toiletpapier (9)

Als ik de op 1 na laatste uit z’n verpakking moet halen, de verpakking van oorspronkelijk 4 over ’t algemeen, dan begint ’t weer voor mij. Opnieuw. Voorbereidingen treffen, denk ik dan. In m’n hoofd prenten dat ’t weer zover is. Plannen wanneer boodschappen te doen, hoever ’t op moet zijn, waar, of ik de tijd nog een beetje kan rekken, of ik nog visite ga krijgen de komende tijd. Ik word al moe van mezelf tijdens die bezigheden, terwijl ik toch eigenlijk heerlijk relaxed moet stilzitten. Geen inspanning, daar krijg je immers alleen maar problemen mee.

& Dan: 1 rol wc-papier kan je niet in ’t plastic laten zitten. Met 2 gaat dat nog net. Dat houdt ze samen, dan staan ze stevig op de plek waar ik over ’t algemeen m’n wc-papier bewaar (een niet opgehangen wc-rolhouder, want toch niet in de goede maat, sinds ze enkele decennia geleden besloten de wc-rollen een maatje groter te produceren; een ongekende revolutie op ’t huishoudelijk vlak, hoor ik m’n moeder nog verzuchten).
3 Is ideaal. Dan oogt ’t ook nog wat & kan je die bovenste 3e op een plek ten opzichte van de andere 2 manoeuvreren zodat ’t allemaal een degelijk evenwichtig geheel vormt.
Ik haat omvallend wc-papier, ook al woon ik dan op mezelf.

Ik moet ’t van achteren pakken. Van achter m’n rug. Hangt de closetrolhouder voor mij rechts, ik heb ’t in deze over de zitstand, ik hoef slechts m’n hand te heffen & ik heb ‘t 1e velletje te pakken, de voorraad van hooguit 3 (een familiepak van minstens een jaar houdbaarheid komt er over ’t algemeen bij mij niet in, gezien de onmogelijkheid die in een boodschappentas te proppen, & met een vuilniszak zie je mij de straat niet op gaan) staat links achter m’n rug.
Nadeel van de verpakking is dat je ’t uit moet pakken. Zit je te frummelen op de plee. Terwijl ik dan liever een boek lees. Wasmand als boekensteun, bij een dik boek ‘t flesje aftershavebalsem als zwaargewicht om de juiste bladzijde open te houden.
Frummelen dus: plastic los wriemelen, rol heen & weer bewegen, want de fabrikanten willen ze strak, tot er 1tje loskomt. Zodat je volledig vergeten gaat waarvoor je eigenlijk op die plek gekomen was.
Zit ik me meestal ook af te vragen waar ik de oude closetrol moet laten. & Ik moet ‘m wel ergens laten, want ik kan niet met dat ding in m’n hand zitten peuteren aan ’t plastic. Dat is alleen maar nog ongemakkelijker. Gooi ik ‘m maar snel in ’t wasbakje, wat ik dan in m’n hoofd moet prenten, want straks vergeet ik ’t als ik m’n handen moet wassen.
Iets wat ik nl ook niet prettig vind, is rondlopen in huis met een natte lege closetrol. Vooral als er nog zo’n alles-absorberend velletje aan zit, net niet te gebruiken, omdat er mogelijk lijm bij dat 1e velletje (voor de consument de laatste, maar de producent ziet ’t natuurlijk als 1e) is gebruikt. Hoe moet de rol anders om de closetrol blijven zitten?

Nu ik ’t dan toch over peuteren heb: die voorste velletjes moeten ook nog los. Die vind ik bovendien niet te gebruiken voor ’t doel waarvoor ze geschapen zijn. Omdat ze vooraan zitten. Weliswaar zit er plastic om de rollen tot ’t moment dat ik ze gebruiksklaar ga hangen, maar je weet evengoed nooit wat er allemaal aangehangen heeft vóór ’t werd ingepakt. Heeft zo’n lopende-band medewerker bijvoorbeeld wel plastic handschoenen aan.
Nee, hoor. Ik heb geen smetvrees. Maar wat dit onderwerp aangaat, sleept mijn fantasie me mijlenver weg. ’t Zijn onschuldige gedachtetjes, maar toch sleur ik liever die voorste velletjes los om ze weg te gooien.
Om dezelfde reden, maar dan iets ingewikkelder beredeneerd, vouw ik 2 vel bij ’t loskomen van de rol naar elkaar toe samen, de onderste binnenkant rol tegen de bovenste binnenkant rol, voordat ik ze ga consumeren. Zodat de buitenlucht er geen invloed op heeft gehad, zal ik maar zeggen. Ik moet dit verhaal niet onnodig complex maken.

Nou vanochtend dus de op 1 na laatste rol uit de verpakking gehaald. Dus kon ’t omhulsel net zo goed weggegooid, want 1 rol staat zo slordig in een omgeving van minstens 3. Als een ooit dikke man met bretels wiens dieet bleek aangeslagen. Ik ben niet supernetjes, maar ik voel er altijd wel voor om ’t esthetisch te laten kloppen. Dan hou ik overzicht, zogezegd.
Dus had ik plastic & een lege closetrol waarvan ik bang was dat-ie nat zou worden bij ’t handenwassen.
Ik heb toen maar ’t ene in ’t andere teruggepropt. Ik dacht: die kennen elkaar nog van vroeger, dat is wel vertrouwd. & Heb ’t vervolgens op de grond gegooid, voor de deur. Die stop ik straks wel in de prullenbak, dacht ik.

Toen kon ik geen woord meer lezen van m’n boek. Terwijl ik ’t toch zo comfortabel voor me had neergelegd. De concentratie was weg.
Ik bleef maar piekeren of ’t wel kón. Dat zou niemand moeten zien, dacht ik. Doe ik zo m’n best, alles overwogen, maar in de laatste handeling mag er toch geen foutje sluipen.
’t Zou toch geen gezicht zijn, dacht ik, als iemand bij mij thuis langskwam & bij ’t weggooien van een propje papier plots ’t plastic van de wc-rolverpakking in de prullenbak terugvindt. ’t Vrijgezellenpak van 4 rol, zou die persoon meteen herkennen.

We stonden voor een ontzagwekkend probleem in Zijperspace, die z’n weerga niet kende.

zwaartekracht

De zwaartekracht schrijft ’t voor. Dat wat boven is, heeft een schijnbaar natuurlijke drang beneden te komen. Zo beneden als beneden maar mogelijk is. Zover als ’t pad dat voor ‘m ligt ’t toelaat.
& Hierbij bedoel ik natuurlijk wel dat iets pas iets is als iets vloeibaar dan wel vast van vorm is. Tegen gas valt niet tegen op te concurreren. Zeker niet door zwaartekracht, die beperkt wordt doordat ’t zich in lucht moet manifesteren. Aardse lucht, in ons geval.
Daarom noem ik gas in dit geval maar even niet iets. Niet als niets, want ontkennen zal niet kunnen, maar als niet iets, als zijnde niet vast of vloeibaar, er zo doorheen kunnen trekken, zonder dat je door hebt dat je aan dat niet iets voorbij bent gegaan, of ’t aanwijzend, zonder door te hebben dat je er eigenlijk door dat niet iets heen wijst, er aan voorbij gaand.
Zo, dat u dat onderscheid even heeft gemaakt. Tussen wat ik bedoel & wat ik niet bedoel.

Die zwaartekracht zorgt er dus voor dat dingen over ’t algemeen naar beneden worden gedreven. Als je er even niets aan doet, dan ligt ’t diep. Besteed je er echter energie aan, dan kan ’t zich voordoen dat ’t hoger komt. Je verzet je dan tegen de zwaartekracht, dus kost dat iets. Energie over ’t algemeen.
Daar wil ik ’t ook niet over hebben. Niet over gas & niet over energie. Meer over zwaartekracht & wat dat tot gevolgen heeft.

Nou zijn we daar allemaal aan gewend, aan dat iets boven is & iets anders beneden. We hebben in de loop van de evolutie ons lichaam er perfect, of laat ik zeggen: in enkele gevallen redelijk perfect, op aangepast. We lopen over straat, zitten op de bank, liggen in bed & dat al meestal tot groot genoegen. ’t Tere onderdeel van ons lichaam, de hersenkwab, bonkt niet tijdens onze gang naar elders voortdurend tegen een harde ondergrond & de door veelvuldig gebruik eeltige onderkant, die grote inspanning levert als we onderweg zijn, zit niet met zijn zeer persoonlijke lichaamssappen vlak onder de neus. We zijn vooral aangaande die kwaliteiten van ’t menselijk lichaam zeer gezegend. Ik voor mij persoonlijk beschouw ’t als een groot voordeel niet als dier op aarde te zijn geraakt.

Juist aangaande dat laatste aspect, de geuropname van de neus, weet ik mij vaak genoeg geconfronteerd met normen van andere mensen die niet stroken met de mate waarin mijn luchtopnemend onderdeel dat weet te appreciëren. Die hebben ’t wonder van de zwaartekracht nog niet ontdekt, pleeg ik dan altijd te denken. ’t Wonder waarbij uit een kraan water kan stromen, de onderliggende vlakken kan bevloeien & zo kan ontdoen van kwalijk riekende lichaamsgeuren. Men noemt ’t ook wel douchen.

Niets menselijks is mij vreemd & daarom dien ik te bekennen dat ook ik bij tijd & wijle wel ‘ns kwalijke geuren uitscheid & dat in de vorm van een scheet doe. Dit doende in combinatie met de activiteit van mijzelf verschonen, zoals ’t verschijnsel douchen ook wel genoemd wordt, bracht mij tot de zonderlinge gedachte, men moet ’t mij niet kwalijk nemen, maar ik moet toch iets doen terwijl ik daar ’t reinigend vermogen van water probeer te ervaren, maar allengs besluit dat ’t maar een saaie, doch noodzakelijke, dagelijkse bezigheid is; ’t deed mij op de gedachte komen dat, zoals eerder vermeld, alles naar beneden gaat, maar gassen niet. Ik was me in ieder geval in hogere sferen reeds snel bewust van ’t feit dat ’t bij gassen een beetje andersom werkt.
Daar wilde ik ’t dus niet over hebben.
Al die andere dingen juist: die vaste & vloeibare stoffen. Die door mijn pogingen ze af te wassen, naar beneden gingen, weggespoeld werden van mijn lichaam, maar daarbij wel de weg van mijn ledematen moest volgen.
Al dat vuil, de smerigheid, de geurtjes, huidschilfers, microben, de onzichtbare profiteurs van mijn lichaam, ’t zweet, afgebroken haartjes, & wat al niet meer zij, dat alles nam de makkelijkste weg naar benee & zou uiteindelijk bij mijn voeten terecht komen. Dit vanzelfsprekend verklaard door ’t feit dat ik mij doorgaans staande pleeg te douchen. & De zwaartekracht de dingen met gewicht dwingt zich zo dicht mogelijk tot de kern van de aarde te begeven.

Ik dacht: gadverdamme, die voeten, dat zijn pas een stelletje viezeriken, daar onderaan de rest bungelend.

Hoewel ook mijn neus ’t zwaar te verduren had op dat moment in Zijperspace.

uitreiking

Vandaag ben ik elders.



Maar denk niet dat ik beladen met prijzen zal terugkeren in Zijperspace.
('t Is alleen maar dat men weet waar ik de laatste tijd 1000-en meeltjes aan heb besteed).

puinruimen (2)

Eigenlijk was dit ’t verhaal al.
Veel meer is er niet. De jongen waggelde naar boven, vlak voor me uit, ik gaf ‘m ondersteuning onder z’n armen, Kim greep af & toe naar z’n handen, om ‘m terug te dwingen de leuning vast te houden. Dat zou alles kunnen zijn. Misschien net iets meer.
Dan zou dat moeten zijn dat ik bij de deur stond.
Ik zei hem: ‘’t Is beter dat je in ieder geval even frisse lucht hapt.’
& Tegelijkertijd aanvaarde ik dat ook als een waarheid. Hij zou wakker worden als-ie buiten in de kou zou staan. Een koude ontnuchterende douche.

