1400

‘Ja, goedendag, meneer,’ zei de stem aan de andere kant van de lijn. ‘Met Mahmud van Voordelig Winkelen, de zaak waar u een wasmachine heeft gekocht.’
‘Jahaa,’ zei ik, ten teken van dat ik begreep met wie ik te maken had, tegelijkertijd ermee duidend dat ik enigszins huiverig was voor ‘tgeen er mij verteld zou gaan worden: een zekere afwachtende scepsis moest er in dat korte stukje reactie doorklinken.
Je kan beter van ’t begin af aan duidelijk maken dat er met jou als klant niet te spotten valt. Je weet de ins & outs, je weet wat je rechten zijn, je hebt betaald & je wil niet afgescheept worden. Zo’n ‘jahaa’ was ‘t. Van ’t soort van een afwachtende resoluutheid.
Daardoor klonk de stem van Mahmud al direct een beetje timide. Hij wist dat ik de donkere bui al boven m’n hoofd zag hangen. Een winkel belt je niet voor niets, zeker niet als de betaling al heeft plaatsgevonden.

‘Ja, meneer,’ ging Mahmud verder, ‘u heeft de WI102 bij ons aangeschaft. & We zouden ’t aanstaande vrijdag bij u langs komen brengen. Maar ’t probleem is momenteel dat we geen WI102 meer op voorraad hebben. Ik kan ’t bestellen & dan kan ik ‘m dinsdag bij u langs komen brengen ipv vrijdag.’
‘O, dat komt slecht uit,’ zei ik. ‘Ik heb ‘m vrijdag eigenlijk wel nodig.’
Om ondertussen een berekening te maken van vuile broeken, sokken & onderbroeken. Vanwege grote overtolligheid aan t-shirts hoefden de shirts niet mee in deze. De vraag was slechts wat ik aan aankleedmateriaal schoon in de kast had liggen, onopgevouwen over de bank had gedrapeerd, hoe erg ’t bed ondertussen naar mij stonk & of ik bereid was een onderbroek langer dan 1 dag te dragen. Die sokken gingen nog wel, besloot ik al snel.
Voordat Mahmud met z’n reactie kwam had ik m’n sommetje klaar & al besloten om desnoods toe te geven, maar 1st voet bij stuk te houden, simpelweg vanwege ’t feit dat je je als klant niet zomaar tuk moet laten nemen. Wie weet zouden er allerlei toezeggingen volgen op mijn stugge volhardendheid dat ik op mijn rechten stond, dat beloftes beloftes waren & er gestand moest worden gedaan aan toezeggingen op moment van overhandiging van ’t vereiste geld.
Enzovoorts. Die gedachtes zaten in ieder geval al in m’n kop. Ik was voorbereid.

‘Nu heb ik wel een duurdere versie hier staan,’ ging Mahmud verder, zich schijnbaar niet bewust van de voorbereidingen die ik in m’n hoofd had getroffen, ‘de WI142. Die kan ik u aanbieden. Maar daar zitten aan de bovenkant wat krasjes op. Hij is lichtelijk beschadigd. Die kan ik wel vrijdag bij u langsbrengen. Dat doe ik dan voor dezelfde prijs als de wasmachine waar u al voor betaald heeft.’
Pf, geen enkele moeite. Ik heb de buit al binnen. 1 Keer ‘jahaa’, vervolgens laten blijken dat je er écht op gerekend had dat-ie toch écht vrijdag binnen zou zijn, zonder al te veel stemverheffing & dat blijkt al genoeg te zijn om de hoofdprijs ipv de poedelprijs te winnen.
Ik klopte mezelf in gedachten al op de borst. Maar was nog even in afwachting van de valkuilen die er gelegd zouden zijn in geval ik onmiddellijk toe zou happen.
‘Ja, legt u dat eens uit,’ zei ik.
Waarop Mahmud z’n best deed met engelengeduld ’t voorgaande nog eens een keer te herhalen. Dit om de overdonderde klant over te halen tot een zekere toegeeflijkheid, begrip te kweken voor de moeilijke situatie waarin de winkelier terecht was gekomen, maar de o zo makkelijke oplossing waarbij ’t klinkklaar was dat wij beiden hiervan zouden profiteren. 1400 Ipv 1200 toeren per minuut.

‘Perfect,’ zei ik op gegeven moment wat enthousiaster.
Om te laten blijken dat hij me voor zijn idee gewonnen had. Voor zijn gemoedsrust. Om hem ’t idee te geven dat hij een goede onderhandelaar was. Maar vooral om ervoor te zorgen dat ik vrijdag een nog betere wasmachine binnen zou krijgen.
Met krasjes, soit. Gezien mijn algehele onhandigheid, die door menigeen ook wel als klunzigheid omschreven wordt, zouden die er toch wel binnen de kortste keren op terecht gekomen zijn.

Dus vrijdag een wasmachine in huis. Dus tijdens werktijd een 1e wasje gedraaid. Dus vol enthousiasme zondagochtend nog maar 1tje. Ik had immers al enkele weken genoeg van m’n eigen slaapkamerluchten.
& Terwijl ik afwachtend van de grote belofte (nu ben ik daadwerkelijk thuis terwijl de machine draait, nu mag ik ’t allemaal in levende lijve meemaken) op de bank een boekje lees, draait de machine jolig mijn was. Jolig, omdat ’t als een zacht ruisen klinkt. Als de oorsprong van de Rijn, die voorbij kabbelt aan de andere kant van de camping in ’t zwitserse Disentis.
Totdat de centrifugerende kracht van ’t apparaat zich laat gelden.
1400 Toeren, dat is een overtrekkende 747 op weg naar de landingsbaan bij Schiphol die over ’t algemeen slechts opengesteld wordt bij zware storm. De Bijlmerramp komt weer in herinnering.
Ik ben blij dat ik geen geld voor 1600 of 1800 had.

Bij gebrek aan vergelijkingsmateriaal kunnen we ons in Zijperspace daar geen voorstelling van maken.

orgelman

Van de week wilde ik ‘t ‘m weer vragen, maar ik hield mezelf in. Ik kwam niet verder dan de suggesties van de vorige keer.
‘Jij komt volgens mij uit Den Helder,’ zei ik toen.
‘Ja, inderdaad,’ zei hij.
We wisselden wat woorden. Hij was verbaasd over dat ik ‘m als zodanig herkend had. & Daardoor begon ik me steeds meer af te vragen waar ik ‘m dan van kende. Je kan niet iemand alleen maar van je geboorteplaats kennen. Daar hoort een nadere specificatie bij.
‘Kwam je vroeger in de bieb?’ vroeg ik.
‘Ja, iedereen kwam in de bieb, toch?’
‘Ja, maar op zaterdag? Want dan werkte ik altijd.’
‘Nee, nooit op zaterdag.’
‘Ging je naar de kerk, de Vredeskerk in de Schooten?’
‘Nee, ik ben niet katholiek opgevoed.’
Padvinderij, middelbare school, speeltuin in de buurt, ’t schoot me allemaal te binnen, maar geen enkel stukje liet zich in de puzzel voegen.
Dus schenk ik ‘m gewoon bier, als-ie langs komt met z’n vriend. Om beurten halen ze een rondje voor 2. Dan kijk ik stiekem in de verte weg, gravend naar beelden waar een gezicht bij hoort, een gezicht dat er jonger uitziet dan die bolle man met olijke lach.

Ik ben op zoek. Zoals wel vaker. Ik graaf, bij ’t ochtendgloren, m’n gordijnen nog gesloten, ’t geluid van de 1e ochtendwerker in de straat ver vooruit. Ik mijmer, hou me bezig met speurtochten in m’n geheugen, om me vooral zo min mogelijk zorgen te maken over de onrust, veroorzaakt door juist dat afwezig zijn van daadwerkelijke slaap. Rond dit tijdstip hoort een mens in de armen van Morpheus te liggen, maar omdat deze blijkbaar denkt dat ik ’t tegenwoordig wel alleen af kan, onderhoud ik mijzelf tijdens die kleine uurtjes met wandelingen door schijnbaar vergeten straten, zoektochten door oude, lang geleden verlaten huizen, de inmiddels vervaagde fotogalerij van familieleden, jeugdvrienden, buurtbewoners & ontmoetingen in ooit & lang gelee.
’t Zijn geen zoektochten, geen opgravingen met vooropgezet doel. In de nog net aanwezige sluimering van zojuist verlaten dromen laat ik me leiden door toevallige associaties. Ik krijg van mezelf een beeld voorgeschoteld, vraag me af waar die zo plots vandaan komt & laat me vervolgens afleiden door ’t gezicht dat om de hoek van diezelfde verbeelding komt kijken.

Zo loop ik vanochtend met m’n moeder door de winkelstraat. Ik heb haar hand in die van mij. Of eigenlijk andersom. Haar grote zachte hand omhult de kleine mijne. Af & toe een zwaai van haar arm, om ’t gezellig samenzijn te benadrukken, of een ruk, om me niet te lang gefixeerd op iets futiels te houden. Een ijscoman, een snoepwinkel, ballonnen, muziek. De leukste dingen kosten geld & dan heeft m’n moeder minder om kleren voor mij te kopen. Dus wordt haar greep korter, strakker wordt mijn arm naar die van haar toegetrokken als we de attracties van ’t centrum passeren. Behalve dan bij de orgelman.
Een roodharige man, zware baard onder z’n kin bungelend, draait aan de zwengel. 2 Rondes maakt-ie met z’n ene arm, laat de greep los voor een kort moment, verzet z’n voeten even, om met z’n andere hand de muziek op dezelfde wijze voort te duwen. Z’n collega duwt op zijn beurt, op de melodie met ’t reeds ontvangen geld rammelend, de centenbak onder onze neuzen & ik mag een stuiver geven.

Maar op een gegeven moment ging die orgelman dood, denk ik in ’t nu van de donkere ochtend zonder slaap. De rode man stierf plots. ’t Vaste gezicht van de stad. & ’t Draaiorgel zou uit ’t centrum verdwijnen. Tot een groep vrijwilligers zich over ‘t oude gevaarte ontfermde & elke zaterdag ’t winkelen opnieuw luister bijzette.
Ik zie mezelf weer lopen, iets ouder nu, zonder begeleidend vastgrijpen van m’n moeder, ’t centenbakje zorgvuldig mijdend, om zo veel mogelijk zakgeld voor mezelf te bewaren.
Ik heb geen belangstelling meer, heb andere prioriteiten, dit in tegenstelling tot die andere jongen, een jaartje jonger, die z’n blik niet af kan houden van ’t bakbeest op wielen dat de stad met z’n muziek vult.
Ik maak sprongen in de geschiedenis, zie de jongen groeien, spieren ontwikkelen, zelfstandig genoeg geacht worden om de centenbak aan kleine kinderen voor te houden, onderwijl met z’n wijsvinger z’n bril in bedwang houdend, laat ‘m nog meer groeien om ‘m terug te vinden bij ’t voortduwen van de bak op wielen de drukke winkelstraat in, nog een jaartje verder & hij draait aan ’t wiel, fanatiek, slechts snel loslatend om van hand te wisselen & z’n bril in dezelfde beweging recht op z’n neus te duwen. & Vindt ‘m uiteindelijk terug bij mij aan de bar.

Hij zit daar redelijk anoniem. Z’n bril heeft een vaste grip. Of nee, hij heeft geen bril meer. Z’n wijsvinger omhult z’n glas. Hij babbelt met z’n vriend, zoals 2 vrienden zich over onbelangrijke zaken kunnen buigen, in samenspraak, oneindig, tot ’t genoeg is, genoeg gedronken, tijd voor wat eten & de volgende keer weer.
& Misschien zeg ik dan wel die volgende keer: ik ken je & ik weet waarvan. Ken jij ook nog de oude orgelman, die draaide & draaide, z’n lichaam liet golven, een peukje draaide tussen 2 nrs in, & rood zag, rood tot in z’n haren & z’n baard?
Maar dat moet ik niet zeggen, want toen klonk de orgel nog goed. Ik moet ‘m niet confronteren met de valse tonen die klonken als hij z’n bril terug in ’t gelid probeerde te duwen.

