bockbierperikelen

Via meel kreeg ik de volgende vraag gesteld:

Leuk gehad gister in de beurs??

Waarop ik niet anders kon dan antwoorden:

Ja, ’t was weer geweldig. Ik ben gelukkig beide avonden bijtijds gestopt. Vrijdagavond was ik zonder avondmaaltijd vroeg uitgeschakeld, maar door thuis nog wat in m’n maag te stoppen, stond ik de volgende dag zonder kater op.

Gisteravond tot ’t eind gebleven. Ik kon niet anders, er stond een mooie vrouw voor me, die vlak daarvoor, jaloers moest ik toekijken, door een lul omarmd werd. Zoiets blijf ik een raar gezicht vinden, & mijn nobele natuur, die mij immer influistert belaagde vrouwen bijstand te bieden, wilde dit panorama van wanstaltigheid zo snel mogelijk teniet doen.
Ik geloof, ik weet ’t niet helemaal zeker, dat ik er toen met 1 of ander voorwendsel op af ben gestapt. Je kan veel maken als bijna iedereen je kent als barman. Door de vriendin van de schone deerne werd ik al snel verkozen boven de slijmbal, hiervoor door mij al als ‘lul’ bestempelt. Hij droop vervolgens af door enkele meters verderop te gaan staan & een andere persoon van ’t vrouwelijk geslacht met z’n ledematen te betasten, maar de door mij bevrijde dame bleek, weliswaar vrijgezel, hopeloos verliefd op een jongen die ze maar niet aan de andere kant van haar gsm kon krijgen.

Daar kwam ik natuurlijk veel te laat achter. 1st Heeft me dat nog 2½ muntjes gekost. Onder ’t mom nl dat ik nog wat wilde drinken & geen muntjes meer had, wendde ik voor dat ik eigenlijk onderweg was naar de muntenbar, zonder welke geen consumptie bekomen kon worden. Een goed idee, zo vond men, zeker gezien ’t feit dat ik ’t zei op ’t moment dat de glazen van in ieder geval de dames leeg waren. Koop voor ons ook maar, zo luidde ’t inderdaad door mij verlangde voorstel. Zij beoogden spontaniteit, ik zag mijn list, met als doel een reden te hebben langer in ’t gezelschap van genoemde objet du désir te verblijven, slagen. Daar had ik nog wel wat geld voor over ook, dus deelde ik de kosten van 5 muntjes met de inhoud van de portemonnee van de tegenover mij gesitueerde dame. Men mocht nog gaan denken dat ik álles er voor over had om aanwezig te mogen blijven in dit gedeelte van de Beurs van Berlage; ’t leek mij beter dat geld daarbij geen rol mocht spelen of in ieder geval niet de schijn mocht hebben daartoe, & liet ’t leed meer geld te moeten uitgeven delen door geld aan te nemen van Haar. Met een grote ‘h’, dan weet je tenminste over wie ik ’t heb.
Tijdens mijn afwezigheid verkoos zij de gsm aan ‘t oor boven die van de handtastelijke flemer aan haar lijf. Men had mij, buiten ’t verkrijgen van genoemde muntjes, er op uitgestuurd om op deskundige wijze de groep te voorzien van goede bokbieren, daarbij aannemend dat ik daar toe in staat zou zijn, gezien ’t feit dat ’t immers mijn vak is, & na een afwezigheid van ong 5 minuten klonk de verzuchting, uit de mond van de vriendin van de vrouwspersoon waar mijn bewondering naar uitging, dat ik dat wel héél snel gedaan had. Waarbij de verzuchting mij als muziek in de oren klonk, daar ’t een verlangen weerspiegelde toch niet zo lang meer uit de groep weg te blijven, of eigenlijk zo veel mogelijk met haar gezelschap bezig te houden. Ik meende hoopvolle blikken te bespeuren die ’t contact tussen haar vriendin & mij moesten stimuleren.

Maar ach, aan alles komt een eind, zo ook aan bockbierfestivalavonden in ’t gezelschap vertoeven van verlangen, jaloezie, liefde, schoonheid, lust & noem nog maar enkele andere gevoelens op die mij parten speelden gedurende ’t kleine ½ uur dat ik mij slechts gestoord zag door buzzertjes & zoempjes, die steeds brutaal mijn ietwat geestige alsook boeiende conversatie belemmerden. Die buzzertjes & zoempjes waren afkomstig van haar mobiel; in ’t ene geval inzake zij een telefoontje kreeg van een vriendin die de locatie van haar verlangen wist te melden; in ’t andere wanneer zij een sms-je mocht ontvangen van ’t door haar nagestreefde object van vleselijke vorm.
‘Ja,’ excuseerde zij zich, ‘ik ben hopeloos verliefd.’
‘Maar hij nog niet op jou?’
‘Nee, hij weet ’t nog niet van zichzelf.’
Ik keerde mij om & ging ’t achtergehouden laatste muntje in m’n 1tje soldaat maken.

De eenzame strijder voor gerechtigheid trok zich terug in Zijperspace.

reactieding (2)

& Aangezien ik afgelopen dag vooral doorgebracht heb op 't Bockbierfestival, ik alleen maar bock, bok, bock dacht & niet veel anders, heb ik niet veel tijd gehad om na te denken over een volgend stukje. Enige spontaniteit is mij echter niet vreemd, een enkele keer uit zich dat door bij anderen hun reactieding met stukken tekst te vullen. Toevallig 2 dagen achter elkaar, toevallig 'tzelfde onderwerp.
Luuk van Geenheld.nl was op gegeven moment ook genegen zijn visie te geven. Waarop ik wederom in 't toetsenbord kroop.

Ik hoop er ook over op te kunnen houden.
Nadat ik gezegd heb dat als je op een beetje rustige manier nadenkt over wat voor effect je bereikt als je dmv geschreven woord (& niet meer dan dat) iets beweert, je ook niet zo snel zulke dingen zal schrijven zoals de heren Geenstijl geschreven hebben. 't Mogen journalisten zijn, verslaggevers, krantenvullers, paginaplempers, columnisten in 't dagelijks leven, maar ze zullen toch eens moeten bedenken dat 't geschreven woord 'plat' is, geen extra dimensie heeft. Dat is iets waar ik mee ben opgevoed, toen ik voor 't 1st 't internet opkwam; dat is waarom de smileys zijn ontwikkeld: om subtiliteiten aan te brengen in wat men zegt. 't Mag dan wel geschreven zijn, maar de diepte van ‘tgeen men beweert moet ook nog duidelijk overkomen naar degene die 't leest. Degene die 't meeneemt naar z'n dagelijkse (werkelijke) beleving.
Daar hebben ze van Geenstijl zich vanaf 't begin af aan in vergist. Ze denken dat 'tgeen ze voor een krant/voor andere media schrijven dezelfde beleving bewerkstelligt als datgene wat ze op 't internet plempen. Daar ligt hun grote fout.
't Internet is persoonlijk. In bepaald opzicht is ’t internet geen multimedium. Alles wat men op internet tot op dit moment publiceert heeft een 'air' van persoonlijkheid. Daarom is wat Geenstijl doet verkeerd. Ze schatten de mogelijkheid tot reacties verkeerd in.
Luuk, ik hoop dat jij binnen jouw opleiding ook een bepaald schema van communicatie voorgeschoteld hebt gekregen. Ik wil niet te ingewikkeld doen, maar ’t is nu 1maal wel zo dat ’t internet anders werkt dan de media tot nu toe deden. Dankzij internet is ’t nu mogelijk dat iedereen zijn boodschap aan iedereen kan voorleggen. Terwijl ’t tot voor kort zo was dat een beperkte groep (de mensen bij televisie of radio) zijn boodschap aan diezelfde iedereen kon voorleggen. Massamedium is massaindividualiteit geworden. Daaruit is ‘t weblog ontstaan. Iedereen kan tegenwoordig iets zeggen & iedereen heeft de mogelijkheid tot luisteren. Terwijl tot voor kort 1 instituut iets zei (bijv de omroep) & iedereen luisterde. Een subtiel, maar wel essentieel verschil.
Ik denk dat de heren Geenstijl zich daar in vergissen, zoals ik al eerder heb gezegd. Zij zijn gewend voor massamedia teksten te produceren, of waren daarvoor opgeleid (zoals jij dat ook wordt), maar vergeten ’t effect dat zulke teksten hebben als ze die op een persoonlijk medium als ‘internet’ plaatsen.
Van Jole zei tussen de veelvuldige afgekapte zinnen door dat ‘tgeen bestaat in de vorm van Geenstijl in Nederland niet bestaat in bijv Amerika. Ik denk dat hij daar gelijk in heeft. Er bestaan daar geen logs die ’t effect van communicatie onderschatten. Ze weten daar de massaberichten te onderscheiden van ’t individuele, ook al bereiken ze daar ‘tzelfde publiek mee.
Een ietwat theoretisch, mijn reactie, maar ik denk dat ’t geen kwaad kan over dat soort dingen na te denken. Zeker als ’t medium internet, ‘weblog’, zich verder ontwikkelt. De heren Geenstijl zijn vergeten daar over na te denken. Dat blijkt.


't Laatste wat men over dit onderwerp in Zijperspace zal kunnen vinden.

reactieding

Ihkv de algehele commotie rond ’t optreden van Francisco van Jole, enkele medewerkers van ’t weblog Geenstijl, heren die ik niet eens waardig acht hun naam hier te noemen, & enkele andere weblogcoryfeeën tijdens ’t programma B & W, jongstleden donderdagavond, zagen enkele mensen zich genoodzaakt daarover hun mening te geven. Zo ook Maja de Bij.
Ik kon ’t gisteravond niet laten op zijn schrijven te reageren. & Aangezien ik vandaag toch ’t grootste gedeelte van de tijd doorbreng op ’t Bockbierfestival is ’t net zo makkelijk om ’t dagelijks stukje schrijven, ’t dagelijks stukje leesvoer naar ik hoop voor enkelen, te vervangen door iets wat ik elders heb geplaatst, maar op die wijze waarschijnlijk nooit onder ’t oog was gekomen van velen van mijn lezers.
Daarenboven heb ik op deze wijze toch m’n eigen duit in ’t zakje gedaan rond de discussie die overal wordt gevoerd & kan ik vanaf heden weer gevoeglijk mijn mond houden. Men kent mijn standpunt na ’t lezen van onderstaande.

Zo, Maja, niet waarlijk een hoogstaand stukje dat je me hier schrijft.
Hoe kom je er bijvoorbeeld op dat de heren van Geenstijl niet goed voorbereid waren op ‘t optreden op tv? Zij liggen al maanden onder vuur, vanwege meerdere voorvallen. Vanwege meerdere akkefietjes. Ze hadden allang hun argumenten tegen die van Francisco van Jole op een rijtje kunnen zetten om hem deze avond van een weerwoord te voorzien. Van Jole gebruikte argumenten, die ik bij de Geenstijl-heren ternauwernood weerlegd zag worden. ‘t Enige waar ze ‘t over hadden was dat ze een moderator op hun reactieding hadden gezet, om te laten kuisen. Voor de rest nauwelijks of niet een argument gehoord. Op de vragen waarom ze zich zo gedragen, waarom ze gedaan hebben wat ze gedaan hebben, andere mensen digitaal stenigen (wat wel degelijk meermaals gebeurd is, daar hoef je niet eens over te discussiëren), gaven ze ontwijkende antwoorden.
Om nu van Jole af te rekenen op ‘t feit dat-ie volgens jou z’n reputatie eraan dankt dat-ie er in gegroeid is (maar niet vanwege zijn vermogen duidelijk uiteen te zetten wat zijn visie is & waarom & hoe bepaalde zaken volgens hem in elkaar steken), is goedkoop, stemmingmakerij & ontbeert wederom, gister al gezien op tv van de heren Geenstijl, ‘t vermogen ‘t om te zetten in argumenten.
& Om nu alle haat tegen van Jole te verwoorden door op een goedkope manier te wijzen op ‘t vingertje dat hij op gegeven moment gebruikte om zijn verontwaardiging kracht bij te zetten is slap. Hoe vaak zal de heer van Volkomenkut zelf niet z’n vingertje in ‘t dagelijks leven gebruiken? Op tv wordt dat alleen maar uitvergroot & is dit, niet alleen om die reden, niet te gebruiken als argument om op te merken dat van Jole belerend bezig is. Als je goed opgelet had, dan hoorde je dat juist op dát moment de heer Ambroos behoorlijk de waarheid werd gezegd.
& Over welke verharding van de maatschappij heb je ‘t überhaupt? Ik heb nergens kunnen horen dat men daar tegenwoordig zo over denkt, noch van Jole, noch iemand anders. Laat staan dat ik zie dat van Jole zich verheven voelt boven anderen. Is dat te concluderen uit zijn woorden? Of is dat iets wat jij voelt? Laat dat dan merken & leg ’t in een verhaal niet in de mond van iemand anders.
Als laatste: ik heb Ambroos ook meerdere malen anderen horen interrumperen terwijl ze druk bezig waren 1 & ander uiteen te zetten. ‘t Is maar net hoe je wílt kijken naar een discussie. ‘t Getuigt echter wel van een slechte kwaliteit van schrijven als je ‘t slechts van 1 kant wil bezien.