‘Waar is je jas?’ vroeg ik.
Ik besefte me dat ik die vraag al eerder had gesteld. Nu vroeg ik ’t op ’t moment dat we voor de uitgang stonden, even ervoor aan ’t begin van de trap.
‘Die hangt aan de kapstok.’
Ja, dat had-ie al eerder gezegd. Hij keek er ook zo bij. Alsof ik niets kon onthouden. Plotse heldere uitpuilende ogen. Een schuld van nuchterheid bij mij neerleggend.
Kim rende snel heen & weer. Trok ‘m niet veel later de jas aan.
‘Waar zijn je vrienden?’ ging ik buiten verder.
‘Weet ik niet.’
‘Een mobiel? Heb je een mobiel?’
Trage bewegingen richting broekzak.
‘Geef mij die anders even. Dan bel ik een vriend van je op. Ze kunnen je niet zomaar laten zitten, toch?’
Maar er zat geen kracht achter. Hij wilde niet genoeg. Z’n GSM bleef verborgen.
‘Ik moet hier even bijkomen,’ zei hij.
‘Ja, haal maar even diep adem. Dan word je nuchter. Of gooi ’t er anders allemaal uit.’
Dan ga ik ondertussen verder met schoonmaken, dacht ik erbij.
‘Ik kom zo wel bij je terug,’ zei ik & vertrok naar binnen.

Ik kwam terug. Hij zat ondertussen met z’n gat op de ijskoude grond.
‘Je moet lopen,’ zei ik. ‘Straks raak je nog onderkoeld. Waar zijn je vrienden?’
Wist-ie niet. Waar lijn 9 ging, dat wilde hij weten, of anders lijn 2, want daarmee was-ie hier aangekomen.
Ik wees de halte van lijn 9 aan.
‘Maar dan kan je beter een vriend bellen. Die kan je helpen. Je bent hier samen met vrienden gekomen. Dan moet je ook samen thuiskomen.´
´Lijn 2 ken ik trouwens niet,´ zei ik even later.
‘Laat mij anders bellen,’ stelde ik daarna voor.
‘Ik moet naar binnen,’ zei ik uiteindelijk, nadat-ie niet op m´n voorstel inging.

Dat was alles. Meer niet. Geen puin. Geen rommel. Misschien juist een enkele schaamhaar minder op de wc-rand, achtergebleven op zijn wang. Maar dat heb ik niet gecontroleerd. ’t Zou kunnen evengoed.
Hij was gewoon ’t volgende moment verdwenen. Toen ik weer kwam controleren of-ie niet in slaap was gevallen. Ik ben nog een blokkie om gegaan. Of er geen ingezakt figuur langs de kant van ’t gebouw lag.
Dat was alles. Meer niet.

Maar juist figuren die zijn verdwenen die blijven achtervolgen. Dat wat niet is gebeurd. Niet is voleindigd. Waar geen punt achter staat.
Hij kan de weg zijn gelopen die ik hem gewezen heb. Hij kan opgehaald zijn door een vriend die hij heeft gebeld. Hij kan in de bewuste tram in slaap zijn gevallen. Maar ook op een bankje even verderop, aan de kant van ´t water. Of in een portiek. Misschien had-ie uiteindelijk de euvele moed z’n vinger in de keel te steken. Of kwam de straffe wind hem te hulp & wist-ie weer waar-ie was.
Dat snap ik dus niet. Dat daar ’t verhaal begonnen is, waar-ie eigenlijk is geëindigd.

Ik herinner me de maan, een volle maan, die helder licht gaf, tussen 2 wolkenpartijen door. Op ’t moment dat ik op inspectie buiten was.
Ik dacht nog: ‘Die moet ik onthouden. Voor ’t geval dat ze bij me langs komen, om te vragen wat er met de jongen is gebeurd.’
Ik herinner me z’n jas. Hoe hij z’n handen met moeite in de mouwen kreeg, maar Kim nog even doorduwde.
Ik herinner me m’n t-shirt, waar geen kou doorheen leek te komen.
Ik herinner me m’n blik, een uur later, klaar van werk, op weg naar huis, naar de overkant van ’t water, speurend of er ergens op een bankje, toch nog……

Maar dat is ´t verhaal, niet meer dan dat, alles wat van hem rest in Zijperspace.

puinruimen (1)

‘Kim, kom even,’ zei & gebaarde ik.
Met een gezicht die noodzaak tot handelen probeerde uit te drukken.
‘Oh, hè!’ deed ’t gezicht van Kim, gelijk met haar mond & liep omstandig achter me aan.
Een klant had me 10 minuten eerder er op geattendeerd dat er iemand op de wc hing. Met waarschijnlijk de nadruk op ‘hing’, wist-ie te melden, gezien de vreemde manier van gaan richting toilet.
‘Shit,’ zei ik, ‘kan ik weer de kots opruimen.’
Ik nam snel een kijkje op de toiletten. De deur van de heren zat op slot. Dat kon van alles zijn. Dat zou ik later wel zien.
Waarna ik 10 minuten lang ‘t vooruitzicht ’t boeltje schoon te moeten maken stelselmatig uit m’n gedachten bande. Ik had nog wel wat andere klanten die ik bij sluitingstijd de deur uit te werken had. Wellicht dat ’t probleem zichzelf ook op zou lossen.

De deur zat nog steeds op slot toen ik terugkwam.
‘Shit.’
Mijn favoriete woord in dit soort omstandigheden. ’t Omschrijft niet alleen de gemoedsstemming, ook de omgeving waar ’t door bepaald wordt.
Ik klopte op de deur. Liet er een luid ‘Hé!’ op volgen.
Een zacht zuchten.
‘Hallo! Wat ben je aan ’t doen?’
Alsof ik ’t niet wist. Ik kon me er wel een voorstelling van maken. Hoewel ik er niet aan moest denken als die voorstelling niet ’t geval mocht zijn.
Ik klopte nogmaals. Nu enkele keren achter elkaar. Hard.
Ik hoorde een poging de keel op een drastische manier te schrapen. Mompelde zelf m’n favoriete stopwoord van deze situatie erbij. Om toch een beetje in ’t ritme van ’t moment te blijven.
De nog hardere methode, besloot ik. Zonder scrupules, ditmaal.
Terwijl ik keihard op de deur bonkte, zei ik: ‘Kom op, zeg. We zijn al 10 minuten dicht. Kom van die pot af. Of ik maak zelf de deur open.’
Met veel uitroeptekens riep ik dat.
‘Wat zeg je, Ton?’ riep Kim van boven.
‘Niks,’ riep ik terug. ‘Ik heb ’t tegen de jongen die hier op de wc zit opgesloten.’
Kim dacht in dezelfde favoriete woorden als ik, wist ik op dat moment.
Ik stond daar, met een emmertje sop, dweil er in, handschoenen voor ’t onder handen nemen van de verschillende wc-potten al aan. Ik had zelfs de steel van de mop in m’n rechterhand gereed. Gedachteloos. Ik kon er nog niks mee.
‘Maak in ieder geval die deur even open,’ riep ik naar de jongen. ‘Dan weet ik wat er aan de hand is.’
Geen reactie, slechts een kreunen. Een zwakke poging z’n maaginhoud omhoog te krijgen.

Ik kwam weer beneden. Kim achter me aan ditmaal. Een mes in m’n knuist gereed. Daar zou ik ’t slot wel even mee opendraaien. Een goede barman kan elk toiletslot open krijgen. Hij zal wel moeten, bedacht ik.
’t Slot was er echter al af. Rood was wit geworden.
‘Ah, hij is open,’ zuchtte ik ½ naar Kim.
Ik opende de deur.
Embryohouding noemen ze dat. Alleen raar dat je dan zo dicht bij die pisgeur wil hangen, verwonderde ik mezelf. Z’n wang hing steun zoekend op de rand van de pot. ’t Was blijkbaar ’t enige deel van z’n lichaam dat nog kracht bezat. Waar hij alle kracht die er nog restte in had gestopt. Om vooral nog welgemikt niet buiten de rand over te kunnen geven.
Ik moest slechts denken aan de schaamharen die ik op diezelfde plek altijd bij ’t verschonen van de plees pleeg te vinden. Daar wordt een mens nuchter van, besefte ik me. ’t Zette me aan tot actie. Ik kon die jongen niet al te lang in z’n eigen schaamte laten hangen.
Dus zei ik: ‘Kim, ik pak ‘m op. Als jij achter me blijft staan voor eventuele ondersteuning.’
& Zo deed ik.
‘Kom op, lopen,’ dirigeerde ik ’t slap hangende lichaam, waar ik eerder op de dag nog een geest in vermoedde, & duwde hem tree voor tree de trap op.

Dit wordt te lang, dat vraagt om een vervolg in Zijperspace.

demper

Op woensdag 23 februari hadden ze een geluidsdemper op de aarde achter gelaten. Ik ben even naar buiten gegaan om ’t te controleren. ’t Passerende vliegtuig was niet meer dan wat eentonig gebrom.
’t Gefladder van de vleugels van de duif verstomde tegen ’t laagje dat overal opgesmeerd was. ’t Had geen weerkaatsing, werd eerder opgenomen, geabsorbeerd door de omgeving, zodat ’t geluid niet veel kanten op kon. Omstandig viel de duif enkele takken aan, beroerde ze, dwong ze hun lading af te staan, om zodoende zich weer enigszins vertrouwd met haar omgeving te voelen. Onmiddellijk hoorde ik ’t vroegere geluid, van nog geen dag geleden, even terug; ’t klapwieken van de opgaande duif ging echter alweer snel verloren. Ze was geschrokken van mijn luisterend, waarnemend gezicht, opgevlogen & had zich weer door de alles opslokkende bedekking laten overdonderen, waarna ze weer anoniem vertrokken was in ’t niets. Of dat moet ik eigenlijk niet zeggen: in alles was ze weggegaan, maar nu met een omhullende laag. Er was daardoor nog meer ‘alles’ dan voorheen. ’t Leek alleen wat meer op elkaar.
De doffe lage toon van ’t vliegtuig was reeds voorbij.

1st Kwam de sneeuw als dunne pijltjes de aarde bestormen. Stralen van dunne pijltjes. ’t Volgde elkaar snel op, zodat ’t lijnen in de lucht leken. Ik kon er geen onderscheid in bekennen. ’t Was slechts dat er een vaag waarneembaar gordijn was opgehangen, die een stroom naar beneden vertoonde.
Ik dacht: ‘Wat zijn ze daarboven toch geduldig.’
Zo minuscuul dun als ’t was. ’t Leek een verrassingsaanval. Soms hoor je nog wel ’t zachte ruizen. Moet je je voorstellen: ze komen met miljarden tegelijk aan. Als ze allemaal ‘tzelfde zeggen op ’t moment van aanraking met de aarde, dan veroorzaakt ’t uiteindelijk toch zeker wel een zucht.
Ik deed de deur nogmaals open om te controleren of die gedachte zou kunnen kloppen.
Ik hoorde: ‘Zuuuuuuuuucccccccchhhht.’
& Dat minuten lang. De ‘z’ aan ’t begin & de ‘t’ aan ’t eind waren eigenlijk niet aanwezig. ’t Was meer een eindeloos, & zacht bovendien, uitademen. Van m’n oma die in haar stoel ging zitten, zodat je niet wist of ’t ’t indeuken van ‘t kussen betrof of de opluchting van oma dat ze eindelijk zat. & Dat ze dat alsmaar door bleef doen.

Dan kwam de wirwar. De geheim agenten, die niet laten zien waar ze vandaan komen of waar ze heen gaan. Ze cirkelen rond, schijnbaar gedirigeerd, hun weg wordt omgeleid door de wind. Ze gaan nog even een hoekje om, om dan geheel onverwachts ook een plek in te nemen. Maar toen was m’n aandacht alweer afgeleid door de volgende kluwen van vlokken. Ze grepen elkaars staart, waren daar naar op jacht, leken ieder individueel pogingen te ondernemen de storm te beteugelen, terwijl er nog steeds niets klonk dan dat ene zuchten van de aarde die zich liet overschaduwen door ‘t witte licht.

Ik stond inmiddels in de keuken. Bekeek ’t van een veilige afstand. Je laat je anders te veel in beslag nemen door die constante hypnose. Alsof er 100-en ogen je strak blijven aankijken, je daar niet door gevangen wilt raken, alvast op zoek gaat naar een volgende, voordat die voorganger in ’t niets daaronder zal verdwijnen & je meegesleurd raakt in die oneindigheid. Je wilt met ze mee & dat ook weer niet; je wilt controle behouden & tegelijkertijd opgenomen worden in hun vlucht, hun trage gang naar benee.
Ik vulde suiker bij. De pot moest vol voor bij m’n thee. Ik liet suiker door een trechter in ’t kleine suikerpotje lopen, liet me leiden door dat geluid. & Moest denken dat ’t beter was dat suiker niet naar beneden viel. ’t Zou te snel gaan, te onverwacht. & De wereld een ijzeren gordijn, waar geluid niet verstopt raakt in z’n eigen wolligheid, z’n eigen wil te worden geabsorbeerd, maar zich zou laten overmeesteren, overdonderen door dat wat harder schreeuwt.

