abcoude-breukelen

Ik was m’n richtinggevoel aan ’t aftasten of ik wel de goede weg zou nemen als ik linksaf zou slaan. Ik herkende ’t café-restaurant wel (‘Hier heb ik ooit gevraagd of ik naar de wc mocht, heb een gulden neergelegd uit dank voor de welwillendheid & er aan toegevoegd dat de barman ook ‘nee’ had kunnen antwoorden op m’n vraag.’), maar wist ’t vervolg van m’n geplande route niet zeker. Je weet niet wat zich om de hoek bevindt. ’t Is alleen zeker dat zich daar ook weer een hoek zal voordoen die ’t zicht op verdere voortgang belemmert.
In die twijfel werd ik gedag gezegd.
‘Hoi, Ton.’
‘Wie kent mij hier?’ vroeg ik me onmiddellijk af & keek op.
Regina. Maar haar naam wilde me in die flits niet meteen te binnen schieten. Wel dat ik verrast was haar hier te zien. Op de fiets, in ‘tzelfde sukkeldrafje als ik haar eens een brug had zien beklimmen.
‘’t Wil allemaal niet zo snel meer,’ had ze me naar aanleiding daarvan uitgelegd.
& Nu helemaal in Abcoude.
‘Hoi, jij ook hier?’ zei ik snel, vlak voordat ze me alweer gepasseerd was.
& Ik sloeg de bocht om. Resoluut nu. Ik mag nooit laten merken dat ik de route niet weet van de wandeling die ik maak. Ik keek nog even bij ’t café-restaurant naar binnen. Of ik de barman zou herkennen van 2 jaar geleden. Die enkele secondes dat ik nodig naar de wc moest, toen.

Bij Baambrugge nam ik ’t zand- & jaagpad langs de Angstel. Liever dan dat ik ’t verkeer langs me door moest laten razen. Voorbij ’t terras van ’t pannenkoekenhuis, ogen van koffiedametjes in m’n rug gepriemd, zicht op een pannenkoek als middagmaal bij 2 motoristen, maar volledige anonimiteit. Verder keek ik gratis de ramen van de mensen thuis in. Maar ze waren er niet. Slechts interieurs.
Een auto passeerde over ’t smalle pad, een fietser, de motors die hun pannenkoekenlunch er op hadden zitten, maar pas bij ’t inhalen van de 2 oude dames die kinderwagens voortduwden, gevuld met kennelijk hun kleinkinderen, wordt ik gezien.
‘Goedemiddag,’ zei 1 dame tijdens mijn voorbijgaan.
‘Goedendag,’ zei ik gedragen.
Eerbied voor de rust in ’t dorp moest er uit klinken.
Nog 2 vrouwen kwamen me tegemoet, maar ze sloegen me over bij ’t groeten. De oma’s die zich inmiddels achter mij bevonden niet.

Een lange rechte weg.
Van over de brug bij Loenersloot, voorbij Loenen, ginder aan de linkerkant gelegen, & rechts ’t Amsterdam-Rijnkanaal, tot aan Nieuwersluis. Een weg die alleen maar horizon is.
Af & toe een flikkering van de zon in de verte, alsof een auto me tegemoet komt, maar ’t blijft daar waar m’n oog nog niet kan komen.
Dit zijn de grote uitdagingen: wegen die doorgaan, doorgaan, doorgaan, nimmer lijken te eindigen. Zelfs op de kaart lijkt de rechte lijn z’n einde niet te kennen. Je moet steeds iets anders bedenken, je laten meevoeren door de stroom van je gedachten, om ’t gebrek aan bochten, de continue aanvoer van bomen die op afgepaste afstand van elkaar geplaatst zijn, te kunnen negeren.
Op een gegeven moment is de enige afleiding ’t stukje extra asfalt dat aan de rand van ’t pad geplakt is. Ik vroeg me af waarom ik juist daar díe boom moest kiezen om tegenaan te plassen. De enige ‘mark’, aan ’t randje van wat extra asfalt.
Ik ontmoette fietsers. & In die desolaatheid van een weg die z’n eigen einde niet schijnt te kennen, genegeerd door de meeste dagjesmensen omdat almaar rechtdoor niet ’t karakter heeft van even een blokje om, een dagje uit; in die omstandigheid zeggen mensen elkaar plots wél gedag.
‘Hallo.’
Ik probeerde ook nog te knikken naar vissers, 200 meter voordat ’t pad toch richting Nieuwersluis afboog, maar deze lichaamsbeweging kon als verspilde moeite worden beschouwd. Ik zag ’t raam van hun auto in de zon staan schitteren. Ik had de horizon bereikt.

Nieuwersluis-Breukelen. Kronkeltjes langs de Vecht. Een vrachtwagenchauffeur kwam langzaam naast me rijden, stelde een vraag.
‘Ik kan je niet verstaan,’ riep ik tegen ’t lawaai van de motor in.
‘Weet jij of dit de weg naar ……(onverstaanbaar) is?’ herhaalde hij.
‘Ik weet dat ik straks in Breukelen aankom. Voor de rest ben ik hier niet bekend.’
Somber legde hij z’n blik weer op de weg. Ik bestond alweer niet meer.
Enkele bochten verder kwamen 2 meisjes me tegemoet. Wandelschoenen. De 1e naast die van mezelf.
’t Verkeer probeerde steeds eerbiedig afstand te bewaren van de 2 jongedames, maar de meisjes konden niet zien wat er van achterop aankwam.
Dus deed ik een stap opzij, liet de meisjes passeren, zodat de auto van achteren ook nog genoeg ruimte over had.
‘Dankuwel,’ zeiden ze, vrolijk naar me opkijkend, & zich vervolgens weer in hun gesprek verdiepend.
‘Er zit inmiddels een ‘u’ in dit lichaam,’ dacht ik.
Ik stapte de brug over om in Breukelen ’t station richting huis te vinden.

De trein leidde me daarvandaan, richting Zijperspace.

ziekenbezoek

‘Wil je de wonden zien?’ vroeg ze.
‘Brrrr,’ deed ik.
M’n schouders schudden. M’n hoofd trok zich een stukje terug m’n romp in. & Waarschijnlijk trok ik een huiverend gezicht.
‘Ach, ja, doe maar,’ gaf ik toe.
Zo eng kon ’t ook weer niet zijn.
Rachel trok haar shirt omhoog. 3 Plekken met pleisters toonden zich.
‘Is dat nou alles?’ dacht ik. ‘Zit ik me daar over op te winden?’
Toch keek ik verbaasd.
‘Ze hebben op 3 plekken gesneden?’ vroeg ik.
‘Ja, op 1 plek gaat de camera naar binnen. Op een andere plek kunnen ze met een tang aan de gang. & Vlak onder de navel zit ’t gat waar ze de galblaas naar buiten hebben getrokken.’
Hm.
Ik liet ’t even tot me doordringen.
‘Ik had een hele dikke buik,’ ging Rachel onverstoord verder. ‘Ze stoppen je vol met koolzuurgas, je wordt een beetje opgeblazen. Want dan hebben ze meer ruimte.’
Nog meer om me voor te stellen. Een dikke buik, opgeblazen door koolzuur. Tangetjes & camera die tussen de daardoor ontstane leemtes manoeuvreerden. Ik liet me ondertussen naast haar op bed neerzakken.
‘M’n galblaas zat ½ vol. Met 1 grote steen. Maar ik heb ’t niet gezien. Dat mocht in dat ziekenhuis niet. Die chirurg wilde van wel, maar in dat ziekenhuis vonden ze dat onhygiënisch.’
‘Wat lullig,’ zei ik terwijl ik me een juiste houding ordende, rug tegen kussen, lichaam schuin, schoenen buitenboord, ‘dat is nou juist een manier om zo’n operatie te verwerken, lijkt me. Kan je afscheid nemen van iets wat je tijden heeft dwars gezeten.’
‘Ik had medisch psycholoog moeten worden,’ dacht ik.
‘Precies,’ zei Rachel.
‘Zie je,’ dacht ik.

‘& Nou ben je de hele dag blaadjes aan ’t lezen?’ vroeg ik.
‘Nou, ik slaap vooral.’
Ik pakte de Elle onder de Flair vandaan.
‘’t Zijn allemaal plaatjes,’ constateerde ik.
‘Toch vind ik de Elle prettiger,’ zei Rachel.
Snel pakte ik de Flair erbij. Kijken waarom.
‘Flair is meer vrouwengebabbel,’ legde Rachel uit. ‘Staan meer verhaaltjes over problemen bij vrouwen in. Elle neemt de vrouwen wat serieuzer.’
‘Maar ’t zijn van die nietszeggende plaatjes,’ bracht ik er tegenin. ‘’t Gaat alleen maar om de mooi.’
‘Da’s leuk om in te bladeren. Ik kan me nu toch niet concentreren.’
‘Oh, kijk! Een test.’

Ik bleek een stuk minder vrouwelijk te zijn dan ik dacht.
‘Mijn EQ is voor mannen zelfs laag,’ liet ik Rachel zien.
‘Maar je herkent wel veel gelaatsuitdrukkingen volgens dat andere gedeelte van de test,’ zei zij. ‘Dat konden toch vooral vrouwen?’
‘Ja, dat dan weer wel. Maar m’n SQ is ook niet zo best. Wat is dat eigenlijk?’
Ik las even verder.
‘Dit is ook een test die je samen met je partner moet doen,’ las ik. ‘Dan kan je zien hoe mannelijk of vrouwelijk je partner is.’
Ik keerde m’n hoofd naar opzij.
‘Ik heb helemaal geen partner. Deze test is eigenlijk niet voor mij bestemd.’
Ik grinnikte.
‘Ze houden ook nooit rekening met vrijgezellen, die vrouwenbladen. Zeker niet met mannelijke vrijgezellen.’
‘Geen grappige opmerkingen maken,’ waarschuwde Rachel me, ‘ik mag niet lachen.’
Oja, ik was hier niet om te spelen met de spulletjes van de zieke, realiseerde ik me.
Rachel keek strak, maar ik zag haar ogen twinkelen. Ik grinnikte nog even door. Keek naar de antwoorden die ik omcirkeld had.

‘Ik moet maar weer ‘ns gaan,’ zei ik.
‘Ja, bedankt dat je even langs was.’
‘Ach, je moet maar denken: ’t was puur eigenbelang,’ grapte ik.
Ik probeerde echter m'n gezicht meteen weer glad te trekken. Rekening houden met de pijntjes van de zieke die niet mocht lachen.
‘Hoezo?’
‘Ik heb weer veel opgedaan vanmiddag.’

Ik weet nu hoe een galblaas wordt verwijderd in Zijperspace.

whoppe

In ‘t 1e veldje dood, betekent opnieuw beginnen.
‘Nog 1 keertje,’ denk ik voor de zoveelste keer, ‘want dit was niet echt.’
Ik probeer er relaxed bij te zitten, een beetje achterover; ’t moet vooral niet zo zijn dat ik stress aan dit spelletje overhoud. Dat was vroeger.

Toen speelde je 1 spelletje voor een gulden. Lang geleden. In de koffieshop. Biertje aan de linkerkant, asbak met peuk aan de rechter. Je wist precies wanneer er tijd was om een trekje te nemen.
Als Pink aan de kast had gezeten moest er meteen gepoogd worden zijn nieuwe record te breken. Pink was altijd net even eerder aan een nieuw record toe. Wij volgden hem. Over z’n schouder keken we mee, trucjes afkijkend. Om die bij de volgende gulden zelf uit te proberen.
De joystick kleddernat.
Pink leek er nooit moeite voor te doen. Hij kwam op een gegeven moment aanlopen, bleek een gulden te hebben, tilde z’n korte benen op, over de kruk heen, legde z’n peuk in de asbak (mocht niet meer op ’t beeldscherm liggen) & begon nonchalant te spelen. Pas als z’n pacman ingesloten raakte, liet-ie door een korte tik op de kast merken dat er ook bij hem sprake van spanning was.

Als ik wakker word loop ik naar de computer toe. Ik kijk even of ik meel heb, wil vervolgens thee gaan zetten, maar bedenk dat ik dan net zo goed 1st een spelletje kan spelen.
Even, 5 minuutjes.
‘’t Gaat nu vast beter,’ denk ik dan, ‘nu ik nuchter ben, niet moe.’
& Dat wil ik mezelf vervolgens bewijzen. Ik bouw theorieën op over mijn gemoedstoestand & ’t daaraan gerelateerde prestatievermogen, reactiesnelheid ook. Probeer ’t te staven.
Alleen maar om de gelegenheid te krijgen een spelletje pacman te spelen.
Terwijl ik allang al weet dat ik niet de goede versie op m’n computer heb staan. De monsters reageren niet zoals ’t hoort. Naarmate je verder komt veranderen de velden niet. De schema’s waarmee je vroeger in 1 keer ’t hele veld leeg vrat gelden bij deze versie niet.
Toch blijf ik steeds opnieuw beginnen.

