cheeta's

‘Meneer de Wit kan zo hard lopen als een paard,’ zei Carel.
Ik wist dat ’t niet waar was. Ging nonchalant door met de ene steen bovenop de andere te plaatsen.
‘Dat kan helemaal niet,’ zei ik toch maar. ‘Meneer de Wit kan niet zo snel als een paard.’
Carel bouwde z’n eigen kasteel, aan de overkant van de tafel. Vanuit ’t midden pakten we om beurten de stenen die we nodig hadden. Alles lag door elkaar. Wij ordenden door te bouwen.
‘Jawel, dat kan-ie wel,’ was Carel z’n eenvoudige weerwoord.
‘Hans is sneller,’ zei ik, ‘Hans van mijn klas.’
‘Dat kan jij helemaal niet weten,’ zei Carel.
Ik brak een stuk van m’n muur af, zodat ik ruimte had om een toren te maken. Carel keek vol belangstelling naar de vrijkomende stukken steen. Ik schoof ze zo dicht mogelijk tegen me aan.
‘Jawel, want meneer Brugman was ziek,’ zei ik schijnbaar in gedachten.
Daarmee was wel alles verklaard. Dat Hans sneller was dan een paard, omdat meneer Brugman ziek was. Ik stelde ’t me even voor. Hans die voor school door de Korvetstraat ging rennen, met naast zich een paard, die ’t op een gegeven moment uitgeput op moest geven.
‘Hoe snel loopt een paard?’ vroeg ik voor me uit.
Ik pakte wat blauwe stenen uit ’t midden van de tafel. Dat zou beter bij de toren passen.
‘Wel 50 km,’ zei Carel.
‘Dan loopt Hans zo snel als een luipaard.’
‘Da’s ook niet snel.’
Hij veegde alle gele stenen naar zich toe. Die leek Carel nodig te hebben voor de poort.
‘Jawel,’ weersprak ik hem, want van luipaarden wist ik alles. ‘Meneer Brugman heeft van de week verteld over cheeta’s. Dat zijn de snelste dieren op aarde.’
Carel zette in ’t midden van z’n bord enkele gele stenen. Ik keek even mee. Op zich wel handig, dacht ik. Dan kunnen de mensen ook ’t kasteel binnenkomen.
‘Cheeta’s zijn apen,’ zei Carel. ‘Apen zijn niet snel. Die kunnen alleen heel goed slingeren aan bomen.’
Ik stopte even. Keek verontwaardigd naar Carel. Zocht vervolgens met m’n blik naar die van m’n vader. Die zat voorovergebogen over z’n papieren.
‘Pap,’ zei ik, wat harder, om ‘m uit z’n concentratie te halen. ‘Wat zijn cheeta’s?’
‘Hm, ja,’ zei m’n vader.
Carel haalde stiekem een blauwe steen bij me vandaan. Ik kon me er even niet druk om maken. ’t Antwoord van m’n vader was belangrijker.
‘Pap,’ herhaalde ik. ‘Wat zijn cheeta’s? Dat zijn toch luipaarden?’
‘Ja,’ zei Pa zonder op te kijken. ‘Straks.’
Ik wist niet wat dat ‘straks’ moest betekenen. Maar hij had in ieder geval ‘ja’ gezegd.
‘Zie je wel,’ zei ik voldaan tegen Carel. ‘Cheeta’s zijn de snelste dieren op de wereld.’
Ik pakte een rode steen uit ’t midden. Ik wist dat Carel ze zo direct hard nodig zou hebben.
‘Pappa luistert helemaal niet,’ zei Carel.
Z’n toegangspoort begon te stijgen. Was bijna net zo hoog als de rest van ’t kasteel. Alleen de torens aan weerskanten staken er nog bovenuit.
‘Jachtluipaard,’ klonk vanuit de voorkamer ’t brommen van een geconcentreerde vader.
We hielden even onze monden. Hadden alleen aandacht voor ’t bouwen. & Voor de stenen waar we niet bij konden. Maar dat lieten we zo min mogelijk merken. Slechts slinks kijken of een steen per ongeluk een tikje kreeg, zodat-ie binnen handbereik kwam. & Dan snel grissen.
‘Hoe weet je dan dat Hans sneller is dan meneer de Wit?’ vroeg Carel na een lange stilte.
Hij was ’t niet vergeten.
‘Een cheeta loopt 60 km per uur,’ ontweek ik ‘m. ‘Heeft meneer Brugman verteld.’
Ik merkte dat er geen blauwe stenen meer waren om m’n toren af te maken. Daarom brak ik maar wat stenen van de muur af. Kon ik daar een groene poort maken. Groene stenen zat. Ik pakte er alvast een paar.
‘Hans kan helemaal geen 60 km per uur lopen,’ zei Carel.
Hij griste ook groene stenen van de tafel weg.
‘Jawel,’ zei ik fel, ‘want meneer de Wit kon hem niet tikken tijdens de gymles.’
Meneer de Wit was immers een paard. Had-ie zelf gezegd.
Carel legde een groen veld aan rond zijn kasteel.
‘Ik vind tikkertje maar stom,’ zei hij ondertussen.
‘Jij hebt die groene stenen helemaal niet nodig,’ zei ik verontwaardigd.
‘Jawel, want dan kunnen mijn paarden op de groene wei rond ’t kasteel grazen.’
Ik bouwde snel verder aan m’n poort. Voordat groen op was.
‘Ik vind Hans stom,’ zei ik. ‘Hij prikt altijd met z’n pen in m’n arm.’

