explosiewormen

Kikkert keek toe terwijl de politie ’t meisje in bedwang hield. Ze hielden haar fiets staande. Waardoor zij ook.
De jongste Kikkert aanschouwde 't gebeuren. De broers Kikkert waren allemaal een beetje gek, gewelddadig in mijn ogen, onberekenbaar, op 1 na, maar dit was de jongste. Ook gek. Die had op een gegeven moment zoveel geblowd dat-ie rustig was geworden. & Nog gekker.
Hij keek toe. ’t Ging hem aan, zo leek ‘t.
De politie ondervroeg ’t meisje.
Keurig net meisje. Rok tot aan haar knieën, stemmig rood. Haarband. Sjaal om. Jas open. Haar benen omarmden nog steeds de middenstang van de fiets, maar ondertussen keek ze verontrust vanwege de vragen die de politie haar stelde.

Ik schouwde toe, ik toeschouwde, ik deed daar iets.
Daar ontstond de verwarring.
Ik stond eigenlijk te wachten, maar ik wist nog niet waarop. Terwijl ik keek waar ik nou eigenlijk op aan ’t wachten was, veranderde ’t meisje. Toen ik m’n blik weer naar haar keerde, bleek ze haar haar los te hebben. ’t Stemmig rood was in onstuimig groen & blauw veranderd. & Haar gezicht stond vermoeid, paniekerig vermoeid. Ze wilde niet mee met de agenten.
Dan had ze de huur maar moeten betalen, vermelden de agenten, of anders haar vriend.
Dat was de rol van Kikkert. Hij wachtte op geld. Nu de dienders ’t meisje meenamen, wist-ie dat er aan gewerkt zou worden & kon hij gaan. Hij verdween uit beeld.

’t Toneel was leeg. & Werd vervolgens opnieuw gevuld.
De vriend van ’t meisje. Degene die ’t optreden had georganiseerd. Iedereen had op kunnen treden. Z’n verhaal kunnen doen. Men had mij ook gezegd dat te moeten doen. Een stuk tekst voorlezen, maar ik wist niet of ik durfde.
Ik durfde niet, terwijl ik iedereen aan me voorbij zag trekken. Ieder met z’n eigen voorstelling.
We gingen napraten, maakte de organisator mij duidelijk. De vriend van ’t meisje. Dat ze gearresteerd was interesseerde hem blijkbaar niet.

We kwamen in een ruimte terecht waar aan de zijkant diverse niveaus waren aangebracht. Daar kon je op zitten. Een tribune van 3 verdiepingen. Daar namen de artiesten plaats. Degenen die net hadden opgetreden, waaronder m’n broer. Ik had ‘m niet gezien, maar blijkbaar had hij ook op ’t podium gestaan.
Dan had-ie mijn idee ingepikt, bedacht ik. Hij had een stuk voorgelezen, zoals ik ’t eigenlijk niet gedurfd had. Hij had z’n teksten gepromoot. Ik niet.
Om beurten vertelden de mensen over hun optreden. Verlieten daarna de zaal. Ik zat te luisteren. Keek om me heen naar wat er gebeurde.
Toen m’n broer begon, kwam mij de luchtkoker in ’t oog. Tegenover me. Een open luchtkoker met een omtrek van 2 meter. Ik zag er troepen insecten naar kruipen. Ze gingen de koker in, & vertrokken erdoor naar buiten. Pissebedden, rupsen, wormen, vliegen. Steeds grote troepen, kruipend over de muur & dan naar buiten.
Ik probeerde m’n broers aandacht er op te vestigen, maar hij gebaarde dat ik stil moest zijn, dat ik me er niks van aan moest trekken.
Ik vond ’t maar eng. Was blij dat ik aan de goede kant zat.

M’n broer vertelde over z’n verhaal.
‘Ik was aan ’t vertellen,’ zei hij, ‘’t verhaal dat zo beroemd is geworden, dat handelde over ’t volleybalteam & m’n vader, & terwijl ik dat beroemde verhaal voorlas, dacht ik dat ’t allemaal wel leek of ik ’t over m’n vader had.’
Er werd geknikt.
Ik dacht ondertussen alleen maar dat ’t vast weer uren zou duren. M’n broer was nooit kort van stof. & Ik dacht natuurlijk aan de insecten, tegenover me.
‘Maar ’t ging helemaal niet over m’n vader,’ ging hij verder. ‘Ik bedacht dat ’t eigenlijk vooral over de volleybalwedstrijd ging.’
Mensen keken verbaasd. & Ik angstig. Want ik zag een worm mijn kant op komen.
Ik trok m’n benen op. Gilde naar m’n broer. Die zei dat ik me niet aan moest stellen. Hoewel de worm toch echt daadwerkelijk op me af kwam.
Ik trapte richting worm. Bleef doorgaan met gillen. & Op ’t laatste moment barstte de worm in kleine stukken uiteen. ’t Vloog alle kanten op. & Al die kleine deeltjes bleken weer zelfstandige wormen te worden. Ze begonnen al te groeien terwijl ik naar ze keek.
M’n broer ging onverstoord door met zijn verhaal. Ik kronkelde over m’n zitplaats van angst.

Ik liep door ’t donker naar de wc. Was blij dat ik even kon bewegen. Kon ik ook mooi een slokje water nemen, want m’n keel stond droog. Misschien had ik wel écht gegild.
Waar ’t over ging, vroeg ik me ondertussen af. Vast over angst. Angst voor mannen van vroeger, voor vrouwen misschien, angst om mezelf te presenteren, angst voor enge insecten vooral.
Maar wat hebben de mensen daar aan, als ik daar een stukje over schrijf?
Ik liep terug naar bed, dook er weer in.

Legde me op de andere zij van Zijperspace.

huishoudelijke mededeling

Tot mijn spijt heb ik enkele nrs, als mp3 geplaatst bij stukken tekst die ik in ’t verleden heb geschreven, moeten verwijderen. Men kan de bewuste links naar die stukjes terugvinden in de kolom aan de linkerkant deze pagina, onder de noemer: “weest getuige van 't geluid dat ooit weerklonk in Zijperspace”.
Dankzij een sinds kort actieve zoekmachine, een onderdeel van Windows Media, wordt m’n weblog vooral bezocht door mensen op zoek naar bepaalde muziek, waarvan ik dus wat aanbied. Helaas was dat met ’t oog op mensen die stukken tekst van me lazen & daarbij de bijbehorende muziek wilden beluisteren. Niet voor mensen die gratis & ten koste van mijn ruimte tot dataverkeer via m’n server muziek wilden binnenhalen. Ik heb geen behoefte aan studenten aan amerikaanse universiteiten, die ’t nederlands niet verstaan, noch kunnen lezen.
Ik hoop dat ’t tijdelijk is. Binnenkort zal ik de mp3’s terugplaatsen, echter zonder dat de info daarbij te achterhalen valt welk nr ’t is, door wie gespeeld, enzovoorts; slechts dmv ’t lezen van de tekst kan men dit dan te weten komen. Dat was m’n doel, zo moet ’t dan ook zijn.

’t Is tijdelijk wat stiller in Zijperspace.

mario

‘Hoi, Mario!’ riep ik.
Hij kruiste mijn pad, & die van m’n moeder.
M’n moeder stopte haar verhaal. Ik keek hoe hij niet reageerde.
Ik zag ons aan de flipperkast staan. Om de beurt. Zijn lach, z’n bezetenheid. Ik een spelletje meedoen.
Hij had een vrolijke lach. Oor tot oor. Dikke lippen. Z’n haren krulden mee. Blosjes.

Ik twijfelde. Hij reageerde niet op een afstand van nog geen 2 meter. Maar ja, hij moest me kennen. Weetjeweldenhelder.
‘Hé, Jutter!’ zei ik zachter.
Onmerkbaar zachter.
Alle geboren heldenaren zijn ‘Jutters’. Iemand die in Den Helder geboren is, weet dat. Daar herken je elkaar aan. Daar kan je elkaar mee aanspreken.
Hij zou me wel herkennen als-ie omkeek. Dan zou hij zich 9 jaar daarvoor herinneren. Samen in de amsterdamse kroeg. Tot diep in de nacht. Hij & z’n band. & Ik als andere Jutter.

Hij keerde z’n hoofd om.
‘Ik heet geen Mario,’ zei hij.
‘Ja, dat weet ik nu.’
Maar ik trok ondertussen m’n pet af. Van je weet wel, ik ben ‘t. Flipperkast, nacht, kroeg, Den Helder. Nu kan je me herkennen, zonder pet. Verontschuldigend gezicht vanwege de verkeerde naam.
Hij zei niks. Liep verder. Hij groette niet eens.

‘Wie was dat?’ vroeg m’n moeder.
‘Oh, een jongen uit een bandje,’ zei ik. ‘Uit Den Helder.’
Een zwaar gevoel. Schaamte vanwege de laatste zin mijn kant op. Die ik had uitgedaagd. Op me had afgeroepen.
‘Hij was de zoon van de eigenaar van de pizzeria,’ voegde ik er aan toe.
‘Ik was laatst in die pizzeria,’ zei m’n moeder. ‘Ik vond dat ’t er armoedig uit was gaan zien.’

We liepen de Oude Hoogstraat in. Ik manoeuvreerde m’n moeder angstvallig over ’t voetpad. Als we door een prullenbak & tegemoetkomende voetgangers ’t fietspad op werden gedwongen, hield ik de fietsen aan voor- & achterkant in de gaten. Ik raakte haar arm aan als ik wilde gebaren dat ’t beter was ’t fietspad te verlaten.
Een fietser ging voorbij. Kinderzitje voorop. Kinderwagen aan de bagagedrager gevouwen.
‘Dat is ook een jongen uit Den Helder,’ wees ik.
Ik had dit keer niet gedag durven zeggen. Niet nog een keer geen herkenning.
‘Wie?’ vroeg m’n moeder.
‘Die jongen die net voorbij gaat. Met kind voorop.’
M’n moeder keek ‘m na. Ietwat laat. Ik trok aan haar mouw om verkeersproblemen te voorkomen.
‘Hij kent die andere jongen ook,’ ging ik verder. ‘Die “Mario”.’
Ik sloeg een klop over, in m’n borstkas. M’n wangen gloeiden automatisch op.
‘Claudio,’ zei ik plots. ‘Ik denk dat-ie Claudio heette.’
Ik hield m’n pas in, zodat m’n moeder me weer kon volgen.
‘Die jongen heette volgens mij Ben,’ ging ik verder. ‘Ik geloof dat-ie vroeger manager was van die helderse band.’
‘Ik hou niet van pizza’s,’ zei m’n moeder. ‘Ik snap niet dat mensen dat lekker vinden.’
‘’t Is best een bekende band,’ zei ik. ‘Die Mario zal elke dag wel gedag gezegd worden door onbekenden. Maar die pizza’s waren erg lekker.’
‘Nee, ik hou niet van die ingevroren pizza’s,’ zei m’n moeder. ‘Pizza’s uit de supermarkt.’

We zijn niet opgevoed met diepvries in Zijperspace.

wending

Ik had er afgelopen zomer last van. Ik vertelde ‘t ’s ochtends vroeg aan m’n buren, waarmee ik een weekendje op stap was, op een camping in Duitsland. Dat ik niet zo goed sliep, omdat ik me bijna niet op m’n zij kon keren.
‘Als ik me op m’n zij keer, dan blijven m’n benen tegen elkaar aan plakken.’
M’n buurvrouw is verloskundige, & vanuit de kennis die ze daarmee vergaard heeft, reageerde ze: ‘Ik zeg dan altijd tegen de zwangere vrouwen: “Dan moet je een kussen tussen je benen leggen.”’
Dat was nou net niet mogelijk, vertelde ik, want mijn slaapzak was daar te smal voor. Ik kon hooguit de binnenhoes tussen m’n benen frommelen. Of me geheel & al uit de slaapzak wringen, maar dat kon alleen als ’t écht te warm was.
’t Was echter wel precies wat ik thuis ook altijd deed, zei ik erbij, m’n kussen tussen m’n benen. Of eigenlijk de 2e kussen, m’n reservekussen.
Al jaren gedraag ik me als een zwangere vrouw, besefte ik me.

Ik ben nog in de tijd opgegroeid dat ’t dekbed niet bestond. We werden ingepakt in een paar lagen dekens. Laken eronder. Die stak dan boven de dekens uit, werd omgevouwen, zodat je armen in ieder geval niet tegen de kriebelige dekens hoefden te schuren. Alles wat uitstak, werd strak onder ’t matras gestoken. Je zat gevangen in een pakketje. Naarmate ik groter groeide werd er meer losgelaten. Een hoekje bovenin bleef vrij, zodat er wat meer bewegingsvrijheid kwam. Anders woelde je dat gedurende de slaap wel los. ’t Lichaam werd gelang de jaren onstuimiger, krachtiger.
Nu dus een dekbed.
Een verschrikking voor de moeders van die tijd. Want je hoeft maar te wapperen met ’t bed & ’t ligt goed. Dus doet men ’t helemaal niet. ’t Ligt toch al goed. Zo denk ik er tenminste over. Als ik ’s avonds ’t bed in stap, dan maakt ’t niet uit hoe ’t er voor staat. Ik ga op m’n vaste plekje liggen, wapper om me heen met ’t bed, kijk of ’t goed valt & keer me om. Gebeurd.
‘Kan je nou niet eventjes je bed netjes opmaken?’ vraagt m’n moeder steevast als zij ’t onder ogen krijgt. ‘’t Kost toch geen moeite om ’t even netjes recht te trekken?’
Ik geef haar gelijk, maar denk erbij dat ik ’t dan net zo goed bij ’t slapen gaan kan doen.
‘Er komt toch niemand op m’n kamer,’ zeg ik tegen m’n moeder.
Als ’t dekbed al niet bestond, dan had ik ’t zelf wel uitgevonden.