Toen kwam de berusting. Alles tegelijkertijd & in ‘tzelfde tempo. De deken werd uitgeschud & neergevleid. Er was geen ontkomen meer aan. Straks zou alles ‘tzelfde zijn, of in ieder geval er zo uitzien.
Ik ging zitten in m’n stoel & las een boek. Ik wist dat ’t toch zou doorgaan & misschien wel nooit zou eindigen.

Ik werd gewekt door een opvliegende spreeuw. Ik hoefde niet naar ’t raam te gaan om te weten dat de dooi was ingezet.

Ik zou m’n eigen gedachten weer horen spreken in Zijperspace.

janpiet

'jan' posted the following comment:

WAAR DE HELL SLAAT DIT OP?!?!?!?!?!?!?

-------------
name: jan
ip: 82.72.140.111
date: 2005-02-21-19-13
email: janpiet@home.nl
url:

This is a comment on entry 'passanten'
-------------

Beste Jan,

Als je dat wil weten, dan kan je 't beste 't hele stuk lezen. Als je daartoe niet bij machte bent, dan verzoek ik je mijn weblog niet meer te bezoeken. Ben je daar dan weer niet toe in staat, dan kan je 't verzoek indienen geband te worden. Bannen (uitspraak: 'bennen', naar 't engelstalig werkwoord 'to ban') houdt in dat je middels je ip-adres niet meer geaccepteerd wordt op mijn weblog. Dit verzoek dien je in door nogmaals te reageren mbv hoofdletters. Ik heb je ip-adres al, ik weet waar je vandaan komt, je hoeft slechts je gevoelens overdreven & gefrustreerd te verwoorden & je bent voorgoed verlost van de verplichting mijn schriftelijke uitingen te lezen.
Makkelijk hè? 't Leven kan zo eenvoudig zijn. Zelfs eenvoudiger dan jij onder woorden kan brengen.
Dat nemen we jou dan ook niet kwalijk. Dat 't leven eigenlijk, uiteindelijk, zo eenvoudig kan zijn bedoel ik dan.

Groeten,

Uit Zijperspace van Ton.

doktertje

‘Ik heb slechts 1 keer meegemaakt dat ’t cafeetje open was,’ zei Hugh. ‘Daarna ben ik nog meermaals langs geweest, maar ’t was nooit open.’
Toch gaan we ’t proberen. We lopen er immers langs.
‘Er brandt licht,’ constateren we.
Hugh had me verteld dat de lampen nooit afgestoft werden. ’t Stof hing er met draden aan. Sinds de vorige eigenaar was gestorven, zo had ’t verhaal van de barman geluid. Hoewel Hugh ’t niet zeker meer wist. ’t Kleinste kroegje van Amsterdam, dat wist-ie wel.
We duwden de deur open. Door de gordijnen erachter weerklonk al jazz. Daarachter lag de beperkte ruimte. 4 Tafeltjes voor 2 personen & een bar.
‘Heren, ik moet u wel melden dat we om ½ 10 sluiten,’ zei de heer bij ’t raam.
Hij onderbrak er even z’n gesprek met een dame voor.
‘Dat geeft niet,’ reageerde ik. ‘We zijn zo weer weg.’
Hij kwam aan de andere kant van de toog staan. Schonk ons 2 bier in. Daarmee namen we plaats aan ’t enig overgebleven vrije tafeltje.
2 Studenten in de hoek onder de trap, een toerist aan een sigaar naast me & de dame met barman bij ’t raam.
‘’t Toilet?’ vroeg ik.
‘De trap op.’
Ik volgde een smalle ijzeren wenteltrap naar boven & vond een deur. De ruimte daar was relatief ruim vergeleken met wat ik beneden had aangetroffen. De weg terug naar beneden eng, omdat ik nu de beperktheid ervan kon overzien.
Ik ging weer naast Hugh zitten. We keken voor ons uit. Of eigenlijk onze ogen uit. In elke hoek was wel iets te ontdekken.
Inderdaad slierten stof aan de lampen. De kappen half verteerd.
Om beurten verliet de rest van ’t publiek de kroeg. De studenten hadden de meeste moeite.
‘Ja, jongens, ik moet morgen weer vroeg op.’
‘Naar de brasserie,’ begreep 1 van de jongens.
‘Ja, daar moet ik weer om ½ 8 beginnen. & ’s Avonds meteen door naar hier.’
‘U bent niet de hele tijd open, begrijp ik?’ stelde ik een vraag tussendoor.
‘Jawel, we zijn de hele week open,’ legde de man uit. ‘Maar door de weeks niet tot na ½ 10. Dat heeft toch niet veel zin. Daarom doe ik ‘t. Dan hebben m’n schoonouders een beetje rust.’
‘Oh, ’t is niet uw kroeg?’
‘Nee, van m’n schoonouders.’
Ik bekeek de man nu wat beter. Een man op leeftijd. Hij zou met pensioen kunnen zijn als-ie niet in ’t vak zou zitten. Een snorretje, een bril. De rustige uitstraling van iemand die alles al eens heeft meegemaakt & ‘t vanzelf wel ziet gebeuren als iets weer langskomt.
‘Ik heb zelf de brasserie op ’t Rokin, hier om de hoek,’ legde de man verder uit.
‘Maar dan zijn uw schoonouders al aardig op leeftijd,’ nam ik aan.
‘Je mag raden.’
Nu moest ik voorzichtig zijn. Zijn leeftijd niet overschatten & vooral ook niet te laag. Hoewel ’t natuurlijk niets zou zeggen. Hij kon een jonge vrouw getrouwd hebben.
‘Tegen de 70,’ probeerde ik.
‘Bijna,’ zei hij. ‘Zij is 71 & m’n schoonvader 74. Maar ze staan nog met veel plezier. Zij doen de weekenden. Vinden ze heerlijk, die drukte. ’t Houdt ze jong, moet je maar denken.’
‘Ze zullen ’t toch niet eeuwig kunnen blijven doen?’
‘Nee, dan hoop ik ’t over te kunnen nemen. & Als ik ’t niet meer kan, dan heb ik altijd nog een dochter. ’t Is al 6 generaties in dezelfde familie. Dat kan je niet zomaar loslaten.’
‘& ’t Interieur blijft ‘tzelfde?’ informeerde ik, wijzend naar de lampen.
‘Prachtig, hè. Is van kalfsleer. Dat spul verteert langzaam. Dat verdwijnt. Op een gegeven moment is de hele kap verdwenen. Heb je alleen nog de slierten stof die er aan herinneren.’

Maar eigenlijk blijft alles ‘tzelfde, net als dat we in Zijperspace zouden willen.

familie-archief

Eigenlijk voor m'n moeder.
'Kijk 'ns, Mamma, wat ik kan!'
Of: 'Daar, die hand, Mam, je zag toch net een hand van links even in 't beeld schuiven? Dat was ik. Ik stond daar op m'n tenen & m'n buurman duwde me in m'n rug, maar ik kon nog net overeind blijven.'
&: 'Heeft Pa 'm nou opgenomen?'
Ook wel: 'Zit-ie al in 't familie-archief?'

M’n oudste broer die de pijp van onze oom in z’n mond heeft. Een klein fotootje in de Libelle, met bijgevoegd schrijven. De mededeling in de krant dat onze hond Tasja een prijs had gewonnen op dierendag. De advertentie van ’t Pedac, waarin vermeld wie er dit jaar allemaal geslaagd waren. ’t Ongeluk van m’n broer. Een andere broer die toevallig óók op de foto stond van een speciale gebeurtenis. M’n vader. Heel vaak m’n vader. Als directeur, als genealoog, als vogelliefhebber, als pelgrim, als van alles. M’n moeder nooit.
& M’n vader die glunderde dat ’t allemaal opgeslagen zou worden in ’t familiearchief. Wij hoopten dat we de volgende zouden zijn die daarin als extra bladzijde opgenomen zou worden.
Tot ik hoofdredacteur werd. M’n naam in elke publicatie bovenaan stond & ik die blaadjes elke maand naar m’n ouders stuurde, op kosten van de universiteit.
‘We moeten een apart archief voor jou aan gaan leggen,’ zei m’n vader. ‘’t Past niet meer.’

We waren, ik was, écht jaloers als iemand anders een voorsprong kreeg. Heel veel aandacht van de media. M’n broer met z’n eendenkooi. Dat bleef maar doorgaan. Er was een deskundige nodig & m’n broer werd er bijgehaald. Hij had verstand van de duinen, van vogels, van honden die buiten paden liepen, van eendenkooien vanzelfsprekend, van de natuur, van stilte, van ’t broedseizoen, etcetera. Daar viel niet tegenop te concurreren. & Toch probeerde ik ‘t.
Ik had ’t vermoeden dat m’n vader ‘tzelfde deed. Zoals die zat te gniffelen als-ie een krantenartikel over zichzelf aan ’t uitknippen was.

Ik zit op een kruk, naast de bar. Te wachten tot ’t gebeuren zou, de drukte. Tot ik loos mocht.
Komt die man om de hoek van de ingang kijken. Verdwijnt weer.
Ik denk: ‘Hij was op zoek naar andere Ethiopiërs.’
Komt weer terug.
‘Wil jij ’Het Weer’ doen?’ vraagt-ie mij met hoofdletters. ‘Voor AT5.’
‘Ja, hoor.’
Meteen mezelf er op betrappend dat ik ’t graag doe. Mag niet, heb ik inmiddels geleerd. Je kop laten zien mag je niet te graag willen.
Dus onderkoeld loop ik achter ‘m aan. Denk ondertussen aan de pijp in de mond van m’n oudste broer, een gebroken been, ’t jeugdhonk van m’n 1 jaar oudere broer, m’n vader die knipsels maakt, de mappen waarvan ik niet weet of ze bestaan, m’n moeder die geen amsterdamse tv-zenders kan ontvangen.

De volgende dag zeg ik tegen Sandra: ‘Ik deed ’t gewoon.’
‘Nee,’ zegt Sandra, ‘jij deed ’t niet gewoon. Jouw hoofd stond op dat moment niet stil.’
‘Stom, hè,’ denk ik dan, ‘alleen maar omdat ’t weer voorspeld moest worden.’

Daarom (niet met elk willekeurig programma te openen, geloof ik).

Zo, die tekst is wel lang genoeg, ook voor zijperspaciaanse begrippen.

janneke

‘Met Janneke,’ klinkt ’t aan de andere kant van de lijn. ‘Maar nou bedenk ik me dat ik helemaal niet had hoeven bellen.’
‘Da’s mooi,’ zeg ik droog.
‘Ik hoor je stem & ’t schiet me te binnen waar ’t is. Ik kon me de straat niet voorstellen. Dus ik dacht: ik bel even voor een routebeschrijving.’
‘Ik ben blij te horen dat mijn stem zulke gevolgen kan hebben.’
Een korte giechel van de onbekende Janneke.
‘Dan kom ik zo naar jullie toe.’
‘Tot straks, Janneke. Ik zal zorgen dat we ons niet verplaatsen in de tussentijd.’
Dat doe ik anders nooit. Iemands naam gebruiken in ‘t 1e gesprek. Ik weet niet eens hoe ze er uit ziet.

Ik weet dat zij ’t is. Daarnet was ik bang dat ’t iemand anders was. Een dik meisje, ruikend naar babyzeep, waarschijnlijk om zweetlucht te verbloemen. Dat zou Janneke nooit doen, waag ik te vermoeden.
Maar zij is ‘t, zij die voor me staat. Er zit alweer 2 uur tussen. Ze kan anoniem aan mij voorbij zijn gegaan, haar eigen ding hebben gedaan, afgerekend hebben, de deur weer achter zich gesloten. Maar nu staat ze hier, dus ik weet dat m’n vermoeden juist is. Ze keek ook nog even bezorgd nieuwsgierig naar binnen bij ’t vastzetten van haar fiets. Eenmaal binnen strekte ze haar hals, keek omhoog naar de glazen, zuchtte ‘Poeh, wat moeilijk, zeg’ & ik hoefde niet meer na te denken. Ogen van mensen die 1st bellen voor ze komen staan anders.