Als ik thuis kom van werk.
Als ik wacht tot de magnetron klaar is met m’n eten opwarmen.
Vlak voor ’t slapen gaan.
’s Ochtends vroeg.
Als ik niet kan slapen.
Ik krijg ’t hoofdstuk niet uit.
Tijdens de rust van de voetbalwedstrijd.
De Nederlandse kampioenschappen baanrijden duren lang.
Terug van de wc.
Klaar met douchen.
Nog net even, 10 minuten voor m’n werk.
Het stukje tekst wil niet.
Als ik uit m’n stoel opsta.
Als ik de tuindeuren opengooi.
Tijdens ’t nadenken.
Na afloop van ’t nadenken.
Om niet te hoeven nadenken.

‘Whoppe-whoppe-whoppe-whoppe-whoppe-whoppe-whoppe-whoppe-whoppe-whoppe-whoppe-whoppe-whoppe…….’

& Uiteindelijk gaat alles dood in Zijperspace.

trip

Tabe komt in de deuropening staan. Voor de winkel zat-ie daarnet nog een biertje te drinken. Nu gebaart-ie.
‘Ton, kom ‘ns.’
Beweegt z’n hoofd om duidelijk te maken dat ik even moet komen kijken.
Ik kom op zijn plek staan; Tabe neemt weer plaats op een leeg krat.
Ik kijk. Zie een man traag stapjes nemen. Ogen gesloten. Hij heeft een deken om zich heen geslagen. Een chileense of een argentijnse deken, iets dergelijks. Z’n haar hangt in slierten langs z’n hoofd. Een onverzorgde baard. & Hij heeft een dunne stok in z’n hand.
‘Zo loopt-ie al een hele tijd,’ zegt Tabe. ‘Hij heeft er 20 minuten over gedaan om van de hoek tot hier te komen.’
Met een beetje fantasie herken je een hippe Jezus in de man, maar dan knetterstoned.
Hij staat stil. Z’n hoofd tolt een beetje. Als-ie in slaap dreigt te vallen, schrikt-ie wakker door ’t plots verliezen van z’n evenwicht. Ogen snel op een kier. 2 Stapjes. Daarna weer deinend op de golven van z’n trip.
‘Oh, is hij dat,’ zeg ik tegen Tabe.

Hij kwam elke dag wel even voorbij. Een meisje omarmd. Zij haar arm om zijn middel. Hij de arm helemaal tot over haar schouder.
Hij was niet al te groot, liep een beetje gekromd, dus dat viel op. Alsof ze helemaal verliefd waren. Roze wolken. Liefdesavontuur.
Maar ’t was elke keer een ander meisje.
Hij voerde ’t woord. Ik luisterde mee als ik in de buurt stond.
‘Dag, meneer,’ zei hij vriendelijk tegen een willekeurige voorbijganger. ‘Heeft u misschien iets voor ons over? We moeten de trein naar huis nemen, maar iemand heeft net onze tassen gestolen.’
Heel voorkomend, netjes, beleefd, zachte stem. & Een minzame glimlach. Ook al kwam er geen reactie. Hij keek de mensen met een zoete glimlach na. Z’n vriendin niet loslatend.
Soms raakte hij wat langer aan de praat. Vriendin tegen zich aandrukkend. Een gulle lach naar de belangstellende. Hij wist dat-ie meer zou vangen als de mensen in z’n verhaal geloofden. Gestrand liefdespaar.
Met z’n buit kwam-ie even later een ½e liter bier halen. Zij hoefde niet.
De dorst van de meisjes was nimmer groot.

Voorbijgangers passeren op een ½e meter. Ze zien z’n instabiliteit. Z’n stok valt. Vlak voor de voeten van een man. Die neemt afstand. Loopt om enkele geparkeerde fietsen heen.
Hij raapt de stok op. Loopt weer een paar pasjes. Komt aan mij voorbij. Maar blijft hangen bij de stapels kratten voor de winkel. Hij leunt. Ogen dicht, zie ik van schuin achter.
‘Gaat ’t een beetje?’ vraag ik.
Hij schrikt weer wakker & kijkt om naar waar die stem vandaan komt.
‘Ja, ’t gaat.’
Nog steeds dezelfde zachte stem.
Hij wankelt zich weg uit de leuning van de stapel kratten.
‘Je bent een beetje aan ’t trippen,’ stel ik voor hem vast.
Hij mompelt wat & stommelt weer enkele stappen verder.
‘Doe voorzichtig,’ voel ik me verplicht er nog achteraan te zeggen, maar door ’t verkeer is-ie al buiten gehoorsafstand.

Er staat plots een gedaante in de deuropening. Tegen ’t licht van buiten zie ik z’n contouren. ’t Straalt om hem heen naar binnen. Hijzelf is een schaduw in ’t tegenlicht.
Weer die Jezus-gestalte. Naar de verkeerde tijd & plaats gebeamd.
Vanachter uit de winkel zie ik dat-ie z’n handen vooruit gestoken heeft. Z’n ogen waarschijnlijk weer dicht. Z’n stok rust ergens in z’n handen, steekt langs z’n middel omhoog.
Hij staat stil.
Thomas komt achter de kassa vandaan. Loopt op ‘m af.
‘Meneer,’ zegt-ie.
Ik wil er naartoe lopen, maar besluit dat Thomas ’t ook moet kunnen.
Hij schrikt weer wakker. Een ‘huh’ klinkt.
‘U staat midden in ’t pad,’ zegt Thomas.
Hij verdwijnt. ’t Licht achterlatend. Dat schijnt nog steeds onverminderd door de winkel in.

‘Ik heb daarnet een zwerver weggestuurd,’ zegt Thomas even later. ‘Stond midden in de deuropening.’
‘Ja, ik zag ‘t.’

Hij liet per ongeluk z’n schaduw achter in Zijperspace.

almachtig

Van de week dacht ik even dat ik muizenkeutels had weggegooid. Ik had wat zwarte korreltjes op m’n vinger laten vastplakken & vervolgens door de gootsteen weggespoeld.
Er ging een rilling door me heen toen m’n nog slaapdronken hoofd deels ontwaakte: muizen!
Terwijl ik ’t moment daarvoor ’t argeloos aan m’n vinger had laten hangen.
Ik bedacht opeens dat de zaaddoosjes van de wilde hyacint open waren gesprongen. Onder invloed van de zon, die enkele uren per dag m’n keuken beschijnt. De zwarte korreltjes, de zaadjes, waren daardoor over de vensterbank gerold.
M’n vinger bleef echter nog een tijdje vies. Besmet: ik durfde er voor even niets mee aan te raken.

M’n vader verzamelde zaad. Hij stopte ’t in overzichtelijke potjes. Zwarte potjes waar 1st fotorolletjes in hadden gezeten. Wit stickertje op de zijkant. Ik meen zelfs met datum.
‘Plastic is niet goed,’ zei m’n moeder. ‘Dat werkt in op ’t zaad. Je zou beter papieren zakjes kunnen gebruiken.’
Waarschijnlijk gaf dat m’n vader minder mogelijkheid tot systematiek.

Vorig jaar zag ik m’n moeder zaad van de koekoeksbloem verzamelen. We waren in ’t huis van m’n broer. Ik nam een klein zakje mee. Zaaide ’t uit in mijn tuin.
‘Ik heb er wat van aan Conny gegeven,’ vertelde ze. ‘Die heeft ’t verspreid in enkele bermen in Den Helder. Maar ik heb nog steeds niets tevoorschijn zien komen.’
In mijn tuin wel. Ik zou nu ook enkele boterhamzakjes kunnen vullen met ’t zaad van de koekoeksbloem.

M’n vader zou in zo’n geval een wandeling gaan maken, z’n zakken gevuld. Als-ie een geschikte plek gevonden zou hebben, zou hij z’n voorraad uit z’n broekzak halen. & Alsof-ie ’t Woord zou verkondigen, zo verspreidde hij dan zaad. Zaad van wilde bloemen. Hij wilde dat ’t ook elders groeide. Dat iets zeldzaams zich elders voort kon planten. Niet alleen maar in zijn tuin. Hij wilde dat iets voort bleef leven dankzij zijn helpende hand. De natuur minder wild, minder onafhankelijk van de mens, maar wel verrassender. Dankzij Pa, de almachtige. Dat de natuur minder wild was geworden, dat ’t gestuurd was, wist alleen hij.

M’n broer had plots knopig helmkruid in zijn eendenkooi.
Wij wisten waar ’t vandaan kwam, want alle andere broers hadden ’t ook groeien in hun tuin.

‘Postzegelzakjes!’ zei ik tegen m’n moeder, ‘ik zou ’t in postzegelzakjes kunnen verzamelen.’
‘Ja, dan kan je er op schrijven wat er in zit.’
M’n vaders systeem geperfectioneerd.

Jaloers zou hij komen kijken in Zijperspace.

't lied van m'n moeder

Hij had z’n moeder van de trein gehaald, haar meegetroond de Jordaan in. Daar hadden ze een kopje thee gedronken, of nee, zij een cappuccino.
‘Doe er ook maar een glaasje water bij,’ had z’n moeder gezegd.
‘& Een glaasje water voor m’n moeder,’ had hij herhaald, wijzend naar ‘t ½e pilletje dat ze uit haar tas had opgediept.
‘Ik had zelf even een paracetamolletje moeten meenemen van huis,’ zei hij toen de serveerster de bestelling ging halen.
Maar moeders tas zat vol met onverwachte geheimen, zodat hij ’t glaasje water met z’n moeder kon delen.
Zo ook de taart (‘Ik heb net ontbeten,’ luidde ’t excuus), waarover ze enthousiast rapporteerden naar de serveerster toen ze kwam vragen of ’t had gesmaakt.

Hij keek onopvallend, ongemerkt, naar de borsten van passerende jongedames in ’t net te koude weer, zich er bijna niet van bewust dat hij dit deed in z’n moeders aanwezigheid, & luisterde ondertussen naar de vertrouwde stem, die weer een kraakje ouder geworden was, verhalend over familie, bruiloften, kinderen & ziektes. Zodat hij niet kon zeggen dat-ie niet op de hoogte was.
‘Wanneer ga je op vakantie?’
‘Hoeveelste is ’t vandaag?’
Waarop een discussie volgde of ’t nu al 1 dag óf 2 dagen zomer was.
Toen de datum bepaald was, zei ze: ‘Dan mis je m’n 70e verjaardag.’
‘Zoals bijna altijd, omdat je midden in de zomer jarig bent.’
‘Ik weet nog niet hoe ik ’t moet gaan vieren. Ik heb nog niemand uitgenodigd.’

Thuisgekomen bakte hij een lunch van eitjes & groenten. Ze liepen door de tuin & gaven de bloemen namen.
& Hij verzuchtte: ‘Ik heb een nieuwe tent besteld. Die zou ik vroeger 1st met Pa in elkaar hebben gezet.’
‘Ja, met dat soort kleinigheidjes mis je ‘m dan.’

Zij legde zich op de bank neer, terwijl hij probeerde stil te zijn.
‘Nee, hoor. Ik wil alleen maar even liggen.’
Haar hoofd op de kussentjes (2 dagen later zou hij pas haar geur terug ontdekken), haar benen languit, & ondertussen gingen ze gewoon door met ’t bespreken van de dingen.

‘Marc zei dat ik maar ‘ns een keertje met jou uit eten moest gaan,’ zei z’n moeder.
Waarop hij een moeilijk gezicht trok.
‘Nee, voor mij hoeft dat niet, hoor, Moe,’ zei hij, met ’t gezicht dat uitlegde dat hij nou 1maal niet makkelijk was, dat zij dat vast wel wist. ‘Ik voel me nooit zo op m’n gemak als ik uit eten ga.’
Ze lachte de lach die zei dat ze haar zoon begon te begrijpen. Ze legde er de geruststelling in die zei dat ’t helemaal niks uitmaakte.
De écht belangrijke zaken werden inmiddels niet meer in woorden gevat.

‘Zal ik dan maar de trein gaan nemen?’ stelde ze voor tijdens de middagse rondwandeling.
De kilometers stad begonnen te tellen. Hoewel ze dat ontkende.
‘Dan bel ik Marc wel even dat-ie toch eten voor je maakt.’
Ze liepen ’t station in & gaven elkaar een zoen.
‘Ik vond ’t een leuke dag,’ zei z’n moeder.
‘Ik ook.’