Die 2 dingen dus, gecombineerd. Een dekbed & een kussen. Daar wilde ik ’t over hebben. Omdat ik er vanochtend achter kwam.
Niet dat ’t van enig belang is, maar ik moest er vanochtend wel even over nadenken, toen ik ’t me liet gebeuren. Je moet iets met je tijd, & ’s ochtends als ik wakker word, heb ik daar net even meer van, van die tijd. Dus denk ik na. In dit geval over ’t dekbed & de kussen. M’n buurvrouw & m’n moeder, maar dan andersom.

Dat kussen ligt meestentijds naast me. Voor ’t geval dat. ’t Geval dat ik ‘m nodig heb. Ik ga op m’n zij liggen & ik wil dan m’n kussen hebben om van z’n diensten gebruik te kunnen maken. Hij moet onmiddellijk tussen m’n benen passen.
Naast me dus. Soms een beetje ½ over me. Dan dekt-ie dat kleine blote stukje van m’n schouder af, tegen de kou. Omdat m’n dekbed een beetje verschoven is, door ’t woelen dat ik nog steeds niet verleerd ben. Naast me, aan de rechterkant. Rechts, terwijl ik op m’n rug lig. Anders zou ’t links zijn. ’t Is de rechterschouder die bedekt kan zijn.
Dit om de situatie duidelijk voor te leggen.
Ik lig op m’n rug. Kussen rechts naast me. M’n schouder wordt er een beetje door bedekt. ’t Dekbed ligt over alles heen. Behalve dan dat kleine stukje rechterschouder, & dat kleine stukje kussen dat op m’n rechterschouder ligt.
Ik ben er achter gekomen, vanochtend, & dat wilde ik even kwijt, ’t is weliswaar niet hoogstaand, maar ik moest er vanochtend wel even over nadenken, & alles waar je over nadenkt, dat vergt tijd, is derhalve wel degelijk van belang, want je gaat ondertussen gewoon verder met ademhalen, je laat tijd voorbij gaan, je onderneemt verdere stappen richting ’t uiteindelijke onvermijdelijke einde, wie is gerechtigd om te zeggen dat een bepaald onderscheid in onderwerp om over na te denken bepalend is voor de diepgang die je zelf in je geestelijk leven stopt & welke criteria hanteert een dergelijk persoon dan wel; ik ben er achter gekomen dat als ik me in zo’n geval omdraai op m’n linkerzij, ’t kussen, & daarmee tevens ’t omhullende dekbed, automatisch mee keert. Aan m’n rechterzij verklonken. Ik draai mezelf dus bloot. Onmiddellijk gereed om ’t bed te verlaten.
Ik stond er vreemd van te kijken. Of eigenlijk lag ik er vreemd van te kijken. & Ik heb er even over nagedacht.

We spenderen er veel woorden aan, maar dit om duidelijkheid te scheppen over ‘tgeen zoal gebeurt in Zijperspace.

waarschuwing

‘Eigenlijk kwam ik er vanochtend pas achter.’
‘& Je zei net dat je gistermiddag al wat voelde.’
‘Ja, maar dat was zonder nadenken. Je hebt toch zelf ook wel ‘ns dat je over je gezicht wrijft, een oneffenheid voelt & dan weer lustig verder leeft?’
‘Nou ja, lustig? Ik láát me af & toe meer leven, heb ik ’t idee.’
‘Nee, ik bedoel dat je iets opmerkt, maar ’t volgende moment gewoon weer doorgaat met waar je mee bezig was. ’t Wel registreert, maar niet noteert.’
‘Ok, dat heb ik wel ‘ns. Maar dan niet perse met oneffenheden in m’n gezicht.’
‘Dat had ik gister dus wel. & In de hoop dat ’t in ieder geval niet oogverblindend wit zou schijnen (“Schoner kan uw was niet zijn”), ging ik gewoon verder met de volgende klant.’
‘Ja, want als-ie wit is, dan staat-ie op ’t punt van barsten.’
‘Buiten ’t feit dat juist wit in je gezicht een beetje uit de toon valt, zeker gezien de gezonde roze blos die mijn tronie over ’t algemeen uitstraalt, babybilletjes zouden een voorbeeld aan m’n wangen kunnen nemen, is ’t vooral dat gegeven, ’t uit elkaar barsten, ’t tot volle rijpheid komen, wat mij angst aanjaagt. In m’n fantasie, gelukkig alleen maar in m’n fantasie, zie ik dat ding dus knappen & z’n inhoud over ’t gezicht van m’n gesprekspartner doen spreiden.’
‘Dat is geen fantasie.’
‘Nee, ’t is perversie. Ik weet dat je dat gaat zeggen.’
‘Geef toe dat ’t geen prettig beeld is wat je me nu voorschotelt.’
‘Misschien ook daarom dat ’t zich in m’n hoofd nestelt. Ik wil ’t liever zelf ook niet, maar helaas wordt een mens soms bestuurd door de beelden die spontaan in hem opkomen. Daarom vind ik ook dat ik tijdig gewaarschuwd dien te worden.’
‘Moet ik in de gaten houden hoe jouw gezicht introspectieve neigingen van je hersenen begint te illustreren?’
‘Nee, dat zeg ik niet.’
‘Je zegt net dat ik je moet waarschuwen zogauw jij perverse gedachten krijgt.’
‘Nee, ik had ’t oorspronkelijk over ’t feit dat ik niet opgemerkt had, eigenlijk pas vandaag zag ik ’t toen ik voor de spiegel stond, dat er een witte pukkel naast m’n neus zat.’
‘Ja, daar begonnen we mee. Maar toen ging je al snel over tot die perversiteiten die jou parten spelen.’
‘Dat was om je duidelijk te maken dat ’t voor mij niet prettig is om een dag in onwetendheid rond te lopen met een dergelijk wanstaltig product dat de smeerklieren van de huid op mijn aangezicht hebben getoverd. Ik ga nou 1maal niet de hele dag met ’t topje van m’n vingers over elk plekje van m’n gelaat.’
‘Ok, ok, ik snap ‘t.’
‘Daarnaast, nu op gevaar af dat jij misschien zal denken dat ik afdwaal, vind ik ’t voor iemand met een publieke functie als ik niet fatsoenlijk om in alle kieren & plooien van ’t vel dat mij omhult te gaan zitten bevoelen of er iets onregelmatigs zich voordoet.’
‘Je begint weer door te drijven.’
‘Nee, wacht nou. Ik vind ’t net zo iets als dat een puber, die net ontdekt heeft dat z’n lichaam op bepaalde plekken is begonnen met uitdijen, om de minuut in z’n kruis gaat graaien om de groeistuipen op de voet te kunnen volgen. Of een man van middelbare leeftijd, zo 1tje die niet op de hoogte is van de moderniteiten die tegenwoordig aangeboden worden om je te kunnen ontdoen van ongewild snelle groei van de neusharen, waardoor hij steeds weer gedwongen wordt de krommingen van deze haren te corrigeren zodat de punten niet terugbuigend in de neusvleugel jeuk kunnen veroorzaken. Of anders van die mensen die in de trein een boek zitten te lezen & onnadenkend aan hun oor zitten te frummelen, enige sporen van nalatigheid ontdekken & vervolgens hun vinger in de mond stoppen om zodoende met speeksel soppend hun eigen oren te gaan zitten wassen.’
‘Wat heeft dat er nou mee te maken?’
‘Nou, dat ik vind dat als ik me bewust ben van een puist, ik er niet aan moet gaan zitten. Dat ik dus beter niet op de hoogte kan zijn van zo’n aanwezigheid, want anders denken mogelijke passanten dat ik constant pogingen aan ’t ondernemen ben ‘m en plein public uit te knijpen zogauw ik met 1 van m’n vingers de plek des onheil ook maar enigszins benader.’
‘Daarnet zei je volgens mij dat ik je zou moeten waarschuwen zogauw ik iets dergelijks op je facie zou signaleren.’
‘Ja, want dan kan ik ‘m tenminste verwijderen. Mocht ’t zo zijn dat mijn vinger ‘m per ongeluk registreert, dan ben ik niet perse onmiddellijk op de hoogte van de omvang, maar wel steeds geneigd te inspecteren welke volume ’t object inmiddels bereikt heeft, of de veerkracht, de rijpheid, de densiteit waarmee ’t zich op mijn gezicht manifesteert. & Mensen zullen me aan gaan staren met ’t idee dat ik op ’t punt sta m’n nagels er achter te zetten. Dan kan ik beter gewaarschuwd worden over de mate van uitknijpbaarheid van ’t ding.’
‘Kom op zeg, ik ben je vriendin niet.’
‘Ja, maar dat zou je dan wel kunnen worden. Ik zal je dan in ieder geval eeuwig dankbaar zijn.’

We zijn er nog maar een tijdje mee doorgelopen in Zijperspace.

afleveren

Ik had me voorbereid. In gedachten.
‘Ik wilde geen klacht indienen. Dat is een beetje zo overgekomen door een interne meel bij de woningbouwvereniging. Ik wist van tevoren dat m’n tuin beschadigd zou raken. Maar ik dacht dat ’t misschien wel terecht was dat ik daar een vergoeding voor zou krijgen. ’t Is alweer de 3e maal, misschien wel de 4e, dat er een steiger in mijn tuin is neergezet. & Elke keer raakt mijn tuin beschadigd. Ik heb nog nooit een schadeclaim ingediend. Nu is echter de helft van m’n tuin verdwenen.’

& ’s Ochtends zag ik weer eens koolmezen vliegjes zoeken. Aan de rand van de tuin. ’t Midden was verdwenen.
Ik bereidde me verder voor:
‘Kijk, de planten stonden hier tot wel 1½ meter hoog. Of nog hoger. Daar kwamen mezen op af. Koolmees, pimpelmees, matkopmees (of was ’t nou een staartmees?), winterkoning, etc. Die komen nu niet meer. Of in ieder geval minder. Ik liet alles gewoon staan. Niks snoeien voor de winter. Volgens mij hebben vogels dat nodig. Die leven niet in een egale wereld. Zeker niet tijdens de winter, als de herfst de frivoliteiten er al lang heeft afgesleten. Ze konden in ieder geval bij mij terecht. & Ik keek naar ze, vanuit m’n kamer.’

& Ik had bedacht:
‘Tuurlijk is ’t herfst. Maar je kan zien dat er nog enkele planten bloeien. De stokroos daar aan de zijkant. Die werd aan ’t einde, bij ’t afbouwen, bijna toch nog platgewalst. & Bijvoorbeeld de middelste teunisbloem. Daarvan stond er ook nog 1tje in ’t middenstuk. Naast de staken van de guldenroede. Bij de vrouwenmantel. Even verderop geurde de witte munt als je met je broek erlangs schoof. De mannen van de steigeropbouw hebben vast 3 dagen lang naar mijn tuin geroken. Met vleugjes majoraan & citroenmelisse. Die ruik ik zelf al 4 weken niet meer. Ja, af & toe, als ik door een bepaald gedeelte van de gang loop, dan komt er weer zo’n zweem van de heen & weer lopende mannen met steigerplaten & steigerstangen los van de muren. Zo fris hebben ze nooit geroken.’

& Uiteindelijk stonden ze voor m’n neus. Met onze 3 neuzen gericht naar de tuin.
‘1st Even afleveren,’ zei de man van de woningbouwvereniging.
Dus gingen ze in de beginnende stortbui naar de vernieuwde muur kijken. De aannemer & hij.
‘Ja, ’t ziet er goed uit.’
Ik beaamde ‘t.
‘Er is beter werk afgeleverd dan voorgaande keren.’
‘& We komen hier ook,’ ging woningbouwverenigingmeneer verder, de droogte van ’t balkon van m’n bovenbuurvrouw opzoekend, ‘om naar de tuin te kijken. Kijken wat we daar aan kunnen doen.’
‘Ja,’ zei de aannemer. ‘Ton, wat vind jij ervan?’
De man van de woningbouwvereniging onderbrak: ‘Ja, je zou zeggen: er zal toch niet meer zoveel groeien in de herfst. ’t Hoogtepunt is bereikt. Je moet afwachten wat er ’t volgende seizoen weer te voorschijn komt.’
‘Dat is zo,’ zei ik. ‘Maar je hebt ook gezien hoe ’t er uit zag voordat de activiteiten plaats gingen vinden. ’t Was best hoog gegroeid. Vogeltjes kwamen tijdens de winter altijd in m’n tuin. Die zie ik straks dus niet.’
‘Denk je dat er veel planten niet meer omhoog zullen komen?’
‘Nou, ’t was natuurlijk een wilde tuin. Op dit middenstuk hier groeiden wel zo’n 30 verschillende soorten planten. ’t Is maar de vraag of die allemaal weer terugkomen. Nu zijn ze er in ieder geval niet meer.’
Dat was een argument. Ik zag de heren nadenken. 30 Was een mooi getal. Dat ging hun verbeelding waarschijnlijk te boven.
‘Mijn vrouw doet altijd de tuin,’ zei woningbouwman. ‘Ik laat haar altijd haar gang gaan.’
‘Tsja,’ zei de aannemer.
‘We kunnen natuurlijk hem een waardebon aanbieden. Van Intratuin. Dat wij de helft betalen & jij de andere helft.’
‘Ja, Ton,’ reageerde de aannemer. ‘Wat zou jij zeggen?’
Ik keek vragend.
‘Ik ben niet zo’n onderhandelaar,’ zei ik tenslotte maar.
‘Wij wel,’ lachte de aannemer. ‘Nee, maar zeg ‘ns wat je graag terug zou zien. In geld.’
Na lang nadenken, een beetje bleu om zomaar een geldbedrag te noemen, zei ik: ‘€ 50,-?’
‘Kijk,’ zei de aannemer, ‘dan krijg je dat ook meteen.’
Hij haalde een bundeltje briefjes uit z’n zak. Haalde er een biljet van 50 er tussenuit & gaf ’t me.
‘Dan hebben we dat geregeld,’ voegde hij er aan toe.

