bijbelrijk

‘Maar ik heb de bijbel,’ heb ik als weerwoord.
Ik heb er gister al iets in opgezocht. Lucas 8. Dat ze de boot nemen, er een storm op komt zetten & Jezus de storm maant te gaan liggen. & Dat alles in de nieuwe vertaling. De oude vertaling heb ik ook staan. Maar die gebruikte ik slechts zelden.
Geen mp3-speler, wel de bijbel.
Of ik dan gelovig ben opgevoed?
Vragen ze. ‘Ze’ zijn hun die er geen hebben, of hun die verbaasd zijn. Mp3-speler is bijbel geworden.
Ja, antwoord ik, elke zondag naar de kerk, 1e communie, vormsel, bidden voor & na ’t eten, kerst, maar geen biecht.

Zou ik dan zijn gaan bidden, vlak voor slapen gaan, stel dat ik was blijven geloven? Als ik me uitgekleed had, tanden gepoetst, mezelf bewogen richting bed. & Ipv de koptelefoon op m’n hoofd een streng & lang gebed.
Als kind bad ik dat de vervelende jongens uit de klas op zouden houden. Of dat Carel nou eens niet voorgetrokken zou worden. Of dat ik een groot nieuw spel voor Sinterklaas zou krijgen.

Tot eergister luisterde ik naar Het Bureau bij ’t slapen gaan. Aflevering 114, daar was ik gebleven. Nog 250 & veel geduld te gaan. Geduld om te kunnen wachten tot alles uitgezonden & beschikbaar op internet zou zijn, zodat ik ’t kon overzetten op m’n speler & ’t mee naar bed kon.
Ik luisterde, zonk weg, schudde mezelf wakker, toch zeker ’t einde van de aflevering moest ik zien te halen, & werd vervolgens ergens midden in aflevering 120 wakker, enkele uren later.

Nu heb ik de bijbel. Als ik ‘m optil, ‘m met m’n ellebogen m’n ogen voorschotel, krijg ik pijn in m’n nek. Die wil de laatste tijd niet meer van die dikke pillen. Stroef beweegt m’n nek me vervolgens de dag door. Een trage koppijn meezeulend.
Dus lees ik andere boeken. Zoek in de bijbel op wat ze in die boeken bedoelen. Zoals ’t woordenboek ook altijd beschikbaar is.

Ach, m’n oren gaan er tenminste niet aan. Door ’t drukke verkeer naar m’n werk racen, een stampende dreun om de monotone trapbewegingen, ’t uitzicht van alledag te vergeten. Altijd net iets te hard, oorbeschadiging tot gevolg.
Nu kan ik tenminste weer in volle bewustzijn de auto’s voorbij horen ronken, de bouw van flats, de sirenes van hulpdiensten, een krijsend kind in kinderwagen, in stereo dolby surround meemaken. Een verplicht gesprek in de trein, omdat ik me niet dmv oordoppen heb afgesloten van de rest van de reizende wereld.

Ik ben er weer. Ik leef weer ’t leven van alledag. Geen dromen, geen afsluiten van de rest. Slechts de boeken voeden.

Toch blijven de deuren nog even gesloten in Zijperspace.

bekering

‘Dit was m’n 3e,’ zei ik.
Ik legde de verpakking neer op de toonbank.
‘Sorry, wat bedoelt u?’ vroeg verkoper Maarten.
Als ik 1maal aan de beurt ben, lees ik onmiddellijk de naam van de medewerker in kwestie & prent die in m’n hoofd. Die kan ik later tegen hem gebruiken. De waarheid van mijn woorden kracht bij zetten. Wouter, Dennis, Steven, Remco & nu Maarten. Ze zaten allemaal, op chronologische volgorde, opgeslagen in m’n geheugen.
‘Dit is de 3e mp3-speler in 1½ maand die ’t bij mij begeven heeft,’ antwoordde ik. ‘Deze heeft ’t welgeteld 2 dagen gedaan. Woensdag gekregen ter vervanging van de kapotte 2e & sinds gisteravond niet werkend.’
‘Ik zie dat hij nog wel wat doet,’ zei Maarten eigenwijs, mijn autoriteit van getergde klant ontkennend.
‘Jawel, hij loopt de hele tijd door,’ reageerde ik op zijn vaststelling, ‘maar daar is alles mee gezegd. Geen enkel knopje doet ‘t. Als je iets anders wil luisteren dan wat je voorgeschoteld krijgt, dan lukt dat niet. ‘tZelfde probleem overigens als bij de voorgaande 2 exemplaren.’
‘Oh, vreemd. Ik heb nog niet eerder van dit probleem gehoord bij de Creative Zen Touch.’
Creative Zen Touch, zo heet ’t ding. Zen Touch staat voor ’t systeem waarmee je al aaiend met je duim door ’t menu kan scrollen. Creative is de boosdoener die ’t apparaat op de markt heeft gebracht.
‘& Ik heb 3 versies van ’t artikel mogen gebruiken die voortijdig de geest gaven,’ zei ik. ‘Ik vind ’t eerder vreemd dat jij daar niets over gehoord hebt. ’t Is een product dat niet verkocht zou moeten worden.’
‘Vervelend,’ zei Maarten beleefd meelevend.
‘Ja, ’t is vooral vervelend omdat ik nu al voor de 6e keer hier ben. Elke keer is ’t een kwartier heen fietsen & een kwartier terug. Vervolgens sta je meestal een kwartier in de rij & ben je uiteindelijk een uur van je vrije tijd kwijt.’
Maarten knikte begrijpend, maar ik ging verder.
‘Ik heb ook geprobeerd met Mycom via i-meel in contact te komen.’
Ik haalde 2 a-4tjes uit m’n jaszak tevoorschijn & wees daarop de data van verzenden aan.
‘Mijn klacht heb ik op 27 oktober verzonden. Pas op 11 november krijg ik een reactie.’
‘Da’s wel heel laat.’
‘Vind ik ook. Schandalig eigenlijk. Maar dat is nog niet zo erg als de fabrikant. Die heb ik ook een i-meel met klachten gestuurd. Daar heb ik nog steeds niets van gehoord. Ja, ik mocht een enquête invullen over hoe de service via internet functioneerde. Maar niets kreeg ik te horen over de gebreken die de Zen Touch vertoonde.’
‘Wilt u misschien een ander model?’
‘Nee, ik heb er eigenlijk genoeg van. Van Creative & van Mycom. Voorlopig wil ik er niks meer mee te maken hebben.’
‘Dus u wilt uw geld terug?’

‘Zit er een cadeau bij?’ vroeg de verkoopster.
Voor haar lagen de Bijbel, Wolkenatlas & de Geschiedenis Kalender 2005. Totaal ter waarde van een ¼ mp3-speler. Voor ‘t 1st in m’n leven had ik met een 100 eurobiljet betaald.
‘Mag ik wel met een biljet van 100 betalen hier?’ had ik nog gevraagd.
Zij had ijverig geknikt & ’t biljet onder de lamp gelegd. Goedgekeurd.
Of er een cadeau bijzat.
‘Nee, ’t is allemaal voor mezelf,’ zei ik met een glimlach.
Daar zit meer in, dacht ik.
‘Ik ga mezelf bekeren,’ voegde ik er daarom maar aan toe.
Ze lachte met me mee.
‘Veel plezier met de bekering dan.’
& Ze overhandigde me ’t stapeltje. Verpakt in ’t algemene Scheltema-papier. Zonder kom je de winkel niet uit.

In stilte gaan we wederom op zoek naar ’t woord in Zijperspace.

ontbijtwaardering

Ik bedenk ’t me terwijl ik mezelf dwing nog een hap van mijn met tonijnsalade bekleed ontbijt te nemen: mensen zouden ’t moeten weten.
Er heerst al genoeg onwetendheid op deze wereld, vervolg ik, dompel ondertussen ’t theezakje in ’t kokende water, hef ‘m op, dompel ‘m wederom, om dit over een periode van ong 10 seconden te blijven herhalen, mijn hoofd ondertussen vullend met algemene verontwaardiging.
‘Algemeen’, daar ’t niet wereldschokkend is wat ik bedenk, waar ik m’n ochtendlijke humeur door laat beïnvloeden, maar wel van dien aard dat eenieder in deze nederlandse samenleving er dagelijks mee te maken kan hebben. Behalve dan misschien de junkies met hun yoghurt- & vlapakken, die met wat extra aandacht zorg willen dragen voor hun toch al licht ontvlambare darmstelsel, & niets van doen hebben met boterhamvulling zoals ik mezelf voorgeschoteld heb. Hoewel ook zij baat kunnen hebben bij ’t uitwerken van mijn plannetje, dat, terwijl ik aan de volgende fase ben gekomen van de bereiding & daarmee gepaard gaande consumptie van m’n day-starter, om ’t dagelijkse ritueel ook even in een modern, hedendaags jasje te steken; dat de gebruikers, de afhankelijken, de afnemers, de geldtoeleveranciers van de grootste dealer van Nederland eens op een waardige manier zal keuren.

Om bij de tonijnsalade te beginnen: uit 5 sterren krijgt die er hooguit 1.
Toelichting: de helft van de tonijn zwemt nog ergens in de oceaan rond. Om dat te verbergen heeft men de andere helft van ’t beest ondergedompeld in een alles verstikkend papje, om ’t met extra chic te omhangen door ’t in de productbenaming de toevoeging salade te geven.


Dat zou dan voor iedereen toegankelijk moeten zijn. Iedereen geeft cijfertjes, sterretjes of wat maar enigszins een overzichtelijke score kan bewerkstelligen voor de diverse artikelen & iedereen kan op even democratische wijze die uiteindelijke cijfertjes dan wel sterretjes tot zich nemen alvorens de supermarkt te betreden om ’t beleg van de volgende dag te komen bekomen.
Excuseer, misschien wel van dezelfde dag, maar ik ben nu 1maal gewend ’t ontbijt reeds de dag vóór verorbering in huis gehaald te hebben.

Om door te gaan met de lichtbelegen kaas: uit diezelfde democratisch bepaalde 5 sterren, maar dit alleen maar om alvast een richtlijn, een schets te geven van hoe ’t zou kunnen, zou de kaas er ook slechts een magere 2 kunnen behalen, wat mij dan aangaat.
Toelichting: dat ligt vooral aan de verpakking. Zo’n plastic omhulsel, amper te dwingen tot hersluiting, waarbij de houdbaarheidsdatum, wel zeer ruim genomen & waarschijnlijk met de dikke vinger in de pap van pappa Albert, waarschijnlijk de ijdele hoop inhoudt dat ik mijn darmflora zal verrijken met een wit goedje ipv die gezond ogende gele bonk waarmee ik ooit de supermarkt verliet. Nee, ik aanschouw altijd zorgvuldig de boven- & onderkant van datgene dat door mijn mond mijn lichaam binnen moet & alles wat wit ziet wordt daarbij vermeden, tenzij ’t omschreven staat als zijnde de bedoeling van ’t artikel. Meestal komen dat soort producten niet op mijn boterham terecht. Bedoeld wit of onbedoeld wit.


Internet is een uitstekend medium voor dit initiatief. 't Zou een geheel gratis service kunnen zijn, gefinancierd uit de gelden die de overheid extra verdient op de supermarkten dankzij een speciale ontbijtheffing, maar daardoor waarschijnlijk toch wel weer uit de portemonnee van de doodgewone consument gepurd zal worden, doordat alles altijd doorberekend wordt naar degene die de minste draagkracht heeft, zeker als men ziet hoe royaal Koning Albert, of dan in ieder geval hij die leeft als een god in Frankrijk dankzij de opbrengsten van z’n grootgruttersbedrijf, hoe zulke mensen ongestoord kunnen genieten van de juiste belegging op de juiste boterham.
Ik dwaal af. Internet zou een uitstekend medium kunnen zijn voor ’t kenbaar maken van de volgende cijfers.

Filet americain met pesto: 3 uit 5 sterren.
Toelichting: ’t haalt net niet de 4, omdat je na 3 dagen ’t gevoel krijgt dat je jezelf een overdosis ongekookt, ongebakken vlees toe te hebben gediend.

Groene tapenade: 4.
Toelichting: dat ligt vooral aan ‘t feit dat ’t de oninteressante 1-dimensionaliteit van de jong belegen kaas weet te verbloemen, de boterham smaak geeft & ’t algehele goedje luchtig & gesmeerd door de keel weet te spoelen, alsook dat ‘t door ‘t vettigheidsgehalte ’t verlaten van ’t lichaam enkele uren later wederom gemakkelijk doet verlopen.

1-Persoons Pickwick theezakjes: 5.
Toelichting: omdat ik niet van veranderingen houd. Alles moet ‘tzelfde blijven, maar vooral de thee waarmee ik doorgaans de dag begin. Anders zou niks meer gewoon zijn of ooit nog worden.


Hier rust ik mijn kaas in Zijperspace.

stilte

Slechts een korte mededeling, voor de rest heb ik vandaag toch geen tijd om een stukje te schrijven.
Aangezien ik m'n server ga verhuizen & er daardoor minder dataverkeer gegenereerd kan worden, zie ik mijzelf genoodzaakt de mp3's van Zijperspace te halen (ze worden over 't algemeen toch alleen maar gebruikt door mensen die via zoekmachines hier terecht komen, ondanks verwoede pogingen van Xiffy dit via een scriptje te voorkomen).

Tot 30 november heeft men nog de tijd om 't 'geluid uit Zijperspace' aan te horen.

toreador

Mijn vader was stierenvechter. Daar was ik zeker van. Waarschijnlijk de enige stierenvechter van Nederland.
Ik wilde dat beroep van m’n vader, of eigenlijk liefhebberij als-ie voor een korte vakantie met m’n moeder naar Spanje was, nog noemen toen de meester vroeg wat voor beroepen de vaders allemaal uitoefenden.
Meester Rieswijk. Hij was vooral geïnteresseerd in speciale beroepen. Omdat zijn vader een speciaal beroep had. De enige schoenmaker van Den Helder die schoenen voor uitzonderlijke gevallen kon maken. De enige schoenmaker die schoenen voor m’n Opa’s rechtervoet kon maken.
Dus je moest wel met iets uitzonderlijks komen, wilde meester Rieswijk extra aandacht aan je besteden terwijl-ie een rondje langs de leerlingen deed. Een moeder (een moeder!) die verkeersleider bij ’t vliegveld was. Of een vader die op 60-jarige leeftijd nog altijd vuilophaler was. Of een vader die directeur van een huishoudschool was.
Dat laatste kon de interesse van de meester voor mijn vader niet opwekken. Terwijl er toch maar 1 directeur van een huishoudschool in Den Helder was. Die ander was een vrouw: een directrice. Ik was de enige met een vader die directeur was van een huishoudschool & Meester Rieswijk liet ’t koud. Alsof schoenmaker van m’n Opa zo apart was, ook al had m’n Opa dan een hele dikke voet.
Meester Rieswijk ging meteen door naar de vader van Dimitri. Marconist bij de marine. Ook niet bijzonder, ’t meisje ernaast.