’t Zou een dissonant vormen die alleen door zou klinken in Zijperspace.

stoffig

De zon schijnt.
Dat doet-ie wel vaker.
Maar ik heb ‘m verstopt achter een boek. Groot, dik, breed boek. Veel bladzijdes ook. Anders was die zon recht m’n ogen in geschenen. Had ik geen letter gezien.
Toen ik neerplofte op de bank hoorde ik ‘Plof’ van ’t zuchten van de veren. Zo, dat is neerploffen, dacht ik nog. De lucht trilde.
Was m’n 1e indruk tenminste.
Later weet ik beter.
’t Was niet de lucht. ’t Waren smalle stukjes, dunne stukjes, pluizig kleine stukjes stof. De 1 wat groter dan de ander, maar duidelijk waarneembare, maar ontzagwekkend piemelkleine stukjes stof.
Dat als piemels klein kunnen zijn. & Dan nog kleiner.
Als ik nu opzij, over m’n schouder, de kamer inkijk, zie ik niks. Ik weet dat ik de boekenkast weer ‘ns moet afnemen. ’t Randje van de stereo-installatie. De schouw boven de kachel. ’t Scherm van de tv die nooit aanstaat. Onder de bank moet stofzuigen. Ook in de kieren tussen de kussens.
& Omdat ik dat niet heb gedaan & omdat de zon schijnt & omdat m’n boek de zon tegenhoudt & omdat ik zodoende niet verblind ben door de zon & omdat ik afgeleid word, omdat dat alles & om ’t opspringen van ’t stof bovendien vanwege ’t neerploffen van m’n lichaam op de bank, daarom & door dat alles ontstaat er een sterrenhemel.
Midden in m’n kamer. Een versneld heelal. ’t Ontstaan van alles speelt zich af boven mijn hoofd.
Ze scheuren uit elkaar, trekken elkaar aan, verwijderen zich, komen tot rust & schijnen hun gloed op mijn hoofd.
Ik weet best wel dat ’t weerkaatsing van de zon is wat dat schijnen doet schijnen. De zon die niet bij m’n ogen kan komen. Maar zo een omweg heeft om toch van z’n aanwezigheid gewag te doen.
Poeh, een heleboel stukjes stof, denk ik. & Ik kan ze allemaal zien. Terwijl ze gewoonlijk anoniem door ’t leven gaan. Door mijn leven gaan.
Soms als ik stofzuig, dan zie ik hun aanwezigheid. Bij elkaar opgestapeld in een stofzak.
Of ’t randje van de stereo. De schouw boven de kachel. Ook van die verzamelplaatsen.
Ze trekken altijd naar dezelfde hoek, kier, onbereikbare plek voor de stofzuigerslang, ‘tzelfde spinnenrag.
Eigenlijk zijn ’t kuddedieren, denk ik, terwijl ’t uitdijend heelal boven mij plaatsvindt.
Ik volg een stofdeeltje, zoals ik een sneeuwvlok volg die langzaam naar de aarde daalt, gewirwar van tegengestelde bewegingen, contrasterende luchtlagen, tot ’t uit ’t bereik van ’t schijnen komt.
Zouden er professoren zijn die stofdeeltjes bestuderen & weten wat er allemaal mee surft, erbovenop? Nog kleiner dan ’t stofje zelf. Niet die professoren dan, maar dat wat mee surft. & Ook weten wanneer ze ontstaan zijn & nog blijven leven & zweven, tot ’t zo klein is gesleten dat ’t niet meer stof mag heten.
Ik laat een stofje dichterbij komen, zo dichtbij mogelijk, zover als mogelijk, dat ik ’t door ‘t weerkaatsen van de stralen van de zon nog net kan zien, tot ’t verdwijnt omdat de zon er niet meer op schijnt. & Weet op een gegeven moment nou niet of ik ’t ingeademd heb, of in m’n oog terechtgekomen, of zit te kriebelen in m’n neus.

Dan is de zon weg.
Hij gaat snel, deze winter, deze tijd van de winter. Voor je ’t weet is de dag in huis alweer voorbij, vallen er geen stralen meer naar binnen, verdwijnt ’t uitdijend heelal.
Ik sta op, draai de kachel hoger & plof weer neer op de bank.
Er gebeurt niks. Behalve in ’t boek.

We dromen onszelf een uitdijend Zijperspace.

diedaar

‘Ja,’ zei ik tegen Marloes, ‘die kwam ik een keertje tegen in Den Helder.’
‘Die daar?’ vroeg Marloes, met haar neus wijzend.
‘Ja, die daar.’
Ik stak m’n eigen neus samenzweerderig naar haar oren. Zodat ze begreep dat anderen ’t niet mochten horen.
‘’t Was ’s avonds laat. Ik zou eigenlijk bij m’n ouders slapen. Of anders bij Quint, m’n broer. Maar ik was natuurlijk al best aangeschoten. Ik denk dat ’t tijdens jazzweekend was. Of ’t moet een ander feestje zijn geweest. ’t Was sluitingstijd, dus zei ik: “Verdomme, is ’t sluitingstijd ik heb verdorie nog steeds geen vrouw om mee naar bed te gaan.”’
‘Pff,’ zei Marloes.
‘Ja, ik was aangeschoten. Dan heb je dat. Ik had de hele tijd met een best wel leuk meisje staan praten.’
‘Een best wel leuk meisje?’ interrumpeert Marloes me sarcastisch.
‘Ja, een best wel leuk meisje. Ook in Den Helder zijn die heus nog wel te vinden. Enfin, sta ik de hele tijd energie in dat meisje te stoppen, denk van: “Dat betaalt zich later misschien wel uit.” Komt haar vriendje vlak voor sluitingstijd haar ophalen. Zegt ze: “Oh, kijk, dit is m’n vriendje.” & Ze zegt: “Kijk, vriendje, dit is Ton.”’
‘Pff,’ zei Marloes, vol enthousiasme over mijn vertelkunsten.
‘Ja, lach maar. Toen ging ze dus wel meteen met haar vriendje naar huis. Tot diep in de nacht hebben ze waarschijnlijk dingen zitten doen die wij niet voor mogelijk zouden houden dat wij ze in zo'n geval zo lang achter elkaar zouden volhouden, maar in ieder geval: zij ging weg. Ik heb haar nooit meer gezien.’
‘Story of your life, Ton.’
‘Wacht nou, ik ben nog niet klaar.’
Ik maak wat armbewegingen om Marloes ’t zwijgen op te leggen, in de wetenschap dat Marloes dat zo mal vindt dat ze die als automatisch na gaat doen. Dan luistert ze wellicht niet volledig naar wat ik te vertellen heb, maar ze houdt in ieder geval voor een kort moment haar mond. Ik ben nl niet makkelijk te imiteren. & Ik kan zodoende verder.
‘Maar die daar,’ ging ik verder, m’n hoofd weer licht naar die daar wendend.
‘Die daar?’
‘Ja, die daar, die komt dus plots binnen. Zegt m’n broer: “Ja, die komt altijd bij sluitingstijd, want ze denkt dat ze dan nog even na mag blijven zitten met ’t personeel.” Dus ik denk: “Daar moet ik op af.”’
‘Nee?’ zei Marloes.
‘Jawel.’
‘Nee toch, Ton?’
We kijken beiden nog even, ik schuldbewust, Marloes verwonderd, naar die daar.
‘Jawel. Ik was aangeschoten. Tuurlijk is dat geen excuus, hoewel ’t wel zo schijnt te zijn dat mannen vrouwen 25 % meer gaan waarderen als ze een paar biertjes op hebben. In die toestand was ik in ieder geval beland. Da’s heel belangrijk, trouwens, dat een man zich door die driften laat leiden, want anders bestonden er alleen nog maar mooie mensen. Een man denkt over 't algemeen wel een 2e keer, misschien een 3e keer na, voordat-ie met iemand zoals die daar naar bed gaat. Eigenlijk is ’t heel slecht voor ’t voortbestaan van ’t menselijk ras, deze mannelijke driften, die hij niet in toom kan houden zogauw hij zich heeft overgegeven aan versluiering van de geest , maar zo blijkt de mensheid, specifiek: de man, nou 1maal in elkaar te zitten.’
‘Ton!’
‘Ja?’
‘Nou ophouden.’
‘Ok, maar je moet toegeven dat jij ’t ook niet had gedaan als je nuchter was.’
‘Ook niet als ik gedronken had.’
‘Daar had ik ’t niet over. In ieder geval kwam ik er de volgende dag pas achter.’
‘Waar kwam je achter?’
‘Dat ik ’t ook niet zou doen als ik nuchter was.’
‘Heb je toch nog wat geleerd.’
‘Ja, maar dat was nog niet ’t ergste. Komt ze een maand later bij me aan de bar, komt ze aan de bar staan, terwijl er allemaal mensen om haar heen staan, tenminste, zo voelde dat, & zegt ze keihard: “Ton, volgens mij heb je me zwanger gemaakt.”’
‘Wat?’
‘Ja, precies. Dat dacht ik ook. “Kan je dat niet ergens anders zeggen?” zeg ik tegen haar. “Kunnen we dat niet op een andere manier bespreken?”’
‘& Toen?’
‘Toen ben ik naar achteren gelopen om wat spullen voor ’t schoonmaken klaar te gaan zetten. Ik heb m’n hoofd niet meer achter de bar laten zien tot 't sluitingstijd was & zij de kroeg uit was. Gelukkig kwam ik er wel achter dat de man die naast haar stond toen zij met haar mededeling kwam doof was. Doof aan 1 oor. Precies de goede.’
‘Zo, bof jij.’
‘Ja, dat dacht ik ook.’

Was er wellicht sprake geweest van overbevolking in Zijperspace.

vraagtekens

't Is heel vreemd, maar er verschijnen momenteel allemaal vraagtekens als ik Zijperspace op m'n beeldscherm tover. Ik gebruik Firefox, misschien dat 't daar aan ligt, dat instellingen veranderd zijn of iets dergelijks. Ik roep maar iets.
Ziet iemand anders dezelfde vraagtekens, waar eigenlijk andere leestekens zouden moeten staan? & Gebruikt men net als ik Firefox of juist een andere browser?
Ik probeer zo snel mogelijk ervan af te komen. Dus, als men er last van heeft, vraag ik enig geduld.

We moeten Zijperspace even opschonen, wellicht.

erik

‘Ik vroeg of-ie nog wat wilde drinken,’ vertelde m’n ex, ‘ging vervolgens wat halen in de keuken. Toen ik terugkwam stond-ie opeens in vol ornaat in z’n onderbroek. Of eigenlijk was ’t niet eens een onderbroek. ’t Was een brede band om z’n middel met aan een touwtje een zakje er aan hangend om z’n goedje in op te bergen. ’t Paste nog maar net.’
Ik was nog jaloers. Ik zat nog in die fase. Ik wist dat ’t niet al te lang meer zou duren, dat ik dat gevoel snel voorbij zou zijn, maar op dat moment was ik nog jaloers.
‘& Wat toen? Wat deed-ie?’ vroeg ik.
‘Nou niks. Hij zei dat-ie er klaar voor was. We konden beginnen, zei hij.’
‘Wat deed jij?’
Ik wilde ’t er uit hebben. Een bekentenis. Een dolksteek. De fatale. Zodat ’t definitief zou sterven.
‘Ik schrok me dood. Ik stond daar in de deuropening & kon 1st niets doen. Zoiets had ik niet verwacht. Ik was alleen maar heel kort in de keuken geweest & nou stond er een bijna naakte vent voor me. Maar op een gegeven moment zei ik ‘m dat-ie weg moest gaan. Dat ik er niet van gediend was. “Maar je weet toch dat we ’t allebei lekker zullen vinden,” zei hij. Die gozer is knettergek.’
‘& Toen ging-ie weg?’
‘Ja, toen ging-ie weg.’
Een jongen met blonde krullen. Groot. De broer van die andere. Maar ik wist niet wie ze bedoelde.

Pas op z’n begrafenis bedacht ik dat ’t Erik wel ‘ns had kunnen zijn.
Zoals-ie in de huiskamer had staan schreeuwen. Ouders op vakantie, pornofilms in de videorecorder.
Gegeneerd had ik me teruggetrokken in de keuken. Onder ’t mom dat ik ’t eten moest bereiden. Af & toe wierp ik een blik, om de situatie in te kunnen schatten. Om te weten of de buren mee konden kijken.
‘Kom op, zeg,’ zei ik, ‘doe in ieder geval de gordijnen dicht.’
‘Ach man, die mensen willen toch ook wel ‘ns een verzetje,’ zei Erik. ‘Gun ze dat toch.’
Waarop hij de acteurs weer ging aanmoedigen. Luidkeels.
‘O ja, doe maar met je tongetje. Doe maar. Doe maar. Je kan ’t wel. Ik heb ’t ook in je vorige film gezien.’
Om dat te vervolgen met: ‘& Nou gaan we ‘t ‘ns eventjes van een heel andere kant bekijken.’
Waarop hij de tv op z’n kop wilde zetten. Om de details beter te kunnen zien. Ik ben uit de keuken komen lopen om ‘m dat te beletten.
‘Ok, spoelen dan maar. Volgende scène. Kijken of ’t nog past.’

Of ’t nog past. Alles moest passen. Een bloemenvaas bier. Die moest ook passen. De bloemen werden speciaal voor de verjaardag van Erik verwijderd. Goed schoongemaakt, de vaas, diende ’t als Erik’s verjaardagsbeker. 2 Liter paste er in. Inclusief schuim. De traditionele 2 vingers. Daar stond Erik op.
‘Kijk eens,’ zei hij. ‘Wat een mooi vaasje bier ik heb gekregen. Wil jij ook een slokje?’
Je had geen tijd om te antwoorden. Want Erik bedacht zich alweer.
‘Nee, dit is mijn cadeautje; dat hoor ik niet met anderen te delen. Hé, barman! Barman! Geef Ton even een babyvaasje op mijn rekening. Ik ben jarig.’
Alsof men dat nog niet wist.
‘& Doe mij er ook nog maar 1tje,’ zei hij, waarna hij zijn bloemenvaasje achterover sloeg.
Na 3 verjaardagscadeautjes werd Erik stil. Hij ging hangen tegen de muur. In de hoek hing een foto van ’t graf van Jim Morrisson. Erik’s held.
‘Hé, Jim. Ik ben er, hoor. Ik kom bij je.’

