moest ’t allemaal wel gebeuren, mocht ‘t, had ze zin om mij te zien? & Aan de andere kant van haar lippen zei ’t ‘ja’. 2 Pupillen die in ’t uiterste hoekje van de oogkas mij bespiedden. Om te zien of haar lach aankwam.
Ook thee. Met ernaast een koekje. Ik bood 't koekje aan dat ik had laten liggen. Een zucht over haar taille. Een vriendin die alle koekjes vrolijk opat. Die konden haar niet deren. Vriendin kon niets deren.

& Soms, heel soms, hooguit 1 keer per week, draaide ik een joint. Al pratend & rondkijkend. Bang dat er iets verloren zou gaan als ik m’n aandacht af liet zakken. Zoekend naar de twinkeling in de ogen die een herinnering beloofden. Een afgelopen zomer; de laatste warme dagen.
Lichte haaltjes bij Wemmeke, stootjes op haar lippen die schokjes leken te veroorzaken. ’t Snelle loslaten & doorgeven. Angst geen controle te hebben.
Ik hing zelf aan ’t smalle koordje van gekte. ’t Enige wat me op de been hield was de wens verliefd te zijn, beantwoord te worden daarin. Ik zou er uitgetrokken worden als Wemmeke zou kiezen.
De vraag kwam bij me op waar ze eigenlijk uit moest kiezen, maar ik wilde ’t antwoord weer ‘ns niet weten. Liever liet ik me meesleuren in de roes van de joint & de inmiddels vertrouwde leugens, die soms niet meer waren dan zwijgen over bepaalde onderwerpen. Vriendin was er om de aandacht af te leiden, ander onderwerp aan te snijden. Een overgearrangeerd scenario, waar ik graag met beide ogen open intuinde.

Tekst is eigenlijk niet af voor Zijperspace, maar ik kan ’t niet uitstaan dat zoveel moeite iets geschreven te krijgen onderbroken moet worden door de dwang naar m’n werk te moeten (een voorpublicatie zogezegd).

ouder

‘Die ken ik ook,’ wijs ik Suze een gezicht aan op een foto aan de wand.
We staan in de slaapkamer van Dinky. Er hangt een collage van foto’s aan de muur. Kaartjes ook. Ik herken mensen van vroeger. 1 Gezicht is nu ook aanwezig, maar ik ben haar naam vergeten.
‘& Nou weet ik weer hoe Dinky er vroeger uit zag,’ ga ik verder bij een paar andere foto’s.
‘Zonde, hè,’ zegt Suze, ‘Dinky moet haar haar weer laten groeien.’
Ik bedenk me opeens dat 't gezicht op de 1e foto die ik aanwees ook Dinky moet zijn. Met lang haar. Niet naar achteren getrokken. Ik zie een klein tenger meisje door school lopen. Dezelfde als degene die nu haar verjaardag viert.
Snel wijs ik andere mensen aan die aan de wand hangen.
‘Zij is nu ook hier,’ wijs ik naar ’t meisje wiens naam ik kwijt ben. ‘Ze staat nu buiten. Ze heeft nog een relatie gehad met de jongen waar ik m’n 1e kamer bij huurde in Den Helder.’
‘Je kent ze echt allemaal?’ vraagt Suze.
‘Nee, niet allemaal,’ terwijl ik met m’n vinger naar ’t volgende jonge meisje ga. ‘Háár broer, haar stiefbroer eigenlijk, is in Den Helder door de politie neergeschoten.’

Ik ben niet dapper genoeg om ’t meisje haar naam te vragen. Net doen alsof ik dat wel weet. Ondertussen gewoon verder praten.
‘Ik wist niet dat jullie vriendinnen waren,’ zeg ik.
‘Al jaren,’ zegt ze.
‘Ik zag ’t in de slaapkamer. Met die pasfoto’s. Dat andere meisje staat er ook op. Haar stiefbroer was toen door de politie neergeschoten.’
‘Barry,’ vult ze aan.
Maar geen naam van de zus. Ook haar eigen naam niet per ongeluk.

‘Ik kon best goed dansen,’ zeg ik tegen Nico, m'n buurman. ‘’t Liefst op een lege dansvloer. Ik had een eigen manier van dansen & mensen keken naar me.’
‘Waarom dans je nu dan niet?’ vraagt Nico.
‘Ach, te lang niet gedaan. Ik ben ouder ondertussen. Maar er waren wel mensen die mijn manier van dansen toen overgenomen hebben. Bas bijvoorbeeld.’
Ik gebaar naar Bas. Kom eens, doe ik met m’n hand.
‘Hé, Lady Base,’ zeg ik, ‘vertel ‘ns hoe ik danste vroeger.’
‘Hij gebruikte de hele dansvloer. Niemand danste zoals Ton.’
‘Maar er werd toch ook wel gezegd dat jij mij na probeerde te doen?’ vraag ik.
‘Ach, man. Ik was een klein jochie. Iedereen deed jou na. & Ik deed de rest na.’

‘Was jij er ook toen ik Zwarte Piet speelde?’ vraag ik Dinky.
‘Wanneer?’
‘In de Bliksem. Ik denk al 8 jaar geleden. De broer van Remco speelde Sinterklaas.’
‘Jeroen.’
Daar was ik nooit opgekomen, denk ik.
‘Denk ‘t,’ beaam ik. ‘We stonden op ’t podium. Maar Sinterklaas durfde niet zoveel. Dus pakte ik heel vaak de microfoon. Ik speelde de chagrijnige Zwarte Piet. Dat mensen moesten opschieten als hun naam genoemd werd. & Later ben ik langs alle meisjes gelopen & heb tegen ze gezegd dat ze wel groot gegroeid waren, terwijl ik naar hun borsten keek. Ik was ook een oversekste Piet.’
‘Nee, daar was ik niet bij.’
‘Was leuk.’

‘Hoe komt ’t eigenlijk dat jij me Lady Base noemt, Lady Ton?’ vraagt Bas.
‘Weet je dat niet? Dat heb ik toch wel ‘ns verteld?’
Bas kan ’t zich niet herinneren.
‘Ik had die jazzfilm van Clint Eastwood gezien,’ vertel ik.
‘Bird,’ vult Bas aan. ‘Over Charlie Parker.’
‘Nee, dat kan helemaal niet. Moet een andere zijn. Van Tavernier. Over die saxofonist.’
‘Oh, Round Midnight,’ weet Bas. ‘Met Thelonius Monk.’
‘Ja, Bertrand Tavernier was de regisseur. Dat van Thelonius Monk wist ik niet. Maar die hoofdrolspeler noemt iedereen de hele tijd Lady. Ik kwam uit die film & toen ben ik iedereen ook Lady gaan noemen.’
‘& Bij mij is ’t blijven hangen.’
‘Ja, bij jou klonk ’t goed, Lady Base.’

‘Maar je kwam ook niet heel vaak op zaterdag in de bieb?’ vraag ik Dinky.
‘Nee, bijna nooit,’ antwoordt ze. ‘Zo min mogelijk eigenlijk.’
Ik bedenk me dat ik 2 verschillende meisjes voor me heb. Dinky als klein meisje met lang haar, & een ander meisje dat altijd op zaterdag in de bieb kwam. Op de laatste was ik in de verte verliefd, herinner ik me. Expres achter de balie staan als ze haar boeken moest laten registreren. Maar waar was Dinky dan?
‘Mijn geheugen is een zeef,’ zeg ik. ‘Ik probeer dingen uit ’t verleden te achterhalen, maar ik weet ’t vaak niet meer. Quint komt elke keer aanzetten met mensen van: “Ken je die nog? Die is overleden.” Dan weet ik absoluut niet over wie hij ’t heeft.’
‘Quint kent natuurlijk 100-en mensen,’ zegt Dinky. ‘Die is er blijven wonen.’
‘Ik stond jarenlang achter de bar. & In de bieb. Ik kende toentertijd veel meer mensen dan hij. Nee, mijn geheugen is echt een zeef.’
‘Maar jij bent toch in een andere stad gaan wonen. Dan leer je zoveel andere mensen kennen dat er geen ruimte meer is voor die mensen van vroeger.’
’t Zal wel, denk ik, maar ik had toch graag dat Dinky ’t meisje was dat in de bieb kwam.

Op weg naar huis bedenk ik me ’t spelletje strippoker. Met ’t meisje van de foto, ’t meisje dat er niet was, ’t zusje van de stiefbroer.
’t Moet op oudejaarsavond zijn geweest. Met Richard & een ander meisje. Iedereen was weg & ik moest afsluiten. De lichten bijna allemaal uit & wij zaten nog aan de bar. Een spelletje strippoker werd er door iemand voorgesteld. We kregen de spelregels door Richard uitgelegd. ’t Meisje verloor. ’t Zusje van de stiefbroer. Ze zat naakt naast me.
Dat had ik moeten vertellen, denk ik terwijl ik m’n huisdeur opendoe. Dat verhaal heb ik nog aan niemand verteld.

Ooit is alles vergeten in Zijperspace.

neus

Ik & m’n spiegel communiceren. Weliswaar niet al te vaak. Hooguit 2 keer per dag. Maar we hebben ’t over elkaar, met elkaar. ’t Is jammer dat ik bijna altijd m’n mond vol met tandpasta heb zitten op zulke momenten. Ik moet ’t dan hebben van de non-verbale communicatie. M'n spiegel ook. Daar zijn de spiegel & ik beiden blijkbaar goed in.
Hij trekt z’n wenkbrauw op & ik doe ‘m na.
Ik wil daar altijd even bij nadenken.
‘Waarom doe je dat nou?’ denk ik dan door m’n mond te krullen.
‘Dat wou je toch zelf?’ is z’n antwoord.
Schamper kijk ik terug. Waarop ik m’n blik naar beneden werp. Om de schijn op te houden dat ik nog steeds druk bezig ben m’n gebit van een frisse & onderhoudende beurt te voorzien. Ik murmel & sputter wat, laat enkele witte vlokken uit m’n mond lopen richting wasbak, hef m’n hoofd weer een beetje om te kijken hoe ’t me staat, zo’n mond vol glanzend witte tanden & zet m’n mond strak. Zodat zoveel mogelijk tanden tegelijk strak in ’t gelid van de spiegel staan.
‘1, 2, 3, Strak!’ denk ik erbij.
De spiegel doet mee.
Maar trekt er helaas wel een gekke bek bij.
’t Lullige is dat-ie ’t heel stiekem doet. Onopvallend. Hij zet me voor mezelf voor aap op ’t moment dat-ie denkt dat ik ’t toch niet zie, dat ik even niet oplet. Alsof ik niet weet dat ’t topje van m’n neus niet wit hoort te zien.
Zo’n bijna 4-kant stukje vel, met ’t uiteinde van een botje er onder. ’t Eindbotje van je neus. Of in ieder geval mijn neus. Dat steekt dan opeens wat meer naar voren. ’t Zal een millimeter zijn. Misschien iets meer. Dat wil zich dan opeens naar voren dringen. Maar dan geheel op zichzelf, met achterlating van de rest van de neus.
Terwijl de rest van de neus nog rood ziet van de voorgaande dag, misschien de afgelopen nacht, laat ’t topje zich wit kleuren. In een rond tot 4-kant puntje. ’t Is geen gezicht.
Ik kijk dan streng. Waarschijnlijk nog overgehouden van ’t commando ‘Strak!’ ’t Overdonderende van de aanblik van de spiegel speelt echter ook mee. Ik ben helemaal niet gewend m’n aangezicht zo te zien spiegelen. Een gezond gezicht met een witte punt die vooruitsteekt.
’t Is eigenlijk niet ‘ns een punt. ’t Heeft vermoedelijk wel een oppervlakte van een cm². Of in ieder geval de helft ervan. Op een menselijk gezicht vind ik dat een behoorlijke proportie vergeleken tot de rest. Vooral omdat ’t een wel zeer bepalend onderdeel is van ’t aangezicht.
’t Is ook de kleur die er achter steekt, die me danig uit m’n gemoedstemming brengt. Een crème-achtig wit, waar nog net de onderhuidse dunne adertjes doorheen zijn te ontwaren. Sommige blauw, anderen roze. Bij gebrek aan bloedtoevoer worden ze tot die roze gloed veroordeeld, die kleine haardunne adertjes. Blauw wordt vermoedelijk door ‘tzelfde euvel veroorzaakt, maar ik waag me na verwijdering van ’t spiegelbeeld te geloven dat ik ’t eigenlijk niet gezien heb. ’t Was er wel, maar ’t was er niet. Ik wilde ’t blauw zien om te geloven dat ik dat uiterste puntje van m’n neus door ’t bekkentrekken aan ’t afknijpen leek. Die rozige gloed echter, tegelijk met de algehele schijn van crème, die doen mij denken aan de tijd dat ik nog mee-eters had. Van die voortijdige mee-eters. Die er om schreeuwden vooral voortijdig verwijderd te worden. Veel te vroeg bleek dan uiteindelijk. Daarom dat ik ze voortijdig noem. Die dus extra pijn deden, waarbij de actie op niets uitliep, behalve een week lang een rode put, of witte bobbels op enkele andere plaatsen, & vooral niks bijdroegen in ’t doen wegebben van de witte gloed die over mijn aangezicht hing.
Dat was in de dagen dat ik niet alleen bij ’t tandenpoetsen in de spiegel keek. Spiegel & ik moesten nog aan onze onderlinge communicatie wennen; we waren druk bezig elkaar te trainen in omgangsvormen, waarbij uiterlijke voorkomendheid een pre was. Ik ging er in die dagen vanuit dat als ik niet zou kunnen communiceren met m’n spiegel, ik dat ook niet met leeftijdgenootjes zou kunnen, zeker niet met die van ’t vrouwelijke geslacht.

Bovenstaande is allemaal niet zo erg. Ik vind eigenlijk wel dat je spiegelbeeld je best op ’t verkeerde been mag zetten. Wie denk je immers zelf wel dat je bent? De imperfectie hemzelf? Of de tegenhanger ervan?
’t Is alleen zo vreemd een dergelijk onderdeel van ’t aangezicht op deze leeftijd te ontdekken.
‘Ploemp!’ door m’n schaper plompverloren midden in m’n tronie geplaatst.
Alsof ’t er daarvoor nooit was & nu pas van zich doet spreken. Of dat ik er jaren mee rondloop, in ’t dagelijks leven me begeef onder de mensen & bij bepaalde gezichtsuitdrukkingen ’t verschijnsel tevoorschijn tover, zonder dat ik daar ooit van op de hoogte ben geweest, & bovendien: zonder dat men mij daarover inlichtte. Omdat men, de mensen die dapper genoeg zijn om op- & aanmerkingen over m’n uiterlijk te durven plaatsen, dacht dat dat nu 1maal een vast onderdeel was van mijn algehele verschijning. Men nam dat puntje op de neus maar op de koop toe. Niets aan te doen, dat witte, crème stukje huid, waar een beetje flexibiliteit in lijkt doordat ’t bovenop een zwevend stukje bot zit geplakt, dat hoort nu 1maal bij Ton.