‘Heb je ook Janneke-bier?’ vraagt ze.
Ze wil zichzelf een pauze geven. Een moment om ’t op haar in te laten werken. Er zijn te veel mogelijkheden. Bovendien wil ze verklappen. Ik heb haar naam onthouden, weet ze.
‘Ja, jij was degene die belde,’ moet ik nu wel zeggen.
Liever had ik ’t zonder aanwijzingen naar voren gebracht. Dat had mij een voorsprong gegeven.
Ze knikt. Blik over haar schouder. Ik voel ‘m tasten terwijl ik totaal overbodig de schappen afspeur.
‘Nee, sorry,’ zeg ik. ‘Dat hebben we niet meer.’
‘Wat is ’t ook moeilijk zoiets,’ zucht ze weer.
Ze gooit haar hoofd weer achterover.

Ze heeft zwart haar, zwarte lijntjes onder haar ogen. Per ongeluk is een korreltje afgevallen. Bij haar linkerooghoek. Ik zou kunnen waarschuwen, maar kijk er liever naar. ’t Staat wel leuk bij haar sproeten. Haar kleren zitten nonchalant; passen goed bij haar opoefiets. Zwarte toon, maar niet overheersend. Van de kou op de fiets is haar oog gaan tranen. Daar zit ’t korreltje verkeerd.
Terwijl zij de gekozen glazen nader bestudeerd kijk ik van korrel naar pupil. Schijnheilig de prijslijst aftastend. Dat doe ik op routine.
Ze twijfelt nog steeds.
‘Hoe drink jij je bier?’ vraagt ze.
‘Uit een fles,’ grap ik, ‘maar meestal uit een glas.’
Ik doe haar de lach voor die erbij hoort. Niet overdadig. Leuk, ontspannen, zo wil ik overkomen.
‘Ja, ik ben erg wijs vandaag,’ leg ik haar maar uit. ‘Sorry daarvoor.’
‘Ja, jij bent wijs. & Ik ben een beetje suffig.’
Ze vindt ’t wel leuk wat haar overkomt. Ze geniet van haar naïeve vragen.

‘Is ’t een stel, voor wie ’t bedoeld is?’ vraag ik.
Ze heeft 2 keer dezelfde glazen gekozen.
‘Ja, daarom heb ik 2 dezelfde glazen genomen. Ik dacht: ik kan 2 keer 2 glazen geven. Maar ook 1 keer 4.’
‘Nee, 4 keer 1,’ verbeter ik.
‘Ja, 4 keer 1,’ lacht ze me weer toe.
Ze lacht binnensmonds. Ik moet kijken hoe ze ademt als ze lacht. Als ze lacht of ze lacht. Da’s onderdeel van ’t spel. ’t Mag er niet te dik bovenop liggen.
‘M’n vriend vond 4 keer 1 beter,’ voegt ze er aan toe.
‘Zal ik ze dan maar inpakken?’ vraag ik snel.

‘Bedankt voor je hulp,’ zegt ze.
‘Graag gedaan,’ zeg ik. ‘Tot ziens.’
Ik zeg maar geen Janneke meer. Je moet je grens weten.
Ik weet dat ze nu buiten haar fiets van slot gaat halen. Voor ’t raam van de winkel. Ik ga niet kijken. Moet me bezighouden met een klein klusje. Glazen weer op hun plaats bijvoorbeeld. Een mens moet niet makkelijk te verleiden zijn tot een blik. Bovendien weet ik toch wat komen gaat. Slot los, bovenste knoopje vast, tas achter op haar heup, mouwen iets naar voren, een laatste glimp.
Terwijl ik bezig ben, komt een volgende klant binnen. Ik kijk naar de nieuwkomer, meteen daarna door naar buiten. Een glimp. Van deze afstand kan ik nog net ’t korreltje in haar ooghoek aanwijzen. Ik zie de afwachting, een lach die geen lach wil zijn.
‘Goedendag,’ zeg ik.
Een zwarte schaduw fietst weg uit m’n ooghoek.

Maar ik weet dat ’t origineel nog even zal blijven hangen in Zijperspace.

ergerrecept

’t Begint met de crème fraiche. Of eigenlijk eindigt ’t daarmee. Want ik voeg ’t als laatste toe. Maar altijd als ik de spullen om me heen verzamel, vandaag heb ik ’t voor me staan zoals ik ’t uit de plastic boodschappentas heb uitgepakt, zie ik de bakjes crème fraiche als 1st. De irritatie aan hen zie ik ‘t 1st. Hoewel ’t ook met fascinatie te maken heeft. Ligt aan de manier van openen. Niet de bovenkant, nee, de onderkant. Als ik ’t omgekeerd boven de maaltijd hou, de net niet bereide maaltijd, & de crème fraiche de rest moet gaan vergezellen. Je kan ’t gaan uitlepelen, met mes, vork of daadwerkelijke lepel, maar dan blijft er altijd wat achter. Ik wil de volle mep. Ondanks korting bij de kassa wil ik alles waar ik voor betaald heb. Dus prik ik in de bodem, de op z’n kopse bodem, gaatjes. Met m’n puntige mes, niet met een vork. Dat is al een paar keer verkeerd afgelopen. Vork in duim, vanwege enthousiasme voor ’t prikken. Dus met ’t puntige mes beweeg ik snel een paar keer heen & weer, gaatjes er in pogend. Tot-ie zucht. & Alles er in 1 keer uitfloept. Zelfs met m’n vinger schrapen levert geen extraatjes op.
Nadeel dus: ik moet niet de hele tijd in dezelfde regio van de onderkant van ’t bakje prikken. Dat kan ertoe leiden dat er een stukje plastic meekomt, wat mij ooit eens overkwam. Ik vond ’t een week later terug. Al kauwend wist ik meteen wat er aan de hand was. Ik zag ‘t 3-hoekig stukje nog verdwijnen, z’n schaduw in de bodem achterlatend, oplossen in dezelfde kleur als wat ’t omhuld had. Die zie ik nooit meer terug, dacht ik, of voel ’t hooguit ooit nog eens schuren langs de wanden van m’n darmen.

& Vanwege die irritatie, niet alleen ’t crème fraiche-bakje, kook ik niet al te vaak. Diepvriesmaaltijden worden ‘t. Ik sla in voor minstens 3 maaltijden. Dit recept 4. Hoewel ik dan weer te weinig Tortellini kook. Dat compenseer ik door extra verlekkerd te veel saus op de gevulde deegkrulletjes te scheppen. Dat maakt veel goed, denk ik dan. Dat maakt dat ’t zin heeft gehad, een vette bek, ’t druipt bijna langs m’n kin omlaag, & ik proef die pepers tenminste. Stel je voor dat al die moeite door de zachte dons van ’t deeg overspoeld zou worden. Ik eet ook patat om de saus. Zo zit ik nu 1maal in elkaar.

Dan heb ik ’t over die pepers. Die ik van tevoren probeer te snijden. Ik ben nog niet begonnen, nog niet officieel, ’t vuur onder de pannen moet nog ontstoken worden, als ik de pepers alvast snijd. Dat vermindert irritatie van tegen de klok in werken. Je komt altijd tijd te kort in de keuken. De ingrediënten houden geen rekening met de de traagheid van de amateurkok.
Die pepers moeten zo gesneden worden dat je vingers er niet onder lijden. Of eigenlijk m’n neus, of m’n ogen. Daar blijk je onbewust altijd een keer te krabben of te wrijven. Moet je net die pepers gesneden hebben, op juist de verkeerde manier.
Dus verwijder ik ’t kapje, van beiden, ga boven de vuilnisbak hangen, mangel ze tussen m’n 2 handen, zodat alle zaadjes los komen te zitten & schud ze dan uit. Snijd ik ze vervolgens in 4-en, ’t uiteinde laat ik vast, zodat de 4 reepjes bij elkaar worden gehouden, blijken er altijd wel een paar zaadjes te zijn blijven hangen.
Dat hadden we niet afgesproken, denk ik naar die zaadjes toe. Er volgt geklooi met een mes, zorgvuldige pogingen aanraking met de vingers te mijden & een kwartier later blijk je toch jeuk te hebben, branderige jeuk, aan de binnenkant neus.

Goed, die pepers, in kleine stukjes, ik heb ’t uiteindelijk toch voor elkaar, gooi ik op een gegeven moment bij ’t reeds lichtjes aangebakken spek. Die ik natuurlijk weer veel te goedkoop bij de Albert Heijn heb gekocht. Papperig, vet, niet krokant, een blubberige derrie. Daar had ik net zo goed voor kunnen omrijden naar de keurslager. Maar die zal dan wel weer de opmerking maken dat mager spek niet bestaat. Dat ’t een uitdrukking is voor mensen die niet meer weten wat vlees is, sinds ze ’t niet meer zelf hoeven te jagen, maar gewoon uit de supermarktschappen halen.
De knoflook, die vlak voor de pepers zijn toegevoegd, heb ik altijd weer net een week te lang laten liggen in ’t kastje, die had ik net zo goed wél mee kunnen nemen met de rest. Wat kost een zakje van 2 nou helemaal? Nu kost ’t moeite ze door de knijper te laten gaan, alle 4 de stukken, ’t wordt schrapen naar ’t midden van de knoflookknol om toch nog de gewenste hoeveelheid voor de maaltijd bij elkaar geschraapt te krijgen.
De champignons, ook een supermarktproduct, zijn van ’t kastanjesoort. Ik weet niet wat kastanjechampignon moet behelzen, maar ze zien er lekkerder, duurder, gezonder & vleziger uit dan die nepsoorten die helemaal verbleekt uit ’t onderste der aarde zijn gehaald. ’t Klinkt ook veel beter: kastanjechampignons klinkt naar een goede maaltijd.
Maar de daadwerkelijke irritatie van deze ligt vooral bij ’t feit dat ik me altijd zit af te vragen hoe ik die dingen dan schoon moet boenen. Wie schrijft dat voor? Dat kost veel te veel moeite. Dus spoel ik ze snel een beetje af. & Bedenk dan dat ik dat beetje extra door de champignon opgenomen vocht best wel in ’t eten kan waarderen. Brandt ’t bovendien niet zo snel aan.
& Terwijl de champignons bijna zwart staan te branden, alsook de rest in de pan, ben ik weer veel te laat begonnen met ’t snijden van de paprika. Die moet naar mijn zin toch elke keer weer in veel te kleine stukjes. ’t Moet wel, want anders past ’t niet bij de tortellinisaus, anders wordt ’t ook niet gaar. ’t Mag niet krokant namelijk.

Dus dan, vlak voor die ellendige bakjes crème fraiche worden leeggegooid, gaat de paturain er overheen. Zit ik met m’n vingers te wroeten & te woelen om ’t in de pan gelegd te krijgen. Blijft ’t aan de pollepel plakken terwijl ik roer. Zitten m’n vingers onder, alsook de pollepel. & De randjes van de pan, waar ’t nou juist niet moet zijn. Altijd die rottige randjes van de pan, waar je niet met de hele pollepel kan komen.

Verdomme, denk ik dan, & stop voor straf m’n héle wijsvinger in de pan. Dat zal ze, denk ik richting de inhoud van de pan, terwijl ik die vinger vervolgens volledig in m’n mond stop. Om ‘m te blussen, want die saus is best wel heet.