Ik liet de heren uit. Sloot de deur achter hen.
‘Zo,’ hoorde ik de aannemer zeggen. ‘Dat hebben we zo toch mooi geregeld?’
In de huiskamer stopte ik de € 50,- in m’n portemonnee & ging achter m’n beeldscherm zitten. Ik keek opzij de tuin in. Als ik diep genoeg wegzakte, zag ik niets van ’t weggevaagde gedeelte.
‘Dat is er ook niet meer,’ dacht ik. ‘Dan kan je ’t ook niet zien.’

Wat niet is, kan alleen maar meer worden in Zijperspace.

buurjongen

Erik had geen vriendjes. Er kwam nooit iemand bij hem over de vloer.
Carel is wel eens bij hem langs geweest. Misschien wel vaker. Ik mocht een keertje mee. Maar ik wist al heel snel niet meer wat we moesten spelen. Een kale kamer. M’n nieuwsgierigheid was bevredigd; ik hoefde niet nog een keer. Carel wilde op een gegeven moment ook niet.
‘Er is niks te doen,’ zei hij tegen m’n moeder.
Dus kwam Erik bij ons.
‘Erik Broekepoep,’ zeiden we, z’n achternaam verbuigend.
Hard. Zodat m’n moeder zou schrikken.
‘Ssst,’ zei ze. ‘Straks horen ze ’t bij de buren.’
‘Wie?’ pestten we dan. ‘De familie Broekepoep?’
Volgens m’n moeder konden ze alles horen. We konden toch ook de buurvrouw horen plassen? Dan konden ze ons ook ‘Broekepoep’ horen roepen als ze toevallig op de wc zaten.
’t Huis naast ons was muisstil. Behalve de plassende buurvrouw hoorde je nooit iemand. Soms de piano. Terwijl ze er toch met z’n 3-en woonden. Erik & z’n ouders. ’t Leek alsof men extra breekbare wanden had gebouwd om de extra breekbare familie.
Als onze ouders weg waren & wij als muizen dansten op harde muziek, kwam de buurvrouw altijd even langs, om te vragen of ’t zachter kon. Anders zou ze ’t straks doorvertellen aan Ma.
Soms kwam de buurman. Dan had ze migraine.
‘Ze liegen,’ zei Carel, als de buurman weer bij de voordeur weg was. ‘Ik hoorde daarnet nog piano spelen.’
Dat was ’t enige verzetje. De vingeroefeningen van de buurvrouw.

Dus Erik kwam bij ons. & Wij waren de enigen die met Erik speelden.
We vonden ‘m maar zielig, zo enig kind te zijn. Wij die gewend waren altijd iemand om ons heen te hebben om mee te spelen. Erik had alleen zijn ouders. Ouders hadden altijd gelijk. Kon je geen ruzie mee maken, zoals wij met onze broers deden. Laat staan spelen.
Nee, met de ouders van Erik kon je niet spelen.

Je moest niet met ‘m gaan stoeien. Erik wist niet hoe je dat deed. Had-ie nooit geleerd. Als hij je vastpakte, in een houdgreep, of een wurggreep, als hij op je ging zitten, spieren rollen, dan ging-ie altijd te lang door.
Als je ‘genade’ riep, wist de ander dat er gestopt moest worden. Dat drong niet tot Erik door. Hij had nog veel te veel lol met de ander pijn te doen. Dat hoorde bij ’t spelletje, toch?
Bovendien kende hij z’n eigen kracht niet. Zei m’n moeder. Hij besefte ook niet dat-ie een jaar ouder was. Een jaar ouder dan Carel.
M’n moeder vergat erbij te zeggen dat ik nog 1 jaar na Carel kwam.
& Erik zat met z’n volle gewicht bovenop me. Om me kieteldood te geven.
Ik kon niet lachen. Ik kon niet eens ademhalen.

Dus gingen we maar buiten spelen. Dat was veiliger. Want Erik mocht z’n kleren niet vuil maken. & Als-ie z’n kleren niet vuil mocht maken, dan kon-ie ook niet stoeien.
We gingen oorlogje spelen. Dat speelden we immers altijd. We bouwden een kasteel, van losliggende stenen. & Erik bouwde zijn kasteel. Van losliggende stenen even verderop. & Die 2 kastelen gingen tegen elkaar strijden.
We schoten papieren pijlen met een buisje naar elkaar. Als je geraakt werd, dan was je dood voor 10 seconden. Maar je mocht niet op ’t hoofd mikken. Dat was gevaarlijk, had Ma gezegd.
Erik had echter nooit geleerd te spelen. Zagen we. Hij had geen broertjes. Zoals wij. Hij had niks van proporties geleerd. & Wist waarschijnlijk ook niet wat pijn was. Behalve misschien de pijn die bij migraine hoort. Migraine van z’n moeder.
Erik wilde ’t oorlogje spelen ‘echter’ maken. & Begon de losliggende stenen als projectielen te gebruiken.
‘Nee, dat mag niet,’ riepen wij.
Maar Erik gooide door. & De stenen werden groter.
Totdat een steen op mijn hoofd terecht kwam. & Er bloed over m’n gezicht droop. & Ik verschrikkelijk krijste. & M’n moeder m’n hoofd ging verbinden.
Toen stopte Erik. Toen moest-ie ’s avonds bij ons langs komen om mij een reep chocola te brengen.

Toen stopte Erik. Hij mocht niet meer komen spelen.

Alles werd weer muisstil, naast Zijperspace.

alles

Ik was zat.
Te zat om nog iets zinnigs tegen Mar te zeggen. Ik geloof dat ik nog gedag zei, maar vertrekken was belangrijker. Op m’n fiets. Als je 1maal vaart hebt, dan komt thuis vanzelf in zicht.

Bocht om mijn eigen straat in.
Auto.
Dat moet plots zijn geweest, want ik schrok.
Wilde onmiddellijk corrigerend optreden. Rechtvaardigheid. Terechtwijzing.
Tijdens ’t nemen van ’t smalle kiertje dat de auto mij had overgelaten om te passeren, raakte ik de spiegel.
Expres. Terechtwijzing. De wereld moest verbeterd worden. Men dient rekening te houden met de fietser.
(Ik was vergeten dat ik beneveld was)

Een tik tegen spiegel.
Ik voelde m’n pink. Die bestond.

Snel doorfietsen naar huis. Zoals ik altijd snel doorfiets.
Maar misschien fietste ik ook wel snel omdat ik achter me geluid hoorde.

Ik stapte af. Zag in ’t donker iemand aan komen rennen.
‘Wat doe je?’
‘Ik ga naar huis.’
‘Nee, joh. Dat doe je toch niet?’
‘Jawel, want hier woon ik.’
‘Je gaat straks sorry zeggen. Zij rijden om. Komen straks. Maar ik zou maar sorry zeggen.’
‘Ik kon er niet langs. Ik raakte ’t spiegeltje met m’n pink.’

Ik stond beduusd. Er was spanning, maar tegelijk ook niet. Ik moest alles maar over me heen laten komen. Ontsnappen was onmogelijk, want daar zou ik 3 sloten voor moeten openen.
Een 2e jongen kwam al aanrennen. & Er klonk geluid van de andere kant van de straat. Ze hadden me proberen in te sluiten.
Ik voelde me kinderachtig. Maar moest m’n schouders recht houden. Eigen schuld. Stomme impulsiviteit.

‘Ze komen er zo aan,’ zei de 1e jongen.
‘Nee, joh. We moeten rustig zijn,’ zei de 2e.
‘Ik heb een medestander,’ dacht ik.
‘Waarom doe je dat nou?’ vroeg de 2e.
‘Ik probeerde er langs te komen,’ zei ik.
Ik keek ondertussen wat ging gebeuren. Alles ging zo snel. ’t Kostte me moeite om te zien wie er in de straat waren.

Nr 3 kwam. Nr 4 ook. Stopten beiden pas op ’t laatste moment. Een tik tegen m’n schouders. Een tik van minachting.
‘Zeg sorry,’ zei nr 1.
‘Sorry,’ zei ik, ‘ik probeerde langs te rijden.’
‘Straks is m’n spiegel stuk,’ zei nr 3. ‘Vuile vent.’
Hij spuugde.
‘Nee, joh,’ zei nr 2. ‘Die spiegel is niet stuk. Maar hij moet zoiets niet doen.’
‘Nee, ik minacht je,’ zei nr 3.
‘Ja,’ beaamde nr 4.
Een tik tegen m’n pet van nr 3. De hand van nr 1 & 2 om hem tegen te houden.
De auto was van nr 3, vermoedde ik.
‘Oja, ik heb een pet op,’ bedacht ik me, ‘& een bril.’
Ik bukte m’n hoofd een beetje. Keek niet in de ogen. Deed m’n bril af. M’n pet ook.
‘Sorry,’ zei ik ondertussen.
‘Heb ik nou aan sorry?’ zei nr 3.
Hij spuugde nog een keer.
‘Hij kan niet spugen,’ dacht ik.
‘Ik moet jouw soort mensen niet,’ zei nr 3.
‘Kom op,’ zei nr 2, ‘dit is wel genoeg.’
Hij keek naar me. Ik zonder bril. Dat hielp blijkbaar.
‘Ja,’ zei nr 1.
Ze liepen naar de auto. Ze renden. Van opwinding.

‘Is dit nou alles?’ dacht ik. ‘Is dit alles als je dood gaat?’
Ik hoorde ze lachen in de verte. Portieren sloegen dicht.
Ik lachte ook.
‘Is dit nou alles?’
De buurjongen liep voorbij. Hij keek me aan. Ik had m’n bril & m’n pet in m’n linkerhand. Met de rechter maakte ik de deur open. Maar 1st keek ik nog even terug. Ik voelde dat ik een rare grijns lachte.

’t Volgende moment sloten we de toegang tot Zijperspace.

burcht

We speelden op ’t heuveltje naast de bouw. Een afvalheuvel. Zand dat niet meer nodig was, nog nodig was voor later, weggevoerd moest worden, of zolang mogelijk moest blijven liggen. Buiten de omheining. Vermengd met ’t zand enkele reststenen, afgebroken tegels & stukken hout. Een plank, een lat, een stok, afgebroken of met een onhandige lengte.
Een heuvel volgestopt met speelgoed, voor na afloop van de les, aan ’t eind van de bouwvakkerwerkdag.
De heuvel was de grootste heuvel die er in de wijde omtrek te vinden was. Of je moest richting strand gaan. 2 Meter hoog & vol verbeelding. Die verbeelding zat weliswaar in ons hoofd, maar zonder de heuvel kon die verbeelding niet opgewekt worden.
De heuvel was een burcht.
& Iedereen wilde heer & meester zijn over die burcht.
Als je bovenop stond was je de baas.
Als je beneden stond wilde je er bovenop.

Maar Hans & Kees stonden bovenop.
Ze hadden de burcht veroverd. Eigenlijk stonden ze er al van ’t begin af aan, vanaf ’t moment dat school was afgelopen. & Eigenlijk probeerden we vanaf datzelfde moment hun er van af te jagen. Duwen, trekken, lachen, sjorren, keihard met z’n allen op hun af komen rennen.
Nadeel was dat Hans & Kees een andere opvoeding hadden gehad. Veel harder, veel meer op straat. Zij wisten hoe je moest vechten, hoe je van je af moest bijten.
& Ze stonden boven.

