moderniteiten

‘Heb je een stofzuiger?’ vroeg Bas.
‘Mijn huishouden is van allerlei moderniteiten voorzien,’ zei ik. ‘Ik gebruik ‘m zelfs bij tijd & wijle.’
‘Wanneer heb je die stofzuiger dan voor ’t laatst gebruikt?’ vroeg Quint, toen-ie me 10 minuten later dikke lagen stof zag wegzuigen van bovenop 1 van mijn boekenkasten.
‘2 Weken geleden. Maar ’t is niet m’n gewoonte bovenop de boekenkasten te zuigen.’

‘’t Ruikt hier muf,’ had Quint gezegd bij binnenkomst.
‘Ja, je denkt toch niet dat ik voor niks die tuindeuren zo wijd open heb gezet?’ was mijn reactie.
‘& Je moet ‘ns die gordijnen opengooien.’
Waarop hij ’t zelf meteen ging uitvoeren. Aan de voorkant liet-ie de wereld meekijken wat er vandaag te gebeuren stond.

Quint was langsgekomen om nou eindelijk eens de boxen op te hangen. Ik had een volledige geluidsinstallatie van een vaste klant gekregen, slechts een kratje bier had er tegenover gestaan, maar ik was niet handig genoeg om de 4 begeleidende boxen op te hangen. Of 2 eigenlijk: de 2 grote konden op de grond staan, de kleintjes moesten aan de muur gehangen worden.
Quint had er een klein personeelsuitje van gemaakt, had z’n kok Bas meegenomen, om later voor z’n zaak nog wat inkopen te kunnen doen bij Ikea, & aan ’t eind van de dag enkele biertjes te kunnen consumeren in een café.
‘Waar wil je ze hebben?’ vroeg Quint.
‘Wat is de beste plek?’ was mijn wedervraag.
‘Volgens mij kan je die kleintjes ’t beste hier hangen,’ wees Bas naar de zijkanten van de doorgang richting slaapkamer.
‘& Die andere 2 bij de tuindeuren,’ vulde Quint aan. ‘Je moet trouwens ‘ns wat meer je troep opruimen.’
‘Man, je lijkt je moeder wel. Dat is toch niets,’ zei ik terwijl ik de richting op keek waar Quint op doelde. ‘’t Zijn alleen maar boeken die terug naar Ma moeten. Wat erachter ligt, zijn allemaal spullen die daar altijd liggen. Heb ik geen ruimte voor in m’n kasten.’

‘Wil er iemand thee?’ vroeg ik.
Ik had nog een kan vol van ’t ontbijt.
‘Bier,’ zei Quint.
‘Ja, lekker,’ zei Bas.
‘Lekker thee? Of lekker bier?’
‘Bier. We zijn wel op een uitstapje.’
‘Dan kan ik er zelf beter ook 1 nemen,’ zei ik. ‘Voordat jullie m’n hele voorraad hebben opgedronken, heb ik dan in ieder geval er zelf ook nog een beetje van genoten.’

‘Heb je wel speakersnoer?’ vroeg Quint wantrouwend.
Iets waar ik vast niet aan gedacht had, zag ik ‘m kijken. Uit een verborgen hoekje haalde ik echter een bos wit snoer tevoorschijn.
‘Kijk ‘ns. 20 Meter.’
‘Haal er dan nog maar 20 meter bij.’
Terwijl ik m’n fiets achteruit ’t huis uitreed, hoorde ik Quint weer een opmerking tegen Bas maken.
‘Hé, ik hoor heus wel dat je zegt dat ’t de komende 10 jaar hier niet verandert,’ schreeuwde ik ’t huis in & vertrok.

‘Heb je van die haakjes?’ vroeg Quint bij terugkomst. ‘Van die haakjes waarmee je snoer vast kan zetten.’
Ik kon meteen weer vertrekken voor de volgende boodschap.
‘Nog een biertje?’ vroeg ik 1st.
Ik moest ze tenslotte tevreden houden. Bas had de 2 kleine boxen opgehangen & was nu bezig ’t snoer af te meten richting versterker. Quint testte de muziek op de reeds geïnstalleerde boxen uit.
‘& Als ik weg ben geen opmerkingen maken over dat ’t hier de komende 10 jaar niet verandert.’
‘Ik zei alleen maar tegen Bas dat-ie ’t beter goed kon afwerken, omdat ’t anders de komende 10 jaar niet zou veranderen.’

‘We moeten naar Ikea,’ zei Quint, ‘als we straks nog een biertje in een café willen pakken.’
‘Hoelang ga je daar over doen?’ vroeg ik.
‘2 Uur ongeveer.’
‘Zullen we dan om om & nabij ½ 5 in ’t centrum afspreken?’
‘Als we dan al klaar zijn. We moeten wel ’t centrum weer in rijden.’
We namen ’t laatste slokje bier. Ik stopte de lege flesjes in ’t krat. Zij vertrokken naar Ikea, ik ging een nieuw kratje bier halen.

Ik stopte een cd in de speler. Play. Keek vervolgens naar de opgehangen boxen. Alsof ik ’t geluid er uit kon trekken. Of er uit tevoorschijn kon zien komen.
Uit alle hoeken kwam geluid. Alsof de ruimte geheel er mee gevuld was. Geen hoekje werd vergeten door ’t geluid. ’t Drong overal door, kwam overal vandaan.
Ik dacht: ‘Elke molecuul hier, elke atoom, geeft op dit moment een trilling door. Er wordt geen enkele overgeslagen. Ik wist niet dat mijn huis daartoe in staat was.’
Ik stopte de flesjes bier in de koelkast. Pakte de thermoskan thee. Schonk mezelf een mok vol in.
Ik ging midden in de kamer zitten. Keek beduusd voor me uit. M’n ogen op die hangende boxen gericht.

Alles tolde, maar stond tegelijkertijd stil in Zijperspace.

fun

Hij lijkt wel een beetje op die turk van Kees van Kooten. Muts in ieder geval. Terwijl ’t net warmer begint te worden. Geen lange jas, maar dat zou de turk van toen in de huidige tijd niet dragen. Daarvoor heeft-ie een dikke sportjas in de plaats gevonden. Geschikt voor skiën. Met ingewikkelde knopjes & ritsen, maar daarover later meer.
Hij stapt met een zucht binnen. Ik herken z’n gezicht, maar ga met m’n gedachtes de verkeerde kant op. Ik dacht ‘m te kennen van een vroegere snackbar in de Damstraat. Nachtsnackbar. Die man was altijd vrolijk, loste alles op met een lach. Deze man zucht. Met z’n zucht kijkt-ie de koelkast in. & Fronst-ie z’n wenkbrauwen.

‘Hoeveel kost deze?’ vraagt-ie.
Hij heeft een schijnbaar willekeurige fles in z’n handen. De meeste mensen grijpen naar pils, weten dat bijna meteen te herkennen. Hij grijpt naar de meest onbekende biersoorten.
‘Weet ik niet,’ gaat m’n standaard antwoord, ‘dan zou ik ‘m 1st moeten scannen.’
Daar heeft-ie echter niet ’t geduld voor. Hij kijkt naar de prijslijst die aan de deur van de koelkast hangt.
‘Waar staat-ie?’
Hij wijst met z’n vinger.
‘Nee, die staat er niet op. Niet alle bieren in de koelkast staan op die lijst. & Niet alles van de lijst staat in de koelkast.’
Ik zeg ’t langzaam, zodat ik zeker weet dat-ie mij verstaat.
Toch blijft-ie naar de lijst staren. Hij heeft z’n bril opgezet. Met gouden montuur.
Ik had de prijslijst er allang van de koelkastdeur moeten scheuren. Schept alleen maar verwarring.
‘Hier,’ zegt-ie. ‘Deze.’
Hij begint langzaam te spellen: ‘Co ro na ..’
‘Nee, die staat er niet in.’
‘Staat wel op lijst.’
‘Niet alles op de lijst staat in de koelkast.’
‘Wat kost deze?’
Hij haalt weer een fles uit de koelkast.
‘Dan moet ik ‘m even scannen. Ik weet de prijzen niet uit m’n hoofd.’
Hij zet ‘m echter al terug. Tuit z’n lippen. Zucht. ’t Kan spaans zijn, wat-ie zegt, ook Turks. Ik versta z’n verzuchting in ieder geval niet.

Hij loopt naar boven. Zoekt langs de schappen. Een schijnbaar willekeurig biertje pakt-ie vast. Bestudeert ’t etiket. Zet ’t terug.
Ik word moe van ‘m. Weet niet of ik ‘m in de gaten moet houden of dat ik straks een vraag krijg. Bovendien zucht-ie. Toch zeker 1 keer in de minuut. Alsof ik te moeilijk ben.
‘Wat kost deze fles?’
Hij heeft weer iets willekeurigs te pakken.
‘Als je ‘m even aangeeft,’ zeg ik, ‘dan kan ik ‘m scannen.’
‘Geen prijs.’
‘Nee, ’t is een seizoensbier. Hij staat er nog maar net.’
Hij plaatst de fles terug.
‘Zoek je iets bijzonders?’ probeer ik.
Ik wil van ‘m af. ’t Duurt te lang. Z’n zuchten zuigen de energie weg.
‘Wil lekker bier.’
‘De winkel staat vol van lekker bier.’
‘Dit bier lauw.’
‘Ja, boven is ’t minder koud. Daarom hebben we die in de koelkast gezet.’
‘Ik zoek Mexicaans bier.’
Ik loop naar boven. Gebaar ‘m mij te volgen.
‘Hier staat ’t mexicaanse bier. Corona & Sol. Meer niet.’
‘Nee, zoek mexicaans bier. Hoe heet ‘t?’
‘Als ik ’t zou hebben, zou ’t hier staan.’
Zucht. Enkele prevelende woordjes. Rimpels in z’n voorhoofd.
‘Ik zoek bepaald mexicaans bier.’
Ik loop weer naar beneden. Geef ’t op.

Hij komt weer voor de koelkast staan. Pakt na lang beraad een flesje.
‘Is dit goed?’
‘Dat is een zoetzuur biertje. Fris van smaak.’
Ik ga geen waardeoordeel eraan verbinden. Dat wordt later alleen maar tegen me gebruikt.
‘Is goed?’
‘Al ’t bier dat in de koelkast staat is goed.’
Toch maar toegegeven. Ik wil van ‘m af. Dan moet je opportuun handelen.
‘Hoe duur?’
‘Dan moet ik ‘m scannen.’
Ik probeer m’n gezicht niet vermoeid te laten kijken.
‘Staat niet op lijst?’
‘Nee, ik moet ‘m scannen. Staat niet op de lijst.’
Ik reik naar ’t flesje. Hij laat ‘m los.
‘€ 1,30,’ zeg ik, als ik terug kom lopen van de kassa.
‘Goed.’
We lopen beiden richting kassa. Hij betaalt. Zucht onderwijl.
‘Mag open?’ vraagt-ie terwijl hij de rits van z’n jas probeert te vinden.
‘Ja, maar je mag niet binnen drinken.’
Ik leun een beetje achterover. Wacht tot-ie klaar is. Hij knoeit met z’n rits. Krijgt ‘m niet te pakken. Als-ie eindelijk omhoog is gekomen, begint-ie aan z’n knoopjes. 1 Voor 1 moeizaam.
‘Hoe laat?’
‘6 Uur.’
‘Is al laat.’
‘Time flies when you’re having fun.’
‘Wat?’ vraagt-ie als-ie eindelijk ’t laatste knoopje te pakken heeft.
‘Time flies when you’re having fun. Dat is engels.’
‘Geen engels.’
‘De tijd vliegt wanneer je lol hebt.’
Hij zucht. Begint weer te prevelen. Reikt naar z’n flesje.
‘Open?’
‘De fles is al open.’
Hij pakt de fles op. Loopt langzaam naar buiten. Prevelend nog steeds. Of is ’t een zucht?

Er is in ieder geval weer lucht in Zijperspace.

cornelis

Cornelis Vreeswijk is dood, & dat is-ie al een tijdje. Ik geloof dat m’n vader ’t toentertijd meldde. Hij zette vervolgens een plaat van ‘m aan. We konden ’t hebben. ’t Was zondag, dan mocht-ie.

Ik keek naar de documentaire. Ik viel er in nadat ’t al 10 minuten bezig was. Ik keek onmiddellijk naar de klok: hoeveel heb ik gemist?
Een buik wordt me voorgeschoteld. Hangende borsten met haren ertussen. Lichtjes ging de camera omhoog & liet een sik zien, die boven de borst uitstak. Ik wist waar ik was. Ik hoefde slechts te weten wanneer ’t begonnen was.

Een persoon die zweeds spreekt. ’t Raakt me in de borst. Ik ben onderweg iets kwijt geraakt, maar weet dat ik er zelf schuld aan heb.
Ik hoor m’n vader de vraag stellen: ‘Vraag gelijk even aan de docent of er iets bekend is over de pelgrimsroute naar Santiago de Compostella.’
Ik had m’n 1e les in de zweedse taal nog niet achter de rug.

Victor Jara, Evert Taube, Carl Michael Bellman.
Ik weet dat van de 1000en mensen die kijken slechts een enkeling weet waar ’t over gaat. Ik krijg de 1e tranen aan de achterkant van m'n oogkassen.

'Somliga går med trasiga skor, säg vad beror det på....'
Ik zie mezelf fluitend langs de kant van de zweedse weg staan liften. Onbekommerd, de moed er in houdend, ziek van heimwee, een zweeds liedje, waar geen enkele toerist de zweedse woorden van kent. Ik hoop dat men ’t herkent, de enkele voorbijganger te voet, & dat ik antwoord zal krijgen met een volgende regel.
Ik voel me eenzaam, ben onderweg naar huis, droom van contact.
Een auto stopt, een echtpaar gebaart, ik stap in & krijg pas geplukte wilde aardbeien om in ieder geval aan te sterken. Vakantie kost al zoveel energie, zegt de vrouw. Ze weet 't van haar zoon.
Ondertussen worden op tv willekeurige voorbijgangers aan ’t zingen gezet. In camera zetten ze blindelings in met ‘somliga går.....’. ’t Galmt in de metro van Stockholm. Ik zwijmel in herinnering.

Ik zie geen Cornelis. Ik zie herinnering. Proef ’t aan een wijsje.
Medestudenten, Scandinavische taal & letterkunde, waarvoor ik interesse wil opbrengen, maar waar ik me door afgewezen voel.
Geen belangstelling van hun kant.
Ik verbeter de docente literatuurgeschiedenis. Ze reageert verontwaardigd, verbaasd, wil van niks weten.
Niemand geeft een kick. Ze weten niet waar ’t over gaat.
Ik had ’t boek te vroeg uit. Zij gaf al jaren dezelfde les, waar studenten pas begonnen te lezen als de colleges voorbij waren.

Ik breng bandjes mee naar huis. Cassettes met Cornelis. Nu eens in ’t zweeds. Om m’n vader te plezieren.
Hij luistert een keer. Vindt z’n jazz belangrijker. ’t Is tenslotte zondag. & In 't nederlands begrijpt-ie Cornelis tenminste.

Ik fluit mee met tv. & Tranen lopen over m’n wang. Ik ben onderweg iets kwijt geraakt, maar weet niet meer of ik er zelf schuld aan heb.
Ik kan me herinneren dat de aardbeien in m’n rugzak platgedrukt werden bij de volgende lift.

Er liep een rode streep door Zijperspace.

elders

Gingen we vandaag ons mond houden.
Zo fluisterend stil zitten zijn, zoals we deden als de bedden, de stapelbedden met dekens bekleed, knijpers de bindende elementen, kieren die licht naar binnen schenen, tot wigwammen hadden omgebouwd. Wij de indianen. Alleen op zondag kon dat nog. De stilte, de tijd.
De zondag was een uitgerekt uur van god aanbidden, psalmen zingen, stijfjes zitten, stootjes ontvangen, verwijten klonken, ogen boorden, koren galmden, hostie eten, op knieën weesgegroetje, of onze vader, boekje lezen, pastor aanhoren, kerk verlaten, koffie drinken.
De zondag was er mee gevuld, stond ervan in ’t teken, waardoor je vergat dat je ook nog vrije tijd, een stille vrije tijd, had. Niet zo schreeuwen, doe ‘ns zachtjes, Mama hoofdpijn, Papa eindelijk vrij, de buren klagen, & straks naar Oma.

De tent was ’t bed. Of andersom. Hing ervan af wie er won.
‘Nee, ik speel niet meer met jou,' klonk vaak.
Waarop de rechtmatige eigenaar van ’t bed, ’t onderste bed, zich de tent toeeigende, of ’t bed. Hing er ditmaal van af hoever de ruzie voerde. Wanneer moeder ingreep.
Je kon de vredespijp roken in de tent. Of Woeste Uil spelen, die in wijsheid de stilte had ontdekt. Waar op zondag toch niet aan te ontsnappen viel. Met ’t kierende licht een boekje lezen. Dan maar in je 1tje.
De zondag verzonk in zichzelf. Er was niets te doen dan rust.
Totdat moeder boven kwam om aan te sporen, we gaan zo, maak je klaar, nee, je moet ook mee, iedereen gaat, kom op, we gaan naar Oma.

Zo’n zondag is ‘t. Een dag om m’n mond te houden. Aandacht voor elders. Ik laat de wereld van buiten door een kiertje binnen, de kier is er nog steeds, & lees. Er zijn nog genoeg werelden buiten de mijne waarvan ik geen weet had.
U ook nog niet.