Enigszins afgekoeld gieten we daarna de tortellini af.

brievenbus

Ik moet ’t nog ergens tussen m’n papieren hebben liggen. Ergens tussen m’n administratie & m’n dagboeken in. Of bij de agenda’s van school. Tussen de plaatjes & schrijfsels van verloren lesuren.
Ik weet nog dat ik de ongebruikte pagina’s vulde. Heimelijk, om de les niet te verstoren, schoof ik m’n opmerkingen onder de neus van Ode. Als de vraag gesteld zou worden waarom we niet aan ’t opletten waren, konden we altijd nog zeggen dat we onze agenda’s op elkaar afstemden. In ’t belang van onze roosters. Had de docent ook belang bij, toch?
Ode glimlachte vergenoegd van onder haar oogleden tijdens ’t overlezen van m’n grappen & ontboezemingen. Haar pretoogjes spiedden mijn kant op. Ze pakte haar vulpen, of had die al de hele tijd in haar hand, maar hield ‘m nu schrijfklaar gericht op weer zo’n bijna blanco bladzij van mijn agenda & voorzag me van antwoord. Guitig lachend. De kuiltjes zaten in haar wangen.
Daar moet ’t zijn ontstaan, hun idee, ’t idee van Ode & Lilly. Lilly zat aan de andere kant van Ode. Ze deelde ook in de correspondentie door mee te lezen, losse briefjes toe te voegen, door net zo moeizaam stiekem te doen als ik, maar ’t te laten controleren door Ode, de grootste schijnheil, die met haar goudeerlijk koppie de grofste leugen om kon buigen tot een belangstellende vraag voor de docent: ze had die laatste opmerking niet helemaal gevat, zei ze als ze merkte dat deze aanstoot begon te nemen aan ’t geroezemoes & gegiechel achterin de klas.
Daar moeten ze begrepen hebben dat ik ’t wel ‘ns leuk zou vinden. Daar moet ik geschreven hebben in zo’n eigenlijk overbodige, maar voor onze saaie uurtjes o zo noodzakelijke, pagina van m’n agenda, dat ik wel aanbeden wilde worden, geruisloos, onhoorbaar, zuchtend zacht, toch merkbaar, als ik toevallig voorbij liep & een stotende elleboog net niet aan m’n aandacht voorbij zou gaan.

’t Gevoel meel te kunnen ontvangen was voor mij ongeveer ‘tzelfde als voor ‘t 1st in je leven een eigen brievenbus te mogen hebben. ’s Ochtends bij ’t geklepper even de hoek van de deur kijken om te zien of ’t post voor mij was, wat voor post, hoeveel & hoe belangrijk.
Waar ’t voorheen altijd voor m’n vader was, kwamen er nu rechtstreeks meldingen uit de rest van de wereld dat ík bestond, dat ik geregistreerd stond (dat vooral) & dat men belang in mij hechtte (vaak in de vorm van verzoeken rekeningen te betalen, maar toch).
Bij meel vertaalde zich dat in nog persoonlijker berichten, vaak zonder enig belang bij financieel gewin, speciaal aan mij gericht. Helaas had indertijd nog niet iedereen de mogelijkheid tot deze vorm van communicatie, maar binnen een jaar kreeg ik wel de gelegenheid een relatie ermee uit te bouwen, nog verliefder te worden, ’s avonds laat nog sneller de fiets te pakken om richting haar huis te vertrekken. Met slechts de telefoon tot onze beschikking was dat waarschijnlijk niet gelukt. Kon ook niet; die was bezet, omdat we de hele tijd online wilden zijn om elkaars berichten te kunnen lezen.

Of ’t antwoordapparaat. Daarvan dacht ik dat die ook als extra brievenbus zou gaan fungeren. Als student liep ik in spanning de trap naar m’n kamer op, in volle verwachting van wat ’t knipperende rode lampje me zou gaan melden, na een studiedag afwezigheid. Een extra contact met de wereld, een mogelijkheid nieuws, belangstelling te ontvangen van die ene onbekende. Of de bekende onbekende, die ’t nu toch eindelijk eens moest laten weten. Dat ik speurend in m’n geheugen naast m’n antwoordapparaat zou blijven staan, steeds rewind indrukkend, om te achterhalen waar die zwoele vrouwenstem vandaan kwam, wie de bezitter ervan was, om te genieten van ’t voortduren van de boodschap, een eeuwige aanbidding zolang ik ’t knopje maar in bleef drukken.
Nooit gebeurd.

Wel dus dat ik 2 enveloppen in m’n brievenbus vond. Of in die van m’n vader, die waar mijn vader zijn dagelijks leesvoer uit zag komen, hem dwingend in z’n stoel te gaan zitten met zijn administratie, financiën, correspondentie & ’t allemaal op orde te brengen. Dat tussen die post post voor mij zat, 2 enveloppen groot.
Ik was weer in Den Helder, had de amsterdamse schoolbanken naast Ode & Lilly vaarwel gezegd & was weer tijdelijk terug in ’t ouderlijk nest. Ik had met bijna niemand contact. Iedereen zat in Amsterdam of een andere grote stad voor studie, of anders waren ze druk bezig ’t jaartje nog een keertje, maar ditmaal met succes, over te doen, midden in tentamens, examens & een schoolwereld waar ik niet in terug wilde keren.
& Tussen die stilte van niemand die aan mij dacht, vond ik 2 enveloppen, gevuld met kaarten die beiden zeiden dat iemand van mij hield. 2 Verschillende handschriften, maar gekleurd in dezelfde thema’s, waarschijnlijk op ‘tzelfde moment in dezelfde winkel in Amsterdam gekocht (kon ik aflezen uit de poststempels, beiden gedateerd 12 februari 1985).
Ik moet ze nog ergens hebben liggen, tussen oude papieren, tussen dagboeken & agenda’s, van een studie waarbij ik in de bank naast Ode zat & daarnaast Lilly.

Maar vandaag, net als anders, ligt er niks in de brievenbus van Zijperspace.

afscheidsduik

Een enkele keer stond er in de krant vermeld dat er ingebroken was. In ’t snoephokje van ’t buitenbad. Er was dan een greep gedaan in de aanwezige voorraad snoepgoed, ’t beetje kasgeld was weggenomen. Vervolgens deden geruchten de ronde dat er ’s nachts valse honden over ’t zwembadterrein werden uitgezet.
Dat weerhield ons niet. ’t Was immers traditie. Wat voor traditie wisten we niet precies, maar we hielden elkaar voor dat men toch minstens 1 keer per jaar een illegale duik in ’t buitenbad van de Schots moest nemen. Of dan in ieder geval 1 keer in je leven. Op ’t randje van volwassendom.

Ik stelde ’t voor. Maar helaas had ik al vaker moeten constateren dat mijn plannetjes op zo’n manier door anderen werden overgenomen dat ’t niet meer te achterhalen viel dat ik de oorspronkelijke initiator was. Dus sloot ik de rij van een stoet fietsen door de nacht, onderweg van ’t laatste schoolfeest van onze jeugd naar de nachtduik in ’t zwembad. Mijn persoon enigszins verbolgen over ’t feit dat men vergat dat ik degene was die ’t had geopperd.
‘t Laatste schoolfeest. ’t Was maar de vraag of ’t m’n laatste schoolfeest zou blijken te zijn. Ik had nog 3 herexamens te gaan. Ik moest daar nog enkele weken op studeren, terwijl de rest de andere kant van de wereldbol zou bezichtigen, z’n intrek nam bij een tante of oom om alvast op kamerjacht te kunnen gaan of geld zou gaan verdienen om ’t nieuwe huis in de grote stad te kunnen betrekken & naar behoren te kunnen inrichten.
Voor mij was ’t niet zo’n definitief feest als dat ’t voor anderen was. Ik mocht wel komen, dat vooral, maar ’t zou meer in ’t teken staan van andermans afscheid. Ik moest ’t nog maar bewijzen, dat ik weg zou gaan.
Dat gaf ook niet, vond ik. Ik hield niet van afscheid nemen, ergens een punt achter zetten. Alles ‘tzelfde, & dat dan zo lang mogelijk, dat was toen al voor mij ’t uitgangspunt.

& Tradities, ik was niet de man om met tradities te breken, dus had ik ’t plan geopperd, had me daarin zelfs goed voorbereid & een handdoek van huis meegesleept. Daaraan kon je ook zien dat ik ’t was, de badhanddoek in een plastic tas op m’n bagagedrager. Dat ik ’t brein was, zei die handdoek, want wie nam iets soortgelijks mee naar ’t afscheidsfeest? ’t Zei dat ik degene was die miskend werd. Dat men eigenlijk achter mij aan zou moeten rijden ipv achter de mannen met de grote bekken.
Toch was ik degene die volgde. Ik zou straks wel bewijzen, op een moment suprème, dat ik van tevoren had geweten dat we ’t zouden gaan doen.

De fietsen werden verspreid. Vooral niet allemaal opzichtig in beeld bij de ingang van ’t zwembad. Beter tussen bosjes, om de hoek aan ’t eind van ’t fietspad, op de brug verderop of onderaan ’t hek, zodat we ’t als opstapje konden gebruiken om over de omheining te klimmen. 20 Paar voeten kreeg dat ene zadel te verstouwen.
‘Sst, sssssssst,’ werd er gesist, om iedereen aan te sporen rekening te houden met valse honden met grote tanden & een nachtwaker met een windbuks.
De noodzakelijke spanning moest er mee worden opgeroepen. Automatisch spurtte men dan ½ bukkend richting ’t diepe bad, alsof men daarvan ’t gevoel kreeg dat 20 man dan minder op zou vallen. Om beurten schoten schimmen weg van ’t hekwerk, vluchtten over muurtjes of juist in de schaduw ervan erlangs, om zo snel mogelijk de kleren van ’t lijf te kunnen rukken & in ’t water te springen.
& In die korte tijdspanne wist iedereen dat er records werden gevestigd & wiens namen er aan die records verbonden waren: Leo sprong als 1e in ’t water, Menno nam als 1e een duik; Bart was de 1e van de hoge duikplank; Suze was de 1e vrouw & Fred had als 1e de ring van Mijke van de bodem opgevist.
Ik was de 1e die ’t water weer verliet.
Ik keek rond hoe nog nooit eerder vertoonde borsten deinden op de beweging van een run richting badrand, hoe driehoekjes heimelijk waren aangepast aan de bikinirand, precies afgemeten stonden in een kader van bleek zonarm huid, hoe billen drilden & een enkele keer piemels flabberden. Dit alles zonder ook maar de schijn te wekken dat ik dat alles in de gaten had.
Nee, ik was zogenaamd bezig m’n handdoek te pakken, me er in te wikkelen, me te warmen & te wachten tot alles weer voorbij was. Onze jeugd, onze schooltijd, deze stiekeme duik, alles. & Slechts van binnen was ik verbaasd dat al die lichamen, vooral die van meisjes, tot op dat moment verpakt waren geweest, verborgen, geheim waren gebleven. ’t Best bewaarde geheim van school had zich aan mij geopenbaard.

Verzonken in die stille gedachten werd ik plots gestoord door Henny, een mager scharminkelig meisje, met kleine borstjes, zo bleek nu.
Of ze m’n handdoek ook even mocht lenen.
Hij was al nat, meldde ik haar.
Ach, ’t zou in ieder geval een beetje schelen, wist zij.
& De mannen die rondjes om ’t bad hadden gerend om zich aan de bewegende lucht te drogen, kwamen nu bij Henny in de rij staan, om om beurten hun lichaam aan de steeds nattere doek te proberen te drogen. Afgewisseld door meisjes, die nog wat zorgzamer mijn doek hanteerden. & Aangezien ’t mijn bezit was, kon ’t mij niet kwalijk genomen worden dat ik in de gaten hield waar deze heen ging & ik zodoende onder ogenschouw kreeg hoe zorgvuldig vrouwen hun lichaam van druppels ontdoen. Ik, die in een gezin van mannen groot gebracht was.

Uiteindelijk lag de handdoek op de tegels, naast ’t zwembad. Ik raapte ‘m op, stopte ‘m in de tas. Iedereen had z’n kleren weer aan, maakte aanstalten weer schielijk over ’t hek te klimmen. We kwamen aan de andere kant terecht, in de legale wereld, zeiden elkaar gedag & vertrokken ieder zijns weegs.
Ik fietste ook die van mij, een spoor van druppels zwembadwater trok achter mij aan, losgelaten door mijn bagagedrager.

& De sporen verlieten langzaam Zijperspace.

wachtkamerpraat

‘Oh, moet ik misschien de deur vasthouden?’ haastte ik mezelf voor te stellen.
Te laat echter. Met enig gemorrel had de dame haar rollator door de deur gekregen. Licht verontwaardiging stond in haar gezicht te lezen. Dat de dingen niet deden wat de mensen wilden. ’t Grote onrecht, waar vooral zij mee te maken kreeg. Met tegelijkertijd een zekere berusting, dat dit nu 1maal zo was, haar leven lang al & dat er voorlopig waarschijnlijk geen verandering in zou plaatsvinden.
Ja, ik weet oude dametjes meteen op waarde te schatten. Daardoor wist ik ook dat ik door mijn voorstel gedoemd was om tijdens ons verblijf in de wachtkamer te moeten luisteren naar wat ze te zeggen had.

