mannenpukkels

‘Dit zijn mannenpukkels,’ dacht ik.
’t Komt doordat ik vanuit m’n bed rechtstreeks naar m’n computer loop, onderweg de knop van de kachel een slinger geef, in de stoel voor ’t beeldscherm ga zitten & op een gegeven moment achterover hel om de achterleuning warm te laten worden.
‘’t Zal toch een keer moeten gebeuren,’ denk ik daarbij, ‘dan kan ik ’t net zo goed meteen doen.’
Dus druk ik m’n nog bedwarme lichaam tegen ’t koude hout van de stoel aan. Je lichaam moet er even doorheen, maar als ’t er eenmaal aan gewend is, dan heb je tenminste een stoel waarin je ontspannen kan zitten. Achteroverleunend of voorover gebogen, ’t maakt dan niet meer uit. Een kort moment van ongemak waaruit je veel profijt achteraf kan peuren.
Om tijdens dat ritueel, zo mag ik ’t onderhand wel gaan noemen, toch nog enige lichaamswarmte voor mezelf te bewaren, zet ik m’n benen vaak omhoog. Met de knieën tegen m’n borst. Zodat er zo min mogelijk verloren gaat, dat wat er aan warmte verloren gaat, wordt doorgegeven aan een ander deel van ’t lichaam. Een hoge mate van efficiënt energieverbruik, denk ik daar vaak bij.
Tuurlijk kan ik ook meteen kleren aantrekken, maar dat zou veel van m’n vrijheidsgevoel, ’t idee dat ik nog uren de tijd heb & dat niemand me kan dwingen te haasten, wegnemen. Ik loop liever nog een tijdje in m’n onderbroek, hooguit t-shirt, rond, om ’t idee te behouden dat niets me opjaagt, dat niets moet, dat de verplichtingen straks pas komen. Ik gooi de helft van de gordijnen open, laat de andere helft dicht, zodat niemand van de achterburen mij kan zien & er toch behoorlijk wat daglicht m’n huis kan binnendringen. De rest komt later wel.

Maar in die hoedanigheid, in de houding waarbij m’n knie tot aan m’n borst reikt, kwam ik tot die gedachte. De gedachte van de mannenpukkel. Ik heb ze in ieder geval nooit bij vrouwen mogen ontwaren. Of ’t is aan mijn aandacht voorbij gegaan.
Uiteindelijk bestaat mijn wereld slechts uit waarnemingen, vooroordelen, bevestigingen, omdat ik toevallig bereid ben bepaalde feiten in m’n beleving op te nemen, illusies, veronderstellingen, & daaruit volgend een hoegenaamd vaststaand beeld van waaraan ’t universum waarin ik mij voortbeweeg als vanzelfsprekend moet voldoen. Iets wat niet past binnen die vastomlijnde definities van wat mogelijk is & wat niet ontglipt aan mijn vermogen ’t op te nemen in dat beperkte kader, zal ik niet kunnen zien. Ufo’s bestaan niet & mannenpukkels op vrouwenbenen evenmin, totdat men mij plausibele uitleg geeft over de mogelijkheid van wel-bestaan & mijn ogen zullen geopend worden.

Om ’t nou niet meteen te ingewikkeld te maken: ’t zijn witte pukkels. Eigenlijk witte pitten in kleine rode heuveltjes. Waarbij je die heuvels slechts moet zien als een kleine ophoging van de huid, niet meer dan een mm. Ik vermoed bij aanschouwing altijd dat ze veroorzaakt worden door ’t haar dat zich op mijn benen bevindt. Misschien dat ik ze daarom ook als mannenpukkels definieer. Omdat vrouwen gladde benen hebben, zeker heden ten dage. (’t Zou ook kunnen dat vrouwen veel meer aandacht besteden aan ’t verwijderen van dit soort verschijnselen, waar ik niet van zal staan te kijken, maar vooralsnog ga ik daar mbt deze pukkels niet van uit).

’t Zouden talgklieren kunnen zijn, die ze produceren. Ik heb nl wel ‘ns gehoord van talgklieren in ’t kader van ’t ontstaan van pukkels. Dat was mij onderwezen door een vriendin die hield van uitknijpen. Ze kon er uren aan besteden & ik moest voor de lieve vrede mij een willig slachtoffer betonen. Door ’t knijpen in mijn huid lukte ’t mij echter niet om met meer dan een ½ oor te luisteren naar haar uiteenzettingen. Waardoor de essentie van wat zij te zeggen had over mijn huid & specifieker: mijn pukkels & puisten, mij al snel weer ontgaan is. ’t Staat me echter nog steeds bij dat ze ergens onderweg, terwijl ze m’n lichaam van onder naar boven, of andersom, bewerkte met haar nagels, ’t gehad moet hebben over talgklieren. Ik weet nog steeds niet wat ik aan die informatie heb, maar ’t leek me zinnig te tonen dat ik gerust wel meer wist dan de gemiddelde man. Misschien dat ’t tot resultaat heeft dat men niet de neiging krijgt te willen tornen aan mijn wereldbeeld van mannenpukkels op mannenbenen.

Ik weet dus niet waar ze vandaan komen. Worden ze wellicht veroorzaakt door de spijkerstof van m’n broeken? Of door de kou & ’t schuren van de koele stof over mijn thuis verwarmde benen? Moet ik m’n benen insmeren met allerhande zalfjes zodat de conditie van m’n huid een dusdanige vooruitgang boekt dat ’t vitaminegehalte of de eiwitconstructie ervan een barrière vormt voor dergelijke uitwassen?
Geen weet hebbende van wat te doen met zulke vragen, ook een beetje onder de indruk van m’n eigen onbenulligheid & sterker: m’n bemoeienis met dergelijke pietepeuterigheden, zet ik dan vaak m’n nagels in m’n been. Met als goed voorbeeld die vriendin van toen.
‘Wie schoon wil zijn, moet pijn lijden,’ pleegde zij net als mijn moeder te zeggen.
Mijn moeder bezigde die uitspraak echter meer dan 15 jaar eerder, als zij met haar zakdoek mijn oren hardhandig uitbaggerde, daarbij stijf m’n bovenarm omklemmend met haar hand, een verrassingsaanval, daar had ze de hele dag naar uit zitten kijken, ’t geel van m’n oorsmeer gloorde haar tegemoet, maar ze moest nog even ’t juiste moment afwachten dat ik te dicht bij haar kwam & ze me stevig vast kon pakken. Traumatische gebeurtenissen voor een onschuldig kinderzieltje.

Nagels tegenover elkaar leveren te weinig resultaat op. Slechts een enkele witte pit laat zich uit de huid drukken, wat resulteert in een kleinood die zich niet met ’t blote oog laat bestuderen. Dat zou dit werkje nou juist nog interessant maken. ’t Krabben van de nagel over ’t oppervlak bewerkstelligt in ieder geval dat ’t landschap zich snel ontdoet van z’n witte heuvels, weliswaar met achterlating van de schijnbaar ontstoken ondergrond, maar weg is weg, denk ik er dan altijd maar bij.
‘Mannenpukkels,’ dacht ik na ’t bezien van ’t resultaat van mijn krabwerkzaamheden, ‘dit zijn echte mannenpukkels. & Ik ben een echte man, die efficiënt & op ’s mans wijze mannenpukkels verwijderen kan.’

Of zoals in Zijperspace een oud zegswijze luidt: Waar broeken spreken, moeten rokken zwijgen.

nogtewassenwas

’t Was woensdag dat ik ’t bedacht had. ’s Ochtends vroeg.
Of nee, dat kan niet. Want ik had ’t al voorbereid. In gedachten had ik 't al voorbereid. Dus moet ’t dinsdag zijn geweest.
Ja, want toen dacht ik ’s avonds laat: ‘Waarom ben ik ’t nou weer vergeten?’
‘Weer’, ik dacht ‘weer’.
Dus in 1e instantie had ik maandag al besloten dat ’t dinsdag moest gebeuren.
Niet woensdag, maar maandag dus. Toen al. Ja, ik weet me de gedachte wel te herinneren van: ‘Als ik ’t dan niet doe, dan krijg ik later in de week problemen. Vanavond niet, want dan kan ik ’t nog even rustig aan doen.’
Zoiets moet ik gedacht hebben. Ik weet 't bijna zeker. Daarbij hield ik al rekening met de dagen die na dinsdag zouden volgen. Een mens wil tenslotte wel bijtijds schone, bovenal droge kleren hebben.
& Toen ik dinsdagavond laat bemerkte dat ik was vergeten wat ik voor ogen had, ben ik verder gaan plannen. Ik wilde niet midden in de nacht de machine laten draaien. Hoewel m’n buren er weinig last van zouden hebben, vanwege ’t feit dat ze er toch niet zijn. Nee, vooral omdat ik dan de langmouwige t-shirts een dag niet aan zou kunnen trekken.

‘Heb je 3 t-shirts aan?’ vroegen ze laatst.
‘Nee,’ antwoordde ik, de 3 bovenste optillend, ‘4.’
‘Ton, die houdt van laagjes,’ zei Jos.
Jos kent me al wat langer.
‘Daar blijf je ’t warmst bij,’ legde ik uit, 'met laagjes. De bovenste 3 gebruik ik niet de hele dag. Die gebruik ik zoals anderen een trui gebruiken. De onderste is elke dag een ander.’
Verantwoording afleggen. Stel je voor dat ze zouden denken dat ik weken achter elkaar in dezelfde vieze spullen zou lopen. Ik vergat erbij te vertellen hoe vaak ik de langmouwige t-shirts door de was liet gaan. Want daar was m’n uitleg eigenlijk voor bedoeld. Ik wil vooral niet dat men ’t idee zou krijgen dat ik zou kunnen ruiken naar oude kleren & verschaald zweet.

Dus dinsdagavond. Laat, vlak voor slapen gaan. Opnieuw plannen.
‘Met die sokken kan ’t nog net,’ dacht ik, ‘want desnoods heb ik nog wel een paar in de sokkenmand liggen. Misschien wat dunner, vanwege oud & bezig te slijten, een dag lang wat ruimer in m’n schoenen lopen wellicht, maar afdoende. Onderbroeken ook geen probleem. Sinds de reparatie door Ma heb ik aan broeken ook geen gebrek. T-shirts heb ik zowiezo te over.’
Alleen die t-shirts met lange mouwen. Dat werd toch wel tijd.

Ik had de keus tussen woensdagavond na werk & donderdagavond na werk. Onmiddellijk na thuiskomst snel de was er in. Zodat ’t klaar zou zijn voordat ik naar bed ging. Konden de bedoelde t-shirts nog net drogen voordat ik de volgende ochtend weer richting werk vertrok.
- Vrijdag zou ik pas in de middag met werken hoeven beginnen.
- Donderdagavond zou ik minder lang nazitten op m’n werk.
- Ik had nog 1 paar sokken. Nog net genoeg tot vrijdag.
- Wanneer wilde ik patat eten na afloop van m’n werk? (Traditie! Tradities moet je niet doorbreken, hooguit verplaatsen naar een andere dag).
Allemaal motivaties. Ik had er nog wel meer. Traden misschien wat minder op de voorgrond, maar ook details beïnvloedden uiteindelijk m’n keus voor de was op donderdagavond. Ach, ’t zijn details in andermans ogen, maar ik hield me ermee bezig. ’t Is een zelfstandig huishouden, van 1 persoon, ik hoef niemand verantwoording af te leggen, behalve als ik ruik, elke dag ben ik de enige die ik tegen kom als ik voor de spiegel sta, & elke dag ben ik degene die de langste conversaties met mezelf houdt. Niet hardop, de buren zouden kunnen gaan denken dat ik wel heel erg vereenzaam als ik murmelend over straat ga, maar zachtjes in mezelf, onhoorbaar dienen 100-en gedachtes zich dagelijks aan. Zo ook voor de kwestie van de was.

’t Werd dus donderdagavond. Hoewel ik woensdagavond nog even moest nadenken, onderweg van huis naar werk.
‘Is ’t nou woensdag patatdag of donderdag?’
Ik was immers niet anders gewend dan donderdag.
Ik kon nog net remmen voor m’n vaste patatleverancier. Dezelfde als de bamischijfleverancier. & De pikantoleverancier. 1 & Dezelfde persoon.

Donderdagavond alle kleren bij thuiskomst uitgetrokken. Een ietwat onwennig liet ik ’t mezelf gebeuren: ’s avonds de kleren uittrekken om ze onmiddellijk in de wasmachine te gooien & snel andere kleren aan om niet in m’n nakie in de koude keuken voor de wasmachine te hoeven staan.
Toen ik 2 uur later de pas gewassen was er uit wilde halen ontbraken mijn langmouwige t-shirts. Die vond ik terug op de plek waar ik me had verkleed. Op een hoopje. Vergeten in de haast de wasmachine te laten draaien.
Ze verlangden ernaar gewassen te worden, zo voelde ik ’t zelf ook, maar ze zouden nog even 2 dagen moeten wachten. Tot ’t moment dat er weer ruimte was in mijn schema.

Tot zover ’t weekoverzicht van Zijperspace.

wachtkamer

‘Zo, wat een drukte hier,’ zei ik bij betreding van de wachtkamer.
Om ’t ijs te breken.
Alle stoelen bezet. ’t Meisje dat voor me bij de receptie was geholpen, had een staanplaats langs de muur. Ik nam de andere muur voor m’n rekening.
Alleen ’t nederlandse stel reageerde: ‘Morgen,’ & een glimlach.
Ik haalde m’n boek tevoorschijn. Hield de 1e 5 minuten de schijn op dat ik las, om toen pas tot me door te laten dringen wat de letters zeiden.
’t Stel was aan de beurt. 2 Stoelen vrij, dus ik kwam naast ’t meisje te zitten. Schuins gluurde ik over de bladzijdes heen naar waar zij mee bezig was. Een boek over de nederlandse taal. Op de pagina waar ze gebleven was, werd besproken hoe ’t woordje ‘er’ te gebruiken.
Misschien was ik wel de enig overgebleven nederlander, bedacht ik me, terwijl ik uit m’n boek opkeek.. Schuin tegenover me zaten 3 mollige antillianen, moeder & 2 dochters zo te zien. Ze brabbelden onverstaanbare grapjes, waar alleen zij om konden lachen. Daarnaast een oude turkse man. Al stijf in de heupen, bleek toen-ie even later de behandelkamer mocht betreden. & Aan ’t eind van ’t rijtje waarschijnlijk de enige nederlandse: een oude volkse vrouw, diep gegroefd in ’t gezicht, zoals ze vroeger alleen uit de Jordaan mensen konden leveren. Oja, er was ook nog ’t meisje naast m’n buurvrouw, die zou ook wel nederlands zijn: blond haar. Maar verlegen, er kwam geen woord uit toen ’t stel de behandelkamer verliet, door de wachtkamer richting klapdeuren liep & ‘Goedemorgen’ groette.
Niemand zei zowiezo iets, behalve de antillianen. Iedereen z’n eigen wereldje, ook de antillianen. Ik m’n boek, m’n buurvrouw haar cursus nederlands. Ze haalde haar aantekenschrift erbij. Nederlandse woorden met hun vertaling. ‘Een beekje’ bleek ‘sopa’ te betekenen in haar taal.
’t Nederlandse meisje verderop in m’n rij keek om zich heen. Stond op een gegeven moment op, liep de andere ruimte in, naast onze wachtkamer, waar ’t personeel de hele tijd af & aan had gelopen. Nu hadden ze inmiddels pauze & was ’t er rustig. Ik keek wat ze deed.
Ze kwam weer terug. Met in haar blik een vraag. Ik keek naar haar vraag in de ogen. Daarom stapte ze waarschijnlijk op mij af. Of omdat ik er ’t meest nederlands uitzag.
‘Weet je waar wc is?’ vroeg ze, hoofd naar me toe gebogen, beleefd.
Daarom was ze verlegen: ze sprak de taal niet goed.
‘Weet ik niet. Misschien achter de klapdeuren richting receptie,’ wees ik.
Iedereen keek mee, niemand zei wat.

‘De heer Zijp,’ werd er omgeroepen.
Ik volgde de stem van de dame de behandelkamer in.
‘Goedemorgen,’ zei ik.
Ze gaf me een hand & stelde zich voor.
‘Ton,’ zei ik, dat van Zijp wist ze al.
‘Trekt u uw broek maar uit, onderbroek ook, & dan kunt u hier gaan liggen.’
Ze legde een nieuw doek klaar waar ik op kon liggen.
‘Mag ik ’t ook laten hangen?’ vroeg ik. ‘Anders duurt ’t zolang om m’n schoenen aan & uit te trekken.’
Vond ze goed.
’10-4-’64,’ las ze langzaam m’n geboortedatum voor.
Ik had ondertussen al de houding aangenomen die ze van me had verlangd. Ze had een handdoek eroverheen gelegd.
‘Dan wordt jij dit jaar ook 40,’ zei ze met een lach.
‘Jij ook?’ vroeg ik.
‘Ja, morgen.’
‘Oh, alvast gefeliciteerd.’
‘Dank je.’
De dokter kwam binnen. Stelde zich ook voor. Moeilijk te verstaan met ’t zoemen van de computer naast me.
‘Ton,’ zei ik weer. ‘Zijp’ voor de zekerheid er achteraan.
Hij ging aan de gang.
Toen-ie klaar was zei hij: ‘Ik ben er maandag klaar mee. Dan kunt u bellen over de uitslag. Dan kunt u zich nu aankleden.’
Hij verliet de kamer.
Ik stond op. Trok m’n onderbroek op.
‘Ga je ’t vieren?’ vroeg ik.
‘Ja,’ zei de assistente met zichtbaar plezier in de ogen. ‘Maar niet morgen.’
Ik keek vragend, terwijl ik naar beneden reikte voor m’n broek.
‘Van de week heb ik een hernia gekregen,’ vertelt ze met een lach. ‘Ik dacht: God, moet ik dat krijgen nu ik bijna 40 ben? Dus daarom doe ik ’t nu maar even rustig aan. & Dan vier ik ’t later. Vier jij ‘t?’
‘Ja, ik vier m’n verjaardag altijd. Maar m’n 40e nog even wat groter.’
‘Ik ook.’
We zeiden ’t beiden alsof we ’t vanzelfsprekend vonden.
‘Maar dan ben jij dit jaar ook op een zaterdag jarig,’ bedacht ik me.
‘Ja, lekker hè.’
‘Dan wordt ’t zowiezo extra druk.’
Ik trok m’n riem vast. Schikte de boel nog een beetje.
‘Veel plezier dan morgen,’ zei ik.
‘Dank je, jij ook straks.’
‘Goedemorgen,’ zei ik luid toen ik door de wachtkamer richting klapdeuren liep.
Er was iemand die wat terug mompelde.