We bouwden nog vele kastelen in Zijperspace, & lang & gelukkig ook.

overgang

’s Nachts om 3 uur keek ik om over m’n schouder. ’t Moet daaromtrent zijn geweest. De computer was vlak ervoor al versprongen, dus leefden we weer in een andere tijd.
Ik wilde ’t knopje van ’t licht zoeken. Niet nog een keer met ’t licht aan in slaap vallen. & Toen ’t licht onder m’n gebiedende vingers uitfloepte, doemden de cijfers van de wekker op.
‘O ja, die ook,’ dacht ik.
Ik moest 2 knopjes indrukken, wist ik nog. Hoewel ’t een handeling is die veel te weinig plaatsvindt om een gewoonte te worden. Ik heb eens een jaar lang in zomertijd geslapen, omdat ik geen zin had de combinatie van knoppen te achterhalen.
Nu was ’t donker, waardoor ’t nog meer gokken werd. M’n enige licht was ’t licht dat ik wilde veranderen. Bovendien lag ik in een kronkel op m’n schouder.
Een minuut later was ’t toch gelukt. Zonder ’t klokje rond te hoeven gaan.

De volgende ochtend passeerde ik de videorecorder. Ik boog een beetje, hield daarbij even stil. Alles was goed, zag ik.

‘De klok staat nog verkeerd,’ zei Janna op m’n werk.
Ik dacht dat ze ’t over ’t klokje achter de bar had. Keek voor de zekerheid met een snelle blik naar de klok midden in ’t proeflokaal. Die tijd wilde niet tot me doordringen. Keek snel weer naar de digitaal aangestuurde cijfers.
‘Ik ben geloof ik de enige die nog weet hoe die te corrigeren,’ zei ik.
Janna stond er wat onwennig bij, terwijl ik ’t kapje verwijderde om bij de knopjes te kunnen. De functie van telefoontikker had ’t ding al jaren geleden verloren. Des te definitiever was de tijd geworden. ¼ Voor 8, & geen seconde later, daar waren mensen hier van afhankelijk, 5 dagen in de week. Geen andere tijdsbron had meer gelijk dan deze ½ overleden telefoontikker.

‘Mag ik even op de tafel staan?’ vroeg ik.
Boven de tafel hing de klok. Op mijn verzoek schoven de mensen weg van de tafel. 1 Persoon stond zelfs op. Om mij de gelegenheid te geven via de stoel op de tafel te komen.
Ik rekte me uit. Met m’n wijsvinger ging ik achter de grote wijzer staan. Draaide een rondje. Tot ik bedacht dat ik niet goed had gekeken welk tijdstip ’t was voordat ik begon met draaien. Op goed geluk stopte ik ergens. Hopend dat ’t een vol uur zou blijken te zijn.
‘Ach, anders heeft de telefoontikker toch altijd gelijk,’ bedacht ik.

Ik was de klok thuis vergeten. Ik bemerkte ’t vlak na de maaltijd. De klok boven de schouw van de kachel. De meest belangrijke, ook al gebruik ik ‘m misschien ’t minst.
Ik schoof m’n stoel naar de kachel, ging er op staan.
Voordat ik iets ondernam keek ik 1st eens goed. Er lag stof op de wijzers. Vooral op de kleine. De secondewijzer viel nog wel mee.
Terwijl de secondewijzer voorbijraasde, probeerde ik de 2 andere met m’n vinger enigszins op te schonen. Ik haalde m’n vinger weg als ik gepasseerd moest worden.
‘Heb ik dat vorig jaar ook al niet geprobeerd?’ bedacht ik & blies zo hard mogelijk met m’n mond naar ’t stof.
Vergeefs.
‘Volgend jaar weer proberen. Of met de komende wintertijd.’