We dompelen ons onder in ’t donker vocht & hopen morgen genoeg hersteld te zijn voor een nieuwe vulling van Zijperspace.

driehuis

‘Hoe is ’t eigenlijk met Jojanneke & Jasmijn?’ vroeg ik toen we de trein uitstapten. ‘Waar zitten ze nu?’
‘In Guatamala, geloof ik,’ zei Johanneke.
‘Vermaken ze zich een beetje?’
‘Nou, Jojanneke kan daar altijd wel leuk over schrijven, maar die heeft nooit zin in internet. & Jasmijn doet dat dus wel, maar die schrijft altijd in van die zakelijke mededelingen. We zijn gister daar & daar geweest. We zijn laat naar bed gegaan. Zulke mededelingen.’
We staken de straat over. Richting Vondellaan.
‘Daarna de Hieronymus van Alpenstraat,’ volgde Johanneke de routebeschrijving.
‘Hieronymus van Alphen,’ zei ik. ‘Had die niet een kinderboek geschreven?’
‘Ik zou ’t niet weten,’ zei Johanneke. ‘Ik heb bijna geen literatuurgeschiedenis op school gehad.’
‘Ik had met literatuurgeschiedenis ’t hoogste cijfer van school, maar ik geloof dat ik alles ben vergeten.’
We liepen door de literatuurwijk van Driehuis, op weg naar ’t park. Alle straten hadden namen van nederlandse schrijvers.
‘We moeten de Bilderdijkstraat volgen,’ zei Johanneke.
Zij deed de coördinatie. Ik ouwehoerde. Maar eigenlijk deed Johanneke allebei tegelijk. Ter compensatie hield ik mijn handen in de broekzak. We waren goed op elkaar ingespeeld.
‘& Dan door de PC Hooftstraat.’
‘Waar was Bilderdijk ook alweer van?’ mijmerde ik. ‘We zijn in ieder geval in de schrijverswijk. Moeten we dus de hele tijd rechtdoor?’
‘Ja, als we bij de ingang van ’t park zijn, moeten we nog steeds rechtdoor.’
‘Bosboom Toussaint,’ zag ik een straatnaambordje aangeven. ‘Daar zou ik eigenlijk niets over weten.’
‘Ik ken ‘r ook niet.’
‘Ik denk dat ’t een vrouw was.’
Er bewoonster van de wijk liep door de straat. Ze droeg een grote zak met zich mee. Richting container met afval, juist onder ’t straatnaambordje.
‘Mevrouw,’ begon ik, ‘die Bosboom Toussaint, was dat een vrouwelijke schrijver?’
‘Een schrijver?’ lachte ze. ‘Volgens mij was dat een schilder.’
2 Fouten, dacht ik, die vrouw zal ’t wel weten. Zij woont hier al jaren. Bosboom Toussaint is blijkbaar geen vrouw, & ze blijkt bovendien te hebben geschilderd. Ik zak wel diep in mijn eigen achting.
‘Oh, ik dacht dat alle straten in deze wijk naar schrijvers waren genoemd,’ probeerde ik me nog te verdedigen. ‘Misschien moet ik ’t thuis maar even opzoeken.’
‘Ja, dat moet je vooral doen,’ bleef de vrouw lachen.
‘Dan bel ik u wel op als ik ’t toch goed blijk te hebben gehad.’
’t Was gezellig in Driehuis. 3 Lachende mensen op straat. De temperatuur mocht wel gezakt zijn, maar de sfeer kon niet meer kapot in dit plaatsje.
We lieten de zak legende dame achter ons. Vervolgden onze weg door de PC Hooftstraat.
‘Dit is nog steeds een schrijversnaam,’ constateerde Johanneke. ‘We zijn nog niet voorbij de schrijvers.’
‘We hebben contact gemaakt met de lokale bevolking,’ constateerde ik voldaan. ‘We zijn nog amper de trein uit & we hebben al kennis gemaakt met een exemplaar van de autochtone bevolking.’
‘Moeten we even melen aan Jasmijn & Jojanneke,’ zei Johanneke.
‘Kan ook met sms,’ zei ik.
‘Jasmijn, we hebben een mens ontmoet in ’t plaatsje Driehuis,’ zei Johanneke op dicteersnelheid. ‘Daarvoor hoefden wij niet naar Guatamala.’
‘Ze blijken dezelfde taal als wij te spreken hier,’ vulde ik aan, ‘Bovendien hebben ze dezelfde boeken niet gelezen, maar dat compenseren zij met een grote kennis van hun schilders.’

Na levend teruggekeerd te zijn in Zijperspace bleken we geen telefoonnrs van de bevolking van Driehuis voorhanden te hebben.

onderweg

Waarom lees ik?
’s Ochtends als ik opsta. Terwijl ik op de wc zit. Vlak voordat ik naar m’n werk moet. Als ik nog lang niet naar m’n werk moet. Terwijl ik aan m’n werk zit te denken. Tussen ’t kijken naar m’n tuin door. Na m’n 1e bakje thee. Uitrustend van ’t eten. Vóór ’t slapen & ná ’t dutje. Tijdens ’t reizen. Als pauze op m’n werk.

Hilda vroeg me of ik alles wel onthield wat ik las.
‘Nee,’ antwoordde ik.
Bijna niets. ’t Is zo weer verloren.
Goed, ik kan de flap nog een keertje lezen. Om te weten waar ’t over ging. Dan komt de herinnering weer boven. De sfeertekening. Ik raak weer even verloren.

Verloren. Dat is ’t eigenlijk. Ik wil verloren raken. Ergens ver weg, waar niemand weet van heeft. Een gevoel dat mij meeneemt op z’n vleugels. Peter Pan. Ik heb z’n hand vast.
& Toch wil ik ook dat mensen ’t weten. Dat ik elders toef. Vertellen dat ik andere avonturen beleef.
Nee, geen avonturen. Snelle correctie. Geen avonturen.
Wel elders.

Ik vermink m’n lichaam. M’n rug kreunt. M’n nek verkrampt. M’n armen vermuizen. Net niet genoeg om ’t af te leren. M’n benen plakken aan elkaar & waarschuwen dat ’t genoeg is.

Ik zei tegen Hilda: ‘Ik wist alles van muziek.’
Ze lachte.
‘Nee, ik wist alles van muziek,’ zei ik nogmaals. ‘Ik was diskjockey. Ik kocht alle platen in. Ik was 24 uur per dag bezig met muziek. Je kon me alles vragen over muziek.’
Ze lachte nog steeds.
‘Toen had ik er opeens genoeg van. Heb ik 4 jaar lang niet naar muziek geluisterd. Ik was vervolgens alleen bezig met literatuur. Toen ik zweeds studeerde. & Even later alleen maar met films. Was ik overgeschakeld op film & tv-wetenschap. Ik zag soms 8 films per dag. Toen wist ik alles van films. Nu ben ik weer terug bij boeken. Daar ben ik ooit mee begonnen. Onderweg naar school. Ik las een boek terwijl ik naar school liep.’
Waarschijnlijk lachte Hilda nog steeds.

Ik hou van bombasten & legen. Ze moeten me veroveren met veel of weinig. Ik wil de witregels lezen. Bij beiden krijg je daarvan veel. Bij bombasten proef je ’t in ’t ene regeltje tussendoor. Bij de legen wijzen er pijltjes naar. Van die dunne. Een spoorzoekerspijltje. Achter ’t hegje van de buren hangt-ie. De meeste mensen lopen er aan voorbij.
Zo ook bij de bombasten. Maar dat komt door overdaad dat je ‘m niet ziet.

Ik heb niemand om mee te concurreren. Ik heb wel ‘ns van horen zeggen. Van mensen die ook lazen. Nooit datgene dat ik lees. Soms hoor ik iets op de radio. Maar ik geloof niet in mensen die ‘tzelfde zijn. Dus lezen ze niet als ik.
Als ze ‘tzelfde lezen dan onthouden ze dat tenminste. Ik vlei me op de golven & laat me meevoeren. Zij staan midden in de stad & weten de weg.

‘Ik hoor de teksten niet van liedjes,’ zei ik ook tegen Hilda. ‘Ik hoor de muziek.’
Of: ik luister naar mezelf. Laat mezelf horen wat er binnenin gebeurt.
Da’s alles. Meer niet.

Ik lees een boek. & Straks heb ik ‘m uit. Daarna moet ik weer met een ander beginnen. Want ik wil weer onderweg. Onderweg met een volgende.
Ik strek m’n benen als ze moe van ’t liggen zijn. Dan kan ik even de woorden verliezen. Woorden die niets betekenen als ze niet in hun context staan.

Daar vul ik Zijperspace dan mee.

zelfstandig

Martine had er genoeg van. Ze geloofde er niet meer in. De ochtend van de 30e december.
Ik probeerde haar nog om te praten, maar dat had weinig zin. Ze zag geen toekomstperspectief voor ons 2-en.
‘Waarom nou net op dit moment?’ dacht ik. ‘’t Jaar had ook anders kunnen aflopen.’
Ik had echter genoeg te doen om m’n gedachten te verzetten. De nieuwjaarsuitzending van Sonja werken in de Rode Hoed. & De 1e januari ’t café openen waar ik achter de bar stond.

Na afloop van m’n dienst toog ik naar ’t Schuim. Ik wist dat ze daar met vrienden een nieuwjaarsborrel had. In m’n oren galmden de woorden van een vaste klant na.
‘Joh, dat komt wel weer goed, tussen jou & Martine.’
Als dat soort klanten daar zo van overtuigd zijn, weet je nog zekerder dat ’t verkeerd zal aflopen. Dat ’t al afgelopen is. Hij was de enige stamgast die me van begin tot eind van mijn dienst op 1 januari gezelschap hield.
‘Je moet laten zien dat je van haar houd,’ was 1 van zijn adviezen.
Ik wilde haar alleen maar zien, haar alsnog gelukkig nieuwjaar wensen. Laten zien dat ik zelfstandig was, dat ik er wel doorheen kwam.
‘Er is niemand die in dit nieuwe jaar al zoveel uren gewerkt heeft,’ dacht ik. ‘Dus heb ik ook wel ‘ns een nieuwjaarswens verdiend.’

Haar ogen puilden, door haar schouders klonk een zucht. Haar vriendin stootte met haar elleboog, maar dat was overbodig.
‘Wat doe jij nou hier?’ zei ze met haar hoge stem.
‘Ik kwam je alleen maar gelukkig nieuwjaar wensen.’
Een minuut later vertrok ik weer.
Niemand mocht de tranen van de koude wind zien. Ik had m’n sjaal voor m’n mond gebonden tot vlak onder m’n ogen. M’n adem bevroor tegen m’n lippen aan. De druppels van boven werden gedept & opgenomen in ’t witte stijfsel voor m’n neus.

De volgende dag moest ik weer werken. Maar kon niet eten. Geen hap van m’n ontbijt kwam door m’n keel. Een bak thee ging nog net, hoewel ’t wervelstormen in m’n buik veroorzaakte.
Ik deed de deur open van ’t café. Zette de verwarming hoog. Maakte m’n ronde.
Stap voor stap. Niets te snel. M’n darmen deden me wankel op m’n benen staan. Misschien was ’t wel de honger. Na elke handeling rustte ik uit aan de bar. De lege bar. Straks zouden de 1e klanten komen.

3 Italiaanse dames & de vrouw met de bolhoed. Ik serveerde koffie & warme chocolademelk. Voor de bolhoed een wodka.
‘Zo heerlijk is dat,’ kwetterde ze tegen me aan, ‘tussen de middag een stevige borrel.’
Ik vond alles goed. Ging op m’n barkruk zitten. Ik hield de schaduwen van voorbijgangers in de gaten. Ik dwong ze met m’n gedachten buiten te blijven. Voor zover dat ging. M’n gestel was dermate verzwakt dat ik geen kracht kon zetten. Een 2e vaste klant stapte daardoor binnen.

‘Hoe gaat ‘t?’ vroeg Ger.
‘Slecht.’
Vertelde over m’n darmen die zich omgekeerd hadden. Dat ’t leek alsof ik elk moment over m’n nek zou kunnen gaan. Er zat geen energie meer in m’n lichaam.
Bolhoed luisterde mee.
‘Dan moet je een stevige borrel nemen,’ zei ze. ‘Heeft bij mij ook vaak geholpen.’
Ik dacht aan baten & schaden & besloot ’t risico te nemen. Ger zei dat ik ook Nick kon bellen. Hij nam een teug van z’n eigen borrel. Ik zette z’n fluitje pils ernaast.
‘Je bent toch ziek?’ zei Ger.
‘Ja, maar ik heb ’t geld hard nodig.’
Toch belde ik Nick. De borrel had een averechts effect. Ik raakte in paniek.

De italiaanse dames wilden appeltaart.
‘Sorry,’ zei ik. ‘I have to close the pub. I’m sick.’
‘Oh, we’re sorry,’ zeiden ze medelijdend.
Nick zou komen. Ik moest ’t nog een ½ uur volhouden.
‘Je kan niet de kroeg dicht gooien,’ zei hij. ‘De kroeg is nog nooit dicht geweest.’
Maar die italianen kon ik er niet bij hebben. De vaste klanten konden zichzelf wel helpen.

Ik belde Martine.
‘Ik ben ziek,’ zei ik.
Ik vroeg of ze me naar huis wilde brengen. Ophalen & naar huis brengen.
Nee, dat moest ik zelf doen. Ik moest zelfstandig zijn, vond ze. Ik moest aanvaarden dat ik er niet meer voor haar was. Maar vanmiddag zou ze wel wat fruit voor me kopen. Dat zou ze rond een uurtje of 4 langsbrengen.

Nick kwam binnen.
‘Ga maar naar huis,’ zei hij.
Daar aangekomen ging ik op de bank liggen. Wachten tot ‘t 4 uur was.

Wat overigens een eeuwigheid duurde in Zijperspace.

warmte

’t Vergt een speciale constructie. Want ’t boek is te zwaar. Dus neem ik 2 kussens mee die normaal een ruggensteun op de bank vormen. Vervolgens beklim ik de trap. Hierbij moet ik me concentreren, want eigenlijk heb ik door ’t boek & de kussens geen handen meer over. Een enkele keer gooi ik de kussens alvast vooruit. Best wel slimmer. Maar ik laat me ’s avonds laat nou 1maal niet inspireren door slimmigheid. Ook ’s ochtends vroeg bij wat extra naliggen niet.
Als ik besluit de kussens te gooien, dan sta ik altijd even stil. Ik wil zien hoe de kussens ronddraaien in de lucht. ’t Lukt me niet om ze anders te werpen dan draaiend. Als tollende ufo’s gaan ze richting doel. Ik kijk ernaar. Onzinnig, maar ik kijk nu 1maal.
De kussens van ’t bed vormen m’n hoofdsteun. Op elkaar. De dikke schuin tegen ’t hoofdeinde gezet. De dunne eroverheen. Die zakt lekker weg. Comfortabel voor m’n nek.
Ik ga liggen. ’t Dekbed over me heen. 1st Wijd uitgespreid. Als ik denk dat ik de juiste verhoudingen heb, vouw ik de linker & rechter uiteinden over m’n borst. Hierop nog een keer van me af. Dan heb ik een dekbed dat 6 keer dikker op me ligt. De 2 bankkussens erbovenop. Daar komt ’t boek op te staan.
Een noodzakelijk ritueel voor boeken met 400+ bladzijdes. Ze worden te zwaar. Ik lees te weinig naar mijn zin als ik hier niet toe overga.

& Terwijl ik lees, bedenk ik me elke keer weer dat ik mezelf een t-shirt met lange mouwen had moeten aanmeten. Vooral ’s ochtends. Als de warmte van de kachel ’t pand inmiddels verlaten heeft.
’t Is zuinigheid. Zoveel lange mouwen heb ik niet. Ik wil ze reserveren voor als ik ze echt nodig heb. Ze moeten niet naar ’s ochtends vroeg ruiken als ik ze voor overdag aantrek.

