geelgruis

Stuifmeel hangt er aan ’t raam geplakt van de klimplant waarvan ik de naam niet weet. Ik was trots dat-ie langs de regenpijp omhoog geklommen was. Een plant die slechts leek te woekeren, andere planten door z’n groeistuipen overdonderde. Tot voorbij ’t keukenraampje van 2-hoog. Z’n bloemen liet-ie afhangen als tranende dauwdruppels. Z’n stuifmeel had-ie als gele roet op mijn keukenraam achtergelaten. Ik liet ’t daar. M’n raam werd er niet vies van. ’t Deed me beseffen dat je iets door moest laten groeien om ’t uiteindelijk te kunnen proeven. Te kunnen zien.
Dat is m’n tuin: onstuimige groei, waar geen rem op zit. Ook al schrikt ’t me wel ‘ns af. Bij regen tevoorschijn komende enge glibberige slakken, door bladeren bedekte plots wegspringende padden, bij schemering nieuwsgierig onderzoekende egels, & misschien nog wel meer, wat aan m’n waarneming weet te ontsnappen. Gelukkig maar; ik zou niets meer durven.
Een tuin waar geheimen in verborgen liggen. Angstaanjagend of vertederend. Waar iets onverwacht groot groeit & de muur bedekt. Incluis de regenpijp.

Dan wordt er een steiger geplaatst. De muren moeten gerepareerd. & Voor die steiger moet de tuin wijken.
’t Is weliswaar bijna herfst. De bloei zit er voor een groot gedeelte op. Maar ik had de tuin graag zelf oud zien worden. Ik & m’n tuin een seizoentje verder.
Terwijl ik 3 uur lang m’n gordijnen dicht hield hebben zij, de steigerbouwers, ’t seizoen een handje geholpen.
Woensdag geplaatst. Zondag zien de plat geslagen takken al bruin. Verloren.
Maandag zouden ze daadwerkelijk gaan beginnen. Tot 11 uur bleef ’t stil.
& De regen spettert ’t vuil van de steigerplateaus, wast ’t schoon van de vorige klus. Wat hoog zit, wil hier op aarde naar beneden. Dezelfde takken, de takken overdonderd door de steigerbouwers & hun materiaal, krijgen daardoor een waas van grijs. Een dik stoflaken. M’n vuilnisbak evenzo. M’n raam. M’n voeten, als ik ½ aangekleed ’t buiten kom inspecteren, nemen ’t mee naar binnen.
Vooral dat raam. Waar eens de gele roet hing, van de plant die onverwacht een muur besloeg. ’t Stuifmeel lijkt cementkleurig te zijn geworden.

Ik doe een stap dichterbij, m’n ogen erbovenop. Ik wil ’t geel terug herkennen. Al is ’t maar een minuscuul momentje temidden van ’t druipend gruis. Maar de dag ziet grauw door m’n keukenraam. & Dan heeft ’t weer er nog geen invloed op.
Maandagochtend. Een regenbui verder. Ik hoor de stemmen naderen. Stucadoorstemmen, vegen & raspen. Ze zijn boven begonnen. & Alles dat boven is, wil eigenlijk naar beneden.

Ik hoor al de 1e steentjes vallen in Zijperspace.

verstoppertje

Toevallig haalde ik Stella in. Ik was juist onderweg naar haar.
‘Ha, die Ton,’ zei ze enthousiast. ‘Hoe gaat ’t met je?’
Ik trok een somber gezicht.
‘Ik vertel ’t straks wel,’ zei ik. ‘Ik was naar jou op weg.’
Ze keek somber met me mee terwijl we verder richting haar huis reden.

Een bakje thee. Een stoel aan de keukentafel. De telefoon binnen handbereik. Met een lang snoer, want dan kon Stella overal komen. Aan de lijn met haar terwijl ze op de wc zat was heel normaal. Ze nam er de tijd voor. Telefoon was voor haar ’t belangrijkste communicatiemiddel. Stella had tijdens haar gesprekken ook geen gelaatsuitdrukkingen nodig, die visualiseerde ze wel met haar intonatie.
‘Ach, jongen toch,’ zei ze zangerig. ‘Hoe kan je dat nou doen?’
Waarbij ’t aan ’t eind van de zin de toon naar beneden ging. Dat laatste stukje van ‘doen’.
& Mijn stem was zwaar, donker somber, vergeleken met die van haar monotoon. Tussen de zinnen door kleine slokjes thee, om de woorden er wat sneller doorheen te laten spoelen.
‘Ik werd gek van haar,’ zei ik. ‘Ze bleef me maar bellen. & Altijd was er iets mis. Deed ik iets fout.’
‘Maar dan moet je er toch over praten?’ zei Stella.
‘Dat wilde ik ook wel, maar zij ging me er alleen maar meer dingen door verwijten. & Daar moest ze dan weer over bellen. & Ik mocht niet de deur uit, tenzij ik naar háár toe ging. Ik werd knettergek van haar. Ik had gister gewoon geen zin meer om de telefoon op te nemen, dus heb ik ’t snoer er eergisteren uit getrokken.’
Ik vertelde nog maar niet dat ik ’t idee had gehad dat ze afgelopen nacht voor m’n deur had staan wachten. Geroezemoes. Een kort gesprekje van een passerende man met een vrouw, onder m’n slaapkamerraam, midden in de nacht. Een vrouwenstem die op ’t slepende geluid van Hennie leek. ’t Smeken, de traan in stem.
‘Sinds gister ga ik haar uit de weg,’ ging ik verder. ‘Ik zag haar voor de faculteit zitten. Ze zat op mij te wachten. Toen besloot ik spontaan om niet naar college te gaan. Ik durfde niet meer.’
‘Ach, jongen,’ verzuchtte Stella.

& Toen ging de telefoon.

‘Als ’t Hennie is, dan ben ik er niet,’ zei ik snel. ‘& Je hebt me al een paar dagen niet gezien.’
Net op tijd, want de telefoon lag binnen handbereik. Stella keek me geruststellend aan.
‘Tuurlijk,’ zei haar gezicht. ‘Vanzelfsprekend.’
‘Ja, hallo, met Stella.’
Ik volgde haar gezicht, haar gelaatsuitdrukkingen.
‘Hoi, Hennie.’
Toch een steek in m’n hart. Ik verkrampte.
‘Nee, ik heb Ton al een paar dagen niet gezien.’
Een snikkende stem klonk hoog door de hoorn.
‘Nee, hij is hier niet. Wat is er dan?’
Stella speelde haar rol. Aan de toonwisselingen zou je niet kunnen horen dat ze voor mij loog.
‘Oh ja? Maar heb je hem dan niet kunnen bereiken?’
Ik stond op. ’t Gierde door m’n keel. Stella rommelde wat met de pennen op de keukentafel.
‘Ach, er zal wel niets aan de hand zijn,’ stelde Stella Hennie gerust. ‘Hij komt wel weer tevoorschijn. Ik ken ‘m al jaren. Dan heeft-ie plots enkele dagen rust nodig.’
Stella stond nu ook op. Liep naar de huiskamer om papier te pakken.
‘Nee, hij is hier echt niet. Ik heb ook al een paar dagen niets van hem gehoord.’
Ik trilde tegen de deurpost.
‘Heb je ’t al op ’t instituut geprobeerd?’
Stella krabbelde wat op ’t papiertje.
‘Nou, joh. Hou je sterk. Je moet ’t je niet teveel aantrekken.’
Ze reikte me ’t papiertje. Of ik even koffie wilde zetten, stond er.
‘Ja, joh. Ik snap ‘t. Nee, is helemaal niet leuk. Maar bel me maar zogauw je iets denkt te weten.’
Ik liet water in de pot lopen.
‘Goed. Sterkte. Maar er is vast niets aan de hand. Nou, doei!’
Ze legde neer. Ik drukte ’t knopje van de koffiezetapparaat in. & Viel daarna Stella in de armen. Trillend over m’n hele lichaam.
‘Ach, jongen,’ zong ze weer.

We doken onder in Zijperspace.

veroveraars

Hij is geobsedeerd. Hij kan niet stoppen. Hij kan zich niet inhouden. Hij heeft geen fatsoensbesef. Geen europeaans fatsoensbesef in ieder geval.
Vanuit de winkel zie ik ‘m regelmatig aan de overkant passeren. Of vlak voorlangs. Armen bungelend langs z’n lichaam. Hoog opgetrokken bungelend. Je voelt dat hij zichzelf voelt lopen. Hij wil gezien worden, houdt z’n armen breed langs z’n borstkas.
Een vrouw loopt voorbij.
‘Psst,’ tussen z’n tanden.
Ik zie ‘m wat fluisteren, sissen, smeken. Met de bedoeling dat de vrouw ’t opvangt. Brede glimlach ter ondersteuning. Zo uitnodigend mogelijk.
De vrouw loopt door. Hij kijkt over z’n schouder na wat hij gemist heeft.
Zuid-Amerikaan, dacht ik 1st. Zuid-Europeaan later. Ziekelijk, uiteindelijk. Want hij kwam & ging, & kwam enkele minuten later van de andere kant weer terug.
Weer: ‘Psst.’ Weer blik over z’n schouders, brede glimlach, nakijkend, armen wijder na bemerkt te hebben dat-ie weer niet gewonnen had.

Ik blijf schuchter in de deuropening staan. Rug tegen de deurpost geleund. Mezelf wegduwend. Ik registreer dezelfde borsten, lange benen, welgevormde billen verkleed in een licht doorschijnende broek om de stringdriehoek te tonen. Ik zie ’t allemaal. Ik zie haast vertaald worden in ’t trillen van net niet strak staand vlees, de tegenwind in 2 richtingaanwijzers mikkend op recht vooruit, rustig aan wordt beschreven door een overhellend velletje, een extra kreukel in de omhullende stof creërend.
Dat probeer ik voor mezelf te houden. De passant hoeft geen last van m’n spiedende ogen te hebben. Ze spieden; ze zijn verdwenen voordat ze betrapt worden.
Deze man niet. Hij wil zien dat ze zien dat-ie ziet. Z’n ogen priemen ’t lichaam in. Doorboren de ogen. & Altijd 'psst', dat obsessieve 'psst'.