Dus lees ‘ns iets anders dan Zijperspace, volg Rachel (een vriendin om te koesteren, een vriendin om te verhalen, een vriendin die nu zelf verhaalt) die pas begonnen is, hier.

exit berkhout

De deur was dicht, maar werd op een kier gezet terwijl ik m’n fiets op slot aan ’t zetten was. Ik zag een vrouw op een stoel zitten toen ik binnen kwam.
‘Moet de deur open blijven?’ vroeg ik.
De vrouw gaf mijn vraag door aan Jeroen, die blijkbaar om ’t hoekje stond.
‘Nee, die heb ik voor hem opengedaan,’ hoorde ik ‘m antwoorden.
‘Dan doe ik ‘m dicht.’
Ik duwde de deur weer toe.
‘Ik heb trouwens wat voor je,’ riep ik naar Jeroen.
‘Bedankt voor je meeltje,’ zei hij tegelijkertijd, terwijl hij water in ’t koffiezetapparaat schonk. ‘Ik wilde gisteravond wel reageren, maar ik kon me er niet toe zetten.’

Verdomme Jeroen, ik schrik ervan. Ik had 't toch niet verwacht. & Ik baal er stevig van, want Berkhout was toch wel de winkel waar ik elke week mijn meest vaste boodschappen bij deed, ook al wist ik dat m'n portemonnee 't niet altijd kon dragen. Ik was er zwaar van afhankelijk, 't gaf me lust in eten, lust in ontdekken wat nog meer lekker was. Ik zal proberen morgenochtend langs te komen, voordat ik naar mijn werk ga. Niet alleen om nog in ieder geval 1 week van je spullen te kunnen genieten. Vooral om te laten zien dat ik je zal missen, dat je mijn steun hebt bij deze wellicht zeer moeilijke beslissing. Bedankt in ieder geval voor alles dat je voor mij gedaan hebt. Je weet niet half hoe belangrijk jij & je spullen (& daarvoor Berkhout natuurlijk) waren voor mij. 't Heeft me veel zin gegeven, veel trek, veel lust, zoals ik al eerder zei, 't deed me beseffen dat ik leefde, dat ik genoot. Op een simpele wijze, die ik voor ik kennis maakte met je zaak niet kende, dmv een lekker ontbijt, een lekkere lunch, kwaliteit in m'n leven. Ik hoop dat je in ieder geval beseft dat je dat voor elkaar hebt gekregen. Ik voor mij ben je er dankbaar voor. Ik hoor later wel wat er de oorzaak van is, maar wil voor nu in ieder geval m'n deelneming betonen met je moeilijke beslissing Berkhout Continental Store te moeten laten loslaten. Sterkte de komende tijd & succes met hierna volgende stappen.

Ton Zijp.

Ps: Ik zal je nimmer aflatende neiging tot 't tonen van een goed humeur minstens zo erg missen als al die etenswaren waarvoor ik oorspronkelijk naar je toe kwam.


‘Ach, dat was niet belangrijk,’ zei ik. ‘Ik heb trouwens wat voor je.’
Ik haalde een grote fles XX-bitter uit m’n rugzak.
‘Voor de extra extra bittere pil die we moeten slikken,’ voegde ik er aan toe. ‘Ik zal je missen.’
Hij nam ‘m aan. Zette ‘m op een plankje achterin de winkel. Hij had zich niet geschoren vandaag, zag ik. Z’n ogen stonden moe.
Ik keek wat om me heen. ’t Grootste gedeelte van de schappen was leeg. Hier & daar nog een bak tapenade. Blikken met soep in ’t wand, een grote pot mosterd & enkele stapels diverse soorten italiaanse deegwaren. De lege patébakken stonden hoog weggestopt in de kasten. Slechts enkelen bevonden zich nog in de vitrine.
‘& Hoe komt ’t nou?’ vroeg ik toch maar.
’t Had niet in ’t meeltje gestaan dat ik gisteravond in m’n meelbox had aangetroffen.
Jeroen vertelde. Ondertussen sneed-ie m’n laatste plakken paté aan.
‘Doe van alles maar 3,’ zei ik.
‘Je weet dat je paté in kan vriezen?’ zei Jeroen.
‘Ja, tuurlijk,’ zei ik. ‘Dat doe ik immers al jaren.’
‘1½ Kilo,’ zei Jeroen toen-ie klaar was.
De vrouw achterin lachte.
‘Da’s ook weer ‘ns wat anders,’ zei ik, m’n blik op haar gericht. ‘Ik heb nog nooit op zo’n manier paté gekocht.’
‘Totaal is ‘t € 17,73.’
We laadden m’n rugzak vol. Ik gaf ‘m een briefje van € 50,-. Jeroen ging zoeken naar wisselgeld.
‘Voortaan hoef je ook niet meer op zoek naar wisselgeld,’ probeerde ik de stemming op te monteren.
Ik gaf ‘m een hand.
‘Sterkte nog de komende tijd,’ zei ik.
‘Dank je.’
‘Maak er aan ’t einde van de dag nog een klein feestje van,’ zei ik, ‘met die fles.’
Buiten haalde ik m’n fiets van slot. Ik stapte op. Durfde niet naar binnen te kijken voor de laatste keer.

De weekenden gaan veranderen in Zijperspace, de maaltijden ook.

verjaring

Binnenkort ben ik weer jarig. Slechts 15 nachtjes slapen.
Tijdens visite bij m’n buurvrouw van de week vroeg iemand hoe lang ik al wist hoeveel nachtjes ik nog moest slapen voordat ’t zover was.
Ik dacht even na & antwoordde toen: ‘Vanaf 1 December.’
Hartstikke logisch voor mij, want ’t is makkelijk uitrekenen als je op de 100e dag van ’t jaar jarig bent (behalve in een schrikkeljaar, dan is ’t de 101e dag, maar dat is nog leuker). Toen ik dat probeerde uit te leggen, vroeg m’n buurvrouw of ik misschien lichtelijk autistisch was (men moet mij niet verkeerd begrijpen: ze bedoelde ’t goed & er zat geheel geen kwaadaardigheid achter ’t stellen van deze vraag, maar zo plat opgeschreven zou dat natuurlijk wel zo over kunnen komen), omdat ik zo met die getalletjes bezig was.
Ik zei: ‘Nee, ik ben helemaal niet zo erg met die getalletjes bezig. Ik lig gewoon op een gegeven moment in m’n bed, kan niet slapen & reken per ongeluk dan uit op hoeveelste dag van ’t jaar ik jarig ben. Dat heb ik lang geleden gedaan, waarop ik dat natuurlijk nooit vergeten ben.’
Zo heb ik ook ooit, vertelde ik verder aan mijn gehoor, uitgerekend hoeveel dagen ik oud was. Dat moet rond m’n 27e verjaardag zijn geweest. ’t Getal dat daar uit kwam was dermate dicht bij de 10.000 dat ik dacht: dan kan ik net zo goed uitrekenen wanneer ik daadwerkelijk de 10.000 dagen haal.
Ik heb ’t die dag gevierd. ’t Was een dag in Augustus 1991. Van te voren enkele mensen op de hoogte gesteld. Maar niemand die ’t nog wist toen ’t eenmaal zover was.
Later las ik de romancyclus ‘De tandeloze tijd’ van A.F.Th. van der Heijden, waar in 1 van de delen de hoofdpersoon ook op de hoogte wordt gebracht van z’n 10.000e verdagdag. Hij besluit ’t die nacht te gaan vieren, maar doordat de dingen lopen zoals ze lopen, ’t is tenslotte een roman, raakt-ie juist daardoor aan de drogerende middelen verslaafd. Dat wijt-ie later aan ’t feit dat degene die ’t voor ‘m uitgerekend heeft, vergeten heeft de schrikkeldagen mee te rekenen. Hij had ‘t 6 dagen later moeten vieren.
Natuurlijk is dit gebeuren onderdeel van een roman, maar achteraf was ik toch blij dat ik niet zo achterlijk was de schrikkeldagen te vergeten. ’t Is met mij nog redelijk goed afgelopen.

Hoewel, afgelopen? Zover ben ik nog lang niet.
1st Nog even m’n 40e verjaardag vieren. Die valt dit jaar op m’n 14.610e verdagdag.
Dat laatste heb ik vanochtend uitgerekend. Ik was weer ‘ns veel te vroeg wakker & aangezien ik al meermaals had berekend hoeveel nachtjes slapen ik nog te gaan had, ben ik de verdagdagen maar weer ‘ns wezen tellen.
De oplettende lezer zal nu waarschijnlijk al bedacht hebben: 14.610 is helemaal niet zo ver weg van 15.000!
Dat klopt. Om precies te zijn is dat een jaar & 25 dagen verwijderd van m’n 40e verjaardag. Waaruit afgeleid kan worden dat ’t volgende grote feest (ervan uitgaande dat eenieder die ik dit meeltje stuur aanwezig zal zijn op m’n 40e) ter ere van mijn bestaan zal plaatsvinden op 05-05-05.
Ook een mooie datum. Weliswaar de 125e dag van dat jaar, maar dat mag de pret niet drukken.

Goed, groot feest dus. Ter ere van m’n 40e. Ik heb ’t allemaal zelf georganiseerd. De enigen waar ik van afhankelijk ben zijn degenen die mij ’t bier komen leveren & zij die bereid zijn wat extra hapjes te verzorgen, alsook natuurlijk al die mensen die bereidwillig genoeg zijn hun vrije zaterdag op te offeren om ’t heuglijke feit met mij te vieren; voor de rest doe ik ’t allemaal zelf (ook dit meeltje heb ik eigenhandig opgesteld).
Iedereen is uitgenodigd (zeg niet dat je ’t niet wist omdat je geen uitnodiging hebt ontvangen; uitnodigingen zijn eigenlijk nl niet nodig indien ’t feit zich voordoet dat iedereen welkom is; dit is dus eigenlijk een aankondiging, een aankondiging die middels de ontvanger verder verbreid kan worden), dus neem iedereen maar mee. Bedenk er echter wel bij dat des te meer mensen je meeneemt des te minder bier er over zal blijven om jouw eigen persoon te voeren tot dat gelukzalig punt dat de alcoholische versnapering als doel heeft. Dat zou dan weer als nadeel beschouwd kunnen worden. Men kan derhalve niet zeggen dat ik u niet gewaarschuwd heb.

Even voor alle duidelijkheid: ik stuur dit meeltje aan eenieder waarvan ik ’t i-meel-adres in bezit heb, wiens i-meel-adres ik wijselijk heb opgeslagen, moet ik eigenlijk zeggen, & plaats ’t verders ook op m’n weblog. Dit laatste echter zonder daarbij m’n adres te vermelden. Mocht iemand van m’n vaste lezers (ik noem een ikke, een Novecento, een Sanne, & zo zijn er nog wel enkele anderen die ik gaarne in levende lijve op mijn verjaardag zou zien verschijnen) dit lezen & behoefte hebben naar ’t Amsterdamse af te reizen, gelieve dan in contact te treden met ondergetekende. Ik ben dan gaarne bereid ’t adres te doen toekomen.

’t Is nu dag 14.595 van mijn leven. Op dag 14.610, zijnde 10 April 2004, vier ik mijn 40e levensjaar, sluit die zogezegd af, om feestelijk aan mijn 41e te beginnen. Ik geef gelegenheid om dit met mij te doen tussen 15.00 22.00 uur. Waarbij ik met klem wil verzoeken vooral zo vroeg mogelijk te komen; dat vind ik nl leuk. Dan ziet men m’n moeder ook eens. Of m’n broers, met schoonzussen & hun kinders. Best wel een mooi stel met z’n allen. Zij zullen naar verwachting weer vroeg in de dag mij moeten verlaten, aangezien zij allen buiten de Grootstad wonen & hun eigen familiale verplichtingen hebben.

Komt, kan ik hier nog slechts aan toevoegen.

Met vriendelijke groet & in volle verwachting verblijf ik in Zijperspace.

PS: In mijn huiskamer zal er niet gerookt mogen worden (vanwege brandvlekken in ’t tapijt ontstaan op eerdere partijtjes), maar daarvoor bied ik wel ruim gelegenheid in de gang, de keuken, alsook m’n tuin (waarbij men echter niet buiten de paadjes dient te treden).
PS: ’t Is absoluut onnoodzakelijk cadeautjes mee te brengen. Ik weet hoeveel moeite dat mensen elke keer weer kost, ik heb er zelf ook de grootst mogelijke kopzorgen mee gehad op festiviteiten georganiseerd door andere jarigen, dus wil ik ’t gemakkelijk houden & niemand ’t idee geven dat ik iets als tegenprestatie voor mijn verjaring verwacht. Komt allen relaxed & vooral ook zonder schuldgevoel.

lente

Ik graaf een kuil, dacht ik op een gegeven moment.
Daar had ik 1st meermaals dromerig m’n tuin voor in moeten kijken.
De buren zullen wel door de kieren van hun gordijnen naar me hebben gekeken & tegen elkaar hebben gezegd: ‘De buurman staat weer voor zich uit te staren in de tuin.’
Misschien zagen ze me ook wel achter m’n computer zitten, m’n hoofd naar rechts gewend, vingers weliswaar aan ’t toetsenbord, maar m'n blik op de tuin gericht. Of staand voor ’t raam, ogenschijnlijk de vogeltjes & hun geluiden tracerend. Ik weet niet wat de buren zien. Hun gordijnen lijken aan de achterkant van hun huis gesloten voor wat er buiten de deur gebeurt.

Ik was ondertussen aan ’t overwegen waar ik een kuil kon graven. Ik probeerde te bedenken welke plantjes er vorig jaar op de verschillende plekken groeiden. Ik kon van de gelegenheid gebruik maken door ’t juist daar te doen waar vorig jaar bepaald groen woekerde.
& Terwijl ik de tuin inkeek, zag ik de mussen kleine stokjes verzamelen. Hun snavel vol schoten ze rakelings langs de muur van de flat omhoog, om zich richting nest naast de regenpijp te begeven. Spreeuwen kwamen langs om ’t grotere tuinafval te verzamelen. Ik zag zelfs, door de opgehangen pas gewassen was heen, een ekster pogingen doen nestmateriaal te verzamelen. Enkele malen heb ik merels moeten verjagen die bezig waren m’n plantenbakken leeg te roven van stevige kleiige aarde. Vorig jaar hadden ze van enkele potten slechts de kluiten van de plantjes overgelaten.

Ik ben achter de tulp begonnen die net ontloken was, tussen 2 activiteiten in. Een verloren kwartiertje, dacht ik. Maar na enkele scheppen wist ik dat ’t wel wat langer zou duren. Ik voelde m’n rug al na de 5 keer diep insteken.
Zorgvuldig probeerde ik de aanraking met ’t bosje tulpen te vermijden, ook al vond ik ’t niet echt passen in mijn tuin. Maar wat spontaan komt mag blijven zolang 't niet de boventoon dreigt te gaan voeren. Ik plaatste m’n voeten op een afstand van 10 cm, zwaaide de schop met een wijde boog eromheen. Behalve ’t longkruid & de dovenetel was de tulp ’t enige dat reeds bloeiend was.
Hier woekerde de winde, schoot me te binnen van vorig jaar, hier vluchtte de muis naartoe, hier deed de pad de bladeren bewegen, terwijl er gestaag een gat ontstond.

Toen ’t diep & breed genoeg was, mijn zelf gegraven gat, ben ik ’t tuinafval dat ik 2 weken ervoor verzameld had er in gaan storten. 't Tuinafval dat bestond uit resten van vorig jaar. Te lange takken heb ik dubbel gevouwen, geknakt, verkleind. Kluiten aarde eroverheen, bladeren, & kleinere takjes, de mus zou er tevreden mee zijn geweest. Ik stampte ’t met m’n voeten plat, dieper weg, & gooide vervolgens de eerder verwijderde aarde eroverheen. Een kale heuvel ontstond.

Er is niet veel veranderd. M’n tuin is nog steeds m’n tuin, waar sommige planten reeds druk bezig zijn hun aanwezigheid kenbaar te maken. Er is nu alleen een kaal bergje bijgekomen. Een heuveltje dat de komende tijd licht zal slinken. Voor de rest kijk ik nog steeds over m’n schouder naar rechts, om te kijken of er nog wat gebeurt.
Al die gebeurtenissen zullen zo langzaam plaatsvinden dat ik de verandering niet onmiddellijk zal waarnemen. Maar ik zal naar buiten blijven kijken.

Me afvragend waar 't naartoe gaat met Zijperspace.

flügzeug

De 1e avond al:
Met een hand bewoog ik voor m’n voorhoofd langs. De wijsvinger gekromd uitstekend. Beetje dwaas keek ik erbij.
‘Ben niet gek,' zei ik.
Armen wijd, beetje vleugellam hangend om ’t nog zotter te laten lijken.
‘Ben vliegtuig.’
& Voor de niet begrijpende hongaarse ogen een vertaling in ’t duits.
‘Ich bin nicht krank. Ich bin ein Flügzeug.’
Met nog een keer dezelfde gebaren.

’t Overblijfsel van de uitgaansavonden in Den Helder doet Agnes lachen.
‘Was meinst du?’ vroeg ze.
‘Nichts,’ zeg ik.
Dat deden we gewoon altijd als we aangeschoten waren. Maar dat zeg ik er niet bij.

Ze wachten, Agnes & Godo. Of misschien vermaken ze zich. Ze moeten de nacht zien door te komen & ik weet nog wel een plek waar we zeker 2 uur kunnen blijven.
Sluitingstijd van de Winston halen we echter niet. We vallen bijna om van de slaap.
‘Dan kunnen jullie ook bij mij slapen,’ stel ik voor. ‘Op de bank.’
Heel fatsoenlijk allemaal. Ze moeten vooral niet denken dat ik niet betrouwbaar ben.
Een paar uurtjes maar, legt Agnes uit in haar gebrekkig duits. Ze hoeven alleen maar te wachten op de 1e bus richting IJmuiden. Tot die tijd willen ze graag slapen.
Ze maakt een opmerking tegen Godo, waarop hij in ’t engels naar mij reageert. We hebben vanaf 't begin af aan een 3-hoeksverhouding in talen. Godo zegt dat-ie ’t hartstikke aardig van me vindt.