Ik moet altijd aan de woorden van de hopman denken. Van lang geleden. Op kamp in ’t Robbenoordbos. Grote canvas tenten waar je met je patrouille in sliep. Bij ’t kampvuur, voor ’t slapen gaan, kwamen de tips. De levenswijsheden.
Je kon volgens hem ’t beste in je blootje in je slaapzak gaan liggen. Tegen de kou. Dat had canadees onderzoek uitgewezen. Ze hadden een groep soldaten mét kleren naar bed gestuurd, in de vriezende kou, & een groep zonder kleren. Regelmatig de lichaamstemperatuur gemeten. Zonder kleren scheen beter te zijn. De isolerende laag van de slaapzak bewees dan z’n functie. De mensen zonder kleren hadden geen last gehad van de kou.
De hopman strekte dan z’n houten poot. Richting vuur. Dat voelde hij toch niet. Hij voelde ook geen vonken op z’n broek terecht komen. Gingen we daarna over op ’t volgende onderwerp. & Even later lagen we in ons blootje, op onderbroek na, in onze slaapzak. Kleren over de slaapzakken heen.

Dus geen lange mouwen. Waar ik toch wel spijt van krijg. De hele constructie ligt bovenop me. Ik kan moeilijk uit bed stappen om een shirt aan te trekken & ’t opnieuw opbouwen. Dan ben ik al moe voordat ik de 1e bladzijde gelezen heb.
Dan word ik vervolgens moe van de kou. M’n bovenarmen & borst raken vooral onderkoeld. Op een gegeven moment straalt dat uit naar m’n tenen. Ik weet niet hoe ik dat voor elkaar krijg. Dat geheel van koude lichaamsdelen doen me verstrakken. Ik heb er geen zin meer in. & Leg m’n boek opzij.
Constructie wordt opgeheven. Ik ga op m’n zij liggen.

& Dan snap ik ’t dus niet. Ik doe wat de hopman heeft gezegd. Lig daar in m’n blootje & heb ’t toch koud. De kou van te lang lezen, maar dat zou door m’n dekbed al snel opgevangen moeten worden. Ik kruip tegen de opzij gelegde kussen aan, die dikke, die niet lekker in m’n nek ligt. Ik prop ‘m zowat m’n lichaam in. Geen kou mag mij bereiken, geen warmte van mij weg.
Een paar keer adem ik warme lucht onder ’t dekbed. Een trucje van een ex-vriendin. Zolang mogelijk ademen, totdat je je wat duizelig voelt. Zorgt ervoor dat ’t bed sneller op temperatuur komt.
Maar niks werkt. Tips & trucs van mensen van vroeger doen ’t niet bij ’t lezen van een dik boek.

Ik ga dan maar denken aan de hopman, in dezelfde kou, in een slaapzak, in een 1-persoons canvas tent. Maar met 1 been minder. Verloren als klein kind in de oorlog. Met dat stompje ligt hij in bed.
Hij voelt dat niet, die kou, zei hij. Maar hij voelde wel z’n been nog steeds. Die was er. Ook al was-ie er niet.
Waarom voelde hij dan niet dat z’n been ’t koud had? Dat dacht ik dan. & Waarom voelde hij niet dat z’n broek in de fik vloog bij ’t kampvuur?

’t Werd daardoor echter wel eindelijk wat warmer in Zijperspace.

i-meeltje

Beste mensen,



& Dan bedoel ik u allen: tot mijn spijt kan ik de meel bezorgd op mijn normale i-meel-adres, gerelateerd aan zijperspace.nl, tenminste in ieder geval die afgelopen dagen via dat adres aan mij verstuurd is, niet lezen. De server was down, zoals dat in modern nederlands dan heet. & Dat heeft nog enkele naweeën tot gevolg.
Misschien dat ’t in de loop van de dag reeds verholpen is; er wordt natuurlijk hard aan gewerkt, maar ik kan u niets verzekeren. Maar bovendien, zo voelt mijn plicht, dien ik u hiervan op de hoogte te brengen, daar ’t mogelijk is dat u de afgelopen dagen de intentie mij een meeltje te willen sturen uiteindelijk heeft gerealiseerd & een volmondig geestelijke ondersteuning uwerzijds aangaande ’t jammerlijk niet bereikbaar zijn van mijn weblog, alsook andere services mijnerzijds, geheel & al aan mij voorbij gegaan is. Gewoon omdat de meel niet bij mij terecht gekomen is.
Dat spijt mij dan zeer. Ik had graag op de hoogte gebracht geweest geworden alsook genoten willen hebben van enige belangstelling uwerzijds mbt mijn leed. Want leed is ’t wel degelijk (daar wil ik u echter niet al te veel mee lastig vallen).

Laat ik u bij deze op de hoogte brengen, benevens dus ’t feit hierboven reeds vermeld, dat ik ook bereikbaar ben onder een ander meeladres, dat begint met zijperspace, vervolgd wordt met de naam van m'n provider, zijnde xs4all; & eindigt met .nl (deze omstandige wijze van uitleggen wat mijn alternatieve i-meel-adres is, wordt mij direct ingegeven door de overdadige hoeveelheid spam die ik dagelijks mag ontvangen, welke kwantiteit ik vanzelfsprekend niet wil verhogen). ’t Bedrijf kennende dat schuilt achter dit adres weet mij elke keer gerust te stellen, gaande de mogelijkheden van internet & ’t bereikbaar zijn van eenieder die daartoe aangesloten is.

Mocht men dus nog ’t genoegen willen opvatten mij van enig medeleven op de hoogte te stellen aangaande de onbereikbaarheid afgelopen dagen, dan zou ik, natuurlijk in ’t onmogelijke geval indien ik u was, gezwind ’t toetsenbord vatten & mij hiervan kond te doen. Laat u zich echter niet dwingen door enigerlei somber stemmende berichten mijnerzijds & behoudt u zich vooral spontaniteit als voornaamste doel als motivatie aangaande dit streven.

It might be that you don’t understand the above message. Than you probably do not completely understand the dutch language. I just wanted to inform you that the e-mail-adress people normally use didn’t work, already for some days. So I couldn’t read what you all sent to me. In that case, I advise you to redirect those messages to me via the e-mail-adress I have at the provider xs4all, that ends with .nl and starts with zijperspace, which nearly always works.

I sincerely greet you all, and that sort of things but than in dutch,

Ton, the man from Zijperspace.

toekomstvel

Er ging een mevrouw een grootscheeps onderzoek doen. Ik hoorde ’t haar op de radio vertellen. Ze had heel veel mensen nodig. Nederlanders. Die haar zouden kunnen helpen bij haar onderzoek. Sterker: zonder die mensen zou haar onderzoek niet gerealiseerd kunnen worden.
’t Was vóór de tijd dat ik m’n zieleroerselen op internet achterliet. ’t Was lang ná de tijd dat ik ze noteerde in een dagboek.
Eigenlijk was ’t geen onderzoek wat die dame deed. Ze was eerder aan ’t verzamelen. Zodat mensen in de toekomst, échte onderzoekers, materiaal hadden om hun gegevens uit te halen. Ze hadden vanaf nú, vanaf ’t moment dat de gegevens verzameld waren, door die ene mevrouw op de radio, de mogelijkheid te weten hoe ’t dagelijkse leven van de nederlander er uit zag, lang geleden, of nog maar net, niet zo lang her.

Ik heb me altijd afgevraagd waarom men nooit naar de wc ging. In boeken niet, in films niet, op tv niet. Alleen bij de film van Ome Willem vroegen de kleine kinders of ze eventjes mochten plassen. Dat was de enige uitzondering. Terwijl ik er toch elke dag op zat. Als je een gehele dag in activiteiten & daaraan gerelateerde percentages uit zou drukken, zou een substantieel gedeelte van mijn tijdsbesteding opgaan aan ’t bezoeken van dat kleine kamertje. Al zou ’t slechts 1 procent zijn, ik vond ’t een significant deel van m’n dagelijkse beslommeringen uitmaken. & Ik zag niemand in de media die daar evenzo over dacht. Al zag je 100 films, niemand ging naar de wc. Al las je 100 boeken evenmin. Ze negeerden ‘t. Van Winnie the Pooh tot Sietse & Hielke, Old Shatterhand tot aan geheim agent Lennet, van Floris tot aan Brigadier Dog; ze deden niet aan toiletbezoek, zelfreflectie op een op jezelf teruggeworpen moment, een moment rust door even te zitten & tot jezelf te komen. De helden hadden geen behoeftes behalve ’t streven naar nieuwe avonturen & conflictsituaties.

Ik vroeg me af of dat ook opgenomen zou worden in ’t onderzoek. In ’t onderzoek van de toekomst, eigenlijk. Dat mensen zouden berichten over hun gang naar de wc. Wanneer & hoelang. Waar & waartoe.
De mevrouw op de radio, die verslag deed van haar initiatief, of in ieder geval van ’t initiatief waar zij deels verantwoordelijk voor was, zette tijdens haar spreektijd op de radio uiteen dat ze verhalen nodig had. Mensen moesten vertellen wat ze op een specifieke dag deden. Die ene dag in dat ene bepaalde jaar. Een dag van 24 uur. Of ze alles wilden vertellen. Wilden vertellen over de dingen waarvan zij dachten dat ’t nuttig zou zijn ’t terug te kunnen vinden in de toekomst. Als mensen in de toekomst een beeld wilden krijgen van hoe de mensen in de tijd van die ene dag leefden, welke spullen ze gebruikten, wie ze tegenkwamen, wat hun werk was & hoe laat ze boodschappen gingen doen.
Men mocht alles vertellen, als ’t maar plaats had gevonden op die ene specifieke dag. Geen avonturen, gewoon feiten.

Ik deed niet mee. Ik had geen weblog nog, ik had geen dagboek meer.
De dag van de toekomst ging aan mij voorbij. Ik zou geen geschiedenis worden. Ik werd geen geschiedenis van de toekomst.

Soms onderneem ik kleine pogingen ’t te herstellen. Dan denk ik dat ’t nut heeft. Alles wat ik schrijf. Als ik maar wat sporen achterlaat, dan heeft ’t misschien alsnog zin.
Dat ze straks in de toekomst denken: ‘Ja, we hebben wel een heleboel gegevens van die ene dag, maar er wordt in ’t verleden niets gezegd over de andere dagen.’
Waarop een jonge bevlogen onderzoeker in de toekomst zegt: ‘Ik heb een bron gevonden waarin melding wordt gemaakt over de dagelijkse stoelgang. Er wordt weliswaar geen gewag gemaakt van de ene specifieke dag, waar al onze onderzoeken naar relateren, maar er blijkt wel een duidelijke belangstelling, een zekere hyperbewustheid over de essentie van ’t alledaagse.’
Waarna hij met mij op de proppen komt. Of niet met mij, maar met de restanten die er van mij zijn overgebleven. Enkele notities, een verhaaltje hier & daar, wat stukjes tekst, een enkele uitlating, een roep, een gil, een kreet naar alles dat na mij nog komen moest.

‘Kijk,’ zegt die jonge bevlogen onderzoeker in de toekomst, ‘deze persoon heeft ’t er bijvoorbeeld over, ’t klinkt een ietwat archaïsch, maar als je even doorzet, dan kan je er toch wel bepaalde dingen uit afleiden; hij heeft ’t er bijvoorbeeld over, ik moet ’t even opzoeken, kijken, hier geloof ik, heeft-ie ’t er over......’
’t Is een jonge bevlogen onderzoeker, die blijkbaar net even de andere wegen in wil slaan dan alle gerespecteerde maar platgetreden paden bewandelende oudere onderzoekers in de toekomst, maar die daardoor, door de grote hoeveelheid materiaal verwekt op dagen anders dan die ene specifieke dag, een enkele keer door de bomen ’t bos niet meer ziet, hoewel die uitdrukking in de toekomst allang al niet meer bestaat, maar dat is niet erg, want men had allang al geen bomen meer nodig om wc-papier te produceren, daar wc-papier in een ver toekomstig verleden bij decreet verboden wordt vanwege onhygiënische consequenties.
Of zoiets. ’t Fijne weet ik daar natuurlijk niet van, want ik leef niet in die tijd.
‘Kijk,’ gaat de jonge bevlogen onderzoeker in de toekomst verder, ‘hier heb ik ‘t. Hij schrijft, & excuseert u mijn taalgebruik, maar dat is nu 1maal de wijze zoals ’t aan ons is overgeleverd, hij schrijft dat hij niet te spreken is over ’t feit dat elke wc-rol losgepeuterd moet worden. Dat als de wc-rol op is & aan een nieuwe begonnen dient te worden, dat ’t zo lastig is om ‘t 1e bruikbare velletje los te krijgen van de rol.’

Dat ’t dan toch nog nuttig is geweest, dat Zijperspace ooit bestaan heeft.

online

De stroomtoevoer, 't was de stroomtoevoer. Een kabeltje dat geen stroom meer doorgaf. Ronald had er wel vaker mee te maken gehad, dus hij wist waar-ie naar moest kijken.
We hadden ze van de week al even opgebeld, ik geloof dat 't maandag was, gevraagd of ze 'm even wilden re-booten, maar dat bleek tot niets te leiden. De server gaf nog steeds geen Zijperspace door. Laat staan dat ik meel kreeg die door de server doorgezonden werd naar m'n account bij xs4all.
Tabe & Ronald zouden wel even gaan kijken wat er aan de hand was. Naar Hoofddorp, waar onze server geplaatst is. Co-location heet dat.
Uiteindelijk is Ronald vanmiddag in z'n 1tje gegaan, want Tabe moet ook elke dag werken. Tenminste, ik denk dat dat de reden is. Veel te druk om elke dag op de hoogte te blijven. Ronald heeft er naar gekeken & geconcludeerd dat-ie een nieuw snoertje moest aanschaffen & aansluiten.
Hij belde me op. Dat er weer allerlei lampjes branden. Dus dat zat wel goed. Als iets licht geeft, zit 't meestal wel goed.
Zo, dan bent u op de hoogte. Ik heb zelf in de tussentijd niets gedaan. Geen woord geschreven. Of 't moeten de gegevens van m'n verzameling mp3's zijn. Die heb ik van de juiste data voorzien, overzichtelijk & accuraat. Daar had ik nu eens de tijd voor. & Als ik 1maal ergens aan begin, dan verzink ik er in. Dat heb ik afgelopen dagen dus gedaan: verzinken.
Ik hoop dat men zich niet ongerust heeft gemaakt.

