sorry

Sorry, ik was vandaag te druk bezig met de 9e aflevering van de cursus Lijfloggen.

Daardoor geen echte vulling van Zijperspace (ik dacht: dat dient de lezer te weten, zo'n legitieme reden).

verbazend

‘Hij is helder vandaag,’ zei ik.
Ik denk dat ik ’t tegen Marc zei. Die zat immers de hele tijd naast me.
Een grote tafel met daaromheen m’n ooms & tantes. Aan ’t hoofdeind m’n vader. Geflankeerd door m’n moeder & de pastoor.
Koffiekopjes. Theekopjes.
Tegenover m’n vader de kleinkinderen. M’n broer & schoonzus om ze stil te houden.
De 2e rij: andere broers, andere schoonzussen, 1 oom. Ik. Marc naast me.
Ik denk dat Marc ‘hmm’ zei, misschien bevestigend, misschien nadenkend.
We zaten allebei op krukken. Ik leunde met m’n rug tegen een kast.

Omstebeurt gaven we m’n vader een zoen, of een hand.
‘Een knuffelfeest,’ zei Leny, een beetje lachend.
De pastoor herhaalde dat later.
Een oom vroeg m’n vader of-ie wist wie hij was.
M’n vader keek ‘m aan. Hij hield zich groot. Hij wilde niet laten merken dat-ie niet herkende.
Soms lachte hij.
Je zou die lach vast willen pakken & ergens opplakken.
Een oom zei: ‘Dank je voor je vriendschap & vertrouwen.’
Ik kwam niet verder dan: ‘Hé, Pa.’
Maar hij keek me aan.
M’n neefjes kriebelden in m’n vaders baard. Ze lachten dat ze zo dapper waren.

‘Hij was helder,’ zei ik tegen Yvon.
We liepen naar de auto’s. Door de gangen van de Koogh. Door de afdeling van m’n vader. De zaal uit waar ’t had plaatsgevonden. Ik had iedereen gedag gezegd.
Een onomkeerbaar proces.
‘Ja, dat had ik wel verwacht,’ zei Yvon. ‘Dat zie je vaak bij mensen die bediend worden. Ze zijn zo sterk met dat geloof opgevoed, dat er krachten vrijkomen. Dat zag je aan dat Pa mee aan ’t bidden was. Opeens kende hij alle woorden. Opa Zijp had dat toen ook. Die bad ook mee.’
‘Oja, da’s waar ook.’
Dat was waar ook.

‘Hij was helder,’ zei ik tegen Quint.
We gingen bier drinken. Marc op de fiets. Wij met de auto.
We riepen hard ‘Mietje!’ toen we Marc inhaalden. Quint toeterde.
Marc zei later dat-ie echt was geschrokken.
‘Wat riepen jullie nou?’
‘Mietje.’
Maar daarvoor zei ik dat-ie helder was.
‘Hij bad zelfs ’t Onze Vader mee.’
Toen gingen we al snel over op een ander onderwerp.

De pastoor had gezegd dat-ie m’n vader al jaren kende. Al vanaf ’t begin dat-ie in Den Helder kwam preken.
M’n vader zei altijd ‘Dank u’ bij ’t ontvangen van de hostie.
Dat vond de pastoor persoonlijk.
Hij was blij dat m’n vader vandaag zo helder was. Want afgelopen zondag was dat wel anders. Tijdens de mis in de Koogh.
Hoe vond m’n vader ’t nou dat er zoveel mensen voor hem waren gekomen? Wat vond m’n vader ervan, wat er nu gebeurde?
‘Verbazend,’ zei m’n vader.
Iedereen luisterde.

Had men in Zijperspace maar zo weinig woorden nodig.

kapje

‘Tuurlijk is een boterham maar een boterham. Een snee brood waar je beleg op gooit, doormidden snijdt, of in stukjes & vervolgens in je mond stopt. Veel mensen gebruiken daar ook nog boter bij, maar dat heb ik voor mezelf al lang geleden afgeschaft. Bleek niet nodig te zijn.
Beleg des te meer.
Zonder smaakje kan ik dat brood niet door m’n keel krijgen. Is ’t voor mij een droog stuk vreten dat met sloten thee door m’n mond gespoeld dient te worden. Ik moet iets hebben dat ’t sneetje brood iets extra’s geeft, iets dat ’t opfleurt, iets dat m’n smaakpapillen een vakantiegevoel geeft.
Ik heb ’t al sinds m’n jeugd: brood is een noodzakelijk iets; ’t zorgt ervoor dat je de dag doorkomt, geen honger lijdt.
Ik ben jaloers op omringende landen, waar ’t gewoon lijkt te zijn 2 warme maaltijden op een dag te consumeren. Nederland is een broodland. Wat dat betreft pas ik er niet. Maar dat is waarschijnlijk de enige reden. Ik heb me weten aan te passen.
’t Was echter een grote klap afscheid te moeten nemen van m’n delicatessenwinkel Berkhout. Weg was de mogelijkheid m’n sneetjes dik te besmeren met diverse soorten paté.
Variatie! Variatie is ook een belangrijk onderdeel van m’n ontbijt- & lunchgenot. Berkhout wist mij daarin te voorzien. Als ik alle patés had gehad, begon ik weer van voren af aan. Of bleek ’t wildseizoen aangebroken. Of was ’t tijd voor de asperges, die ook in paté verwerkt konden worden. & Met kerst werden er nog meer verrassende feestelijkheden in de paté gestopt.
Ik gooide m’n vriezer vol & spreidde bepaalde seizoenen nog wat langer uit. Zodat ik niet de kans kreeg verveeld te raken.
Ik zie brood waarschijnlijk als verveling. Altijd ’t zelfde, moet ik in m’n jeugd hebben gedacht.
M’n gebakken ei-manie is op z’n retour aan ’t raken. Niet meer elke dag een ontbijt aan de koekenpan. Afgewisseld met dure patés van een andere dure delicatessenzaak (ik moet helaas wel, ik heb geen keus).
Een mens in nood schijnt vindingrijk te zijn. Ik neigde ernaar de boterham zo veel mogelijk af te schaffen, al hongerend richting avondmaal de dag proberen door te komen, maar wist ’t te voorkomen door mijn fantasie te laten werken.
Zodoende herontdekte ik bijtijds, dat is afgelopen dinsdag, een goedje waarmee ik m’n brood zeer gevarieerd kan bekleden: de paturain.
Ik smeer m’n boterham vol met de gekruide smeerkaas. Leg er vervolgens iets bovenop. Plakjes tomaat, komkommer, stukjes ui, of paprika. Gemalen peper eroverheen, eventueel zout, tijm, of andersoortige groene kruiden. Elke dag iets anders.
Dan houd ik ’t wel een tijdje vol.
Maar ’t vreemde is, & daarom begon ik hierover, dat ik vanochtend, de 1e keer dat ik me op deze ‘nieuwigheid’ wilde fêteren, bij ’t afsnijden van de plakjes tomaat & ’t bedekken daarmee van de paturain, ontdekte dat ’t kapje, ’t plakje tomaat dat als 1e is aangesneden, ’t minst lekkere deel omdat ‘t ’t meeste vel bevat tov ’t vruchtvlees; dat ik dat kapje dus als 1e in m’n mond steek.
Daar stond ik van te kijken. Dat ik ’t minst lekkere van de boterham als 1e opeet.
Ik had ook aan de andere kant kunnen beginnen. Waarbij ’t sap dan heerlijk langs de binnenkant wang richting keel was gegleden, al m’n smaakpapillen passerend.
Nee, ik moest perse bij ’t kapje beginnen. Terwijl ik ’t kapje van de boterham toch ook nooit eet. Waarom die van de tomaat dan wel?’

Zijperspace is een universum van raadselen vervuld.

rouwzonderrouw

Ik bukte voorover & rook steen.
Alsof je dat kan ruiken.
Ik rook Zwitserland. Een bedding bij warm weer. Steenformaties om over te springen, van steen naar steen. Jonge benen. Om kristallen tussen te zoeken. Pleiterstenen te vinden, die omhoog schieten tussen de golven heen. & Schaduw die spaarzaam is. M’n vader, die ons meegenomen had hiernaartoe.
Niet dat ik m’n vader rook. Ik herkende hem achter die geur. Zijn verantwoordelijkheid. Zijn houding van ons laten spelen, ons laten vakantie vieren. Ons mee op sleeptouw nemen.
Terwijl ik gewoon in m’n eigen tuin stond & slechts voorover bukte om een in de zon glinsterende glassplinter op te ruimen.
Een zweem. Een herinnering op geurniveau.

Ik denk niet de hele dag aan hem. Ik doe m’n dingen. Ik werk.
Fret zei: ‘Wat ben je stil, Ton.’
Ik zei: ‘Niet zo brutaal, hè Fret!’
Niet nadenkend over waar hij aan refereerde. De oude grapjes makend. Verwachten dat ’t volgende grapje van hem afkomstig is.
Fret vroeg: ‘Gaat ’t goed, Ton?’
Ik antwoordde: ‘Ja, gaat lekker.’
Hoewel ik heus wel wist dat de automatische besturing aan stond.
Ergens in m’n achterhoofd zei ’t dat ik geen grapje ervan kon maken.
‘Ik doe m’n best,’ zei ik dus maar stoer, rechte schouders, alsof ik breed ben, vinger omhoog, van ‘kijk mij nou staan’.
Kijken of daar nog een grapje van te maken valt.

Ik koop cd’s. Voordat ’t te laat is. Thuis durf ik ze pas te beluisteren. Ik wil dat niet in de winkel.
Ik wil niet dat men merkt dat ik de muziek van m’n vader aan ’t luisteren ben. Alsof ze me zouden herkennen.
‘Hé, koop jij muziek die van je vader is?’
Die van m'n vader wás, zou ik verbeteren.
Ik koop in anonieme platenzaken. Groot. Brede collectie.
Maakte echter toch de fout de volgende dag terug te komen. 2e Cd aan te schaffen.
Tot m’n schrik ‘tzelfde personeel. De jongen die me had gewezen waar Willem Vermandere stond. ’t Meisje dat de bijpassende cd uit ’t schap achter zich had gehaald, in ’t hoesje had gestopt, had afgerekend.
De jongen keek 1 ogenblik recht in m’n ogen. ’t Meisje lachte me toe. Ik vermoedde herkenning.
Ik wilde anoniem zijn. Ik wilde weten dat ik thuis alleen zou zitten. Zou luisteren naar muziek die van m’n vader was.
Ik wil ‘m nog even bij me hebben.
Ik koop steeds de verkeerde cd. Maar morgen durf ik niet.

Ik pluk plantjes uit m’n tuin. Plantjes die ik te veel vind. Geef namen aan ‘tgeen ik onderweg tegenkom.
Als m’n vader.
Ik peins. Merk weer dat ‘t ’t begin van ’t seizoen is. ’t Seizoen van namen geven.
‘Pa, hoe heet dit?’
Een hum.
‘Ik moet elke jaar weer opnieuw op zoek naar de namen van de plantjes,’ voegde hij er altijd aan toe.
Zo vaak gehoord.
Ik ben m’n vader die stoer de wereld inkijkt als m’n buurmeisjes vragen wat ze in hun tuin hebben staan. Ik heb geoefend op m’n eigen tuin. & Op m’n vader, enkele seizoenen geleden.
‘Die berenklauw moeten jullie weghalen.’
‘& Dat is akelei.’
‘Jullie hebben allemaal ooievaarsbek staan. Waarschijnlijk vanuit mijn tuin komen overwaaien.’
‘Die kleefkruid & winde kunnen jullie wegtrekken. Dat woekert alleen maar.’
Ik ben eigenlijk al ver op weg in ’t seizoen. Ik heb m’n vader er niet bij nodig.