& In Zijperspace wist men al die jaren van niks.

.nl/.net

Men kan weer gerust te slapen gaan. Alles is weer in orde. Of in ieder geval bijna alles. Want als ’t aan de heren Protagonist (waarom ik dat nog met een hoofdletter schrijf is me een raadsel), dan blijf ik nog even misère houden, want ze geven me geen toegang tot de data die nog verzameld staan op hun server. Dingetjes die ik nog even in orde wilde maken. Maar dit zijn heren die je een vinger geeft & dan nemen ze alles wat ze voor handen krijgen.
Wat betekent dat de reacties van afgelopen jaren zo’n beetje allemaal verloren zijn (hoewel ik nog kan uitzoeken wat ik op m’n comp hier heb opgeslagen); m’n geselecteerde stukjes aan de zijkant kan ik opnieuw gaan uitzoeken, wat betekent dat ik van de afgelopen 3-4 maanden alle teksten moet doornemen; & er zijn nog enkele mankementjes, doordat niet de juiste bestanden zijn overgezet, of in ieder geval niet volledig.
Er valt voor de rest niet veel over te zeggen; ik moet gewoon weer m’n best gaan doen (moeten, moeten, jij moet niet de hele tijd zoveel moeten van jezelf, hoor ik iemand zeggen), teksten schrijven, kritisch blijven, diep duiken, uitweiden, nederig zijn.
Dank ben ik verschuldigd aan Luuk, Suffie, Daan & Carin, die me even wat extra aandacht gaven met verwijzing naar mijn onderkomen op zijperspace.net, alsook enkelen achter de schermen (’t is af & toe heerlijk om complimentjes te krijgen; ik dacht eigenlijk dat ik er niet zo goed tegen kon).

Als u nu slapen gaat, als u daar al niet aan begonnen bent, dan gaan wij hier nadenken, nadenken over iets zinnigs, zodat we in de ochtend weer een lap tekst te plaatsen hebben, vlak voor werk, in Zijperspace.nl (tevens .net).

brief

Hoi Mam,

Ik ben heus wel een keertje boos. Op een klant bijvoorbeeld, die zich aan de bar niet gedraagt zoals ’t hoort. Brutaal, lawaaierig, slordig, onbeleefd naar 't personeel, de regels van ’t spel overtredend. & Als ik boos ben krijg ik heus wel ‘ns te horen dat men ’t er niet mee eens is. Agressie tot gevolg.
Ik ben in m’n ballen getrapt, heb een glas naar m’n hoofd geworpen gekregen, een klap in m’n gezicht, uitgescholden, etcetera.
Op dat moment raar, maar binnen de horeca haast iets vanzelfsprekends. Hoort zo af & toe bij 't vak, niets om je zorgen over te maken.
Jij ook niet.
Ook al krijg ik er blijkbaar iets sneller mee te maken dan de anderen. Ik kan me niet herinneren dat m’n collega’s met handgemeen te stellen hebben gehad.
Ik ben ietwat impulsiever. Kan m’n mond niet houden. Moet ingrijpen.
’t Volgende moment besef ik me vaak pas dat ik zwakker sta. Ik heb geen haar op m’n borst.
Dat lijkt een raar argument, maar ’t werkt door. Ik heb er nooit bij stil gestaan of ik sterker ben dan anderen. Ik heb me nooit hoeven bewijzen. Goed, tuurlijk tegenover m’n broers. De dagelijkse strijd om de grootste gehaktbal. Maar niet tegenover de jongens op straat. Ik heb slechts zelden een gevecht hoeven leveren, ben beschermd grootgebracht. Ik heb geen haar op m’n borst.
Ik weet de consequenties niet te dragen van ’t gedrag dat ik vertoon. Ik ben verontwaardigd & dat moet zo gevoeld worden. Vooral door degene die in mijn ogen verkeerd bezig is geweest.
Er bestaat een kans dat ’t een keer daadwerkelijk uit de hand loopt. Maar daar moeten we niet aan denken. Ik gedraag me. 99 Van de 100 keer. & Omdat ik me gedraag verwacht ik dat ook van anderen.
Ik ben te idealistisch. Ik leg de lat vaak te hoog. Niemand die dat merkt, totdat er iemand is die zich laat meeslepen. & Ik m’n mond weer ‘ns niet kan houden.
Een pizzaboer die ’t portier van z’n auto plots opent, op ’t moment dat ik aan de linkerkant wil passeren omdat er rechts geen ruimte meer is.
‘Hé, klootzak,’ roep ik dan.
‘Wat klootzak?’ roept hij op zijn beurt, waarna hij op me afrent.
‘Kan je niet uitkijken?’ vraag ik nog met enige dapperheid.
Maar die trekt al snel in m’n schoenen. Een agressieve bek, die veel sterker is dan mijn verontwaardigde blik, een arm die op vernielen staat, & een argument die naar voren brengt dat híj marokkaan is & ik een blanke.
‘Man, ik kan helemaal niet met je praten,’ zegt-ie dan. ‘Jij hebt gedronken. Ik ruik ‘t.’
‘Maar ik kan me in ieder geval nog normaal gedragen in ’t verkeer,’ is de laatste opmerking die ik mezelf durf toe te laten, want hij schreeuwt de hele buurt bij elkaar.
Ik ben een zielig stilstaand fietsertje. Overdonderd door een autobezitter die met wijd uitslaande armen zijn gelijk beweert. Want ik ruik immers naar drank. Ik durf niet meer te zeggen dat drank mijn vak is.
Nietig.
Nachtenlang lig ik daarvan wakker. Ik verzin me zelf een bezitter van elke zwarte band die de oosterse vechtsport kan leveren. Met controle, met overleg, met introspectie, met onkwetsbaarheid. & Een snelle slag op z’n muil, waardoor m’n opponent spoedig op apengapen ligt.
Mam, ik ben heus wel een keertje boos. Weet ik niet waar m’n drift me heen zal leiden. Maar meestentijds voel ik me prima op m’n gemak, hier in de grote stad. Je hoeft je nergens zorgen over te maken. Zeg maar tegen Pa dat ’t goed gaat. Niemand die mij iets doet.
Ik ben een barman tenslotte. Geen brede, maar wel een barman.

Geen zorgen over alles dat langskomt in Zijperspace.

onderdoorgang

100-en Meters reed ik regelmatig om, om toch vooral verrast te worden, je wist 't nooit, door een orkest van 2 accordeons, een stem die zong boven de oorspronkelijke tonen uit, een zielig koud viooltje dat bedelde om de gunst van een stilstaand oor. & Ik was elke keer verbaasd dat men die hele reis, vanuit Mongolië, vanuit voormalig USSR, vanuit relatief dichtbij Wenen, had gemaakt om ons toch maar even met enkele muzieknoten te betoveren. M’n haast werd vertraagd, m’n vaart vergeten, ’t schieten van mijn fiets & ik tussendoor de menigte dronken-van-verwondering-toeristen opzij gezet, m’n ros op standaard & ik een zitting lager op m’n eigen achterop, hopend dat ik ditmaal meer dan ’t laatste nr voorgeschoteld zou krijgen, niet alleen de hoed.
Menigmaal was ik reeds gegrepen door ‘tgeen me gratis aangeboden was tijdens de lunchconcerten aan de overkant, me opnieuw spoedend naar ’t leven van alledag, maar nog in de roes van ’t beste geluid, zo men beweerde, in concertzalen verkrijgbaar, werd ik bevangen door de beste echo, in ’t nagalmen, de akoestische gothiek van een onderdoortje.
Hoe vaak heb ik achteraf de pen willen pakken, me realiserend dat wat ik ook zou vangen aan woorden, die korte momenten die als vanzelf uit elkaar gerukt werden, doordat muziek plots niet voor podium leek te dienen, maar slechts voor daar waar ‘t ’t beste tot z’n recht komt, ’t moment/de plek/de gemoedsstemming gecombineerd, ik niet meer dan lucht zou bakken vergeleken met de belevenis zelf, omringd door anoniemen, passanten, glimlachers & orenspitsers, allen ‘tzelfde ervarend, ieder op z’n eigen manier, z’n eigen woorden zoekend, & nergens een gedachte van een pen voor handen.
Wat nu is, is nu, hier hier, de golven geluid kaatsten tegen de wanden, weerspraken wat gedacht werd, om ’t even later juist te bevestigen, om te doen realiseren dat alles een tel later anders kan zijn, maar toch in harmonie.
Een vader met kind in ’t zitje trok traag door de massa, z’n aandacht verdelend over ’t rechtzitten van z’n telg & ’t pogen elke seconde mee te pakken van de ervaring waar een kordon omstanders wél de tijd voor had gemaakt, ik zag ‘m in m’n ooghoek omkijken, de muziek meesleurend naar buiten, naar ’t licht dat nog wel een poos mocht blijven schijnen, maar dat even niet hoefde voor ons. ’t Had z’n importantie, z’n noodzakelijkheid even verloren. Die wegtrekkende schaduw die plots geen schaduw meer was als de zon op hun beider lichaam scheen, deed realiseren dat je juist die mogelijkheid moest hebben: vluchtig mee te pikken of vluchtig voorbij te zien gaan.
’t Voorbijgaan der dingen, & ’t gemis van ’t besef daarvan, juist door de combinatie van flaneren, drentelen, op een sukkeldrafje fietsen, slenteren, voorbij schieten, stilstaan in bewondering, & jezelf tussen de zigzaggende onoplettendheid door laten slingeren, daarbij vergezeld door verloren tonen, toevallig niet voor jou bestemd vandaag, deden deze onderdoorgang uitstijgen boven de ervaringen van alledag, mag daarom niet verloren gaan, zeker niet voor passanten op de fiets.


Ondertekent allen ajb de petitie, voor 't behoud van mooie ervaringen, niet alleen in Zijperspace.
(voor enige verdere toelichting, zie hier: link).

hoofdrol

Piepaliedeladeloe
(poeh)
Piepaliedeladeloe
(poeh)
Piepaliedeladeliedelade pie pa poe de liedeladeloe
Pie pa poe de liedeladeloe
Pie pa poe de liedeladeloe poooooeeeeh


& Dan moest ik er een beetje bij staan dansen. M’n heupen bewegen & met de microfoon staan zwaaien. Ik moest ’t zelf een beetje improviseren. Waar ik me op dat moment prettig bij voelde. Als ’t er maar swingend uitzag.
Pas op ’t moment dat ik ’t couplet zou beginnen, moest ik stil staan. Want dan was de tekst opeens anders. & De muziek verstild.

Ik voel me zo vreselijk verlaten.
Ik voel me zo akelig alleen.
Ik heb niemand om mee te praten.
Waar moet ik in godsnaam heen?


30 Jaar later & ik weet nog steeds de tekst uit m’n hoofd. Meester Rietwijk liet ‘t me helemaal in m’n kop stampen. & Ik deed ’t met veel plezier, want ik had de hoofdrol: Kleine Jopie. ’t Jochie dat ’t wel zou gaan maken in de hitparade.
Ik was er ook uitstekend voor geschikt, ik was immers de kleinste van de klas. Dat paste goed bij de naam Kleine Jopie. De grootste jongen, Andrew, werd Grote Joop. Meester Rietwijk kwam met de musical aanzetten, we kregen allemaal een kopie van de tekst uitgedeeld, & begon over de rollen. Wie waarvoor in zijn ogen ’t meest geschikt was. Ik zou Kleine Jopie worden; of ik dat goed vond.
Trots kwam ik ’t thuis vertellen. Kon Oma, die net op dat moment bij ons op visite was, niet een trui breien met de letters KJ erin? Of LJ, want halverwege de musical zou mijn naam veranderen in Little John. Meen ik me te herinneren. De nieuwe naam zou beter zijn als ik inderdaad in de hitparades terecht wilde komen. Grote Joop werd waarschijnlijk Big John.
Ik ging op m’n slaapkamer oefenen. Leerde de gehele tekst uit m’n hoofd. Vooral de nrs die ik moest zingen. Met een denkbeeldige microfoon in m’n hand stond ik naast ’t bed te swingen. Als m’n broertje plots binnenkwam was ik toevallig de dekens aan ’t herschikken. Of moest ik de trap van ’t stapelbed op een andere plaats ophangen.
Mompelend liep ik de weg naar school, om te controleren of ik alles al in m’n hoofd had zitten. Ik ging liever niet meer met m’n andere broers mee, want dan kon ik me niet concentreren. Zogauw m’n boterhammen op waren, rende ik de deur uit. Op ’t pleintje van school wachtte ik dan op andere hoofdrolspelers, konden we de tekst doornemen.
We werden de klas van de musical. We zouden ’t jaren later nog horen: ‘Oja, jullie zijn van de musical.’ Dat straalde blijkbaar op ons af. Konden de muzieklessen wat verder gaan dan doorgaans.
M’n Oma wist niet of ’t haar zomaar zou gaan lukken. Gewoon een trui breien & daar de 2 letters los op prikken; dat kon ook, dacht m’n moeder. Vond ik minder mooi, maar ’t was in ieder geval wat. Mijn moeder vond dat ik zowiezo weer ‘ns een nieuwe trui mocht hebben. Als die letters er op zouden staan, zou ik ‘m alleen maar voor de musical gebruiken.
M’n Oma zou aan de gang gaan.
Rond die tijd wilde de meester een praatje met me maken. Na afloop van de les. De rol nog even doornemen, dacht ik.
Maar hij ging wel heel serieus zitten. Schuins in z’n stoel achter ’t bureau. Z’n houding zo ontspannen mogelijk, maar met een gezicht vol inhoud.
Wat of ik zelf van m’n rol vond, vroeg-ie.
Leuk.
Wat moest ik anders zeggen. Ik had de hele rol uit m’n hoofd geleerd. Ik had m’n best gedaan op alle repetities. Ik was de kleinste van de klas. Wat moest ik meer zeggen dan ‘leuk’.
Hij had ’t een beetje zitten aankijken, vertelde hij, maar hij had ’t idee dat ’t niet helemaal goed liep.
Oh?
Maar dat zei ik niet.
& ’t Was beter dat-ie nu ingreep dan dat we te lang er op zouden wachten. Er waren nog 2 maanden te gaan. Als-ie nú maatregelen zou nemen, dan was er nog een kans dat ’t goed zou komen. Dan kon mijn vervanger, want daar wilde hij ’t over hebben, de rol nog bijtijds leren. Of ik dat ook niet beter vond?
Hm.
Zal ik wel gezegd hebben. Of misschien wel niks. Ik werd in die tijd nogal snel rood in m’n gezicht. Blozende kop. Ik werd er vaak om gepest. Dus zal ik wel een rode kop hebben gekregen. Bang dat er iets fout aan ’t gaan was.
’t Leek hem dat Dimitri beter de rol van Kleine Jopie over kon nemen. Hij was weliswaar niet zo klein als ik, maar dan veranderden we toch gewoon de naam. Dimitri durfde meer. Die zat wat losser in z’n vel. Die durfde waarschijnlijk wel te dansen tijdens ’t zingen. Die kon misschien ook wel beter toneelspelen.
Hm. Rode kop.
Dan zou ik in ’t achtergrondkoortje kunnen meespelen. Ook wel belangrijk. Had ik evengoed tekst.
2 Regels hooguit, dacht ik.
Maar dan kwam ik in ieder geval beter tot m’n recht, zo zei meester Rietwijk.

