overkant

‘Hoi, Ma,’ zei ik, ‘zijn die jongens nu al ‘ns vertrokken?’
‘Ja, die zijn meteen na jou weggegaan.’
‘Oh, ja, ik zie ze nu aankomen. Nou, doeg. Dan zie ik je vannacht wel.’
‘Ja, de groeten aan Pa.’
Ik hing op & keek naar de auto die aan kwam rijden.
Jan reed z'n auto naar een vrije parkeerplek. Onderwijl wende ik m'n blik naar de overkant, onze oude school ‘t Joco, waar de organisatie van de reünie buiten van de zon aan ’t genieten was. Enkele reünisten zaten al voor de oprit van de school te wachten tot ’t gebeuren zou gaan beginnen.
‘’t Zou best kunnen dat Pa slaapt,’ zei ik toen m’n broers arriveerden.
Ik keerde me om, m’n rug naar ’t Joco, gezicht naar de Koogh.
‘Ja, moeten we maar kijken wat we dan doen,’ zei Theo.
Ik zette de fiets van m'n moeder op slot & liep achter m’n broers aan richting de afdeling van m’n vader.

‘Onze vader slaapt zeker?’ vroegen we aan de 1e verpleegster die we tegenkwamen.
‘Ja, hij doet z’n middagdutje,’ antwoordde ze.
‘We kunnen ook later terugkomen,’ zei Jan. ‘Tussendoor.’
‘Nee, je weet toch dat ’t er dan niet van komt,’ zei ik, ‘met zo’n reünie.’
‘Ik kan ‘m wakker maken,’ stelde de verpleegster voor.
‘Volgens mij kunnen we dat ’t beste doen,’ zei ik. ‘Hoe lang ligt-ie nu te slapen?’
‘Oh, eigenlijk niet eens zo lang. Ik heb ‘m net wakker moeten maken om ‘m z’n pillen te laten slikken.’
‘Zie je, dan kost ’t waarschijnlijk toch niet zoveel moeite.’
De verpleegster liep voor ons uit naar ’t bed van Pa.
‘Meneer Zijp. Meneer Zijp, u heeft visite.’
Ze schudde hem een beetje. Hij werd traag wakker. Werd vervolgens opzij gemanoeuvreerd & rechtop gezet. Benen buitenboord.
‘Kijkt u eens. U heeft visite. U kent ze wel.’
Hij lachte. Keek achterom, naar de foto’s boven z’n bed. Z’n blik vestigde zich op een foto van de hele familie in Volendamkostuum. Herkenning. Hij had de goede foto te pakken.
‘Mooi gezelschap,’ zei hij.
We lachten met ‘m mee.
‘Maar da’s vooral omdat ik er deel van uit maak,’ zei hij erachteraan, z’n hoofd naar ons wendend.
Hij lachte, wilde ons gedag zeggen.
‘Wacht even, meneer Zijp,’ zei de verpleegster, ‘even uw sokken & schoenen aan.’
Maar hij stond al. We bogen omstebeurt voorover om hem gedag te zoenen. Daarna liet-ie zich pas z’n schoeisel aanmeten.

‘We nemen de trippelstoel gewoon mee,’ zeiden we.
Pa steunend in de armen van Theo & mij, Jan met 't karretje achter ons aan.
‘Hij loopt al zo weinig,’ zei ik, ‘dan is elke wandeling meegenomen.’
Ik begin mezelf te herhalen, bedacht ik me.
‘Zullen we naar buiten gaan?’ stelde Jan aan m’n vader voor.
Hij humde.
‘Ja, Pa,’ zei Theo, ‘zo vaak kom je niet meer buiten. & Nu is ’t lekker zacht.’
Hij hobbelde tussen ons in de schuifdeuren door.
Ik vroeg me af hoelang ’t geleden was dat-ie buiten was geweest.

‘Laten we hier naar links gaan,’ zei Theo. ‘Komen we aan de achterkant van 't gebouw uit, bij Pa z’n afdeling.’
We liepen langs ’t grasveld. Keken naar de overkant, waar steeds meer mensen voor de reünie arriveerden.
‘Hoor!’ zei Jan. ‘Dat moeten staartmezen zijn.’
We stonden even stil. Luisterden.
‘Hoe kan je dat horen?’ vroeg Theo.
‘Dat “prrrrrrrrrrrrrt”,’ zei Jan.
Pa stak z’n neus in de wind.
‘Ik heb ook staartmezen in m’n tuin,’ zei ik.
‘Daar,’ zei m’n vader, ‘daar hebben we ’t ook van..... Hoe heet ’t ook alweer?’
We luisterden. We leken de rest van de zin uit m’n vader te willen trekken. We trokken ‘tzelfde gezicht als Ma altijd doet. Wachten op wat verder komen gaat. Evengoed berustend, omdat je weet dat er een grote kans bestaat dat ’t niet zal komen.
We waren broers, dacht ik.
M’n vaders neus stond in de wind, wachtend tot de overige woorden zouden arriveren.

‘Pa,’ zei ik, ‘neem nog een slokje van je thee.’
Ik schoof ’t kopje een stukje naar ‘m toe.
Jan & Theo praatten verder. Jan grinnikte om z’n eigen anekdote.
Ik keek naar de klok. ¼ Voor 3. Nog een kwartier.
Er liep iemand voorbij. De aandacht van m’n vader raakte afgeleid van z’n thee. Hij had ’t koekje nog wel vast, maar deed er niks mee.
‘Ja,’ zei hij, ‘hij heeft ’t van iemand.’
‘Wat zeg je, Pa?’ zei Jan.
‘Neem nog een slokje, Pa,’ zei ik nogmaals.
M’n vader was echter in z’n hoofd aan ’t zoeken waar-ie de voorbijganger van kende. & De woorden, de eeuwige woorden die kwijt waren.
Ik wees naar z’n koekje.
‘Neem nou toch een hapje.’
‘Ja, de reünie begint zo,’ zei Theo. ‘Stel je voor dat je te laat komt.’
‘Ik kan nou 1maal niet tegen te laat komen,’ mompelde ik.
‘Zeg, Pa,’ zei Jan, ‘de heer Bremer, Jan Bremer komt ook. De vroegere directeur van ’t Joco. Zullen we die de groeten doen? De groeten van de vroegere directeur van de Lichtbaak.’
M’n vader keek ‘m vragend aan.
‘Ken je Jan Bremer nog? Daar heb je een paar boeken mee geschreven over Wieringen en dergelijke.’
Zelfde blik.
‘Zullen we de groeten doen?’
‘Neem nou maar een slokje, Pa,’ zei ik. ‘’t Is nu niet heet meer.’

‘Blijf jij in Den Helder slapen?’ vroeg Carla een uur later.
‘Ja, ik slaap bij m’n moeder.’
‘Je vader dan? Woont die niet meer bij je moeder?’
‘Nee, die woont aan de overkant.’

Een heel ander land, de overkant van Zijperspace.

kijken

Je moet proberen te zien zonder te kijken. Ze moeten ’t niet doorhebben. Ze weten heus wel dat zo goed als elke man kijkt, maar ze mogen niet weten dat ík kijk.
Dus kijk ik met een bocht.
Ik zie ze in de verte aankomen. Staande in de deuropening. Ze kunnen van links & van rechts komen. Dus wissel ik zo af & toe mijn aandacht. Ik weet dat ik, omdat ik op dat soort momenten m’n bril niet draag, toch niet alles meteen kan registreren. Dus peil ik links & peil ik rechts.

1 Maal zat ik met de jongen op ’t terras die me had verteld dat de ergste dag van ’t jaar de dag was dat de vrouwen weer naar buiten kwamen. Als ze opeens geen jasje meer droegen. Dan gingen de hormonen van de man gieren. Vooral als er nog net een klein beetje wind stond, een wind die van net om de hoek kwam & van de onderste regionen van ’t lichaam naar hoger een rilling deden veroorzaken. Dat waren de ergste dagen voor een man, zei de jongen, dus daar moest je van profiteren.
We zaten op ’t terras. In een tochtig straatje. Niet met opzet, maar ’t dwong ons wel langer te blijven zitten dan we van plan waren geweest.
Hij keek links & ik keek rechts. Hij was van de billen & ik van de borsten. Maar gezeten naast elkaar hielpen we elkander. Een stootje tegen de elleboog zei genoeg.
Hij probeerde me ook uit te leggen over de billen. Ik wilde echter niet snappen waarom hij dan in een tochtig straatje ging zitten.
‘Kijk, Ton,’ zei hij, ‘die borsten zijn er zowiezo. Maar de billen moet je ontdekken. Daar moet je een geoefende kijker voor zijn.’
’t Enige waarmee ik me kon verweren was te zeggen dat ik juist niet wilde dat men zag dat ik keek. Dat dat ook een kunst was. Als een schilder die ’t middelpunt van divergerende lijnen probeert te creëren, zonder dat men door heeft dat-ie manipuleert.
Dat kreeg ik er niet in. Hij bleef een billenman. Toch kon-ie de 1e dag van ’t jaar ’t huis niet in voordat de zon onder was gegaan.

Als ik verderop een vrouw aan zie komen lopen, probeer ik nog voor ze zien dat ik kijk te taxeren wat ze in huis hebben. De contouren worden afgebakend, in zoverre dat zonder bril mogelijk is.
Schommelen ze, laten ze schaduw vallen, zijn ze er trots op, wat voor bh wordt er gedragen, hangt er een jasje of een sjaal overheen, een dikke trui wordt overgeslagen, waar liggen de 2 middelpunten & hebben die last van de wind.
Dat alles in 1 oogopslag vast te stellen.
Nonchalant kijk ik dan verder, een auto passeert, een levering aan de overkant, een moeder met kinderwagen wil oversteken, een junk gilt voor de supermarkt. Voldoende om zogenaamd de aandacht op te richten. Bovendien dient de andere kant, de andere ooghoek, ook in de gaten gehouden te worden. Even quasi-ongeïnteresseerd.
Om dan, als ze zich veilig wanen, ’t jasje waait open, maar niemand die er notie van neemt, toe te slaan. Dan kijk ik hoe koud ze ’t heeft & of ze daar gevoelig voor is, terwijl zij kijkt waar ze naar toe gaat, naar de weg die voor haar ligt, want vrouwen doen altijd alsof ze niet naar mannen kijken, zeker niet als ’s mans blik de hunne kruist.

Maar terwijl er uit de verte van links een exemplaar kwam lopen die zeker geschikt was voor nader onderzoek, ik zag een deining, een op & neer gaan, die bij anderen slechts voorkomt bij ijverig touwtjesspringen, kwam er van rechts, van dichterbij, maar later opgemerkt door de schotten van ’t terras van de ierse pub die ’t zicht beperkten; van rechts dus kwam er onderwijl 1tje die mijn blik bestudeerde.
Vanachter haar rode shirtje zag ik wat zij met zich meedroeg. Ze liep tegen de zon in, ’t shirt was dun, & ze had een bepaalde gevoeligheid voor de vroege niet al te warme lentemiddag. Zonder dat zij kon bemerken dat ik dat concludeerde was deze vaststelling al geschied. Mijn geoefend oog heeft slechts een glimp nodig.
Zij greep mijn blik vast. Priemend drong zij m’n hoofd binnen. Vanachter opwapperende haarlokken, een krulletje schoof langs haar rechteroog, keek zij of ik keek.
Ik besloot tot een snelle terugkeer naar links met mijn aandacht, maar keerde nog dezelfde tel terug naar rechts.
Niet dat ik betrapt was. Ik was eerder gevangen. Alsof ze een net om me heen had gegooid & ik spartelde om er uit te ontsnappen.
Haar borsten, haar borsten, dacht ik, ze schenen zo mooi onschuldig door haar shirt.
Maar ik kon ze niet meer te pakken krijgen, zo drongen haar ogen in die van mij.
& Bij elke stap naderde ze, kwam ze dichterbij, werd mijn bril minder noodzakelijk, werd-ie minder gemist.
Op ’t allerlaatste moment, de tel voor ’t passeren, ’t ogenblik van de dichtste nabijheid, schoot haar gezicht in een glimlach, haar wimpers wipten omhoog, ’t krulletje schoof opzij & recht m’n ogen in lachte ze, sleurde ze me de rest van haar wandeling met zich mee.
Dacht ik.
Want toen was ze voorbij.

Ik keek nog snel even opzij, naar rechts, naar de billen van de vrouw die ik net gemist had.

Een plotse windvlaag veegde de straat schoon in Zijperspace.

taal

’t Begon gemoedelijk. Vanuit m’n stoel in de zon hoorde ik 2 marokkaanse mannenstemmen in de tuin achter de schutting praten. Ze overlegden.
Hoewel ik ze niet kon verstaan, wist ik dat ze ’t over de tuin hadden. Ze waren bezig met planten & zaaien. Af & toe hoorde ik een schep over steen schrapen. Een zucht van inspanning klonk over de schuur. Alsof zweet ook geluid is.
Ik had 1 keer de tuin in vol ornaat gezien. Vanaf ’t balkon van de bovenburen. Een feestje in de vroege avond, aan ’t eind van de zomer. De tuin stond klaar om geoogst te worden.
’t Was een grappig gezicht geweest, vertelde m’n buurvrouw later: hele gezinnen waren langs. De mannen oogsten, de vrouwen zaten op ’t balkon de groenten te wassen & snijden. Hele emmers vol.
Ik had die dag ook wel meegemaakt, maar kon door de schutting niet meer zien dan een aantal vrouwen op ’t balkonnetje.
Een heel andere tuin dan die van mij, concludeerden we op dat feestje. Zij hebben die tuin om groenten te verbouwen, geld te besparen, denkelijk. De tuin van autochtonen zijn hobbytuinen, een wildernis die van mij.

De achterbuurvrouw kwam op ’t balkon staan. Ze zei iets tegen haar man.
Hij schreeuwde verongelijkt terug. & Ging vervolgens verder met z’n conversatie met de andere man.
Ik probeerde m’n boek te lezen. Werd opgeschrikt door ’t schreeuwen.
Kan dat niet wat zachter, wilde ik over de schutting heen zeggen. Maar hield m’n mond.
Je weet niet hoe dat valt. Ik ken ze niet, ik ken hun cultuur niet, ik weet de codes niet. Ik weet niet eens de reden van z’n woede. Ik versta hem niet.

Z’n dochter kwam naar buiten. Ze vroeg iets.
‘Nee, nee,’ zei de man, nu in ’t nederlands. ‘Jij moet gaan werken. Binnen. Ik wil dat je er aan werkt.’
Te verstaan ditmaal, maar zonder betekenis nog steeds.
Ze mompelde iets als antwoord op haar vader.
Hij schreeuwde weer. Marokkaans ditmaal.
Ik vroeg me af hoe ze gewoonlijk communiceerden. Zonder buren die meeluisterden.

’t Volgende slachtoffer was ’t zoontje. Hij moet inmiddels 7 of 8 zijn, want voordat de schutting werd geplaatst was-ie een jaar of 4-5. Nu kon ik ‘m niet zien, maar ik stelde me z’n gestalte voor. Z’n stem vervolmaakte een beetje ’t beeld.
Woede. ’t Hele gezin zat de achterbuurman vandaag dwars. Ze moesten ’t in ieder geval allemaal ontgelden. Een tuin brengt blijkbaar veel stress met zich mee.
Z’n vrouw zei iets. Ik hoorde haar stem vanuit ’t huis de tuin in komen. Toen was ’t hek van de dam.
Hij bleef schreeuwen. Z’n stem sloeg over. & Terwijl-ie tegen z’n echtgenote uitviel, liep-ie naar binnen. De uithalen van z’n stem werden lichtelijk gesmoord, maar weergalmden evengoed tegen de muren in de omtrek.
Ik hoorde een licht commentaar, een snik, een poging waarschijnlijk om de situatie uit te leggen, een poging de gemoederen te kalmeren. Met blijkbaar tegengesteld effect. & Onderwijl trok ’t tieren dieper ’t huis in.