Ik laat ze ’t huis zien. Haal nog een biertje uit de koelkast. Zij hoeven niet meer. Of hooguit nog een slokje voor de dorst. Ik geef m’n flesje door. Geniet ondertussen van hun blikken die m’n woning aftasten.
‘Een sloopwoning,’ probeer ik in ’t engels uit te leggen. ‘Over een ½ jaar moet ik er waarschijnlijk uit.’
In ’t duits lukt me dat niet. Godo zegt iets in ’t hongaars. Ik kruip tegen de luisterende Agnes aan. Zij kijkt nog ‘ns rond.
‘Wo schlaffst du?’
Ik wijs naar de gesloten deuren.
Als ik even later door die deuren stap, loopt ze achter me aan.

Die nacht legt ze me de betekenis van ‘nem’ ‘igen’ & ‘jo’ uit.

Ze willen nog wel een paar nachten blijven, zeggen ze de volgende ochtend. Als ik ’t écht niet bezwaarlijk vind.
Nee, ga vooral je gang.
Dan weer in ’t duits, dan weer in ’t engels.
Als de volgende nacht maar wel de slaapkamerdeuren dicht mogen, verzoekt Agnes. Dan heeft Godo ook een beetje rust.
Graag, reageer ik, vond ’t al zo vreemd dat zij de deuren niet achter haar had dichtgetrokken.

Ik werk overdag. Of studeer een beetje in de bieb van de universiteit. Zij trekken rond. Langs kennissen in andere steden, soms in Amsterdam. Ze halen hun spullen op van hun vorige logeerplek, blijven er eten, & komen met de reservesleutel weer m’n huis in.
’s Avonds drinken we. Of zit ik alleen thuis tot zij van visite terugkomen. In de nacht gaan we weer naar Korsakov, waar we elkaar zijn tegengekomen. & Liggen daarna bij elkaar in bed. Godo in de woonkamer. Met de deuren voortaan gesloten.

Veel ‘jo’.

De laatste volle dag, een druilerige zondag, maken Agnes & ik een wandeling door ’t Vondelpark. We maken een bankje met onze mouwen droog & gaan zitten. Een stil gesprek van stuntelend duits. We zijn ’t ondertussen gewend.
We kijken voor ons uit & wijzen af & toe naar voorbijschuivende kinderwagens & eenden.
Dan vraagt ze of ze 100 gulden kunnen lenen, Godo & zij. Voor de terugreis.
Is goed, zeg ik. & We lopen terug naar huis.

Die nacht weer veel ‘jo’.
Fluisterend vertelt Agnes dat ze ‘t 1 keer heeft meegemaakt dat er in 1 nacht wel 16 keer ‘jo’ klonk.
Wij komen er die nacht dicht bij.

Ik moet de volgende ochtend vroeg naar m’n werk. Een kus op de wang van slapende Agnes. Sluip zacht voorbij Godo op de bank. In de keuken smeer ik 2 boterhammen. Dan sluit ik zacht de deur achter me.

Op tafel ligt er ’s middags onder m’n reservesleutels een papiertje met kleine tekeningetjes.
Een mannetje. Daarachter een rennend mannetje. Nog een mannetje, dat loskomt van de grond. & Een vliegtuig.
‘Du bist nicht krank. Flügzeug.’
Ik beweeg m’n armen automatisch lichtjes uit elkaar.
& Onderaan 't papiertje staan nog 'ns 10 kruisjes.

Een maand later staat er 100 gulden op m’n rekening bijgeschreven. Omschrijving: Flügzeug.
Ik lach & zeg: ‘Jo.’

Niemand die ’t verstaat in Zijperspace.

gewicht

De kapper zei: ‘Zo zie je er weer veel dunner uit. Dat kan je zien.’
Ik keek naar waar hij op doelde. De spiegel zag m’n gezicht.
‘Nou?’ twijfelde ik.
‘Dat zie je toch?’ zei de kapper. ‘Je kijkt toch wel ‘ns in de spiegel?’
‘Ja, 1 keer per dag. Als ik m’n tanden poets.’

Voor de zekerheid ging ik thuis nog maar ‘ns kijken. Ik stond stil in ’t toilet. Keek mezelf bedenkelijk aan. Zoals ik hoopte dat ik keek als ik mooie vrouwen zag. Op die manier dat m’n wenkbrauwen ’t beste uitkwamen, m’n groenblauwe ogen ’t beste uitstaken, m’n serieuze blik de harten zou doen smelten. Zo keek ik ’t liefst tegen mezelf aan.
Zonder tandpasta lekkend langs m’n wangen ook.

‘Hoeveel zouden schoenen & kleren wegen totaal?’ vroeg ik aan m’n moeder.
Ik riep ’t van haar slaapkamer naar de kinderkamer, logeerkamer, de naaimachinekamer, waar m’n moeder bezig was. Ik woog me op haar weegschaal terwijl zij bezig was ’t t-shirtje te herstellen dat ik net had uitgetrokken.
‘2 Kilo ongeveer,’ zei m’n moeder, ‘zeker met jouw wandelschoenen.’
Voor ik stopte met roken was m’n maximaal gewicht 64 kilo, bedacht ik. Daarna werd 66 normaal, soms 67. Nu gaf de weegschaal 74 aan. 74½, Als ik goed keek.
Je schakelt de schildklier uit & komt 6 kilo aan. Da’s ongeveer 10%, zoals de literatuur me voorspeld had.
Ik liet m’n blik op de grote spiegel voor de weegschaal vallen. Mezelf in vol ornaat. Een kapsel van 1 dag oud.
Ik voelde m’n billen. Daar zaten ook kuilen, vroeger. Aan de zijkanten. Nu zou een vrouw 1 helft in 1 hand kunnen nemen & dan nog overhouden.
Ik waagde te denken dat ze dat lekkerder zouden vinden.

Ik heb ’t er al een tijd niet over gehad, bedacht ik. Ik denk er slechts in stilte aan. Als ik op de fiets de wind probeer te overmeesteren. Een brug versla. De tour naar huis win.
Dan dijen m’n dijen. Er valt iets over m’n riem, een klein rolletje, dat omgekeerd de longen in m’n borstkas naar binnen toe afklemt, zodat er net wat minder adem overblijft. & M’n benen voelen als lood, willen niet omhoog komen, wel naar beneden, maar niet omhoog.
Ik ben laatst door een medeweggebruiker ingehaald. Hij gebruikte ‘tzelfde vervoermiddel & was geen koerier.

‘’t Lukt me de laatste tijd steeds minder,’ vertelde ik m’n buurvrouw, ‘om hard door de stad te rijden.’
M’n andere buurvrouw deed met haar handen m’n wapperende jas na. Ze lachte erbij.
‘M’n benen doen pijn, & ik lijk steeds minder adem te kunnen halen.’
‘Ja,’ zei Nienke van 3-hoog, ‘je lichaam moet ook die extra kilo’s meenemen.’

Ik heb ’t er niet meer over. Niet verder dan die kleine klachten. Want m’n lichaam verandert niet meer. ’t Heeft een nieuwe constante bereikt.
Maar ik kan me een 3-hoekig gezicht herinneren. Waar je ’t gehele jukbeen kon volgen. Een getekend gezicht, tanig, levend.
Nu zie ik rust. Rust in een 4-kant. Of ’t zou een rechthoek moeten heten. De wangen trekken direct naar beneden, ipv een schuine omweg.
‘Je gaat er weer dunner uitzien,’ zei de kapper.
‘Oh?’ dacht ik.
Eigenlijk zie ik nu pas wie ik ben, dacht ik verder. Alleen weet ik ’t nog niet.

We gaan niet proberen de baan van Zijperspace te voorspellen.

leuk

‘Hallo,’ zei ik om de hoek van de deur tevoorschijn komend, ‘ik ben de buurman.’
Daarbij m’n vinger, m’n rechter wijsvinger, opstekend.
Die moet dan ½ voor ’t gezicht gehouden worden, de laatste tijd. Dat voegt iets toe, denk ik terwijl ik zo’n gedag-gebaar maak. ’t Staat olijk, heb ik mezelf ingeprent.
Iedereen keek ook meteen vrolijk. & Dat kan niet zijn vanwege ’t feit dat ze wisten wie ik was. Van degenen die ik aan de tafel aantrof, wist ik me slechts 4 gezichten onmiddellijk te herinneren. Dat zal andersom ook wel zo zijn, dacht ik, & toch lachten de gezichten me gul toe. Komt door die vinger.
Ik liet ‘m meteen daarop naar beneden wijzen. Daarmee bedoelend: daar kom ik vandaan; van beneden.
Nog een extra lach rolde door ’t gezelschap. ’t Zou kunnen komen door ’t feit dat er moeilijk nog een buurman boven de 3e etage zou wonen. Men was in ieder geval vol goede bedoelingen, dat bleek, ook al was ik m’n naam bij binnentreden vergeten te melden.
Een stoel werd aangeschoven, een bord vol geschept & voor m’n neus gezet.

Bijkomend van de hevige inspanning een bord met gigantisch lekker eten tot op de kleinste kruimel van reliëf te ontdoen, onderhield ik me met 1 van de disgenoten. Per ongeluk liet ik me daarbij verleiden te spreken over de beesten.
‘Ik ben zo’n beetje voor elk beest bang,’ floepte er weer ‘ns uit. ‘Hoewel ik m’n angst voor spinnen wel een beetje overwonnen heb.’
‘D’r is toch niets bijzonders aan spinnen?’ zei de dame.
‘Nou,’ waagde ik die uitspraak te betwijfelen, ‘ik heb een spin meegemaakt, die had vrij grote poten, van die harige. Die stond bij mij voor de tuindeuren. Ik wilde ‘m wegjagen met een bezem, maar juist daardoor kwam-ie binnen. Ik was ‘m een tijdje kwijt, totdat ik ‘m een paar dagen later in m’n slaapkamer op de vensterbank tegenkwam. Die spin schrok toen zo, dat-ie zich liet vallen. Dat gaf zo’n geluid.’
Ik tikte met enkele vingers tegelijk op de tafel.
‘Tok.’
‘Da’s toch best eng: een spin die zo’n geluid maakt als-ie op de grond valt.’
‘Tok,’ deden m’n vingers weer.
Om ’t nog wat beter te illustreren.
‘Zijn dat niet van die hooiwagens?’ vroeg ze belangstellend.
‘Nee, dat dacht ik niet. Ik heb me laten uitleggen dat die spin geen web maakt. & Hij was wel zó groot.’
M’n vingers maakten een cirkel die niet gesloten kon worden; daar was de spin te groot voor.
‘Maar ik ben dus ook bang voor ratten & muizen. & Tijdens vakanties voor schapen & koeien. Oja, & paarden.’
‘Paarden doen toch helemaal niets? Dat zijn juist verschrikkelijk aardige beesten. Die doen nooit een vlieg kwaad.’
‘Ja, dat zal dan wel, maar ik hoef niet bij ze in de buurt te komen.’
‘’t Is toch geen reëel idee dat een paard je zomaar aan zal vallen.’
‘Nee, dat is ’t ook niet. Die angst is hartstikke irreëel, dat weet ik. Maar zogauw ik een koe, schaap of paard van dichtbij zie, dan denk ik daar niet meer aan. Hoewel ik tegenwoordig wel door een weiland met koeien durf te lopen. Moeten ze niet plotseling gaan bewegen.’
‘Wat leuk,’ zei m’n gesprekspartner met een belangstellende glimlach.

Even later zat Suze, buurvrouw van 2-hoog, naast me. Ik bracht haar op de hoogte van wat er tijdens mijn aanwezigheid zich had voorgedaan. Dat had zij moeten missen vanwege een etentje elders.
‘Vooral de pastei was heerlijk.’
‘Alles was lekker,’ zei de man aan mijn andere zijde.
‘Ja, maar de pastei vormde toch ’t hoogtepunt. & ’t Gesprek dat ik net met mevrouw daar had.’
Ik wees met m’n neus de dame van even daarvoor aan.
‘Ik heb ‘r verteld over m’n angst voor ratten & muizen.’
‘Oh, ja,’ zei Suze, ‘ik had je ook nooit over die rat in ’t trappenhuis moeten vertellen.’
‘Nee, dat was helemaal niet erg. Hoewel ik nog steeds er aan moet terugdenken, ’s nachts als ik een plasje moet doen, als ik de deur van de gang opendoe. Sindsdien moet ik altijd onwillekeurig aan ratten & muizen denken.’
‘Oh, god,’ verzuchtte Suze.
‘Ik heb haar net proberen uit te leggen dat naarmate je ouder wordt, je angsten groter worden. Die van mij in ieder geval. Want elke keer komt er weer een stukje fantasie bij & die krijg ik niet zomaar uit m’n hoofd. Zij vond dat in ieder geval heel leuk.’
‘Zij vond dat leuk?’
‘Ja, ik zou misschien eens een ander gezicht moeten trekken als ik dingen vertel.’

Misschien dat men dan Zijperspace ‘ns serieus gaat nemen.

boven

We mochten niet boven. Dat was alleen voor m’n vader bestemd. Dan konden we ons nog slechts moeizaam op de vliering begeven, zo weinig zuurstof was er nog over om daar adem te halen.
M’n vader had daar geen last van. Hij keek alleen maar vrolijker als-ie na een uur van de wc af kwam. Krant onder z’n oksels. Die kon je beter niet meer aanraken, want die rook ook.
De krant was in dat tijdsbestek helemaal uitgelezen.

‘Nee, jullie kunnen ook beneden,’ zei m’n moeder.
Ik kan me niet herinneren dat m’n vader argumenten gebruikte.
‘Je doet maar wat je moeder zegt,’ zal-ie ons wel tegengeworpen hebben.
‘Maar daar heeft Carel net gezeten,’ zeiden we dan.
‘Dan wacht je 5 minuten.’
‘Maar ik moet hartstikke nodig.’
Je mocht je zinnen niet met ‘maar’ beginnen, had de leraar gezegd. Maar wij wisten beter. Een zin met ‘maar’ aan 't begin was een argument op zich.

Bij hoge uitzondering dan, kregen we dan te horen na lang zeuren met een houding van billen bij elkaar. Voor deze ene keer. Wel 1st een wc-papiertje neerleggen.
Want ’t gleed niet weg, boven.
De wc boven was verkeerd gebouwd. Had een extra bobbel, waardoor de kracht van ’t neerstortende water niet toereikend was.
Hoe Pa dat dan deed?
Die legde altijd 1st een papiertje neer, werd uitgelegd.
Ja, maar hij ging nog steeds niet weg, schreeuwden we naar beneden.
Dan moesten we beter ons best doen.
‘Leg er een wc-papiertje voor,’ gaf m’n vader uiteindelijk toe.
’t Was tenslotte zijn truc. Niet iedereen die zomaar boven ging zitten hoefde zijn truc te kennen.
‘& Druk dan nog een keer,’ ging-ie verder.
Met trillende vingers durfde ik de 1e keer er wat voor te leggen. Ik was er nog nooit zo dicht bij geweest. Ik hoopte maar dat ik niet van de zenuwen uit zou schieten.
1 Velletje.
‘’t Werkt niet,’ na 2 keer doortrekken.
‘Je moet er ook niet 1 velletje voor leggen.’
De buren konden meegenieten van onze conversatie in ’t trappenhuis.
‘& Als je doortrekt een beetje meeduwen.’
M'n vingers voelden al bij voorbaat vies aan.

’t Was allemaal in ’t kader ons af te leren boven te gaan zitten. Er werd ook streng gecontroleerd. Door iedereen in huis. Want als de 1 niet mocht, waarom zou de ander dan wel mogen?
‘Hè, gadverdamme,’ klonk ’t dan van boven. ‘Wie heeft er boven gezeten?’
Iedereen in de huiskamer keek schuldig, behalve m’n ouders. M’n vader ging zelfs gewoon door met z’n werk. De anderen wezen elkaar aan met hun blikken.
Degene die ’t meest schuldig leek, riep: ‘Pa is net geweest.’
‘Da’s al een uur geleden.’
‘Ik was daarvoor. Want er was nog niemand thuis.’
Iedereen moest naar boven, omstebeurt.
‘Nee, dat kan ik niet geweest zijn. Zoveel kan ik niet.’
Dat was als ’t meer was dan alleen remsporen.
& Als iedereen ontkende, eenieder had genoeg argumenten om te beweren dat-ie ’t niet gedaan kon hebben, behalve m’n vader, maar die deed zoiets niet, moest degene die moest douchen, degene die ’t ontdekt had, ’t toch maar zelf opruimen.

De hoop van m’n vader was ’t ergst. We wisten waarom-ie een uur er over deed om van de wc af te komen. We snapten alleen niet hoe hij ’t voor elkaar kreeg bijna elke keer de boel doorgespoeld te krijgen.
‘Bijna elke keer’, want die ene keer moesten wij ’t voor hem opruimen. Want m’n vader wist zogenaamd echt zeker dat-ie ’t allemaal netjes achterliet.

We ruiken ’t nog steeds in Zijperspace.

vlinderstruik

’t Begon mij danig te vervelen. ’t Onbehouwen door blijven groeien. Er geen weet van hebben van waar ’t z’n grens van groei bereikt heeft. & De overdaad. Vooral de overdaad, waardoor je niet zag wat er zich tussenin of achter bevond.