Ik hielp een vrouw. Enkele jaren jonger dan ik. Zij stond aan de andere kant van de toonbank. Ik pakte enkele flessen voor haar in. Cadeaupapier.
Een man kwam binnen.
‘Hé, hallo,’ zei hij plompverloren & ging naast de vrouw staan.
Z’n hoofd schudde een beetje. Z’n ogen tasten ’t lichaam van de vrouw af. Van de zijkant, in een oogwenk. Tussen ’t inrollen van een fles & ’t dichtplakken met een stukje plakband zag ik dat. Zij keek naar mijn handelingen.
‘Ik dacht: ik laat me even zien,’ zei hij.
’t Kon alles betekenen. Hij kende haar, hij kende haar niet. Maar de onrust in z’n ogen beviel me niet.
‘Wil je contant betalen of met pin?’ vroeg ik.
‘Pin, alsjeblieft,’ antwoordde ze.
Ze deed een stapje opzij, richting man.
‘Mag ik even, asjeblieft?’ vroeg ze hem.
Ze had niet genoeg privacy om haar nummer in te toetsen. Dus wist ik meer.
‘Kan ik jou ondertussen ergens mee helpen?’ vroeg ik aan de man.
‘Rustig, rustig,’ reageerde hij, ‘niet zo agressief. Ik kom alleen maar om deze mevrouw wat te vragen.’
‘Ik ben rustig,’ zei ik. ‘Maar ik wilde wel even weten of je geholpen wilde worden.’
‘Ik ben zo weg.’
Daarbij de vrouw aankijkend. Haar gezicht, haar ogen. Van zo’n afstand dat ze geen last had bij ’t pinnen.
De kassa sloeg af. Bedrag geaccepteerd.
‘Bedankt,’ zei ze, & pakte haar tas cadeaus.
‘& Tot ziens,’ zei ik.
Zij verliet de winkel. Hij ook. Hij pakte haar bij de elleboog. Fluisterde haar iets toe. Samen liepen ze weg.
Ik stapte de winkel uit. Keek ze na. Pas aan ’t eind van de straat kreeg de vrouw ’t voor elkaar dat ze uit elkaar gingen. Hij links, zij rechts.

Een brunette kwam aangelopen. De winkel was leeg. Staand in de deurpost had ik een stuk brood in m’n mond gestoken & keek ik om me heen.
De brunette kwam uit de richting van de letterenfaculteit, de zuid-europeaan liep z’n loopje van de Dam haar tegemoet. Ik zag ‘m kijken. Hij zocht naar de ontmoeting van beider blikken. Glimlach tot aan z’n kaken.
Een korte ‘psst’.
Zij kwam hem tegen. Ik kon ’t aan de achterkant van haar hoofd zien. Ook aan hem. Hij krulde z’n arm, zodat zij haar arm erin kon steken, draaide zich uitnodigend ½ om, om haar verder te begeleiden.
Zij hapte. Ze stak haar arm in ’t daarvoor bedoelde gat. Olijk stapte hij met haar op weg naar zijn terug.
Teleurgesteld ging ik naar binnen.

In Zijperspace gelooft men niet meer in elke vrouw.

slaapplaats

‘Waar wil je dan slapen?’ vroeg Lieke aan haar dochter.
’t Dochtertje met de piepende springschoenen. Ze hupste door ’t café heen om zoveel mogelijk de piep ten gehore te brengen. Bij elke stap een piep.
Nu wilde ze echter niet piepen, ze wilde liggen. Hangen misschien in de armen van 1 van haar ouders.
Lieke had al haar jas op de grond gelegd.
‘Hier dan?’ vroeg ze, terwijl ze haar jas als bedje open spreidde.
Onder de krukken aan de bar.
Dochter Merel schudde nee.
‘Of hier?’
Een meter verder. Nu midden in ’t pad.
Merel wees een plek aan bij de deur.
‘Nee,’ zei haar moeder. ‘Dat is voor de ingang.’
Ze schoven verder. Op zoektocht. Een slaapplaats voor een kind, midden in de kroeg.
Ze vonden ‘t. Naast de terrastafeltjes, die vanwege slecht weer binnen waren gebleven. 2 Meter verder konden de andere klanten hun bier aan de bar bestellen.
Merel legde zich neer. Drukte haar rugje tegen de muur. Duim in de mond. Een vriendin van Lieke legde haar jas over Merel heen.

‘Ik vind dat we iets tegen Sas moeten zeggen,’ zei ik tegen Mar.
We waren weliswaar niet in functie, maar we konden zoiets toch niet laten gebeuren.
Vond Mar ook. Sas had vanachter de bar ’t kind nog niet zien liggen. Mar liep richting bar, gebaarde naar Sas & nam haar mee naar achter voor een kort praatje.
Ik keek naar ’t kind dat op de grond lag. Tussen een 2-tal jassen. Klanten liepen voorbij, maakten een omtrekkende beweging terwijl ze ’t hoopje kind aanschouwden.

Mar kwam terug. Sas ook. Mar kwam weer bij ons zitten. Sas bleef achter de bar.
‘Gaat ze wat zeggen?’ vroeg ik.
‘Ja.’
Ik volgde de bewegingen van Sas.
Ze boog voorover, over de spoelbak, richting vader Wolf & moeder Lieke. Ik zag ‘r iets zeggen. Een handbeweging naar ’t kind op de grond. Haar blik die haar eigen hand volgde. De hand gaf vervolgens aan dat er ook andere mensen waren. Door opengevouwen een beetje rond te draaien, horizontale draaibewegingen. Ik zag de gezichten van de ouders. Van de zijkant. Geen emoties.

De vriendin van Lieke stond op van haar barkruk terwijl Sas verder bleef praten. Ze pakte een stoel weg bij een tafel. Plaatste die voor Merel. Ze sleepte er nog een stoel bij. & Een 3e. Een traliewerk van stoelpoten & stoelleuningen, verzameld om een slapend kind.
Klanten die ernaast stonden, net bier bij de bar hadden gehaald, hoorde ik zeggen: ‘Kom, laten we ergens anders gaan staan.’
Een meewarige blik richting kind.

Toen hoorde ik mezelf praten. Roepen misschien. Ik klonk boven alles uit.
Ik was stil geweest. Ik had alles opgezogen. ’t Voelde alsof alle lucht in ’t café in m’n longen was terecht gekomen. ’t Moest er nu zo snel mogelijk uit. Ik wist alleen niet dat dat ging plaatsvinden. Ik wist niet dat ik alles had opgezogen. Ik wist niet dat ik stil was geweest.

‘Wolf,’ zei ik. ‘Wolf, zo ga je niet met je kind om.’
Hij zocht naar wie hem aansprak. Ontmoette mijn blik. Herkende in mij de barman die niet in functie was. Hij draaide z’n hoofd onmiddellijk weer terug.
‘Wolf,’ zei ik nogmaals.
Maar tevergeefs.
M’n lichaam stond op van de barkruk. ’t Begaf zich naar de bar, waar Lieke & Wolf zaten. Rechtstreeks naar Wolf.
‘Wolf,’ zei ik op een ½e meter afstand. ‘Als je kind wil slapen, dan breng je ’t naar bed. Haar eigen bed. Dan ga je weg uit de kroeg.’
‘Ik heb geen zin om me met jou te bemoeien,’ zei Wolf.

Sas kwam naar me toe toen ik weer op de barkruk zat die ik zojuist had verlaten.
‘Als er gevraagd wordt of ik er iets van wil zeggen, dan moeten jullie je er niet alsnog mee inlaten,’ zei ze. ‘Ik handel ’t wel af.’

‘Je hebt gelijk,’ zei een ander ik.

Ik ging naar buiten. Op adem komen. Ik zag’t hondje van Lieke & Wolf met een korte lijn aan het hek vastgebonden staan. ’t Rukte & piepte om wat meer bewegingsvrijheid.
De schoentjes van Merel klinken net zo, dacht ik, & nam een slok van m’n bier.

Zijperspace kwam langzaam weer in z’n eigen constellatie terecht.

steiger

Ik had geen zin om te kijken. Af & toe zag ik een glimp, zag ik nog een paar bladen staan, nog wat stangen. Maar ik wilde niet weten waar ze stonden, hoeveel er nog te doen was. Dus trok ik m’n gezicht weer weg bij de gordijnen.
Ik rook ’t wel. De lucht in huis was vergeven van platgetrapte munt. Ik nam tenminste aan dat ’t inmiddels platgetrapt is. Er dwarrelden wat vage geurtjes van andere planten tussendoor. Drongen ook, wat moeizamer weliswaar, de huiskamer binnen.

‘Er staan geen bijzondere plantjes,’ constateerde de jongen toen hij een 1e blik wierp op de situatie.
‘Jawel,’ zei ik bijna verontwaardigd. ‘Er staan wél bijzondere planten. Dit is een wilde tuin.’
‘Ja, ’t is wild.’
Een beetje hopeloze verdediging. Je kunt er net zo goed niet aan beginnen. Dit soort mensen behoort tot ’t gedeelte van de bevolking die slechts ’t woordje grasspriet de tuin wil laten bevolken. & Dan hooguit tevoorschijn spruitend tussen de tegels. Planten horen binnen, bij moeder op de vensterbank, om tussen de potten door naar buiten te gluren, naar wie er voorbij komt.
‘Maar ik zal toch wat materiaal in de tuin moeten leggen,’ ging de jongen verder.
‘Ik ben er van tevoren van uitgegaan dat m’n tuin vertrapt zou worden,’ zei ik. ‘Ik ga daar gewoon een vergoeding voor vragen.’
Ik wilde er nog meer aan toevoegen. Dat ik er 4 jaar over had gedaan om de tuin te laten worden tot wat-ie nu was. Dat-ie nu z’n voet zette op de plek waar in ’t vroege voorjaar de wilde hyacint weer zou gaan groeien. Als ’t meezat. Dat waar hij duidde dat de stangen zouden komen te liggen de guldenroede angstvallig probeerde z’n rug te rechten, steeds weer krom geslagen door aanhoudende regenbuien.
Maar, zoals gezegd, hij was aan ’t duiden, aan ’t uiteenzetten wat er moest gebeuren. Waar de steiger zou komen. Dus hield ik m’n mond.

