natuur

M’n vader was er. Hij bleek te zijn opgeknapt. Er was een middel gevonden om ‘m te genezen. Hij was net zo fit als 10 jaar eerder. Vol goede moed begon-ie m’n broer weer te helpen in ’t bos. & Hij lachte als-ie uit moest leggen hoe ’t allemaal gekomen was.
Op een gegeven moment besefte ik dat er iets niet klopte. ’t Moet tijdens een wandeling zijn geweest dat ik me dat realiseerde. Zoals m’n vader & ik altijd alleen maar communiceerden als we een eindje om gingen. We zeiden wel meer, maar ik snapte tijdens die korte tochten pas hoe hij in elkaar zat. Hij was ik. Ik was hem. Waar we geleken & uit elkaar gingen. Z’n zware stem, z’n somtijds overdonderende aanwezigheid, z’n rust, z’n zoeken.
Hij was nl al dood, besefte ik. Je kan niet genezen als je al dood bent. Ook m’n vader niet. Ik had ergens wat overgeslagen, had iets gemist.
& Toen ik twijfelde aan de aanwezigheid van m’n vader, begon ik te twijfelen over de waarheid die mij voorgeschoteld werd. De waarheid die ik mezelf wilde voorschotelen.
Hij was er niet, hij kon er helemaal niet zijn. Hij was dood.
Ik visualiseerde me zijn graf. & Schudde mezelf wakker.
Ach, ik probeerde heus nog wel een keertje. Wegsuffen, diep in de kussens, omwikkeld door ’t warme dekbed, afgesloten van de kou, de bijna vrieskou van de slaapkamer. Ik probeerde ’t heus wel. Terug. In de tijd. In de droom. M’n vader weer tot leven wekken.
Maar ik struikelde al als ik z’n beeld tevoorschijn probeerde te halen. Dan bestond-ie al niet meer.

Ik zei: ‘Ik was bij m’n moeder.’
Correctie, ik zei: ‘Ik was bij m’n ouders, hm, nee, bij m’n moeder.’
& Ging verder: ‘Ik moet er nog aan wennen. Ik blijf steeds met m’n ouders beginnen.’
‘Da’s niet zo gek,’ werd er gezegd. ‘Dat blijft nog wel een tijdje. ’t Geeft ook niet; mensen begrijpen heus wel wat je bedoelt.’
Ik zei: ‘& Toch heb je dan ’t gevoel dat je ’t correct wil zeggen. Dat je ’t juist moet formuleren.’

& Ik zei: ‘Ik was dus bij m’n moeder. Ik zat in de kamer. Aan de tafel in de achterkamer met een bakkie thee. We praatten een beetje. Zoals we altijd wel doen. Ik liep af & toe een beetje rond, want ik kan niet de hele tijd stil blijven zitten. & Daardoor merkte ik dat in de dingen, niet alleen in de foto’s die ik zag, m’n vader nog steeds zat. Hij zat nog in de kast, hij zat nog in de stoel, hij zat nog in de keuken, ik zie ‘m nog stuntelen als-ie de afwas deed, zo’n beetje nog ’t enige wat-ie aan ’t eind nog deed, wat-ie nog kon, ik zag ‘m op de vloer van de keuken, schuifelen, langzaam voortlopen, ik zag ‘m op ’t hoekje van de bank, waar ik met ‘m praatte, probeerde nog net wat laatste herinneringen bij ‘m los te weken.’
Ik ging verder: ‘Ik bedoel: bij mij thuis staan er ook heus nog wel dingen die aan hem herinneren. Als ik naar de opgezette patrijs kijk, dan denk ik aan m’n vader. Als ik wandelboekjes tegenkom, muziek van Cornelis Vreeswijk of Roger Whittaker, of de kieren van 2 lappen behang die niet op elkaar aan sluiten. Dan denk ik aan m’n vader.’
Ik zei: ‘Maar bij m’n moeder zat ’t hele huis vol van m’n vader. Hij leefde daar nog. Bij mij thuis is-ie dood. Bij m’n moeder niet.’

Als ik niet praat, dan weet ik ’t niet. Dan besef ik ’t misschien wel, maar beseffen & weten zijn 2 dingen. Beseffen is natuur, weten is wetenschap.
’t Duurt bij mij altijd even voordat besef tot mijn mond is doorgedrongen. Vooral omdat ik niet altijd praat. ’t Kan soms uren stil zijn.
Daarom zijn de dingen niet vanzelfsprekend. ’t Zou altijd anders kunnen zijn. Daarom wil ik me graag omdraaien op m’n andere zij. Kijken of die beter ligt. Of m’n andere zij de dingen op kan roepen die niet vanzelfsprekend zijn.
Dan weet ik ook wel dat ze niet spreken, niet vanzelf, maar ik voel me even lekker. Ik voel me veilig. Ik weet dan iets, ’t wil zich alleen nog niet vormen in m’n mond.

M’n vader waart nog altijd rond in Zijperspace, ik kom ‘m alleen niet altijd tegen.

erfenis

‘Ja, als er toch maar zo weinig broers zijn,’ zeg ik, ‘dan zijn ze ook niet gemachtigd iets over de verdeling van de vogels te zeggen.’
Speciale dag. Dat we allemaal konden. Ruim van tevoren belegd. Uiteindelijk zijn er 3 van de 6 broers aanwezig.
‘Dus moeten we ze maar onderling verdelen,’ besluit ik. ‘Ze hebben blijkbaar geen belangstelling.’
Ietwat schertsend. ’t Is niet echt zo. Bovendien geeft Marc toe dat hij al genoeg opgezette vogels in huis heeft.
‘Ik heb wat ik wil.’
Jan wipt nog een beetje op.
‘Wacht even.’
‘Ja, kom dan mee,’ zeg ik.
Ze staan tenslotte boven, op de overloop van de zolder.
‘Ja, Jan,’ valt m’n moeder bij, ‘als je nu niet meegaat, dan kan je ook niet klagen dat ’t verkeerd is gegaan.’

We staan naar de vogels te staren. Voornamelijk kwartels. De rest is al weg.
Jan zoekt naar kwartels van nederlandse bodem.
‘Dan past ’t beter in je bezoekerscentrum,’ suggereer ik.
Hij laat zich niet afleiden. Kijkt naar de onderkant, waar de namen van de exemplaren staan.
‘Deze is aangevallen door de poes,’ wijs ik.
Vleugeltje dwars. Plukjes uitstekend.
‘Ik denk dat ik deze neem.’
‘Ik deze 2.’
& Daarmee is ’t afgelopen.
Ik neem m’n vader mee naar huis, denk ik. In de vorm van oude wandeltijdschriften & 5 opgezette kwartels, staand op 2 plankjes.

Ik drink nog een biertje. Nog geen zin om direct van de trein m’n huis binnen te stormen.
’t Zal wel koud zijn, bedenk ik, een dag lang geen kachel aangeweest.
Kwartels in een plastic tas. Ik plaats ze in een hoek, achter een kruk. Niemand kan erbij, niemand kan ’t herkennen. ’t Moet raar lopen wil iemand ze beschadigen.

Ik raak aan de praat. Een vaste klant van mijn werk. Wil een biertje bestellen, maar ze zegt dat ze verder moet. Ze gaat uit eten met een vriendin.
‘Dan neem ik ook niet,’ zeg ik.
‘Je kan toch blijven zitten?’ vraagt ze.
‘Nee, dan heeft ’t geen zin.’
Ik trek gelijk met haar m’n jas aan. Buk voorover om m’n kwartels te pakken. Grote gele plastic tas.
‘Wat zit daar in?’ vraagt ze nieuwsgierig.
‘Kwartels.’
‘Gatsie.’
‘Ze zijn van m’n vader geweest. Erfenis.’
Ik steek m’n hand in de tas.
‘Er waren niet zoveel mensen die dieren mochten laten opzetten in die tijd,’ leg ik uit. ‘Maar m’n vader wel. Hij was hoofd van een school. Hij had toestemming om ’t te laten doen voor biologieles.’
Zo vertelde hij ’t ons. Maar de vogels kwamen uiteindelijk bij ons terecht.
Ik haal ’t stelletje tevoorschijn.
‘Oh, mooi,’ zegt m’n gezelschap.
‘Da’s m’n vader,’ zeg ik.
Ze snapt ’t vast niet. Maar ik weet in ieder geval weer waar ik naar kijk.
Ik haal ’t plankje met 3 kwartels uit de tas.
‘Er waren weinig mensen die zoveel over kwartels wisten als mijn vader.’
Dat geloofde ik toen. & Ik wil ’t blijkbaar blijven geloven.
Ik stop ze terug.
Straks haal ik ze er weer uit, denk ik, & zet ik ze boven de schoorsteenmantel.

& Een stil gekwetter zal weerklinken in Zijperspace.

gefloten

Op een gegeven moment heeft iemand tegen me gezegd dat ik een scheef fluitje had. M’n lippen stonden scheef, of zoiets. De opmerking werd een beetje op de oppervlakte gehouden, waarschijnlijk omdat de persoon in kwestie plots tot ’t besef was gekomen dat ’t beledigend kon overkomen. Zeggen dat iemand misvormd is.
Ik ben thuis voor de spiegel gaan staan. Ben gaan fluiten. & Keek ondertussen zorgvuldig naar wat er in m’n gezicht gebeurde.
Hij stond scheef. M’n fluitje. ’t Gaatje tussen m’n lippen zat links van ’t midden, voor de spiegel rechts.
Ik probeerde ‘m te verplaatsen. M’n lippen anders te krullen. Maar er kwam dan geen geluid uit. M’n lippen waren zo gebouwd dat ik een scheef fluitje had.
Voortaan liet ik niet meer zo makkelijk m’n lippen zien als ik aan ’t fluiten was. Ik floot er niet minder om, ’t werd alleen iets meer van mezelf.

M’n vader floot achter ’t stuur. Tijdens Roger Whittaker, onderweg naar Zwitserland of Luxemburg. Hij floot een beetje van onder z’n bovenlip. Je zou bijna de luchtstroom over z’n onderlip kunnen zien stromen. Een hese fluit, door de grote luchtverplaatsing, maar wel scherp. Onderwijl trommelde hij met z’n vingers op ’t stuur. Aan ’t eind van ’t nr 2 keer met z’n duim. Z’n rechterduim. Dan was ’t stil tot ’t volgende nr begon.
Wij keken mee, vanaf de achterbank. Als Pa floot, dan was ’t goed.