We blijven de dingen groeten in Zijperspace.

deken

De zon kondigt zich al aan met een helder blauwe lucht, een enkele kleine pas gewassen wolk ertussendoor. ’t Doet ’t wit nog witter glanzen. In de flat achter m’n huis zie ik vlekken zon die de ramen van m’n bovenburen daar projecteren.
Vogels hebben nog niets te doen, kwetteren een beetje voor zich uit, timide, verveeld. Hun takken zijn bezet, hun voedsel verborgen. Een enkeling vliegt een beetje heen & weer, daarbij de takken opschrikkend, zodat deze zich nog wat sneller van ’t winters masker moeten ontdoen.
De natuur lijkt zich te schikken, te buigen bij deze nachtelijke overrompeling. ’t Had even niet opgelet, maar weet de consequenties ervan te dragen. Onder ’t gewicht neigen vele takken schuin voorover, ze geven zich gewonnen, waarschijnlijk in de veronderstelling dat dooi ze straks wel zal redden.
Als de zon zich bevrijd ziet van een wolk, maar voor mij & m’n tuin nog steeds verborgen blijft achter de flat, weerkaatst ’t landschap ’t licht als in de beste films in Technicolor. Niet te grauw, niet te somber, niet te mat, maar zacht, mild, subtiel tekenen zich kleuren af. De rode bloempjes van de appelstruik duiken olijk op tegen de overwegend witte omgeving.
Langzaamaan ontwaken de bomen, als uit een winterslaap. Ze schudden zich wakker door zich te ontdoen van klodders te zwaar wegend sneeuw. 1st Was er 1 boom die z’n takken ervan ontdeed, maar naarmate ’t lichter wordt, de zon meer vlekken vertoont op de muren van m’n achterburen, de gloed boven hun dak feller wordt, vallen er van meer bomen kleine sneeuwballen naar beneden. Zelfs de geraamtes dunne sprieten die mijn tuin afgelopen zomer vrolijk met groen & bloemen hebben gesierd, lijken weer tot leven te komen. Als een restant guldenroede zich van z’n vracht heeft ontdaan, schommelt ’t voldaan een paar tellen heen & weer. ’t Decor wordt geleidelijk aan opgebroken. Je kan de bevrijde takken hun ruggen zien rechten. Ze kijken vervolgens weer stoer de wereld in.
Sneeuw is gestold, gekristalliseerd water, besef ik me weer als ik ’t hoor spetteren op ’t balkon boven me. Vlak voor m’n neus langs valt een druppel. ’t Deken begint gaten te vertonen die recht naar beneden wijzen. Door de gaatjes heen kan je ’t grijs, ’t grauw alweer naar buiten zien schijnen. Ik zie de sneeuw al somber in elkaar kruipen. ’t Is weer zijn beurt zijn schouders te buigen. ’t Beseft dat z’n rol er alweer bijna op zit. Zodirect duikt de zon vanachter de flat tevoorschijn om m’n illusie definitief weg te nemen.
De kinderen die me daarstraks vroeg deden ontwaken zitten al lang & breed in ’t klaslokaal. Hun luide geschetter is inmiddels door de vogels overgenomen.

De wereld wordt weer kaal in Zijperspace.

klak

Alle vaders luisterden op zondag naar klassiek, maar die van mij, die van ons, naar jazz. Elke zondag weer. Daarbij ijverig in z’n jazzencyclopedie noterend, bandjes spoelend, vingers klakkend.
’t Waren er 3 of 4. Hij gooide ze de lucht in, zo ongeveer vlak boven z’n schouder. Meestal zat-ie dan wat voorover gebogen, over z’n plank. De plank waar-ie al z’n boeken op kon leggen, z’n typemachine, z’n aantekeningen kon maken. Voorover gebogen zat-ie te luisteren naar z’n muziek. & Als-ie genoot sloeg-ie met z’n vingers.

Klak.

Daaraan kon je zien dat m’n vader jong was geweest. Maar dat wisten we niet. Wij dachten juist dat ’t vertelde dat-ie oud was. Dat ’t iets was uit voorbije tijden. Wij kenden hem niet anders dan oud, dus al z’n gedragingen zouden wel gelijk zijn aan z’n leeftijd. Z’n ouder zijn dan wij.

Klak.

M’n vader vermaakte zich. Voor zich enkele aantekeningen. Of die encyclopedie. 1 Van de 2 delen. Jazzrecordings tot & met de jaren 40.
Hij richtte z’n hoofd op om m’n moeder aan te kijken. Een zoete glimlach, z’n slechte tanden nog net verborgen. Een spitse neus naar voren. Gericht op m’n moeder. Ik geloof dat m’n moeder die blik niet kon weerstaan. Ik kan me niet herinneren dat m’n vader in haar ogen ooit iets verkeerd deed op zondag.

Klak.

Z’n blik weer gericht op ‘tgeen hij mee bezig was. Jazz, genealogie, plantjes. Alles even secuur. & Toch elke keer z’n vingers die boven z’n schouders uitstegen. Een klakkerdeklakklakkende klak. 3 Vingers. Of 4. We wisten niet hoe hij de truc deed.

Klak.

We gingen naast ‘m staan. De hand gereed. Vingers uit elkaar. De andere hand erbij, om voorzichtig aan de vingers aan te geven waarvan we dachten dat die moesten klakken. Tegen elkaar aan moesten slaan. & Om ons vermoeden over ’t geluid uit te drukken. Een vinger die wijst naar ’t toekomstige geluid dat in de ene hand ligt bezworen.
Pa deed ’t voor. Nooit te veel, zodat we ’t exact konden kopiëren. Alleen om aan te geven dat ’t precies op de muziek ging. Zijn muziek. Jazz, soms ‘t Kliekske. & Met z’n oude, veel oudere vingers, waar kloven in stonden, waar z’n nagels breed stonden, de knokkels veel duidelijker dan bij ons naar buiten wezen, ’t eelt verhard, de randen grijzend of misschien wel bruin verwordend van door ons vermeende ouderdom, gaf-ie aan hoe ’t ging, dat geluid.

Klak.

Z’n hand boven de schouder. Vingers lichtelijk van elkaar gespreid. Duim lichtelijk naar voren. Gebogen naar de palm.
& Daar tussenin ergens een truc, waar wij niks van wisten.
De arm naar beneden, snel, tot vlak naast z’n middel. & Vervolgens:

Klak.

Snel op elkaar volgende vingers. Niets meer. Maar voor ons een zweepslag. Een zweepslag van geborgenheid, van zondagsrust, van op je eigen kamer zitten & de tijd van de wereld hebben om te spelen, met tussendoor een kopje soep. Een zweepslag op ’t juiste moment.
Onze vader wist alles van ’t juiste moment. Wist ook alles van jazz. Daar wilden wij echter niets van weten. Wij wilden:

Klak.

& Dan liefst van klakkerdeklakklakkende klak in Zijperspace, supersnel.

schrijf maar naar Man0

Zo kreeg ik heden ten dage een meeltje toegestuurd van iemand die geen raad wist met de hierna volgende kwestie:

Lieve Man0,

Jij bent de grootste vrouwen-man die ik ken, en in die zin de aangewezen persoon om dit te vragen: wat vind jij van lichaamsbeharing bij vrouwen? En wat is er aan de hand dat mannen een vrouw liefst zo kaal mogelijk hebben, en met een enorme vanzelfsprekendheid (en intolerantie) kunnen zeggen dat bijvoorbeeld okselhaar 'natuurlijk echt niet kan'?


Sorry voor 't late reageren. Op 't moment dat ik bovenstaand meeltje binnenkreeg ging de telefoon. Ik kreeg een vriendin (om even aan te geven hoe hoog 't gehalte vrouwen-manheid door mijn zijn stroomt) aan de lijn.
Aan 't eind van dat gesprek hebben we gelijk even besproken wat er gedacht moet worden van lichaamsbeharing, maar wat dat betreft ben ik geloof ik roomser dan de paus, waarbij de paus de vrouw in z'n algemeenheid moet voorstellen & 't roomse geloof de passie voor of de afkeer van (daar ben ik nog niet over uit) 't begroeien van 't vrouwelijk lichaam met haar.
Die vriendin vond 't afschuwelijk: een vrouw die een 'bos' onder haar oksels uit had groeien, anno 2004 is dat iets dat écht niet meer kan. Misschien bij alto's, maar bij vrouw-vrouwen toch écht niet. Zo zei ze 't.

Ik probeerde de vrouw met plukjes geciviliseerd haar nog een beetje te verdedigen, wist me in gedachten nog wel van een ver verleden zo'n vrouw voor te stellen (of was dat een meisje?), m'n neus wroetend in haar druppeltjes traag druipend zweet na gedane arbeid, vond 't damals best aantrekkelijk, vooral bij zonlicht of anders iets met kaarsen of de beperktheid van studentenkamerbelichting, maar wist ondertussen dat ik dat inderdaad niet zomaar moest gaan verkondigen.
Alles moet tegenwoordig kaal, zei ik tegen de vriendin aan de andere kant van de lijn, niks mag iets van beharing vertonen zolang 't niet boven op 't hoofd of in de vorm van wenkbrauwen of wimpers is. Ik kan geen pornosite bezoeken of ik word geconfronteerd met frontale naaktheid in al z'n details, tenzij je zogezegd seksueel lichtelijk gestoord bent, een fetisjist bent of een andersoortige afwijkende belangstelling hebt die resulteert in een liefhebberij voor grote bossen haar op de pubis, dan kan je terecht bij daarin gespecialiseerde onderafdelingen van zo'n exploitant van plaatjesseks.

Maar goed, ik vind 't niet meer dan normaal, haar, weet echter wel dat er een dermate grote gewenning tussen m'n oren heeft plaats gevonden dat ik, mocht ik mij in die situatie bevinden 't te kunnen controleren, niet anders meer verwacht dan dat ik 's ochtends vroeg, na gezellig samenzijn, niet wakker wordt met haar op m'n tong.

& Ik sta er elke keer weer verbaasd over dat vrouwen daar zo makkelijk in meegaan, er zelfs 't voortouw in nemen. Je krijgt dan soms echt reacties, zoals genoemd telefoongesprek, dat vrouwen je voor gek verklaren omdat je er geen bezwaar tegen zou hebben. Nu is 't inmiddels al zo ver, zoals reeds vermeld, dat ikzelf ook vreemd opkijk als ik enkele sprietjes onder de oksel ontwaar.
Men weet niet meer wat natuurlijk is, wat de functie van 't haar op genoemde plekken oorspronkelijk is & totaal onwetend gaat men van hatsjekiedee, zet men ’t mes er in, ’t scheermes in dit geval, & ontdoet men zich van alles dat naar boswandelingen & survivaltochten riekt. & Allengs blijken zoveel vrouwen die mode van scheren te hebben overgenomen dat ’t niet meer ‘anno 2004’ is om ’t te laten staan.

Zo stond ik er ook verbaasd over dat zoveel vrouwen bereidwillig zijn een string te dragen, terwijl ik dat júist dé methode vind om de ‘reet’ van de vrouw (ik zie me gedwongen ’t zo uit te drukken) nog nadrukkelijker aanwezig te laten zijn. & Dat dient uiteindelijk om de man te bekoren. Terwijl nota bene elke vrouw met string zal zeggen dat ze ’t alleen maar dragen omdat ’t broekrandje dan niet door de stof van de rest van de kleding zichtbaar is.
Ik keek nooit naar billen, totdat ik weet kreeg van de string & de daarbij behorende appetijtelijkheden.

Misschien is dat laatste voor jou niet zo van belang, maar ik neig er een beetje naar te denken dat dit verschijnsel een zelfde oorzaak heeft als 't verwijderen van 't lichaamshaar. Vrouwen laten elkaar zien tot hoever ze durven gaan (ik las er vanmiddag over in de roman ‘Hajar & Daan’, waarin over scholieren gesproken werd die ‘tzelfde gedrag tentoonspreiden), vinden dat vervolgens normaal & weten uiteindelijk geheel niet meer wat oorspronkelijk & dus natuurlijk is, terwijl ze geheel onbaatzuchtig de stereotiepe blik van de man hebben bevredigd.

Ik heb daar overigens, in die 2-strijd bevind ik mezelf, lang niet altijd bezwaar tegen. Ik mag inmiddels graag kijken & genieten van ’t uitzicht, maar ik heb daarbij wel de neiging om dit te melden aan m’n vriendinnen. Ze luisteren over ’t algemeen geïnteresseerd met gespitste onthaarde oren naar mijn relaas over ’t zojuist aanschouwde strakke, van alle extra franjes ontdane lichaam.

Vrouwen in velerlei gedaantes & met evenzoveel problemen & vraagstukken kunnen altijd terecht in Zijperspace.

bekentenis

Ik dacht: ‘Nou moet ik haar naam gebruiken zonder dat ze door heeft dat ik ‘t 1st niet wist.’
& Ik keek hoe ze binnentrad, mensen gedag zei. Ik wachtte tot er een blik mijn kant opkwam & hield me ondertussen bezig met m’n werk. Pakte glazen, schonk ze vol, verlegde viltjes, verving doordrenkte, nam een bestelling op, herhaalde die om zeker te weten dat ik ’t goed verstaan had & om ’t bovendien op ritme tijdelijk in m’n hoofd te stampen, gooide een leeg pak appelsientje in de prullenbak & noteerde nog iets op een bonnetje van een klant, terwijl ik nog even snel keek of ze mij wel in de gaten had. Ik zag ‘r nog net vertrekken richting wc.
Ik ging maar ‘ns glazen halen, een onzekere inspectietocht, om info in te winnen bij Jasmijn, die duidelijk meer wist.
‘Ja, ik heb een sms-je gestuurd,’ zei ze. ‘Leuk, hè.’
‘Hartstikke leuk,’ reageerde ik, ‘maar ik weet straks toch niets te zeggen.’
‘Maar ze is nu naar de wc.’
‘Dat had ik gezien.’
Want barmannen houden alles in de gaten. In ieder geval dat gedeelte waar ze belang bij hebben.
‘Ik kwam iemand tegen,’ zei ze, toen ze van ’t toilet terugkwam.
‘Ja, we vonden ’t al lang duren voor een simpel plasje,’ zei ik dapper, de conversatie uit m'n tenen sleurend.
Waarop ze Jasmijn ging vertellen hoe ’t met haar ging.
Ik besefte me dat ik een excuus had om door te schuiven, weg te duiken van een mond vol tanden, een onhandige houding die de barman niet staat te ontwijken, wierp een blik richting bar, zag m’n collega’s bewegen & murmelde dat ik maar weer ‘ns aan ’t werk moest. Een beweginkje van ‘glazen ophalen’ & ik kon gaan.

Er zijn van die momenten dat je niet beseft hoe je iets gedaan kan hebben wat je hebt gedaan. Daarvoor worden vaak penitentiaire inrichtingen beschikbaar gesteld, bestemd voor mensen waarvan gedacht wordt dat zij zich wel héél erg niet in de hand hadden, maar de meeste handelingen die worden verricht zonder dat er een streven was, een direct bewust streven, waarbij ’t geweten voor een tel de macht over ’t stuur kwijt was, worden niet afgestraft, worden vaak niet ‘ns opgemerkt, gaan aan eenieders aandacht voorbij, behalve aan degene die van zijn eigen muis een stoet olifanten bouwt, met de slurven aan elkaars staarten gebonden.
Terwijl ik doorschoof, onderweg naar mijn bar, naar mijn werk, een massa klanten stond te wachten op mijn bediening, had ik klaar als excuus, terwijl ik me een weg moest banen uit een kluwen van mensen, waar vrouwen een groot bestanddeel van uitmaakten, & een specifieke vrouw bovendien waarvan ik sinds kort de naam wist, maar waarbij ik niet wist hoe die onopvallend te gebruiken, zonder notie, zonder overdrijving; terwijl ik doorschoof pakte ik de bewuste vrouw bij de schouders, niet zomaar 1 schouder, nee, met beide handen had ik ze aan weerskanten op een gegeven moment beet, & stilletjes trok ik aan haar rug voorbij, alsof ik haar lichaam nodig had ter ondersteuning van die beweging. Me onmiddellijk beseffend dat ik dat in ’t dagelijks leven, toch?, ik was zoiets toch niet gewoon, toch?, dat dit toch van een bepaalde mate van onbetamelijkheid getuigde die ik mijzelf niet eerder had zien doen.
Gelukkig dat niemand keek. & Zij was te druk in gesprek met Jasmijn om ook maar iets verdachts op te merken.

‘Uhm,’ begon ik verlegen.
‘Jij? Jij verlegen?’ had ze even daarvoor gezegd.
‘Ja, hartstikke soms,’ had ik gereageerd, ‘& nu helemaal, want ik moet je eigenlijk iets bekennen.’
‘Wat?’
‘Daar ga ik 1st maar even moed voor indrinken, zodirect achter de bar. Dan kom ik bij je terug als ik ’t durf.’
‘Uhm,’ begon ik dus verlegen, toen ’t zover was, de bar was dicht, er stond me niets anders meer te doen dan opruimen & wegruimen. ‘Kijk, ik schrijf elke dag een stukje tekst. & Die plaats ik dan op m’n eigen site. & Weet je nog dat je met een vriendje hier was & dat ik zei dat dat ‘m niet zou kunnen zijn voor jou?’
Een knik, een blik die dat wat komen moest uit m’n mond probeerde te trekken.
Daar tegenover een zenuwachtig hupje, een wip op ’t andere standbeen, een wenkbrauw die zich probeerde te kronkelen in de juiste plooi, een druppel die van onder de haargrens kwam jeuken over de voorhoofdsrimpels, een mond die gedwongen werd verder te gaan.
‘Daar heb ik dus een verhaaltje over geschreven.’
Was dat de hele bekentenis? Misschien, maar zo had ik er nog niets aan.
‘& Ik dacht nu dat ’t misschien wel zo eerlijk zou zijn als ik je dat stukje ‘ns liet lezen. Heb jij i-meel?’