Jim werd 27. Erik ook. Want hij wilde niet ouder worden dan z’n held.
Maar eigenlijk denk ik dat-ie dat op dat moment vergeten was. Hij was ’t kwijt. Toen-ie een elektriciteitsmast in Spanje beklom. & Langzaam, heel langzaam naar beneden viel.
Quint, m’n broer, die had liggen dutten in ’t gras naast de mast, ging kijken. Hij zag meteen dat Erik dood was. Z’n neus stond scheef, zei hij later. Z’n hele gezicht stond scheef. Dat was niet meer te repareren.
‘Quint, kijk ‘ns hoe hoog,’ had-ie nog geroepen.
‘Erik, doe normaal,’ had Quint gezegd & had z’n ogen gesloten gehouden.

Toen sliepen wij zelf ook, in Zijperspace, terwijl Erik z’n ogen uiteindelijk ook maar sloot.

20 januari

‘t ¼ Voor 8 geweest. Ik zie ’t aan de kaas. Een ingezakt kwabbelig zooitje, dat plakt & moeilijk van ’t schoteltje in de prullenmand gekieperd zal kunnen worden. Daar heb ik m’n vingers bij moeten gebruiken, dat staat wel vast, hoewel de herinnering reeds is verdwenen.

Vreemd is dat de tijd zo door elkaar gaat lopen. Je hebt een ‘nu’ van ’t kijken, & ’t ‘nu’ van de situatie zelf. Een tegenwoordige tijd & een voltooid deelwoord. Een nu & een vastgelegde ooit.

’t Ooit van Okke, die z’n laatste lege glas naar de bar komt brengen. Hopend nog even contact te krijgen met die tevens laatste onbekende rug aan de bar. Een mannenrug, die moet-ie altijd inspecteren. Ik zie ‘m passeren, blik op de bar gevestigd, schichtig vanonder z’n bril omkijkend, hé, wat heb ik nu hier naast me, een man, om per ongeluk een opmerking met open invitatie te maken. 7 Van de 10 keer beet.
Okke is mannenexpert. Hij weet ze te vissen, ’t aas voor te houden waarvan ze zelf niet wisten dat ze ’t wilden happen. Zeg nou zelf: ’t sikje, de bril, de oren; Spock, die nog 1maal is teruggekeerd naar aarde om te genieten van z’n oude dag.
& Zelfs tijdens die stilstand, ’t bevroren moment, krijgt Okke ’t voor elkaar zichtbaar te prevelen, te murmelen, innerlijk verslag te doen van ‘tgeen niet klopt.

Die man, die heeft niets door. Een niets vermoedende tijdelijke verblijver. Hij heeft zichzelf wat woordjes geleerd, alsjeblieft, dankjewel, tot ziens, hoe duur kost een glas, om zich gemakkelijk opgenomen te zien in een vreemd land, een vreemde kroeg, een vreemd allegaartje waar bier enkele uren hoofdzaak is. Hij giechelde met de giechelaars, hij fronste met de fronsers, hij zweeg toen alle barhangers voor zich uit keken, genoeg hadden van altijd diezelfde zure kop van de buurman barman. Hij deed z’n best, leek op goede momenten perfect geassimileerd.
Hier verraadt-ie zichzelf. Hij pakt z’n rugzak in. Let niet op wat Okke zegt, ontwijkt per ongeluk ’t Okke-aas.

Ik had ‘m gezegd: ‘Sorry, sir, I can’t allow that.’
Gedistingeerd engels is ’t mooist. Met een licht klakkend tongetje, zodat ’t lijkt alsof, ze even geloven dat, maar toch op ’t laatst beseffen: ’t kan niet; ze zijn in Amsterdam.
Maar de man schrok. Hij haalde de fles nogmaals te voorschijn. Waarvan ik dacht dat ’t een geheime alcoholische versnapering was.
‘It’s just water,’ he said, ‘not wodka.’
‘Oh, sorry, sir,’ I said, ‘I took the wrong conclusion.’
‘I always need lots of water when I’ve been drinking some beers.’
Nogmaals verontschuldigingen mijnerzijds.
Die zijn al afgelopen. Hij bergt nu de fles op in z’n tas.

Ik weet heus wel dat ik de tekst van de foto steel. Waar eigenlijk Pieter-Jan alleenrecht op heeft.
Hoewel, zogauw een plaatje getoond wordt, gaat ’t pas leven. Dan pas krijgt ’t geheimen, vertelt ‘t verhalen, of levert ’t misverstanden. Je laat iets los om ’t niet meer in de hand te hebben.

Zo zei Pieter-Jan: ‘Je moet even kijken. Bij 20 januari. ’t Is best mooi geworden. Je wist van jezelf vast niet dat je een hele mooie arm hebt.’
Nee, dat wist ik niet. Dus ben ik gaan kijken.
Dus zie ik m’n arm. Centraal er overheen loopt die ene ader. Precies in ’t midden.
Kijk, denk ik, daar ben ik gister in geprikt. Of de dag van gister. Niet gister van nu-nu; nee, van voltooid deelwoord-nu.
3 Buisjes bloed geprikt.
Ik zeg nog tegen die zuster: ‘Normaal is ’t er maar 1.’
‘Dat weet ik niet,’ zei die zuster.
Of heeft die zuster gezegd.
‘Dat weet ik,’ zei ik gezegd hebbende, ‘dat kan u ook niet weten.’
Daar, die arm. Daarom klopt die foto wel.

Want hij wijst de verhalen aan die via sluikpaadjes door Zijperspace heen lopen.

sessie

‘’t Gaat niet,’ zei ik.
‘Wat gaat niet?’ vroeg Bert.
Ik noem ‘m maar Bert. Dat staat bovenaan m’n afsprakenkaart. Die ik bij elke afspraak weer vergeten ben mee te nemen.
‘Ach, we hebben er nog wel een paar,’ zegt Bert altijd aan ’t eind van een sessie, als we samen in de agenda’s kijken voor een andere afspraak.
& Ik voel me steeds slordiger worden. Terwijl ik dat niet ben, want alles heeft een vaste plaats. Tenzij ’t niet te vinden is. De afsprakenkaart van Bert vergeet ik gewoon steeds mee te nemen. Die ligt blijkbaar niet op een plek waar ik 'm vanzelf vind als ik 'm nodig heb.
Maar ’t gaat dus niet.
‘Er zit geen progressie in,’ lichtte ik toe.
Op die zin had ik me voorbereid. ’t Leek me de beste uitdrukking. Dit zou de lading dekken, had ik bedacht. Geen progressie.
‘Wat bedoel je?’ vroeg Bert.
Toch niet duidelijk. Jammer, daar doe je dan je best voor. Zit je een week lang te bedenken hoe je de boodschap moet overbrengen, ’t gaat om de 1e paar minuten, kort & bondig, alles samengeperst in 3 zinnen communicatie met elkaar bij binnenkomst & dan blijkt ’t woord ‘progressie’ niet te werken. Ik had ’t nog wel op vrienden uitgeprobeerd.
‘Hoe is ’t met je nek?’ had Marloes gevraagd.
‘Hm, er zit geen progressie in,’ had ik geantwoord.
Goed, daarbij had ik een moeilijk gezicht getrokken, maar dat deed ik bij Bert ook. & Bert heeft een opleiding gehad om moeilijke gezichten op hun waarde te kunnen schatten. Marloes begreep me onmiddellijk. Haar blik keek ’t volgende moment net zo moeilijk als dat ik de mate van samengeknepen billen in m’n gezicht had willen leggen.
‘Nou ja,’ ging ik verder met Bert, ‘2 weken geleden, weet je nog wel.’
Dan heb je in ieder geval een goede relatie met je fysio, als je ‘weet je nog wel’, desnoods zonder ‘nog’ ertussen, tegen elkaar kan zeggen. Dan voel je je op je gemak, dan kan je blijkbaar refereren aan iets wat je samen hebt meegemaakt & bovendien ga je er in zulk soort situaties vanuit dat de goede man (in dit geval, hè, in dit geval; volgende keer neem ik weer een dame) zich kan herinneren wát we dan samen hebben meegemaakt.
‘2 Weken geleden, weet je nog wel,’ zei ik dus, ‘dat was de 1e keer dat ik geen pil tegen de pijn had geslikt.’
‘Hm,’ knikte Bert bevestigend.
Hij vertoonde dezelfde glimlach als op ’t moment dat ik dat heuglijke feit toentertijd met veel enthousiasme had voorgelegd. Bert heeft z’n geheugen in z’n gezicht zitten.
‘Ik heb vanochtend voor ‘t 1st geen pil geslikt,’ had ik toen gezegd.
Z’n herinnering aan dat moment was werkelijk op z’n gezicht te lezen.
‘Sindsdien is ’t niet vooruit gegaan.’
Bert's uitdrukking toonde vervolgens zorgen.
‘Ik heb mezelf zelfs ziek moeten melden, omdat ik een nacht niet slapen kon.’
Maar Bert’s gezicht kon al niet verder. Je hebt emotie, maar niet superemotie. Hij had betrokkenheid getoond, maar kon daar niet een overtreffende trap voor vinden.
‘Goed,’ zei Bert. ‘Ga maar zitten.’
Hij smeerde z’n handen in met massagespul. Ik weet niet wat voor massagespul, want ik zit altijd met m’n rug naar hem toe als we in die fase van onze sessies zijn beland. Voorhoofd tegen een kussen, armen ontspannen gestrekt ernaast gelegd, over de massagetafel. & Hij begint dan m’n nek & bovenrug te beroeren. ’t Enige waar ik dan nog op let is ’t heen & weer bewegen van de massagetafel. Tenminste, de mate waarin de massagetafel beweegt tov ’t beeld dat m’n ogen hebben gevangen. Want eigenlijk beweeg ik, schommel ik onder ’t regelmatige kneden van de spieren in m’n nek, & houdt massagetafel mijn lichaam zo veel mogelijk op dezelfde plek.
‘Daar lijkt wel een knoop te zitten,’ zei ik, toen Bert een bepaald gedeelte bij m’n schouderblad met z’n vingers passeerde.
‘Ja, daar zit ’t goed fout.’
‘Weet je,’ begon ik weer, terwijl de knoop eens duchtig onder handen genomen werd, & ik daardoor maar moeizaam de woorden uit m’n keel naar boven kon krijgen, ‘’t is eigenlijk allemaal planning, wat ik doe.’

Alsof men dat nog niet wist, buiten Zijperspace.

opgedragen

Ik ben genomineerd. Zoals ik graag wilde. Er hebben enkele mensen op mij gestemd nadat ik er om verzocht heb. Ik heb zogezegd campagne gevoerd.
Niet dat ik me daar verschrikkelijk goed bij voel, je loopt een beetje met jezelf te koop. Da's niet iets waar ik echt goed in ben. Ik heb om dezelfde reden een studie beëindigd, vlak voordat ik aan m'n scriptie moest beginnen. Tenminste, dat was 1 van de redenen. Ik kon mezelf niet verkopen. Ik wilde niet zomaar aardig gevonden worden. Ik wilde niet benadrukken dat ik aardig gevonden moest worden. Ik durfde niet te beweren dat ik aardig bevonden zou worden als mensen zouden doen wat ik zei. Ik ben niet aardig als mensen denken dat ik zo over wil komen, etcetera.

Maar toch wil ik dat ze me lezen. Ik wil dat men beseft dat ik iets goed kan. Dat ik zelfs meer kan dat beetje dat men in een oogwenk van mij kan zien. Dat er meer is dan dit ene verhaaltje over dingen die ik niet durf, maar toch vertel. & Ik wil horen dat 't waar is, dat 't klopt wat ik denk van mezelf.
Dan denk ik nog heel wat andere dingen, ik wil ook nog een heleboel andere dingen, maar je moet 't niet ál te ingewikkeld maken voor de mens. Mijn persoon op zich is al moeilijk genoeg. Zeker als ik dat probeer te stoppen in een stukje tekst als dit.

Laat ik dat dus maar vergeten. Ik wil gewoon dat jullie weten, dames, heren, die toevallig passeren vanwege die lijst hierboven gelinkt, dat ik soms iets heel moois kan.
Alsjeblieft, jullie mogen m'n stukjes lezen. Ze zijn gratis. & Niets meer dan dat.
Maar voordat jullie vertrekken vanwege 't feit dat 't je niet kon boeien, probeer 1st je een beeld te scheppen van wie mijn vader was.
't Zou hem veel genoegen doen te weten dat men mijn teksten leest. Hij zou, in zijn toenmalig volle bewustzijn, elk stukje hebben uitgeknipt, desnoods van 't beeldscherm hebben geplukt, & 't vervolgens in 't plakboek hebben geplakt. 't Plakboek van de familie Zijp. Waar de wapenfeiten in waren verzameld. Waar zijn trots in lag uitgespreid over volle bladzijdes, halve artikelen, kleine anekdotes, memoranda's, net als bijzondere kanttekeningen, om ze te tonen aan eenieder die toevallig even langskwam. Met een cynische toon, niet wars van enige ironie, zou hij z'n visite hebben laten voelen hoe trots hij wel niet was.