Ik wilde niet kijken. Ik wilde niet dat zij naar binnen keken. Ik wilde geïsoleerd de ochtend doorkomen. In ’t donker, gordijnen 3-kwart dicht. Alleen lastig gevallen door de beelden van de Olympische Spelen. Mijn wereld blijft mijn wereld. Ook al werd-ie buiten voor een groot gedeelte platgewalst. & Gingen er stangen & platen door m’n gang.
Ik hoorde ’t een enkele keer kletteren. Een stang viel om, of van hoog op de steiger naar beneden. M’n lichaam zei voor een moment dat-ie op moest staan, kijken wat er mis was gegaan, maar m’n behoefte niet gestoord te worden dwong me op de bank te blijven liggen. Stompzinnig kijken naar trage voortgang in een wedstrijd.

Geklop op de deur.
Ik keek om ’t hoekje. Dezelfde jongen. 3 Uur later.
Ze zouden er een uurtje over doen, had-ie ‘s ochtends gezegd. Dat was een opluchting, had ik gereageerd, want ik was er van uitgegaan dat ze minstens een ochtend bezig zouden zijn. Nu was ’t vlak voor de middag.
‘Zeg,’ begon de jongen, ‘we moeten nog een topje bovenop de steiger zetten. & Daarvoor moeten we ’t materiaal nog even ophalen.’
Ik knikte. Begrijpend.
‘Oh, dan kan de deur een tijdje dicht?’ vroeg ik.
‘Ja, ik weet niet of u nog dingen moet doen, of u nog de deur uit moet?’
‘Nee, ik ben vandaag vrij. Ik ben hier gewoon.’
‘Oh, mooi. Ja, ik kan wel zeggen dat ’t een ½ uurtje gaat duren. Maar ik zeg liever dat we over een uur terug zijn.’
‘Is goed,’ zei ik. ‘Ik ben hier gewoon. De Olympische Spelen gaan gewoon door.’
Ze gingen naar buiten. Sloten de deur achter zich.
Nu snel een boterham smeren, dacht ik.
Ik liep naar de keuken & keek daar ongemerkt door ’t raam naar buiten. Er stonden geen bijzondere plantjes. Hij had inmiddels gelijk gekregen.

Zijperspace werd aangepast.

wegwerken

Vakantie is allang voorbij. M’n rugzak beweert ’t tegendeel door elke dag voetgevoelig in de weg te liggen. Ik schoof ‘m vanmorgen een dm aan de kant met dezelfde gestoten teen. Even over de losse onderdelen heen die ik reeds had uitgepakt. ’t Wc-papier, de hoofdpijnpillen, ’t notitieboekje, de pannengreep, de zonnebrand, de aardappelpuree. Allemaal eventualiteiten die niet benut zijn vanwege de korte duur van m’n geïmproviseerde uitstapjes. Ik kon ze maar beter met me meedragen.
Nu kon ik ze nog een tijdje maar beter laten liggen. Ook voor ’t geval dat. Voor ’t geval dat ik er toch nog op uit zou trekken. Hoewel ik weet dat m’n vakantie allang al voorbij is.
Ik weet evengoed dat ik morgenochtend weer m’n teen zal stoten. Bijna aaiend zal-ie in mijn voorbijgaan de aandacht proberen te trekken. Kijk mij eens wachten op volgend jaar. Kijk mij eens plannen hebben. De lege vakken herbergen nu de vakanties die nog in 't vooruitschiet liggen.
Ik kan die eigenwijze smeekbede beter wegstoppen in de stille kast van de slaapkamer.

Ik heb nog wel een offerte laten doen. Wat zou ’t kosten als.
Wat zou ’t kosten als ik in september de boot nam naar.
Wat zou ’t kosten als ik in september de boot nam naar & de boot ook nog terug nam. Te voet. Zonder verder vervoermiddel.
& Wat zou ’t kosten als ik van daaruit nog een boot naar verderop nam.
Ik droomde alweer van verlaten campings, verlegen stenen langs de kant van ’t zelden betreden pad, regenbuien klaterend als slaapserenade op m’n omhulsel van tentdoek.
Te duur. De volgende ochtend kreeg ik een meeltje terug met die slechte tijding. Ik was opgelucht dat ’t vragen van offertes niets kost.

Ik moet dus weg gaan werken. Niet opruimen, maar wegwerken. De spullen moet beschikbaar zijn op afroep. Dat als ik m’n rugzak pak ’t er allemaal zonder moeite in past. De spullen moeten nog automatisch snappen dat er een systeem zit in de manier waarop ik ze heb neergelegd. Voedingsmiddelen & hun apparatuur in ’t linkervakje, allerhande kleinood in ’t rechtervak. Slaapmateriaal in ’t hart. Troep onderop. Urgent bovenin.
Ik durf dus niet. Stel dat ze opeens niet meer beschikbaar genoeg zijn.

Maar gister zei ik, ik zei tegen Johanneke, nadat de week ervoor Jasmijn iets had gezegd, maar dat blijkt wel uit ‘tgeen ik gister tegen Johanneke heb gezegd, ik zeg dus, ik zei: ‘Vorige week zei Jasmijn dat we weer eens moesten gaan wandelen.’
‘Ja,’ zei Johanneke.
‘& Toen zei Jojanneke,’ want die doet ook nog mee, & zat ernaast, ‘”Ja, we moeten weer eens wandelen.”’
‘Ja,’ zei Johanneke & ik zag aan haar gezicht dat ze er iets over wilde zeggen, ze trok haar mond al ½ open, in een poging ’t volgende te voleindigen: ‘Dan moeten we……’
‘Nee, ik ben nog niet klaar met m’n verhaal,’ onderbrak ik haar snel. ‘Want ik zei toen: “Ja, we moeten weer eens wandelen.” We hoopten dat jij dat ook zou denken.’
‘Ja,’ zei Johanneke, & dit keer liet ik ’t toe, ‘want ik heb ondertussen een boekje over flora & fauna gekocht, wat we dan kunnen gebruiken onderweg.’
‘Jammer dat er niet zoveel meer zal groeien tegen de tijd dat wij dan gaan wandelen,’ zei ik daarop. ‘Maar we kunnen altijd nog een boekje over paddestoelen kopen.’
We waren ’t eens & zullen binnenkort gaan wandelen.

Nu heb ik alleen nog spullen nodig voor de kleine rugzak. Spullen die niet te veel ruimte innemen. Spullen die hooguit noodzakelijk zijn voor 1 dag. Geen maaltijden, wel water. Misschien wc-papier, maar een rits hoofdpijnpillen lijkt overdreven. & Tijdens de tocht zal ik me vast niet hoeven scheren. De pannengreep zal ook wel een andere bestemming krijgen, want de pannen lijken me redelijk overbodig. & ’t Onderwegse café-restaurant zal wel genoeg suiker op voorraad hebben om mijn thee daarin te voorzien.
Ik moet alleen nog beginnen te durven opruimen. Of wegwerken, zoals dat heet.

We krimpen in, om ’t zodoende wat wijder te maken in Zijperspace.

verjaardag

M’n vader is vandaag jarig. 1½ Meter onder de grond.
Dat mag ik niet zeggen, denk ik de hele tijd. Ik mag niet zeggen dat-ie jarig ís.
‘Dat-ie jarig wás’, dat is ‘t. & ‘1½ Meter onder’ wordt in m'n gedachten ook bestraft.
Toch is-ie jarig.
De huid van z’n handen die waarschijnlijk nog wat dunner zijn geworden. Nog meer doorschijnend. De nacht om hem heen des te minder. Hij ligt daar zoals we hem ’t laatst hebben aangeraakt. 1 Voor 1 gaven we een strijkje over z’n hoofd, z’n handen, een enkeling een kusje op z’n voorhoofd. Die aanrakingen zijn daar nog. Die vieren z’n 72e met ons mee. Een paar achtergelaten vingerafdrukken doen ‘m extra tintelen als wij aan z’n verjaardag denken.
Iets dergelijks.

We weten waar hij ligt. De kale grond. De ruimte om hem heen. De zuilen, de hoven, de geschiedenis van ’t leven wat zich om ons heen heeft afgespeeld. ’t Leven in Den Helder wordt herinnerd in zijn huidige buren. Zoals hij dat wat ooit is geweest zag.
De bloemen zijn al geen bloemen meer. De bloemen die zijn uitgestrooid over de kist. Platgedrukt door de zware aarde. Verwarmd, verdrukt, vergeten, gegeten door minuscule beestjes die wij niet zien. Maar m’n vader is vast nog als m’n vader te herkennen. Midden in z’n beschermende kist. Allengs stapjes nemend, kleine stapjes, verder van ons weg.
Straks herkennen we hem niet meer. Is-ie niet meer wie hij was. Wie we dachten dat-ie was. Of weten we niet meer hoe ’t was.
Soms een foto, een filmpje, een geluidje in de stem van een broer. Daar kunnen we nog wel een paar jaar mee leven. We kunnen er vast ook nog wel om lachen. De zuidwester, de knickerbocker, ’t fluitje, de plank, ’t snurken, z’n Parkinson.
Als-ie straks 80 is geworden. Of wel 88. Als we ‘m nog niet vergeten zijn.
Nu ligt-ie daar nog. Heel tastbaar jarig te zijn.
15 Dagen oud, z’n dood zijn.

72 Jaar; ik had een wandeling met ‘m moeten maken, op deze leeftijd, 't zou een mogelijkheid zijn geweest. ’t Zou nu tijd zijn geweest om een wandeling met ‘m te gaan maken.
We zouden er niets van opgestoken zijn, misschien een naam van een bloemetje, dat groeit langs de kant van de weg, misschien had ik verteld wat ik hierna ga doen, nadat ik heb afgerond waar ik mee bezig ben; wij zouden beiden er niet veel wijzer van geworden zijn.
Maar ongemerkt heb ik van m’n vader geleerd dat ’t de reis is, niet ’t doel. Ik heb leren wandelen van m’n vader.