Maar zachtjes tikt-ie op m’n rug, wil-ie nog niet weg uit Zijperspace.

buurtverslag

‘Hoe is ’t ermee?’ vroeg ik aan m’n buurvrouw.
Ze keek een ietwat sip.
‘Je bent een beetje moe?’ voegde ik er dus maar aan toe.
‘Ja, ik ben chagrijnig,’ zei Suze. ‘Ik moet studeren. & Ik heb geen zin.’
Koppie voorover, pruillipje.
‘We krijgen Floor als nieuwe buurvrouw, hè,’ zei ik dus maar, om de aandacht af te leiden.
‘Wat?’
Ze wist van niks. Zo’n gezicht trok ze nu in ieder geval.
‘In ’t huis van Hanneke,’ legde ik uit. 'Floor gaat de nieuwe buurvrouw heten. Een vriendin van haar.'
Ik wees naar ’t huis boven die van mij. Hoewel ze wist waar Hanneke al 4 jaar woonde.
‘Hoe weet je dat? Heb je met Hanneke gepraat?’
‘Ja, ze vertelde ’t me toen ze van de week kwam klagen over de geluidsoverlast.’
‘Pffft,’ lachte Suze. ‘Dus ik had ’t toch niet verkeerd gehoord, laatst, bij mij op de wc.’
‘Ach, zo vaak maak ik niet lawaai. Hooguit 1 keer per dag. Dat duurt dan 1 nrtje.’
‘Je zal mij ook niet horen klagen.’
‘Ik heb tegen haar gezegd dat ik blij was dat ze ’t zei, want dan wist ik tenminste wat ’t effect was van m’n nieuwe installatie.’
‘Ja, da’s altijd ’t beste wat je kan doen. Zeg ik ook altijd. Maar hoe heet ze dan? Die nieuwe buuv?’
‘Floor.’
‘& Heb je gelijk gevraagd of ze vrijgezel was?’
‘Nee, joh, dat moet je juist niet doen. Dan krijg je niks meer voor elkaar. Dat wordt meteen doorgebriefd. ’t Moet pas later blijken dat ik ook vrijgezel ben.’
‘Oh, ik dacht dat je wel ging vragen hoe ze er uit ziet, wat haar maten zijn, hoe groot haar borsten.’
‘Nee, dat doen vrijgezellen tegenwoordig niet meer. Ze wachten tegenwoordig meer af.’
‘Bij die ene buurvrouw maak je ook geen kans.’
‘Welke?’
Ze wees. Naast me.
‘Oh, Johanneke & Dorien?’ informeerde ik.
‘Zijn ’t er 2?’
‘Ja, 2 jonge meisjes.’
‘Waarvan 1 dus zeker geen vrijgezel. Want van de week kwam er een jongen. Ze rende dolenthousiast op ‘m af. Sprong in z’n armen.’
‘Dat moet Johanneke zijn. Want die zat van de week in de tuin met een jongen.’
‘Jammer voor je.’
‘Ze was misschien wel een beetje jong voor me.’
‘Je hebt in ieder geval Dorien dan nog.’
Een goede buur denkt met je mee, dacht ik.
‘Maar heb je ’t gehoord van de week?’ vroeg ik, naar de overkant wijzend.
‘Ja, d’r was weer wat aan de hand met afval. Ik heb er wel over gehoord, maar heb ’t niet meegemaakt.’
‘Nou, ik wel. De buurtrechercheur stond ernaast. Of nee, buurtregisseur is ’t, geloof ik.’
‘Ja, buurtregisseur.’
‘Een surinaamse dame schreeuwde tegen die buurman: “Nou, jij vindt jezelf stoer, hè! Jij bent hartstikke stoer!”’
‘Ja, ik zou niet weten wie dat zouden moeten zijn geweest.’
‘Maar toen begon de buurman van hiertegenover naar haar te schreeuwen, buurtregisseur naast ‘m: “Je moet ‘ns je brutale mond houden,” riep-ie, “jij brutale roetmop!”’
Dat laatste zei ik extra langzaam. Roetmop. Ik keek er verwonderd bij. Suze deed mee, met open mond.
‘Toen was ik gelijk niet meer voor de buurman,’ zei ik.
‘& Toen?’
‘Ja, dat weet ik dus niet, want ik moest weg. Maar Panos kwam er op dat moment aanrijden, dus ik dacht: dan kan Panos wel de rest van ’t verhaal vertellen.’
‘Ja, dat zou hij dan wel moeten doen. Maar goed, ik moet studeren.’
‘Nu je hier toch staat: kan je meteen even helpen met ’t kratje achterop m’n fiets te krijgen.’
‘Wat moet ik doen?’
Ik pakte ’t kratje op & gaf aanwijzingen hoe Suze m’n fiets in bedwang moest houden.
‘Ja, daar komen buren goed bij van pas,’ zei ik, terwijl we aan ’t klunzen waren met fiets & kratje.
‘Daar heb je buren voor,’ zei Suze met een lach.
‘Die kopjes suiker daar zorg ik zelf wel voor, maar hier heb je toch iets aan, als buur zijnde.’
Ik stapte op de fiets & reed weg.
‘Doeg!’

Voor suiker hebben we geen buren nodig in Zijperspace.

bezoek

‘Hoi, Rachel, met Ton. Ben jij thuis?’
(…)
‘Ja, ik kom net terug. Ik sta in de Ooievaar een biertje te drinken. Even bijkomen. M’n moeder belde net. Dat ze de pastoor had bereikt & dat m’n vader zaterdag bediend gaat worden.’
(…)
‘Dus je bent thuis? Vind je ’t goed als ik langskom?’
(…)
‘Ok, drink ik m’n biertje op. Ben ik over 20, 25 minuten bij jou.’

‘Hij hing de hele tijd met z’n hoofd achterover. Ongeveer zo. Neus omhoog. Z’n ogen op een kier. Maar heel glazig. Er zat geen glans in. Maar m’n moeder zei dat ’t al een stuk beter met ‘m ging. Dat ze nu in ieder geval contact met ‘m kreeg. Toen ik binnenkwam keek-ie me ook recht aan. Ik kon zien dat-ie me herkende. Hij gaf me zoenen. Nog echt met die ouderwetse smakken zoals-ie altijd deed. Ik had contact. Maar elke keer gleed-ie weg. Dan ging z’n hoofd weer achterover. Zodat we alleen maar tegen z’n keel aankeken.’

‘Hij heeft 1 keer “ja” gezegd. Maar dat was niet tegen mij. Ik geloof dat-ie dat tegen m’n moeder zei. Ook nog wat gemompeld, maar dat was niet te verstaan.’

‘M’n moeder probeerde ‘m te laten eten. Er lagen 2 sneetjes brood voor ‘m op een bord. In hele kleine stukjes. M’n moeder probeerde ze 1 voor 1 aan hem te voeren. Maar hij wilde z’n mond niet opendoen. Alleen als ze ‘Niek’ of ‘Nico’ zei, dan kreeg ze contact. Dan zei ze: “Niek, doe nou even je mond open.” Dat was trouwens op een gegeven moment wel heel mooi. Ze deed ‘m voor hoe hij z’n mond open moest doen. Zo, met lippen wijd uit elkaar. “Zo, Niek,” zei ze. Toen keek-ie haar aan, recht in de ogen. Begon-ie te glimlachen, zoals-ie vroeger altijd glimlachte. Hij dacht dat-ie een zoen kreeg, want hij tuitte z’n mond. Heel langzaam. & Hij bracht z’n gezicht naar haar mond. “Hij wil een zoen,” zei ik tegen m’n moeder. Die deed ’t stukje brood toen aan de kant. Gaf ‘m een zoen. Ze lachten allebei. Net als vroeger. Vlak daarna was-ie er alweer niet meer bij met z’n gedachten.’

‘Ze zijn toch niet gestopt met de medicatie tegen Alzheimer. Anders zouden ze niet kunnen zien wat voor effect de verhoging van die Parkinson-tabletten heeft. Zo legde 1 van de verpleegsters ’t me uit. Dus 1st kijken wat er met die verhoging gebeurt & dan stoppen ze waarschijnlijk met de Alzheimer-medicijnen.’

‘Op een gegeven moment moest-ie niezen. Heel hard. Net zo hard als ik altijd nies, maar dan achter elkaar door. Deed me echt denken aan hoe hij vroeger altijd nieste. Dan stond ’t hele huis op z’n kop. Hij zat natuurlijk de hele tijd met z’n hoofd achterover. M’n moeder probeerde wel zo veel mogelijk z’n hoofd naar voren te houden, maar daar word je op een gegeven moment ook hartstikke moe van. Maar als je dan zo zit de hele tijd, met je hoofd achterover, & je bent aan ’t eten, dan krijg je die stukjes brood natuurlijk heel moeilijk doorgeslikt. Moet je maar ‘ns proberen. Je keel kan gewoon niet helemaal open. Dus moest m’n vader af & toe hoesten. Van die zachte hoestjes. Waar geen kracht achter zat. Kuch, kuch. Zo zacht. Kreeg-ie wel een rode kop van. “Zo, Pa,” zei ik, “daar krijg je tenminste weer een gezonde rode kleur van. Ik kan je couperose weer zien.” Zusters lachen. Maar vlak voordat we weg gingen, moest-ie dus niezen. Net alsof-ie er weer in bleef hangen. Knalrode kop. Hij kriebelde ondertussen met z’n linkerhand aan z’n broekzak. “Hij zoekt naar z’n zakdoek,” zei ik tegen m’n moeder. Die zat altijd in z’n linkerbroekzak. Pakte hij tijdens een niesbui altijd tevoorschijn. “Ja, die zit daar niet meer,” zei m’n moeder. Toen-ie klaar was met niezen, was-ie helemaal afgepeigerd. Z’n hoofd ging meteen achterover, z’n ogen dicht. We konden geen contact meer maken. “Niek, we gaan,” zei m’n moeder. Toen deed-ie nog even z’n ogen open. Gaf ik ‘m 3 zoenen. Hij smakte weer. De verpleegsters zaten buiten een sigaretje te roken. Die hebben we gedag gezwaaid. “Hij zal wel zo naar bed gebracht worden,” zei m’n moeder.’

‘Nee, ik kan beter niet blijven eten. Ik ga naar huis. Maak wat voor mezelf klaar. Ik moet weer tot rust komen. Ik zal wel in slaap vallen na ’t eten.’

Er was geen contact meer met Zijperspace.

hoofdpijnpilsje

Ze kijkt wat somber voorovergebogen. De oogleden hangen.
‘Laat geworden?’ vraag ik.
‘Kaspar belde gisteravond,’ zegt Sas, ‘aan ’t eind van ’t werk. Hij had kaartjes voor 2 optredens in Paradiso gekocht. Maar met ’t ene kaartje had-ie al automatisch toegang tot ’t andere concert. Dus of wij ook zin hadden om te komen. Niemand kon, behalve ik. Dus toen werd ‘t ½ 5.’
‘O, zo voel ik me ook ongeveer,’ zeg ik.
‘Ik heb geen kater.’
‘Nee, ik ook niet. M’n nek staat alleen een beetje strak.’
Ik gebaar waar de band van strak staan loopt. Tot bijna aan m’n voorhoofd. Eigenlijk toch wel een beetje hoofdpijn is dat, bedenk ik.
‘Ja, dat voel ik ook,’ zegt Sas.

‘Zullen we maar een hoofdpijnpilsje nemen?’ vraag ik een ½ uur later.
‘Ja, dat zat ik daarnet ook al te denken. Ik was alleen bang dat als ik zou beginnen te drinken ik helemaal ’t overzicht kwijt zou raken.’
‘Nee, zo werkt bier niet,’ zeg ik met een brede lach om m’n mond. ‘Bier is een heel goed geneesmiddel.’
We werken tenslotte in een brouwerij.
‘Doe mij dan maar witbier,’ geeft Sas toe.
‘Jij ook?’ vraag ik aan Peet.
Ze zegt resoluut nee. In 1e instantie.
‘Of doe eigenlijk ook maar wel,’ zegt Peet een tel later. ‘Misschien goed voor m’n depressie.’

’t Werkt, weet ik als ik me plos bedenk dat ik ’t strak staan van m’n nek al een ½ uur ben vergeten.
Naast me knijpt Peet in de zij van Sas, omdat ze in de weg staat voor de bestelling die zij kwijt moet. Plagerig. Sas schrikt & lacht. Ze lachen allebei.
’t Werkt.
We werken eigenlijk in een soort ziekenhuis. Waar we zelf alle medicijnen uitproberen.

‘’t Was eigenlijk voor ‘t 1st in jaren,’ zegt Sas na afloop van ’t werk.
We zitten aan de bar wat na te drinken. Klanten weg, & alles is schoon. Biertje weer voor ons neus.
‘Ik ben ’t ook helemaal niet meer gewend,’ voegt ze er aan toe.
Ze zucht de herinnering aan ’t gevoel van vanmiddag nog even tevoorschijn.
‘Was Kaspar er dan ook, de hele tijd?’ vraag ik.
‘Nee, toen de disco begon, ging hij weg.’
‘Was je dan in je 1tje?’ vraagt Jans.
‘Ja, daar stond ik zelf ook een beetje verbaasd over. Dat ik dat leuk zou vinden. Maar ik heb me helemaal niet verveeld.’
‘Alle mannen kwamen natuurlijk automatisch op je af,’ suggereer ik.
‘Ja, maar niet vervelend. Ik geloof dat ik hooguit 2 opdringerige mannen heb meegemaakt. Ik dacht 1st dat ’t moeite zou kosten om van iemand af te komen, dat ik zou moeten zeggen dat ik weer op zoek naar m’n vriendje ging, of dat m’n vrienden verderop stonden. Maar ik zei op een gegeven moment, als ik genoeg van een gesprek had: “Nou, ik loop weer ‘ns even verder, doei.” & Dat was ’t dan.’
Ze doet een kleine zwaai met haar hand voor, lacht om de vanzelfsprekendheid die ze eerder niet scheen te hebben gezien.
‘& Plots had ik ook trek in een jointje. Toen ben ik naar een paar engelsen aan de kant van de zaal gelopen. “Hoi, mag ik een jointje van je draaien?” vroeg ik. Dat mocht. “Maar wacht even,” zei ik. “Dan moet je ‘m zelf wel draaien, want ik rook niet.” Toen moesten ze lachen. “Zijn jullie hier voor ‘t 1st?” vroeg ik ze. Nee, ze waren er al voor de 8e keer. Ik heb toen een biertje voor ze gehaald. Vond ik wel zo netjes. Maar alles gaat hartstikke makkelijk. Zou ik anders nooit doen, vragen om een jointje.’
‘Komt doordat je een vrouw bent,’ zegt Jans.
‘Ja, ik denk dat je als vrouw alleen je niet zo snel hoeft te vervelen. Mannen komen vanzelf wel naar je toe.’
‘In m’n volgend leven wil ik ook een vrouw zijn,’ zeg ik jaloers.

’t Is 10 uur. We moeten de deur uit.
We ruimen de boel op. Pakken onze spullen. Ik ga nog even naar de wc. Peet ook. Sas spoelt de glazen.
‘Hé, Jans,’ hoor ik Sas achter me zeggen, ‘tot hoe laat heb jij de oppas voor je kind vanavond geregeld?’
‘Sas heeft er zin in,’ zeg ik tegen Peet, terwijl ik enkele biertjes weer naar buiten laat stromen.
‘Nou,’ hoor ik Peet door ’t luchtgat tussen onze wc’s beamen.

Ik ging linea recta terug naar Zijperspace.

gulliver

’t Is alweer verleden tijd aan ’t worden. Zo voelt ’t tenminste.
Terwijl ’t nog bezig is groter te worden, alles in z’n geheel, zijn bepaalde gedeeltes van de tuin al aan ’t verdwijnen. Dat wat voorbij is duikt onder in wat nu aan de beurt moet komen, laat zich overschaduwen, om uiteindelijk geheel & al op te lossen in overdekkend gebladerte, te laten overtroeven door nieuwe bloemen, langer leven, groener groen, zo schijnt ‘t.