’t Deed me overigens ook aan m’n vakanties in Londen denken.
Dat is goed, zou men zeggen, doet je terugdenken aan ontspanning, vertier, afleiding. Maar ik raakte slechts verveeld als ’t beeld weer opgeroepen werd van de saaie muren, zogauw je bovengronds kwam, waar de underground z’n naam niet meer waar maakte, de saaie muren, aangekleed door lange rijen vlinderstruik. Paarse pluimen als uiteinde van groene struiken die als vermoeide hoofden voorovergebogen hingen. Ondoordringbaar deden ze me aldoor denken aan de struiken van de Donkere Duinen, ’t bos waar we onze jeugdspelletjes speelden, de plek waar die spelletjes ophielden omdat we door die struiken niet dieper ’t bos in konden dringen.
Ik zat in een metro midden in Londen. Deuren gesloten, wachtend op ’t moment dat we verder konden rijden. Tot er een plekje vrij was op ‘t volgende station. Uitzicht op ondoordringbare struiken met afhangende schouders.
& De hitte, de zinderende hitte, die Londen rond die tijd in z’n macht had. Alleen ondergronds, bij de open raampjes tussen de treinstellen in, kon je die ontwijken, negeren, door op de tocht te staan. Maar als de paarse bloemen van de vlinderstruiken zich weer toonden, als ik weer richting Olympia kwam, zachtjes deinend op die zindering, wist ik dat ik er weer aan moest geloven. We doken weer de wereld in & zodirect moest ik weer m’n stappen in die bovengrondse wereld die op koken stond zetten.
Vlinders vertoonden zich niet, vermoeid, ook zij, van de te hoge temperatuur, weggewaaid door snel voorbij zoevende metro’s, anders afgeschrokken door de grauwe post-industriële muren.

Elke keer snoeien hielp niet. Met onverminderde kracht ontkende de struik z’n beknotting. ’t Gaf zelfs makkelijk mee als ik een tak verwijderde die over ’t toch al smalle looppad hing. 2 Vingers zorgden al voor een onverbiddelijke ‘krak’, ’t eind van een uitloop, maar een week later had de struik z’n staart alweer vernieuwd met een splitsing op diezelfde plek.
’t Zich niet makkelijk laten intomen zou je 1 van de belangrijkste verschijnselen van onkruid kunnen noemen. De vlinderstruik voldoet aan die omschrijving.

Hij begon me te irriteren. Vorig jaar had ik ‘m tot bijna aan de grond toe afgezaagd. & Hier stond-ie alweer, 7 armen lang spreidend bovenuit alles dat nog komen moest, z’n gezicht nog moest laten zien.
Hij kent geen bescheidenheid, dacht ik. Hij veronachtzaamt de belangen van z’n buren.
Dus zette ik de schop in de grond. 20 Cm van de stam. Ik wroette & voelde met de spade. Bewoog ‘m heen & weer, om te weten te komen waar z’n wortels zich bevonden. Verplaatste de schop, maakte daarbij een kleine bocht, om z’n wortelkluwen van een andere kant aan te pakken. Diep genoeg gekomen, leunde ik aan ’t uiteinde, duwde in tegengestelde richting, als een wig, woelde de grond los, & keek hoeveel grond mee omhoog bewoog.
Stapje voor stapje maakte ik met de schop de cirkel rond, af & toe hem met geweld de grond in stampend, om een wortel te breken, om verweer tegen te gaan. Waarop ik een laatste maal achterover boog, geen tegenstand meer voelde & met beide handen de kluit de grond uit kon trekken.

De grillige structuur zette ik tegen de schutting aan. Verwonderd over hoeveel bochten ’t onder de grond had moeten maken. Onverwachte bochten, omdat ’t tijdens z’n groei, tijdens z’n zoektocht naar voedsel onder de aarde ergens tegenaan stootte, of misschien wel voorvoelde dat er elders meer te halen was.
De wortelstokken leken een eigen onbegrijpelijk leven te hebben geleden, een weg te hebben afgelegd die ik niet had kunnen bevroeden. Met daar middenin, midden tussen de wegen die ’t had afgelegd, een hart. Een groot stuk centrum, van 15 cm lang & 5 cm breed. Een kloppend hart, misschien wel ’t geweten, de intelligentie die z’n onderdanen, de wortels, verschillende kanten op had gedirigeerd. Alsook alles dat boven de grond uitstak.
Ik voelde me vreemd. Dat ik iets had moeten vermoorden om ’t voor mezelf tot leven te kunnen wekken.

Waarna ’t gewone leven zich voortzette in Zijperspace.

vertraging

Hé, dat is ’t meisje van de bakker, dacht ik. Van 2 jaar geleden. Ook op weg naar Den Helder, want anders had ze de stoptrein naar Alkmaar wel genomen.
Een ½ uur vertraging, hadden ze net meegedeeld. Oftewel: gewoon een trein er tussenuit genomen. Mensen die naar Alkmaar moesten, sprongen nog op ’t laatste moment in de stoptrein aan de andere zijde van ’t perron.
Ik zette m’n koptelefoon op, banjerde een beetje over 't gedeelte tussen de rails, & luisterde naar een verhaal van Thomas Rosenboom. Door hemzelf voorgelezen.
Ik wist niet of ik me zou kunnen concentreren. Gesproken tekst. Een verhaal waar je de draad niet zomaar van kwijt mocht raken wilde je de sfeer begrijpen. Treinen bleven passeren, mensen ook, alles werd ingezet om mij af te kunnen leiden.
Ik wandelde heen & weer, of stond, ontsnapt aan 't omhulsel van de hoge koepels, met m’n gezicht in de schuin vallende ochtendzon, aan ’t uiteinde van ’t perron. Vlak bij ’t bordje dat zei dat je niet verder mocht. Ik had geen zin om te gaan zitten & af te koelen.

’t Meisje van de bakker heeft ander werk, blijkbaar. Of ze heeft familie in Den Helder.
Ik zou ’t haar ‘ns moeten vragen, bedacht ik toen ik weer passeerde. Maar de stem van Thomas Rosenboom zette ’t verhaal voort. Ik bleef voor me uit kijken, keek naar de volgende schoonheid die in afwachting was van dat wat komen ging.
Wachtende mensen vergeten vaak dat er gekeken wordt. Vergeten ook dat ze zelf kijken. Ongegeneerde blikken over & weer, & niemand die er aanstoot aan geeft, tenzij de blik te confronterend is.
Ik hield mezelf steeds voor dat ik aan ’t luisteren was.
Ze stak een peuk op, ’t vroegere meisje van de bakker. Hoeveel waldkorn zou ze me wel niet verkocht hebben in die tijd? Ze sloeg haar lange haren achterover, ruimte makend voor de hand die gevaarlijk gevuld was met een brandende peuk.
Ik liep ondertussen een man voorbij, terwijl ik haar stiekem gadesloeg. Een man die onrustig om zich heen keek, alle borden werden bestudeerd, de roltrap angstvallig in de gaten gehouden. Vanuit een hoekje, een pilaar, vanaf de roltrap die in de revisie stond, kwam een geur mijn kant op. Penetrant. Pies, poep, zweet. Ik bekeek de mogelijke bronnen nader. Merkte ondertussen dat de man met mij op liep, in verwondering. De stank werd sterker, de stank werd zwakker. Al naar gelang de man afstand van me nam, dichterbij me was.
Ik keek nogmaals naar zijn gezicht. Doodgewoon uiterlijk. Broek, blouse, jasje, kapsel. Niets vreemds aan, maar een geur die op 5 meter afstand nog oorverdovend was.

Mededeling.
Ik zette m’n koptelefoon af om ’t te kunnen verstaan.
De trein richting Alkmaar, eindbestemming Den Helder, vertrok ditmaal van perron 11a.
Ik zette me in beweging. Richting roltrap. Angstvallig hield ik in de gaten waar de man zou zijn. De man die stonk. Ik was bereid om te lopen als-ie zich voor me bevond.
Pas onderaan de trap kreeg ik ‘m in de gaten. Weer keek-ie besluiteloos om zich heen. Beschouwde de nrs van de perrons nader. Iedereen liep langs ‘m, een directe lijn van mensen vormde zich van roltrap afkomstig van 8 richting roltrap omhoog naar 11. Hij weifelde.
Snel doorlopen, dacht ik. Een plek zoeken die ver weg ligt.
& Toen ik zat: ‘Als hij komt, dan ga ik mezelf een ander plekje vinden.’
Maar ik kon in stilte & schone geuren verder van Rosenboom genieten.

In de trein op de terugweg kwam de mededeling dat de treinen niet verder zouden gaan dan Alkmaar. Wegens stroom- & wisselstoring.
Iedereen begaf zich op 't station van Alkmaar naar perron 1, waar mogelijk nog de stoptrein tot Zaandam zou vertrekken.
Dan ben je in ieder geval een eind op weg naar Amsterdam, hoorde ik een conducteur zeggen.
Maar die van 18.27 viel uit, kwam al snel de volgende mededeling.
Weer een ½ uur wachten, dacht ik. Terwijl ik kouder werd, plassen moest & dorst had. Zocht mezelf een café in de buurt van ’t station waar ik aan die ongemakken wat kon doen.
Bij terugkomst vroeg ik aan de 1e passerende conducteur of er al wat veranderd was.
‘Niet in ’t minst,’ zei hij. ‘Er is een bom op Uitgeest gevonden. De komende 3 uur is er waarschijnlijk helemaal geen treinverkeer mogelijk.’

Ik ging overwegen: in ’t donker liften of in een warme stilstaande trein wachten. Tot misschien wel middernacht. Ik liep de ene kant op, om halverwege te besluiten voor de andere optie te gaan. Probeerde familie te bellen, maar kwam er achter dat ik verkeerde nrs had opgeslagen.
Ik zat opgesloten. In Alkmaar.

Tot ik ’t meisje van de bakker zag.
‘Jij woont ook in Amsterdam,’ zei ik.
‘Ja, & jij zat vanochtend bij mij in de trein,’ zei zij. ‘Ik herkende je al ergens van.’
‘Jij was vroeger ’t meisje van de bakker.’
We praatten. Ik bedelde een lift los. Haar vriend was onderweg vanuit Amsterdam. Ik mocht meerijden. Ik trakteerde op een kop koffie in een café, biertje voor mezelf, terwijl we wachten.
In de auto van haar vriend vroeg ik: ‘Heb jij vanochtend ook die man geroken?’
‘Welke man?’
‘Er was een man die verschrikkelijk stonk. Poep, pies, zweet.’
‘Ik rook wel iets. Toen ik de roltrap afliep. Dacht dat iemand op de roltrap gepiest had.’
‘Dat was die man. Volgens mij een lekkende stoma.’
‘Hè, gat.’
Vies, dachten we beiden.

Haar vriend zette me af voor de pont naar Centraal. Zij moesten de hoek om.
‘Wat kocht je ook alweer altijd?’ vroeg ’t meisje van de bakker.
‘Waldkorn.’
‘Oh, ja. Ik weet ’t weer. Altijd waldkorn.’

Ik stak m'n hand uit om te bedanken, & vervolgde m’n reis terug naar Zijperspace.

verbeelding

Als ik binnenkom begint-ie te peuteren. Hij wil los. Om z’n heup ligt een band die, naar ik later constateer, alleen door 1 van de verpleegsters middels een speciale sleutel is te ontkoppelen.
We moeten ‘m gewoon maar meenemen. Zonder de rolstoel. Dat kan toch net zo goed? Hij loopt goed, zegt de verpleegster. Gister ook een wandeling met 'm gemaakt, voegt ze toe.
& Wij zeggen tegen elkaar: ‘Beweging is ook goed.’
Ik denk zelfs: ‘Hij kan niet eeuwig in de stoel blijven zitten. Dan bevorder je z’n aftakeling alleen maar.’

Dat soort dingen denk je. Over je eigen vader.
& Net als voetballers ga je als vanzelf in ‘jij’-vorm praten als je ’t over jezelf hebt. ’t Ontkennen van ’t feit dat je ’t zelf bent die doet wat-ie doet. ’t Buiten jezelf gesteld willen worden, om kritiek minder hard te laten aankomen.
Vooral zelfkritiek.

‘Hoe gaat ’t ermee?’ vraag ik.
Wat moet je anders, is de volgende vraag. Voor niemand behalve mezelf hoorbaar.
‘Ik zie geen vogels vandaag,’ zeg ik, naar buiten wijzend, naar de pinda’s aan de boom . ‘Geen koolmeesjes, zoals de vorige keer.’
Een vragende blik. Of een bewondering, verwondering, dat ik zijn zoon ben & voor hem langs ben gekomen.
Je kan er alles uit aflezen. ’t Hoofd laat zich lezen als een boek dat voor meer interpretaties vatbaar is. & Niemand zal gelijk hebben.

‘Ik heb de laatste tijd allerlei vogels in m’n tuin. Mezen. Koolmezen, net als jullie, & een stelletje pimpelmezen, maar laatst ook staartmezen.’
Hij luistert. Ik hoop dapper dat ik beelden bij ‘m creëer. Wil niet stoppen. Ik moet er iets instoppen dat zin heeft. Dat bij hem herkenning veroorzaakt. Ik wil een klein knikje van z’n hoofd zien.
‘& Laatst ook een koperwiek. & Een winterkoning.’
Ik ga ’t met m’n handen uitleggen. In de hoop dat er meer beelden ontstaan.
‘Zo’n klein vogeltje. Met een wipstaart. Hupte door m’n tuin. Door de sneeuw.’
Ik mag niet voor m’n vader nadenken, denk ik vervolgens. Hoewel hij een plaatje in z’n hoofd misschien wel prettig vindt. Een plaatje van een winterkoninkje. Klein. Door de sneeuw.

M’n vader praat tijdens de thee. We bukken voorover om te horen. Alleen maar te horen. Begrijpen hebben we al een beetje opgegeven.
Toch zeggen we elke keer: ‘Wat zeg je?’
Dan is-ie ’t alweer kwijt.
‘’t Is altijd zo,’ zegt-ie. ‘Nou ja, altijd, vaak in ieder geval. ’t Wil wel. Maar dan gaat ‘t.’
Waarna z’n woorden verzanden.
Hij weerlegt z’n eigen woorden voordat-ie gevonden heeft waar ’t hem eigenlijk om ging.
Wij blijven al bij de 1e steken. Zijn verrast door de aanwezigheid van een mededeling. Spitsen onze oren, maar zijn te laat.
‘Gisteren, maar ook vandaag. ’t Levert dan, hm, een, hm, zo’n ding, hm.’
& Z’n stem zakt weg. Z’n blik omhoog. Hij moet daar ergens blijkbaar de woorden vandaan trekken.

‘Pa, wat doe je?’ vraag ik.
Ik hou enkele vingers vast. Hij knoeit ermee. Krioelt z’n vingers door elkaar. Knijpt in niets. Met 10 vingers tegelijk.
‘Daar is niks,’ zeg ik.
Alsof-ie de huid van z’n vingers er af wil schrapen.
‘Nee,’ zegt m’n moeder. ‘Dat is verbeelding.’
& Vervolgens: ‘Niek, neem nog even een slokje.’
Waarna ze ’t kopje thee aanreikt.
Ik zie m’n vader een slokje nemen. Met 2 handen houdt-ie ’t kopje vast.
Als we even niet opletten, kijkt-ie weer naar boven.
Verbeelding, denk ik nu ook. Maar zeker weten doe ik ’t niet. Evengoed probeer ik te luisteren naar wat-ie praat. Hij zegt niets. Hij praat.
Zo leg ik ’t mezelf uit.

Da's altijd nog beter dan geen woorden in Zijperspace.

bril

De mensen die ik vlak ervoor te woord had gestaan bleven een kort moment gebiologeerd kijken.
We kennen ‘m, we kennen ‘m, zag ik ze denken, maar we laten zo goed mogelijk merken dat we ‘m met rust kunnen laten. Ondertussen hadden ze hun gezicht voor een tel stilgezet, nog net niet met de mond opengevallen, blik op hem gericht, als om na te denken om zodoende tot dat besluit te komen.

Ik was daar veel beter in. Vanaf de 1e maanden dat ik mij in ’t amsterdamse begaf. Ik wist hoe je bekende mensen moest negeren, ze niet ’t gevoel moest geven dat ze herkend werden. Ik wist hoe ik beroemdheden voor een kort moment hun vrijheid terug moest geven. & Ik wist bovendien dat als ik dat maar lang genoeg volhield de sterren onderling ’t zouden gaan hebben over die ene jongen, hij zoeft zeer snel voorbij over de amsterdamse grachten, keurt hen geen blik waardig, lijkt hun bekendheid te ontkennen & reduceert daardoor hun roem tot nul.
Ik zou op den duur voor hen de grote onbekende worden.

Je kan echter moeilijk iemands aanwezigheid negeren als-ie voor je neus staat blijkbaar met ’t plan iets bij jou te gaan kopen.
Hij staarde langs me heen.
‘Je staart?’ vroeg ik daarom maar.
Hij schrok wakker.
‘Je staart naar de glazen?’ vroeg ik daarom voor alle duidelijkheid.
‘Ja, ik staar naar pullen met van die deksels,’ zei hij. ‘Tenminste, daar zoek ik eigenlijk naar.’
‘Oh, van die duitse bierpullen met tinnen deksel. Die zijn hartstikke duur. Ik heb er toevallig 1 staan.’
Ik haalde ’t exemplaar tevoorschijn. Hield ’t hem voor.
‘Kijk, ’t prijsje zit er op,’ zei ik. ‘€ 35,-. Je betaalt dus ongeveer € 30,- voor ’t tinnen deksel. ’t Glas zelf kost niet zoveel.’
‘Da’s inderdaad hartstikke duur. ’t Moet wel een cadeautje blijven. & Eigenlijk wilde ik ook zo’n echte stenen, zoals die duitsers altijd gebruiken.’
‘Ja, ik heb wel 2 stenen pullen staan. Maar zonder deksel.’
Ik wees weer achter me & hij begon opnieuw te staren. Naar daar waar m’n vinger naar wees.
‘Nee, is niks,’ zei hij op gegeven moment.
Hij trok de blik die ik van ‘m kende. Van tv, van foto’s. Alsof-ie elk moment iets kan zeggen. Kreukelige mond. & Dat je datgene dat-ie zegt zal ondergaan, door z’n lijzige stem. Je hebt de neiging die blik te ontwijken, maar je weet dat je ’t niet kan.