Ik zet er een stevige pas in, door Zijperspace.

haaaaaaaaaaaaaaaiiiiiiiiiiiiiiiiiiii

‘Haaaaaaaaaaaaaaaiiiiiiiiiiiiiiiiiiii.’
‘Hoi.’
‘Ik ben goed in gedag zeggen, hè?’
‘Nou!’
‘Ja, ik heb gemerkt dat vrouwen dat leuk vinden, als ik hun met “Haaaaaaaaaaaaaaaiiiiiiiiiiiiiiiiiiii” gedag zeg.’
‘Oh?’
‘Ja, toch? Jij begint ook meteen te glimlachen.’
‘Ja, ik lach een beetje.’
‘Zie je.’
‘Ik denk dat ’t anders een tegengesteld effect heeft. Vrouwen denken dat je homo bent als je “Haaaiii” zegt. Homo’s houden niet van vrouwen, heb ik me laten vertellen. Dat is toch niet de bedoeling?’
‘Ja, juist wel. Want de meeste vrouwen vinden homo’s lief. Vrouwen hebben behoefte aan knuffelbeertjes. Vrouwen houden ook van katten. & Kleine meisjes van paarden.'
'Ik hou niet van katten.'
'Mooi, ik ook niet. Ik hou ook niet van paarden, trouwens, kleine meisjes al helemaal niet. Maar als ik “Haaaaaaaaaaaaaaaiiiiiiiiiiiiiiiiiiii” zeg, dan krijg ik voor vrouwen een hogere aaibaarheidsfactor. Een lekker beertje wordt ik dan, waarover ze zich willen ontfermen.’
‘Hm.’
‘& Als ik die aaibaarheidsfactor heb bereikt, dan sla ik toe. Dan wil ik met zo’n vrouw naar bed.’
‘Oh?’
‘Dat zeg ik dan natuurlijk niet, hè. Ik sla pas toe als zij denkt dat ik zo’n lekker ding ben; toch wel jammer dat-ie homo is & zo stom “Haaaaaaaaaaaaaaaiiiiiiiiiiiiiiiiiiii” zegt.’
‘Ja, vond ik ook.’
‘Komt doordat we nu nog in de fase zitten dat ik jou gedag zeg & vervolgens ga vragen wat je wil drinken. Want ik ben natuurlijk tegelijkertijd jouw barman. Dan tap ik dat bier in, lach naar je & jij drinkt dat biertje op. Maar ondertussen denk jij: “Da’s toch wel jammer van zo’n jongen.” Zo’n gedachte geeft mij straks extra kans.’
‘Maar dan moet je ’t me toch niet gaan vertellen?’
‘Jawel, want nu weet je in ieder geval alvast dat ik geen homo ben, maar wel heel goed gedag kan zeggen. Kunnen we een bepaald gedeelte eigenlijk overslaan. & Bovendien ben ik eerlijk. Vinden vrouwen ook belangrijk.’
‘Oja.’
‘Dus wat wil je drinken? Gaan we straks over naar de volgende fase.’
‘Ga ik dus 1st even nadenken, nadat ik dat bier van je gekregen heb, toch?’

Met de groeten uit Zijperspace.

verstopt

‘2 Flesjes Bitburger?’ vroeg ik.
Daar begon ’t mee. Een onnozele vraag van ’t winkelpersoneel om te informeren naar ‘tgeen met de klant afgerekend moest worden. Onderweg naar de kassa.
’t Was vanuit de veronderstelling dat ik alles overzag. Niet dat ik dat perse wilde, maar ’t is prettig als de klant die indruk krijgt. Aandacht, oplettendheid, zorg. Om maar enkele daaruit voortvloeiende voordelen te noemen. De klant moet ’t idee krijgen dat er aan hem of haar wordt gedacht.
Ik heb echter deze neiging vooral als ’t een persoon is die tot de laatste identiteit behoort. Een ‘haar’.
‘Nee,’ zei deze vrouwspersoon, ‘’t zijn er 3.’
Ze lachte er guitig bij. Terwijl we steeds verder opliepen richting kassa. Zij via haar kant van de toonbank, de openbare, ik via de private weg die slechts ’t personeel mag bewandelen. Daar waar je overzicht houdt. Waarvandaan je de toestand van de winkel controleert.
& Stapje voor stapje, ik was haar met elke stap iets meer aan ’t inhalen & zou de kassa straks als 1e kunnen aantikken, zag ik meer van de uitdagende lach die voor enkele momenten op haar lippen bestorven lag. Ze liep ook niet al te snel, waarschijnlijk uit onervarenheid enkele flesjes bier te moeten dragen.
Ik weet inmiddels dat je beladen met vracht net zo goed dezelfde wandelhouding kan aannemen als dat je je leeghandig voortbeweegt. Materie heeft behoefte aan een vaste hand, een resolute houding, anders gaat ’t proberen zich uit die situatie te wringen. Dingen hechten zich aan de plek waar ze 1maal terecht zijn gekomen. Dingen zullen alles wat in hun vermogen ligt doen om te blijven waar ’t staat. Dingen willen terug naar waar ze vandaan komen. Zo heb ik ’t in ieder geval begrepen. Ik voel me erg aan de dingen verwant, hou ook niet van al te veel verandering.
Maar dit ding zag ik graag lopen. Zeker met de 3 flessen die ze met zich meezeulde, waarvan ik er 1 niet had kunnen lokaliseren. Ze zou me er spoedig een verklaring voor geven.

‘Die ene zat misschien een beetje verstopt,’ lachte ze me toe, terwijl ze de bewuste fles tevoorschijn peuterde & naast z’n 2 kompanen op de toonbank plaatste.
Ik stelde vast dat ik zeer onfatsoenlijk zou zijn geweest als ik de fles wél had ontdekt, zoals-ie weggedrukt had gezeten tussen haar borstpartij, waarbij ik met deze woordkeuze ’t volume ervan probeer te benaderen, & haar linker bovenarm.
Ik glimlachte derhalve terug & besloot tot de opmerking: ‘Die had ik ook nooit kunnen zien.’
Ietwat gewaagd, maar zij had mij de voorzet gegeven om in haar open doel te kunnen schieten.

We rekenden af. Ik vroeg of ze er een tasje bij nodig had. Ze schudde haar hoofd.
‘Dan moet je uitkijken dat je onderweg naar huis niet 1tje kwijtraakt,’ waarschuwde ik haar.
Ze keek me niet-begrijpend aan.
‘Ik stop er 1tje in m’n handtas,’ zei ze, & voegde de daad bij ’t woord door een fles er in weg te proppen, pakte vervolgens de volgende beet. ‘Deze past nog wel in de tas met de andere boodschappen. & De 3e hou ik vast.’
Ze stopte ‘m weer schuin onder haar oksel weg.
‘Moet je straks niet vreemd staan te kijken als je er straks 1tje mist,’ zei ik. ‘Dat gebeurde mij daarnet ook.’
‘Daar ben ik aan gewend,’ zei ze. ‘Ik raak wel vaker wat kwijt.’
Ach, zoveel open deuren & ik stond daar voor apengapen. Ik heb nog braaf gedag gezegd. Heb ‘r nagekeken. Ben weer verder met m’n werk gegaan. Ik heb tot slot ook nog de Bitburger bijgevuld. Want er ontbraken er een paar.

Zijperspace was in ieder geval weer kompleet.

stappen

Wat me sterk bijstaat zijn die enkele stappen die ik achter m’n ouders aanliep. Vanaf m’n werk richting de Dam. Toen al een hopeloos gevalletje van Parkinson-onzekerheid. Tastend naar de elleboog van m’n moeder. Haar daardoor tegelijk manend toch ietwat rustiger aan te doen. Want daar kwam de straat met de tram. Daar kwam alles wat onbekend was geworden. Niet meer van hem.
Ik liep er achter. Had nog even wat moeten overleggen met m’n werkgever, waar we ons gezicht even hadden laten zien. Een tasje pakken, nog wat van m’n spullen. & Dan weer achter m'n ouders aan.
Die schommelende tred die voor me uitging. Tastende schoenen. Beetje hupsend. Z’n wandelgang van enkele jaren ervoor totaal vergeten.

Ik moet dit wel denken, besef ik me. Ik moet er afscheid van nemen. De demonen vaarwel. Anders word ik elke morgen wakker met datzelfde schrikbeeld. Een vader die me aankijkt, ’t laatste moment dat-ie me aankeek. De vraag die op z’n lippen bestorven lag waarom hij de binnenkant van z’n wangen voelde. Waarom 't leek alsof ze tegen z’n gehemelte plakten. Door alle glazigheid van z’n blik heen. Ik voel een vinger door z’n ogen wijzen. Een beschuldigende vinger.
Waar was jij toen alles nog goed kon komen?

Ik hoor m’n moeder steeds weer zeggen wat Pa gezegd had.
‘We treffen ’t ook niet, hè?’
Toen hij hoorde dat Alzheimer er ook bij kwam. Op ’t moment dat ze bij de neuroloog vandaan kwamen.
Ik denk steeds dat ik er zelf bij was. ’t Is alsof ‘t me allemaal echt is gebeurd.
M’n vader liep achter m’n moeder aan. Arm in haar arm gestoken. Zoals eerder. Zoals de gewoonte, inmiddels. Door de schuifdeuren van ’t ziekenhuis heen. Bij de fietsenstalling aan de linkerkant, onderweg naar de auto, zei hij dat. Kneep zo goed & zo kwaad als ’t ging in haar arm. M’n moeder voelde hoe belangrijk ’t was wat hij zei.
& Ze liepen verder. M’n moeder suggererend dat ’t allemaal wel mee zou vallen. M’n vader vergetend dat ’t allemaal niet zou meevallen. Een stapje verder op weg.

Terwijl elke stap pijn deed. Steeds weer een stap in ’t onbekende. Hij was constant aan ’t aftasten. Kijken waar z’n voeten terechtkwamen & ’t niet kunnen zien, niet kunnen controleren. Ik zag ’t hem doen toen hij voor me uit liep. Aan m’n moeders arm door Amsterdam. De dikke zolen onder z’n schoenen hupten hem vooruit. Z’n knieën knikkend erachteraan.

Als een onbekende schoof-ie door de cd-bakken van de Bijenkorf, waar-ie vroeger altijd graag kwam. ’t Enige bekende was de serie jazz-cd’s waar de kast thuis al vol van stond. Hij raadpleegde m’n moeder om te weten of hij deze al had; die ene die hij in z’n handen had. Of misschien moest-ie die andere nog aanschaffen.
Ik dacht per ongeluk dat ’t toch geen zin meer had.
Toen m’n moeder tussen de boeken stond, enkele meters verderop, haastte hij zich terug naar de zekerheid van haar aanwezigheid.
Ik zei hem dat ik er toch ook nog was, maar dat had geen zin.