Ik zei tegen Dimitri: ‘& Tijdens vakanties is m’n vader stierenvechter.’
‘Dat kan helemaal niet.’
‘Jawel.’
‘Niet.’
‘Jawel.’
‘Er zijn alleen maar stierenvechters in Spanje.’
‘Mijn vader gaat naar Spanje op vakantie.’
‘Dan is-ie nog geen stierenvechter.’
‘Jawel.’
‘Niet.’
‘Mijn vader wel.’
‘Ik geloof er niks van.’
‘Dan moet je die poster bij mij thuis maar ‘ns komen kijken. M’n vader zegt ’t zelf. Hij had ’t nog maar net overleefd. M’n moeder durfde niet te kijken.’
Ik kon niet anders dan ’t een beetje aandikken. Anders zou Dimitri nooit komen kijken of ik gelijk had.

De poster hing aan de binnenkant van de deur naar de donkere kamer. 1st Had-ie op de overloop gehangen, maar daar had m’n moeder op gegeven moment genoeg van. Nu moesten we 2 trappen op om de poster te kunnen aanschouwen. 1st Sleutel vragen, want je mocht niet zomaar de donkere kamer in.
‘Ik moet laten zien dat Pappa stierenvechter is geweest,’ verklaarde ik m’n vraag aan m’n moeder.
‘Wanneer?’ vroeg m’n moeder.
‘Toen jullie in Spanje waren.’
‘Oja, ik durfde toen niet te kijken.’
Zie je wel, Dimitri, dacht ik, m’n moeder zegt ’t toch ook. Ze heeft ’t dan misschien niet gezien, maar ze was er wel bij.
M’n moeder lachte & haalde de sleutel van de kast. Wij konden er zelf ook wel bij, maar dan moesten we er een stoel bij slepen, van de stoel op ’t randje van de kast overstappen & 1 van de broers moest tegen de kast aanleunen om ‘m niet om te laten vallen. Dat was nl al eens eerder bijna gebeurd. Daarom konden we zoiets beter doen als Pa & Ma de deur uit waren.

Ik deed de deur van de donkere kamer open, waar normaal alleen Theo & Pa mochten komen. Wij zouden er toch maar een puinhoop van maken.
‘Kijk,’ zei ik, terwijl ik ’t licht op de overloop aanknipte, ‘hier staat ‘t.’
Aan de deur hing de poster van de stierenvechter. Met een stier. & Een rode doek. Ik kon m’n vader niet in de stierenvechter herkennen, maar Pa had verteld dat ’t te snel ging voor de tekenaar om hem precies na te kunnen schetsen. Maar ’t grote bewijs was toch wel dat er in grote letters ‘NICOLAAS JOHANNES ZIJP’ stond. Onderaan. De hoofdattractie. In Madrid.
‘Zie je wel,’ zei ik.
‘Zo’n poster heeft mijn oom ook,’ zei Dimitri.
‘Was die dan ook tijdens de herfstvakantie in Spanje? Dan heeft jouw oom ook mijn vader gezien.’
Mijn stem klonk tevreden.
‘Maar daar staat de naam van m’n oom op.’
‘Dat kan niet.’
‘Jawel.’
‘Niet.’
‘Jawel.’

Mijn vader was de enige stierenvechter van Zijperspace.

mussen

O jawel, ik zie nog wel ‘ns een mus. Ik moet dan wel m’n bril opzetten om ‘m als zodanig te herkennen & vaak ben ik te laat, maar er gaat wel ‘ns een vogeltje, onherkenbaar herfstig gekleed, van tak tot tak. Z’n snavel schavend, wippend met z’n staart, terwijl-ie dwars balanseert.
Ze zijn weliswaar niet zo dik meer & je ziet zelden een mollig muskuikentje achter z’n moeder aan hupsen. Laat staan dat ze als kolonie de tuin even leeg komen vreten, zoals ik uit m’n jeugd gewend ben. Als broers maakten we ruzie over wie er dit keer ’t tafelkleed uit mocht kloppen & ’t oude brood mocht verkruimelen op ’t plaatsje in de achtertuin. De ander moest vanachter ’t raam toekijken hoe de mussen in grote getale hun lunch kwamen opeisen. Terwijl ondertussen m’n vader zijn vogels in de volière in de achtertuin voer gaf.
Maar ik gooi dan ook geen verkruimeld brood als voedsel naar buiten. Dat doe je tegenwoordig niet meer. Daar krijg je ratten van. Daar hou je ratten mee in leven. Grootsteedse voorlichtingcampagnes hebben mij daarop gewezen. Volgens mij ook 1 van de oorzaken dat de mus verdreven raakt: ze hebben concurrentie gekregen van de biobak dankzij de rattenbestrijding.

Kijk naar de tuin van m’n moeder. ’t Zullen er ook niet meer zoveel zijn, maar ze weten nog steeds hoe laat ze paraat moeten staan om de restjes middagmaaltijd uit ’t tafelkleed voorgeklopt te krijgen. M’n moeder vond ’t nog altijd zo koddig dat ze ’t vorig jaar voor elkaar kreeg 1 musje dermate te trainen dat deze z’n voer tot in de keuken kwam halen. De poes leefde toen al niet meer.
Ze heeft ’t me laten zien. Ze pakte ’t tafelkleed, klopte ’t uit op ’t platje aan de achterkant, verzamelde de korstjes van haar middagse boterhammen, kneep ze af tot voor de mus hapbare brokjes & legde een spoor aan, van de tegels bij de achterdeur tot een meter de keuken in.
Binnen 5 minuten zagen we ’t dwaas vogeltje nieuwsgierig, misschien ook argwanend, binnen huppen, 1 voor 1 de korrels met de snavel oprapend. Koppie omhoog, snavel links, rechts, mij voor 1 moment aankijkend (‘hé, heb je visite?’ zag ik ‘m denken) naar z’n goedkoop verkregen maaltijd pikkend.
Mijn moeder houdt in d’r 1tje ’t mussenbestand van Den Helder op peil.

M’n oma die had daar niet aan meegedaan. Die vond mussen maar niks. Zij vond ze verschrikkelijk saai. Ze had meer aandacht voor ’t duivenpaar, broedend in de dicht gebladerde boom.
M’n oma heeft de mus zien groeien in aantal. Zij was van vóór de mussenbabyboom. Zij heeft de grote aanwas waarschijnlijk meegemaakt. ’t Tijdperk dat schuine daken met rode dakpannen in kwamen. De musvriendelijke era.

Hoewel ik niet zo zeker weet dat ’t die schuine daken zijn. M’n achterburen hebben geen schuin dak. Laat staan pannen als dakbedekking. Toch heeft daar enkele jaren achter elkaar, in ’t hoekje van de flat, naast de regenpijp, een kwetterend mussenpaar gebivakkeerd. Huisgehouden, zou je kunnen zeggen. Want, vooral in de lente, ze lieten merken dat ze daar zaten. De ekster ver van zich weg houdend (ze hoefden niet wijs gemaakt te krijgen dat de ekster er toch niet bij kwam) door alarm & moord & brand te schreeuwen. In mussentaal weliswaar, maar ze dwongen daarmee blijkbaar toch gezag voor hun iele gestalte af. Ze hebben ’t tot afgelopen lente volgehouden. Toen kwam er een brutaal, maar vooral veel groter geschapen spreeuwenpaar op hun plaats wonen. In ’t gaatje vlak onder ’t dak, naast de regenpijp, onder ’t platte dak, vooral niet schuine, zonder dakpannen bedekte dak van m’n achterburen.
Zij maken ook lawaai, vooral in de lente, als de ekster voorbij komt scheren.

Dan kijk ik op, & denk aan ’t mussenpaar dat verleden jaar Zijperspace nog bevolkte.

eindstreep

Tot voor vandaag kon ik ze niet tellen. Ze lagen te veel opeengehoopt in hun potje. Een ondefinieerbare massa van rondkrioelende pilletjes. Roze. ’t Andere potje blauw. Maar van die laatste trok ik me minder aan, want ondanks dat ik ze niet kon tellen, zag ik in 1 oogopslag dat daar nog genoeg van over waren.
De roze dus. 0,15 mg Thyrax. De blauwe net zo groot, net zo zwaar, maar met een inhoud van 0,025 mg. Daar zit dan een heel omhulsel van niks omheen. Stofjes die aan elkaar vastplakken om ’t een pil te laten zijn. Streepje in ’t midden voor ’t breken. Met 1000-en tegelijk worden ze in een mal gegoten, net als poffertjes, & worden tot pilletjes gebakken. Zo stel ik ’t me maar voor. Die zware, die eigenlijk niet zwaar zijn, maar meer van ’t werkende stofje meedragen, krijgen roze kleurstof, de lichte blauwe. De machine wordt schoongemaakt & de volgende lading gaat op de lopende productieband.

& Van die miljoenen roze, misschien wel miljarden, die er wereldwijd bestaan, een mierenkolonie van thyrax-pillen, heb ik er nog maar 5 over. God, wat wordt een mens daar nietig van.
Zo wil ik in ieder geval voor even denken. Ik denk nooit aan die pillen, slik ze gewoon elke ochtend. Maar als een ontelbare hoeveelheid, in die hoedanigheid omdat ik door ’t gaatje van ’t potje geen overzicht krijg van hun getal, plots een tastbaar aantal wordt, een paar dagen te gaan wordt, dan ga ik er over nadenken.

‘Goedendag, met Ton Zijp. ’t Spijt me verschrikkelijk, maar ik vergeet altijd de naam van de persoon waar ik een afspraak mee heb.’
Een lachje aan de andere kant. Beleefd, begripvol.
‘Is niet erg. Zegt u maar wat uw geboortedatum is.’
& Ik weet dat ’t ook niet erg is. Heb m’n geboortedatum al in m’n hoofd gereed staan om onmiddellijk opgelepeld te kunnen worden.
‘Ah, ja, de heer Zijp. U heeft op 7 december een afspraak met de heer van Raalte. Waar kan ik u mee van dienst zijn?’
Ze klinken altijd leuker dan dat ze er daadwerkelijk uitzien. Altijd als ik er later achterkom wie er achter de stem zat, de voorkomendheid, ’t beleefdheidslachje, dan zie ik foute kapsels, van die a-symetrische met een punt die naar boven wijst, of een chagrijn die mappen sjouwt & 10 kleuren pennen in haar borstzak draagt.
‘Oja, van Raalte. Nu zal ik ’t eens in m’n kop stampen.’
Dat vinden ze leuk. Dat je er eigenlijk best wel moeite voor wil doen.
‘Maar ze veranderen elke keer.’
Geen lange verklaring. Een korte bondige. Waaruit van alles af te leiden valt. Ze weten zelf ook wel hoe de situatie in ’t ziekenhuis is. Mijn verklaring ligt open voor allerhande interpretatie; zij hebben allerhande informatie om in die interpretatie te voorzien.
& Vervolgens overgaan tot ’t echte gesprek.

‘Kijk, ik heb ivm de ziekte van Graves pillen, van die Thyrax, & ik zou op 7 december met de heer van Raalte een telefonische afspraak hebben. Dan zou ik nl gaan stoppen met de medicatie. Maar nu kom ik er achter dat ik van bepaalde pillen nog maar 5 exemplaren over heb. Ik zou natuurlijk eerder kunnen stoppen, als dat de bedoeling was, of als dat voor de rest niet zoveel uitmaakt, maar ik weet niet meer wat de heer van Raalte daar de laatste keer over gezegd heeft. Ik heb dus eigenlijk voor 2 weken te kort aan pillen.’
‘Welke pillen slikt u?’
‘Thyrax dus, & strumazol. Maar van die laatste heb ik nog genoeg.’
‘& De dosering van die thyrax?’
‘Pillen van 0,15 & pillen van 0,025 mg.’
‘Ik zal ’t aan de heer van Raalte voorleggen, maar op dit moment heeft-ie spreekuur. Dus zal ik ’t straks even met hem moeten bespreken. Ik denk echter dat u gewoon door zal moeten gaan met slikken. ’t Zal vast niet goed zijn als u eerder stopt.’
‘Nee, dat dacht ik ook niet.’
‘Laten we ’t zo doen: ik bel u terug zogauw blijkt dat u er mee kan stoppen. Mocht dat niet zo zijn, dan ligt er vanmiddag bij uw apotheek een nieuw recept klaar.’
‘Prima.’

& Dat is dus alles. Krijg ik voor nog 2 weken pilletjes. Roze & blauwe. Daarna stop ik ermee. Geen pillen voorlopig meer dan. Een ander ritme. Niet meer elke ochtend ‘t 1st denken aan m’n ochtendmedicatie, een ½ uur lang m’n ontbijt uitstellen, geen strumazol na afloop van ’t ontbijt, recepten aanvragen, recepten ophalen, potjes, stripjes klaarleggen om ’t vooral niet te vergeten te slikken, bloed prikken, afspraak nakomen, praatje maken, nieuwe afspraken maken.
& Straks een lichaam waarvan ik vooralsnog niet weet hoe ’t gaat functioneren.