Ik kuste Jasmijn gedag, ik kuste Jojanneke gedag. Berdien kreeg een zoen, nadat ze me aanviel in m’n nek. Ik zwaaide naar Pieke, wuifde naar Suzanne, zei dat Simone toch echt moest gaan, & moedigde amerikaanse toeristen aan hun glas te legen & buiten te wachten tot hun vriendin van ’t toilet afkwam. & Net op ’t laatste moment zag ik dat ze de deur uitging. Op ’t punt stond door de deur te gaan.
‘Doeg, Kim,’ riep ik.
Ze keek om. Blies me een handkus.
'Nee, da's niet echt,' mompelde ik voor me uit.
‘Doeg, Ton,’ zei ze lachend. ‘Ik hou van je.’
Ze zei ’t echt, vlak voordat ze de deur achter zich dichttrok. Maar zulke opmerkingen zijn natuurlijk voor velerlei uitleg vatbaar.

Ach, u had erbij moeten zijn, op dat moment in Zijperspace.

principes

Voor hem was ik bang. Op een gegeven moment zou ik met hem de confrontatie aan moeten gaan. Liegen of barsten. De waarheid vertellen of die juist verbloemen, opleuken misschien hooguit.
& Nu kwam-ie bij mij de winkel in lopen. In 1 van z’n meest positieve buien. Brede glimlach, een zonnig gezicht, alsof-ie elke straal die vandaag had geschenen had opgevangen, sportief jasje, flodderig over z’n blouse openhangend.
Ik had 'm eerder nors gezien, gehaast, een geagiteerde blik van dingen die ervoor zich hadden afgespeeld.
‘Ik heb wat lege flessen,’ zo meldde hij nu.
‘Ja, zet maar neer,’ zei ik.
Hij pakte de tas uit & ik stopte de flessen in de daarvoor bestemde kratten, telde ondertussen ’t statiegeld. Terwijl m’n blik bevangen werd door de grote hoeveelheid Leffe Tripel die retour kwam. Meer dan gewoonlijk. Slechts een paar Duveltjes.
Ik had van de week nog een opmerking gemaakt naar collega Jan. Dat we Leffe Tripel ook niet meer in ’t schap hadden staan. Blond & Bruin wel, want die waren op grote fles leverbaar, maar dat was voor de tripel niet ’t geval. Radieuse mocht wel in kleine fles verkocht blijven worden omdat ’t een uniek bier was, maar de tripel zouden we gewoon niet meer aanbieden; was dat de bedoeling?
& In m’n achterhoofd doelde ik met m’n vraag op deze man. Ik wist dat-ie ooit weer de winkel in zou stappen.
‘Je hebt totaal € 1,40 statiegeld,’ riep ik de man na die tijdens mijn tellen verder de winkel in was getrokken. ‘Dan kunnen we ’t samen onthouden.’
& Ondertussen hield ik met een schuin oog in de gaten welke kant hij op zou gaan. Hoewel dat niet nodig was: ik wist ’t toch wel.
Hij bleef stilstaan. Keek naar de bovenste plank. Een leemte, ik zag precies voor me waar hij die leemte lokaliseerde.
‘Ja, we hebben geen Leffe Tripel meer,’ zei ik luid.
‘Ik kon ’t al niet vinden,’ zei hij. ‘Krijgen jullie van de week weer binnen?’
Dit was de crux. Hier ging ’t om. Rechte rug of slap voorover buigen. Mond open of naar lucht happen. Mee lachen of hem serieus van uitleg voorzien. In de ogen kijken of zeggen dat ’t een plannetje van m’n collega was.
‘Nee, we zijn ermee gestopt,’ zei ik.
Een weg van geen terugkeer, hoorde ik mezelf denken. Heldhaftige muziek zwol aan.
Ik keek ‘m aan. Met een glimlach. Beetje bravoure in m’n houding: de kassa-miep doet stoer.
‘We wilden ‘ns van Leffe af. ’t Wordt gemaakt door Interbrew. & Dat is verneukeratief voor de belgische biercultuur. Interbrew is al jaren de grootste. Koopt kleinere brouwerijen op. Om ze daarna te slopen. Zo ook hun bier. Al dat bier wordt zoeter, als ’t door Interbrew gebrouwen wordt. We wilden dus weer ruimte creëren voor de kleinere brouwerijen. We vonden dat die meer de aandacht moesten krijgen van ons. Dan blijft ’t aanbod speciaal. Dan blijven wij speciaal. Vinden we belangrijk.’
‘Dus ook geen Blond of Bruin?’
‘Die hebben we alleen nog op grote flessen. Daar sta je nu voor.’
‘Nee, dat hoef ik niet. Maar wat staat daar dan? Die rode fles?’
‘Dat is Leffe Radieuse. Een perfect bier. Is gebrouwen zoals de brouwer dat zelf wil. Gewoon een kwaliteitsproduct, geen concessie naar de verdergaande vervlakking van de smaak.’
‘Wat is ’t dan?’
‘Een heel fruitig biertje. Beetje bruinrood van kleur. Complex, je proeft meerdere dingen tegelijk. Mooi bier. Niet zoet.’
‘Nee, dan hoef ik ’t niet.’
Hij kwam weer terug naar de kassa. 3 Flesjes Duvel in z’n hand.
‘Ja, we proberen hier af & toe ook nog principieel te zijn,’ legde ik verder uit, glimlach ter ondersteuning, ‘want als wij ’t niet doen, de supermarkten doen ’t zowiezo niet.’
Hij glimlachte terug. Hij was nog steeds in een goed humeur, ik had op ’t juiste moment geschoten, correcte lading.
‘Statiegeld was € 1,40,’ sloeg ik aan op de kassa. ‘Dan wordt ‘t € 2,80 alsjeblieft.’
Hij betaalde, stopte z’n flesjes in z’n tas & vertrok.
‘Nu hebben we nog meer ruimte voor heel speciale bieren,’ verpestte ik ’t op ’t laatste moment, om toch nog even in vertrouwen wat extra communicatie te hebben, om geen afscheid te hoeven nemen van zelfgenoegzame principes die ik met verve wist te verantwoorden richting klant.
Een laatste blik achterom terwijl hij de deur achter zich sloot. Een frons op z’n voorhoofd.

De heldhaftige tonen waren verworden tot armetierig tromgeroffel in Zijperspace.

overzichtelijk

Er viel iets. Op de grond. Zo klonk ‘t in ieder geval. Een plof op m’n vloerbedekking.
Mijn oren zijn gespitst op dit soort geluiden. Gewoonlijk hoor ik ook ’t verschil tussen een dubbeltje & een stuiver dat uit de portemonnee op de grond valt. Klant aan de andere kant van de toonbank duikt met z’n blik achter de flits van ‘t muntje aan, met de vraag op z’n gezicht getekend hoeveel armer hij wordt als-ie ’t weg laat rollen, tussen de fusten, onder de planken door. & Ik geef geruststellend aan dat ’t slechts om een duppie gaat.
Vallende objecten dus, daar ben ik in gespecialiseerd. Waarom eigenlijk? Wil ik meteen weten waarover de controle verloren is & wat de consequenties daarvan kunnen zijn? Ligt er misschien aan ten grondslag dat ik de wereld overzichtelijk wil houden, in staat blijf ‘t te kunnen behappen, zich niet voordoet als een jungle van onbekende geluiden?
Er viel een stukje. Ik dacht onmiddellijk: dat komt uit m’n dubbelgeslagen boterham vandaan.
Want: dat is me al vaker gebeurd met salami als beleg.
Want: ’t geluid komt van onderen tot mijn oren, niet van ver weg.
Want: ’t klinkt dof, dus heeft de vloerbedekking ermee te maken.
Want: er is geen alternatief, hier in ’t huis waar ik de enige ben die de dingen beweegt, de dingen tot beweging aanzet.
Ziet u: ’t leven is overzichtelijk. Er zijn niet veel elementen die noemenswaardige invloed op de verandering der dingen kunnen hebben, een verandering van positie, een verandering van vorm, of een verandering van hoedanigheid. Ik ben almachtig, behalve over ’t dierenrijk, maar die negeer ik, vooral uit angst voor de angst.
Om de laatste opmerking even nader uit te leggen: ratten & muizen bestaan bijvoorbeeld niet hier, tenzij ze zich daadwerkelijk voordoen. Dat maakt weliswaar m’n angst groter zogauw zij zich wél laten zien, maar gedurende de tijd van ’t niet verschijnen waan ik mij in ieder geval in een schijnbaar veilig universum. Af & toe lastig gevallen door fantasieën & nachtmerries, helaas dat is de consequentie, maar daar is ook wel mee te leven, zo houd ik mezelf voor.
Ik ging dus zoeken, stukje brood in m’n hand. Tilde de meubels op, in zoverre ze zich daarvoor lenen. Wist ondertussen hoe ’t er uit zou moeten zien. Ongeveer dan, want ’t kon een hele plak zijn, maar ook een reeds behapt stukje, een stukje waar ik m’n tanden al in had gezet. Maar zeker niet te klein, want dan krijgen we weer een ‘want’, want zo klonk ’t niet.
Zo kan een dubbeltje nooit een stuiver zijn, & zeker niet een hele euro. Die vertonen andere geluiden.
Ik ben net niet op m’n knieën gaan zoeken, dat leek me te veel gevraagd. Ik was tenslotte nog met m’n ontbijt bezig. Ik had de helft van m’n boterham nog in m’n handen (waar waarschijnlijk een stukje salami aan ontbrak). Dat ik naar ’t raam was gelopen om in gedachten & al etend naar ’t leven buiten te kijken, dat vind ik tot daar aan toe, maar voor de rest dient ’t ontbijt genuttigd te worden met iets eronder, zodat de kruimels opgevangen kunnen worden. Of stukjes salami die tussendoor de dubbelgeslagen boterham glippen.
Ik kon ’t niet terug vinden. 't Lag niet tegen de rand van de prullenbak, niet onder m’n schoen die klaarstond om straks gedragen te worden, niet onder de stoel voor m’n computer & niet onder ’t randje van de kachel, ook niet tussen de wirwar van draden die mijn leven de hedendaagse luxe & randvoorwaarden van mijn bestaan bieden.
Dus gaf ik ’t op. Ik stak ’t restant van de maaltijd in m’n mond & ben gaan schrijven.

Zodat men weer op de hoogte is van de laatste ontwikkelingen in Zijperspace.

reünie

Ik zette m’n fiets voor ’t raam. Schuin, waardoor ik meteen naar binnen keek. Ik herkende Henriëtte onmiddellijk. Zij moest echter even beter kijken wie haar gedag zei vanonder een groene pet.
Ik liep naar binnen. Zei m’n gewoonlijke ‘Goedenmiddag’, met de hand ½ geheven naar Wieger. & Keerde me vervolgens meteen om naar Henriëtte.
‘Hoi, Henriëtte.’
Vooral om meteen te laten blijken dat ik haar naam niet vergeten was. Juist omdat ik daar vaak wel last van heb. Als genoegdoening voor mezelf. Zie je wel dat ’t nog werkt, dat geheugen. Om die constatering even later te ontnuchteren door vast te stellen dat ik alleen nog namen weet van mensen van een bepaalde periode. Een bepaalde periode in m'n jeugd.
‘Kom er even bijzitten,’ nodigde ze me uit.

‘Jij had een leuke tekst op de reünie-site,’ merkte ze op.
‘Oh, was dat niet 1 van m’n broers?’
‘Ik dacht dat jij ’t was.’
‘Ja, ik zal ’t wel zijn geweest. Ik ben nl veel grappiger dan m’n broers.’

‘Ik had wel zin om er heen te gaan,’ zei Henriëtte, ‘maar toen ik op de lijst keek, zag ik heel weinig mensen van mijn tijd staan.’
‘Ja, dat is waarom ik me zowiezo opgeef,’ zei ik. ‘Want als niemand zich opgeeft, dan denkt iedereen de hele tijd dat er niemand van ‘tzelfde jaar zal komen.’
‘Da’s ook wel waar. Maar ben jij op de laatste reünie geweest?’
‘Nee, dat wist ik veel te laat.’
‘Ik wel. Er was maar 1 persoon aanwezig van mijn jaar. & Dat was bovendien iemand die ik altijd probeerde te vermijden.’
‘Eigenlijk ben ik ook wel bang dat dat mij zal gebeuren.’
Maar ik heb altijd m’n broers nog, dacht ik er achteraan.

‘Ik wil Sieger wel ‘ns zien,’ zei Henriëtte. ‘Die heb ik geloof ik al 20 jaar niet meer gezien.’
‘Nou, die is wel dikker geworden,’ zei ik plompverloren.
‘Oh, jij hebt ‘m nog wel gezien?’
‘Nou, ja, dat moet ook alweer 2 of 3 jaar geleden zijn. Hij was in ieder geval wat in de breedte gegroeid. Maar je hebt ‘m 20 jaar niet gezien?’
‘Ach, ’t kunnen er ook 17 zijn, of 18. Dat weet ik niet precies. Toen woonden we samen. & Daarna ging hij terug naar Den Helder.’
‘Ja, ik ben nog wel ‘ns langs geweest bij jullie. In de Jordaan.’
‘Hij woont volgens mij tegenwoordig in Hypolytushoef.’
‘Oh ja, dat kan best wel kloppen. Schrijft daar voor ’t Noordhollands Dagblad. ’t Moet al een paar jaar geleden zijn dat ik ‘m heb gezien. Want zo vaak kwam-ie niet meer in Den Helder, dacht ik. Maar hij was wel dikker geworden.’
Ik ook, dacht ik erbij, maar bij mij schijnt ’t niet op te vallen.

‘M’n vader zit nu in De Koogh,’ zei ik.
‘Oh, daar gingen we een hele tijd koffie drinken. Even naar de overkant tijdens de pauzes. Toen vonden we ’t op ’t Joco saai. Een clubje vriendinnen.’
‘Ja, kan ik me nog wel herinneren.’
‘Met Ariska & zo. & Micha.’
‘Ik ben Ariska laatst nog tegengekomen.’
Haar handen onder ’t exceem. ‘Psoriasis’ zei ik, want ik wist wat ’t was.
‘Heb je te veel stress?’ vroeg ik toen.
‘Dat zou best kunnen,’ zei Ariska. ‘Maar ik wordt er gek van.’
Ze wreef over haar hand. De hand die bedekt was door een dunne witte handschoen.
‘Ik kan bijna niet slapen van de jeuk. Nu ga ik naar de specialist. Heb een beetje bombarie gemaakt, waardoor ik eerder aan de beurt ben. Ik kan m’n werk niet doen. Ik kan toch geen kindertjes de wereld opbrengen met van dit soort handen. Da’s niet fris.’
Ze had nog wel de twinkeling in de ogen. Die nog steeds zeiden dat er een gekke opmerking kon volgen, of dat ze me beet zou pakken, maar nu met een zweem van treur. De energie was er een beetje uit.
Toen haar tram eraan kwam, pakte ze me inderdaad vast: ‘Nou, schat, ik moet gaan.’ & gaf me 3 zoenen. Van die klinkende.

‘Ik ging vooral altijd met die 2 zusjes om’ ging Henriëtte verder.
Ze noemde 2 namen.
‘Ja, volgens mij heb ik 1 van hen pas nog in de Melkweg gezien.’
‘Dat moet Micha zijn geweest.’
’t Kan ook zijn dat ze Monica zei, of Maartje. ’t Waren geen meisjes waar ik mee omging. Maar zusjes waren ‘t, dat wist ik, met zwart haar.
‘De Melkweg was voor haar jarenlang haar 2e huis,’ zei Henriëtte.
‘Ik heb nog een tijdje met ‘r staan praten.’
Maar waarover, vroeg ik me af. Zij maakte een grappige opmerking, dat wist ik nog. Beetje cynisch. & Om mezelf een houding te geven had ik er om gelachen. ’t Was me vooral opgevallen dat ze ouder was geworden. Zware kraaienpoten, die ze nog steeds eigenwijs met eyeliner probeerde weg te poetsen. & Een kapsel dat ik niet kon plaatsen. Dat wist ik nog: een kapsel dat ik niet kon plaatsen.
‘Ik zie haar nog vrij vaak,’ zei Henriëtte.
Dan zal ik ’t maar niet meer over die ontmoeting hebben, dacht ik.

‘Je bent dus nog vrijgezel?’ vroeg Henriëtte.
‘Ja, & ik vermaak me prima,’ zei ik. ‘Ach, af & toe een beetje seks heb ik wel behoefte aan, maar sinds een aantal jaar ben ik wel tevreden met m’n vrijgezellenbestaan.’
‘Ja, jij was altijd wel een einzelgänger.’
Dat vond ik zelf ook, maar dan vooral omdat ik me eenzaam voelde. Dat moest dus ontkend worden. Of gerelativeerd. Eenzame einzelgängers bestaan niet.
‘Nou, ik zat anders altijd bij geel beneden tussen allemaal meisjes in. Ik was de enige jongen in een groep van 10, 15 meisjes. Zo is ’t nog steeds.’
Zo, dacht ik, nu ben ik niet eenzaam meer, maar nog wel een einzelgänger. Maar dat weet Henriëtte niet.

‘Ik betaal Ton z’n biertje wel,’ zei Henriëtte tegen Wieger, de barman. ‘Ik nodigde ‘m uit om bij me te komen zitten.’
Wieger keek me aan: ‘Laat jij je door de vrouwen trakteren?’
‘Wieger, ik ken alleen maar dames.’
Ze lachte. Wieger een brede glimlach.
‘Dan zie ik je wel op de reünie,’ zei ze toen & keerde zich om.
‘Zo, ga ik nu even een spelletje spelen in de kelder,’ zei ik tegen Wieger.