‘Ok, we geven ons over,’ zeiden ze na een kort staakt-het-vuren.
We waren net bezig een nieuwe strategie op te zetten. Vanuit alle hoeken & dan met z’n allen tegelijk. De ene groep Kees, de andere Hans. We hadden ’t juist doorgesproken, iedereen had z’n eigen plek & ’t kon niet lang meer duren of Frank zou ’t teken voor de aanval geven.
‘We geven ons over,’ zeiden ze nog een keer. ‘We willen samenwerken.’
Samenwerken? Dat konden ze alleen maar met z’n 2tjes. & Zelfs dan werd ’t een puinhoop. Dat zagen we elke dag in de klas. Ze konden hun mond niet houden. Ze luisterden niet als de leraar wat zei. & Hooguit tijdens ’t speelkwartier werkten ze samen. Hun 2 samen tegen de rest.
‘Vrede,’ zeiden ze. ‘Ok?’
Ze daalden een stukje af. Hans hield z’n hand voor zich uit. Een uitgestrekte hand. Om vrede te sluiten.
We keken elkaar aan. ’t Was natuurlijk wel een stuk makkelijker. & Als we bovenop stonden konden we hen weer wegjagen. Ze hadden lang genoeg boven gestaan. We zagen van elkaar dat we dat dachten.
Ik deed een stap naar voren. Ik zou wel vertegenwoordiger zijn. Ik zou wel de vrede sluiten. Ik zou wel laten zien dat ik de dapperste was. Dat was ik tenslotte al de hele tijd. Vond ik.
Frank gebaarde dat ik moest gaan. Wees dat ik verder kon.
Ik stak ook mijn hand uit. Liep op Hans toe. Stapjes de heuvel op. Ondertussen uitkijkend dat ik niet over losse stenen & planken struikelde.
Hans had 1 hand uitgestoken, de ander op z’n rug. Hij deed nog een stap naar voren. Een meter afgedaald inmiddels. Hij lachte. Vrede.
& Op ’t moment dat ik z’n hand wilde schudden, ik wist hoe zweterig z’n handen altijd waren, maar had ’t er voor over, haalde hij z’n rechter tevoorschijn. Een plank.
‘Opsodemieteren,’ schreeuwde hij.
& Sloeg.
Een klap op m’n hoofd. Naast m’n oog. Duizeling. Ik viel naar achteren. Een gloeiende kop. M’n linkeroog die even niets meer zag. Beide ogen vol van tranen.
‘Aanvallen!’ hoorde ik Frank schreeuwen.
Hans & Kees lachten. Zoals alleen zij konden lachen.

Ik moest mee van m’n ouders. Ze zouden wel even laten zien hoe ik toegetakeld was. Dat dat toch echt niet kon. Kinderen die andere kinderen met planken mishandelden.
Meneer van Balen zat achter z’n bureau.
‘Zo, wie heeft dat gedaan?’
‘Hans.’
Ik vertelde ’t verhaal. Op aandringen van m’n moeder. Huilend, een koude natte washand tegen m’n oog gedrukt.
‘& Hoe vaak heb ik jullie verteld dat er niet op de bouw gespeeld mag worden?’ zei Meneer van Balen.
‘’t Was niet op de bouw,’ zei ik. ‘’t Was op de heuvel ernaast.’
‘Da’s ook van de bouw. ’t Is daar veel te gevaarlijk.’
‘Maar hij sloeg me met een plank.’
‘Jullie mochten daar niet spelen.’
‘Maar……’
Verder kwam ik niet. Ik mocht niet spelen op de bouw.
M’n moeder hield m’n hand vast op de terugweg. Ze trok me wat dichter naar haar toe op ’t moment dat we de heuvel passeerden. Ik keek niet opzij. Ik keek alleen recht vooruit met m’n ene oog, kijken of ik geen klasgenootjes tegen zou komen in de straat die voor ons lag.

Later heb ik in m’n 1tje Zijperspace veroverd.

afwezigheid

‘Hummmmmmmmm,’ klinkt ’t vanaf ‘t toilet.
Dan is de wc weer ‘ns niet tevreden. ’t Water loopt, maar dan de hele dag. Als ’t begin van een bergbeekje, iets meer dan druppelsgewijs loopt ‘t naar beneden. Tot er plots iets van binnen de toevoer afsluit. Spontaan. Of roest. Roest van binnen. Dat maakt de wc ontevreden. Misschien dat er nog wel meer dingen zijn waar de wc niet erg over te spreken is, maar hij laat ’t in ieder geval pas merken als de toevoer stopt. Een humeurig ‘hummmmmmmmm’. Trillend door ’t huis. Ik vraag me af of m’n buren er last van hebben. Als ik aan ’t werk ben, of in m’n bed tot wat later lig te slapen, onwetend van de ontevredenheid.
Ik maak er een einde aan door kort door te trekken. Een bepaalde hoeveelheid water door te spoelen. Dan voelt de wc zich niet meer schraal van binnen, kan-ie niet meer brommen. & Verdwijnt de sfeer die door m’n huis waart, een trilling van ongenoegen, de ondertoon die aangeeft dat er iets niet in orde is.

Terwijl ik eigenlijk hoor te slapen, m’n wc wellicht z’n humeur aan ’t ventileren is, lig ik te denken. Ik zie een wapen stoer dwars gericht worden. Want elke moderne crimineel gebruikt tegenwoordig z’n gun horizontaal. De Hollywoodfilms schrijven dat immers voor. Daarmee zeg je dat de opponent geen grote mond moet hebben.
‘Respect!’ terwijl er ’t tegengestelde bedoeld wordt.
Want zogauw je dood bent kan je je waardering niet meer uiten. ’t Beetje respect dat nog in je lichaam aanwezig was voor de dwarsmikkende tegenstrever is vervlogen met ’t laatste beetje adem die er voor zorgden dat je je nog mocht rekenen tot ’t selecte groepje van levenden op aarde.
Daar dacht ik aan.
Ik zie mezelf ook wegduiken. Nee, 1st een grote mond. Van ‘wat doe je hier?’ Dan dus dat pistool, vervolgens ’t wegduiken, waarop niets meer volgt.
Niets. Wat moet ik bij ‘niets’ denken? Niets dus.
Begin ik maar weer opnieuw. Even wat meer gespecificeerd. Misschien dat ik de situatie wat beter kan beïnvloeden.

Hij een grote mond.
‘Waarom zit je me de hele tijd aan te kijken? Denk je dat ik iets van je steel?’
‘Ik kijk altijd naar klanten. Dat moet ik wel als ik een winkel wil drijven.’
Dat is mijn antwoord, die 2 laatste zinnen.
Allemaal beelden. Die skip ik, laat ik geen deel worden van ’t verhaal, anders wordt ’t weer te laat. Ik moet ook nog proberen te slapen.
Maar wel beelden. Zoals de toerist die z’n mond houdt. De man die in de koelkast staat te graaien. De politieagent die aan de overkant stond, maar op dat moment niet. Geld in mijn handen.
‘Moeten we er anders om gaan vechten?’
De beelden worden ongemerkt toch weer een geheel. Een scenariootje. Ik zie mezelf m’n mond houden, nadenken, terwijl ik mezelf helemaal niet kan hebben gezien.
Ademhalen, ademhalen, zo lang mogelijk ademhalen.
‘Man, ik heb helemaal geen zin om jou wat te verkopen, je kost me veel te veel energie.’
Dat zeg ik weer. Ik zie ’t me moeizaam, maar gedreven zeggen. Ik zie ’t ademloze gezicht van de man naast degene tegen wie ik ’t heb.
‘Weet je wat? Dit is ‘t laatste blikje dat ik jou verkoop. Daarna wil ik je hier nooit meer zien.’
& Nog een zootje beelden.
Maar dan vooral: ‘De volgende keer dat je zo bijdehand doet, pomp ik je vol met lood.’
Of zei hij nou dat-ie me alleen maar vol zou pompen?

Slapen. Slapen. Of anders 1st een boekje lezen.

Ik lees een boekje in de tuin. De volgende ochtend, toch nog bijna uitgeslapen. ’t Regent dunne druppels. De planten van 2-hoog krijgen water. ’t Tiktakt op ’t balkon van 1-hoog. Ik voel de diepte van de verschillende plekken waar de druppels terecht komen, door de variatie in ’t geluid. Tik is links boven me, tak is rechts boven me, pflet is op de vuilnisbak naast me. & De overige druppeltjes ruizen voorbij.
’t Regent dunne druppels terwijl de zon schijnt. ’t Is een lokale bui, zeer lokaal, want slechts bedoeld voor ’t balkon op 2-hoog. Fijne, dunne druppels maken hun reis door de zonneschijn.
‘Regenboog,’ denk ik. ‘Regenboog. Die moet toch ook bestaan voor kleine dunne druppeltjes.’
Maar wat er niet is, dat kan er ook niet zijn. Of wat niet waargenomen kan worden, is er niet. Hoewel de wc een slecht humeur heeft, dat weet ik. Toch zie ik niet waar ’t aan ligt. De wc blijft doorhummen, de regen drupt, de zon schijnt, een pistool laat zich richten.
Dingen die er niet zijn, daar denk ik aan. M’n buurvrouw die nog op vakantie is. De wc die geen gevoel kan hebben. Een regenboog veroorzaakt door een te kleine bui. Ik die achter de toonbank weg duikt.

Zijperspace is een smeltkroes.

lusjes

Een groene legerbroek, die allang al geen legerbroek meer is, omdat-ie wordt ontworpen om er uit te zien als legerbroek. Lange zakken, minstens 6. Touwtjes, knopen, lussen, aantrekkoordjes.
Je koopt zulke broeken bij de Dumpstore. De Dump, zoals ik me weet te herinneren dat we ’t vroeger afkorten. Of misschien heette ’t alleen maar in Den Helder de Dump.
Zouden ze ’t zo genoemd hebben omdat je gepaste kleren onopgevouwen terug moet leggen op een bepaalde plek?
De verkoper zei tegen mij: ‘Leg die maar op de dumpplek.’
De broek die ik niet wilde hebben. Op de dumpplek. Want ik had opgemerkt dat zij vast goed waren om kleren weer in de juiste vorm terug te hangen. De dumpplek was een stapel rekjes, waar onnoembare plastic zakken met inhoud lagen. Ik kon er niets in herkennen. Geen handel, geen verlangen evenmin zoiets te willen bezitten. Ideaal voor een dumpplek, maar niet makkelijk als dusdanig te herkennen.
Behalve dat ’t in de buurt van de toonbank stond. Dat weer wel. Dat als je wil afrekenen, je spulletjes op je arm, je automatisch op zoek gaat naar een plek waar je de overbodigheden kwijt kan. Dumpen. Weer dat woord.

Ik wist de Dump nooit te vinden. Had daar ook moeite mee met die in Amsterdam, toen ik ’t advies had gekregen daar ‘ns voor een nieuwe broek te gaan kijken. Ben er 3 keer voorbij gereden. Dumpstores hebben camouflagekleuren aangenomen, zoals de kleren die ze verkopen, om te beantwoorden aan hun eigen aanbod.
Maar er uiteindelijk binnenkomend, bleken ze slechts een enkele groene broek te verkopen. Dat was in ’t begin van ’t seizoen. Vlak voor vakantie. Dus kocht ik een grijze. Zodat ik niet te ontwaren zou zijn tegen de verte van de grijze lucht, die de zomer tot op dat moment bepaalde, dacht ik er maar bij.
De 2e keer een groene. Zomerdun, waar zwetende benen in bleven plakken, maar de wind welig door kierde.

‘De vorige keer heb ik deze broek hier gekocht,’ wees ik naar m’n grijze aan m’n benen. ‘Heb je nog zoiets? Maar dan liefst groen.’
De man was in een ijverige stemming. Ging uit zichzelf voor me zoeken, daar waar ik ook wel ‘ns voor ’t broekenrek gezet ben & men wachtte tot ik de winkel weer zou verlaten.
‘Wat voor maat heb je?’ vroeg-ie.
‘Dat weet ik dus nooit,’ antwoordde ik. ‘Dat vergeet ik elke keer.’
Telefoonnrs weet ik me wel te herinneren, maar de maten van m’n kledingstukken raak ik gemakkelijk kwijt. Goed, dat ik schoenen van maat 42-43 heb, dat weet ik nog wel; & dat t-shirts mij ’t best passen in ’t maatje large, maar de onderbroekenkwestie voor de schappen van de Hema baart mij elke keer toch zorgen. Welke moeder onder ’t werkend personeel weet ik te herkennen om hierover raad te vragen? & Bij ’t telkens opnieuw aanschaffen van broeken in ’t steeds ‘tzelfde winkeltje op de Albert Cuyp liet ik dochterlief aan de achterkant van de broek frummelen om ’t labeltje van de maat tevoorschijn te kunnen peuteren.
Ik bedacht me er maar bij dat ik niet lenig genoeg was om dat bij mezelf te kunnen doen. Lichaam draaien, nek meekrommen, schuin achterover buigen & ogen uit de kassen staren op zoek naar ’t achterwaarts tevoorschijn gepulkte labeltje.

Hij gaf me 2 broeken mee.
‘Pas die maar,’ zei hij erbij. ‘Als je een andere maat nodig hebt, dan hoor ik ’t wel.’
Ik gaf even later een gil, vroeg om iets kleiner, & hij reageerde dat-ie alleen nog maar groter had.
Maar de spiegel stond goed. Die mocht er zijn, dacht ik. Even overbodige touwtjes verwijderen & ik was ’t heertje. Hoewel je dat niet zou zeggen, in zo’n broek waar vroeger soldaten in hadden gezeten. Of die in ieder geval de schijn moest ophouden dat dat soort mantuig er in gehuisd had.