’t Was weer 3 uur in de nacht. Ik bracht ’t lege bierflesje naar de keuken. Daar rook ’t naar brand. Maar verontrustender vond ik ’t vogelgezang van enkele spreeuwen.
Ik deed de deur open. Keek naar de rode gloed die boven de daken hing. Een gewone rode gloed van een grote stad met lichten. De spreeuwen wisselden elkaar echter af in hun zorgelijk tjilpen.
Ik overwoog om op de fiets te stappen, om te kijken waar de vogels van in de war waren geraakt. Van de week waren ze om 5 uur begonnen, maar toen was ’t zelfs nog wintertijd.
Ik dronk nog een extra biertje om de onrust te verjagen, zodat ik toch nog makkelijk in slaap zou kunnen vallen.

’t Zal wel weer even wennen worden aan nieuwe tijden in Zijperspace.

cassette

Er was een artikel.
’t Waren er 2.
Ik kwam 1st die in de Volkskrant tegen, waardoor ik dacht dat ’t artikel in ’t NRC dezelfde was. Toen ik ’t uitscheurde bleken ’t dus 2 artikelen te zijn. Ik zag ’t aan ’t lettertype.
Ik stond net op ’t punt om een glas in de krant te wikkelen.
‘Dat gaat over de favoriete schrijver uit m’n jeugd,’ zei ik tegen de klant.
‘Nou, dan moet je dat niet laten gaan,’ zei de vrouw begrijpend.
Ze lachte me aanmoedigend toe. Daar wilde ze wel wat langer voor blijven staan, een ander stukje krant ter bescherming om haar zojuist aangeschafte glas hebben.

5 Minuten later had ik ook ’t artikel uit de Volkskrant.
Ik boog me er over heen. Tussen 2 klanten door. Probeerde de letters te voegen tot woorden tot zinnen. Maar meer dan koppen werden de letters niet.
‘Verhalen van een alleenstaande’, ‘het mooiste raadsel van de Nederlandse literatuur’.
Ik wilde dieper duiken, maar dat ging hier niet.

‘Ik zou zo naar een boekhandel willen gaan om ‘m te kopen,’ liet ik Thomas zien.
Ik wees naar de 2 artikelen in m’n hand. Wees ook naar ’t prijsje onderaan 1 van de artikelen. Dat maakte de uitdaging groter. Wie koopt er nog zo’n boek? 3 Boeken, in cassette. Wie koopt dat nog?
Ik begon met m’n handen & armen te bewegen. M’n schouders kronkelen mee van hebzucht om dit boek. 3 boeken. In cassette.
Thomas lachte. Hij vond mij op dat moment wel een grappig verschijnsel.
‘Dan doe je dat toch,’ zei hij.
Daar had ik nog niet aan gedacht.

‘Ik doe er 10 minuten over,’ zei ik. ‘Ik heb m’n mobiel bij me voor ’t geval er iets gebeurt.’
‘Is goed,’ zei Thomas.
Hij keek naar de klanten in de winkel. Ik zette m’n pet op. Liet ’t kijken aan hem over. Deed nog even een extra t-shirt aan.
‘Waar ga je ’t halen?’ vroeg Thomas nog even.
‘In de Utrechtsestraat,’ antwoordde ik, alsof ’t een vanzelfsprekendheid betreft.
‘Daar helemaal?’
Toen voelde ik me even schuldig. Dat gevoel stopte ik weg door hard te fietsen. Niet over ’t fietspad; dat zou alleen maar extra tijd kosten.

‘Zeg ’t maar,’ zei de dame.
‘Albert Alberts,’ zei ik.
‘Ah,’ zei ze, lopend naar de etalage aan de Singelkant, ‘ik was al bang dat je wéér iets ging vragen wat ik niet zou hebben.’
Ik lachte met haar mee.
Ze pakte de cassette uit de etalage. Gehuld in plastic. Kleiner dan ik dacht.
Maar zo groot waren de boekjes van Alberts ook altijd, dacht ik.
‘Nee, als je zo iets duurs wilt aanschaffen, dan moet ’t wel aanwezig zijn,’ zei ik.
Een logica van niks, bedacht ik tijdens ‘t pinnen, maar hij klopte wel.

Thuis haalde ik eindelijk 1 van de delen uit de cassette. ’t Plastic had ik op m’n werk al verwijderd. Om kort te voelen, te kijken hoeveel bladzijdes ‘t 1e deel had, & te zoeken naar een inleiding die niet bestaat.
Nu sloeg ik bladzijdes om. Bekeek de laatste pagina’s van ‘t 2e deel. Colofon. Paginanummers. Inhoudsopgave. Ik liet enkele pagina’s langs de toppen van m’n vingers fluisteren.
Ik ging op de bank liggen. Woog ’t boek dat ik voor nadere bestudering bij me heb genomen. Ik haalde de omhullende kaft er af. Ik voelde de soepelheid.
Net zo soepel als de bijbel in de kerk. Als we in de misbanken zaten. & Flinterdun papier. Ook net als. ’t Is een wonder dat er zoveel pagina’s in zo’n dun boek passen.
Terwijl ik de 1e pagina’s las viel ik in slaap.