Weer even lekker in m’n eigen Zijperspace.

mezen

Hun gekwetter klinkt door 't raam heen, als ik in de keuken sta te wachten op ’t water dat moet gaan koken. Met m’n hoofd nog vol slaap wend ik m’n lichaam naar de bomen waar ze zich vermoedelijk bevinden. Alsof er een geest van enkele 10-tallen lichaampjes daar rondwaart. Af & toe een schaduw die voorbij flitst.
Als je er 1 gesignaleerd hebt, dan volgt de rest vanzelf, heb ik inmiddels gemerkt. Dan lijk je oog voor hun bewegingen te krijgen. Je moet hun activiteit 1st lokaliseren & dan wordt ’t al snel een wirwar van heen & weer schietende silhouetjes. Pas dan wordt ’t een voorstelling. Langzaamaan ga je in de verte ook onderscheiden om wat voor vogels ’t gaat, door een glimp van de zon, een vlucht van 1tje de bosschage uit, of soms zelfs een verlegging van ’t project waarmee ze bezig zijn. Dan blijkt opeens mijn tuin de ‘place to be’ & wordt deze voor enkele minuten bevolkt door af & aan vliegende mezen.
Ze hebben geen rust in de kont, dus moet ik geconcentreerd blijven kijken. Een korte tel van onachtzaamheid & ik heb ’t beeld niet kunnen opslaan. Want dat is ‘t grootste manco aan ’t tafereel: ’t is tijdelijk. Een zeer korte tijdelijkheid zelfs. ’t Laat zich bijna niet pakken, niet in z’n volledigheid registreren; voor je ’t weet is ’t tafereel alweer voorbij.
Ze schuiven hun snavel kort langs de takken, vaak langs ’t kruis, waar de ene tak overgaat in de andere, pikken kort, schijnbaar ongeïnteresseerd, maar blijkbaar op hun qui-vive voor alles dat achter hun, om hen heen kan gebeuren. De mens vertrouwen ze zowiezo al niet. Slechts als ik me traag beweeg ben ik voor hun een standbeeld waarvoor ze niets te duchten hebben. Wil ik m’n bril pakken om alles beter te kunnen aanschouwen, dan ben ik al te laat, dan slaat hun zorgeloosheid om in argwaan & verdwijnt de hele troep uit mijn tuin. Dan had ik maar geduldiger moeten genieten.
’t Is een troep. Een georganiseerde inval. Vooral in ’t geval van de koolmees. Vroeger dacht ik dat ze in paartjes opereerden, maar ’t lijkt me ondertussen dat ze als bende een tuin binnen komen stormen, schijnbaar chaotisch, maar bij betere beschouwing in zekere mate systematisch, alle takken & bladeren afstruinen op zoek naar onzichtbaar voer. Voor mij onzichtbaar. Vaak zie ik niet meer dan hun zenuwachtig heen & weer springen van tak op tak, van de ene kant van m’n tuin naar de andere kant, om steeds eventjes hun snavel schoon te maken door met de zijkant langs de tak te wrijven. Ik mis iets, maar juist daar geniet ik van. Ik blijf vragen stellen. Had ik een antwoord, dan hoefde ik niet meer te kijken.
De pimpelmees is een volger. Te lui & te klein om zelf te ontdekken waar ’t voedsel zich bevindt. ’t Komt zelden voor dat de pimpelmees zich blootgeeft als de koolmees nergens te bekennen is. Maar tegelijkertijd is-ie ook wat dommig. ’t Komt iets te dichtbij. Laatst hoefde ik me slechts voorover te bukken, ’t was dat er nog een keukenraam tussen zat, & ik had een exemplaar in m’n handen gehad. & Terwijl ik m’n hoofd bewoog om ’t nog iets beter te kunnen bestuderen, keek ’t me slechts naïef aan, van: wat heb ik met jou te maken?
Hij hupt ook wat meer, de pimpelmees, terwijl de koolmees een gladde vlucht heeft, van tak tot tak. De pimpelmees lijkt al vermoeid als-ie er maar aan denkt voedsel te moeten verzamelen.
& Dan hadden we gister de matkopmees. De zwaluw onder de mezen, zo leek ‘t. Ik moest snel zijn, anders was-ie volledig aan me voorbij gegaan. ’t Waren er een paar, maar elke keer als ik dacht de gelegenheid te hebben te kijken hoe hun verenkleed er uitzag, dan was ik alweer te laat. Dan liet de vogel zich los van de tak & met een snelle hoek schoot ’t door ’t gaas dat dienst doet als afscheiding van de tuin van de buurvrouw. De koolmees neemt vaak 1st een korte pauze daar, maar dat leek de matkop niet nodig te vinden.
Dan ben ik een verzamelaar. Een verzamelaar van stilstaande beelden. Zo zorgvuldig mogelijk probeer ik ’t op te slaan, elk detail dat ik heb kunnen registreren. Dit moment moet ik koesteren, dit komt niet snel weer, denk ik dan, & tegelijkertijd weet ik dat ’t zo verloren gaat in de onoverzichtelijkheid van m’n geheugen.
& Zeker een dag lang blijf ik verlangend, ipv ’t normale in gedachten verzonken, kijken naar buiten, vervloek de pas gewassen was die m’n zicht belemmerd als ik een schicht voorbij zie gaan, heb spijt m’n bril niet altijd op m’n gok te hebben staan & vermoed dat de vogels, vooral de matkopclub, pas weer komen als ik ze de rug toekeer.

‘t Water heeft gekookt, de thee getrokken, ik ga zitten op een stoel om met een boterham de ochtend in Zijperspace te genieten.

erger

& Soms besef ik me opeens dat ik volwassen geworden ben. Ergens, op een gegeven moment, misschien was ’t wel juist dít moment, of die erna. De overgang van nu naar nu, als 2 verschillende gegevens, 2 verschillende condities. Alsof er een magneet langs me heen gestreken is, waardoor de moleculen zich anders zijn gaan richten. Als ’t water dat beter drinkbaar wordt (ik kende een brouwer die zodoende z’n bier een langere houdbaarheid gaf).

‘Nee, je stoort niet,’ zei ik. ‘Ik had er ook voor kunnen kiezen na dat sms-je je niet terug te bellen.’
(...)
‘Ik ben nu toch wakker. Geeft helemaal niks.’
(...)
‘Ik vind ’t helemaal niet stom.’
(...)
‘Godsamme, dat ook nog. Ze moeten jou wel hebben.’
(...)
‘Jemig.’

Ik zei nog veel meer. & Voelde me bij elk woord tekort schieten. Je wil troosten, je wil huilen, je wil je tranen inhouden, je wil vasthouden, je wil door elkaar schudden, je wil stevig staan, je wil praten & je mond houden tegelijk, je wil je adem ’t verhaal laten doen, je wil ergens een lach doorheen laten klinken, je wil een schouder zijn, een warmte, een traan die langs haar wang drupt, je wil je hand reiken om een haar recht te trekken voor haar ogen vandaan, je wil door ’t snoer kruipen, je wil weerleggen, je wil aannemen zoals ’t is.

Ik zei tegen Rachel dat ik vanavond waarschijnlijk niet meeging. Ik was moe, zei ik. & Onze wederzijdse vriendin zou waarschijnlijk ook niet gaan.
‘Wat dan niet?’
‘Dat moet je maar aan haar vragen,’ zei ik. ‘Ze heeft zich vandaag ziek gemeld. Ze heeft me daarnet nog een sms-je gestuurd.’
‘Ziek gemeld? Is ze ziek? Wat heeft ze?’
Ik zweeg. Keek een beetje voor me uit. In ’t nauw.
‘Is er weer wat met haar huis?’
‘Nee, ik heb haar toegezegd dat ik ’t jou niet zou vertellen,’ zei ik. ‘Dat wilde ze zelf doen.’
‘Ok, dan moet je dat niet doen. Ik bel haar wel even.’

‘Hoi, lieffie, hoe gaat ‘t?’
(...)
‘Geweldig?’
(...)
‘Nee, toch? Ach, schat, nee.’

Ik luisterde mee. Ik hoorde elke verzuchting echoën in Rachel. Mijn woorden in de nacht waren van mindere kwaliteit, dacht ik tegelijkertijd; mijn reactievermogen liet minder emotie toe, verweet ik mezelf. Toereikend misschien, voor ’t moment, maar er was een verschil.

‘Zal ik bij je langskomen?’ vroeg Rachel.
(...)
‘Goed, kom ik straks.’

Ik knikte dat ze dat moest doen. Er zijn belangrijker dingen dan de wandeling die we gepland hadden, probeerde ik in m’n gelaatsuitdrukking te laten doorschemeren.

‘Ben ik er ongeveer om 2 uur. Over 3 kwartier dus.’

‘Wil jij thee?’ vroeg Rachel mij terwijl ze voor zichzelf koffie zette.
& Toen ze weer ging zitten: ‘Ik zei een tijdje geleden nog tegen haar: “Na zo’n inbraak heb je ’t wel even gehad. Maar je moet maar denken dat ’t niet erger kan worden.” Stomme woorden, denk ik nu, want ’t kan nog erger.’
‘Ja, ’t kan nog erger.’
Ik heb geen woorden vandaag. Ik kan ze slechts kopiëren.
& Daar tussendoor denk ik dat ik ouder ben, volwassen ben geworden. Want ik ben zo moe vandaag. Moe.
Ik gaapte.
‘Zeg maar dat ’t haar schuld is, als je straks bij d’r bent,’ lachte ik.
Rachel lachte mee.
‘Nee, moet je natuurlijk niet doen,’ zei ik er maar voor de zekerheid bij.
‘Tuurlijk doe ik dat niet.’
‘Ze moet weten dat ze me elke nacht mag bellen.’

Er moet ’s nachts altijd een deur openstaan in Zijperspace.

stilstaan

‘In Duitsland is men dat veel meer gewend,’ zei Jos. ‘Dat zie je nu. Men is er meer op ingesteld. Dat zal je in Nederland niet zo snel zien. Dan is er geen doorkomen aan.’
‘Maar in Nederland komt de politie over de vluchtstrook,’ zei Jan.
‘Da’s waar,’ zei Jos.
We keken naar de vrachtwagens aan de rechterkant, die zo dicht mogelijk langs de kant van de weg stonden. & We keken naar de mensen die uitstapten. Ik deed 't portier ook open. Kwam op 't gras tussen 4 banen te staan.

‘Ik zie verderop een zwaailicht,’ zei ik. ‘Die komt er zo aan.’
Ik zag echter geen beweging. Hij bleef staan.
‘Een ziekenwagen,’ concludeerde ik toen ik me omkeerde.
Van de andere kant. Kwam van tegengestelde richting aanrijden. ’t Geluid doorboorde m’n oren. Van ver weg, naar dichtbij, naar ver weg.
‘Maar die zit aan de verkeerde kant,’ zei ik wat de anderen dachten.

‘We zitten hier wel een tijdje vast,’ zei ik met een vraagteken naar Jos.
Jos had zoiets vast wel vaker meegemaakt.
‘Dat zit er wel in.’
Voor de rest geen geluid. Jan & Thomas hielden hun mond. Ik bekeek hoe ’t er aan toeging.
‘Er staat een auto met 3 lichten te knipperen,’ bracht ik verslag uit.
‘Dat zal wel 4 zijn,’ zei Jos die meekeek. ‘Een vrachtwagen.’
‘& Iets verder knippert er nog 1. Vast een personenwagen.’

‘Daar komt-ie,’ zei ik. ‘De ziekenwagen.’
Dezelfde als daarnet. Was toch snel op onze weghelft terecht gekomen.
‘Komt er nog 1. Een politiewagen dit keer.’
De auto’s schoven nog iets meer in elkaar. Nog meer naar de kanten. De ziekenwagen schoot ertussendoor. Niet zo snel als daarnet, aan de andere kant, maar we hielden allemaal onze adem in.

‘Misschien kan ik beter nu gaan plassen,’ zei ik.
Hoewel ik ’t een beetje oneerbiedig vond. Al die mensen die naast hun auto’s stonden. Achter ons, voor ons. Iedereen zag iedereen. Bovendien zou ik dan plassen terwijl iemand misschien bezig was te overlijden.
‘Ja,’ zei Jos, ‘kan je net zo goed doen.’
‘Maar iedereen kan me zien.’
‘Dan ga je toch achter die vrachtwagens,’ zei Jos met een hoofdknik naar de rechterweghelft.
‘Daar staan mensen ook naast de auto’s.’
‘Da’s waar.’
Ik hield m’n mond. Keek wat er gebeurde. Dacht aan de biertjes die we ondertussen gedronken hadden. & Hoelang ’t nu zou duren voordat we bij een benzinestation zouden zijn.
Ik deed enkele stappen vooruit. Niet teveel. Ter hoogte van de motorkap bleef ik staan. Keerde me richting tegemoetkomend verkeer. Controleerde of ’t nog achter de struiken van de vangrails verborgen bleef.
Hoe herken je een piemel als je bij 140 km per uur passeert, dacht ik & begon.
Nonchalant staan. Zó, dat ’t lijkt alsof ik in de verte tuur. & Dan evengoed nog afgewend van de auto voor ons.
‘& Dan beginnen ze opeens te rijden,’ zei ik tegen Jos. ‘Dat is de grootste nachtmerrie.’
Jos lachte.
‘Ik mag nog blij zijn dat ik niet hoef te poepen,’ zei ik er meteen achteraan. ‘Waar moet je dat dan doen?’

‘Er komt weer een zwaailicht aan.’
De 4e. Of misschien al de 5e. De tel kwijt.
‘Dat zal de takelwagen zijn,’ zei Jos. ‘Oranje zwaailicht.’
Met luid getoeter dirigeerde de takelwagen enkele personenwagens weer naar de kant. Ze hadden beweging in de verte gezien & waren al naar ’t midden gaan sorteren.

‘Er vertrekken al enkele wagens,’ zag Jos.
1 Voor 1 vertrokken lichtjes ’t donker in. ’t Was steeds beter te zien. ’t Donker had ongemerkt z’n intrede gedaan. ’t Was niet te merken geweest, omdat langzamerhand bijna alle auto’s de lichten hadden gedoofd. Om energie te besparen, had Jos uitgelegd.
‘Dat zwaailicht zal dan wel van de politiewagen zijn die de mensen aanwijst hoe te rijden,’ concludeerde ik.
Vanzelfsprekendheden. Maar je kan je mond niet meer houden.
‘Dat zijn de auto’s die ruimte moeten maken,’ zei Jos. ‘De weg moet vrijgemaakt.’

‘Ze vertrekken,’ zei ik.
Ik dook de auto weer in. Schoenen uit. Ik gooide ze achterin, zodat ik meer ruimte voor m’n voeten & benen had. Thomas ging weer rechtop zitten. Zijn benen hadden al die tijd mijn plaats ingenomen.
Auto’s ontstoken weer hun lichten.
‘Die schuin achter ons vergeet z’n lichten aan te doen,’ zei ik.
‘Dat ziet-ie straks wel,’ zei Jan.
Stapvoets gingen we vooruit.
‘We moeten langs de rechterkant,’ zei Jan.
We schoven in de andere rij.
‘Kijk,’ zei Jos, ‘de vangrails zijn behoorlijk toegetakeld.’
Over een lengte van 20 meter lagen de vangrails plat.
‘Daar moet-ie overheen geschoten zijn,’ zei Jan.
We keken. Met z’n allen.
‘Nu moeten we niet te snel,’ zei Jos. ‘Ik wil wel even zien waarom we stil hebben gestaan.’
‘Nee,’ zei ik. ‘Rij maar door.’
’t Was echter te laat. De takelwagen was bezig ’t wrak op te tillen. ’t Wrak zag zwart. De oorspronkelijke kleur & de brand die er in had gestaan.
‘Motor uitgebrand,’ zei iemand, maar ik registreerde al niet meer wie.
‘& Plat,’ zei ik. ‘Die mensen zijn helemaal platgedrukt. Die hebben ’t niet overleefd.’
‘Dat weet je niet,’ zei Jos.
We waren er al voorbij. Ik dacht even dat Jos gelijk had, maar bedacht even later dat men ’t lichaam dan wel uit de auto had gezaagd. Daar was niets van te zien geweest. ’t Lichaam was er niet uitgezaagd, bleef ik denken.

& Als we nu een auto zien, zien we eigenlijk iets anders in Zijperspace.

schumacher

‘Zullen we ’t dan maar vragen?’ stelde ik voor. ‘Als we weer een politie-agent langs de kant van de weg zien staan. Of iets zien van touristinformation. Dan moeten we stoppen & vragen.’
Dat dachten we vervolgens een kwartier lang. & We deden niks dan rondrijden. Rondjes of rechtdoor, als we dachten dat we in de buurt van een kerk kwamen. Er was een kerk in de buurt, wist ik me te herinneren.
‘Ik moet ook rekening houden met wat achterop komt,’ zei Jos.
Daar had-ie gelijk in. Dus sloegen we nog maar een bocht om.
‘Zal ik hier uitstappen & vragen?’ zei ik.
Dat moest dan maar.
Ik zei alles in ’t duits. Steenkolen, had Merijn ’t genoemd. Maar die was ondertussen alweer naar Nederland vertrokken. Mijn duits was echter slechter dan zijn steenkolen.
Ik hield de 1e voorbijganger aan. ‘Möchte’ was ‘mag’, dat wist ik me te herinneren; heel beleefd zou dat klinken. Hoewel ik twijfelde of deze voorbijganger dat wel op waarde wist te schatten. Een jongen van tegen de 30, met een junkmagere kop.
‘Weet je misschien waar Brauerei Schumacher is?’ vroeg ik.
Brok voor brok. Met zwarte afdrukken van de slechte uitspraak. Steenkool in z’n slechtste vorm, dacht ik.
& Hij zei bovendien ‘nee’. Een düsseldorfer die z’n belangrijkste schat niet weet te lokaliseren. Dan kan je ook beter aan de drugs, dacht ik.
Maar hij bood evengoed z’n excuses aan voor z’n onwetendheid. Dat maakte veel goed. ‘t Zorgde ervoor dat ik de volgende voorbijgangers durfde aan te klampen. Met nog steeds dezelfde vraag. & Steenkolen.
Een echtpaar. Op leeftijd. Gepensioneerd. Zag je zo. Zijn schouders begonnen al te zakken. Zij had al besloten dat kleurspoelingen geen zin meer hadden. Een veegje blauw onder de wenkbrauwen hooguit. Was ze gewend.
‘Weet u waar Brauerei Schumacher is?’
‘In de Oststrasse.’
Hoe had ik dat kunnen vergeten?
Maar hoe daar te komen?
Niks geen ‘immer gerade aus’, maar evengoed wel een tijdje rechtdoor. Of ik lopend was. Nee, de auto stond hier voor ze. Dan was ’t ook weer niet al te lang. Bij de Kaufhof, of was ’t Kaufhaus, nee, Kaufhof, zei z’n vrouw, naar rechts.
‘Nee, was ’t niet naar links?’ zei z’n vrouw.
‘Naar links,’ zei hij.
‘Toch?’ zei zij.
‘Nee, tuurlijk niet naar links,’ zei hij, ‘naar rechts.’
Ik keek ze allebei omstebeurt recht in de ogen. Wie er maar aan ’t woord was. Daardoor zag ik dat de vrouw wat traanvocht had plakken. Een dun draadje gestold oogvocht verbond de onderkant met de bovenkant van haar linker oogleden. Ze keek me beurtelings vol overtuiging aan, dat kleddertje lang gerekt oogspeeksel negerend, dan weer onzeker, vanwege de autoriteit van haar man. Maar ’t draadje bleef. Leek ze niet te zien. Wilde hij niet wegvegen.
Nee, ’t was rechtsaf, nee, ’t was linksaf, zeiden zij om beurten. Waarbij hij uiteindelijk gelijk kreeg. Want hij zou ’t wel weten, zo keek ze. Cynische toegefelijkheid.
& Ik, ik stapte vrolijk lachend weer in de auto. Ik zou ’t wel vinden. Hartelijk dank. Met een korte zwaai van m’n hand.
Zij pakten elkaar weer beet. Liepen weer verder. Arm in arm gestoken. Ze waren weer een echtpaar. Hij voorover gebogen, zij met een draadje oogvocht aan de zijkant van haar linkeroog.
Misschien zouden ze ’t er straks weer over hebben. & Bleek hij toch gelijk te hebben, thuis, bij de kaart van de stad. Zij had dan inmiddels haar zakdoek gepakt. & Wij dronken bier.