’s Avonds zongen er op tv mensen liedjes over moeders. In verschillende talen, uit verschillende culturen. 1 Man kon slechts 2 coupletten zingen, want anders, zo meldde de aftiteling, zou hij in huilen zijn uitgebarsten, want hij had z’n moeder 30 jaar niet gezien.
Hij lag op de bank te kijken. Hij wist dat niemand naar hem keek.

Niemand die lette op wat gebeurde in Zijperspace.

perronbewijs

Als ik de roltrap omhoog neem, zie ik 2 agenten de tegengestelde kant op gaan. Gevolgd door 2 jochies.
‘Maar ’t is van m’n vader,’ zegt de jongen met ’t scheve petje.
‘Zulke dingen hoor je niet bij je te hebben,’ zegt de agent. ‘Dus je krijgt ’t niet terug. Geen denken aan.’
’t Was me bij binnenkomst van ’t station al te binnen geschoten dat je een tijd lang ’t perron niet op mocht zonder geldig kaartje; nu ik politie zie, word ik daar extra aan herinnerd. Sommige dingen mogen, andere dingen niet. Ook al lijken ze onschuldig & heeft niemand er last van, ze mogen niet.
Ik moet m’n moeder ophalen. Misschien is dat ook 1 van die dingen die niet zijn toegestaan.

Boven op ’t perron staan er weer 2. Als ik hun blik wil ontwijken, een mens mag er vooral niet schuldig uitzien, ontwaar ik aan de overkant, perron 2, zowaar nog 3 van hun collega’s.
Is er iets aan de hand? Zoeken ze verdachten?
Ik hoor niet bij de verdachten, dus besluit ik me maar als zodanig te gedragen.
Hoewel ik wel hier boven sta, op ’t perron, waar je vroeger, ’t zal enkele jaren geleden zijn geweest, je kaartje onderaan de trap voor moest laten zien.
Ik loop nonchalant over ’t perron. Richting agenten. Ze staan met een man in pak te praten. Tussen de 2 trappen in. Wellicht de man die door de 2 jochies is lastig gevallen. Geef ze nu slachtofferhulp.
Ik slenter ze voorbij & blijf op een duidelijk waarneembare onschuldige plek staan. Iemand die geen vervoersbewijs bij zich heeft gaat niet zo dicht op de huid van overheidsdienaren staan.
Nog net buiten gehoorsafstand. Ik kan ’t gesprek niet volgen. Anders moeten ze fluisteren, & dat zal ze ertoe aanzetten argwanend om zich heen te kijken.
Ik heb geen schuldgevoel, ben me van geen kwaad bewust, maar ik wil ook niet dat ik die indruk zou kunnen wekken.

Nog 4 minuten.

Wat is de beste plek? Waar kan ik strategisch ’t beste staan? Zal de trein ’t gehele 5b-gedeelte benutten of is perron 5a de belangrijkste losplek van passagiers? Ze zullen toch rekening houden met ’t feit dat momenteel alleen de westelijke uitgang voor ’t publiek bruikbaar is.
’t Voorste gedeelte zal straks snel aan me voorbijgaan. Dan kan ik dus ’t beste zorgen dat ik dermate ver richting 5b sta dat ik door de raampjes de verschijning van m’n moeder mogelijk herken. Dat-ie niet té snel voorbijtrekt, omdat-ie al bezig is met remmen.
Nadeel is dan dat ik te ver weg van de trappen op ’t a-perron zal staan. M’n moeder kan de trap afgedaald zijn voordat ik me realiseer dat ze niet in ’t voorste gedeelte van de trein zat.
Toch maar in de buurt van de agenten blijven. Nog maar ‘ns iedereen bekijken die in mijn & hun omgeving durven blijven. Kijken of die misschien verdacht lijken. Straks hebben andere mensen dezelfde truc als ik. Maar hebben zij wel kwaad in de zin.
Oja, ik ben nooit paranoïde. Ik hoef niet aan dit soort scenario’s te denken.

Nog 2 minuten. Ik zie de trein in de verte al aankomen.

M’n moeder stapt uit een coupé even voorbij mij. Nog net misgelopen met m’n blik. Ze herkent mij eerder dan ik haar. Ze lacht al.
De agenten begeleiden de man in pak. Maar ik verlies ze uit ’t oog. Weet niet waar ze heen gaan. Ik moet m’n moeder opvangen.

‘Ik loop wel even mee,’ zeg ik enkele uren later voor de ingang van ‘t station.
‘Vroeger moest je een vervoersbewijs hebben om op ’t perron te mogen,’ zegt m’n moeder.
‘Ja, dat was een paar jaar geleden ook zo. Stonden ze onderaan de roltrap te controleren. Maar ik breng je tot onder aan ’t perron.’
‘We hebben nog tijd zat.’
‘Ja, nog 9 minuten.’
‘Hij vertrekt 16.19 uur.’
‘Dan ga ik nu m’n fiets halen. Dag Moe.’
We geven elkaar weer een paar zoenen. M’n moeder gaat omhoog & ik keer me om.

Liever had ik een rechtmatig toegangsbewijs voor Zijperspace, dan kon niemand mij wat maken.

grijsgeel

Zij was weg. & Gedurende haar afwezigheid bleef ik in ieder geval nog een weekje in ’t huis. Dat kon geen kwaad.
Bovendien: ze was weg om na te denken. Een weekje Parijs, een weekje ontspanning, zou haar goed doen, haar doen beseffen welke keuzes ze had, welke keuze ze moest maken.
Of ze nog zin had in de relatie, kortom.

Ik deed ‘tzelfde als anders. Dronk misschien iets meer buitenshuis. Bleef langer hangen in ’t jongerencentrum, napraten, opruimen, boel op orde brengen, misschien nog een volgende kroeg met ’t team van die avond.
Praten, veel praten. Wegpraten dat je eigenlijk zelf geen recht op kiezen hebt. Afhankelijk bent van andermans nukken. Een enkel gewillig oor daarmee vullen.
& ’s Avonds laat ‘t 2-persoonsbed in stommelen. Een twijfelaar, die bij de minste vrijpartij z’n commentaar kreunde. Nog luider dan als de bovenburen me uit de slaap hielden.
Nu was ’t slechts een korte snik die uit de lattenbodem klonk als ik me omkeerde op m’n zij & een leegte naast me tegenkwam. Die vulde ik op door haar kussen tegen me aan te drukken.

& In de stad beklaagde ik mijn lot. Tegenover vrouwen. Tegenover vriendinnen. Vooral tegenover vriendinnen van vriendinnen, want vriendinnen waren vaak ook haar vriendinnen. Zaten er middenin.
De avond voordat ze terug zou komen tegenover een meisje uit Hoorn. Een vriendin van een vriendin inderdaad. Op een bankje voor de kroeg.

‘Ze weet niet wat ze wil. Ze dacht dat ze verliefd was op die andere gozer, maar toen ik achter haar aan ben gegaan, besefte ze plots dat ze iets aan ’t weggooien was. Zo zei ze ’t tegen mij die nacht. Dat ze 2 jaar relatie toch niet zomaar overboord kon gooien. Alleen omdat een jongen naar haar luisterde. Of omdat ze opgewonden van ‘m werd.’
(…)
‘Ze is gewoon een beetje gek. Ze heeft buien waarin ze opeens ’t tegenovergestelde doet van wat ze gewoonlijk denkt. Dan heeft ze geen controle meer over zichzelf. De laatste tijd wat minder als in ’t begin van onze relatie, maar af & toe kan je wel knettergek van haar worden.’
(…)
‘Ik probeer er nooit wat van te zeggen als ze weer ‘ns uren bezig is om de deur uit te gaan. Dan is ze alleen al met haar haar een uur bezig. Ik probeer dan een boekje te lezen. Rommel wat in ’t huis. Maar zogauw ik een beetje rond ga lopen zegt ze dat ik ‘ns geduld moet hebben, dat ze heus zo wel klaar zal zijn. Snauwend. Als ik dan zeg dat ik gewoon aan ’t wachten ben & iets te lezen zoek, dan blijkt opeens dat ze niet de juiste kleren kan vinden, dat niets haar staat, dat ze horendol van me wordt, altijd dat gewacht & nooit ‘ns geduld hebben. & Dan moet ze opeens haar hele outfit veranderen. Duurt ’t nog een uur. We waren al te laat, maar dan komen we 2 uur te laat. Ik probeer er nooit wat van te zeggen, want dan wil ze al helemaal niet meer de deur uit.’
(…)
‘Ik ben achter haar aan gegaan. Heb door de brievenbus van die jongen geroepen dat ik heus wel wist dat zij daar was. Die gozer kwam naar de deur om te zeggen dat ik de mensen wakker maakte. Ik zei tegen hem dat ik daar was om m’n vriendin op te halen. Dat hij niet bezig moest zijn een relatie kapot te maken. Ik wilde gewoon nog een laatste keer met haar praten, kijken of we ’t echt niet zouden redden. Toen ben ik naar huis gegaan. Een kwartiertje later kwam zij ook. Huilen. Nu is ze op vakantie met 2 vriendinnen. Om te kijken wat ze nu voor me voelt. Maar eigenlijk ben ik nu vrijgezel.’

‘Hé, Karin,’ zei ’t meisje tegen haar vriendin. ‘Ga jij maar vast naar huis. Ik blijf nog een tijdje zitten. Ik red me wel.’
We zaten nog steeds op ’t bankje voor de kroeg. Af & toe een biertje. Niet te veel, want dan was ’t geld op.
‘Hoe moet ’t dan met de sleutel?’ vroeg Karin.
‘Ach, desnoods kan ze ook een nachtje bij mij logeren,’ zei ik nonchalant.

Ik heb die nacht de buren niet gehoord.
‘Leuk, zoals jullie huis grijs met geel geverfd is,’ zei ze nog voor ’t slapen gaan.
‘Zij wou grijs, ik wou geel,’ legde ik uit.

Zij kwam terug terwijl we nog bezig waren koffie te drinken. Een broodje op een bord.
’t Meisje zei niks. Zij weinig. ’t Meisje pakte haar logeerplunjezak & ging de deur uit. Wij bleven een tijdje zwijgzaam. We luisterden of we de buren konden horen.

Een ½ jaar later kregen we een kaartje.
‘Ik heb een kamer in Amsterdam. Die heb ik ook grijs met geel geverfd. Dank jullie voor de inspiratie.’
We lachten er om.

Maar zwegen vooral in Zijperspace.

hip

Hij hangt meestentijds aan m’n broek. Of eigenlijk doet-ie dat alleen maar als ik onderweg ben. Omdat er in m’n broekzak te weinig ruimte is. ’t Gaat dan zo strak staan. & Een handtasje hanteer ik niet.
Dus in een hoesje, tevens ter bescherming, met een haakje bevestigd aan de achterkant, uit ’t zicht onder m’n t-shirts.
Vooral dat verstoppen is belangrijk. Niet voor mogelijke diefstal, maar vanwege gêne. Wie draagt er tegenwoordig nog z’n mobiel aan z’n broek? Nonchalant wordt-ie door anderen in een broekzak weggestopt, of in ’t voorvakje van de handtas.
Ik ben niet met de tijd meegegaan. Ik heb voor ’t praktische model gekozen. Zodoende is-ie bij de hand, kan ik ‘m horen & voel ik ‘m trillen. Bovendien staat m’n broek niet te strak. Heel belangrijk. Ik noem ’t niet voor niets een 2e keer.

Ik stel me al voor dat ik tot die massa behoor die ongegeneerd ’t mobieltje voorop z’n broek heeft hangen. Naast de broekzak. Bepaalde types. Vroeger hadden ze een sleutelbos op dezelfde plek. Je hoorde ze al van verre aan komen rinkelen.
Ik zie snorren, brillen, kalende koppen, een bepaald slag blouses, spijkerbroeken, schoenen, & dat in diverse samenstellingen, waarbij ’t beeld voltooid wordt door de mobiele telefoon als uithangbord aan de voorkant van ’t lichaam. Mannen die werken, verantwoordelijk zijn, & dat graag willen tonen.
Ik weet meteen wat ik over dat soort mensen moet denken. Zij maken deel uit van die groep. De groep waar ik niet toe wil behoren.

& Toch hang ik m’n mobiel aan m’n broek. Aan de achterkant, onzichtbaar, maar ’t zou zo ontdekt kunnen worden. M’n t-shirtje zou per ongeluk op kunnen waaien. Bij ’t uittrekken van een kledingstuk vanwege warm zou alles omhoog kunnen kruipen. M'n schande tentoongespreid.