Ik keek naar vlindertjes. Bedacht me hoe ’t mogelijk zou zijn hun bewegingen te omschrijven.

Een klap van de deur. Aan de andere kant van ’t gebouw. De stem van de buurman die boven alles uittorende. Boven de passerende trein, boven de plots zwijgzame zang van de vogels, boven de muziek van m’n bovenbuurvrouw uit. De stem die steeds verder trok, de straat in, iets achterna, de stem die langzaam verdween, de moed opgaf, me op een gegeven moment niet meer kon afleiden.

Vanochtend stond-ie weer in de tuin. Ik hoorde weer een schep tegen stenen aan schuren. ’t Geluid van zand ertussen. De steen hoorde ik op een andere steen terecht komen. Z’n vrouw vroeg ‘m iets, vanaf ’t balkon. Ik kon nog net haar hoofddoek zien. Hij antwoordde. Rustig nu.
Ik las een boek, & keek af & toe naar voorbij fladderende vlindertjes.

Vroeg me ondertussen af welke taal ik moest spreken in Zijperspace om gebeurtenissen verstaanbaar te maken.

rondedans

Toen de zon ’t felst scheen, hij was er nog maar net, kwamen ze m’n tuin opfleuren. Omstebeurt, tegelijkertijd. In elkaars kluwen verstrengeld, door elkaars dans zich van elkaar verwijderend.
Ik weet eigenlijk niet of koolwitjes ruzie maken. ’t Zou een romantische liefdesdans kunnen zijn, maar ook ’t tegendeel. De natuur is meestal eenvoudiger dan de op hol geslagen fantasie van een mens; hij droomt zichzelf idylles.
Ik stel me er een vertraagde filmopname bij voor. Als een kolibrie die in de lucht hangt & z’n sap uit een bloem zuigt.
Ze lijken zich niks van elkaar aan te trekken, voor een kort moment, & plots als door magneten naar elkaar toe getrokken te worden. In een mum van tijd zitten ze dan bovenop de huid van elkander.
Een werveling van vlindervleugelslagen. Een rondedans om een denkbeeldig midden. ’t Lijkt alsof er een zuiging vanuit dat midden ontstaat, waardoor ze langzaam hoger komen, 1 worden, waar 1st 2 koolwitjes waren, & als Daedalus de zon tegemoet gaan.
Ik knipper met m’n ogen, houd m’n hand voor de stralen, tast de schaduwen aan de zijkant van de zon af, maar verlies ze uit ’t oog.
Ze voeren een ballet uit, komen & gaan, beschrijven een rechte lijn over m’n tuin heen, trippelen lichtvoetig van bloem naar groen, verdwijnen kort in een struik, zien hun partner & beginnen weer aan hun gewichtloze wals. Alsof de hitte van de tuin hun beide lichamen omhoog doet rijzen.
& Toch zou ’t ook kunnen dat ze vechten, elkaar najagen, niet af willen laten. Verbeten zoeken ze de zwakke kant van hun tegenspeler, als in een degenspel proberen ze de achterkant van de ander te bereiken, hem of haar verwijtend dat dit territorium al in bezit genomen is. & Dronken van de draaiingen, ’t eindeloze schijngevecht, verliezen ze de richting & komen ze in de tuin van m’n buren terecht.
Daarom dwarrelen ze, die vlinders, bedenk ik me, ze zijn beschonken van de vele pirouettes & buitelingen, niet meer zo vast ter been, zodat een vleugje bewegende lucht ze opneemt & uit koers brengt.
Er kwam schemerbewolking, de zon werd minder heet, de vlinders verdwenen & ’t werd weer stil.

Voortdurend dienen zich avonturen aan in Zijperspace, waarbij we de ondertiteling zelf verzinnen.

superweek (5)

Ik sta in een rij van wel 3 meter lang. Stapvoets, of eigenlijk nog minder snel, gaan we vooruit. Gekakel in ’t turks & marokkaans om me heen. Als de mannen met elkaar praten, leggen ze een hand plat op hun borst.
Ik weet niet wat ’t allemaal betekent. Ik waag te denken dat ’t ongeveer dezelfde gesprekken zijn als dat je in een nederlandse supermarkt meemaakt.
Van: ‘Nee, je krijgt geen snoepje. Je hebt thuis al gekregen.’
Of: ‘Hebben we nog eieren nodig? Of iets lekkers voor bij de tv?’
&: ‘Hoe gaat ’t nou met je neef die geëmigreerd is?’
Alleen lijken de emoties wat heftiger. Moeder kijkt kwaad, vader zorgzaam. Alsof alles uitvergroot wordt.

Ik kom nog maar 1 keer per week bij de reguliere supermarkt. Appie, in mijn geval. Van om de hoek. Vooral om de vrijgezel-heeft-geen-zin-dus-wil-ie-een-magnetron-maaltijd te halen. & Eventueel wat wasmiddel. De tijd dat ik bij ’t verlaten van soortgelijke panden stond te stuntelen met tassen & kratten ligt al ver achter me. Ondanks de prijzenoorlog.
Of juist dankzij. Die prijzenoorlog hadden de reguliere supermarkten al bij voorbaat verloren. Want ik had de turk ontdekt.

Ik probeer vooral niet te modieus over te komen (weer zo’n yup die iets nieuws heeft gevonden & daarvoor wil uitkomen). Dus stop ik m’n vrijgezellenmandje vol met boodschappen.
Dat ik ook bij de turk slechts 1 keer per week kom, ligt aan ’t feit dat ik zóveel tegelijk haal. Om ’t toch iets te laten lijken.
Ook al hoef ik niet meer in huis te halen dan de benodigdheden van 1 maaltijd, ik pak evengoed toch maar even een paprika extra, een bolletje knoflook, heb ik nog uien? stop ik er ook bij, auberginetje, alvast een blik olijven voor de volgende keer dat ik trek krijg in tapenade, gevulde paprika’s in blik voor de lekker, & altijd iets om uit te proberen. ’t Mandje moet er enigszins gevuld uit zien.

Want waar de allochtonen zelf hun supermarkt mee verlaten! Ter grootte van de inhoud van mijn mandje hebben zij een zak met groene pepers volgestopt. ’t Past nog net in de weegschaal bij de kassa. De volgende zak is een hoeveelheid tomaten waar mijn huishouden voor een jaar genoeg aan zou hebben.
Ik bestudeer ’t zorgvuldig, wil weten wat er allemaal achter steekt: een grote familie, een feestelijke bijeenkomst of een vriezer waar de maaltijden voor ’t komend ½ jaar in worden gestouwd?
Per ongeluk denk ik dat iedereen in mijn rij boodschappen doet voor ’t turkse restaurant om de hoek.

Door niemand opgemerkt oefen ik de beweging van de hand op de borst. Kijken hoe dat voelt. Heb ik nu eerbied voor mijn mede-amsterdammers? Of gebruiken ze ’t alleen om aan te tonen dat ze aan de beurt zijn om iets te zeggen? Zoals ’t kind dat op school z’n vinger op moet steken.
Om m’n imitatiegedrag vooral niet te laten opvallen schuif ik m’n hand door naar m’n haar. Als westerse burger hoor je daar af & toe doorheen te strijken. Niet je afkomst verloochenen, Ton.

Maar ik wil maar niet wennen aan de kassa zelf. De belangrijkste mannen van de zaak staan bij de kassa. Dat zie je aan hun gedrag. Commanderen mannen van achter de coulissen naar de schappen om een bepaald artikel bij te laten vullen.
Dozen, dozen, die klant heeft dozen nodig, luidt schijnbaar de volgende opdracht.
& Help die klant even met de boodschappen naar de auto sjouwen, wordt er gebaard.
Dat concludeer ik uit de handelingen. Want de taal versta ik nog steeds niet.
Als klant moet je razendsnel zijn. Anders zeggen de kassamannen je niet gedag, is mijn veronderstelling. Je moet zorgen dat de diverse artikelen op gepaste wijze, & op de juiste snelheid, in ’t bakje van de weegschaal terechtkomen. Snel, snel, want die rij van 3 meter moet weggewerkt.
Ik maak me gedurende de 3 meter in de rij staan druk over hoe ik ’t klaarleggen van de boodschappen ’t beste kan aanpakken.
& Als ik uiteindelijk voor de kassaman sta, zegt hij: ‘Dag buurman.’

Buurman? Buurman? Is hij mijn buurman dan?
Maar ik lach naar hem, zeg gedag, & bedenk dat ik niet verwacht had dat ik gedag gezegd zou worden.

We zijn vooroordelen aan ’t wegpoetsen in Zijperspace.

superweek (4)

2 Gingen er tellen. De rest liep langs de schappen.

We hadden ’t van tevoren geweten, Pa was er eerder geweest. Theo ook, met z’n schoonfamilie, de ouders van Francoise. Grootse verhalen, die we wel moesten geloven, want ze stonden meteen als verbeelding op ons netvlies gebrand.
De aanblik overrompelde evengoed.
In de verte zag je ’t eind van een schap. Daarachter begon een volgende. Geheel gewijd aan een ander artikel.
Want je had een koelschap voor garnalen & een koelschap voor hompen tonijn. Volgend gedeelte was ingeruimd voor tonijn aan 1 stuk.
Zoiets kan je je niet voorstellen als je ’t niet met eigen ogen hebt gezien.

We hadden een boodschappenwagen meegenomen. Van bij de ingang. Wisten niet of ’t verplicht was, dus deden we ‘t. Onze onzekerheid hierover zo snel mogelijk in korte zinnen wegdiscussiërend.
‘We nemen gewoon een kar,’ zei m’n moeder. ‘We kunnen ‘m straks altijd nog terugzetten.’
Een heel gezin aan kinderen paste in de kar. ’t Was berekend op boodschappen voor een maand. Of misschien wel een hele winter, voor ’t geval men in de bergen ingesneeuwd raakte. Of als men de gehele familie te eten kreeg, of ’t bestuur van de wielervereniging, waar de vader van Francoise vast lid van was.
De keuken van de fransen was uitgebreid, dus moest er ook uitgebreid kunnen worden ingekocht.
Ik probeerde verklaringen te vinden, terwijl m’n ogen niet stopten van verwondering. Verwondering dient zo snel mogelijk weggeredeneerd te worden of in ieder geval tot aardse, te bevatten proporties gereduceerd te worden.

Carel & Quint vonden ons terug. Ze waren uitgeteld.
’45,’ zei Carel.
‘Nee, ’t waren 48 kassa’s,’ verbeterde Quint.
‘Ach, man, jij moet nog leren tellen.’
‘& Jij had een onvoldoende voor hoofdrekenen.’
‘Mond houden allebei,’ zei m’n moeder, die zich ondertussen vergaapte aan de slakken, de ‘escargots’. ‘& Nu bij ons blijven. Straks raken we jullie kwijt & komen jullie aan ’t eind van de dag in de franse worst terecht.’
Ik spurtte ongemerkt van achter m’n moeder weg om te controleren wie er gelijk had. Maar bij de meterslange rijen cornflakes raakte ik afgeleid.
‘Mam,’ riep ik, ‘Mam!’
Maar Ma was elders.
Ik waande me in Luilekkerland. Gehuld in een laagje doorzichtig plastic.
‘Als je ergens aanzit, hak ik vanavond je handjes er af,’ had Ma voor vertrek aangekondigd.

‘We moeten eigenlijk wel iets kopen,’ zei m’n moeder.
‘Maar we eten vanavond toch bij de ouders van Francoise?’ zei m’n vader.
Altijd even praktisch ingesteld, zuinig ook, & bovendien schaamde hij zich nergens voor. Ook niet als-ie een uur met z’n hele familie in een franse supermarkt had gebanjerd & met niets naar buiten liep. Hij vond ’t niet raar dat de bewaking ‘m met vreemde ogen nakeek.
Hij stond plots aan de andere kant van de kassa’s. Carel naast zich. Hij zwaaide. & Wenkte waar hij langs de rijen was geglipt.
‘Nee, hoor,’ mompelde m’n moeder. ‘Dat doe ik niet.’
Carel huppelde aan de andere kant van de grensovergang heen & weer. Z’n vinger omhoog, in 1 beweging daarbij z’n bril rechtschuivend. Ik zag ‘m nu bezig met tellen hoeveel kassajuffrouwen er zaten.
‘Kopen we cornflakes, Mam?’ vroeg ik.
‘Nee, we hebben nog brinta voor de hele winter,’ zei m’n moeder, ‘ik bedoel: zomervakantie.’

We rekenden de suiker af. ’t Karretje had m’n moeder ergens op een kruispunt van schappen achtergelaten.
M’n vader wachtte ons op: ‘Waarom heb je nou zoveel suiker gekocht?’
‘Jij was ’t vergeten van huis mee te nemen,’ antwoordde m’n moeder. ‘Bovendien mag je blij zijn dat ik ’t deed, want ik gebruik voor de rest geen suiker.’
‘Maar dit is voor een ½ jaar genoeg.’
‘Wie neemt er altijd aan ’t eind van de vakantie allemaal stenen uit de bergen mee? Zogenaamd om weer wat balast in de caravan te hebben? We hebben ondertussen een zwitserse alp in onze tuin staan.’
M’n vader wist dat-ie hier geen bezwaren tegen in kon brengen.
‘Als we cornflakes hadden gekocht, dan was de suiker zo opgeweest,’ morde ik.
’38 Kassameisjes,’ zei iemand achter ons.
‘Nee, 35,’ ruziede iemand anders.

We wisten dat ze bij ons hoorden, want ze spraken de taal van Zijperspace.

superweek (3)

Als je vrijdagmiddag rond 12 uur aanwezig was, moest je bijspringen. Een vanzelfsprekendheid.
Schoenen aan, desnoods een jas, & dozen sjouwen.
Tante Wil stond bij de achterklep van de auto. Ze gaf aanwijzingen wat van haar was.
‘Zeg, An,’ zei ze tegen m’n moeder, ‘heb jij nou al een krop sla binnen staan?’
Of: ‘De helft van dat pak melk is van mij toch, An?’
Wat niet door Tante Wil was aangeschaft, ging naar binnen. M’n moeder zou Tante Wil & boodschappen even later voor haar deur afzetten.
De kop koffie hadden ze dan al achter de rug. Bij 1 van de zussen, ik geloof bij toerbeurt.

Op vrijdagochtend waren ze een vaste club gezichten in de Aldi, in de Vomar: de 4 gezusters Zegers. Jarenlang haalden ze elke week, op dezelfde tijd, hun boodschappen bij de 2 supermarkten. Ze wisten precies wat ze bij de 1 & wat bij de ander te halen.
M’n moeder bewaarde ’t parkeerbonnetje, want daar kreeg ze bij de kassa van de Vomar ’t geld voor terug.
Ze moeten boodschappenwagens vol hebben geladen, elke vrijdag weer, want om 12 uur sjouwde je jezelf een breuk. Dat waren dan alleen nog maar de boodschappen van onze familie. Die van de 3 tantes werden elders ontscheept.
Bleek er iets niet in orde, een verkeerde houdbaarheidsdatum, een opengescheurde verpakking, dan werd ’t artikel een week lang bewaard, inclusief de bon, & werd er een week later verhaal gehaald. Ze zaten bovenop hun huishoudportemonnee. Er mocht geen cent te veel richting supermarkt.