Ik heb ‘m ook wel ‘ns bij m’n platenboer gezien. Ook aan de toonbank. Hij had net afgerekend. Daar deed-ie niet moeilijk over. Hij maakte een gebaar met z’n portemonnee wat erop wees dat-ie geen moeite met betalen had.
‘Zeg, schatten,’ zei hij toen op een nichterige manier, ‘ik vond ’t weer hartstikke leuk.’
Waarop-ie parmantig richting uitgang liep, cd in z’n hand geklemd.

‘Dan vind ik die glazen leuker.’
Hij wees. ’t Was zijn beurt om te wijzen. Ik keek achterom. Probeerde te achterhalen wat-ie wees voordat-ie ’t met woorden zou duiden.
‘Die Maes-glazen,’ legde hij uit.
‘Oh, deze,’ zei ik, & haalde een glas uit de doos die voor me stond tevoorschijn.
Ik had net op ’t punt gestaan die glazen in ’t schap bij te vullen, maar was er door vragen van klanten niet aan toegekomen.
Ik hield een Maes-glas voor z’n neus.
‘Ik stond op ’t punt deze doos op te ruimen,’ legde ik uit.
Alsof ‘m dat iets zou schelen, dacht ik erbij.
‘Ja, precies. Doe daar dan maar 6 van.’
‘Ik had ze bij wijze van spreken voor je klaar gezet. Dit is een doos van 6.’
‘Ha, dat komt goed uit, want dan is ’t makkelijker inpakken. Hoe duur zijn ze trouwens?’
‘Even kijken,’ zei ik & haalde de catalogus erbij. ‘€ 1,50 per stuk.’
‘Oh, dat kan ik wel lijden.’
‘Bovendien krijg je 10 % korting als je hier een hele doos koopt.’
‘Wauw.’
Hij keek olijk naar z’n doosje glazen.
‘Ik krijg anders nooit korting.’
‘Dan doet ’t me deugd dat ik je voor ‘t 1st in je leven korting mag geven. De cadeauverpakking krijg je er ook nog gratis bij.’
‘Ik word werkelijk verwend.’
Hij wachtte af tot ik klaar was met inpakken & overhandigde me vervolgens ’t benodigde geld.
‘Nu alleen nog een tasje.’
‘Ja, maar daar moet ik 20 cent voor rekenen.’
‘Dat kan er ook nog wel vanaf.’
Een zweetdruppel droop van m’n voorhoofd. Zou ik ’t vragen, zou ik ’t vragen?
‘Martin, martin,’ schoot ’t door m’n hoofd, ‘als jij nou ook een stukje hierover schrijft, zullen we dan wedstrijdje doen welke ’t leukst is?’

& Een spetter kwam oorverdovend hard aan, op een toonbank, ergens in Zijperspace.

verkeerd

Misschien heb ik ’t verkeerde boek gelezen. Dat ’t daarom stokte. Verkeerde invloeden, verkeerde geluiden.
Ik heb 't boek nu opzij gelegd. Gewoon, vanwege ’t feit dat de laatste blz achter de rug was. Verhaal voorbij.
8 Dagen & een ochtend heb ik er over gedaan. Lamme armen, 1st rechts, toen de nog te lezen blzs ’t gewicht bepaalden, later links, van wat achter de rug was. Ik heb meermaals geprobeerd m’n knieën als steun te gebruiken, mezelf zo wendend dat er evengoed genoeg licht op de te lezen zinnen viel, maar werd vaak na korte tijd alweer gedwongen een andere houding aan te nemen.
Ik probeerde me vaak te concentreren, me langer te laten zitten dan ik wilde, zodat ik ’t einde sneller zou naderen dan m’n eigen wil wenste. Nog tot de volgende blz, de volgende witregel, & dan mag ik opstaan. Dan mag ik nadenken over wat ik zelf moet schrijven.
& Ik waagde te denken: als ik maar zinnen sprokkel, 1 voor 1, elke steen is een onderdeel van ’t uiteindelijke huis, mist er 1tje dan heeft ’t huis geen bestaansrecht.
Daar staat weer een zin, een verder verlangen naar ’t einde van de tekst. Een tekst bestaat pas bij de gratie van z’n eigen begrenzing.
Dat ’t boek te dik was, wil ik me inprenten. Je wordt moe bij de onoverzichtelijkheid van de weg die je nog moet gaan. Ik vind polderwegen, die lange rechte in de horizont eindigende, de gevaarlijkste. Ze geven geen motivatie mee.
Elke minuut telt, op een dag dat ik moet schrijven. & Ik schrijf elke dag. Tenzij zich niets voordoet. Niets is iets dat al eerder is overkomen, of in ieder geval te weinig variaties op ’t voorgaande vertoont.
Ik voeg die minuten samen, bal ze samen tot een uur. Waarin ik desnoods mezelf mag verzorgen. Boterhammetje, wasbeurt, t-shirt aan/uit. Als de volledige concentratie maar samenvalt binnen dat uur, dat uur dat ik eigenlijk niet anders meer kan, straks moet ik elders zijn, nu is ’t moment, nu zal ’t op papier moeten verschijnen, anders is ’t te laat.
Maar tegenover dat uur, of eigenlijk daaraan voorafgaand, staat een dag lang nadenken. M’n gedachten er niet vanaf kunnen laten wijken. ’t Speelt als een thema de gehele dag door op de achtergrond. Soms als muziek die door de buurvrouw te hard wordt afgespeeld, soms als de kwetterende vogels in de achtertuin, soms als de trein die passeert, die slechts zelden bewust wordt meegemaakt, maar de ganse dag speelt ’t zich af als een tape in een loop met ruis die hard of zacht is afgesteld.
Ik verwijt mezelf de angst. Omdat die verlammend zou kunnen werken. & Tegelijkertijd wacht ik op ’t onafwendbare moment dat ik niet anders meer kan, de angst ten top, nu of nooit, & er paniekerig zin voor zin m’n vingers verlaten. Ik wacht op ’t moment dat m’n vingers ’t overnemen, de automatische piloot ’t heft in handen neemt.
’t Zijn uiteindelijk de beste teksten, als ’t verhaal zichzelf laat schrijven.
Ik kan echter ’t risico niet nemen dat er een dag niks staat, dus bereid ik me voor. Een dag lang.
& Als de tekst achter de rug is, begint de volgende. Ik leef m’n dagen als blzs die ik omsla. Achter me liggen de beschreven blzs. Voor me liggen agendapunten, notities, lichtjes aangestipt met potlood, gum ernaast.

2 Dagen lang was ’s ochtends m’n maag in de war. Alsof ’t verzwaard was met een steen, die op ’t punt stond m’n lichaam te verlaten, maar geen doorgang vond. Een kale steen, slechts gewicht waar ’t uit bestond. Als ik een scheet liet, dacht ik dat-ie niet van mij afkomstig kon zijn. Er zat iets dat blokkeerde.
& Als ik me achter de computer zette om woorden te produceren, bleef ik naar een leeg vel kijken.
Ik weet eigenlijk niet of men begrijpt wat ik bedoel, maar ik dacht dat ik ’t verkeerde boek had gelezen.

Men zou zelf ‘ns moeten proberen zijn Zijperspace dagelijks te vullen.

uitzicht

Van de week stond Lous voor de deur. Uitspraak Loes, oorspronkelijke naam Louis. Hij kwam hier voor ‘t 1st.
‘Ik dacht: hij is er niet,’ zei hij toen ik opendeed. ‘Ik zag helemaal geen licht door de gordijnen heen branden. ’t Huis zag er zo donker uit.’
‘Ja,’ legde ik uit, ‘ik leef vooral aan de achterkant.’
& Terwijl we door de gang liepen, langs de deur van de voorkamer: ‘Dit is m’n slaapkamer; die is overdag afgesloten.’

Ik kijk uit ’t raam vooral, naar de achterkant. Ik kijk naar de kleine dingen die hier gebeuren. Zoals Oma haar duif in de gaten hield die in de boom achter háár huis nestelde.
Haar blikveld was tegen ’t eind van haar leven een koker. Steeds kleiner werd haar zicht, benauwder. Van dichtbij zag ze al bijna niets. Of ze moest een voorwerp tegen haar neus aanleggen. & In de verte zag ze alleen de objecten die binnenin die koker vielen.
’t Nest van de duif.
‘Kijk maar,’ zei ze, & ze trok m’n moeder aan haar schouder, ‘daar zit ze.’
Tussen ’t gebladerte. Niet te ontwaren. Hoe m’n moeder ook haar best deed.
‘Dan is ze bijna blind,’ zei m’n moeder dan op weg naar huis, ‘maar ze ziet elke beweging van die duif. Een duif die wij niet terug kunnen vinden tussen al die bladeren.’

Ze zwaaide ook altijd al als we met de auto aan kwamen rijden. Als we op zondagse visite kwamen. We waren amper voorbij de flat, die haar zicht op de rest van de straat blokkeerde, & ze zag ons. Stak haar hand onmiddellijk op.
Als we weer vertrokken, zwaaide ze vaak op ’t verkeerde moment. Ze zwaaide gewoon, ze wist niet wat er gebeurde.

Maar haar wereld was vooral ’t uitzicht aan de achterkant. Een hofje, waar vooral bejaardenwoningen op uitzagen. Aan de overkant van ’t hofje zat een deur. Daar kon de tuinman door naar binnen. Voor de rest hadden alleen de bewoners toegang, via hun eigen achtertuinen.
M’n Oma niet, ze had geen achtertuin, want woonde op de 1e etage.
Je zag hoogst zelden iemand lopen door ’t hofje. Ik heb de tuinman wel ‘ns zien schoffelen, op doordeweeks bezoek, maar ’t was sporadisch dat ik de bejaarde mensen de grens van hun tuin zag overschrijden. Ook al nodigde de zondagse warmte uit tot een klein ommetje. ’t Hofje was vooral uitzicht.
& Mijn Oma zag niet veel meer dan ’t nest in de boom.

Er hoeft ook niet zoveel te gebeuren. Als je maar een beetje kan kijken. Als je maar weet dat ’t er is. Mijn uitzicht wiegelt een beetje op de wind. Er steekt af & toe wat over, van schutting naar schutting. & Langzaam komt er iets omhoog uit de grond. Als ik maar genoeg geduld heb.
Laat de rest maar, dat leven aan de voorkant. Ik zie dat wel als ik weer moet.

& Moeten, dat moet al zo vaak in Zijperspace.

hema-inkopen

‘De Hema is een heerlijke winkel,’ zei ik tegen Rachel, ‘want ’t is een winkel van vrouwen.’
Ik wist ’t weer toen we ’t hoekje om kwamen lopen. ’t Hoekje van de snackdistributie richting winkel zelf. Deze Hema was wat dat betreft ideaal ingedeeld. Bij de Hemaworsten kom je de mensen tegen die moeten rusten of in afwachting zijn van hun gezelschap, ga je de hoek om, dan kom je de professionele kopers tegen.
Vrouwen zijn professionele kopers.
‘& Er komen hier nl vrouwen in alle soorten & maten,’ ging ik verder. ‘De Hema is een winkel voor elke vrouw. Van alle leeftijden, van alle standen.’
Behalve van de kaque, bedacht ik me snel, maar die vind ik toch niet interessant.
‘Dus voor een man zit er altijd wel wat tussen van zijn gading.’
Je zou er alleen met een kinderwagen moeten lopen, of er een kind voorgebonden moeten hebben aan de buik, want anders zien ze je niet. Zo gebiologeerd zijn de dames door de maten, de stoffen, ’t beste merk & de aanbiedingen. Ze pakken alles op, houden ’t tegen ’t licht, om te controleren of ’t wel om ’t lichaam past waarvoor zij hier bezig zijn, kneden ’t tussen de vingers, wrijven even om te voelen of ’t lekker glijdt & de naden op de juiste plek zitten, & vergeten daarbij volledig om zich heen te kijken, bijvoorbeeld naar die enkele man die als losgeslagen wild door dit amazoneland dwaalt.
Ik vertelde Rachel maar niet dat je als alleenstaande kinderloze man volledig anoniem door deze winkel rond kon waren, je ogen de kost kon geven, maar onbeslagen ten ijs huiswaarts kon keren als je niet van te voren wist wat & hoeveel je moest hebben. De Hema is een feest, je kan er je ogen de kost geven, maar je moet niet verwachten dat je aandacht krijgt van ’t passerend vrouwelijk schoon, want die zijn op dat moment met iets veel serieuzers bezig dan hun hormonen.
‘Kijk maar om je heen,’ probeerde ik Rachel ‘ns op een andere manier te laten kijken, ‘je ziet alleen maar vrouwen, slechts een enkele keer een man, maar die is dan in gezelschap van een vrouw. Zo’n man moet dan geduldig wachten op ’t hoekje van de schappen, op een kruispunt van gangpaden, anders past er niemand meer door, want z’n armen zijn volgehangen met tassen om de vrouw de gelegenheid te geven de aangeprezen goederen met 2 handen te kunnen keuren.’

‘Ik moet onderbroeken hebben,’ verklaarde ik even later.
Als m’n moeder nog m’n was zou doen, dan had ik een jaar geleden al nieuwe nodig gehad. Maar een man is zuinig & gaat vreemd genoeg efficiënter dan een vrouw met dat soort materialen om. Of ’t zou moeten zijn dat de slipjes van de vrouw door de man ietwat hardhandig van ’t lichaam afgerukt worden. Een man kent z’n eigen kracht niet altijd. Laat staan z’n onstuimigheid als ’t bedrijven van seks in ’t vooruitzicht wordt gesteld.
Aangezien ik vrijgezel ben, heb ik vrij weinig met onstuimigheid van doen, maar dat hoef ik m’n moeder niet uit te leggen. Bovendien heeft zij geen zeggenschap meer in de aanschaf van mijn onderbroeken.

Rachel volgde gedwee. Alsof ’t een soort vanzelfsprekendheid was. Een man kocht onderbroeken voor zichzelf & ’t vrouwelijk gezelschap liep even mee.
Ik deed ondertussen of m’n neus bloedde.
’t Was nl lang geleden dat ik dit onder begeleiding deed. Weer m’n moeder. Ergens in de puberale fase had ik haar duidelijk gemaakt dat ik mijn groeiend lichaam zelf wilde voorzien van allerhande bedekking, maar toen die schaamte voorbij was & mijn huishoudbudget nog niet voorzag in allerhande uitgaven, bier was belangrijker dan ’t ontbreken van gaten in kledingstukken, bleek ’t juist weer handig om m’n moeder de onderkleding te laten sponsoren. Elke cent telde indertijd. Zaak was ’t slechts dat ik van te voren al had bepaald welke onderbroek ’t lekkerste zat, ’t makkelijkst verkrijgbaar was, & waar geen enkele vergissing over mogelijk was. Dat bespaarde mij enkele guldens per ½ jaar. & Een ritje naar de Hema.

Ik heb ’t nog een keer geprobeerd met een andere dame. Na een gezellige avond, met veel drank, bekende ik dat ik nou toch ‘ns eindelijk, ik moest ’t niet langer uitstellen, ’t werd écht tijd, onderbroeken moest gaan kopen.
Ze had die van mij nog niet gezien, maar ik wist tijdens ‘t gesprek zo levendig te illustreren hoe mijn onderbroeken er inmiddels bijhingen, blijkbaar amusant genoeg om haar een ½ uur een lachkick te bezorgen, dat zij zich er iets bij kon voorstellen & de noodzaak ervan inzag dat zij mij zou begeleiden bij de jacht naar onderbroeken die niet door moeders waren uitgekozen. Vrouwen hadden ervaring in ’t aankopen van allerhande waar, vertelde zij, al vroeg in de jeugd werden de meisjes er op uitgestuurd ’t allemaal zelf te doen, dus die ervaring kon mij steunen in ’t opnieuw te proberen bepalen wat mij nou lekker zat.
Ze bedoelde: ze wilde wel een keertje met me mee onderbroeken kopen.
Ik bedoelde: ik vond ’t fantastisch als zij mee ging, maar alleen om makkelijker de schappen te kunnen vinden waar mijn moeder altijd mijn onderbroeken vandaan haalde.
Ik bedoelde ook: ik was best bereid haar vervolgens thuis te tonen hoe die onderbroek uiteindelijk zat.
Ze belde echter op ’t laatste moment af. Waarschijnlijk omdat zij mijn bedoelingen in nuchtere staat beter op waarde wist te schatten.
Ik besloot daarom op ’t allerlaatste moment toch maar nieuwe onderbroeken te kopen. Toen ’t écht écht niet meer ging.

Ik heb daardoor de Hema opnieuw ontdekt, wilde ik eigenlijk nog tegen Rachel zeggen. Maar we stonden al voor de onderbroeken. Dat hele verhaal over die vriendin heb ik dus maar verzwegen.
Bij vergissing stonden Rachel & ik iets te lang te kijken bij de modieuze uitvoeringen van datgeen waarvoor we gekomen waren. Waarop ik opeens weer wist dat je voor mijn aankleding altijd in de goedkopere stapels moest kijken. Waar niets uitgehangen werd aan een knaapje. De stapels waar alles op elkaar leek, alles behalve ’t nrtje op ’t stickertje. Van ’t stickertje wist ik nl ondertussen dat die naast de prijs ook de maat aangaf. Ik griste er 3 met de mijns inziens juiste maat uit ’t schap, daarbij vooral bedenkend hoeveel bier me dat zou kosten, & ging in de uit louter vrouwen samengestelde rij bij de kassa staan.