Andere schande: de Hema-onderbroeken.
‘Je zou ‘ns een fatsoenlijke onderbroek moeten kopen,’ zeggen diverse vrouwen al jaren.
‘Hema-onderbroeken zijn fatsoenlijk,’ reageer ik stuurs. ‘Ze zijn oerdegelijk. Gaan lang mee. Zitten comfortabel.’
& Ik weet er nog wel wat aan toe te voegen. Over hangen en dergelijke. & ’t Nimmer aflatende krap zitten. Details waar men vaak niet op in wil gaan. Dus sla ik ze over in m'n argumentatie.
‘& Ze zijn nog goedkoop ook,’ beëindig ik daarom mijn pleidooi.
Waarbij ik mijn gang tot wasdom voor alle gemak ook maar oversla: de verhalen over zelfstandig worden, de 1e maal de eigen boodschappen doen, de keuzemogelijkheden die dan geopenbaard worden, keuzes die voorheen door moeder geslecht werden.
Enzovoorts.

Ik loop over straat, of fiets over de weg, in m’n Hema-onderbroek, zwart, maatje 5 (geloof ik, dat moet ik voor aankoop altijd nog even controleren, want ik ben bovendien zo’n man die nooit onthoudt welke maten zijn lichaam vertegenwoordigt), m’n broek behangen met m’n mobiel.
& Onderweg zie ik jongere mannen met mobieltjes die hun fallus groten doen lijken, welke laatste op zo’n manier is ingepakt dat je precies kan zien dat ’t een merkonderbroek is, want van de stof moet volgens de mode die al een tijdje schijnt te heersen een ½e dm te zien zijn, ’t moet uitstijgen boven de broekrand.

‘Zij wel,’ denk ik dan, terwijl ik me even nog wat extra hecht aan m’n zelfverklaarde comfort van de Hema-onderbroek, mobiel binnen handbereik, de boel niet te strak.
Ik niet.

Tot ik gister een telefoontje kreeg. Ik stond net in de deuropening van m’n huis. ½ Thuis, ½ nog net niet.
Ik grijp naar achteren, omvat ’t apparaat, probeer ’t los te wrikken.
& Ten overstaan van al die mensen die in m’n straat aanwezig hadden kunnen zijn, door hun ramen mij hadden kunnen aanschouwen, trok ik met ’t haakje van ’t beschermhoesje mijn onderbroek wel een hele dm omhoog. Duidelijk waarneembaar. Want m’n t-shirt bleef ook hangen op een veel te hoog niveau. & M’n broek was gezakt tot ½ 8, zoals m’n moeder dat vroeger uitdrukte, omdat m’n lijf smachtte naar een goed vullende warme maaltijd, zodat ’t wel een heupbroek leek, de riem op een gaatje verder noodzakelijk.
‘Modern, eigentijds,’ dacht ik, ‘kijk ‘ns, mensen, hoe uw buurman ondanks z’n leeftijd best nog wel hip kan zijn.’

‘Wat een hopeloos ouderwets woord,’ dacht ik toen ik de deur achter me sloot & ’t telefoongesprek beëindigde, ‘”hip”.’

We moeten maar met onze eigen tijd meegaan, die van Zijperspace.

nuh

Dennis lachte me toe.
‘Ha, je hebt ’t stukje gevonden?’ vroeg ik, begrijpend.
‘Ik ben 2½ uur met je weblog bezig geweest,' zei hij, niet begrijpend.
‘Je hebt ’t niet gevonden? Over de spelregels?’
‘Nee, dat wel. Maar ik was daarna gaan zoeken of je nou gewonnen had.’
‘Ja, haha, dat soort details plaats ik natuurlijk niet op internet.’
Z’n lach trok voor een kort moment weg.
‘Maar ik weet nu in ieder geval wel waar je aandacht naar uitgaat.’
Hij wierp een schuine blik naar rechts. Glunderend.

Dat was Masja. Ik had net naar haar hand gewezen. ‘Ton’ stond er.
‘Ha!’ zei ik, m’n vinger op m’n eigen naam leggend.
Betrapt.

‘Hoe kan je al die namen onthouden?’ had ze even daarvoor gevraagd.
‘Oh, dat gaat gewoon.’
‘Dat lukt mij niet altijd met míjn werk.’
‘Nou ja, ik ben zelf ook niet zo goed in namen onthouden. Maar als mensen bij mij een bonnetje hebben laten schrijven gaat-ie er meestal niet meer uit. Blijft-ie vanzelf in m’n hoofd zitten.’
‘Heb je er trucjes voor?’
‘Soms, maar soms ook niet. Als iemand een naam heeft van een vroegere vriendin bijvoorbeeld, dan gaat ’t vanzelf. Als ik haar gezicht dan weer zie, dan denk ik automatisch aan die vriendin van vroeger.’
‘Ik heb te veel klanten om ze allemaal te onthouden.’
‘Bij mij gaat ’t vanzelf. Ik ken misschien wel 100-en namen van klanten.’
Dus had ze m’n naam gevraagd. Omdat ik haar wel aldoor met haar naam toesprak. Ook al was ze nog maar 2 keer eerder langs geweest.

‘Ha!’ zei ik dus, m’n vinger over de palm van haar hand wrijvend.
& Dat had Dennis gezien.

‘Ik kom er helemaal niet in voor,’ ging-ie verder.
‘Waarin?’
‘In je verhalen.’
‘Ja, je zegt net dat je er achter was gekomen waar m’n speciale aandacht naar uitgaat. Hoe groot zijn jouw borsten?’
‘Ja, Suzanne komt wel in een stukje voor.’
Die was er nog niet. Dennis zat nog in z’n 1tje te drinken. Maar hij had wel vast een biertje voor z’n vriendin besteld.
‘Oja? Dat wist ik niet. Kan ik me niet herinneren.’
‘Een stukje over nieuwjaarswensen. Met een meisje dat Kim heet. Is dat nog wat geworden?’
‘Nee, die heb ik al een hele tijd niet gezien. Daar heb je Suzan.’
Suzan keek me aan, vanonder haar wenkbrauwen.
‘Nuh!’ zei ik er snel achteraan. ‘Ik zei SuzanNUH!’

Zo, die hoor ik voorlopig niet meer klagen over Zijperspace.

regime

Als ik aan een nieuwe strip begin, geef ik ’t vakje van ’t bovenste pilletje, ’t pilletje dat ik als 1e slik, de naam van de dag. De strip waar ik nu mee bezig ben, begint bij woensdag, afgelopen woensdag, daar bovenaan heet 't woensdag. Dan kan ik de dagen aftellen naar beneden, om te zien of ik geen dag overgeslagen heb.
‘Woensdag, donderdag, vrijdag; ik heb vandaag m’n pilletje nog niet geslikt.’

Een gedeelte van de dag wordt er door ingevuld. ’s Ochtends opstaan & zo snel mogelijk aan thyrax denken. De bewuste potjes pakken, uit de 1 een roze pilletje halen, de ander een blauwe laten ophoesten. Slokje water voor ’t doorslikken, thee zetten, boekje lezen, brood uit de vriezer, boekje lezen, klok kijken, ja, ’t is een ½ uur later, & dan pas ontbijten. Want anders werkt de thyrax niet, is me van ’t begin af aan ingepeperd.
Nu ik op de 175 mg zit, begin ik echter steeds meer te twijfelen (ook door de onrust van de internist elke keer als ik haar spreek, waarna ze weer de dosering verhoogt omdat ’t nog niet genoeg effect heeft zoals ’t bloedonderzoek immers uitwijst) of ik wel thee mag drinken. Is thee ook ontbijt?
Maar ik slik gedwee. Ik kan me de dag niet herinneren dat ik iets vergeten ben te slikken. Geen strumazol, geen thyrax. Maar dat kan ook komen doordat ik ’t vergeten ben. Ik ben ’t vergeten, dus weet ik ’t ook niet, dan bestaat de herinnering eraan evenmin.

Ontbijtje binnen, strumazol slikken. Dat is meestal ’t moment ook dat ik ’t huis ga verlaten, dan meteen maar m’n neus ‘poederen’ met nasonex, zodat ik weer normaal kan ademen.
M’n lichaam een laboratorium.
Pilletje valt uiteen, werkzame stoffen spreiden zich uit, worden in ’t bloed opgenomen, maken een tocht door mijn lijf, schildklier uitgeschakeld, functies overgenomen door stoffen die m'n lichaam in zijn gestoven.
Vloeistof spuit in m’n neus, druppelt langs de wanden achter m’n neusschot, verspreidt zich, geeft effect, geeft lucht. Ik blijf.
Ik vraag me niet te veel af wat er allemaal daarbinnen gebeurt. Ik ben liever gedwee, gehoorzaam aan de voorschriften, wil me niet verwonderen, slechts overgeven aan dat waarvan men zegt dat 't goed voor me is.

Ik voel me dan een oude man. Slik 3 pillen per dag, poeder m’n neus 2-maal daags. Zo niet, stort ik in. Schijnt ‘t.
Ik trek m’n shirt uit vlak voordat ik onder de douche ga staan, zie mezelf in de spiegel, kijk naar beneden & maak strumazol verwijten.
Maar bedenk gelijk dat toch niemand ’t ziet.

Ik denk aan van Kooten & de Bie die elkaar vroegen of de borsten al gingen hangen. Waarschijnlijk waren zij toen 5 jaar ouder. Ze hadden al grijze haren op de borst.
Ik was 8, toen mijn vader zo oud was als ik nu. M’n vader was 40, toen ik me bewust was van ’t feit dat m’n vader oud was. Ik ben 40.

Ik slik pillen waar ik rustiger van ben geworden, de tijd minder snel is gaan lopen, maar waardoor ik ook de sluwheid niet meer heb om de tijd de weg af te snijden.
Naarmate je de tijd, de rust hebt, verslikt de mate waarop alles aan je voorbij gaat zich meer. Je hebt ’t niet eens door, alsof een klein boertje zich voordoet aan ’t einde van de maaltijd. Berusting, je leunt achterover & laat de spijsvertering z’n werk doen.

Ik weet dat bij mij de spijsvertering goed geregeld is. Ik heb me hiervan verzekerd door elke dag secuur de pilletjes te slikken. Ik poeder m’n neus om verder te gaan met ademhalen.

M’n dagritme is bepaald. De orde ook. Ik heb overzicht. Sterker: ik heb nu een excuus om de dag in gareel te houden. Ik mag niet ongehoorzaam zijn aan ’t regime van de pillen, want dan gehoorzaamt ’t lichaam uiteindelijk misschien wel niet aan mij.
Ik heb een reden gevonden om de internist te geloven. Zij heeft een reden mij pillen voor te schrijven. De pillen nemen bepaalde functies over, veranderen m’n lichaam. M’n lichaam dient te doen wat ’t van bovenaf wordt opgelegd. ’t Lichaam is van mij. Ik heb een keus gemaakt. Ik leef m’n leven, elke dag. Ik adem, ik verteer. Ik functioneer.

Wie weet wat voor chaos er van zou komen in Zijperspace als dat niet zo was.

nerd

‘Ik heb een paar appels meegenomen,’ zegt Jasmijn als ze Jojanneke van haar appelsap ziet drinken.
‘Ik heb water,’ zeg ik.
‘Ja, ik heb ook meegenomen,’ zegt Johanneke.
‘& Ik hoop dat jullie bier lusten,’ voeg ik er aan toe.
Kijk vragend om me heen. Zal vast.
‘Hm, ja,’ zegt Jojanneke, met een gezicht alsof ze er nog van overtuigd moet worden, ‘ik geloof dat ik dat wel lust.’
‘Ja, ik heb nl ook 4 blikjes bier meegenomen. Ik dacht: da’s misschien wel verstandig bij zo’n wandeling.’
Ze knikken een beetje. Misschien wel verstandig, denken ze erbij.
‘& Ik heb rozijnen meegenomen,’ zegt Jasmijn.
Ze begint in haar rugzakje te rommelen.
‘Tsja,’ bedenk ik me hardop, ‘ik heb ook nog zo’n grote Kitkat bij me. Een Crunchy heet dat, geloof ik.’
Ik kijk vragend om me heen.
‘Ja, een Crunchy Kitkat,’ bevestigt Johanneke.
'Eten jullie de appels & ik de Crunchy.'
Jasmijn haalt ondertussen de rozijnen tevoorschijn.
‘Ik voelde me van de week net een nerd toen ik thuis zat,’ zegt ze.
Ze laat een doosje rozijnen zien.
‘Daar kan je mee fluiten. heb ik laatst op een feestje ook gedaan. Groot succes. Zat ik een paar dagen later thuis met zo’n doosje ’t nog een keer de hele tijd uit te proberen.’
‘& Toen keek je in de spiegeling van ’t raam,’ zegt Jojanneke, ‘& je dacht: “Hé, daar zit een nerd.”’
Ondertussen deelt Jasmijn de doosjes uit.
‘Kunnen we dat niet beter voor onderweg bewaren?’ vraag ik.
Ik denk aan alle suikers die ons onderweg energie kunnen geven.
‘Nee, dan kunnen we nu toch niet fluiten,’ reageert Jasmijn lichtelijk verontwaardigd.
Vanzelfsprekend, denk ik.
We beginnen meteen de doosjes leeg te eten. Ik vraag me ondertussen af over wat voor soort fluiten ze ’t nou eigenlijk heeft.
‘Hoe doe je ’t dan?’ vraag ik uiteindelijk toch maar.
Jasmijn vouwt de flapjes van ’t doosje naar buiten. Ze zet ’t doosje met de opening aan haar mond.
‘Heb je ‘m nu al leeg?’ vraagt Johanneke.
‘Ja, we wilden toch fluiten?’
‘Was ’t een feestje voor nerds?’ vraag ik tussen 2 vingers vol rozijnen in.
Jasmijn haalt weer ’t doosje van haar mond.
‘Nee, een feestje voor kinderen.’
Kinderen van nerds dan, waarschijnlijk, denk ik.
Dan begint Jasmijn op ’t doosje te blazen. Een hoge fluittoon ontstaat.
Jojanneke, die haar doosje ook al leeg heeft, valt in. De coupé wordt met de piepende fluitjes gevuld. & Met de hilarische lach van Johanneke & mij.
‘We zijn toch wel de enige hier?’ bedenkt Jasmijn opeens, staat op & kijkt over de ruggen van de stoelen.
Gerustgesteld gaat ze weer zitten.
‘We kunnen ’t ook gebruiken om straks de trein te laten vertrekken zonder conducteur,’ zegt ze. ‘Dan fluiten wij als de conducteur even niet oplet.’
‘Die van jou klinkt trouwens veel lager dan die van Jojanneke,’ merk ik op.
‘Komt doordat zij thuis geoefend heeft,’ zegt Jojanneke, ‘de nerd!’