Ik ben naar huis gerend & heb m’n moeder gezegd dat die trui niet meer nodig was. Toen heeft m’n moeder me op de bank getroost. Met haar eigen zakdoek veegde ze m’n tranen weg. Die trui kreeg ik evengoed nog wel, zei ze. Zonder letters.

‘t 1e couplet werd nog maar ‘ns gezongen in Zijperspace.

telefoontje

‘Stom, hè. Ik heb z’n nr gewoon niet opgeslagen.’
‘Hij heeft je toch gebeld?’
‘Ja, maar da’s alweer een paar dagen geleden.’
‘Dat ding slaat de laatste 10 nrs op, geloof ik, die jou gebeld hebben.’
‘Hoe haal ik die dan tevoorschijn?’
‘Naar ’t Menu.’
‘Daar zit ik nu.’
‘& Dan. Even kijken. Oproep-info.’
‘Maar er staat geen naam bij dat nr.’
‘Misschien herken je ’t nr. Soms weet je wel de 1e nrs te herinneren.’
‘Ja, ’t begint met 06. Maar er zijn wel meer mensen met een mobiel die me de laatste dagen hebben gebeld.’
‘Goed. Van Oproep-info ga je naar Ontvangen Oproepen.’
‘Ja. Ik heb een telefoontje van Pes gehad.’
‘& Dan ga je naar beneden. Hier staat een 06-nr.’
‘Dan moet ik die maar gaan bellen.’
‘Je kan ook kijken wanneer die persoon heeft gebeld.’
‘Hoe dan?’
‘Via Opties. Hier links. Daarna Tijdstip opr.’
‘Hoeveelste is ’t vandaag.’
‘Weet ik niet. Wanneer heeft Pes gebeld?’
‘Gister.’
‘Dan was ’t gister dus de 17e.’
‘Even kijken. Dan heeft Tabe donderdag, da’s de 15e, gebeld.’
‘Dit 06-nr dus niet.’
‘Staat er nog een andere?’
‘Ja, hier. Da’s op de 15e. Om 10 uur ’s avonds.’
‘1st Even kijken of ik nog door iemand anders gebeld ben die dag.’
‘Rachel.’
‘Wanneer?’
‘Diezelfde dag. Vlak voor 6-en.’
‘Dan is dat nr daarna van Tabe.’
‘Moet je alleen dat nr kopiëren.’
‘Lijkt me toch niet nodig? Ik druk dat groene knopje gewoon in.’
‘Zou dat kunnen?’
‘Ik probeer ’t gewoon.’
‘Tuut. ( ) Tuut. ( )’
‘Hij gaat in ieder geval over.’
‘Nou moet-ie ‘m alleen nog opnemen.’
‘Hoi, Ton.’
‘Hoi, Tabe.’
‘Heeft-ie opgenomen?’
‘Hé, Tabe. Hmm. Er ligt een vrouw bij mij in bed.’
‘Ok. Dan kom ik morgenavond wel langs om ’t te fiksen.’
‘Goed. Zie je dan.’
‘Doei.’
‘Dat ging snel.’
‘Ja, mannen begrijpen zulke dingen onmiddellijk.’

& We keerden ons nog even om in Zijperspace.

blauwblauw

Nu zijn ze weer verkeerd. Een blauwe met een blauwe. Als ik ’t uitleg als in voorgaande zin, dan proeft men de nuance niet. & In ’t donker zie je ’t verschil ook al niet makkelijk, in ’t grote licht van m’n slaapkamer; dat is al donker genoeg, met z’n eeuwige gordijnen, om vooral niks van de straat te merken. Pas als ’t daglicht, & dan bedoel ik niet de herfstige variant die de laatste weken de boventoon voert, naar binnen schijnt op ’t moment dat ik m’n schoenen aantrek, zie ik dat er verschil is.
Ik heb ’t proberen te corrigeren. Vorige week bij de was. Of eigenlijk al eerder. Gewoon de niet gebruikte broeders van ’t eerder gebruikte onechte paar (hoe moet je ’t anders onder woorden brengen?) niet abusievelijk, maar met opzet combineren.
Dat voelt heel anders overigens dan dat je zoiets per ongeluk doet. Sterker: ik heb ’t die 1e keer niet eens gemerkt. Ik had ’t pas door toen ik me de 2 wilde aanmeten die ieder alleen achter gelaten waren; zonder ’t gezelschap dat zij ieder gewoon waren.
Op mijn sokken staan l-tjes & r-tjes, om aan te geven aan welke voet ze ’t beste passen. Kwaliteitssokken, met zorg gemaakt om juist de linker- dan wel rechtervoet optimaal te omhullen. Zodat ’t niet gaat wringen in even hoge kwaliteitsschoenen. Als je 1maal begint met aandacht besteden aan je voeten, ze in gaat pakken in degelijk- & duurzaamheid, dan wil je niet zo snel meer een stap terug. Vooral niet als je eigen persoonlijke podoloog dat aanmoedigt. Een podoloog heet immers verstand te hebben van voeten. & Bij Carl Denig zijn ze financieel afhankelijk van mensen die denken te geloven in een boven gemiddelde hoedanigheid. Ook zij zullen geen bezwaren ter berde brengen.
Dus eigenlijk hoef ik bij ’t aankleden slechts te letten op ‘l’ & ‘r’, & de kleur. Waarbij dat laatste dus fout is gegaan. Als ik goed terugreken, 2 weken geleden.
Goed, ik dus corrigeren. 2 Dagen ’t gevoel gehad (ik draag m’n sokken 2 dagen, dat voelen ze ’t prettigst aan: de 3e dag heb ik nog geen last van bovenmatige reuk, maar wel van ’t gevoel dat ik af & toe wegslip in vochtigheid) dat ik een beetje voor aap liep, maar dit keer vooral omdat ik me er bewust van was. Maar zomaar de ongebruikte sokken bij de was gooien, of wachten totdat de gebruikte schoon & gewassen uit de was tevoorschijn kwamen, dat kon ik niet. (Daar heb ik te weinig sokken voor). (Mijn inkomen is niet toereikend voor een garderobe van 2 weken lang kunnen wisselen in sokken).
Er is natuurlijk niet al te veel aan de hand: ik draag m’n sokken immers in schoenen, m’n broek valt er overheen, & slechts in ’t geval ik ga zitten met m’n beide benen over elkaar heen zou ’t op kunnen vallen. & Dan nog moet ’t plaats vinden in een ruimte waar meer licht heerst als in mijn slaapkamer. Buiten dat: ik ben die 2 dagen niet in die mate intiem geweest met iemand dat ik wat sokken betrof door de mand had kunnen vallen.
Terwijl ’t ene abusievelijke paar inmiddels droog was, is ’t volgende de wasmachine ingegaan. Eergisteren was alles droog. Alleen heb ik ’t toen niet onmiddellijk uitgezocht, zelfs enkelen niet van de lijn gehaald.
Door luiigheid, niets anders dan luiigheid is de oorzaak ervan dat ik sinds gistermorgen, vanochtend ontdekt, weer op ‘tzelfde, niet qua kleur op elkaar afgestemde paar, ’t paar waar ik m’n 1e vergissing mee maakte, loop.
Ik trek zodirect weer schoenen aan, m’n voeten zullen zich ’t grootste deel van de dag achter een toonbank bevinden, m’n broek valt ruimschoots over ’t reepje sok dat ontdekt zou kunnen worden, & ’t blauw dat staat tegenover ’t andere blauw is niet zó duidelijk herkenbaar als zijnde anders dat ’t in de intimiteit, of eigenlijk afstandelijkheid van mijn omgang met mensen vandaag makkelijk ontdekt zal worden.
Maar toch.
Nog een week. Dan zal ’t weer kloppen.

Dan schijnen we wat extra licht bij op ’t cruciale moment in Zijperspace.

klisma

De gastro-enteroloog zei: ‘’t Is eigenlijk een beetje een vrouwenkwaal.’
Waarbij hij een klein lachje produceerde. Een geruststellend lachje, van ‘zo erg is ’t eigenlijk niet’.
Hij legde me uit hoe de darmen werkten, & waar zij zich bevonden. Door ervaring bij eerdere klachten wist ik een groot gedeelte al, maar ik liet ‘m z’n gang gaan. In de hoop dat hij zou duiden op ’t ongewisse, op dat wat mij als een zwaard van Damocles boven ’t hoofd hing, op een fatale bijkomstigheid die slechts mij zou treffen.
Hij ging echter kalm met een pen over ’t papier. Schetste ’t hele stelsel, een zekere routine was eruit af te lezen, vertelde kalm de voortgang van mijn eten & de daaropvolgende vertering & hoe spanning & emotie hier op invloed konden hebben.
‘Over ’t algemeen een vrouwenkwaaltje dus,’ met weer dezelfde glimlach.
Ik snapte niet hoe hij na al die jaren die zelfde lach kon produceren. Ik zat er toch mooi mee dat ik blijkbaar mijn lichaam als een vrouw aan ’t besturen was. Er zouden toch heus wel meer mannen zijn die spastische darmen overhielden aan gespannen periodes.
Maar bij ’t opnieuw betreden van de wachtkamer, ik moest de assistente nog even afwachten voor ’t maken van vervolgafspraken, zag ik nog steeds dezelfde wachtenden, weliswaar van divers pluimage, verschillende leeftijd, maar hoegenaamd slechts als vrouwspersoon te herkennen. Ik bofte met mijn gewoonte altijd een boek bij me te hebben & niet aangewezen te zijn op de leesbak van libelles, margrieten, story’s & privé’s.

‘Ja,’ begon ik gister mijn uitleg aan Jos, ‘’t zal heus wel gelegen hebben aan ’t gebruik van surinaamse chutney, maar mijn darmen reageren op ’t minste geringste een beetje extreem.’
Ja, dat wist hij. Misschien wat minder gebruiken?
Ik had ’t potje al weggegooid. Deze wilde ik nimmer meer zien. Waarschijnlijk nog wat vetter doortrokken van olie dan de andere, maar een licht bederf kon er ook de oorzaak van zijn.
‘Daar moet je toch mee oppassen.’
‘Ja, dat zal ik zeker,’ luidde mijn conclusie evenzo.

De assistente haalde de agenda tevoorschijn. Wanneer ’t mij schikte?
‘Op welke termijn kan ‘t?’ was mijn wedervraag.
Ze hadden ’t nogal druk, er zou zeker een maand overheen gaan. Maar als ik een bepaalde voorkeur had, dan kon ze kijken of er nog een gaatje was.
We kwamen tot overeenstemming. 2 Afspraken werden geplaatst. 1 Voor bespreken van de in te leveren ontlasting & de volgende voor ’t kijkonderzoek.
De specialist had me er over ingelicht. Dat ’t misschien toch wel noodzakelijk was. Om eventualiteiten uit te sluiten. Wellicht zat er ergens een plekje, een bultje of een kuiltje, dat mijn darmen tot activiteit maande. & Met zo’n meterslang dun kabeltje met aan ’t uiteinde een minuscuul kleine camera kon er veel te weten worden gekomen.
’t Deed geen pijn. ’t Zou hooguit voelen alsof ik naar de wc moest.
Ik zag me daar al hangen met m’n benen omhoog, een team van deskundigen aan de monitoren, met afstandsbediening op jacht naar fraaie beelden van mijn binnenste, maar wilde de pret niet bederven. Normaal leven wilde ik ook wel weer.
De assistente ging verder. Ter benadrukking, dat ik er vooral toch op moest letten, vertelde zij me, de dokter had ’t vast ook meegedeeld, dat ik toch zeker 12 uur nuchter moest zijn. Dit ook in verband met ’t klisma.

Ik belde m’n moeder om te vertellen hoe ’t er voor stond.
‘Op zich wel interessant,’ zei ik, ‘zo’n camera die opnames maakt van gebieden die nog niet eerder in beeld zijn gebracht.’
‘Ja, maar echt lekker voelt ’t toch niet, lijkt me.’
Ze bereidde me er vast op voor.
‘Maar ze gaan ook een klisma doen. Wat zou dat zijn?’
& Als een wijze vrouw legde zij nog even uit wat de specialist gemakshalve had laten liggen.

Diezelfde middag besloot ik dat ik van alle spanning af wilde. Tijdens een vergadering, toevallig dezelfde dag om een uur of 4 vond deze plaats, heb ik m’n hoofdredacteurschap opgegeven, afstand gedaan van alle taken. Men mocht me om raad vragen & ik zou alles overdragen, maar verantwoordelijkheid wilde ik voorlopig niet.
Als een opgelucht mens fietste ik vervolgens weer naar huis.
Een week later belde ik de assistente. ’t Leek me voorlopig niet noodzakelijk, die kijkoperatie.
‘Ik zet ‘m wel tussen haakjes,’ zei ze. ‘Dan kunt u tot een week voor die datum de afspraak herzien.’

Maar de binnenste regionen van Zijperspace hebben ze nimmer kunnen bekijken.

gezelschap (2)

De volgende dag ben ik naar Helger gegaan. Hij maakte de roosters. Dat ’t misschien niet verstandig was als zij kwam werken als ik dienst had. Ik was tenslotte begeleider & moest ook aandacht aan anderen besteden.
Ik legde de situatie uit. & Een dag later deed ik ‘t nog een keer ‘tzelfde aan Sabine. We lachten een beetje.
‘Je mag je werk niet mee naar huis nemen, Ton,’ werd opgemerkt.
‘Ik ben bereid bepaalde mensen tot in ’t uiterste te begeleiden,’ pareerde ik.
Maar ze kwam in ieder geval niet meer werken als ik er was. Daar hoefde Helger niet ‘ns zo erg z’n best voor te doen. Na 2 diensten, die al geroosterd waren, kwam ze niet meer vragen om nog meer werk.