Of hij floot ons. We wisten bij een bepaald wijsje, 3 opeenvolgende toonhoogtes, luid over straat, boven ’t rumoer uit, dat we ons moesten verzamelen.
Pa floot: wij keken om. Onmiddellijk. Ma ook trouwens.
Tijdens de intocht van de Nijmeegse 4-daagse, 1000-en toeschouwers langs de kant, wist-ie zodoende m’n aandacht te trekken. Ik keek om, verzette geen pas meer, hij moest ergens zijn. Hij floot nog een keer. Toen besefte ik pas dat ik door ’t fluitje geroepen was. Ik ontdekte m’n ouders tussen de menigte. 3e Rij van een dikke bundel mensen.

‘Heb je ‘m weer in de vuilnisbak gevonden?’ vroeg m’n oma.
‘Wat gevonden?’ vroeg ik.
Waarna ze naar m’n moeder lachte. Ze wisten waar ze ’t over hadden, maar ze lieten mij in ’t ongewisse. Ze hadden een complot, met z’n 2-en, zo keken ze.
Dan streek m’n oma me door m’n haar. Ze legde haar arm om m’n hoofd, trok me naar zich toe. Lachend. M’n hoofd werd door haar omhelzing onder haar ellebogen verpulverd, maar ze lachte dat liefkozend recht. Ik stond scheefgetrokken, hoofd in de bankschroef van Oma’s armen, me af te vragen wat die vuilnisbak nou met deze uitbundigheid te maken had, maar liet ’t begaan.
‘Ben je ook een fijne jongen,’ zei ze & gaf nog even een ferme aai over m’n wang.
‘Maar wat is er nou met die vuilnisbak?’ vroeg ik, me nergens van bewust, zelfs niet van angstvallig geheim gehouden kattenkwaad.
‘Of je je fluitje weer teruggevonden had in de vuilnisbak,’ legde m’n moeder uit.
‘Nee, ik fluit met m’n mond,’ wilde ik trots uitleggen, maar besefte bijtijds dat ik in de maling werd genomen.
Ik dacht dat ’t te maken had met de scheve mond die ik trok bij ’t fluiten.

Ik floot.
Vroeger zei ik: ‘Ik fluitte.’
Dat klonk veel logischer.
Ik fluitte overal & altijd. Met m’n scheve mond. ’t Scheve fluitje tussen m’n lippen.
Maar ik fluitte vooral als ik aan ’t wandelen was. In Zwitserland of Luxemburg. Voorovergebogen kijkend naar de volgende pas, de volgende steen.
M’n neef zei, ik denk tijdens een wandeling in Zwitserland, we daalden een berg af die we niet tot aan de top hadden kunnen bewandelen, omdat m’n vader de kaart verkeerd geïnterpreteerd had; m’n neef zei: ‘Jij fluit altijd.’
‘Wat bedoel je?’ vroeg ik, uit m’n fluitbezigheden afgeleid.
‘Dat jij altijd fluit,’ zei hij nog een keer. ‘Fluit je omdat je vrolijk bent, of om iets anders?’
‘Ik fluit gewoon.’
Maar vanaf toen niet meer. Vanaf toen moest er een reden zijn. Een reden waarom er in de vuilnisbak een fluitje zat, waarom m’n lippen scheef stonden, waarom alles goed zou komen als Pa Roger Whittaker floot. ’t Leven liet zich niet meer befluiten met een toevallig deuntje, dat als vanzelf vantussen m’n lippen uit kwam.

Soms ploeg ik de vuilnis om, op zoek naar iets dat verloren is in Zijperspace.

1e kerstdag

‘Was ’t druk?’ vraagt Sas.
‘Nee, ’t is nooit druk op 1e kerstdag,’ antwoord ik.
We weten ’t allemaal, maar we vragen ’t toch elke keer. Ik zou ’t in haar plaats ook gedaan hebben.
Nu zitten we om tafel, collega’s & aanverwanten. Ook Von, ook al is die al een ½ jaar weg.
Wim & ik krijgen de gangen voorgeschoteld die we achterlopen doordat we moesten werken. De anderen laten dat wat vooraf gegaan is een ietwat zakken.
‘Was Nico er?’ vraagt Von.
‘Ja,’ antwoord ik.
‘& Gran?’
‘Ook.’
‘Fiets zat aan de bar?’
‘Ja.’
‘& Jeroen.’
‘Hoe weet je dat?’ vraagt Sas. ‘Jij hebt nog nooit met kerst gewerkt.’
‘Ja, leer mij de klanten kennen.’
‘Nico zat aan tafel met Sanne,’ probeer ik ’t kersttafereel te verlevendigen.
‘Warner is vast ook langs geweest,’ gaat Von onverstoord verder.
‘Ja,’ zie ik me gedwongen verder te antwoorden.
‘& Harmen.’
‘Ja.’
‘Yeah! Nog 5 & ik heb de magnetron. & Jan. Jan is vast ook langsgekomen.’
‘Klopt.’

’t Was een kerst vol van verrassingen in Zijperspace.

kerstekwaad

Om er toch nog iets van te maken, ook mijn gemoed is bij tijd & wijle onderhevig aan ’t verlangen eens verwend te willen worden, heb ik dure paté gekocht. Doodgewone boterhammen beleg ik tijdens kerst met een dikke laag. Kruimeltjes die ernaast vallen worden door 1 vinger & een mes gedwongen terug te keren. Weigeren ze dan nog, dan verdwijnen ze onmiddellijk in ’t onvermijdelijk gapende gat dat mijn mond heet te zijn.

Dure paté. Bij ’t meisje van de delicatessen.
‘Doe maar van de kalkoen.’
‘Mm, lekker: eend.’
‘Een plakje everzwijn.’
‘Doe die andere eend ook maar.’
‘& Als laatste de kwartel.’
Dat alles met intervallen van ongeveer 1½ minuut: de tijd die zij nodig heeft plakken te snijden & op een viltje te leggen, plastic eromheen.

Wild in paté. ’t Meisje schiet af & toe uit, er valt wel ‘ns wat vanaf, vooral de duurste eend is erg grofkorrelig, dus zijn we gedwongen wat restjes voor te proeven.
Ik heb ondertussen wel een beetje verstand van paté. De dure paté wordt gemaakt met hele stukken lever, vers. Dit in tegenstelling tot de goedkopere soorten, ook lekker, maar gemaakt van stukjes van tevoren ingevroren lever, soms lichtjes gemalen, of tot mousse gestampt.
‘Dat proef je,’ zegt de delicatessenbaas.
‘Ja, dat proef je,’ beamen ‘t delicatessenmeisje & ik, de delicatessenklant.
Ik neem veel van de dure paté: € 2,70 per ons. Minder van de goedkope: € 1,70. Ik moet er immers wat van maken, terwijl anderen zich tegoed doen aan copieuze maaltijden, van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat & van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat een dag later.

’t Delicatessenmeisje schraapt de kruimels van de eend bij elkaar. Ze haalt de helft met haar vingers naar zich toe, steekt dat in haar mond, om vervolgens mij de andere helft aan te bieden.
Vervolgens kijkt ze kwaad.
Ik wilde net zeggen dat ik ’t wel extreem lekker vond. Zelden zoiets gegeten.
‘O, jij niet,’ concludeer ik zachtjes voor mezelf.
Ik begon net te denken dat we op 1 golflengte zaten. Ik & ’t delicatessenmeisje.
‘Zeg delicatessenbaas,’ zegt ze tegen de delicatessenbaas.
‘Ja, delicatessenmeisje,’ antwoordt de delicatessenbaas.
‘Die eend is wel héél erg fantastisch.’
‘Oh, je vond ‘m dus toch wel lekker,’ reageer ik gerustgesteld.
‘Jij niet dan?’ vraagt ze mij verbaasd.
‘Jawel, jawel,’ haast ik mij te zeggen, ‘maar je keek opeens zo kwaad.’
‘O, ja,’ zegt ze, ‘ik ga altijd kwaad kijken als ik iets érg lekker vind.’
Dan is ’t tijd voor de delicatessenbaas om een toelichting te geven: ‘Er zitten rozijnen in, & een scheut madeira. Groffe verse stukken eendenlever. Die kalkoen is net zo lekker.’
Maar dat laatste wisten we al, want die is net zo duur.
Ik wacht tot ’t delicatessenmeisje weer kwaad gaat kijken & geef haar vervolgens veel geld. Ik ben haar dankbaar, maar niet alleen vanwege haar blik.

Thuis oefen ik. Ik schotel mezelf boterhammen voor, dik belegd met eendenpaté. Ik kijk in de spiegel hoe ik ’t vind. Des te kwader ik kijk, des te beter de kerst.

Dan bent u vast gewaarschuwd, mocht u iemand tegenkomen, afkomstig uit Zijperspace.

treurig

‘Nog maar 27 dagen,’ zei Fret laatst.
Dat is alweer een paar weken geleden. We zijn inmiddels verder.
‘Nog maar 27 dagen,’ zei hij dus. ‘We zijn toch eigenlijk wel treurig.’
‘Ja, ’t is treurig, Fret,’ zei ik.
‘Zulke knappe mannen als wij,’ zei Fret.
‘Ja, zulke knappe mannen als wij. & Vrouwen zien ons niet staan.’
‘Verliezen we gewoon allebei.’
‘Ja, maar jij verliest ’t meest.’
Ik wilde m’n verlies toch niet volledig toegeven. Er moest & zou iemand zijn die nog meer verliezer was dan ik.

We hadden 1st Von. Die zei dat ze gewonnen had. Dat was binnen een week van ’t nieuwe jaar.
‘Ja, Von. Jij hebt gewonnen,’ gaven we toe.
Maar achter haar rug om zeiden Fret & ik tegen elkaar: ‘Von speelt vals.’
‘Ja, Von is vrouw. Dan kan ik ’t ook.’
‘Sterker: Von is lesbische vrouw. Dan heeft ze de buit al binnen voordat ze haar mond opendoet. Als ik vrouw zou zijn dan zou ik op tieten vallen.’
‘Zeker die van Von.’
Dus besloten we met z’n 2-en door te gaan.
‘Von heeft nooit meegedaan. Ook al heeft ze mooie borsten.’
Dat moesten we er toch wel even bij zeggen.