& Tijdens de koffie werden de bonnen uitgerekend.
Ome Siem vertelde dat op de begrafenis.
‘Wil rekende de bonnen uit. Dan werd er een notitieboekje bij gepakt. Schreef ze alles op. & Rekende ze alles na.
“Zeg, Cor, jij had toch dat pak wasmiddel?” zei ze dan.
Waarop ze weer voorovergebogen over haar aantekeningen & bonnen hing. Op een gegeven moment kon er dan met elkaar afgerekend worden. Op de cent nauwkeurig. Niemand die er iets van snapte behalve Wil.
“Als jij nou nog 2 centen hebt, Tiny, & Anny geeft mij een 10tje, dan kan ik Cor betalen voor wat zij bij de Aldi heeft voorgeschoten. Dan moet Cor voor die andere boodschappen nog 1 gulden 32 betalen aan Tiny, maar aangezien zij niet genoeg wisselgeld heeft daarvoor, kan ik dus beter dat 10tje wisselen bij jou, An. Kan ik gelijk jou terugbetalen van de melk & krijgt Tiny van jou nog die 41 cent van vorige week. Moeten we dan alleen nog de sinaasappelen afrekenen van afgelopen zaterdag op de markt, maar dan moet ik 1st weten wat die ook alweer ’t kilo waren. Daar heeft Anny alles voorgeschoten, behalve dan de appels, want die heb ik betaald. Die waren 3 gulden 25 totaal & we hebben allemaal een zak genomen. Trekken we daar de sinaasappels vanaf & ’t wisselgeld dat ik van vandaag berekend heb, dan heeft Tiny nog een schuld van 75 cent bij Anny & Corry 22 cent bij mij. & Deze bon moeten we bewaren, want dan krijgen we volgende week korting op ’t wasmiddel.”’
We lachten & lieten een snik tegelijkertijd.

Ik geloof niet dat ze nog gezamenlijk boodschappen doen, de 3 gezusters Zegers, nu Tante Wil er niet meer is.
Hoewel, nu misschien wel. Ze zitten, 3 ooms, 3 tantes & m’n moeder, in een vakantiehuisje, voor een week. Moeten ze zelf hun bonnen uit gaan rekenen.

& Sjouwen daar vinden ze geen vrijwilligers voor, hier ver weg van hun, in Zijperspace.

superweek (2)

Hij heeft ze allemaal een cursus gegeven. Net als dat-ie z’n bezorgbusjes ‘Albert’ heeft genoemd.
Volgens mij heeft-ie eigenhandig de 1e lik verf er op aangebracht. Om ervan verzekerd te zijn dat-ie weer dichter bij de mens zou staan. De gewone consument. De nederlandse burger.
‘Hé, schat, zijn de boodschappen er nog niet?’
‘Nee, Albert is nog niet langs geweest.’
Zo moet-ie ’t zich ongeveer hebben voorgesteld. Je moet Albert in huis halen. Anders werkt de formule niet meer. Dan is ’t niet meer de grootgrutter om de hoek.
Dus alle caissières op cursus.

Dat zijn ze bij de Hema vergeten.
Ja, tuurlijk, de volksvrouw die verlost is van haar kinders, nu allemaal groot genoeg om met hun volksliedjes via de volkszenders hun geld te verdienen, is gewend om in haar nieuwe carrière vanachter de kassa boven de wachtende murmelende rij haar stem te verheffen. Dat heeft ze immers van Oma, de marktkoopvrouw, geleerd.
Maar voor de rest dachten ze daar bij de Hema dat ’t blauwe pakje, rode sjaal nonchalant opzij richting nek (overigens beter ontworpen dan ’t AH-kostuum) ’t wel moest doen.
Geef toe, ’t is geen modeontwerper geweest die de arme, nog maar nauwelijks volwassen, kinderen in die wanstaltige AH-pakjes heeft gedwongen te lopen. Die persoon heeft hooguit een cursus naaien & plakken achter de rug bij ’t buurthuis & kwam vervolgens Albert tegen die net op dat moment op zoek was naar een mogelijkheid terug te keren tot ’t volkse, de burger.
Maar bij de Hema is ’t besef nog niet doorgedrongen dat de lange rij voor de kassa niet werkt. De consument wil niet terugkeren om in een rij te gaan staan. Hooguit de eenzame man, die smachtend naar al dat spontaan verzameld vrouwpubliek in de rij ernaast kijkt. Keurig geduldig voor hem poserend. Daarbij ongedurig, absoluut niet belangrijk, maar wel van belang voor ’t zicht op ’t vrouwenlichaam, wippend van het ene been op het andere.
Albert moet gedacht hebben dat ’t lichaam er in een supermarkt niet zo toe doet. Dus ook niet van de caissières. Geef ze dus maar een willekeurig pakje. Als ’t maar om de 2 jaar makkelijk van stijl veranderd kan worden. Goedkoop, niet te veel stof er in verwerkt. 1tje Waar de grote jongens nog maar net in passen. Afdoende, dat is ’t woord.

In plaats daarvan gaf-ie z’n werknemers allemaal een dure cursus. Zodat na afloop daarvan, na welslagen van ’t personeel, de mensen weer zouden merken dat de kinderen uit de buurt kwamen. Dat ze ‘buren’ zijn. Deel uitmaken van een grotere gemeenschap weliswaar, maar dat ze juist daardoor iets met elkaar gemeen hebben. ’t Klinkt haast logisch. Alsof ’t lijkt dat ze elkaar kennen, de AH-medewerker & de klant aan de kassa.
& Je kan onmiddellijk zien wie de hoogste cijfers hebben gehaald. Dat zijn de meisjes die gedag zeggen zonder dat ’t moeite lijkt te kosten. Zo’n teder glimlachje om de lippen, niet overdreven, niet gekunsteld, maar puur natuur. Alsof de buurvrouw, of in mijn geval: de buurman, even langs komt. Geen praatje, nee hoor, is niet nodig, gewoon een beleefd klein groetje. Waarop onmiddellijk de aandacht op de kassa wordt gericht. Zuiver professioneel, maar toch met een vleugje vriendelijke belangstelling.

Die cursus moet 2 maanden geleden zijn geïntroduceerd. Duidelijk te merken, want opeens stond ik er wél. Mijn begroeting werd plots opgemerkt.
Die plande ik altijd zorgvuldig. De voorgaande klant moest klaar zijn met betalen, z’n pasje in de portemonnee, ’t karretje net voldoende vooruitgeschoven & mijn statiegeldbon, gelijk met de bonuskaart, gereed gelegd om door de kassa gelezen te worden. Dan zei ik ‘Goedendag’. Lichtelijk officieel. Gedragen. Zo, dat ’t niet onopgemerkt voorbij zou gaan. M’n stem een ietwat sonoor. Even een trilling daarmee veroorzakend in de lopende band. Dat de dame in kwestie wel even zou merken dat er een man voor haar stond.
Volgde tot voor 2 maanden geleden een verlegen ‘Hallo’. Een fluistering die nog maar net de airconditioning overstemde. Eigenlijk een ‘hallo’ zonder hoofdletter. Snel de ogen weer neerslaand ging men verder met ’t doorschuiven van mijn boodschappen.
& Nu kijkt men mij 1st aan. Oog komt in contact met oog. Een oprechte groet. & Vervolgens de blik weer op de kassa.

Ik zou er niet over begonnen zijn, als ik niet gemerkt had dat de meisjes met hoofddoeken in mijn ogen er door veranderd zijn. Ik word tegenwoordig zelfs liever gedag gezegd door meisjes met een doek om ’t hoofd dan door die zonder. De afstandelijkheid die zij door ’t dragen hebben gecreëerd, door de keus voor hun tradities, door hun keus voor een strenge interpretatie van hun geloof, wordt geheel weggenomen als ik zie dat ze gedag kunnen zeggen. Ze doen een stapje dichterbij, & blijven ondertussen ‘tzelfde.
Dat doet me goed. Ik besta. & Word niet lastig gevallen, er wordt me niet opgedragen m’n privé-aangelegenheden meteen te grabbel te gooien.
Dat ik eigenlijk gedag gezegd word door Albert vind ik niet storend. Hij heeft immers bij mij de illusie gecreëerd dat ik niet meer met machines te maken heb.

Ik maak van de gelegenheid gebruik om even de groeten te doen aan Albert, vanuit Zijperspace.

superweek (1)

Suffies Superweek

Degene die me ‘t 1st te binnen schiet is ’t meisje van ’t brood. In de Spar. Ze had donkerblonde krullen. Waarschijnlijk ook een wat hoekige spitse neus, maar zeker weten doe ik dat niet meer.
Ze lachte met haar blauwe ogen als ik op haar toekwam. Daar was haar liefste vaste klant, zag ik haar denken. Ik was ’t kind dat zij later wilde hebben.
Ze was een meisje, net van school af, haar 1e baan, maar ik zag haar als een vrouw.
Ik kwam met de boodschappentas aangelopen. De lege boodschappentas. Iedereen had toentertijd van dat soort boodschappentassen. Gaasachtig doorzichtig. Met een kleurtje & streepjes. ’t Handvat in dezelfde kleur plastic als de overheersende kleur van de tas zelf. Op de bodem een stuk karton om de boodschappen een beetje in ’t gareel te duwen. Maar op een gegeven moment was ’t karton versleten of verdwenen. Dan was ’t eigenlijk tijd om een nieuwe aan te schaffen; dat werd echter zo lang mogelijk uitgesteld.
Ik liep ’t liefst met de groene.
Ik liet de tas op weg naar de supermarkt een beetje slingeren langs m’n lichaam. Pas in de Spar zelf begon ik ‘m in toom te houden. Vouwde ‘m op, of liet ‘m stil langs m’n lichaam hangen.
Er werd spanning opgebouwd.
De vraag was of ’t meisje van ’t brood er wel was. Eigenlijk wilde ik alleen maar door haar geholpen worden.
‘Geef je lijstje maar,’ zei ze op een gegeven moment.
Dan hoefde ik ’t niet meer voor te lezen. Konden we over iets anders praten.
‘Hoe gaat ’t op school?’
‘Hm.’
Als ik haar geld moest geven, leunde ze tegen de toonbank aan, reikte haar hand over ’t glas heen. Totdat ze zei dat ik maar aan de zijkant moest staan, bij de opening van de toonbank. Dat werd toen mijn vaste plek. Ik hoefde niet in de rij, ook al was er geen rij.
Evengoed vroeg ze altijd of ’t brood gesneden moest worden. Ze wist wel dat ze van me hield, zo keek ze in ieder geval naar me, maar niet of ’t brood gesneden of ongesneden richting huis moest.
Ik was de kleinste van de school, ook de kleinste bij ’t brood. Daar trok zij zich niets van aan.
‘Volgens mij was hij aan de beurt,’ zei ze als een oud vrouwtje voor probeerde te dringen.
Ik durfde niks te zeggen, voelde me verlegen met de situatie. Nee, eigenlijk verlegen met haar. Veel te veel aandacht, dat kon niet goed gaan. Als ze met me klaar was, gaf ze me de overvolle tas met brood aan, brood voor enkele dagen voor 6 jongens, een vader & een moeder, & stopte ze me nog een schuimkransje toe.
‘Welke wil je vandaag? Roze of wit.’
Altijd roze. Toch hield ze ze allebei op. Ze lachte als ik weer dezelfde keus maakte.
Ze heeft me 1 keer door ’t haar geaaid.
Toen ik een keer om de hoek van de broodafdeling richting kassa verdween, hoorde ik haar tegen een klant zeggen: ‘Een jochie om verliefd op te worden.’
Toen werd ik ’t op haar.
’t Kwam echter steeds vaker voor dat ik haar niet aantrof. Moest ik ’t hele lijstje aan haar vervangster voorlezen, m’n lichaam uitrekken om de tas te geven, ‘tzelfde voor ’t overhandigen van ’t geld. & Ik kreeg geen schuimkransje.
Ik durfde niets te zeggen. Niet tegen de vervangster, niet tegen haar.
‘Hoe oud ben je?’ vroeg ze een keer.
‘Hm,’ zei ik daarop & stopte snel ’t schuimkransje in m’n mond.

Huppelend keerde ik steeds weer terug naar Zijperspace.

ladyfriend

Ladyfriend - sivert='Sivert' Höyem

Op de heenweg hield de discman er mee op voordat ik ‘t 7e nr had bereikt. Ik was vergeten thuis de batterijen bijtijds te laden.
’t Was goed zo, dacht ik toen. Ik kon me beter concentreren op ’t boek over stouts & porters, nog wat laatste informatie vergaren voor de bierproeverij van de volgende dag, werd daarbij niet afgeleid door een mooi liedje.

M’n moeder ging kijken of Theo al was gearriveerd. Hij zou ook met de trein komen, had-ie mij de dag ervoor laten weten. Met Jet. Die zou ook een nachtje bij Oma logeren.
Ik zette de cd-speler aan. Een wisselaar. Er pasten 3 cd’s in. Ik had de truc hoe ‘m te bedienen de vorige keer van Marc afgekeken. ’t Was toch niet zo moeilijk. Als je maar de juiste cd selecteerde.
Geluid hard. Zodat ik ’t in de tuin ook zou kunnen horen.
Zo luid was er waarschijnlijk sinds lang geen muziek gedraaid in ‘t ouderlijk huis, dacht ik, terwijl ik vanuit m’n ooghoeken spiedde of de buren er last van hadden, die achterover lagen in hun tuinstoelen.
Halverwege ging ik naar boven, om te kijken of ik iets gemist had op internet. Ik hoorde m’n moeder terugkomen.
‘Wat moeten de buren wel niet denken?’ vroeg ze.
‘’t Was maar voor 1 nrtje,’ zei ik, de knop terugdraaiend.
‘Theo was er nog niet.’

M’n moeder ging bij Quint informeren of hij haar nieuwsbrief al had geprint. Hij nam de telefoon niet op. Dus moest ze maar langs. Kijken of-ie al wakker was.
Ik bleef op de bank liggen. Zette nog 1 maal ’t nr aan.
M’n hoofd was stijf in de nek. Wilde zich niet voegen naar de kussens. De alcohol van de avond ervoor had m’n nek strak getrokken.
Ik moet er als een geest hebben rondgelopen, dacht ik, daar op de reünie. Gearmd met meisjes van toen, alsof er niet 20 jaren aan ons voorbij waren getrokken.
Met moeite lukte ’t me m’n aandacht op de boeken te richten. Ik moest nog wat details in m’n hoofd hebben. Over een paar uur zou ik de proeverij gaan leiden. M’n nek wilde echter niet dat ik een boek al te lang boven m’n hoofd uitstak.
Bij de laatste tonen kwam Jan de trap aflopen. In onderbroek & sweater.
‘Waar is Ma?’ vroeg-ie.

‘Ja, Harry,’ zei Quint tegen 1 van z’n vaste klanten, ‘zet jij maar even muziek aan.’
‘Ik heb nog een mooie cd bij me.’
‘Hé, Harry, Ton heeft nog een cd bij zich.’
Ik haalde de cd tevoorschijn.
‘Nr 7,’ voegde ik er aan toe.
‘’t Ging wel, hè,’ zei ik tegen Quint.
‘Ja, ging hartstikke goed. Wat ik hoor is dat de mensen verschrikkelijk enthousiast waren.’
Tegen ’t eind van ’t nr ging ik m’n rugzak pakken. Stopte de cd terug.
‘Ik neem de trein van 3 over 6,’ zei ik tegen Quint.
‘Ok, Ton bedankt,’ zei Quint luid, zodat iedereen ’t hoorde.
’t Café begon te klappen. ’t Was ‘t 2e applaus voor mij die middag. Ze kregen er geen genoeg van. Er bonkte iemand op tafel mee ditmaal.
Verlegen zwaaide ik naar m’n toehoorders van afgelopen 3 uur. Sloot de deur achter me & lachte nog even door ’t raam.

Geduldig had ik 1st een andere cd zitten luisteren. 1tje Die ik tot nu toe had genegeerd omdat ik steeds maar weer ‘tzelfde wilde.
Ik was dronken van ’t proeven, dronken van applaus, dronken van vroeger, dronken van ’t landschap. Lezen lukte niet.
Ik speurde ’t grasland af naar ganzen met jongen. Op de heenweg had ik een veld vol gezien.
Hoe lang zouden die beesten leven, vroeg ik me af. Ze groeien op & verliezen waarschijnlijk al snel hun ouders, daardoor hun verleden. & Wij zwelgen er in.
Vlak voor Amsterdam zette ik ’t nr aan. Nr 7, wist ik uit m’n hoofd, ondanks ’t tollen van m’n hoofd, m’n hoofd dat mee schudde met de cadans van de wissels die de trein nam.
Ik ben wel gelukkig, dacht ik, de trein uitstappend in een isoleercel van geluid, maar kan je geluk herhalen door gewoon een nr op repeat te zetten? Ik zal toch om blijven kijken, terugkijken, steeds weer, om terug te vinden wat voorbij is.
‘’t Is maf,’ zei ik een kwartier later, een glas bier weer in m’n hand, ‘je komt een paar vrouwen tegen, voor ‘t 1st in 20 jaar, & je voelt je meteen weer op je gemak.’
In jij-vorm, zei ik ‘t, alsof ’t niet mij was gebeurd.