Toen heb ik nog wel even zitten nadenken. Hoe ik achter haar was gaan zitten, zogenaamd een boekje lezend, starend ook naar buiten, want een begeleider moet ook iets om handen hebben. Terwijl zij praatte. Zij praatte aan 1 stuk door. Sneller dan ze aan de andere kant van de lijn konden volgen, waarschijnlijk. Dat was de reden waarom ze goede resultaten haalde.
Daar was ik niet in geïnteresseerd. Dat wist ik wel. Men hoefde mij niet te overtuigen. Er werden goede resultaten behaald omdat men zich op z’n gemak voelde. Onder druk werd er bij dit soort werk verkeerd gereageerd, was mijn filosofie. Laat ze daarom, ’t komt vanzelf, met hooguit een paar aanwijzingen.
Dus zonder iets te doen, behalve ’t orde scheppen in de chaos, verdiende ik m’n geld, was ik de baas, onder ’t mom van begeleider. Ik las een boekje & staarde naar buiten. Achter haar rug. Haar rug, waar panty’s bij hoorden, onder haar rug, onder haar rok, haar korte rokje. Haar rug, waarboven ’t halsbandje zich bevond, dat weggebeten diende te worden, losgescheurd, waar woeste & wilde seks ’t gevolg van konden zijn. Haar rug, waar aan de andere kant haar blouse open viel, als zij zich voorover bukte om een pen van de grond te pakken.
Ik keek naar buiten & zag niet veel. Maar wel genoeg.

Ik kwam haar niet meer tegen. Hoewel ik wist dat ze gewoon was in dezelfde kroegen te komen als ik. De Hoogte, Winston, Korsakoff.

Ik zei tegen Helger dat ik haar niet meer zag.
Nee, want hij belde haar niet meer. Hij lachte.
‘Zo wilde je ’t toch?’
Ja, zo wilde ik ’t toch. Zonder vraagteken.

Ik heb schuld, had ik willen zeggen. Ik had m’n ogen open moeten houden. Luisteren, tot diep in de nacht van de volgende ochtend. Ik had moeten willen weten wat de bedoelingen hadden kunnen zijn. Ik had geen vraag mogen stellen. Zeker niet voor de 2e keer. Ik had niet mogen profiteren. Ik had er niet van uit mogen gaan.
& Bij haar vertrek had ik op moeten staan. Beleefd moeten opstaan. Ik had een shirt aan horen trekken. Een broek misschien. Ik had de deur kunnen open doen, ook al had ze dat geweigerd, & warm over haar schouder m’n hand kunnen laten glijden. Tot ze los was. Weg.

’s Avonds ging ik uit met Roald. Bijna elke avond. Vaak tot diep in de nacht. We waren afhankelijk van wat de nachtcafés ons te bieden hadden. Altijd dezelfde gezichten waren dat. Waren ze niet op de ene plek, dan waren de vaste gezichten wel te zien op de andere plek. De nacht had elke nacht dezelfde kleur, dezelfde structuur in zijn behang.
Zo had je Fred, de molukse homo, met z’n eeuwige linnen hangtas. De kleine neger met de pet. De caissière van ’t filmmuseum die z’n voeten nooit stil kon houden. De meisjes die te oud waren om nog mooi te zijn. De alcoholist die je overal in kon herkennen. De man met de baard, die slechts 1 soort drank lustte. De medestudenten. De acteur met de hond. De praters. ’t Bandje uit Den Helder. De stillen. ’t Meisje dat staarde, naar buiten, of misschien maar deed alsof.
Roald stelde vragen & ik wachtte af.

Op een nacht ben ik haar tegengekomen. In de Koophandel. Ze zat bij de uitgang, tegenover haar vrienden. De vrienden waren aan ’t converseren, stoer als echte punkers horen te doen, voorovergebogen, luidruchtig, geen interesse voor de rest. Terwijl zij rookte.
Dat was ’t onthutsende.
Ze rookte alsof niemand tot haar door kon dringen. Daar had ze geen luidruchtige conversatie voor nodig. Een rechte nek, mascara als pijlen richting haar oren getekend, een neus die hautain richting ver weg stond gemikt, een rokje, nog kort als toen, panty’s als toen, alles als toen, maar de tijd van een jaar er overheen. & Een sigaret, waar ze een gordijn van rook mee creëerde.
Ik wendde me tot Roald, zei dat ik ging, stond op, wachtte niet af, liep langs haar heen, deed de deur open & stond buiten in de nacht.

Ze keerde niet terug in de wereld van Zijperspace.

gezelschap

We waren klaar met werk, & we waren klaar met nadrinken in ’t gezelschap van collega’s. Maar ik was nog niet klaar met gezelschap. Dus vroeg ik haar of ze bij mij bleef slapen.
Ik was toen een betere barman als in de tijd dat ik daadwerkelijk barman was. Ik was overdonderend & liet ’t daar niet bij.
Zonder bijbedoelingen, maakte ik duidelijk. Gewoon (alles was gewoon in die tijd, of anders begonnen we onze zinnen er voor de zekerheid mee, voor ’t geval dat er anders over gedacht werd), omdat ik behoefte had aan gezelschap.
Ik had vaak behoefte aan gezelschap. Er ging geen dag voorbij of ik had tot ’s avonds laat gezelschap. Er gingen geen 2 weken voorbij of ik had tot ’s ochtends vroeg gezelschap.

& Zonder bijbedoelingen bleef zij slapen. Nadat we tot diep in de nacht wakker waren gebleven. & Toen zij ergens halverwege ontwaakte bleven we gezamenlijk een tijdje wakker om vervolgens de slaap weer in te halen.
Nee, geen bijbedoelingen. ’t Was gezellig. Ik kon m’n arm om haar heen slaan. Om haar tengere lichaam. & Zij kon zich dat laten aanleunen.

Ze had haar mascara doorgetrokken. Lijntjes staken voorbij haar ogen. Als pijlen richting haar oor.
Vlak voordat ze m’n bed inkroop waren die weggepoetst. In 5 minuten tijd op ’t toilet. Veel mooier, vond ik, maar dat zei ik niet. Voor 1 nachtje mocht je iemand niet willen veranderen.
Haar haren los. Roodgeverfde haren in lange slierten langs haar frêle schouders. Niks geen strakke tante meer van haar in een staart naar achteren, een tante die zelfverzekerd stoer alles van zich afschudde door een grote mond die daadwerkelijk groot kon zijn.
Een zoen werd nu teder ontvangen & ademde lichtjes.
Om haar nek een bandje. Bandjes die in de mode waren bij meisjes die naar dezelfde dranklokalen gingen als wij. Ik had ze alleen nog nooit van zo dichtbij bekeken. ’t Was ‘t enige dat van haar kleding was overgebleven toen ze m’n bed betrad.
Alsof er een chocolaatje om haar nek gebonden zat.
M’n lippen wilden peuzelen, maar schrokken terug toen ’t inderdaad slechts naar kleding smaakte. Dus concentreerde ik me op de rest.

De volgende dag weer werk. Wat nadrinken in ’t gezelschap van collega’s. Toen ze weer weg gedruppeld waren vroeg ik of ze bij me bleef slapen. Ik was in die tijd een barman zonder bar.
Zonder bijbedoelingen, ik meen me te herinneren dat ik dat heb gezegd.
Maar een dag nadat je gezelschap hebt gehad is zwaarder eenzaam als een week alleen.
’t Klonk wat meer verlegen dan de avond ervoor. Er woog een schuldgevoel mee in m’n woorden.

Ik bleef van haar nekbandje af, & van de rest niet. Zij liet mij tegen zich aanleunen, onderwijl wat meer met de mond open. Er kwamen vragen, er kwamen pauzes voor antwoorden.
Er kwamen stiltes.
Nee, zonder bijbedoelingen. ’t Is al zo alleen om alleen te wonen, zonder relatie, dan is gezelschap zwaar noodzakelijk, legde ik uit in andere woorden. Omtrekkende woorden.
‘Maar waarom?’ vroeg zij toen. ‘Waarom?’
In alle stilte.
Ik had geen beschermende arm meer om haar heen. We lagen niet meer lepeltje lepeltje. Ik had hooguit een hand op haar buik. Een vinger strelend over haar been, haar bekken, haar dij, voorzichtig haar borsten nog pogend. Om gerust te stellen. Om uit te leggen ook.
Dacht ik.
Maar de kloof tussen onze lichamen werd groter. Zij wilde de bijbedoelingen. Zij wilde bedoelen, zei ze. & Naarmate mijn antwoorden uitbleven voelde ik minder, raakte haar lichaam verloren.
Een kilte.
Ze trok pijlen van haar ogen naar haar oren. Daar hoefde ik haar niet voor aan te kijken. & Toen ik op een gegeven moment helemaal niet keek, me keerde in m’n eigen slaap, toen heeft ze 5 minuten op ’t toilet gestaan. Misschien wel langer.
Dat weet ik, omdat ze me wakker schudde. Lichtjes.
‘Ton,’ fluisterde ze.
‘Ja,’ mompelde ik.
‘Ik ga,’ zei ze.
‘Is goed,’ mompelde ik.
Ik keek naar haar ogen, waar de pijlen weer zwart zagen. Een grote mond gaf een laatste kus.

& Zijperspace was alleen weer gewoon alleen.

slapeloos

Ik had ’t er net met Marloes over gehad. Enkele uren voor slapen gaan. Dat ik vast wel weer te vroeg wakker zou worden.
Zij niet. Zij had zich voor de afwisseling een wijntje ingeschonken, vertelde ze me over de telefoon. Er was voor haar nu minder kans op 3 uur in de morgen.
3 Uur in de morgen, dacht ik jaloers. Dan heb je nog een hele tijd voor je. Ik stoot m’n neus meestal zo’n 2 uurtjes voor opstaan. Als ’t verder slapen steeds minder zin krijgt. & De kans dat ’t daardoor te laat wordt groter.
‘Maar morgen ben je vrij, toch?’ zei Marloes.
‘Ja, dan kan ik lekker de hele dag m’n slaap inhalen.’

Dus werd ik voor de afwisseling om 5 uur wakker. ’t Moment van de angstdromen. ’t Tijdstip dat m’n moeder steevast beneden zat. Bescheiden met 1 lampje aan zat ze dan de krant te lezen. Aan de achtertafel of in de keuken. Soms was ze vast maar begonnen aan ’t schillen van de aardappelen.
Dan stommelde ik naar die vrouw in een veel te dunne pyjama, waar zo af & toe een roze duster overheen hing. In de kou van alle verwarmingen uit wachtte zij op ’t moment dat de vermoeidheid haar weer zou bevangen of de hoofdpijn weg zou zakken. Een enkele keer had ze de thermostaat toch maar een klein tikje gegeven & had ze zich opgesteld bij 1 van de roosters in de vloer waar de hete lucht uitkwam.
‘Mam, ik kan niet slapen.’
Waarna ik warme melk kreeg, met anijs. Een pilletje als ik hoofdpijn had. Een beetje massage van m’n nek. Aan de grote tafel dronken we met z’n 2-en onze mokken leeg.
Ik weet niet of we praatten. ’t Zal haast wel. Dat ze me waarschuwde dat ik morgenochtend toch weer naar school moest. Of dat ik toch ook schapen kon gaan tellen. Jaren later een betere methode: proberen alle delen van je lichaam te ontspannen, te beginnen bij je tenen & dan ’t hele lichaam afwerken & de spanning uit ’t puntje bovenop je hoofd laten stromen.
Dat zeiden we wel, maar meer weet ik niet.
2 Mensjes die bedelden om slaap. Aan de tafel waar we normaal slechts een gebed deden vóór & ná de maaltijd.

5 Uur. Dan zit er te veel vocht in m’n lichaam. Dus daal ik m’n hoogslaper af & stap op ervaring door ’t donker richting toilet. Ik weet dat ik eigenlijk beter licht kan gebruiken, niet voor de heenweg, meer om de weg terug te vinden, als ik verblind ben van ’t schelle licht van de doucheruimte. Maar ik ben te moedeloos, ’t staat me niet aan dat ik rond dit tijdstip gedwongen word wakker te zijn, dat ik geen concessies wil doen naar de dingen die mij dwingen. ’t Zijn immers de dingen die de omstandigheden creëren, ik moet me er een weg door banen.
Vlak voor terugkeer neem ik een slok koud water. Om m’n mond te spoelen, de droge woestijn te bevloeien. Weer tegen beter weten in. M’n darmen zullen ’t moeten accepteren, die koude douche. Ik probeer derhalve de slok tot een minimum te beperken.
Teruggekomen besluit ik toch maar gebruik te maken van de dingen. ’t Licht gaat aan. Zodat ik een boek kan lezen. Ik ben morgen immers toch vrij. De hele dag de tijd om m’n slaap in te halen.
Zogauw ik lig begint de hoorbare tocht van de slok water richting darmen. Een schelle trompet in ’t middenkader wordt afgewisseld door een trage trombone aan de rechterzijde. Na 1 blz zoek ik m’n weg terug richting toilet. Boek voor de zekerheid mee. Straks duurt ’t lang. Trui aan voor de kou, sokken ook.
Deur dicht, want ’s nachts kan ik niet zien of er ratten door de donkere gang struinen.

Tijd is anders ingedeeld als ’t nacht is. ’t Laat zich niet gelden. Pas als de ochtend komt, reeds te laat om de benodigde nachtrust te compenseren, begin je je te realiseren dat ’t steeds meer in een gestaag tempo voorbij vliegt. Daarvoor schommelde ‘t, een trage minuut wordt afgewisseld door een kwartier dat plots verdwenen lijkt. Ik durf zelden op de klok te kijken, slechts een enkele keer word ik ertoe gedwongen doordat er licht door de gordijnen schijnt. De verontrusting van ’t mogelijke ochtendlicht.