& Elke week werden we treuriger. Niet minder vrolijk, maar wel treuriger. Als mannen die toch een heel andere bestemming hadden kunnen hebben. Als bijvoorbeeld een vrouw in bed.
‘Ik heb een vrouw in bed gehad,’ zei Fret.
‘Ja, maar dat telt niet, Fret’ zei ik. ‘Ik trouwens ook.’
Als de 1 een vrouw in bed heeft gehad, moest de ander ook een vrouw in bed hebben gehad. Ook al telde die vrouw niet.
‘Oja, da’s waar.’
Ja, dat was waar. We wisten ’t allebei. Vrouwen van vorig jaar, konden niet meetellen voor ’t lopende jaar.
‘Stom eigenlijk van jou,’ zei ik.
‘Wat?’ vroeg Fret.
‘Je had beter niet met die vrouw naar bed kunnen gaan.’
‘Ja, maar ’t was wel lekker.’
‘Ja, maar als je nou even geduld had gehad, dan had je volgend jaar kunnen winnen. Nu geldt die vrouw volgend jaar ook niet meer.’
‘O ja, da’s wel stom.’
Alles voor ’t spel & niets voor de roem. Zo waren we ook wel weer.

Tien kwam langs. Oud-collega. Dronk een biertje met Fret. Ik stond achter de bar.
‘Mag ik bestellen?’ vroeg Tien aan mij.
‘Ben je al aan de beurt?’ vroeg ik.
Dat zeggen we nl de laatste tijd vaak. Vinden we leuk.
‘Ja,’ zei Tien.
‘O,’ zei ik.
Ik keerde me om. Ging aan de andere kant van de bar iemand helpen.
‘Dan kom ik straks bij je,’ lichtte ik toe.
Fret & ik moesten lachen. We waren dan wel treurig, maar lachen konden we. Nog 8 dagen te gaan.

Tien ging weg. Hij was uitgelachen.
‘Tien is verliefd,’ zei Fret terwijl Tien de deur achter zich sloot.
‘Op een meisje?’ vroeg ik.
‘Ja, op een meisje.’
‘Gatver.’
‘Ja.’
‘Heeft-ie ook met haar in bed gelegen?’
‘Hij zei van wel. & Nou is-ie verliefd.’
‘Je bedoelt dat-ie dingen met haar heeft gedaan?’
‘Ik geloof ’t wel.’
‘De vuns.’
‘De smeerlap.’
‘Ik ga ‘t ‘m nu zeggen.’
Ik rende de deur uit. Keek om me heen waar Tien was. Ik zag ‘m aan ’t slot van z’n fiets morrelen.
‘Smeerlap,’ schreeuwde ik & ging weer naar binnen.
‘Wat heb je gezegd?’ vroeg Fret toen ik weer binnen was.
‘De waarheid.’
‘Smeerlap?’
‘Ja.’
‘Goed zo, Ton. We moeten niet over ons heen laten lopen.’

We kijken al uit naar de volgende competitie in Zijperspace.

vooraankondiging

de dutchbloggies

Eigenlijk vind ik ’t ook wel een beetje te vroeg. Nog 1½ week te gaan. Tegen de tijd dat de mensen kunnen gaan stemmen, is men dit plaatje alweer vergeten, alsook ’t verzoek om vooral toch wel de stem uit te brengen. Daarom beloof ik dat ik de 1e januari nogmaals een plaatje zal plaatsen. ’t Zal de boel weer een ietwat opvrolijken & daarnaast zal ik die dag waarschijnlijk net zo weinig tijd hebben, laat staan inspiratie, om een stuk tekst te kunnen publiceren.

‘Stem uitbrengen? Stem uitbrengen? Waar heeft die gozer ’t over?’ zal menigeen zich afvragen bij ’t lezen van bovenstaande.
Jawel, is daarop mijn reactie, ditmaal zonder aanhalingstekens, want in dit medium bepaal ik wanneer ik iets zeg, iets daadwerkelijk uit mijn mond lijk te laten vloeien of dat ik in retorische zin voor me uit zit te wauwelen. Laten we in dit geval voor de laatste optie gaan. Mocht men dit lezen, ik hoor wel eens een reactie van deez of geen, waaruit blijkt dat dit wel eens gebeurt, dan zal men een eigen interpretatie op dit gekeuvel mogen loslaten, weliswaar geheel voor eigen rekening & eigen publiek, tenzij men ’t reactieding vol wil spammen of als men zelf ook een weblog beheert.

Jawel, was dus mijn reactie, men kan zijn stem uitbrengen. Vanaf de 1e januari, zoals reeds gezegd. Men kan kiezen welke weblogs de meest humoristische, ’t origineelst, ’t best geschreven, waar men de beste informatie op ’t gebied van kunst & cultuur kan vinden, etcetera, etcetera. Veel meer informatie is terug te vinden in ’t introducerend stukje op de daarvoor bestemde site; hebben we speciaal ervoor opgezet.

‘We? We? Begint-ie nu ook al in 2e persoon meervoud te spreken als-ie ’t over verkiezingen heeft?’

Ach, ben ik dat helemaal vergeten te zeggen. Ik heb ook m’n steentje bijgedragen. Ik ben deels verantwoordelijk. Ik heb nl wel eens m’n mond opengetrokken, ben in ’t toetsenbord geklommen & heb m’n mening gegeven.
Daar heeft u natuurlijk niets van gemerkt, dat gebeurde afgelopen tijd allemaal achter gesloten gordijnen, maar ’t heeft wel degelijk plaatsgevonden.
We hebben discussies gevoerd over wanneer, waar, hoe & waarom. We hebben gevraagd wie, in welke hoedanigheid, hoe dit te voorkomen & wat eventueel meer resultaat zou bieden. We hebben gesuggereerd, beoordeeld, onder de loep genomen, alternatieven gezocht & iemand een spreekverbod opgelegd. We hebben de rondvraag overgeslagen, zijn druk informatie gaan inwinnen, hebben gelobbyd & hebben elkaar de proefresultaten voorgeschoteld.
Daarna kwam er iemand met een tekst & iedereen heeft er zijn fiat aan gegeven. Over ’t plaatje waren we ’t ook snel eens.
We zijn een ondernemend volkje, wij redacteuren van about:blank.
Nu u nog.
Stem dus*, vanaf 1 januari.
Ik help u er nog wel aan herinneren.

* = Stem op Zijperspace, natuurlijk.

dankjewel

’t Is een andere delicatessenzaak. Een andere sfeer. Ik heb er aan moeten wennen. Waarschijnlijk zij ook aan mij.
Ze zijn ook met zoveel. Minstens 3 jongens, minstens 3 meisjes. & De eigenaar, tegelijkertijd naamgever. Ik weet nooit wanneer ik wie zal ontmoeten, behalve de laatste. Hij is er altijd & helpt me nooit. Hij neemt de telefoon op, zoals bazen doen, herschikt de kazen, worsten & patés netjes wanordelijk verantwoord in de vitrine & praat met de buurtbewoners.
Ik laat me helpen door zijn personeel. Probeer hem gedag te zeggen, bij binnentreden & weer weggaan, maar blijkbaar weet-ie dat ik aan een andere delicatessen de voorkeur heb gegeven in ’t verleden, dus laat-ie me als een spook voorbij gaan.
Zij kennen me ondertussen.

‘Niet te dun, alsjeblieft,’ zeg ik slechts nog maar een enkele keer.
Als ’t dikkerdje staat. Ze is niet echt dik, maar vergeleken met de rest wel. Bovendien luistert ze niet naar wat ik zeg, dus mag ik haar vervelende naampjes geven. Ondanks m’n verzoek krijg ik van haar toch nog te dunne plakjes chorizo.
‘Oja, in verschillende zakjes,’ zei ze laatst ten overvloede over de patés, ‘ivm de vriezer.’
Ik wil ze apart verpakt. Dan kan ik ze in de vriezer leggen. De dag voor gebruik er uit halen.
Ze kenden geen van allen die truc; heb ik ze geleerd. Maar ’t dikkerdje wil de truc ook niet goedkeuren. Ik hoor ’t aan haar toon.

Nee, dan de dame met de stiekeme snor. Ik zie ’t tegen ’t licht in. Als ze zich opzij wendt. Ik kijk dan snel de andere kant op. Wil niet weten dat zij weet dat ik weet, dat ze daardoor ziet dat ik zie. Daar is ze veel te aardig voor.
‘& Dan ook nog een stukje van de eendenpaté,’ zei ik.
Ik keek haar aan terwijl ze de bak uit de vitrine haalde. & Bedacht me opeens dat ik niet beleefd was.
‘Alsjeblieft,’ vulde ik mezelf snel aan.
Schuldbewust. Lichtelijk flirtend bovendien. Zodat ze nog even zou kijken. Ik mag haar ogen graag zien.
Ze keek vlug op. Zo schuin, bukkend nog, hoofd al onderweg naar boven, haar arm ’t hoofd volgend met de bak in de hand, & dan afgeleid door een opmerking die nog maar net op dat moment past. Geen seconde later.
Een vraagje, een klein vraagje twinkelde in die diepe donkerbruine drooggevallen slootjes.
‘Dankjewel,’ zei ze.
& Ze ging verder met ’t afsnijden van mijn plak paté.
‘Ik vind dat een mens af & toe alsjeblieft moet zeggen,’ legde ik uit, ‘daar voelen anderen zich beter van.’
‘Ik vind dat mensen ook af & toe dankjewel moeten zeggen,’ repliceerde zij. ‘Dat voelt ook goed.’
‘Dankjewel,’ zei ik nonchalant.
Vluchtigjes. Zacht. Zodat ’t alle kanten op zou kunnen gaan. Je moet vele wegen open laten.
‘In aparte zakjes natuurlijk,’ zei ze toen ze met m’n patés klaar was.
‘Heerlijk,’ reageerde ik, ‘als je niet meer hoeft te zeggen wat je wilt. Dat sommige dingen vanzelfsprekend zijn.’
Maar dat ging verloren. Verloren in een fluitende man die buiten stond.
‘Zo,’ zei ze toen de man binnen kwam, ‘sta jij gewoon op straat mensen na te fluiten?’
‘Ja, er kwam een man voorbij,’ zei de fluiter.
Ze lachten beide. Zij zogenaamd verontwaardigd.
‘’t Was in ieder geval een man,’ probeerde ik me er in te mengen, ‘dat valt nog mee.’
Die kwam niet aan. Ze keek de fluiter na.
‘Zeker die man wiens naam begint met een ‘d’ & eindigt op ‘ickie’.’
Een understatement voor hun. Ze lachten naar elkaar. Ik stond met m’n portemonnee geopend te wachten tot ik mocht betalen.
Ze keek opzij, richting fluiter. Ik keek tegen ’t licht in naar haar gezicht. Ik mag graag naar haar mond kijken als ze lacht. Dan krijgt ze dat krulletje in haar bovenlip. Daardoor zag ik dat ze ’t donzig snorretje miste.
Ik kreeg m’n wisselgeld, zei ‘dankjewel’. Maar zij vergat ‘alsjeblieft’ te zeggen.
Ik wuifde bij ’t weggaan. De eigenaar wuifde terug.