It’s about to happen in Zijperspace, maar we weten nog niet of we die taal wel spreken.

taak

‘Ik had een fantastische date voor morgen,’ vertelt Pieter-Jan, ‘maar ik was vergeten dat m’n vader jarig was.’
‘Shit, ’t zit je ook niet mee,’ zeg ik meelevend.
Mannen onder elkaar. Male-bonding. Ik kan er eindelijk aan meedoen.
Ik leg even berustend m’n hand op Pieter z’n schouder.
‘Prachtig meisje,’ legt Pieter even voor me uit. ‘Indiaas.’
‘Oh, dat meisje dat van de week op je site stond?’
‘Nee, dat was hier.’
Hier was in de kroeg. Waar we nu bier stonden te drinken.
‘Dat waren 2 meisjes. Die heb ik vorige week aan de bar gefilmd. 1 Chinees meisje. & Dan zeggen mensen dat ik geobsedeerd begin te raken. Dat ik vrouwengek aan ’t worden ben. Terwijl ik alleen maar m’n werk doe.’
‘Precies,’ beaam ik. ‘Ik schrijf ook 1 op de 2 stukken, misschien iets minder vaak, over vrouwen. & Wat ze met me doen. Dat is nou 1maal m’n taak. ’t Moet vastgelegd worden.’
‘Ja, wij zijn journalisten.’
‘Als wij ’t niet doen, dan weet straks niemand wat er door onze hoofden ging.’
‘Straks weten mensen niet eens meer hoe die vrouwen er uit zagen die leefden in onze tijd.’
‘& Weten ze ook niet meer wat die vrouwen bij ons teweeg brachten. ’t Is goed wat wij doen, want niemand anders doet ’t voor ons.’

Dankzij Zijperspace blijven ze nog even wat langer voortbestaan (& dankzij Pieter-Jan natuurlijk).

de broer van mik

Mik is een doodgewone man, behalve dat-ie niet in pak gekleed is, als-ie met z’n vrienden langs komt. Z’n vrienden vaak wel. Hij zit daar dan aan ‘tzelfde tafeltje enthousiast te zijn, schuift met z’n wijsvinger z’n bril in de juiste stand, wrijft over z’n kale hoofd & lacht. Z’n bovenlip tuit dan iets naar voren. Daar heeft-ie ook last van als-ie praat. Tong net zo. Een lichte slis. Verder is-ie heel gewoon.
Behalve dan dat z’n broer dood is.

Mik is enthousiast. & Denkt dat anderen net zo enthousiast zijn. Dat maakt ‘m sympathiek. Tegelijkertijd ga je je ietwat bezwaard voelen. Alsof hij je overal mee naar toe zal sleuren.
Dat kan niet. Want ik ben de barman. Ik heb er even geen tijd voor. Volgende klant staat al achter je rug te wachten, Mik.
’t Is onbeholpenheid. Maar niemand die dat merkt. Ze willen allemaal bier. & Allemaal is bijna elke dag langs met een heleboel.
Mik snapt dat wel. Hij gaat weer aan ’t tafeltje zitten. Bij z’n vrienden in pak. ’t Tafeltje vloekt een beetje. Maar Mik schuift z’n overgebleven haartjes weer ‘ns naar achteren & ’t past weer. Ze lachen om de volgende anekdote.

Ik wil ook wel eens enthousiast zijn. Dan maak ik grapjes. Dat hoort er bij. Ze hebben mij als barman, dan verwachten ze wel iets meer van me dan alleen maar bier.
Mik maakt grapjes, z’n vrienden maken grapjes, de tafel schuddebuikt & ik kom glazen halen.
Soms weet je ’t niet. Dan kan je niet zien hoever de grap gevorderd is. Ze buigen een beetje voorover om ’t geroezemoes van de rest van allemaal te kunnen overstemmen. Dat vergt concentratie. Over de tafel heen, langs de glazen, rechtstreeks in ’t oor van degene tegenover je. & Tussendoor kom ik om de lege glazen op te halen. Daar ga je vanzelf wel wat serieuzer van kijken.
Zo ben ik er achter gekomen dat de broer van Mik dood is.

‘Hé,’ zei Mik, een uur nadat ik m’n grap had mogen doen; anderen vertellen & ik dóe grappen, bij gebrek aan tijd, bij gebrek aan aandacht misschien ook wel, want m’n ogen & oren raken wel eens verloren in de overweldigende hoeveelheid van informatie om me heen, want hier zijn ze allemaal, & allemaal is er vaak met een heleboel.
‘Hé,’ zei Mik nog een keer.
Ik had die 1e ook wel gehoord, maar je weet hoe dat gaat met al die klanten die de hele dag tegen je aan zitten hé-en. Ze moeten 1st bewijzen dat ’t een echte ‘hé’ was. Een echte, geïntendeerde ‘hé’.
Bij de 2e ‘hé’ keerde ik dus maar m’n hoofd om. M’n hoofd ingepakt door stapels glazen, allemaal leeg, gereed om richting bar te gaan & gespoeld te worden. Ik was klaar voor m’n volgende grap.
‘Ja, je moet wel hard ‘hé’ roepen,’ zei ik, ‘want er zit een glas in m’n oor.’
Dat is grappig. Want ’t glas zit niet in m’n oor. Hij staat ernaast. Maar de mensen weten precies wat je bedoelt. Ze worden als vanzelf weer vrolijk.

Mik niet. Z’n broer was dood. Dat zou ik even later te weten komen.
& Terwijl hij dat vertelde, ik had er veel waardering voor, & ik had dat grapje beter niet kunnen plaatsen, juist op ’t moment dat Mik z’n vrienden in pak aan ’t vertellen was over de dood van z’n broer, ook over ’t leven van z’n broer, terwijl hij mij aan ’t uiteenzetten was over wat er vlak daarvoor allemaal gaande was, zo rond ’t tijdstip dat ik m’n taak van grappig zijn op me had genomen, had ik ’t gevoel dat hij, ondanks dat-ie niet grappig wilde zijn, evenmin enthousiast, dat hij me mee aan ’t sleuren was.
Dat mag. Of: dat mocht. Ik was toch niet aan ’t tappen, & achter de rug van Mik stonden niet de volgende klanten te wachten.

Ik heb ‘m m’n verontschuldigingen aangeboden. Een klopje op z’n schouder.
’t Gaf niet. Vond Mik. Als ik maar wist dat ’t zo was. Z’n broer die ook altijd graag kwam.
& Ik gaf hem nog een klop. Want ik wist juist op dat moment dat iemand missen raar was.
Mijn vader was dood. Voor ‘t 1st sinds zijn overlijden was ik weer aan ’t werk. & Ik merkte dat ik in de tussentijd best wel goed in schouderkloppen was geworden.

Toen kwam Mik nog een keer op me af. ’t Was een paar maanden later.
Ik dacht niet zo vaak meer aan m’n vader, Mik helemaal niet. Ik dacht weliswaar niet zo vaak aan de broer van Mik als aan m’n vader, maar Mik waarschijnlijk wel.
Ik wist dus meteen waar Mik ’t over ging hebben.

‘Hé, Ton.’
Dat was een heel ander begin dan toentertijd. Ik luisterde evengoed onmiddellijk.
‘We hebben een boek gemaakt,’ ging Mik verder. ‘Een boek over m’n broer.’
Z’n vrienden zaten aan ’t tafeltje achter hem. Ze bogen voorover om met elkaar te praten.
‘Hij ging vaak naar Brazilië. Daar maakte hij reisverslagen van. Die hebben wij verzameld. Met een cd erbij. Z’n favoriete braziliaanse muziek. Zou jij dat willen hebben?’
Terwijl ik nog steeds niet wist wie z’n broer nou ook alweer was. Ja, de man die dood was, dat was zijn broer. Meer ook niet.
‘Mijn broer had smaak,’ zei Mik. ‘Dus ’t is best de moeite waard. Alleen als je er interesse in hebt, hoor.’

Ik heb een heleboel klanten. M’n collega’s ook. De klanten komen vaak met z’n allen. Dan zijn ze er tenminste tegelijkertijd met een heleboel. Ze buigen dan voorover & vertellen elkaar dingen. Grappen ook. Er wordt gelachen. Dan gaan ze achterover met hun lichaam. Dat hoef je niet in ’t oor van je vrienden te doen.

‘Hij kwam hier ook graag,’ zei Mik. ‘Hij had smaak.’
‘Ja, doe maar,’ zei ik.
Ik hou wel van goede muziek, dacht ik.
‘Dan neem ik ‘m voor je mee.’

Dan luisteren we straks naar goede muziek in Zijperspace, & lezen misschien over een goede braziliaanse grap.

piep

Ik moet nog flink m’n best doen om op de juiste manier de situatie voor te leggen. Voor mij ziet ’t er vanzelfsprekend uit, ken elke hoek, deur, deurpost & deurklink & ruimtes die zich daarachter bevinden. Zonder tasten loop ik ’s nachts naar de wc & terug. Voor mij allemaal zo voor de hand liggend dat ik geneigd ben bepaalde aspecten te vergeten als ik ’t anderen moet duidelijk maken.
’t Best lijkt me daarom maar met de onderhavige houding van de stoelgang te beginnen. Van daaruit verder werken. Een uitdijend heelal scheppen.

Voor me ligt een boek, bovenop de wasmand (zonder boek is deze handeling verloren tijd). Naast de wasmand ’t kleine wasbakje, waarboven alle apparatuur voor de ochtendlijke verschoning, behalve dan de douchebeurt, die achter de wasmand kan plaatsvinden. Daarvoor moet ik ‘m wel opzij schuiven, naar onder de wasbak.
Naast ons, naast mij, de wasmand & de wasbak, bevindt zich de gang. Die beslaat de gehele lengte van ’t huis, behalve ’t stukje keuken. Ik heb veel huis in m’n gang, zou men kunnen zeggen. Onderdeel van m’n gang zijn oa de hal, vanuit mijn uitgangspositie ver weg gelegen. Ietsjes dichterbij, onder de trap van m’n bovenburen, is ‘t ‘hok’. De meters bevinden zich daar. Alsook de stofzuiger, de mop & allerhande andere troep met een stang. Past precies. Dit is ook de ruimte waarvan ik vermoed dat-ie in verbinding staat met de kruipruimte van m’n buren. Maar daarover later meer.
Dan heb je in de gang de uitsparing waar ik m’n fiets kwijt kan, ook de jassen aan de kapstok kan hangen. Volgt ’t hokje waar ik me virtueel voor u nu bevind. Achter m’n rug de kelder. Die heeft een deur naast de toiletdeur. De trap af & je staat onder de keuken. Dan weet men gelijk waar zich ongeveer de keuken moet bevinden. Boven de kelder.
’t Woongedeelte is eigenlijk 1 doorlopende ruimte, van 4 meter breed, maar ik heb ’t halverwege afgebakend dmv een dubbele laag gordijnen. Dikke velours, dan blijft ’t lekker warm in m’n aldus gecreëerde woonkamer. Da’s echter niet van belang. ’t Gaat om de situering.
M’n woonkamer is ’t achterste gedeelte van ’t huis, gezien vanaf de entree. Met een deur ter hoogte van ’t toilet. Ik kan zo oversteken, heb bijna geen tast nodig ’s nachts. In de voorkamer m’n bed & toebehoren, waarbij ik moet aantekenen dat m’n bed een hoogslaper is. Met de zijkant tegen de muur van de gang geleund. De andere wand heb ik gereserveerd voor videofilms & boeken. Niet van belang om te vermelden, maar toch zij meegedeeld dat de tuin zich achter de woonkamer & de keuken bevindt.

Ik ga vannacht dus naar de wc & hoor een piep (u weet nu inmiddels hoe ik de weg, welke weg ik daarvoor heb afgelegd, inclusief ’t passeren van de laag velours gordijnen, & dat alles in ’t donker, want anders doen de ogen zo’n pijn). Een piep vanuit de muur.
Ik wil me nergens wat van aantrekken, want ik ben slaapdronken. Des te meer ik slaapdronken ben, des te groter de kans dat ik in die stemming snel weer meegenomen wordt in de armen van Morpheus. Bovendien moeten angstige ervaringen zo diep mogelijk worden weggestopt. Anders ga ik er nog van dromen ook.
Een piep dus. Misschien wel een pieppiep. Maar tegelijkertijd hoor ik ergens bij de bovenburen een kraan lopen. Geruststellend. Een kraan. Kranen lekken, piepen, klateren, doen alles wat god & gebod verboden heeft.
U hoort ‘t: ik ben in de juiste stemming op dat moment. Ik probeer ’t weg te stoppen, te verwerken ook, & profiteer van de situatie door ’t mezelf beeldend voor te leggen. Ik denk nl niet zo vaak in god & gebod, maar blijkbaar was dit ’t moment om ’t zo uit te drukken. Er was nog meer van zulks ontstaan, maar meestal word ik de volgende ochtend wakker & dan zijn alle mooie vondsten verdwenen uit m’n hoofd.
Gerustgesteld door kraangeluiden, volzinnen ontstaan in middernachtelijk denkraam & de lozing van overtollig vocht keer ik derwaarts & leg me neer.

Vanochtend echter, ik heb u de situatie al proberen voor te leggen waarin ik mij bevind, hoor ik weer een piep. Ik probeer me op ’t boek te concentreren, ’t is een dik boek, waarin ik al weken bezig ben, maar ’t gepiep weet dermate veel variatie te brengen in ’t piepen & piepigheid & piepereliteiten, & dan ook nog van kort naar lang & van lang naar kort, smekend & vervolgens dwingend, dat ik waarlijk begin te geloven dat ik ’t boek nooit meer uit zal krijgen. Ondanks de 270 blz nog te gaan.
’t Kan uit de gang komen, vanachter de meterkast, vanonder de kruipruimte, maar ook uit de hoogte van m’n buren hier boven me, of anders uit de kelder.
Wat zoveel wil zeggen dat ik de komende tijd nergens meer heen durf. Niet de kelder in, niet meer stofzuigen, niet meer naar de buren om een kopje suiker te lenen.
& Onderwijl, terwijl ik dit bedenk, is de piep me aan ’t uitdagen. Een korte piep, smekend, wordt gevolgd door een lange piep, die ontegenzeggelijk afkomstig is van ’t rubber ringetje in ’t binnenste van een lekkende kraan, hierin gestimuleerd door ’t laten lopen ervan wegens tandenpoetsen. Plots 2 piepjes, minuscule pieperige pieppiepjes, volgen elkaar op zonder spatieruimte. Een hongerpiep. Een piep om de ouders tot haast te manen. & Als laatste een piep die me recht in m’n gezicht uitlacht. Om vervolgens tot zwijgen te worden gebracht.

Probeer dan maar eens een boek te lezen. Probeer dan maar eens doodgemoedereerd door je eigen huis te lopen, u weet inmiddels hoe deze er uit ziet. Probeer dan maar eens. Ja, probeer maar eens. Ik durf ’t proberen niet eens meer te proberen.
Probeert u ’t zich eens voor te stellen. Begin daar maar.