6 Uur. ’t Tijdstip dat er nog geen mensen leven. Bij mij in de straat in ieder geval nog niet. De kinderen komen stipt 5 voor ½ 9. De vuilniswagen 8 uur. Hooguit de buurvrouw, de verloskundige, kan elk moment van de nacht haar auto gehaast starten. Voor de rest rond 6 uur nog niks.
Nu flappen er slippers op de stoep. Kleine slippers. Ik hoor ze aan de andere kant van de gordijnen. Van ver komen ze aangerend. Kleine stappen, want ze volgen elkaar snel op. Plat op de grond, zoals slippers alleen kunnen. Slechts heel langzaam rijst ’t geluid. ’t Kletteren wordt traag harder.
Een hijg ertussenin. Dat zou van alles kunnen zijn. Erger is ’t klapwieken van een zware regenjas, zo lijkt ‘t. ’t Geluid van canvas dat sloom andere vormen aanneemt. De canvastent bij de padvinderij klonk bij hevige windstoten net zo.
De slippers & de canvas regenjas willen niet tot passeren komen. Minuten trekken voorbij & zij zijn nog niet bij mijn voordeur, ’t geluid wordt alsmaar luider.
Ik denk aan een buitenaards wezen. Ik denk aan de rat in de gang. Ik denk aan de veilige tocht naar beneden, de wetenschap dat m’n moeder altijd wakker was. ’t Lichtje in de hoek van de woonkamer, waar m’n moeder iets las, of de aardappels deed, waar alles veilig & warm, waar een oplossing voor alle angsten was.
& Eindelijk besluit ’t geluid buiten, de slippers & ’t hijgende canvas, weg te sterven. ’t Hoogtepunt gepasseerd, verdwijnt ’t naar ’t einde van de straat.
Ik ben te lui om ’t licht uit te doen, trui & sokken heb ik ook nog steeds aan; ik trek ’t kussen naast me strakker tegen m’n zij & laat me onderdompelen in een tijd die niet bestaat.

Slechts ergens in Zijperspace, maar ook daar wordt-ie vergeten.

pastachoca

‘Alsjeblieft,’ zei ik met een donkerbruine stem.
Je moet ’t vooral niet te snel willen zeggen. Elke vocaal moet trillend de keel verlaten, & door de mond net even wat verder open te stellen dan anders kan je er nog een extra welluidendheid aan geven. Zodat je voelt dat de bar mee dreunt op de traagheid van je ‘alsjeblieft’.
De dame keek achterom. Ze wilde voor een moment weten wie aangesproken werd met zoveel diepte.
Je moet ’t kunnen richten. ’t Effect was niet bedoeld voor de jongeman die ’t wisselgeld ontving. ’t Was gericht naar de rug van de dame. Ik wilde ’t zien bewegen. De ogen op mij gevestigd hebben. Soms weet ik van tevoren dat ’t gaat lukken, maar ik moet wel de avond daarvoor flink ingenomen hebben.

Op mijn zaterdags werk in de bieb mocht ik altijd de afkondiging doen. Dat we gingen sluiten.
‘Dames & heren, jongens & meisjes, de bibliotheek gaat sluiten. Wil iedereen de boeken & andere materialen laten registreren.’
Microfoon op de juiste afstand. Zodat ik m’n stem er in voelde trillen. Een weinig corrigerend als ik feedback kreeg vanuit de enkele boxen die verspreid door de bieb waren opgehangen.
& Na de mededeling kwam soms een vrouwelijke collega vanuit de boekenrekken.
‘Oh, Ton. Ik stond boeken op te ruimen, maar moest daar onmiddellijk mee stoppen toen je zei dat we gingen sluiten. Ik kreeg rillingen in m’n nek & kon bijna niet meer op m’n benen staan.’
Voor de rest waren ’t zeer fatsoenlijke mensen, nooit een onvertogen woord, altijd netjes in ’t gareel van de burgermoraal, ’t ras van bibliothecaressen.

Ik wendde me tot de dame. Juliane wist ik dat ze heette. Er lag een bonnetje op haar naam. Ik leunde over de bonnetjes heen om me verstaanbaar te maken.
‘Ken je die reclame nog van “Pastachoca, beregoed!”?,’ vroeg ik.
Ze keek me niet-begrijpend aan. Net als haar vriendin ernaast. Ook wel logisch: ze kon moeilijk van nederlandse afkomst zijn met een dergelijke naam. Ze sprak onze taal weliswaar vloeiend, maar met de naam van de vroegere koningin verraadt je je buitenlandse afkomst al snel.
Ik probeerde weer ’t lage timbre er in te gooien. Zodat de beer uit de reclame te herkennen was.
‘Toen zaten we misschien nog niet in Nederland,’ zei ’t buurmeisje van Juliane.
‘Dat vermoedde ik al,’ zei ik. ‘Vroeger was er een reclame voor pastachoca. Weet je wat dat is?’
Nog steeds diezelfde blikken van niet weten.
‘Dat is dat nederlandse goedje, bruin vaak, soms met witte slierten erin verwerkt, waar een nederlands kind, zogauw-ie zelf z’n boterhammen mag smeren, z’n mes er in steekt & vervolgens extra kliederig klodders mee tevoorschijn haalt, die hij op z’n boterham smeert. ’t Ziet onpasselijk van bruine derrie, maar ’t nederlandse kind heeft een bepaalde genetische afwijking waardoor hij ’t er juist aangenaam vindt uitzien. Vooral als er klodders naast ’t bord terecht komen. Dat vergroot de vreugde, & daardoor de uiteindelijke trek. Dat laatste vinden de ouders dan weer prettig.’
Ik keek of m’n beschrijving enigszins was overgekomen.
‘Is dat pastachoca net zoiets als nutella?’
‘Ja, precies. Vies, kleverig, stroperig, met een zweem van stront dat makkelijk hecht aan ’t mes van een klein kind. Speelgoedvreten eigenlijk.’
Ze knikten dat ze ’t begrepen. Ze hadden een beeld, stond in hun ogen geschreven.
‘Vroeger,’ ging ik verder, ‘werd er dus reclame voor dat goedje op tv vertoond. Dan stonden er een stelletje kinderen op een rijtje, kan ik me herinneren, met een beer voor hen. & Dan hielden ze een ‘Pastachoca-beregoed-wedstrijd’. Wie ‘t ’t laagst kon zeggen. De deelnemende kinderen deden hun buik naar voren, hun kin naar achter, & dan zeiden ze dat zinnetje. Waarop de beer ’t ook deed & elke keer weer won. Maar dat kwam doordat ze niet konden horen dat ik ook meedeed. Voor de tv. Want als ze mij hadden kunnen horen, dan had ik gewonnen.’
Trots keek ik ze aan. Nog even een demonstratie, dacht ik.
‘Pastachoca, beregoed!’ met m’n laagste registers.
Ze lachten.
‘Die reclame was er nog niet toen wij hier kwamen,’ zei Juliane.
‘Dat is meteen ’t mooie van mijn verhaal: jullie zijn nu weer wat meer in de nederlandse samenleving geïntegreerd. Ik kan best mooi verhalen vertellen, hè?’
Ik keerde me om om weer aan ’t werk te gaan.
‘Hé, Jag,’ zei ik in ’t voorbijgaan tegen m’n collega, ‘Juliane is verliefd op mij.’

Als je ’t maar vaak genoeg herhaalt in Zijperspace.

ochtendritueel

’t Is ’t vaste ritueel. ’s Ochtends. Anders word ik niet wakker.
Wat eigenlijk niet waar is. Zonder thee in de morgen zal ’t uiteindelijk ook heus wel gebeuren. ’t Is een behoefte aan vastigheid, waar ik verklaringen voor wil vinden. Zonder van mezelf te denken dat ik in een sleur zit van elke dag ‘tzelfde. Ik eigen mezelf een logica toe die mijn zijn niet beledigt.
Tijdens rondleidingen vertel ik ’t graag. De 2 vingers schuim die de nederlander graag op z’n bier wil hebben. Dat ’t absolute onzin is, maar dat de mens nou 1maal behoefte heeft aan tradities. Tradities zijn onzin, behalve in ’t feit dat een mens ze nodig heeft. Een herhaling van gebeurtenissen doet een mens beseffen dat ’t zin heeft. 2 Vingers schuim is dezelfde onzin als helemaal geen schuim. Ik beweer & weerleg.
Dus sta ik in de keuken. Wachtend op ’t koken van ‘t water. ’t Is weliswaar geen ochtend meer, maar dat laat mijn behoefte aan vastigheid zich niet wijs maken.
Kijk suffig om me heen. Ik wrijf een beetje achter m’n oren. Onnadenkend.
M’n moeder rukte me wel ‘ns naast haar op de bank. Je zag aan haar gezicht al dat ze ’t van plan was. Een zakdoek kwam tevoorschijn & ze maakte haar duim al nat.
‘Kan je je nou niet ‘ns fatsoenlijk schoon maken?’
Waarop haar duim & zakdoek de schoonmaakbeurt achter de oren begonnen.
‘Mam, ik kan ’t ook zelf,’ zei ik dan gekweld.
Want m’n moeder was niet zachtzinnig in ’t vuil verwijderen van achter de oren. Alsof ze de vloer aan ’t boenen was. Onderwijl werd hoog bij de elleboog 1 van de tegenspartelende armen vastgehouden. Zodat ik niet kon ontsnappen. ’t Afknellende gevoel van de kneep werd verergerd door m’n weerzin tegen de schoonmaakbeurt. Want na ’t linkeroor was ‘t rechteroor aan de beurt. ’t Werd alleen maar erger. Des te meer je tegenspartelde, des te groffer werd de behandeling.
’t Meest afschuwelijk was toch wel de natte duim. Ze stopte ‘m in haar mond om vervolgens achter m’n oor te gaan boenen. Bah, schoonmaakspul rechtstreeks uit haar mond. Ik wenste dat ik nooit in de buurt van de bank was gekomen. Alsof ze me de hele dag had zitten beloeren, & als prooi uiteindelijk te pakken had gekregen. Ik was een vliegje dat geen rekening had gehouden met de opgekrulde tong van de kameleon.
Ik keek maar niet naar wat ’t resultaat was van m’n eigen schoonmaakactie. Ik kon ’t zo wel voelen. Kruimeltjes korrelden naar beneden, langs ’t lome lichaam dat nog in de roes van gister zat. De thee zou me straks wel doen ontwaken.
Water in de thermoskan. Theezakje. ’t Traag op & neer bewegen, zodat ’t proces sneller vordert. & Ook om m’n gedachten vast te houden, tegen te houden eigenlijk. Mezelf onderdompelen in rites. ’t Nieuwe ontwerp theezakje, waarbij ’t plakkend papiertje de vervanging van ’t nietje is. Milieubewust, dacht ik erbij. ’t Enige wat ik mezelf toeliet. ’t Was al erg genoeg dat zoiets traditioneels als thee ook onderhevig was aan vernieuwingsdrang.
Maar opeens kijk ik naar 2 zakjes, die door mijn op & neer bewegende hand keer op keer ondergedompeld worden in ’t hete water. Bruine sporen achterlatend. 2 Zakjes, de 1 hangend aan de andere.
Ik dacht dat ’t er altijd maar 1 was. 1 Zakje. Nu is 1 van de verbindingen tussen de 2 zakjes doorbroken (de vervanging van ’t nietje) & wordt me duidelijk dat er zich een revolutie op theezakjesgebied heeft voorgedaan. Of vergis ik me in deze & heb ik gewoon niet goed opgelet?
Ik haal een ander Pickwick theezakje tevoorschijn, haal ‘m uit z’n papieren omhulsel.
‘tZelfde. 2 Zakjes. Dunnetjes tegen elkaar aangevleid.
Ik prop ‘m terug in z’n papieren reservoir, waarschijnlijk zo gecreëerd dat de uitdroging minimaal is. Hebben ze vast allemaal over nagedacht, denk ik op mijn beurt.
’t Denken is gestart; ik hou ’t niet meer tegen. De molen is gaan lopen, de trein heeft vaart gemaakt & zal niet anders dan moeizaam te stoppen zijn. Beelden van gister komen terug.
Een klasje van 10 moeilijk te handhaven adhd-gevallen in een coupé voor 60 personen, stuk voor stuk bewerend dat ze webloggers zijn.
‘Kent u dat verschijnsel, meneer de conducteur?’
Een gil van 40 km onderneemt de reis van Utrecht naar Amsterdam. De kop lijkt al aangekomen te zijn, als de staart nog in de stationshal staat.

In Zijperspace drinkt men ogenschijnlijk rustig ’t ochtendlijke bakje thee.

zaterdagmorgen

Als ik nou gewoon ga besluiten om voortaan op zaterdag geen stukje te leveren; ’t zou me behoorlijk ontlasten. Ik zou waarschijnlijk wat meer uitgerust aan m’n werk kunnen beginnen.
Neem gister. Gehaast vertrek ik rond een uurtje of 9 van m’n werk. Niet even gezellig nadrinken met m’n collega’s, nee, meteen linea recta richting huis, maaltijd er in stampen, & naar de buurvrouw.
Buurvrouw was jarig nl. De buurvrouw van hiernaast. Ik dacht oorspronkelijk de buurvrouw van 3-hoog, want die heet ook Nienke, & die heeft de laatste tijd ook een aantal briefjes in m’n brievenbus gedumpt, maar ik had niet verder gelezen dan de uitnodiging & de naam van de afzender. Er stond ook nog: de buurvrouw van beneden. Daar had ik overheen gelezen.
Daar was ik gelukkig wel bijtijds achter. Waardoor ik uiteindelijk op de juiste bel drukte. & De juiste persoon reageerde op de juiste manier blij & enthousiast over m’n aanwezigheid, & stelde me gerust in ’t feit dat die genoemde omstandigheid belangrijker was dan ’t mede nemen van een cadeau.
Ik heb een paar handen gedrukt. Ik geloof dat me verteld werd dat ’t de handen waren van de vader & de schoonmama. Er zat ook een schoonzusje bij. Verder werd me bericht dat de buurman opgehouden werd in Kopenhagen. ’t Gebeurde ‘m nooit, hij maakte de reis wekelijks, maar juist op de verjaardag van z’n vriendin had-ie te maken met een vliegtuig met schade. Of iets dergelijks. Ik moest ’t gesprek eigenlijk een beetje afluisteren. Daar ben ik nooit goed in geweest. Dus men zal ’t moeten doen met deze niet geheel correcte slecht afgeluisterde informatie.
Eigenlijk stond ik een beetje in m’n 1tje te staan. M’n billen drukten in ’t ongemakkelijk heen & weer wippen tegen de lichtknoppen, waardoor ik de aandacht op me gevestigd wist. Om dat nog even te verergeren ben ik op zoek gegaan naar ’t knopje dat ik op die wijze op ‘uit’ had gezet, raakte daarbij de verkeerde knoppen, zette daardoor ’t gehele huis in oogverblindend licht & wist de stemming er in te brengen met de snedige opmerking dat ik in staat was op alle feesten de juiste sfeer te pakken te krijgen. Niemand die om deze opmerking moest lachen behalve ikzelf.
De leegte voor me werd echter al snel opgevuld. De jarige buurvrouw liep aan 1 stuk richting voordeur. Ze was nog niet terug in de huiskamer of de deurbel ging weer. & De binnengekomen visite vulde de ruimte waar ik tot op dat moment een beetje had staan dralen op mijn 2 benen.
Edoch, om ’t lange verhaal vooral niet veel langer te maken: op ’t moment dat ik ’t een beetje naar m’n zin had, ik had inmiddels gezellig staan converseren met de buren & een enkele keer met mij onbekende vriendinnetjes van Nienke, begon m’n buik gigantisch te protesteren tegen ’t haastig consumeren van de avondmaaltijd. Waarschijnlijk had ’t gebruik van de vettige hete chutney iets te maken met dit opborrelen.
Ik heb afscheid genomen, daarbij wijzend naar de muur waarachter mijn eigen toilet zich bevond, & ben een tijdje wezen zitten op die bewuste pot. Ik had ’t gevoel dat ik nog maar net op tijd kwam.
Ach, ik moet u de details ook proberen te besparen. ’t Kwam er op neer dat ik ’t best leuk had gehad, 4 bier had gedronken, de buurman hemzelf niet heb gezien, & verjaagd werd van ‘t feestje door de haast er te geraken.
Ik moest even bijkomen van de inspanning. Nam nog een biertje uit m’n eigen koelkast (da’s al 5 bier, zal m’n moeder denken). Keek een beetje samenvatting Worlddarts. Stukje film. & Ging vervolgens veel te laat naar bed.
Totaal ongeïnspireerd & wederom veel te laat werd ik hedenochtend wakker.
Bovenstaande had ik misschien in een mooi, amusant, wellicht geestelijk verrijkend stukje kunnen stoppen, als ik daar genoeg tijd & inspiratie voor had. Men zal ’t echter met dit moeten doen.