Ik vond mezelf later terug met een boek op m’n borst. Blijkbaar nog net dichtgeslagen.
Ik wist me nog te herinneren dat ik omhoog had gekeken. Naar de boekenkast. Naar de plek in de boekenkast. Vooraan. Bij de A.
Alleen al voor dat plekje was-ie ’t geld waard, had ik gedacht.

Voorlopig is dat plekje echter nog leeg in Zijperspace.

paddenweek

‘Zit je lekker in de tuin?’ vraagt Rachel.
‘Nou, lekker,’ reageer ik twijfelend.
‘Nu ophouden, hoor,’ zegt Rachel. ‘Wil je dan met mij ruilen? Dat doe ik zo, hoor.’
‘Nee, ruilen doe ik niet. Want ’t is wel lekker evengoed.’
‘Af & toe ben ik zo jaloers op je. Ik wou dat ik zulke buren als jij had. Zoals je van de week vertelde over hoe je weer voor ‘t 1st in de tuin werkte. Dat zou ik ook wel willen.’
‘Ja, dat snap ik ook wel,’ geef ik nurks toe. ‘Ik heb erg prettige buren.’
Ik heb m’n bromtoon opgezet. Ik schud m’n lijf een beetje heen & weer, zoals beren in ’t echt ook zouden doen, voorovergebogen m’n tuin beschouwend. M’n linkerarm gooi ik om m’n hals heen, om van achterop even te kunnen krabben. Krabben op niks af, want er is geen jeuk.
Een paar meter verderop zie ik wat bewegen.
‘D’r zitten verderop weer een stelletje padden op een tak,’ zeg ik.
‘Op een tak?’ vraagt Rachel verbaasd.
‘Ja, die heb ik daar ooit neergezet. Ik vond ‘m mooi.’
Ik kijk naar de grillige structuur. ’t Moet oorspronkelijk een wortel zijn geweest. Weet niet meer waar ik ’t weggetrokken heb. ’t Stond echter goed, rechtop tegen de schutting aan. Er moest alleen nog wat mos op groeien & ’t plaatje zou kompleet zijn.
‘Ik heb nog nooit een pad op een tak gezien,’ gaat Rachel verbaasd verder.
Ik begin door te krijgen waarom ze zo klinkt. Ze stelt zich aan de andere kant van de lijn een tak in een boom voor. Ik probeer me in te denken welk beeld zij zichzelf heeft voorgeschoteld, of wat ik eigenlijk bij haar heb gecreëerd. Ziet er wel eng uit. Kleine padden die meters hoog kunnen springen. & Daar bovenin een tak wachten tot er iemand voorbij komt lopen, om vervolgens die persoon in ’t kapsel aan te vallen. Ze kijken daarbij heel gemeen. Daar vanuit die tak.
‘Nee, die tak is heel dicht bij de grond,’ leg ik snel aan Rachel uit.
Om m’n eigen fantasie ook wat in te tomen door me de realiteit van ’t moment weer voor te spiegelen.
‘Daar zitten nu 2 padden me heel vies aan te kijken,’ ga ik verder. ‘Ze waren van plan om een lekker potje te gaan neuken.’
Rachel begint te lachen. Vast m’n droge stem die daar aan toe bijdraagt. Ik besluit quasi-serieus door te gaan met m’n beschrijving van de situatie.
‘Ze proberen de hele tijd bovenop elkaar te kruipen. Dat is hun manier van neuken. Eigenlijk ’t meest gore gezicht van een pad. Als ze met z’n 2-en aan elkaar verklonken zitten. Als een soortement siamese tweeling.’
‘Een lichaam met 2 koppen,’ vult Rachel aan.
‘Ja, & dat wil dan helemaal niet los.’
Ik zie ’t stel van vorig jaar voor me. Vol afschuw had ik ze bij de 1e mooie lentedag verstopt onder oude takken gevonden, m’n aanwezige visite erbij roepend door een net niet onderdrukte gil. Met een emmer werd ’t door de visite opgepakt & met 4 poten spartelend, vooral de springpoten aan de achterkant waren indrukwekkend, 2 koppen wanhopig kijkend naar wat ze te wachten stond, & 2 lichamen die daartussenin bungelden, naar de buren aan de andere kant van de schutting gesmeten.
‘Dat is pas goor,’ probeer ik m’n emoties te beschrijven. ‘& ’t Enige waar ze in deze tijd van ’t jaar aan denken is neuken.’
‘Maar wat denk je dat die beesten wel niet van jou moeten denken?’ vraagt Rachel relativerend.
O ja, de manier om mijn angsten te beteugelen: een beetje realiteitszin bijbrengen. Angst is niet iets reëels, heeft daar ook geen behoefte aan & des te meer ware, échte denkbeelden mij worden bijgebracht, des te meer ik me ga bezinnen over hoe die andere beelden toch in mijn hoofd terecht kunnen komen. Waardoor ik me ze juist extra voor de geest ga halen. Nee, de waarheid helpt niet bij mij, bedenk ik me.
‘Ze zullen wel denken dat ik groot ben,’ zeg ik.
Voor heel eventjes voel ik me ook groot. God, wat stijg ik boven hun nietige verschijning uit. Maar ’t zijn er wel 2, schiet me vlak daarop te binnen. & Ze zijn lelijk. & Glibberig. & Ze kunnen plots jouw kant op komen springen.
‘Maar ’t nadeel is ook dat ik na kan denken,’ voeg ik er meteen aan toe.
‘Ja, dan kan jij tenminste bedenken dat zij veel te klein zijn om jou iets te doen.’
‘Dat ook,’ geef ik kort toe, ‘maar daarnaast zorgt dat nadenken er ook voor dat ik mijn angst veel groter dan die van hen kan maken.’
Ik heb ’t voor mezelf verklaard. Ik had eigenlijk wat dommer moeten zijn.
‘Pf, je bent wel erg bezig met die beesten,’ verzucht Rachel.
‘Ja, ik zou van deze week de paddenweek moeten maken,’ zeg ik. ‘Ik kan er de hele tijd over doorgaan. Schrijf ik elke dag een stukje over padden. & Wat ze met me doen. O, ik zie nu dat die ene op de andere wil schuiven. Ze gaan beginnen. Gaan ze onder mijn neus er voor zorgen dat ik volgend jaar wéér last van die padden heb, want dan zijn hun kleintjes groot.’