Probeert u zich Zijperspace eens voor te stellen, desnoods zonder piep.

schrapend

Ik probeer stiekem te kijken. ’t Er vanaf te schrapen. ’t Laagje dat mij bekoort. Ik probeer de ziel te pakken te krijgen. Dat gedeelte waarvan de ooit primitieve mensen dachten, misschien nog steeds denken, dat ’t weggenomen zou worden als er een foto genomen werd. Ik probeer er in te kruipen. Van een meter afstand, terwijl zij niet kijkt, peuter ik ’t vel ervanaf, dat wat schoon is, zonder haar aan te raken.
Ze kijkt me aan. Ik heb me daar op voorbereid. M’n blik geworpen op iets dat dicht bij iets heel vanzelfsprekends voor diezelfde blik is. Als zij zou opkijken van ’t inpakken, dan waren mijn ogen gericht op ‘t hengsel van haar tas. Naast haar vingers. Haar vingers onder haar kin. Haar kin in de buurt van haar neus. Haar neus vlak onder haar ogen. Ik heb rondgetreuzeld, ’t zo lang mogelijk vastgehouden, elk detail verzameld, om ’t op te slaan, tot zij mij er op kon betrappen & m’n blik doodgewoon, niets aan de hand, gericht bleek op dat hengsel. In m’n ogen scheelt ’t slechts een mm. Voordat zij die mm verschil kan registreren ben ik al bij ’t hengsel aangekomen. M’n hand reikend met ’t wisselgeld.
Stiekem, omdat deze verschijning in stilte genoten moet worden. Ze geeft ’t zelf aan door de traagheid van haar gelaatstrekken. Of ’t moet zijn dat ik ze traag consumeer. Een seconde in partjes gedeeld als de taart met kaarsjes op elke punt die in 1 keer blazen uit moeten gaan, & een longinhoud die dan eeuwig duren moet.

Ik kan ook zeggen hoe ze schijnt. Hoe haar stralenkrans van haren gewoon een donker kapsel is met een kastanjerode gloed in de verte, nonchalant naar achteren gespeld om eventueel een capuchon tegen ’t natte weer te kunnen gebruiken. Hoe haar korte benen opgetild worden door haar verende adidasschoenen, haar schouders lichtelijk naar voren doen kantelen, de traptreden te hoog doen lijken, maar verrassend makkelijk genomen worden door die opwaartse druk waar te weinig zwaartekracht op uitgeoefend wordt vergeleken met de rest van de mensheid; zij op de maan & wij eromheen allemaal op aarde. Hoe haar wenkbrauwen, van dezelfde kleur als die donkere bedekking erboven, slechts haar ogen doen blinken doordat ze elkaar beaccentueren, bruin met zwart (kastanjerode gloed), een witte poel om ’t bruin heen gedrapeerd. Hoe haar opbollende jas niet kan verhullen dat ze klein is, tenger, stoer tegelijk daardoor, haar laag over laag van kleren toont dat er meer is verborgen, dat ’t pellen wordt om de ware identiteit te achterhalen. Dat hoe ze haar hoofd schuin buigt, om ’t haar niet voor haar zicht te laten vallen tijdens ’t inpakken van de bij mij aangeschafte flesjes bier, haar huid anders doet weerkaatsen middels ’t spaarzame herfstlicht dat binnenvalt.
Maar ik weet niet of ’t vangen in woorden genoeg is. Of zij dan langer blijft staan, echter wordt, terugkeert, nog een keer wacht op mij, terwijl ik de flesjes aansla, terwijl ik ’t geld aanneem, terwijl ik wisselgeld pak, terwijl ik ’t wisselgeld in haar hand laat vallen, terwijl ik opmerk hoe lekker dat bier is, terwijl ik van een moment een uitschuifbare hengel maak, waarvan ik hoop dat er iets aan blijft hangen, ook al heb ik geen haakje, geen aas.

Ze lacht een lachje die zegt dat ze niet van hier is. Een afwachtend lachje. Ze zuigt 1st de woorden op, verzamelt ze, husselt ze om de mogelijkheden van betekenis te overzien. ’t Linkerhoekje van haar mond krult, valt naar binnen in de wang, wacht op de conclusie, & als ze dan begrijpt wat ’t allemaal te betekenen heeft, trekt ’t recht, & geeft de andere zijde, ’t rechterhoekje, evenwicht, wordt nog een lach, een andere, maar even zacht.
Haar ogen scheppen afstand. Op een aftastende manier. Langzaam, om geen verontrusting te veroorzaken, trekken ze langs. Ik zie dat ze niet aftast zoals ik (snel, in haast, om niet betrapt te worden). Zij moet ’t meer berekenend doen. De taal moet ook dmv lichaamsbewegingen tot haar komen. Ze is hier nog niet thuis. Ze spreekt wel nederlands, maar is ‘t nog niet gewoon. Elk facet dat helpt, moet meegerekend worden.
‘Alsjeblieft,’ komt weer ’t moment van wisselgeld terug.
‘Dankjewel,’ zucht zij.
Perfect nederlands, maar dat tasten met haar ogen helpen haar daarbij. & Verraden haar afkomst tegelijkertijd. Afkomst van niet hier.
Zuchten is mijn vertaling. Ik vertaal ook weer verkeerd. Ik wil horen wat ik hoor.

Ik wil haar tas nog dieper. Haar sjaal waarin ze de 3 flesjes wikkelt nog langer. Ik wil m’n blik nog schrapender. Een mm, al is ’t maar een mm, dat wat overblijft. Ik kan ook kijken naar een geest.
Ogen dicht, een beeld, ogen open, beeld weg.
Ik wil nog meer knoppen & riemen op haar tas. Nog meer vakjes in haar portemonnee. Ik wil.
Maar zij gaat weg.

‘Tot ziens,’ zeg ik vrolijk.
‘Doeg,’ zij schuchter.
Haar schouder hopt de tas op haar elleboog, zoekt ’t evenwicht terug te vinden. Een evenwicht van 3 flesjes extra.
& Stap 1, stap 2, stap 3; zij is uit mijn winkel.
Stap 4, stap 5; ik zie haar gymschoenen veren.
Stap 6; ik ben 5 meter verwijderd, maar zie jaloers hoe haar lichaam functioneert, ook in mijn afwezigheid.
Stap 7; ik reik mijn hand, mijn schrapende blik, ik voel hoe mijn hand op haar verende billen rusten.
Niets bijzonders, niets bijzonders, slechts ’t zien is ’t lied, is de aanraking, is de reis tot zij om de hoek verdwenen is.
Met diezelfde hand sluit ik de kassa weer.

We hebben weer een gesloten boek uitgelezen in Zijperspace.

type

‘Ik wist niet dat jij daar toe in staat was,’ zei Alle.
‘Waar niet in?’ vroeg ik.
‘In van die spelletjes.’
‘Daar ben ik heel goed toe in staat.’
‘Ja, dat snap ik wel, maar ik had niet gedacht dat jij je er aan over zou geven.’
‘Ik wil ’t ook liever niet.’
‘Hé, Thomas,’ gaat Alle verder, ‘hoe krijg je ’t dan voor elkaar, de hele dag zo’n spelletje spelen & dan is ’t klaar?’
‘Ja,’ antwoordt Thomas. ‘Ik heb een keer een spel gekocht, die mocht ik binnen een dag ruilen, ik had ‘m ’s ochtends gekocht, maar toen was ik net ná sluitingstijd klaar. Helemaal afgespeeld. Maar kon ik ‘m toch net niet ruilen.’
‘Zou jij denken dat Ton ook dat soort spelletje speelt?’
‘Ik moet dat soort spelletjes niet spelen, want dan raak ik verslaafd,’ zei ik.
‘Ik dacht dat jij helemaal ’t type niet was voor dat soort spelletjes.’
‘Ben ik wel. Alles waar je verslaafd aan kan raken, daar ben ik ’t type voor.’
‘Ik dacht dat jij meer ’t type was dat in een boek dook.’
‘Daar raak ik ook verslaafd aan. Maar ik ben liever aan een boek verslaafd dan aan een spelletje.’
‘Is echt maf,’ ging Alle weer verder, ‘soms word ik wakker uit zo’n spel & dan blijkt de zon al op te zijn gegaan. Is de hele nacht voorbijgegaan.’
‘Dat is ’t nadeel,’ zei ik, ‘ik ga me verschrikkelijk schuldig voelen. Ik wil mezelf niet meer zien. Dat heb ik bij een boek niet.’
‘Dan is die hele dag weg, want dan moet ik slapen.’
‘Ik blijf wakker liggen. Bedenk allerlei sluiproutes in ’t spel, & blijf doorspelen, ook al is ’t spel afgelopen. Ik kan nergens anders meer aan denken. Ik voel me schuldig dan. Ik had een boek willen lezen. Of schrijven.’

Dan weet u waar u aan toe bent, Zijperspace passerend.

wat aan de 3e staf vooraf ging

Voor een volledig overzicht van de voorgaande edities van de Staf van Sinterklaas dien ik de belangstellende lezer naar de volgende 2 links te verwijzen: Jaar 1, Jaar 2. Vooral bij de 1e jaargang zijn er veel doorverwijzingen die inmiddels niet meer werken. Ik heb niet alles kunnen aanpassen. ’t Tekent natuurlijk ’t tijdelijke bestaan, de tijdelijke belangstelling die men kan opbrengen voor een fenomeen als ’t webloggen, groter gezien: ’t publiceren op internet. ’t Staat allemaal nog in z’n kinderschoentjes. Stop er een wortel in & er is in ieder 1 persoon zeer tevreden, zij ’t een 4-hoevig beest (mag ik dat wel zeggen, is ’t wellicht beleefder, stoot ik niemand tegen 't hoofd als ik in dit geval zou spreken van ‘dier’?).

Verder, we zijn toch in afwachting van wat Luna gaat presteren, ik dacht: ik vul de leegte even op; verder leek ’t me handig om ’t ontbrekende gedicht, vorig jaar geplaatst ter initiëring van de 2e Staf, spoorloos verdwenen bij vernieuwing van de Pivot-versie, hieronder te plaatsen. ’t Heeft immers ooit op internet gestaan, dan zal ’t op internet móeten blijven staan (ik ben een groot voorstander van een internet-reservaat, waar verloren gewaande sites kunstmatig in leven worden gehouden; alles dient gedocumenteerd te worden, ben ik geneigd te zeggen, mede dankzij mijn bibliotheekachtergrond van 14 jaar zaterdaghulp in de helderse OB).
Om ’t vooral niet té veel op de voorgrond te laten treden, heb ik ’t hieronder als ‘lees verder’-aanklik-ding gepresenteerd, zodat men niet onmiddellijk met 2 rijmen achter elkaar wordt geconfronteerd, zeker niet met iets dat tot ’t verleden van een jaar terug behoort. ’t Moet er nog wel een beetje historisch correct uitzien.

Overigens moet ik niet vergeten te melden dat Sint u de groeten wil doen overkomen via Zijperspace.

Dit is een 'lees verder'-aanklik-ding, maar je mag ook op 't hierna volgende (more) drukken. Lees meer --->>>

de staf van sinterklaas (jaar 3)

Hij is weer gearriveerd,
Eigenlijk iets te vroeg,
De boot is nog niet aangemeerd,
Sint & Piet staan nog op de boeg.

Vol ongeduld heeft-ie een jaar gewacht,
Om weer in weblogland te mogen verschijnen,
Alvast wat rijmelarijtjes bedacht,
Terwijl-ie in Sints bezemkast lag weg te kwijnen.

Plots werd-ie weggenomen uit Luna’s handen,
Hij was er nog maar net,
Om terug in Spanje aan te landen,
& Voor een jaar aan de kant te worden gezet.

Terwijl de Staf zo lekker was opgewarmd,
Door Frédéric, uit ’t land van onze buren,
Werd-ie middels een sonnet omarmd,
& In Druppels vertaald, mbv enkele stijlfiguren.

Voor wie ‘m nog niet heeft leren kennen
Komt dit wellicht over als een grote schok:
De Staf is oneerbiedig gezegd een stok,
Maar wel 1 waarbij men in rijmen zal moeten pennen.

Een stok geeft men door,
Zo is men gewend,
Vormt zogezegd een spoor,
Waarbij ‘t heel Weblogland verkent.

’t Is echter van korte duur dat de Staf hier rondwaart,
3 Weken heeft-ie slechts de tijd,
& Rondtrekken doet-ie ook al niet in al te grote vaart,
’t Dichten & rijmen vraagt enig respijt.

Slechts enkelen zal-ie dus met een bezoek vereren,
Tijdens de korte tijdspanne dat-ie in blogsferen verkeert,
Voordat eenieder hem heeft weten te signaleren,
Zal de Staf alweer naar Spanje zijn teruggekeerd.

Genoeg geneuzeld,
Kom op, zo voort,
Nu niet getreuzeld,
De volgende aan ’t woord.

We keren terug naar waar we zijn gebleven,
Naar ’t weblog waar ’t 1st niet tot ontplooiing wilde komen
Kan de Staf zich nu begeven,
’t Initiatief kan door Luna worden hernomen.

Over Luna nog even in ’t kort:
Een weblogqueen, door haarzelf gekroond,
Met schrijvershart beroert zij ’t toetsenbord,
Wat zij dan middels Maanisch aan ons vertoont.

Zij mag nu aan een vers beginnen,
De Staf wordt haar door deze regels toegestuurd,
& Tijdens ’t rijmen zal zij zich op haar beurt moeten bezinnen
Op wie ook tot dichten zal moeten worden aangevuurd.

Wij verblijven in verder ongerijmd Zijperspace.

hema-rapportage

Tot voor kort ging mijn wetenschap over de dingen & waar die te halen niet verder dan dat je ’t allemaal bij de Hema kon vinden. Ze hadden me tot dan toe gewoon niet verder ingelicht. Natuurlijk was ik op de hoogte van andere winkels, ik deed er zelfs, & doe dit nog steeds, m’n boodschappen. Gewoon, omdat ’t me betere kwaliteit oplevert, dichter bij huis is, of omdat ik eens een keertje geen zin heb in de aanblik van de hedendaagse hollandse huisvrouw, hoe leuk studentikoos & om in te bijten die vaak in de hoofdstad, specifiek: in de Hema, boodschappenmandjes volgeladen & daardoor schuin naar de ene zijde overhellend, er ook uitzien.