Thuis nog even gekeken of m’n eigen spiegel ook zo goed stond. Even wat meer ruimte ook om te paraderen. Stoer kijken, zonder dat iemand over je schouder mee kan kijken.
De wijdbeenstand uitgeprobeerd. Waarin je laat blijken dat je best wel een goedje hebt bungelen in dat laaghangend hobbegezak in ’t midden. De wijdbeenstand: vol uitzicht op ’t kruis. Kijken of alles er nog wel is.
Toen zag ik opeens 2 lusjes. 2 Volledig overbodige lusjes. Als hangzakken in ’t midden onderaan. Dat wat van binnen zat, werd daardoor aan de buitenkant gesymboliseerd. Misschien om je broek op te hangen aan een knaapje, na een lange dag arbeid, of een regenachtige dag, zodat ’t snel zou drogen, maar buiten militaire diensttijd kon ik me alleen maar vrouwen voorstellen die me in m’n gezicht zouden uitlachen, wijzend naar een kleine meter lager.

Ik heb een schaar gepakt, na een dag binnenskamers op proef gelopen te hebben met m’n nieuwe aanschaf, diverse malen m’n spiegel daarbij raadplegend, & ben gaan snoeien. M’n kruis moest korter. & Hangend in de hangstoel, met goed uitzicht op daar waar de operatie moest gaan plaatsvinden, ben ik aan de gang gegaan.
Achteraf bedacht ik dat ik de broek ook uit had kunnen trekken om ‘tzelfde resultaat te behalen, maar dat had vast niet ‘tzelfde bevredigende gevoel van zelfzorgzaamheid gegeven.

We durven ons weer te tonen, ook met dat wat onder de gordel zit in Zijperspace.

letteren

Ik wacht. Tussen 12 & 1. Dan zou er gebeld worden. Dus wacht ik.
Ondertussen een boek. Wachten is niet erg als je een boek hebt. Vind ik in ieder geval. Als ik een boek heb, dan kan alles. Zolang ik me maar kan concentreren.

¼ Voor 1 is er nog steeds niet gebeld. De aandacht wordt minder.

¼ Over 1. Ik besluit ’t ziekenhuis te bellen. Waarom ik niet gebeld ben. Ik heb toch duidelijk een belafspraak staan.
Na kort overleg & wat uitzoeken word ik teruggebeld met de mededeling dat er een afspraak staat voor donderdag.
‘Kan niet,’ zeg ik, ‘want op donderdag werk ik altijd. Dat heb ik vorige week nog duidelijk gezegd, bij ’t maken van de afspraak.’
De assistente zou haar best doen om mij evengoed nog gebeld te krijgen.

Ik wacht. Ik probeer te lezen. Niets anders. Ik kan niet schoonmaken. Niet tandenpoetsen. Nog maar net plassen. De afwas blijft staan. Ik kan alleen nog maar net lezen. Naast plassen. Zover ’t gaat. Ik moet wel klaar staan om de telefoon aan te nemen.

‘Ik lees veel,’ zeg ik tegen Rachel.
Ik moet m’n tijd opvullen, dus ga ik anderen bellen. Niets gebeurd, behalve dat m’n benen vermoeid geraakt zijn van ’t languit liggen. De beste houding immers om lange tijd achter elkaar te lezen.
‘Wat lees je dan?’
‘Boeken.’
‘Ja, dat weet ik. Dat dikke boek?’
‘Nee, die even niet meer. Daar heb ik geen tijd voor nu. Boeken die genomineerd zijn.’
‘Voor de Ako-literatuurprijs?’
‘Nee, die ook niet meer. Die heb ik al bijna allemaal gelezen.’
‘Heb je ze allemaal gelezen?’
‘Ja, die van de shortlist in ieder geval wel. Behalve Emmerik.’
‘Voor de rest heb je alles gelezen?’
‘Nou, ja. Bijna allemaal. Ik moet er nog een paar van de longlist lezen. Maar daar heb ik even geen tijd voor.’
‘Wat ben je dan aan ’t doen?’
‘De shortlist van de debutantenprijs. De Geertjan Lubberhuizenprijs, geloof ik dat ’t heet.’
‘Dan lees je weer de hele lijst?’
‘Ja, als ik er zin in heb.’
‘Maar je hebt er zin in?’
‘Ja. Ik vind ’t leuk. Erg leuke boeken kom je dan tegen. Ik heb ze bijna allemaal uit.’
‘Ton, je bent verslaafd!’
‘Ja, leuk hè. Verslaafd zijn is leuk.’

Ik bel m’n moeder. Na nog weer 40 bladzijdes.
‘Laat Quint mij maar bellen,’ zeg ik na kort overleg.
‘Je bent gewoon thuis?’ vraagt m’n moeder.
‘Ja, nog zeker wel een uur. Anders heeft-ie m’n mobiele nummer toch?’
Ik laat me op de bank vallen om verder te gaan.

Ik word gestoord door de telefoon. Ik leg m’n boek opzij.
‘Ja,’ zeg ik even later tegen m’n internist, ‘ik kreeg van m’n opticien letters voorgeschoteld & m’n linkeroog kon ze niet scherp krijgen.’

De letters zetten vervolgens hun dans voort in Zijperspace.

punt

Op een gegeven moment ga je je afvragen waar bepaalde personen moeite mee hebben. Wat heb ik ze aangedaan dat ze zo hardvochtig moeten zijn? Ongenuanceerde uitspraken. Steek onder de gordel. Afbekken. Beledigen.

Dat ik hypochonder ben, dat wist ik allang. Daar kan ik mee leven. Ik doe dat al langer dan dat bepaalde personen weet hebben van ’t woord dat ervoor bestaat. Ik kan er mee leven als mensen de conclusie van hypochondrisch trekken over mijn gedrag, mijn schrijven, mijn houding, mijn gebrek aan durf. ’t Kost me al te veel moeite om bij tijd & wijle een beslissing te nemen, waarom zou ik me dan druk maken als mensen die indruk van me krijgen? ’t Is immers waar wat ze denken. Ze mogen ’t van mij meedelen aan anderen. Ik zal m’n zwakke punten moeten accepteren, ook al worden ze uitgesproken door een andere mond, om sterker te kunnen worden. Zo heb ik altijd gedacht. Weet waar je achilleshiel is, dan zal men je minder snel kunnen raken.

’t Is niet mijn gewoonte om via dit weblog actualiteiten naar voren te brengen. Dingen die spelen binnen weblogland. Dat is iets van ’t verleden; dat doen andere mensen wel. Ik ben beter in ’t schrijven over mijzelf, verhaaltjes, stukjes, columns. Net zoals men ’t wil noemen. Daar heb ik in de loop van de tijd een vorm in gevonden. Waarin ik mijn persoonlijkheid naar voren breng. Overdrijf, verzwijg, benadruk, blootleg.
Er zijn vele boeken die nog geschreven moeten worden. Ik schrijf een klein hoofdstukje. Een alinea over mezelf. De rest van ’t reeds geschrevene, dat wat voor zich spreekt als men mij ontmoet, zal men zelf moeten willen openen. De witregels, dat wat volgt achter een punt, wat tussen de zinnen door wordt gezegd, zal men zelf moeten willen opvullen.
Mij te kennen in ’t dagelijks leven kan daarbij helpen.

& Dat juist iemand die ik in ‘t ‘echte’ leven ken, iemand waarmee ik in ieder geval 1 keer per jaar op een bierfestival in Canterbury bier sta te verkopen, een weekend lang mee omga, mij perse kwetsend moet bejegenen, me zonder argumentatie moet neerzetten als een ‘neuzelaar’, daar kan ik met m’n hoofd niet bij.
Ik heb ’t nooit begrepen.
Ik heb Pieter van de middelbare school nooit begrepen, die altijd ten overstaan van al z’n vrienden mij in de zeik moest zetten als ik van de wc afkwam, daarbij opmerkend dat ik waarschijnlijk weer naast de plee had gepist. Brian niet, in ’t jongerencentrum, die kleine Bas z’n keel toekneep, omdat Bas teveel toenadering tot de meisjes zocht. Etterbuiltje, met z’n stinkende parfum, werd Bas genoemd. Bekius niet, m’n docent, die mij klassikaal voor schut wilde zetten, omdat ik drukker was dan de rest & telkens naar de wc moest als ik zenuwachtig was. Nog enkele anderen niet.

Ik heb een kwaaltje. Daar schrijf ik nu over. Ik kan niet tegen mensen die van zichzelf vinden dat ze een grote bek op moeten zetten tegen mensen die hun zwakheden durven tonen. Dat ze daar over heen moeten walsen. Anderen daarbij willen betrekken, om gezamenlijk ongenuanceerd zo’n persoon uit te kunnen lachen.
Ze noemen hem ‘neuzelaar’ & blijven er in hangen.
Want verder komen dat soort personen blijkbaar niet. Iemand ‘iets’ noemen. Denken dat ’t daarbij blijft.

Maar er is een weg verder in Zijperspace, niets stopt na een punt.

duinpan

In de verte zagen we over 't strand een groepje mensen aan komen lopen. Een meisje draaide om de groep heen terwijl ze voortschreden door 't zand. Haar hand hield ze vreemd hoog. Ze rende, schreeuwde, maakte buitelingen, terwijl haar hand klaarblijkelijk iets vasthield.
Wij zaten in de duinen. Verborgen tussen enkele pannen. We waren al enkele malen naar beneden gekletterd, de broekzakken zaten vol, hadden elkaar nagejaagd, een kuil dieper dan de duinpan gegraven om zo een bunker te verbeelden, waar vanuit we de vijand, de ander, konden aanvallen, hadden rondgerend, waren stervend achterover van de helling gevallen, m’n broer nog levensechter dan ik, & hadden de buurt afgezocht naar vrijende koppeltjes. Niets gevonden bij dat laatste.

‘Als je je vingers om je ogen doet,’ zei m’n broer, ‘dan kan je verder kijken.’
Hij krulde z’n duim & wijsvinger tot ronde gaten, vormde een koker van de andere vingers & tuurde door deze verrekijker naar ’t rondhuppelende dametje. Ik volgde zijn voorbeeld & had zodoende ’t te bespieden object duidelijk in ’t vizier.
‘Zie jij al wat?’ vroeg ik m’n broer.
‘Ja, volgens mij heeft ze een geheim wapen bij zich,’ antwoordde hij.
Zijn verrekijker was natuurlijk weer van betere kwaliteit. Daar was ik ’t jongere broertje voor.

We hielden ons stil. Kropen na fluisterend overleg naar een andere plek, met nog meer prikkend helmgras, waarvandaan we zeker wisten dat ze ons niet konden zien kijken. We leverden aan elkaar verslag uit, hoewel we beiden ‘tzelfde waarnamen.
Ze hielden halt. Een 100 meter van ons verwijderd. Wij konden van schuin boven hen zien wat er gebeurde.
Ze spreidden enkele doeken uit, een rugzak werd leeggehaald. & ’t Meisje dat nog steeds met haar hand hoog bleef rondhuppelen. We konden haar nu horen.
‘Ho, Bruno. Stoppen. Ga maar even zitten.’
&: ‘Zo, rustig. Kalm. Kijk eens wat ik voor je heb. Een grote kluif.’
Ook: ‘Pak de stok. Pak de stok. Goedzo. Brave Bruno.’

Ik rapporteerde zachtjes mijn bevindingen aan m’n broer.
‘’t Is geen geheim wapen, Carel. Volgens mij heeft ze een hond.’
Hij sprak mij tegen.
‘Nee, geen hond. Want ik zie geen hond.’
Hij had gelijk.
Toch hield zij nog steeds haar hand hoog, alsof ze een reuzenhond aan de lijn vasthield.
‘Ik probeer stiekem verder te kruipen,’ zei Carel. ‘Dan bespied ik ze vanaf de volgende heuvel. Blijf jij hier.’
‘Nee, ik wil mee.’
‘Dat kan niet. Jij moet de bunker verdedigen.’
Op zulke momenten waren we opeens weer bezig met ’t spel dat we al een ½ uur geleden hadden stopgezet. Maar bunker was een magisch woord. & Verdedigen was een plicht. Dus bleef ik. M’n broer was immers commandant.

’t Meisje bleef doorgaan. Ze rende, ogenschijnlijk een hond naast haar aan de lijn. Ze stopte. Gooide een stok. Die in ’t zand bleef liggen, maar die tegelijkertijd, getuige haar reacties enkele tellen later, werd geapporteerd.
‘Oh, Bruno. Brave hond.’
Volgens mij had ze toch een hond. Een onzichtbare hond. Ik zou ’t Carel straks vertellen.
Verveeld van 't kijken naar niets ging ik bij onze niet-bestaande bunker zitten. Ik stapelde kleine stukjes hout tot een piramide, om me aan denkbeeldig vuur te warmen. Ik had geen lucifers.
Tot Carel me weer kwam opzoeken.
‘Ze is gek,’ zei Carel.
‘Ja, want ze heeft een hond die niet bestaat,’ reageerde ik.
‘Zullen we naar huis gaan?’ vroeg Carel verveeld.
‘Ja, ik heb honger.’
We kwamen tevoorschijn uit onze schuilplaats. Denderden gillend als woeste soldaten de duinhelling af. Zandverstuivingen veroorzakend.
‘Hé, Truus,’ werd er vanuit ’t groepje naar ’t meisje met de hond geroepen, ‘doe nou even normaal & kom erbij zitten.’
Ze had opeens geen riem meer. Misschien een heel klein hondje nog maar. Die konden we net zo goed niet zien toen we voorbij de groep kwamen lopen.
‘Ze is gek,’ fluisterde Carel.
‘Hartstikke,’ zei ik.
We begonnen te rennen om vlugger thuis te zijn.