‘Kom mee naar buiten allemaal,’ floot ‘t vervolgens vrolijk in Zijperspace.

show

Ach, ’t is allemaal show. Maar die show is al zo verweven met m’n handelingen dat ik soms niet beter weet dan dat ik gewoon m’n werk doe. Misschien is m’n werk wel geheel & al show, sta ik er alleen niet te vaak meer bij stil.
Een engelse dame vroeg me hoelang ik er nou over had gedaan om zoveel glazen te kunnen dragen.
Ik hield 4 rijen glazen met m’n onderarm tegen m’n borst aan geklemd. De middelste 2 reikten tot aan m’n kin. De buitenste stegen tot boven m’n hoofd.
Ik vind dat al niet bijzonder meer. ’t Is m’n werk, ik doe ’t al jaren. Regelmatig moet ik stil blijven staan, omdat een toerist een foto er van nemen wil. Dan speel ik voor een kort moment een wassenbeelden pop van Madame Tussaud. Een glimlach op commando. ’t Hoort erbij. & Dan snel door naar de bar, want m’n collega’s wachten op verse schone glazen. Want de klanten wachten op bier.

Maar goed, de engelse dame vroeg me (voor ’t gemak de nederlandse vertaling): ‘Hoelang heb je er over gedaan om dat te kunnen?’
‘Nou, dat vergde toch wel een cursus van 5 jaar.’
Ik moet er bij zeggen dat mijn antwoord in ’t engels eigenlijk mooier klonk, maar gezien ’t gemak voor de lezer toch maar in bescheiden nederlands.
De groep waar de engelse dame deel van uitmaakte, lachte. Een grappig antwoord, blijkbaar. & Als men al gaat lachen om een flauwe opmerking, dan moet je ervan profiteren.
‘Well,’ ging ik verder, maar voor ’t gemak moet men zich maar bedenken dat ik dat met 1 ‘l’ zei; ‘Wel,’ zei ik dus, ‘ik mocht tussendoor stage lopen & zo af & toe een biertje tappen, want anders is zo’n cursus maar saai.’

De engelse dame keek me ondeugend aan. Ze wilde nu iets heel raars gaan vragen, dat las ik uit die blik onmiddellijk af.
‘Kan je ook tegen kietelen?’ vroeg ze me.
Giechelend keek ze naar haar gezelschap. Jaja, ze was me er 1tje.
‘Dat is een speciaal onderdeel van de cursus. We werden er uitvoerig op getraind. Je mag ’t uitproberen, zou ik zeggen.’
Dat liet ze zich geen 2e maal zeggen. Kruipend kwam ze op me af.

Dat laatste klinkt misschien een ietwat vreemd. Maar aangezien we niet over voldoende stoelen beschikken voor de massa’s mensen die bij mooi weer ons terras komen visiteren, is men al snel gedwongen om op de grond te gaan plaatsnemen.
Zodoende kwam de dame uit haar zittende houding een beetje omhoog, leunde voorover, plaatste haar knieën 1 voor 1 wat dichter naar me toe, & begon m’n broekspijp omhoog te trekken, om daaronder haar nagels over m’n benen te bewegen.
Ik moet zeggen, ik heb mindere pogingen meegemaakt om mij erotisch te stimuleren.
Kirrend wriemelde & kriebelde ze over m’n onderbeen. Ik keek onverstoord voor me uit. Dat hoorde immers bij de show. Mijn show. Niet die van haar.
‘Helaas,’ dacht ik voor een kort moment.
Ik moest er echter mee doorgaan, want anders klopten de verhoudingen niet.

Stevig bleef ik in m’n schoenen staan. Ik liet ’t over me heen gaan. Gewoon ontkennen dat er ook maar iets aanwezig was, daar onderaan m’n benen, dat leek op de deze morgen nog keurige gevijlde nagels van een vrolijke dame van engelse komaf, waarvan ’t niet onprettig was om naar te kijken. Ik ontkende daarnaast ook de aanwezigheid van een v-hals in haar t-shirt, de weelderigheid van haar boezem, ’t onder ’t giebelen op & neer, alsook van voor naar achter bewegen van dit deel van haar lichaam, & keek stoïcijns voor mij uit.
Ik keek slechts naar haar vrienden, tevens gezeten op de grond, liet niets anders van m'n gevoelens blijken dan een blik van uiterste concentratie & gedegen discipline & sprak hen toe: ‘Kijk, dit is ’t gevolg van 5 jaar keihard trainen.’

‘Dat doe je toch niet bij een nederlandse barman,’ zei 1 van haar vrienden toen ze uiteindelijk de moed opgaf.
Ze had niet alleen geprobeerd m’n been te bewerken, maar had ook een greep naar m’n middel gedaan.
‘Jawel, jawel,’ reageerde ik onmiddellijk tbv haar verdediging, om haar vooral niet in verlegenheid te brengen, & niets af te doen aan ’t showelement van mijn werk, ‘in Nederland is ’t een gewoonte de barman bij tijd & wijle zo aan te pakken. Om te controleren of-ie z’n cursus wel met goede resultaten heeft doorlopen. Wij barmannen vinden eigenlijk dat alle vrouwen dat wat vaker zouden moeten doen. We nemen er graag de tijd voor.’
Maar aangezien ik met een andere taak ’t terras had betreden, besloot ik deze uiteenzetting met ’t volgende: ‘Helaas kunnen wij daar niet de hele dag mee doorgaan, want uiteindelijk wil de klant ook nog wat te drinken hebben. Derhalve zie ik mij gedwongen jullie te verzoeken de lege glazen aan te geven.’
Dit alles vanzelfsprekend in vloeiend engels.

Hierna liep ik om ’t groepje heen, zag een meter verder nog wat glazen onbeheerd staan, wierp me achterover, zoals ik gewend ben te doen, ’t is tenslotte allemaal show, & raapte in limbohouding deze glazen op.
Oh’s & ah’s klonken.
Ik ben gewend aan dit soort reacties.
De stapels in m’n armen werden echter te hoog. Met gevaar dat de stapels om zouden kieperen onder ’t herhaaldelijk achterover buigen, besloot ik er mee op te houden.
‘Zal ik je even helpen?’ vroeg een vriendin van de engelse dame.
Ze sprong overeind om me te hulp te schieten & reikte me vervolgens de overgebleven glazen aan.
Ik bedankte haar & voegde er aan toe: ‘Natuurlijk staat ’t je vrij om die o zo nederlandse gewoonte, waar je vriendin daarnet ook van heeft geprofiteerd, op m’n lichaam bot te vieren.’
‘O, nee,’ schrok ze, haar handen wijd opengesperd langs haar schouders houdend, & daarbij sprong ze een ½e meter achteruit.
‘Ik heb er 5 jaar op getraind, moet je maar denken.’
’t Mocht echter niet meer baten.

Show was over in Zijperspace.

hoe ik excuses kreeg om naar huis te gaan

‘Ik zweet nogal snel,’ excuseerde ik m’n natte voorhoofd. ‘Deze temperatuur vind ik eigenlijk al te hoog.’
‘Morgen wordt ’t nog warmer,’ wist de vrouw me te vertellen.
Ze lachte erbij. Ik keek schuin naar achter als 1 van beiden iets zei. Ik liep net iets sneller dan hen. Zij liepen onbekommerd, ik liep gedreven, zo had ik ’t gevoel.
De man lachte met z'n vrouw mee. Een brede grijns. Hij was blij met pensioen te zijn.
‘Ik bewaar alle boekjes van de wandelingen die we hebben gedaan,’ had-ie me even ervoor verteld. ‘Degene die we achter de rug hebben, zet ik met de voorkant naar links, degene die we nog moeten doen met de kaft naar rechts.’
Zijn manier om overzicht te houden.
‘We zagen dat je veel sneller liep. Maar wij nemen de tijd. Om de bloemetjes langs de kant van de weg te bekijken.’
Ik zei dat ik die ook wel zag. Maar dat ik m’n vader miste om de namen van de bloemen te kunnen vertellen.
‘Mijn man weet alle namen,’ zei de vrouw. ‘Hij herkent alle planten.’
‘Zo was mijn vader ook. Maar die zit nu in een verzorgingstehuis.’
‘Ik had ook veel aan de boeken van Thijsse,’ voegde de man er aan toe. ‘Ik heb alle boeken van hem.’
‘Jacques P. Thijsse,’ zei ik. ‘Die had mijn vader ook allemaal.’
Maar ’t werd dus warmer, wisten ze te melden.
‘Morgen wordt ’t nog warmer,’ zie de vrouw. ‘& Overmorgen wordt ’t wel in de buurt van de 29°.’
De 1e twijfel ontstond.

Ik vroeg me af wat mooi was. Door de opmerking van andere medewandelaars. ’t Runde Veen zou mooi zijn.
Ik keek & zag niks behalve groene weilanden & akkers. Wist niet meer wat als mooi ervaren moest worden. Begon me af te vragen waarom lopen leuk was. Mooi.

In Norg aangekomen belde ik m’n moeder. Om te zeggen dat ik 29 km gelopen had. & Nadat ik m’n dorst had gelest zou ik op zoek gaan naar een camping, vertelde ik. Hoe of ’t was met Pa?
‘Niet zo goed,’ zei ze. ‘Hij had afgelopen weekend koorts.’
Maar ze zou me wel bellen als ’t écht slecht zou gaan.
‘Als ik m’n mobiel uit heb staan, dan kan je volgens mij evengoed m’n voicemail inspreken. Dan kom ik vanzelf wel te weten of ik naar huis moet,’ zei ik.

’s Nachts moest ik er uit om te plassen. Gewoonlijk doe ik dat in een hoekje. Een hoekje van ’t hoekje van de camping. Waar ik afgezonderd sta, niemand last van me heeft. Ditmaal, er stonden te veel caravans om me heen, ik had te veel schuldgevoel richting de oudjes, dwong ik mezelf richting toiletblok te lopen. Lange broek aan. Sleutel in m’n broekzak. Blote borst. Door ‘t 1e ochtendlicht naar een plashok gestapt.
Maar terwijl ik naar buiten ging, m’n tent uit, liet de rits los. De sluiting schoot er uit.
Terug van de wc moest ik me door de opening wurmen. Voorzichtig, om niet nog meer schade te veroorzaken.
Ach, ’t zou niet regenen de komende dagen, wist ik.
Maar de tent was kapot.