Neem nou de ½e warme worst. Je hoeft ’t alleen maar te noemen & mijn gedachten gaan al uit naar de grootwinkelketen & ’t tere meisje dan wel stevige van ’t platteland weggepromoveerde boerendochter, er is qua personeelsbeleid geen tussenweg, dat mij die malse knaap wel even aan zal snijden. ’t Water loopt me al in de mond als ik mij ’t afsnijden van ’t kontje probeer voor te stellen. & Hoewel er werk van gemaakt is de grootgrutter van een moderner jasje te voorzien, alsook de voornoemde medewerksters, maar dan in lichaamsomvattende ipv binnenhuisarchitectonische zin, blijf ik hun product zien als een oerdegelijk artikel dat de lage landen kan vertegenwoordigen in de internationale cuisine. Voor jaren te gaan.

Of de herenslips.
Volgens een vriendin mag ik de mannenonderbroek geen slip noemen, hoewel de Wehkamp-gids, waarschijnlijk ook Neckermann & Otto, sinds jaar & dag van niets anders dan de herenslip gewag doen.
Vrouwen, zegt mijn vriendin, die zegt er verstand van te hebben, aangezien zij van ’t daaraan gerelateerde geslacht is, dat al reden genoeg is om als ervaringsdeskundig door ’t leven te kunnen gaan; vrouwen, zegt mijn vriendin, die dragen slipjes, mannen onderbroeken.
Ja, maar, ja, maar, bracht ik er tegen in.
Waarop ik niet veel verder kwam, want deze vriendin wist mij alras de mond te snoeren door haar levenswijsheid in ter zake kundige argumenten te berde te brengen, waarmee bewezen werd dat de taal die een man pleegt te gebruiken inzake geslachtomhullende textiel, niet genoeg duidend is, & onderhevig is aan naïeve & achterhaalde, waarschijnlijk gestuurd wordt door streng gelovige conservatieve wereldbeelden, een man wil immers niet dat er getornd wordt aan de gesteldheid van de dingen zoals hij gewend is, waar niets bij ’t naampje genoemd mag worden, tenzij men de inkopen moet doen voor ’t gehele gezin. & Al vanaf de vroege oudheid is ’t nu 1maal de vrouw die de vloer van de plaatselijke neringdoende platloopt.
Zo bracht de vriendin ’t niet onder woorden, maar zo is ’t me wel bijgebleven.
Ja, maar, ja, maar, probeerde ik nog een keer, & aangezien de dame in kwestie nog aan ’t adem happen was na al die volzinnen gevuld met onderbroeken & slipjes te hebben georakeld, want ’t was alsof zij als een pythische schone in raadseltermen mij voorzag van raad in ’t oplossen van problemen, maar ’t mij ontbrak aan een priester om dit te laten vertalen in normaal gesproken mannentaal; ja, maar, ja, maar, er staat op de schappen van de Hema, op de afdeling favoriete onderbroeken van Ton, degelijk & overzichtelijk, niet al te snel aan vervanging toe & absoluut niet sexy, maar wel volledig dekkend, daar staat dat ’t gaat om herenslippen.
Neem die herenslips, ik houd ’t toch maar even bij dat woord, zonder een suffix toe te voegen die ’t woord een verkleinende vrouwelijkheid kan meegeven, die kan ik alleen maar bij de Hema kopen, zeker gezien ‘tgeen ik al eerder in bovenstaande zinnen heb gezegd.
Ik mocht eens sexy overkomen, gehuld in m’n immer omhullende lange broek, gemaakt op ondoorzichtigheid, een man tevreden stellend, want dan weet-ie zich niet zo achtervolgt als de vrouw met zijn eigen blikken. Een man is nu 1maal een jager van oorsprong & voelt zich bedreigd als-ie bemerkt dat de blikken hém achterna gaan. Liever degelijk dus. Lang leve de Hema die de indruk wekt dat te begrijpen.

Maar dan de achterlichtjes. Voor op de fiets. Overigens ook de voorlichtjes. Maar die waren toevallig wel aanwezig toen ik 2 dagen eerder de winkel in alle vroegte betrad. ’t Weekend had nog geen aanvang genomen, de schappen waren net bijgevuld. Kwam ik aan ’t eind van ’t weekend om mij opnieuw te voorzien van een achterlicht, de voorgaande was bij afwezigheid van z’n vaste compaan aan de voorkant jammerlijk overleden, toen moest ik constateren dat ’t graaiende & aanschafgrage zaterdagpubliek, ik vermoed hier een complot van ongekende feministische omvang, reeds alle lichtjes, voor zowel als achter, had weggekocht. Klassieke beelden van russen in rijen voor lege schappen, maar ’t was zo koud & de kolen voor de kachel op, dus konden ze net zo goed elkaar opwarmen door tegen elkaar aan te staan, kwamen mij voor ogen. Want ik was niet de enige die voor niets de Hema had betreden. Er stond een horde mannen glazig te kijken naar de lege bakjes, haakjes & onzinnig prijkende prijsjes, toch wel een man of 3.
Een desillusie rijker, toog ik naar een fietsenwinkel, de enige in hartje Amsterdam die open was, & kocht mij daar een nieuw exemplaar.

Waarover al eerder gerapporteerd is in Zijperspace.

10-ertour

We waren al in Den Bosch geweest, hadden bij Ome Carel geslapen, we hadden ’t Evoluon in Eindhoven aangedaan, Madurodam, de kaasmarkt in Alkmaar; we moesten ook maar eens naar Hoog Catherijne in Utrecht. We hadden immers 10 dagen vrij reizen met onze 10-ertour. Die moesten wel volgemaakt worden. We konden niet nog een dagje op niks af kriskras treinen door ’t land. Daar werden conducteurs alleen maar kriegel van, hadden we gemerkt.
Hoog Catherijne was een nieuw concept van winkelcentrum. We wisten weliswaar niet wat een concept inhield, maar dat ’t nieuw was, drong wel tot ons door. Heel anders dan de andere winkelcentra in den lande. We moesten er maar ‘ns een dagje rondstruinen.
Dat was ook ’t enige wat mogelijk was voor ons. 't Geld dat we bijeen gegaard hadden door enkele weken van de vakantie te bollenpellen was niet toereikend om in de winkels ook nog iets te gaan kopen. Hooguit een boekje voor onderweg, of een snack als toetje op de ’s ochtends gesmeerde boterhammen. ’t Grootste gedeelte van onze gespaarde centen stond óf op onze zilvervlootrekening óf was opgegaan aan kaartjes voor de te bezoeken musea. Moeder had ons een gezonde zuinigheid bijgebracht, dus ’t kostte moeite om een 2e rolletje drop op een dag te kopen.
& Anders kreeg je je broer wel op je kop. We hielden nl vooral elkaar in de gaten. Als de 1 iets deed, moest de ander ’t ook. Daar had je de begeleiding van ouders niet bij nodig. Een gezonde ingebouwde jaloezie, angst dat de ander meer krijgt, zich meer toeëigent dan jijzelf.
Hoewel ik er geen moeite mee had dat Carel nog een extra rondje deed in de misselijkmakende draaimolen bij Beeksche Bergen. & Ik had ook nog even geen trek in een ijsje toen-ie er uitkwam. Dat mocht-ie van mij ook in z’n 1tje doen. Ik dacht op dat moment liever aan ’t stripboek dat ik van de aldus bespaarde centen kon kopen voor op de terugweg. Dat idee leidde me een beetje af van de grond die ik tussen m’n knieën door een kwartier lang zat te beschouwen.

Hoog Catherijne was een doolhof. Dat was de attractie er aan. Overal gangetjes, veel groter dan werkelijk in onze nog kinderlijke beleving, die nergens toe leidden, of juist ergens uitkwamen waarvan we zeker wisten dat we er al eens waren geweest. Je kon tussen de massa mensen rennen, verstoppertje spelen, tikkertje, van de roltrap afglijden & heerlijk uitrusten op de bankjes van de friettent. Voor de rest had je enkele boekhandels, waar we de stripboeken door konden bladeren, platenzaken, waar we op zoek konden naar de prijs voor ’t hoorspel van Suske & Wiske (eigenlijk al een beetje kinderachtig, maar misschien wel leuk voor in de auto straks, met de hele familie onderweg naar Zwitserland), & een stille ruimte voor gebed.
Bij die laatste bleven we een tijdje staan. Naar binnen durfden we niet. Maar ’t was wel iets om te overwegen. Ik wilde nl theoloog worden. Ik wilde alles te weten komen over ’t geloof. Ik had de bijbels thuis al uitgelezen, dan vooral de kinderbijbels, was ijverig in ’t luisteren naar godsdienstige uitzendingen & ’t betheoretiseren van ’t waarom, & wilde elke kerk die we tijdens onze 10-ertour waren tegengekomen van binnen bekijken. Zo ook deze stille ruimte. Stilteruimte noemden ze 't. Zwaar religieus klonk ’t mij in de oren. Religieus, als in aantrekkelijk.
Omdat we zelf ook wel inzagen dat wij 2 jochies waren die onstuimig rennend door Catherijne waren getrokken, hadden geschreeuwd, getrokken & gegleden, waren we tot de conclusie gekomen dat ’t misschien niet iets voor ons was. Daar waren we niet stil genoeg van onszelf voor.
Carel had in ieder geval niet zo’n zin.

Die man met die boekjes kwam daarom goed van pas. Bij de bankjes van de friettent. Hij combineerde alles waar wij ons door aangesproken voelden. Dus mocht-ie wel even met ons komen praten.
We waren immers in de grote stad. Een gesprek met een vreemde betekende avontuur. Toen hij de stripplaatjes in z’n boekjes liet zien waren we maar al te bereid.

Of wij wisten wie de almachtige was.
Zo spraken wij normaal niet over god, dus mocht-ie dat wel even uitleggen.
‘Al’ van alles wat zich om ons heen bevindt, & ‘machtig’ van degene die dat allemaal controleert, zorgt dat ’t goed komt, goed zal zijn, goed is.
Of wij nu wisten wie hij bedoelde.
Ja, god.
& Hij zorgt ervoor, die almachtige, dat wij hier zitten, in een grote stad, waar mensen langs elkaar heen rennen, zichzelf verliezen, hun aandacht, hun liefde, dat men alleen nog maar aan zichzelf kan denken.
Of wij ons dat konden voorstellen. Hij liet een plaatje zien.
Dat stripblaadje moet ik hebben, dacht ik.
Hij vertelde nog meer. Stelde nog meer vragen. Hij liet ons weten dat de almachtige blij met ons was. Illustreerde dat met plaatjes uit ’t stripverhaal. Dat we hem moesten danken, hem met de grote ‘h’, hijzelf niet. Want hij was maar een instrument. Een radertje, wisten wij wat een radertje was, jawel, want Carel had de LTS gedaan, & anders zou hij me dat wel op de terugweg vertellen, & hij ging verder dat hij elke dag hem met een grote ‘h’ moest danken, omdat hij dat ene radertje in ’t grote rad mocht zijn.
Volgende plaatje uit ’t stripverhaal.
Leuke boekjes, zei ik.
Die mochten wij wel hebben. Maar dan moesten we 1st de ogen sluiten, om samen een overweging te maken.
O, god, dank u dat u mij op ’t pad hebt gebracht van deze jongens, die in uw armen gezegend zijn.
Etcetera.
Hij hield z’n handen op onze hoofden. & Wij hadden onze ogen dicht. Handen gevouwen, zoals ’t moest. & Toen-ie klaar was, keken we hem aan. Ook een beetje om ons heen om te zien of we niet voor aap hadden gestaan, daar op die bankjes bij de friettent.
& Die boekjes konden we meenemen, gratis, maar met een bijdrage van een rijksdaalder kon hij er nog meer laten maken, om weer aan anderen te geven.
Dan maar geen patat, dacht ik. & Carel wilde nu eindelijk wel eens naar huis.

Ma zei dat we dat nooit meer mochten doen. Pa vond ’t eigenlijk ook. Zomaar met vreemde mannen bidden. Hadden we wel gezien wat voor gekke dingen er in dat boekje stonden?
Leuke stripverhaaltjes, dacht ik.
Dat kon ik echter niet meer controleren, want ze lagen al onderin de vuilniszak.
Maar ’t hoorspel van Suske & Wiske was in Utrecht helemaal niet duur, probeerde ik de aandacht van ’t hekel onderwerp af te leiden.