‘Heb jij een man gezien?’ vroeg ik op de roltrap naar beneden. ‘Een man in z’n 1tje?’
‘Nee,’ zei Rachel. ‘Of wacht, daar komt er net 1 langslopen.’
Een man met stoere passen zagen we passeren op de etage die ons tegemoet kwam. Elke stap voerde hem minstens een meter verder. Daarbij keek-ie niet op of om, zo druk was-ie bezig z’n gesprekspartner aan de andere kant van z’n mobiel te voorzien van allerlei informatie.
‘Maar die is door z’n vrouw op pad gestuurd,’ vulde Rachel aan. ‘Hij belt nu alleen nog omdat-ie moet weten waar hij kan vinden wat zij moet hebben.’

Kijk, Rachel is een vrouw die mannen snapt.

Of in ieder geval die ene die opgesloten zit in dat wereldje van Zijperspace.

weggebracht

‘Zeg Mam, ik belde eigenlijk om te vragen of jij misschien wist of ik al ‘ns heb geschreven over dat ik voor de 1e keer naar de kleuterschool ging.’
‘Over de kleuterschool? Hm, dat zou ik eigenlijk niet meer weten.’
‘Dat ik er naartoe werd gebracht & niet wilde blijven.’
‘Ik geloof dat Pa je de 1e keer daar naar toe heeft gebracht.’
‘Nee, ik dacht juist van niet. Jij bracht me toch? Ik ben trouwens volgens mij wel 2 keer voor de 1e keer naar de kleuterschool gebracht. Die 1e keer moest ik zo huilen dat ik maar weer mee teruggenomen ben.’
‘Oh, dat kan ik me niet meer herinneren.’
‘& De 2e keer ben ik door de juf aan ’t tekenen gezet.’
Jij stond in ’t hoekje van ’t klaslokaal, denk ik erbij, om mij ’t idee te geven dat je niet weg zou gaan. Ik mocht van de juf een hele mooie tekening maken, met allemaal kleurpotloden. Toen ik klaar was, zei ze dat ’t een wel verschrikkelijk mooie tekening was geworden. Ik moest tekenaar worden, zei ze. Jij was ondertussen verdwenen, maar ik weet niet of ik dat echt door heb gehad. Later ben ik er pas achter gekomen dat ik helemaal niet goed kon tekenen. Jaren later. De schoorstenen van de huizen die ik tekende stonden altijd scheef, zei m’n oom. & Toen ik later een tekening van een lucifersdoosje bij de tekenleraar inleverde, een lucifersdoosje dat sprekend leek op de echte, wilde hij ’t niet geloven, want hij wist dat ik niet goed kon tekenen. Ik wist ’t toen zeker: ik kon niet tekenen & wilde ’t ook niet meer.
‘Verder nog iets?’
‘Nou, hoe gaat ’t met Pa?’
‘Ach, ’t gaat. Hij heeft nu een rolstoel.’
‘Oh?’
‘Een trippelstoel eigenlijk.’
‘Oh, dan kan-ie nog een beetje bewegen.’
‘Ja, zichzelf een klein beetje heen & weer trippelen met de benen.’
Ik kan me een man in de hal van de Koogh herinneren met zo’n stoel. Moeizaam trok-ie zichzelf voort. Scheef hangend, z’n armen niet op de leuningen steunend.
‘Die man heeft ook Parkinson,’ had m’n moeder gezegd.
Dat kon ik zien aan z’n scheve houding, wist ik inmiddels. Maar deze man zat niet op een gesloten afdeling. Zoals m’n vader. M’n vader zou ’t nooit meer voor elkaar krijgen de code van de deur in 1 keer ingedrukt te houden. 3 Vingers tegelijk op 3 verschillende cijfers. Hij zou ’t niet eens kunnen onthouden. Dus daar zat Pa veilig. Rondbanjerend in z’n trippelstoel.
Ik probeerde ’t me voor te stellen.
Af & toe denk ik er aan terug, aan ’t moment dat Pa erheen gebracht is. Ik stel me m’n moeder voor, die achteraf nog even wat bleef hangen, terwijl m’n vader werd afgeleid door misschien wel de warme maaltijd, of de koolmezen die buiten zich tegoed deden aan de vetbolletjes. & Toen Pa een tijdje niet had opgelet, was Ma opeens verdwenen.
Maar liever denk ik niet aan de tranen die in m’n vaders hoofd zijn blijven hangen, maar geen manier wisten zichzelf voor de buitenwereld te vertalen.
‘Maar voor de rest gaat ’t wel?’
‘Ja, ’t gaat. Hij las vanmiddag een boekje. Of hij bladerde er in ieder geval in.’
‘Dat is toch in ieder geval wat. De laatste tijd dat-ie thuis was, nam-ie toch nooit meer een boek in z’n handen?’
‘Ja, dat valt inderdaad mee.’

Uiteindelijk raken we aan alles gewend in Zijperspace.

éééven

‘Je moet er wel rekening mee houden dat er vooral oudere mensen op af komen,’ zei ik tegen Rachel. ‘Maar als ’t ons niet bevalt, dan lopen we gewoon weg & gaan onze eigen gang.’
‘We zien ’t wel,’ zei Rachel.
‘We zien ’t wel, we zien ’t wel, we zullen ’t wel beleven, maar kan ’t nou niet even snel, want ’t léééven duurt maar éééven,’ zong ik.

Er liep een stoet mensen ’t Nieuwe Kafé uit. Naast de Nieuwe Kerk.
‘Dit moeten ze zijn,’ zeiden we.
Zo dat de dame voorop ons hoorde. Ze oogde stukken jonger dan de mensen die haar volgden.
‘Ja, dit is ‘t,’ zei ze.
‘’t Zijn er wel heel veel,’ zei ik.
‘& Ze hebben ook allemaal een foldertje in hun handen,’ zei Rachel.
‘Misschien moeten wij ook nog even een folder pakken.’
We slopen nog even naar binnen. Zochten de foldertjes, maar konden niets vinden.
‘Zullen we maar achter ze aan gaan?’ vroeg Rachel.
‘Als ’t ons niet bevalt, dan gaan we gewoon,’ zei ik.

‘Zo’n hoge opkomst hadden we niet verwacht,’ zei de dame voor ’t Paleis. ‘We hadden niet zoveel kopietjes gemaakt. Dus als iedereen die gezelschap bij zich heeft nou even 1 kopietje met elkaar gebruikt, dan kunnen degenen die nog niks hebben ook een exemplaar gebruiken onderweg.’
Ze was nog net boven de wind, de trams, ’t rumoer van de dagjesmensen uit te horen.
‘Zijn er nog mensen die geen foldertje tot hun beschikking hebben?’ vroeg ze voor de zekerheid.
We wezen een oude man aan die net aan was komen lopen. We moesten een beetje voor de mensen op komen die niet assertief genoeg waren, was ’t gevoel.
Er kwam nog een man aanzetten. Hij kwam naast de groep staan. Op de trappen van ’t paleis. Hij zette z’n tassen naast zich neer. Rachel & ik keken vluchtig, luisterden verder naar ’t verhaal dat verteld werd. Over patriotten in Amsterdam, rond 1780. Ik registreerde stiekem de elastieken die de broekspijpen van de laatst aangekomene moesten beschermen tegen kettingsmeer.
‘Mag ik wel vragen,’ vroeg een man in ’t midden van de groep toehoorders, ‘als we verder gaan lopen, kan er dan rustig aan gedaan worden? Anders houden we ’t niet bij.’
‘Natuurlijk, daar zullen we rekening mee houden.’

‘De volgende plek die we gaan bezoeken is Singel 292,’ zei de rondleidster aan ’t eind van haar verhaal voor ’t Paleis. ‘Voor ’t geval dat u sneller of langzamer loopt dan de groep, dan weet u in ieder geval waar we moeten zijn.’
We trokken weg. Richting Paleisstraat. Binnen enkele meters vormde zich een sliert.
‘Is die man er nou wel?’ vroeg ik.
‘Die man die op de trappen van ’t Paleis stond?’ vroeg Rachel.
‘Nee, die niet,’ zei ik. ‘De man die niet zo snel kon lopen.’
‘Oh, die. Maar had je die man gezien die als laatste aankwam?’
‘Ja, tuurlijk. Hij had elastieken om z’n broekspijpen.’
‘Die kwam zeker net uit de polder aanfietsen. Met z’n rode wangen.’
‘Ah, daar is-ie,’ wees ik naar de man die niet snel lopen kon.
Hij liep voorin in de groep.

Terwijl de dame aan ’t vertellen was over burgemeester Rensdorp, ooit woonachtig op Singel 292, snoot de man naast haar z’n neus. Hij haalde een linnen zakdoek ervoor tevoorschijn. Zorgvuldig werd die uit elkaar gehaald, aan de neus gezet, zachtjes getoeter, opgefrommeld & weer in de broekzak gestoken. Z’n vrouw hield ‘m ondertussen geduldig bij z’n arm vast.
Die heeft ze vanochtend vast voor ‘m klaar gelegd, dacht ik. Dat-ie niet in de kou zonder zou komen te zitten.
Op ’t moment dat de zakdoek weer op z’n plaats zat, was de dame klaar met haar verhaal.
‘Gaan we nu door naar de Keizersgracht. Nr 324. Zoals vast enkelen onder jullie weten: Felix Meritis.’
De man met de elastieken om z’n broekspijpen pakte z’n fietstas weer beet.
‘Zie je,’ zei ik tegen Rachel, ‘hij heeft z’n tas helemaal aan elkaar gebonden met touw. Zodat-ie niet uit elkaar valt.’
Rachel knikte.
‘& Hij heeft hele goedkope schoenen aan. Vast een vrijgezel op leeftijd. Of z’n zus verzorgt ‘m.’
Bij Felix Meritis aangekomen hoorde ik ‘m z’n buurman vertellen: ‘Dit is een filosofisch instituut.’
‘’t Is ooit een communistisch bolwerk geweest,’ wist-ie ook nog te melden.
’t Hadden allemaal vrienden van Voskuil kunnen wezen, dacht ik. Zodirect zeggen ze allemaal dat de rondleiding ‘mieters’ was geweest.

‘Gaan we van hieruit weer een stukje terug, naar de Kalverstraat,’ besloot de dame haar verhaal bij Felix Meritis.
‘Weet u ook waar de Leidschestraat is?’ vroeg de man met langzame benen even later aan haar.
‘Die is toch daar?’ zei ze met een vragende blik naar haar omstanders. ‘Ik kom zelf niet uit Amsterdam.’
Er werd geknikt.
‘Gaat u niet verder mee?’ vroeg ze, zich weer tot de trage man wendend.
‘Nee, ’t gaat me te snel.’
Hij keerde zich om naar de aangewezen richting. Z’n vrouw sjokte mee aan z’n arm. ’t Schommelde een beetje. Door de ongelijke stoep, door ’t verschil in lengte, doordat ze zo al jaren liepen.

‘Vind je ’t nog leuk?’ vroeg ik aan Rachel.
‘Ik vind ’t leuk om eens iets te doen wat ik nog nooit heb gedaan,’ antwoordde ze. ‘Jij niet?’
‘Ik heb ’t wel een beetje gehad,’ zei ik. ‘Ik heb zin in een café.’
‘Ja!’ zei Rachel gretig.
De groep vertrok richting Oudezijds Achterburgwal. Wij besloten weer richting Singel te vertrekken.
‘Dan moeten we wel voorzichtig weggaan,’ zei Rachel, ‘want anders lopen ze allemaal achter ons aan. Denken ze dat ’t de andere kant op is.’

Langzaam verwijderde Zijperspace zich van een ouder wordend heelal.

schoon

’t Is maar goed dat ik geen biologie heb gestudeerd. Dan zou ik te veel weten. Veel weten alleen al zorgt bij mij voor nog meer zorgen. 'Te' valt waarschijnlijk niet te overzien.
Tuurlijk, de angst voor koeien & schapen, muizen & ratten zou allicht verminderd zijn. Tijdens diverse practica, tijdens oriëntaties in ’t veld, zou ik gewend zijn geraakt aan de aanwezigheid van allerhande levende wezens. Misschien dat ik, net als kleine kinderen tegenwoordig op school leren, ik heb dergelijke gebeurtenissen wel ‘ns bij ’t jeugdjournaal getoond gezien, een spin over m’n hand zou durven laten lopen (dan wel zo’n kleintje, die van die stoffige rag veroorzaakt, waar niet tegen op te zuigen valt, tenminste, door mij niet).
Maar ’t grote nadeel van mijn dan verworven kennis zou zijn dat ik wist wat zich verborgen houdt voor mijn ogen. Al datgene dat mijn ogen niet kunnen registreren, vanwege te klein. Misschien dat ik daardoor nog wel banger zou worden voor de rat, want de kennis van al die overdraagbare ziektes die de rat met zich meedraagt, & hoe die ziektekiemen een mens kunnen bereiken, zouden mijn eigendom zijn. Ik ben zelfs bang dat alle in de loop der eeuwen door de mens verworven kennis mbt tot dit onderwerp, alle paranoia waar ik m’n hoofd maar mee kan vullen, ook daadwerkelijk bij mij er in gestampt zou zijn, gewoon vanwege ’t feit dat ik gerustgesteld over straat wil gaan. Maar des te meer ik weet, des te meer onrust ik met me mee zal dragen.

Roen is bioloog. Roos ook. Maar die komen niet vanavond. Dus voor hen had ik ’t niet hoeven doen. Zij zullen vanavond niet denken: ‘Hmm, er bestaat een grote kans dat onder de bank enkele 10-tallen ondersoorten van ‘t verschijnsel mijt zich bevinden.’
& Dat denken ze dan op een manier zoals biologen met elkaar praten. Pas als ik de keuken in loop om een biertje te halen zouden ze dat hardop zeggen. Hardop op fluistertoon, zodat ik ’t net niet hoor.
‘Ja, & heb je de keuken gezien?’ onverstaanbaar voor mij. ‘Dat is een broeinest voor ptelodopdacter-worm.’
Ter uitleg voor de andere aanwezigen volgt daar dan snel op: ‘Een klein beestje, niet waarneembaar, maar uitstekend geschikt om zich in restanten jus & gemorste gebakken stukjes ei voor te planten op een wijze die een normaal mens alleen eigenlijk kent van ’t konijn, daarbij dermate veel afval producerend, want ’t verteert natuurlijk niet alles dat ’t vreet, dat ’t weer een zeer schadelijke schimmel aantrekt. Zeer interessant om onder de microscoop waar te nemen, maar je moet daarbij wel een gasmasker voor je mond houden.’

‘Wie wilden er ook alweer een biertje?’ vraag ik dan bij terugkomst in de kamer.
Waarop iedereen z’n hand opsteekt, ’t flesje aanpakt, maar voor openen zeer omzichtig de dop afveegt, een glas er ditmaal bij vraagt, om die voor inschenken zorgvuldig te controleren op vlekken & vegen.
Niets vermoedend vraag ik vervolgens wie er ook alweer aan de beurt was.

Zoiets wil ik me niet laten overkomen.
Hoewel ik me heus wel besef dat veel mensen de keuken wat vaker schoonmaken dan ik. ’t Was in de ogen van dergelijke mensen waarschijnlijk hoog tijd dat ik er wat aan deed. Maar ik ben nou 1maal niet geneigd om dat elke dag te doen. Soms zelfs niet om de dag. Of een enkele keer vergeet ik ’t een week lang. Of 2. Meer ook niet.
& Nu Roen & Roos niet komen, de biologen, hoefde ik er slechts voor te zorgen dat ’t huis op zo’n manier rook dat ’t leek alsof ’t schoon was.
Dus ben ik maar bij de wc begonnen.
Wc-schoonmaakspullen ruiken nl ’t schoonst. Ik weet niet wat men er in stopt, ik heb gelukkig geen scheikundigen in m’n kennissenkring, & verheug me bovendien in ’t feit dat ik me wat dat betreft ook behoorlijk onkundig heb weten te houden, maar ’t ruikt minstens een dag lang, niet schoon, maar ’t heeft wel de intentie van een schone geur te zijn.
Ik heb er meteen maar even de douche meegedaan, terwijl ik onder de straal stond de muren met ’t goedje bewerkt.

’t Is maar goed dat ik geen scheikunde heb gestudeerd, want dan zou ik weten waarom ik de hele dag al die schoonmaakgeur in m’n neus heb zitten & wat de verschillende spullen met m’n huid hebben gedaan, terwijl ik vrolijk stond te boenen, te wassen & schrobben tegelijk, terwijl ik slechts dacht dat de straal uit de douchekraan huid & huis aan ’t verschonen was.

Ik moet eigenlijk een beetje oefenen voor over een maand in Zijperspace, wanneer ’t hier blauw ziet.

tango

Hoe heten de mensen die inmiddels dood zijn?

Een beeld van een vage glimlach, een krul in ’t haar. Een vinger die los staat van de hand, een wijsvinger die wrijft langs haar broek. Blozende bleke wangetjes, nog glijend glad van onzichtbaar dons, inmiddels onderweg, maar nog lang niet bij de 1e rimpel aangekomen.
Je raadt Monique, maar Mirjam zou kunnen, of Marjan, Esther kan ook. Dan toch weer Monique, omdat andere meisjes van vroeger al die andere namen bezaten.