Ik moet die demonen kwijt.
Werd vannacht wakker van zo’n schrikbeeld. Alleen kon m’n vader praten in die droom. Dat wijzende verwijtende vingertje trof me vanuit z’n ogen. Met bijtende zinnen.
Waarom?
Waarom, zei hij.
Een glimp van m’n laatste aanraking toen hij nog leefde. M’n tranen toen ik probeerde ’t koosnaampje voor hem te zeggen, alleen van mij.
‘Dag, Poepeladepipidee.’
Pff, wat kinderachtig, dacht ik er meteen achteraan. Om ’t leed te verzachten. Mezelf te verloochenen.
& Ik liep weg. Had afscheid van hem genomen. Met een fluisterend poepeladepipidee.
Z’n wangen plakten tegen z’n gehemelte aan.
In dat beeld keek m’n vader mij aan, vannacht.
Ik werd wakker & was blij dat ik me hem herinnerde, ondanks alles.

Hij is er nog; hij zit daar ergens in Zijperspace, of misschien ligt-ie wel.

kwaaltjes

Ik had de assistente aan de lijn gehad. Zij zou me terugbellen, want ze kon ’t systeem niet in.
Waar ging ’t om, vroeg ze me toen ik haar even later weer sprak.
M’n nek. Sinds m’n vader overleden was zat er stress in m’n nek.
Maar ze had vrijdag geen ruimte meer. Ook al was ik de 1e die ze aan de lijn had die ochtend. Ze hadden ’t druk, vertelde ze. Ze hadden ook de patiënten van een andere praktijk voor 2 weken. Of ’t moest iets dringends zijn.
Ik kon evengoed wel alles, zei ik haar, maar ’t zou kunnen betekenen dat ik niet zou kunnen werken, vanwege de hoofdpijn. Paracetamol hielp niet.
Nou, bazen moesten maar aanvaarden dat mensen die ziek zijn, ziek zijn. Dat was haar instelling. Als je niet kan, dan kan je niet.
Maandag dan maar? 10 Over 9?
Was goed.
We hingen op.
Was ik helemaal vergeten dat ik ook nog 2 andere kwaaltjes had. Dat zou vast niet in dank afgenomen worden als ze ’t zo druk hadden.

Ik had m’n regenkleding nog niet opgevouwen of de huisarts kwam me al halen.
‘Wat is er aan de hand?’ vroeg-ie een moment later.
Ik vertelde over m’n nek. Dat ik gisterochtend nog wel hoofdpijn had gehad, maar dat ’t sindsdien was verdwenen. Stress, vanaf ’t moment dat m’n vader was overleden. Ik had ’t al ‘ns eerder gehad, lang geleden, daarom wist ik ‘t.
‘Maar ik heb ook nog 2 andere kwaaltjes,’ ging ik verder.
Ik trok m’n mond open, krulde m’n lip naar buiten. Liet een bult aan de binnenkant van m’n mond zien.
‘Heb je er last van?’
‘Nee, ’t zit daar alleen. Ik zit er met m’n tong aan. Beweeg ’t heen & weer tussen m’n tanden.’
‘Vooral van afblijven. Dan gaat ’t vanzelf weer weg.’
Dus door naar ’t laatste probleem. Ik begon m’n schoen alvast uit te trekken, terwijl ik verder praatte. We mochten geen tijd verliezen, want ze hadden ’t nog steeds druk, leek me.
Ik liet m’n schimmelnagel zien.
‘Ja, da’s een schimmelnagel.’
Daar kon hij me 3 maanden antibiotica voor geven, maar de meeste mensen hebben daar geen zin in. Hij zou ’t in ieder geval niet doen. Zoveel last heb je niet van schimmelnagels. Of een zalfje om er op te smeren. Maar die zalf kan er vaak niet bij. Vroeger hadden alle oude mensen schimmelnagels.
‘Maar ’t kan dus geen kwaad?’ vroeg ik.
‘Nee, ’t is een schimmelinfectie, maar echt last heb je er meestal niet van.’
Ik begon m’n sok weer aan te trekken.
‘Waar is je vader aan overleden?’
Toen vertelde ik. Over Parkinson. Alzheimer. Blaasontsteking.
Hij begon weer over antibiotica, terwijl ik de veter van m’n schoen probeerde te strikken in een ongemakkelijke houding. Ik moest luisteren, hem aankijken, bukken & strikken tegelijk. Pas later had ik door dat hij ’t over antibiotica had ivm de blaasontsteking van m’n vader.
‘’t Is dus een lange weg geweest?’ vroeg m’n huisarts.
‘Ja, toch zeker wel 7 jaar. Misschien wel langer.’
‘Ja, Parkinson woedt soms al jaren voordat ’t als zodanig ontdekt wordt. ’t Begint met kleine verschijnseltjes die niet makkelijk te herkennen zijn. Hoe is je moeder?’

Ik trok m’n regenjas weer aan. In de deuropening van de praktijk. In m’n achterbroekzak had ik slechts een briefje met de naam van de zalf voor de schimmelnagel.
Ik nam de tijd. Zoals de huisarts de tijd had genomen.
‘Ik dacht dat jullie een andere praktijk vanwege vakantie moesten overnemen?’ had ik nog gevraagd.
‘Ja, nog een week,’ had-ie gezegd. ‘Maar ik probeer voor iedereen gewoon 10 minuten uit te trekken. Dat lukt ook wel, tenzij iemand z’n hart moet uitstorten. We hebben ’t evengoed wel drukker dan anders.’
Ik trok de capuchon over m’n hoofd & ging de regen in. Schudde even m’n hoofd, om te kijken of m’n nek mee wou.

Maar alles leek soepel te zijn in Zijperspace.

normaal

Terug naar normaal.
M’n vader is 9 dagen geleden overleden. ’t Is weer tijd voor de gewone kleuren.
Niet dat ’t voorbij is. Ik zie ‘m nog. Ik draag ‘m in me. Meer dan ik eerder had gedacht. Ik draai z’n muziek. & Ik zal vast nog over hem schrijven.
Mocht men behoefte hebben de teksten over m’n vader bij elkaar verzameld te zien, dan kan men hier terecht: Pablog. Veel dank ben ik verschuldigd aan Puck, zonder wie Pablog niet gerealiseerd had kunnen worden.

Voor de volledigheid, omdat ik vond dat ’t niet mocht ontbreken aan m’n weblog, die voor een groot gedeelte in ’t teken van m’n vader heeft gestaan, hieronder de tekst van onze rouwkaart.

‘En de wind in mijn haar zo loop ik door het land,
En de mensen in de straten, ze wijzen met hun hand,
En het duurt niet lang of men weet het in de stad,
Zie me daar lopen met een nest jongens achter mijn gat.’

Verdrietig maar opgelucht deel ik u mede dat na 47 liefhebbende huwelijksjaren is overleden mijn man, de vader van mijn kinderen, de opa van mijn kleinkinderen.

Nicolaas Johannes Zijp

* Den Helder 21-08-1932
† Den Helder 06-08-2004

Anny, Shinn, Marc, Theo, Lola, Yvonne, Lenie, Ton, Luka, Franchet, Jet, Billy, Quint, Jan, Ilse, Jana, Carel en Amelina

Mijn man is weer thuis alwaar op dinsdag 10 augustus tussen 15.00 en 20.00 uur afscheid van hem kan worden genomen.

Op woensdag 11 augustus vindt om 11.00 uur de Uitvaartdienst plaats in de Nicolaaskerk, Haringvlietweg 2 te Den Helder.
Aansluitend is de begrafenis op de r.k.-begraafplaats St. Jozef aan de Jan Verfailleweg te Den Helder.
Na afloop is er gelegenheid om te condoleren en na te praten in Fort Kijkduin, Admiraal Verhuellplein 1 te Huisduinen.

We zouden het op prijs stellen als men in plaats van bloemen een bijdrage geeft aan de vereniging van parkinsonpatiënten (giro 3787700, banknr. 613816102, t.n.v. de Parkinson Patiënten Vereniging te Bunnik, o.v.v. ‘Gift’).

Anny Zijp-Zegers
Dijkschouwerslaan 123
1785 HP Den Helder


Zijperspace wordt leger naarmate ’t uitdijdt.

intenties

M’n broer had ’t tijdens z’n grafrede af & toe moeilijk. Even slikken & dan weer doorgaan. Net zoals ik op de kansel in de kerk bij ’t voorlezen van mijn tekst.
Je weet dat dát stuk er aan zit te komen, probeert in de ademhaling te zitten, zoals iemand van te voren had gezegd, gaat door met de stroom van woorden, & toch, plots, bij die ene zinswending, zie je je vader terug, vraag je je af waarom hij er niet meer is, wil je ‘m weer bij je hebben, een wandeling maken, een grapje, een lach, iets ongrijpbaars.
M’n broer ging door. Veegde die ene traan weg, ’t rood van z’n gezicht, je zag z’n adamsappel bewegen, herschikte z’n velletjes papier & las verder.

Ik zei later, toen alles voorbij was, ’t verdriet verdronken in enkele liters bier, dat ik vooral trots was. Dat ik de kerk had mogen toespreken zoals m’n vader vaak had gedaan. Met gedragen stem. De stem die op die van m’n vader lijkt. Dat ik een toespraak hield, zoals Pa altijd deed. De enige die z’n emoties kon beteugelen om de mensen toe te spreken.
Ik stond daar, op diezelfde plek.
Ik heb daar gestaan, op diezelfde plek, zei ik later, ik heb daar gesproken, op diezelfde plek, & dat ik daar vooral trots op was.
Maar er kwam geen einde aan die zin, dat simpele korte zinnetje, want de woorden werden linksom ingehaald door tranen die ook ‘ns uitgelaten wilden worden.

M’n broer sprak. We stonden verzameld om z’n graf. De kleinkinderen vooraan. Beetje duwen, beetje heen & weer hobbelen.
3 Manden met bloemen, wilde bloemen, stonden klaar om over z’n kist uitgestrooid te worden. Er was ook een emmertje zand, met schepje, vóór de kist, maar daar zou bijna niemand gebruik van maken. M’n vader was immers van de plantjes, van dat wat groeide, van dat wat niet iedereen onmiddellijk als schoonheid herkende.