Echo’s van de laatste tonen sterven weg in Zijperspace.

reünie

Ik wist niet of 't inmiddels 4 glazen waren of 5, maar ik was in ieder geval blij dat ik even zat. Overdonderd door de plotse contacten.
'Ben jij al iemand tegengekomen?' had broer Jan na een ½ uurtje aanwezigheid gevraagd. Ik was bij hem blijven hangen.
'Nee,' antwoordde ik daar op, '& ik denk ook niet dat ik veel mensen zal tegenkomen. In de lijst met reünisten zag ik weinig mensen van de tijd dat ik op school zat.'
& Plots voelde ik me omringd door vrouwen. Allemaal met kinderen. Zonder kinderen bij zich.
'Ik ben vrijgezel,' zei ik. 'Daar ben ik nl goed in.'
Ik studeerde nog wat meer zinnetjes in, terwijl ik voorovergebogen zat bij te komen op de wc. Trok wat wc-papier tevoorschijn om m'n neus te snuiten.
De closetrolhouder viel opzij, boven op m'n hoofd.
Dit moet ik straks gaan vertellen, dacht ik. Vinden ze vast leuk.
Waarop 't ding opnieuw open viel & m'n schedel deukte.
Nee, misschien moet ik maar iets écht grappigs verzinnen.
Terwijl ik nog wat wc-papier verzamelde hield ik m'n hoofd tegen 't apparaat, geschikt voor massaverstrekking van 't kontveegmateriaal, zodat-ie me niet nogmaals zou storen in m'n bezigheden.

Ik kreeg muntjes in m'n handen gedrukt. Er was blijkbaar iemand die de muntjes van anderen verzamelde & iemand die daarvoor drank moest halen. Ik was door de 1e uitgeroepen om te functioneren in 't laatste.
Carla voegde eraan toe: 'Haal er maar bier voor.'
Ze wisten blijkbaar ondertussen dat dat mijn specialiteit was.
Ik mengde me in de haag mensen voor 1 van de barretjes. 3 Rijen dik. Dat zou wel even duren.
Een man drong zich langs m'n schouders iets naar voren. Hij schoof een glazenhouder naar voren. Zo'n ding waar 6 plastic glazen in passen. Duwde daarbij 't meisje schuin voor me opzij.
'Wat moet ik daarmee?' vroeg de barman.
'5 Bier & een witte wijn,' zei de man.
De barman ging meteen aan de gang.
'Vind je 't zelf nou niet verschrikkelijk onbeschoft zoals jij over mensen heen loopt?' vroeg ik de man.
'Wat?' probeerde hij boven de muziek uit te komen.
'Ik zit al jaren in de horeca, maar zelden heb ik zo'n onbeschofte lul ontmoet zoals jij,' zei ik in z'n oor.
Hij keek me gepikeerd aan terwijl-ie z'n pakketje glazen aannam.
'Een boerenlul, meer is er blijkbaar van jou niet geworden in al die jaren,' voegde ik nog net even toe.
Ik wilde niet dat-ie een goed gevoel aan deze reünie over zou houden.

'Hé, da's toch dat meisje waar je wat mee hebt gehad?' vroeg Marc.
'Marina?'
'Of had je er alleen maar mee gezoend?'
'Oja, da's waar ook.'

'Wij hebben een keer met elkaar gezoend,' zei ik tegen Marina. 'Ik was 't vergeten, maar m'n broer vertelde 't me net.'
'Ja, dat klopt,' zei Marina.
'Ik ben altijd heel goed geweest in zoenen,' zei ze tegen Carla, naast haar.
'Ik was vooral goed in bed,' zei ik. 'Maar niemand wilde.'
'Ik durfde eigenlijk niet met jou,' zei Marina. 'Jij was veel te stoer.'
'Ik? Stoer?'
Vandaar, dacht ik.

& Dan nog een hoop andere dingen, afgelopen dag in Zijperspace.

lussen

‘Jij ligt toch ook wel ‘ns wakker?’
‘Ja, maar dan ga ik niet onmiddellijk allerlei berekeningen maken.’
‘Ik ook lang niet altijd. Dat doe ik een enkele keer. Maar als je wakker ligt, midden in de nacht, dan heb jij toch ook wel ‘ns dat je gedachten als in lussen de hele tijd terugkomen?’
‘Lussen?’
‘Als een cassettebandje die de hele tijd ‘tzelfde afdraait. Een loop. Komt ’t steeds op dezelfde plek terug.’
‘Hm.’
‘Je hebt toch wel ‘ns ruzie met iemand gehad, waarbij die hele situatie 's nachts nog een paar keer terugkomt, steeds van voren af aan, met hooguit kleine variaties, omdat je denkt dat je anders had moeten handelen.’
‘Oja, dat heb ik wel ‘ns. Dan probeer ik altijd aan iets anders te denken.’
‘Precies. Dat bedoel ik. Nou, soms ga ik dan sommetjes maken. Om iets te doen te hebben.’
‘Kijk, dat heb ik dus helemaal niet. Ik ga aan leuke dingen liggen denken.’
‘Ander voorbeeld dan. Vannacht bedacht ik dat encyclopedieën & woordenboeken vaak in diverse banden zijn opgedeeld. Omdat ’t anders te dik zou worden. Dan heb je, bedacht ik vannacht, bijvoorbeeld 2 delen, waarbij 't alfabet in 2-en is gedeeld; de 1 behandelt de A t/m de M, de ander N t/m Z. Niets bijzonders, zo op ‘t 1e gezicht.’
‘Nee, niets bijzonders. Daar lig jij dan de hele nacht wakker van?’
‘Wacht nou. Kijk, mijn moeders initialen zijn A. M. Z., Mijn vader heet Nico Zijp. Heb je dus alle 4 de letters op volgorde: A, M, N, Z.’
‘Boeiend.’
‘Ja, ik weet heus wel dat ’t voor andere mensen absoluut niet interessant is, maar ik houd me er gedurende 't niet kunnen slapen nou 1maal mee bezig. Ik probeer je dat alleen maar duidelijk te maken.’
‘Da’s heel aardig. Ik krijg nu opeens een veel beter inzicht in jouw diepere zielenroerselen.’
‘Neem me nou even serieus. Ik ga gewoon verder. Ik probeer dus te slapen, zo rond een uurtje of 5 in de ochtend, nog 3 uur rust voor de boeg, zou je zeggen, maar mijn gedachten houden me wakker. Een spanning in m’n lichaam. Ik ben dan blij dat ik in ieder geval met m'n hoofd wat te doen heb. Dat ik niet hoef te denken aan die klant die tegen me zei dat ik ’t wat rustiger aan moet doen. “Wat rustig?” vroeg ik. “Rustig, rustig, denk om je hart.” “Druk is lekker,” zei ik. “’t Vocht druipt helemaal van je af.” & Dan hebben ze me dus te pakken. Daar raak ik echt opgefokt van. Alsof die klant, die al jaren komt, nog nooit heeft gezien dat ik bijna altijd zweet als ’t wat drukker is. Dat gedurende de zomer druppels vocht continu van m’n voorhoofd over m’n neus komen lopen. Dan raak ik geïrriteerd, omdat ik wéér moet uitleggen dat ik al vanaf m’n vroege jeugd meer vocht produceer dan de meeste andere mensen. & Dat die vent zich daar niet mee moet bemoeien. “Hé,” wil ik dan zeggen, bedenk ik me achteraf, “ik zeg toch ook niets over jouw manke poot. Besef je wel dat ’t heel beledigend voor mij kan zijn als mensen mijn welbevinden te relateren aan de mate waarop ik zweet?” Maar afijn, dat bedenk ik me dus gedurende die loops, die steeds weer terugkerende gedachten, met elke keer een kleine variatie, dodelijk vermoeiend, maar waar ik toch bij wakker lig.’
‘Eigenlijk zou je ‘m klap op z’n smoel willen geven.’
‘Dat kan dus niet als je in je bed ligt, pakweg 10 uur later. Ik wil niet meer denken aan die situatie, dus ga ik andere dingen denken.’
‘Schaapjes, hupsend over ’t hek.’
‘De encyclopedieën, waar ik ’t daarnet al over had. Ik bedacht vannacht dat ik ook wel ‘ns een 3-delige encyclopedie was tegengekomen waarbij ‘t 1e deel de letters A t/m F behandelde; Antonius Franciscus, dat zijn mijn 1e 2 doopnamen; & ‘t 3e deel besloeg T t/m Z. Daar hoef ik niet van uit te leggen waar dat voor zou kunnen staan.’
‘Ton Zeurt.’
‘Leuk. Ik ga me dan afvragen waar die G t/m S dan voor zou kunnen staan. Ken ik een vrouw die de initialen G & S heeft? Of ga ik later van binnenuit gesloopt worden door een ziekte die begint met die letters?’
‘Geestelijke Sleur.’
‘Ja, uiteindelijk wel. Maar ik ben om een uur of 6 daardoor toch mooi in slaap gevallen.’
‘Gezegende Slaap. Verder nog wat beleefd?’
‘Nee, m’n dromen ben ik vergeten.’

Maar dromen houden de mensen dan ook niet wakker in Zijperspace.

schijnbaar

Er zijn nu hele kleine vliegjes. Zo dun, zo fijn, dat ze door ’t zonlicht lijken te worden opgeheven. Ze vormen een carrousel van draaiingen door de lucht. Ik in de schaduw, zij in ’t licht.
Was ’t donker & waren zij vuurvliegen, dan had ik geen lamp nodig om m’n boek te lezen.
Zachtjes, traag, zoeken ze hun weg. Ondanks dat ik me elke keer afvraag waarheen, word ik steeds weer afgeleid, door een volgende weerkaatsing van de zon op een waarschijnlijk vleugeltje, gaat er weer een ander voorbij in een virtuele 8-baan, omhoog, hier op ’t platje, achter m’n tuindeuren, waar ogenschijnlijk niets lijkt te gebeuren.
Ze zijn zo dun als de zoekende draad van een spin. Die wappert toevallig ook voorbij. Lijn uitgegooid om een volgend houvast te vinden. & Ze lijken dezelfde willekeur van de deining van de wind te volgen. De maat daarvan wordt aangegeven door de zwalkend op & neer schuddende rozenstruik.
Soms zet er 1 een streep dieper in de tuin. Streepje eigenlijk. Te dun om te beklijven. Te snel ook.
Als de autowielen in oude films, die achterstevoren lijken te rijden. Je ogen trekken andere conclusies, omdat de verwerking nog moet gaan plaatsvinden als de beweging al voorbij is.
Een mus waagt zich hier. ’t Gekwetter van 2 weken terug is ze vergeten. Probeert nu in stilte te acteren. Misschien om haar kinderen niet onnodig te storen, 20 meter hoger, onder de dakrichel van de achterburen.
Ik doe 2 stappen de tuin in. Wil weten wat de mus beweegt. & Zo vaak zie ik ze niet meer. Verjaagd, gedecimeerd. Maar als ik weer afgeleid word, alles beweegt op momenten dat ik strak wil blijven kijken naar wat er gebeurt, vliegt de mus op, geschrokken, alweer onderweg naar een volgend mogelijk voedselvergaarplek.
Terwijl ik naar de 1e ontloken bloemen van de ooievaarsbek kijk, begin ik me te beseffen dat ik eigenlijk naar niets kijk. Dat als ‘tgeen ik zie al eerder heeft plaatsgevonden, zich voor mijn ogen meermaals heeft afgespeeld. Als je nadenkt, denk ik, is er niets bijzonders aan, de zachtpaarse kleur van de ooievaarsbek, maar toch zit ik er elk jaar op te wachten.
Maar m’n gang wordt trager, m’n ogen worden door elk klein stipje dat mijn tuin beroert aangetrokken, ik laat me elke keer weer voeren door ’t niets dat toch iets blijkt te zijn.
De onzichtbare vogels gaan onverminderd door, lijken hun eigen compositie te willen voleindigen, brengen diepte aan buiten de omheining van mijn tuin. In de verte zelfs een haan, dichterbij een onvermoeibare spreeuw, een trilling van een koolmees ondefinieerbaar ergens. ’t Lijkt een radio die z’n zenders nog aan ’t afstellen is, te onrustig om op dezelfde frequentie te blijven hangen.
Een citroentje, een citroenvlinder, lijkt nog op zoek naar de look zonder look, die ik van m’n broer moest laten staan tot-ie was uitgebloeid. Hij fladdert vlinderdronken, lentedwaas, ongecontroleerd aan schijnbaar alles voorbij.

Misschien een laatste inspectietocht voordat ’t echte seizoen gaat beginnen in Zijperspace.

linklogje

Ik kom aanscheuren. Over ’t zebrapad, tegen de richting in, hop op de stoep, voor een kinderwagen langs weer op ’t fietspad, als de auto’s voorbijgereden zijn schuin de weg over, om in m’n vrije tijd een paar biertjes op m’n werk te drinken.
Ik heb geen haast, zo fiets ik nu 1maal altijd.
Rachel komt. We praten een beetje. Ik haal vervolgens bier.
Als we even later weer verder praten, komt ook Pieter. Haalt bier voor zichzelf. Geen breed budget.
‘Best mooi, hè, dat van Pieter,’ zegt Rachel.
‘Ja, vooral als-ie bewegende beelden heeft, vind ik ’t geslaagd,’ antwoord ik haar. ‘Geeft ’t wat magisch. Maar ping jij nou eigenlijk nog wel?’
‘Dat heb ik gedaan, ja.’
‘Maar elke keer als je een nieuw stuk hebt geschreven?’
‘Oh, moet dat?’
‘Ja, want anders heeft ’t geen zin. Mensen komen zo op de hoogte van ’t feit dat je iets nieuws geschreven hebt. Kom je bijvoorbeeld bovenaan mijn favoriete linklijst te staan.’
Pieter komt erbij zitten.
‘Ping jij?’ vraag ik.
‘Wat is dat?’
‘Oh, ik moet ’t nog maar ‘ns uit gaan leggen. ’t Kan ervoor zorgen dat je meer bezoekers krijgt.’
‘Ja, zo’n tellertje werkt best verslavend.’
‘Heb je nog extra bezoekers gekregen doordat ik je gelinkt had?’
‘Totaal dacht ik 43.’
‘Oh, dat valt me best mee. In 2 dagen tijd.’
‘Maar leg dat van dat pingen eens uit.’
Maar op dat moment kijk ik net op, laat m’n blik gedachteloos over ’t terras gaan.
‘Hé,’ zeg ik, ‘dat is Merel.’
We zwaaien even naar elkaar & ik loop haar kant op.
Naast haar zit George.
‘Hoi.’
‘Hoi,’ reageer ik, ‘zitten er opeens 5 webloggers op ’t terras van m’n werk.’
‘Ik stond al de hele tijd naar je te zwaaien,’ zegt Merel. ‘Maar je zag me niet. Ik zag je al aan komen scheuren. Iedereen zag me zwaaien.’
‘Ja, ik zat al een beetje voor aap naast haar,’ zegt George.
‘Sorry, ik lette blijkbaar niet op. Zeg, ’t wordt best wel wat, hè, met de Dutchbloggies.’
‘Ja, ik krijg er steeds meer spijt van dat ik er niet bij kan zijn.’
Kortom, heel Weblogland wordt besproken. Artikelen, reeds verschenen, of opties voor een volgende editie van de About:Blank, passeren de revue. Na 10 minuten keer ik terug naar m’n lauwe bier.
‘Ja, leg nou ‘ns uit over dat pingen,’ zegt Pieter.