Zijperspace bestaat gewoon nog steeds, nu nog de verhalen.

zeven

Ik kon niet zien of ’t ging om 4 pootjes of 6. Misschien waren ’t er wel 7. Daarvoor was de tijd voor ’t gebeuren plaatsvond te kort.
Achteraf een gecomprimeerde tijd. ’t Moment dat ik ‘m zag lopen & ’t moment dat ik keek naar wat er overgebleven was. Ik weet ook nog dat ik naar m’n vinger keek. M’n wijsvinger. Van de rechterhand, om precies te zijn. Maar of dat nou vóór of ná de actie was, dat weet ik niet meer te zeggen.
Raar dat een gebeurtenis plots dan nog maar bestaat uit enkele beelden. Waar ‘t grootste gedeelte aan overtolligheid, dat wat niet van belang is om ’t me te herinneren, al uit is weg gefilterd.
Een gebeurtenis, ik noem ’t een gebeurtenis. Terwijl ’t kleinood plotsklaps stopte met ademhalen, zichzelf terugvond in een platte uitvoering, niet ’t doel gehaald had waarnaar ’t aan ’t streven was: ’t einde van ’t aanrecht.
Ik stel me nog veel grotere doelen. Ik ga straks naar m’n werk. Ik heb vanavond trek in een warme maaltijd. Ik wil vanavond voldaan slapen. Morgen wil ik gezond weer op.
Daar heeft ’t wezentje dat onherstelbaar geschonden onder m’n vinger vandaan kwam nooit aan gedacht. Dergelijke doelen waren voor hem te hoog gegrepen. Ik zou met redelijke zekerheid kunnen stellen dat ’t niet in staat was zich van dergelijke gedachtes een voorstelling te maken. Daar was de hersencapaciteit niet groot genoeg voor. De hersencapaciteit die een kort moment nadat je nog daarvan kon spreken gebroederlijk geminimaliseerd lag te wezen naast bijvoorbeeld de restanten van de ogen & de pootjes van ’t beestje. Misschien waren ’t er wel 7. Van die pootjes dan.
’t Enige wat ik deed was m’n ontbijt bereiden. Een boterham had ik klaargelegd om belegd te worden met tonijnsalade. In slaghouding. Ik hoefde slechts de kwak salade balancerend op m’n mes om te keren & ’t brood was bekleed met een oranjeachtig goedje. Een ochtend als andere ochtenden. Ik deed niet echt iets speciaals. Of ’t zou moeten zijn dat ik nog geen bakje thee gedronken had. Dát was voor mijn doen iets uitzonderlijks. Voor de rest was alles heel normaal verlopen. Ook zonder thee voor ’t ontbijt zou er niets noemenswaardigs hoeven gebeuren vandaag.
Ik verschoof m’n snijplank. Ik bereid m’n boterhammen nl altijd op de houten snijplank. ’t Is tegelijkertijd m’n ontbijtbord. Hoef ik niet zoveel af te wassen. Blijft ’t leven in de keuken overzichtelijk.
Ik verschoof m’n snijplank om geen last te hebben van de koelkast achter me. Die staat, vanwege enig ruimtegebrek in de keuken, vrij dicht op 't aanrecht. ’t Zorgt er bijv voor dat ik ’t linkeraanrechtkastje moeilijk kan openen. Alsook de la erboven. Ze kunnen slechts voor een gedeelte open. Dit feit weet ik reeds meer dan 4 jaar; ik ben er aan gewend. Vandaar dat ’t verschuiven van m’n snijplank niet meer dan normaal voor mij was. Een automatische beweging. Ik zou nu makkelijker een kleine hoeveelheid tonijnsalade op m’n boterham kunnen mikken.
& Toen kwam dat beestje dus aangerend. Waarschijnlijk definieerde ik ’t op dit bewuste tijdstip als mormeltje, gaf ’t mij de sensatie van een mormeltje te zijn, aangezien ik liever niet gewild had dat ’t tevoorschijn zou komen vanonder de snijplank waar al mijn boterhammen van weg gegeten zouden gaan worden. Een mens ziet nu eenmaal, in zijn ver gevorderde staat van geciviliseerdheid, liever niet een levend stuk wezen in zijn maaltijd. Als ’t dood is, dan is ’t nog tot daar aan toe; vlees van dode beesten is men gewend te verorberen, maar de fase van ’t genieten van bijv nog levende vlooien is men in de westerse beschaving allang voorbij.
Ik wil dus ook niet, of liever niet in ieder geval, tijdens vakanties ben ik wat meer gewend & bereid tot enige concessies richting andere levende wezens op deze aarde; ik wil dus ook niet dat er levende wezens plots van tussen mijn maaltijd tevoorschijn komen lopen. Rennen in geval van dit onderkruipertje.
Ik weet niet hoe de ontlasting van insecten er uit ziet, ’t grootste deel van hun afvalproducten zal ik niet met m’n blote oog kunnen zien, maar ik wil liever niet ’t idee hebben dat ze, terwijl ik eventjes in de huiskamer me aan ’t opwarmen was aan de kachel, hun behoefte gedaan hebben terzijde van m’n plakken brood. Straks zouden die excrementen in mijn mond, even later in m’n ingewanden, terecht komen.
Niet dat ik daar aan dacht, op dat bewuste tijdstip, op ’t moment dat ik ’t diertje weg zag floepen vanonder m’n snijplank. Daar was de lengte van tijd tussen ’t voor ‘t 1st waarnemen & ’t verpulveren van ’t lichaampje te kort. Er gaan ontelbaar veel gevoelens & gedachtes door m’n hoofd, dat stopt nooit, ik ben wat dat betreft haast een gewoon mens, tenzij ik evenzo gedwongen word ermee op te houden middels overlijden, maar ik weet met enige zekerheid dat een dergelijke hoeveelheid inzichten een ietwat te veel zouden zijn voor dat korte tijdsbestek. Ik kan echter beter niets uitsluiten met betrekking tot de motieven ’t beestje met onmiddellijke ingang te beroven van z’n levensadem.
Kort gezegd: ik heb m’n vinger op ’t dier geplaatst, waardoor ’t, enigszins platgedrukt, niet meer in staat was zich voort te bewegen. Ik heb niet gecontroleerd of ’t nog ademde. Ik ben vervolgens gewoon verder gegaan met ’t bereiden van m’n ochtendmaal. Ik heb nog wel even gekeken of ik kon ontwaren hoeveelheid pootjes ’t had. Misschien waren ’t er wel 7, dacht ik.

Dit bekend hebbende, verblijf ik in Zijperspace.

gekker

Zij wilde niets van de wereld weten.
Dat was wel gek.
We waren allemaal gek, ieder op z’n eigen manier. ’t Meisje met een dominante vader. De jongen die z’n omgeving slechts als rechte lijnen kon beschouwen. De jonge vrouw met smetvrees. & Ik.
Samen moesten we er over praten. Als dat niet ging, dan gaf onze begeleider wel weer een voorzetje.
‘Welk bericht in de krant heeft je de laatste tijd ’t meest aangesproken?’
Een paard in de sloot. Een voortijdig gestaakte voetbalwedstrijd. Meisjes van 14 die in sexy kleding de stad in gaan. & Ik zei dat ik me druk maakte over de prijzen die weer omhoog zouden gaan.
Zij zei niets.
Ze zei wel iets, maar ’t kwam niet uit de krant. Dat zei ze erbij, want die had ze niet gelezen.
‘’t Mag ook iets zijn dat je bij ’t nieuws op radio of tv hebt gehoord,’ stelde onze begeleider voor.
Daar keek ze niet naar, luisteren ook niet.
‘Je moet toch weten wat er gebeurt,’ zei iemand.
Ik denk dat ’t de rechtlijnige jongen was. ’t Was een opmerking. Hij dacht niet in vragen. Meer in vaststellingen. Hij kon zeggen dat je onzeker was, maar stelde nooit de vraag waarom.
Zij zei: ‘Nee, ’t gaat heel goed zonder.’
‘Waarom lees je de krant niet?’ vroeg de jonge vrouw smetvrees.
Zij wilde altijd weten wat ergens achter stak. Zij liep nergens omheen. Zij was eerder bang voor dingen waar ze niets van wist. Als je een sessie lang je mond hield, wilde zij weten wat er mankeerde. Lag ’t aan haar?
‘Gewoon, ik lees de krant niet,’ probeerde ze ervan af te komen.
‘Maar dan weet je toch ook niet dat er ergens oorlog is?’ zei ’t meisje met de dominante vader. ‘Of dat er bij jou in de buurt een ramp heeft plaatsgevonden?’
Die zat in een geweldsspiraal. Bedreigingen waren voor haar fysiek. Ze probeerde ’t in ieder geval altijd fysiek uit te leggen. Ze mocht niet te lang bij ons blijven, van haar vader, want anders zouden er dingen gebeuren. Ze zei dat ze dan woorden met hem had, maar ’t klonk gewelddadiger.
‘Dat wil ik juist niet weten,’ zei zij.
‘Je hebt toch vroeger wel een krant gelezen,’ stelde ik voor. ‘Je kan toch ook iets opnoemen van de tijd dat je nog wel een krant las?’
Ik was een man van compromissen. Om ’t allemaal dragelijk te maken. Als iets niet ging, dan moest ’t maar op een andere manier, of helemaal niet. Als ik er maar geen last van had, als ’t me maar geen angsten bezorgde. Ik had een potje ergens, om te negeren dingen in te stoppen. Die zou ik later, ooit, wel eens openen. Op dat moment zat ’t potje echter al propvol.
‘Nee, dat kan ik me niet herinneren,’ zei ze.
Ze was gek. Gekker dan wij, op dat moment.
Ze leek zo rustig, gecontroleerd. Belangstellend als ’t mis ging met 1 van ons, een arm om de schouder, een kneepje in de knie, een hoofd schuin naar ons gebogen om door de tranen toch te zien of ’t nog wel ging. ’t Was geen stevige dame, maar ze stond met haar schouders recht, neus in de wind. Haar ogen vertelden dat ze wist waar ze was.
Maar daar was ’t loos. ’t Ging niet verder dan dat ze zag. Ze wilde niet méér toelaten.
‘Ik ben bang,’ zei ze, & ze zette haar ellebogen op haar knieën.
Haar knuisten verborgen haar mond.
‘Ik wil niet meer weten wat er aan de hand is,’ hoorden we nog zachtjes fluisteren.
Er schoot me een plaatje uit Asterix te binnen, over een man die bang was dat de hemel op hem neer zou storten.
Zij was gek, dacht ik, & was blij dat ik in ieder geval nog ’t nieuws durfde te volgen. Jammer dat ik ’t huis niet meer uit ging om te zien waar ‘t & wat er allemaal gebeurde, maar ik kon ‘t in ieder geval van een afstandje volgen.
Zij zat voorovergebogen. Haar schouders waren naar elkaar toe gekrompen, zo smal als ze op dat moment leek.
Wij hingen achterover, in onze stoelen. We wachtten op wat er nu ging gebeuren.

Maar er gebeurde niets, er gebeurde niets wezenlijks, daar in Zijperspace.

gieg

Ik stapte op de fiets met alleen de gedachte te gaan kijken.
‘Kijken,’ dacht ik, ‘& niet meer.’
Ik had m’n rugzak volgestopt. Met dingen die uitkwamen voor ’t geval dat. Voor ‘t geval dat ik terug zou komen als ’t donker was: lichten voor op m’n fiets. Voor ’t geval dat ik me zou vervelen als ik ergens zat: een boek. Voor ’t geval dat ik hoofdpijn zou krijgen: 1 paracetamolletje. Voor ’t geval dat ik ergens tegenaan zou lopen: nagelknippertje. Voor ’t geval dat iets me te binnen zou schieten: schrift.
’t Zou wel een paar uur duren voordat ik weer thuis zou zijn.

Ik weet nog dat ik onderweg ingehaald werd door een jongen die fanatiek trapte. Ik hoorde ‘m van ver achter me aan komen. Een rammelend spatbord.
Ik dacht: ‘Hij mag me inhalen, maar ik zal laten zien dat je ’t met snelheid alleen niet redt.’
Bij de brug over de Amstel pakte ik 'm alweer terug. Hij anticipeerde niet op ’t verkeer, zag ik. Liet zich de pas afsnijden door een meisje dat nog minder oplette.
Ik liet ‘m nog een 2e keer komen. Bij ’t Oosterpark.
‘Wedden dat ik ’t nog een keer kan,’ daagde ik ‘m in gedachten uit.
Nog geen 30 meter verder liet-ie zich insluiten door een geparkeerde & een rijdende auto. Ik was ondertussen al langs de linkerkant, via de trambaan, gepasseerd.
Toen ik bij de pin-automaat naar m’n saldo aan ’t kijken was, m’n pasje zat er al in, kwam hij pas weer tevoorschijn. Hij keek naar mij. Wie die man toch was, die ‘m steeds te slim af was. Beetje zelfgenoegzaam ook, van ‘Kijk, ik ben toch sneller’.
Ik wist beter.
Maar daardoor had ik weinig tijd gehad om na te denken. Na te denken over wat te doen als ik gekeken had.

Daar staat dan een rekening met geld. Getalletjes op een beeldscherm. Getalletjes die ik meestal niet in de gaten wil houden. Omdat ’t me meestal niets bijzonders te bieden heeft. Slechts als ik er een hele tijd van af weet te blijven, dan stelt ’t iets voor. Meestal niet dus.
& Met die getalletjes moet je dan aan de gang. Sommetjes maken.
Zoveel ben ik anderen nog schuldig, zoveel krijg ik nog, zoveel moet ik reserveren, zoveel kost iets, zoveel weken heb ik nog te gaan.
Maar dat had ik van tevoren moeten doen.
Je moet je inademen. Je laten zakken in ’t bad dat geld heet, financiën. Je laten omringen door de realiteit, ’t tastbaar maken, tot de essentie komen, weten van de hoed & de rand. Weten wat de waarde van ’t leven is, de waarde van ‘tgeen je reeds hebt, ‘tgeen er aan zit te komen. ’t Waarom, ’t hoe, ’t nut, ’t doel, de loosheid, de lol, ’t overwegen, de tijd die jou met zich meesleept & de achteloosheid die je jezelf kan permitteren.
In plaats daarvan troef ik een fietser af die niet zo slim kan fietsen als ik.