& M’n broer las ’t laatste stukje voor. Dat wat m’n vader zelf geschreven had. Over ’t einde van z’n reis, ’t einde van z’n pelgrimage naar Santiago de Compostella.

Daarna ben ik nog maar weer eens een keer de kathedraal ingegaan. Ik had er ook 7 intenties bij:
1. Voor alle vriendelijke mensen onderweg, die me gedag zeiden, met wie ik een praatje maakte, die mij iets toeriepen, zoals: ‘Priez pour moi à Compostella.’
2. Voor alle mensen, die mij onderdak gaven of een plekje voor mijn tentje. Ook voor diegenen, die mij de juiste weg wezen en soms wel een paar straten meeliepen.
3. Voor diegenen, die niet zoals ik de vrijheid en de rijkdom hebben om zo zich meer dan 2000 km voort te bewegen, door meerdere landen, in Gods vrije natuur.
4. Voor al mijn vroegere collega’s uit het onderwijs, vooral de tientallen Ursulinen, waarik met veel plezier 25 jaar verkering mee gehad heb.
5. Voor mijn 2 zussen, 10 schoonzussen en 11 zwagers; dat we het met ons allen samen nog lang mogen volhouden.
6. Voor mijn 6 zonen en lieve schoondochters, dat ze veel geluk mogen hebben, thuis en bij hun werk.
7. Voor mijn allerliefste, in onze volgende levensfase.


M’n vader zakte vervolgens tot onder ’t maaiveld. De mensen kregen gelegenheid om hem de laatste eer te bewijzen, terwijl wij, de naaste familie, aan de zijkant verzameld stonden. We wachtten tot ’t rustig zou zijn. We zagen de bloemen over z’n kist uitgeworpen worden.
Nadat iedereen was geweest, gingen we zelf nog 1maal daar staan. ’t Was ondertussen stil geworden. De mensen hadden zich verspreid over ’t kerkhof.
Ik gooide mijn eigen handje bloemen. Ik zag nog een kale plek; rechts bovenaan de kist lagen nog geen bloemen. Maar ik miste.
Toen ben ik naar de uitgang gelopen.

In Zijperspace draait de wereld weer verder, ondanks alles.

aankomst

Ik werd door Quint opgehaald.
‘Meteen maar naar huis?’ vroeg Quint.
‘Nee. Heeft Jan je dat niet verteld? Ik zou 1st naar Pa gaan. ’t Laatste moment om ‘m te zien.’
Dus gooide hij ’t stuur om.

We zagen Carel & Theo buiten zitten, op ’t terrasje van de afdeling. Ze wachtten tot ze verder konden.
‘Ze is net aangekomen,’ vertelde Carel. ‘Ze wist de weg niet. Ze belde op met de vraag waar Den Helder eigenlijk lag. Nu wacht ze op de papieren.’
’t Enige dat weggehaald kon worden was ’t hoornvlies van z’n ogen. Parkinson had de rest van z’n lichaam al te veel aangetast. ’t Zou 20 minuten duren, hadden ze van te voren verteld. Maar Carel & Theo zaten er alweer 20 minuten. Er was nog niets gebeurd.
‘We hebben 1st z’n onderkant maar afgelegd,’ zei Theo. ‘Dat ging goed. De zuster heeft nog even geholpen. Boven was-ie al koud, maar aan de onderkant was Pa nog helemaal warm. ’t Was frappant om te zien dat de rode adertjes van z’n couperose al meteen weg waren getrokken.

De zuster kwam langs. Vroeg of we wat te drinken wilden.
‘Zeg,’ begon Theo tegen haar, ‘die papieren zijn toch allemaal aanwezig? Dat hij donor wilde zijn, dat staat toch allemaal in z’n status?’
‘Ja, maar er waren bepaalde papieren niet in orde,’ antwoordde ze. ‘Of ze lagen niet op de juiste plaats.’
‘Kunnen we niet nog een keertje kijken,’ vroeg Carel, ‘voordat ze begint met ’t hoornvlies? Ton heeft m’n vader nog niet gezien. & Anders moet-ie de hele avond nog wachten.’
‘Ja, ik ga wel even vragen.’

Ze gebaarde een minuutje later. Van om ’t hoekje van m’n vaders kamer. We liepen met z’n 4-en op haar toe, gingen de kamer in. Ik ging bij ’t raam staan, naast m’n vaders hoofd. Carel naast me. Tegenover me stond Theo. Quint naast hem.
Theo pakte z’n hand vast. Ik wachtte daar nog even mee. Ik moest nog wennen aan z’n dode gezicht. Open mond. De lucht was er uit gevlucht. Z’n ogen stonden ook lichtjes open. Flets. Zoals ik inmiddels gewend was. Geen grote verandering daar.
We hadden alle 4 een andere houding. Hoewel ze altijd hebben gezegd dat we zoveel op elkaar lijken.

Ergens moet ’t gestopt zijn. Zijn we de kamer uitgegaan. Niet voordat ik z’n hand had aangeraakt. Maar wel ergens, waarvan ik niet meer weet welk moment.
Ik kan me nog herinneren dat we de deur opendeden. De 1e stappen de afdeling af. We moesten wachten tot de buitendeur open gedaan werd. Via een knopje die door ’t nachthoofd werd bediend. & We zijn naar huis gereden. Dat moet wel. Naar ’t huis van Ma.
‘Ik moet er nog aan wennen dat ik niet ’t huis van Pa & Ma zeg,’ zei ik onderweg.
Daar blijft ’t bij. Meer wil m’n geheugen niet.

Ik zei tegen m’n moeder: ‘Ik ben blij dat ik nog even gegaan ben. ’t Doet me goed.’
Ik zat op de schommelstoel. Ma op de luxe stoel, een aankoop die eigenlijk voor Pa bedoeld was. Hoewel 't toen al slechter ging.
'Je moet 't evengoed maar doen,' hadden wij toen tegen haar gezegd. 'Je hebt zelf misschien nog wat aan die stoel.'
Ondertussen was Jan aan ’t bellen. De hele avond. Wij praatten, de overige broers, de schoonzussen & Ma. Over hoe lang ’t nog zou duren voordat Carel & Theo klaar zouden zijn met afleggen. & Over hoe ’t gegaan was.
Ik pakte op een gegeven moment m’n rugzak uit, in de computerkamer. De computer aangezet. Daar heb ik ook een matras neergelegd. Ik heb daar die nacht, & de nachten erop, geslapen.
’s Nachts keek ik, als ik er uit moest om een plasje te doen, of m’n moeder wel sliep. & ’s Ochtends vroeg dronken we met z’n 2-en een kopje thee in de tuin.

Er waren nog veel meer dingen; misschien komen die later wel in Zijperspace.

de toespraak van jan aan 't graf van pa

Van sterk tot broos: Nico Zijp

Een leeg scherm en een hoofd vol, zeker sinds er geen kans meer was op herstel bijna paniekerig vol met herinneringen.
De laatste week was ik vaak vroeg wakker en bezig met mijn afscheidswoord voor mijn vader.
Prachtige volzinnen en rode draden. Ik wilde hem zo goed mogelijk neerzetten voor iedereen en het over alles hebben.
Dat is dus onmogelijk, je kan bijna 72 jaar niet samenvatten in een paar regels.
Ik zal mij beperken tot enkele details, details maken de mens uniek.
Veilig bij vader achterop, door de Helderse duinen, ik vragend, hij pratend bijna docerend en attenderend, op de salamanders in de glasheldere J.Verfaillewegsloot bij Duinoord. Een vroegste belangrijke herinnering.
Op zijn armen kijkend naar het laatste broedresultaat van zijn laatste tropische aanwinst in zijn zelf getimmerde volière, een andere herinnering.
Hobby’s te over: flora inventariseren en determineren, genealogie; geschiedenis, wijnetiketten, likeurtjes verzamelen en nippen, kwartels kweken, postzegels, modelspoorbanen, molens fotograferen, muziek luisteren en verzamelen, vormen echt maar een fractie van zijn veelzijdigheid en de schoolmeestersmentaliteit is erin te herkennen. Als hulpstukken hiervoor gebruikte hij zijn karakteristieke brede plank over zijn stoel een deuntje muziek erbij en hij had een trommel en werktafel.
We zien hem zo weer zitten. Voor hem was het gewoon even ontstressen uit een druk en verantwoordelijk maatschappelijk leven. En als een echte onderwijzer verspreidde hij de vergaarde kennis aan zijn leerlingen, collega’s, vrienden, familie en vooral gezin met zachte drang en humor.
Zondags was een dag voor de kerk, nog meer muziek en zoveel mogelijk de omgeving met de auto verkennen, even onderweg zijn. We zijn wat keren de Westfriese dijk afgehobbeld onder leiding van onze gids.
De taken thuis waren nog traditioneel verdeeld: Ma was de gezinsmanager en pa was het daarbuiten. Dat ging goed, maar soms moest hij pedagogisch bijspringen als ma het niet meer redde met het pannenkoekmes en wij haar lachend nog maar eens uitdaagden. Dan trok hij alles uit de kast: met de stevige opmerking: Jongens hou op. En ging vervolgens stoïcijns verder met het uitknippen en rubriceren van nieuw vergaarde overlijdensadvertenties.
1 Van zijn overwegingen om het onderwijs in te gaan; waren volgens mij toch de vakanties. Na 2 dagen grote vakantie werd het reisdoel voor de herfstvakantie al vastgesteld. Het waren voor hem hoogtepunten, hij was weer onderweg.
We groeiden uit elkaar door mijn eigen stappen. We vervreemdden van elkaar. Ik was zoekende en zocht mijn eigen weg, daar had ik hem niet voor nodig.
Ondertussen werd hij een onderwijsfusieslachtoffer. Een zware slag voor hem. Toen ik echter mijn weg had gevonden, vonden wij elkaar weer in de natuur en iets later met onze eendenkooi. Hij was geen spiegel meer waar ik in keek, maar gewoon mijn vader die mij meehielp een verwaarloosde cultuurhistorische en natuurrijke plek op te knappen. Onze parel. Hij liep de deur plat en ik genoot van hem en hij van zijn rondleidingen met de schoolklassen en platte vrouwengroepen, zijn oude vak.
Ma was zijn grote jeugdliefde, zijn alles. Maar die liefde was vooral wederzijds. Voor ons jongens en partners was dat altijd zichtbaar, een knuffel, een aai, een knipoog, gekibbel, elkaar beschermend voor die verschrikkelijke pubers die wij soms waren. Het meest ontroerend maar ook ontluisterend was die liefde te zien in de ziekte en toch wel lijdensweg van Pa en Ma. Je glijdt dan van partners naar zieke en verzorgende. In deze tegenspoed stond hun liefde recht overeind, met zijn hand in haar hand is hij heengegaan.
Met grote bewondering en diep respect hebben we de afgelopen jaren naar mijn moeder gekeken. Het is absoluut geen beloning voor jezelf wegcijferen. De vele fijne en goede herinneringen zijn echter de beloning.
Het mooie van het leven zit in het unieke van het genenmateriaal en in de rol van de opvoeders daarin. De rol van onze vader in ons leven heeft veelzijdigheid, karakter, gedrevenheid, menslievendheid, liefde voor de natuur, warmte voor elkaar en onze medemens opgeleverd. Iets om dankbaar en trots op te zijn.
Voor hem was het ultieme onderweg zijn, lopend op pelgrimage naar Santiago del Compostella. En hij deed dit op een nieuw kruispunt in zijn leven.
Een gepassioneerd, gelovig en vooral dankbaar mens is dood. Die dankbaarheid heeft hij verwoord in zijn verslag over die reis. Als laatste lees ik een stukje hier uit voor.