We beloven beterschap in Zijperspace.

interview

‘Ik weet niet wat er aan de hand is,’ zegt Boekenman, ‘maar ik slaap slecht. Ik heb de hele nacht liggen lezen.’
‘Daar heb ik ook wel ‘ns last van,’ zeg ik vanachter de toonbank, hoewel ik weet dat ’t bij mij naar alle waarschijnlijkheid een totaal andere ervaring is. ‘Gaat ’t dan slecht met je?’
Je zou ’t nl niet zeggen. Boekenman ziet er eerder vrolijk uit. Waarschijnlijk omdat-ie nog niet gedronken heeft.
‘Nou, ik hou er wel van om te drinken,’ z’n fles bier in z’n handen betastend, ‘maar dat is toch niet meer dan 8 flessen op een dag. Dat moet kunnen. Ja, ’t zal wel die kolere-methadon zijn. Daar blijf je last van houden.’
‘Hm, ja, da’s moeilijk, om daar van af te komen, heb ik wel ‘ns gehoord.’
‘’t Is smerig spul,’ zegt Boekenman nu verontwaardigd, ‘hartstikke troep wat ze je geven. Maar je komt er niet van af. Minderen gaat wel, maar van 1 naar 0 gaat niet. Als je ermee stopt, dan doe je 2 weken lang geen oog dicht.’
Ondertussen geeft-ie me ‘t 10tje dat-ie al die tijd in z’n hand heeft.
‘In de gevangenis sluiten ze je gewoon op. Wordt je gek, zonder dat je ook maar iets krijgt. Ja, 1 keer in de week een slaaptablet. Dat kan je voorgeschreven krijgen van de dokter.’
‘Heb je er trouwens een stuiver bij?’ onderbreek ik ‘m kort.
‘Nee, 1st boodschappen,’ legt-ie uit. ‘Of nee, 1st bier & dan boodschappen. Want ik moet weer boodschappen doen voor de dames.’
Ik geef ‘m z’n wisselgeld.
‘Ja, ik moet nu gaan,’ zegt-ie onmiddellijk, ‘want de mensen van NOVA komen ook nog voor een interview.’
‘Kom je op tv?’
‘Ja, vanwege de dood van m’n huisgenoot.’
Ik herinner me dat-ie enkele weken geleden strontlazarus & woest de winkel inkwam. Terwijl-ie de rest van de dag juist heel aardig & rustig was geweest. Hij zou z’n vriend opzoeken die in ’t ziekenhuis lag.
‘M’n vriend is dood,’ zei hij met woede in z’n ogen.
‘Was er iets met je huisgenoot aan de hand?’ durf ik ‘m nu te vragen.
‘Ja, er moet nu onderzocht worden hoe hij dood is gegaan,’ zegt Boekenman, terwijl de woede weer in z’n ogen terugkeert. ‘Met een steen op z’n kop op de Zeedijk. Dat weet ik. Dat ga ik hun bij NOVA ook vertellen.’
‘Oh, dus hij was ‘t.’
‘Ja, dat was hij.’
Hij staat ondertussen al bij de deur. ½ Binnen, ½ buiten. Hij heft z’n fles op. Ten teken dat-ie 1st die maar ‘ns achterover gaat slaan.
‘& Ik kom straks 1st langs om de fles terug te brengen.’
Met een lach. Alsof ’t een grappige mededeling is.
Ik houd m’n hand op. Om ‘m gedag te zeggen. Boekenman pakt buiten een krat, keert ‘m om, zodat-ie voor de winkel kan zitten. Dan begint-ie de wereld die passeert te becommentariëren. Af & toe bewegen z’n hoofd & z’n handen wild op ’t ritme van z’n opmerkingen mee. Z’n fles houdt-ie in z’n knuist geknepen.

’t Commentaar dringt als dof gemurmel door tot Zijperspace, zonder inhoud, maar met vorm.

huis (3)

We zijn naar buiten gegaan, opnieuw, hebben ons opgesloten in de telefooncel & zijn gaan bellen.
‘Weet je zeker dat dit ’t goede nr is?’ vroeg Bas.
Want er gebeurde niets.
Ik beaamde ‘t. Ik zou ’t niet weten! Maar niet met een grote uitroepteken.
We gingen terug naar mijn huis. We rommelden een beetje, liepen alles na & vertrokken weer. Opnieuw op ’t pleintje in de telefooncel.
‘Misschien hadden we moeten instellen hoelang hij over mocht gaan,’ suggereerde Bas, telefoon aan z’n oor.
‘O, nee,’ zei hij plots, ‘hij doet ‘t.’
Als losgeslagen pubers hadden we besloten dat ik ook een telefoon met antwoordapparaat nodig had. & Zijn die dezelfde middag gaan aanschaffen.
‘Misschien dat ik daarna helemaal geen geld meer over heb,’ bracht ik als bezwaar.
‘Wie dan leeft, enzovoort,’ zei Bas. ‘Man, je bent nooit te bereiken. Da’s toch hartstikke onhandig.’
Dat was onhandig. Vooral omdat iedereen een antwoordapparaat had. Iedereen van de studie. Onze studie was z’n tijd ver vooruit.
‘& Als ’t te duur is,’ ging Bas verder, ‘dan kan je ‘m ook op afbetaling kopen. Dan betaal je 2 jaar lang een bepaald bedrag.’
Maar daar kwam mijn hollandse zuinigheid om de hoek.
‘Nee, dan verdienen ze er alleen maar meer op,’ zei ik. ‘Ze willen gewoon dat mensen op afbetaling kopen. Dan is hun rendement hoger.’
We waren ook politiek bewust.
De keus was ook snel bepaald.
‘Je moet die nemen,’ wees Bas.
‘Ja,’ zei ik, ‘deze is betaalbaar.’
‘Vooral omdat-ie met kleine cassettebandjes werkt, in de telefoon zelf. Die van mij is een rotding. Een apparaatje dat los van de telefoon zit. Dan heb je er altijd mee te maken dat ’t apparaat contact moet hebben met de telefoon. Werkt heel vaak slecht.’
‘Kan ik u ergens mee helpen?’ vroeg de verkoper toen.
‘Ja, we willen deze,’ zei ik resoluut. ‘Hoeft niet ingepakt.’
‘We’ zei ik, ipv ‘ik’. Maar we waren ook ‘we’. Vanaf heden nog beter in ons we-functioneren. Nu kon Bas me tenminste opbellen over hoe ’t stond met mijn deel van ’t verslag. & We konden informatie sneller uitwisselen. Dat we niet allebei ‘tzelfde schreven.
‘Hij doet ‘t,’ zei Bas op ’t pleintje. ‘Nu nog een betere boodschap.’
‘Heb je nog een kwartje voor mij?’ vroeg ik. ‘Dan kan ik ook luisteren. Ik wil m’n eigen telefoon ook wel ‘ns horen. Misschien wel de 1e & enige keer.’
‘Nee, joh. Je kan ‘m nl ook zelf bellen van een andere plek om af te luisteren of er ook boodschappen op staan. Staat in de gebruiksaanwijzing.’
Ik had 1 van de meest moderne antwoordapparaten annex telefoons van de hele studie. Vond Bas ook.
‘Voor geen geld, man,’ zei hij. ‘Nu alleen nog een betere boodschap.’
Toen we die boodschap er op gezet hadden, ontbrak ’t ons aan kleingeld. We hebben patat gekocht & Bas is nog een keer gaan luisteren van ’t wisselgeld. We dachten dat ’t beter was; nog een keer luisteren in de telefooncel was voor mij niet meer nodig.

Een week later moest ik mijn boodschap weer veranderen, vond Bas.
‘Best mooi, hoor, die scène uit ‘Psycho’; je herkent die badscène meteen, maar ’t duurt te lang.’
Dat vertikte ik. Ik studeerde toch immers Film & Tv. Dat moest je kunnen horen.

Hij staat er nog steeds, maar de badscène is allang verdwenen uit Zijperspace.

maximaliseren

Ik heb de thee nog maar niet ingeschonken. Hoewel ik dat beter wel kan doen. Dan kan ’t tenminste afkoelen. Ik voel nl niet hoe heet de thee is, vermoed ik. Of ik zou via m’n rechteronderlip, dan wel m’n linkerbovenlip moeten drinken. De andere 2 kwarten zijn verdoofd.
‘Wil je een verdoving?’ vroeg ze.
Ik was verbaasd de vraag te horen. Die was me sinds de introductie van de verdoving nog nooit gesteld. Ik hoor wel ‘ns van mensen die zich nooit laten verdoven (‘Ik vind ’t onzin; ’t is toch zo voorbij & ’t kost alleen maar extra geld’), maar dat zijn vast mensen met een hogere pijngrens. Die van mij is laag. Dat wil ik graag zo houden.
Eigenlijk zou er ook nog een verdoving voor je gedachten bij moeten komen, want die maken bij mij rare kronkels. Wat me ’t meest dwars zit, achterhellend in de tandartsstoel, is de ongerustheid of mijn tandarts niet met haar borsten tegen m’n voorhoofd aanleunt. Dat mag ik niet voelen, maar ondertussen probeer ik, terwijl ze noeste pogingen doet achterin m’n gebit een oude vulling te verwijderen, te lokaliseren waar haar smetteloos witte pakje overgaat in overhangende borsten. Alsof mijn voorhoofd voorbestemd is tot ’t aftasten van de wereld om zich heen. Nee, mijn voorhoofd is in deze hooguit bestemd om te voelen hoeveel zweet er vanaf druipt & hoe dat, naarmate die gestage stroom blijft doorgaan, gaat jeuken.
Ik heb ’t haar ook gezegd: ‘Ja, ik zweet natuurlijk nogal.’
‘Oh, daar heb ik geen last van hoor.’
‘Ja, maar dat kan op den duur voor mij gaan jeuken. Daarom lijkt ’t me beter dat ik dit doekje bij me houd.’
Heerlijk rustgevend was dat. Ik heb ’t niet meer gebruikt, maar ik had tenminste iets om handen. Hoefde ik niet aan de borsten te denken & hoe die te vermijden terwijl ik geparalyseerd in de stoel hing.
Ik bedacht op een gegeven moment dat ik me misschien beter bezig kon houden met allerlei onbelangrijke dingen. Zoals hoe ik m’n thee straks zou gaan drinken. Of daar wel mogelijkheid toe was. Zou er een mogelijkheid bestaan om door te slikken, om m’n tong z’n werk te laten doen, zodat de vloeistof naar achter in m’n mondholte gestuwd kon worden? Zou ik m’n mond niet branden?
Goed, met dat experiment ben ik inmiddels bezig. Maar dat heb ik daarnet allemaal uitgedacht. Om vooral geen rare, ontoelaatbare gedachtes te hebben tijdens de behandeling zelf.
Ik vroeg me evengoed ook af of dit soort kwesties ook tijdens de tandartsopleiding werden besproken.
‘Ja,’ zal de docent hebben gezegd, ‘je zal op een gegeven moment toch kracht moeten zetten, of op een plek moeten wroeten waarbij je je lichaam in een andere hoek moeten wringen dan je zelf misschien wenst.’
& Meisjes die dat niet durfden, die hebben de opleiding niet afgemaakt.
Gelukkig bleef ik er niet al te lang in hangen. Al gauw maakte ik me meer ongerust over de mate waarin mijn lippen mishandeld werden. Dat schijnen tandartsen ook altijd even te moeten doen: even alle loshangende schilvers dermate behandelen dat je toch al droge lippen, waar in dit seizoen geen blistex tegenop kan, dat ze na ’t bezoek geheel & al aan flarden hangen. Daar voel je de 1e paar uren niks van, de verdoving zit er nog, dus als je uiteindelijk weer geheel bij positieven bent, zou ’t net zo goed kunnen zijn dat je geheel pijnloos op je eigen lippen hebt lopen kauwen.
Op een gegeven moment mocht ik rechter op gaan zitten. De stoel kwam omhoog. Ik dacht even dat ik pauze kreeg. Maar ’t bleek helaas dat de behandeling van de linkeronderkant makkelijker zou verlopen als ik in die houding gemanoeuvreerd werd.
‘Is er iets?’ vroeg ze nonchalant.
‘Ja, m’n neus zit een beetje vol,’ zei ik.
‘Ah,’ reageerde ze, ‘’t is natuurlijk allemaal naar beneden gekropen. Maar nu kom je in een makkelijker houding.’
Via de achterkant van m’n neus haalde ik de snot even op. Onhoorbaar, maar toch met ’t gevoel dat ik betrapt kon worden, straks zou ze, turend in m’n mond voor de volgende klus, kunnen zien hoe ik van die overtollige hoeveelheid snot was afgekomen.
Ik ben zo opgevoed dat ik vooral niet m’n neus mocht ophalen. In ieder geval niet hoorbaar. Of je mocht er niet op betrapt worden. Zoiets. Dat was vies.
Maar ze liet niks merken.
Momenteel heb ik overigens jeuk aan m’n neus. Natuurlijk m’n rechterneusgat, waar de verdoving welig tiert. Was ’t m’n linkerneusgat geweest, ik had ‘m geheel leeg kunnen halen. Nu voel ik gewoon niet wat er aan de hand is. Ik snap zowiezo niet hoe ’t kan dat ik daar jeuk heb, op ’t moment dat ik daar voor de rest niets voel.
Ik ben blij dat ik vanochtend boodschappen heb gedaan. Waarschijnlijk had ik de lopende band, of anders ’t pinautomaatje, onder gekwijld & daar heel zielig bij gekeken. Ondertussen me zogenaamd nergens van bewust.