Ik bleef wakker liggen. De hoofdpijn was weergekeerd. Ik luisterde naar de vogels. Probeerde een merel te volgen, die zo te horen van tak tot tak kenbaar maakte dat dit zijn territorium was. Ik probeerde m’n gedachtes zodoende af te leiden van de hoofdpijn.
’t Was een koor. ’s Ochtends om ¼ over 4. Oorverdovend bijna. Ze hielden me wakker. Ze deden me beseffen dat ik weg was.
Enkele uren later ging ik m’n tanden poetsen. Ik was niet de 1e.
‘Zo, lekker geslapen?’ vroeg de man.
‘Nee, eigenlijk niet,’ kon ik niet laten naar waarheid te antwoorden. ‘Ik had hoofdpijn.’
‘Oh, da’s vervelend,’ reageerde hij.
‘Maar ik heb daardoor wel naar alle vogels kunnen luisteren,’ probeerde ik m’n mededeling te vergoelijken. ‘Oorverdovend. Mooi.’
Daar was-ie toch weer: ‘mooi’.
Zei ik ’t om de man tevreden te stellen of had ik ’t mooi gevonden?
‘Ja, ’t barst hier van de vogels. Prachtig is dat.’
Tijdens m’n ontbijt kwam de man naar m’n tent toegelopen.
‘Ik vroeg me af: heb je wel paracetamol?’
Hij hield iets in z’n hand geklemd. Dat kon niet anders dan een strip paracetamol zijn, dacht ik.
‘Ja, hoor,’ stelde ik ‘m snel gerust. ‘Ik heb net een pilletje geslikt.’
Opgelucht liep-ie weer naar z’n caravan.

Ik belde m’n moeder weer. Of ze even kon kijken op de site van ’t Openbaar vervoer. Ik wilde weten wat voor verbinding ik vanaf Appelscha zou hebben.
Naar Assen, een bus, vertelde ze.
‘Dan kan ik net zo goed nu meteen de bus nemen. Ipv nog eens 35 km te lopen. In de hitte.’
‘’t Gaat weer wat beter met Pa,’ zei m’n moeder nog. ‘Hij is weer wakker geworden.’
M’n besluit stond echter al vast.

Bij de bushalte in ’t centrum van Norg zag ik dat ik de bus op 5 minuten na gemist had. Over 55 minuten zou de volgende komen.
Toen besloot ik te gaan liften, te gaan zien waar ik uit zou komen.

Ik arriveerde uiteindelijk veilig in Zijperspace.

drenthepad-ontmoetingen (6)

‘Waar moet je naartoe?’ vroeg de man.
‘Naar een station,’ antwoordde ik. ‘Of een dorp die we mogelijk passeren. Naar ergens waar ik verder richting een station kan komen, eigenlijk.’
Hij maakte ruimte. Schoof de schoffel & schep nog iets meer opzij, zodat ik ernaast kon gaan zitten, m’n rugzak op de achterbank.
‘Ik neem niet zo snel meer lifters mee,’ zei de man toen ik zat.
‘Je ziet er ook niet zoveel meer,’ zei ik.
‘Nou, er is een vrouw bij ons in Norg een tijdje geleden iets gebeurd met lifters. ’t Heeft in de krant van Norg gestaan. Daarom weet ik ‘t. Een heel verhaal, heel vervelend, maar ze heeft ’t overleefd. Toch word je dan wat huiverig. Laatst had ik een meisje meegenomen. Ze stond helemaal alleen bij een bushalte te liften. Ik heb tegen haar gezegd dat ik haar kende van ’t dorp, dat ik haar daarom meenam, maar dat ik ’t toch niet goed vond dat ze in haar 1tje stond te liften. Je weet nooit wie er voorbij komt. Ze zei dat ze dat alleen maar deed als ze de bus gemist had, als ze op weg was naar school. Ik zou haar de volgende keer wel meenemen, zei ik haar, maar alleen om te voorkomen dat een vreemde haar iets kon doen.’
‘Meisjes zouden niet alleen moeten liften.’
‘Dat heb ik haar ook verteld.’

Hij was in de 70, vertelde de man. Z’n vrouw had de laatste tijd last van duizelingen. Daarom was-ie op weg. Naar hun boot. Hij moest daar ‘ns gaan schoffelen, onkruid bij de waterkant weghalen.
‘Ja, we kunnen niet meer gaan varen,’ zei hij, ‘want m’n vrouw heeft vaak last van die duizelingen. Dan kunnen we wel op een rustig water ronddobberen, maar je loopt toch ’t risico dat er iets gebeurt. Straks ligt ze plots overboord. Dan moet ik haar maar zien te redden. Dus heb ik haar gezegd dat we dan maar de boot moesten verkopen. Op een gegeven moment moet je er toch afstand van doen.’

We reden langs ’t water. Een watertje waar ze vast vaak hadden gevaren.
‘Je zal ‘m straks wel even zien. We rijden er langs. Dan breng ik je 1st wel even naar Assen. We zitten tenslotte toch. Dan kunnen we net zo goed wat langer zitten.’
‘Zo is ’t maar net,’ lachte ik dankbaar.
‘Ik heb ‘m te koop aangeboden. Er staat een bord. & Ik heb ’t op internet gezet. Al een paar reacties gehad. Van mensen die op de hoogte zijn. Maar die proberen ervan te profiteren. Denken dat je er snel vanaf wil. Dan komen ze met een prijs aan die ’t niet waard is. Ik heb ‘m zelf gebouwd, zie je. Kreeg ‘m casco aangeleverd. Helemaal van onderen af opgebouwd. Anders had ik geen boot gehad. Maar een vriend van me, waar ik wel vaker voor werkte, die heeft ‘m zo aangeleverd. Hij deed in jachten. Ik kende ‘m al vanuit m’n jeugd. Ik was docent in die tijd. Op een gegeven moment kreeg ik een belletje van hem. Dat-ie hulp nodig had. Bij ’t lassen van z’n boten. Dat heb ik toen jarenlang gedaan. Toen heb ik een keertje losgelaten dat ik zelf ook wel een bootje wilde, maar dat ’t voor mij onbetaalbaar was. Hij zei dat-ie me wel wat kon leveren. Als ik ’t zelf zou bouwen, dan was ’t wel betaalbaar. ’t Meeste geld voor zo’n jacht gaat nl in de manuren zitten. Ik heb er toen al m’n vrije tijd in gestopt. 3 Jaar over gedaan. Die man is nog steeds m’n beste vriend. Al vanaf m’n jeugd, toen we klein waren.’

‘Kijk, daar ligt-ie,’ wees de man.
We stonden voor ’t stoplicht, in een bocht. Schuin achter ons lag de boot. De walkant was overwoekerd met onkruid.
‘Ja, ik moet ’t wel even opknappen. ’t Moet er wel goed uitzien.’
Hij trok weer op. We sloegen de bocht om. Even later doemden de 1e gebouwen op.
‘O, dit is Assen al,’ merkte ik op.
‘Ja, we zijn er zo. Maar ik ga niet via ’t centrum. Al die drukte. Kijk, ik kan nog rijden. Ik heb m’n oude auto weggedaan. & Dit is een 2e-handsje. Daar kan ik ’t nog mee doen. M’n vrouw mag niet meer rijden, vanwege die duizelingen. We worden ouder. Maar ik zeg tegen haar: “We wisten dat we ouder werden. Dus moeten we er maar van genieten. Niet moeilijk doen over dingen die we niet meer kunnen.” Dus verkoop ik die boot. Hij is 15 jaar onze boot geweest. We hebben ’t er heerlijk mee gehad. Maar je weet dat er aan alles op een gegeven moment een einde komt. Daarom heb ik ook een andere auto genomen. Je weet dat je concessies moet doen.’

Hij stopte voor ’t station. Ik stapte uit om m’n rugzak van achteren te pakken. Liet ’t portier aan de voorkant nog even openstaan. Ik liep met m’n rugzak op 1 schouder rustend terug naar voren. Gaf de man een hand.
‘Bedankt voor de lift,’ zei ik.
‘Nog een prettige reis.’
‘& Succes met de boot.’
‘Ja, dank je.’
Toen legde ik de rugzak ook op m’n andere schouder. Sloeg ’t portier dicht. De auto trok op. De man zwaaide nog even. Ik zwaaide terug.

Ik vervolgde m’n reis door Zijperspace.

drenthepad-ontmoetingen (5)

Ik passeerde de slagboom. Links van me ’t sanitaire gebouw. Een klein houten huisje. Ik liep rechtuit, richting de mensen die voor hun caravan van de zon genoten. De 1e gezichten die ik zag. ’t Dichtst bij de ingang.
‘Kunt u mij zeggen waar de receptie is?’ vroeg ik.
‘Daar komt de receptie al aangelopen,’ wees de man.
Er was een vrouw opgestaan, enkele caravans verderop, die op me toe kwam lopen. Lichtelijk voorovergebogen, moeite met haar heup, de rimpels al jaren definitief gegroefd in haar huid.
‘U bent de receptie,’ grapte ik.
‘Nee, we hebben hier geen receptie,’ zei ze serieus. ‘We zijn een vereniging. Hier staan alleen caravans van leden. Maar we hebben altijd wel een plekje voor trekkers. Hoe lang wilt u hier blijven staan?’
‘Oh, 1 nachtje.’

Ze leidde me rond. Liet me een plekje bij ’t toiletblok zien. Te dicht er bovenop, vond ik. Liever in een afgelegen rustig hoekje, maakte ik duidelijk. Maar afgelegen bestond niet hier. Ongeveer 20 caravans, met 2 plekjes voor nog een extra tent. We gingen ’t hoekje om & konden ’t hele kampeerterrein al overzien.
We haalden voor mij een sleutel op, bij de penningmeester. Alleen met die sleutel had ik toegang tot de wc’s & ’t washok. & Ondertussen legde ze alles uit.

‘Die man is de penningmeester. Maar een beetje moeilijk ter been. Ik ben de secretaris van de vereniging.
(...)
Al m’n kinderen zijn hier opgegroeid. Ook enkele kleinkinderen. Ik kom hier al 40 jaar.
(…)
We worden wel een beetje oud. Iedereen is inmiddels gepensioneerd hier.
(…)
15 Jaar geleden overleed m’n man. M’n kinderen zeiden dat ik de camping aan moest houden. Dat hier de mensen waren die ik kende. Lief & leed. Dus kom ik hier nu in m’n 1tje. M’n kinderen zeiden dat ’t goed voor me was.
(…)
Ik zit hier de helft van de tijd. Een ½ jaar in Groningen, in m’n woning, & een ½ jaar op de camping. Van april tot oktober. Tuurlijk ga ik tussendoor wel naar huis, om wat dingetjes te regelen. Maar ik ben vooral hier.
(…)
We houden elkaar een beetje in de gaten hier. Maar de vereniging wordt wel steeds een beetje kleiner.’

‘Ik ga toch maar in dat hoekje staan,’ zei ik, wijzend naar ’t enige hoekje dat vrij was.
Ik wilde zo min mogelijk opvallen. Ik viel hier middenin ’t dagelijks leven van een groepje bejaarden.
Tijdens de korte rondleiding zei ik de gezichten gedag, nog minzamer dan ik van mezelf ooit gekend heb, die nieuwsgierig ’t gearriveerde bezoek aanschouwden.
‘Waar kom je vandaan?’ vroeg de vrouw.
‘Uit Amsterdam.’
‘Oh, daar ben ik net gister geweest. M’n zoon woont daar. In de Pijp.’
‘Daar heb ik vroeger ook gewoond.’
‘Maar hij woont hoog. Al die trappen. Ik heb de treden wel ‘ns geteld. 72 Treden. Je bent dood voordat je aankomt.’
‘Ik woon gelukkig tegenwoordig op de begane grond.’
‘Ik was met m’n buurman. We moesten natuurlijk van alles zien. De Jordaan, de Kalverstraat, de roze buurt. Je weet wel hoe dat gaat. Doodop ben je na zo’n dag rondzwalken.’
Toen zou ze me met rust laten. Als ik maar alles weer na gebruik op slot draaide, benadrukte ze nog even. & Als ik morgen vertrok, kon ik de sleutel op ’t tafeltje van de penningmeester leggen. Oh, & als ik dan perse een biertje wilde hebben, ze had er nog wel 1tje koud staan.
Nee, ik zou straks wel even ’t dorp in gaan, helemaal niet nodig.
‘Nu moet ik even naar de caravan, daarginder,’ zei ze tot besluit. ‘Kijken of ze nog leven.’
Ze liep weg, sjokkend met haar heup. Ik kon zien dat ze gister nog voelde. Zo zou ik me morgen voelen.

Of anders later, in een toekomstig Zijperspace.

drenthepad-ontmoetingen (4)

Ze gingen vlak voor me de bocht om. Van de andere kant af. ’t Zelfde pad op.
Duidelijk wandelaars. Stevige schoenen, ferme pas. De vrouw sjokte een beetje, haar tred lichtelijk misvormd na jaren zichzelf de verkeerde houding aangemeten te hebben. De man fier & rechtop. Alsof z’n schouders naar achteren konden kantelen. Niets op aan te merken, behalve dat je niet zou hopen dat z’n lichaamshouding weerspiegelde hoe hij zich in ’t leven naar anderen opstelde.

‘Hoi.’
‘Goedendag.’