Een gezicht van om de hoek, een vraag, vriendin ernaast: of ik mee wil doen met tango, cursus tango, door de studentenvereniging georganiseerd. Studentenvereniging Theaterwetenschap weliswaar, maar ze hebben nog wat extra mannen nodig. Een student Film & Tv mocht dus ook. ’t Leek ze dat ik geschikt was. Ik was in ieder geval makkelijk aan te spreken.
Ze lacht. Een krul in haar mond. ’t Vocht is van haar lippen te lezen. Zachtroze. Ze slaat 1 van haar zwarte lokken naar achter, bescheiden, gedachteloos. Haar handen hangen langs haar lichaam, slank, teder, gesneden op maat. Daar gaat haar vinger, stiekem verborgen onzeker, uitgestoken soepeltjes langs haar broek, de opperhuid teder kervend. ’t Is een spijkerbroek, zie ik in dat verre verleden, versleten gekleurd.

Ik weet dat die vriendin ernaast staat, maar die wil zich niet tonen. Want ik wilde door háár gevraagd worden, haar blozende wangen, haar glanzende ogen van waters waarin verdronken moet worden, niet haar vriendin.
Een zenuwachtig wippen op de tenen.
‘Ach, ’t is toch hartstikke leuk?’
Dat moet haast wel gezegd zijn. Enkele overredende argumenten zijn vast gebruikt, van ‘leuk, met vrouwen dansen’ & ‘tango is een dans van passie’, waar ik me niet door wilde laten vermurwen.
Ik voelde vele blikken priemen in m’n rug, in een verders lege hal.
Ik wilde zo graag, ik wilde haar, ik wilde heus wel haar heupen met mijn handen omvatten.
‘Ik heb vroeger gedanst,’ wierp ik evengoed tegen, ‘een trauma uit mijn jeugd.’
Dansen was moeten, wist ik nog, ongemakkelijke aanrakingen beladen van verdergaande mogelijkheden & bedoelingen, maar gegoten in een keurslijf van pasjes & bijbehorende aangemeten houdingen. Dansen was geminimaliseerde opgedrongen erotiek.
‘Ach, doe ’t toch, we komen 1 man te kort.’
’t Zal ’t dikke meisje wel geweest zijn, ’t dikke vriendinnetje, wiens vormen wel pasten, maar waar ik m’n handen niet aan wilde bevuilen. Ik wilde niet de mindere keus opgedrongen krijgen.
‘Nee,’ zei ik met rode wangen, een druppel zweet gleed over m’n voorhoofd, ‘ik doe ’t niet.’
‘Ahhhh,’ uit 2 kelen, & omkeren weg uit de hal, een blik die guitig nogmaals omkeek, een spijt, maar ook een weten dat zij was ingezet om de jongen te verleiden ’t wel te doen.

Enkele weken later had al dat moois zich omlaag gegooid, van boven naar beneden, van ver hoog boven naar ver laag beneden. Zodat ze ’t zeker wist, dat ze de rimpel nooit zou halen. Ja, de rimpels van de tegels, de rimpels van de bestrating, als afdrukken van haar laatste contact met ’t aardse.
Hoe zal Monique er uit gezien moeten hebben (ze heette toch wel Monique?), verwrongen, verstard, vervreemd, haar glimlach die geen glimlach meer was, haar wangen die niet meer bleek bloosden, maar rood zagen van alles dat zich naar buiten perste, ’t laatste stukje leven.

We dansten een tango, een trage tango in een niet bestaand stukje Zijperspace.

passanten

De 1e kat vandaag liep traag. Hij had de winter achter de rug, dacht ik. Zo liep-ie in ieder geval. Een vermoeiende winter van binnen zitten bij de kachel, zo veel mogelijk slapen & op de schoot van de baas kruipen als die aanwezig was. Hij liep zwaar, z’n buik vol van wintervet, z’n poten sloom van een seizoen lang zo min mogelijk bewegen.
Via de achterkant van m’n tuin, zoals de katten allemaal doen tegenwoordig. Ik heb ze in toom, voor een groot gedeelte. Traag werkte hij zich bovenop de stapel stenen, om zo dicht mogelijk bij de schutting te blijven, inspecteerde vervolgens de grond eronder op passeerbaarheid, wilde blijkbaar zuinig omgaan met de zachte kussentjes onder z’n pootjes, & plaatste zich behoedzaam op de zwarte aarde. Van de week door mij ontdaan van overtollig dovenetel, een pad langs de vele obstakels, tussendoor ’t opkomend groen.
Hij zag mij niet. Wilde mij niet zien. Was er misschien te moe voor. Ik kon bewegen wat ik wilde, achter ’t raam, maar ’t beest had niet de lust zich te verwaardigen mijn kant op te kijken.
Vermoeid trok ’t zich op, omhoog over de balken, die ik enkele zomers geleden heb proberen op te stapelen tot barricade. Daar waar de schutting met m’n buren plots te kort leek, toen de scheiding met m’n achterburen ons 1 meter extra tuin opleverde. De kat trok zich omhoog, verdween uit mijn beeld, zonder een blik mijn kant op.

Een uur later de siamees van enkele deuren verder. 2 Of 3 deuren. De buurman stond er van de week mee in z’n handen toen wij over ’t balkon van 2-hoog hingen.
Ik had net met een harde appel uit mijn tuin op 2-hoog een raam ingegooid. Suze verontwaardigd. Nienke, die ‘m op 3-hoog had willen vangen, giechelig. We inspecteerden de schade, verontschuldigen ons. Ik vooral. & Keken vervolgens de tuinen in.
Buurman stond daar met de kat.
‘Wat voor kat is dat?’ vroeg Suze, zelf eigenaresse van een siamees-gerelateerd exemplaar.
(‘Jij houdt niet van katten, hè?’ had ze me vlak daarvoor gevraagd.
‘Mwah, ik heb geen hekel aan ze,’ had ik geantwoord, ‘maar ze moeten niet bij mij in de buurt komen.’
Waarna we de verrichtingen van de kat van 2 of 3 deuren verder bekeken).
Buurman schreeuwde boven de passerende trein uit: ‘Een cornish rex.’
Of iets dergelijks. Hij moest ’t tot 3 maal roepen. Toen besloot ik dat ik een kattennaam toch niet zou kunnen onthouden.
‘Komt-ie ook wel ‘ns bij jou in de tuin?’ vroeg de buurman aan mij.
‘Ja, dan jaag ik ‘m weg.’
Ze lachten, blijkbaar in de veronderstelling dat ik ’t niet meende. Ik had misschien te veel droge humor in m’n stem gestopt. Maar in ’t vensterbank van de keuken staat m’n plantenspuit altijd gereed om toe te slaan. De kat van 2 of 3 deuren verder heeft er al enige malen mee kennis gemaakt.
‘Heb jij 2 tuinen?’ vroeg ik, enigszins jaloers constaterend dat-ie zojuist over ’t oppervlak van 2 tuinen de bomen had staan snoeien.
‘Nee, ik heb ook de bomen van m’n buurvrouw gesnoeid.’

Die siamees liep dus voorbij. Een cornish rex, of iets dergelijks. Ook langs de achterkant, bang als-ie inmiddels is voor m’n plantenspuit. Hij onderzocht alle boomstammetjes & struiken vandaag. Zette z’n poten ertegenaan & besnuffelde ze op reuksporen. Misschien wel van z’n voorganger vandaag. Hij volgde in ieder geval dezelfde weg. Jong als-ie was steeds er op verdacht iets nieuws tegen te komen. Neus gespitst, lichaam lang gerekt. Vandaag pasten ik & m’n tuin niet in z’n ontdekkingsreis.

& Een uur later. Ik keek per ongeluk weer m’n tuin in. ‘t 3e exemplaar. Geschrokken van ’t feit dat-ie m’n lichaam zag bewegen. Vanachter de ramen.
Een oerhollandse cyperse, constateerde ik. Hoewel ik niet wist of die benaming ook bedoeld is voor een kat die zwart met wit gevlekt is. Dat interesseerde me echter niet. Dit was de zwart-witte kat. Vorig jaar vaak genoeg weggestuurd. Daarna hopelijk bang van mij geworden.
Geschrokken keek-ie mijn kant op. Dat had ik in ieder geval bereikt. Z’n lichaam tegen de stenen ophoging gedrukt, zo plat mogelijk, ogen strak vooruit, groot, op mij gericht.
Ik keek terug.
Zullen we dat spelletje spelen, dacht ik, wie ’t langst de ander aan kan blijven kijken?
Ik maakte mezelf tot standbeeld. Armen over elkaar. Dat ik naar de wc moest negerend. Mijn strengste ogen op de kat gericht.
Hij wint, dacht ik, hij is een kat.
Een trilling door ’t lichaam van de kat. Alsof er een windvlaag van achteren kwam.
Ik win, dacht ik.
Om vervolgens ’t ongeduld in mijn lichaam te proeven. Ik ben geen kung fu-fighter, zoals die in m’n jeugd op tv verscheen, die eeuwig stil kan staan. & Zeker geen kat.
Kat gaat winnen, dacht ik dus. Stomme kat.
Waarop de kat plotseling bewoog. Bevangen door angst, want snel schoot ’t dezelfde vluchtweg op die z’n 2 voorgangers al hadden gekozen. Toen was ’t echter nog geen vluchtweg.
Ik heb gewonnen, dacht ik, gewonnen van een kat.

We slaan de avonturen in Zijperspace van gepaste afstand gade.

trilgedachtes

Om 4.43 uur vroeg ik me af waarom ik juist nú wakker moest worden. Om toch iets te doen te hebben, & bovendien is ’t ondertussen een traditie, zo midden in de nacht, vertrok ik richting wc. Een stevige straal was de rechtvaardiging, ogen die zich amper wilden openen de ontkenning van de noodzaak. Dodelijk vermoeid ging ik weer liggen.

Om 5.55 uur precies, ik zag de laatste 5 op de wekker tevoorschijn springen, bedacht ik dat ik trilgedachtes had. Een dieper inzicht. Ik probeerde deze vaststelling met voorbeelden te staven. Dit ging een ietwat moeilijk, omdat m’n hoofd ’t wat te letterlijk neemt.
(’t Voelt als te veel gedronken hebben, waarbij je hand de volgende dag trilt & moeite heeft voorwerpen te vatten. Of ’t voelt als een blik die niet stil staat. De hele tijd heen & weer schieten, snel registreren om onmiddellijk door te gaan naar ’t volgende object dat in ’t oog valt. Zoals Rapid Eye Movement, ogen die schijnbaar rusteloos de slaap doormaken, zo maken mijn gedachten sprongen die zinloos lijken, geen rust kennen, maar op de achtergrond, ergens verborgen, een reden blijken te hebben. Trilgedachtes; ze kennen nooit rust & bewandelen slechts zelden een pad tot aan ’t eind).
(Ik schrijf een brief aan m’n werkgever, verzoek ‘m daarin om ’t corrigerende salaris waar ik nu al een ½ jaar op wacht, dreig met mezelf ziek te melden, stel ondertussen een biermenu samen, betwijfel of ’t wel door zal gaan, verzin een stuk of 10 teksten, of in ieder geval onderwerpen, maak niets af, een alinea eindigt in een zin, een zin in enkele woorden, een idee in ’t vervolgens vergeten, ik laat me steeds afleiden door ’t volgende onderwerp, dat blijkbaar meer urgentie heeft, dat minder lijkt te vervelen).
(Om controle over mezelf te krijgen, om rust te vinden, om te kunnen slapen uiteindelijk, probeer ik kalm te blijven liggen, in 1 houding. Liggend op m’n rug, handen op m’n borst, benen gestrekt. Ik spreek mezelf toe, bedenk dat ik schizofreen zou kunnen zijn, zo vermanend als deze toespraak m’n hoofd doet vullen, raak daardoor afgeleid, zie daarin de bevestiging van de trilgedachtes, ik ga ze claimen, vraag een octrooi op deze ontdekking aan, ‘Nou moet ik ophouden,’ zegt een woedende stem van binnen, schiet weer in de schizofrenie-gedachte & begin me af te vragen of dat de reden is dat mensen met mij omgaan zoals ze met mij omgaan, & vraag me op gegeven moment af hoelang ik met dit gedrag m’n bed reeds vul).

(Wedden dat ’t precies een uur is?)
Ik keer me om naar de wekker & zie dat ‘t 6.54 uur is.
(Ik heb een automatische klok in m’n hoofd zitten, die slechts een minuut verliest op een uur.)
Ik ben moe van mezelf, verschrikkelijk moe. Ga op m’n zij liggen, m’n rechterzij, voor de 100e keer probeer ik op die manier de vermoeidheid van m’n hoofd naar m’n lichaam te krijgen. Nee, net andersom: van m’n lichaam naar m’n hoofd. & Een minuut later moet ik alweer constateren dat ik opnieuw op m’n rug lig. Ergens heb ik ’t terugdraaien gemist. Besluit daarom onmiddellijk op m’n andere zij te gaan liggen. Da’s lang geleden. Misschien dat ik ’t lekkerder vind.

Om 7.53 uur mag ik nog een ½ uur blijven liggen. ’t Laatste uur is voorbij gevlogen. M’n linkerzij beviel. Ik lig nog nagenoeg ‘tzelfde als na de laatste beweging.
(Maar ’t wordt nu een kwestie van zonde: een ½ uur, of hooguit 3 kwartier & ik moet stoppen met moe zijn).

Om ¼ over 9, om 9.13 uur om precies te zijn (ik wil altijd precies zijn in de ochtend, bedenk ik me weer eens, misschien wil ik de hele dag precies zijn, maar in de ochtend heb ik de tijd om me dat te beseffen), weet ik dat ik te laat ben. 3 Kwartier. Geen stukje vandaag.
(Ik heb me door trilgedachten in slaap laten sussen, af laten leiden, vermoeien, moet ik nu meteen een broodje gaan smeren, thee gaan zetten, of me voor gaan bereiden op m’n snelle weg richting werk, een douche nemen, twijfelen, de kachel aanzetten & een excuus schrijven voor niet verschijnen vandaag?).

Er volgt opnieuw een conversatie die niet te volgen is in Zijperspace.

foto

Ik heb me 's ochtends nogmaals op de bank neergelegd. Rond een uur of 11. ’t Moet daaromtrent zijn geweest. De vogels kwetterden nog.
M’n vader zou tjilpen gezegd hebben. Dat klinkt mij ouderwets in de oren. Ik heb in een woordenboek naar een synoniem ervoor gezocht, maar kon niets anders vinden dan roepen & fluiten.
Nee, de vogels kwetteren vooral, zo rond een uur of 11. Bieden tegen elkaar op. Vooral de mus. De eenzame mus die probeert te laten blijken dat-ie niet op wil geven.
‘Ik,’ zegt ’t mannetje, ‘wil niet opgeven. 't Bestaan van de mus is met mijn bestaan nog niet afgelopen.’
Druk doende z’n nageslacht zeker te stellen. Onder ’t afdak aan de overkant, vlak naast de regenpijp. Man & vrouw schreeuwen de hele buurt bij elkaar om vooral te laten blijken dat ze een voor rovers onbereikbaar nest hebben gebouwd.

Er zijn nog meer geluiden. Maar ik ben niet altijd in staat ze te herkennen. ’t Gaat wel allengs wat beter: soms loop ik naar ’t raam in volle overtuiging dat de mezen weer bezit hebben genomen van m’n tuin. Dat blijkt dan te kloppen. Scherpe hoge uithalen; ik weet alleen niet wie van de mezen daarvoor verantwoordelijk is.
Maar na afgelopen woensdag zullen ze niet al te vaak meer komen. Er is niet veel meer waar ze hun lichaam aan kunnen hangen. Wiegelend, balancerend op de wind & hun eigen onstuimigheid. Daarbij gebruik makend van de restanten van de groei & bloei van afgelopen lente & zomer. Staken die nog doods uit de grond oprezen, maar evengoed stevig genoeg waren om stormen & mezen te overleven.

Ik heb ze weggehaald. ’t Was tijd voor ze om plaats te maken voor ’t volgende seizoen. Ik wilde de wilde hyacint de ruimte geven, zodat ik 'm zou zien groeien. De 1e spruiten guldenroede moesten vrij baan krijgen. Ik wilde opkomende kruiden opnieuw herkennen (ik ben m’n vader met Parkinson die in dit jaargetij prevelend al ‘tgeen zich opnieuw aanbiedt langzaamaan weer van een naam voorziet, voor zover ’t geheugen dat zonder hulpmiddelen toestaat).
M’n tuin is geen kermis meer. Of beter: geen gymzaal waar alle toestellen uit ’t materiaalhok zijn gehaald om uitgebreid te kunnen apenkooien. Losstaande eilandjes van gekortwiekte lage struikjes, enkele kleine boompjes, ook zij gesnoeid om hun bloei straks beter te laten uitkomen. De vogels hebben weinig opstaande staken over om naar toe te springen, tussendoor te glippen, te onderzoeken op voedsel.
Ik moest wel, hou ik mezelf voor, ik moest wel oud wegruimen om jong toe te laten.

Daarom lig ik op de bank. ’t Heeft geen zin te kijken wie daar kwettert. ’t Vindt allemaal plaats in de woeste jungle, de niet onderhouden woestenij van m’n achterburen. Ik kan hooguit een schim zich af & toe zien losmaken uit ‘t takkendoolhof dat boven hun schutting uitstijgt, te snel om te kunnen waarnemen wie ’t is. De mus, of de mees, pimpel, kool of staart, misschien wel ’t roodborstje, 2 keer gesignaleerd, of ’t winterkoninkje.