Zo simpel kan ’t zijn in Zijperspace.

explicatie

& Zo geschiedde dat aan mijn deur, gelegen aan de plek waar m’n werkstond zich bevond, een vrouwe kwam staan, die genegen was mij wel te bevinden.
Zo zeide de vrouwe: ‘Zeg, Ton. Hoe & gaat ’t nu met uwen gesteldheid?’
Waarop ik niet anders dan van antwoord kon voorzien door te reageren: ‘Welaan, vrouwke, ik & maak ’t uitstekend. Ik wil u wel bidden dat ik vooraleer geen betere dag hebbe gekend, alsook een nuttige slaap achter de rug heb die kalmerend & benevens opwekkend heeft gewerkt.’
‘& Toch,’ zo wist mij deze vrouwe mij te melden, ‘wist ik dit niet anders te constateren door & u te verzoeken mij daarvan op de hoogte te stellen alsook ’t daadwerkelijk te ooggetuigen. Ik wil u waarachtig verzekeren dat dit al, deze waarnemingen geheel tezaam, mij genoegen schept & vrede geeft, zo wil ik 't u verkonden.’
‘Vanwaar dan,’ zo verzocht ik deze schone, ‘stapt u dan niet van uw stalen ros & pakt mij eensklaps bij de kladden, van de klietskladder & vanachteren? Zowaar ik hier sta.’
‘Ach, ge weet,’ verzuchtte de beladen dame, ‘ik heb uwen & gehelen toch al zovaker & hoegenaam anoniem geliefhebbert, bedroomt & geesteshalve verpulvert onder mijn stoute afleveringen van mijnen boude bedes, waar mijnen lichaam in zijn volle affrontiteit zich deed gelden als enen zwaargewicht. Bezweken zoudt uwen gesteldheid zijn onder mijn gebrek aan beduchtzaamheid.’
‘Hoe kan dat toch,’ requestionneerde ik, ‘dat een lieftalligheid als uwen lichaam in al zijn verzoekingen voor mijn zinnenbeeld verschenen, mij bewust maakt gelijk verbloemd van alles dat mij tot op heden als gelukzalig toescheen, doch weeromstuitens de genen doet stollen tot een parlotig nietsnutterigdom van totale impotentiteit?’
‘Gij weet,’ zo wist mij deze dame des geeestesdans mij te repliceren, ‘dat eenieder alsook uzelve, geheel onbevoegd & bevooroordeeld evenmin, genoegzaam op de hoogte van plichten voor degenen die leven zowel als voor die achtergelaten zijn op de geweide gronden, gewijd aan de heren van den hoge, geen weet zullen hebben van ‘tgenen leeft & omgaat bovendien in de hoofden van alles dat op gelijk niveau zweeft in benevelens & overwegens.’
‘Ik begrijp u,’ zo gaf ik mijn bescheiden, ‘ik veraangenaam me in de manier zo u mij in wederwoord weet te voorzien, ik voeg mij hierin, ik waan mij een waardig respondent zelfs, maar gezien ’t feit dat ik mij slechts zelden, of ik moet mij adel hebben geduid, gevierendeeld bij geestens, hebben misleid door bevoegelende misbaksels van hoger allooi, dat ik mij vergis of u moet mij enigszins euvel willen duiden & behoedzaam met mijzelven de bedstonde willen betrekken, zonder al te veel moeite te willen behappen ’t willens & wetens van de beschamende stimulantiae des hersens te neglecteren & mij als oud vuil langs de kant van dezen herenweg te vuilstorten. Zowaar ik hier sta, ik bid u enen tweeden maal alsook de derde.’
‘Gij geile beer,’ riposteerde de freule des wellustigen levens, ‘bewaar uzelven, blijf met uwen vuige hoge linguïstische poten van mijn volwaardige boezem, geheel & al berezen boven uwen grijzen doch beluste lans, & weet u zich te gedragen in ’t bijzijn van dames van enig allooi. Ik wil u niet & zo zal ’t hierbij blijven.’
‘Zo zal ’t geschieden,’ wist ik bescheiden nog net uit mijnen beslonken mond te brengen.
‘Maar bel me echter na 8-en & ik ben uw prinses,’ besloot zij met bezwijmelde glimlach, waar genen genoegen te veel voor leek, ‘wij zullen enen & anderen bespreken middels ’t talen van ’t lichaamsvocht.’

Zo bleek & werd geconstateerd op ’t laatste uur van de vesper, waarvan hier kond wordt gedaan in Zijperspace.

toiletpapier (8)

Als ik ’t mij goed herinner, stond er: 06/02-11-03 11:47. Aan de binnenkant. ’t Was zuiver toeval dat ’t mij gewaarwerd, want hoe vaak staat de closetrol juist zó dat die ene stempel naar boven gericht staat & dat juist in díe omstandigheid dat je er oogcontact mee hebt. Er zijn immers zat gesloten closetrolhouders.
Daarnaast heb ik ’t thuis nog ‘ns gecontroleerd. Vanochtend, terwijl ik rustig zat. ‘t 1e Deel van m’n ontbijt had ik achter de rug, wat mij ertoe dwong ’t gemak ervan te nemen. Daar ben ik erg gevoelig voor, voor de overredingskracht van mijn darmstelsel. Ik had weliswaar een boek meegenomen, niets zo zonde van de tijd als tijdens de stoelgang niets te lezen te hebben, maar toch wilde ik me ook nog even vergasten op de vermelding van nog zo’n stempel.
Ik pakte de closetrol & bestudeerde ‘m van binnen. Niets dat leek op een productiedatum. Ziehier hoe groot ’t toeval dat mij de dag ervoor op m’n werk was overkomen.

Nu ging ’t mij eigenlijk niet om die toevalsfactor. ’t Zette me eerder aan ’t denken over allerlei zaken, allemaal closetrol-gerelateerd, maar niet minder belangwekkend, zo scheen ’t mij toe.
Laat ik bij ’t begin beginnen: de stempeldatum. ’t Doet zich voor dat er een bepaalde hoeveelheid per dag wordt gefabriceerd. Misschien wc-papier, anders de kartonnen rolletjes waar ’t omheen wordt gewikkeld, waar ’t daadwerkelijk aan refereert, lijkt me niet echt belangrijk; de uiteindelijke hoeveelheid wc-papier zal door ‘tgeen men telt middels zo’n stempel niet anders uitkomen. Men heeft ’t rolletje & daar draait men een bepaald aantal velletjes omheen. Dat heeft men vast & zeker gestandaardiseerd, de hoeveelheid die ’t best om de koker heen past (zodat mensen niet gaan klagen dat de wc-rol niet meer past in de closetrolhouder, die o zo leuk bij de rest van de aankleding van ’t toilet staat).
Maar de enorme aantallen, dat zette mij aan ’t denken. ’t Doet zich voor, middels de bewuste stempel, dat er in de wc-rolfabriek meerdere batches per minuut worden gedaan. Dit was de 6e batch van 11 uur 47 op 2 november 2003. ’t Lijkt me sterk dat ze hiermee een houdbaarheidsdatum wilden aangeven. Met aan de buitenkant van de verpakking:

Dames & heren, wilt u optimaal genieten van de veerkracht, soliditeit & aangename zachtheid van ons product, dan dient u zich te realiseren dat ’t optimale effect van de door ons gebruikte grondstoffen zich voordoet indien men de wc-rol consumeert vóórdat er 5 jaren verstreken zijn sinds de datum aangegeven aan de binnenkant van de kartonnen binnenrol.

Nee, men heeft die datum slechts nodig voor interne controle. Kijken of werknemer Jansen wel genoeg batches afwerkt, of-ie bijtijds ’t aan- & uitknopje van wikkelmachine K-3H4 heeft gehanteerd, waar te nemen middels de automatische stempel die machine K-2D5 aan ’t eind van ’t uitsnijden aan de holle kant van ’t karton plaatst.
Ik probeer ’t me even voor te stellen. & Dat doet me meteen beseffen dat er gigantische hoeveelheden wc-papier dagelijks door de nederlandse toiletten worden verorberd.

Neem nou ’t uitje dat ik met medestudenten 1maal ondernam naar ’t eiland Texel. Ik was wijs, kende mijzelf, alsook mijn overgevoelige darmen, vooral in situaties die ik niet dagelijks meemaakte, & had een wc-rol, vers & ongebruikt, tussen mijn bepakking gestopt. Ik bleek de enige van de groep van 20. Gelukkig moesten we ook nog boodschappen doen & is ’t texelse eiland uitgerust met enkele winkels die hierin kunnen voorzien.
Ik dacht, deel uitmakend van ’t team boodschappers, dat een pakket van 4 rollen wel genoeg zou zijn voor de nacht & de daaropvolgende dag.
‘Nee,’ zei een wat oudere vrouw, op latere leeftijd tot inkeer gekomen & alsnog besloten om te gaan studeren, zodoende door schade & schande blijkbaar wijs geworden, ‘aan 4 rollen heb je niet genoeg. & Anders dan laten we wat we te veel gekocht hebben in ’t huisje achter.’
’t Werd zodoende een pak van 12. Met die van mij meegerekend, die ik zekerheidshalve maar op ’t toilet had achtergelaten; wie weet moesten de niet-boodschappers tijdens onze afwezigheid wel plotseling nodig ervan gebruik maken; met die van mij meegerekend, zei ik, werden dat er 13. Gestandaardiseerde hoeveelheid velletjes.
De volgende dag bleek van de totale voorraad slechts 1 rol over te zijn. Die hing armoedig ½ afgerold in ’t closetrolhoudertje. Als welkomstvoorraad voor de volgende groep weekendtoeristen.
20 Man (hoewel ik nu ietwat seksebevooroordeeld ben, mbt ’t verschil in gebruik van de wc-rol, gebruik ik toch maar ’t generaliserende ‘man’; nodig als vrijgezelle man zijnde maar ‘ns een vrouw uit een nachtje & een dagje te komen logeren, men zal zien dat de voorraad die voor 1 maand voldoende leek, slechts toereikend bleek voor 1 dag bij 2 personen) hadden 12½ rol verbruikt in 1½ dag, oftewel 36 uur. Welk een hoeveelheid wc-rollen heeft de nederlandse bevolking dan wel niet dagelijks nodig, vroeg ik mij terstond af. & Kan ’t afwateringssysteem van Nederland dat wel aan?

Dit kwam allemaal doordat ik een drankje kreeg aangeboden van een vaste klant. Een vaste klant uit Engeland. Die elke keer speciaal naar onze bar komt om van ’t heerlijke bier te kunnen genieten, z’n mond te houden, fooi te geven (een uitzonderlijk iets voor een engelsman, dat kan ik u wel vertellen), & de barmensen een drankje aan te bieden. Dat is zijn manier om te ontspannen van de engelse rat race.
Ik had een slok van deze traktatie genomen & zag mij 5 minuten later genoodzaakt zo snel mogelijk ’t toilet te bereiken. Te koud op mijn buik.
Maar door die haast kwam ik er niet aan toe een boek mee te pakken, waardoor ik ietwat verveeld voor me uit zat te kijken. Ik kan u vertellen: er schoten mij tijdens die zit nog allerlei andere gedachten te binnen, die ik u helaas moet onthouden, daar ik van de week tot 2 maal toe ’t verwijt naar mijn hoofd kreeg dat ik langdradig ben.

Bovendien wil ik ook nog wat voor later bewaren, in Zijperspace.

pardon

‘Maar die man die z’n mond heeft dichtgenaaid, die is volgens mij gek,’ zei Vera.
‘Gek,’ dacht ik, ‘gek, dat ken ik, daar ben ik geweest. Daar moet een reden voor zijn.’
Dus wist ik ’t op een gegeven moment. Ik wist ‘t. Of ik begreep ’t in ieder geval beter.
‘Mensen die bereid zijn hun land, hun huis & haard te verlaten, die zijn al snel geneigd om gek te worden,’ zei ik. ‘Ze hebben geen houvast meer.’
‘Ik vind ’t heel normaal dat zo’n man dat doet,’ zei ik ook nog. ‘Hij heeft geen plaats om naar toe te gaan. Hij is gek, al jarenlang, vanwege ’t feit dat-ie weg moest van waar-ie zich ooit thuis voelde.’
‘Maar toch heeft Verdonk op de meeste dingen gelijk,’ zei Nico.
Eigenlijk begon er een bepaalde mate van agressie bij mij op te spelen. Jij overgehaalde zoutzak, die net zit te verkondigen dat je door je collega’s niet meer wordt geaccepteerd, dat dat de reden is dat je ander werk zoekt. Een treurig verhaal, waar iedereen in de kroeg naar moest luisteren. Jij durft te beweren dat 26000 mensen teruggestuurd moeten worden.
‘Nico,’ zei ik, ‘nou moet je je mond houden.’
Ik pakte ondertussen de fles met glassex beet. Dweiltje erbij. Om de 1e tafel te laten glimmen opnieuw, te ontdoen van sporen bier.
‘Je leeft in een rijk land,’ zei ik, ‘je hebt niets te klagen, & op fascistische taal van een bewindvoerder ga jij reageren met de opmerking dat ze gelijk heeft?’
Ondertussen spoot ik de tafel onder. Sluitingstijd. Veegde de doek er overheen. Alles moest schoon. Nico zo snel mogelijk de deur uit. De rest trouwens ook.

Freerk had gevraagd of ik de site wilde linken, de site van ’t pardon. Waar je protest kon aantekenen. Tegen ’t gevoerde beleid van Verdonk.
‘Dat helpt toch niet,’ zei Nico.
Nico, die in ’t begin van de middag een discussie had gevoerd over uitzettingsbeleid. Met iemand anders, maar ik luisterde er niet naar. ’t Interesseert me niet. Ik stop m’n kop wel in ’t zand. Bovendien ging ik er van uit dat ’t wel goed zat. Dat de mensen aan de bar de juiste keuze hadden gemaakt.
‘Wat vindt je nou van zo iemand die z’n mond & ogen dichtnaait?’ had Nico gevraagd.
‘Daar heb ik waardering voor,’ dacht ik, maar de vraag was aan z’n buurman gericht.
Misschien dat ik ’t ook wel geantwoord heb. Maar ik was hard bezig 3 klanten tegelijk te helpen. & Nico wilde ook nog iets.
‘Hij trekt tenminste aandacht voor wat er aan de hand is,’ zei ik ook nog.
Ach, ik weet eigenlijk niet wat ik zei, & wat ik dacht. ’t Liep een beetje door elkaar. ’t Begin & ’t einde. Nico was bezopen aan ’t eind, ik verontwaardigd & ontkennend.
Als ik Verdonk zag, in krant of op tv, dan had ik de neiging om weg te duiken. Wilde niks weten van zulke praktijken. Ik wilde een jood zijn die in ’t getto opgenomen werd zonder gewetensbezwaren. Als ik maar m’n boeken kon lezen.
Zware vergelijking. Maar toch kwam die bij me op. Ik stelde me voor hoe ’t zou zijn als je geen boeken meer mocht hebben, & hoe je ze zou moeten beschermen tegen vernietiging. Ogenschijnlijk niets mee te maken, maar wel degelijk er mee te maken. Zwaar dus. Ik nam ’t zwaar.

Ik neem ’t zwaar. Maar wil ondertussen m’n kop in ’t zand steken. Ik ben niet iemand van argumenten. Ik ben iemand van gevoel. Als mijn gevoel niet overeen komt met die van m’n tegenstrever, dan moet ’t afgelopen zijn, dan moet ik me verstoppen.
Ik zou m’n ogen willen blinderen. Zodat ik niet meer zou weten, hoeven weten, wat ik met deze wereld aanmoet. Neem ’t me alsjeblieft niet kwalijk: ik heb geen argumenten, m’n mond is gesnoerd, maar ik weet dat ’t tijd wordt dat we laten zien, alleen maar laten zien, dat ’t genoeg is. Dat wat ze doen ’t fatsoen voorbij is.

Pardon.