Toen ben ik stilletjes door de deur weer richting Zijperspace gegaan.

overzicht

Er waren 2 verschillende plaatsen aan tafel. Daar waar ik at & daar waar ik de rest deed.
De overige familieleden hadden er meer. 8 Stoelen om de tafel geschikt, voor 6 broers & 1 vader & 1 moeder. Iedereen had wel zo z’n vaste plek, maar niemand had zo’n vaste plek als ik.
Vanaf ’t hoofdeind van de tafel, gezicht richting achtertuin & volière, overzag ik de maaltijd. Op volgorde van afstand, links Carel, Pa & Jan, rechts Quint, Ma & Theo. Marc aan de overkant. Pa z’n armen waren precies lang genoeg om over de borden heen uit te kunnen halen bij ongewenst gedrag. Ma moest er eventueel voor opstaan.
Overzichtelijk.

Daar waar ik de rest deed, probeerde ik op gegeven moment de wereld in kaart te brengen. ’t Was op de plek waar Carel gewend was te eten. Veel overzicht over wat zich zoal in huis afspeelde.
M’n blik opheffend keek ik de keuken in. Naar rechts de voorkamer, doorkijk naar ’t leven op straat, auto’s & buren die voorbijkwamen. Links diezelfde achtertuin met volière weer. Achter m’n rug de kast met koekjes. Maar tot aan ’t jodenkoektijdperk had ik daar geen belangstelling voor (‘Nee, aan Ton zijn koekjes niet besteed,’ zei m’n moeder vaak, ‘van Ton zullen we niet arm worden.’).

Ik had een schetsboek voor me. ’t Zou ook een wiskundeschrift geweest kunnen zijn, met ruitpapier. ½e Cm bij een ½e cm. Haalden we uit de voorraad van zolder, eigenlijk eigendom van de school van Pa.
Ik begon bij de voordeur. Bedacht wat zich voor de voordeur bevond. Vooral de weg naar school, schoot me te binnen.
Een rechte weg. Een ‘schijnbaar’ rechte weg, maar daar kwam ik later pas achter.
Thuis kwam onderaan ’t vel te staan. De weg voor ons huis werden 2 evenwijdige lijnen. ’t Pad schuin aan de overkant, ‘t 1e tussendoortje op onze weg naar school, kwam er dwars bovenop. Net zo breed. Vervolgens de zelfstandige bejaardenhuisjes, waar we langpotige ruitenwissers vingen. Ruitenwissers waren er om meisjes bang te maken. Zodat ze zagen dat wij er waren. Vervolgens tekende ik de steeg richting flats van de Fregatstraat in.
Tegen die tijd was de 1e mislukking al daar. ’t Velletje werd een prop. De visite zou eens wat minder lawaai moeten maken, want zo kon ik me niet concentreren.

Later las ik hoe de mens z’n lichaam beleeft. Ik was toen al vele jaren ouder. Ik las dat ’s mens’ beleving totaal niet in proportie staat met de werkelijke verhoudingen. Als hij de opdracht zou krijgen zijn lichaam in kaart te brengen zoals hij de verschillende onderdelen ervan tov ’t groter geheel ervaart, dan zou ’t een vreemd gedrocht worden, met meterslange ieldunne maag, armen & benen, klauwen van handen, een onmetelijk hoofd met uitpuilende ogen & een geslacht waar geslachtsverkeer mee onmogelijk zou zijn.

Zo moet ik me hebben gevoeld. Zittend aan tafel, pogingen ondernemend de wereld in kaart te brengen. Structuur te brengen in dat wat zich buiten afspeelde. Thuis & school waren gigantisch, de weg naar school van een dunne onbeduidende ielheid. De route was te vanzelfsprekend, niets aan de hand. Ik beleefde onderweg weliswaar de meeste avonturen, maar m’n hart, ’t kloppend centrum lag thuis. Of op school.
Hoewel ik de weg naar school als recht beleefde, was-ie niet recht. Daardoor klopten de verhoudingen niet. De straten die uitkwamen op mijn route. Ik moest meer schots & scheef tekenen om bij de juiste verhoudingen in de buurt te kunnen komen.

M’n chagrijnige gezicht & ‘t smijten met proppen papier trokken de aandacht van een oom. Op zondagse visite langs voor een bakje koffie & een kom soep.
Hij boog zich over m’n schouder. Las m’n plannen van ’t papier. Voor de duidelijkheid had ik de straatnamen tussen de balken aangegeven.
‘Je zou ook 1st potlood & gum kunnen gebruiken,’ stelde hij voor. ‘& Je zou de plattegrond van Den Helder er onder kunnen leggen. Dan kan je door ’t papier heen overtrekken.’
Hij snapte ’t niet. Hij snapte niet hoe de werkelijkheid was.
Ik verfrommelde ’t papier & ging op m’n eigen kamer met een neefje spelen.

De werkelijkheid is recht in Zijperspace.

ziekenbank

Ik sleep m’n dekbed mee. Voor de slaap van straks. Kussen erbij. Leg ze op de bank waar ik ’t lekkerst op lig. Of wacht, laat ik ze maar ernaast leggen, dan kan ik alvast gaan liggen.
Ik voeg me in de juiste houding, druk me tegen de diepe binnenkant, zodat ’t lijkt alsof ik naar beneden gezogen wordt, de zachtheid van de vering in.
’t Meest veilige plekje, heb ik vroeger al ontdekt: in ’t hoekje, zoveel mogelijk omringd door bank, bed, muur. Daar heb je de grootste behoefte aan als je ziek bent.

M’n moeder haalde slaapzakken tevoorschijn. Kussen uit ’t bed. Ze kookte water. Soms wat melk, met een anijsblokje. Ze legde me op de bank & stopte me opnieuw in. Met de slaapzakken die eigenlijk alleen maar mee op vakantie gingen. Ze voelde aan m’n wang. Soms zei ze dat ’t gloeide. Eventueel kwam er een thermometer bij te pas.
Als ik de thee op had, de warme melk, dan mocht de tv aan. Testbeeld kijken. Of de langzaam tikkende klok, die in afwachting was, net als ik, van schooltv.
‘Ik leer van schooltv meer dan op school,’ zei ik tegen m’n moeder.
‘Dan moet je morgen maar weer naar school,’ zei m’n moeder, ‘want dan ben je niet ziek genoeg.’
Die logica snapte ik niet. Maar ik liet me niet afleiden. Schooltv begon. ’t Was 10 uur. Ik had de gids voor me liggen om te zien wat ik kon verwachten. Ik slurpte zo snel mogelijk kennis binnen. ’t Duurde immers slechts hooguit 2 uur.
Bovendien kon er elke ochtend een tante binnenkomen. Dan moest er koffie gedronken worden. Tussen ’t schoonmaken door.
‘Zet die tv maar even uit,’ zei m’n moeder dan.
‘Jamaar,’ zei ik.
Dat was in de tijd dat jamaar nog 1 woord was. & Dat Ma bepaalde dat de hele dag tv te veel stroom zou kosten.

Ik wandel door ’t huis. Schijnbaar fit. Hoewel ik beter weet. Wie staat er nou in godsnaam om 7 uur op als-ie gewend is tot 9 uur te blijven liggen? Dat zal straks z’n weerslag wel hebben.
Ik zet thee. Ga naar de wc. Ik trek wat kleren aan. Van de comfortabele, waar ik geen last van heb, wijd hangend, geschikt voor alle houdingen, viezelig (woord van m’n moeder) van ’t vele dragen, maar niemand die me ziet als ik me ziek voel.
Misschien ben ik wel ziek van m’n sweater, bedenk ik, die al een jaar niet in de was is geweest. Een orgie van microben vindt daar waarschijnlijk momenteel plaats.
M’n zieke geest probeert ’t zich voor te stellen. Wordt vervolgens afgeleid door de gedachte over op welke wijze m’n geest nu eigenlijk ziek zal zijn.
Na m’n thee wikkel ik mezelf in. Daar mis ik m’n moeder. Want ’t lukt me nooit om m’n voeten te behoeden voor binnenstromende kou. Ze bungelen buitenboord & ’t lukt me niet om ’t dekbed om ze heen te binden.

M’n tante was ’t met m’n moeder eens. Zoals de zussen ’t altijd met elkaar eens waren. Alle tantes tegen de kinderen, zo zat ’t systeem in elkaar. & Tijdens de koffie bespraken ze nog even dat Oma vroeger nog veel strenger was.
‘Er was toen niet eens tv,’ zei m’n tante.
Ja, diezelfde tante die altijd de tv aan had staan als ik tijdens m’n krantenwijk een gratis krant kwam brengen. Ik durfde dan niks te zeggen. Tegen volwassenen had je geen commentaar. Maar toch vreemd, alleen maar testbeeld & de radio van Hilversum 1. Schooltv was allang voorbij, avondtv zou nog enkele uren duren.
Of die andere tante, die zei dat bij haar thuis de tv alleen aanging voor ’t journaal. Omdat Ome Siem dat ’t enige vond wat belangrijk was.
Ze was in staat de zieke-jongen-thuis-tv uit te zetten, omdat ik een verwend jochie was. Ze snapte niet dat ik ziek thuis was. Haar kinderen zouden gewoon naar school moeten.
Dat alles met instemming van m’n moeder, tijdens de koffie. Als m’n tantes dapper genoeg waren hun neefjes op hun plaats te zetten, kregen ze altijd de goedkeuring van m’n moeder. Want Oma. Of anders: want Opa. Vroeger, dat was altijd een reden.
Koffie op, dan gingen ze stofzuigen. Terwijl ze toch heus wel wisten dat ik de tv dan niet zou kunnen horen.

Nu keer ik me om. M’n slaap komt terug. Ik probeer nog een blz te lezen, maar de letters beginnen te dansen.
Ik kan wel de tv aanzetten, maar er is niks. Niks meer om van te leren. Alleen maar vermaak. Dom vermaak. Nee, vroeger, toen had je nog tv. Toen kon je blind schooltv aanzetten. Je hoefde alleen maar te wachten tot moeder & tante boven gingen schoonmaken & ze de tijd van Oma waren vergeten voor 1 moment.