Ze liepen net iets sneller. Ik zag ze langzaam meer afstand nemen.
Net als fietsers in de stad: ik kan ’t niet hebben achtergelaten te worden.
Ik hield me voor een rugzak met tent & slaapzak mee te moeten dragen. Dat ’t de 1e dag was. Dat ik slechts halverwege was & m’n ritme nog moest vinden.

Er stond een jonge geit op een erf. Ze werden afgeleid. Liepen er op toe.
De geit huiverig, nadat ze 1st enthousiast om ons passanten had gemekkerd. Maar de man, met rechte rug, stak z’n hand uitnodigend uit.
Kijk eens, ik ben er om jou te aaien, zei zijn hand.
De geit dacht waarschijnlijk alleen maar aan een vers blaadje & zag die niet. Hij bleef staan.

Ik was voorbij gelopen. Had ze ingehaald. Een 10-tal meters liep ik nu voor hen uit.
Maar ik voelde hun passen nader komen.
‘Mooi weer, hè,’ zeiden ze toen ze mij weer inhaalden.
‘Ja, stukken beter dan gister.’
Een korte conversatie. Meer was er blijkbaar niet nodig.

Hoewel, zij keerde zich om.
‘Loop je een bepaalde route?’ vroeg ze.
Ze had ’t boekje in m’n hand gezien.
‘Ja, ’t Drentse pad.’
‘Oh, ’t Drenthepad.’
Ik haalde snel de voorkant tevoorschijn. Ze had gelijk.
‘Oja, ’t heet ’t Drenthepad.’
‘Ga je dan door Vries?’
Ik wierp een blik op ’t kaartje. Hoewel ik ’t eigenlijk al uit m’n hoofd wist.
‘Nee, daar ga ik net voor langs.’
‘Oh, dan ga je straks langs ’t Runde Veen,’ zei ze, terwijl ze met me meekeek. ‘Daar hebben wij vanochtend ook gelopen. Heel mooi is ’t daar. Veel plezier.’
‘Dank je, jullie ook.’

Toen begon ik me af te vragen wat ‘mooi’ was.
Ik sloeg een pad in naar rechts, terwijl zij over de Hondstong hun weg vervolgden. ’t Pad langs ‘t Runde Veen liep er evenwijdig aan.
Ik zag weilanden. Zover de horizon strekte. Groen van akkers, met een enkele elektriciteitsmast of soms een bosje bomen.
Dit was mooi. In hun beleving. Ik wist niet meer wat mijn mooi was.

’t Wandelen. In mezelf gekeerd. De reis, niet ’t doel. Soms een plantje zien, er aan voorbijgaan. Een passant groeten, een vogel horen tjilpen. M’n spieren voelen, m’n voeten die wringen in de schoenen. Weten dat ik pauze moet houden, om de dorst te lessen, brood te eten. & Toch doorgaan. Besluiten tot hoe ver te gaan, nog een stukje er aan vast te plakken. Verlangen naar vocht, aan ’t eind van de rit. Kilometers tellen, minuten, uren die voorbijgaan. Een stap, nog een stap, een oneindigheid van stappen, tot je vergeten bent dat ’t de stappen zijn die verder voeren. De zon die brandt, door de wolken heen. & Er morgen weer is.
& Weilanden, waar ik niets aan af kon zien. Saai geïllustreerd in ’t eeuwige zelfde landschap.

‘Waar bemoeien zij zich mee,’ dacht ik. ‘Ik bepaal zelf wel wat ik mooi vind.’

Een oude dame kwam aangelopen. Ze legde haar hond aan de ketting. Voor ’t geval dat, zag ik haar denken.
‘’t Is mooi, hè?’ zei ze.
‘Stukken mooier dan gisteren.’
‘Nou, zeker.’
De hond probeerde nog even te snuffelen.

Maar de ontmoeting was alweer verleden tijd voor Zijperspace.

drenthepad-ontmoetingen (3)

Een kind dat even alleen moest spelen & daarom alleen gelaten was in de tuin voor ’t huis. ’t Kan zondagse visite zijn geweest of een belangrijk telefoongesprek.
Maar hij keek voor zich uit. Rommelde een beetje in ’t zand tussen de tegels. Z’n billen op een bakstenen verhoging van een als kleine terrasjes ingedeelde tuin. Hij had z’n eigen wereld, z’n eigen spelletjes, was gewend z’n eigen tijd door te komen.
‘Hoe heet jij?’ vroeg-ie toen-ie mij in ’t vizier kreeg.
Een vraag die ik niet verwachtte.
‘Wat zeg je?’ vroeg ik op mijn beurt.
‘Hoe heet je?’
‘Ton,’ zei ik, doorstappend, maar m’n blik op hem gericht. ‘& Hoe heet jij?’
Even stil.
‘Ook Ton,’ volgde toen.
Ik passeerde een auto, voor ’t huis geparkeerd. ’t Jongetje was even uit m’n gezichtsveld verdwenen.
Toen ik weer tevoorschijn kwam, zei ik: ‘Da’s ook toevallig.’
Een glimlach was z’n antwoord. Z’n handen wapperden een beetje naar opzij.
Ik stond op ’t punt nog een stilstaande auto te passeren. & Tegelijkertijd moest ik de bocht om, ’t dorpje Yde uit, waardoor we elkaar definitief uit ’t oog zouden verliezen.
‘Nou, dag Ton,’ zei ik dus maar.
Hij zweeg. Stopte z’n handen tussen z’n benen. Hij keek even waar z’n handen naartoe gingen. Keek toen weer op.
Toen zei hij: ‘Dag Ton.’
& Ik was weg. Verder.

Achter me gebeurde niets meer, Zijperspace is alleen recht vooruit.

drenthepad-ontmoetingen (2)

Ik kan groeten. Ik kan ’t zelfs erg goed. Van kindsbeen werd dat er in geramd. Vooral als we op vakantie waren. Elke medewandelaar werd gegroet. We waren verbaasd als er niet gereageerd werd.
‘Grüßi,’ zeiden we in Zwitserland.
Of ‘Grüßi met dem Hand.’
Of iets dergelijks. Dat was extra beleefd, zei m’n vader. Maar hij zei ’t waarschijnlijk goed. Wij zeiden iets als ‘Grüßi mittenant’.
Dat hoorden ze toch niet, dachten we.
We kregen altijd een glimlach cadeau bij onze groet.

Dus zei ik de jogger ook gedag. Ik had alle voorgaande passanten immers ook gegroet. Zelfs enkele fietsers.
Ik zei: ‘Hallo.’
Soms zeg ik ‘Goedendag’, de andere keer ‘Hoi’. Dat laat ik van ’t allerlaatste moment afhangen. Dan voel je wat je moet zeggen, op dat ene laatste moment voel je instinctief aan wat past.
Een getrainde groeter in ieder geval wel.
De jogger zei, al joggend: ‘Hoi,’ & om m’n zoekende blik te helpen: ‘Op de hoek staat een paddenstoel.’
Hij had me op de kaart in ’t boekje zien kijken terwijl-ie van achterop kwam. Me zien zoeken naar de geelrode markeringen van de route; hoofd voorover, proberend om de hoek van een bord te kunnen kijken.
‘Nee, ik zoek naar de tekens die de route aangeven.’
& Ik dacht tegelijkertijd dat de route helemaal niet zo ingewikkeld kon zijn. Ik moest langs ’t kanaal, & er was maar 1 weg langs ’t kanaal.
‘Maar moest ik nou over de kanaaldijk, of over ’t pad er achter?’ dacht ik nog een laatste keer.
Onder de dwang van de blik van de jogger nam ik nonchalant ’t pad.
Hij nam de weg rechtdoor, ik ging linksaf.

Ik beschouwde ’t kaartje nog eens nauwkeuriger. ’t Kanaal interesseerde me toch niet zo. Allemaal vissers onder parasols. Uren verslijtend.
Ik was bezig een omweg te maken. ’t Drenthepad maakte een bocht naar links, om via een klein bosje oostelijk van ’t kanaal uit te komen op ’t fietspad van de jogger.
Vast een heel mooi bos. Ik zag ‘m rechts al liggen. Of anders een bos met een onverhard pad. Want wandelaars moeten zoveel mogelijk over onverharde paden. Anders is de beleving niet echt.
Er kwam weer een joggers aangelopen. Een vrouw ditmaal. Reeds rood aangelopen.
‘Hai,’ zei ik ditmaal.
‘Hoi,’ zei zij.
Ze kon nog net glimlachen.
’t Volgende moment sloeg ik rechtsaf richting bos. Bosje, moet ik zeggen.

Veel paarden waren mij voorgegaan. ’t Zand was rul onder de gang van hun hoeven geworden. Ik stapte zwaar, onder ’t gewicht van m’n rugzak, door ’t bos.
Een klein bosje. Aan ’t begin van ’t pad kon ik al zien waar ’t fietspad liep waar de joggers & fietsers zichzelf fit hielden.
Een merel zat op te scheppen over haar kroost. Een duif informeerde me over z’n verveling. & Een vink had schijnbaar honger, sloeg geen acht op mijn aanwezigheid & schoot voorbij.
In de verte zag ik de vrouw alweer aankomen. De vrouw die me met ‘Hoi’ begroet had. Ik zou haar straks misschien nog een keer moeten begroeten, want ze liet zich uitzakken op ’t bankje langs de weg.
Tijdens wandelingen schaamden we ons vroeger vaak dood over wat m’n vader kon zeggen. Hij kon plots zulke gekke dingen zeggen tegen willekeurige voorbijgangers. Dingen die anderen niet zeiden.
Ik was me nu ook aan ’t voorbereiden. Een simpele groet was niet voldoende. Zou ik zeggen dat zij had gewonnen omdat zij de kortste route had genomen?
Ik kwam dichtbij ‘t bankje waar zij op zat uit te hijgen.
‘Jij hebt gewonnen,’ zei ik.
‘Wat?’ vroeg ze.
‘Jij hebt gewonnen,’ zei ik nogmaals. ‘Jij was hier ‘t 1st.’
‘Ja, maar wel uitgeput,’ kwam er met moeite tussen enkele ademhalingen door.
Ik lachte & ging aan haar bankje voorbij. In m’n hoofd zaten allerlei mogelijkheden die ’t leven tot een nog grotere grap moesten maken. Maar ik hield m’n mond.
‘Aan ’t eind van de dag zit ik ook op een bankje,’ dacht ik, ‘’t duurt wat langer, maar uiteindelijk kan ik dan ook geen pap meer zeggen.’

Ik stapte verder, door ’t losgeslagen paardenzand in Zijperspace.

drenthepad-ontmoetingen (1)

Voor de polder ten westen van de Aa bij het Huis te Glimmen stelt men zelfs voor de dijk door te steken en een aantal oude beeklopen in de polder uit te graven, zodat het water er in en uit kan stromen. Er zou hier zo een moerasgebied kunnen gaan ontstaan.

Zo vermeldde m’n wandelboekje.
Ik keek weer opzij. Er was veel meer water te zien dan gewoon een stroompje. ’t Waaierde breed uit. Aan beide zijden van de brug. Ik hoorde een kikker kwaken. Een lamlendig geluid van iemand die geen zin heeft in de dag.
Op de splitsing na de brug stond een vrouw met een hond. Zij keek rond, terwijl de hond rondsnuffelde naar een plek waar-ie kon bewijzen dat-ie langs was geweest.
Er kwamen 2 fietsers aan, van ’t pad links. Hij stak z’n sigaret aan. Zij keek uit over ’t water. Even later volgde hij haar voorbeeld.
Ik passeerde langzaam. Keek dan weer links, dan weer rechts. ’t Boekje in de hand.
‘Welk pad loop je?’ vroeg de vrouw op de fiets terwijl ze traag optrok naast haar man. ‘’t Pieterpad?’
‘Nee, ’t Drenthepad.’
‘Oh, da’s ook mooi.’
‘Zeker,’ reageerde ik. ‘Vooral hier. Ze hebben dit blank gezet?’
‘Ja,’ zei de man. ‘Maar ’t staat niet zo hoog, hoor. Je staat er hooguit tot je knieën in. ’t Zijn weilanden die onder water staan.’
‘Wanneer hebben ze dat gedaan?’
‘Zo’n 4 jaar geleden.’
‘Oh, dan is dit boekje al meer dan 4 jaar oud. Hier staat dat ze dat in de toekomst waarschijnlijk zullen doen.’
‘Nee, dat hebben ze alweer een tijdje geleden gedaan,’ zei de vrouw. ‘Ze wilden ’t in de oorspronkelijke staat terugbrengen.’
‘Vast veel mooier.’
Ze reden stapsgewijs met mij op. De man met z’n peuk in de hand. Af & toe maakten ze een extra bochtje op ’t pad, zodat ze ’t evenwicht bewaarden.
‘Waar kom je nu vandaan?’ vroeg de vrouw.
‘Uit Glimmen.’
Ik pakte ’t kaartje uit ’t boek erbij. Wees Appelbergen aan.
Ze waren er niet echt bekend mee zag ik aan hun gezicht.
‘Er stond een café, midden in ’t bos,’ lichtte ik toe. ‘’t Was gister in ’t nieuws. RTL.’
‘Oh, wij komen gister net terug,’ zei de vrouw. ‘We hebben nog geen nieuws gezien.’
‘Was jij dan ook in ’t nieuws?’ vroeg haar man.
‘Ja, ik ook,’ antwoordde ik. ‘Maar ik weet niet wat ik gezegd heb.’
‘Leuk,’ zei de vrouw. ‘Wij moeten hier in. Veel plezier met je wandeling.’
‘Dank je,’ reageerde ik meteen. ‘Jullie met je fietstocht.’
‘Veel plezier,’ zei de man.
Ze verdwenen om de bocht, de dijk af. 2 Racefietsers konden hen nog net ontwijken. Ik zag de vrouw nog 1maal omkijken. Ik daalde ook af, richting tunnel rechtdoor, waar de snelweg overheen ging.
‘’t Is hartstikke leuk,’ dacht ik, ‘’t is hartstikke leuk.’
Maar ’t volgende moment verweet ik mezelf alweer die simpele gedachte.