Een bij ligt al een week onder de tafel met bloempotten. Gesneuveld tijdens z’n laatste missie. Niet eens door ’t doolhof van mijn huis: de tafel staat buiten & ik kan me niet herinneren dit jaar een vermoeide bij zoemend te hebben horen tikken tegen de binnenzijde van mijn ramen, steeds weer proberend een opening in de bedrieglijke doorzichtigheid te forceren. Nee, deze bij is buiten mijn medeweten, mijn schuldgevoel een mens te zijn, overleden. Waarschijnlijk z’n evenwicht verloren terwijl-ie op zoek was naar nieuwe voedselbronnen voor z’n volk, van de bloem gevallen, van de tafel, & onderwijl vergeten z’n vleugels uit te slaan. Bewusteloos of versuft op de grond blijven liggen waar-ie al snel zelf slachtoffer werd van de in de natuur immer heersende hongersnood.
Zoiets. Iets dergelijks.
Ik zag de 1e dagen nog ijverig kleinere insecten om ’t lijk heen manoeuvreren, met z’n allen tegelijk. Er uit halend wat er nog in zat. Tot ook zij de moed opgaven. ’t Lichaam diende nergens meer voor.
Ik stel me nu voor dat ik, als ik opzij kijk vanuit m’n tuinstoel, een leeg omhulsel zie. Een lichaam dat eigenlijk had moeten dienen een seizoen lang voedsel te vergaren, ‘t eigen volk in leven te houden, een toekomst te garanderen, is nu niet meer dan uiterlijke schijn, heeft niet meer gedaan dan een ander volk te dienen door voortijdig te sneuvelen.

De wilde hyacint is al ingezakt. Een vage schijn van de eens helder blauwpaarse bloemen laat zich nog ontwaren, terwijl ’t langzaam opzij helt, naar achteren, naar voren, al naar gelang er ruimte is om zich te verstoppen tussen dat wat ’t gaat overwoekeren.
’t Kondigt altijd de lente aan, de wilde hyacint, de komst van warmere dagen. Maar tegelijkertijd vertelt ’t, door z’n vroegtijdige opkomst & ondergang, dat alles al vroeger is zogauw ’t zich laat zien. Niets blijft, slechts een herinnering kan je nog een tijdje met je meenemen. Een vage indruk van hoe ’t eens was. Een vage schijn. Je moet daaruit maar proberen te achterhalen dat ’t ooit helder blauwpaars heeft geschenen.
Nagelkruid heeft z’n gele bloemen al afgeschud. De witte gloed van de look zonder look achterin de tuin is verdwenen. Een in 1e instantie enthousiaste exemplaar van ’t knopig helmkruid is dermate aangevreten door de slakken dat-ie mismoedig z’n hoofd heeft laten zakken. De mierikswortel laat ook wonden in z’n bladen zien, maar deze gaat door, strekt de eigenwijze rechte rug waar ’t blad op steunt. De smeerwortel wordt door z’n eigen uitbundige groei gedwongen tegen de rozenstruik te steunen, een windvlaag heeft ‘m z’n zwakke eigenschap getoond.
& Zo zullen er nog meer aspecten van mijn tuin zijn die de toekomst al achter zich hebben liggen. Ik probeer ’t in de gaten te houden, te zien wat er gebeurt, wat ik mee kan nemen, me later misschien kan herinneren. & Ik houd mezelf voor dat ’t nut heeft, heeft gehad, ook al is ’t verdwenen, gaat ‘t verdwijnen.
‘t 1 Komt tot bloei omdat ’t andere er de ruimte voor geeft.

Naast me staat de gele stoel. De stoel waar ik m’n theekopje op zet. Naast de suikerpot. In de felle zon liggen daar een 10-tal onbeweeglijke 1-dagsvliegjes. Als Reinaert de Vos liggen ze voor dood op hun rug, nog net vergeten hun staart omhoog te zetten.
Maar ze zijn echt dood. Onbegrijpelijk hebben ze zich met z’n 10-en verzameld op een gele stoel om daar te komen overlijden, zie ik als ik m’n blik dichterbij breng. Hun dag was voorbij.
Wat heeft 1 dag eigenlijk voor zin, vraag ik me af.
Maar ik ben als Gulliver, besef ik me, die de naalden van de Lilliputters niet kan ontwaren.

Als ze met z’n 10-en tegelijk prikken voel ik een kleine steek in Zijperspace.

de laatste keer

Dan zou ’t ommetje rond de Koogh de laatste keer kunnen zijn dat-ie buiten kwam. In de open lucht. Zonnetje op z’n hoofd.
’t Zou de laatste keer geweest kunnen zijn dat-ie naar de vogels luisterde. Of anders waren ’t de stemmen in z’n hoofd, de geluiden veroorzaakt door l-dopa, ’t moment dat-ie stil bleef staan, z’n vinger omhoog, of nee, hij hield al tijden z’n vinger niet meer omhoog, z’n neus had ’t teken van ‘luister!’ overgenomen door schuin omhoog te gaan staan, een vraag in z’n ogen te doen aftekenen, een wending van z’n hoofd. We waren inmiddels wel gewend aan de taal van Parkinson die onze vader hanteerde.
Maar dan nog was ’t de laatste keer dat we ’t met ‘m over de vogels hadden. We meenden dat hij ze ook hoorde. De staartmees. De koolmees. De merel.

De keer dat ik door m’n moeder ergens naartoe werd gebracht, Pa achterin, ik naast m’n moeder voorin licht converserend, dat Pa de straatnamen noemde, opgelezen van de blauwe bordjes, zou de laatste keer moeten zijn, zover ik me herinner, dat hij me voorlas.
Kleine straatnaambordjes, daar eindigde ’t mee, denk ik dan, de informatiestroom van m’n vader.
Van kleine voorleesboekjes aan de wieg, plaatjes met verhaaltjes, tot blauwe bordjes, ikzelf verbaasd dat hij dat nog kon.
‘Wijs je de weg, Pa?’ grapte ik.
Om ’t gedenkwaardige moment, dat wat ik niet meer verwacht had, te bagatelliseren.

Hij moet ook ooit hebben gedacht: dat was de laatste keer dat ik m’n moeder met de auto terug naar huis heb gebracht. Dat moet-ie ooit voor de laatste keer hebben gedacht.

M’n moeder heeft toentertijd besloten om m’n vader maar niet meer met de auto te laten rijden.
‘Dan kan je me helpen met de route,’ heeft ze wel ‘ns gezegd.
Moest m’n vader aanwijzingen geven over welke straten er genomen moesten worden.

Ik gaf ‘m de richting aan in Zweden. M’n laatste vakantie met hem. De 1e met z’n 2-en.
Hij stuurde, ik gaf aan hoe we moesten gaan.
& Ik voerde ’t woord. Ik legde in ’t zweeds, aan vreemde voorbijgangers die te hulp kwamen schieten, uit wat er aan de auto mankeerde, waarom we langs de kant van de weg stonden. Ik vertelde in ’t zweeds waarom ik met m’n vader op vakantie was, waarom we gedwongen waren op die camping te blijven, waarom we deze wandeling maakten. & M’n vader zei in ’t engels tegen de moeder met 2 kinderen hoe trots-ie op z’n zoon was, op z’n zoons, want hij had er wel 6.
Wanneer was de laatste keer dat hij zo straalde?

Ik herinner me ’t huwelijk van Carel. We werden naar achteren geroepen, waar de ouderen zaten. M’n vader & moeder naast elkaar, geflankeerd door tantes van Franchet, op een bankje, zo ver mogelijk weg van ’t geluid van de band.
‘Oh!’ zeiden de tantes.
M’n vader glunderend. Z’n couperose nog iets roder. Tot in ’t puntje van z’n neus. Een twinkeling van z’n ogen, z’n lach op zo’n manier gevormd dat z’n bovenlip nog net de slechte tanden verborg.
Wij met z’n 6-en op een rij. 6 Volwassen mannen, dat was de familie Zijp, zagen we ‘m denken, & die zijn van mij & m’n vrouw.
Was dat de laatste keer?

& Hij zal ook wel een laatste keer kwaad op mij zijn geweest.
De keer dat ik niet meer thuis wilde komen.
Of zei dat ik niet meer naar de kerk op zondag ging.
Dat ik ’t dom vond dat ze CDA stemden.
Dat hij mijn verhalen niet geloofde, maar van de docenten wel, omdat hij wist, als directeur van de huishoudschool, dat-ie altijd de verhalen van beide kanten moest horen. Waarna hij niet meer naar mijn verhaal luisterde.
Of misschien die keer dat-ie achter me aan rende, rondjes om de tafel, om me nog ‘ns flink op m’n sodemieter te geven. Ik zette stoelen tussen ons in, zodat-ie me niet kon bereiken, & rende uiteindelijk via de achterdeur naar buiten.
‘Zulke dingen zeg je niet over je moeder!’ was de aanleiding.
Ik ben vergeten wat ik had gezegd. ’t Was in ieder geval de laatste keer dat-ie achter me aan kwam.

Misschien heb ik de laatste keer dat-ie wat tegen me zei al meegemaakt. Stond ik er niet te veel bij stil. Was ik al onderweg naar de volgende gebeurtenis in mijn leven.
& Straks, ik weet nog niet wanneer, maar ’t zal vast niet lang duren, zie ik ‘m voor de laatste keer. Dan weet ik dat-ie weg gaat, dat ik de namen van de straten zelf zal moeten lezen.

Ik zal mezelf een weg moeten zoeken door Zijperspace.

telefoongesprekjes

Ik miste m’n moeder.
Ik miste de mogelijkheid haar te bellen.
‘Hoe gaat ‘t?’
‘Gaat z’n gangetje.’
Niet veel bijzonders, die gesprekken van ons.
Ergens halverwege de vraag hoe ’t met Pa gaat. Dat ik dan van haar te horen kreeg hoe ’t met z’n blaasontsteking ging. Waarschijnlijk zou ik dat alweer vergeten zijn, maar ’t telefoongesprek is voor mij een soort geheugen. Ik raak weer op de hoogte van wat zich elders afspeelt. Waar ik aan voorbij ben gegaan.
Den Helder is ver weg, besef ik me vaak.

Ik kwam er maandag al achter, dat ik haar miste. ’t Telefoontje tussen m’n werkzaamheden door.
‘Ja, ik heb even geen klanten,’ zeg ik dan altijd.
Om te besluiten met: ‘Ma, er is nu een klant die me een vraag wil stellen. Dan laat ik wel horen wanneer ik naar Den Helder kom. Doeg!’
M’n moeder heeft daar nooit problemen mee. Ze laat ’t zich aanleunen.

Ik zou ook op rustiger momenten kunnen bellen. Thuis. Maar ik denk te veel aan mezelf. Denk ik. Ik vergeet te bellen als ik ’s avonds thuis kom & m’n eten op moet warmen.
Er is altijd een excuus te vinden, achteraf.

Ze heeft er nooit over geklaagd. Ze opent ’t gesprek wel ‘ns met de opmerking dat ze al een tijdje niets van me heeft gehoord. Waarop ik pareer door te zeggen dat zij mij ook nooit belt. Of dat ’t nog maar net een week geleden is. Of dat ik toch had gezegd dat ik een drukke week zou hebben.
Dan is ’t al snel goed. Voeren we een gesprek van een minuutje. Zodat we weer op de hoogte zijn. Van de meest belangrijke zaken.
Vaak weet ik niet eens of er wel wat te melden valt.
Zit ik op de trap van de winkel & zeg ik: ‘Ik weet ’t eigenlijk niet. Voor de rest is er geloof ik niks.’

Af & toe benadrukt m’n moeder tijdens dat soort gesprekken dat ik vooral niet de verjaardag van iemand moet vergeten.
‘Even een kort belletje kan toch geen kwaad?’ zegt ze dan.
‘Nee, ik weet ‘t, Moe. Ik zal er aan proberen te denken.’
& 2 Dagen later blijk ik ’t toch vergeten te zijn.
‘Wat kost ’t nou voor moeite om 1 telefoontje te plegen?’ zegt ze ’t gesprek daarop.
‘Ik weet ‘t, Moe, maar ik was blijkbaar met iets anders bezig. Ik moest die dag werken.’

Ze verwijt ’t me wel. Ze laat ’t af & toe merken. Een enkel zinnetje.
‘Zo hebben we jullie toch niet opgevoed?’
Blijkbaar hebben m’n broers er ook last van, want ze praat dan in meervoud. Ik weet wie ze bedoelt als ze ‘jullie’ zegt.

Ik wist niet eens hoe ’t met m’n vader ging, tijdens dat weekje Griekenland van m’n moeder. Ik wist niet dat-ie lag te slapen. Een week lang. Met slechts enkele uurtjes in de gezamenlijke huiskamer. Waar-ie in z’n dribbelstoel ook in slaap viel.
Marc liet ’t me donderdags weten. Of ik wist dat ’t niet zo goed ging met Pa.

Ik wilde m’n moeder bellen. Maar ze was er niet.

Maandag was ze terug. Ik wist niet hoe laat zij & ’t gezin van m’n broer aan zouden komen. Dus belde ik dinsdag naar Carel, waar ze was blijven logeren. Tijdens de verjaardag van m’n nichtje.
Ik wist niet veel te zeggen. Ze was nog niet bij Pa langs geweest. & Ik wilde haar niet ongerust maken. De blaasontsteking was immers al over.

M’n moeder belde me gister. Pa sliep de hele tijd. Hij had de hele dag niet gegeten.
‘Morgen komt de dokter,’ zei ze, ‘dan vraag ik of ik ‘m moet laten bedienen.’