Hoewel we niet wisten wat hekel zou kunnen zijn in Zijperspace.

zuiderwoude

‘’t Is een beetje drassig hier,’ zeg ik tegen Sas.
We lopen naar de vogelhut, vlak buiten Zuiderwoude. Een picknickplek met een vogelhut tussen ’t riet, uitzicht op de Ooster Ae.
Sas heeft ’t blikje bier geopend, dat ik uit m’n rugzak tevoorschijn heb gehaald. We konden ’t beter delen, vonden we, dan zouden onze handen om de beurt afkoelen. & Konden we ze ook weer om de beurt opwarmen in onze jaszakken. Ondertussen balanceren we over ’t blubberige paadje dat ons naar de observatieplek moet leiden.
‘Dat vind ik altijd zo lullig,’ zeg ik. ‘Als je aan de ene kant van zo’n pad loopt, dan lijkt de andere kant beter begaanbaar. & Besluit je daarom maar van kant te veranderen, dan blijkt dat daar waar je zonet nog liep veel beter te bewandelen.’
‘Ach,’ reageert Sas, ‘ik heb tenminste schoenen aan die er tegen kunnen. Heb ik ze niet voor niets aangeschaft.’
De hut komt in beeld. Ze hebben een vlonder vlak voor de ingang neergelegd. In de deur steekt een slot.
‘Zou ’t dicht zijn?’ vraagt Sas zich af.
‘Nee, toch?’ zeg ik, & wip de haak omhoog.
De deur gaat open. Aardedonker. Slechts vanuit enkele spleten komt licht. We openen 1 van de luiken, door een schuif naar beneden te halen. Hij piept. ’t Stuk hout kantelt achterover & door de vrijgekomen rechthoekige panorama's over de Ae valt licht de hut in. We kunnen nu zien dat er banken voor de diverse luiken staan, voor de mensen die de natuur willen observeren.
‘Die schuif maakt zoveel lawaai dat de vogels onmiddellijk geschrokken & vertrokken zijn,’ constateert Sas.
Ze zet ’t blikje bier op de bank naast haar. Ik pak ‘t & neem een slok. Kijk ondertussen naar ’t uitzicht.
‘Nee, niets te bekennen,’ erken ik.
We zien water. Rietpluimen.
‘Zijn dat geen stinksigaren?’ zeg ik. ‘Die pluizige pluimen.’
Ik wijs.
‘Dat zou kunnen,’ zegt Sas.
‘Die moesten we vroeger in de fik steken. Dan was ’t net een sigaar, zeiden ze. Maar meestal wilden die dingen niet aan.’
‘Waren ze te nat.’
‘Waarschijnlijk.’
We kijken weer verder. Nemen af & toe een slokje bier.
‘Zou hier wel ‘ns iemand komen?’ vraagt Sas zich af. ‘Er is hier niks te zien.’
‘De jeugd kwam hier natuurlijk altijd,’ zeg ik. ‘De jeugd van Zuiderwoude.’
‘Hun hangplek.’
‘Daarom hebben ze ’t slot er op gezet. ’t Werd te gek. Elke avond zaten ze hier te blowen. & Deden ze alles dat god verboden had.’
‘Daar moest paal & perk aan gesteld worden. Elk weekend liep ’t uit de hand.’
‘Juist. Laat op zaterdagavond kuierden ze dan weer retestoned door de dorpskern van Zuiderwoude.’
‘’t Liep uit de hand.’
Ons eigen feestje met ’t blikje bier vordert gestaag. De stemming begint er in te komen.
‘& Als we straks ’t luik weer dichtdoen, komen de vogels weer,’ zegt Sas.
‘We kunnen ‘m alvast sluiten & door de kieren kijken of ze al komen.’
We krijgen bijna ’t gevoel dat we de natuur te slim af zijn.
‘Hadden ze ook wel in de routebeschrijving mogen opnemen,’ gaat Sas verder, ‘dat er wel een vogelhut staat bij Zuiderwoude, maar dat de vogels ’t af laten weten.’
We hadden eerder op de dag ook al klachten over kwakende eenden & foeragerende reigers die opgenomen waren in de tekst. De eenden kwaakten nl niet, & foerageren deden reigers als wij net niet keken.
‘’t Is natuurlijk al een hele oude routebeschrijving,’ voer ik als verdediging voor ’t Parool aan. ‘Maar ze hadden wel rekening kunnen houden met ’t feit dat als ze iets dergelijks op een modern medium als internet zouden plaatsen, ’t in de loop van de tijd zou veranderen. Internet verandert niet tegenwoordig, de natuur wel.’
Sas knikt ijverig & neemt een slok bier. Gelijkgestemde geesten zijn we.
‘Kijk,’ wijs ik, ‘daar in de verte. Da’s een auto. Die is nu onderweg naar een plek waar ze kunnen eten.’
We kijken naar de bewegende auto.
‘O,’ ga ik verder, ‘& daarachter volgt heel snel een bus. & Een vrachtwagen. Daar zit heel veel voer in, in die laatste.’
‘Jij weet ’t ook allemaal makkelijk te herkennen, hè,’ zegt Sas. ‘Je hebt een geoefend oog.’
‘Komt vooral doordat ik een bril op heb.’
‘Lekker hè,’ zegt Sas, ‘hier binnen krijg je bij ’t drinken van ’t blikje bier veel minder last van koude handen als tijdens ’t wandelen.’
‘Daarom hebben ze die hut hier neergezet,’ zeg ik, ‘voor als de picknickplek ’t niet deed.’

& We wierpen weer een blik richting de onoverzichtelijkheid die natuur heet in Zijperspace.

vicieus

‘Ik zorg gewoon dat ik wat minder drink, vlak voor slapen gaan.’
‘Waarom?’
‘Omdat ik dan niet midden in de nacht hoef na te denken.’
‘Als je drinkt dan ga je nadenken?’
‘Nou, nee. Dan moet ik naar de wc. & Als ik naar de wc moet, dan ga ik nadenken.’
‘Oja, dat klinkt logisch. Een stuk logischer in ieder geval. Je hebt zeker nog steeds de angst, een angst die elk kind op jonge leeftijd is bijgebracht, dat je achterover door de pot zal vallen.’
‘Ja, dat was een grote angst. Vooral m’n tantes waren daar een oorzaak van. Ze zeiden altijd: “Denk je er wel om?” als ik naar de wc moest. “Waarom?” vroeg ik dan onnozel. “Dat je er niet doorheen zakt.” Vonden ze leuk. Maar ik begon er over na te denken. Bij mij begon de fantasie te ontstaan dat je inderdaad door de pot kon zakken, ondergedompeld kon worden in al dat vocht dat er doorheen gespoeld was. & Dat ik met veel moeite m’n hoofd weer boven de pot kon krijgen, proestend van een tekort aan lucht, maar vooral ook van ’t idee dat al die vaste & vloeibare boodschappen van ’t gezin om me heen aan ’t zwemmen waren. Maar goed, die angst heb ik al jaren achter me gelaten. Hoewel ’t idee me nog wel eens te binnen schiet. Nee, ik denk middernachts over heel andere dingen na.’
‘Ik ook.’
‘Neem me nou ‘ns serieus. Ik moet er moeite voor doen om ’t bed uit te stappen. Ik moet een besluit nemen. Nee, ’t kan nu echt niet langer, m’n blaas staat werkelijk op knappen; de rest van m’n leven zal ik een zakje aan m’n dij of op m’n buik mee moeten dragen als ik niet nú besluit, nú meteen, toch maar naar de wc te gaan. & Van al dat piekeren er over blijf ik wakker. Weet jij trouwens waar ze die zakjes op ’t lichaam bevestigen? Heb jij daar wel ‘ns over nagedacht?’
‘Nee, zolang ik niet in de gezondheidszorg zit, of zelf er 1tje krijg aangemeten, wil ik daar ook niet over nadenken. Jij blijkbaar wel. Jij verheft ’t nadenken tot een zelfverkozen Tantaluskwelling. Nu weet ik nog steeds niet waarom je ’s avonds niet wil drinken. Komt doordat je steeds een andere weg inslaat. Jij laat je overheersen door de onoverzichtelijkheid van alles dat je te binnen schiet.’
‘Ik drink niet, omdat ik dan ga nadenken. Dat heb ik net al proberen uit te leggen.’
‘Ja, & dat komt niet omdat je van ’t drinken zelf na gaat denken, maar van ’t feit dat je ’s nachts ’t bed uit moet om je blaas te legen. Ik moet ’s nachts ook wel naar ’t toilet. Mooi dat ik daar dan niet over nadenk. & Zonder dat ik ook maar even rondgezwommen heb tussen de fecaliën die eerder m’n lichaam hebben verlaten, keer ik net zo schoon als bij m’n vertrek terug in m’n bedstee.’
‘Heb jij dan niet wel eens ‘t gevoel dat er ’s nachts allerlei ongedierte rond kan lopen?’
‘Er lopen altijd allerlei ongedierte rond. Gelukkig zijn ze over ’t algemeen zo klein dat je ze over ’t algemeen niet ziet.’
‘Zeg dat nou niet, want ik ben geneigd om ’t me voor te stellen. Juist datgene dat niet bestaat moet in mijn hoofd gematerialiseerd worden in een beeld. & Een beeld dat niet te zien zou zijn met ’t blote oog, daar gebruikt mijn fantasie een zoom met microscopische mogelijkheden voor. Waardoor de muur in de gang plots gevuld lijkt met buitenproportioneel grote exemplaren van onbekende edities van ’t insektenras.’
‘’t Insektenras bestaat niet. Er zijn insekten, & daar heb je diverse soorten in.’
‘Weet ik, weet ik, maar zo denk ik nou 1maal als ik ’s nachts naar de wc moet.’
‘Dan doe je toch ’t licht aan als je uiteindelijk besluit tóch te gaan.’
‘Nee, dat mag niet. Ik mag niet te kinderachtig doen. Waardoor er in ’t donker plotse flitsen, flikkeringen in mijn ooghoeken waargenomen worden. Waarschijnlijk afkomstig van de lantaarnpalen buiten, maar ik ben geneigd te denken dat ’t ook wel eens de ratten van onder de kruipruimte kunnen zijn.’
‘Die zijn allang al dood, vertelde je. & Bovendien zaten die bij je buren.’
‘Ja, vertel me dat als ik ’s nachts richting wc strompel. Zonder licht, omdat ik me er overheen moet zetten van mezelf.’
‘Zo, ik heb nog nooit zo’n verkapte uitnodiging om bij iemand te komen slapen gehoord.’
‘Nee, dat bedoelde ik helemaal niet.’
‘Mooi, ik was nl niet van plan er op in te gaan. Ik hou niet van mannen die midden in de nacht beginnen te woelen omdat ze hun nachtelijk plasje moeten plegen.’
‘De meeste vrijgezelle mannen drinken omdat ze alleen zijn.’
‘Ja, jouw leven is 1 vicieuze cirkel.’

Je wordt geboren & dan ga je dood, ook in Zijperspace.

hyperbewust

Alsof je jezelf in een film waant. ’t Marstempo wordt aangegeven door de drum van ‘Johnny was’. Stiff Little Fingers. In de Bijenkorf hebben ze speciaal voor dat doel een loper voor me uitgelegd. Blauw. Dat kleurt goed bij m’n aërodynamische koptelefoon.
Kordate stappen. Scherp de hoek om bij de parfum, vlak voor een keurig zondags gekleed stel langs. M’n jaspanden slippen aan hun schenen voorbij, de rechterkant schampt misschien nog net de broekspijp van de man. ’t Geluid vanuit m’n koptelefoon moedigt me aan doodgemoedereerd door te lopen. Ik zie mezelf in de spiegeling van de klapdeuren aan komen. M’n jas wappert, m’n pet dekt deels m’n ogen af, bril schittert lichtjes, de capuchon van m’n sweater maakt ’t beeld af: ik ben geschapen om op deze muziek ongeïnteresseerd voor wat er om me heen gebeurd mensen opzij te laten wijken.
Buitengekomen sla ik m’n jas open. Beide zijden. Dat heb ik Clint ooit zien doen. Wel vaker zelfs. Hij langzaam, ik snel. Ik ben nou 1maal een ander type. Bovendien moet ik meteen toeslaan. Sleutels grijpen om m’n fiets van slot te halen.
Vind ik ook wel mooi, besef ik me als terwijl de muziek verder dendert: alle fietsen leunen tegen banken & palen, keurig gerangschikt langs ’t pad. & Die van mij staat pontificaal voor de uitgang. In volle glorie: je ziet z’n gehele gestalte zogauw je de klapdeuren achter je laat.
Poeh, wat staat groen toch goed bij m’n jas.
Ik kniel even. M’n standaard moet weer vastgebonden worden. Ik wikkel de enkele snelbinder om 1 van de 2 poten heen; verbind ‘m met ’t frame. Om ‘m omhoog te houden. Dat mag er misschien knullig uitzien, maar ik bevind me toevallig wel in Biking Town. Hier in Amsterdam vervangt ’t stalen ros ’t hobbelend vervoermiddel van de westernhelden. Ik ben blij dat ik ‘m geen voer hoef te geven. Slechts af & toe wat moeite doen om de standaard in positie te krijgen. & Zorgen dat m’n broek niet bevuild wordt door de ketting middels een klem.
Bij de 1e tonen uit Jake Burns keel spring ik op ’t zadel. 1, 2 Passen & m’n benen vliegen de lucht in. M’n gat valt er recht in. Voeten op de trappers & ik ben weg. De hoek om, de Damstraat in. De mensen wijken vanzelf wel weer.

Ik duik de kelders van ‘t fietsenverhuurbedrijf in. Waarlangs ik in lang vervlogen tijden ‘t tijdelijke Waterlooplein kon bereiken. Ik heb m’n fiets tegen een boom geplaatst. Hij mag even rusten. Ditmaal met slechts 1 slot om z’n nek. Bij een fietsenhandel sta je veilig, klop ik ‘m berustend op ’t zadel, dan heb je er geen 2 nodig.
Ik trek ’t snoertje van de koptelefoon uit de mp3-speler. ’t Wordt onmiddellijk zo stil dat ik zowaar ’t openslaan van de deuren kan horen.
Ik inventariseer de voor mij nieuwe omgeving. Bijna geen natuurlijk licht valt hier naar binnen. ’t Heeft iets van een grot. Met fietsattributen behangen. Ik kijk 1st de herstelwerkplaats in. Om te kijken of daar zich bevindt wat ik zoek.
Te veel mensen daar. ’t Personeel wordt lastig gevallen met vragen. Ik besluit zelf op verder onderzoek te gaan.
In de verte zie ik een grote groep mensen voor een balie staan wachten. Fietsen overal. Ook onderdelen. Ik besluit me die kant op te begeven.
Al snel wordt m’n aandacht getrokken door de vakjes aan de wanden. Allerhande fietsonderdelen liggen daarin voor ’t grijpen. Ik bestudeer de diverse artikelen, pak vast waarvoor ik gekomen ben, een achterlichtje, & blijf vervolgens in vertwijfeling staan over waar ik dit nou moet gaan afrekenen. Ik besluit naar de grote massa bij de balie te gaan.