’t Is vreemd om dingen die je niet voelt toch extra goed te voelen in Zijperspace.
(Dit stuk lijflog heb ik speciaal opgesteld om weer eens de aandacht te vestigen op de cursus lijfloggen, waarvan ‘t 4e deel "Maximaliseer!" zojuist gepubliceerd is bij de geheel vernieuwde about:blank, waarbij er zelfs een mogelijkheid tot reageren is gecreëerd; wat reeds heeft geresulteerd in maar liefst 2 reacties; oorverdovend voor mijn doen)

consult

Hij staat rijzend voor me als ik binnentreed. Hij steekt z’n hand uit als ik ‘m nader.
‘Hoe is ‘t?’ vraagt-ie met een voor hem doen serieuze stem.
‘Uitstekend,’ antwoord ik. ‘& Nog een gelukkig nieuw jaar.’
Maar dat laatste hoort OG niet. Hij heeft zich alweer tot de bar gewend.
‘Goedemiddag,’ zeg ik tot de rest.
‘Hoi, Ton,’ zegt Wieger, ’t flesje Brand Up al gereed.
Hij wacht enkel op ’t moment dat ik ja-knik voordat-ie ‘m opent.
‘Ook een spelletje?’ vraagt-ie er achter aan.
Ik knik. Naast ’t flesje komt er ook een muntje van 2 naar me toe.
OG gaat aan de bar zitten als ik de kelder in duik.

Een kwartier later kom ik weer boven. JP zit ondertussen naast OG.
‘Geef die mensen ‘ns wat te drinken,’ roept OG met een handbeweging naar ons.
‘Ja, OG,’ zegt Wieger, ‘ik kom zo bij je.’
Ik ga aan ’t puntje van de bar staan. Waar ik altijd sta.
‘Kan jij nou niet even m’n huisarts bellen?’ vraagt OG aan JP.
‘Nee, joh,’ antwoordt JP, ‘die assistente zei toch dat hij zelf terug zou bellen.’
‘Ja, die huisarts,’ zegt OG, ‘die heeft me 2 jaar geleden ook met allerlei smeerseltjes aan ’t lijntje gehouden. Elke keer kreeg ik wat anders van ‘m.’
‘Je moet gewoon een beetje geduld hebben.’
OG zucht. Kijkt ons schuins aan. Daardoor meen ik te zien dat z’n rechterwang wat dikker is.
‘’t Is niet zo erg hoor als ik drink,’ zegt OG tegen Wieger, ‘maar als ik eet, wil ’t niet.’
Hij voelt aan z’n keel.
Alan komt binnen. Die dribbelt op de manier die we van ‘m gewend zijn heen & weer.
‘Alan!’ roept OG, ‘bel jij nou ‘ns met de huisarts.’
Maar Alan heeft nergens oog voor. Hij zit al in de kelder voordat OG z’n zin af heeft.
‘Anders bel ik straks zelf,’ zegt OG.
‘Hij belt straks heus wel,’ zegt JP.
‘Waarom eigenlijk?’ waag ik te vragen.
‘Hij heeft een medicijn nodig voor z’n keel,’ vertelt JP, terwijl OG somber voor zich uitkijkt. ‘Maar ’t spreekuur voor morgen zit alweer vol.’
Wieger: ‘Als ze weten dat ’t pijn doet, dan bellen ze heus wel naar je terug.’
‘Zo’n pijn doet ’t niet,’ zegt OG, nogmaals z’n hand naar de keel.
Ik zie daarbij de rechter wangkwab met z’n strelingen meebewegen.
‘Doe die mensen nog ‘ns wat te drinken van me,’ zegt OG weer met een handbeweging. ‘Ik moet nog minstens tot € 70,- komen.’
Terwijl Wieger met de drank bezig is, stapt OG achter ‘m langs voor de telefoon.
‘Ik ben vandaag met ‘m naar ’t ziekenhuis geweest,’ fluistert JP me toe. ‘’t Is inderdaad niet zo goed. Hij heeft allerlei uitzaaiingen naar z’n keel. Ziet er niet goed uit. Maar over 3 weken krijgt-ie pas de uitslagen van vanmiddag.’
‘Ze nemen niet op,’ zegt OG. ‘Zie je wel dat die huisarts me vergeten is. 2 Jaar geleden liet-ie me ook allerlei zalfjes voor m’n neus gebruiken die nergens toe dienden.’
‘Tja, maar wat die huisarts doet, dat doet-ie soms ook alleen maar op de gok,’ zeg ik.
‘Ja, op de gok!’ zegt JP.
De rest lacht. Ik moet even nadenken wat er bedoelt wordt. ’t Volgende moment gaat de telefoon.
‘Daar zal je ‘m hebben,’ zegt Wieger, & neemt de telefoon aan.
OG kijkt hoopvol naar wat Wieger zegt. Een tel later krijgt-ie de telefoon aangereikt.
‘Hij zit hier naast me,’ zegt Wieger erbij.
‘Ja, met Wijbenbach,’ zegt OG. ‘Ja. (..) Ja. (..) Ja. Ja, kijk, ik ben vanochtend naar ’t ziekenhuis geweest, ziet u. ’t Blijkt dat er allerlei uitzaaiingen zijn. Ik heb er geen last van hoor. Behalve dat ik ’t naar m’n oor toe voel & in m’n kaak. Als ik m’n eten slik dan voel ik ’t ook. Dat wou ik u dus vragen: heeft u misschien iets waardoor ik minder last heb bij ’t slikken. (..) Ja. Nee, geen pijn voor de rest. (..) Ja, da’s mooi. (..) Maar moet u ‘ns zien. Ze hebben nu over 3 weken een uitslag. Ik ben 72, begrijpt u. Ja, u weet wel hoe ’t de vorige keer is gegaan. Toen ik bij u weg ben gegaan, 2 jaar geleden, toen is er heel wat gebeurd. Maar ik ben nu 72. & Als ik nu (..) Ja. Dat bedoel ik, ja. Daar hoef ik niet over in te zitten? Mooi.’
Buiten aan de overkant, op de brug over de prinsengracht staat er een hond stil. Hij staart z’n baas aan. Met een vragende blik. Hij wacht tot de baas terugkijkt. Die kijkt pas om als ze merkt dat de hond niet mee is gegaan naar de overkant van de weg. De hond blijft kijken. Een verwijtende blik. Schuine kop. ’t Lijkt alsof de baas wat zegt, maar ’t gezicht is net niet te zien. De hond maakt een kleine beweging, alsof om te zien hoe de baas reageert. Richting lantaarnpaal. Als de baas niet noemenswaardig reageert loopt-ie verder naar de boom. ½ Z’n poot nog opgetild van de lantaarnpaal. Maar bij de boom komt ’t pas daadwerkelijk tot een plas. Dan loopt de hond met een treurige kop weer achter de baas aan.
Er zit een prop in de stem van OG. Z’n hoofd hangt voorovergebogen naar de bar. Met z’n linkerhand krabt-ie aan z’n nek. Wij zwijgen.
‘Ok. Dan kan ik morgen ’t recept ophalen?’ vraagt OG. ‘Goed. Tussen 2 & 4. Mooi. Bedankt.’
Hij hangt op.
‘Ik krijg een drankje dat ’t slikken makkelijker moet maken. Maar daar zal ’t boeltje niet zo snel van gaan doorlopen. Dus zal ik er wel bij moeten drinken.’
Dat laatste lacht-ie. Hij pakt z’n glas vast.
‘Wieger!’ roept-ie, ‘geef die heren ‘ns wat te drinken.’
‘Nee, joh,’ zegt JP, ‘we hebben nog.’
‘& Euthanasie was ook bespreekbaar,’ gaat OG onverstoorbaar verder. ‘Wat wil je nog meer? Hij belt gewoon de kroeg op als-ie me moet spreken. Zó’n huisarts heb ik! 2 Jaar geleden heeft-ie me ook elke keer weer een ander zalfje gegeven voor m’n neus. Wieger, geef die heren ook ‘ns wat te drinken van me. Die € 70,- moet nog op.’

& Naarmate ’t van binnen stiller werd, groeide de gezelligheid in Zijperspace.

wensen

Ze was met 2 vrienden binnengekomen. Gezichten die ik nog niet eerder had gezien. Ze lachte naar me, zoals ze altijd om me moet lachen. Of naar me moet lachen, dat weet ik eigenlijk niet: om of naar.
Ik drentelde achter de bar. Keek goed wie m’n collega’s aan ’t helpen waren, of ik kon plannen dat ’t precies goed uitkwam. Ik moest op een gegeven moment wel ’t risico nemen nog een klant te helpen, ook al zag ik dat zij mijn kant op kwam, maar Roen was ondertussen glazen halen & Peet deed een grote bestelling. Ik was op tijd klaar om haar te woord te staan.
‘Hoi, Ton,’ zei ze.
‘Hoi,’ zei ik, want ik wist nog steeds haar naam niet.
Maar als ik leuk lach, merkt niemand dat. Dus ik lachte leuk. ’t Kostte me niet al te veel moeite. Geen, eigenlijk.
Ze bestelde voor haar & haar vrienden. Terwijl ik daarmee bezig was, bedacht ik hoe ik ’t voor elkaar moest krijgen haar gelukkig nieuwjaar te wensen. ’t Was tenslotte alweer 3 dagen later.

Even daarvoor was de dame uit Tanzania op me afgekomen. Ook haar naam weet ik niet, maar een paar jaar geleden was ze met haar man naar Tanzania vertrokken. Inmiddels woonden ze vanwege zijn werk alweer ergens anders, maar ik sprak haar slechts 1 keer per jaar, als ze rond de feestdagen haar familie bezocht & uit nostalgie nog even ons proeflokaal aandeden.
Ze stond op ’t punt weg te gaan. Haar man stond al in de deuropening. ’t Kleine groepje vrienden was reeds verdwenen.
Ze liep op me af.
‘Ik moet nog,’ kwam uit haar mond, terwijl ze m’n hand vastpakte.
‘Ja,’ beaamde ik, onhandig m’n hand in die van haar voegend.
& Terwijl we 3 keer zoenden, zeiden we zachtjes: ‘Gelukkig nieuwjaar.’
‘Maar nog even m’n hand goed,’ zei ik na de 3e zoen.
Ze lachte, onze handen gleden voor een kort moment in een nog onhandiger samengaan, & ze vertrok, nog 1 keer over haar schouder naar me glimlachend.
Ik herinnerde me nog kort dat ik lang geleden had opgemerkt dat je toch niet vanwege je man zonder werk naar ’t buitenland vertrok. Toen had ze die zelfde lach op haar gezicht.

Ik kwam terug met de 3 biertjes. Ik zette ze voor haar neer.
‘€ 5,40,-, asjeblieft,’ zei ik.
‘Nog een gelukkig nieuwjaar,’ zei zij.
‘Weet je,’ begon ik langzaam, nam ondertussen ’t geld aan, ‘dat jij ontzettend boft.’
Een korte pauze. Adempauze. Ik moest me aan m’n tekst houden, maar haar glimlach, die eeuwige vrouwenglimlach, die leidt af.
Ik trok ’t biljet in m’n handen een beetje uit de kreukels.
‘Je boft ontzettend dat je vrouw bent,’ ging ik verder, ‘want dat betekent dat je met me mag zoenen.’
Ik genoot van haar gladde wangen die bereid waren ’t gewicht van mijn lippen op te vangen & besefte me pas later dat ik me voor deze gelegenheid misschien beter had kunnen scheren.

Daar ergens tussenin zat Mario.
Roen keerde onmiddellijk z’n rug naar ‘m toe.
‘Doe jij Mario even?’ fluisterde hij naar mij.
‘Is goed.’
& Vervolgens: ‘Hoi, Mario.’
‘Een gelukkig nieuwjaar.’
‘Dank je. Jij ook.’
Ik was blij dat ik natte handen van ’t spoelen had. Dat betekende dat ik zijn weeë handen niet hoefde aan te raken.
‘Voor jou ook, Roen,’ schreeuwde hij naar iets verder weg. ‘Ja, want je mag tot de 6e januari gelukkig nieuwjaar wensen. Want op 6 januari is ‘t 3 Koningen.’
‘Wat wil je hebben?’ vroeg ik.

’t Meisje dat zweeds sprak stond voor me. Blozende wangen van ’t naar hier fietsen. Er zat een bar tussen ons in.
Ik zei: ‘Als ik straks glazen kom halen, bij jou aan tafel, vind je ’t dan goed dat we ’t dan doen, gelukkig nieuwjaar wensen. Want dan krijg je tenminste ’t hele pakket.’
’t Was een meer verlegen lachje, maar evengoed overtuigend.
5 Minuten later, aan haar tafel, met slechts 1 glas in m’n hand, vroeg ik: ‘Ben jij er klaar voor?’
Ze keerde zich om.
‘Ja, kom maar op.’
Ze ging er zelfs voor staan. Haar wangen gloeiden nog steeds.

Sluitingstijd. & Ik stond aan de verkeerde kant van de kroeg een tafel schoon te maken. In de verte zag ik dat zij & haar 2 vrienden op ’t punt stond te vertrekken. Ik wist nog steeds haar naam niet.
Zij zag mij ook. Tussen 5 partijen schouders & enkele hoofden door hielden wij kort oogcontact.
Ik besloot ergens anders schoon te maken. Je moet je eigen prioriteiten stellen. Achter me doemde Mario al op.
Bij de uitgang trof ik haar nog net.
‘Doeg, Ton,’ zei ze.
‘Doen we nog een keer,’ zei ik, ‘dat nieuwjaar wensen.’
Lach. Een herinnering van wangen trilde door m’n lippen.
Ze knikte. Een opmerking die verloren ging in mensen die naar buiten wilden.
‘Ik verheug me nu al op volgend jaar,’ was ’t laatste dat ik verstaanbaar kon maken, terwijl haar gezicht door de deur verdween.
‘Zeg, Ton,’ zei Mario van achter me, ‘vind je niet dat ik veel minder druk ben geworden? Veel minder jachtig?’
‘Ja, da’s inderdaad zo,’ antwoordde ik, ‘maar je schreeuwt nog steeds te hard.’