& Ik dommel weg naar een andere tijd in Zijperspace.

domweg

De markt was nog maar net begonnen. Enkele kooplui stonden hun voeten te warmen door van de 1 op de ander te wippen. Hun mouwen lang over hun vingers trekkend. Anderen waren nog druk bezig hun stal in te richten. Hun laadbakken stonden nog vol met voorraad. Ik bestudeerde aandachtig de koopwaar, wilde niet de hele markt over om te vinden wat ik zocht. Grote mokken stomende koffie werden met een karretje door een volkse dame uitgeserveerd.
‘Há, schatje, ik stond op je te wachten.’

Een 10-tal meters voor me liep een man in joggingbroek. Muts diep over z’n oren getrokken. Een jas met vlekken.
Met een surinaamse stem begon-ie plots te free-jazzen.
‘PapÁmpám hoebÁmtoebam.’
Ik zag mensen omkijken. De markt werd met z’n stem gevuld.
‘Tubadiebam hoebÁmtoebam.’
Mensen lachten of gingen onverstoord verder.
‘I feel so free!’
Ah, een gek, zag ik mensen denken. Ik deed ongemerkt lustig aan deze gedachtegang mee.
‘PapÁmpám hoebÁmtoebam, I feel so fine.’
Een gèkke néger lóopt vóor me úit, dacht ik, terwijl ik met z’n ritme meeging.
Ik begon ‘m langzaam bij te halen. M’n fiets in m’n rechterhand verhinderde echter dat ik ‘m tussen de stalletjes & vroege kopers in in zou kunnen halen.
‘Tubadiebam hoebÁmtoebam, I feel so free!’
Er ontstond een gat nadat ’t koffiekarretje een stalletje indook. Ik passeerde, keek de man van opzij aan.
Een ingelukkige blanke man. Met een surinaamse stem, waagde ik nog even te denken. Ongeschoren, vlekkerige sweater. Opgezwollen huid, als die van een alcoholist. Maar hij was gelukkig.
‘PapÁmpám hoebÁmtoebam, I feel so fine,’ ging-ie onverstoord verder.
Tegelijkertijd van rechts, vanachter een stalletje: ‘Papapa, hoempapapa.’
Ongelijk. & Toch vulde de koopman aan.
Ik passeerde verder. Liet de zanger achter me. Terwijl ’t duet verder ging.
‘Tubadiebam hoebÁmtoebam.’
‘Wapdapwaah, hoedamdudah.’
‘I feel so free!’
‘Doemdiedah, hoemdapdoewah.’
‘I feel so fine.’
Doordat ik verder liep, raakte ’t geluid van de zingende mannen steeds verder van me verwijderd, maar ik kon nog net horen dat er een 2e koopman ’t duet ging ondersteunen.
‘Tsjamboewap, hatoedumdap.’
‘Tubadiebam hoebÁmtoebam.’

Ik wachtte op enkele traag rijdende auto’s voor ik de straat over stak. Richting andere helft van de Dappermarkt.
Op ’t randje van ’t fietspad liet een oost-europees zigeunerbandje z’n laatste tonen horen. Een nederlandse man klapte ervoor in z’n handen.
De man keerde om, wilde weglopen, maar bedacht zich. Hij benaderde de band.
‘Where you from?’
‘Bulgaria.’
‘Wonderful, wonderful. Bulgaria, wonderful.’
Hij vond ’t zo mooi dat-ie vergat geld in de hoed van de heren muzikanten te gooien. De bulgaarse klarinettist lachte echter trots, & liet de Nederlander onverstoord uit beeld verdwijnen.
Achter me kwam de gelukkige man alweer beboppend aan. Hij werd in de verte nog door enkele welluidende stemmen van marktkooplui achtervolgd.
‘I feel so free!’
‘Tsjiebamtsjiebam, hotoettoetwam.’
De bulgaar met de trekharmonika zette in voor een volgend nr.

Ik keek omhoog naar een zolderraampje, ergens vlak onder een groep wolken, op een grauwe morgen in Zijperspace.

pijnafwezigzijn

Ik was al bezig m’n afscheidsrede te schrijven.
‘’t Spijt me, dames & heren, maar ik moet er voorlopig een punt achter zetten.’
Dramatische toon. Een beroep doend op eenieders sentimenten. Wollige zinnetjes, afgewisseld met een zekere efficiëntie, zeker gezien mijn normale taalgebruik. De boodschap moest immers wel overkomen.
Ik laat me graag meesleuren als ik ’s nachts wakker lig.

De dag ervoor had ik nog besloten zo min mogelijk pillen te slikken. Ik moest voelen wat er te voelen was. Stel je voor dat ik bij de fysio zou aankomen & niets had. Dan kon ik beter voelen wat ik niet voelde. Dat ik ’t in ieder geval tijdig doorhad.
‘Wat slik je?’ vroeg Rachel.
‘Arthrotec,’ antwoordde ik na lang in m’n geheugen zoeken.
Ik besloot ’t bij thuiskomst uit m’n hoofd te gaan leren.
‘Zo!’ reageerde Rachel. ‘Da’s hartstikke sterk. Dat heeft mijn huisarts me ook aangesmeerd. Daar ben ik zo snel mogelijk mee gestopt. Dan maar pijn, dacht ik toen.’
‘Vrouwen kunnen ook veel meer pijn verdragen dan mannen,’ zei ik op m’n zieligmannentoon. ‘Maar m’n huisarts zei ook dat-ie me een hele lichte uitvoering ervan had voorgeschreven.’

Ik had de fysio gebeld. Antwoordapparaat ingesproken.
‘Na de piep kunt u uw naam, uw klacht & uw telefoonnr inspreken. Dan bellen wij u zo spoedig mogelijk terug.’
Dat was 5 minuten later al.
‘U had gebeld,’ zei de man.
‘Zo, da’s snel,’ zei ik.
Maar daar ging-ie niet op in.
‘U had last van uw nek.’
‘Ja, inderdaad. & M’n huisarts had me naar u doorverwezen.’
‘Kan u maandag om ½ 2?’
‘Nee, dan moet ik werken.’
Gvd, dacht ik, wat is er nou belangrijker: dat ik werk of dat ik bijna niet meer kan werken? Maar ik was al te laat om m’n woorden in te trekken.
‘Dinsdag dan? ½ 4?’
‘Ja, da’s prima.’
Ondertussen voelde ik geen pijn.
Waar is m’n pijn? dacht ik paniekerig.

Geen pijn. Dan kon ik net zo goed bier drinken. De vaste woensdagmiddag.
‘Ik voel me wel wat afwezig,’ zei ik tegen Rachel tussen 2 slokken door.
‘Vind je ’t gek?’ zei zij.
‘Ik weet niet of ’t aan die pillen ligt.’
‘Tuurlijk ligt ’t aan die pillen. Die zijn hartstikke sterk.’
‘Maar ik heb vanmiddag niet geslikt, want ik wilde weten of ik nog wel pijn had.’
Mannen! dacht ik ondertussen, voordat Rachel ’t zou verzuchten.
Dat bleef echter uit.

Ik ging naar huis. Maakte eten klaar. & Viel rozig van de maaltijd na ‘t bier in slaap.
2 Uur later zat ‘t weer in m’n nek. M’n hoofd bonkte.
Ik begon aan m’n afscheidsrede.
2 Weken lang zou ik m’n computer niet meer mogen aanraken, zo begon ik in gedachten. Ik had m’n fysio nog niet gezien, maar dat zou ‘t 1e zijn dat hij me zou zeggen. ’t Spijt me dat ik u de komende tijd niet meer met stukjes kan vertieren, ging ik verder, & dat ik niet op uw meeltjes reageer.

We hebben altijd een worstkaasscenario klaar staan in Zijperspace.

kabbelen

Ik zei dat ik ’t niet meer vertrouwde. Haar niet meer vertrouwde.
Niet in zulke bewoordingen. Ik deed een kwartier over bovenstaande 2 zinnen. & 20 Minuten extra om van de inhoud van de 1e zin over te schakelen op de inhoud van de 2e.
‘Kijk,’ zei ik, ‘als we van plan waren om naar Desmet te gaan, dan hield jij ’t net de dag ervoor af.’
‘Toen was ik ziek,’ zei Margriet.
‘De week erna ging ’t plots ook niet door.’
‘Toen konden we geen goede tijd afspreken omdat jij laat uit je werk zou komen.’
‘Wat ik bedoel te zeggen is dat er altijd wel wat was.’
Er was altijd wel wat. Waardoor er geen verdieping in onze relatie kwam. Ik was aan ’t afwachten, terwijl zij ’t door liet kabbelen.

Ze was ook niet weggeweest. Ze zou een week naar ’t buitenland gaan. Ik zou me een week bezinnen & zij zou een week naar ’t buitenland.
Ook bezinnen, vermoedde ik. Of misschien haar tijd door laten kabbelen.
Maar ’t raam dat ik open had zien staan, toen ik voorbij reed, was wel degelijk háár open raam geweest. De 3e dag van haar afwezigheid.
‘Ik was een week lang ziek,’ zei ze achteraf. ‘’t Kon niet doorgaan.’
Weer iets wat niet doorging. Maar ik hoorde ’t op te korte termijn om dat in m’n verhaal mee te nemen.

‘Als ik van iemand hou, dan wil ik dat laten merken,’ zei ik. ‘Maar ’t is of ik dat niet terug krijg.’
‘Ik vind ’t toch leuk als ik je zie?’ was haar opmerking.
‘Dat zeg ik nou al de hele tijd: daar blijft ’t bij.’
‘Wat wil je dan nog meer?’
‘Ik wil dat je er ook voor gaat. Niet alleen ik.’

& Ik zei: ‘Ik kan niet ermee doorgaan als ik ’t gevoel heb dat ik de enige ben die aan ’t doorgaan is.’

Dat snapte ze. Dat kon ze me niet kwalijk nemen.
Ze zat weer op dezelfde manier naast me. Glimlach. Begrijpend. Rozig blozende wangen. Zeeën van ogen om in weg te duiken. Haar billen zo gedraaid dat ik m’n blik er niet de hele tijd van af kon houden. Been over ’t andere been. Hand in de andere hand. Of soms in die van mij.
Ze gaf me een kus op m’n wang. Dat ze ’t wel snapte. Ze streek door m’n haar.

Een prop van onuitgesproken gedachtes, ik was een punt-komma vergeten te specificeren, waar ik een punt tussen 2 zinnen had gezegd, & een kus gloeide op m’n wang, een wang gloeide op m’n wang, de rode konen, een zachte blik, een streling in m’n haar.