Ik mis m’n vader, hier in Zijperspace.

invasie

Ik keek naar buiten & zag een draad waaraan gele druppels omhoog liepen ipv naar beneden.
Ik moest goed kijken. Drukte m’n neus tegen ’t raam. ’t Was op een afstand van nog geen 2 meter, maar de aanblik was dermate onwaarschijnlijk dat ik ’t niet juist leek te interpreteren.
De minuscule druppels leken in slagorde op weg naar boven. Richting balkon van de bovenbuurvrouw. Ik keek verder omhoog & zag dat enkele druppels reeds gearriveerd waren.
Ik gooide de tuindeuren open om ’t verschijnsel nader te kunnen bestuderen.
’t Dunne draad, afkomstig van een spin, vertoonde geen gele druppels, maar kleine, bijna doorzichtige spinnetjes. 100-en Waarschijnlijk. Allemaal identiek, allemaal niet groter dan 1 mm². Hun pootjes glinsterden rood dankzij enkele zwakke zonnestralen.
Ze kwamen van tussen de parasol & de bloempotten vandaan. Een slordig web, vast niet bedoeld om vliegen te vangen, hing daar vol met hun soortgenoten, nog op zoek naar de richting die zij de rest van hun leven moesten geven. Meer krioelen deden zij, terwijl degenen die de weg omhoog hadden genomen hun doel gevonden leken te hebben.
In slagorde, ik had ’t juist gezien. Bij gebrek aan evenwijdig lopende paden, achter elkaar aan.
Ik wilde m’n bovenbuurvrouw niet zijn. Ik zag hordes kleine spinnetjes uitgroeien tot hordes grote spinnen. Met hechte familiebanden. Waardoor ze ’t komende jaar niet van plan zouden zijn te gaan verhuizen. Nog lekker een tijdje in de buurt van moeder blijven. Om vervolgens zelf moeder te worden & eieren te gaan leggen.
’t Web aan de onderkant, daar waar de eitjes tot spinnen waren getransformeerd, hing aan elkaar van onoverzichtelijk gespannen draden, waarin geen structuur was terug te vinden, behalve dat ’t enkele uiteindes had waarmee ’t zich vastgebeten had in de parasol & enkele bloempotten. De architectuur waar de spin zo om bekend staat was er niet in terug te herkennen. Waarschijnlijk had moeder hoge nood in ’t naar buiten werpen van haar kroost & daarbij geen rekening gehouden met ’t feit ook dergelijke activiteiten een schone gebeurtenis kunnen zijn.
Een spin legt meer esthetiek in ’t doden dan in ’t doen voortleven, bedacht ik.
Hoewel de manier waarop al die kleine lichaampjes op geringe afstand elkander volgden mij ook gefascineerd deed toekijken. Een leger van identieke lichamen wordt blijkbaar gedreven door een identieke gedachte: zo snel mogelijk boven zien te komen.
Als spinnen oren hebben, dacht ik, & die oren zijn ingesteld op hun micro-niveau, voor een mens ondenkelijk gevoelig voor ’t ‘kleine’ geluid, hoeveel lawaai maken ze dan, daar met z’n allen stampend op dat ene draadje richting omhoog?
& Welke vogel ziet er straks, of misschien wel momenteel, alleen dat gedrocht van een angstwekkend groot mens staat er te dichtbij, dat er een lekkernij van een oneindig aantal hapklare brokken spinnenvlees zich begeeft naar een centraal gelegen foerageerpunt, geheel vrijwillig, als lemmingen klaar zich in de maag van een gevederde te storten?
Ik heb heus wel natuurfilms gekeken in ver verleden kinderjaren. Ik heb de wonderen der natuur me gepresenteerd zien worden. Maar toch kon ik me bij dit beeld niet onttrekken aan ’t idee dat er een leger van buitenaardse wezens zich meester had gemaakt van de aarde, of daar in ieder geval mee bezig was. Als van te voren geïnstrueerde wezentjes, of misschien wel robotjes, waren ze op een ogenschijnlijk onschuldig plekje terecht gekomen, hadden hun ruimteschip verlaten & nu op weg de 1e mens te onderwerpen aan hun wil.
Ik had nog steeds te doen met m’n buurvrouw, maar besefte tegelijkertijd dat sf-films die de Vpro gedurende 1 zomermaand uitzond, me indertijd meer interesseerden dan de Eo-natuurdocumentaires op de dinsdagse vroege avond.
Om toch zeker te zijn van mezelf, om toch erger te doen voorkomen, ’t zekere voor ’t onzekere te nemen, heb ik m’n hand door de lange draad die richting ’t balkon van m’n buurvrouw liep gehaald. Met menselijke kracht, in hun ogen bijkans bovennatuurlijk, ’t uit elkaar gescheurd. Daarna snel met m’n hand heen & weer gewapperd. Toch met ’t idee dat de beesten middels ’t kleverige spinnendraad aan m’n hand vastgeplakt zaten.
Om vervolgens gelijk weer spijt te hebben. Nu kon de familie zich waarschijnlijk niet meer bij elkaar voegen. Een uit elkaar gescheurde familie. Letterlijk. & Ik was verantwoordelijk.
De gedachte dat er ergens op mijn reuzenlichaam nog een ietepieterig spinnetje zou bevinden deed mij echter gruwen, wat mij enkele stappen naar achteren deed nemen. Waardoor de aanblik van ’t wonder van even tevoren was verdwenen, ik terugkeerde in mijn eigen alledaagse realiteit, & besloot de slaap, die zich nog in m’n ooghoeken bevond, weg te wrijven & te beginnen met ’t dagelijks schoonwassen van mijn lichaam.
Ik raapte een takje op van de grond, onderweg richting deuren opnieuw, opende de vuilnisemmer om ’t er in achter te laten & zag daar een 10-tal mieren krioelen tussen ’t afval van afgelopen dagen.

Men is zich bewust van een groter plan, een mogelijkheid tot invasie van Zijperspace.

konstruksie

Alles was stuk.

Maar nu is alles weer goed.

bezinning

‘Wat ga jij nou doen?’ vroeg Wieger recht voor z’n raap.
‘Wat bedoel je?’ vroeg ik.
‘Nou, je hebt film- & theaterwetenschap gestudeerd.’
‘Film- & tv-wetenschap,’ voegde ik ‘m snel toe.
‘Film- & tv-wetenschap,’ corrigeerde Wieger zichzelf. ‘& Nu werk je in ’t bier.’
‘& Ik heb zweeds gestudeerd.’
Moest er ook nog even bij. Voor de volledigheid.
‘Maar wat ga je nou met je leven doen?’ was de uiteindelijke vraag van Wieger. ‘Wat ben je nou nog van plan?’
‘Nou, zeg!’ reageerde ik.
‘Sorry, hoor. Ik bedoel ’t niet belerend. ’t Komt doordat ik me in mei altijd een beetje ga bezinnen. Heb jij dat niet?’
‘Nee.’
‘Dan ga ik ’t automatisch ook bij andere mensen doen. Een beetje bezinning bijbrengen. De blaadjes zijn weer vers groen. De bomen hangen vol. Er bloeien bloemen. Alles ziet er heel anders uit in deze maand. Een nieuw leven begint. Zodirect begint de zomer, dan heb ik dat wel weer gehad, want dan zijn we onderweg naar de herfst. Dan begint ’t afsterven eigenlijk al. Ik ben ook niet echt geïnteresseerd in de zomer. De lente vind ik veel inspirerender. & De herfst; dan verliezen de bomen weer hun bladeren & krijg je weer volop ruimte. Dan wordt je blikveld niet beperkt door die volle bomen & kan je weer zien waar alles staat. Veel meer kleur ook meteen. Ik heb 2 seizoenen, de lente & de herfst. Dan krijg ik momenten van bezinning. Mijn vader is ook overleden in de maand mei. Op 1 mei overleed-ie, op 5 mei werd-ie begraven. In die tijd ga ik altijd naar z’n huisarts toe, laat ik me helemaal doorlichten.’
‘Ja, dat heb je verteld.’
‘Is trouwens helemaal niets aan de hand, alles doet ‘t, heeft-ie geconstateerd. Maar dan ga ik altijd nadenken over hoe lang ik nog heb. Vaak stop ik dan met roken, of begin juist weer. Of ik bedenk me wat ik nou met de rest van m’n leven wil. Wil ik bijvoorbeeld nog een lange tijd hier achter de bar staan?’
‘Nog 10 jaar & je bent 60, toch? Dan ben je bijna bij je pensioen.’
‘M’n pensioen duurt nog 15 jaar. Moet ik nog 15 jaar hier achter de bar staan. Daar moet ik niet aan denken, joh. Denk je dat jij nog lang achter de bar blijft staan?’
‘Ach, ik probeer ‘t 25-jarig bestaan misschien nog wel mee te maken.’
‘Maar eeuwig ‘tzelfde blijven doen, dat kan jij toch ook niet, denk ik. Nee, daar beraad ik me in deze tijd van ’t jaar op. Zeg, maar jij hebt gestudeerd, film- & tv-wetenschap, ga je daar dan nog wat mee doen?’
‘Nee.’
‘Wat ga jij dan straks doen met de rest van je leven?’
‘Schrijven.’

Zijperspace opvullen.

stroom

Ik zou wel de hele tijd door willen schrijven. Van ’s ochtends vroeg. ’s Avonds laat. Zonder daarbij last te krijgen van bijbehorende klachten.
Polsen die niet meer willen, stijve benen, stramme rug. Buren die je niet meer kennen. Collega’s die er over klagen dat je eeuwig ziek bent.
Ik zou een stroom willen zijn die overeen komt met hoe ik me voel. Hoewel m’n driften door pilletjes ingetoomd worden, de laatste tijd. Schijnt noodzakelijk te zijn.
Maar goed, een stroom zoals ik in Luxemburg leerde kennen. M’n broer Theo & ik probeerden naar de overkant te zwemmen. Ik was nog niet ervaren genoeg. Had niet genoeg kracht in m’n armen. Dreef af naar de dam, de stroomversnelling.
Hij bleef vanaf de overkant roepen dat ik door moest gaan met zwemslagen maken. Ik hapte naar adem. De kou van ’t water sneed m’n keel dicht.
& Langzaam dreef ik schuin naar rechts. Richting dam. Stroomversnelling. Ik zou vast ondersteboven meegesleurd worden.
Toch haalde ik ‘t.

Zo’n stroom zou ik willen zijn. Een stroom van niet-aflatende woorden. Maakt niet uit waar ze vandaan komen. Ze zijn er. Ze vertellen iets. Ze weten mede te delen over een continu gebeuren. Niets stopt. Alles gaat door. Die stroom. Geen halte. Een stroomversnelling soms. Of bijna droogvallend doorkabbelend.

Of een tuin.
Buurvrouw vroeg hoe lang ik er nou mee bezig was. Hoofd over de schutting.
Niet zo lang, antwoordde ik. Niet zo lang volgens mijzelf. Maar m’n bovenburen zeggen dat ik er best veel mee bezig ben.
Een beetje wild. Een beetje van alles wat, zei ze. Ongeordend, maar toch kan je zien dat ’t een tuin is.
Ze vroeg niet voor niets hoe lang ik er nou mee bezig was, per week.
Toen wilde ik vertellen dat m’n tuin is zoals ik ben. Een tuin moet er uit zien zoals de eigenaar er uit ziet. Van binnen dan. Je moet kunnen zien hoe de eigenaar is.
Ik denk dat je dat bij mijn tuin kan zien.

Rachel vertelde dat ik met m’n handen praatte. Als Marloes haar uitlegde hoe ik dingen had gezegd, begon ze altijd met haar handen te bewegen. 't Gewapper dat ik niet kan laten. Dan begreep Rachel dat ik aan ’t woord was geweest.
Of zoiets.
Ik probeerde in ’t verweer te gaan.
Nee.
Zei ik.
Nee.
& Zocht naar woorden die m'n handen uit de lucht dachten te kunnen grijpen.
Ja, als ik naar woorden zoek, die niet meteen m’n mond in willen schieten.

Zo is m’n tuin. Hoop ik dan maar.
Ik denk dat ik er niet zoveel tijd aan besteed. Maar iedereen ziet dat ik er wel aan denk, wel ’t probeer te vormen. Zonder de tuin daadwerkelijk aan te raken. Omdat ik op zoek ben naar de juiste vorm, de juiste benaming.
Ik wil zorgen dat ’t verhaal klopt.

Toen ik de overkant had bereikt, besefte ik me pas dat ik ook weer terug moest. Ik wilde in 1e instantie de gehele middag daar blijven. Uitrusten tussen de brandnetels. Aan de overkant van de camping, waar geen leven was. Ik wilde op smalle keitjes m’n adem terug zien te vinden. De enige keitjes die droog waren gevallen.
Theo zei dat we terug moesten. Pa & Ma mochten niet zien dat ik had geprobeerd de overkant te bereiken. Ze mochten niet merken dat hij daar verantwoordelijk voor was.
We zijn vertrokken & hebben ’t gehaald.

& Later, veel later, vertel ik zodoende een verhaal in Zijperspace, een verhaal als een tuin.

route

’t Laatste stuk paté is op. ’t Laatste stuk van Berkhout, voorheen m’n delicatessenwinkel. Eigenlijk afgelopen zondag al. Met ’t laatste beetje heb ik toen 1 enkele boterham extra dik belegd.
Vervolgens haalde ik een dik stuk paté, door m’n broer geïmporteerd uit Hoorn, speciaal voor mijn verjaardag, uit de vriezer. Om de komende dagen wat voor op ’t brood te hebben.