Voor een jaar genoeg gelinkt vanuit Zijperspace.

groot

Bij Opa & Oma was ’t groot. Niet omdat ze veel ruimte hadden. Nee, de dingen waren groter. Er was meer inhoud, meer avontuur. Als Oma een zakdoekje tevoorschijn haalde, een papieren zakdoek, kon je er een vlieger van maken. Zogauw die weggeblazen werd door de wind, weg van ’t balkon af, ging ’t de wijde wereld in, op zoek naar andere contreien. Je zag ’t de wijde wereld in verdwijnen.
We hoefden er dus niet om te treuren, dat de dingen vervlogen. Oma wist er een mouw aan te passen. Een ballon ging naar Zuid-Afrika, een zakdoek naar Mozambique, daar hadden de arme kindertjes nog wat aan.
Als ze zakdoekjes te kort had, haalde ze de diverse velletjes waaruit ’t zakdoekje was opgebouwd, uit elkaar. Ieder een deel, touwtje er aan, & op de wind laten wapperen. We waren snel tevreden.
Een klein balletje konden we tussen de richels van de tegels op ’t balkon laten rollen, wist Oma ons te vertellen, ook al was er geen gat om een winnaar uit te roepen voor ’t knikkeren. Ze verzon een doel. Dat was ’t rollen tussen de richeltjes. De knikkers mochten niet van ’t balkon af raken. Dan had je verloren. & Was je je knikker kwijt.

Binnen was de asbak een doel. Opa haalde die met z’n stok dichter naar zich toe. De stok waar-ie z’n wandelingen mee maakte. Waarmee hij de keuken wist te bereiken.
Elk jaar kreeg-ie een nieuwe, verpakt in cadeaupapier.
We waren er vaak bij als die door m’n ouders werd aangeschaft, maar dat beseften we ons niet als ’t als cadeau uit de grote mand van Sinterklaas werd gehaald.
‘Wat zou dat zijn?’ wist-ie nieuwsgierig te kermen.
Sinterklaas moest met een kerm in de stem aangesproken te worden. & Een opgewonden lach op de lippen. Met de greep van z’n oude stok, op z’n kop dus, trok-ie de staande asbak naar zich toe, om er z’n sigaar voor een moment in te leggen. Dan had-ie z’n handen vrij om ’t mysterie te onthullen.
Wij wisten ’t al. Wij konden zien dat ’t een stok was. Maar Opa was elke keer verrast met wat er tevoorschijn kwam.
Hij pakte na ’t uitpakken ’t nieuwe wandeltuig op bij z’n greep & schudde ’t in de lucht van enthousiasme.
‘Dank u wel, Sinterklaas,’ sprak-ie tot ’t plafond, hij wist dat Sint zich nog op ’t dak bevond, daarbij de hemel bewegend met ’t zwaaien van z’n nieuwe aanwinst.
Als-ie bedaard was, Sint veelvuldig bedankt, mocht 1 van ons de asbak, de staande asbak, opzij gezet om ’t uitpakken mogelijk te maken, terug naar ‘m toe schuiven, zodat-ie z’n sigaar weer kon grijpen. Z’n been lag ondertussen de hele tijd op ’t bankje voor hem. Als ’t meezat, mocht je de knop indrukken, zodat alle as verdween in de draaikolk. We probeerden te zien hoe diep de asbak was, maar zagen geen bodem.

Achter z’n stoel konden we ons verstoppen. Er was een grote leemte achter de rugleuning. Opa had een gigantische stoel nodig vanwege z’n voet. Plus ’t bankje, dan kon-ie daar de voet op leggen.
Z’n schoen was speciaal door schoenmaker Rieswijk gemaakt. De vader van m’n latere leraar. De enige die dat kon. M’n Opa had zo’n speciale voet, niemand die daar een schoen voor kon maken, behalve meneer Rieswijk. De voet was altijd in een schoen van glimmend zwart gestoken. Die ene voet was 2 keer zo groot als de andere. Hoog op de wreef, met een hak die de voet omhoog duwde. Een soort olifantenpoot, maar dat zeiden we niet. De voet hinkte altijd een beetje met Opa mee. Z’n stok was sneller.
Doordat Opa beter kon zitten dan staan, had-ie een goede stoel nodig. Groot. Zoals alles groot was bij Opa & Oma. Heel anders dan bij Oma Zegers.
Dus was er een grote leuning, die schuin achterover helde. Vlak naast de encyclopedieën konden m’n broer & ik ons wegstoppen.
‘Waar zijn die kleine schavuiten?’ vroeg Opa die net z’n ogen voor een dutje had dichtgedaan.
Hij schudde z’n stok als voor Sinterklaas.
‘Die kleine donderstenen,’ bulderde hij.
Waarop wij wel een kwartier lang ons mond hielden.
‘Nee, ssst,’ zeiden we tegen elkaar. ‘Straks merkt-ie ‘t.’
We stootten elkaar aan met de ellebogen, om nog langer grinnikend stil te blijven.

Er was ook een geheime gang. Oma vertelde dat die handig was voor tijdens de oorlog. Dan kon je wegvluchten.
Maar de enigen die erdoor pasten waren wij. Van de woonkamer naar de gang.
We mochten er 1 keer doorheen. Kruipend, zonder licht.
Bij daarop volgende visites smeekten we voor nog een keer. Maar er stonden allemaal boeken in, werd gezegd. We wisten op een gegeven moment niet meer of we onze vriendjes wel mochten vertellen over de geheime gang. Zoals de mond over de gang gehouden werd. ’t Was een groot ding, zo’n gang. Er waren vast joden door gered, begrepen we later van de les op school.
Moesten we maar niet verklappen, dachten we.

Niet alle avonturen kon je vertellen in die tijd van Zijperspace.

ex-en

‘Oh,’ zei ik tegen Marjan, ‘ben jij de dame van de tosti?’
Ik stond aan de punt van de bar. Waar ik altijd sta. Dan heb ik zicht op wat er gebeurt. Zie ik wie er binnenkomt. Wel zo overzichtelijk, vooral als er geen enkele andere klant zich in de kroeg bevindt.
‘Ja,’ zei Marjan, ‘maar die ging niet door, want ik had ook nog een appel.’
Ze liet ’t klokhuis zien. Overhandigde die aan Stefan, de barman.
Stefan riep snel naar de keuken: ‘Dean, Dean! Die tosti hoeft niet meer.’
‘Was ik ’t helemaal vergeten te zeggen tegen de kok,’ voegde hij er voor ons aan toe.
Jacques kwam binnen & vroeg op zijn beurt: ‘Zo, je belt de kroeg, bestelt een tosti, houdt ’t personeel voor een kwartier van z’n werk & vervolgens wil je niks meer?’
Jacques is bedrijfsleider, mede-eigenaar, & houdt van sarcastische opmerkingen over z’n personeel.
Ze lachte een beetje.
‘Ik weet niet wat ik wil,’ beantwoordde ze de blik van Stefan of ze wat wil drinken. ‘Is Stéphanie trouwens over naar Amsterdam?’
Jacques schoot de kelder in, richting kantoor.
‘Ik zie haar net voorbij komen,’ zei Stefan, z'n blik naar buiten gericht.
‘Waar?’ keek Marjan om.
Stefan wees de route van een fiets aan, een fiets die blijkbaar net gepasseerd was.
‘Grappig,’ zei Stefan, ‘zit de kroeg straks vol met 3 ex-en van me.’
‘& Ik,’ dacht ik. ‘Maar naar mij wordt niet omgekeken, tenzij ik bier bestel.’
‘Hoezo?’
‘Straks moet Wobke m’n dienst overnemen.’
Ik probeerde ’t toch maar: ‘Da’s ook raar. Vlak voordat ik binnenkwam dacht ik: “Ik zie nooit meer m’n ex-vriendinnen. Die zijn allemaal uit m’n leven verdwenen.” Dat dacht ik op 't moment dat ik m'n fiets op slot had gezet.’
‘Ik zie ze dus allemaal,’ zei Stefan. ‘Alledrie.’
Hij glunderde.
‘3 Maar?’ dacht ik. ‘Ik kom handen tekort als ik m’n ex-vriendinnen wil tellen.’
Voelde ik me toch een beetje trots tegenover z’n zelfvoldane blik.

Om de hoek zag ik een vrouw voorbij lopen, fiets in de hand.
‘Hé, Martine!’ riep ik & keerde mijn fiets om.
De blik achterom zei: ‘Hé, Ton!’ & stond vervolgens stil.
Hoe gaat ‘t & hoe gaat ‘t, wat doe je & doe je dat nog steeds, over & weer.
‘& De liefde?’ durfde ik tenslotte te vragen. ‘Want die vraag stellen ze mij ook altijd.’
‘Oh, zo af & toe wel, maar meestal niet.’
‘Bij mij ook meestal niet,’ zei ik. ‘Ik zeg altijd dat ik er niet meer aan doe.’
‘Mensen weten ondertussen uit mijn reacties dat ze er niet echt meer naar hoeven vragen. Als er iets aan de hand is, dan zeg ik ’t wel, maak ik ze zo af & toe duidelijk. Dus wachten ze af.’

Waarop weer een ex uit Zijperspace verdween, voor tijdelijk, voor altijd.

3-luik

Druk alhier op de datum 10 april, & men krijgt een kleine impressie van 't feestje op mijn verjaardag. Met dank aan Pieter-Jan. De personen in beeld (vooral die ene) mogen zichzelf kenbaar maken; ik zal ze niet uit de anonimiteit rukken.
Helaas bleken de batterijen op toen er aan mij begonnen moest worden.

Men zal nooit weten of men daar iets aan mist in Zijperspace.

herkenning

Zeg, Pa, ik denk wel aan je. Maar de herinnering begint te vervagen.
Ik lig in bed voor me uit te staren. Een meter boven me ’t plafondsysteem van witte vlakken van een ½e meter bij een ½e meter. Er zitten krassen & stippen in geponst. Niet helemaal doorgedrukt, ’t is slechts om er reliëf aan te geven. Waarschijnlijk om geluid te absorberen. Ik lig er niet ver vandaan; ik heb een hoogslaper immers.
Als je lang blijft kijken veranderen die strepen & stippen vanzelf in cartooneske creaturen. Er ontstaat ergens een neus & daar vormt zich een gezicht omheen. Als de wolken die figuren vormen toen we nog op de dijk van Den Helder liepen. & Jij uitlegde dat je goed moest kijken, dan vormde de wolk vanzelf iets dat je kon herkennen.
Als ik m’n hoofd even afwend om vervolgens te proberen terug te keren op ’t figuurtje dat zich net in de strepen & stippen heeft gevormd, kan ik ’t niet meer terug vinden.
Maar ’t is niet belangrijk. Ik denk na.
Of eigenlijk probeer ik me te herinneren.
’t Kost me moeite je op m’n verjaardag voor te stellen zonder Parkinson. Ik zie alleen nog maar Parkinson in je lijf. De wandeling die jij & Ma met me maakten als genoegdoening voor ’t niet verschijnen op de verjaardag zelf. ’t Zou te druk zijn geweest. ’t Jaar ervoor, toen je in de slaapkamer in een stoel werd gezet, de kinderen werden gewaarschuwd dat ze Opa even met rust moesten laten. Verder kom ik niet.
Jawel, jawel. Ik herinner me je luide stem verjaardagsliedjes zingen. Boven alles uit. Pa, de buren, Pa, de buren, riepen wij met de handen op onze oren. Toen waren we nog kinderen.
& Als ik m’n best doe wil ’t heus wel terugkomen hoe jullie op visite waren toen ik samenwoonde met Tineke. Families netjes op een rijtje, opzitten, bakje koffie, gebakje op een schoteltje. Die herinnering wil ik echter niet hebben.
Ik had je liever in ’t midden gezet. Een oude man, die kwinkslagen gaf, temidden van 40 jaar jonger publiek. Die zou dreigen nog een liedje te zingen voor z’n jarige zoon. Op een stoel waar je niet met rust gelaten hoefde te worden.
‘Hij kan altijd zo lekker lachen,’ zei Ma stiekem eens tegen jou, toen we een comedy op tv aan ’t kijken waren.
Die lach zou iedereen bij jou zien. Die ironische lach, mild, in de aanval, een zoete aanval, om weer wat ondeugends, ouderwets ondeugends te zeggen. Ten faveure van z’n schoondochters, of die in spe. Je zou zoeken naar de schoondochters in spe door te zien hoe ze reageerden op jouw grapjes.

& Terwijl jij nu waarschijnlijk opgesloten zit in je dribbelstoel, om vooral te voorkomen dat je om zal vallen, je heup zal breken, terwijl je aan de banden prutst, oneindig malen vergetend dat je ’t toch niet zal lukken jezelf te bevrijden, zie ik de wolken van onze laatste wandeling, over de Zeeburgerbrug, richting Durgerdam, de wolken die samenpakten, we moesten ons haasten, Pa, loop een beetje door, dan gaan we zo koffie drinken, er zou niets te herkennen zijn in de wolken die daarboven grijsblauw gingen schijnen, behalve een stevige bui, zie ik je onzekere blik van niet weten waar je aan toe bent, geen omgeving die je kan herkennen, geen vorm.
Dat is de verjaardag waar ik aan terugdenk. Die laatste. Waar je een wandeling met me ging maken. Om toch nog iets aan m’n verjaardag gedaan te hebben.
Ach, Pa, zo vaak als ik die wandeling gewandeld heb, zo veel verjaardagen ik inmiddels vergeten ben. Ik herken slechts 1 verjaardag in ’t plafondsysteem dat zich boven me aftekent.

De rest lijkt te vervagen in Zijperspace.

wedergeboorte

Ik draai Cornelis Vreeswijk terwijl ik schoonmaak. Extra hard, anders komt ’t niet boven ’t geloei van de wasmachine & stofzuiger uit.
In de wasmachine draaien oa mee: de kussensloop met gedicht van Bert Schierbeek, ’t witte t-shirt van Westvleteren, in groene letters, & ’t hoeslaken dat m’n neefje met z’n bloedneus heeft onder gespetterd.
De muziek gaat wat zachter als ik pauze neem. Even naar de wc, kijk gelijk of ik genoeg wc-papier in huis gehaald heb voor zo’n huis vol. Maar er hangt nog een volle rol, bereid om me de komende weken te vergezellen.
Ik gooi wat afval in de prullenbak voordat ik op de bank ga zitten. Meteen maar even de plastic verpakking van de Catanuitbreiding erbij.
Ik doe een poging de spelregels te begrijpen, maar besef al snel dat je dat beter in spelsituatie kan doen. ’t Heeft iets van droogzwemmen. Evengoed geniet ik alvast stilletjes van de plaatjes die ik straks uit z’n omhullend karton mag drukken.
Ik lees nog een keer na. Kijk wat de dag van gister was. Haal ’t kaartje van de paashaas. Lees de kaarten die ik gister op de schoorsteenmantel heb geplaatst. Blaas een ballon op die gister uit een envelop kwam vallen. Boven op de boekenkast fleurt 't de kaalheid van een gestofzuigd landschap op, waar mensen niet meer zijn die gister de buren wakker hielden.
(Hoewel, ’t was vroeg afgelopen, bedenk ik; ’t bier was gelukkig bijtijds op, voor een feestje hadden de buren niets te klagen).
Ik stop een culemborgs paaseitje in m’n mond. Hoop dat er alcohol in zit. Dat verdooft de boel. Verbergt de kater.
Ik gooi ‘t puzzeltje van kastanjehout op m’n tafel. Die zal ik nooit op kunnen lossen, denk ik twijfelachtig, maar los ’t na 3 minuten op. Zet ’t in de boekenkast.
Ik kijk de tuin in. ’t heb ik met de ochtendkater nog woelend in m’n hoofd omhooggetrokken. ’t Normale daglicht valt weer m’n kamer in. Fleurt m’n schoonmaakactiviteiten nog wat meer op. Kaboutertjes verkleed als tuinkaarsen lachen me toe vanuit de tuin.
De appelboom heeft nog slingers om. Ik moet snel een plek voor ‘m verzinnen. Misschien daar helemaal links in de hoek. Moet ik niet de plantjes in de rieten mandjes omtrappen.
Wolfsmelk, rijstebij, akelei. Ik repeteer hun namen. Zie m’n broer weer naast me.
‘Nou, ik vind dat die look zonder look een beetje overheerst,’ zeg ik.
‘Nee, is juist leuk,’ zegt m’n broer. ‘Kan je wel wegsnijden als ’t uitgebloeid is. Maar de bloem trekt citroentjes aan.’
‘O? Citroenvlinders?’
De plant wordt veel mooier.
Ik ben moe, verkouden, heb een kater, ondanks de paracetamol, & besluit nog even te gaan liggen op de bank. Pak ’t boekje erbij. ‘Meneer Ibrahim en de bloemen van de Koran’. Lees ’t in een klein uur uit. Miles Davis sust me uiteindelijk weer in slaap.