Ik kan niet anders dan trots met hem zijn, trots dan op een vader die ik los moest laten, maar die me iets heeft nagelaten waardoor ik de juiste woorden heb, de juiste zinnen, de juiste alinea's, de juiste drift om te doen wat ik nu doe.

Ach, noem me sentimenteel, of anders: zoek een stuk dat u wel aanspreekt. M'n reactieding staat open voor suggesties.

Misschien dat er leden van de jury zijn die dan nog even langer blijven hangen in Zijperspace.

opgemaakt

Ik deed ’t vanochtend weer, Moe. Gewoon nonchalant. Ik pakte de punt & wierp ‘m opzij, zodat ik kon passeren.
Misschien dat ’t ook extra moet, dat ik nog wat meer bloot moet gooien, omdat ik naar ’t voeteneind moet schuiven, ’t handig is vrij baan te hebben die kant op, zodat ik ongestoord met m’n voeten de trap kan vinden.
Meestal rechter grote teen trouwens. Die steekt vooruit. Ik ben niet alleen rechtshandig, blijkbaar ook rechtstenig. Als een tentakel schiet-ie vooruit om te voelen wat veilig is.
’Vrij baan, vrij baan,’ zullen de tastzenuwen in m’n grote teen wel keihard roepen naar alles wat zij voor zich op zien doemen, ‘wij moeten inspecteren of ’t kan!’
Daar kan ik een dekkend dekbed niet bij gebruiken. Dan zouden de dingen, de andere dingen, de dingen die een belemmering vormen voor een veilige afdaling, die tastcelletjes (tastzenuwen klonk toch niet zo goed) niet kunnen horen. Laat staan dat de tastdingen (tastcelletjes klopt ook niet) in m’n grote teen goed zouden kunnen tasten. Wat hebben ze nou aan ’t voelen van een dekbed, waar ze al de hele nacht door bedolven zijn, als ze opteren voor de 1e trede van een trap?

Ach, je zal wel weer zeggen dat ik gewoon een luie donder ben. Een foezelige viespeuk.
& Tante Dina spreekt je op de achtergrond bemoedigend toe, terwijl je me de waarheid zegt.
‘Wat kost ’t nou voor moeite,’ begon je vroeger altijd al, met nog een heleboel er achteraan.
Dan kreeg ik minstens 3 vragen op me afgevuurd. Verwijtende vragen. Ze begonnen allemaal met ‘wat kost ’t nou’, met daarop volgend ‘voor moeite’.
Om de preek te eindigen met: ‘Ja, gebruik je moeder maar als sloof.’
’t Enige waar ik me nog enigszins mee dacht te kunnen redden was: ‘Nee, want dat slaapt niet lekker.’
Daarbij vergetend dat je om een kussen een sloop doet, niet een sloof.

’t Kost toch geen moeite. & M’n moeder doet ’t vervolgens voor.
Want dat kon je evengoed niet laten. Terwijl wij op een meter afstand stonden geposteerd, naast ’t bed, aan de kant voor jouw armbewegingen die er zorg voor moesten dragen dat ’t beddengoed gefatsoeneerd werd.
‘1,’ zei je, ‘’t Laken.’
O ja, ’t laken, dachten wij dan schijnheilig niets wetend.
‘2,’ ging je onverstoord verder, ‘De deken.’
Ja, ’t deken ook.
‘3, De sprei.’
Da’s alles. We wisten ‘t. Maar we deden ’t niet. Enigszins bezorgd om je rug evengoed, want die houding van je lichaam over ’t bed kon op de lange termijn absoluut niet goed zijn, maar ’t was altijd nog beter dat jij ’t deed, dan dat wij ons best gingen doen jou tevreden te houden.

‘Je moeder is te lief,’ zeiden vriendinnetjes dan.
Vonden wij ook. Ik & m’n broers. In ieder geval de broers die hun bed niet op wilden maken. Zo’n beetje allemaal.
‘Ja, maar ze snapt toch ook wel dat ’t stukken makkelijk in bed stappen is als ’t niet opgemaakt is.’
‘Daar gaat ’t niet om.’
‘Maar voor mij wel.’
We zagen de volgende generatie kinderen al komen. Er zou in de toekomst in ieder geval niet veel veranderen.

Maar Ma, ik moet je nou iets zeggen.
Ik weet ondertussen dat ik gelijk heb gehad.
Je zal vast zeggen: ‘Ja, maar zo kan iedereen gelijk krijgen.’
& Dan zeg ik: ‘Inderdaad, daarom wil ik ’t ook aan jou kwijt.’
‘Moe,’ zeg ik dan, ‘’t heeft allemaal geen zin gehad.’
Vraagtekens zullen zich in je ogen aftekenen.
‘Nee, ’t heeft geen zin gehad. Eigenlijk was wat jij deed hartstikke slecht. Ik neem ’t je niet kwalijk, jij kon ’t ook niet weten, ik ben blij met m'n opvoeding, ik vind dat je ondanks je beperkingen erg je best hebt gedaan, maar ’t is wel jammer dat we er in mee zijn gegaan.’
Verontwaardiging van jouw kant. Niet helemaal ten onrechte.
‘Ma,’ zal ik serieus doorgaan, ‘een Engelsman denkt dat er minder geld richting gezondheidszorg hoeft te gaan, als mensen hun bed niet opmaken.’

Einde verhaal; ’t gelijk van Zijperspace.

meeten

‘Waarom laat je niet weten dat je er bent geweest?’
‘Ik heb toch over m’n treinreis verteld.’
‘Ja. & Daar zit je dan in je 1tje, een boek te lezen dat niet tot je door wil dringen. & Ondertussen zit je te gluren naar de vrouwelijke medepassagiers. Lekker duidelijk.’
‘Ik vertel m’n persoonlijke beleving.’
‘Poeh, diepgang!’
‘Nou ja, dat is toch maar wat me per ongeluk te binnen schiet. Moet ik ’t dan verzwijgen?’
‘Je hebt die dag ook andere dingen beleefd.’
‘Tuurlijk. Ik heb in de kroeg gestaan, kreeg een biertje aangereikt, heb een rondje gehaald, we maakten grappen, luisterden naar elkaar & hadden ’t gezellig.’
‘Dát kan je dan toch ook beschrijven.’
‘Nee, dat kan ik niet.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat ik niet zou weten hoe je dat op moet schrijven.’
‘Je schrijft gewoon: ik kwam Jantje tegen, die is van die & die, we praatten over van alles, oa over dit & dat, daarna hebben we gelachen om een grap.’
‘Ik zeg toch dat ik dat niet kan. Als ik dat zou opschrijven, dan zou niemand me meer lezen. Simpelweg omdat ik ’t niet interessant kan maken.’
‘Alsof je dat anders wel doet.’
‘Ik doe m’n best. Ik denk dat ’t voor mensen interessanter is te lezen hoe ik aangeschoten stiekem naar vrouwen zit te kijken in de trein, wat voor illusies ik me daarbij in ’t hoofd haal, dan dat ik een rondje voor alle webloggers haal & we vervolgens met z’n allen ‘Proost’ klinken.’
‘Maar iedereen doet dat.’
‘& Ik kan ’t niet. Ik kan al helemaal geen grappen navertellen. Laat staan dat ik na kan vertellen dat iedereen met digitale camera’s rondliep & ik zogenaamd somber m’n mobieltje liet zien als mogelijkheid deze happening te vereeuwigen. M’n 1e fototoestel, zei ik dan, heb ik nu een ½ jaar.’
‘Zie je, dat had je ook kunnen vertellen.’
‘Nee, niet. Want die gebeurtenis was na 1 seconde alweer voorbij.’
‘Vóór die seconde zijn er allerlei andere dingen gebeurd die aanleiding tot die seconde van ’t tevoorschijn halen van je mobieltje waren. Daar schrijf je normaliter ook over. Over dat soort pietluttigheden.’
‘Misschien heb je daar een punt, maar op dat moment vind ik mezelf te nietig. Iemand die niets te beleven heeft, niets te zeggen & niets heeft toe te voegen aan ’t groepsgevoel. Tuurlijk mag ik meedoen aan de gezelligheid, maar daar moet ik ’t dan maar bij laten. Bovendien, ik ben helemaal niet goed in ’t vastleggen van de massa. Ik heb daar geen affiniteit mee. Ik zei al dat ik nooit in m’n leven een fototoestel heb gehad. Ik denk dat dat er de oorzaak van is.’
‘Je bent daarvoor te veel op jezelf gericht.’
‘Ja, & mag dat dan niet? Daar vul ik al jaren m’n weblog mee. Is ’t fout dat ik onderken dat ’t zo bij mij werkt?’
‘Je doet er ook geen moeite voor.’
‘Dat zeg jij. Ik heb heus wel zitten denken hoe ik verslag moest doen van de meeting, maar ’t wilde zich gewoon niet vormen in m’n hoofd. Dan zie ik slechts een grijze brij. Een grijze brij die weliswaar als gezellig & leuk werd ervaren, maar niet als een lopend verhaaltje, waar mensen over willen lezen. Dan maak ik liever van iets kleins iets groots. Zoals m’n eigen belevenissen in de trein.’
‘Wat je de hele tijd doet.’
‘Ik hoop ‘t.’
‘& Achteraf op de andere weblogs kijken of je wel vaak genoeg gefotografeerd bent.’
‘Ja, was wel een beetje weinig, vond je niet?’

Mogen jullie nu plaatjes kijken buiten Zijperspace.

treinridder

Ik weet dat ’t om de man ging. Hij was in afwachting van de vrouw. In een kamer. Hij zat een beetje voor zich uit te mijmeren. & Daar blijft m’n begrip van de tekst een beetje bij hangen. Meer wil er niet tot m’n hoofd doordringen. Ik weet dat ik onderweg ben. Onderweg naar huis. Ik weet dat ik dat blikje bier eigenlijk niet meer moet drinken. & Bovendien weet ik dat ik me zo onverstoord mogelijk moet tonen, want anders zullen de mensen nog gaan bevroeden dat ik gedronken heb voordat ik aan dit laatste blikje begonnen ben.
Alsdandanals-redenatie, zo noem ik dat.

Goed, begin ik opnieuw, ’t ging om die man. Maar wat was-ie nou aan ’t doen? Zat in z’n kamer. Nog maar even de voorgaande alinea nog een keer lezen. & Stiekem over de rand van ’t boek gluren wanneer & hoe die dame tegenover me mij nou aanschouwt.
Want dat zag ik heus wel. Of ze keek via de spiegeling van ’t raam, of ze keek als ik niet keek. Ook als haar vriendje naast haar niet keek, dat had ik ook heus wel door. Ik ben verschrikkelijk goed in zien als ze denken dat ik niet zie.
Ik heb mezelf dan ook een serieuze leeshouding aangemeten. ½ Onderuit (helemaal niet goed voor m’n rug & nek, maar je moet toch wat als je op een bepaalde manier wilt overkomen), met m’n ogen diep verdiept, schuivend langs de regels, af & toe blzs omslaand (me ondertussen realiserend dat er weer een pagina informatieloos in m’n hoofd is opgeslagen) & een enkele keer met m’n handen semi-gedachteloos wrijvend over m’n voorhoofd, langs m’n nek & in m’n haren. Ze zullen weten wat voor figuur ze in hun coupé hebben zitten.
O ja, ik moet ook nog bij tijd & wijle grijpen naar m’n blikje bier. Zonder kijken, meteen beet.

Tegenover me dat stel dus. Hij krullen, zij steil haar. Niks aan te beleven. Stellen, dat is niks aan. Daar heb je geen kans bij. Vormen een pact. Geen toekomst voor derden. Derden als ik.
Oeps, terug in boek. Zij kijkt.
Langzaam liet ik m’n blik weer afglijden. Vrouw schuin tegenover me. Ook aan de rand van ’t pad. Rood lang haar. Wit gezicht, op rode wangen van kou na. Ze heeft haar handschoenen nog aan. Roze lippen.
Hé, even vergelijken: wat voor lippen heeft zij van dat stel aan de overkant?
Ook geen lippenstift. Leuk kuiltje midden in de liplijn aan de bovenkant. Heeft die rooie dat ook? Hebben alle vrouwen dat? Goh, je komt nog heel wat over ’t menselijk lichaam te weet als je tijdens een treinreisje zorgvuldig om je heen kijkt. Heb ik daar vroeger nou nooit op gelet? Of misschien ben ik wel in kennelijke staat dat ik alles aan een vrouwenlichaam mooi ga vinden. Zelfs een lelijk iemand schijn je dan te gaan waarderen.