Ik ben extra zuinig geweest met de laatste hoeveelheden paté. Probeerde m’n aandacht een beetje te verleggen.
M’n dinsdagochtendtocht voor boodschappen bleef evengoed beginnen bij de bakker. Voor 2, of anders 1½ brood Waldkorn.
Daarna de markt op. 1 Doos eieren, 10 stuks. Scharrel.
Bacon bij de slager. Een kwaliteitsslager. Dikke plakken bacon. Zoals bij een engels ontbijt, heb ik de 1e keren moeten uitleggen.

2 Dunne plakjes gerookt ontbijtspek in de hete pan. 2 Eitjes eroverheen. Dooier doorprikken. Omdraaien & paar plakjes kaas er op laten smelten.
In een andere pan 2 plakken bacon snel braden. Ernaast een 2 of 3 plakken tomaat. Tot ze zacht & bruin zijn. Beetje zout & peper erbij.
2 Boterhammen op een bord. Over de ene ’t gebakken ei met kaas. De andere beleggen met bacon & tomaat.
Soms met witte bonen. Een enkele keer met worst.

De dinsdagroute werd al snel een nieuwe traditie. Een nieuwe route. Nieuwe aanbieders van goederen.
Als de slager iets lekkers heeft staan, schaf ik dat ook aan. & Onderweg over de markt wil ik wel ‘ns stoppen bij een groentekraam.
Zo kwam ik met blokjes gerookt spek thuis (‘Mager spek bestaat niet,’ legde m’n slager uit. ‘Dat mag al een hele tijd niet meer verkocht worden. Mensen zeggen ’t nog steeds, maar dan krijgen ze bij elke slager gerookt spek. Vindt iedereen goed. De klant weet niet dat mager spek niet meer verkocht wordt.’) & shi take, rode pepers, courgette, paprika (‘God, zeg,’ zei de groenteman, ‘wat een stank. Gaan ze midden op de dag ’t riool een beetje opengooien. Moet je kijken, daar staan ze. Recht achter ons. Met een slang zitten ze in de put. Gadverdamme, wat een stank.’).

Blokjes spek in een beetje olie aanbakken. Knoflook & rode peper erbij. Paddestoel, courgette & paprika in kleine stukjes daarna toevoegen. Nog een minuutje bakken. Peper uit de molen. Vuur hoog. 2 Eieren eroverheen. Goed doorroeren. Over 2 boterhammen spreiden.

Op ochtenden waarop ik me niet hoef te haasten, heb ik tegenwoordig een volle buik. Minder brood daardoor. Soms bestel ik op dinsdagochtend bij de bakker slechts 1 brood. Ze kijkt me dan vreemd aan. 1 Seconde slechts. Met ’t bakkermeisje hoef je niet veel te communiceren.
Maar wel steeds meer spek. 1st Een ons. Toen 2 ons. Vorige week 3 ons. Dat bleek weer te veel. Vanochtend terug naar 2.
Bij de groenteman wat extra pepers & champignons gekocht. Bakje oesterzwammen ook. Kijken hoe dat smaakt.
’t Wordt al een vast rondje. Berkhout ligt ergens in de verte. Ver uit m’n route, inmiddels.

Vanmorgen hing er wel een plakkaat aan ’t raam van de slager. ‘TE KOOP’.
‘Niet onmiddellijk, hoor,’ zei hij. ‘’t Zal nog wel even duren.’
Z’n vader wordt te oud. Doet ’t vrijwillig in zijn pensioen. & Er zit geen toekomst voor zo’n slager hier op de Dappermarkt. Hij gaat een delicatessen beginnen.
‘Waar?’
‘In Wormerveer.’

Dat ligt ook ver buiten de route, ver buiten Zijperspace.

barwerk (2)

De man vroeg of-ie later mocht betalen. Een bonnetje. Hij had z’n portemonnee niet bij zich.
‘Blijf je binnen of ga je naar buiten?’ is dan de standaardvraag voor ons.
‘Ik zit buiten.’
‘Dan moet je meteen betalen.’
Dan liep-ie wel even heen & weer. Z’n bier liet-ie staan.
’t Duurde blijkbaar een tijdje voordat z’n vrouw de portemonnee had gevonden, want 5 minuten later kwam-ie pas terug.
‘€ 3,20 Alsjeblieft.’
Ik gaf ‘m z’n wisselgeld.
‘Kan je ze even opfleuren?’ vroeg-ie. ‘’t Ziet er zo zielig uit.’
Ik wierp een blik op de glazen. Ze waren slechts een millimeter ingezakt. Voor de rest had-ie wel een zeer vol glas.
‘Ik vind ’t er anders nog goed uitzien,’ zei ik, terwijl ik verder ging met de volgende klant.
De man keek misnoegd. Dit zou z’n 1e & laatste biertje zijn, zag ik.
‘Ik ben vandaag geloof ik zeer klantvriendelijk,’ zei ik tegen Roen, op een bijtende toon.
Een beet naar mezelf. Ik wist ondertussen in welke stemming ik was.
Ik hoorde Mompel grinniken. Die had ernaast gezeten.
‘Stomme klant,’ probeerde ik mezelf nog een beetje te vergoelijken, ‘blijft 1st 5 minuten weg & wil dán nog een vette schuimkraag op z’n bier.’
Ik kon van ’t gezicht van Mompel niet aflezen aan welke kant hij stond.

‘Heb je ’t aan je rug, Wim?’ vroeg ik.
‘Nee, moet je kijken, Ton,’ zei Wim, op een trage manier op me toelopend, ‘ik ben hier als klant. Jij wordt ervoor betaald om glazen op te halen.’
Ik dacht: ben ik je slaaf dan? Maar hield daarover m'n mond.
‘Je kan toch wel even wat glazen aangeven als je ziet dat ik m’n handen vol heb? Je hebt ’t niet aan je rug dus?’
‘Nee, maar ik ga niet voor jou bukken. Ik vind ’t niet fatsoenlijk dat je dat van me vraagt.’
‘Moet je even luisteren,’ met m’n arm tegen de muur leunend, een ontspannen houding aannemend voor m’n preek. ‘Je weet dat we hier keihard werken. Er staan vaak genoeg rijen bij de bar. Wij hebben glazen nodig, want jij wil je bier geserveerd hebben in een glas. Dan is ’t zaak dat we zo snel mogelijk die glazen weer bij de bar hebben. Want dan kunnen jij & al die andere klanten sneller geholpen worden. Als ik dan tot 4 maal vraag of ik een paar stapels glazen aangereikt kan krijgen die achter jouw voeten op de grond staan, dan is ’t eigenlijk zonde van m’n tijd. Ook van andermans tijd, want jij zorgt ervoor dat mensen dus eigenlijk langer op hun bier moeten wachten. Dus, wil ik maar zeggen, vind ik jouw instelling behoorlijk onfatsoenlijk.’
‘Wat voor opvoeding heb jij gehad?’
‘Een katholieke, van 2 lieve ouders. & Jij bent iemand die zijn kinderen op zo’n manier opvoedt dat ze boven ’t barpersoneel moeten staan. Dan ben ik blij dat ik de gelovige opvoeding heb gehad.’
‘Ton, ik had je vader kunnen zijn.’
‘& Dat ben je niet. Maar goed ook, want anders had je helemaal geen bier gekregen. Als jij op een onbeschofte manier met mij omgaat, zal ik de volgende keer jou als klant ook op zo’n onbeschofte manier behandelen.’
‘Dat moet je vooral doen. Dan ga ik een praatje maken met je baas.’
‘Goed zo, dat zal ik zeer op prijs stellen.’

‘Hai, Ton,’ zei Zheljko. ‘Hoe gaat ‘t?’
Ik keek zeker vrolijk. Anders was ’t vast van m’n lichaamshouding af te lezen.
‘Mwoah,’ reageerde ik.
Keek ondertussen om me heen op zoek naar lege glazen. Oogcontact vermijdend, bedacht ik me later.
‘Kater?’ vroeg Zheljko met pretoogjes.
Z’n vriendin lachte mee.
‘Nee, helemaal niet zoveel gedronken gister.’
‘Dan had je dat misschien wel moeten doen. Zonde.’
Ik lachte. Eindelijk een grappige opmerking. Of eigenlijk: eindelijk een opmerking die relativeerde.
‘Ja,’ lachte ik ze toe, ‘dan had ik er in ieder geval nog lol van gehad. Wist ik tenminste ook waar ’t van kwam.’

’t Buigt, ’t knarst, ’t piept in Zijperspace.

openluchtvoorstelling

Van m’n pillen mag ik pas na een ½ uur eten. Anders werken ze niet. Dat heeft de interniste me nog een keer benadrukt, bij ’t laatste bezoek. Dat ik er om moet denken ze wel een ½ uur voor ’t ontbijt te slikken.
Maar ik ben de pillen al vergeten zogauw ik m’n voeten in de zonnige tuin zet. Er is daar te veel dat me af kan leiden. Winde die z’n kop opsteekt. Longkruid dat te hoog gaat groeien. Een pad die door ’t bos van lievevrouwebedstro probeert weg te vluchten. & Daarbij komend de fantasie om de pad met handschoenen vast te pakken & over de schutting naar de achterburen te gooien. Waarvoor ik waarschijnlijk toch te laf ben.
Bovendien voel ik de ogen van 1-hoog hiernaast in m’n rug. Je kan moeilijk padden smijten als je in de gaten gehouden wordt. Geïnteresseerd, dat wel, maar elke beweging wordt op waarde geschat, beoordeeld, gewogen. Ik doe een voorstelling voor de mensen op ’t balkon. Daar moet ik rekening mee houden. Ze hebben net geen toneelkijkertjes.
Ik probeer me er niks van aan te trekken. Ik pluk winde, ontwortel wat longkruid, vermijd de pad die vanaf een open plek me argwanend aanschouwt. ’t Is pais & vree.
Ik hoor ’t wel. ’t Gemurmel van een radio bij een andere buur. ’t Gesprek op 1-hoog hiernaast dat op fluistersterkte wordt gevoerd. De was die opgehangen wordt bij Suze van 2-hoog hierboven. Terwijl ik voorovergebogen sta te plukken, in alle bescheidenheid de tuin sta te corrigeren, probeer ik ’t niet in de gaten te hebben. Op ’t toneel hoort de acteur immers niet te laten merken dat-ie door heeft dat er zich publiek bevindt.
Ik moet m’n rol echter niet al te serieus te nemen. Een praatje op z’n tijd is ook leuk.
Dus hef ik m’n hoofd op richting waslijn van 2-hoog.
‘Hoi,’ zeg ik als ik merk dat ze me aankijkt.
‘Hoi, buurman,’ zegt Suze.
Dan moet ik ook beter kunnen, bedenk ik me. Amicaler. Zoals buren onder elkaar doen.
‘Hoi, buurvrouw,’ verbeter ik mezelf.
We lachen. Nico komt even om de hoek van de keuken kijken waar ik me bevind.
‘Zeg, wel voorzichtig met je was, hè,’ waarschuw ik.
‘Ach, ik heb toch een vriendelijke buurman die altijd ervoor zorgt dat ’t weer terug komt.’
Ik voel nog steeds de aandacht van 1-hoog hiernaast. Mag me er niks van aantrekken, want anders begint ’t toneelstukje dat we opvoeren z’n werkelijkheidsgehalte te verliezen. De schijn van spontaniteit moet opgehouden worden. Wij zijn immers buren die ’t uitstekend kunnen vinden met elkaar & een mogelijkheid tot groeten & praten niet aan zich voorbij laten gaan.
‘Toch is ’t altijd een rare ervaring,’ spreek ik welluidend m’n buurvrouw toe, ‘als je plots voor je hoofd een fladderend onderbroekje voorbij ziet komen.’
Hihi, denk ik, nu zou ik ze in de ogen moeten kijken, om te zien of ze geschokt zijn. Ik zie ’t onderbroekje van 1-hoog hiernaast al fladderen. Niemand die ’t dan durft op te rapen, denk ik gemeen.
‘Ton,’ gaat Suze onverstoord verder, ‘geef nou maar toe dat ’t elke keer weer een verrijkende ervaring voor je is.’
Ik proest, zonder dat dit te zien of te horen is. Een inwendig proesten. Uit niets mag blijken dat er een voorstelling gegeven wordt. & We geven geen toegift na afloop met de bloopers.
‘Klopt,’ antwoord ik Suze, ‘een dergelijk diepe ervaring elke keer, dat ik er menig stukje over geschreven heb.’
We lachen, & vervolgen onze werkzaamheden. De buren houden zich stil.
Als ik bedenk dat ik vandaag ook nog een keer moet ontbijten, naar de keuken trek om me er op voor te bereiden, werp ik in ’t voorbijgaan een blik op ’t balkon hiernaast, 1-hoog. De buurman staat net op ’t punt de stoeltjes naar binnen te brengen. Buurvrouw is al verdwenen.

Zon verdwenen, openluchtvoorstelling voorbij in Zijperspace.

lintje

Ik was links. Behoorlijk links. Vol van idealen, er moest gevochten worden, verder naar een betere, veel betere samenleving, & iedereen gelijk.
Ik wist ook precies waarom. Dacht ’t ook goed uit te kunnen leggen. Wilde de discussie best aangaan.
‘Pa, je stemt alleen maar CDA omdat je vader altijd al CDA heeft gestemd.’
& Ma deed dat omdat Pa ’t deed.
‘Als ik jullie af & toe hoor, dan zou ik zeggen dat je iets heel anders zou moeten stemmen.’
Maar dat gebeurde niet, want er was geen andere katholieke partij. Ze gingen braaf elke keer naar de stembus & vulden ’t hokje CDA rood. M’n vader liet zich machtigen door z’n ouders & vulde ook hun stembiljetten in.
Weer 4 stemmen tegen mijn opvattingen. ’t Was vechten tegen de bierkaai.