We deden ’t op de canapé. Een dure canapé, zodat we halverwege moesten besluiten een andere plek te zoeken.
‘Hij is net nieuw,’ fluisterde ze. ‘Michel heeft ‘m nog niet afbetaald.’
Michel; waar ze nu logeerde. Hij was bezig geld te verdienen op een boot.
‘Dan weet de canapé tenminste ook dat-ie leeft,’ zei ik.
Maar ik liet me mee trekken naar ’t logeerbed.
Wel afbetaald, vermoedde ik. Onze relatie ook bijna.

De volgende ochtend verliet ik ’t bed vroeg. Ik was niet van plan geweest een laatste keer te blijven slapen. Moest nog naar huis voor ik naar werk zou gaan.
Ik leunde voorover & gaf haar een kus op de mond. Haar wangen zagen weer rozig. Daar moest ook iets op achtergelaten worden. Ik trok ’t dekbed een stukje van haar schouders af & rook een laatste keer haar nek. Zoende tussen haar schouderbladen. ’t Dekbed liet ik verder afzakken. Haar billen kwamen te voorschijn. Ik legde een warme hand daar neer. ’t Trilde onder m’n beroering. Ik tilde haar heupen met m’n andere hand lichtjes op. Haar knuisten lagen onder haar schouder verstopt. Afwachtend. Ik zag haar gloeien. M’n broek ging uit. ’t Kabbelde voort.

Terwijl ik wachtte op enige golfslag in Zijperspace.

plannen

Alles is deel van een plan. Ik weet nog niet welk plan. Eigenlijk ook weer wel: ’t moet warmer worden, maar omdat ’t slechts kleine stapjes zijn die de weg bewandelen om ’t doel te behalen, lijkt ’t geen plan. In ieder geval een onzinnige. ’t Zijn muizenstapjes, met slakkensnelheid.

’t Mag niet koud zijn. Dat is de gedachte.
De stappen moeten zorgen dat de kou zo lang mogelijk buiten blijft. Miniplannetjes. Al is ’t maar 1 procent. Bij een volgende stap zal die ene procent cumulatief gewerkt hebben. Want als je de volgende nieuwe situatie op 100 procent stelt, dan was de situatie ervoor 101, die daarvoor 101 gedeeld door 100, plus 101. Dat is meer. Dus heb je meer effect behaald. Verhoudingsgewijs dan.
Ik mag dus geen enkele stap overslaan. Want dan verlies ik effect.
Ook al blijft ’t onzinnig lijken.

Vanavond een gordijntje opgehangen. Voor ’t raam van de keukendeur. Dun gordijntje. Maar zo komt er een isolerend luchtlaagje te hangen tussen ’t gordijn & ’t raam. Weer een extra barrière voor de kou.
’t Lijkt vervolgens of ik de kou harder onder de deur door voel kruipen, als koude stralen sluipt ‘t naar binnen & overvalt 1st m’n voeten & enkels, waarna ’t opkruipt naar daar waar ‘t niet mag komen.
De laatste zin zou eigenlijk in meervoud moeten. Kou is niet alleen. Kou is meerdere personen. Zeker in mijn keuken. Ze komen uit alle hoeken & gaten. & Als ’t niet komt, dan zijn ze er al.

Ik kom thuis & word erdoor welkom geheten. Dat is ’t enige moment van welkom. Dat ik ’t ook zo voel. Bezweet van een niet te trage fietstocht, gewikkeld in diverse lagen van kleding die zijn bedoeld voor de 1e 500 meter. De kou zal me warm omhullen, in haar ijzige, maar afkoelende klauwen ontvangen. Een vriendelijk gebaar, zo lijkt ‘t.
Maar aangekomen in de huiskamer, een wolk van voorbereide warmte, beklemmend maar noodzakelijk, heb ik van tevoren bedacht; vervolgens ontvelt van de buitenste lagen, & gedwongen de realiteit onder ogen te zien als ik in de keuken een bakje thee, een bordje maaltijd wil bereiden, voel ik me verraden door die valse gastvrijheid.

Volgende stap. Ik ga water opzetten. Ik heb al thee, maar meer hete waterdampen kunnen geen kwaad.

Oja, ik vergeet de reden te melden. ’t Brood in de vriezer moet bevroren blijven. & Niet alleen ’t brood. Bij 0° C stopt de vriezer ermee. Dan denkt-ie dat z’n taak er op zit.

De hete waterdampen schenk ik uit in de gootsteen. Dop erop, zodat ’t niet zomaar wegloopt. Vuile borden worden schoon. Heet bovendien. Dampen verspreiden. & Verspreiden daarmee warmte.
Ook al is ’t maar een beetje. & Van tijdelijke duur. Kou ramt alweer op de keukenramen. Kou wil binnen.

Ik laat de keukendeur openstaan. De keukendeur die de keuken met de gang verbindt. De gang is dicht bij de warme huiskamer. Weliswaar ervan afgesloten door een deur, maar dichterbij de warmtebron dan de keuken. Nu is ’t in de keuken bijna net zo warm als in de gang.
Ik laat de haldeur dicht. Die ik voorheen bij ’t verlaten van ’t huis altijd open liet staan.
Ik was m’n handen met warm water. Zodat de geiser in de keuken gaat branden.
Ik denk er over een gordijn voor ’t keukenraam te hangen. Ik weet niet of ik nog wel gordijnen heb liggen, maar wil ze desnoods wel goedkoop op de kop tikken.
Als ik naar de wc moet, laat ik de huiskamerdeur open. Voor heel even, op een kier. Maar toch.

Ik heb een boek gelezen. Daar zal ’t ook wel aan liggen. De man in ‘t boek kon niet overleven zonder plannen te maken. De mensheid ging dood. Hij mocht niets vergeten.
Ik ben ook bezig vooral niets te vergeten. Elke steun te gebruiken die ik tegenkom. Plannen. Ik heb ’t niet eens van mezelf. Ik heb gewoon weer eens een boek gelezen.

’t Boek zal uiteindelijk Zijperspace blijken te heten.

memoriam

Foto 1: M’n ouders hebben ontbijt op bed. Gordijntjes van de caravan op de achtergrond. M’n moeder lacht, heeft Fassbinder, toen nog een zeer kleine poes, in handen. M’n vader kijkt naar ’t dienblad met eten & drinken. Thee, kaas, paté. Hij heeft een rode kop, zoals hij ’s zomers altijd een rood hoofd had van de vele uren in de zon. Hij heeft z’n karakteristieke hemd aan, z’n kettinkje bungelt er overheen. M’n ouders zijn 25 jaar getrouwd. We zijn met z’n allen in Zwitserland om dat te vieren.

Foto 2: M’n vader tussen z’n 2 zussen. Hij moet een jaar of 7, 8 zijn. Hij heeft een petje op, een korte broek. Z’n handen weggestoken onder z’n benen. Op de achtergrond bloemen. ’t Is zomer. Ze zijn waarschijnlijk met ouders op een uitstapje.

Foto 3: M’n vader bovenop een berg. Zwitsers, dat kan niet anders; hij wilde niet anders dan naar Zwitserland op vakantie. Niet een hoge berg. Op de achtergrond de met sneeuw bedekte alpen. M’n vader lijkt daarmee vergeleken op een heuveltje te staan. Hij kijkt de verte in. Z’n rugzakje staat naast hem; de grootte geeft aan dat ’t om een 1-daagse wandeltocht gaat. Korte broek, handen in de zij, wandelschoenen, heuptas.

Foto 4: M’n vader duwt een kruiwagen, volgeladen met bosafval. Oorwarmers tegen de kou, handschoenen ook. Er ligt nog wat sneeuw op ’t bruggetje waar-ie overheen loopt. Kale bomen. ’t Bos van m’n broer. M’n vader verricht vrijwilligerswerk. Hij is nog fit, sterk. De kruiwagen heeft een lekke band.

Foto 5: ’t Gezin, bij de geboorte van Marc, afgebeeld in portretjes op de draaischijf van een telefoon. Ma boven, Pa onder, Marc als pasgeboren baby in ’t midden. Een plek in de schijf blanco gelaten als toekomstig plekje voor Marc. Leeftijd van de andere kinderen variërend van 4 tot 12. We lachen allemaal, kijken schijnbaar naar ’t midden, ons nieuwe broertje, nr 6. We zijn een jong gezin. Een groot gezin, ook voor die tijd.

Foto 6: M’n vader bij aankomst in Santiago de Compostella. Recht, roodverbrand, grijs. Zomaar eens geen korte broek. Waarschijnlijk vanwege vliegen. Of anders omdat-ie niet te veel bagage op z’n rug wilde meenemen. Hij kijkt voor zich uit, onbekend naar wat. Op z’n rugzak hangen wat spulletjes samengebonden. Hij lijkt moe. Hij is er.

Foto 7: M’n vader & moeder bij een strandopgang. Een helder blauwe hemel. ’t Lijkt koud, ook door de dikke jassen van m’n ouders. Hun haar is inmiddels witgrijs. M’n vader lijkt iets te zeggen. Hij heeft Parkinson, dat zie je. ’t Is alleen nog niet vergevorderd.

M’n moeder heeft afgelopen weken alle adressen op de enveloppen geschreven. Ze vertelde door de telefoon dat ’t haar soms moeite kostte. Pa kwam terug. Ze kon er ’s nachts niet van slapen. Of ze zat met haar gemis alleen in huis.
Soms slikte ze dan maar een pilletje. Ik zei haar dat dat geen kwaad kon. Zoveel slikte ze inmiddels niet meer. De volgende dag bleek ze dan véél te laat wakker te zijn geworden. Maar ze had in ieder geval goed geslapen.
‘’t Is morgen 4 maanden geleden alweer,’ merkte ik vorige week op.
Dat besefte ze. Maar ’t waren vooral de kaarten die ze moest schrijven. Al die adressen. Ze werd er steeds weer met de neus opgedrukt. Ze wilde er soms mee stoppen, maar die kaarten moesten toch eens een keertje de deur uit.

2 Dagen later lag-ie bij mij in de brievenbus. Ik herkende meteen m’n moeders handschrift.
Ik herinner me weer dat we aan ’t in memoriam hebben zitten sleutelen, maar niet meer onder wat voor omstandigheden. Sommige zinnen komen me weer bekend voor. Tijdens de dagen voorafgaand aan z’n begrafenis moeten we aan de tekst hebben zitten werken. Ik ben de situatie alweer kwijt.
’t Is ver weg, 4 maanden.