Maar man zit dus in kamer, vat ik weer voor mezelf samen, te wachten op een vrouw. Ik wist niet dat ’t zo’n saai boek was. Hij mijmert nu al de hele tijd over ’t uitblijven van haar verschijning. Waarom doet-ie niks?
Trouwens wel een slaapcoupé. ’t Is nog maar net 12 uur geweest & 4 mensen in m’n directe omgeving hebben hun ogen al toe. Vrouw van ’t stelletje hangt op de schouder van haar vriend. Kan ik gelijk bekijken wat ze nou aan haar hand heeft hangen.
Hè, gatsie: goud & zilver. 1 Ring in de vorm van een bloemetje. Een aster of iets dergelijks. Dat zou je je kleine nichtje nog niet cadeau geven, zo kinderachtig. Ze heeft een sexy lijf, maar totaal geen smaak. Ook nog van die ouderwetse sleetse plekken in haar spijkerbroek. Hoe zeg je dat ook alweer: zóóó 20e eeuw!
Rood meisje heeft nu ook haar ogen toe. Ze heeft niet eens belangstelling voor mij getoond. Ook niet toen ik m’n boek tevoorschijn haalde. Iedereen kijkt toch altijd stiekem titels? Ik ben niet de enige. Ik heb ‘r ook niet in de spiegeling van ’t raam zien kijken. Mooiste manier om te betrappen: spiegelende ogen die elkaar ontmoeten. & Dan lief lachen, dan zijn ze meteen verkocht.

Ik stop m’n boek weg. M’n blikje is inmiddels leeg. Toch best snel gegaan.
Ik moet me nu gaan concentreren op de volgende taak: ’t rode meisje wakker maken. Ik zie aan haar ademhaling dat ze slaapt. Niet alleen maar haar ogen dicht. & Ondertussen is er niemand meer om haar te redden. Behalve ridder Ik.
Straks zal ridder Ik zachtjes fluisteren, heeft ridder Ik al besloten. Misschien een tikje op haar schouder. O zo zachtjes. Dat zal ze nooit vergeten. Dat ’t zo zachtjes ging. Die vriendelijke dronken man die haar behoed heeft verder te gaan dan de bedoeling was.
Of eigenlijk niet dronken, zo kom ik vast niet over. Die vriendelijke man, die….
Amsterdam, centraal station.
Kijken of ze wakker wordt. Laat haar ajb niet wakker worden. Ik wil ridder Ik spelen. Ridder Ik redt meisje uit de trein.
Maar rood meisje wordt wakker. Van de jassen die langs haar schouder schuren. Van de mensen die bijtijds de trein uit willen. Van bijtijdse-trein-uit-willers met lange jassen die schuren. De pretbedervers. Ze beweegt haar hoofd links, tegen jassen aan, rechts, station Amsterdam herkennend, & is volledig bij. Ze staat op.
Kan ik beter ook maar opstappen.
‘Ik had je bijna wakker gemaakt,’ fluister ik haar toch even zachtjes toe.
Ridder Ik moet z’n nobel gedrag even tonen. Waar hij wel niet allemaal toe in staat zou zijn geweest.
‘Hmpf,’ hoor ik nog net.

Dat was ’t laatste optreden van Ridder Ik in Zijperspace.

flamsdruwalu

Soms vraag ik me af hoe gelukkig ik ben. Of waar dat tastbaar in m’n hoofd ligt opgeslagen.
Er bestaan van die tabelletjes, gerelateerd aan onderzoek, die ’t aan kunnen tonen: op een schaal van 10 voelt hij 6,81 geluk, met een welzijnsgevoel van 7,12 & een gezondheidsmarge van 3,56.
Dan weet je waar je aan toe bent. Dan kan je er weer even mee door.
Goh, zo erg is ’t toch niet met mij gesteld. Ik mag tevreden zijn met deze condities, met ’t feit dat ik er inderdaad ook van kan genieten. ’t Leven is mooi & ’t duurt slechts 7 maanden voor m’n vakantie begint.

Ik heb ’t nergens staan, ’t alleen ooit in m’n hoofd opgeslagen als informatie waar ik wel ‘ns wat aan zou kunnen hebben, maar ’t schijnt dat je als alleenstaande minder kans op geluksgevoel hebt. Minder dan mensen met een relatie. Uitgezonderd de nonnen, monniken & andersoortig getrouwden met 1 of andere god. Je hebt als persoon met enkelvoudig huishouden minder zekerheid, minder bevestiging van je zelfwaarde, minder genoegdoening, minder genot, minder seks, maar vooral wel veel meer leegte die je zelf op moet zien te vullen.
Vooraleer een zware taak.
Ze leven korter. Net als linkshandigen & mensen met een naam aan ’t eind van ’t alfabet.

Ach, elke dag sta ik op. Na een goede, of slechte nacht van slapen. Ik probeer de gekke woordjes die in m’n geest op duiken te onderdrukken, terwijl ik van de trap van m’n hoogslaper afdaal, ik open m’n gordijnen, om me geconfronteerd te zien met véél te fel licht dat pardoes bij mij m’n kamer in wil dringen (hé, er bestaat ook nog zoiets als privacy, ben ik dan geneigd de zon af te schrikken; al is deze boodschap niet aan jou besteed, dan kan je er nog voor zorgen dat m’n achterburen niet van jouw onstuimig overbelichten profiteren), zet een pot thee, smeer wat boterhammen, daarbij alvast vooruitlopend op wat m’n lunch zal zijn door er gelijk enkele in een boterhamzakje te proppen, & beraad me op wat de komende dag me brengen zal.

Over die gekke woordjes: ik weet niet of dat een vrijgezellenafwijking is. Je ziet wel vaker mensen over straat gaan, hun monden prevelend woorden voor zich uit stuwend, maar je weet in zo’n geval nog niet of je te maken hebt met een eenzaam geval die alles met zichzelf beraadslaagt, of iemand die bij tijdelijke afwezigheid van levensgezel alvast droog oefent hoe ’t conflict van vanmorgen op te lossen bij thuiskomst.
Feit blijft dat ’t mezelf vreemd te moede komt dat als ik wakker schrik, ik me richting totaal ontwaken wil bewegen door ’t bed uit te stappen & dat bij de onstuimige energie die dan vrijkomt er als vanzelf woorden vormen die dit ondernemen in nieuwe onomatopeeën moet omzetten.
‘Bloemswah floesjmadoor madjuuw.’
Lichtelijk fonetisch geformuleerd.

Ben ik dan gelukkig? Vraag ik me dan af. Rare woorden bekkend. M’n alleenzaamheid verdrukkend.
Let op! Ik zeg ‘alleenzaamheid’. Niks te maken met eenzaamheid. Want daar wil ik niets van weten. Ik ben alleen. Maar daarom nog niet eenzaam. Ik vermaak me uitstekend, kom tijd te kort, ik zou alleen af & toe willen dat iemand anders ’t huis stofzuigde, de ramen lapte & me voorzag van bepaalde vleselijke geneugten, & gesprekken met derden kan ik realiseren door vrienden & kennissen te ontmoeten. Gezelschap, of ’t ontbreken daaraan, heb ik geheel & al in eigen hand & ik heb niets te klagen (behalve dan dat van dat stofzuigen, lappen & geneugten, maar dat hoef ik eigenlijk niet meer te benadrukken, dat is misschien weer een beetje ‘overdone’, dat heeft zo’n jongen toch niet nodig om daar extra op te wijzen, zou men kunnen zeggen, maar ik heb ’t toch tussen haakjes geplaatst, is daarop mijn repliek, ik heb toch alleen maar duidelijkheid willen scheppen, ’t is toch geen bede aan de lezer hier op korte termijn wat aan te doen, ik bedoel: ik heb heus wel een stofzuiger & ik weet hoe die werkt & ’t lappen van de ramen heb ik van m’n moeder geleerd, ik wacht alleen nog op een geschikte dag, een moment dat ik m’n schoenen aan heb & bereid ben naar buiten te stappen met warm water & warm weer, etcetera, maar ach, wat zit ik mezelf op te winden om me zo goed mogelijk te verantwoorden, ’t wordt tijd dat men ‘ns ophoudt commentaar te leveren terwijl ik toch écht wel in m’n 1tje aan ’t woord ben).

Ben ik dan gelukkig? Terwijl m’n bovenbuurvrouw denkt dat ik afgelopen nacht een buitenlander uit een ver vreemd land op bezoek heb gekregen & ik zelf denk dat ’t toch totaal niet nodig is om de muren mijn woorden te laten weerkaatsen om me ervan te realiseren dat er niemand is die überhaupt zou kunnen reageren op dit soort nietszeggende onzinnigheden.
‘Flamsdruwalu jepsnikoor!’ bedacht ik dus vanochtend maar bij mezelf, me tegelijkertijd daarmee de mond snoerend.

Evengoed heel eigenaardig dat er zoveel woorden in Zijperspace met een ‘f’ & een ‘l’ beginnen.

waardigheid

‘Denk je nog wel ‘ns aan je vader?’ vraagt Rachel.
‘Ik heb ’t net nog over hem,’ zeg ik meteen.
Klaar om van wal te steken.

Ik hoef niet meer na te denken. Ik heb ’t al verteld. Steeds weer. Aan mezelf vooral. Alle verhalen heb ik de revu laten passeren, steeds weer op zoek naar een nieuwe aflevering. Tastend of er wat oorspronkelijks tevoorschijn zou kunnen komen. Iets wat waar is, iets wat beklijft. Zodat-ie nog wat langer met me optrekt.
Ik schud de kaarten. Leg ze op tafel in willekeurige volgorde. Kijken of er iets nieuws uit ontstaat.

‘Ik stond daarnet aan een bar,’ zeg ik. ‘Ik kwam in contact met een andere man. Zijn vader had ook Parkinson.’
‘Hoe kom je dat dan zo opeens te weten?’ wil Rachel weten.
‘Hm, ja, dat kwam,’ weifel ik, ‘hm, ja, dat weet ik eigenlijk niet meer. We waren aan ’t praten & toen hadden we ’t er opeens over.’
Ik peuter aan ’t topje van m’n neus. M’n nek gebogen. Ik kijk naar de grond, waarvan ik op dat moment niet besef dat ’t de grond is. ’t Zou van alles kunnen zijn. Ik had z’n aanwezigheid geaccepteerd, in welke hoedanigheid ook. Ik sta ergens, me er niet van bewust.

Ik kende de man al. Hij kocht wel ‘ns bier bij me. Ik kwam ‘m wel ‘ns tegen in de kroeg. Beiden bierliefhebbers. Beperkt wereldje, een dorpje in de grote stad.
‘Mijn vader moest ook niet langer leven,’ zei de man. ‘’t Was goed dat-ie de pijp uitging.’
Ik zou ’t niet in die woorden zeggen, bedacht ik, maar gaf ‘m gelijk.
‘Voor ons was ’t ook een opluchting,’ zei ik daarom.
Ik wilde over de laatste weken beginnen, vond ’t een te lang verhaal, & liet dus de man aan ’t woord.
‘M’n vader was een waardige man, z’n leven lang. Weet je wel: schouders recht, geen woord verkeerd, recht door zee. Een man met klasse. & Dan zie je ‘m door Parkinson mishandeld worden. Z’n waardigheid verdween langzaam. Daar had ik de grootste moeite mee.’
We namen beiden een slok bier. Ik leunde tegen ophoging aan de bar. Hij haalde adem, kneep z’n neus even dicht, boog licht voorover, liet de stilte voor wat-ie was. De stilte tussen ons.
‘Ik had de meeste moeite met ’t feit dat-ie steeds minder woorden had,’ zei ik. ‘’t Leek wel of-ie wist wat-ie wilde zeggen vaak, maar dat-ie de woorden er niet meer voor in z’n hoofd kon vinden. Terwijl-ie vroeger zo welbespraakt was.’
De man knikte.

Rachel knikt.
‘Hij vond ’t vooral erg dat z’n vader z’n waardigheid verloren was,’ zeg ik. ‘Hij zei dat we uiteindelijk allemaal zo worden. & Daardoor berustte hij er eigenlijk ook wel weer in.’

‘Ik was een keer bij ‘m op visite,’ ging de man verder. ‘Kopje koffie gedronken, gebakje gegeten. M’n moeder deed alles. M’n moeder heeft haar leven lang voor alles gezorgd. Dus m’n vader bleef tot ’t eind bij m’n moeder in huis.’
‘Nee, dat ging bij ons niet meer,’ reageerde ik. ‘Dat werd te zwaar voor m’n moeder. Zij moest plots alles van m’n vader overnemen, want hij had alles altijd geregeld.’
‘Ik besluit op een gegeven moment weg te gaan,’ ging de man verder. ‘Neem afscheid van m’n vader & moeder. Ga naar buiten. & In de auto kijk ik nog 1 keer om. Om te zwaaien. Zie ik daar m’n vader zitten. Aan tafel. Met een gele bal. Hij rolde die over tafel heen.’
‘Voor z’n motoriek,’ vulde ik in.
‘Ja. Maar ik kijk naar binnen, terwijl ik wegrijd, & m’n vader kijkt me op dat moment recht in de ogen. Ik zag de schaamte in z’n ogen staan. Die man, die altijd zo waardig was.’