In m’n dromen speel ik met m’n kadootjes in Zijperspace.

rondleiding (15)

m’n bed

De oplettende lezer zal meteen opmerken dat die vorig jaar al de revue heeft gepasseerd. Ik heb de tekst nog steeds op dezelfde plek hangen, men kan ervan getuige zijn. Maar ik vind m’n bed van dermate belang, van alle comfort die ik mijn lichaam kan geven, besteed ik de meeste tijd immers aan m’n bed. Op een goede 2e plaats de stoel waar ik in pleeg te lezen, een 3e plek voor de stoel achter de computer & nr 4 is pas de bank van waaruit ik tv pleeg te kijken.
Nr 1, want ik slaap 7 uur per dag. Zolang kan ik niet stil zitten.
Bovendien: in m’n leesstoel beleef ik de verhalen van anderen, in m’n bed keer ik terug tot mijn eigen wereld, creëer, breidt uit. Ik schat dat de helft van mijn verhalen daar ontstaan.
Vanochtend, zenuwachtig als altijd op de ochtend van m’n verjaardag, alsof ik nog steeds dat kleine kind ben, lag ik weer ‘ns voor me uit te denken. Ogen dicht. Herhalende sommetjes.
Ik wilde ‘ns weten of 15.000 eigenlijk ook niet opgebouwd was uit louter 5-en. & Ik kwam er uit.
Ik leg ’t u uit. 5 Plus 5² is 30. Doe je dat maal 5 krijg je 150. Dan ben je er eigenlijk al. Je hoeft ’t alleen nog maar te vermenigvuldigen met 100. & 100 Is (5 + 5)².
Overzichtelijk: 5 (5 + 5)² (5 + 5²) = 15.000.
Dat bedacht ik me dus vanmorgen, zo lang mogelijk in m’n bed liggend, om vooral zo uitgerust mogelijk aan deze dag te kunnen beginnen: de 125e dag van ’t volgende jaar is voor mij de dag die uit 5 maal een 5 bestaat.
Niet dat dat iets verandert, misschien ook wel, maar ’t is leuk te weten dat zo iets ogenschijnlijk onbenulligs als een bepaalde datum in de maand mei 2005 iets regelmatigs lijkt te hebben.

Als men nog begrijpt wat men in Zijperspace bedoelt.

rondleiding (14)

een plastic zonnebloem

Gekregen van Ramon. 2 Jaar geleden inmiddels. Ik besefte me op dat moment niet eens waar ’t aan refereerde. De strijd die we met z’n 2-en hadden geleverd.
Wij tegen de grote smoelen. Wij die vonden dat aardig ook moest kunnen.
‘Wees lief voor elkaar,’ zei Ramon.
& Ik ondersteunde hem met een epistel.

Op m’n verjaardag kwam-ie de zonnebloem brengen. Hij nam Sandra mee.
Ondanks dat ik besloten had geen wijn te schenken, haalde ik uit de kelder een fles uit een lang geleden kerstpakket tevoorschijn.

Hij hangt er nog steeds. Volgens mij nog altijd op dezelfde plek. Ik heb ‘m van de week weliswaar een stukje moeten verschuiven, ’t behang moest een tipje extra geel hebben, anders kon je m’n zwarte vingers van afgelopen jaar zien, maar nagenoeg op niet verschoven. Door de spijlen van m’n tijdschriftenmeubel heen.

Als ik er aan denk, zal ik zorgen dat-ie in de loop van de dag wat prominenter de hoofden zal storen.

Want we moeten weten dat we lief zijn in Zijperspace.

rondleiding (13)

een nieuw geluid

‘Doe me dan maar een cd die goed is,’ zei ik.
‘Maar je kent me helemaal niet,’ zei hij.
Dat had ik me al beseft toen ik binnenkwam. Niemand die ik kende. Ik had nog een extra rondje door de zaak gemaakt om hopelijk Paul tegen te komen, maar ik moest beseffen dat dingen veranderen. Dat mensen hun eigen weg gaan. Paul was er nog wel, dat wist ik, maar enkele anderen waren weg, anders stond er op deze vrijdagmiddag geen team dat ik geheel niet kende.

‘Je kent me helemaal niet. & Dan wil je dat ik zeg wat jij goed gaat vinden.’
‘Ja, zo doe ik ’t al jaren hier.’
Ik excuseerde mezelf. Hij kon ’t niet weten.
Bovendien wist-ie niet dat ik een installatie had. Met boxen die hingen. & Boxen die stonden. 4 In totaal. Een kamer vol.

‘Wat doe je met die oude installatie?’ vroeg Quint toen-ie er mee klaar was.
‘Wil jij ’t meenemen?’ begreep ik.
‘Shinn wil al een hele tijd muziek op z’n kamer.’
Shinn is z’n zoon.
‘Neem maar mee.’
Zo makkelijk als dingen de deur uit kunnen.
Ik zag mezelf zitten, samen met Carel aan ’t buro, bezig met ons huiswerk. Tussen ons in de pick-up. Platen die draaiden. We mochten omstebeurt bepalen wat. De installatie was van ons beiden.
Nu niet meer. Nu staat-ie in de kamer van Shinn.
Ik draai een cd, 1tje die ik moest kopen van de cd-boer die ik nog niet kende.
Hij wist niet dat-ie de 1e was die na 25 jaar verandering bracht. Een kleine verandering, maar verandering.

Met een geluid dat tot nu toe ongekend is in Zijperspace.

rondleiding (12)

de dingen die er niet zijn

Ik mag ’t niet. Ze mogen er niet niet meer zijn. Alles moet blijven, ook al doet ’t er niet meer toe.
M’n moeder zei: ‘Je mag ’t wel hebben, maar je mag ’t niet weggooien. Waag ’t niet dat je er afstand van doet.’
Misschien in andere bewoordingen. Maar met gelijke strekking.
’t Ging toen om boeken van Opa. Dingen van Opa mochten niet weg. Iets dat ooit was moest blijven.

Ik heb mezelf nu veel leemtes toegestaan. Kaartjes die al jaren boven de kachel stonden. Ansichten vooral. Een telefoon die ’t niet deed. Muizen die niet met de computer functioneerden, niet goed genoeg. Adreswijzigingen die allang verleden tijd waren. Mensen die niet meer bestaan.
Ik zei tegen Marloes, ze zat naar me te kijken toen ik de stapel kaarten doornam: ‘Maar dat kan ik toch niet weggooien?’
‘Tuurlijk wel.’
Meer niet. Ze lachte erbij. Ik ook, ongemakkelijk. & Gooide vervolgens een hele hoop verleden in de prullenbak.
Ze zijn er dus niet meer. Er valt ook niets over te zeggen.

De boeken van Opa wel. Ik heb ze niet gelezen, maar ze zijn er. M’n moeder zou zich omdraaien in haar graf. & Zover is ze nog lang niet.

Dus blijft ’t verleden meelopen in Zijperspace, ook al is ’t moeizaam.

rondleiding (11)

(Voortzetting van 366 dagen geleden)

Plaatjes van Sinterklaas

Ik wil ze niet weghalen. Opgehangen toen de familie Sinterklaas kwam vieren. De laatste Sinterklaas met z’n allen. De laatste Sinterklaas met Pa. Ik weet nog dat ik van tevoren heb gezegd dat ’t zo zou zijn.
Dag Pa, dacht ik. Na nu zal je wel zo ver zijn dat ik niet meer weet of je mij nog kan volgen. Of omgekeerd.
De plaatjes waren voor de kleinkinderen. M’n neefjes, nichtjes. ’t Kleedde ’t huis aan. In afwachting van de zakken vol, de dozen vol, ’t scheuren van pakpapier, ’t nieuwsgierig zijn wat de volgende naam zou zijn die op ’t papier zou staan, wie er nu aan de beurt zou zijn. Van ’t begin af aan zat de spanning tussen de muren van behang geklemd. De plaatjes hielden de spanning in stijl.
Aan ’t eind van de dag heb ik er een paar weggegeven. Aan een nichtje, aan een neefje. Weet niet meer wie wat heeft meegenomen. Ze vonden ’t mooi, dat weet ik. M’n schoonzus was jaloers op haar dochter. Mooi plaatje van Sint in de jaren dat wij waren opgegroeid. Ik besefte dat ik spijt moest hebben als ik ze allemaal weg zou geven. Heb de restanten laten hangen.
Soms word ik verrast doordat een plaatje zich net om de hoek bevindt. Nog steeds op dezelfde plek, maar voor mij al zo gewoon dat ik ’t niet besef. Tot op dat moment. Ik droom dan weg met de kinderen die in 50-er jaren kledij om Sinterklaas staan verzameld. Of Sinterklaas in een ziekbed, Zwarte Piet die ‘m wat lekkers komt brengen. Zodat-ie snel weer beter wordt.
Ik maak me elke keer zorgen. Leef me in in ’t verhaal dat door een enkel plaatje wordt bezorgd.
Sinterklaas mag nooit overgaan, besef ik me dan. Dingen mogen niet veranderen. Alles ‘tzelfde.

De muren van Zijperspace in ieder geval.

netniet

De avond voordat ik jarig werd, vorig jaar, was ik in een beter humeur.
Ligt niet aan de leeftijd. Ik ben ijverig in ’t ontkennen hiervan. Ik ben bijkans onsterfelijk in ’t niet weten dat ik ooit dood ga.
Ik staar naar buiten. Naar de ‘serre’. M’n zelf gecreëerde serre. Ik hoef slechts ’t doek, ’t plastic bouwzeil, te laten zakken & ’t is een serre. Met 2 biertaps.
Omdat ik 40 word. Pakt niemand van me af.
Dat laatste probeer ik de hele tijd te denken. Maar God, wat zit m’n bioritme me dwars. Ik hoop dat ’t m’n bioritme is. M’n oogleden hangen. M’n lippen staan strak, met een kromming naar beneden, vooral aan de onderkant.
2 Biertaps. Ik kijk of ze goed staan. Voel me trots. & Chagrijnig tegelijk. Al ’t bier dat overblijft, denk ik. Al de moeite die ik voor niks doe. Niemand die me leuk vindt.
Men vindt me leuk omdat ik 40 word. C’est tout. Morgen zijn ze me vergeten.
Excuseer m’n gevoel van niet belangrijk. Ik weet niet waar ik aan moet denken. Ik zie slechts 2 taps staan. Niemand om me heen. Pijn in m’n rug van ’t dragen. Gestoord van ’t denken dat iedereen ’t leuk vindt dat ik m’n 40e vier. Al een ½ jaar lang diezelfde gedachte.
Ik ben obsessief. Obsessief in ’t steeds weer denken. ‘tZelfde denken.
Ik word er nu voor gestraft. M’n ogen willen naar binnen staan. M’n tong wil zichzelf afsnijden. M’n benen zijn lood. M’n armen willen niet dat m’n handen typen.
& Ik denk: dat heeft iemand anders vast al beter gezegd. Andere verjaardagen zijn bovendien beter gevierd. Een feest is pas kompleet als niemand niet durft te verschijnen. Als iedereen wil.
Ik krijg ’t idee dat niemand wil.

Weet u ’t nog: omlaag gesleurd worden in een draaikolk? Een stroom waar je niet meer uitkomt, waarvan je zeker weet dat je naar beneden getrokken wordt. Naar een bodem die niet bestaat.
Ik ben halverwege. & Durf nergens anders meer aan te denken. Ik durf m’n hoofd niet op te heffen om adem te halen, niet koppie onder te gaan om met de stroom mee te gaan.

& Zeg nu niet dat ik een grens overga. Dat weet ik al. Een symbolisch ding, zo’n grens.
Zeg niet dat een mens onrustig wordt van veranderingen. Ik ben allang gewend aan die onrust. Aan veranderingen niet, maar aan de onrust wel. Ik ben een meester in onrust, juist omdat ik veranderingen niet wil accepteren.

’t Is paniek. Vast. Als de auto die op dit moment buiten toetert om verzekerd te zijn van respons. Respons van de auto die in de weg staat. Respons van degene die op tijd moet beantwoorden aan de afspraak op tijd weg te rijden.
Ik toeter om verzekerd te zijn van ’t feit dat er dingen niet kloppen.

Ach, u begrijpt me niet. Ondanks dat u zover bent gekomen in de tekst.
Morgen ben ik net zo alleen met mensen om me heen als dat ik de dagen doorbreng.

Maar niemand die dat merkt in Zijperspace.