Dat staat elders gedocumenteerd in Zijperspace.

achteraf

Voor de mensen die de weg willen weten in Zijperspace: hiernaast, aan de linkerkant, staat een lijst met titels van eerder geschreven stukjes. Onder de kop 'Mijn vader' kan men minstens 112, sinds ik 't voor de laatste keer geteld heb moeten 't er inmiddels meer zijn geworden, teksten vinden handelend over de bewuste man. Die zijn tot aanstaande zaterdag, de 14e augustus, ook gerangschikt in 't archief erboven.
Zijperspace is tijdelijk anders geordend zoals vaste bezoekers reeds zullen hebben gemerkt, op chronologische volgorde zijn alle teksten handelend over m'n vader per maand op te roepen. Zoals geschreven van maand tot maand.
Daarna zal men 't met de verzameling links gerangschikt naar onderwerp moeten doen. 't Artikeltje voorgelezen in de kerk, vlak voor m'n vaders begrafenis, kan men dan vinden onder genoemde kop 'Mijn vader'. In ietwat onaangepaste vorm, niet gebonden aan tijdsbeperking, beperkt evenmin door de gedachte dat de aandacht van toehoorders vastgehouden moet worden, staat-ie daar onder met de titel: patrijs.
Alle andere stukken tekst zijn natuurlijk, naar mijn bescheiden mening zeker gezien 't onderwerp, ook de moeite waard. Klik op 1 van de titels & laat u leiden door de wereld van de man die ooit was. Geschreven door de zoon die 't de moeite vond er woorden voor te vinden.

Ik dank alle toehoorders voor hun aandacht voor dat momentje Zijperspace.

definitiefst

De laatste minuten. Na de laatste nacht.
Ik heb ’t bed aan kant geschoven. Zoals alle nachten afgelopen week. Nu wat meer definitief.
Je hebt definitief & je hebt definitiever.
’t Haar van m’n moeder wordt momenteel door m’n nicht gedaan. Kapster. Ik vond ’t al vreemd dat m’n moeder haar duster aanhield. Ze bespreken onderwijl de dingen. De dingen die gaan gebeuren.

‘Heb je goed geslapen?’ vroeg ik bij ’t bakje thee, dat ik inmiddels gewoontegetrouw gezet had.
‘Ja,’ zei ze zonder twijfeling in haar stem, zonder slikken, ‘best goed geslapen. Slechts af & toe wakker geworden.’
‘Ja, dat zag ik vanochtend.’
Toen ze om ½ 6 ’s ochtends aan de grote tafel in de huiskamer de dagelijkse foldertjes aan ’t doorpluizen was & ik informeerde of ’t wel ging.
‘Ik heb de stekker er uit getrokken bij Pa.’
‘Dat moest vanochtend?’
‘Ja, ze zeiden dat de koeling ’s ochtends vroeg uitgezet moest worden.’

Ik kijk voor de 3e keer in de spiegel of ’t t-shirt wel staat dat ik vandaag ga dragen. Trek wat aan de hals. Flobber de onderkant over m’n broek heen.
Raar woord trouwens: flobberen. Bedenk ik me terwijl ik ermee bezig ben.
Daardoor vergeet ik te kijken naar m'n spiegelbeeld. ’t Dringt niet tot me door of ik er nou tevreden mee moet zijn of niet.

Straks komen m’n broers. & De mensen van ’t uitvaartcentrum. Dan wordt Pa ingepakt. Tillen ze hem naar beneden.
In de woonkamer wordt-ie gekist.
Alweer een normaal woord. Kisten.
‘Ja, we moeten Pa om ½ 10 kisten,’ zeiden we gister tegen elkaar.
We namen 't scenario door. We begonnen alles heel normaal te vinden.
Ze geven je enkele dagen de tijd om alles heel gewoon te laten vinden. Je wordt vanzelf weer praktisch. Straks heb ik er vast geen moeite mee dat ik de massa in de kerk een tekst over Pa ga voorlezen.
Ik ben er al aan gewend ‘m kwijt te zijn. ’t Heeft al een tijdje mogen duren. Nu wordt ’t tijd er een punt achter zetten.
Ze gaan ‘m straks kisten.
Ik voel me dapper als ik ’t zeg.

Maar bijkans onmerkbaar gaat er een lichte trilling door Zijperspace.

verdwaald

’t Voelt aan als een soortement dolen. Niet weten waar je gevoelens liggen.
Ik zie tranen uit de ogen van m’n broer opwellen & vraag me af waar die opeens vandaan komen.
Ik zie m’n vader op ’t bed opgebaard liggen & ben bang voor z’n bleke couperoseloze gelaat.
Ik hoor m’n moeder stommelen & wil weten waar ze is.

Dan zegt ze dat ze nog even bij m’n vader wilde zijn. Dat ze ernaar verlangt nog een keer een praatje met ‘m te maken. Een goed gesprek.
& Ik dool in de jaren dat hij niet meer bereikbaar was. Niet volledig meer in ’t hier & nu stond. Dat wij wisten waar we waren & hij steun zocht. Hij was niet meer volledig. Dan neem ik ‘t mezelf kwalijk dat ik dat wat er aan vooraf ging niet meer juist weet te herinneren.

Ik ben verdwaald in fragmenten. Om mezelf vooral geen houvast te geven. ’t Ene beeld geeft aanleiding om ’t andere beeld op te roepen & vervangt 't aldus.

& Dan ’t huis.
M’n moeder & ik.
Overdag komen m’n broers. Schoonzussen, kinders.
’s Avonds wij. Met m’n vader in ’t bed. Op ’t bed. Een koelplaat tussen ’t matras & zijn lichaam. Nog enkele lakens om ijsvorming te voorkomen. Airconditioning, zodat de temperatuur in de kamer zo laag mogelijk blijft. Als je buiten staat hoor je de lucht naar buiten geblazen worden door de slang die uit ’t raam hangt.
Ik heb de computerkamer. Zelfverkozen isolatie. Ik verzin elke keer excuses waarom ik daar moet blijven. Toetsenbord bij de hand. Enigszins contact met de wereld die niets met m’n vader van doen heeft.
Die andere wereld sluit ik af zogauw ik ’t matras neerleg, daar waar 1st de stoel voor ’t beeldscherm stond, op een smalle reep tussen bureau's & stoelen. 't Past er nog net. Raam open om verkoeling, lucht te krijgen. Maar dan moet vooraleerst ’t licht uit, de comp uit. ’t Voorgaande dient afgesloten te zijn, mag geen aantrekkingskracht meer uitoefenen.

Ik dacht dat ik ’t niet vol zou houden. Zomaar enkele dagen in ’t ouderlijk huis. Weg van veiligheid, geborgenheid van m’n eigen vertrouwde alleenzijn.
Maar ik hou ’t vol. Ik voel de irrealiteit van een lichaam dat ooit die van m’n vader was. Hij zegt niets, hij hoort niets, hij beweegt niet als ik langs ‘m loop. Daarom waar ik hier rond alsof ’t m’n 2e huis is.
’t Is m’n 2e huis. Alleen m’n vader leeft er niet.
Dat ik ‘m in m’n gedachten doodzwijg doet me volhouden. Ik weet niet wat de begrafenis straks geeft. Omdat ik mezelf niet de gelegenheid geef dit ten volle te realiseren, zo voelt 't.
Ik vraag me slechts verwonderd af wat m’n broer ertoe heeft aangezet op een onverwacht moment de tranen te laten lopen. & Laat verder alles op z'n beloop.

Ik dool door Zijperspace & hoop m’n huis terug te vinden.

einde

17.10 Uur. Ongeveer.
Hij is er niet meer.

We gaan verder zonder Pa in Zijperspace.
(Om ¼ over 5 bleef 't horloge van m'n moeder stilstaan. Dat merkte ze echter pas om ¼ voor 7. 'Toeval,' zei de begrafenisondernemer. 'Dat zou ik zeggen. Maar mijn vrouw zegt dat toeval niet bestaat.')

continuüm

Ma was naar de wc.
Ik moest wachten. Maar dat bedacht ik me later pas.
Ik zat daar. Met Pa naast me in z’n bed.
Dat is alles. Ik zat daar. Ik keek voor me uit. Ik keek naar Pa.
De deur stond op een kier. Via de spiegel boven de wasbak kon ik via de kier de gang inkijken. Daar gebeurde ook al niets. De hitte had ook de afdeling lamgelegd. In de verte slechts wat geroezemoes van enkelen van ‘t personeel.
Ik keek de gang in omdat m’n ogen toevallig die kant op bewogen. Ze hadden desnoods stil kunnen blijven staan. ’t Was gelijk geweest.
Ik liet m’n ritme bepalen door de ademhaling van m’n vader. Ik wist niet welk ritme, maar wel dat-ie er was. Mijn levensritme. M’n doel. M’n stilzitten.
M’n vader z’n ogen gesloten. Benen gekromd met de knieën omhoog stekend. Borst bloot, behalve dan dat hemdje. Gereutel van schijnbaar gesnurk. Naar adem snakken. Zo zou je ’t ook kunnen vertalen.
Ik ging mee op zijn deinen.
Ik heb nooit stil kunnen zitten. Ik ben me altijd bewust geweest van ’t moment van zitten. Van de duur, van de houding.
Zitten.
Dat was ’t enige wat ik deed. De tijd laten verstrijken. Die niet meer belangrijk leek.
Hij was er in ieder geval niet.
Ik was er om er te zijn. Toevallig had ik een stoel nodig. Maar als die stoel er niet was geweest, dan zou ik daar toch hebben gezeten.