& Zijperspace weer een stukje kleiner, ’t krimpen van ’t heelal is al begonnen.

correspondentiepublicatie

(slaap je?)
(op de bank?)


(Ja, ik sliep)
(op de bank)
Tot nu net geleden.
& Dat zeg ik omdat ’t zo mooi klinkt, bedenk ik terwijl ik ’t opschrijf. ‘Nu’ & ‘net geleden’ zit ik voor me uit te mijmeren. ’t Zal wel slaapdronkenschap zijn. Om ’t kompleet te maken, & om straks weer opnieuw te kunnen slapen, heb ik mezelf een biertje voorgeschoteld. ’t Is altijd beroerd om midden in de nacht die nog geen nacht had mogen zijn wakker te worden. Alsof er een kaasschaaf over je heen is gegleden, een botte, die niet weet waar de aanleg voor een ferme plak moet zijn.

Sylke is overigens echt een naam voor een vrouw die wel op een gegeven moment zóu moeten verdwijnen. Een echte immigrantennaam. Later zal er een roman over verschijnen, of een autobiografie, waarin verteld wordt hoe alles zo vanzelfsprekend ver weg werd, nooit meer terug kwam. Lief evengoed dat ze aan je denkt. Zo in den verre. Beste vriendinnen mogen eigenlijk niet weg gaan, daar zijn ze niet voor opgericht, net zoals beste vriendinnen geen vriendje horen te krijgen, of anders niet ziek mogen zijn, als jij (oeps, ik) ’t aan je hart hebt, padden ziet, weliswaar niet regenend zoals in een zekere film, maar ’t zou er wel van kunnen komen als beste vriendinnen zomaar verdwijnen naar dat ver wegge, onherroepelijke, richting vriendske, altijd belangrijkere dan je eigene ikske, gehecht aan vriendinske.
Ik heb gehuild toen m’n broer besloot in een stad anders dan Den Helder te gaan wonen. Ik woonde weliswaar samen met Tineke, maar ik kreeg ’t gevoel dat er niemand meer over bleef. Daar, in Den Helder. Toen ’t eindelijk definitief beter ging met mij, dat lag niet aan m’n broer, ben ik zelf ook vertrokken. Om Den Helder buiten familiebezoek nooit meer terug te zien.
Ik ben een ouwehoer als ik zo wakker word. Ik praat over niks & alles tegelijk. Associatief schrijven zal ’t wel heten. Ik hoop dat ’t je niet stoort.
Ik moet maar verder lezen. Want ’t boek is nog niet uit dat moet gaan winnen.