Ik plaatste m’n fiets voor ’t verkeerde raam. ’t Raam van de concurrent.
‘Straks komt er een verkoper naar buiten,’ dacht ik, ‘straks als ik klaar ben, die dan tegen me zegt: “Hé, je had ook wel wat bij mij kunnen kopen.”’
’t Leven hangt van zoveel dingen af. ’t Leven dat op je afkomt. ’t Leven dat je niet verwacht, de hoeken die ’t omslaat, terwijl je dacht rechtdoor te gaan.
Daarom probeer ik alles van tevoren in te calculeren.
‘Dat maakt ’t leven saai,’ zeggen mensen.
‘Nee, dat maakt ’t niet zo overdonderend,’ zeg ik.
& Voordat ik ’t weet sta ik in de rij van de kassa. De snelkassa noemen ze dat hier. Een gebiedend bordje maakt duidelijk dat je hier slechts eenvoudige vragen mag stellen, 3 artikelen in 1 keer mag kopen, er niet veel uitleg over de producten wordt gegeven.
Met de catalogus in de hand begin ik me af te vragen of mijn usb-aansluiting wel de juiste usb-aansluiting is. Belangrijker: mag ik die vraag wel stellen aan de verkoper & weet ik dat binnen de beperkte snelkassa-tijd te achterhalen?
Angstvallig laat ik iemand voor gaan, om me onverwacht snel toch met de verkoper geconfronteerd te zien.

‘Nee, nee,’ zei ik, ik had geen tasje nodig, want ik had een rugzak.
& Met dat rugzakje voorop de fiets geladen, gevuld met alle gevallen dat, keerde ik terug naar huis.
‘Ik ben nog geen ½ uur weggeweest,’ dacht ik even later, na een fietstocht waar ik me nergens van bewust was, '& 't is nog licht; sterker, ik heb ook geen hoofdpijn gehad.'
Ik haalde de minst belangrijke spullen uit m’n rugzak, de meest belangrijke, voor ’t geval dat, liet ik zitten. Maar ook daar was ik me niet bewust van. Dat zou ik pas merken als ik weer de deur uitging. Straks, als ik andere mensen m’n mp3-speler moest laten zien.
Tijdens ’t uitpakken oefende ik alvast ’t zinnetje: ‘Met maar liefst 20 gieg.’

Zodat ’t goed zou klinken in Zijperspace.

reparatie

‘Kunnen we ‘m niet beter buiten uitproberen?’ vraag ik.
‘Nee, dat kan niet,’ zegt Quint.
‘Jawel, toch? Dan gebruiken we de tuinslang om ‘m vol te laten lopen.’
‘Nee, dat kan niet.’
‘Oja, ik zie ‘t. De watertoevoerslang zit er aan vast.’
We trekken de wasmachine naar voren. Zodat we ’t geheel kunnen overzien.
‘We moeten weten waar ’t vandaan lekt,’ legt Quint aan m’n moeder uit.
‘Ja,’ zeg ik kundig. ‘Niet alleen maar van de voorkant.’
We sjorren & rukken.
‘Kan ik gelijk ’t zeil schoonmaken, daar waar de koelkast stond.’
Ik zie nl zwarte slierten liggen. Wat afgevallen korreltjes roest.
‘Nou, daar gaan we,’ zegt m’n broer. ‘Hoe zet je ‘m aan?’
‘Kraan open?’
‘Ja.’
‘Dan draaien we een kort programmaatje.’
Ik draai aan de knop. Trek ‘m er uit, zodat-ie aanslaat. Sla vervolgens de ontwikkelingen gade. ’t Water loopt de machine in & de schakelaar tikt.
‘Hier zit ook een gat,’ wijs ik aan de achterkant naar een soortement ontluchtingsgaatje. ‘Daar kan ’t ook door gelekt zijn.’
We blijven kijken.
‘Oh, shit, ’t stroomt al,’ zeg ik. ‘’t Komt van binnenuit.’
‘Ok, dan moet ik binnen in de machine kijken.’
‘& Ik moet ’t zeker weer bij gaan dweilen? Ma, kan jij even die doekjes aangeven?’
M’n moeder gooit me wat toe. Ik ga op m’n knieën.
‘Marc,’ roep ik naar m’n jongste broer, ‘kan jij even dat teiltje gooien?’
Iedereen doet wat, maar ik doe ’t meest. Quint is ondertussen bezig de machine aan de achterkant te openen.
‘Ton, maak ’t hier ‘ns droog,’ zegt-ie.
‘Waar denk je dat ik mee bezig ben?’ reageer ik geprikkeld.
Zo schoon heeft de vloer nog nooit gezien, denk ik ondertussen. Alsof dat m’n bedoeling was. Op dit moment lijk ik liever een vieze vloer te hebben. 10-talle malen knijp ik dweiltjes & theedoeken uit boven de teil.
‘Geef me in ieder geval een doekje,’ zegt Quint. ‘Ik ga niet met m’n rug in de nattigheid liggen.’
We kunnen goed samenwerken, bedenk ik me. Alleen op een snauwtoon kan iemand de leiding verkrijgen.
Quint ligt op z’n rug. Hij kijkt de machine in. Hij gebruikt z’n mobieltje als zaklantaarn.
‘Oh, d’r zit een slangetje los,’ zegt-ie. ‘Die is losgeraakt tijdens ’t vervoer.’
‘Is dat alles?’ vraag ik.
‘Ja,’ zegt Quint. ‘Kon ook niet anders. Een ½ jaar geleden deed-ie ’t nog. Nooit gelekt.’
Hij staat weer op.
‘Zet ‘m maar weer aan.’
‘Ja, jij mag dweilen als ’t weer nat wordt.’
Ik ben nog maar net klaar met de vorige vloedgolf.
‘Er gebeurt niks meer.’
‘Is ’t al gebeurd?’ vraagt m’n moeder vanuit de tuin.
‘Ja, zullen we naar een museum gaan?’ vraagt Quint. ‘Die machine heeft maar 5 minuten geduurd, dus nu hebben we de hele middag de tijd.’
‘1st Kijken of-ie niet gaat lekken,’ zeg ik nog ietwat onzeker.
‘Ja, laten we maar naar een museum gaan,’ zegt Marc.
‘Of naar de Artis,’ stelt m’n moeder voor.
‘Nee, niet naar Artis.’
‘Ik ga 1st even een was doen,’ zeg ik. ‘Ik heb geen schone dweiltjes & theedoeken meer.’

Voor een mogelijke volgende vloedgolf in Zijperspace.

drupsgewijs

’t Drupt. ’t Drupt de vuilnisbak nat. De oude vuilnisbak, geïmporteerd uit Den Helder.
M’n moeder had haar oude vuilnisbak, zo’n ijzeren bak, met de stad als opdruk op ’t deksel, bij de vuilnis gezet.
Er zat dan wel geen bodem meer in, maar ik zei: ‘Moe, dat is zonde. Ik had ‘m graag willen hebben.’
Toen ’t al te laat was. Ze had geen vuilnisbak meer. Vervangen door de rolcontainers. Ieder gezin in Den Helder heeft 2 rolcontainers, groen & zwart, maar beiden esthetisch onverantwoord. Zeker in vergelijking met de oude ijzeren bak, Den Helder op ’t deksel.
Ze heeft haar vrienden & kennissen ingeschakeld. De volgende die de oude vuilnisbak bij de vuilnis wilde zetten, kon overwegen ‘m aan m’n moeder te doneren. Zij had een zoon die er veel plezier aan zou beleven.
Zo kreeg ik m’n vuilnisbak. Zo’n oude, met Den Helder op ’t deksel. Hij maakt lekker veel lawaai als je de klep toedoet. Dan weet iedereen weer dat je in de stad woont. In een gezellige stad, waar ijzer klinkt op ijzer, & je de buurvrouw zingend de was hoort ophangen.

’t Is de was die drupt. De was die niet gelukt is. We moesten de wasmachine nog maar een keer uitproberen. M’n broer dacht een oplossing te hebben, tegen ’t lekken, tegen m’n keukenvloer onder water zetten.
De oplossing was niet goed. M’n keukenvloer weer onder water. & De was wilde zodoende ook niet lukken.
Ik kon de testhanddoek & ’t testtoiletmatje wel uit gaan knijpen, maar van al dat wasmiddel krijg je van die ronde vingers, van die vingers waar niks aan wil beklijven. Ik heb ’t gewoon maar opgehangen. Nat. Dat drupt bovenop ’t vuilnisvat.

Ik hoorde een jongen op tv zeggen, ’t was lokale tv, dat hij zich afvroeg hoe ’t kwam dat je zag dat iets nat was. De tegels nat van de regen zien donker. Een t-shirt evenzo. Hoe kan dat nou, vroeg-ie de camera in. Ze lieten kort de straat zien, die net een regenbuitje achter de rug had. Daarna zoomden ze in op ’t t-shirtje dat de jongen aanhad. Maar die was droog.
Terwijl ’t eigenlijk over een heel ander onderwerp ging.
Toen stopte ’t korte interview. & Ik bleef denken.
‘Ja, dat komt doordat de druppels, ’t vocht, dat trekt er in, ligt erbovenop, & dan.......’
Verder kwam ik niet.
Ik wist inmiddels ook niet meer wat ’t oorspronkelijke onderwerp van ’t interview was. Ik dacht aan de kleur van nattigheid & hoe dat kwam.

Ik kan wel een tijdje blijven kijken, naar de druppels die op de vuilnisbak vallen. Ze gaan 1 voor 1. Soms met z’n 2-en. Ik wacht tot ’t hele deksel verkleurd is. Donkergrijs ipv licht. Er vormt zich een stroompje, de beste weg die een straaltje water, een verzameling druppels, kan volgen om naar beneden te komen. Sommige stukken deksel blijven daardoor droog. Omdat ’t niet op de route van de zwaartekracht ligt.
& Ook de wind heeft invloed. Die wiegelt de handdoek, zodat de druppels anders vallen, naast ’t deksel, op ’t randje van 't deksel, midden op ’t deksel, bijna ’t hele deksel nat, maar toch niet helemaal.
Stiekem volg ik ook de cementplekken. De stukadoors hebben die achtergelaten. Harde klodders cement op mijn vuilnisbak. Te hard om met m’n vingers af te krabben. Ik ben dan aan ’t lange-termijn-kijken. Kijken of de druppels, die gestaag doorgaan, invloed hebben op de klodders. Misschien worden ze geleidelijk aan week, vervolgens weggewassen, is mijn stille hoop. Ik besef dan wel dat ’t héél erg lange-termijn kan worden, maar ik heb geduld als ik naar druppels kijk.

Ik laat m’n blik afdwalen. Er is genoeg te doen terwijl je druppels kijkt. Ik kijk m’n tuin, ik kijk de vogels in m’n tuin. De 1 vliegt, de ander fluit. Sommige zoeken voedsel in mijn tuin.
Dat bekijk ik vanuit m’n huiskamer, vanachter de tuindeuren, of vanuit de keuken, terwijl ik thee aan ’t zetten ben.
Tenminste, dat wilde ik. Thee zetten.
Ik had de waterkoker in m’n handen, de thermoskan stond klaar voor ’t hete water. Maar terwijl ik schonk, hoorde ik een ander geluid. Anders dan ik gewend ben.
Je kan wel blijven kijken. Naar water dat druppelt, naar vogels die vliegen, naar alles wat je blik maar wil vangen. Maar je moet ook blijven luisteren, zei ik tegen mezelf.
& Dat water dat klinkt niet. Dat klinkt niet als heet water.

Ik heb ’t teruggeschonken. De waterkoker ditmaal wél aangezet. Terwijl ’t bezig was, ben ik weer gaan kijken. ’t Drupte door. Ik zag ’t kleuren. Lichtgrijs werd donkergrijs. Cement werd weggespoeld, hoewel ik dat nog niet kon zien. & Den Helder was inmiddels helemaal nat. Ik hoorde in de verte een buurvrouw een kinderliedje voor haar kleine zingen, terwijl 't water begon te borrelen.

Op een gegeven moment is ’t klaar met druppen, maar dat duurt nog wel een tijdje in Zijperspace.

dienst

Soms mochten we alleen met Pa. Moest-ie een lezing doen.
Ik probeer ’t me te herinneren. Er was een 1e lezing & een 2e lezing. De 1e was uit ’t Oude Testament. De 2e ’t Nieuwe Testament. Ik geloof dat de pastoor 1 van beide deed. De ‘leek’, mijn vader, deed de ander.
Daarom moest mijn vader op de voorste rij. Of daar in de buurt. Dan was-ie sneller bij ’t spreekgestoelte. Zal ook wel een naam hebben.

‘Ma, hoe zat ’t nou, Pa nam ons toch ook wel ‘ns mee? Dan ging er slechts 1 zoon mee naar de mis waar hij moest voorlezen.’
‘Ook wel meerdere. We gingen heel vaak met z’n allen.’
‘Ja, dat weet ik, maar ’t kwam volgens mij ook wel ‘ns voor dat Pa maar 1tje meenam.’
‘Oh, dat kan ik me niet meer herinneren.’

We gingen om beurten. De ene week Carel, de andere week mocht ik. De mis van 9 uur. We moesten vlak na de Ko-de-boswachtershow ons snel aankleden, Pa ook, om bijtijds bij de kerk te zijn. Lopend. Een enkele keer met de auto, als Pa niet uit bed had kunnen komen.
Om beurten, zoals we ook om beurten een tijdlang mochten opblijven. Carel op zaterdag & ik op zondag. Dan miste ik Catweazle & had er een stom programma voor in de plaats. Maar ik had nu 1maal zelf voor zondag gekozen, omdat ik dacht dat dat gezelliger was.
’t Was een strategie van m’n ouders, vermoed ik. Dan waren we minder tot last. Haal de 2 drukste uit elkaar & je hebt minder last van ’t groter geheel. & 1tje Was altijd makkelijker in toom te houden. We waren vaak ademloos. Voor de tv of tijdens de dienst.
We kregen ’t boekje in de hand gedrukt, mochten Pa z’n pen lenen. Hij trok ‘m uit z’n binnenzak.
‘In m’n handen terug.’
Met die zin gaf-ie normaliter z’n pen te leen. Een parker. Behalve als we in de kerk waren. Dan hield-ie z’n mond, gaf-ie hem stilzwijgend. Ik gebaarde dat ik ging tekenen, in ’t misboekje van 2 samengevouwen blaadjes, tikte hem op de mouw. Pa haalde z’n pen tevoorschijn, terwijl hij recht vooruit bleef kijken.
Soms knielde ik achterstevoren. Knieën op de bidplank, boekje op de bank, naast Pa. Af & toe opzij buigend om te laten zien wat er getekend was. Pa een vinger naar z’n mond dat de mis nog niet afgelopen was, juist nu in een cruciale fase terechtgekomen was. Hij haalde een pottertje uit z’n potterpotje, een 2e omdat 1 niet genoeg was, & dwong je tot stilte. Volgende tekening, pottertjes rollend door de mond. Als we pottertjes hadden, leken we op Pa.