Alsof we nog nooit iemand waren tegengekomen in Zijperspace.

toonton

Alles even op de juiste volgorde. 1st Komt Merel, dan kom ik. U kan ’t hier zien.
Ik had ’t echter op dat moment over m’n cursus lijfloggen, die ik al 9 afleveringen lang voor about:blank schrijf. Ik vertelde de heer verslaggever dat ik op de weblogconferentie een ‘live’-versie van m’n cursus zou geven. Aflevering 10.
‘Waar gaat dat over?’ vroeg-ie.
In de montage is dat weggevallen. Waardoor hij ‘t doet voorkomen dat ik alleen maar over m’n lichaam schrijf. Dat m’n weblog slechts gevuld is met wederwaardigheden over m’n lichaam.

Vind ik overigens niet erg. Mijn antwoord is in zekere zin de grappigste opmerking van de hele uitzending. Jammer dat de heer verslaggever geen tijd meer had om m’n naam onder die opmerking te plaatsen.
Ik stond erbij toen-ie Gert-Jan vertelde dat-ie toch echt moest gaan, wilde hij ’t item afkrijgen vóór uitzending van ½ 8. Hij moest nog knippen, plakken, tekst schrijven, etcetera. Dan moest-ie maar de weblogconferentie zelf missen. Er zat niks anders op.

Daardoor miste hij ’t volgende hoogtepunt.
(Tot mijn spijt, tot mijn grote spijt, kan ik de filmpjes & foto’s niet op m’n eigen server zetten, dit omdat mijn computer vanavond nog 1maal onderzocht moet worden. Vermiste bestanden moeten tevoorschijn getoverd worden & derhalve mag ik niets, of nou, bijna niets, op mijn harde schijf veranderen. Dat is tot vanavond. Vandaar dat ik tijdelijk profiteer van andermans ruimte op ’t net. Ik hoop ’t morgen te kunnen veranderen.)

& Ik.
Ach, ik.
Na mijn presentatie werd ik lichtelijk apathisch. M’n hoofd begon te kloppen. Ik begon m’n lijf te voelen. Die alles wat er met me gebeurd was, & nog aan ’t gebeuren was, wilde vertalen in lichamelijk ongemak.
’t Was alsof ik geconfronteerd werd met m’n eigen uitspraak. Dat de ene keer iets aan de hand was met m’n linker kleine teen, & de keer er op m’n hoofd jeukte.
Nu waren m’n slapen aan de beurt.

Paracetamol hielp. Maar dat pas nadat ik er 2 binnen een uur slikte & er enkele liters bier achteraan kieperde.
Ik zei tegen She: ‘Ik moet m’n hoofd verdoven.’
‘Dan kan je tenminste slapen,’ begreep ze.

De volgende dag aan de wandel gegaan. Onder nog steeds dezelfde medicatie. Uitgezonderd de alcohol.
Dat liet ik mezelf pas na 29 km toe.
Te laat.
Ik sliep wel die nacht, afgelopen nacht, maar niet continu. Een hoofdkussen geconstrueerd uit overtollige kleding kan een hel zijn.

Vanmorgen besloten naar huis te gaan. ’t Wilde niet helen. Zeker niet met enkele kilo’s die m’n schouders & rug belastten.
Ik strompel momenteel door m’n huiskamer. M’n benen hebben behoefte aan weer 29 km. Zodat gister geneutraliseerd wordt. M’n lichaam is verslaafd aan gewoontes. & Gewoontes worden al na 1 dag gecreëerd.
Ik denk er zelf ietwat anders over. Ik heb geen trek meer in paracetamol. Wel in bier. & Een goede nacht rust. Ik heb die webloggers & vogels in de morgenstond wel een beetje gehad.

Details volgen later wel in Zijperspace.

laatste

Er wordt veel uitgesteld tot op ’t laatste moment. Dat is beter, denk ik dan. ’t Laatste moment is gunstig voor die ene handeling. Ik denk ’t alleen een beetje vaak.
Daar probeer ik dan weer structuur in aan te brengen. Terwijl ik van ’t ene laatste ding naar ’t andere laatste ding loop.
‘Als dat niet als laatste kan, dan moet ’t als 1 na laatst.’
Ik ben er ondertussen achter dat ik m’n rugzak gewoon maar moet inpakken. Dan kan ik die tenminste als allerlaatste handeling op m’n rug hangen. Pech voor ’t plantje dat 5 minuten eerder water moet krijgen.

Tevens ben ik van mening dat ik m’n baard beter eerder kan scheren dan dat ik onder de douche ga staan. ’t Flesje water moet uit de koelkast voordat ik de zijvakjes van m’n rugzak dicht ga ritsen. De boterhammen dienen gesmeerd voordat ik honger krijg. Schone sokken aangetrokken voordat ik m’n schoenen aantrek. ’t Lijstje van mee te nemen spullen doornemen vooraleer ik de belangrijke objecten, die welke ik onderweg nodig mocht blijken te hebben, bovenin de rugzak prop.
& In bovengenoemde zaken zit ook weer een onderlinge verdeling in tijd.
Naarmate ’t tijdstip van vertrek nadert lijk ik tijd te over te hebben. Tot vlak ervoor. Dan klopt dat opeens niet meer. De schema’s in m’n hoofd hebben rek, maar de elasticiteit krimpt verrassend snel in.

Mijn overzicht is absurd. Ik vergeet zelden iets. Ik maak van tevoren een lijstje (‘Niet vergeten ’t lijstje nog een keer door te nemen,’ is een onderdeel van de agenda die in m’n hoofd zit, die ik, naarmate de tijd vordert, vaker raadpleeg), maar blijk die uiteindelijk niet nodig te hebben. Ik heb ’t allemaal al gepland. Een nacht er niet van kunnen slapen.
Ik wil me er niet druk over maken, maar slaap toch niet. Ik probeer schapen te tellen, tegen muren op te klimmen met klauwen die tussen de richels van de stenen kunnen grijpen, te veranderen in een vogel & een rondvlucht in m’n buurt te maken, om me uiteindelijk mee te laten sleuren door een avontuur die een droom blijkt te zijn bij ontwaken, maar steeds weer komt er een onschuldige gedachte bij me op die me er aan herinnert dat er nog iets extra’s in m’n rugzak gestopt moet worden.
‘Waar moet ik dat dan stoppen?’
‘Heb ik dat wel nodig?’
‘Raakt dat niet in de verdrukking?’
‘Hoeveel zou dat wegen?’
‘Zouden mensen dat niet gek vinden, dat ik zoiets meeneem?’
‘Misschien kan ik ’t naast m’n rugzak leggen & dan op ’t laatste moment beslissen.’
‘Zou ’t wel tegen regen kunnen?’
‘Hoe vaak heb ik ’t dan nodig?’
Ik slaap dus niet.

’t Grootste probleem is echter dat ik niet weet welk boek ik mee moet nemen.
’t Mag geen harde kaft hebben, vind ik nl. Maar ’t boek dat ik van de week heb aangeschaft, waar m’n verlangen momenteel ’t meest naar uitgaat, heeft een harde kaft. Met een omslag, maar die heb ik er al afgehaald. Scheelt ook weer een gram, maar bovendien raakt die dan niet beschadigd.
Geen harde kaft, omdat dat alleen maar extra gewicht is. Paperbacks hebben dunner papier & kleinere letters.
Ik heb Nagieb Mahfouz echter al 3 korte vakanties geprobeerd, maar ben nog steeds niet verder dan blz 40. De rest van de boekenkast heb ik al uit.
Of is door mij niet interessant bevonden.
’t Boek moet dik zijn, zodat ik genoeg te lezen heb onderweg, maar ook weer niet te dik, want dat draag ik alleen maar met me mee.

Oja, & ik moet ook nog een stukje schrijven. Dan weten mensen tenminste dat m’n computer ’t weer doet.

& Dat ik weg ben uit Zijperspace, hier naartoe & verder.

reconstructie

Arme Zijperspace ligt weer eens plat. Vol van virus en kapers en ander gespuis, gevolgd door een weblogvakantie met een heus life lijflog. Hopelijk vrijdag 4 juni meer. Zo niet, dan later...
Rachel

kippenboer

‘Daar is de kippenboer,’ zegt Dean.
‘Komt die nou alleen maar voor wat eieren helemaal bij jullie langs?’ vraag ik.
‘Ja,’ wordt er geantwoord.
‘Hoeveel eieren krijgen jullie dan elke keer?’
‘Hij komt 2 keer in de week langs,’ vertelt Dean. ‘In een drukke week gaan er hier 400 tot 500 eieren doorheen.’
’10 Eieren kost mij € 1,50,’ reken ik uit. ‘500 Eieren zal jullie dus ongeveer € 50,- kosten. Krijgen jullie ’t thuisbezorgd.’
‘& Ik bestel ook vaak kippenpootjes bij hem. & Kipsaté. & Alle andere dingen die ik van de kip nodig heb.’
‘Oh, dus toch wel iets meer dan alleen maar eieren,’ stel ik vast.
‘Ja,’ zegt Wieger vanachter de bar, ‘& daar komt-ie helemaal voor uit Brabant. 2 Dagen in de week gaat-ie naar de grote stad.’
‘Rijdt-ie de hele dag door de stad,’ vult Dean aan. ‘Reken maar dat-ie wat klantjes verspreid over de stad heeft zitten.’
‘& Niemand die ‘m kan verstaan,’ gaat Wieger onverstoord verder. ‘Ik zeg altijd maar ‘ja’ & ‘nee’, maar ik heb absoluut geen idee wat-ie zegt.’
Ik begin te lachen.
‘Ik ga geen gesprek meer met ‘m aan,’ zegt Wieger. ‘Neem nou Jacques, die komt zelf ook uit Brabant. Die verstaat ook helemaal niets van wat die man zegt.’
Ondertussen komt de kippenboer binnen.
‘Hoi,’ zegt-ie.
‘Hoi,’ zeggen wij enthousiast.
Dean loopt met ‘m mee de keuken in.
‘Gaat een Engelsman met zo’n onverstaanbare Brabander praten,’ zegt Wieger. ‘Dat wordt toch een gesprek van niks.’
Ik zie Dean in de keuken staan knikken naar de kippenboer.
‘& Dan wordt zo’n man van ’t platteland plots kippenboer,’ gaat Wieger verder. ‘Moet-ie in z’n 1tje de grote stad in.’
‘Zou hij ’t bedrijf in z’n 1tje doen dan?’ vraag ik onnozel.
‘Nee, hij heeft ’t bedrijf met z’n vader. Misschien ook wel met z’n broer.’
Ik zie inderdaad ‘Gebroeders’ op de auto staan.
‘Maar wie wil er nou in godsnaam kippenboer worden?’ vraagt Wieger zich ondertussen af. ‘Iedereen wil tramconducteur worden, of piloot. Maar zo’n man wordt kippenboer. & Gaat eieren rondbrengen in Amsterdam.’
Wieger kan er met z’n hoofd niet bij.
‘Omdat-ie niet anders kan,’ concludeert Wieger zelf. ‘Hij kan gewoon niets anders dan wachten tot zo’n kip een ei legt. & Vervolgens brengt-ie een zooitje van die eieren naar ons. Hij is gewoon nergens anders toe in staat. Want niemand die verstaat wat-ie zegt.’
De kippenboer is klaar met Dean. Hij verlaat de keuken.
‘Tot ziens weer,’ zegt-ie.
‘Tot ziens,’ groet Wieger vrolijk lachend terug.

Een beetje brabants verstaan we nog wel in Zijperspace.