Ton.
(’t zal niet de 1e keer zijn dat juist dat boek wint dat ik als enige nog niet volledig gelezen heb, een goed graadmeter ondertussen om te weten wie ’t wordt)

Eigenlijk een voorpublicatie van wat ooit nog moet komen in Zijperspace.

trek

‘Ik wist niet wat ’t was. Dus dan ga ik me zorgen maken.’
(…)
‘Ja, dat weet ik.’
(…)
‘Ja, inderdaad. Dat weet ik al jaren. Dat probeerde ik me ook in m’n hoofd te prenten. Als er iets aan de hand is, dan ga ik meteen ’t ergste denken. & Doordat ik over ’t ergste na ga denken, worden de verschijnselen vanzelf erger. Ik slinger ’t als ’t ware aan. Daar heb ik geen extra energie voor nodig. Dat gebeurt vanzelf.’
(…)
‘Weet ik ook wel.’
(…)
‘Ja.’
(…)
‘Maar ja, je zit in je 1tje thuis. Niemand die even tegen je komt zeggen dat ’t absoluut niet ’t hart kan zijn. Daar moet ik allemaal zelf achter zien te komen. & Als je met spoed naar de huisarts gaat, dan loop je ’t risico op de zwarte lijst van hypochonders te komen. Want dan blijken ’t toch de darmen te zijn geweest ipv ‘t hart.’
(…)
‘Ik vind ’t lullige altijd dat je blijkbaar niet je eigen lichaam kent. Alles lijkt er voor geschapen je op een prettige manier door ’t leven te laten wandelen, maar hapert er iets, dan weet je niet als vanzelfsprekend welk onderdeel dat is. Daarvoor zijn we te ver van ons instinct afgedreven. Vind ik best wel jammer. Dat als je linkerpink pijn doet, dat je dan weet dat je een beetje aarde in je mond moet stoppen. Zo’n vanzelfsprekendheid.’
(…)
‘Ja, maar ontspannen is dan juist ’t laatste wat ik kan.’
(…)
‘Ja.’
(…)
‘Ja, maar…’
(…)
‘Ja, maar ’t enige waar ik aan denk is dus dat m’n hart ’t zodirect gaat begeven. & Ik weet heus wel dat ik er niet uitzie als iemand bij wie dat zomaar kan gebeuren, dat ik daar genoeg voor beweeg & te weinig lijd aan obesitas, maar iets wat tussen m’n oren is gaan nestelen wil dat warme huisje met weinig tochtgaten niet snel weer verlaten. Dat is ‘t! Dat is ‘t! Ik heb te weinig tochtgaten.’
(…)
‘Weet ik. Weet ik. Tuurlijk is ’t mooi weer. Ik zat ook de hele tijd buiten. Tenminste, ik was van plan de hele tijd buiten te gaan zitten. Ik had me net geïnstalleerd.’
(…)
‘Ja, de zon is heerlijk in mijn tuin. Maar ik had me dus net geïnstalleerd, boek erbij, pet op om niet verblind te worden, krukje voor m’n voeten, toen ik wat zag bewegen.’
(…)
‘In de tuin, ja, maar geen vogel. Ja, die waren er ook wel. Daar genoot ik ook wel van. Er kwam nog een stelletje staartmezen voorbij, dat was wel leuk. Maar er bewoog iets anders. Dus ik ging staren naar de plek waar ik in m’n ooghoek iets had waargenomen. & Tegelijkertijd zie ik in m’n andere ooghoek weer wat bewegen.’
(…)
‘Nee, ’t waren padden. 1tje Kwam steeds verder naar me toe.’
(…)
‘Ja. Dus ik pak de stok van de bezemsteel. Probeer ‘m weg te jagen. Gooi ook nog een lege plastic bloempot op ‘m af. Maar juist daardoor komt-ie nog dichter naar me toe. Kijkt me echt zo aan van: ‘Hé, met jou zou ik wel een nachtje willen doorbrengen.’ Zo zijn padden. Lees ik dus later ook op een website: ’t enige waar die padden in deze tijd van ’t jaar aan denken is zich zo snel mogelijk voort te planten. & Met die pukkel op m’n neus zag ik er reuze-aantrekkelijk uit natuurlijk. Dus dat beest wilde me bespringen. Ik zag ’t al voor me. Toen heb ik snel de plantenspuit gepakt. Dat hielp. Toen droop-ie af, letterlijk. Vond me blijkbaar geen aardig mannetje dat ik ‘r ondergespoten had.’
(…)
‘Nee, toen heb ik de deuren dichtgedaan natuurlijk. Maar goed ook, want om de paar minuten kwam er weer een pad langs om voorbij te trekken. Dat bedacht ik me ook opeens: dat ze aan ’t trekken waren. De grote paddentrek was begonnen. Ik heb ’t gelijk gecontroleerd op die website & m’n vermoeden bleek te kloppen. ’t Geile-padden-seizoen was aangebroken. & De grootste trek vond plaats in mijn tuin. Nou gingen ze er natuurlijk van uit dat ik ze in een emmertje op zou vangen, zodat ze goedkoop & snel verplaatst konden worden. De luie donders. Nee, zo ben ik niet.’
(…)
‘Nee, ik ben geen held. Ik durfde gelijk ook niet meer naar de aarde in de tuin te reiken om een beetje in de mond te stoppen, zodat ik m’n linkerpink niet meer zou voelen. Nee, dat hele instinct van mij was gelijk teniet gedaan. Dus ik heb die deuren gesloten & m’n hart begon gelijk nóg onregelmatiger te kloppen. Kwam doordat ik m’n eigen ruimte had ingeperkt, dacht ik.’
(…)
‘Ja.’
(…)
‘Ja. Goed, als ik er straks niet meer ben, dan laat ik ’t je wel weten. Ok. Doei.’