We waren snel terug in ’t echte Zijperspace.

vorks

In Engeland gebruiken ze de vork vaak op z’n kop. Is mijn conclusie na vele keren ontbijten in the Sportman’s cafe, in Canterbury.
Zat ik tegenover iemand met wel 2 eieren, gebakken tomaat, bacon en nog een sausage bovendien. Werden de restantjes bij elkaar geschraapt dmv een stukje witte boterham, tussendoor een slokje thee, met die bewuste vork dus in omgekeerde houding.
Schrapen is nog niet zo erg. ’t Is meer dat vervolgens de vork op dezelfde wijze richting mond wordt gebracht. De bolle kant boven.
‘Hé, dan prik je met de punten in je tong,’ zegt dan m’n misschien wat bekrompen hollandse geest.
Ademloos aanschouwde ik de vlucht van de vork, gestuurd door de hand, de arm, ’t lichaam, maar door z’n verkeerde ligging in de lucht ervoer ik de entiteit als volledig zelfstandig. Ik vergat er zelf van te eten. Hoe kan dat? & Dan werd er een dropshot gepleegd in de mond van de etende persoon.
Overigens meestal mannen. Ik at zelden met een vrouw aan tafel. Ons team in Canterbury heeft slechts 2-maal een vrouw bevat. Die heeft slechts 2 keer meegegeten in de Sportsman.
Dus die man. Die kwakt ‘m van boven de lip tot vlak achter ’t gebit. & Hij had medestanders in ’t volk, verzameld aldaar in de Sportman. Gelijkgestemden.
Ik word me daar erg veel meer bewust van, van zo’n dropshot, waarvan ik dacht dat de amerikanen dat tbv ’t basketbal hadden uitgevonden, als ik dergelijke taferelen zie, met een vork die ‘t niet doet zoals-ie ’t normaliter hoort te doen.
Als nederlanders de vork hadden uitgevonden, of anders de dropshot, dan zouden ze ‘m niet overzees hebben gebracht. Zo onachtzaam, zo slordig als daar mee omgegaan wordt.
De bolle kant hoort te schuiven. 1st De punten over de onderlip, neervlijen voor ondersteuning, coördineren, peilen wat de situatie is, een woest & snel verkeer van gegevens van & tussen mond & hersens, & dan schuift langzaam, behoedzaam zou een mooi nederlands woord hiervoor zijn, waarbij ik de engelsen ervan verdenk die subtiliteit in ’t uitdrukkingsvermogen te ontberen; behoedzaam dus, verdwijnt ’t hapje dat opgehoopt ligt op de verzamelkant van ’t instrument richting gehemelte. Om dmv afsluiting door de lippen & eventueel nog aanwezige tanden verhindert te worden dezelfde weg weer naar buiten, achter de leverancier aan te gaan.
De bolle kant neemt bij de engelsen de verzamelfunctie in. Waar eigenlijk geen ruimte bestaat voor ophoping.
Sla ik nog ’t feit over dat ’t schuiven van ’t etensmateriaal nare gevolgen kan hebben op deze wijze. Want een vork is krom. Over ’t algemeen. Zodat ’t voedsel zich automatisch bijeengaart op ’t diepste punt: de holte, ofwel: de bedding. Onderhevig aan de nimmer aflatende kracht die de zwaarte van de aarde ook op voedsel uitoefent, wil ’t rusten op een veilig plekje, waar niet zoveel neerwaartse druk wordt uitgeoefend, waar ’t in ieder geval zonder vergaande risico’s neergedrukt kan worden.
Of, zoals bij de engelsen: naast de vork. Over de vork heen. Misschien daarbij wel op ’t colbertje, de broek, of in ieder geval naast ’t bord belandend.
Eigenwijs vervolgde ik m’n maaltijd, ietwat aangepast aan de engelse standaard, door in ieder geval bacon, tomaat & ei, tostietje & schuin gesneden sandwiches daarin op te laten nemen. M’n vork in continentale aanslag. Schuivend onder ’t gebodene, dat wat voor verorbering mij voorgeschoteld was, ’t oplepelend op vorkse wijze, een enkele keer spietsend in geval er gesneden & niet verschoven moest worden, maar daarbij alras de vork draaiend om ’t onderlangs m’n bovenlip te manoeuvreren.
De nederlander heeft niet veel bereikt, bedacht ik me, maar ’t eten van de maaltijd, ’t vervoer van de hap van bord richting mond, heeft ons volk toch maar even tot in de puntjes geperfectioneerd.
& Meewarig keek ik om me heen. Men smakte luidkeels, doch zwijgzaam, zijn commentaar over de randen van de borden.

In Zijperspace heeft men altijd als 1st ’t bordje leeg.

knijples

‘Ik heb eigenlijk altijd alleen maar mannen gekend die niet al te macho zijn,’ zegt Arisca. ‘Ik neem aan dat jouw handen ook niet al te los zitten als je een vrouw tegenkomt?’
Arisca, van 20 jaar geleden. Samen op de middelbare school. De reünie van april gaf aanleiding om nog eens een keertje af te spreken. 't Hele leven gaat in een avondje aan ons voorbij. Of in ieder geval de 20 jaar dat we niet van elkaar weten. We tasten af. We kijken of we nog steeds dezelfde zijn, welke conclusies we in de tussentijd hebben genomen.
‘Ach, ik raak wel 'ns de billen aan van een collega,’ zeg ik, ‘maar dat kan je niet voorkomen als je samen achter de bar staat. Er ligt ook wel eens een borst in m'n nek. Dat probeer ik altijd uit de weg te gaan. Ik mag van mezelf vooral niet bewúst een vrouw aanraken, hooguit per ongeluk.’
‘Je zult niet een keertje expres in de billen van een vrouw knijpen?’
‘Nou, als ik door haar 1st wordt geknepen, dan geeft dat natuurlijk aanleiding om 't terug te doen, maar ik zal ’t niet uit mezelf doen.’
Als ik even later voor Arisca uit een trapje richting kroeg oploop, knijpt Arisca me hard. Ik schrik. Ik had er even geen rekening mee gehouden.
‘Je weet wat dat betekent,’ weet ik er nog net uit te brengen.

We nemen afscheid. Zij moet links, ik iets verderop naar rechts.
‘’t Was leuk.’
‘Ja, ’t was leuk. Ik bel je wel na m’n vakantie, dan spreken we nog een keer af.’
We buigen over onze fietsen heen, geven elkaar een zoen. Ik laat ondertussen m’n hand onopvallend zakken & knijp haar uiteindelijk terug. 2 Uur later, want je moet 't doen op ’t moment dat 't 't minst verwacht wordt.
‘Au,’ zegt Arisca lachend. ‘Ik dacht wel dat 't nog zou komen.’
‘Ja. Je had er om gevraagd. & Nu mocht ik.’
‘Maar je kneep wel hard.’
‘Jij kneep ook zo hard.’
‘Je moet niet met je vingers knijpen.’
‘Waarom deed jij dat dan wel?’
‘Kijk, zo moet 't.’
Ze steekt haar hand naar voren. Haar 4 vingers naast de duim vormen een platformpje. Ze schuift ze richting duim.
‘Doe maar.’
Ik buig weer wat voorover & sla weer toe.
‘Nee, te hard nog.’
Ze pakt m'n hand die nog aan haar billen staan verkleefd.
‘Rustiger. Zo.’
Zachtjes lift ze haar eigen bil in mijn hand omhoog.
‘Oké. Nu weet ik 't.’
Ik laat zien dat lessen aan mij goed besteed zijn & breng een groot deel van haar rechterachterwerk samen tot een kleiner oppervlak door de 4 vingers met inhoud richting duim te bewegen. Langzaam, niet te snel.
‘Ja, zo. Je bent een snelle leerling.’
‘Maar waarom kneep jij dan zo hard?’
‘Kijk, vrouwen moet je altijd een andere behandeling geven. Die houden meer van subtiliteit.’
Reünie, ja, reünie in perfectie doorgevoerd. Ik voel me weer de les gelezen als 't jochie op de middelbare school.

We zullen niet meer spijbelen in Zijperspace.

voorbijgegaan

Ik heb er wel excuses voor. Hoewel ik ’t evengoed slordig vind. Ik had evengoed wel een paar redenen om ’t te vergeten.
Vanaf 7 uur ’s ochtends verwachtte ik al dat de deurbel zou gaan. Ik zou dan lekker blijven slapen, had ik me voorgenomen. Hadden ze me maar moeten inlichten.
& Hoewel ze niet aanbelden, kwam er van dat lekker blijven slapen niet veel. De onrust was er. De adrenaline straks gestoord te gaan worden. Dus stond ik gewoon om ½ 9 op. Na vanaf 7 uur geen oog meer dichtgedaan te hebben.
Ik zou ze wel leren, had ik van tevoren bedacht, maar ik leerde mezelf weer kennen. Alsof ik van mezelf nog niet wist hoe ik in dat soort situaties zou reageren.

Ik ging meteen maar voor ’t beeldscherm zitten. Verhaaltje schrijven over de avond ervoor. Over kontknijpen. & Hoe je dat moet doen. Niet met de vingers, maar met de hand.
Toen de bel alsnog ging. Iets voor 9.
Ik trok m’n meest verbaasde gezicht.
‘U was niet op de hoogte dat wij vandaag de steiger zouden verwijderen?’ vroeg de woordvoerder van de 3 mannen me al snel.
‘Ik had gisteren wel gehoord dat de werkzaamheden voorbij waren, maar niet dat de steiger vandaag weggehaald zou worden,’ zei ik schijnheilig.
Ik zou ze leren, wist ik nog.
‘Maar kunnen we aan de gang?’
‘Ik moet om ½ 11 weg zijn.’
Ze gingen in ieder geval maar vast beginnen. Te kort tijd, maar dan was in ieder geval een gedeelte van de steiger ontmanteld. Morgen de losse onderdelen uit de tuin. Als dat tenminste schikte. Ging de woordvoerder ondertussen op zoek naar een huis via welk de 2 ontmantelaars weer de straat op zouden kunnen.

‘Je hebt een aangename buurvrouw,’ kwam de man me enkele minuten later weer storen.
‘Ik heb alleen maar aangename buurvrouwen,’ reageerde ik naïef.
‘Maar ze is om 10 uur weg. Ik moet even verder zoeken.’
Kort overlegde hij met de 2 duitse werkers. Hij liet ze zien waar ze de spullen konden neerleggen, zodat niet de gehele tuin geplet zou worden.
In Duitsland bestaat ’t fenomeen ‘tuin’ blijkbaar niet, dacht ik, want hij was nog niet m’n deur uit voor ’t vervolg van z’n zoektocht of de ene duitser gooide van hoog boven de steiger z’n jas diep de tuin in, waarop z’n landgenoot enkele planten uit elkaar rukte om de jas op te kunnen rapen. Weer een extra meter tuin die ik me ga laten vergoeden door de woningbouwvereniging, dacht ik. 10 m² Waar ik me inmiddels al druk om had gemaakt.

Ik liet m’n gordijnen voor 3-kwart gesloten, zoals ik ’t de afgelopen weken gewend was te doen. Weinig zon die binnenkomt, maar bovenal een maximale beperking voor de heren werklieden om bij mij naar binnen te kunnen gluren. Ik wilde niet ’t idee hebben dat ze mij van achteren konden bekijken, terwijl ik de dagelijkse dingen deed.
Zoals pogingen m’n verhaaltje over kontknijpen uitgetikt te krijgen.
Maar de coördinator kwam weer aanbellen om te melden dat-ie enkele deuren verder iemand bereid had gevonden tot 11 uur inhuizig te blijven, zodat z’n collega’s een vluchtroute hadden. Bovendien wilde hij van de gelegenheid gebruik maken om bij mij te informeren rond welk tijdstip ’t uit zou komen op vrijdag de restanten te ruimen.
Ik liet ‘m vervolgens uit, smeerde een boterham in de keuken, met uitzicht op de 2 werkende lieden, schonk mezelf een kop thee in & bedacht me ondertussen dat dit niet de optimale omstandigheden waren om over kontknijpen te schrijven. Laat staan over iets anders.
Ik wilde me even niet concentreren.

Zodoende, & niet anders, is ’t feit volledig aan m’n aandacht voorbij gegaan, aangezien ik niet de moeite heb kunnen nemen een datum te geven aan ’t stukje dat ik gister had willen schrijven, waardoor ’t me wel te binnen zou zijn geschoten (hé, ’t is vandaag 9 september!); ’t feit dat ik vandaag, inmiddels dus gister, 3 jaar besta.
& ’t Meedelen van deze blamage kost mij door de reeds beschreven voorvallen een dermate grote hoeveelheid woorden, dat waarschijnlijk niemand ’t voor elkaar krijgt tot aan ’t eind van deze tekst te komen om tot de conclusie te komen dat ik daar weer ‘ns mee gefeliciteerd dien te worden. Dat kost de lezer op zijn beurt weer te veel moeite.

Evenzogoed: Hiephiephoera, Zijperspace bestaat 3 jaar (plus 1 dag).