’t Wordt snel 6 januari in Zijperspace.

reconstrueren

Een muis klinkt anders. Dat weet ik zeker. Bovendien doet een muis niet ‘piep’, precies op ’t moment dat ik m’n voet ergens neerzet. Dat zou wel heel toevallig zijn. Dat ik m’n voet ergens plaats waar de muis last van heeft, waardoor ’t opschrikt & met een piep weg hupt. & Dat dit dan 1st enkele malen in de keuken voorvalt & vervolgens bij betreding van de huiskamer opnieuw.
’t Maakt me lichtelijk onrustig. Ik loop terug, naar waar ik vandaan kwam, & produceer dezelfde route met de voeten steeds zo exact mogelijk op dezelfde plekken neerkomend. Kijken of ‘piep’ opnieuw van zich laat horen. Want dan heb ik ’t bewijs dat ’t in de vloer zit. Geen muis.
& Omdat ’t niet lukt, doe ik ’t nog een keer, nu met de spullen in m’n handen die ik daarnet ook bij me had. Een reconstructie. Waarbij alle variaties dienen worden uitgesloten.

Daarnet rook ik plots een vreemd geurtje. Ik deed ’t keukenkastje open waar alle kruiden in staan. Daar hoort ’t naar kruiden te ruiken. Of anders naar alle plastic potjes waar ’t in verpakt staat. Terwijl ik ’t kastje weer sloot, kwam de geur in m’n neus terecht. Deed me een beetje aan oma denken. Niet mijn oma; meer ’t concept ‘oma’. Daar rook ’t naar.
‘Hé, dat ben ik niet,’ dacht ik, maar eigenwijs ging ik door met ’t beleggen van m’n boterham.
Ik wist dat er grote onrust zou ontstaan als ik niet ging controleren. Ong ‘tzelfde gevoel als de piep die niet van een muis afkomstig kan zijn, maar waarvan ik niet achterhaald krijg waar ’t dan vandaan komt.
Dus liep ik terug naar ’t keukenkastje. Opende ‘t. M’n neus er in. 1st Tot op de plek waar ik ’t eerder had gestoken (‘Een neus steek je ergens in,’ dacht ik op dat moment), maar toen dat niet hielp iets dieper.
Ik kreeg de geur niet tevoorschijn. Alsof er achterin teveel snot zich had opgehoopt. ’t Pruttelde ook een beetje als ik inhaleerde.
Ook ’t wapperen met ‘t deurtje leverde niet de eerdere ervaring op.
’t Had een zweem van schoonmaakmiddel, die oma-geur, wist ik me van enkele tellen ervoor te herinneren, maar niet ’t schoonmaakmiddel waarmee ik de avond ervoor ’t gasfornuis had bewerkt. Zeker niet de geur van muizen. Er deed zich ook geen ‘piep’ voor.

Bij ’t smeren van de boterham .
Nee, opnieuw. Ik smeer niet. Ik gebruik geen boter.
Bij ’t beleggen van m’n boterham wilde de paté niet verspreiden (paté smeer je niet; paté is geen boter; paté heeft meer standing; zeker de patés die ik pleeg te gebruiken). Eigenwijs bleef de paté op 1 helft van de boterham liggen. De andere helft wilde de paté niet betreden.
’t Kon aan de boterham liggen, maar ook aan de paté zelf. Allemaal niet zo belangrijk eigenlijk; ’t gaat me er om wat zich op dat moment in mijn hoofd afspeelde.
Mijn gedachten schoten terug naar ’t moment dat mijn neef commentaar leverde op mijn pogingen mijn boterham te besmeren. Dat is heel lang geleden. ’t Was 1 van m’n 1e pogingen zelf een boterham etensklaar te bereiden. & Ik wist inmiddels dat daarvoor boter als 1 laagje erop uitgesmeerd diende te worden. Dat deed m’n moeder immers ook altijd bij mijn boterhammen. Maar omdat die even geen tijd had, m’n neef toezicht hield & deze geen zin had daarvoor extra handelingen te verrichten, mocht ik ’t nu zelf doen. Een grote stap verder in de groei richting zelfstandig functioneren. Vooral dankzij m’n neef, ’t dient gezegd.
De boter wilde zich niet verspreiden. Verbaasd staarde ik naar de handelingen van ’t mes (ik was nog niet in de fase dat ik de bewegingen van ’t mes kon koppelen aan de bewegingen van m’n arm, ook al vermoedde m’n lichaam wel dat ’t verantwoordelijkheid kon nemen voor ’t uiteindelijk besmeren van de boterham), die slechts een vicieuze cirkel leek te beschrijven.
Mijn neef zei enigszins chagrijnig: ‘Je moet niet de hele tijd op dezelfde plek smeren.’
Ik begreep onmiddellijk wat-ie bedoelde. Waarop de boter zich plots beter over de boterham leek te verspreiden.

Daar moest ik dus aan denken terwijl ik m’n boterham poogde te beleggen met paté. Aan een herinnering van lang geleden. Een herinnering waarvan je niet weet dat je ‘m nog met je meedraagt.
‘Waarom moet die herinnering zich net nu aan me opdringen?’ dacht ik.
Ik had wel wat anders te doen, vond ik eigenlijk. Bijvoorbeeld mezelf concentreren op de paté.
Maar door de verleiding van de herinnering gemotiveerd, deed ik een stapje terug, mezelf voorhoudend dat ik nog niet begonnen was met ’t beleggen van de boterham. Ik stapte vervolgens opnieuw op de boterham toe, m’n mes kordaat in de knuist geknepen, & begon van voren af aan. Precies op dezelfde plek bleef de paté liggen. Maar geen plotse herinneringen nu. Net als die ‘piep’ & die oma-geur.

Zijperspace blijkt niet voor herhaling vatbaar.

nieuwjaarstoespraak 2004

Op een gegeven moment denk je dat je er bent. Weer boven Jan. Fit genoeg in ieder geval om uit bed te stappen. ’t Hoofd bonkt niet, zoals de meest sombere voorgevoelens hadden ingegeven. & Terwijl ’t trapje van de hoogslaper wordt afgedaald, bemerk je dat ’t evenwichtsorgaan ook nog redelijk intact is gebleven. Je hebt ’t gehaald, zo lijkt ‘t.
In die fase was ik ong een uur geleden. Ik voelde me wakker genoeg om er gezien de omstandigheden vroeg uit te stappen. Zodat ik vanavond weer genoeg slaap heb, was de achtergrondliggende gedachte.
’t Viel me mee.
Starend naar m’n handen zag ik glinsteringen. M’n handpalm is een hemellichaam. Een veelheid daarvan. Sloom nam ik de weerkaatsingen van ’t licht in de groeven van m’n hand waar. Overgehouden aan een aanraking met een vrouw op nieuwjaarsbest. M’n levenslijn was omringd door een vreemd glinsterende maar toch glorieuze sterrenhemel.
Maar ’t is de traagheid waarmee ik ’t waarneem. Me er niet tegen wapenen. Er geen daadwerkelijke notie van nemen. Er zit een vlies om me heen, een film, die niet alles toelaat.
Ik poog dapper gister in z’n context te zien. De volgorde van alles. De betekenissen, de consequenties, ’t gevoel, de conclusies ervan. In afzonderlijke hoofdstukken, zodat ze nog lang te lezen blijven voor me.
Ik ben een aansteller. Iemand die niet stil wil staan. Als een razende ga ik tekeer achter de bar. Omdat ik niet weet wat ik moet doen als ik me niet beweeg. & M’n collega’s laten me. Ze gunnen me die vrijheid. Zoals ik hun met rust probeer te laten als zij wel de tijd nemen.
’t Groter geheel bestaat uit delen. Die afzonderlijke hoofdstukken weer. Pilaren die ’t huis bouwen. ’t Ene deel zorgt dat ’t andere gedeelte overeind blijft staan. & Naarmate ’t langer een groter geheel vormt, zullen de voegen zich beter vormen, zich beter aanpassen aan de vorm van de rest.
Ik voel me daar tevreden bij. Ik besef me alleen te weinig dat ik dat als te vanzelfsprekend aanneem.
Dus hier, met veel te weinig tijd om te schrijven, de werkdag begint alweer aanstonds, met een band om m’n maag getrokken die niet al te veel mogelijkheid geeft iets voedzaams erin af te laten dalen, met een waarnemingsvermogen die slechts gebaseerd lijkt op intuïtie & routine, met een motoriek die vandaag slechts 1 versnelling lijkt te kennen, besef ik me weer ‘ns dat ik gezegend ben dat ik me op een plaats weet waar ik gelijk sta aan de andere delen, & dat ik nog blijk te voegen in de vorm ook.
Ach, ik word altijd een ietwat emotioneel, de dag na de dag na de dag. Als ’t voor velen alweer lang voorbij lijkt, maar ’t in mijn hoofd langzaam vorm begint te krijgen.
Beste lezer, ik wens u ook zo’n omgeving, ik wens u tevredenheid, ik wens u een gevoel van dat ’t er niet toe hoeft te doen, al dat vele, dat alles dat toch niet te omvatten valt, ik wens u datgene dat genoeg is, & niet de grenzen overschrijdt, ik wens u dat u zich 1 voelt, 1 met de rest, ik wens u een dag, een dag kan al genoeg zijn, zoals ik 1 keer per jaar meemaak, waar ik een zeer voldaan gevoel aan overhoud, ik wens u een gelukkig nieuwjaar, met al dat.

Maar misschien met wat minder alcohol als in Zijperspace.

spelregels

’t Is eigenlijk te laat. Ik moet me zodirect richting werk begeven. Een belangrijke dag. 1 Januari. Dan moet ik op tijd op m’n werk zijn. Dus daarom is ’t eigenlijk te laat.
Ik werd enigszins afgeleid. Men zal ’t een goede reden vinden. Me ’t in ieder geval geenszins kwalijk nemen. & Dat afleiden dat duurde even. Bovendien was ’t een prettige vorm van afleiding.
Voor de welverstaander hoef ik hierbij niet in details te treden.
’t Voelde glad & had bepaalde glooiingen op de juiste plekken zitten. Dat moet genoeg zijn.
Maar te weinig tijd dus. Ik moet m’n tanden ook nog poetsen. & M’n haar ziet er ook niet uit. Wellicht dat dat ook door de afleiding veroorzaakt is. Een mens kan zich in rare bochten wringen. ’t Kapsel is onderhevig hieraan.
Laat ik daarom maar de spelregels uitleggen. Zoals ze al jaren gelden. Bij gebrek aan tijd is ’t misschien wel leuk die kort & bondig te vermelden. Dan heeft men in ieder geval iets om over na te denken. Voor zolang ik niet aanwezig ben. 1 Januari is nl een belangrijke dag, voor ons van ’t werk, & 1 Januari duurt over ’t algemeen redelijk lang. Daarnaast is 1 Januari behoorlijk uitputtend, gaat ’t gepaard met een hoge mate van drankgebruik, & doen allerhande onverwachte emoties zich gelden. Men kan over ’t algemeen van te voren niet voorspellen waar de heftigste emoties zich voor zullen doen.
Daarom dus de spelregels. Afleiding. Voor de lezer ditmaal. Want ik weet niet of ik er morgen wel aan toekom wederom een verhaaltje te schrijven. ’t Zou wel moeten, ik weet ‘t, maar ik kan op dit moment gewoon absoluut niet zeggen of ik er aan toekom.
’t Zijn zeer eenvoudige spelregels. We willen ’t simpel houden. Zodat we er niet over in discussie hoeven te treden. ’t Gaat tenslotte om iets onbenulligs. Soms met grote consequenties, maar dat mag bij ’t gebeuren geen rol spelen.
Slechts een enkeling doet er aan mee. Daar zijn we streng in. Iemand die bij de jaarwisseling een relatie heeft, wordt van deelname uitgesloten. Dat zou valse concurrentie zijn.
Stel dat de relatie vrij snel na ’t begin van ’t nieuwe jaar ophoudt te bestaan, blijft de persoon in kwestie evengoed niet in aanmerking komen om zich aan te sluiten. Pas gerealiseerde vrijgezelschap wordt immers met gemak omgezet in een volgende verbinding. Frisse vrijgezellen liggen nl goed in de markt. Dat weten we uit ervaring.
Wij zijn zeer ervaringsdeskundig. We spelen ’t spel dan ook al een aantal jaren.
Een andere beperking: alleen mensen van ’t werk mogen meedoen. Een zeer select groepje. We moeten er nl wel over kunnen praten. Na afloop van ’t werk. ’t Uurtje dat we nazitten.
Hooguit een oud-collega mag aansluiten. Maar dat alleen omdat deze al jaren van ’t vrijgezelschap gebruik maakt.
& Omdat we zo lekker om hem kunnen lachen.
Voorwaarde is wel dat we geregeld van zijn situatie op de hoogte gebracht moeten worden.
& Dat-ie tegen z’n verlies kan. Ook wel belangrijk.
’t Mag niet, ik benadruk ‘NIET’, met degene met wie je ’t vorig jaar ook al gedaan hebt. Dat geldt niet. Je mag ’t natuurlijk wel dóen, misschien is ’t wel heel lekker, heb je goede ervaringen & is ’t voor herhaling vatbaar, of heb je eigenlijk spijt gekregen dat je niet doorgezet hebt, maar ’t telt níet.
Anders wordt ’t te gemakkelijk. Dan kan je van te voren met die persoon afspreken: ‘Ik vond ’t hartstikke lekker, wat we afgelopen nacht gedaan hebben, maar ik zou ’t zo ontzettend fijn vinden als we dat nou ook ‘ns op een speciale gelegenheid deden, laten we zeggen de 1e uurtjes van ’t nieuwe jaar.’
Dat is niet eerlijk. & Valse concurrentie. Want eigenlijk heb je dan al een relatie. Of in ieder geval een afspraak.
Ikzelf heb een keer tegen een dame gezegd: ‘Laten we ’t nu eens een keertje niet doen, laten we lekker elkaar zitten te betasten, maar ’t niet doen, & ’t uitstellen tot 1 Januari, want dan win ik er ook nog iets mee.’
Maar ik kon me weer ‘ns niet inhouden. De dame in kwestie trouwens ook niet. ’t Lag niet alleen aan mij.
Edoch, degene die dus als 1e tot de daad over is gegaan, met gezelschap waar deze ’t vorig jaar níet heeft gedaan, die heeft gewonnen.
’t Heeft ‘ns een keertje tot laat in Oktober geduurd voordat een winnaar zich gemeld had. We zijn verstokte vrijgezellen, moet men weten; we liggen inmiddels niet zo goed meer in de markt.
Zo, dat zijn de spelregels. Meestal spelen we ’t met z’n 3-en. Vorig jaar waren ’t slechts Fret & ik. Meestal, of eigenlijk altijd, wint Fret.
Waar dat aan ligt, dat wil ik niet weten.
In ieder geval heb ik dit jaar nog niet gewonnen. Ik ga niet uitleggen hoe dat zo komt.

Er moet nog iets privé blijven in Zijperspace.