We zeggen nogmaals pardon in Zijperspace.
(Met dank aan Johanneke, die me er op attendeerde, me even wakker schudde)

beestje

Ik weet ’t zeker: hij bewoog nog. Want ik krijg altijd de kriebels van dingen die bewegen. Van alles waarvan ik niet onmiddellijk weet wat ’t is. & Van alles waarvan ik wel weet wat ’t is, maar dat toch nog in mijn richting beweegt. & Van alles dat misschien niet mijn richting op beweegt, maar ’t wel zou kunnen doen op ’t moment dat ik even niet kijk. & Van alles dat ver weg is, maar meer poten heeft dan een mens gewend is met zich mee te dragen, of anders in ’t bezit is van meer haar. Dat laatste zal in vergelijking met mijn borsthaar al snel ’t geval zijn. Misschien dat ik daarom de meeste mannen ook eng vind.
’t Bewoog.
Ik dacht: is de lente al begonnen; heb ik de deur open laten staan; leggen ze eitjes die in februari uitkomen; wordt mijn woonomgeving als aantrekkelijk beschouwd voor een mogelijke volgende generatie?
Dat soort dingen, dat vroeg ik me af in de tel dat ik ’t tussen ’t pijltje opzij & ’t pijltje naar beneden zag kruipen. & Ondertussen, tijdens diezelfde tel, deed ik een stapje achteruit.
Niet omdat ik laf ben. Ik wil gewoon 1st de gelegenheid hebben om na te denken. Om vervolgens te besluiten bang te worden. Of juist ostentatief dapper (dit laatste helaas met de wetenschap dat ik de enige was die mijn handelen zou waarnemen).
& Toen zat ’t stil. Tussen de genoemde toetsen in. Pijltje omhoog & pijltje naar links.
Ik dacht: kan zo’n beestje geëlektrocuteerd worden door de plaatjes & verbindingen die onder de toetsen verborgen zitten; of anders verdoofd worden door de giftige dampen die dit elektrisch, misschien wel chemisch, proces doet veroorzaken?
Dat leek me echter sterk, want gedurende de 5 minuten dat ik in de keuken m’n broodje gebakken ei had staan bereiden, had ik m’n toetsenbord niet aangeraakt, dus kon er ook geen energie zijn vrijgekomen.
Toch zat ’t levenloos stil. ’t Zag ook een beetje bleekjes. Zag ik van 2 meter afstand. Geen felrood, zoals je van zo’n beestje gewend bent, geen duidelijk waarneembare zwarte punten, maar niet meer dan een wazige tegen oranje aan gekleurde gloed. & ’t Sloeg ook al niet z’n vleugels uit, toen ik een stapje dichterbij waagde, om toch m’n waarneming door nadere bestudering mezelf te kunnen bevestigen. Wat ik overigens wel zou hebben gedaan: breed & groots imponeren, da’s ’t enige wat een kleinood tov een gigant kan doen. Anders red je ’t niet in die jungle die Aarde heet. Zoals opgewonden keffertjes tegenover bedaarde kalven doen. Zoals kleurrijke vlinders doen tegenover de massa van ’t saaie gemeengoed dat de rest van de natuur opeet. Of zoals David tegenover Goliath.
Maar stel dat ik zelf een lieveheersbeestje was geweest, dan had ik waarschijnlijk de bijbel niet gelezen.
M’n broodje gebakken ei had ik wijselijk opzij gezet. Met ’t risico ’t te moeten laten afkoelen, want dit gebeuren, deze inbreuk in m’n alledaagse ochtendlijke rust, vereiste koelbloedig & doortastend optreden. Ik moest m’n hoofd er immers bij houden.
Een mens is vindingrijk als-ie in ’t nauw gedreven wordt. Ook al zou ik de situatie waarin ik mij op dat moment bevond niet geheel als dusdanig moeten omschrijven, ik werd evengoed net zo vindingrijk als dat men met dergelijke uitspraken oorspronkelijk heeft bedoeld.
Ik pakte een viltje. Daar heb ik altijd enkele exemplaren van vlak naast m’n beeldscherm & toetsenbord liggen. Ik keerde ’t om, zodat ik een egale, onbedrukte kant naar me toe gericht had. Zo kon ik alles zien & niet verblind worden, m’n zicht niet afgeleid worden door de met reclame bedrukte kant. Waar ook al iets roods in zat; ’t zou als schutkleur voor ’t beestje kunnen gaan functioneren.
M’n potlood erbij. Die gebruik ik nooit, ligt wel altijd op ’t randje van m’n toetsenbord, gewoon: voor ’t geval dat; om dezelfde reden heb ik ook ergens op m’n computertafel een gummetje liggen: zodat ik niet bedoelde, of onjuist geschreven mededelingen van mijn potlood als nooit bestaand hebbend kan wegvegen.
& Met dat potlood schoof ik voorzichtig, heel voorzichtig ’t beestje opzij; tikje voor tikje gaf ik ’t diertje een oplawaai tegen z’n reet, om ’t vervolgens op ’t gereed liggende viltje te doen belanden.
Dat heb ik bovenop ’t beeldscherm gelegd. Om te aanschouwen wat de moderne techniek wel niet kan doen met de wondere wereld der natuur. Weer een slachtoffer, dacht ik, & keek medelijdend naar ’t roerloze lieveheersbeestjeslichaam.
Ik dacht: ik heb ooit nog ‘ns een verhaaltje gelezen, een soortement sprookje, dat handelde over hoe ’t lieveheersbeestje aan z’n naam kwam, maar dat ben ik allang alweer vergeten. ‘tGeen ik betreurde.
Toen er opeens weer roering plaatsvond, ’t was toch zeker een minuut of 3 later, 3 minuten waarin ik dacht dat ’t voortijdig dit aardse had verlaten, & ‘t zich zelfs waagde de randen van ’t viltje te verkennen, waarschijnlijk op zoek naar mogelijkheden op een zo gemakkelijk mogelijke manier die oppervlakte te verlaten; toen heb ik ’t viltje opgepakt, met ’t beest nog steeds erbovenop, schudde ’t door elkaar, waardoor ’t weer in z’n schulp kroop, gelijk een schildpad of een slak, heb ’t meegenomen richting tuindeur, waar ik ’t viltje ontdeed van ’t wezentje.
’t Sloeg niet z’n vleugels uit, wederom niet. ’t Liet zich vallen als een baksteen. Waarschijnlijk had ’t nog enkele vlieglessen van zijn of haar moeder tegoed.
Ik ging weer verder met waar ik gebleven was, me wijdend aan al die dingen die mijn ouders niet hadden nagelaten mij mee op te voeden.

De deuren werden toegedaan in Zijperspace.

waldkorn

Wat was er ook alweer met die man aan de hand? Ik liep van boven in de winkel op hem toe. Hij stond beneden voor de toonbank. Te wachten tot iemand reageerde op zijn aanwezigheid. Ik wist dat ik ‘m kende. & Elke stap die ik dichterbij hem kwam, begon ik meer te vermoeden dat ’t moeizaam was. Dat deze ontmoeting ook weer moeizaam zou gaan plaatsvinden.
Een oude man. Z’n gezicht was nog wat meer ingevallen, vermagerd. Sigaar in z’n mond. Met vloeitjes omwikkeld bij ’t mondstuk. ’t Stond nat van z’n speeksel. Rolde tussen z'n lippen korte stukjes heen & weer. Wipte als de man wat zei. Z’n broek stond hoog opgetrokken. Waarschijnlijk met bretels omhoog geheven tot boven z’n navel. Een ouderwets type, waarvan men zou denken dat ze uitgestorven waren toen mijn opa te overlijden kwam. Hoewel m’n opa geen petje zou dragen. Zeker niet achterstevoren.
‘Ik kom weer ‘tzelfde glas halen,’ was de mededeling.
‘Welk glas bedoelt u?’
’t Leek me beter niet mee te gaan met zijn vanzelfsprekendheid. Niet laten merken dat ik ‘m herkende. Dan zou ik afstand kunnen bewaren.
‘Huh?’
‘Welk glas bedoelt u?’ zei ik nogmaals.
‘Ja, ’t was een wijd glas. Westmalle?’
‘Dat zou kunnen. Ik weet ’t niet.’
‘Huh?’
‘Ik weet niet wat voor glas u nodig heeft.’
‘Ik heb de vorige keer 2 van die glazen bij u gekocht. Ik heb er 1 laten breken. Ik dacht dat ’t Westmalle-glazen waren.’
‘Dat zijn deze glazen. We hebben ze in 2 maten. Maar waarschijnlijk waren ’t deze.’
Ik pakte de grote Westmalle-glazen. Zette ze tussen ons in op de toonbank.
‘Huh?’
‘Ik zeg dat ’t waarschijnlijk deze grote Westmalle-glazen zijn geweest. We hebben ook kleinere, maar die waren ’t denk ik niet.’
‘Huh?’
‘Die kleine waren ’t waarschijnlijk niet.’
‘Laat u me die kleine dan eens zien.’
‘Dat zijn deze,’ zei ik terwijl ik naar de kleine reikte & ze voor hem neer zette, ‘maar die hebben we pas sinds 2 weken.’
‘Huh?’
‘Die hebben we nog maar sinds kort. 2 Weken.’
‘Nee, dan zijn ’t niet de kleine. Want ’t is alweer een jaar geleden dat ik bij u die glazen heb gekocht. Ik heb er 1 laten breken, zite u. Zouden ’t die glazen van Westmalle zijn geweest?’
‘Ik denk ’t wel.’
Andere strategie. Toegeven dat ik me wel iets weet te herinneren. Met z'n gedachtegang meegaan. De zaak proberen te bespoedigen door voor hem na te gaan denken.
‘Huh?’
‘Ik denk ’t wel.’
‘Hoeveel kost die?’
‘Die is € 5,20.’
‘Huh?’
‘€ 5,20, alstublieft. ’t Staat hier aangegeven op de display.’
Ik wees waar ’t bedrag voor hem tevoorschijn kwam. Hij volgde m’n vinger & haalde geld uit z’n broekzak. Een handvol muntjes viel op de toonbank. Aan z’n houding merkte ik dat ik zelf de benodigde muntjes er uit moest vissen.
‘Kijk,’ liet ik zien, ‘ik heb hier € 5,20.’
‘Huh?’
‘Ik heb hier € 5,20.’
Hij stopte 't resterende geld weer terug. Ik wikkelde enkele kranten om 't glas. De man begon ondertussen een beetje rond te scharrelen. Leunde voorover bij enkele kratjes. Hij pakte een flesje uit een krat & liep daarmee mijn kant op.
‘Wat is dit?’
‘Dat is bier met speculaaskruiden.’
‘Huh?’
‘Bier met speculaaskruiden.’
‘& Dit?’
‘Daar zitten geen kruiden in. Een belgische tripel is dat.’
‘Huh?’
‘Een belgische tripel. Blond bier, van meestal zo’n 8 %.’
‘Dat is goed?’
‘Ja, deze is erg lekker.’
‘Huh?’
‘Hij is lekker.’
‘Hoe duur is die?’
‘€ 1,40.’
‘Huh?’
‘€ 1,40.’
Weer de muntjes op de toonbank. Niet toereikend. Dus volgde een briefje van 5 erachteraan.
‘Kijkt u eens,’ zei ik, z’n wisselgeld gevend.
‘Dank u.’
Hij keek om zich heen. Hij miste iets.
‘Uw tasje ligt daar.’
Een waldkorn-tasje. Heb ik zelf ook gekregen bij m’n bakker. Speciale actie van 2 maanden geleden, bij aankoop van een heel brood.
Ik herinnerde me opeens weer dat-ie vorig jaar met een waldkorn-muts de winkel was binnengekomen. Moet ook nog ergens bij mij thuis liggen. Voor ’t geval dat ’t erg koud wordt. Maar alleen dan. Ik had me er toen over verbaasd dat de oude man ongegeneerd ermee over straat durfde. ‘Waldkorn’ luid & duidelijk er op afgebeeld. & De 2 koortjes er aan bungelend, de koortjes die de muts van boven dicht moesten trekken.
‘Huh?’
Ik wees nog een keer.
‘Ha, ja.’
Hij stond nog een tijdje om zich heen te kijken. Naar de glazen achter m’n rug. De flessen naast me op de toonbank. Ondertussen herkauwend op ’t stompje sigaar.
‘Ik moet me weer scheren,’ zei hij plots.
‘Ja, ik zie ‘t.’
’t Was ook duidelijk te zien. Maar ’t misstond de man niet. Een man op leeftijd, die niet al te zorgvuldig op z’n verschijning wilde letten. Z’n kleren waren ‘m ondertussen 4 tot 5 maten te groot gaan zitten, maar hij wilde blijkbaar niet de moeite nemen passende kleding aan te schaffen.
‘Huh?’
‘Ik kan ’t zien.’
‘Maar die scheerapparaten van Heineken zijn niets waard.’
‘Oja?’
Een ‘oja’ van verbazing over ’t feit dat Heineken scheerapparaten leverde. Zeker zo’n Waldkorn-stunt, maar dan bij een kratje bier.
‘Ja, ziet u, ik ben oud. Dan gaat ’t hier moeilijker. Scheren lukt dan niet meer.’
Hij wees naar z’n onderkin. De huid hing er daar slap bij. Kuilen & heuvels met bochten & hoeken. Ik kon me de man niet voorstellen met een scheermes in z’n hand.
‘Maar die van Heineken zijn niets waard.’
‘Dat blijkt.’
‘Huh?’
‘Dat blijkt.’
Hij wende zich af. In z’n hand had-ie z’n Waldkorn-tasje. Flesje & glas zaten er in.
‘Zo, dan heb ik ’t hier gezien.’
‘Tot de volgende keer.’
‘Ja, tot de volgende keer.’
Hij deed de deur open. Ik zag de achterkant van de pet. Panta Rhei stond er op. Witte letters op blauw.

Men was alleen de betekenis ervan kwijt in Zijperspace.

tessame

‘Die ene ethiopiër is dood,’ zei Peet.
‘Welke?’ vroeg ik nog, maar ze was al begonnen met z’n beschrijving.
‘Die met dat baardje. Hij had altijd zo’n ribjasje aan. We zeiden altijd dat-ie naar de kapper moest.’
‘Tessame?’ vroeg ik.
‘Dat weet ik niet. ’t Was zo’n klein mager mannetje. Kwam vaak in z’n 1tje.’
‘Tessame.’

’t Meisje was in stilte binnengekomen. Had een glaasje jus gevraagd. Of ik dat op wilde schrijven. Ze ging aan de lange tafel in de hoek zitten, haalde papieren tevoorschijn & maakte vervolgens de hele middag aantekeningen.
Tessame had haar op een gegeven moment in de gaten gekregen. Ze zat achter zijn rug. Hij was in ’t gezelschap van een 6-tal landgenoten. Maar die interesseerden hem niet altijd.
‘Weet jij wie dat meisje is?’ vroeg-ie aan mij.
Hij haalde bier voor zichzelf. Terwijl-ie mij ’t geld gaf, neigde hij met z’n hoofd naar voren om me die vraag te stellen. Bijna samenzweerderig.
‘Ik weet hoe ze heet, ja,’ zei ik & lachte. ‘Ik weet ook wat ze drinkt.’
‘’t Is een heel bijzonder meisje,’ zei Tessame. ‘Ze schrijft muziek. Ik ga vragen of zij wat wil drinken.’
Om even later inderdaad voor haar een biertje te komen halen. Hij ging tegenover haar zitten. Haar handen bestuderend. Haar notities. Af & toe zei hij wat. Terwijl ’t meisje doorging, geconcentreerd.
‘Heb je geen last van hem?’ vroeg ik.
Tessame was naar ’t toilet. Ik kwam voor de glazen.
Ze keek op. In m’n ogen. Ik begreep Tessame’s fascinatie. Ze was niet de knapste, maar haar huid was melkwit & haar blik mysterieus. Een doorzichtige engel.
‘Van hem?’ vroeg ze met een wijzende penpunt naar een lege stoel. ‘Nee, hoor. Ik ga gewoon door. ’t Is wel leuk, een beetje geroezemoes op de achtergrond.’
Van achter de bar zag ik dat Tessame weer ging zitten. Hij kroop in haar. Z’n schouders kromden zich voorover, om vooral geen pennenstreek te missen.
Ze was inderdaad een engel, vertelde hij me bij ’t volgende biertje. Ze heeft jarenlang op hem gewacht, wist-ie. Ik vroeg me af of-ie ’t niet andersom bedoelde. Vooral omdat zij bij de volgende plaspauze haar spullen pakte, vroeg of we de volgende dag weer open zouden zijn, & verdween.
‘Waar is ze heengegaan?’ vroeg Tessame. ‘Zij was zo mooi. Ik weet dat zij op mij wachtte. Ik ken haar door & door. Ik heb alles gezien.’
Die lichte stem van Tessame, met een kleine breuk, een kwets in ’t midden, ’t zoeken naar woorden die hem nog steeds niet helemaal eigen waren.
Hij zocht haar nog even. Buiten. Wachtte vervolgens binnen tot ze misschien van ’t toilet zou komen. & Vertrok toen om haar op straat te gaan zoeken.
‘Ze heeft op mij gewacht.’

‘Hij is in ’t water gevonden, vorige week,’ vertelde Peet.
‘Dat lijk dat in ’t nieuws was?’ vroeg ik.
Peet knikte.
Ik liep naar ‘t groepje ethiopische dames aan de bar. Er waren er veel vandaag. Stemmig zwart of anders paasbest.
‘Is Tessame overleden?’ vroeg ik.
‘Ja, hij is verdronken.’
Een vinger wees naar buiten. Naar ’t water.
‘Vandaag was de mis. Woensdag wordt-ie begraven.’
Ik keek serieus. Ik wilde een gezicht van medeleven tonen. Ik wilde ook iets zeggen tegen de vrouwen die ik tegenover me zag. Geen familie. Maar iedereen kent iedereen in de ethiopische gemeenschap.
‘Wil je ook komen?’ werd er gevraagd.
Ik twijfelde even.
‘Nee, ik moet werken woensdag.’
Om er van af te zijn. ’t Schept verplichtingen. Ik kom anders te dichtbij.
Er stond een volgende klant te wachten. Ik moest weer aan ’t werk. Maar hoe condoleer je in ’t ethiopisch. Hoe condoleer je mensen die geen familie zijn op z’n ethiopisch.
‘Sterkte,’ zei ik tegen de vrouwen.
Een kort knikje.

Tessame zat op een terrasstoel. Geheel in z’n 1tje. De andere ethiopiërs stonden aan de zijkant van ’t gebouw. Waar terrasstoelen niet waren toegestaan.
‘’t Is toch Tessame?’ vroeg ik, naar een leeg glas voor hem reikend.
‘Ja,’ antwoordde hij.
‘Andere mensen zeggen wat anders,’ zei ik.
‘Je mag me noemen zoals je wil,’ zei Tessame.
Ik was zijn naam al meerdere keren vergeten. Probeerde ’t er elke keer weer in te rammen, via andere ethiopiërs weer te weten te komen als ik ’t weer ‘ns kwijt was, maar raakte ook steeds in de war als ik mensen andere namen hoorde gebruiken.
‘Olivier had ’t daarnet over Tesfa,’ zei ik.
‘Ja, Olivier heeft mij les gegeven. 10 Jaar geleden. Hij kan m’n echte naam niet onthouden. Maar hij mag me noemen zoals-ie wil.’
‘Ik moet trouwens nog steeds Sjostakovich voor je meenemen.’
‘Ja, ik ben heel geïnteresseerd,’ fleurde hij op.
Z’n twinkeling in de ogen doemde weer op. De brede glimlach kwam over z’n lippen. Schuin achterover keek hij me aan.
‘Sjostakovich is heel speciaal. Ik hou van westerse muziek, & Sjostakovich is heel bijzonder. Hij doet hele gekke dingen. Dat wil ik horen.’
‘Ik zal proberen ’t nu ‘ns een keertje te onthouden,’ zei ik, & liep verder voor de volgende glazen.