‘Hij bukte voorover met z’n gezicht,’ zeg ik tegen Rachel. ‘Hij plukte aan z’n neus. Z’n ogen waren rood, toen hij me weer aankeek.’
‘Hoe komt ’t dan dat je met ‘m aan de praat raakte?’ vraagt Rachel nog ‘ns.
‘Ik zou ’t niet meer weten. Maar hij zei dat hun beiden blikken van schaamte elkaar ontmoetten. Dat ’t beter was dat z’n vader niet snel daarna overleed.’
‘Da’s dan wel mooi, om zoiets mee te maken,’ zegt Rachel.
‘& Ja,’ zeg ik, haar 1e vraag met vertraging beantwoordend, ‘ik denk elke dag wel even aan m’n vader.’

Hij is nog niet weg uit Zijperspace.

waar?

Oproep.

Willen die 2 meisjes zich melden.
Ze hingen aan m’n nek. Ze hingen aan m’n benen. Ze gierden in m’n oren. & Wilden alleen met mij een wandeling maken.
Verder hadden ze beiden lang haar. ’t Hing tot over hun schouders. De 1 was donkerblond tot bruin, de ander had een rode gloed, maar evengoed overheerste ook bij haar ’t blond.
Ik weet nog dat m’n schoonzus zei, ik vertrouwde er op dat zij er verstand van had, dat kleine kinderen me mooi vonden. Dat ze daarom zo aan me hingen.
Ze zei: ‘Kinderen herkennen schoonheid. Dan voelen ze zich op hun gemak.’
Ze zei ook: ‘Ze herkennen jouw onzekerheid. Ze weten dat je daarom eerlijk bent.’
Ik nam alles aan van m’n schoonzus.
Dat moeten de meisjes ook gehoord hebben. Ze hielden even stil.
Zo stil als ik.
Dus als men zich hier in herkent, gelieve bij mij te melden.
’t Was bij een kampvuur. We mochten kampvuur hebben, als ’t maar dicht bij ’t water was. Daar roosterden we appels in. Suiker in ’t hart gegoten. Van de ouders mochten de meisjes daarom langer bij ons aanzitten. Na de appels werden ze opgehaald. ’t Klokhuis mee naar bed. Of wat daar nog van over was.
Ik weet ook nog dat we dat kampvuur met onze buren hadden. Dat waren de buren uit Rotterdam. Wij waren die jongelui uit Den Helder, die ’t zo goed met hen konden vinden. Zij hadden een kleine jongen, van een jaar of 10, geadopteerd, klein beetje gedragsproblemen. Dat kon je merken bij ’t spelen. Dan was-ie een beetje ruw. ’t Ene meisje huilde. Toen moest-ie van z’n vader stoppen. De meisjes sprongen dan gelijk weer om mijn nek.
Ik stuurde ze weg als ik een shaggie wilde roken.
‘Nee, nu even rust,’ zei ik.
Misschien dat ze me daar aan herkennen.
‘Nee, nu even rust,’ zei ik gedecideerd. ‘Ik wil nu even een shaggie draaien.’
’t Lijkt onbelangrijk, maar je kan overal aan herkend worden. Je weet ’t niet.
Dan had ik ook nog lang blond haar. Of in ieder geval 1 pluk aan de voorkant. Ik droeg wijde broeken, vooral groen. Met wandelschoenen er onder. Een groene sjaal, voor bij ’t kampvuur. & Ik keek treurig, want ’t klopte niet altijd.
Dat probeerde ik echter te verbergen. Maar je weet niet wat kinders zien.
We hebben ook veel regen gehad. ’t Was met Pinksteren, een natte pinkstervakantie. Ons geld was op & toen moesten we in de regen geld gaan halen in la Roche en Ardennes. Op een zaterdagochtend.
Maar dat kan ook zijn geweest toen we in Nadrin kampeerden.
Je weet niet wat die kinders weten. Je weet niet wat ze onthouden hebben.
Op de deuren stonden regels, de deuren van de toiletblokken. Waar je je aan moest houden. ’t Waren weliswaar hollanders, de campinglui, maar ze hielden een duits regime. Dat zeiden we: een Duits regime.
We hebben dat niet aan de kinderen uitgelegd, maar je weet niet wat kinders horen. Of per ongeluk onthouden.
& Als de meisjes opstonden, net wakker uit slaap, nog gehuld in pyjama, dan renden ze naar mijn tent. Ze moesten mij gedag zeggen, me uit mijn boek houden, vragen of ik zin had een avontuur te beleven, stenen te gooien in ’t water.
5 Minuten later werden ze dan door moeder geroepen. De beide moeders. ’t Waren geen zusjes. Dan moesten ze ontbijten. Snel werd er door de meisjes gevraagd, gesmeekt, of ik dan niet weg wilde gaan. Ik moest blijven. Om te spelen. Of een wandeling door ’t bos.
‘Wat zou er aan de overkant zijn?’ vroegen ze.
Ik zei: ‘Een groot bos.’
Maar dat je vanaf de overkant van ’t water ’t bos niet in kon, want je kon je niet door de struiken heen dringen. Daarvoor moest je omlopen. Had ik wel eens gedaan, vertelde ik. Over smalle paden. In een donker bos. Waarbij ik verdwaald was geraakt. & In paniek. Een hond in de verte huilde. & Ik durfde geen pas meer te verzetten.
Oja, maar dat vertelde ik niet. Want ik moest niet laten blijken dat ik gek was. Dat ’t niet klopte in m’n hoofd. Dat vertel je niet aan kleine meisjes. Nog steeds niet.

Maar nu zijn ze oud. Oud genoeg. Ze moeten net zo oud als enkele huidige vriendinnen zijn. Toen 5. Misschien wel 7. Dat maakt hen nu 26, misschien wel 27.
Misschien is 1 van hen nu wel gek. Of af & toe in paniek. Dan moet ik vertellen. Verder gaan waar ik gebleven was.
Dan moet ik uitleggen dat ’t niks kan schelen. Dat ’t leven verder gaat. & Soms ook stopt. Maar meestal verder.

Waar zijn die 2 meisjes die ooit kort deel uitmaakten van Zijperspace?

jerry

‘Jerry was net nog langs,’ zeg ik.
‘Oh?’ reageert Pam. ‘Wanneer?’
‘3 Kwartier geleden, denk ik. Hij was met z’n moeder.’
‘Oh, dan moest-ie me even gedag zeggen. Kon je haar herkennen?’
‘Ja, lelijke vrouw, zeg. Echt zo’n arbeiderskop.’
‘Ja, erg hè. Ze ziet er niet uit. & Jerry lijkt nog ’t meest op haar.’
‘Daarom herkende ik haar ook als z’n moeder.’
‘Jammer dat ik er nog niet was.’
‘Nee, niet. Ik word knettergek als Jerry er bij is.’
‘Waarom?’
Pam klinkt verontwaardigd. Maar ik weet dat ik alles kan zeggen. Zolang je maar eerlijk bent, dan accepteert-ie veel.
‘Dan wordt ’t zo druk,’ leg ik uit. ‘Hij bemoeit zicht overal mee. Wil alles weten.’
‘Ja, dan hangt-ie boven de kassa,’ geeft Pam toe. ‘Hij is zo verschrikkelijk nieuwsgierig. Hij kan zich niet inhouden, moet overal met z’n neus in. Sensatiebelust is-ie.’
‘Precies!’ reageer ik. ‘Boven de kassa. Dat bedoel ik. Daar kan ik absoluut niet tegen. Hij moet zich niet met mijn zaken bemoeien als ik aan ’t werk ben.’
‘Daarom vindt-ie ’t ook zo fijn om met mij om te gaan. Van mij mag-ie alles. Moet je eens bij hem thuis komen. Hij hoeft maar even z’n stem te verheffen of hij krijgt al een hengst.’
Pam laat z’n vuist zien. Een korte snelle beweging.
‘Die vader heeft z’n handen los zitten,’ gaat Pam verder. ‘Jerry mag niets. ’t Is ook best een raar gezin. Echt niet al te intelligent. Met die hond van hun. Je moet uitkijken waar je loopt. Ik moest laatst de fiets van Jerry in de gang zetten. Daar was ’t donker. Ik ga achterstevoren de gang in. Stap ik op een gegeven moment in iets zachts. Je ruikt ’t eigenlijk al als je binnenkomt. Die hond is niet zindelijk. Een hele vette drol dus aan m’n schoenen. Ik zeg tegen Jerry later: “Jerry, dit is niet normaal.”’
‘Nee, dat is niet normaal.’
‘Maar hij zegt tegen mij: “Maar, Pam, ik weet niet beter. Ik ben ’t zo gewend vanaf m’n 1e jaar.” Daar is-ie zich dan ook wel weer bewust van. Hij is ook onvoorwaardelijk. Hij is mijn vriend. & Dat wil-ie ook weten. Hij snapt best dat ’t niet gewoon is dat er stront in de gang ligt, maar hij wil wel dat ik dat begrijp. Af & toe gaat-ie te ver. Dan moet ik ook zeggen dat-ie op moet houden. Ik heb ‘m wel ‘ns gezegd dat ik ‘m een tijdje niet hoefde te zien. Dan huilt-ie tranen met tuiten. Want ik ben de enige waar-ie kan doen wat-ie wil. Hij voelt zich bij mij op z’n gemak.’
‘Ja, dat begrijp ik wel. Maar toch wordt ik gek van hem.’
‘Hij moet strijden om z’n hoofd boven water te houden. Daarom loopt ’t wel ‘ns uit de hand. Moet-ie vechten met z’n broertje. Of krijgt-ie klappen van z’n vader. Z’n moeder is trouwens evengoed hartstikke aardig. Niet al te intelligent, maar wel aardig. Met haar bolle toet. Heb je die scheve tanden ook gezien?’
‘Ja, toen dacht ik meteen: dat is de moeder van Jerry.’
‘Maar hij moet strijden. Net als dat jij moest strijden. Ik ben in m’n 1tje opgevoed. Ik had geen broers of zussen. Jij had 5 broers. Dat merk je. Dat merk je ook als Jerry hier is. Dan probeer jij jouw terrein af te bakenen. Dat doet Jerry ook. Maar tegelijkertijd wil-ie aandacht. Dat botst met elkaar. Ik vind ’t prachtig. Ik zie alles als een nieuwe uitdaging. Daarom houd ik m’n mond als-ie weer eens baldadig is. Tot ’t te ver gaat. Maar ik ben in ieder geval niet zoals z’n vader. Daarom vindt-ie ’t prettig bij mij. Wij zijn vrienden. Dat heb ik bij jou niet meer.’
Een valse glimlach verschijnt op z’n gezicht.
‘Nee, dat heb ik ook niet meer. Want jij hebt ’t nooit door als ik wat wil zeggen.’
‘Ik vind je verhalen ook niet meer zo leuk.’
‘Dat komt doordat je ze niet meer hoort.’
‘Ik wil ze ook niet meer horen, want ze worden zo verschrikkelijk saai.’
‘Zeker als je slechts de helft hoort.’
‘Nee, dan luister ik liever naar mezelf.’
‘Blij dat Jerry zo goed naar je kan luisteren.’
‘Ach, dat hoeft helemaal niet. Hij gaat toch evengoed z’n eigen gang bij mij.’
‘Ja, jullie zijn goede vrienden.’
We proberen nog een kort moment elkaar zo verbeten mogelijk aan te kijken. Dan nemen we allebei een slok.
‘Zo, is lang geleden dat we zo lang gesproken hebben,’ besluit Pam.

Of ik daar nog een verhaaltje over wilde vertellen in Zijperspace, zo eindigden we.

stokje

Stokje gekregen van Marti. & Stokjes hoor je door te geven. Dat is traditie. & Tradities, die houd ik graag in ere, zonder 1 onvertogen woord.
Vandaar dus onderstaande vragen & antwoorden. De laatste ietwat uitgebreider dan men bij anderen kan vinden, natuurlijk.

1. Wat is de totale grootte aan muziekbestanden op je computer ?
25 Gieg ongeveer. ’t Paste net niet op m’n mp-3speler. Maar ik heb geen mp-3speler meer & we zijn inmiddels 2 maanden verder. Dus er staat ondertussen nog wat meer op m’n comp.

2. Wat is je laatst gekochte cd?
Wat een afschuwelijke zin. Zoiets zeg je toch niet. Laat staan dat je ’t zo opschrijft.
‘Welke cd heb je ’t laatst aangeschaft?’
Dat is tenminste een fatsoenlijke vraag. Daar wil ik graag antwoord op geven.
‘Dirty Laundry; the Soul of Black Country’.
Jammer alleen dat ik bijna geen muziek draai die niet op m’n comp staat. Moet ik ‘t 1st overzetten & daar ben ik te lui voor. Nou ja, ik heb genoeg andere dingen te doen.