Ondanks zijn geestelijke achteruitgang en groter wordende afhankelijkheid door de ziekte Parkinson in de afgelopen jaren, herinneren wij hem als een sterk en zelfstandig persoon, met een eigen gevoel voor humor, maar vooral als een zorgzame, bezorgde en liefdevolle man, vader en grootvader.

Nicolaas Johannes Zijp 1932 - 2004.

elleboogsteun

’t Is alsof-ie steeds de afgrond in kan storten. Ik hoef maar even te bewegen & hij is verdwenen. Weg linkerzij. Boek wordt me uit de hand gerukt, of wordt eigenlijk meegesleurd de diepte in, verdwijnt uit beeld & daar lig ik dan voor me uit te staren naar ’t plafond.
Ik was de laatste tijd al bang. Hypochondrisch bang. Angstscenario’s. Als dit dan dat. Ze zouden er 1 woord van moeten maken. Alsditdandat.
‘Waar lijdt jij aan?’
‘Alsditdandat.’
Waarmee alles verklaard zou zijn.

Als ik naar de dokter ga, dan gaat-ie zeggen dat ik niet meer kan lezen, omdat m’n nek ’t niet aan kan. Als ik m’n ogen laat onderzoeken, dan blijkt dat ik langzaam blind aan ’t worden ben. Als ik blind word, dan kan ik alleen nog maar luisteren. Als ik m’n mp3-speler had behouden, dan was ik binnenkort écht doof geweest. Als ik doof & blind zou zijn, dan zou ’t leven geen zin meer hebben, want ’t zou alleen nog maar bestaan uit seks: voelen, voelen, voelen.

Ik heb een zeer ernstige vorm van alsditdandat. Ze hebben me al eens proberen te behandelen, maar ik heb me vrijwillig uit ’t onderzoek teruggetrokken. ’t Werd alleen maar erger.
‘Als ze er achter komen waar ik zoal aan denk, dan gaan ze m’n hersenen aansluiten op een machine die m’n dromen kan lezen.’
‘Als zo’n machine nog niet bestaat, dan is m’n hersenkwab de katalyserende factor tot ’t uitvinden ervan.’

Ik schud mezelf wakker. M’n boek is opzij gevallen. Komt doordat m’n elleboog richting afgrond kantelde. De bank is te smal.
De oorzaak van alle problemen. Een te smalle bank. Net geen ruimte voor m’n linkerelleboog.
Daarnet heb ik me ingewikkeld in m’n dekbed. Op zo’n manier dat ’t net leek alsof ik meer steun kreeg voor m’n elleboog. Zodat m’n boek hoger opgehouden kon worden.
Alsof.
’t Was slechts een zachte ondergrond. Een moeras die alleen maar trager toeslaat. Ik dommel op drassigheidstempo mee de diepte van de slaap in.

Ik heb wel wat maniertjes bedacht.
‘Niet naar de dokter gaan,’ schreeuwt ’t meteen op de achtergrond.
Nee, nee, daar wilde ik ’t niet over hebben.
Maniertjes, machinaties, zoals Robinson Crusoë in z’n schetsboek schetste. Ik moet dat boek nog ergens hebben staan. Te groot om op de bank door te bladeren. Daar moet ik voor gaan zitten. Maar je wordt er wel vindingrijk van. Weet ik nog van uit m’n jeugd. Ik werd er een brave padvinder van, die graag alle knopen wilde leren, wist dat je 1st takken moest neerleggen, dan bladeren, steeds kleiner & daarna weer takken om een waterdicht dak te krijgen, & er toen pas achter kwam dat m’n handen er geen medewerking aan verleenden.
‘Hé, linkerhand & linkerhand, waarom staan uw beide duimen aan de rechterkant?’

Maniertjes in ’t heden. Ik moet niet af blijven dwalen. Machinaties om m’n elleboog niet af te laten zakken. M’n aandacht niet te verliezen.
1st Was er een plank. Ter uitbreiding van de bank. Een plank die uitstak vanonder de bank. Precies tot daar waar m’n elleboog moest leunen.
Maar dan moest ik wel héél diep leunen. Zeker 10 cm verschil. & Waar moest ik de plank aan bevestigen? Daar waren banken niet voor bedoeld. Daar past geen spijker in. Een mens bestaat voor 95% uit water, een bank voor 90 procent uit lucht. In beiden kan je beter geen spijker zetten. Daar krijg je hommeles van.

Touwtje.
Touwtje om m’n pols. Spijker in de muur, of een haak, andere uiteinde van de touw er aan vastknopen. 1st Strak spannen. Zodat elleboog op de juiste hoogte blijft hangen.
Rechterhand heb ik dan vrij om de blz om te slaan.
Als ik moe word, touwtje laten vieren. Misschien een katrolletje hiervoor bevestigen.

Ik las weer verder. Deed verder niets.

Ik wachtte tot Vrijdag zou arriveren in Zijperspace.

consult

‘Waar ken ik je gezicht nou van?’ vraag ik aan de man in de rij.
Ik kijk ‘m peinzend aan. Ik weet ’t wel, ik weet ’t wel, moet die blik uitdrukken.
‘Ik ben je dokter,’ antwoordt-ie laconiek.
De rij lacht. Ik schrik.
‘Maar ‘t is misschien een goed teken dat je me niet herkent.’
Ik wil beginnen over dissociatie. Een verkeerd begrip, maar ik gebruik ’t zo graag in dit soort situaties. Een bekend persoon in een voor hem onbekende omgeving.
‘Dat zeg je nou,’ reageer ik, ‘maar ik was net van plan van de week even bij je langs te komen.’
‘Misschien dat we ’t even snel hier aan jouw toonbank kunnen doen, hoef je niet in de wachtkamer zitten wachten.’
De rij verkneukelt zich al.
‘Nee, ik denk dat ’t beter is dat ik deze rij even wegwerk. Da’s nl net zoiets als jouw wachtkamer.’

‘Pijn in m’n nek,’ antwoord ik op z’n vraag wat er aan mankeert.
’t Is enkele dagen later. Ditmaal had hij mij niet herkend. Niet aan m’n naam. Bij m’n gezicht in de wachtkamer kwam hem de omgekeerde gebeurtenis weer voor de geest.
‘Waar? Onder? Boven?’ vraagt-ie verder.
Ik probeer een band te laten zien door met m’n wijsvinger heen & weer te bewegen. Een band die m’n hoofd naar achteren trekt.
‘Ik denk dat ’t door m’n muis komt.’
‘Heb je andere verschijnselen dan?’
Hij wijst naar z’n arm, z’n schouder, & bedoelt er die van mij mee.
‘Ja, m’n vinger tintelde wel, van de week. Maar niet overdreven.’
Niet groter maken dan dat ’t is, denk ik. Ook niet kleiner, schiet me vervolgens te binnen, want m’n schouder voel ik ook wel degelijk.
Maar dat is al te laat. M’n huisarts is opgestaan om z’n handen in m’n nek te leggen.
Ik begin al automatisch te wijzen. & Hij laat me kleine oefeningetjes doen. M’n wijsvinger negerend.
‘Niet echt pijn dus,’ constateert de huisarts.
‘Nou, ’s avonds vooral. Als ik een boek lees. Hoofdpijnachtig. Ik lees nogal veel.’
‘Heb je er zelf al wat aan proberen te doen?’
Hij zit weer in z’n stoel. Klaar om z’n toetsenbord te hanteren.
‘Ja, ik gebruik m’n muis bijna niet meer. Alleen nog maar m’n toetsenbord. Alt- & controltoetsen & zo.’
Ik doe ’t met m’n vingers na. Alt & tab, om over te schakelen naar een ander venster.
‘Ik kan je wel naar een fysio sturen, maar ’t lijkt mij altijd handiger om 1st te proberen de spanning er af te halen. Met wat spierontspanners.’
Ik vermoedde zelf ook al zoiets. Was al in m’n medicijnkastje wezen wroeten, op zoek naar iets dergelijks. Bedacht me echter dat je beter geen oude medicijnen kon gebruiken. Zeker als je er geen verstand van hebt.
‘Je hebt natuurlijk professioneel met drank te maken, dus zal ik je een lichte variant voorschrijven. Met omkapping, zodat ’t minder kwaad kan voor je maag.’
Hm, gratis service, denk ik.
‘Wat vind jij nou een lekker biertje?’ vraagt m’n huisarts, terwijl-ie z’n paraaf op ’t recept plaatst.

In Zijperspace zijn we altijd bereid tot een gratis consult.

simon

‘Hij was er ook,’ zei Marc. ‘Na afloop van de film. Om vragen van 't publiek te beantwoorden.’
Marc had alleen geen vraag kunnen bedenken. Daar baalde hij wel van. Nog geen kwartier geleden had-ie een vraag kunnen stellen, nu stond-ie bij mij een biertje te drinken, hij was toch in Amsterdam, maar hij had niks weten te zeggen tegen Eddy.
‘Maar godverdomme,’ verzuchtte Marc & nam een slok van z’n bier.
Dat zou hij nog een paar keer zeggen.
‘Daar moet je ook heen. Die film moet je zien.’
Om ’t nog maar ‘ns te laten volgen door ‘godverdomme’. Zodat ik wist dat ik naar die film moest.

Een week later vroeg-ie me of ik al geweest was. Ik wilde eigenlijk m’n moeder hebben, hij had haar al geroepen, maar tijdens ’t wachten stelde hij die vraag.
‘Nee, nog niet.’
‘Ah, man,’ zei Marc. ‘Hij is zó goed. Je zit & je denkt, ja, wat denk je eigenlijk? Ik moest lachen & even later weer niet. Dat je denkt, ja, wat denk je? God, man, zó goed.’
M’n moeder kwam bij de telefoon.
‘Je moet wel gaan, hoor,’ zei Marc voordat-ie de hoorn aan Ma overgaf.

Of ik al geweest was. Vroeg Marc weer 2 weken later.
Hij had ’t er over dat-ie sinds jaren niet zo’n goede nederlandse film had gezien. ’t Ging over drugsgebruik, seks, vriendschap, euthanasie, vertelde Marc, allemaal met wat zwarte humor, zonder dat ’t sentimenteel werd. Zonder over de schreef te gaan.
‘Godverdomme,’ voegde hij er aan toe, ‘daar moet je echt naar toe gaan.’