M’n Opa kreeg een lintje. Stiekem werd-ie naar ’t stadhuis gehaald. Onder valse voorwendselen. & Stralend ontving-ie, totaal verrast, uit handen van de burgemeester, omdat ’t Hare Majesteit had geriefd, zijn onderscheiding.
De volgende dag in de krant.
De rest van z’n leven op z’n colbert gegespt.
De zusters in ’t ziekenhuis kregen ‘m regelmatig te zien. Dan wees Opa met z’n wandelstok naar z’n kast, waar z’n colbert hing. Voor iets anders had-ie z’n stok niet nodig, want hij lag in bed. Z’n stok diende om te wijzen.
Dat-ie een eerzaam burger was. Dat-ie z’n verdiensten had. Dat z’n leven & werk gewaardeerd werden. Dat-ie iemand was.

Bij m’n vader heb ik geïnformeerd wat ’t nou inhield, zo’n onderscheiding. Welke onderscheidingen er nog meer waren? Want in de krant had ik gelezen dat anderen zelfs ‘officier’ waren geworden. Dat was blijkbaar nog iets meer dan Opa. Wat hadden zij dan wel niet gedaan?
& Pa probeerde hakkelend ’t uit te leggen. Zover als ’t ging.
Eigenlijk interesseerde ‘t ‘m niet. Liet-ie aan ’t eind van z’n informatievoorziening weten. Informatievoorziening die ditmaal niet al te lang had geduurd. Want hij vond ’t maar niks, die lintjes. Je moest gewoon doen wat je moest doen. & Er niet van uit gaan dat je daarvoor beloond werd, behalve door salaris. De verkeerde mensen kregen vaak de lintjes, mensen die hun hele leven op hun luie gat hadden gezeten & hun handen niet hadden uitgestoken. De grote groep van harde werkers, ’t gewone volk dat ook dagelijks z’n plicht deed, merkte niks van enig lintjesregen, of ’t moest zijn vanuit de krant. De verkeerde regenbui was aan hen voorbijgetrokken.
M’n vader was tegen. Voor hem hoefde ’t niet.
Als ze ’t maar zouden laten ’t in hun hoofd te halen hem ooit te willen gaan onderscheiden.

Ondertussen weet ik niet meer of ik wel zo goed ben in m’n mening bepalen. Ik weet dat ik links moet zijn. Want daar zitten m’n idealen immers nog steeds. Daar wordt de wereld beter van. Diezelfde wereld die ondertussen zo diffuus voorkomt. Veel diffuser dan ik toentertijd wilde weten.
Hoewel ’t vooral mijn hoofd is, ik moet de verklaring niet elders zoeken, die ’t niet meer mogelijk maakt onmiddellijk te bepalen hoe de zaken er voor staan, waar de oorzaak ligt, wie onrecht doet, voorkeur verdient, of een verkeerde gang van zaken voorspiegelt.
Je zal mij niet zo snel een politieke uitspraak horen doen, gewoon, omdat ik m’n mening nog niet heb bepaald.
Ik weet wie mijn tegenstrevers zijn, nog steeds komen ze vanuit dezelfde hoek. Ik weet dat ’t vechten tegen de bierkaai onverminderd voort gaat. Ik weet op wie ik moet stemmen. Ik weet met wie ik ’t niet eens moet zijn.
Maar vraag me niet waarom, want ik begin te hakkelen zoals mijn vader ooit deed.
Als men echter ooit zou bedenken dat ik wegens verdiensten een onderscheiding zou moeten worden omgehangen, dan weet ik wat ik daarop zeggen zal.

‘Nee,’ zal ik zeggen. ‘Ik wil ‘m niet. Ik wil ‘m niet willen. Zoals m’n vader ‘m ooit niet wou. Ik wil ‘m niet omdat m’n vader gezegd heeft dat hij ‘m niet wilde.’

De appel valt uiteindelijk niet ver van Zijperspace.

barwerk

Aan de zijkant van de bar is er een opening. Een weg achter de bar vandaan, tevens een vanzelfsprekende plek om in de rij te gaan staan, te wachten tot je aan de beurt bent een bestelling te plaatsen. Een welhaast natuurlijke grens vormt de denkbeeldige lijn tussen de hoek van de bar & een plankje aan de zijkant. Als een klant daar voorbij treedt, wordt-ie binnen enkele tellen door ’t personeel gecorrigeerd, teruggebonjourd naar zíjn plek. In de rij wachtenden.
Barpersoneel heeft z’n leefruimte nodig. Daar buiten, in de rest van ’t cafégedeelte is ’t leven al woest & welhaast onoverzichtelijk, tot aan onze begrenzing moet systematiek & een ontsnappingsmogelijkheid uit de chaos bestaan. Anders krijgt er niemand bier & stopt ’t begrip café. Of proeflokaal, zoals ’t in ons geval heet. Waar normale cafétaferelen echter niet vreemd zijn. Een mens gaat niet voor niets de drukte in, zich gedragen als een kuddedier, daarbij geheel & al opgaand in ’t geruststellend geroezemoes van gelijksoortigen. Daar heeft ’t naampje die je aan de gelegenheid geeft niets mee van doen.

Ze bestelde 4 bier. 4 Verschillende. Ik zette ze neer. Bij de opening van de bar. ’t Afgiftepunt.
Ze keek me aan.
‘Ik zit daar.’
Ze wees vaag een plek aan verderop in ’t proeflokaal.
‘Ja, dat weet ik,’ zei ik. ‘Maar wat wil je daarmee zeggen?’
‘Hebben ze geen bonnetje, m’n vrienden?’
‘Niet dat ik weet. Bovendien wist ik niet dat ’t je vrienden waren. Je kan wel zomaar bij iedereen gaan zitten.’
‘Kan ik opschrijven?’
‘Tuurlijk. Als je binnenblijft wel.’
‘Ik zit aan die tafel.’
Ze wees weer. Met ’t handje dat met opengesperde vingers overal naartoe kon wijzen. Nonchalant, ze wilde er geen drukte over maken. Daar ergens; de barman zou wel een nummer voor die tafel hebben. Alle tafels hebben immers nummers in ’t hoofd van de barman.
‘Ik wil heus wel een bonnetje voor je maken,’ zei ik, ‘maar dan wil ik je naam weten.’
‘Ach, laat ook maar. Als zij ook nog geen bonnetje hebben laten maken.’
Ze begon al te zoeken naar haar portemonnee.
‘Je wil gewoon je naam niet vertellen aan die charmante barman,’ zei ik uitdagend. ‘Je bent eigenlijk een beetje bang dat charmante barmannen alles over je te weten komen.’
‘Ja, dat klopt,’ zei ze met een stoere glimlach.
Ze overhandigde me een biljet van 10. Staarde vervolgens naar de 4 uitgestalde biertjes.
‘Wat is wat, eigenlijk? Is die van mij?’
Ze wees naar de pils.
‘Jij drinkt pils?’ vroeg ik.
‘Ja.’
‘Mooi, dan ben ik toch nog iets over je te weten gekomen. Vanaf nu moet je oppassen.’

Ze kwam van achter, vlak bij ’t raam, de verste tafel, weer richting bar lopen. Ik had haar in de gaten. Haar handen wat slungelig, nonchalant wapperend langs haar heupen, nu ze de ruimte hadden. ’t Lichaam net even wat te groot om gracieus ooit te kunnen bereiken, maar dat gaf haar juist haar charme.
‘Zeg,’ begon ze, voor me staand, nog zoekend naar woorden omdat ze niet verwacht had meteen aan de beurt te zijn, ‘mag ik van jou.....’
‘Een handtekening?’ vulde ik de onafgemaakte zin snel aan.
‘Nee, nee,’ zei ze verward.
Ze keek me nu in de ogen. ’t Zoeken naar woorden hadden haar schouders doen hangen, de onverwachte invulling rekten ze juist.
‘Nee,’ ging ze verder, ‘ik wilde weten of de glazen ook te koop waren.’
‘Ja,’ zei ik, nu zakelijk, ‘deze zijn € 1,40, de grote daar verderop zijn € 2,05.’
‘Oja,’ zei zij nu, weer geheel in gedachten.
‘Maar ’t is heel moeilijk voor mij om op die glazen een handtekening te zetten,’ verstoorde ik haar denken.
Ze hief een hand op, liet ‘m plagerig slaand over m’n schouder naar beneden zakken. Hou op, betekende dat, ze was aan ’t denken.
Ze keerde zich om, weer richting haar gezelschap.
Maar bedacht zich. Nog een vraag.
‘Is ’t ook mogelijk om een doos te kopen, of een tas met glazen?’
‘Ja, een doos is zelfs veel beter.’
‘Wat dan?’
‘Als ik mijn handtekening op zo’n doos zet, dan blijft-ie tenminste zitten.’

Wie wil er nou geen handtekening van de beroemdste barman van Zijperspace, dacht ik.

oorzaak

Niet dat de aderen me ’t gevoel geven dat ze naar buiten willen expanderen. Of dat mijn slaap zijn aanwezigheid kenbaar wil maken. Wat-ie tegenwoordig hooguit 1 keer per ½ jaar doet. Ook zou ik niet kunnen spreken van een overgevoeligheid voor geluid dan wel licht.
Maar er zit een kap over m'n hoofd heen. Een dun laagje vernis die weg moet slijten, die de boel in toom houdt, de bewegingen beperkt, de huid strak zet. M’n nek wil niet uit zichzelf voorover leunen, m’n hoofd wil bepaalde gedachtes niet aan, m’n ogen zijn op zoek naar rustgevende tafereeltjes, voelen zich introvert.

In die toestand, maar dan van m’n algehele lichaam, ligt ook de oorzaak van alles. Waarbij die introvertheid gezien moet worden als de wil niet naar buiten te gaan, mezelf op te sluiten, door te gaan met lezen, vooral door te gaan met lezen, ’t boek moet uit. Aan de volgende moet begonnen worden.
Daarnaast heb ik helaas al sinds vroege jeugd de afwijking dagelijks te denken dat ik de deur uit moet, op gegeven moment, want anders draait de wereld zonder mij door, misschien wel een onvermoede kant op.

Aangezien ’t bevrijdingsdag was, werd de ontmoeting bewerkstelligd in ’t Oosterpark, waar festiviteiten plaatsvonden. Rachel, Marloes & Ramon. Ik als afwezige 4e. Geestelijk er niet helemaal bij.
Ik heb nog wel geprobeerd: ‘Ik heb George Eliot gekocht. Middlemarch. Dik boek, voor ‘t 1st, na 1½e eeuw, in ’t nederlands vertaald. Nu in een slappe kaft-editie.’
‘€ 24,95,’ wist ik er ook nog bij te vermelden.
Belangrijke informatie.
Waarop ’t gesprek ging over ’t tegelijk lezen van verschillende boeken.
Nee, dat kon ik met dit boek beter niet doen. Te dik. Te veel moeite zou ’t me waarschijnlijk kosten om ’t te gaan voleinden. Zou zonde zijn. Dus 1st m’n andere boek uit.
Een excuus om vroeger naar huis te willen. Een excuus om in m’n eigen wereld te zitten. Wel mee te genieten van de zon die spaarzaam tussen de takken van ’t park scheen, maar dat als aanleiding de ogen af te sluiten voor datgene wat anderen deden.

Ik sloot me af.
Terwijl zij een hapje in ’t park bleven eten, heb ik zo’n zelfde maaltijd in folie laten pakken & ’t meegenomen naar huis. Voor de tv verorberd, enkele bladzijdes verder gelezen & in slaap gevallen.
’t Mezelf afsluiten van de rest vergt veel bier. Ongemerkt grote hoeveelheid daarvan tijdens de festiviteiten geconsumeerd. Derhalve werd ik pas 2 uur later wakker. Op de bank, hoofd op de kussens, nek in de knoop, moeilijk op te heffen.

Ik had gemerkt dat ’t stonk. Met een doekje uit de keuken heb ik de vloer bij de bank schoongemaakt, wat slordigheden, dacht ik, veroorzaakt door de beneveling. Vreemde geur evengoed, voor zo’n ethiopische maaltijd.
& Ik ben verder gegaan met lezen. ½ 12 Begon ik. 2 Uur was ’t uit. Morgen aan m’n nieuwe boek beginnen. Nu maar gaan slapen weer.

De knoop zat nog in m’n nek. Die zou vanzelf wel overgaan, dacht ik, als ik mezelf maar nachtrust gunde.
Maar om 5 uur nog steeds.
Bovendien moest ik m’n blaas nodig ‘ns legen.
Hoofdpijnpilletje, plasje.

Bij ’t verlaten van ’t toilet stonk ’t weer.
Vreemde geur voor een ethiopische maaltijd, schoot me opnieuw te binnen. Dit ruikt meer naar stront.
Midden in de nacht, minder onder invloed, lukt ’t mij soms logisch na te denken. 1 Plus 1 is 2 te beredeneren.
Als ’t naar stront ruikt, dacht ik, dan moet je ’t mee naar binnen hebben genomen. De meest logische methode om stront mee te nemen is via schoenen. Vooral als je in een park bent geweest, een plek waar vele honden toilet houden, zou ’t zeer wel mogelijk zijn dat je onderweg naar huis iets bent tegengekomen.
Ik pakte m’n schoenen & heb ze buitengezet. Ze nog even gecontroleerd op de aanwezigheid van een dikke bruine plak aan de onderkant. 1 Van beiden vertoonde zulks.

De rest van de nacht heb ik zo’n beetje wakker gelegen. Denkend aan m’n schoenen & wat 1 van hen heeft moeten ondergaan. Ook erover nagedacht hoe hem te ontdoen van de stank. Eigenlijk heb ik alle facetten van ’t fenomeen de revue laten passeren in mijn slaapdronkenschap. & Aan ’t boek waar ik aanstonds zou beginnen geen aandacht meer besteed.
Zo bevind ik mij dus nu, op een stoel, voor m’n computer, schoenen die buiten staan, die ik 2 dagen niet zal gebruiken, nadenkend over hoe ik deze dag zal kunnen overbruggen, waar mijn introvertheid zal stoppen, waar ’t leven weer normaal wordt.