‘’t Karretje is te zwaar,’ begon ze.
Ze bewoog ‘m richting hoek. Tussen mijn stoel & de toiletdeur in. De enige plek waar-ie ongestoord zou kunnen staan.
‘Ik ben wel bezig een andere te krijgen, een lichtere, maar daar gaat een tijdje overheen.’
Ze ging tegenover me zitten. Ik wierp een blik op ’t vermeende zware ding.
‘Ik heb al informatie aangevraagd. Die dingen worden tegenwoordig véél lichter gemaakt. Deze hier weegt wel 13 kilo.’
Ah, ik had een ingang. Ik mocht ’t geen monoloog laten worden.
‘Da’s net zo zwaar als mijn fiets ongeveer.’
Onmiddellijk na ’t maken van deze opmerking bedacht ik me dat ik me 10 kilo vergist had. Niet belangrijk, fluisterde ik mezelf in: voor ‘tzelfde geld had ik een licht exemplaar fiets buiten staan. Dat kon zij niet weten. Nu had ik in ieder geval medelijden met de vrouw betoond. Je moet mededogen hebben met de andere patiënten in de wachtkamer. Óf negeren, óf belangstelling tonen. In dat laatste geval in ieder geval doen alsof.
‘M’n dochter heeft de papieren aangevraagd. Ik heb al wat folders binnen. Maar m’n dochter kijkt hoeveel ik van zo’n karretje vergoed krijg. Want ’t kost evengoed een duit.’
Ik knikte. Hier was de man die geheel & al ingewijd is in de kostprijzen van de diverse soorten rollators. Zo’n knik. Een mens moet beleefd zijn, tenslotte, of pogingen ondernemen zo over te komen. Dus knikte ik ten overvloede nog maar een keertje extra.
‘Ik dacht dat ik goed verzekerd was,’ ging ze verder.
Ze wees met haar neus naar ’t foldertje dat op de deur van de wachtkamer was geplakt.
‘Bent u wel goed verzekerd voor uw fysio?’ stond er breed uitgemeten.
‘Nou, dat blijkt dan niet ’t geval te zijn,’ lichtte ze haar situatie toe. ‘Wat je allemaal wel niet moet betalen. & Wat de ziekenfonds uiteindelijk nog maar vergoed. Daar had ik een rollator met buitenboordmotor voor kunnen kopen, wat ik allemaal wel niet aan de fysiotherapeut heb moeten afstaan. Ze verdienen ’t natuurlijk wel, maar ik dacht dat mijn verzekering wel een beetje zou steunen. & Je kan niet anders, hè, je zal wel moeten. Kijk, deze rollator is te zwaar, daar kom je de stoep niet mee op.’
‘Moet je ‘m dan niet een beetje omlaag drukken?’ durfde ik te vragen. ‘Zodat de voorwieltjes omhoog wippen?’
Daar luisterde ze niet naar. Vergeefse investering van mij in wat mij tot op dat moment nog voorkwam als een conversatie. Hoewel ik natuurlijk reeds beter wist.
‘Je komt de stoep niet op,’ benadrukte ze nog maar een keer, blijkbaar in de veronderstelling dat ik niet had geluisterd, aangezien ik de euvele moed had gehad haar te interrumperen. ‘Je kan achterstevoren op de stoep gaan staan & ‘m dan optillen.’
Daarom is ze hier, dacht ik. Ze heeft last van haar schouders.
Dus pijnlijk pak ik mezelf bij de schouders. Mededogen, dat was ‘t, uit mededogen pakte ik mezelf bij de schouders.
‘Maar dan sta je 5 minuten midden op de snelweg pogingen te ondernemen te keren. Terwijl al ’t verkeer aan je voorbij raast. Je kan wel verder lopen over de snelweg, maar daar waag ik me ook niet aan. Al dat snelle verkeer ziet je niet eens staan. Daarom heb ik maar een lichtere besteld. Kijken wat ik ervan vergoed krijg. Ik dacht dat ik goed verzekerd was, maar m’n dochter is aan ’t uitzoeken of dat inderdaad zo is.’
Ik probeerde me ondertussen de snelweg voor de geest te halen die hier in de Pijp, een oude amsterdamse volkswijk, liep.
‘Ze zegt tegen me: “Ma, wil je nou een nieuwe? 1tje Die veel lichter is?” “Ja, dat moeten we dan maar doen,” zei ik. Maar dat gaat nogal wat centen kosten, dat kan ik je wel vertellen.’

Een andere vrouw kwam plots de wachtkamer binnenlopen. Verstoorde zodoende ons gesprek.
‘Hé!’ zeiden de beide vrouwen.
Ze schudden elkaar de hand. De vrouw met de rollator in 1e instantie met een vragende blik in haar ogen. Alsof ze de ander niet onmiddellijk had herkend.
‘Hoe gaat ‘t?’ vroeg de laatste binnengekomen vrouw.
Maar ’t rollatorvrouwtje pufte nog even achterover. Haar kin zakte weg in haar nek. Een krans van ringen ontstond er om haar hoofd. Als een steen in een plas water.
‘Zeg, jij kent toch die familie die daar in de 1e Jan Steen woonde?’ begon ze onverstoord. ‘Jij bent daar toch wel langs geweest?’
‘In de 1e Jan Steen?’
‘Ja, die familie die aan 1 stuk door aan ’t paffen was. Hij zat alleen nog maar op een stoel. & Niemand wilde er naar binnen.’
‘Oh, de familie Prisma. Daar ben ik 1 keer geweest. Maar daar wil niemand meer naar binnen. Ook de welzijnswerkster niet.’
‘Nou, die man is gister overleden. Trudy van Wal, die ken je toch wel? Dat is de nicht van Gijs van bij mij aan de overkant. Die ken je toch wel? Die Trudy die stond er gister voor de deur. Die sleepte me mee naar binnen. Daar lag-ie opgebaard. Helemaal verschrompelde kop. Die is dus dood. Goh, & ’t rook er ook zo vies.’

Ik zakte steeds dieper weg in m’n eigen Zijperspace.

invers

‘Misschien dat we met dezelfde strippen nog de metro richting mijn huis kunnen nemen,’ zeg ik bij ’t pakken van onze jassen.
M’n moeder kijkt op haar horloge. Ik haal ondertussen de strippenkaart tevoorschijn. Bestudeer de onduidelijke stempel.
‘5 Voor 1,’ zegt m’n moeder.
‘O, nee. Dat gaat niet meer. Er staat ¼ voor 11 gestempeld.’
We trekken onze jassen aan. Tassen uit ’t kluisje; ik steek ’t muntje weer in m’n portemonnee.
‘We kunnen ook langs de Amstel richting huis lopen,’ stel ik voor.
Voorzichtig, doe ik dat. Ik kijk hoe m’n moeder loopt. Haar houding is inmiddels al wat naar voren gebogen. Als ik met haar loop, raak ik meestal ongemerkt al snel een paar meter vooruit.
‘Ja, is goed,’ stemt m’n moeder in.
‘Dan nemen we halverwege wel de overkant. Hebben we nog een beetje warmte van de zon.’
Dat zou ik anders ook wel gedaan hebben. & Toch voelt ’t als rekening houden met. M’n moeder die net verteld heeft dat ze al 2 winters geen handschoenen heeft.
‘Nog niet nodig gehad,’ zei ze. ‘Anders had ik ze wel gekocht.’
‘Jij zit dan ook niet elke dag op de fiets,’ begreep ik.

Volgende museum, besluiten we na de lunch bij mij thuis.
‘Als we Ons’ Lieve Heer op Solder willen bezoeken, zullen we wel weer de hele straat moeten doorlopen om bij de metro te komen,’ maak ik duidelijk.
Tijdens de wandeling had ze laten merken dat ’t even niet meer ging.
‘Ton,’ had ze gezegd, ‘nu even rustig.’
Haar wangen zagen rood. De passen waren nog korter dan anders. Ze zwikte, bij haar knieën. Onderweg had ik moeten zorgen dat ik de op- & afstapjes bijtijds aanwees. & De kuilen in de weg.
Gelukkig stonden we voor een bloemenkraam.
‘Kijk ‘ns, wat leuk,’ wees ze naar een opgemaakt stukje, vol pinda’s & zaden voor vogels. ‘Dat kan je ophangen voor de vogels.’
’t Was een mogelijkheid om even bij te komen.
‘Bij die stoplichten in de verte zijn we er bijna,’ zei ik zakelijk, om haar gerust te stellen.
Maar nu gaat ’t wel weer.
‘Da’s niet zo erg,’ zegt m’n moeder, ‘ik ben wel uitgerust van ’t eten.’
‘Nou, ja, ’t is toch aan ’t einde van deze straat. We kunnen ook een ander museum nemen, dat we om de hoek op de tram kunnen stappen.’
‘Nee, hoor. Is wel goed.’

We staan op de metro te wachten.
‘Als ’t goed is,’ zeg ik, ‘stopt de voorste deur vóór onze neus.’
‘Hoe weet je dat?’ vraagt m’n moeder.
‘Ik heb wel vaker de metro genomen,’ zeg ik eenvoudig.
Ik vind ’t vanzelfsprekend. M’n moeder laat zich echter door te veel dingen afleiden. Ze staart geconcentreerd naar de deur die haar ’t meest geschikt lijkt als de metro aan komt rijden. Door de massa van de mensen heen. Terwijl ik al de 1e passen richting de voorste neem.
‘Ma!’ roep ik achterom.
Ze schrikt op. Laat met haar blik de 2e deur los om mijn stem tussen de mensen te vinden.
Ik gebaar dat ze achter me aan moet komen. Reik m’n hand uit. Ze pakt die pas vast op ’t moment dat ze van perron naar metro overstapt. Een kort moment.
Zoon die haar moeder leidt.
‘Weet je nog?’ denk ik.
Ondertussen regel ik voor haar een zitplaats. Terwijl ze gaat zitten, maakt ze met haar glimlach contact met ’t meisje op de plaats naast haar. Die kijkt snel voor zich, drukt haar oordopje iets dieper naar binnen.

Marc loopt nu mee. We hebben met z’n 3-en gegeten. Samen gaan zij de trein terug nemen.
‘We kunnen de trein van 10 voor 7 nog halen,’ zegt Marc.
‘Gaat die niet iets later?’ vraag ik.
Ik wil geen haast maken. Ma heeft al genoeg gelopen. & Ik weet inmiddels hoe dat lopen van haar gaat, tegenwoordig.
‘We zien ’t wel,’ zegt Ma.
‘Ja, anders wachten jullie nog een ½ uurtje,’ zeg ik.
Ik bedenk meteen hoe aanmoedigend dat klinkt om toch maar wel haast te maken.
We steken ’t Damrak over. Door rood, maar m’n moeder weet wel dat ik ’t verkeer goed in de gaten hou.
‘Steek je arm maar hier in,’ stel ik voor.
Ik hou m’n arm klaar voor ondersteuning. Er komt net een kuil aan, een kuil van 1000-en bussen die steeds dezelfde route hebben afgelegd. Ik voel m’n moeder in m’n arm hangen. Maar ze struikelt niet.
‘Ja, Mam,’ zegt Marc, ‘neem die van mij ook maar.’
Zo lopen we met z’n 3-en. Over de kuilen van bussen, de gaten van tramrails, tussendoor de mensen die nog meer haast hebben dan wij. Maar we hebben Moeder veilig verstopt.
‘Weet je nog wel?’ denk ik nog een keer.

Toen Zijperspace nog een klein heelalletje was.

geleden

‘’t Is alweer een maand geleden,’ zegt m’n moeder.
‘Ja, dat gaat snel, hè.’

‘Hoe gaat ’t met je, Ma?’
‘Niet zo goed.’
‘Wat is er?’
‘Ach, ik slaap slecht. Ik word steeds wakker.’
Een zucht in haar stem zegt dat er veel meer aan de hand is.
‘& Heb je hoofdpijn?’
‘Dat valt wel mee. Maar ik heb nergens zin in. Dan vragen ze of ik een weekendje langs wil komen in Enschede, of in Den Bosch, maar ik kan me daar niet toe zetten.’
‘Nee, dat moet je ook pas doen als je er aan toe bent. ’t Is nog maar 2 maanden geleden.’
‘Ja, morgen 2 maanden,’ zegt m’n moeder met een zachte stem.
De stem waarbij wij vroeger zachtjes de trap af renden, zachtjes ruzie maakten, elkaar zachtjes tikken & trappen uitdeelden. & Pa ons zonder woorden, maar gedecideerd maande stil te zijn. Écht stil.