Hij gaf een stootje als-ie bijna aan de beurt was. Dan ging ik recht zitten. Ik keek alvast een keertje om me heen. Wie er in de buurt zaten. Bekenden, kinderen, andere mensen die wel eens voorlazen. Of ik zocht de koster. Minder belangrijk als Pa. Die moest alleen maar de kaarsen doen, de nrs van de liederen op ’t bord noteren, de collectemandjes ophalen.
Pa moest de lezing doen. & Hij hielp bij de communie. Gaf net zoveel hosties weg als meneer pastoor. Ik zag ‘m zelfs wel ‘ns mensen de hostie in de mond leggen. Die waren ouderwets. Maar m’n vader kon ’t evengoed. Zo bovenop de tong. M’n vader bewoog z’n mond dan een beetje mee met die van degene die de hostie in ontvangst nam.
Als Pa me er op attendeerde schoof ik m’n billen zover mogelijk naar achter. M’n knieën in. Dit in geval hij er langs moest. Maar meestal zat-ie bij ’t gangpad. Dan stapte hij gewoon uit de bank. & Ging ik recht zitten. M’n benen bungelden van spanning. Vingers onder de blote benen van de korte broek.
‘Kijk eens,’ dacht ik naar de andere mensen toe, ‘dat is mijn vader.’
Ik vond ‘m dan belangrijk. Hij was immers de enige die tijdens de mis bewoog. Uit de rij stapte. Even door z’n ene knie ging op dat moment, een korte buiging met de hand aan de leuning van de bank, nog een keer voor ’t altaar, een kruisje, terwijl ik omkeek wie dat zag.
& Terwijl hij voorlas keek ik verder. Ik zag de ramen die soms ’t verhaal illustreerden, de bijbel in glas in lood. Ik zag ’t orgel, dat vroeger in onze huiskamer had gestaan. Ik telde de kaarsen & vroeg me af wat er zich allemaal achter de deuren bevond, waar de pastoor later door zou verdwijnen, of hoe wijn zou smaken, ’t bloed van Christus, waar Pa een slok van mocht nemen.
Als-ie terugkwam, pakte ik zijn pen weer op, knielde neer, maakte de volgende tekening.

Op weg naar huis hield ik z’n hand vast, zodat mensen konden zien dat ik bij hem hoorde.

Dan liep ik naast zijn schoenen door Zijperspace.

zelfregulering

De kreunende pot, denk ik. Ik trek door & denk: ‘de kreunende pot’.
Snap ik ook niks van. Ik zie ‘m langzaam weer adem halen nadat ik doorgetrokken heb. De knop die daarvoor dient komt geleidelijk aan omhoog. Als om ruimte te creëren voor ’t volgende reservoir water. De vorige hoeveelheid stort naar beneden, spoelt weg; wat zijn plek in moet nemen, komt er zo aan. & Daar gaat de plee van kreunen. Omdat ’t niet door de buis past. Omdat er te veel water in 1 keer door dat aangetaste buisje wil.
Waar ’t door aangetast is & of dat de werkelijke oorzaak is, ik zou ’t niet weten. Ik hoor slechts ’t kreunen van de pot, of eigenlijk van de toevoerbuis, & ik zou willen dat ’t een keertje ophield. Maar ik zou niet eens weten wie mijn probleem moet oplossen.
Ja, eigenlijk, bedenk ik me, eigenlijk is ’t niet eens míjn probleem; eigenlijk is ’t een probleem voor de toeleverancier van ’t water. Want al dat water dat onzinnig doorstroomt, dat de hele dag door de plee in drupt, als een klein stroompje, daar betaal ik niks voor, dat zit al in m’n rekening verwerkt. Dus ook al verbruik ik meer, ik betaal niets extra.
Mijn probleem is alleen maar dat ik niet weet wie ik moet inschakelen om ’t daadwerkelijke euvel op te lossen. & Anders durf ik ’t niet, bang dat ik de verkeerde instantie aan de lijn krijg.
‘Wat mot je?’ zullen ze dan zeggen.
Waarop ik met een mond vol tanden sta. Kan ik moeilijk nog beginnen over de kreunende pot.
‘Meneer,’ zal de stem aan de andere kant in zo’n geval zeggen, ‘er zijn mannen die daarvan dromen, van kreunende potten. Daar hebben ze de wildste fantasieën over.’
Dus besluit ik maar niet te bellen naar ik-weet-niet-wie.

Mijn manmoedigheid vanochtend overviel me, wat dat betreft. Ik zag een telefoonnr & besloot die te draaien. Pardoes.
Ik maakte ’t me nog wel even moeilijk, door te bedenken dat ’t lastig was een nr te moeten onthouden onderweg van de geiser in de keuken naar de telefoon in de huiskamer. Pen & papier zag ik nog niet direct als een oplossing, dat leek me alleen maar een extra keer op & neer lopen. & Terwijl ’t water welig doorstroomde & ik mijn gedachten probeerde te ordenen, schoot mij te binnen dat ’t niet verplicht was je ‘vaste’ telefoon te gebruiken wilde je de Nuon bellen.
Nuon, de eigenaar van ’t apparaat, stond op de geiser aangegeven. ’t Telefoonnr dan. Met daarbij vermeld dat dit ’t telefoonnr van Nuon was. De eigenaar van dit apparaat. Nou ja, eigendom van GEB-Amsterdam stond er. Daarvan wist ik me nog net te herinneren dat die overgenomen was, of was overgegaan in de Nuon.
‘Bij storing: telefoonnr.’
Dat stond er.
Dus terwijl ’t water olijk alle kanten op spetterde, ik met een heetwaterreguleerknop in 1 van m’n handen stond, besloot ik m’n mobiel te gebruiken om die instantie ‘ns te benaderen.
Helder denken. Ik complimenteerde mezelf alvast met deze daadkrachtigheid, dit overzicht over de situatie, de euvele moed toe te slaan als ’t nodig is.

‘Met de storingsdienst van de Nuon,’ zei de man aan de andere kant.
Ik vertelde hem mijn naam & viel vervolgens met de deur in huis. Dat leek me ’t beste. Dan weten die mensen van de storingsdienst tenminste dat ze met een echte storing te maken hebben.
‘M’n geiser is plotseling gaan lekken.’
Waarop hij m’n postcode wilde hebben, vervolgens ’t huisnr.
‘Geiser?’ vroeg-ie.
‘Ja, hij lekt,’ zei ik.
‘Wacht even hoor,’ zei hij.
Hij ging iets opzoeken. Mompelde ondertussen iets over ’t weekend. & ‘Maandag’ voegde hij daar ook murmelend aan toe. ’t Woord ‘tarieven’ ontglipte hem ook tijdens zijn zoektocht.
Na zoveel informatie al prijs gegeven te hebben, besloot-ie mij daadwerkelijk te gaan inlichten.
‘Ja, ik ben aan ’t zoeken of er geen eigen bijdrage geleverd moet worden als er in ’t weekend voorgereden moet worden in geval van een storing aan de geiser. Met de verwarmingsbronnen voor binnenskamers is dat niet zo, maar met heet-waterregelaars wel, zie ik hier staan.’
‘Shit,’ ontglipte mij, terwijl ik mijn improviserende talenten onderwijl aan ’t botvieren was op de genoemde geiser.

Ik had nl in de tussentijd bedacht, zwaar noodzakelijk leek mij, gezien de informatie die mij door ’t mompelen & murmelen van m’n gesprekspartner ter ore kwam, dat ik beter zelf een list kon bedenken, anders zou ik óf zwaar moeten betalen, óf zwaar op zoek moeten gaan naar assistentie, óf voor de 2e maal deze week te maken krijgen met een keuken die zwaar onder water zou komen te staan. Men begrijpt mijn bezwaren.
Dit bedenkend, besloot ik de stoute schoenen aan te trekken, de gsm in mijn hand, luisterend naar ’t brabbelen van de man die mij met raad & daad bijstand moest verlenen, maar daar blijkbaar geld voor gepresenteerd wilde zien, & op zoek te gaan naar een schroevendraaier.
Er was mij nl een schroefje opgevallen. Op de plek waar 1st die heetwaterreguleerknop zat, die ik overigens nog steeds in m’n linkerhand hield (ik begon me blijkbaar aan ’t knopje te hechten). Daar waar dat ding eerder zat, was nu een schroefje tevoorschijn gekomen. Misschien dat een schroevendraaier daar iets mee kon. ’t Had in ieder geval een gleuf waar mijn gereedschap in paste.
Dus, op ’t moment dat ik ’t woordje ‘shit’ bezigde, in consternatie over de mij gepresenteerde toekomstige rekening, in geval ik dit weekend gebruik wilde maken van de diensten van de storingsdienst, ad € 32,-, draaide ik, de telefoon aan m’n linkeroor, de heetwaterreguleerknop legde ik voor ’t gemak even op de aanrecht, met de schroevendraaier aan ’t schroefje. & Wist daarmee de lekkende geiser tot een niet-lekkende geiser te maken.
‘Wat grappig,’ dacht ik, ‘zou ik ‘m nog verder kunnen draaien?’
Dit omdat ’t allemaal zo simpel overkwam.
‘Weet je,’ zei ik ondertussen tegen de man van de storingsdienst, ‘terwijl jij zat te praten, heb ik even een schroevendraaier gepakt & daarmee wat geïmproviseerd.’
Dat laatste vond ik wel goed klinken.
‘Dus wat ik doe,’ ging ik verder, ‘ik kijk ’t even aan, & als ’t maandag nou nog niet in orde is, dan bel ik gewoon nog een keer.’

Er volgde een triomftocht van de keuken naar de huiskamer van Zijperspace.

teuten

‘Hoe was ‘t?’ vraagt m’n moeder met een zachte stem.
’t Is alsof je een vleugje zout in je thee proeft. Iemand die nooit thee drinkt, zal ’t niet opmerken. & Toch ook door de grote hoeveelheden suiker die ik per bakje gebruik heen, neem ik ’t waar.
1st Maar haar vraag beantwoorden. Als ze ’t kwijt wil, dan hoor ik ’t straks wel.
‘Was leuk,’ antwoord ik. ‘’t Zeil is gelegd, de wasmachine aangesloten. Een nieuwe harde schijf in m’n computer. De waslijn hangt weer. ’t Is maar goed dat ik Quint heb laten komen.’
‘Mooi,’ zei m’n moeder. ‘Van je familie moet je ’t toch wel hebben.’
Een breuk in haar stem. Ik kan er nu niet meer aan voorbijgaan. ’t Kost haar moeite om de zinnen er uit te krijgen. Ik zie de rimpels in haar voorhoofd staan, de hoofdpijn, de traan in haar ooghoek.
We zijn er voor getraind, vroeger. Een spartaanse school. Zogauw ’t gezicht van m’n moeder asgrauw stond, wisten we dat we stil moesten zijn. Geen ruzie maken, geen vriendjes binnen op bezoek, beter buiten spelen, geen woordenwisselingen om de grootste gehaktbal. Overtreding werd door m’n vader streng afgestraft met een blik die je 20 cm in de grond deed zakken. Geen geluid. Slechts een blik. Een kneep in de arm, hooguit, als je naast hem zat. & Er werd verder opgeschept uit de pannen. De opscheplepels raakten op zulke dagen de borden niet.

‘Wat is er, Moe?’ vraag ik. ‘Gaat ’t niet?’
‘Nee.’
Ik voel een traan rollen aan de andere kant van de lijn. Fluisterzacht wordt-ie opgevangen door een zakdoek. Verfrommeld. Haar duim & wijsvinger drukken ’t weg in haar vuist. Ze kijkt schuin voor zich.
‘’t Is vandaag 2 maanden geleden.’
‘Ja, ik weet ‘t,’ zeg ik. ‘Ik moest er vandaag ook aan denken.’
‘Ik mis ‘m.’
M’n adem stokt. Terwijl m’n lichaam zich in een rustige houding dwingt, m’n gat vindt als vanzelf de meest comfortabele zitplek op de stoelleuning, wervelt er een horde aan emoties op in m’n hoofd. ’t Lag er rustig, een plotse windvlaag doet beseffen dat ’t slechts de vloer bedekte, wachtend tot ’t weer beroerd zou worden.
‘Ik wil zo graag nog wat tegen ‘m zeggen,’ zegt m’n moeder. ‘Ik mis de gesprekken die we hadden.’
‘Ja.’
Meer niet. & Ook dat met moeite.
‘& Dan weet ik heus wel dat we die de laatste tijd ook niet meer hadden,’ gaat m’n moeder verder, ‘maar toch is ’t alsof ik dat niet heb afgemaakt. ’t Kan niet dat-ie weg is.’

We zwijgen beiden.

‘Ik denk de hele tijd dat ik nog een wandeling met ‘m moet maken,’ zeg ik. ‘Jij wilt nog met ‘m praten & ik wil nog een wandeling maken.’
‘Ja,’ zegt m’n moeder.
‘& Dan wil ik dat opschrijven, maar dan lukt me dat niet. Alsof ik alle emoties al heb gehad, zo voelt ’t dan, maar toch kan ik de juiste woorden niet meer vinden.’
‘Misschien moeten wij nog eens een wandeling gaan maken,’ zegt m’n moeder.
‘Ja, dat zou leuk zijn.’
& Nog een hele hoop zinnen vormen zich in m’n hoofd, maar ze dienen zich allemaal tegelijkertijd aan, net als ’t samentrekken van m’n keel, waardoor er niet meer dan dat ene zinnetje uitkomt.

‘Moe,’ zeg ik.
‘Ja?’
Stil.
Ze hoort me ademen. Hortend, stotend. Ze ziet hoe ik de hoorn in m’n handen heb. Hoe ik opgestaan ben, onrustig schuifel, ’t geluid van de installatie wegdraai. Ze ziet me wriemelen aan m’n neus.
‘Dat was toch leuk, hè,’ zeg ik eindelijk, ‘vorige week in Amsterdam?
‘Ja, dat was leuk,’ zegt ze. ‘Dat moeten we maar ‘ns vaker doen.’

‘Maar ach,’ zegt ze even later, ‘ik moet niet als een oude vrouw gaan teuten.’
Ze recht haar schouders. Hoewel ze wat krom zullen blijven staan. Ze haalt de trilling uit haar stem.
‘Wel, Moe,’ zeg ik. ‘Je moet wel teuten. Je was 47 jaar met hem getrouwd. Dan mis je hem.’
‘Da’s waar,’ zegt m’n moeder.