Olivier stond aan de bar.
‘Weet je dat Tesfa is overleden?’ vroeg-ie.
‘Ja, hij is hier verdronken, hè,’ zei ik, m’n vinger naar buiten wijzend.
‘Zonde, hoor. Hij was vroeger een student van me. 10 Jaar geleden.’
‘Ja, ’t was een leuke vent. Verschrikkelijk aardig, deed geen vlieg kwaad. Maar hij dronk een beetje te veel.’
‘’t Was een warhoofd.’
‘Dat geloof ik ook. Woensdag wordt-ie begraven, hoor ik net. Vanmiddag hadden ze een mis voor hem.’

& We weten niet hoe we moeten condoleren in Zijperspace.

martelaar

M’n ogen zijn opgezwollen. Ik voel ’t nog net. Traag slepen de lichtstralen zich door de spleten heen. Een remspoor van droge lucht achterlatend.
Ik ben wakker, zover als ’t gaat. Ik weet dat ik iets na 10-en, of misschien iets ervoor, heb gegeten. Nu ben ik onderweg naar ½ 2. Met een nek die m’n hoofd achterover trekt. Een kabel van wantrouwen sleurt.
De agressie van voor ik in slaap viel zit er nog. De wereld moet kapot. Ram, ram, ram, in z’n allervriendelijkste vorm. Een bede niet vergeten te worden. Dat realiseer ik me wel.
Ik wil migraine hebben. Een ouderwets gevoel van martelaarschap. Een hoofd persend door de randen van ’t hout van m’n ouder’s bed heen. ’t Kussen van m’n vader die veel te groot oprijst boven mijn nek.
Ik gooi m’n hoofd achterover, alsof ik een god aanbid die niet meer bestaat. Allang niet meer. Voel ’t bloed kruipen. ’t Licht speelt als een twinkeling door m’n wimpers een spelletje van wie er de baas is. M’n ogen voelen vooral van binnenuit, in de kassen, opgezwollen. De oogleden staan binnenstebuiten.
Ik moet drinken. M'n wondes vergeten. & Terwijl ik drink wil ik weer weten wie & wat. Er moet een oorzaak zijn.
Als ik ’t licht van de keuken uittrek, een stekker uit ’t stopcontact, ter voorkoming van nog een keer, nog meer vocht van vergetelheid, weet ik: dit zijn de ergste nachten. Ik schreeuw niet om ellende, om wroeging, om genoegdoening voor mij alleen, maar soms willen deze nachten zich niet doen verjagen. Dorst om de dorst. Een zwart gat van kolkende onrust zetelt zich in m’n maag.
Verlangen noemt men dat. Wraak anderen. Ik wijt ’t aan m’n bioritme. Voelde me vanochtend al niet fit. M’n lichaam probeert me een vertraagde dreun te geven. Sneller dan ’t licht, maar dan anders. Een stripfiguur tekent zich af in m’n verbeelding. Z’n vuist geheven, z’n doel schijnbaar onbereikbaar, maar door flitsende sterretjes & donderstraaltjes ‘t evengoed bereikend. Jerommeke moet ’t zijn. De meest vage held van ’t stripdoek.
Ik probeer m’n mond open te laten. Neus ademhalen. De grauwe dampen moeten weg uit m’n gehemelte. 1, 2, 3, voort, zeiden m’n tantes. Kreeg daarbij een klap op m’n billen. Ik hopte voor de tik uit.
Wanstaltig slijm plakt nu aan de binnenkant van m’n wangen. Bang ’t te verliezen, zo dik voelt ’t van binnen. Ik drink een nachtelijk biertje om ’t te verdunnen. ’t Doet ’t bloed in m’n hoofd goed. ’t Stroomt door. Stapje voor stapje leer ik weer nadenken.
De bel gaat. De bel van sms. Ik neem op & antwoord. Of ik thuis ben. Of wakker eigenlijk. Nog. Nog wakker. Ik antwoord & wacht. Scheer m’n baard, die nog net geen baard mocht heten. Wacht nog wat langer. Straks moet ik niet vergeten m’n tanden te poetsen.
’t Is ½ 3. Anderen mensen slapen.
Ik probeer te vergeten. & Te wachten, dat moet ik ook. Ik moet vooral niet nog langer..... Wat eigenlijk?

Enkele cellen zijn reeds uitgeschakeld in Zijperspace.

2000

Wat doe je nou als je ‘t 2000e stukje aan ’t schrijven bent? Laat je ’t de mensen weten & ze er aan meedoen tegelijkertijd? Is ’t iets van jezelf & moet je afwachten of mensen blij voor je zijn? Moet je je mond houden & genoegzaam doorgaan waar je al 2000 stukjes lang mee bezig bent?
Ik ben in ieder geval niet goed in m’n mond houden. Dus dat valt al af. Bovendien heb ik lang geleden al besloten dat ’t vragen van aandacht een grote motor moet zijn, dat ik dat moet onderkennen, achter ’t vullen van m’n weblog. Geen schaamte, gewoon toegeven & genieten. Als er iets te vieren valt, dan vieren we dat dan ook.
Maar hoe?
Net zoals 1000 stukjes geleden? Alles herlezen, selecteren, schrappen, corrigeren, linken, & afwachten wat de reacties zijn?
Over dat laatste: als er iets is waar ik bij tijd & wijle moeite mee heb (maar waar ik me eigenlijk helemaal niets van aan wil trekken: ik ga door waar ik mee bezig ben & de lezer volgt me maar) & waar ik ondanks m’n negeren m’n neus bij stoot: ’t gebrek aan reacties. Bij 150 bezoekers op een dag maximaal 2 personen hebben die durven te zeggen wat ze denken. Ben ik zo moeilijk, zijn mijn teksten afgesloten hoofdstukken, raken mensen niet geïnspireerd?
(Doet me overigens ook denken aan mijn cursus lijfloggen; naar mijn idee is er nog niet eerder een initiatief met een dergelijk gehalte aangeboden, in een dermate originele verpakking, doorwrocht, leuke invalshoek, etcetera, maar niemand die daar ook maar enigszins blijk van geeft; mis ik in deze 't contact tussen mijn eigen hersenspinsels & de realiteitszin van verveelde lezers, die iets dergelijks blijkbaar op een andere wijze op waarde schatten?)
& Dan: mensen laten me soms weten dat er niet op mijn stukken te reageren valt omdat ’t stuk al ‘af’ is. Valt niets meer aan toe te voegen. Waarom staat ’t dan niet op de voorpagina van ’t Parool? Waarom verdien ik te weinig, kan ik nog maar net rond komen met m’n geld, kan ik tegenwoordig hooguit 1 boek per maand kopen, toch maar geen cd ditmaal, volgende maand misschien een broek, m'n wasmachine mag 't 't komende ½jaar absoluut niet begeven, & betaal ik al m’n rekeningen op ’t laatste moment, om vooral zo min mogelijk debetrente te betalen? Waarom heeft dat alles ermee te maken?
Bij Film & Tv-wetenschap werd de vraag gesteld wat ik later wilde worden. Er ging een namenlijst rond van alle studenten, waar je achter jouw vermelding je ambitie kon pogen te omschrijven. Kort & bondig. 't Doel van mijn studie paste er nog net op. Ik wilde Cees van Ede worden, ipv Cees van Ede, maar aangezien hij er niet meer was (op tv pratend over film) wilde ik daarom maar Jo Röpke worden (die is er inmiddels ook niet meer, maar iedereen van de studie wist toentertijd wie hij was), ipv Jo Röpke.
Ik ben niet van de heldenverering, daar doe ik niet aan. M’n enige helden waren die welke in de griekse mythologie voorkwamen. ‘Griekse helden & sagen’ heette dat boek. Later heb ik een hele stamboom gekopiëerd, uit een ander boek, van alle goden & ½-goden van de grieken. Niet belangrijk misschien, maar dat waren de enige helden waar ik voor geleefd heb. Ik ben ze ondertussen voor 60 % vergeten.
Dus wilde ik niet letterlijk Jo Röpke worden. Ik wilde zijn plek.
Nu wil ik Theodor Holman worden, ipv Theodor Holman. & Anders kicken ze die Heleen van Rooyen er maar uit. Relnicht, die sociale intelligentie mist. Ik ben ook best bereid de plek van Camu in te vullen. In m'n 1tje, dat red ik wel. Als ik maar snel & doeltreffend van m’n geldproblemen afkom. & Nog steeds ‘tzelfde kan blijven doen, wat ik nu de hele tijd al doe: schrijven.
Kijk, ik schrijf. Daar ben ik goed in, & daar blijf ik voorlopig nog wel een tijdje mee doorgaan. Heb ik ergens in m’n hoofd gestampt. Niet altijd even goed. Maar toch 9 van de 10 keer beter dan de gemiddelde columnist in Nederland. Zij verdienen, ik niet. Ik heb er 2000 geschreven, de meesten van hen niet.
Nu verbied ik de bezoekers onmiddellijk de 1e maanden van m’n weblog te bezoeken, liefst zou ik bepaalde delen van m’n archief voor enkele weken sluiten, maar ik wil me geen lafaard tonen & laat ’t open.
Al met al, even los van de arrogantie hierboven tentoongespreid, ik kan schrijven, maar over een zeer beperkt onderwerp: mezelf. Ik ben een klein pietepeuterig mensje dat een kunstje kan, dat z’n eigen universum nodig heeft om ten volle te kunnen bloeien, maar die wel degelijk zeer beperkt wordt door ’t feit dat er geen geldelijke vergoeding tegenover staat. Als ik dermate weinig blijf verdienen zoals ik heden ten dage verdien, dan zal ik binnenkort gedwongen worden ander werk te zoeken.
Kijk, & daar kunt u mij dus bij helpen, geachte lezer. Maak mijn leven fijn & vrolijk, stuur 1 van uw geliefde stukjes, afkomstig uit Zijperspace, naar iemand die er wellicht belangstelling voor heeft. Laten we ’t zo stellen: als iedere lezer nou zijn of haar favoriete stukje naar een bekende stuurt, iemand die misschien wel dikke vinger in de pap heeft mbt ’t publiceren van teksten, iemand die bij ’t Parool werkt, of anders mij wel een contract kan bezorgen bij een uitgeverij, iemand die mij op een andere wijze kan steunen door m’n teksten elders te publiceren, als iedereen dat nou doet, & ik in m’n luie laffe stoel kan blijven zitten, dan ben ik morgen, als ik m’n 2001e stukje schrijf misschien wel heel gelukkig. (’t Is natuurlijk een ideetje, maar dat wil natuurlijk niet zeggen dat men ’t niet hoeft uit te voeren).
In ’t reactieding heeft men de mogelijkheid kenbaar te maken welke tekst tot nu toe verschenen alhier favoriet is. Mocht men de url niet weten, met een kleine beschrijving of anders een titel komen we er vast wel gezamenlijk achter welk stuk tekst bedoeld wordt.

Update: aangezien er niemand is, zoals ik inmiddels gewend ben te moeten ervaren op mijn log, zei hij teleurgesteld, die de diepte in duikt om te laten weten wat er ooit verschenen is dat meer dan de moeite waard was, wat aangreep, beklemde of misschien betoverde, zal ik zelf maar een voorzetje doen. 100-en Keren opnieuw gelezen, gewoon omdat ik niet geloofde dat ik 't geschreven had, omdat 't klopte, omdat 't rond was, omdat 't zoveel dingen tegelijk omschreef in voor mijn doen absurd weinig woorden, dat ik vind, dat ik denk, dat 't geen kwaad kan mensen 't nog een keer te laten lezen, opnieuw te pogen 't onder de ogen te laten komen. Lees daarom, ik denk dat 't de moeite waard is.

Onder sommige omstandigheden is men redelijk van zichzelf overtuigd in Zijperspace.

Nawoord: & Zo aan 't eind van de dag, enkele felicitaties rijker, nog minder dan op m'n 1000e verschenen, moet ik me weer terug op aarde begeven, me realiseren dat 't bijna niemand een hol interesseert dat ik dag in, dag uit, bezig ben te schrijven, te denken over 't schrijven, de inhoud, te doen wat niemand anders daarvoor heeft gedaan, verder te gaan, where no one else has ever gone before, te putten uit, diep, somtijds ondiep, maar toch niet al te vanzelfsprekend, & dát, dat kleine beetje te laten klinken, te wachten tot iemand 't oppikt, niet perse iets mee doet, maar misschien geniet, laat voelen, voordat 't vergeten was, dat gevoel, dat verre gevoel dat wel aanwezig was, maar ver weg, inmiddels. Dat dat kleine beetje dan zin heeft gehad.
We gaan weer door.

evolueren

M’n moeder keek in de naaidoos, op zoek naar de juiste kleur garen. 1 Broek had ze al in haar hand, haar vingers hielden ’t gat erbij, onder ’t kruis, binnenstebuiten.
‘’t Garen slijt,’ zei m’n moeder.
‘Ja,’ zei ik vanuit haar slaapkamer, waar ik me op de weegschaal aan 't wegen was, ‘daar hadden we ’t de vorige keer ook al over. ’t Is gewoon niet sterk.’
‘Ik weet niet of ’t veel uithaalt,’ voegde ze er ook nog aan toe.
‘Nou, kijk,’ zei ik terwijl ik me voor de spiegel in m’n wang kneep, ‘als elke broek ’t zeg maar nog 2 weken doet, dan ben ik toch weer 2 maanden totaal gered. 71 Kilo. Ben ik eigenlijk een kilo lichter geworden.’
‘Dan valt ’t toch best mee met dat dikker worden.’
‘Er is wel 6 kilo bijgekomen, afgelopen maanden. Maar bij mij gaat ’t vooral in m’n gezicht zitten.’
Ik stond ondertussen voor een andere spiegel, die boven de wasbak, achter de naaimachine. Ik wreef over m’n wang. Bekeek mezelf van dichtbij.
‘Ik heb ook ’t idee dat m’n huid veranderd,' zei ik.
‘Hoezo?’ vroeg ze, onderwijl ’t garen in de naaimachine bevestigend.
‘’t Voelt ouder aan.’
‘Dat is je leeftijd, Ton.’

‘Je wordt grijs,’ zei m’n broer.
‘Dat wordt ik al 20 jaar,’ reageerde ik.
M’n vaste reactie. Behalve dat ik tegenwoordig 20 kan zeggen. ’t Moet eigenlijk 19 zijn, maar een beetje afronden kan geen kwaad. 19 Klinkt niet.
‘Maar nu word je ’t echt.’
‘Nu is ’t duidelijk te zien. Mooi, hè? Vanachter vooral, toch?’
Ik keerde m’n hoofd een beetje om, de achterkant richting Quint. Wreef wuft door ’t matje dat aan de achterkant hing.
‘Nou!’ zei Quint.
‘Ik wist ’t zelf ook niet. Tot ik foto’s van mezelf zag. Van achteren genomen. ’t Wordt nu echt wel wat.’
‘’t Wordt een beetje veel.’
‘Tenminste niet kaal.’
‘Je moet ook ‘ns naar de kapper.’
‘Ik krijg de laatste tijd juist reacties van vrouwen dat ze dat lange haar mooi vinden.’
‘Ik vind ’t ook wel mooi,’ zei Jacco.
Hij had voor de rest z’n mond gehouden. Zat een beetje voor zich uit te staren aan de bar van m’n broer.
‘Nou, kijk,’ zei ik tegen m’n broer.
‘Vrouwen & homo’s,’ zeiden Jacco & ik tegelijk.
‘Die vinden ’t mooi,’ maakte ik zelf af.
M’n hand stond nog steeds plat voor me, om m’n gelijk aan te duiden. ‘Zie je wel’ was ’t gebaar. De hand van Jacco hing ernaast.
Ik wreef nog een keertje wild door m’n haar terwijl Jacco toekeek. M’n broer tapte een biertje.

’t Gaat langzaam, maar ’t gaat in Zijperspace.

(Dit omdat ik weer ‘ns de aandacht moet vestigen op ’t zojuist verschenen 5e deel van mijn cursus lijfloggen, die te vinden is op de website van about:blank)

dagje

‘Moe, ik kom net uit bed,’ zei ik.
‘Ja, ik ook,’ zei m’n moeder.
‘Oh? Dat ben ik helemaal niet van je gewend.’
‘Nee, ik had gisteravond een slaappil genomen.’
‘Ja, dat zijn eigenlijk rotdingen. Je blijft er de volgende dag ook zo sloom van.’
‘Maar ik had ’t wel nodig.’
‘Waarvoor ik dus belde, Ma: ik ben net uit bed & ik dacht dat ik ’t maar rustig aan moest doen. Anders voel ik me de hele dag moe. Dus ik denk dat ik niet eerder dan 12 uur bij je ben.’
‘Is goed. Dan bel je wel?’
‘Ja, dan bel ik wel.’

‘Ik ben gister bij de maatschappelijk werker langs geweest,’ zei m’n moeder terwijl ze thee voor me inschonk. ‘Die zei dat ik eigenlijk in de rouw ben. Aan de ene kant is Pa er wel, maar aan de andere kant ook niet.’
Ik zag m’n moeder aan. Probeerde onderwijl ontspannen te zitten. Aan de achtertafel, m’n schoenen uit, m’n voeten op de stoel naast me, kopje thee in de hand.
Ze wankelde een beetje de keuken in & uit.
‘Wat loop je moeilijk,’ zei ik.
‘Ja, zal wel door die pil komen,’ zei ze. ‘& Ik voel me gewoon niet zo lekker de laatste dagen. Heb nergens zin in.’
Ogen rood toen ze tegenover me ging zitten.
Wat moet je tegen je moeder zeggen als ze ’t moeilijk heeft? Hoe sterk moet je zijn? Wanneer is ’t begonnen dat de rollen omgedraaid raakten?
‘Ja, Moe,’ zei ik, ‘we zijn een tijdje geleden al begonnen met afscheid nemen van Pa. Je zou kunnen zeggen dat-ie er niet meer is voor ons. Aan de andere kant ook weer wel, maar we hebben ‘m nu een beetje weggestopt.’
Wat de maatschappelijk werker ook ongeveer had gezegd, bedacht ik onderweg. Ik voeg niets toe, ik maak ’t misschien alleen maar erger door de verkeerde woorden.