Op een gegeven moment hield ’t op. Ergens, een moment.
M’n moeder kwam terug. Theo & Jet bij zich.
Ik ging verzitten. Wreef ’t zweet van m’n voorhoofd, richtte de ventilator op m’n gezicht.
M’n slapende vader kreeg een kus.

Alles begon weer te bewegen in Zijperspace.

kijk

Kijk.
Een bidprentje van hout. Uitgevouwen staat ’t overeind. Aan de ene zijde een man, links ervan een vrouw. 2 Heiligen op bruinig hout. Als russische iconen.
Erboven ligt er een stapeltje cd’s; de zijkanten van de doosjes zijn slechts zichtbaar. De muziek die ‘m tot ’t eind moet begeleiden. Als je ze tevoorschijn haalt, zal je zien dat ’t allemaal jazz is. Oude jazz. Van vóór de jaren ’50.
Maar je hoeft ze niet te zien. Want je wéét 't.
Links van de kast staat de draagbare stereo. Met cd-speler. Cassetterecorder zit er ook in, maar wordt niet gebruikt. Voor de wasbak. Met spiegel.
Je ziet jezelf als je je handen wast. Dat hoeft niet opgenomen te worden in ’t beeld. Dit is tenslotte de kamer van je vader.

Kijk.
2, 3 Kaarten hangen er achter z’n rug. Achter z’n hoofd, eigenlijk, maar je zegt ’t nou eenmaal zo.
Bep & Wil zijn 40 jaar getrouwd. Ze bedanken voor de belangstelling. Zitten samen op de fiets.
Een kaart met een hart. Een groot hart.
& Nog iets met paars. Waarvan je niet meer weet wat ’t voor moet stellen.

& Kijk, er ligt zeep. In een bakje. Een groen stuk zeep. Misschien om hem te scheren. De snor er af.
Baard blijft. Zo hebben we hem altijd gekend. Baard blijft. Snor heeft-ie nooit gehad.
Toch?
Even beelden graven in ’t geheugen.
Zelfs die paar keer zonder baard zijn niet meer terug te vinden.

& Kijk, al die dingen die hij niet ziet. Want z’n ogen dicht. Hij kan zich niet meer wenden. Misschien wordt-ie ook wel niet meer wakker.
Foto’s aan de wand. Naast de 3 kaarten. Een muur vol.
Z’n kleinkinderen. Allemaal met een lach. Dat is Jet. Dat is Shinn. Daar heb je Jana & Luca. & Lola met Billy.
Ze lachen hun lach z’n nek tegemoet.
Z’n zonen, z’n 6 zonen. Geposeerd voor een afstuderende fotografe. Z’n 6 zonen waar de vrouwen naar keken.
& De hele familie, in klederdracht in Volendam. Omdat ’t eerder ook al ‘ns was gedaan. Toen met de kinderen klein. Nu met de kleinkinderen klein.
& Theo met Pa. & Tante Gre met Pa, naast Ma.
‘Toen waren we 45 jaar getrouwd,’ vertelt Ma. ‘’t Was in de Kamer.’
Alles om te herinneren. Om in je op te nemen. Om mee te nemen.
Kijken hoeveel er nog in je hoofd past. Zovele beelden van Pa. Deze moet er ook nog even bij.

Kijk.
Pa in bed. Hij slaapt.
‘Hij snurkt zoals vroeger,’ zeg je.
Hoewel je weet dat ’t anders klinkt.
Mond wijd open. Zoals hij achterover in z’n stoel hing de laatste tijd.
‘Maar ’t wordt toch wel wat rustiger dan daarnet,’ zegt Ma.
Aan z’n borst een slangetje. Aan de ene kant steekt een naald z’n borst in, weet je. Aan de andere een tuitje om de morfine in te spuiten. 4 Maal daags. Vanaf een kwartier geleden 4 maal daags. Zodat-ie niet meer zo hoeft te lijden.
‘Ja, z’n gesnurk is nu rustiger.’

Kijk.
Hij ligt in een hemd. Een dun hemdje. Je kan z’n borstharen zien. & Z’n dunne ouderdomsvlekken op z’n arm. Wonden zijn ’t van de ijle huid.
Onder een dun laken. Dat is voldoende in deze hitte. Je weet dat veel ouderen dankzij hitte eerder overlijden. Pa is er straks 1 van. Pa zal opgenomen worden in die statistieken. Emotie wordt feit, deel van een groter geheel.
Z’n benen gekromd.
Ma tilt ’t laken op. Z’n benen kunnen niet meer recht door de Parkinson, wijst ze. Dus hebben ze een kussen onder z’n benen gelegd. & ’t Luxe matras kromt ook al. Vroeger bouwden wij in bed op zo’n manier een tent in onze fantasie. Pa ligt zo om geen last te hebben.
‘Z’n lijf is stram.’
‘Ja, z’n lijf is stram, hij krijgt geen medicijnen meer.’

Kijk. Je moet ’t ermee doen. Je moet ‘m zo bewaren. Zolang je hem kan bewaren.
Er zijn vele plaatjes die je van hem hebt opgeslagen. Maar deze zal er ook bij moeten. Deze hoort er ook bij. Anders is ’t niet kompleet.

Kijk, Pa, dit is je zoon. Hij kijkt je. Hij schrijft je. Hij bewaart je.

Hij neemt je mee naar Zijperspace.

binnen

Ik zit de hele dag binnen.

Weg van de hitte.

Dat is vanaf ’t moment dat ik teruggekomen ben uit Duitsland. Weekendje Duitsland met m’n buren.
Nu zit ik binnen.

Tenzij ik naar de bios ben. Zoals vanochtend.
Dan probeert m'n moeder mij altijd te bereiken.
Net gemist.

Later een telefoontje van m’n oudste broer gekregen. Om me op de hoogte te brengen van de laatste ontwikkelingen.
Ik zat op dat moment weer binnen. Weg van de hitte. Kleren zoveel mogelijk uit.

O ja, & ’s middags naar de Ooievaar. Ritueel. Spelletje, biertje, praatje, naar huis.
Binnen zitten.

Belde Rachel mij op.

Praten.

Op een terras, veel te heet. Zelfs in de schaduw.

Praten dus.

Dat ik de hele dag binnen zat. Weg van de hitte.
‘Lethargie’. Schoot me opeens te binnen.

Ik zeg: ‘Ik wil schrijven, maar ik weet niet of ik nog wel kan. Ik ben bang dat ’t een manie was. Maar juist nu wil ik niet dat ’t een manie was. Ik wil verder. Ik bedoel: ik kan ook wel over andere dingen schrijven dan over m’n vader. Maar ik voel me schuldig. Misschien dat ik me schuldig voel. Dat ik niet precies weet wat ik voel. Dat ik niet precies voel wat ik moet voelen. Waarom ik de hele tijd thuis wil zitten. Niets doen. Ja, een spelletje spelen op de comp. Maar verder niet. Hooguit 2 bladzijden van m’n boek lezen. Meer niet. Ik doe niets. Binnen zitten. Da’s al. Ik weet wel dat ik me niet schuldig moet voelen, dat ’t een gevoel is dat erbij hoort, maar ’t zou voor ‘tzelfde geld kunnen betekenen dat ik zowiezo niets voel. Dat ik gevoelloos ben. Ik weet niet of dat wat ik denk wel ’t juiste moment is om ’t te denken. & Voor de rest kijk ik voor me uit. Laat de film aan me voorbij gaan. Ik weet niet wat ik anders moet doen. Ik wil wel schrijven, maar ik weet niet of ik nog wel kan. Ik ben bang dat ’t een manie was. Ik ben altijd al manisch. In alles wat ik doe. Uiteindelijk stop ik er immers meestal mee. Als ik er genoeg van heb. Ik stop uiteindelijk ook met over m’n vader schrijven. Straks ben ik ‘m vergeten. Of ik dacht: ik ben ‘m misschien al vergeten. Tuurlijk weet ik nog hoe z’n magere wangen er uit zagen. Tot aan de binnenkant van z’n gebit gingen z’n wangen. Als-ie z’n gebit nog in had. Maar ik weet misschien niet meer hoe hij werkelijk was. Hoe zag z’n baard er uit toen die nog in bloei stond? Wanneer moest je stil zijn, want dáár kwam ’t grapje van Pa? Hoe schenen z’n ogen op een niet zo doffe manier? Ik wil schrijven, ik wil weten hoe ’t ging. M’n broer zei vanmiddag, Jan, Jan heet-ie, dat-ie zichzelf er op betrapte vanochtend, hij lag nog in bed; dat-ie zichzelf in bed er op betrapte dat-ie aan ’t bedenken was wat-ie zou moeten zeggen zogauw ’t zover was. Hij was z’n toespraak al aan ’t voorbereiden, zei hij. Ik dacht: Ik ben eigenlijk al 3 jaar m’n toespraak aan ’t voorbereiden. Al die jaren dat ik over m’n vader schrijf. & Dan wil ik schrijven, maar ’t enige wat ik doe is voor m’n comp zitten, spelletjes spelen, wachten tot er gebeld wordt.’

Dat zei ik.

Ach, ik zei nog veel meer. Maar ik zei ook veel minder.
Gelukkig dat Rachel er was.

Dat vulde de boel, liet me even beseffen dat ik gewoon evengoed in Zijperspace was.
(zo’n schat)