‘Is there anybody who has been renting a bike before from us?’ vraagt ’t dienstdoend meisje aan de toeristen.
Die ken ik. Ze komt wel ‘ns bij me aan de bar. Flauwe grapjes maken we dan over & weer.
De groep staat om haar heen. Een ½e cirkel, waar ik net buiten val. Niemand reageert op haar vraag.
‘Nobody?’ constateert ze. ‘So everybody has to listen to my instruction.’
Ze heeft een fiets voor zich staan. Dat wordt ’t showmodel. Maar vlak voordat ze verder gaat, ziet ze mij.
‘Hai,’ zegt ze.
Ik zie haar slikken.
Ik kijk als iemand die herkend wordt. Deze situatie wil ik uitbuiten.
‘Hoi,’ zeg ik.
Ze legt een hand boven haar ogen. Ten teken dat ze niet gewend is mij met pet te zien. Ik zie haar naar woorden zoeken.
’t Is goed barman te zijn. Je kan mensen ’t zwijgen opleggen. Desnoods een hele groep. Zoals deze groep toeristen. Ze kijken allemaal wie die verschijning is die hun instructie heeft doen uitstellen.
Zij kijkt vragend. Waarom ik hier ben, kijkt ze.
‘Moet ik dit bij jou afrekenen?’ vraag ik.
Ik lach een beetje als ik ’t achterlichtje toon. Ik heb de situatie in handen. Ik ben degene die de spanning maakt. Ik laat 20 mensen de blik van ’t meisje volgen, richting achterlichtje.
‘Nee, dat moet je bij de echte kassa doen,’ zegt ze, terwijl ze naar de uitgang wijst.
Ze doet ’t wat onhandig. Haar hele lichaam deint mee met ’t wijzen. Overgave die ze niet onder controle heeft.
‘Ok. Tot later dan.’
Ze komt aan ’t eind van haar werkdag vast een biertje halen. Dat kan ze nu niet meer laten.
Ik keer me om & hoor slechts stilte in de fietsengrot. Pas na 15 passen herbegint de instructie.
Ik betaal m’n lampje & steek ’t snoertje weer in de speler als ik naar buiten loop.

‘Johnny was’ is al geweest in Zijperspace.

dienst

We hadden met elkaar gemeen dat we rond de 10e april 1964 geboren waren & ’t grootste gedeelte van die ene dag in onderbroek rondliepen. Ik fiets tegenwoordig nog steeds wel eens voorbij de kazerne & vergeet daarbij toch vaak me dat beeld te herinneren. Dat we allemaal gelijk waren, de rasta & de punker, de jongens die niet opvielen & de zoon van de miljonair, de boekenwurm & de trots van z’n vader, de wees & de kunstenaar. Ze waren in onderbroek slechts door hun kapsel van elkaar te onderscheiden.
& Om ’t voor de generale staf gemakkelijk te maken, voor de heren die reeds in dienst waren & de opdracht hadden ons op inzetbaarheid te keuren, kregen we een nr toebedeeld. Om ons alvast te laten wennen aan hoe ’t in ’t leger er aan toe zou gaan.
Ik zou daar nooit terecht komen, wist ik van mezelf, dus was ik geen nr.
Ik vroeg of ik naar de wc mocht.
‘Dan moet je voortaan de volgende procedure volgen,’ vertelde de instructeur ten overstaan van de 9 & 10-aprilligen, om voor eens & altijd duidelijkheid te scheppen. ‘Je gaat staan, noemt je nr, & vraagt vervolgens toestemming een verzoek in te dienen.’
‘Vooral wachten op ’t moment dat je de beurt krijgt iets te zeggen,’ voegde hij er ook aan toe.
Discipline, dat moest ons worden bijgebracht. Er kon niet vroeg genoeg mee begonnen worden.
‘Maar ik wil alleen maar naar de wc,’ zei ik.
‘Wat is je nr?’ vroeg onze dril-officier.
‘Weet ik niet,’ antwoordde ik. ‘Ik weet alleen dat ik naar de wc moet.’
‘Bij ’t oproepen van je naam heb je toch een nr te horen gekregen?’
‘Ja, maar ik ben geen nr. Dus kan ik ’t ook niet onthouden.’
Een dwars geval, constateerde de man die ons uit moest leggen wat de procedure vandaag zou zijn. Die kan je beter z’n gang laten gaan, want anders weet-ie ’t hele boeltje op te ruien. ’t Was tenslotte slechts de keuring. Niet iedereen zou uiteindelijk in ’t leger terechtkomen.
‘Denk er wel om dat je straks ook een plasje af zal moeten staan,’ voegde hij er evengoed aan toe. ‘Je kan beter wat bewaren voor later, want anders sta je straks een uur te wachten voor je ’t bekertje kan vullen.’
‘Oh, desnoods ga ik 100 keer op een dag,’ reageerde ik. ‘Daar heb ik nooit moeite mee gehad.’
Na terugkomst van m’n plaspauze had de man mijn nr op een groot papier geschreven.
‘Dan hoef je ’t niet meer te onthouden,’ zei hij.
Hij had vaker met dwarskoppigen van doen gehad.

‘Wat wil je gaan doen?’ vroeg de man vanachter zijn bureau.
Hij was van de rekrutering. Of iets dergelijks. Hij moest inventariseren waar de toekomstige krachten geschikt voor waren & waar hun belangstelling naar uit ging.
‘Niets,’ zei ik.
‘Je kan beter aangeven welke richting je op zou willen, wat je voorkeur heeft,’ legde de man uit, ondertussen druk aantekeningen makend op mijn formulier.
Ik nam tenminste aan dat ’t formulier betrekking had op mij. Hij had m’n nr gevraagd, ik had m’n papiertje laten zien, hij vroeg of m’n naam daarmee correspondeerde & ik had ‘m verteld dat-ie daar wonderbaarlijk genoeg gelijk in had.
‘Hoe krijgt u dat voor elkaar?’ had ik ‘m nog olijk de vraag gesteld.
Maar hij was alleen bezig met aantekeningen op ’t formulier te maken.
‘Laten we afspreken dat ik hier de vragen stel,’ zei hij toen hij de pen even met rust liet.
‘Op school hebben ze me juist geleerd altijd vragen te stellen als ik iets niet snap.’
‘Vergeet school.’
‘Ja, maar ze hebben me juist verteld dat als ik in dienst zou gaan, dat ik dan veel zou kunnen leren. Volgens mij leer je juist niet als je geen vragen blijft stellen.’
‘Ah, een filosofisch typje.’
Daar had ik dan weer niks op te zeggen. Ik voelde me te veel gevleid dit keer. Dat had hij dan weer op mij voor: hij wist mij uiteindelijk toch de mond te snoeren.
‘Een psychologisch typje,’ dacht ik.
Durfde ’t echter niet te zeggen.
‘Dus wat wil je gaan doen?’ stelde hij nogmaals de vraag.
‘Niets.’
‘Daar hebben we ’t leger niet voor. Daar is ’t allemaal veel te duur voor, om mensen zomaar niks te laten doen.’
‘Ik vind ’t ook belachelijk dat er zoveel geld aan uitgegeven wordt.’
‘Wat bedoel je?’
‘Dat mensen zomaar met wapens lopen, andere mensen kunnen vermoorden met die wapens & dat dat dan allemaal betaald moet worden door de nederlandse maatchappij.’
‘Je bedoelt dat je niet in dienst wil?’
‘Dat zeg ik al de hele tijd.’
‘Dan zal je vervangende dienstplicht moeten aanvragen. Daar moet ik echter wel bij opmerken dat je dan door een hele mallemolen zal gaan. ’t Kost nogal wat moeite om voor vervangende dienstplicht in aanmerking te komen. Ben je godsdienstig?’
‘Wel zo opgevoed, maar nu niet meer.’
‘Er zou nl een kleine mogelijkheid zijn om in vervangende dienstplicht te komen als je vanwege geloofsovertuiging geen wapens zou mogen dragen.’
‘Maar ik wil helemaal niet in dienst.’
‘Wat bedoel je?’
‘Ik wil niet in dienst. Niet in ’t leger & ook niet in vervangende dienst.’
‘Maar dat kan helemaal niet.’
‘Jawel, als ik niet wil, dan ga ik gewoon niet.’
Hij maakte geen aantekeningen meer. Dit had zorgvuldige aandacht nodig, zo keek hij.
‘Dat zou betekenen dat je de gevangenis in gaat.’
‘Dat moet dan maar, maar in dienst ga ik niet.’
Toen maakte hij toch nog wat aantekeningen. & Ik mocht gaan. Hij vergat me bij afscheid de hand te drukken.

Enige maanden later kreeg ik ’t bericht dat ze me toch niet nodig hadden bij de verdediging van Zijperspace.

voorbijgaan

Je ziet niks. Dat is m’n grootste bezwaar. Ik kan wel kijken, maar niets zal tot mij doordringen. Ik weet niet wat de essentie is van ’t te aanschouwen.
Ik wilde ook niet aan de massabeweging meedoen. Dat was ook een reden. Mensen mogen niet merken dat ik net als zij denk.

Toch moest ik er langs. Ik had de hele dag binnengezeten, op ’s middags een biertje in m’n stamkroeg na. Daarvoor was ik de andere kant opgereden. Bewust. Ik wilde geen slachtoffer worden van m’n eigen nieuwsgierigheid. Ik probeer ook altijd m’n hoofd af te keren van ambulances & politiewagens met sirene. Niet uit gebrek aan belangstelling. Ik probeer in de gaten te houden waar ze heen gaan, om ze uit de weg te kunnen gaan als ze juist daar willen zijn waar ik ga, maar voor de rest kijk ik niet. Ik besef me de onbereikbaarheid van waar zij moeten zijn. Daar gaat ’t mij om.
Toen ik er uiteindelijk toch langsging moest ik er wel langs. Op weg naar de Dam. Ook al was de weg via de andere kant korter. Ik kon mezelf niet meer de blik op de plek ontkennen. Alle beelden op tv moesten ook waarheid worden in mijn beleving van de omgeving. Anders lag er verderop een spook. Een route die je bijna dagelijks neemt verwordt dan tot verboden door zelfcensuur.

Ik stak de weg over, wurmde me door langzaam bewegende auto’s door. De ene zijde ging nog wel; slechts druppelsgewijs passeerden auto’s de afbakening die tot op straat stond. Ze trokken dan snel op, maar de overzichtelijkheid van slechts elke keer 1 auto gaf me de gelegenheid ’t juiste moment te kiezen. De overkant stond vol, bumper aan bumper, trage maar constante beweging. Je kon pas langs als een chauffeur je had opgemerkt & beleefd inhield.
Linksaf, op in de grote stroom. Alsof plots iedereen in Watergraafsmeer & Diemen werkte & zich met fiets dagelijks richting huis begaf.
Ik had slechts de kans een snelle blik te werpen. Een bloemenzee, van kleine kabbelende golfjes nog, maar ik kon fluks zien dat de vloed zou komen.

Op de terugweg moest ik ook.
Ik moet veel in m’n leven. Anders ga ik aan dingen voorbij, zo wil ik mezelf doen beseffen, sla ik mogelijk iets over. Mijn moeten drukt me met de neus op de feiten. Waar ik naartoe ga, & waarom.
Ik was al bijna thuis toen ik me dat realiseerde. Ben daarop doorgereden langs ’t Oosterpark, wilde zien wat er zich nú afspeelde.
M’n muziek stond nog aan. Mp3-speler op luid. Dan wordt m’n hijgende adem ’t levensritme van de muziek. Zonder vaart krijgen de nrs minder kracht. Niet andersom.
Toen ik de hoek omkwam zag ik onmiddellijk dat ‘t fietspad was afgezet. Ik zag de reden waarom de auto’s ’s middags slechts druppelsgewijs langs de barricade waren gekomen.
Ik wilde me niet conformeren, met de fiets in de hand stapvoets door de starende menigte bewegen. Dus voegde ik me tussen ’t snelverkeer. Doordat er net een nr was afgelopen, algehele stilte onder de koptelefoon, hoorde ik een man in oranje hesje roepen dat ik over moest steken. Ik moest aan de overkant rijden. Ik zag ‘m wapperen met een verkeersregelaarsattribuut. Misschien een zaklantaarn, misschien een bordje; ’t drong niet tot me door. Ik wilde ’t niet tot me door laten dringen.
Voor de rest was de aanblik nog steeds ‘tzelfde. Behalve de beschijning van ’t tafereel mbv straatlantaarns.
Na de afzetting wipte ik weer ’t fietspad op. Ik passeerde 2 opstappende fietsers, maar voor de rest was ’t hier verlaten. Voorbij de zone.

De volgende ochtend moest ik brood halen. 24 Uur later. Ik besloot weer niet af te snijden via ’t Kastanjeplein, zoals m’n gewoonte was, maar bedacht me daarvoor geen motivatie. Waarom niet, dacht ik.
Dezelfde strubbelingen met oversteken, dezelfde drukte op ’t fietspad.
Voor me een vrouw in stevig tempo. Die haal ik zodadelijk wel in, dacht ik, m’n eigen snelheid kennende. Ik wierp een blik, weet me daarvan ’t jochie met de fiets te herinneren. Hij speelde later figurant op de achtergrond op tv, bij interviews met omstanders.
Maar terwijl ik keek, stond opeens ’t beeld voor me stil. Ik zag ’t nog net in m’n ooghoek gebeuren. De vrouw met stevig tempo was plots bezig stil te gaan staan. Ze zag blijkbaar een kennis langs de kant van de weg. Ze zeiden elkaar gedag. & Ik knalde net niet op haar achterspatbord.
Ik liet de wereld weer voor wat-ie was. Alles wat ik in korte momenten op kon zuigen zou toch wel verworden tot iets anders. Zou toch wel meegesleurd worden in de continue stroom van tijd. Ik ging op m'n trappers staan. Haalde de blikken naar links in.
Een ambulance weerklonk van voren. Hij kwam uit de 2e van Swindestraat. Ik liet ‘m begaan. Hij leek onderweg naar waar ik voorlopig niet meer langs wilde.

Dan maar een spook in de omgeving van Zijperspace.

ontbijt

Ik vind ’t zelf ook wel een beetje raar. Maar wat moet je dan met je vinger doen? Je zal toch weer verder moeten met je leven. Een mens kan toch niet zomaar ’t feit negeren dat-ie een vinger aan z’n lijf heeft hangen. De rest van de dag zeker met een rood puntje aan ’t uiteinde ervan blijven lopen, dat vind ik geen gezicht. Ik heb ’t ook nog nooit iemand anders zien doen. Waarom ik dan wel?

’t Ritueel is er. Dat kan niet anders met een persoon als ik. Regelmatig terugkomende gebeurtenissen dienen verpakt te worden in routine van een dag. Vaststaand schema, zelfde handelingen, telkens weer, overzichtelijk, door niets te verstoren. Stel je voor dat de dag opeens anders zou gaan verlopen. Beter ’t te ritualiseren. Voelt wel zo veilig.
Hoe groter de rommel van binnen, hoe overzichtelijker de boekenkast. Zo werkt ’t ongeveer.