Wellicht dat die laatste nog terugkomt. Hij had slechts de takken & staken nodig om er achterlangs te kunnen glippen. Toen ik ‘m voor ‘t 1st zag, dacht ik dat ’t een roodbruine muis was, glibberde ‘t langs de gele schutting van m’n buurvrouw, laag bij de grond, korte hupjes naar een volgend onontgonnen stukje aarde, groen. Ik zette m’n bril op & zag vleugels aan de muis zitten. Toen was-ie meteen verdwenen.
Een paar dagen later, ’t sneeuwde natte vlokken, zag ik ‘m weer. Tussen de bloempotten op de veranda. Ik hield me ½ verscholen in de schaduw van ongeopende gordijnen. Hemelsbreed hooguit 2 meter van me vandaan hupte ’t vogeltje. Ik pakte m’n bril wederom, knipperde een paar keer met m’n ogen, alsof ik daardoor ’t beeld voor eeuwig zou kunnen opslaan. Een foto nemen, die nooit verloren gaat, door wat je ziet voor kort af te sluiten, dan brandt ’t beeld je geheugen in. Een truc uit m’n jeugd; ik geloofde er vroeger heilig in.
’t Beestje controleerde elke bloempot. Hing aan de rieten mand om beter de inhoud te kunnen onderzoeken, greep met z’n snavel naar wat overhangend groen. Liet zich vervolgens vallen, wipte door de smalle openingen tussen de potten in, inspecteerde de volgende.
M’n lichaam moest in een hoek zetten om te zien of ’t vogeltje er nog steeds was. Hoofd scheef, tenen gestrekt, nek naar voren, neus bijna tegen ’t raam.
Nadat ’t alle bloempotten had gehad, vervolgde ’t winterkoninkje z’n ontdekkingsreis via diezelfde schutting als de vorige keer. Ik zag weer een muis met vleugels m’n tuin verlaten.

Ik ben naar buiten gelopen. Sloffen aan. Via de keukendeur stapte ik m’n huis uit. De sneeuw bleef doorgaan met geruisloos vallen. Als een laken dat je net uitgeklopt hebt & zachtjes tegengehouden wordt door de lucht die zich er nog onder bevindt, zeeg ’t langzaam naar de aarde. Zonder geluid.
De witte muiltjes van ’t winterkoninkje, dacht ik, bij elke stap had ’t weer een nieuw paar aan.
Ik hoorde in de verte een kind huilen. Een moeder riep. Ver van me verwijderd waren bouwvakkers bezig hout elektrisch te zagen. 1 Van m’n buren had zacht de radio aan. Hard genoeg om ’t geluid naar buiten te laten sijpelen. De tuin was leeg.
Ik sloot m’n ogen & bekeek de foto.

Ik zocht wat plakkertjes, om ’t beeld op te nemen in ’t album over Zijperspace.

weg

‘Ga maar snel weg,’ zei ze.
‘Ja, ik ga maar snel weg,' zei ik.
Ik keek nog even naar de bewaker. De man in ’t pak. Hij stond te praten met een klant die de weg moest vinden. Hij had niet door dat ik met een cd de deur uitging. Ik ging maar snel weg.

Ik had ’t stickertje zien zitten op ’t moment dat ik ’t boek thuis had uitgepakt.
Dat stickertje heb ik daarnet ook gezien, dacht ik, maar waarom heb ik niks tegen de caissière gezegd?
Ik probeerde me de situatie weer voor de geest te halen. Kon me alleen de betaling herinneren, ’t terugstoppen van m’n pinpas.
‘Vraag aan de kassa naar de gratis cd,’ stond op de rode sticker.
Een vluchtige blik op de sticker schoot me te binnen. Op ’t moment dat ik ’t boek van de stapel pakte. De gedachte: dat zal toch niet zoveel voorstellen. Vervolgens ’t grijpen naar m’n portemonnee om zo snel mogelijk aan betaling te kunnen voldoen. Ik vind kopen leuk, maar de handeling betalen dient zo snel mogelijk achter de rug te zijn. Geeft te veel onzekerheid.

Ik peuterde ’t stickertje van ’t boek. ’t Gaf mee. Geen vette klevende vlekken op ’t boek.
Stickers horen niet op boeken, ook niet op cd’s. Dan krijg je ’t artikel niet zoals ’t bedoelt is. Extra troep om ’t artikel er nog aantrekkelijker uit te laten zien, reclameleuzen, lokkertjes.
‘Including the last hit.’
‘Vraag aan de kassa naar de gratis cd.’
‘Met gratis bonus-cd.’
‘Nu met € 2,- korting.’
Vaak moeilijk te verwijderen. Verkeerde lijm. Word je tot in de lengte van dagen aan herinnerd.

Ik wilde m’n cd, besloot ik. Ik had er recht op. Waarom had de caissière niets gezegd? Ik was toch zeker niet de 1e die ’t boek kocht? Afgelopen weekend had elk boekenkatern over ’t boek geschreven. Dan moesten caissières bij Scheltema van meer weten.
Ik had alleen de kassabon al weggegooid. & ’t Irritante stickertje verwijderd. Geen poot om op te staan. Ik kon niks hard maken.
‘Ja, mevrouw,’ bereidde ik me voor, ‘ik heb hier van de week dat boek gekocht waar je gratis een cd bij hoort te krijgen. Maar ik heb niks gekregen.’
Daarbij wijzend op een stapeltje cd’s achter de rug van de caissière. Want ik kon me vaag een stapeltje cd’s herinneren.
‘Nee, mevrouw,’ bereidde ik me verder voor, ‘ik heb ’t bonnetje niet meer. Maar er zullen vast meer mensen zijn die de cd niet hebben gekregen. Dan blijven jullie straks met een hele hoop cd’s zitten.’
Ik oefende per ongeluk m’n zielige gezicht toen ik even later de spiegel in ’t toilet passeerde. Wist echter niet of ik wel durfde.

Er valt niet veel te durven, dacht ik enkele dagen later, 5 uur ’s middags, ik had reeds 2 bier in m’n stamcafé genuttigd. Als ze weigeren, dan kan ik altijd nog naar de volgende winkel waar ze ’t boek verkopen. Met ‘tzelfde verhaal.
Maar ik wist tegelijkertijd dat ik dat al helemaal niet zou durven. Ik durf niets dan de waarheid. Zogauw er een vraag gesteld gaat worden, moet ik gaan liegen. Daar krijg ik rode wangen van, weet ik uit m’n jeugd.
Ik was al onderweg naar Scheltema. Op de fiets. Alle scenario’s passeerden de revue.
‘Wat voor boek?’
‘Wanneer heeft u ’t gekocht?’
‘Kan u zich de verkoper nog herinneren?’
‘Weet u nog hoeveel u voor ’t boek heeft betaald?’
‘Waar is uw bonnetje?’
‘Waarom zit er dan geen stickertje meer op uw boek?’
Caissières zijn bitches, dacht ik toen ik bij Scheltema binnenliep.

‘Ik heb van de week hier ’t laatste boek van Rob van der Linden gekocht, ‘Het logboek van Brandaan’, maar ik heb er geen gratis cd bijgekregen.’
‘Welk boek?’
‘Deze hier,’ & ik haalde ’t boek uit m’n tas tevoorschijn. ‘Er zat een stickertje op dat ik de cd aan de kassa moest vragen. Maar dat stickertje zag ik thuis pas.’
‘Daar hoort helemaal geen cd bij.’
‘Jawel. Er zat hier een stickertje op. Of heb ik nou ’t verkeerde boek meegenomen.’
‘Laat ‘ns zien. Waar heeft u ’t vandaan gehaald?’
‘Hiervandaan. Van de romanafdeling.’
‘Ik zal ‘ns kijken.’
(Stilte)
‘Oja, hier ligt een stapeltje cd’s.’
(Stilte)
‘Ga maar snel weg.’

Ik pakte de cd aan & voelde me alsof ik op de lagere school een strafbeurt had gehad, maar dat mocht niemand weten. Zeker m’n ouders niet.

Ik ging maar snel weg, terug naar Zijperspace.

bukken

Ze noemen ’t tandplak geloof ik, maar wat ’t daadwerkelijk inhoudt, weet ik niet. ’t Voelt in ieder geval als een dikke laag viezigheid op m’n tanden. Vooral aan de binnenkant van m’n linkerkies. Alsof ik die overgeslagen heb, gisteravond, vlak voor ’t slapen gaan.
Ik vind zelf dat ik best ijverig ben in ’t hanteren van de borstel. Zelfs dermate ijverig dat ik de laatste tijd last heb van m’n rechterarm, de arm waaraan de hand vastzit die de borstel tijdens ’t poetsen omklemt, als ik driftig op & neer, heen & weer beweeg. & Ondanks die noeste arbeid, die ik elke dag 2 maal volvoer, weet mijn tandarts mij te laten krimpen van de pijn bij ‘t ½-jaarlijkse bezoek als zij de aanslag onder handen neemt.
Tenminste, ik geloof dat ze de aanslag aanpakt. Zeker weten doe ik dat niet, want ik praat bijna niet tijdens mijn bezoek aan haar. Ik hou de hele tijd m’n mond open, maar slechts een enkele keer word ik in staat gesteld iets te zeggen. Meestal gaat die communicatie dan niet verder dan ‘Gaat ‘t?’ van haar kant & een grommend ‘Aaa aah ah’ van mijn kant, waarbij mijn ogen proberen te illustreren of dat positief of negatief geïnterpreteerd moet worden.
Ik neem me wel elke keer voor een kort contact te maken met m’n tandarts. Voor of na de behandeling. Zodat ik toch iets meer over de situatie te weten kom. Wat er met me is gebeurd of gaat gebeuren & waarom ’t noodzakelijk was dat dit gebeurde of gaat gebeuren. Ik noem maar een voorbeeld. De laatste keer, m’n mond verdoofd aan beide zijdes, kwam m’n geïnteresseerde vraag niet verder dan: ‘Ben ik niet onwijs gespannen als ik in die stoel lig, vergeleken met anderen?’
Dat is onzekerheid, dat ik zo’n vraag stel. Ik wil aardig gevonden worden. Ook door m’n tandarts.
Mijn tandarts wist dat goed op te vangen door te zeggen dat ’t wel meeviel. Ik zou haar moeten zien als zij door een collega te pakken werd genomen.
De opmerking ‘Dat zou ik inderdaad wel willen zien,’ heb ik voor me gehouden. Die hoor je niet te maken tegenover een dienstverlenende dame, waarvan elke proportie van ’t lichaam precies overeen komt met ‘tgeen mij, in vrije tijd situaties, zal ik maar zeggen, dermate kan boeien dat ik de contouren ervan zonder verpakking in gedachten al voor me zie.

Al met al bij die visite dus weer niet veel wijzer geworden van ‘tgeen er zoal plaatsvindt in mijn mond. Slechts dat ik best wel ontspannen erbij lig, in vergelijking dan met de gemiddelde klant die ze op haar stoel aantreft. Terwijl ik toch eigenlijk veel meer geïnteresseerd ben in ’t vraagstuk waarom ze m’n tandplak elke keer zo hardhandig moet aanpakken. & Of dat inderdaad tandplak heet.
Ik stel me er allemaal minuscule beestjes bij voor. Die je pas onder de microscoop gewaar kunt worden. Minuscule beestjes die zich tegoed doen aan alles wat zich in die regio bevindt. Etensresten, ademhalingsbijproducten, speekselafzet, huidschilvers, etcetera.

Ik heb wel ‘ns extreme uitvergrotingen gezien van beestjes die zich in ’t menselijk lichaam bevinden. ’t Stond in 1 of andere krant. In kleur. Om te illustreren hoe goed men tegenwoordig kon uitvergroten mbv een speciale giga-microscoop.
Die beestjes waren heel eng. Rare vormen, & voor de grootte van hun lichaam ontiegelijke slachttanden. Dat stond gewoon niet in proportie: zo’n lichaam & dan zulke tanden. Als ’t al tanden waren, want de vormen van hun lichamen waren naar mijn mening al ontzettend vreemd, wie zei dat de uitstekende spietsen dan gedefinieerd konden worden als tanden. & Van tanden wist ik zowiezo al niks, daar wilde ik elke keer voor bij m’n tandarts te rade gaan, maar dan wist ik weer geen woord uit te brengen omdat haar vingers & die van de assistente zich in m’n mond bevonden, alsook een pruttelende afzuiger & een ronkende boor, juist op ’t moment dat die vraag mij weer te binnen schoot.

Maar als ik met m’n tong over die ene tand ga, die linkerkies, aan de binnenkant, dan denk ik de hele tijd dat ik misschien wel ontzettend veel beestjes dood. Ze proberen zich te verdedigen, hun slachttanden wild om zich heen zwaaiend, pogingen ze in mijn tong vast te zetten, zodat ik minuscule pijnsensaties zal ondergaan. Minuscule pijnsensaties; je zou zeggen dat ik me daar geen reet van aantrek, maar die kleine beestjes weten beter: ze doen ’t met z’n miljoenen tegelijk, & dat in allerlei soorten & maten.
Ik heb natuurlijk niet alle kleine beestjes kunnen zien. Ze hadden maar een kleine selectie in de krant geplaatst. De plaatjes die er ’t meest huiveringwekkend uitzagen. Of de plaatjes waar de meeste slagtanden per 4-kante mm te ontwaren waren.
Die slagtanden worden dus massaal in mijn tong gezet, waardoor ik de ’t gevoel krijg dat m’n tand wel heel vies is. Zo voelt dat als miljoenen minuscule slagtanden zich in je tong vastbijten. Zo vertalen m’n hersenen waarschijnlijk de stroom aan minuscule pulsjes die van m’n tong afkomstig zijn..
Ik moest dat gebit van mij maar ‘ns gaan poetsen, denk ik dan. & Nu eens goed. Zodat alle beestjes voor zeker 12 uur verdreven zijn.

& Voor ’t volgende bezoek stellen we een vragenlijst samen voor de tandarts in Zijperspace.

Dit staaltje lijfloggen wordt u speciaal bezorgd ihkv de 6e aflevering van de cursus Lijfloggen, getiteld ‘Buk!’, weer beschikbaar gesteld via de website van About:blank.

schelpen

Maarten haalt z’n geld uit z’n broekzak. Een schelpje valt daarbij voor me op de toonbank. Een miniatuurversie van de schelpen die we vroeger aan ons oor zetten om de zee te kunnen horen.
Hij pakt ’t op, kijkt er even zorgvuldig naar, fronst z’n wenkbrauwen.
Ik kijk met ‘m mee. Nieuwsgierig hoe hij ’t schelpje in z’n broekzak heeft gekregen.
‘Ja, ik werkte vroeger in ’t Pakhuis,’ zegt Maarten.
Met sonore stem. Alsof ‘t ‘m niet echt interesseert. In gedachten misschien ook nog wel.
‘Oh, vandaar die schelp?’ zeg ik.
‘Nee,’ zegt Maarten.
Hij wrijft z’n hand over z’n kin. Ik hoor de stoppels ritselen onder z’n vingers.
‘Ik stond daar achter de bar.’
Bijna onverstaanbaar. Ik maak er voor mezelf maar een zin van. Zodat ik meen te begrijpen waar-ie ’t over heeft.
Dat was dus ’t verhaal achter die schelp, denk ik ondertussen. ’t Zal wel. Jammer dat ik zo doof ben.
‘Oh,’ reageer ik dus maar gemakshalve.
Daarmee laat ik voor Maarten de weg open z'n verhaal te verduidelijken.
Ik kijk Maarten aan, in afwachting ook van ’t geld dat ik nog van ‘m moet krijgen.
‘Komt er dus een man,’ gaat Maarten verder, ‘een ouwe vent, met een grijze baard ongeveer tot hier.’
Hij wijst de bovenkant van z’n borstkast aan. Wrijft met z’n vinger vlak boven z’n bovenlip ten teken dat er ook een snor aan vast zat.
‘Hij keek een beetje raar uit z’n ogen, maar ik dacht: daar is niks mis mee. Ik was dat soort mensen wel een beetje gewend in de kraakscene.’
Maarten leunt een beetje achterover. Haalt adem.
‘Hij bestelt dus een biertje bij me. Ik zet ‘m voor ‘m neer & zeg: "Da’s dan 1,50." Dat zal de prijs ongeveer geweest zijn. In guldens.’
Hij stopt z’n hand in z’n broekzak. Haalt ‘m er weer leeg uit. Met een lege hand telt Maarten af hoe vaak hij de toonbank raakt met z’n duim.
‘Die man zegt dus: "Da’s 1. Da’s 2. Da’s 3. Da’s 4. Da’s 5." & Hij legt allemaal schelpjes neer. Op een rijtje. Waarop hij naar me kijkt.’
Maarten kijkt mij aan. Met een vragende blik. Ik doe ’t toch goed, lijkt z’n blik te zeggen. Meteen daarop kijkt-ie weer serieuzer.
‘"Nee," zeg ik tegen die man, "’t Is 1,50." Dus die man stopt weer z’n hand in z’n zak.’
Maarten doet ’t weer voor.
‘& Gaat weer verder met tellen. Allemaal schelpjes. Op een rijtje. "Da’s 6. Da’s 7. Da’s 8. Da’s 9. Da’s 10."’
Hij drukt ze voor me neer op de toonbank. Ook al zijn ze er niet.
‘Die man kijkt me weer aan. Weer die vragende blik.’
Maarten kan ’t precies nadoen.
‘Ik zeg: "Hier, heb jij een biertje." & Ik zet ‘m een biertje voor.’
Hij pakt z’n eigen bier, die hij nog niet betaald heeft, & zet ’t voor mij neer.
‘Ik vond ’t mooi hoor, willen betalen met schelpen,’ lacht Maarten om z'n eigen verhaal. ‘Maar ik was achteraf vooral nieuwsgierig hoeveel schelpen hij bereid was te betalen.’

We weten eigenlijk ook niet wat schelpen in Zijperspace tegenwoordig doen.