Ik zal daar ’t boek, dat Zijperspace heet, voor moeten raadplegen.

oldenzaals

‘Zo, een dagje Amsterdam?’ zegt Wieger.
Hij kent de zussen blijkbaar. Komt gelijk bij ze aan tafel staan. Belangstellende blik. Aftastend naar de 2 jongens.
‘Ja, we moesten maar weer ‘ns een keer,’ zegt de oudste zus. ‘Konden we gelijk op stap met deze lummels.’
1 Lummel duwt met z’n elleboog tegen z’n moeder aan. Hij is geen lummel, wil-ie zeggen. Ze lachen naar elkaar. Moeder-zoon.
‘Zeg, doe je spijkerjas ‘ns uit,’ zegt ze vervolgens tegen hem. ‘Straks heb je ’t buiten weer koud.’
‘Ik krijg de knoopjes niet los,’ zegt-ie. ‘M’n vingers zijn te koud.’
Moeder begint te knoeien.
‘Met die van mij lukt ’t ook niet al te best.’
‘Hij is in de buurt,’ zegt haar zus tijdens ’t knoopjes lospulken. ‘Hij zegt dat-ie er binnen enkele minuten kan zijn.’
Ze legt haar mobiel opzij.
‘Wat willen jullie drinken?’ vraagt Wieger.
Allemaal thee. Lekker warm.

Stefan komt aangefietst. Zet z’n fiets voor ’t café op slot. Ze kijken alle 4 om.
‘Hé,’ zegt de jongste van de 2 jongens, ‘hij ziet er anders uit.’
‘Ja, hij ziet er nu amsterdams uit,’ zegt de oudste zus. ‘Niet oldenzaals. Hier in Amsterdam heeft-ie andere kleren aan.’
‘Zien in Oldenzaal de mensen er dan anders uit?’ vraagt de jongen.
Z’n vraag wordt niet beantwoord. Stefan komt binnenlopen. Snelle blik naar de bar.
‘Hoi, Wieger.’
‘Hoi, Stef.’
Dan loopt-ie naar de tafel met ’t gezelschap. Geeft de jongste zus 3 zoenen. Legt onderweg naar de ander kort een hand op de schouder van 1 van de jongens.
‘Bij mij maar 1 zoen,’ zegt de oudste zus.
Op de linkerwang. Ze lacht erbij.
‘Wat drinken, Stef?’ vraagt Wieger.
‘Biertje graag. Jullie nog wat?’
Rode port & een witbier.
‘Nog wat te knabbelen erbij?’ vraagt Stefan verder.
Hij moet vertellen wat er allemaal voorradig is.
‘Nootjes, gewone nootjes, hete nootjes, chips, van die mexicaanse tortilla-chips, of zo’n koekje die je bij de thee hebt gehad.’
Stefan gaat ’t uiteindelijk zelf halen van achter de bar. Grote bak saus bij de tortilla.
‘Zo, hé,’ zegt de jongste neef, ‘da’s gaaf, zeg.’
Andere neef zucht mee: ‘Jemig, da’s niet normaal, zeg.’
Stefan lacht.

‘Willen jullie poolen?’ vraagt Stefan aan z’n neefjes.
Ze kijken ‘m niet-begrijpend aan. De zussen ook.
‘Poolen?’ herhaalt Stefan. ‘Met van die ballen op een biljart.’
De gezichten fleuren op.
‘Kom maar mee.’
Hij neemt ze mee de kelder in.
‘Wieger, heb jij een paar euro’s voor me?’
‘Je vergeet je biertje,’ zegt de jongste zus.
‘Nee, ik ben zo terug.’
‘Oja, hij zorgt dat de kinders zich vermaken,’ lacht de ene zus naar de ander, ‘dan hebben wij ’t rustig.’

‘Zeg, zullen we straks even naar je huis gaan?’ vraagt de oudste zus aan Stefan.
‘Nee, doe dat maar niet.’
‘Ach, kom. We zijn dat hele stuk wezen reizen.’
‘Nee, hoor. ’t Is een veel te grote troep.’
‘Denk je dat we daar niet doorheen kunnen kijken?’
‘Nee, er staan nog allemaal dozen & afgelopen week ben ik bijna niet thuis geweest.’
Stefan is resoluut. Dat lijkt in de familie te zitten, want zus gaat door.
‘We kunnen toch wel eventjes kijken. Die vorige hebben we ook nooit gezien.’
‘Maar ik heb een afwas staan van meer dan een week. ’t Is een troep & je kan je amper bewegen. Kom maar als ’t allemaal aan kant is.’
Er wordt snel op een ander onderwerp overgeschakeld. Ze nemen alle 3 tegelijk een slok voordat dat gebeurt.

(Als ik naar de wc in dezelfde kelder ga, hoor ik de jongens praten: ‘Heb jij wel ‘ns gepoold?’
‘Ja, 1 keer.’
‘Ik wel wat vaker.’
‘Ik heb ‘t 1 keer op de camping gedaan. Tijdens vakantie in Nederland.’
De 1 probeert ondertussen een bal in een gat te mikken. De ander krijt z’n keu zo professioneel mogelijk.)

Hoe ver ligt Oldenzaal verwijderd van Zijperspace?

later

Koninginnedag. De drukte van 11 uur. Aan de rand van de Noordermarkt. Een invalidenwagen rijdt voorbij. De persoon ligt, hoofd lichtjes omhoog, benen vooruitgestoken. Geen beweging mogelijk, behalve mond.
2 Mannen voor ons becommentariëren. Blikje Heineken in de hand.
‘Is ook wat.’
‘Ja.’
‘Je kan niks doen.’
‘Dan wil ik niet meer leven.’
‘Nee.’
‘Als ik zover ben, dan mogen ze bij mij de slangetjes er uit halen.’
‘Hm.’
‘Da’s toch geen leven meer.’
‘Nee.’
‘Zeg, jij hebt zeker dorst? Is je blikje alweer leeg?’

Later.
‘Sanne heeft met die oudjes gewerkt,’ vertelt Maarten. ‘Die moest ze wassen. Er was er 1tje bij, die was al lichtelijk aan ’t dementeren, maar verslaafd aan ’t roken. Ze wist alleen niet meer wanneer ze gerookt had. Van de staf mocht ze er maar 5 roken per dag. Dus ze was de hele tijd op zoek naar peuken. Bietste bij iedereen. & Dan ging ze die verstoppen, om ze later te kunnen roken. Sanne kon overal de peuken terugvinden, want die vrouw wist op een gegeven moment ook niet meer waar ze die dingen verstopt had. Die vrouw, hè, die had ondertussen, op haar leeftijd, van die hangborsten. Was ze op een gegeven moment op ’t idee gekomen om die gebietste sigaretten onder haar borsten te hangen. & Tuurlijk vergat ze dat. Dus als Sanne haar moest wassen, zo 1 keer in de week, dan kon ’t zijn dat ze wel 5 sigaretten terugvond. Helemaal bruin, & doorweekt. Die vrouw wist zelf allang niet meer dat ze ze daar verstopt had.’

Of:
‘’t Grootste gedeelte van de ouderen is depressief,’ zegt Tabe.
‘Ze zijn ondertussen al hun vrienden & kennissen kwijtgeraakt,’ zegt Linda. ‘Man is overleden. & ’t Wordt steeds moeilijker contact te houden met mensen die je nog kent.’
‘& Je merkt natuurlijk dat je lichaam steeds minder gaat werken,’ vult Tabe aan. ‘Elke keer krijg je er een kwaaltje bij.’
‘Ik werk nu bij een vrouw,’ vertelt Maarten, ‘die doof is. Maar nog steeds vol goede moed. ’t Hangt er natuurlijk ook vanaf hoe je instelling is. Zij ziet van alles nog steeds de positieve dingen in. Maar laatst kwamen ze er achter dat ze ook langzaam blind ging worden. Door staar of zoiets. Daar kon ze aan geopereerd worden. De dokters vertelden haar echter: “Mevrouw, we vinden niet dat we op uw leeftijd nog aan zo’n operatie moeten beginnen. Dat doen we gewoonlijk niet.” Waarop zij reageerde: “Meneer, doet u ’t toch maar. Ik ben al doof, & m’n ogen zijn de enige manier waarop ik nog contact met de wereld heb. Dat kunt u niet van mij afpakken.” Ze hebben haar toen toch maar geopereerd. Geslaagd. Hartstikke leuk mens, hartstikke positief. Ze is gewoon hartstikke blij dat ze nog kan zien.’

Ik heb zoveel meningen, denk ik ondertussen; ik heb zoveel meningen als dat er verhalen bestaan.

‘Meneer,’ zegt de mexicaanse dame voor me, ‘ik ga naar Mexico. Voor een maand.’
‘Ja. & Daar heeft u dus dat italiaanse bier voor nodig.’
‘Ja, moet ik een beetje 3 flessen bier 1000-en kms met me meedragen. De hele wereld over.’
Ze lacht. & Bedenkt dan dat ze nog geld moet hebben. Rent even op & neer naar de auto. Ze laat vanuit de auto een portemonnee aanreiken door een oude man.
Ze komt terug.
‘Ik ga dus naar Mexico. Samen met een oude man. Wat vindt u daar nou van? Een oude man van 95. “Dit is waarschijnlijk m’n laatste reis,” zegt-ie. Hij kan daar best wel overlijden, denk ik. Maar dat moet dan maar. Als hij dat wil. Wat gebeuren moet, moet gebeuren.’
Als ze even verder loopt voor nog meer boodschappen, de biertjes achtergelaten in de auto, stapt de man uit de wagen. Luchtje scheppen. Met kruk voor ondersteuning.
Hij is 95, ik zie ‘t. Voor de rest denk ik niks. Ik vond die vrouw alleen zo vervelend.

‘Mijn vader hertrouwde toen-ie 83 was,’ vertelt Maarten. ‘Met een vrouw van 83. Ze liepen van de week over de markt. Hebben ze lego gekocht. Namen ze mee naar ’t tehuis. “Wat hebben jullie nou gekocht?” vroegen de mensen aan hun. “Oh, lego,” zeiden ze dan. “Waarvoor dat?” “Oh, Klaas verveelt zich zo, ’s avonds als ik tv kijk.” Die mensen hebben tenminste nog humor.’
‘Mijn vader gaat nog elk jaar naar Spanje,’ zegt Linda. ‘Hij is nu ook 85. “Maar, Pa,” zeg ik, “moet je dat nou wel doen?” “Ja, wat moet ik anders? In Nederland is er ook niemand meer voor mij. & Als ’t niet meer gaat, dan gaat ’t niet meer. Dat merken ze dan daar in Spanje wel.” Maar als ’t bij mij zover is dat ik m’n poep & pies niet meer op kan houden, dat ik met buisjes in leven wordt gehouden, dan mogen ze bij de kraan ook dichtdraaien.’
‘Ik weet ’t niet,’ zeg ik eindelijk. ‘Ik denk dat je dat pas weet als je 1maal zover bent.’

Maar zelfs dat weten we niet met zekerheid te zeggen in Zijperspace.

zaadje

Ik krab op m’n hoofd. Deels door de warmte, de jeuk, de kachel moet omlaag, maar ik ben te lui om op te staan; deels door verveling, iets te doen willen hebben terwijl ik lees. Tussen de kluwen haren, ingevet & bezweet, voel ik iets hards. Verstrengeld in de kluwen. De nagel van m’n middelvinger peutert iets tevoorschijn. Een zaadje, een graankorreltje, zie ik even later.
Een zaadje dat gewoonlijk aan de buitenkant van m’n boterhammen zit. Met een natte vinger, eventjes in de mond gestopt, pluk ik de losgelaten zaadjes ’s ochtends vroeg van m’n snijplank af. Een vinger vol, een stuk of 5, 6, stop ik vervolgens in m’n mond. Vaak ‘t begin van m’n ontbijt.
Nu stop ik m’n vinger niet in m’n mond. Wat doet een zaadje in mijn haar? Tussen al dat vet, Murray’s Superlight. Rond een uurtje of 3, vlak voor werk, er in gestopt. Zodat ik ’t idee blijf houden dat m’n haar zit zoals ik ’t wil. Misschien ook wel ’t idee te behouden dat ik jong blijf. Dat ik m’n jong zijn behoud.
Onzin, besef ik me meteen. Dan was je wel veranderd. Had je je waarden van toen, gewoontes van toen, aangepast. Ik ben net een rockabilly van over de 50, met nog steeds dezelfde vetkuif. Alleen ben ik iets later blijven hangen. Bij een andere mode.
1st Was ’t zeep; kreeg je pijnlijke ogen van als je door de regen liep, of zwetend op de dansvloer stond. Daarna Palmer’s, Murray’s, beiden in diverse uitvoeringen. Tussendoor enkele kleinere merken. Snel afgeschaft vanwege te veel geur, te veel jojoba.