Dus keek ik elke week naar de filmladder. Welke vroege voorstelling voor mij goed uit zou komen. Dinsdag of woensdag.
Niet laat. Dan worden de zalen te vol. Dan word ik afgeleid. Dan heb ik geen ontsnappingsmogelijkheid meer.
Dinsdagmiddag. 13.40 Uur.
& Elke week kwam er iets tussen. Marc vroeg ’t me inmiddels niet meer. Die enkele ‘godverdomme’ was waarschijnlijk ergens anders voor bedoeld.

Op de fiets, de uiteindelijke fiets van dinsdagmiddag ½ 2, bedacht ik me dat ’t ook al lang geleden was.
Er hing een doem over bioscoopbezoek, besefte ik me opnieuw. Tijdens m’n laatste 2 films was ’t elke keer slechter met m’n vader gegaan. Nog maar net de bioscoop uitgekomen, m’n mobiel opnieuw aan, kreeg ik de slechte tijdingen. Ma belde of er stond iets op m'n voicemail.
Tijdens de fietstocht, diezelfde route richting bios, dezelfde gehaastheid om toch nog op tijd een kaartje te kunnen kopen, zag ik m’n vader liggen. Traag ademend, armen boven ’t bed, ingevallen wangen, binnenkort dood.
& Marc zegt ‘godverdomme’ om me toch er heen te dwingen. Ik hoor ‘m niet, maar hij zegt ’t wel.
‘Als ’t straks fout is, straks als ik uit de film kom, dan is ’t Marc z’n schuld,’ dacht ik.

Er belde niemand. Dinsdagmiddag ½ 4. M'n fiets weer van slot.

Dus belde ik Rachel.

‘Een prachtige film,’ zei ik. ‘Je blijft lachen & toch is ’t heel droevig. ’t Gaat over drugs, seks, vriendschap, euthanasie, zonder dat ’t sentimenteel wordt. Precies goed gedoseerd. Je lacht, & ’t volgende moment stromen er tranen over je gezicht. Ik durfde bijna niet naar buiten. Dan zou ik in ’t licht komen & zou iedereen kunnen zien wat ik van de film vond.’
‘Dat geeft toch helemaal niet?’ zei Rachel.
‘Nee, dat geeft helemaal niet. Maar ik wilde niet dat m’n ogen rood zouden zien. & Dat iedereen zou gaan denken waar dat nou van zou zijn gekomen.’
Godverdomme.
Dat dacht ik.

Ik zou Marc wel een meeltje sturen vanuit Zijperspace.

normaal

De telefoon gaat. Ik schrik op uit m’n boek. Bedenk vervolgens dat ik er al een ½ uur op zat te wachten. Schrikken was niet nodig.
Ik neem op.
Met schorre stem (zeker de hele dag m’n mond nog niet opengedaan?) zeg ik: ‘Goedendag, met Ton.’
Voor dat moment heb ik zelfs de tijd om 4 keer te bedenken wat een goede opening zal zijn. Wel goedendag, geen goedendag, met Ton Zijp, met Ton, zoals gewoonlijk, hoe zou hij reageren, zou hij weten dat hij de goede aan de lijn heeft, toch maar goedendag, met Ton.

‘Goedendag, met Erik van Raalte.’
Hij weet wie ik ben. Hij weet dat ik de goede ben.
‘Uw schildklier werkt normaal,’ gaat-ie meteen verder. ‘Dus dat is goed.’
‘Ah, mooi,’ zeg ik. ‘Maar ’t is natuurlijk gemeten nadat ik slechts 3 dagen van de pillen af was.’
‘Ja, da’s waar.’
Ik wil een slag om de arm houden. Niets is zeker. Zeker niet na 3 dagen.
‘Maar ’t ziet er goed uit. Zullen we een bezoekafspraak maken voor over 6 weken?’
‘Is goed. Op een dinsdag of een woensdag.’
‘Ok. Dat maak ik dan in orde.’
‘Wacht, dan moet ik even pen & papier hebben.’
‘Nee, hoor. Is niet nodig. U krijgt de afspraak thuis gestuurd.’
‘Ok.’
‘Nog voorkeur voor een bepaald tijdstip of datum?’
‘Nee, hoor. Op dinsdag & woensdag kan ik altijd.’
‘Ok, dat zal ik dan doorgeven aan de afsprakenbalie. Tot over 6 weken.’
‘Ja, tot kijk.’

Dat was ’t dan, denk ik. Ik ben normaal.
M’n was hangt voor de ramen. Daardoor kan ik niet m’n gehele tuin zien. Er vliegt een vogel voorbij. Een flits tussen handdoek & t-shirt. Meer niet.
Daar slik je dan 1½ jaar pillen voor, ga ik verder. Om niks te voelen.
’t Lijkt koud buiten. De takken hangen stil. Grauwigheid is de sluier die over alles heen hangt. 1 Van de handdoeken is aan vervanging toe. Licht doorzichtige vlekken in ’t midden. ’t Geel is wit geworden.
Ik kijk nog ‘ns naar de hoorn. Hij ligt nu op z’n haak. Stil, alsof onberoerd gebleven. Ik kan me al niet meer herinneren dat ik ‘m heb teruggelegd. Slechts enkele vlekken getuigen van jarenlang gebruik. Ik heb ‘m 1½ jaar geleden wel ‘ns proberen schoon te maken, bedenk ik.

We gaan door in Zijperspace, maar weten alleen niet waar we gebleven zijn.

de staf ('t einde)

Teruggekeerd in Sintenland,
1000-en Kilometers ginder,
Merkten we dat de Staf was gestrand,
& Last had van enig hinder.

Na Luna & 10e te hebben gevisiteerd,
Was de Staf heel onverschrokken,
Hij werd nou 1maal die kant op gedirigeerd,
Webloggend dj-land ingetrokken.

Mannen, alsook vrouwen moesten we constateren,
Die geen blad voor de mond wensen te nemen,
Hun ongenoegen over rijmen gaarne etaleren,
Maar dat toch liefst uiten in sinterklaaspoëmen.

Uiteindelijk is-ie in een reactieding aangeland,
Geen beweging meer in te krijgen,
Want wie leest er nou nog de weblogbinnenkant,
Als al 10 dj’s hem liever dood hadden willen zwijgen?

’t Is 6 December, ’t seizoen is over,
Daarom is terughalen geheel niet voorbarig,
Anders blijft de Staf maar hangen, die uitslover,
Bovendien is Sint vandaag écht jarig.

Sinterklaasseizoen is weer verleden tijd,
Hij zit met Piet weer in ’t zonnige zuiden.
De staf in de bezemkast & z’n habijt
heeft Sint met mottenballen laten kruiden.

& Na alle voorgaande coupletten te hebben doorgenomen,
Denkt men wellicht: wat leuk wat ik hier lees,
U wordt echter verzocht door te stomen,

Naar de cursus lijfloggen, ergens buiten Zijperspace.

drukrust

‘Heerlijk ontspannen nu, toch?’
‘Ja, dat wel. Er is geen moeten nu.’
‘Van wie moet je eigenlijk moeten?’
Ik wijs naar m’n hoofd. Diep wijst m’n vinger naar binnen.
‘Dus je moet van jezelf elke dag een stukje schrijven?’
‘Ja. In ieder geval bijna elke dag.’
‘Maar niemand toch die er aanstoot aan geeft als je ’t een dag niet doet?’
‘Nee, waarschijnlijk niet. Ik heb nog geen meeltje ontvangen van iemand die me miste.’
‘Terwijl je al 2 dagen niet bereikbaar bent.’
‘Voor anderen is ’t allemaal niet zo belangrijk, maar voor mezelf wel.’
‘& Nu ben je blij dat je even rust hebt.’
‘Ja, dan is de druk er even af.’
‘Dat kan dan toch ook als je wél bereikbaar bent. Kan je een paar dagen besluiten niet te schrijven.’
‘Nee, dat kan niet.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat ik die druk nodig heb.’
‘Welke druk? De druk die je jezelf oplegt?’
‘Ja.’
‘& Je bent nu ontspannen omdat je die druk even niet hebt.’
‘Maar ik wil die druk evengoed wel. Ik wil schrijven. Als ik niet schrijf dan verlies ik de dwang. Dus eigenlijk wil ik dwang.’
‘Dwang van jezelf.’
‘Ja, anders lukt ’t niet.’
‘’t Leven is toch prettiger als je leeft zonder dwang, zonder druk?’
‘Voor mij niet.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat ik dan niets doe. Ik wil de hele tijd dingen moeten. Dat geeft ’t zin. Ik vind ook dat ik móet schrijven.’
‘Dan heb je nu de tijd om alvast stukken te schrijven voor als je site weer bereikbaar is.’
‘Dat doe ik dus niet.’
‘Hè?’
‘Nee, want er is geen druk. Er zijn geen mensen die ’t meteen kunnen lezen.’
‘Je kan alleen maar schrijven als mensen ’t meteen voorgeschoteld krijgen?’
‘Ja. Soms sta ik ’s ochtends op & denk ik dat ik deze dag écht niet zou weten wat ik zou moeten schrijven. & Geleidelijk aan komt ’t tijdstip dat ik naar m’n werk zal moeten dichterbij. Zit ik voor m’n toetsenbord & weet ik niet wat ik met die toetsen moet. Tot zeg maar ’t uiterste moment, een uur voor vertrek. Dan begin ik opeens. & Verdomme, dan schrijf ik de beste stukjes. Terwijl ik dacht dat ’t niks zou worden.’
‘Dat kan nu toch ook?’
‘Nee, dat kan niet.’
‘Je kan toch gewoon voor jezelf schrijven. Dat doen andere mensen ook.’
‘Ik kan dat niet. Ik heb alleen die druk nodig. ’t Idee dat ik mensen niet kan teleurstellen. Of dat ik mensen niet de regelmaat van elke dag een stukje tekst kan bieden.’
‘& Nu luister er niemand.’
‘Nee, niemand luistert, niemand ziet iets, hooguit de mexicaanse hond, & ik heb rust. Ik ben bang dat als de site ’t weer doet, ik niet meer kan schrijven.’

We moeten weer moeten in Zijperspace, tbv de innerlijke rust.

huishoudelijk

Wegens de verhuizing van m'n server heeft Zijperspace ongeveer een etmaal plat gelegen. Bovendien is de verbinding wellicht vanaf heden wat langzamer, maar dat zal men slechts merken als men aandachtig oplet. Om niet té veel dataverkeer te genereren heb ik alle mp3's weggehaald & de links naar de betreffende stukjes weggehaald. Ik vond 't niet zinvol die in de kolom aan linkerzijde te blijven vermelden.

Voor de rest heerst er een buitengewoon gebrek aan inspiratie, heden ten dage in Zijperspace.