Ps: Neem nou ajb niet de moeite die 1e datum op te zoeken, want ten 1e is ’t waarschijnlijk niet terug te vinden (ook door mijzelf niet), aangezien er door meermaals overzetten naar andere programma’s stukken tekst verloren zijn gegaan of anderszins op een verkeerde plek zijn terecht gekomen, & 2-ens ’t zeker niet interessant is wat ik toentertijd allemaal te melden had.

afleiding

‘Ton, je let gewoon niet op!’ zei Rachel.
Ik pakte snel m’n stuur weer vast. Wendde m’n blik af van ’t tafereeltje in ’t park & keek Rachel aan.
‘Wat dan?’ vroeg ik. ‘Is er wat?’
Stotterend, overdonderd, wakker geschud.
‘Als ik tegen je praat, dan ben je aldoor met iets anders bezig. Je bent de hele tijd afgeleid.’
‘Oh, oh, ja, maar, hm,’ stamelde ik.
Ik kreeg ’t er niet uit.
‘Sorry,’ zei ik dus maar.
‘Heb je wel goed geslapen, de laatste tijd?’
‘Ja, dat gaat wel weer goed. Geen last meer van een muis. Maar ik voelde me wel nog erg slaperig toen ik vanochtend terug kwam van boodschappen.’

We gingen op ’t terras van de Sarphaat zitten. Marloes kwam er even later bij.
‘We hadden ’t er net over,’ zei ik tegen Marloes, ‘dat we misschien beter bij de IJsbreker konden gaan zitten. Hier hebben we straks geen zon meer.’
‘Wacht,’ zei Marloes, ‘ik bestel nog wel even 1 drankje.’
Ik keek om me heen terwijl Rachel & Marloes ’t laatste nieuws uitwisselden. ’t Was fietsenspitsuur op de sarphatistraat, zo leek ‘t. Een constante stroom ging aan mij voorbij.
‘’t Is wel druk hier,’ zei ik.
‘Vind jij toch leuk, als er veel vrouwen voorbij komen?’ zei Rachel.
‘Ja, maar er zijn ook heel veel auto’s. Die leiden af. Dan zit ik liever voor de IJsbreker.’
‘Jaja,’ reageerde Marloes, ‘1st even m’n glas legen. Ik snap de hint.’
‘Nee, sorry,’ zei ik. ‘Ik was gewoon even in gedachten. Ik was enkel aan ’t bedenken waarom we beter bij de IJsbreker konden zitten.’

‘Zo, hé,’ zei ik, ‘wat is ’t druk hier.’
‘Ja, genoeg te kijken voor jou,’ zei Rachel.
‘Ik zit in ieder geval met m’n gezicht de goede kant op.’
‘Wij ook.’
Ik keek naar de fietsers die voor de IJsbreker langs trokken, Rachel & Marloes deden hun ogen dicht voor de aanbidding van de zon, die over de Amstel scheen.
Vroeger kon ik alles tegelijk, dacht ik. Dan was ’t nooit te druk. Terwijl ik iedereen aan me voorbij zag trekken, volgde ik tegelijkertijd de conversaties aan belendende tafeltjes & wist ik evengoed waar mijn tafelgenoten ’t over hadden.
Ik werd van deze gedachte afgeleid door de glanzende stof van de broek van Rachel. Daar had ze onderweg iets over gezegd. Op de fiets door ’t park. Toen ik m’n ogen voor de zon had afgedekt om de mensen langs ’t pad te kunnen zien.
Ik pakte de stof van de broek vast. Wriemelde ’t tussen m’n vingers.
‘Dat bedoelde ik daarnet nou,’ zei Rachel.
‘Dat die stof van jouw broek zo glad is dat je ’t niet voelt?’
Om even te laten merken dat ’t heus wel tot me doorgedrongen was.
‘Nee, dat als ik ’t ergens over heb, dat jij dan plotseling overgaat op iets anders.’
Stil. Weer betrapt.
‘Ja, sorry. Ik ben er niet helemaal bij vandaag.’
‘Niet alleen vandaag.’
‘Ja, zo ben ik nu eenmaal.’
‘& Dat zeg je ook altijd. Dat je er niets aan veranderen kan.’
‘Maar ik ben wel veranderd. Ik ben veel rustiger geworden sinds m’n schildklier is uitgeschakeld.’
‘Ja, da’s waar,’ gaf Rachel toe. ‘’t Ligt vandaag misschien ook een beetje aan mij.’
Dat drong niet meer tot me door. Ik ben veel rustiger, dacht ik. Daarom kan ik al die fietsen niet meer volgen. & Die gesprekken. Terwijl de gewoonte om met m’n hoofd alle kanten op te schieten, nog niet uit m’n systeem is.
De ogen van de dames stonden weer gericht op de Amstel & de zon. Hoewel dat niet te zien was door de dikke zonnebrilglazen.
Ik zei een passerende fietser gedag, wenkte de ober dat ik nog wat wilde bestellen & luisterde ondertussen ’t gesprek links van onze tafel af.

Alles is rustig in Zijperspace, of anders dringt ’t niet tot ons door.

verslaafd

Ik fietste langs. Telde de nummers van de huizen aan de overkant. Liet m’n blik langs de etages gaan. Ik taste de openstaande raampjes af. De raampjes die de hitte van de zomer af moesten voeren.
Dáár kon ’t niet zijn, dat blok daar op de 2e etage. Je laat niet een raam open staan als je 2 weken weg bent.
Ik keerde aan ’t eind van de straat om. Dezelfde weg terug. Nu zou ik dichter langs de huizen komen, ik zou de nummers nog beter kunnen zien.
Wacht. Ik had nog sigaretten nodig. Aan de overkant, op de hoek, was een snackbar.
Door ’t raam van de snackbar, wachtend op m’n beurt, telde ik opnieuw de huizen. Ik tuurde naar de bordjes. Die deur zou ’t moeten zijn, dáár, op 2-hoog.
Er stond toch een raam open. Maar Margriet zou weg zijn, had ze gezegd.
‘Zeg ’t maar,’ zei de man van de snackbar.

We fietsten hand in hand, ’s ochtends vroeg. Alleen bij de bruggetjes lieten we even los. Gaf ik haar nog een zetje, een slinger. Om haar vlak voorbij ’t hoogste punt weer bij te halen. Hand tikte op haar bil, waarop zij haar hand weer uitstak. Haar lach zag mijn hand naderen.
We wisten precies welke bochten we moesten nemen. Hoek om & meteen naar de overkant kijken of er tegenliggers te verwachten waren. Zonder iets te zeggen bleven we in zo'n geval aan deze kant van de gracht rijden, tot de volgende brug. ’t Loslaten 150 meter uitstellend.
Uiteindelijk achter ’t station langs. De laatste minuten. Op een gegeven moment moest haar fiets in de buurt van de pont naar Noord vast gezet worden. Dan moest ze beginnen met wachten, binnen, in ’t station. & Ik kon verder naar m’n eigen huis, alleen, om nog even de slaap in te halen. Dan was de nacht voorbij. Dan pas was de nacht voorbij.

We maakten afspraken. Die vaak niet verder gingen dan dat we elkaar ’s avonds zouden zien. Meeltje heen, meeltje terug. Plannen voor later in de week. Die meestal niet werden uitgevoerd. We bespraken de plannen nogmaals als ik laat in de avond toch nog de fiets had gepakt om bij haar te kunnen zijn.
Plannen werden voorstellen, & die werden vervolgens op ’t laatste moment uitgesteld, afgevoerd. Omdat ze iets anders had, moe was, een vriendin zou ontmoeten, de afspraak met de tandarts vergeten was. Keer op keer.

Ik hoefde haar even niet te zien. Zei ik haar. Ik moest m’n vertrouwen weer terug zien te winnen. Ik was te afhankelijk geworden door steeds te zitten wachten tot een afspraak wél doorging. Ik kon niet alleen maar bij haar slapen, verder niks, om ’s ochtends haar naar de trein te brengen.
’t Gaf niet. Zei ze. Ze zou toch 2 weken weggaan. & Ze zou een andere tijdelijke woning betrekken. Weer een logeerpartij van 2 maanden. Ze had zelf trouwens ook rust nodig. Die ze vast wel zou vinden in Parijs, voor 2 weken.
Haar kin schoof iets naar beneden. Ze keek me vanonder haar wenkbrauwen aan. Haar lippen krulden de verkeerde kant op om haar keus voor Parijs vrijwillig te noemen.
Ik gaf haar een zoen.
Laten we daarna dan weer contact opnemen. Zei Margriet.
Als ik er aan toe ben. Zei ik.
Haar kin nog een stukje lager. & Toen plots weer fier omhoog.

Dus fietste ik na de 1e week voorbij. Om te weten waar ’t huis was waar ze bij terugkomst zou wonen. Logeren.
De afhankelijkheid bonkte door m’n lichaam.
Ik had gelukkig nog een week te gaan.

Nee, ik doe ’t niet. Zei ik. Na de 2e week. Ik heb geen vertrouwen. Ik weet niet of je liegt. Ik weet niet of wat je zegt ook echt is. Ik wil dat ’t echt is, maar ik word er daardoor te afhankelijk van. Ik raak er aan verslaafd. Ik voel me als aan een koordje bungelen. Een elastiek, die strak gespannen kan staan & losgelaten kan worden, daardoor steeds weer terugschietend naar ’t andere uiteinde. & Weer terug afstand nemend.
Ik heb er 2 weken over nagedacht. Zei ik. Maar ik kan ’t beter niet doen. Ik ga er aan onderdoor. Ik ben verslaafd. Da’s erger dan alleen maar verliefd. & Elke dosis die ik krijg doet me naar meer verlangen. Ik krijg zulke kleine doses dat ik niet af kan kicken, dat ik toch steeds weer wil.
& Nu wil ik niet. Zei ik.

Waar ben je trouwens geweest in Parijs? Vroeg ik.
Parijs? Zei ze. Parijs? Ik ben niet weggeweest. Ik was de hele tijd ziek. Heb alleen maar binnen gezeten.
Ik heb aan jou gedacht. Hoorde ik haar fluisteren, toen ik de deur achter me dicht deed.

Clean trokken we verder Zijperspace door.

muismot

‘Hoe gaat ’t nu met je?’ vroeg Rachel.
‘Ach, ’t gaat wel,’ zei ik. ‘Ik slaap alleen erg slecht.’
‘Oh?’ zei ze.
Uitnodiging voor meer. Details.
‘Er zit een muis, geloof ik, boven m’n bed.’
‘Boven ’t plafond?’
‘Ja. Die begint ’s nachts rond te kruipen. Totdat ik me beweeg. Maar ik ben al meerdere keren ervan wakker geworden, midden in de nacht.’

Ik dacht 1st: dat is een mot, op zoek naar de buitenwereld. Ik weet niet precies hoe motten zich voortplanten, maar op dat moment had ik er enig idee van. Dat moment van slaperig wakkerdom, besluiteloosheid voor ’t nachtelijke plasje, & consternatie van ingeslapen te zijn terwijl ’t licht nog brandde. Zo rond dat tijdstip weten m’n hersenen mij bepaalde oplossingen als zeer plausibel voor te schotelen. Moedermot had in de tijd dat m’n huis nog toegankelijk was, de periode voordat de bouwsteiger in m’n tuin werd geplempt, haar eitjes achtergelaten, ergens in een vergeten hoekje, & zoonmot was nu bezig zich te laten leiden door z’n instincten.
Ik hoorde een soortement flapperen. Alsof vleugeltjes wild tegen ’t raam aan sloegen. Omdat buiten de lantaarnpaal de straat belichtte.
Ik schrok, richtte me op & deed onmiddellijk ’t aantrekkelijke licht van ‘t nachtlampje uit. Ik had geen zin in vleugels die in de buurt van mijn mond zouden komen terwijl ik zou liggen snurken. Ik stelde me al een droog gehemelte voor die door iets anders veroorzaakt zou zijn dan ’t constante in- & uitademen van lucht. Een tong die tijdens de zoektocht naar restjes speeksel een mensvreemd orgaan zou ontdekken, een wel zeer groot orgaan, een trilling, de laatste stuiptrekking van ’t insect.
Ik richtte me nogmaals op, besloot de fantasie te doven middels ’t geluid van m’n ontnuchterende nachtplas, & daalde daartoe af uit mijn hoogslaper.
’t Plafond is niet zo ver van mij vandaan. Slechts een ½e meter hoger gelegen dan mijn hoofd. Zo lijkt ’t als ik in bed lig.
Bekijk ik ’t objectief vanuit de huiskamer, dan moet ik concluderen dat ’t toch nog evengoed wel een meter is, maar ik hecht veel waarde aan de gevoelsbeleving van de nacht.
Terugkerend van de wc bedacht ik dat een mot die tikkende geluiden niet had kunnen maken. Tikkende geluiden tegen ’t systeemplafond. Tikkende geluiden die ik ook tijdens m’n ontwaken had gesignaleerd. & Dat flapperen van vleugels kon ’t trillen van een muizenstaart zijn.
‘Ik heb een muis boven ’t plafond zitten & die kan elk moment naar beneden vallen,’ was de volgende gedachte.
Ik weet mezelf altijd op een vindingrijke manier gerust te stellen.
‘’t Zou ook een rat kunnen zijn,’ ging ik verder, terwijl ik me weer in bed neerlegde, ‘want die heeft een krachtiger staart; beter geschikt om de flapperende vleugels van een mot te imiteren.’