‘Hou nou ‘ns op met in je haren zitten,’ zei m’n moeder.
’t Was een afwijking. Een tik. Een onzeker zijn. Als ik door m’n haren wreef corrigeerde ik m’n beeld naar hoe ik dacht dat ’t ‘t minst kwetsbaar was. & Benadrukte ’t juist daardoor.
‘Je wordt er niet mooier van.’
Ze had gelijk, waarschijnlijk, zoals moeders uiteindelijk altijd gelijk krijgen. Maar zij zijn die jaren alweer lang voorbij. De kinderen moeten nog even geduld betrachten. Fouten maken. & Hun zelfbeeld creëren naar de fouten die onderweg gepasseerd zijn.
Ik mag blij zijn dat ik fouten heb gemaakt, bedenk ik me, nog steeds naar ’t zaadje kijkend. Des te minder fouten, des te minder beeld. Minder reliëf in de persoonlijkheid.
Wrijf onderwijl nog even door m’n haar. Niet om ’t beeld van toen te herscheppen, maar om te controleren of zich nog iets in m’n kapsel bevindt dat er niet thuishoort.
’t Was ook jeuk. Haren die perse voor m’n ogen langs moesten vallen. Een gordijntje van haren. Prikten in m’n ogen, of in de buurt ervan.
‘Wie mooi wil zijn, moet pijn lijden,’ zei m’n tante.
Maar zij had ’t over iets anders. Niet over ’t kapsel waarvan de uiteinden irriteerden. Dat vonden ze niet passen, veel te lang, dus werd daar geen aandacht aan besteed.
Vervolgens babbelde ze verder, met m’n moeder, onder ’t genot van een bakje koffie. Mij waren ze alweer vergeten, of leken ze vergeten te zijn. Tot ik weer met m’n hand door m’n haren wreef.

Wat doet dat zaadje in m’n haar, vraag ik me weer af. Ik probeer ondertussen wel verder te lezen, maar m’n blik blijft gevestigd op ’t kleinood dat zich tussen wijs- & middelvinger bevindt. ½ Om ½ verdeelde aandacht. Waarbij ’t boek verliest.
Ik probeer ’t me voor te stellen, vanochtend, in de keuken, een boterham smerend. Klein zaadje dat loslaat, misschien wel meer. Automatische piloot, ’t is ondertussen een gewoonte, die ze opraapt & in de mond stopt.
& Onopgemerkt toentertijd, vanochtend, bleef er 1tje plakken aan m’n vinger. Nu draait de vertraagde versie van de film af. Camera zoomt in.
Een lok moest naar achter. Er kriebelde iets op m’n hoofd. Een porie stond open, of juist wel dichter, wilde lucht hebben.
M’n hand bewoog richting hoofdhaar, richting bewuste porie, wreef & m’n moeder zei: ‘Hou nou ‘ns op met in je haren zitten. Je wordt er niet mooier van.’
& Met een schok trok ik m’n hand terug, vanochtend, gecorrigeerd, nog steeds.

’t Zaadje bleef hangen in Zijperspace.

plons

Ik heb ‘t 2 keer geprobeerd. Heldhaftig, in volle overtuiging. Ik wist dat ik ’t kon. Iedereen kon ’t immers. Of iedereen durfde immers, dat bleek. Waarom zou ik niet durven?
Bovendien beleefde iedereen er lol aan. Waarom vormde zich anders zo’n lange rij bij de trap? Treetje voor treetje trok men trillend nat omhoog om in een enkele tel van die hoogte te kunnen genieten. Niks genieten van ’t uitzicht, hoog boven iedereen uit, maar een snelle aanloop, een sprongetje, opwippen & naar beneden. Alsof ’t hen voor de rest niets kon schelen.
‘Je moet ook niet naar beneden kijken,’ werd ik gewaarschuwd.
Dat hadden ze me al 100-en keren gezegd. Niet naar beneden kijken. Daar was blijkbaar iets engs mee aan de hand. Maar ik had mezelf aangeleerd altijd op de hoogte te zijn van iets dat eng zou kunnen zijn. Enge dingen kunnen aanvallen. Onverwachts, vooral als je er geen rekening mee houdt.
Voor ’t geval dat ik toch iets engs zou tegenkomen, ging ik de 2e keer op een moment dat er niemand belangstelling voor de hoge duikplank had. Dan zou ik ook niet gedwongen kunnen worden mocht ik op m’n stappen terug willen treden. De blamerende weg langs dezelfde traptreden weer naar beneden.
Ik zag mezelf in de toekomst meesterlijke duiken nemen. Een salto. Een schroef. Draaiingen om m’n eigen as. & Vloeiend verdwijnen in de diepte, om op een onverwachte plek m’n hoofd weer uit ’t water op te heffen. Zoals ik stevig gespierde jongens van 10 jaar ouder zag doen.
Een enkeling was dat. Ze deden ’t alleen als ’t zwembad nagenoeg verlaten was. Tegen sluitingstijd. Nog snel even hun kunststukjes, zonder publiek onder de plank, uitvoeren.
Met m’n broers zat ik dan te wachten op de publieke tribune, naast de snackhoek van ’t zwembad. Haren nog nat, een rolletje handdoek onder onze elleboog, zwembroek er in gerold, wachtend tot 1 van de ouders ons met de auto kwam halen. Kauwend op een stuk drop, ademloos kijkend naar de gratis show.
Dan wilde ik ’t zelf ook kunnen. Durven. Kunnen durven. Al was ’t maar een bommetje waarbij de spetters tot hier op de tribune reikten.

De 1e keer dat ik probeerde, hebben ze me schoorvoetend langs gelaten. Langs de bijna naakte lichamen, ik voelde ze langs me heen glijden, steeds verder naar ’t beschamende beneden.
Ze lieten me langs omdat ik tranen in de ogen had. Tranen van angst dat ik terug omhoog gedwongen zou worden.
‘Als je 1maal boven bent, dan moet je,’ hadden ze me verteld. ‘Dan laten ze je niet meer naar beneden.’
Ik had mensen voor laten gaan. Mezelf achteraf bij ’t uiteinde van de plank gezet. Voeten op de stangen, want anders zou de plank niet goed genoeg veren. & 1 Voor 1 passeerden mensen me. Sommigen gebaarden dat ik aan de beurt was, dat ik toch eindelijk moest.
‘Nee, nee, nee,’ gebaarde ik terug, snel een blik in de diepe diepte werpend.
’t Duurde uren voordat lichamen beneden waren, vanaf deze hoogte. & De geluiden, de roepende broers, kwamen uit een vergelegen land, waarvan slechts echo’s de duikplank wisten te bereiken.
Misselijk van angst begon ik op een onbewaakt moment van degene die na mij was aan de weg naar beneden. Glipte langs ‘m heen. ’t Meisje daarachter liet me ontroerd ook verder. De mensen na haar moesten vervolgens wel. Dat trillend lichaampje konden ze niet dwingen, zag ik in hun ogen.

De 2e maal ging net zo, maar dan met slechts een enkeling op de trap. M’n broers al richting kleedhokjes, vlak voor sluitingstijd van ’t zwembad. Gelijk met de échte duikers trad ik op de ‘hoge’ toe.
Zij sloegen bij ’t klimmen een trede over, zo snel moest er genoten worden van de volgende duik, van de laatste minuut, van ’t afwezig zijn van lastpakken onder de duikplank, mensen waardoor je je nek zou breken.
Ik liet me inhalen op de smalle trap. Ik nam m’n gemak ervan. Vooral niet op laten naaien door de oude ervaren jongens.
& Voorzichtig ging ik op de plank zelf staan. Nog ontspannen.
Tot ’t moment dat ik naar beneden keek. Ik wilde niet, zeker niet nu ik al halverwege was, bijna voorbij de steun langs de zijkanten, maar m’n blik trok naar omlaag als naar de magneet die zwaartekracht heet. Ook m’n ogen waren daar gevoelig voor.
Er was niets engs, behalve dan dat alles leek op massief steen. Er was geen doordringen aan, daar beneden. Je zou plat neervallen. Te pletter slaan.
Ik stelde me slechts een kleine glibbering voor & ik lag beneden, precies de verkeerde kant op.
Dus snel weer terug. Langs de haastig omhoog rennende lichamen, die zich niets van mij aantrokken, blij als ze waren mij geen ruimte te hoeven gunnen.

Ter compensatie nam ik de ‘lage’. Om vooral niet voor niks tot sluitingstijd te zijn blijven hangen, aan de aandacht van m’n broers te zijn ontsnapt.
Ik nam de lage & zou gaan duiken. Niet springen; duiken! Niet recht ’t water in, maar m’n lichaam vooruit gericht. Zoals ik slechts uit stilstand durfde tot dan toe.
Ik liep rechtstreeks van de trap van de hoge naar de plank van de lage. Nam ’t korte trapje. Rende naar ’t uiteinde. Sprong. Stuiterde. Liet me afschieten door ’t wippende effect.
& Kwam plat op m’n buik terecht.

’t Gloeide, ’t brandde, ’t reet uiteen in Zijperspace.

Dit ihkv de 8e aflevering van de cursus Lijfloggen, die ik voor de laatst verschenen editie van about:blank geschreven heb.

koninginnedagbuurtthee

De theedrinkers:
M: Maaike (buurvrouw van 2-hoog hiernaast)
MM: Moeder van Maaike
VM: Vader van Maaike
S: Suze (buurvrouw van 2-hoog hierboven)
N: Nico (buurman van 2-hoog hierboven)
P: Panos (buurman van 3-hoog hierboven)
T: Ton (ikzelf)

De thee:
T: Wil je misschien een bakje thee?
MM: Je vond dat ik er zielig bijzat?
T: Nou, ik dacht: je zit hier vast al een tijdje op je dochter te wachten. Misschien dat je dorst hebt. Wil je?
MM: Ja, is goed.

T: Kijk, ik heb hier een paar stoelen. Kunnen we erbij gaan zitten.
MM: Daar komt m’n dochter juist aan.
T: Dan lust zij vast ook wel een bakje thee.
M: Waar was je nou?
MM: Hier dus. Ik was jullie kwijt geraakt. & Ik had geen mobiel bij me. Ik denk dat ik die ben vergeten mee te nemen. Of hij is onderweg gestolen.
M: Maar dan kon je toch naar de Griek gaan waar we zouden gaan eten?
MM: Ik wist toch niet waar die was. Ik kon alleen maar hier heen.
T: Wil jij ook thee?
M: Ja, lekker.
T: Oh, daar komen nog meer buren. Hoi, Suze, Nico. Willen jullie ook thee?
S: Ja, lekker.
T: Haal ik er even stoelen bij. Moet ik er ook even wat extra water bij zetten.

MM: & Waar is Pa dan?
M: Die komt ook deze kant op. Maar hij belde net dat hij de fiets moet laten staan. Hij doet ’t niet meer, zei hij. Die zet-ie bij ’t metrostation neer.
T: Maar goed dat je dan een kopje thee voor de deur van de buurman kan drinken om bij te komen.
MM: Hoe wist je dat ik de moeder van je Maaike was?
T: Oh, ik hoorde vanochtend geluid buiten. Ik werd er wakker van. Toen keek ik door ’t gordijn & zag jullie vertrekken.
MM: We zijn vanmiddag pas vertrokken.
T: Dan moet ’t vanmiddag zijn geweest. Oh ja, vanochtend was ’t Nienke die ik zag vertrekken. Vanmiddag werd ik wakker uit een dutje toen ik jullie zag.
MM: De buurt wordt hier wel in de gaten gehouden. Wist je dat, Maaike?
S: Ja, vooral door ons, hoor. Wij willen precies weten wat er aan de hand is. Maar alleen tot aan de zijstraat daar verderop.
T: Behalve dan de ex van die jongen met de hond.
S: Oh ja, die woont verderop in de straat. Dat weten we ook.
M: Daar komt Pa aan.

PM: Hoe lang heb je hier dan gezeten?
MM: Vanaf ½ 8.
T: Dus je zat hier al een uur? Dan was ’t niet meer dan terecht dat ik je een bakje thee aanbood.
M: Maar wat zullen we nu gaan doen? Zullen we nog uit eten gaan? Ik heb thuis ook een ovenschotel staan. Dat kan ook.
PM: Laten we in ieder geval maar naar binnen gaan. Bedankt voor de thee.
T: Graag gedaan. Hé, maar daar is Panos. Panos, wil jij ook een bakje thee?
P: Hoi. Ja, lekker.

N: Wat heb jij eigenlijk vandaag gedaan? Heb je de hele dag thuis gezeten?
T: Nee, ik kwam net terug uit de stad. Beetje in de Jordaan rondgehangen. Vanmiddag even teruggeweest om bij te komen. Ben ik in slaap gevallen.
S: Was je zo moe dan?
T: Ja, af & toe ben ik nog net een klein kind. Dan lijkt ’t wel dat ik me zenuwachtig maak.
S: Zenuwachtig?
T: Ik was om 12 uur al naar bed. & Om 4 uur was ik klaar wakker. Net als klein kind, alsof ik zenuwachtig was voor m’n verjaardag. Toen kon ik bijna niet meer slapen. & Om 7 uur hoorde ik Nienke weggaan. Klopt toch, Panos?
P: Ja, die ging om 7 uur weg naar de Rivièra.
T: Dus om 7 uur dacht ik dat ik klaarwakker was. Dan loop je de hele dag als een zombie door de stad. Omdat je slaap tekort hebt.
N: Heb je dan niets leuks gezien vandaag?
T: Jawel. De stad was vergeven van de mooie dames met borsten.
S: Ja, de meeste hebben borsten.
T: Daar ben ik vanmiddag weer achter gekomen, ja. & Ook dat ik een borstenman ben.
S: De thee is op.
T: Zal ik nieuwe zetten?
S: Nee, hoeft niet.
T: Iemand een biertje?
P: Nee, ik ga naar binnen.
S: Ik hoef ook niet.
N: Ja, ik lust wel.
T: Wel lekker, hè, zo voor de deur buiten zitten? Moeten we vaker doen.
S: & De buurt dan goed in de gaten houden.
T: Ja, Maaike had bijvoorbeeld geen bh aan.
N: Had je dat gezien dan? Had ze grote borsten?
T: Dat heb ik niet gezien.
S: Als een vrouw geen bh draagt, dan heeft ze meestal geen grote borsten.

De thee was op, we gingen verder in Zijperspace.