‘Je loopt er fris bij,’ zei ik tegen m’n vader.
Z’n ogen keerden zich naar mij. De ogen die direct contact zoeken. Pas als-ie recht in jouw ogen kijkt, weet je dat ’t aangekomen is.
Hij humde wat. Ik zei voor ’t gemak een ‘ja’ & een ‘dat is zo’. Zodat-ie niet ’t idee kreeg dat-ie niet begrepen werd.
‘Geef mij ook maar een arm,’ zei ik tegen hem.
Vanuit z’n slaapkamer kwam-ie al gearmd met m’n moeder lopen. Scheef achter haar aan lopend. Als-ie mij zou vasthouden, dan liepen we met z’n 3-en gelijk op.
‘Ja, je loopt inderdaad goed vandaag, Niek,’ zei m’n moeder.
We zeiden onderweg alle voorbijgangers gedag. Dat doet iedereen in De Koogh, had m’n moeder een vorige keer verteld. M’n vader deed dit keer ook mee.

We zetten m’n vader neer aan een tafeltje, ik haalde thee & een biertje, m’n moeder maakte een praatje met de vrouw van m’n vaders kamergenoot.
Een lege uitdrukking, hoewel relatief fit, zag ik vanaf de koffieautomaat. Ik vroeg me af waar m’n vader was, hoewel ik 'm zag. Af & toe zie ik een glimp. Een traliewerk van Parkinson houdt ‘m tegen naar buiten te treden.
Door de spijlen heen leek-ie nog net te zien waar m’n moeder een praatje aan ’t maken was. & Op ’t moment dat ik een kopje voor hem neerzette moest-ie volledig z’n aandacht verleggen om te weten wat er gebeurde.
‘Een bakje koffie, Pa,’ zei ik. ‘Ik heb er al suiker in gedaan.’
Dan weet-ie wat er aan de hand is. Dan kan-ie z’n aandacht daar naar richten.

Er kwam een vrouw bij ons aan tafel staan. Nadat ze ons had begroet zei m’n vader haar onmiddellijk gedag. Eerder dan m’n moeder, die met de rug naar de rest van ’t publiek gewend was, haar niet had zien aankomen.
‘Gaat ’t een beetje, meneer Zijp?’ vroeg de vrouw.
‘Ja, hij is erg helder vandaag,’ antwoordde m’n moeder voor hem.
M’n vader knikte.
M’n moeder maakte kort een praatje. M’n vader staarde de vrouw aan. Leek alle woorden uit haar mond te trekken. Maar dat is Parkinson. De mond gedeeltelijk open, grote ogen, weinig emotie die van 't gezicht af te lezen valt.
Maar hij registreert. Ik zie ‘m registreren, dacht ik.
Toen de vrouw verder gelopen was, zei m’n vader: ‘Ik zou niet weten wie die vrouw is.’
Een hele zin. Luid & duidelijk.
We lachten. M’n moeder wreef ‘m daarbij over z’n hand. De ogen keerden zich naar die van m’n moeder. Hij legde zijn hand op die van haar. Zo bleven ze 5 minuten liggen.
Ik rechtte m’n rug. Probeerde vervolgens nonchalant te zitten. Gaapte, omdat van gapen je ogen moe gaan staan.

M'n vader stond klaar om gedag te zeggen. Aan de hand van de verpleegster, bij de uitgang van de afdeling. Je moet een speciale code in 1 keer indrukken om naar buiten te kunnen. Ik liet dat elke keer maar aan mijn moeder over. Die deed 't met 1 hand.
Ik zei tegen m'n moeder: 'Pa staat te wachten.'
'Ja, ik kom.'
Ze moest 't gesprek met de vrouw van Pa's kamergenoot afmaken.
'Die wil altijd even praten,' zei ze even later, 'over hoe 't gaat.'
Ze zuchtte niet.
'Wij lopen even mee,' zei de verpleegster, m'n vader in de arm. 'We moeten de broodkar ophalen.'
Gaan ze nu al eten, vroeg ik me af.
Bij de deur bleven ze staan. Ma & ik liepen door. De 2 schuifdeuren door.
'De 1 gaat pas open als de ander dicht is,' zei m'n moeder weer, 'voor de wind.'
Ik zwaaide. De ogen van m'n vader gingen langs mij heen.
'Pa zwaait,' zei ik.
M'n moeder keek om & zwaaide ook.
Ik zag 'm staan. Stil. Aan de hand van de verpleegster. Klaar om de broodkar te halen. Precies op 't moment dat m'n moeder keek zwaaide hij niet.
M'n moeder keek om naar een bekende aan de andere kant van de automatische schuifdeur. Ze zwaaide haar gedag. De 2e deur ging ondertussen open. Ik keek nog 1 keer om. Pa zwaaide omdat-ie nu zag dat Ma zwaaide. Zij net de verkeerde kant op. Maar geen van beiden had dat door. Ik stak m'n hand ook maar op.

M’n moeder reed me naar de trein. We waren 10 minuten te vroeg.
‘Blijf nog maar even zitten,’ zei m’n moeder. ‘Buiten waait ’t zo.’
‘Is goed,’ zei ik. ‘’t Ging trouwens best goed met Pa, hè?’
‘Ja, zo heb ik ‘m nog niet eerder meegemaakt sinds-ie in De Koogh zit.’
‘Hij maakte ook veel meer contact.’
‘Ja, de diëtiste die daarnet belde, vertelde ook dat-ie voor ‘t 1st in een boek had zitten lezen. Een beetje. Maar om 7 uur trok-ie z’n schoen & sokken uit. Toen wilde hij alweer naar bed.’
Achter ons kwam de bus van ½ 9 te staan. De koplampen schenen bij ons de auto in. Hij kon er niet langs.
‘Dan ga ik maar meteen,’ zei ik.
We gaven elkaar een paar zoenen.
‘’t Was een mooi dagje met Pa, Moe,’ zei ik bij ’t openen van ’t portier.

Hij is alleen zo ver verwijderd van Zijperspace, dat ik niet meer weet wie hij is.

steve

’t Is de 2e maal dat-ie binnenstapt, maar nu heeft-ie blijkbaar net gescoord. Z’n ogen blijven slechts onder grote dwang open, z’n loop kan niet beslissen hoe lang ’t binnen de lijnen van ’t pad zal blijven.
Hij weet de koelkast echter onmiddellijk te vinden. Een 2e natuur voor de junk. Zelfs ’t pakken van ’t flesje, dat temidden van 10-tallen anderen staat, allen gevoelig voor omstoten & naar beneden kukelen, lijkt ‘m in deze toestand beter af te gaan dan dat-ie nuchter zou zijn. Men mag niet merken dat-ie onder invloed is, daar lijken alle cellen van zijn lichaam op ingesteld. In zoverre nog mogelijk wordt elke voelspriet gebruikt om vooral geen schade te berokkenen, om vriendjes te blijven, om zijn indruk dat-ie voor mij een prettige klant is te bestendigen.
Ik kijk over z’n schouder, op een afstand van 2 meter, mee hoe hij in de koelkast grijpt. Controleren of er niets in z´n jaszak wordt gemoffeld.
‘Weet jij of er bij jou veel wordt gestolen?’ vraagt-ie me ’t volgende moment, alsof-ie m’n wantrouwen met z’n rug heeft geregistreerd.
‘Volgens mij niet.’
‘Daar heb je geen cijfers over?’
‘Nee, dat weet m’n baas misschien. Maar volgens mij niet veel, want we weten wie we in de gaten moeten houden. ’t Is een kleine winkel.’
Z’n ogen kieren. Een film ligt er overheen waardoor ze dof zien. Hij schommelt op z’n voeten. & Toch weet-ie de tegenwoordigheid van geest te behouden om te proberen zo nuchter mogelijk over te komen.
‘Ik hoor wel ‘ns wat, weet je, hier voor de Albert Heijn.’ Hij wijst. ‘Die jongens deinzen nergens voor terug. De politie heeft me laatst gevraagd of ik ze niet af & toe wilde inlichten. Wilde vertellen wat er zoal gebeurt. Ik heb geweigerd. Ik wilde geen mensen verraden. Maar toen begon ik aan m’n gezin te denken. Daar wil ik ook mee door. Is ook belangrijk. Wacht, ik laat ’t je even zien.’
Met moeite draait-ie z’n lichaam zó dat-ie een pakketje papieren uit z’n broekzak kan halen. Een beetje onnatuurlijke draai, maar blijkbaar heeft-ie ’t idee dat-ie er anders niet bij kan.
Hij legt ’t pakketje op de toonbank. Wriemelt er de foto van een meisje uit. Z’n blik wordt enigszins afgeleid door de importantie van de papieren waar ’t tussen zit; hij houdt er 1tje in ’t licht, murmelt wat in zichzelf, slaat op ’t formulier om z’n verontwaardiging te ventileren & legt ’t vervolgens weer neer op de stapel.
‘Kijk,’ zegt-ie. ‘Daarom.’
Pauze.
‘Willen ze niet dat ik terugkom. ’t Staat er allemaal.’
Hij vouwt ’t stapeltje weer op. Allemaal formuliertjes. Z’n administratie. ’t Moet al een tijdje in z’n achterbroekzak zitten. Op de vouwen zijn ze versleten, worden door enkele plukjes nog aan elkaar gehouden. Op sommige plekken begint de inkt al te slijten.
Hij ziet z’n vriendin weer liggen. Voor me. Hij raakt de foto met z’n vinger aan.
‘Da’s een mooie dame,’ zeg ik.
Van deels indische afkomst, vermoed ik. Jong, een jaartje of 20 hooguit. Ze heeft een minirokje aan van leer. Ze zit zo, dat je er net niet onderdoor kan kijken. Ik weet niet of haar vader de foto wel mooi heeft gevonden. De spleet tussen haar borsten, een diep dal, staat naar de fotograaf gericht. Ze kijkt alsof ze weet wat ’t effect van de foto is.
Ook hiervan zijn de randen versleten. Aan ’t dikke papier is nog net te voelen dat ’t een origineel is, geen kopie. Maar de rafels maken de omgeving rond z’n vriendin steeds kleiner. Er zit al een bruine vlek vlak boven haar hoofd.
Hij pakt de foto op. Bekijkt haar, met een blik waarin hij smeekt weer dichtbij haar te zijn. Niet hier, met suffe ogen.
‘Maar jij denkt dat er hier wel gejat wordt?’ probeer ik z’n aandacht af te leiden, anders gaat ’t veel te lang duren.
‘Ja, ik hoor natuurlijk wel ‘ns wat. Je weet hoe ’t gaat, toch? Je bent hier de buurt gewend, toch? Dan doen ze net of ze toch iets anders willen, lopen terug naar de koelkast & snel stoppen ze een flesje in de binnenzak.’
Hij doet ’t voor. Hij keert z’n rug naar de toonbank, kijkt schichtig om, bolt z’n rug, flesje richting binnenzak.
‘Ik weet wie ik in de gaten moet houden,’ zeg ik.
‘Ja, je zal daarnet mij ook wel in ’t oog hebben gehad,’ lacht-ie.
Of eigenlijk een poging te lachen. ’t Komt er vermoeid uit.
‘Tuurlijk,’ zeg ik. ‘Dat snap je toch ook wel.’
‘Ja, man. Jij bent tenminste eerlijk. Daarom ben je goed.’
Dit zijn de momenten dat ze emotioneel worden, bedenk ik me. Dan gaat ’t lang duren. Dus moet ik van onderwerp veranderen. Steeds van onderwerp veranderen, zodat-ie niet in een bepaalde emotie blijft hangen. Als er niet te diep op onderwerpen wordt ingegaan, blijft de emotie weg & wordt de behoefte de winkel te verlaten groter.
In een flits denk ik dat. Of misschien is ’t wel ervaring die natuur is geworden.
Op dat moment komt een andere klant binnen.
‘Zeg, je moet je biertje nog afrekenen,’ durf ik daardoor ’t gesprek af te kappen.
‘Had ik dat nog niet gedaan? Ik sta daarnet met m’n geld in m’n handen.’
‘Nee, dat waren je papieren. Anders had ik de kassa wel afgeslagen, joh.’
‘Dat zal dan wel,’ zegt-ie, terwijl de nieuwe klant achter ‘m langs loopt.
Hij houdt ‘m met een schuin oog in de gaten. Controleren of deze van hem een bepaalde indruk heeft. Hij recht z’n rug om ’t geld uit z’n broekzak te halen, maar staat daarbij nog steeds krom. Hij schommelt weer.
‘Alsjeblieft,’ zegt-ie als-ie ’t geld op de toonbank legt. ‘Hoe heet jij eigenlijk?’
‘Ik ben Ton.’
Hij bukt voorover, z’n hand komt naar me toe.
‘Ik ben Steve. Dan weet je dat.’
Hij laat m’n hand los & wendt zich naar de deur.
‘Ik zie je later vandaag nog wel.’
‘Ok. Later,’ groet ik.

Die zie ik vandaag niet meer terug in Zijperspace.

vertrouwen

Ik ben niet een consument van ’t keiharde soort. Je zal mij niet aan de noodrem van treinreizigersvereniging Rover zien trekken als ik op een ½ uur uitzicht van grazende koeien in een groen weiland ben getrakteerd, omdat een onverlaat zijn moment gekomen achtte & dit wilde meedelen aan de machinist van toevallig mijn trein. Nimmer zal ik een brief schrijven omdat de Crunchy’s (van welke verslaving ik gelukkig af ben) niet wegen zoals aangegeven op de verpakking. Noch zal ik de maat van bierglazen proberen te ijken, of mijn verontwaardiging uiten bij een mm te veel schuim.
Waarschijnlijk wordt dat allemaal veroorzaakt doordat ik te goed van vertrouwen ben.
Ik geloofde ’t altijd wel, de hoeveelheid wisselgeld die wij van een vaste klant kregen zou vast wel overeenkomen met ’t bedrag dat-ie aangaf ervoor te moeten vangen. Hij ging aan de bar zitten, overhandigde zijn zakjes, opgehaald dankzij zijn niet al te virtuoos gitaarspel onder ’t afdakje van een Zaanse Albert Heijn, onder begeleiding van z’n raspende niet al te toonvaste stem; hij liet me ’t bedrag noteren op ’t bonnetje waar zijn consumpties van de dag ook op terecht zouden komen & aan ’t eind van zijn aanwezigheid in ons etablissement overhandigde ik ‘m de luttele centen die hij er nog van overhield.
Zonder nadenken of wantrouwen.
Totdat 1 van m’n collega’s er schoon genoeg van had. ’t Zal Sas of Mar zijn geweest, wellicht zij beiden. We hadden ’t met z’n allen een beetje gehad met dat gezicht, dat chagrijnig keek als-ie per ongeluk niet als 1e ’t pand betrad & zijn vaste plek aan de bar bezet zag. We hadden ’t gehad met die dronken nieuwjaarstoespraken die hij bovenop zijn vaste kruk elk jaar weer pleegde te houden, ellenlang & reeds uitgesproken opmerkingen & grappen steeds weer herhalend, waarbij iedereen dorst had, maar iedereen diende te wachten tot hij ‘Cheers’ zei (hij was immers van engelse komaf). We hadden ’t gehad met zijn analyse van de nederlandse maatschappij, ’t sociale stelsel, de ministeriële ploeg, ’t beleid van parkeerbeheer (terwijl hij altijd op z’n fietsje aan kwam zetten), & zijn zorg voor de jeugd (die totaal ontbrak).
Dus gingen m’n collega’s (ik ga er genoeglijk maar van uit dat ’t Sas & Mar beiden waren) over tot ’t tellen van de zakjes. De bar was dicht & zij gingen zorgvuldig na of alles klopte.
Ik was er niet opgekomen. Ik geloof in wat de mensen zeggen. Ze kunnen me alles wijsmaken.
’t Bleek niet te kloppen. De ene keer 40 cent. De keer erop 13 gulden. De dag erna 3 gulden 50. Ga zo maar door. De heer in kwestie wist zijn portemonnee altijd iets meer te spekken dan onze kassa.
Op ’t laatst, ik was inmiddels overtuigd van zijn kwade instelling, zag ik mijzelf gedwongen de muntjes te helpen tellen. & Niet lang daarna werd gemeld dat er geen prijs gesteld meer werd op zijn wisselgeld. Dat we ’t zelf wel konden regelen.
Misschien dat ik liever in een illusie blijf geloven. Dat de wereld is zoals die zich voordoet, met af & toe een persoonlijke interpretatie van geheime zaken, verborgen transacties, obscure activiteiten, maar vooral niet te veel, want ik wil me nog veilig voelen als ik me op straat begeef. Dus stond ik van mezelf te kijken toen ik hedenochtend besloot de theezakjes, vers uit ’t doosje, na te tellen. ’t Moesten er 20 zijn, vermeldde de verpakking van de firma Pickwick, maar terwijl ik ze alle 20 poogde te vatten om ze in m’n theezakjespot te stoppen, merkte ik op dat ’t makkelijker te hanteren was dan voorheen. ’t Leek me zelfs dat er ruimte was nog wat extra zakjes in de verpakking te pakken. Ik kon een vingerbreed de diepte van ’t doosje in proppen.
Wantrouwen. ’t Had me te pakken. Vanaf heden zou ik de wereld argwanend gaan bekijken, vermoedde ik. Niets zou meer blijken te zijn wat ’t bedoelt voor te schotelen, nooit zou recht nog recht zijn, net zomin als vol vol.
Ik hield me echter nog even in. Ik moest immers het zojuist tevoorschijn gehaalde theezakje gebruiken om mijzelf de verlangde thee te bereiden. Even op & neer in ’t hete vocht, bij mezelf mijmerend omdat ’t mij altijd voorkomt als een onzinnige bezigheid; waar anderen gewoon zijn hun zakje te laten hangen totdat ’t sterk genoeg is, moet ik er druk achter zetten & ’t theezakje zich aanpassen aan mijn tijdschema.
& Juist bij dit mijmeren, vooral ook vanwege ’t feit dat ik bij ’t op & neer bewegen van ’t theezakje slechts 1 hand nodig had, kwam ik tot de gedachte om met mijn andere hand, de hand die er zomaar bij hing, weliswaar zoals-ie elke ochtend erbij hangt, maar nu had ik hem een functie verzonnen; om met mijn vrije hand dus de zakjes te gaan tellen die zich nog in de oorspronkelijke verpakking bevonden (ik koop altijd 2 doosjes tegelijk, zodat de pot waar ze uiteindelijk in terecht komen, voornoemde theezakjespot, in ieder geval een beetje vol lijkt).
Goed, niks aan de hand: ’t waren er gewoon 19. Met die ene meegerekend die inmiddels zijn lotsbestemming bereikt had, was dat precies zoals de tekst aan de onderkant van de verpakking weergaf.

Vooralsnog blijven we geloven in de wereld zoals-ie zich voordoet in Zijperspace.