3. Wat is letterlijk ’t laatst geluisterde nr voordat je dit bericht las?
Degene die met dit stokje begonnen is, heeft in ieder geval z’n cursus lekker leesbaar nederlands niet afgemaakt. Waarom staat er ‘letterlijk’ in de vraag? Kunnen we deze vraag niet veranderen in: 'Wat is 't laatst nr dat je beluisterde voordat je dit bericht onder ogen kreeg?' Geef ik daar antwoord op. Komt uiteindelijk toch op ‘tzelfde neer. Maar men snapt 't misschien wat beter. 't Oogt ook goed.
Eigenlijk was ik een hele cd aan ’t luisteren. ‘Not Exotic’ van Dolorean. Af & toe verscheen daar een wonderschoon nr in. Vooral ’t laatste nr: ‘Spoil Your Dawn’. Dat moest ik een paar maal herhalen. Vlak voor slapen gaan, ’t was gisteravond, nog maar eens aangezet. Onder begeleiding ben ik naar m’n bed geschreden.
Jammer dat ik geen mp3’s meer op m’n weblog plaats, dan had ik de wonderschoonheid ervan kunnen voorschotelen.

4. Geef 3 nrs door waar je vaak naar luistert of die veel voor je betekenen.
Ik blijf niet zeuren over hoe deze vragen/opdrachten opgesteld zijn, maar ik hoop dat de lezer door heeft dat ’t allemaal een beetje belabberd geformuleerd is. Vast geen lijflogger waar dit vandaan komt, want die zou nog een beetje op z’n taalgebruik gelet hebben.
Edoch, 3 nrs.
In ieder geval ‘Cycles’ van Frank Sinatra. Een paar jaar geleden zou ik ‘Strangers in the Night’ hebben gezegd. Zo’n beetje ’t enige nr waarvan ik de tekst uit m’n hoofd ken. Maar ik ontdekte dat Frank ooit een hele plaat heeft volgegooid met prachtige nrs. Gewoon aan 1 stuk door blijft ’t mooi. Op die plaat ‘Cycles’ dus, waar ’t gelijknamige nr ’t hoogtepunt van vormt. Potdorie, ik moet ’t gelijk maar even draaien. Ik schiet weer vol. Helaas kan ik ’t nog steeds niet meezingen.
‘Final Day’ van The Young Marble Giants. Ik zag ze opeens op tv. Bij de Tros Top 50, of zoiets. In een lang ver verleden. Van zo’n 23 jaar. God, wat ben ik toch een oude man dat ik al in zulke cijfers kan praten & ’t me nog kan herinneren ook als zodanig. Na dat optreden ben ik in A’dam op zoek gegaan. Met veel moeite ’t singeltje gevonden. Oh, wondermooie stem van Allisson Statton. Ik was verliefd. Maar ’t duurde elke keer zo kort. Snel nog een keer aangezet. 100 maal achter elkaar. Steeds bij de laatste hele hoge toon m’n vinger naar de naald gebracht om ‘m terug naar ‘t begin te bonjouren.
‘Mood Indigo’ van Duke Ellington. Daar hebben we m’n vader bij begraven. Daar hebben we hele zondagen mee gevuld gezien. Zondag bestond uit de kerk & ’s middags jazz bij een kop soep. Niet dat ik dat altijd even mooi vond. Ik heb ’t zelfs een tijd verafschuwd. Maar ’t roept wel meteen een sfeer op waar m’n vader een centrale rol in speelt.

5. Aan welke personen geef je dit stokje door en waarom?
Aan Rachel & Micheline. Rachel, omdat ze dan tenminste weer eens wat digitaals laat horen, ze schrijft veel te goed om haar mond te laten houden. & Micheline, omdat dat de 1e collega-weblogger was waarmee ik 3 jaar geleden echt in contact kwam & we rond dezelfde tijd in onze jeugd in contact kwamen met ongeveer dezelfde muziek. Ik geloof ook dat ik ooit m’n 1e stokje van haar kreeg. Dus krijgt ze ‘m van me terug.

Jemig, wat zijn we weer lang van stof in Zijperspace.

halverwege

Ooit had ik een grote boekenkast. Een hele grote boekenkast. Wel 3 meter lang. Misschien wel 3½.
We hadden nog maar een klein beetje ruimte over aan de bovenkant, toen we ‘m naar binnen brachten. & Door ’t raam kon-ie niet. We wisten zowiezo niet hoe we ‘m over ’t hek van de voortuin moesten krijgen, dus gingen we met ‘m door de deur.
We hebben ’t bed toen snel afgebroken. De losse onderdelen op de grond gelegd. Daar moesten we voorzichtig overheen stappen, met de kast in onze handen. De tuindeuren achter ’t bed opengegooid. & Met z’n 4-en duwden we ‘m, door de gang, door de slaapkamer, de achtertuin in.
Toen dacht ik dat we sterke mannen waren. Ik denk dat dat 1 van de weinige keren is geweest dat ik dat dacht.
Van daaruit, boekenkast glorieus midden in de achtertuin geposteerd, manoeuvreerden we de kast terug, maar dan de achterwoonkamer in.
Van tevoren hadden we wel moeten bedenken tegen welke muur hij zou moeten staan, want onderweg keren kon niet. Of achteraf.
’t Was een grote kast.
Al m’n stripboeken pasten er in. We hadden zelfs nog ruimte over.

Ik wilde ‘m geel verven. Net als dat de rest van ’t huis geel of grijs was.
Maar zij zei dat dat zonde was. Zo’n oude kast.
Er zullen vast nog wel mensen bestaan die weten dat ’t bij de leeszaal hoorde. De leeszaal van de bieb. ’t Oude gebouw.
Maar de meeste die dat nog hebben mogen meemaken zullen wel dood zijn. De meeste.
Hij verhuisde mee naar de nieuwe bieb.
Lange Ton & ik waren de kastverhuizers. Nou ja, wij hebben gezorgd dat heel veel systeemkasten uit elkaar & weer in elkaar werden gezet. We hadden aan ’t eind van de verhuizing veel verstand van kasten & hoe ze in elkaar zaten. We wisten op een gegeven moment ook heel goed hoe je moest zorgen dat ze niet gingen schommelen. We hebben ons er 4 weken van de zomer mee bezig gehouden.
Ergens halverwege de zomer, halverwege de verhuizing, vroeg de personeelschef of we wilden helpen met de kast uit de leeszaal. Die mocht op zijn kantoor komen staan.
We hebben karretjes gebruikt. Plankjes met 4 wieltjes eronder. 1 Karretje ging kapot.
We zijn er een ½e ochtend mee bezig geweest. We werden gewoon doorbetaald.
’t Was een oude kast, maar ook een dure kast. Er zaten veel uren in.

Ik wilde ‘m geel. Zij wilde ‘m blank.
Zij was wel vaker eigenwijs. Of ’t niet met me eens. Zij was ’t ook die ’t heeft uitgemaakt.
Uitmaken met haar, dat is zonde van je geld.
We spraken af dat we alles eerlijk zouden verdelen. Dat bleek vooral zonde van mijn geld. Maar voor de lieve vrede maakte ik me daar niet al te druk over.
De televisie ging naar haar, ’t huis ging naar haar, de installatie ging naar haar. Alleen dat wat eerder al van mij was, ging mijn kant op.
& Dat moest zo snel mogelijk weg. Ze had immers genoeg van mij. & Van al mijn spullen.

& O ja, die kast ook.
Die kast ook?
Ja, die kast ook.
Maar dat zou heel veel moeite kosten, dan moesten we weer door de slaapkamer, bed afbreken, & ‘m ergens kwijt kunnen.
Die kast ook! & ’t Bed zou niet uit elkaar gehaald worden. Volgende week moest-ie weg zijn.
Daar gebruikte ze heel veel uitroeptekens bij.

Dus kwam m’n vader helpen. Hij had een zaag geleend. Een elektrische zaag uit ’t bos van m’n broer.
Ergens in ’t midden hebben we ‘m doorgezaagd. De oude kast. De hele oude kast.
In die tijd waren er vast nog wel mensen die ‘m gekend hadden van de oude leeszaal. ’t Was nog maar 7 jaar later.
Maar nu niet meer. Er zijn er vast nog maar weinig. & ’t Enige wat die mensen nog over hebben is een herinnering.
Maar wie denkt er nou nog aan de oude leeszaal?

Er staan gelukkig nog wel wat stripboeken uit die tijd in Zijperspace.

schoenenpassenrapen

Een ballon hoort op z’n hoogtepunt te overlijden. Als-ie nog strak staat, bol van lucht, zwanger van z’n kinderdroom. Hij hoort met een knal ruimte te maken voor de volgende illusie.
Hij mag niet langzaam verschrompelen. Waarbij de lucht langzaam door z’n wanden heen naar buiten dringt, daarbij ’t plastic geleidelijk aan impregnerend. Je kan een ballon beter niet laten verworden tot een kleverige bolletje omhulsel dat alles wat ‘m aanraakt probeert aan te klampen & niet meer los te laten, bedelend om met een beetje extra adem terug te keren naar de gloriemomenten van weleer.

& Toch laat ik de roze ballon in m’n achtertuin.
Laten, dat is wat ik doe. Laten. Achter in m’n achtertuin.
’t Is mijn ballon niet. Hij was er plotseling. Dat maakt me niet minder verantwoordelijk. Ook al ligt-ie ver weg, in een tuin die geen bezoek krijgt vanwege ’t vanzelfsprekende verval van de winter.
Sterven kan een tuin wel zelf. In de lente heeft-ie me pas weer nodig.
Toch zou ’t een kleine moeite zijn m’n schoenen aan te trekken, een paar passen te nemen, de ballon op te rapen.

Ik doe ’t niet.

Ik neem ’t scenario als hierboven nogmaals door. Schoenen, passen, rapen. Bekijk de gevolgen.
Je kan een ballon niet vol met lucht in de vuilniszak proppen. Er valt niet veel te proppen aan zo’n bol ding, nog net te elastisch in z’n vorm om zich in ’t gareel te laten duwen.
& Na 3 weken (zo lui ben ik alweer) laat ’t zich niet dwingen. Dan gaat ’t smeken. Die plakkerigheid, die onwil, ’t verlangen naar liefde, naar nog net een beetje aandacht.

Heb je wel ‘ns een oude ballon proberen te dwingen? Dan weet je wat ik bedoel. Elke vinger die ‘m vastpakt probeert-ie te imiteren, na te bootsen in z’n eigen huid. Een imprint van z’n mishandeling, een afdruk, om je er aan te herinneren dat-ie ergens anders toe dient. Heeft gediend.
Terwijl hij ‘t zelf zover heeft laten komen. Hij is blijven leven, heeft z’n ene long niet geleegd.

Schoenen, passen, rapen.
Ik probeer ’t nogmaals.
Verwacht een kaartje. Een kaartje dat melding maakt van z’n verre reis. Niet een ticket met reisbestemming, maar slechts ’t vertrekpunt. Speeltuin ’t Oosten, in westelijk Kokanje, of een ander ver oord. Een kind dat z’n touwtje langzaam heeft laten vieren, twijfelend. Zou hij ‘m houden, deze droom, of laten gaan, een andere droom laten verwezenlijken? & De eenzame tuin, de roestende wintertuin van de alleenstaande man in Amsterdam Oost zou de hoofdprijs betekenen, een week lang snoep, als die man maar schoenen, passen, rapen zou doen, kaartje kijken, kaartje sturen. Retour naar vertrek.

Hoe wij daar stonden. In de hand van 6. Voor alle broers 1. Speeltuin Falga. 6 Touwtjes, met ballonnen aan ’t einde, om de beurt door 1 van de kleinsten vast geklampt. Ruziënd wie nu weer aan de beurt was, wie ze los mocht laten bij ’t startschot.
‘Ik ga al zweven,’ zei er 1tje.
Daarbij omhoog springend. ’t Leek alsof-ie slechts langzaam weer daalde. Van al ’t gas dat de ballonnen deed stijgen.
Dat moest ook uitgeprobeerd. Voordat ze ons definitief zouden verlaten.
‘Ik wil ook, ik wil ook,’ jengelde de volgende.
‘Ik wil ook, ik wil ook,’ smeekte nr 3.
& Daarop de volwassen verlossing: ‘Dan geen van 3-en.’
De touwtjes raakten in de knoop, terwijl ’t woest door de ouder werd overgenomen. Einde ruzie & de ballonnen voor eeuwig met elkaar verbonden.
Ze ondernamen de reis, de bedoelde verre reis, die zou leiden tot veel snoep, gratis snoep, gezamenlijk, in hun kluwen verward. Waardoor ze niet konden stijgen, verhinderd door elkanders gewicht, elkanders stuurkunst, wispelturigheid op de wind.
Alle ballonnen schoten weg naar verre oorden & veel snoep, maar die van de broers werden opgehouden door de ruzie die ze nog met elkaar aan ’t maken waren.

De roze ballon huppelt van z’n ene teen op z’n andere. Ongeduldig. Al 3 weken lang.
Hij wacht op stappen, ’t einde van z’n reis. Hij vindt dat ballonnen niet oud moeten worden.