& We begonnen weer met staren naar alles dat voorbijkwam aan Zijperspace.

uitbraak

‘’t Is er weer tijd voor, hè,’ hoor ik van rechts komen.
De buren van hiernaast lezen in de zon een boek. Ze hebben er in ieder geval beiden 1 op de schoot liggen. Nu kijken ze naar mij. Tussen de gaten van ’t gaas in de schutting door. & De dode oude kronkelende takken van vorig jaar.
Ik richt me op, terwijl ik nog net even een takje losruk.
‘Ja, de zon schijnt om te zeggen dat ’t weer moet gebeuren,’ reageer ik.
‘Dan weten we in ieder geval dat je er weer bent,’ zegt 1 van de meisjes.
Even denken hoe zij ook alweer heet. ’t Is de kleinste van de 2.
Ze doelt op die ene keer dat we verbaasd waren dat we elkaar weer ‘ns tegenkwamen.
‘We dachten al dat je verhuisd was,’ zei ze toen.
‘Ja, hoor,’ zeg ik, ‘ik was er evengoed al die tijd.’
‘Wij waren er ook, hoor.’
O ja, de 1 heette Johanneke, de ander Dorien. Precies als 2 meisjes die ik al jaren ken & ook bij elkaar woonden. Alleen passen de namen bij hun verkeerd.
Ik buk weer voorover om ’t volgende takje op te rapen.
‘Kunnen jullie hier nog lang blijven wonen?’ vraag ik ondertussen.
‘Ja, nog tot november,’ zegt Dorien.
Dan moet ik ze maar weer voor m’n feestje uitnodigen, bedenk ik me. Maar nu nog niet. Er komen nog genoeg mooie dagen voor die tijd.

‘Hoi, buren,’ roep ik naar 3-hoog.
Ze zijn druk bezig dingen op te hangen aan ’t balkon.
‘Hoi,’ reageert Panos.
Nienke glipt net naar binnen.
‘Je hebt je thuis mooi schoongemaakt,’ wijst Panos.
Grieken maken blijkbaar hun tuin schoon, constateer ik met een glimlach. Grappig hoe taal werkt.
‘Nou, dit is nog maar ’t begin,’ zeg ik.
Nienke komt weer buiten. Ze zwaait. Ik zwaai terug.
Panos bukt weer om door te gaan met z’n activiteiten. Hij probeert een bout aan de spijlen van ’t balkon te bevestigen. Nienke showt mij ondertussen waar ze mee bezig zijn.
‘We hangen vissen op aan ons balkon,’ legt ze uit.
Platte vissen van ijzer, zo lijkt ’t van een afstand van 3 etages.
‘Ah, balkon-art,’ constateer ik.
‘Ja, we hadden nog wat kunst over,’ zegt Nienke.
Kunstenaars houden kunst over. & Ik een heleboel dode takken. Ik weet alweer niet meer waar ik ze laten moet.