mannenpraat

‘Ik vind ’t helemaal niet erg dat vrouwen tegenwoordig korte truitjes dragen.’
‘’t Lijkt mij alleen zo koud. Als ik mijn onderste t-shirt uit m’n broek trek, voel ik onmiddellijk de tocht richting ribbenkast trekken.’
‘Maar ’t vrouwelijk lichaam zal wel zo werken dat de buik & omgeving veel beter warm gehouden worden dan die van de man. Die regionen zijn voor een vrouw belangrijker dan voor een man.’
‘Ik heb ’t wel ‘ns zo proberen uit te leggen: een man heeft z’n handen & voeten nodig, die heeft-ie nodig voor tijdens de jacht. Een vrouw haar buik. Zij hoefde in de oertijd niet te jagen. Alleen de kinderen te baren & te verzorgen. Daarom hebben vrouwen altijd koude voeten & handen als je met ze in bed stapt, & een man niet. Alle warmte wordt bij de vrouw richting middenstuk gedirigeerd.’
‘In bed ben je als man altijd 1st een kwartier bezig de uiteinden van ’t vrouwelijk lichaam op de juiste temperatuur te krijgen.’
‘Vind ik op zich ook best lekker: heb je ’t bed al opgewarmd met je eigen lichaamstemperatuur, komt eindelijk de vrouw, moest nog even alle make-up verwijderen, & legt ze vervolgens haar handen onder je warme oksels, haar ijskoude voeten wrijven langs die van jou. Je bent dan in dienst genomen als een soortement warmteregelaar. Daar wil ik best voor tekenen, hoor, de rest van m’n leven.’
‘Gratis seks als beloning.’
‘Maar niet elke nacht, hè. Dan putten ze je uit. Je moet af & toe ook vrije tijd hebben.’
‘Over die korte truitjes: ik moet me wel af & toe inhouden om niet te kijken, hè.’
‘Dat was toch de bedoeling, dat je keek.’
‘Ja, maar dat mag je niet laten merken, toch?’
‘Weet ik niet.’
‘Nee, want als je open & bloot naar een vrouw kijkt die een push-up-bh draagt, nemen ze je dat ook niet in dank af. Dan kan je wel zeggen dat je ’t concept van ’t opliften van kleine borsten aan ’t bestuderen bent, maar dan ben je nog verder van huis. Zeg nooit uit jezelf tegen een vrouw dat ze kleine borsten heeft. Daar moet ze zelf over beginnen. Dan kan jij alsnog zeggen dat ’t allemaal best wel meevalt. Werkt geheid.’
‘Daar wilde ik ’t niet over hebben.’
‘Oja, ik dwaal af. Sorry, als ik ’t over vrouwen heb, zie ik vooral borsten voor me.’
‘Nee, die truitjes, volgens mij willen ze juist dat je aandacht hebt voor ’t kieren van de huid. Ze beschouwen ’t zelf als iets heel onschuldigs. Van: kijk ‘ns, ik heb een navel. Moet je toch toegeven: niets zo vertederend als een navel.’
‘Hangt ervan af wie er bij de bevalling is geweest. De navel is de handtekening van de verloskundige, wordt er altijd gezegd.’
‘& Dan lopen ze zo rond van, wie durft er z’n vinger in m’n navel te steken? Alsof ze nog steeds doktertje in de fietsenhokken van de lagere school aan ’t spelen zijn.’
‘Van dokter Paard, je weet nog wel: van de Fabeltjeskrant, mocht je nooit in de navel poeren. Kan jij je dat nog herinneren?’
‘Nee, maar ik poer dan ook niet. Ik doe hele andere dingen met een navel.’
‘Dat wil ik even niet weten. Nee, ik kijk liever niet. Liever aanschouw ik de reep huid aan de achterkant. Dan hebben ze ook niet zo snel door dat je aan ’t gluren bent. Tenzij een vriendin ernaast staat. Maar die pak je dan met je blik van achter als je om hun beiden heen gelopen bent.’
‘& Dan mogelijk nog iets dieper in haar broek met je ogen dringend.’
‘Ja, ’t wordt pas leuk als je een reepje van de string kan zien. Daar moet aan de bovenkant zo’n leuk versierseltje aan zitten, precies in ’t midden, want anders telt ’t niet.’
‘Is ’t jou ook niet opgevallen dat vrouwen sinds kort 2 bewegingen erbij geleerd hebben? Je ziet ’t nou overal op straat. Buiten ’t grijpen & vasthouden van hun mobiel, bedoel ik dan, hè. Dat deze moderne tijd ervoor zorgt dat vrouwen, & dan vooral de meisjes onder deze soort, zichzelf dwingen 1 keer in de zoveel tijd bepaalde bewegingen maken.’
‘Je bedoelt voortvloeiend uit ’t korte truitje?’
‘Ja, & dankzij de heupbroek.’
‘Oh, ik snap wat je bedoelt. ’t Omlaag trekken van ’t truitje met hun knuistjes.’
‘Precies, hun handen vormen dan van die vuisten, lijkt ‘t, om de onderkant van de truitjes vast te kunnen grijpen. & Als ze de heupbroek voor afzakken willen behoeden, grijpen ze als automatisch met hun wijsvinger in ’t lusje dat oorspronkelijk diende voor de riem.’
‘Ja, in de loop van de tijd betekent ’t dat er iets gaat veranderen in de lichaamsbouw van de vrouw, als de korte truitjes & heupbroeken zo populair blijven, want ze moeten de hele tijd met hun handen naar achteren kunnen grijpen.’
‘Maar er zijn er ook die dat niet doen, hè. Die lijken zich de hele dag uit te willen rekken, alsof ze afgelopen nacht te weinig slaap hebben gehad.’
‘Nee, dan durf ik niet te kijken. Als ik dat zie, dan wend ik mijn hoofd af.’
‘Hé, ik moet weer verder. Ik denk dat m’n vriendin ’t eten klaar heeft staan.’
‘Doe haar de groeten. Ik zie je later.’
‘Ja, later!’

Eigenlijk is 't 1 & al verwondering wat de klok slaat in Zijperspace.

contact

Ik rookte. Ik rookte om contact te krijgen. Ik zoog de lucht van m'n peuken naar binnen tegelijkertijd met de aanwezigheid van mensen om me heen. Ik wilde geabsorbeerd worden door ze, zoals ik de rook in m'n longen absorbeerde. Ik was minder anoniem als ik in de massa een sigaret opstak. Dan was ik deel van de massa & tegelijk geen vreemde meer.
Ik vergat m’n aansteker of verstopte ‘m in m’n broekzak. Ook als Pim erbij was.
‘Nee, zonder aansteker maak je veel meer contact,’ zei ik tegen haar.
Alsof zij er niet was om contact mee te hebben.
Maar ik zei ’t met een lach. Een lach die een groter plan verborg. Ik zou ’t haar later wel uitleggen, probeerden m’n ogen te zeggen. Zij zou ’t straks wel begrijpen.
Dus schoof ik langzaam in de richting van de persoon waarvan ’t aantrekkelijk was een vuurtje van te krijgen. ’t Kon welhaast niet anders meer of zijn of haar aansteker werd uit de broekzak gehaald om mij bij te lichten.
& Pim. Want die rookte ook. Met een ander doel. Maar mijn doel zou haar doel wel worden. Ik zou ’t haar wel uitleggen.

In een hoekje van De Plak stonden wij weggedrukt. Zoals je overal in De Plak vanaf een uur of 12 's avonds weggedrukt stond. Dan kon je ’t beste in een hoek staan, je jas naast je weggepropt, want dan had je nog enigszins overzicht. In ’t midden werd je alle kanten opgedreven.
We keken naar de mensen op de dansvloer. We sprokkelden ons geld bij elkaar. Beslisten of we nog wat te drinken konden halen. 1 Van ons 2-en liep dan naar boven om de benodigde drank te halen. De ander bleef voor zich uitstaren.
Wie was mooi, wie was lelijk? Nog net hoorbaar voor elkaar bespraken we ’t publiek. De punkers, de alto’s, de skinheads, de mods. Ze waren er allemaal. De Plak was verdraagzaam, zoals heel Amsterdam in die tijd verdraagzaam was. Wij beslisten of ze ermee door konden of niet. & Keken de andere kant op zogauw ons oordeel negatief uitviel. Op zoek naar een volgend doelwit van onze blik. Ondertussen langzaam nippend aan ons pils, waar we zolang mogelijk mee moesten doen.

‘Ik vraag even of de buurman een vloeitje heeft,’ zei ik tegen Pim.
‘Ik heb nog vloei,’ zei Pim.
‘Ja, maar dat kan ik beter aan hem vragen. Jou ken ik al.’
‘Man, doe toch niet zo moeilijk.’
‘Nee, dat doe ik niet. Ik wil alleen met andere mensen in contact komen. Dit is de truc.’
& Even later vroeg ik of-ie ook nog een vuurtje had.
Stug bleef de jongen vervolgens voor zich uitkijken. Dezelfde kant op als wij, dat wel, richting dansvloer. Maar zonder met ons te converseren.

Pim danste op Tears for Fears. Ik strekte m’n benen op The The. Geen ander nummer dan Giant. & Vermoeid slofte ik na afloop terug naar onze hoek. Niets veranderd, alleen wat minder ruimte, nog meer publiek. Als Pim terugkwam van Tears for Fears rook ik haar appelgeur. Ze trok snel haar trui weer aan, haar wijd vallende trui, om mensen niets te laten merken van haar omvang. Haar geur werd verborgen. Haar zweet droop nog even door.

‘Kijk,’ wees ik, ‘die zijn vast op bezoek bij haar broer.’
2 Jonge meisjes. 1 Heel aanhankelijk met een oudere jongen. Van onze leeftijd. Niet verliefd, wel vertrouwd. ’t Vriendinnetje hing er een beetje bij.
‘Wat bedoel je?’ vroeg Pim.
‘Net wat ik zeg. Zij is zijn zus. Ze zijn met z'n 2-en op bezoek. Voor ‘t 1st in Amsterdam.’
‘Hoe weet je dat nou?’
‘Dat zie je toch? Kijk nou, hoe onschuldig. Ze roken nog niet eens. Die ene kijkt alsof er nog nooit wat ik in haar leven gebeurd is. Ze vindt alles leuk. & Haar vriendin is verlegen met de situatie.’
‘Wat is daar nou bijzonder aan?’
Ze klonk afstandelijk, niet begrijpend, niet willen begrijpen. Ze voorvoelde mijn gevoel.
‘Daar word je toch zo verliefd op,’ ging ik verder, verder dan betamelijk was. ‘Die onschuld. In hun dorp gebeurt er nooit iets. & Nu maken ze dingen mee, in de Utrechtsestraat in Amsterdam. Over een paar jaar wonen ze hier ook, maar dit is de avond die ze nooit zullen vergeten.’
Pim zweeg.

Pim zweeg ook toen we naar mijn kamer in de Utrechtsedwarsstraat liepen. Ik zag de meisjes achterop springen bij 2 jongens. ’t Ging wat moeizaam, er werd gegiecheld. Ik bleef m’n nek omdraaien, ook al waren ze al ver weg richting Rembrandtsplein verdwenen.
‘Schattig, hè,’ zei ik.

Ik omhelsde haar dunne lijf. De dekens hoog opgetrokken, onze lichamen vanwege de kou & ‘t 1-persoonsbed dicht tegen elkaar. Ik rook haar appeltjes. M’n arm gleed tussen haar borsten. 1 Tepel priemde langs m’n wijsvinger. Ik kuste haar nek voor welterusten.
‘Waarom kan je nou niet normaal doen?’ vroeg Pim zacht.
Alsof ik al sliep, zo zacht, zo mompelend verwijtend.
‘Waarom kan je niet gewoon aandacht aan mij geven?’ ging ze verder. ‘Ik sta toch naast je? Ik weet wat we afgesproken hebben. Ik weet waar ik aan toe ben. Maar je kan toch zeker wel rekening met me houden?’
Ik stotterde in m’n fluisteren, ik haspelde wat zuchtjes.
‘Ik probeer ’t ook,’ zei ik, ‘maar als ik dan zulke meisjes zie, dan ben ik ademloos.’
Ze begreep ’t ook wel, zei ze. Ze wilde me ook niet opeisen, zei ze. Maar ’t was zo moeilijk evengoed.
‘Zullen we nog een shaggie roken voor we slapen gaan?’ vroeg ik.

& We verduisterden Zijperspace met bevroren adem & vluchtige rook.

vijfvijfvijf

‘Wat voor dag is ’t vandaag?’
‘Zondag.’
‘Ja, dat weet ik, maar welke datum is ‘t?’
‘Hm, 3 april?’
‘Nee, man. 4 April. 04-04-04 Is ‘t vandaag.’
‘Oja.’
‘Dus wat is ’t over 1 jaar, 1 maand & 1 dag?’
’05-05-05.’
‘& Waarom is dat bijzonder?’
‘Dat zijn 3 5-en op een rij.’
‘Nee, dan wordt ik 15.000 dagen oud.’
‘Oh. Heb je dan wel de schrikkeldagen meegerekend?’
‘Tuurlijk, ik heet geen Albert Egberts, zoals die man in ‘De tandeloze tijd’ van A.F.Th. van der Heijden.’
‘Nee, zo heet je niet. Maar ik ken Albert Egberts ook niet.’
‘Even verder. Hoeveelste dag van ’t jaar is 05-05-05?’
‘( )’
‘De 125e.’
‘Ja, dat zal wel. Dat heb je allemaal zitten uitrekenen.’
‘Ja, ik kon een keertje niet slapen. Maar ik ben nog niet klaar. 125 Is ..?’
‘125?’
‘5 Keer 5 keer 5.’
‘3 Keer 5 dus.’
‘& Wat is 125 nog meer?’
‘Ik zou niet weten.’
‘125 Is (5 + 5)² + 5².’
‘Dat zal wel.’
‘Dat is dus weer 3 keer 5.’
‘Slaap je dan wel goed de laatste tijd?’
‘Wacht nou. Als we nou dat 1e stukje nemen: (5 + 5)². Hoeveel is dat?’
’25?’
‘Nee, kom op zeg. Je hebt toch wel lagere school gehad voordat ze je op de middelbare toelieten? Hoeveel is 5 + 5?’
’10.’
‘Dus 10² is ..?’
‘100.’
‘Goed. Wanneer ben ik jarig?’
‘As zaterdag.’
‘Ja, welke datum is dat?’
’10 April. Dat heb je er bij iedereen ingeramd.’
‘& Op hoeveelste dag van ’t jaar is dat?’
‘De 101e.’
‘Ja, dat is dit jaar. Maar volgend jaar, in 2005, ben ik op de 100e dag van ’t jaar jarig.’
‘Oja.’
‘& 25 Dagen later, 5 keer 5 dagen later, vier ik mijn 15.000e verdagdag.’
‘Volgens mij heb je een klap van de mallemolen gehad, Ton. Of je hebt te veel wiskundeboekjes gelezen.’
‘Zeg, mag ik die glazen, die daar op de grond staan, mag ik die ook alsjeblieft? Shit, ’t is ¼ over 7. Ik moet nog roepen. DAMES & HEREN, ’T IS TIJD VOOR DE LAATSTE RONDE!’

Zijperspace draait ondertussen z’n normale rondjes.

voorstelling

Ik heb plots ’t woord. Ik zie ’t aan de blikken die mijn kant op gewend zijn.
‘Als ik glazen moet halen,’ vertel ik, ‘dan moet ik vaak over de hoofden heen bukken.’
Ik duid met m’n ene hand de denkbeeldige hoofden aan, de andere reikt naar de glazen die er ook al niet staan.
‘”Kan iemand de glazen aangeven, alsjeblieft?” zeg ik dan, maar moet ’t dan toch vaak zelf doen. Dan hoop ik altijd maar dat m’n oksels niet ruiken.’
Ik wijs naar m’n oksel die over de hoofden hangt. M’n neus assisteert in ’t duiden.
‘Ik heb dan altijd wel gedoucht, maar je weet ’t nooit zeker, je weet gewoon niet hoe je lichaamsgeur overkomt bij andere mensen. Zeker niet als je al een hele tijd hard hebt staan werken & de glazen moet hebben.’
Ik buk nogmaals voorover om te laten zien hoe ik over de hoofden neig, de glazen probeer te halen. Steek dan m’n hoofd in m’n shirt, & snuif de lucht hard naar binnen.
Gelach in de kamer. Ton doet een voorstelling. M’n lichaam steekt naar alle kanten uit om ’t tot een totaal product te laten komen.
Achterin m’n hoofd speelt ondertussen al ’t idee dat ik te ver ben gegaan. Ik had ’t woordje ‘oksel’ niet hoeven noemen om ’t gezellig te hebben. Ik had er geen voorstelling van hoeven maken.

Verjaardagen nodigden uit om de projector tevoorschijn te halen. Familiefilms. Vakantiekiekjes. ’t Huis donker, gordijnen dicht, iedereen een plaats op de bank of er achter, moeder die in de keuken iets lekkers bereidt om tijdens de voorstelling door te kunnen geven.
’t Commentaar begon al voor de film was gestart. Wie de grootste oren had. Welke film er gedraaid moest worden. Welke anekdote ’t leukst zou zijn om te laten zien aan de schoonzussen, nieuw in de familie.
Er werd gelachen, gegrinnikt, om de familieondeugden. Ik probeerde mee te doen met ’t steekspel van snedige opmerkingen, maar kreeg steeds ’t gevoel dat ik in een verkeerd tempo zat. Of ik had de afslag gemist. Wanhopig probeerde ik ’t familiepeloton te volgen, daarbij steeds voor de verkeerde tactiek kiezend. Ik rende voor ze uit, te laat ontdekkend dat ze een andere route wilden volgen.
M’n vriendin zei: ‘Ton, doe ‘ns niet zo druk.’
& Kneep zachtjes in m’n handen.

Ik voel me te veel op m’n gemak. Hier moet ik waakzaam blijven, bedenk ik, de controle niet verliezen. 1 Verkeerde opmerking & men kijkt afkeurend. Een kamer vol verbaasde gezichten van ‘waar heeft hij ’t over’ moet ik zien te vermijden.
Inhouden. Adem halen. ’t Gesprek aanhoren. Een praatje met de buurvrouw, 1 op 1. Geen grote aandacht, geen kamer vol met aandacht, alleen maar voor mij. Geen grote onderwerpen, met armbewegingen, handen die alle kanten opschieten, de gedachtes achterna, waar de ogen die de kamer vullen niet meer omheen kunnen. Gewoon, rustig adem halen, inhouden.
Ik luister naar Anne, naast me, hoe ze vertelt over een rat, die via ’t doucheputje haar huis moet zijn binnengedrongen. M’n gezicht vol afgrijzen, m’n handen zoeken ’t te verbergen, om me te kunnen verstoppen, de rat niet in mijn wereld te laten komen.
& Ik hoor Rachel zeggen: ‘Moet je kijken hoe Ton reageert.’
Weg handen, weg overdrijving. Gecontroleerd probeer ik de rest van ’t verhaal aan te horen. M’n armen snel over elkaar, om m’n lichaam niet de emoties te laten vertalen. Ik mag niet ’t middelpunt worden, alleen maar door te luisteren.