Zeker niet in een roestende wintertuin ergens in Zijperspace.

leeshouding

Ik zie ze nooit. ’t Boek staat er altijd voor. Kussen op m’n onderbuik, boek in evenwicht gehouden door m’n handen, & m’n blik komt niet verder dan dat. ’t Achterland, m’n achterburen, zie ik niet meer. Ik zie slechts wat daglicht weerschijnen tegen de vloer, ’t behang, de meubelen, waardoor ik de letters van m’n boek tenminste kan onderscheiden.
& Verscholen achter m’n boek vraag ik me stiekem wel af of ze ’t zien. Of ze zien dat ik wegdommel, dat m’n boek omvalt, m’n armen tegen de bank aan gaan leunen, ’t kussen dat 1st als boekensteun diende door m’n lichaam omhelst wordt & ik een ½ uur lang voor apegapen lig.

‘Hoe gaat ‘t?’ vroeg m’n fysio.
‘Goed,’ antwoordde ik onmiddellijk. ‘Ik heb vandaag voor ‘t 1st geen pijnstiller geslikt.’
‘We moesten daar maar ‘ns een tijdje mee stoppen ook,’ zei hij na m’n nek aan alle kanten uitgerekt te hebben.
Onderwijl hadden we ontdekt dat we een zelfde vakantiebelangstelling hadden: wandelen. & Ongemerkt, z’n gedachten bij enkele afgelopen vakanties & enkele minuten tegenover mij er over uitwijdend, rekt-ie m’n nek wat meer & wat vaker dan we gewoon waren.
Ik had geen bezwaar. Laat me maar lijden, dacht ik. Dan ben ik er sneller van af.
‘Ik heb alleen steeds meer last van m’n rug,’ meldde ik.
Wees ’t aan. Onderaan.
‘Die wervels onderaan je nek worden steeds soepeler,’ vertelde m’n fysio. ‘Misschien dat ze er onder daardoor wat extra druk voelen.’

Die kussen op m’n buik is er gekomen om m’n rechterarm te ontlasten. In de tijd dat ik nog dacht dat de pijn door een muisarm werd veroorzaakt. Ik probeerde m’n arm dood te zwijgen. Deed er niks tot zo min mogelijk mee.
Kussen op m’n buik & ik kon weer lezen. Liggend op de bank weliswaar, in slaapverwekkende houding, maar ’t kon weer. Bovendien had ’t tot voordeel dat op de hoogte van de dubbelgevouwen kussen ’t boek m’n ogen van ’t tegenlicht afschermde. Niets zo vervelend als met tegenlicht lezen.
Ik was alleen naar de andere helft van de kamer verhuisd, naar de bank waar ik lekker op kon liggen. Waardoor de buren zicht op mij kregen. M’n leven binnenshuis niet meer privé.

‘Kan ik er iets tegen doen,’ vroeg ik, ‘tegen die pijn in m’n onderrug?’
We waren klaar met onze ½ uur sessie. Ik moest dezelfde oefeningen blijven doen. Ze hadden resultaat. Hij had hele boeken vol staan met oefeningen, maar waarom moeilijk doen als deze al werkten?
‘O ja,’ zei m’n fysio onmiddellijk, ‘dat kan heel makkelijk.’
Hij liep naar z’n behandeltafel. Ging ’t voordoen.
‘Je gaat op je buik liggen. Met je armen onder je hoofd, ellebogen steunend, onderarmen plat op de grond. & Dan ga je op die manier maar een kwartiertje tv kijken. Of een boek lezen.’
‘Dat wordt dan een boek lezen. Tv kijken doe ik bijna nooit.’
‘Dat hoor je niet zo vaak meer, dat mensen geen tv kijken.’
‘Tv wordt steeds oninteressanter, vind ik.’
Hij gaf me gelijk.

Nu lig ik een boek te lezen. Op m’n buik. M’n lichaam in de lengte naar de tuin, naar de achterburen gericht.
Ik vraag me weer af of ze me zien. Of ze zien dat ik me wéér anders gedraag. Ze zullen zich wel afvragen: waar is die gozer toch mee bezig?
Maar ik zie ze niet. Ik lees weer een boek. & Verbijt ondertussen de pijn in m’n ellebogen. Die zijn nog niet gewend mee te lezen.

Een schim schiet weg, aan de overkant van Zijperspace, als ik opkijk.

deez vlinder

Je ontkomt er tegenwoordig niet meer aan. Je zult jezelf kenbaar moeten maken. Een weblog beheren & vullen & daar vervolgens waardering voor genereren is geen vanzelfsprekendheid. Als je je niet roert, dan gaat je stem als vanzelf verloren als de vlucht van een vlinder in een rukwind.
Ik vraag me ook wel eens af waar ze blijven. De vogels zie ik bij een wolkbreuk nog wel schuilen onder afhangende takken, maar de vliegen, de vlinders, de libelles etcetera, ik raak ze kwijt. Zitten ze verscholen onder een laagje modder, met een luchtgaatje voor de overleving, of hangen ze ondersteboven onder een stevig blad? Hebben ze wellicht een schuilkelder, of een schuilboomhut?
Je hoort ze in ieder geval niet meer, & zien doe je ze door al ’t natuurgeweld al helemaal niet. Ik probeer me altijd voor te stellen wat een van hoog vallende druppel kan doen met ’t iele lichaam van een mug.

Ik wil geen mug zijn, misschien een vlinder. Maar dan niet 1 die plots verdwenen is bij een passerend stormpje.

Dus wordt ’t tijd voor campagne.
Voorgaande jaren vertikte ik ‘t. Ik ga een beetje zitten bedelen om stemmen, dacht ik toen, daar sta ik boven.
Vervolgens werd ik bij de 2e verkiezingen voor de Dutch Bloggies waar mijn naam aan mee mocht doen geheel niet genoemd. Alsof ik niet bestond. Alsof ik niet zwaar m’n best had gedaan internet te vullen met kwaliteit.
Telkens weer in real life (zo heet ’t nou 1maal in cyberspace, Ma; ’t wordt ook wel afgekort tot ‘irl’ & betekent gewoon ‘in het echte tastbare leven’, dit als tegenstelling tot ’t leven online, op internet) zitten zaniken tegen mensen dat ik niet ’t gevoel heb dat ik ’t ergens voor doe, dat ik geen, of weinig, respons krijg, geen feedback, dat ik twijfel of ’t inderdaad zo goed is als ik in m’n beste momenten zelf pleeg te denken; daar schieten we ook niks mee op. Ik word uiteindelijk moe van m’n eigen gezeur (hoewel ik nooit kan stoppen met praten over wat ik heb geschreven), ’t gehoor dat wordt ’t beu.
Nee, laat ze maar stemmen op mij. Tijdens die handeling houd ik me dan even gedeisd. M’n mond toe. Schuilend aan de onderkant van een blad. Uit ’t zicht.

Zal ik de mensen er echter 1st wel toe moeten zetten. Moeten uitleggen ook wat ’t inhoudt.

Goed. De Dutch Bloggies dus. De verkiezingen voor de beste nederlandse weblogs van afgelopen jaar. Dus vanzelfsprekend doe ik daar aan mee. Want ik vul er 1. Momenteel leest u deze tekst immers in Zijperspace, mijn weblog.
Iedereen mag stemmen, op alle weblogs. & Na die stemming worden vanuit de grote hoeveelheden namen per categorie door een geselecteerde jury van ong 50 man een lijst van 3 gemaakt. Per categorie uiteindelijk dus 3 nominaties. ’t Grote publiek mag vervolgens de definitieve keuze bepalen.

Laat ik realistisch zijn: ik word geen winnaar. Daar heb ik een veel te kleine groep lezers voor.
Maar ik wil in ieder geval genomineerd worden. Laten zien dat ik leef. Dat m’n lezers leven. Dat ik om m’n dagelijkse moeite gewaardeerd word. Dat elke dag 12 uur nadenken over wat ik nu weer zal schrijven beloond kan worden. Door een simpele nominatie.

Geachte lezer, er bestaan 17 categorieën waar u uw keuze in bekend kan maken. Waar u uw favorieten in kenbaar mag maken. Ik pas niet in al die 17 categorieën, zou in enkele absoluut niet verkozen willen worden.
Misschien in ‘Meest originele weblog’, misschien ‘Beste weblog’ (de beste van hun allemaal!), misschien verdien ik wel eens een ‘Lifetime award’ (maar daar streeft Luuk van Geenheld momenteel al naar; mocht u verlegen zitten om een naam die u daar kan invullen dan raad ik u deze ten zeerste aan; hij verdient ‘t, meer dan enig ander in ieder geval), maar eigenlijk voel ik zelf ’t meeste voor ‘Best geschreven weblog’.
Onbescheiden wellicht, maar ik moet ook een doel hebben in m’n leven. Ik hoop dat men mij dat niet kwalijk neemt.

Men kan dus stemmen. Ga hier naartoe, selecteer ’t volgende tekentje: ‘±’ dat staat afgebeeld vóór de categorie ‘Best geschreven weblog’, & vul mijn url in (http://www.zijperspace.nl) (nu weet je ook wat een url inhoudt, Ma, uitgesproken als joe-er-el). Voor de rest dient men ook nog z’n naam & i-meel-adres bovenaan ’t formulier achter te laten, & eventuele favorieten in de andere categorieën. Voor dit laatste adviseer ik, mocht men daar zin in hebben, mijn linklijst even door te nemen. Wellicht dat daar enige suggesties tussen staan.

Dat is alles. ’t Zal niet al te veel moeite vergen, lijkt mij.

Schreeuwt dus de naam Zijperspace van de daken (of vul ’t in ieder geval in op de zojuist beschreven plek) & laat die vlinder nog even vliegen.

nieuwjaarsdag 2005

Eigenlijk doe ik elk jaar ‘tzelfde. Niets ontziend, behalve de vrouwen die zoenen moeten krijgen.
Ik loop een beetje rond, belangrijk te doen. Zet wat glazen bier neer, wens een gelukkig nieuwjaar (‘’t 1e Biertje is van ’t huis’), pak onderwijl de natte viltjes mee, kijk welke groep nu door de deur binnenkomt & controleer of er nog wel genoeg wisselgeld in kas zit.

‘Waarom stop je niet even met werken?’ vraagt Rachel dan. ‘Vanwege je buik?’
Een klein infectietje overgehouden aan nieuwjaarsnacht. M’n darmen rommelen & dwingen me bij tijd & wijle ’t toilet voor een poos bezet te houden.
‘Dat ook,’ zeg ik. ‘Maar ook om andere redenen.’

Ik weet niets anders te doen.
Ik kan wel naast een paar klanten gaan staan, maar na 2 minuten weet ik al niet meer wat ik moet zeggen.

‘Je kunt toch bij een wildvreemde gaan staan,’ zei Jasmijn de nacht ervoor, ‘& dan vragen hoe die hier is terecht gekomen.’
’t Feestje waar ik die infectie had opgelopen. Als ’t een infectie was.
‘Ja, zo begon die Masja van daarnet ook tegen mij,’ reageerde ik. ‘Ze vroeg wie mij had uitgenodigd.’
‘Dat kan jij dan toch ook?’
‘Nee, dat kan ik niet. Ik vind alles al voorspelbaar voordat ’t uit m’n mond gekomen is.’

Rachel heeft gelijk. We werken tenslotte met z’n allen op 1 januari.
‘Je kunt toch wel even pauze houden?’
‘Nee, dan ga ik nadenken.’
Dat had ik moeten antwoorden.
Ik zei in plaats daarvan: ‘Nee, dan voel ik m’n buik.’

& In plaats daarvan schud ik alle mannenhanden & zoen alle vrouwenwangen. Ik keer me om & de volgende staat alweer klaar. Ik stel me voor dat ze zich gevleid voelen als ik zoen & schud.
Belangrijk & saai. Tegelijkertijd. Gelukkig weet ik ’t zelf.

& Af & toe krijg ik een aai over m’n wang. Een aai van ‘jij bent gek’ & ‘ik mag je wel’ tegelijk. Ik zie ’t in de ogen van degene die me aait.
Dan ben ik blij dat ik niks hoef te zeggen. Stoer keer ik me om, ik beeld me in dat ik me stoer omdraai, steek m’n duim op, & parmantig prompt houd ik ‘m omhoog. Guitig lippen tuiten.

‘Ze’ laten me maar gaan. ‘Ze’ zijn ’t inmiddels gewend. ‘Ze’ zien ’t al 9 jaar. ‘Ze’ zijn gewoon dat ik ietwat beperkt ben.
Daarom blijf ik nog een tijdje. Wil ik nog wel een paar nieuwjaarsdagen met ze meemaken. Ik voel me veilig tussen hen. & Wat veilig is, dat voelt vertrouwd. & Wat vertrouwd is, dat zou niet moeten mogen veranderen.
Af & toe een nieuw jaartje, dat mag nog wel, maar voor de rest alles bij ’t oude.

Een gelukkig nieuwjaar gewenst vanuit Zijperspace.
(Vooral ook aan m’n eigenste eigen reageurs; ik beloof nog weer een jaartje m’n best te doen.)