‘Maar da’s niet zo erg,’ zei ik. ‘Ik weet dat-ie niet door ’t plafond heen kan. Erger is dat ik afgelopen week een paar keer huilend wakker ben geworden.’
‘Vanwege je vader?’ vroeg Rachel.
‘Weet ik niet. Ik weet dat ik droom & tijdens m’n droom opeens iets meemaak. Vervolgens lopen er tranen over m’n wangen & word ik wakker.’
‘Hè, vervelend. Ik heb ’t ook wel ‘ns.’
‘Nou, zo vervelend is ’t op zich ook weer niet, maar ik slaap dan een paar uur niet. Afgelopen nacht heb ik hooguit 3 uur geslapen. Lig ik de hele tijd aan motten & muizen te denken. & Aan m’n vader. Voor de rest gaat alles goed, hoor. Ik voel me nu kiplekker, ben evengoed uitgerust. Maar ik slaap gewoon slecht. Dan duurt de nacht zo lang. & ’t Is natuurlijk helemaal niet leuk om een groot gedeelte van de nacht te denken dat elk moment een muis naar beneden kan vallen.’

In Zijperspace hebben muizen een vreemde manier om zich voort te bewegen.

schouderklop

‘Ja, ja. Sterke verhalen,’ zeg ik.
In een niet-aflatende drift grappig met de klanten om te gaan. Elke keer iets nieuws heeft de mond van Ton te bieden, elke keer verrassend. Je kunt toch niet altijd & eeuwig de simpele vraag om lege glazen blijven herhalen?
Sterke verhalen dus. Van Erik afkomstig. Een clubje mannen met pakken om zich heen verzameld. Middelbare leeftijd. Leidinggevend. Klaar met werk. Een borrel na afloop van gedane arbeid.
& Ik loop verder. Om de hoek kan ik nog wel een witz kwijt.

De bar is gesloten. Ik verzamel glazen op ’t terras. De stoelen stapel ik op langs de kant. Maan mensen op te schieten met ’t laatste beetje bier in hun glazen, dat we dicht zijn.
Erik komt van achter op me toelopen. Legt een hand op m’n schouder.
Dat ben ik gewend. Hij wil wel vaker amicaal doen.
‘Ton, ’t was weer gezellig,’ zegt-ie dan.
Lacht dan naar me. Een lach van ‘tot de volgende keer’.
’t Hele groepje om Erik heen lacht vaak. Ze hebben de lol al in hun ogen als ze op de bar toestappen. Ze hebben elkaar daar in gevonden. Om de beurt zie je ze binnenkomen. De 1e kiest een geschikt plekje in de kroeg, genoeg ruimte voor degenen die nog moeten komen, de anderen voegen zich even later toe aan zijn gezelschap. De anekdotes gaan over tafel, de gulle lachen volgen, met aan de mond een steeds maar leger glas bier. Tot er 1tje opstaat, de portemonnee uit z’n broekzak frummelt, & de volgende ronde voorzet.
Aan ’t eind van de middag zeggen ze om beurten gedag, met nog steeds dezelfde glimlach, dezelfde voldaanheid, een twinkeling van genoten alcohol in de ogen. Van Erik een schouderklop er aan toegevoegd.

‘Ton,’ zegt Erik ditmaal. ‘Ik moest je even aanspreken over daarnet.’
Ik kijk op van de terrasstoel die ik aan ’t verhuizen ben. Recht m’n rug, de stoel in m’n hand omhoog bewegend.
‘Je maakte een opmerking, zonet bij mij aan tafel,’ gaat Erik verder.
‘Ja,’ zeg ik vaag, zo vaak als ik een opmerking maak, daarbij bedenkend, ik weet ze me niet allemaal te herinneren.
‘Ik had ’t op dat moment over m’n broer,’ zegt Erik. ‘Je weet wel, hij zat heel vaak bij mij aan tafel.’
Ik ga in gedachten snel alle gezichten af, alle lachende gezichten die mij te binnen willen schieten van Eriks gezelschap. De brede lach, de glimlach, de ironische, de gulle. Niet 1 wil lijken op een broer van Erik.
‘Hij is een maand geleden overleden,’ zegt Erik. ‘Dat kon jij natuurlijk niet weten, maar ik dacht: ik kan ’t je beter even zeggen. We hadden ’t over hem, toen jij die opmerking plaatste.’
M’n rug trekt krom, een stoelpoot raakt de grond, ik laat ‘m zakken tot-ie zelfstandig staat.
‘Oh, god,’ zeg ik. ‘Gecondoleerd.’
‘Dank je.’
‘Die eeuwige flauwe opmerkingen ook,’ verzucht ik.
Daar komt de hand op m’n schouder. Wederom.
‘’t Geeft niet,’ zegt Erik. ‘Ik dacht: ik kan ’t beter zeggen.’
‘Sterkte.’
Erik staat schuin voor me. Z’n linkerschouder wijst naar mij. ’t Is een vriendelijke man die daar staat. Een kalend hoofd, een brilletje, een sjis-klank als-ie te snel praat, licht krommende rug.
Ik kijk ‘m aan met verontschuldigende ogen. Hij kiert z’n ogen. Beweegt z’n hoofd niet voor een kort moment. De adamsappel slikt.
‘Maar we gaan,’ zegt Erik ter afscheid.
‘Prettige avond,’ zeg ik, met snel de gedachte dat een dode broer niet makkelijk in een prettige avond resulteert, ‘evengoed nog.’
Leegtes lijken zich voor even te vullen in herkenning, maar sluiten af voordat de emotie onecht dreigt te worden.

We stappen uiteindelijk alleen verder in Zijperspace.

ingezakt

Ik trek m’n t-shirt uit om een andere aan te trekken. Buiten. Ik ben me bewust van de ramen die uitkijken op de ingang van ons gesloten café, waar we gaan zitten, klaar met werk. Ik ben me ook bewust van de collega’s naast me.
Ik zeg tegen Wim (ze heet Janneke, maar daar hebben we er al 1 van, dus werd ’t voor haar ‘Wim’): ‘Sorry, hoor.’
Pas dan kijkt ze. Ze had zich waarschijnlijk niets van m’n blote bast aangetrokken. Nu ik ’t benadruk voel ik haar blik. Nu ik zeg dat ik me blootgeef, ben ik ’t pas. Anders was de wereld gewoon doorgegaan met draaien.
Dus praat ik verder. Dan zit er geen kurk meer op.
‘Kijk, vorig jaar kon dit nog wel,’ zeg ik. ‘Toen zag ’t er nog wel fatsoenlijk uit. Maar ik heb laatst ontdekt, in ’t begin van de lente, dat ’t een beetje aan ’t inzakken is, hier.’
Ik duid op enkele spieren bij de borsten. Ook mannen hebben die, ik stond er toen verbaasd over, mezelf in ’t nieuwe seizoen voor de spiegel aanschouwend.
‘Vorig jaar had ik dat nog niet,’ ga ik verder. ‘Toen stond alles nog recht. Maar opeens zag ik hangende borsten.’
Ik heb m’n t-shirtje inmiddels al aan, maar kan ’t onderwerp niet zomaar negeren. Ik ben er aan begonnen, dan moet ik ’t ook afmaken. Anders wordt ’t zo gênant. Als ’t dat al niet is.
‘Ik ben dit jaar natuurlijk ook 40 geworden. Die spieren zijn natuurlijk berekend op een 40-jarig leven. Ouder werden mensen vroeger niet. Dus dan hadden ze die spieren na 40 jaar ook niet meer nodig. Dus word je 40, dan ‘floeps’, zakken ze plots in.’
Wim lacht schamper. Misschien moet ik maar ophouden over dit onderwerp. Nou ja, nog 1 keer mezelf verantwoorden.
‘Ik kan me ook herinneren dat van Kooten & de Bie ’t over hun ouder wordende lichaam hadden. Toen moeten ze tegen de 50 aan gelopen zijn. Lieten ze elkaar ook hun borsten zien. & Hoe ze ingezakt waren. Dat dat toch eigenlijk alleen maar bij vrouwen zou gebeuren.’
Er wordt echter al niet meer naar me geluisterd. Allang niet meer. Wim bemoeit zich met ’t gesprek dat m’n andere collega’s aan ’t voeren zijn. & M’n t-shirt heeft m’n ouderdom inmiddels verborgen.

Maar daar, hè, daar. Daar moest ik aan m’n vader denken. Hoe hij in z’n stoeltje zat, voor de caravan in de zon. Een blauwe korte broek, een wit hemd zonder mouwen.
Ik was 8 toen hij 40 was. Hij was al een oude man, in mijn ogen, toen hij daar voor de caravan zat. De caravan die toen nog een vouwcaravan was.
Liep-ie eigenlijk wel ‘ns in z’n blote bast?
Als-ie ging zwemmen, ja. Maar dat deed-ie alleen ’s ochtends vroeg. Dat bespaarde hem weer een wasbeurt, zei hij dan bij terugkomst, z’n haar met z’n kammetje achteroverslaand.
Maar had m’n vader nou op een gegeven moment ook van die spieren bij z’n borst die niet meer wilden?
Lijk ik op m’n vader? Of begin ik op ‘m te lijken?

Hoe ver is men in Zijperspace afgedreven van z’n bron?

(Dit even om de lezer er op te wijzen dat er een 11e aflevering is verschenen in de cursus Lijfloggen, 'Rouw!' geheten, waarvoor ondergetekende verantwoordelijk is, die men kan vinden bij about:blank)

zusjes

‘Dit is m’n zusje,’ zei Christa, ‘Deborah.’
‘Hallo,’ zei ik. ‘Ik ben haar barman.’
Een vast zinnetje. Met een gratis hand erbij. Zo heb ik me ook aan haar moeder voorgesteld. Jaren her. Toen was Christa nog een meisje. Inmiddels vrouw. Ik was gewoon maar barman. Nog steeds. Maar ’t klinkt alsof je iemands therapeut bent.
‘M’n cliënt & ik hebben na overleg verspreid over enkele sessies besloten dat ze wat meer moet gaan drinken.’
Zoiets bijvoorbeeld.
Dan lachen ze. Een korte proest. Ze stellen ’t zich voor.
Deborah ook. Ergens naast me nog 1. Dat kan Rachel zijn geweest. Of Pieter. Die was echter vooral bezig met beelden maken.
Ik zei: ‘Ik wist niet dat je nog een zus had.’
Christa zei zoiets van: ‘Je ziet ‘t.’
Deborah gniffelde. Een gezonde gniffel. Een schouder die schuin trok. Een blik naar haar oudere zus.
Christa keek als een oudere zus. Zoals ik haar nog niet als oudere zus had zien kijken. Wel als dochter. Of als vriendinnetje.
‘Nou ken ik je moeder,’ zei ik, ‘& je zus.’
‘& M’n vader,’ vulde ze aan.
‘Oh?’
‘Ja, die heb ik ook een keer meegenomen.’
‘Oh, dat kan ik me niet herinneren.’
Ik probeerde me een voorstelling te maken. 2 Zussen, voortgekomen uit een moeder die ik een keer gezien had, & een vader die ik me niet kon herinneren. Ik probeerde me voor te stellen wat de ontbrekende invloed op hun uiterlijk, op hun verschijning was. 1 + 1 = 1 + 1. Logisch. Maar dan wel weten dat die 1-en aan de ene kant niet dezelfde 1-en zijn aan de andere kant van ’t is-teken.
De som klopte niet, maar ik wist ‘m op dat moment niet zo snel anders aan mezelf uit te leggen.
‘& Ik weet ook hoe je oude huis eruit ziet,’ ging ik verder, ‘want daar woont Rachel nu. & Ik ken die gekke vriend van je.’
Die stond er achter. Keek lichtelijk verontwaardigd.
‘Nee, dat had ik niet moeten zeggen,’ zei ik. ‘Zo’n flauwe opmerking heeft zo’n leuke barman toch niet nodig.’
Pieter-Jan stond ondertussen nog steeds achter me. Hij wilde ook wat zeggen.
‘Hé, Ton, ik wilde je nog steeds opnemen.’
Hij had z’n toestel in z’n hand.
‘Dat zou ‘ns een keertje tijd worden,’ zei ik. ‘Maar je hebt er straks waarschijnlijk toch geen zin in ’t te plaatsen.’
‘Jawel, jawel.’
Hij gebaarde me hoe ik moest gaan staan. Met de vuile glazen die ik inmiddels had opgehaald. Hij wende me een beetje met z’n hand. Zodat ’t licht wat meer op me viel, dacht ik.
‘Ja, & dan moet je een beetje gaan praten. Doe maar net alsof. Dat staat beter.’
‘Ja, ik kan de hele tijd wel gaan praten, maar uiteindelijk zal ik toch weer ‘ns verder moeten om andere glazen op te halen,’ vulde ik de leegte van de stilstand. ‘Ik doe ’t echter graag, want ’t zou ‘ns tijd worden dat ik op de weblog van Pieter terecht kwam. Hij heeft ’t me al zo vaak beloofd. Heb ik nu overigens al genoeg gepraat, of gedaan alsof?’
‘Ja, is goed geworden.’
Ik liep verder. Ging nog meer glazen halen. Keek nog even snel naar de 2 zusjes.

Ze stonden er goed op, ergens verderop, op 29 augustus, voorbij Zijperspace.