‘Heb je er aan gedacht dat ’t vandaag 3 maanden is?’ vraagt m’n moeder.
‘Nee, ik heb er zomaar niet aan gedacht.’
Ik weet waar ze ’t over heeft. Dan denk ik er misschien niet aan, ik ben me er wel van bewust.

‘Heb je verder nog iets te melden?’ vraagt m’n moeder.
Zo beëindigen we tegenwoordig onze gesprekken. Nog een laatste voor de rondvraag. Kijken of je nog iets te binnen schiet.
‘Nee, eigenlijk niet. Ik heb alles al verteld. Jij nog?’
‘Nee, ook niet. Dan spreken we elkaar nog wel.’
‘Ja, Moe.’

‘’t Is vandaag 5 maanden geleden.’
‘Ja, & hoe gaat ’t met je?’
‘Ach, gaat wel goed. Ik denk wel aan hem. Ik mis ‘m. Maar tegelijkertijd besef ik wel dat ’t zo niet meer ging. Je denkt toch vooral aan de mooie dingen. Dat ’t de laatste tijd niet ging, vergeet je snel.’
‘Heb ik ook, Ma. Ik denk ook nog elke dag aan ‘m.’
‘Aan ’t eind van de maand is er een herdenking in de Koogh. Voor de mensen die op de afdeling van Pa afgelopen tijd overleden zijn. Op een maandag. Kan jij dan ook?’
‘Hoe laat is dat?’
‘Om 8 uur.’
‘Ik ben om ¼ over 7 klaar met werk. Dan heb ik waarschijnlijk de trein van voor 8-en. Ben ik in Den Helder om 9 uur.’
‘Nee, dan is ’t al voorbij. Nou ja, Jan komt in ieder geval. & Theo, Carel & Quint.’
‘Dan is bijna iedereen er.’
‘Ja, Marc komt niet.’
‘Verder nog wat?’
‘Nee, verder niet.’

Gister wilde ik bellen. Een ½ jaar, wilde ik zeggen. Laten merken dat ik er aan dacht.
Maar dan zou ik ’t alleen voor mezelf doen, vond ik. & Ik had bovendien al de hele week aan de telefoon gehangen. De dag ervoor nog. Om allerlei pietluttigheden. Dan zou de melding van dat ½ jaar ook een pietluttigheid worden.
Want Ma zal ’t heus wel weten. Ook van mij.

We spreken elkaar wel, later in Zijperspace.

binnennaarbuiten

Er bestaat dus een laagje, je brengt ’t kunstmatig aan door een spuitbusje op de wonde te richten, dat je lichaam kan beschermen. ’t Heet dan een pleister, maar je ziet ’t niet. Een spuitpleister, zeiden ze me; zo probeerden ze ’t me uit te leggen.
Ik spoot. & Er was geen doorkomen meer aan. Niet van buiten, niet van binnen. Niet van buiten naar binnen & andersom.
Een gedeelte zat op m’n nagel. Dat zorgde ervoor dat ik er nog íets van kon waarnemen. Laagje nagellak. Doorzichtig. Een schaats die nog net pakt op een in de winterse kou ondergespoten grasveld, zo voelde m’n nagel zich. De nagel die dat laagje wilde krabben dan. De andere nagel was ’t grasveld van de ijsvereniging.
Dat wil niet zeggen dat de reeds veroorzaakte schade verdwenen is.
Een losgeslagen velletje. Dankzij een nietje door m’n duim. Een nietje dat niet daar hoorde te zijn. Waarvan ik niet wilde dat ’t was waar ’t was. Dus moest ’t weg.
’t Spartelde. Heftig. & Tijdens spartelen drong ’t in m’n duim door. Drong ’t tot me door.
Een velletje legde m’n binnenste bloot. Een klein dun velletje. ’t Richtte zich op. ’t Ging opstaan, waar ’t eigenlijk deel uit moest maken van. Deel van mijn lichaam, deel van mijn geest. 1 Lichaam, 1 geest. Behalve de toegangspoort tot. Een rechtopstaand stukje vel.
Hoe lang houdt u dat vol: een splinter, een nagelriem, een korst, een vervellend stukje huid of een rechtopstaand velletje, getuige van een nietjes aanval? Mijn tanden staan al spoedig te smeken om toe te mogen bijten. M’n tanden zijn oneffenhedenkillers.

Maar nu wijd ik uit. ’t Gaat ergens anders om.

‘& Die anderen waren ook zo druk, plotseling. Ik kon niet met ze praten. Ik wist niet wat ze zeiden. Alles dwarrelde door m’n hoofd.’
‘Je raakt in paniek, dan.’
‘Ja, je probeert ’t tegen te houden, maar des te meer je ’t tegenhoudt des te meer ’t de overhand krijgt.’
M’n adem stokt. Ik voel mee door me 20 jaar terug te plaatsen. Ik denk aan plastic zakjes, verborgen in m’n achterbroekzak, een plastic zakje met paniekpilletjes, weggestopt in m’n portemonnee.
‘M’n moeder zei altijd dat ik ’t gewoon over me heen moest laten gaan. Ze zei dat ik er niet tegen moest strijden. Gewoon laten gebeuren. Dan was ’t ook ’t snelst voorbij.’
Ik zeg ’t rustig, zoals m’n moeder ’t zei. Langzaam de woorden ademend in de telefoon.
Er wreef een hand in m’n nek, terwijl ik voorovergebogen zat. M’n ellebogen op m’n knieën, m’n handen tegen m’n voorhoofd. Langzaam ademhalen, snel ademhalen.
Maar ik weet ook dat m’n moeder dat op een kalme manier kon doen. Geen stemverheffing. Een zelfde toon. Monotoon bijna.
‘Ja, dat kan wel zijn, Ton, maar daar denk je op dat moment niet aan. ’t Lukt je niet de hele tijd rustig te blijven & ’t te laten gaan.’
‘Nee, dat weet ik. Toch zou je eigenlijk niet bang moeten zijn, want ergens van binnen weet je dat je ’t zal overleven. Dat ’t straks voorbij is. Alles gaat voorbij, dus dit ook. Laat ’t maar komen dan.’

Er is iets vies binnen gekomen. ’t Wil er niet uit. & Omdat je jezelf wilde beschermen voor invloeden van buiten heb je een beschermend laagje aangelegd.
Tot hier & niet verder. Dit kan ik aan.
Terwijl ’t van binnen welig tiert, tekeer gaat. Dat wat binnen is, moet ook naar buiten. Wil ook.

Dus ik spuit dat goedje op m’n vinger. Nietje had ik er net uitgetrokken. Daarmee wat bloed meegenomen. Een opening gecreëerd.
’t Werk stond op m’n handen geschreven. Grauwe handen van stoffige flessen. Aanslag op m’n vingers.
Ik besluit na ’t aanbrengen van de doorzichtige laag, ‘onzichtbare pleister’ noemden we ’t ooit als kinderen, m’n handen te wassen. Handen schoon.
Behalve de duim met ’t nietje. De herinnering aan ’t nietje, & de herinnering aan ’t werk dat daar aan voorafging. Beiden gevangen gezet. Want wat al binnen zit, kan niet meer naar buiten.
Ik bijt ’t uitstekend velletje los. Er moet een opening geschapen worden. ’t Vuil moet weg.

’t Moet doorstromen in Zijperspace, maar ook daarbuiten.

naturismij

We hebben enkele foto’s genomen. Vooral van mij, want Martine wilde niet naakt.
Ik dacht: als je dan toch overal naakt bent, dan kan dat op de foto ook wel.
Zij dacht: nu kost ’t geen moeite, maar bij ’t tonen van de vakantiefoto’s waarschijnlijk wel.
Ik had meer moeite met naar de wc gaan. ’s Ochtends vroeg bloot je 1e dingen doen, dat was ik niet gewend. Bij Martine thuis was de wc ook in de gemeenschappelijke gang, naast de gemeenschappelijke keuken; daar deed ik ’t ook niet. Hier moest ik aanzienlijk meer meters lopen om te doen wat ik moest doen.
Ja, ’t was vooral móeten; zó lang uitstellen dat je ’t wel moest moeten.
& Als je andere bezoekers tegenkwam zei je doodgemoedereerd: ‘Goedemorgen.’
Dat hoorde je te zeggen: ’t was allemaal hollands bloot. Neerlands bloot onder de hete franse hemel.
‘t Maakte ’t niet minder makkelijk. Ik vond ’t bijv onzinnig om onder de douche te stappen & niks uit te trekken. Tijdens m’n tocht erheen misschien een handdoek, als ik ’t ging combineren met een ochtenddouche, maar in ieder geval een rol wc-papier. Wc-papier maakte me extra naakt. Tegen beter weten in probeerde ik juist die te verstoppen. Alsof mensen niet zouden weten wat m’n missie was als ze me voorbij zagen komen.
Daar loopt een mens dan: op slippers, met een handdoek, & een rol wc-papier. Dit was beschaving, dacht ik dan. Terwijl ik toch een groot voorstander van naturisme was. Ik kon naturisme blijkbaar niet rijmen met slippers & wc-papier.
Ik had daarentegen al wel geaccepteerd dat je voordat je op een stoel ging zitten 1st een handdoek neer moest leggen. Anders zat je in de billen van degene die voor jou de stoel bezet had. Ik wilde niet in andermans billen zitten, ik wilde ook niet dat anderen hun billen legden waar die van mij vlak ervoor waren geweest, dus accepteerde ik de handdoek gewillig.
Naturisme is wandelen met een handdoek, bedacht ik me toen.
Was iemand uit wandelen gegaan zonder, dan lag er bij de bar altijd wel een stapel schone. Die waren in de loop der tijd vergeten & werden voor tijdelijk gebruik continu verschoond.

Ik was dan wel een voorstander, maar ’t naturisme was geen voorstander van mij. ’t Paste mij niet.
Vanwege de mijns inziens verzengende hitte wilde ik in de schaduw van de parasol zitten, waar de reguliere naturist elke straal van de zon met z’n lichaam wilde vangen. & Als ik een ronde maakte wilde ik m’n billen bedekt. Die zagen nooit geen zon, dus kon ik dat beter zo houden. Je hoeft maar 1 keer in je leven je billen te branden om die wijsheid je leven lang mee te nemen. & Omdat m’n billen daardoor bleek zagen & bleek bleven, wilde ik ook m’n billen niet laten zien. Voordat ik m’n stoel verliet, om in ’t zwembad een verkoelende duik te nemen, bedacht ik hoe ik mij ten opzichte van alle campingbezoekers ’t beste kon bewegen, & koos ik ’t juiste moment uit, zodat zo min mogelijk van m’n hollandse bollebozebillenwitheid opgemerkt zou worden. Slechts weinigen hebben op die camping meer dan mijn vooraanzicht gezien. Dankzij pure berekening.

Martine had ’t maar makkelijk, vond ik. Als zij geen zin had haar handdoek te dragen, dan wikkelde ze deze om haar middel. Deed ik ‘tzelfde, dan werd ’t aanzicht bedorven door die bungelende bobbel in ’t midden van m’n lichaam.
Pas dan besef je hoe een mens geregeerd wordt vanuit dat ene middelpunt. Vooral de man dan.
Had Martine geen zin om de handdoek als sarong te dragen, was er nog niets aan de hand. In volledige symmetrie bewoog zij zich voort, met een blond ogend driehoekje om de perfectie te benadrukken, terwijl de gestalte naast haar juist op diezelfde plek van ’t lichaam enige wispelturigheid vertoonde. Ik werd me nog iets meer bewust van ’t feit dat een vrouwelijk lichaam ’t godsbeeld dichter benaderde dan de mannelijke versie ervan. ’t Stond ook zo knullig als je met enige vaart de heuvel afdaalde. ’t Klotste & kletste, ’t verontrustte m’n oren & maakte me bevreesd dat mensen zich gestoord zouden voelen in hun vakantierust als ik voorbij kwam, tegen m’n bovenbenen.