& Wilde bloemen bedekken nogmaals ’t graf in Zijperspace.

lamlendig

‘s Nachts besluit ik niet naar m’n werk te gaan. ’t Wordt te gek. M’n adem schuurt door m’n keel. Alleen door wakker blijven heb ik ’t idee de nacht te kunnen overleven. M’n hoofd bonkt.
½ 10 Bel ik op. Beide werkgevers. Zielig verhaal: verkouden & hoofdpijn, maar ’t zit wel goed.
Ik ga een was doen. Dat kan ik beter vroeg doen, want dan heb ik met alle loomte de hele dag de tijd de was op te hangen. Kijken of-ie ’t doet: de nieuwe 2e-hands.
Terwijl ik boterhammen smeer, zakdoek gereed om druipen te voorkomen, voel ik nattigheid aan m’n voeten. ’t Gisteren neergelegde keukenvloerzeil staat blank. Nieuwe 2e-hands werkt niet.
Ik ben een uur bezig de vloer weer droog te krijgen. ’t Zeil moet, na nog geen 24 uur op z’n plek gelegen te hebben, de rest van de dag opengeslagen liggen. De ondergrond moet drogen. De was trek ik uit de machine, laat ik in de tuin op een stoel uitdruipen tot ik een oplossing ervoor heb gevonden.
Ik probeer een boek te lezen. Nog maar 100 blz. Maar met ’t vooruitzicht dat ik de hele dag binnen zal moeten blijven, kan ik me niet concentreren.
Ik vlieg internet op, op zoek naar spelletjes. Ik haal binnen, ik gooi weg, tot ik laat in de middag een écht verslavend spelletje gevonden heb.
De was heb ik ondertussen bij de bovenbuurvrouw gebracht, 3-hoog ditmaal. Net terug uit Griekenland. Ondanks m’n verkoudheid, een andere opgang, & ’t feit dat ik hun van 3-hoog 3 maanden niet gezien heb, voel ik me thuis. Zo vaak gebeurt ’t niet dat ik ziek thuis ben. Zie gebeuren wat er gebeurt op een paar vierkante meter. Boven & onder mekaar.
Ondanks dat neem ik ’t mezelf kwalijk dat ik niet genoeg dankbaarheid toon. Ik besef ’t me later pas. Dan ben ik echter al bezeten van ’t spel dat ik een uur lang op proef mag draaien op mijn computer, zodat ik ’t schuldgevoel snel vergeet.
Ik probeer meeltjes te versturen. ’t Aanslaan van de spatietoets gaat pijnlijk; gisteren is er tijdens ’t schoonmaken van de keukenapparatuur een ijzersplinter achter m’n nagel geschoten. De nagel van m’n spatie-duim. Ik beperk ’t schrijven daarom tot een minimum. Afwassen trekt me ook niet. ’t Hete water lijkt de wond in te trekken, alsof er zout in ’t afwasmiddel zit.
Ik beperk me tot ’t beeldscherm. Als de proefperiode van ’t ene spel verstreken is, probeer ik een volgende uit. Elke keer besluit ik dat ’t ‘t laatste is, ’t boek is belangrijker dan spelletjes, maar verslaving heeft me te pakken.
’s Middags heb ik een maaltijd in elkaar geïmproviseerd. Dermate veel dat ik ’t als middag- & avondmaal gebruik. Ik stop de restanten in een bakje om morgenavond ook iets te eten te hebben.
Ik sta m’n collega’s in de vroege avond te woord, dat ik morgen weer ga werken, overmorgen ook.
Ik wil niet te lang meer opgesloten zitten. Daar ga ik te veel niets van doen. ’t Boek ligt er maar, op z’n kop opengeslagen, nog 75 blz.

& Een stukje voor Zijperspace komt er waarschijnlijk ook niet van.

zestien

Om een glas beter te kunnen bekijken, boog de man voorover. Waarbij z’n rug even krom bleef als ervoor. Er veranderde niets. Hij deed slechts een stap vooruit. Misschien dat z’n hoofd zakte, maar meer niet. Dat was zijn buigen. Terwijl hij ondertussen z’n ogen toekneep & ‘hmf, hmf’ brabbelde.
‘Mag ik dat glas daar zien?’ vroeg-ie.
‘Deze?’ vroeg ik.
‘Volg m’n vinger,’ corrigeerde hij mij. ‘Daar, die pul.’
Terwijl zijn verschijning steeds krommer oogde, werd mijn rug rechter. Ik moest ergens ’t geduld vandaan halen. Dan maar uit m’n houding.
Hij hield ’t glas voor z’n ogen. Vlak ervoor. Z’n neus raakte ’t voorwerp bijna. Een neus met dezelfde kromming als z’n kale magere voorhoofd. Z’n lippen smakten ‘hmf’, legden hun waardering of afkeuring in ’t glas. Alleen voor hem zelf te verstaan. Hij hield ’t schuin, dan weer recht, bewoog ’t omhoog, tegen ’t licht, om daarna de bodem te bestuderen. Z’n hand aaide de buitenkant, op zoek naar oneffenheden.
‘Ja, ja,’ zei hij, ‘volg mijn vinger. Dat glas daar. Weihen…..?’
‘Weihenstephan?’ maakte ik de naam af. ‘Deze ½e literpul?’
‘Nee, ernaast. Links.’
Ik wilde ’t voor hem neerzetten, maar z’n beetgrage handen hadden ’t glas al vast.
‘Ik zet ’t liever op de toonbank,’ zei ik.
Maar z’n aandacht was al gezonken tot ‘t ‘hmf’-niveau. Zelfde ritueel.

Z’n keuze was gemaakt.
‘2 Maal deze pul, graag.’
Ik pakte er 1 exemplaar bij. Plaatste de afgekeurde modellen terug in ’t schap.
‘Nou wilde ik vragen,’ begon hij ondertussen traag. ‘Misschien een lastige vraag. Er bestaat een heel zwaar bier. Even kijken, hoe heet ’t ook alweer? Bij mij in ’t dorp kan ik ’t niet meer krijgen.’
‘Belzebuth? Bush? Kanon?’
‘Iets met een ‘e’. Hm, eek, eem, emu. Zoiets.’
‘Eku? Een duits bier.’
‘Ja, heeft u dat? Bij mij in ’t dorp kan ik ’t niet meer krijgen.’
‘’t Staat daar boven. Bij de andere duitse bieren. Op de bovenste plank. Als u er niet bij kunt, dan kunt u op een houten kratje staan.’
Ik wilde hem wel zien reiken. Reiken naar de bovenste plank, met z’n kromgetrokken houding. Ik wil mannen die me 10 minuten nutteloos bezig houden graag hun lichaam zien rekken. Ik zal die binnenskamersteruggetrokkenheid er wel eens uittrekken, uitrollen tot z’n volle lengte.

Ik ging in de deuropening staan. Even frisse adem. Even weg uit de dwangbuis van de toonbank.
Thomas kwam me gezelschap houden. We lachten naar elkaar. Gekke vent.
‘Die vent was écht gek,’ begon Thomas.
Ik lachte. Maar ’t gezicht van Thomas betrok.
‘Shit,’ zei hij. ‘Die vent staat er nog.’
Ik volgde z’n blik. De man stond enkele meters verder z’n glazen & flessen opnieuw in te pakken. Z’n stevige linnen boodschappentas werd geherstructureerd.
Schielijk stapten we weer naar binnen.
‘Ja, hij is gek,’ fluisterde ik.

Hij kwam weer binnen.
‘Ik wilde nog iets vragen,’ vroeg-ie met z’n neus naar voren.
Een neus die lang geen zon had gezien.
‘Weet u de postjesweg?’
Ik schudde m’n hoofd.
‘& De van der Helststraat?’
Ik trok een peinzend gezicht.
Een klant kwam van achter uit de winkel de helpende hand bieden.
‘De van der Helststraat is in de Pijp,’ hielp deze.
‘Hoe kom ik daar?’ was de volgende vraag.
‘U kan lijn 24, 25 of 16 nemen.’
‘Lijn 24 of 25,’ herhaalde de zonderling.
‘& 16,’ voegde ik toe.
‘Weet u ook de postjesweg?’
‘Jazeker,’ zei de klant.
‘Is die in de buurt van de postjeskade?’
‘Ja, dat klopt.’
‘Oh, dan weet ik die wel te vinden. De van der Helststraat is dus in de Pijp & de postjesweg in de buurt van de postjeskade?’
‘Klopt.’
‘Lijn 24.’
‘& Lijn 25,’ voegde de klant toe.
‘& Lijn 16,’ fluisterde ik weer mee.
‘Goed, lijn 24 & 25 dus,’ zei de man.
‘& Lijn 16,’ was ik weer aan de beurt.
‘Lijn 24 & 25, stoppen die voor ’t paleis?’
‘Ja, inderdaad.’
‘Lijn 16 ook,’ voegde ik weer toe.
‘Goed, de postjesweg is in de buurt van de postjeskade & voor de van der Helststraat neem ik lijn 24 & 25.’
‘Of lijn 16.’
‘Bedankt hoor.’
‘Graag gedaan,’ zeiden de klant & ik in koor.
‘Lijn 24 & 25,’ mompelde de man.
‘& 16,’ mompelde ik.

We werden meegetrokken de diepste diepten van Zijperspace in.

verwondering

‘Ik vroeg aan m’n buurvrouw of ik bij haar even de was mocht doen. Ik zeg tegen haar: “Ja, ik zou eigenlijk bij m’n collega’s langsgaan vanavond; ik stond net op ’t punt dat ik zou bellen om te vragen of ’t even bij hun kon, terwijl wij een spelletje zouden spelen, maar toen bleek dat ik een sms-je had gekregen. Dat ’t niet doorging. & M’n wasmachine is nu al 2 weken stuk. Of 3 weken. Dus ’t werd toch tijd dat ik ‘ns schone kleren kreeg.”
Kijk, met m’n t-shirts hou ik ’t wel uit. Dat duurt nog wel 100 dagen voordat ik ze allemaal een dag heb aangehad. Dat zeg ik ook tegen m’n buuv, maar, zeg ik, op een gegeven moment heb je geen broek meer, of erger: geen onderbroek of sokken meer. Ik zeg tegen m’n buurvrouw: “& Met die handwasjes schiet ’t ook niet al te erg op.” Zeg ik.
“Nou, schat,” zegt ze, “je weet dat je altijd bij ons terecht kan.”
Ik zei ook nog: “Handwasjes, ouderwets hè. Volgens mij is dat een woord dat alleen vrouwen onderling nog gebruiken. Dat hoor ik dan wel ‘ns. Dat vrouwen een handwasje hebben gedaan. Alsof ze net ongesteld zijn geweest of ’t nog zijn. Zo smoezen ze dat dan aan elkaar door. Handwasje. Doen ze alleen nog met dure bh’s & een kanten stringetje. Is ook niet iets wat je en plein public zegt: ik heb even vanochtend een handwasje gedaan, want anders zou m’n nieuwe bh gekrompen zijn. Dat stel ik me zo voor, maar écht weten doe ik ’t natuurlijk niet, hè.”
M’n buurvrouw moest alleen maar lachen.
Ik mocht m’n was in de wasmachine stoppen. Paste natuurlijk niet allemaal. Dus de handdoek waarin ik alles had ingepakt, die heb ik er maar buitengelaten. M’n buuv gooide er vloeibaar wasmiddel bij. Ik dacht nog: “Hé, dat gebruik ik nooit, dat roze spul.”
“40°?” vroeg ze.
“40°,’ zei ik.
Ze zou me wel een belletje geven als ’t klaar was.
Dus toen ze belde, 2 uur later, ben ik meteen naar boven gegaan. Des te eerder ’t hangt, des te eerder ik weer droge schone kleren had, dacht ik.
M’n buurvrouw zei: “Zal wel raar zijn, hè, dat al je spullen anders ruiken nu, door mijn wasmiddel.”
Ik dacht nog: “Hoe weet zij nou dat ik een ander wasmiddel gebruik?” Ja, toch. Dat kan ze toch niet weten? Ze ziet mijn was hooguit in de tuin hangen, als ze naar beneden kijkt. Dan kan ze toch niet zien of ruiken wat voor wasmiddel ik gebruik? Maar ze maakte die opmerking, dus dat was wel grappig evengoed.
Nou, m’n was dus opgehangen & 2 dagen later wil ik ‘t 1e t-shirtje aantrekken. Net nieuw t-shirtje. Gekregen van een amerikaan. & Nieuwe t-shirtjes was ik altijd 1st, want anders gaan ze zo ruiken naar zweet. Nieuwe shirts houden de zweetgeur sneller vast, is mijn ervaring.
Ik trek dat shirtje aan, schoon uit de was, vast ruikend naar ’t wasmiddel van m’n buurvrouw, & naar al die andere t-shirtjes die naast ‘m aan ’t rek hadden gehangen. Dat denk ik dan, hè, dat al die shirtjes hun eigen geur hebben, ook al hebben ze bij elkaar in de wasmachine gezeten. & Dat ze pas aan de lijn, als ze naast of vlak tegen elkaar hangen, naar elkaar beginnen te ruiken. Door de wind, of juist ’t gebrek eraan, die erdoorheen waait. Of dus niet, als ’t niet waait. Als je me nog volgt.
Ik trek dat shirt dus aan & kijk meteen achterom. Een raar geurtje, dat me van achteren lijkt te hebben beslopen. Alsof ik me niet gewassen heb. Niet storend, maar wel aanwezig.
Ik denk: “Wat heb ik gister gegeten?”
Maar goed, ik trek dus dat shirtje maar weer uit. Trek een ander aan. Kijken of die ‘tzelfde ruikt. Heeft immers in dezelfde was gezeten. Maar niks aan de hand. Heb ik dus toch maar weer dat nieuwe shirtje aangetrokken. Want dan lag ’t aan de stof, dacht ik. Of de combinatie van de stof met mijn lichaamsgeur & ’t wasmiddel van m’n buurvrouw.
Moet ik haar maar niet vertellen, dacht ik. Of zou jij dat dan wel doen? ’t Was wel een mooi t-shirt, dus ’t zou zonde zijn als ik ‘m niet had gedragen. Maar toch af & toe achterom gekeken, waar ’t vandaan kwam.’

Toch een kleine angst voor een geuraanval, komend van buiten Zijperspace.