Dus ik smeer m’n boterhammen ongeveer 20 minuten nadat ik ze uit de vriezer heb gehaald. Van tevoren me alvast een bakje thee laten smaken. Tegen uitdrogingsverschijnselen & ter afschrikking van de zwerm dooie mussen van afgelopen nacht. Tevens onderdeel van de routine.
De broodplank, zo heet m’n houten snijplank, wordt daarvoor gebruikt. Afhankelijk van de dag heb ik daar een bepaalde hoeveelheid boterhammen op uitgespreid. Ter ontdooiing. Die kom ik na die 20 minuten opnieuw bezoeken om er iets hapbaars van te maken. Ik kan me geen droog brood in m’n mond voorstellen.
Daarentegen gebruik ik al sinds jaar & dag geen boter meer. Als ’t beleg maar dik genoeg wordt uitgesmeerd, dan heb ik er geen last van. Want boter dient volgens mij vooral om brood smeuïger te maken. Vooral voor kinderen. Ik maak m’n brood smeuïg door scheutig te zijn. Smeuïg door scheutig, is mijn devies. Scheutig richting mijzelf, da’s altijd voor een goed doel.

Vroeger smeerde ik m’n boterhammen als m’n moeder niet keek. Met m’n rug hield ik mijn handelingen verborgen, terwijl ik bezig was aan ‘t aanrecht. Ze moest ‘ns weten hoeveel.
Als ze per ongeluk toch bleek mee te kijken, dan kreeg je commentaar: ‘Zo, dat kan ook wel wat dunner.’
Dunner qua beleg. Minder pindakaas. Een plakje kaas er af, worst dunner gesneden.
Zij was opgevoed in de oorlog. M’n broers & ik jaren later. Brood was voor mij niet vanzelfsprekend lekker. Er moest wat extra’s op om ’t eetbaar te maken. Ik ben een kind van na de oorlog. Ik was, pleeg ik nog wel eens te denken.

Die ontdekking heeft me doen eten. Op een gegeven moment. Ik lustte weer. Als je je zelf maar beloont met iets lekkers. Moet je dat lekkere wel proeven. Als je ’t niet proeft dan raak je nog niet tevreden. Ik in ieder geval niet. Patat moet zwemmen, zeg ik altijd maar.
Ik vind m’n ontbijt zelfs zo appetijtelijk, dat ik er al aan begin voordat ’t klaar is. M’n 1e boterham is gesmeerd & hij gaat richting mond. 2 Grote happen vertrekken richting mond. Een ½ afgekloven boterham leg ik terug op de broodplank. Da’s een teken van tevredenheid, heb ik lang geleden besloten. Als ik zo’n trek heb dat ik ’t in de keuken niet kan laten al te beginnen, dan ben ik tevreden met mezelf.

Maar ook tevredenheid verwordt tot ritueel.
Vind ik niet erg. Ik hou van veiligheid.

Terwijl ik boterham 1 oppeuzel, smeer ik verder. Volgende 2 boterhammen (ik beleg 1 snee brood, leg er een 2e op & snij ze doormidden: ‘t sandwichprincipe) krijgen een ander beleg. Vanochtend werd de kaas & groene pesto-tapenade vervangen door filet americain met peper.
Daar zit ‘m de kneep.
Ik heb een boterham kaas/pestotapenade in m’n mond, zelfs nog een ¼ deel ervan hangt tussen m’n vingers, & de filet americain gaat niet op, ook al heb ik boterham 3 & 4 rijkelijk ermee opgezadeld. Er blijven zogezegd resten achter in ’t bakje. Duidelijk waarneembaar, ’t ziet immers rood.
Dan ben ik toch een zoon van m’n moeder. U weet wel, degene die de oorlog heeft meegemaakt. Je laat niks staan. Alles moet op. Eten gooi je niet weg.
Bovendien ben ik van de patatgeneratie. Ook al eerder genoemd. De patatgeneratie vindt alles dat aan de vingers kan kleven onweerstaanbaar.
Ik stop m’n vinger dus in ’t bakje. Verzamel alle achtergebleven filet. Best een aardige hoeveelheid, als je ’t op je vinger ziet opgehoopt. Meer dan je zou verwachten van die over ’t bakje verspreide kloddertjes.

Maar ik had een boterham kaas/pestotapenade in m’n mond. Voor een groot deel dan. Dat laatste stukje hing nog tussen linker wijsvinger & duim, klaar om de reis naar ’t einde van de nacht te ondernemen. Rechterwijsvinger was beladen met rode filet.
Ik denk dat ’t pure intuïtie was. Ik kon gewoon niet anders. Ik maak té zeer deel uit van die patatjongeren van weleer. Ik stak m’n vinger in de mond. Terwijl er nog brokken brood, hompen kaas, flodders pestotapenade in rondmaalden.
Ik vond ’t zelf ook wel een beetje raar. Toen m’n vinger naar buiten kwam, zag-ie groen.

Maar soms kan je gewoon niet anders in Zijperspace.

boete (dl 2)

‘Is dat je volledige naam?’ vroeg de meneer van de politie.
‘Antonius Franciscus Bernardus de Boer,’ vulde ik aan.
‘Adres?’
Hij maakte ijverig aantekeningen.
‘Krijg ik nou een boete?’ vroeg ik.
‘Nee, we laten ’t bij een waarschuwing,’ zei de man, niet milder van toon, ‘maar ik moet wel jullie gegevens noteren.’
Ik zuchte opgelucht. Carel ontspande ook merkbaar.
‘Wat was je naam nou?’ vroeg de agent nogmaals.
‘Uhm,’ twijfelde ik.
Moest ik nou Ton of Antonius Franciscus Bernardus zeggen?
‘Uhm, Antonius Franciscus Bernardus,’ stamelde ik. ‘De Boer.’
‘Blijf hier staan.’
We bleven staan. De agent liep terug naar z’n auto. Pakte z’n microfoon & sprak er in. Hij luisterde naar wat er terug gezegd werd.
‘Hoe was je naam?’ zei hij toen hij terug was. ‘& Nu je echte, want er woont geen familie de Boer in de Volkerakstraat.’

Ik werd in een cel gestopt. Er stond een tafeltje & een bank. Verder niets. Niks te lezen, niks te doen. Je kon hooguit op de muur je naam krassen. Dat hadden andere mensen voor me gedaan. Sommigen met datum.
Ik had niet eens een theelepeltje. Echte misdadigers hadden waarschijnlijk altijd iets bij zich om mee te krassen.
‘Er komt straks wel iemand bij je,’ hadden ze gezegd.
Maar ik wist niet wanneer straks zou zijn. Straks was erg ver weg & bleef maar uitdijen.
’t Enige wat ik kon doen was de situatie herhalen. Steeds opnieuw. Over de stoep rijden, dood vallen, de brug over, lachen, achter Carel aan, politie, liegen.
’t Eindigde steeds met liegen. Nooit liep ’t goed af. Ik werd achterin de auto gezet & meegenomen. Daarom zat ik hier. Liegen.
Ik probeerde met m’n nagels in de bank te krassen. Stond op & stelde me voor dat de cel heel klein was. Keerde me om. Keek naar de muur. Ik ging op m’n tenen staan. Kijken hoe hoog ’t raam was. Ik wriemelde aan de tralies. Ik murmelde een liedje. Ging zitten, ging staan. Ik had eigenlijk wel zin om een boek te lezen.

’t Duurde.
De agent kwam niet terug. Straks waren ze me vergeten. Ze zouden me toch een officier sturen, had-ie gezegd?
’t Duurde.

‘Je ouders zijn hier,’ zei de officier. ‘Maar 1st moet ik een verklaring van je hebben.’
Hij was eindelijk gekomen. Ik hoefde toch niet op ’t bureau te blijven slapen.
‘Waarom?’ vroeg-ie.
& Hoe heet je. Wanneer geboren. Waar woon je. Maar vooral waarom.
Hij had een stoel laten komen. Daarmee zat-ie aan ’t tafeltje. Hij maakte aantekeningen op een formulier. Dat formulier zat in een map.
‘Je snapt toch wel dat je niet een valse identiteit mag opgeven?’ zei hij, terwijl hij z’n bril schuin op z’n neus zette.
Ik kon geen pap meer zeggen. Ik had m’n naam al gezegd. M’n geboortedatum. M’n adres. Alles helemaal naar waarheid. Alsof ik mezelf nog een keer aan ’t verraden was. Nu andersom. Ik zei de waarheid & verraadde mezelf.
Ik knikte daarom maar. M’n hoofd schuin gebogen.
‘Maar goed,’ zei de officier, ‘ik denk dat een tijdje cel je wel zal hebben doen beseffen dat je zoiets niet moet doen. Ik zal tegen de agent zeggen dat we er voor de rest geen werk van maken. Dat je wel genoeg gestraft bent.’
Ik keek ‘m aan. Pff.
‘Binnenkort krijg je echter wel de boete in de bus,’ ging de officier verder. ‘Want rijden over de stoep mag niet. Dan zal ik nu je ouders maar gaan halen.’

‘Hij zei dat-ie Ton de Boer heette,’ zei Carel in de auto.
M’n ouders waren 1st streng geweest, maar in de auto moesten ze alweer lachen. Wie deed er nou zoiets stoms? Ik was de enige in de familie die ooit in een cel had gezeten.
‘Stom, hè?’ ging Carel verder.
‘Ja, maar jullie moeten samen maar die boete delen,’ zei m’n vader vanachter ’t stuur plots weer streng. ‘Want jullie reden allebei op de stoep. & Jij hebt daarvoor nog geen straf gehad.’
Ik lachte eindelijk mee. M’n moeder keek achterom. We keken samen naar ’t verontwaardigde gezicht van Carel. Ik stak stiekem m’n tong naar ‘m uit. Verborg ‘m snel weer toen m’n moeder me een aai door m’n haar gaf.

Ik begon me weer thuis te voelen in Zijperspace.

theo van gogh



Ik maak me nooit zo druk. Laat 't allemaal een beetje op me afkomen, wat er in de maatschappij gebeurt. Demonstraties zijn voor mij lang geleden. Meestal moet ik toch werken.
Ik ben vanochtend ook niet de deur uitgeweest. Hoewel 't om de hoek gebeurde. Vind 't onzin dat ik zomaar in de weg ga lopen. Ik wil m'n neus niet steken over een omheining om perse te kunnen zien wat er aan de hand is. Om een glimp te zien.
't Zou me 1 minuutje hebben gekost. Dan had ik een witte doek hebben kunnen zien, een lichaam verscholen gelegen op 't fietspad waar ik dagelijks rijd. Vanachter wit-rode banden plastic had ik dat kunnen aanschouwen.
Liever bleef ik thuis. Tv aan. Helicopter boven m'n huis.

Maar vanavond ga ik toch maar naar de Dam. Men moet kunnen zeggen wat men wil.

Ook al gaat je stem verloren in de massa & hoort uiteindelijk niemand je in Zijperspace.

boete (dl 1)

We waren op avontuur & ontdekkingsreis tegelijk. Door Nieuw Den Helder. Achter de flats langs, voorbij de kerk. Door ’t park, richting kerkhof via de Vliestroomlaan. De paadjes achteraf, richting de bungalowwijk naast Pa z’n school. & Terug.
Carel een fiets met handremmen. Ik nog steeds m’n kleine blauwe met terugtrap.
Soms waren we cowboys & indianen. Even later duitse troepen achtervolgd door engelsen. Carel viel zelfs een keertje dood. In de berm achter ’t kerkhof. Ik moest ‘m wakker schudden, want anders bleef-ie er in. Even later probeerde ik ’t ook. Langzaam fietsen & toen Carel schoot me schuins weg laten vallen. Uitkijken voor de trappers.
‘Nee, dat ziet er niet echt uit,’ was Carel z’n commentaar.
‘Nog een keer dan.’
‘Nee, we moeten verder.’
Waarop hij dood van ’t bruggetje viel. Hij wel. Maar we lachten, omdat-ie net aan ’t randje van de sloot terecht was gekomen.

Terug dus. We hadden Pa niet gezien bij school. Ook geen leuke meisjes, die klaar waren met les. & De kleine paadjes van Nieuw Den Helder hadden we nu wel allemaal gehad.
Achtervolgertje. Om zo snel mogelijk thuis te zijn. De 1 moest doen wat de voorste deed. Over de stoep, van de stoep af, langzaam, snel, bochten makend, recht.
Vooral op de stoep.
Dat vond meneer agent niet leuk. Hij stopte z’n wagen naast ons.
Hij had net een motor gearresteerd. Die stond in de aanhangwagen achter hem. Vast gestolen.
‘Hé, jongens!’ zei de agent streng.
We schrokken.
‘Je mag niet over de stoep.’
‘Ja, maar…..’ begonnen wij.
Niks te maar. De man stapte z’n auto uit.

Ik hoorde Carel fluisteren. Heel snel.
‘De Boer.’
Oja, de Boer. We heetten geen Zijp. Wel de rest ‘tzelfde. Antonius Franciscus Bernardus. 10-4-64. Ton. Hij Carel.
Maar de Boer. Van de Volkerakstraat 406. Niet Marsdiepstraat 406. Volkerakstraat. Dan zouden we nooit die boete krijgen.
Hadden we tevoren besproken. Voor als de politie ons wilde bekeuren. Een slimme list, vonden we zelf. De Boer was die vervelende buurman van even verderop.

‘Waarom rijden jullie over de stoep?’ baste de agent streng.
Ik reikte tot z’n navel.
‘We moesten daar zijn.’
Ik wees naar ’t einde van de stoep.
‘Dan kan je dat ook over de weg.’
‘Ja, maar…..’
‘Niks te maar. Zagen jullie die mevrouw met kinderwagen niet? Die moest voor jullie uitwijken.’
We keken om. Daar reed de kinderwagen. Carel viel bijna om toen we haar zo traag mogelijk passeerden. Dat hoorde bij achtervolgertje.
‘We deden achtervolgertje,’ probeerde ik.
Carel zei niets. Ik geloofde nog in gerechtigheid. Hij was daar al voorbij.
‘Jullie weten dat over de stoep rijden 10 gulden boete kost?’ ging oom agent streng verder.
‘Ja, maar…..’
Hij hield niet van ‘maar’, haalde z’n boekje tevoorschijn.
‘Goed, wat is je naam?’
‘Ton de Boer.’

Wordt vervolgd in Zijpersss, oeps, Boerenspace.