Je werd aangesproken als je te veel je kleren aanhield. Dat werd ons van tevoren verteld. Dus pasten we ons aan. We wilden geen afwijkingen zijn. We wilden tijdens ons korte verblijf geaccepteerd worden. We deden mee aan ’t spel. Ik was immers een groot voorstander van naturisme. Je was pas jezelf als je van al die moderniteiten ontdaan was. Wie heeft er iets nodig als de natuur je zegt dat er niets nodig is?
Maar ik was stinkend jaloers op die kleine tienermeisjes, die meisjes die net meiden begonnen te worden & toch met vader & moeder, misschien wel de laatste keer, op vakantie gingen, & waarvan je kon zien dat alles aan ’t groeien was, dat er dingen plaatsvonden in & buiten hun lichaam, dingen die er 1st niet waren & waarvan zij toch vonden dat ze er zelf als 1e getuige van moesten zijn, dat zij zich moesten bezinnen op hun vrouwzijn, hun plek in de wereld, hun plek ten opzichte van die bedreigende man, of eigenlijk jongen, dat kinderachtig joch van de caravan om de hoek. Ik was jaloers, want hen werd toegestaan hun lichaam te bedekken. Dat wat zij nog niet hadden, maar waarvan de vooraankondiging zich reeds deed blijken, mocht gehuld worden in een bikini & ze mochten de hele dag rondlopen met een handdoek om.
Daar mocht je vooral niet over praten. Want dat was nou 1maal zo.
& Nou moest ik toch eens stoppen met staren naar die jonge meisjes, vond Martine.

Wij prefereren stilletjes de geheel bedekte uitvoering van Zijperspace.

gestrand

Ik moet nog even verantwoording afleggen inzake de verkiezingen van de Dutch Bloggies. Men hoort natuurlijk niet er 't zwijgen toe te doen, gewoon omdat men niet door de 2e ronde is gekomen. M’n lezers, vooral degenen die op mij gestemd hebben bij de 1e ronde (een enkeling die in de jury van de 2e ronde opgenomen was), dienen op de hoogte gebracht te worden van ’t feit dat ik ’t niet heb gehaald. Mag ik ze evengoed bedanken.
Nu was dit ook niet geheel onverwacht. ’t Is nu 1maal moeilijk opboksen tegen zwaargewichten als Geenstijl, met 100 keer meer lezers per dag, & Merel, 20 keer zoveel. ’t Was eigenlijk nog wel verrassend dat ik bij de voorronde een gedeelde 3e plaats behaalde in de categorie ‘best geschreven weblog’.
& Ach, nou kan iedereen zeggen, & dat wordt links & rechts natuurlijk ook wel gedaan, dat ’t allemaal anders moet, dat ’t vriendjespolitiek is, dat ’t niets voorstelt, etceteraenzovoorts, maar we hebben toch ons best gedaan er iets leuks van te maken (waarbij ’t hoogtepunt op 26 februari in ’t Museum voor Communicatie te Den Haag moet gaan plaatsvinden). De beste stuurlui blijven uiteindelijk nog altijd aan wal staan & met ’t medium weblog is die walpositie wel heel veilig & comfortabel bovendien.
Toch gaan we 't volgend jaar wéér anders doen.
Rest mij te zeggen: mijn stemadvies voor de categorie ‘Lifetime Award’ zit nog steeds in de race. Als men dus nog iets te stemmen wil hebben, stem LUUK!

Houdt iedereen voor de rest zijn mond in Zijperspace aangaande de verkiezingen.

passanten

Ik hoor ‘m bijna nooit. Maar doordat ik ‘m door de kale takken heen voorbij zag gaan werd ’t geluid weer realiteit & tegelijk daarmee de trein zelf.
Een monotoon ruizen van ongeveer een ½e minuut. Niks geen ‘kedengkedeng’, niks geen onderscheidende bielsen, geen stoomfluit of een zwaar zuchtende kolos van een treinmotor.
Ik zag vluchtig enkele koppen door de raampjes flitsen. Ze hadden nog geen vaart, hadden net gepauzeerd op Muiderpoort & deden goed hun best niet aan station Amstel voorbij te schieten.
& Vanwege die vaart die nog geen snelheid had, dacht ik aan m’n onderbroek, waarin ik op dat moment stond. M’n t-shirt hing er ½ overheen. Maar ondanks dat beetje bekleding eroverheen zouden de details waargenomen kunnen worden, zogauw men de onbeschaamde blote benen zou opmerken. Van ‘t 1 komt ’t ander. Blote benen leiden naar nog meer bloot erboven & mocht dat bloot erboven niet bloot tonen, dan heeft men al snel de conclusie te pakken dat dit bloot door een onderbroek zal zijn bedekt.
Eigenlijk stond ik ademloos bij deze gedachte. De gedachte van de trein die voorbijkwam & mensen die over hun schouder mij zouden kunnen zien. M’n lange broek in m’n handen. Roerloos. Als ze dan toch naar me konden kijken, zij die met enige vaart aan mij voorbij gingen, & de moeite namen tussen de takken m’n huis & woonkamer te onderscheiden, dan mochten ze van mij die onderbroek best meepakken.
Geen exhibitionisme. Ik vroeg me gewoon wat af. & Was tijdelijk geparalyseerd doordat ’t me in beslag nam.

Elke lange reis ga ik voorbij aan m’n eigen huis. Ik hoef de stad maar te verlaten & ik kan m’n tuin, m’n gordijnen, m’n deuren, m’n ramen, m’n waslijn, m’n buren, alles zien, als ik maar goed oplet. Of als ik maar niet op Amsterdam Amstel opstap. Dat bederft de pret.
De heenreis is niet zo bijzonder. ’t Enige wat ik dan doe is kijken aan welke bomen ik de 20 meter leemte tussen de flats kan herkennen waar mijn woning tussen tevoorschijn moet komen. Zodat ik ’t op de terugweg weet.
Dit is de 1e flat, denk ik dan; kan ’t niet zijn. & Dit is de verkeerde boom. & Hier herken ik de woningen van m’n bovenburen niet. Deze doorkijk is te kaal: ik kan alles zien.
& Plots ben ik dan al voorbij de perzikkleurige flats die een groot gedeelte van ’t zicht op mijn huis belemmeren. Weer niet mezelf herkend. Weer weet ik niet waar ik sta in de wereld die ik bezig ben te verlaten. Hoe moet ik dat straks op de terugweg doen als ik verlang naar weer ‘tzelfde bedje, waarvan ik weet dat die zich achter ’t beeld bevindt, ’t beeld dat ik in een vluchtig moment zou kunnen zien opdoemen, dezelfde bank, ’t keukentje, de was die weer normaal gaat geuren, m’n schoenen op de vertrouwde plek onder stoelen & tafeltjes, m’n boeken altijd bij de hand, m’n weg-haast, m’n treuzelen, m’n wc-deur die ik altijd open laat staan, m’n slaap zonder pijn van een matje in m’n rug?

Als ik dan terugkom, dan schaam ik me wel een beetje. Ik recht m’n rug, ten overstaan van al die anderen die al uren bij me in de coupé zitten, ga ijverig m’n nek rekken, krijg een blik in m’n ogen van: ik wil herkennen, ik wil laten zien dat ik weet waar ik ben. Ik bid voor een betere doorkijk tussen de flats in & hoop dat alles toch maar wel ‘tzelfde is gebleven, vertrouwd & een heel klein beetje veranderd, toch, omdat ’t nou 1maal doorgroeit die natuur, die bloemetjes, die plantjes, de wind die waait & de regen drupt, de zon schijnt & de nacht valt, dat heeft ’t hier ook allemaal gedaan, ook al was ik er niet, dus moet ’t toch wel invloed hebben gehad. & Ik zit in spanning vanaf ’t moment dat we de 1e flats van Amsterdam in de verte zagen opdoemen, ik liet m’n 1e blik van herkenning al over m’n aangezicht vloeien bij ’t passeren van de Arena, pakte m’n rugzak alvast in, m’n boek weg, m’n huissleutels tevoorschijn, voordat we Amstel hadden aangedaan, was klaar om te kijken, te gluren voordat we die bocht van de Amstel af hadden gemaakt, & smeekte mensen zonder woorden te zien hoe ik in de buurt kwam van alles wat van mij was, waar ik vertrouwd was.
& Daar schaamde ik me dan voor, zogauw ’t voorbij was. Als ik m’n aanstellerige blik weer voor me uit richtte, in afwachting van ’t verlossende openen van de deuren, om me heen keek om te zien dat niemand zou kunnen bevroeden dat we aan mijn domein voorbij waren gegaan, waar ik binnen een ½ uur mijn rugzak op de grond zou werpen & ik in de tuin in een hangstoel zou gaan liggen, om weer een volgende trein voorbij te zien gaan.
Desnoods in onderbroek.

Want niemand die merkt dat-ie Zijperspace passeert.

beestjebeest

Hoe of ’t met je gaat. Dat vragen ze de hele dag. & Ik durf alleen maar eerlijk te antwoorden. Eigenlijk niet eerlijk.
Ik zeg: ‘Mwaah.’
Om daarna af te wachten.
Ik wil niet kwetsbaar zijn. Maar tegelijkertijd geen onwaarheid uitspreken.
Liegen is ’t niet. ’t Zijn onwaarheden.

‘Wat dan?’ vragen sommigen. ‘Wat is er?’
‘Mwaah,’ probeer ik dan nog ‘ns.
De aanhouder wint, denk ik dan maar, laat ze zichzelf maar bewijzen.

De hele dag staat ervan in ’t teken. Van ‘mwaah’ & van daadwerkelijke waarheid. Soms denk je dat ‘mwaah’ alleen maar extra aandacht vragen is. Subtiele aandacht. Maar ik heb m’n eigen truc al doordacht.
Als ik niet, dan doe ik dat.
Daar is-ie weer.
Als ik niet de waarheid spreek, dan doe ik alles om dat te laten blijken.
Kijk ‘m rollen met z’n nek, wordt er dan gedacht. Waarom heeft-ie toch al die aandacht nodig?
‘Is er iets?’ volgt daar al snel op.
‘Mwaah.’
Dan ben je net zo ver als waar je anders was begonnen.

’t Gaat dus niet. Dat volgt al snel. In elk scenario dat ik je voorschotel.
Ik blijf er nl toch de hele dag aan denken. Vrezend voor de donkere uren.

Zo ben ik bijv vergeten dat er vanochtend eigenlijk iets was dat veel erger was. Ik liep daarnet richting toilet, ik stond op ’t toilet, mikte op de plek die mijns inziens de meeste winst op zou leveren: weinig schoonmaken & toch volledig aan m’n gerief komen, zonder mezelf in vreemde bochten te hoeven dwingen, & ik hoefde niet zomaar de deur dicht te doen.

Zoals vanochtend. Deur moest dicht.
Omdat er een beestje zat in een pan.
Afgewassen pan. Op de aanrecht. Op z’n kop in ’t afdruiprek.
& Daarin een beestje. Omdat ik ‘m omgekeerd had & wilde opruimen.
’t Was slechts een flits.
Stel nou dat men dit snel zou lezen, koppen van alinea’s snellen, diagonaal lezen, dan zou men niet weten dat ’t over een beestje gaat. Net als die flits van m’n blik in de pan.
Onmiddellijk de hete kraan erover.
Ik dacht nog: ‘Zou die hete kraan wel heet genoeg zijn? Zou er een weg terug zijn voor ’t beest? Kunnen beestjes als dit beestje tevoorschijn kruipen uit de gootsteen?’
& Nog enkele vragen.
Ik durfde niet met de deur open op de wc te zitten. Terwijl ik dat normaal altijd doe. Altijd deur open. Om muziek te horen. Om mezelf thuis te voelen. Om mij te zijn. Zoveel mogelijk mij. Ik & mezelf op de wc. & Daarbuiten de rest waar ik nog enige controle over had.
Maar beestje dwong de deur dicht. Of ’t idee van ’t beestje dwong de deur dicht. Ik & de wc. Dat zijn beperkte vierkante meters.
Ik dacht nog: ‘Niemand weet verdomme dat ik m’n wc-deur op dit moment dicht heb.’
Dat was geen leuke gedachte.

Maar ’s avonds niets. Alleen maar angst voor wat komen gaat.
Die wc-deur kan me m’n reet roesten, denk ik stoer.
Stoer is een gebrek aan realiteit van angst. Waar 2 gemoedstemmingen strijden om de boventoon.

Ik moet straks gaan slapen, midden in de nacht van Zijperspace.