Dit stukje 'aan-m'n-lijflog' geschreven om toch nog even aandacht te vestigen, anders leest men 't nooit, gewoon doordat men niet op de hoogte was, op de 12e aflevering van m'n cursus lijfloggen, met bijna dezelfde titel als hierboven. Geeft u gelijk de gelegenheid om de andere schrijfsels die about:blank deze maand vullen te lezen.

gozer

‘Wanneer mag ik weer binnen?’ vroeg-ie.
‘Vraag dat maar aan de politie,’ zei ik.
Ik wilde een troef in handen hebben. Negeerde zijn blik. De woede kon-ie waarschijnlijk evengoed wel aflezen. Hij haalde mijn onzekerheid binnen, ik speelde de kaart van toezicht uit. Dat-ie in de gaten gehouden werd, meer mensen op de hoogte waren.

De politie, in de vorm van 2 agenten, was toch maar langsgekomen. Daags erna. Ze noteerden m’n naam, leeftijd, een korte omschrijving van de man in kwestie, enkele gegevens over de winkel, & hoe & wat er ongeveer gebeurd was. Wat-ie had gezegd.
‘Hij zei dat-ie me wel vol zou pompen met lood,’ dicteerde ik, ‘als ik nog een keer zo bijdehand zou doen.
Ze hadden besloten ’t toch wel wat serieuzer te nemen. Daarom waren ze langs. & Suggereerden dat een winkelverbod rechtsgeldig was, een winkelverbod door mij uitgesproken.
De beloofde buurtregisseur kwam nooit langs.

‘Hé, jij mag er niet in,’ hoorde ik Thomas, m’n collega, zeggen.
Ik haastte me naar boven, de kelder uit. Ik kon ‘m niet alleen laten.
Hij probeerde binnen te komen als-ie zag dat ik er niet was. Hij was waarschijnlijk al meermaals binnen geweest op momenten dat ik geen dienst had.
Op ’t moment dat-ie mij boven zag komen, keerde hij terug naar de deuropening. Hij commandeerde z’n maat van de dag wat-ie wilde hebben. De maat waar hij vandaag zaken mee deed.
‘Doe mij maar een Kanonnetje,’ zei hij.
‘Hoeveel is dat?’ vroeg z’n maat aan Thomas. ‘2 Flesjes Kanon?’
‘€ 2,80.’
‘Dan heb je me toch genaaid, hè?’ lachte de maat naar hem. ‘Voor een duppie.’

Na m’n verhaal bij de politie had ik Westmalle aangesproken. Hij was in gezelschap van Behr. De norse Behr. Zei niets, hooguit een brommend gedag.
‘Er is een gozer die me bedreigd heeft,’ vertelde ik.
Westmalle zou z’n ogen open houden. Behr ook. Behr kwam tot leven.
‘Als ik ‘m tegenkom,’ zei Behr, ‘dan zal ik ‘t ‘m wel even uitleggen.’
& Tegen Westmalle: ‘Je weet hoe ik ben. Als iets me niet zint, dan laat ik dat ook merken.’
Westmalle tegen mij: ‘Je moet je niet laten opfokken door zo’n gozertje. Als ze zulke dingen zeggen, dan proberen ze je af te bluffen. Dat zijn keffertjes.’
Ik snapte dat wel. Maar zulke gebeurtenissen bedorven wel ’t plezier dat ik in m’n werk had. Ik wist heus wel wat er op straat gebeurde. Ik wist ook wel wat Westmalle & Behr de hele dag op straat deden. Ik was niet achterlijk. & Van mij mocht ‘t. Iedereen mocht bij mij binnenkomen. Maar ik moest wel lol in m’n werk houden.
Zei ik.
‘Maar laat ’t me maar weten,’ zei Westmalle, ‘als je weet wie ’t is.’
‘Ja, laat ’t ons maar even weten,’ zei Behr.
Behr heeft 1 hand waar nog maar een paar stompjes van vingers aanzitten. Daarmee neemt-ie altijd ’t wisselgeld aan. Ik moet er op letten dat de muntjes niet buiten z’n hand vallen. ’t Zijn grote handen, maar kleine stompjes.

Westmalle vroeg me of ik misschien wist hoe de jongen heette. Die me bedreigd had.
‘Was ’t een magere jongen?’ vroeg-ie. ‘Net even groter dan wij?’
Ja, dat klopte. & Hij had vandaag, een paar dagen na ons laatste gesprek over de jongen, een zonnebril op z’n hoofd staan. Zo’n bril om je kapsel tegen te houden.
‘Ja, een beetje opgewonden gozertje,’ zei Westmalle. ‘Volgens mij heet-ie Fred.’

‘Wanneer mag ik er nou in?’ vroeg-ie aan Thomas.
Hij negeerde mij. Hij was iemand die net zo lang zocht naar de zwakste schakel tot-ie ’t gevonden had.
‘Je mag er niet in,’ antwoordde ik voor Thomas, van achter uit de winkel. ‘Dat hebben we al eerder afgesproken.’
‘Hij heeft wat verkeerd gedaan, hè?’ zei z’n maat bij de koelkast.
‘Ja, maar daar wil ik ’t niet over hebben,’ zei ik. ‘Jij ook niet, want dan krijg jij ook ruzie met me.’
‘Is ok. Is ok,’ zei de maat snel.
Hij ging bij Thomas afrekenen.

‘Ik ga die maatjes van hem persoonlijk aanspreken,’ zei ik tegen Thomas. ‘Ze vertellen wat er aan de hand is. Dan pak je ‘m van binnenuit.’
‘Denk ik,’ zei ik even later.
Op dat moment kwam Behr binnen.
‘Oh, hé,’ reageerde ik meteen, ‘die gozer loopt net weg. We kunnen ‘m misschien nog net zien lopen. Hij was met iemand anders.’
We gaan buiten kijken, maar de 2 zijn uit beeld.
‘Oh, was ’t die gozer met een geblokt jasje?’ vroeg Behr.
‘Ja, & een zonnebril in z’n haar,’ vulde ik aan. ‘Volgens mij heet-ie Fred.’
‘Oja, dat is een gozer met een grote bek,’ zei Behr. ‘Doet niks. Maar ik zal ‘m wel even aanspreken.’
Hij rekende z’n bier af. Ik legde ’t wisselgeld ditmaal in z’n goede hand. Met z’n afgestompte hield-ie z’n flesjes Grolsch vast.
‘Ik praat wel even met ‘m.’

Z’n maat kwam binnen, ’s middags, alleen. Evengoed 2 flesjes Kanon.
‘Zeg,’ zei ik, ‘je kan beter die gozer niet meer meenemen.’
‘Ja, dat weet ik,’ antwoordde hij haastig.
Hij keek me niet aan. Hij volgde m’n vingers die ’t flesje door de scan haalden.
‘Ik heb ruzie met hem,’ zei ik. ‘& Als jij ‘m meeneemt, krijg jij ook ruzie. Daar heb ik geen zin in.’
‘Nee, nee,’ zei hij. ‘Hij is er toch niet. Ik heb geen zin in ruzie.’
Hij keek me nog altijd niet aan. De glimlach van ’s ochtends was verdwenen. Schuchter verliet-ie de winkel.

Behr die dag niet meer gezien in Zijperspace.

hengels

We zagen hengels liggen. In de berm. Aan de waterkant. Daar waar ze niet hoorden te liggen. In ieder geval niet onbeheerd.
Ik wist dat, want ik had m’n broers mét hengel richting waterkant zien lopen. Zij lieten de hengels niet in de steek. Bleven er naar kijken. Naar ’t lijntje dat aan de stok zat.
Meer was ’t niet. Een lijntje aan een stok. Door m’n vader in elkaar geknutseld.
Carel & ik zouden ’t enkele jaren later weigeren. Zoiets bestond niet, dat je met een stok & een lijntje, een lijntje van gewoon huis-, tuin- & keukentouw, zou kunnen vissen. Er zat geeneens een haakje aan. Een touwtje met een knoop er aan, een lus, aan ’t uiteinde. Zeker onder ’t mom van een uurtje van z’n zonen af te zijn, had m’n vader dat gefabriceerd. Een stok, een spijker, een touw & een lus. Weg kinders. Hooguit wat oppas aan de waterkant was noodzakelijk. Daar hadden ze de tweeling van de overkant slechts voor nodig. & Die tweeling was tot alles bereid. Als ze maar vriendjes hadden.
& Oja, om ’t te vieren, ’t heuglijke historische feit: zonen voor ‘t 1st zelfstandig te vissen in de Singel, de PWA-Singel, werd ’t vrolijk tafereel, de stoet van Jan & Theo richting water, zogenaamde hengels op de rug, emmer in de hand, netje in de vorm van een oude zeef uit de keuken, op film gezet. 8 mm.
We hebben ze vele malen zien lopen, steeds meer lichtscheutjes naarmate jaren vorderden & ’t materiaal meer werd aangetast, de benen stram vooruit, de jongste van de 2, Theo, parmantig hoog de benen optillend, waarschijnlijk op de aanmoedigende parade-commentaren van vader, de man achter de camera. Je zag ’t beeld op ’t ritme van de beentjes mee hupsen.

Nee, zo naïef zouden ze Carel & mij niet krijgen. We waren ingelicht door een nieuwe generatie sportvissers, of Carel was ingefluisterd door mensen die zich niet gek lieten maken & had mij daarin meegesleept. Dus bleven wij wars van stokken & touwtjes & wilden slechts ’t echte materiaal. Carel dan.
Want eigenlijk vond ik ’t maar niks: voor me uit zitten kijken aan de oever, wachten tot er iets gebeurde, & wat er kon gebeuren was slechts een dobber die onder kon duiken. Ik kreeg al vermoeide ogen van ’t vooruitzicht te moeten blijven staren.
Carel had zich er echter in vastgebeten. Jaren later zou hij dan uiteindelijk toch z’n échte sporthengel krijgen, zou hij gaan sparen voor nieuw snoer, een nieuwe molen, een haakjesset, een koffer voor de haakjesset, een net, enzovoorts, voordat-ie uiteindelijk toch nog z’n belangstelling voor ’t vissen zou verliezen. Maar toen had-ie al met lieslaarzen & al op een pier in de zee gestaan. ’t Echte vissen, wist-ie me wijs te maken. ’t Echte doden, wist ik er tegenin te brengen, moedwillig doden van al ‘tgeen er leeft, zonder dat ’t een doel heeft. Als we er nou nog ‘ns van konden eten, dan snapte ik ’t wel.

Goed, we zagen dus die hengels liggen. In de berm, aan de waterkant van de PWA-Singel. Net om de hoek van onze van der Hamstraat. Tussen 2 bomen, die op gepaste afstanden de gracht iets van allure hadden moeten geven, maar later dienden om alle honden van de buurt een doel te geven in hun dagelijkse avondlijke ronde.
Dit was echter nog in de tijd dat honden niet zoveel invloed hadden op de zitbaarheid van de grasberm, men er ook niet zoveel over nadacht wat honden allemaal in ’t gras gedaan zouden kunnen hebben & bovendien de wereld waarschijnlijk veel meer stonk & daardoor minder stonk, omdat men geur in al z’n schakeringen veel beter gewend was.
Ik was 5, vermoed ik, kon in elk geval net zo parmantig paraderen op m’n dikke beentjes als Theo elk jaar weer toonde op de jaarlijkse familiefilmvoorstelling, & Pieter-Jan 2 jaar ouder.
Pieter-Jan was van enkele huizen verder. ’t Hoekhuis verderop in de straat. Enkele jaren ouder, maar dat merkte je niet. Behalve dan dat-ie groter was, & sneller kon rennen. Dat moest ook wel, met de stommiteiten die hij keer op keer uithaalde. Hij heette van z’n achternaam Augustijn. Dat was niet voor niets, besefte ik jaren later.
Buiten ’t feit dat ik 5 was, stond ik open voor suggesties, liet me gemakkelijk beïnvloeden, & was altijd in voor een geintje. Vooral voor geintjes van Pieter-Jan, want die waren meestal leuk & hadden slechts tot gevolg dat hij de klappen kreeg, een woeste vader kon je in zo’n geval blokken lang achter z’n zoon aan zien rennen, & wij onschuldig bij de avondmaaltijd uitlegden hoe ’t avontuur door Pieter-Jan in gang was gezet. Steeds opnieuw, steeds becommentarieerd door andere monden, steeds meer tot ons genoegen. De verhalen over Pieter-Jan waren klassiekers; we vergaten erdoor te eten.

Er lagen hengels. Niemand die er aan kwam. We zagen ’t zelf. Pieter-Jan & ik.
Hengels die onbeheerd langs de kant van ’t water lagen, die deden ’t niet meer, beweerde Pieter-Jan. Ik kon ’t niet weerleggen, ’t klonk zeer logisch in mijn oren.
Jammer, ging Pieter-Jan verder, want hij had graag een hengel willen hebben. Jammer dat deze ’t niet meer deden. Ze zaten met hun snoer vast aan de bodem. Dat belette hem ook ze mee te nemen. Dat had-ie anders zeker gedaan. Hengels, hij droomde er al jaren van.
We konden ze beter weggooien. Vond hij. Zeer logische redenering, vond ik.
Maar hij zou wegglijden, door de schuine waterkant. Dacht hij. & Ik niet. Want ik was licht. Bovendien kon hij me vasthouden.
Ik boog voorover, pakte de 2 hengels, hield ze Pieter-Jan voor.
Gooi ze maar weg, zei hij.
Maar ze zitten vast, liet ik zien.
Ja, in ’t water, bedoelde hij. Dan kon niemand ze meer zien. Had niemand er nog last van.
Dus met m’n dikke kinderarmpjes maakte ik de grootste zwaai die mij mogelijk leek. Gaf ze nog een tikje extra met m’n voet, omdat ’t niet helemaal meteen ’t water in paste.
Om tegelijkertijd van de overkant lawaai van geschreeuw te horen. & Wegwezen hoorde ik van achteren.
Ik keek om & zag al niets meer dan iemand die bezig was weggeweest te zijn. Struikelend volgde ik zijn voorbeeld.

’s Avonds bij de maaltijd zagen we schimmen voorbij ’t raam snellen. Tot groot vermaak van m’n vader & broers. Hoewel m’n vader een strenge glimlach had. Zeker nog van de tik die hij op m’n achterhoofd had geplaatst.
Moet je niet achter ze aanrennen, werd er geopperd. Maar ik wilde liever voorovergebogen genieten van ’t uitzicht van een bord vol eten, waar ik geen trek in had, dan achter meneer Augustijn aanrennen om te zeggen dat ik ’t had gedaan.

We hopen dat-ie niet alsnog de weg vindt richting Zijperspace.