Ik trok me terug. Ging op m’n oude kamer zitten. Pakte een boek & ging lezen. Terwijl de familie aan ’t familiebijeenkomsten was, probeerde ik me veilig te stellen. Ik mocht niet in de verleiding komen de grens over te trekken. Te schreeuwen, luidkeels te lachen, de verkeerde opmerking te maken.
& Toch zei m’n vriendin aan ’t eind van de dag: ‘Je bent een heel ander mens als je met je familie bent. Je bent helemaal niet aardig.’

Ik beëindig de avonden voordat ze afgelopen zijn. Ik beëindig ze voor ik controle verlies. Voordat m’n mond ’t over gaat nemen van m’n hoofd. Voordat de ogen mijn kant op blijven staan. Met stille onuitgesproken verwijten. Ik wil ’t voor blijven. Ik wil niet zwelgen in aandacht. Niet meer.
Ik ga om 11 uur naar huis. Weg van ’t verjaardagsfeestje. Thuis drink ik nog een biertje om tot rust te komen.

De ruimte van Zijperspace is soms te overweldigend.

duik

Je hebt dan al zo lang doorgehaald, dat ’t maar de vraag is of alles wat je beleeft nog wel blijft zitten, of ’t niet een schim wordt, een vluchtige herinnering omgeven door een wazige roes, waarvan de details niet meer waar te nemen zijn. Goed, de zon gaat vroeg op, in dat jaargetijde; ’t duurt niet lang vooraleer de ochtendzon genoten kan worden, maar toch heb je reeds een bepaalde hoeveelheid drank achter de kiezen als je besluit met z’n allen zo’n ochtendduik te nemen.

3 Meisjes gingen mee. Studentes uit waarschijnlijk Leiden. ‘t Staat me bij dat ze nogal lacherig deden over hun plek op de camping van de Donkere Duinen.
‘Vol met gezinnen. Overal jankende & jengelende kinderen. De moeders ‘buurten’ bij de caravan even verderop, vaders kijken de hele dag naar hun portable tv onder ’t genot van een pot bier. Daartussenin staan wij met 2 tentjes & alle kinderen op avontuur weten ons te vinden.’
Zo moeten ze ’t ongeveer verteld hebben. ’t Zijn de enige mensen die ik heb gekend die ooit op die camping hebben gestaan & ’t is ’t enige verhaal erover dat ik onthouden heb.
Ze gingen mee.
Ik had ze ergens in een café ontmoet. Samen met Dick. We praatten over muziek die niet te vinden was. Niet in Den Helder. Of in ieder geval niet na sluitingstijd van ’t jongerencentrum.
Dus hopten we maar, van kroeg naar kroeg. Een kleine rondleiding in de vorm van een kroegentocht.
‘Hier kan je blowen.’
‘Dit is de stamkroeg voor ’t personeel van Noorderhaven, zwakzinnigenzorg in Julianadorp.’
‘Hier bood Willem-Alexander op z’n verjaardag een rondje voor de hele zaak aan. Z’n lijfwachten stonden er omheen.’
‘Daar moet je niet komen; daar is ’t gevaarlijk.’
‘Dat is voor hardrockers.’
‘Hier draai ik muziek, maar die is nu gesloten.’
‘Na sluitingstijd liggen de stelletjes te vrijen verspreid over de dijk, wordt gezegd, maar ik ben ze nooit tegengekomen.’
‘’s Nachts nemen we vaak een duik in de zee. Maar dat doen we op ’t strand, verderop.’

Je moet ’t interessant laten klinken. Ze moeten daardoor zelf op ’t idee komen ’t te gaan doen. Dan is de motivatie er. Dan hoef je niet te pushen.
‘We doen ’t ook wel ‘ns in ’t zwembad, maar dan loop je ’t risico dat je door de politie gesnapt wordt. Er is laatst ook iemand door de bewaking aangeschoten.’
’t Was warm t-shirtweer. ’t Uitgaansleven speelde zich grotendeels af op straat, de klamme hitte sloeg je binnen naar de keel, je kleren plakten onmiddellijk op de huid. Er was niet zoveel wat ons tegen kon houden een duik te nemen.
‘Als je ’s nachts ’t water in rent,’ vertelden we, ‘dan kan je de zee zien oplichten. Allemaal blauwe lichtgevende spetters, door plankton veroorzaakt.’
Ze geloofden ’t niet, maar werden wel nieuwsgierig.

‘Maar we hebben geen zwemgoed bij ons.’
‘Wij toch ook niet.’
Dus stonden we gelijk.

& Uiteindelijk ging Dick niet. Niet de zee in. Maar dat snapte ik wel, want ik had Dick nog nooit zien zwemmen.
Hij zonderde zich af in de duinen, draaide daar een joint & kwam apenstoned terug.
De ochtend begon te gloren. De zee zou niet op gaan lichten, vertelde ik. Maar niets zo verfrissend als een duik in zee na een nacht in de stad.
Ze aarzelden. Ik trok m’n kleren uit. Gooide ze op een stapel in de buurt van een strandpaal. Rende de zee in. Ik hoefde niet ver te gaan, ’t was vloed. De meisjes volgden snel. De 1 een broekje, de ander niks, net als ik.

Voor de rest weet ik niet veel meer. Ik kan me herinneren dat ik naar huis ging, op een gegeven moment.
& Dick vertelde, achteraf, dat ’t meisje, ’t blonde meisje, ’t meisje dat achter mij aan was gerend, naakt, want dan ren je jezelf droog, had ik uitgelegd, dan heb je ’t niet zo koud, Dick vertelde dat ’t blonde meisje met hem mee was gegaan de duinen in, ’t meisje dat daarvoor zo mooi achter me aan was gehupst, ik zag haar borsten schudden in de schemerende ochtend, & ondanks dat, ondanks die aanblik, dat gebrek aan schaamte voor elkaar, ben ik naar huis gegaan, heb Dick overgeleverd aan 3 meisjes uit waarschijnlijk Leiden die in de Donkere Duinen hun tent hadden staan, & ik ben thuis in slaap gevallen, want van een duik in zee word je wel fris, maar niet nuchter, ook niet minder moe, & heb ze nooit meer gezien, ook niet ’t blonde meisje, dat de duinen in ging met Dick.

’t Is nog maar net geen zwart gat in Zijperspace.

bluf

Ik moet mezelf bekennen dat ik op slecht weer hoop. Dan wordt m’n entree beter. Vollediger. ’t Lijkt me niks om in een simpel t-shirtje/lange broek de schooldeuren te openen. Niemand die opkijkt. Hooguit van: hé, die Ton, die is ook niks veranderd.

& Of ik veranderd ben! Pff. Als er iemand kan veranderen, dan ben ik ‘t.
Ze hadden dat vroeger al moeten zien. De ene dag geheel in ’t blauw, de volgende in ’t rood, & toen ik er achter kwam dat groen mij toch ’t beste stond, toonde ik mij als de ontspruitende lente. Terwijl mijn kompanen binnen de alternatieve scène zich in algeheel saai zwart voortbewogen, jarenlang. Hoeveel zullen zich daarvan inmiddels niet in driedelig voortbewegen, of bloemetjesjurk?

Kijk, ten 1e ben ik dikker geworden. Tot voor een jaar geleden had ik me dat niet voor kunnen stellen. Ik heb weliswaar geen buik, of men zou die ene rol als zodanig moeten definiëren, maar enige zwelling in m’n gezicht is toch wel waar te nemen. Als ik dat 20 jaar geleden had vertoond, dan had men vast wel ‘ns over de lippen gekregen dat ik er als gezonde Hollandse jongen uitzag. Dat ben ik inmiddels geworden. Beetje laat, maar op de reünie-site had ik al geschreven dat ik in alles een beetje laat ben. Ik mag dan snel in mijn bewegingen zijn, in mijn onrust, mijn leven verloopt een ietwat traag. Misschien juist daardoor.
Dan zie ik er ook nog veel wijzer uit. Dat idee heb ik tenminste. Veel meer rust straal ik uit door de uitgeschakelde schildklier. Bovendien wordt de wijsheid geaccentueerd door die kraaienpootjes aan de zijkanten van m’n ogen. Daardoor krijgen ze meer diepte, die ogen dus. Waarschijnlijk ben ik nu onweerstaanbaar geworden voor mijn leeftijdsgenotes, maar dan zijn ze mooi te laat. Hadden ze me maar niet in eenzaamheid door mijn depressies moeten laten ronddolen. Om over mijn frustraties van weleer niet te spreken: veel te lang moeten wachten voordat ik wist wat seks in werkelijkheid inhield (als ik de sterke verhalen van toen tenminste moest geloven). Daar hadden ze toentertijd aan moeten denken, nu heb zélfs ik dat achter m’n rug.
Goed, wijzer & dikker dus. Waarschijnlijk ook nog een tikkie zelfstandiger. Dat zie je vast ook onmiddellijk aan mijn houding af. Vooral als ’t slecht weer wordt. Was ik vroeger al een einzelgänger, toen uit noodzakelijkheid, nu ben ik ’t vanwege mijn verworvenheden, mijn verleden, mijn houding in ’t leven; die indruk is vast 1 geworden met mijn zijn. Dat denk ik in ieder geval als ik mezelf in vol ornaat in een levensgrote spiegel zie.

Ik zie mezelf al binnenkomen: fiets van m’n moeder (ik heb ’t al geregeld, ik mag ‘m die dag lenen) op de plek waar eigenlijk alleen de docenten hun fiets mogen stallen; groene lange jas wapperend in de helderse winden die van alle richtingen invloed proberen uit te oefenen op de bevolking, maar mij nimmer noemenswaardig te pakken konden krijgen; pet tot vlak boven m’n ogen, zodat de kraaienpoten verrassend tevoorschijn komen als ik ‘m afzet om een vroegere vriendin beter te kunnen zoenen, mooi verticaal afstekend tegen m’n groengrijze ogen; bril op m’n neus, om naast ’t beter tonen van degenen die me komen verwelkomen na al die jaren, me daarnaast een intellectueel cachet te geven, die z’n weerga niet kent vergeleken met de 40-ers die zichzelf allemaal inmiddels lenzen of een oogoperatie hebben laten aanmeten; m’n sweater bollend in de wind, alsof ’t een groot torso moet omkleden, die bij uitpakken slechts een fatsoenlijk midlife-magere borstkas blijkt te bevatten; een t-shirt met een leuke tekst over ’t drinken van bier, welke mijn leeftijdsgenoten slechts met enige schroom durven aan te raken, of ze moeten de alcoholische schaamte al voorbij zijn & zich veelvuldig die dag laven aan ’t gerstenat, vanwege de dwingende vraag ernaar van hun inmiddels gewende lichaam.

Of bij mooi weer kom ik in een t-shirt. Er onder 1tje met lange mouwen om de kou van de vroege lentedag buiten te houden. M’n hebben & houden heb ik dan verpakt in m’n broekzakken, zoals immer, sleutels echter in ’t ouderlijk huis achtergelaten, zodat die niet tussendoor tegen binnenkant been kunnen drukken. Een vaalgroene broek, ook zoals gewoon. Niets bijzonders, behalve dan de tekst op m’n shirt dat bier ervoor heeft gezorgd dat lelijke mensen seks hebben.
Dan zal ik denken: ’t stelt misschien niet zoveel voor, mijn presentatie hier op deze middelbare schoolreünie, maar ik draag in ieder geval nog geen bloemetjesjurk.

Dat zal vast nog wel een tijdje duren in Zijperspace.

Zoals gewoonlijk een tekst ihkv ’t thema van de zojuist verschenen aflevering van de cursus lijfloggen, terug te vinden op de zojuist geactualiseerde site van about:blank.

crash

Als iets vernietigd is, kan je ’t niet zomaar opnieuw scheppen. Dat wist ik, dus ging ik drinken.
Nee, niet meteen drinken. Ik ging 1st bedenken dat ik ging drinken. Dat was al een hele geruststelling. De gedachte dat ’t later kon.
Ik ben zelfs niet tekeer gegaan. Tegen ik & mezelf. Tegen de computer. Tegen ’t raam. ’t Uitzicht. Alles wat me irriteerde. ’t Weer dat er beter uitzag, maar waar ik niet van zou kunnen genieten. Niets van dat alles.
Ik zweeg.
Besloot m’n fiets te pakken, m’n financiën te regelen, onderweg langs een winkel met huishoudelijk apparatuur te wippen, om na dat alles pas dat biertje te gaan drinken.
First things first.

‘Verdomme,’ zei ik toen, ‘een tekst waar ik 2 uur mee bezig ben geweest is verloren gegaan doordat m’n computer crashte.’
Daarna zijn de barman & ik alle vrouwen op straat in de gaten gaan houden.
‘Volgens mij heeft ze geen bh aan,’ wist ik te constateren.
Om even later er aan toe te voegen, toen ze opnieuw voorbij kwam: ‘Nee, ze heeft wel een bh, maar hij zit een beetje losjes.’
‘Ze zou de bandjes aan haar oren moeten hangen.’
‘’t Is gewoon zwabberend vlees.’
Voor de rest dacht ik niks. Ik voelde alleen maar. Zo’n zwarte inktvlek die uitgespreid over de tafel lag. Des te meer je probeert ‘m weg te vegen des te groter ’t oppervlak.

Ik ben nogmaals naar de winkel gegaan. Hij was al dicht.
‘Ach, jammer,’ zei ik tegen de man die alles naar binnen haalde. ‘Misschien volgende week dan.’
‘Morgen zijn we gewoon weer om 10 uur open.’
‘Nee, dan is m’n weekend voorbij.’
‘Wat wilde je hebben dan?’
‘Gasstelletje.’
‘Laat ‘m maar binnen,’ werd er van achter geroepen.
De man die me vanmiddag te woord had gestaan.
‘Ik heb 3 bier gedronken om tot dit besluit te komen,’ zei ik.
& Een tekst verloren laten gaan. Maar dat zou de man toch niet begrijpen.

Rachel belde even later. De verpakking hield ik met moeite op m’n bagagedrager in bedwang.
‘Ik drink bier,’ zei ze.
‘Dat dacht ik al,’ zei ik. ‘Ik kom er zo aan.’

Meer bier. De doos bleef ongeopend staan.

2 Uur nadat ik had gegeten werd ik wakker. Ik kon ook niet anders meer. Er stak een scherpe naald van m’n achterhoofd, vlak boven m’n nek aan de rechterkant, naar m’n voorhoofd, boven m’n ogen. M’n linkeroog had een afwijking naar buiten, de rechter week uit naar binnen.
Ik zag ’t beeldscherm niet. Of eigenlijk irriteerde ’t me. Hij scheen zo scherp. De letters waren gaten die met moeite tot m’n hoofd doordrongen.
Ik probeerde wakker te blijven, zo lang mogelijk. Om morgenochtend opnieuw te beginnen. Op te halen wat plotseling was verdwenen.
Voor de rest mocht ik er niet aan denken: alles wat ik zou terug zou halen, alles van de inhoud die vervluchtigd was in dat zwarte gat, zou opnieuw verloren gaan, was ik bang.

’s Ochtends opnieuw wakker. Ik opende met de titel. & Ging vervolgens op de bank liggen. Te vroeg. Te veel slaap nog nodig.
Bij vlagen fit. Een beetje energie om nog net een alinea te schrijven. Dan weer op de bank.
10 Uur. Tijd om te douchen. & Ik schreef de laatste regel.
Huiswerk: probeer (....)

’t Resultaat volgt elders, niet in Zijperspace.