‘Lekker weer, hè,’ zegt Suze van 2-hoog.
Ik kijk op.
‘Ja, heerlijk,’ reageer ik. ‘Alleen jammer dat die buurman van 1-hoog onze rust de hele tijd verstoort.’
Ze lacht. Sinds 3 weken zit haar vriend op 1-hoog. Woningruil. & Nu wonen ze zo goed als samen. Hebben evengoed allebei een appartement.
‘Erg, hè,’ speelt Suze mee. ‘Met die houten planken als vloer trilt ’t door ’t hele huis.’
‘& Hij lijkt maar niet klaar te komen met klussen. Van ’s ochtends vroeg tot ’s ochtends vroeg.’
Nico komt kijken wat we over hem te zeggen hebben.
‘Huh?’
‘Ha, we zijn er allemaal,’ zeg ik.
Nienke & Panos bukken ook nog een keertje voorover om naar onderen te kijken. Nico kijkt omhoog.
‘We gaan een huurderscommissie instellen, om te kijken of we iets tegen die overlast kunnen doen,’ zeg ik.
Suze lacht.
‘Hij moet die vloerbedekking maar weer terug leggen,’ zegt ze.
‘Nee, even serieus,’ zegt Nico. ‘Heb je veel last van me?’
‘Ach, nee hoor,’ antwoord ik.
‘Hé, Ton,’ roept Suze er tussendoor, ‘mag ik even bij je beneden komen om een cd-tje te lenen?’

De tijden van grote afzondering zijn weer voorbij voor Zijperspace.

inspiratieloze mededeling

Bij gebrek aan inspiratie deel ik u ’t volgende maar even mee. Wellicht ten overvloede.

Nog maar 21 nachtjes slapen.
& Dan vier ik ’t niet. Hoewel ik wel vrij zal zijn. Ondanks de normale zondagse arbeidsdag die de zondag doorgaans voor mij is.
Nee, ik wil niet werken op m’n verjaardag. Ik kan me de dag niet heugen dat ik m’n wél op m’n verjaardag heb gewerkt. Wel dat ik gewoon evengoed naar school moest. Ik geloof dat ik zelfs wel ‘ns een repetitie op m’n verjaardag heb moeten maken.
Schandalig. Een verjaardag moet een vanzelfsprekende vrije dag zijn. Een beetje je bezig houden ten dienste van anderen op een dag waarop je je eigen bestaan zou moeten vieren & alle plezierige aspecten daarvan. De dag dat je verjaart is méér een feestdag dan al die andere van overheidswege ingestelde vrije dagen. Dan moet je zelf kunnen kiezen wat je gaat doen. Dan moet je de vrijheid hebben om de hele dag uit je neus te eten, je ongans te zuipen aan diverse alcoholische versnaperingen in ’t gezelschap van mensen die dit ook wel kunnen waarderen, of om een blokje om ’t huis te lopen. Je verjaardag is tenslotte de leukste dag van ’t jaar (behalve dan sinterklaas & ’t bokbierfestival).
Dat zal ik dit jaar niet doen. Tenminste, ik ga ’t niet plannen zoals ik voorgaande jaren gewend was te doen.

Dit omdat, ik heb ’t al enkele keren gemeld, ik dit jaar 15.000 dagen oud zal gaan worden. Dat gebeurt een mens ook niet al te vaak. Zeggen & schrijven slechts 1 keer, & dan moet ‘t ‘m ook nog meezitten.
Nog 46 nachtjes te gaan. Vandaag ben ik zogezegd 14.954 dagen oud. ’t Duurt dus niet lang meer. Slechts 25 dagen na m’n 41e verjaring. Of eigenlijk: precies 25 dagen! Wat de 5e Mei ’05 de 125e dag van ’t jaar maakt (aangezien mijn verjaardag doorgaans, of eigenlijk: 3 maal in de 4 jaar, op de 100e dag van ’t jaar plaats heeft).
Ach, daar heb ik ’t al lang & breed over gehad. Een jaar geleden al. Ik zal de mensen daar niet nogmaals mee vermoeien. Dat doe ik in ’t dagelijks leven al meer dan genoeg.
‘Wanneer word je dan 15.000 dagen oud?’ is een vraag die nl regelmatig aan me wordt gesteld als ik ’t weer ‘ns niet kon laten te benadrukken dat ’t bijna zover is.
‘Op hemelvaartsdag, op de 125e dag van ’t jaar, op 05-05-05, op bevrijdingsdag, 25 dagen na m’n verjaardag, op de kop af 60 jaar na de bevrijding. & Jij mag ook komen.’
Men zou me moeten horen. Bij ‘t 1e gedeelte keert de gemiddelde mens zich al vermoeid om, op zoek naar een enigszins meer rustgevende gesprekspartner, waardoor ze de daadwerkelijke uitnodiging missen. Ik zal waarschijnlijk al dat reeds lang bestelde bier in m’n 1tje op moeten drinken. Me intraveneus met de 3 tapkranen moeten verbinden. & Dan maar hopen dat ’t toch nog op is, aan ’t eind van de dag. Dat die 15.000e verdagdag niet zinloos voorbij is gegaan.

Daarom vier ik ’t dus niet, m’n verjaardag. ’t Zou een beetje dubbelop zijn. Maar ik kon ’t niet over m’n hart verkrijgen te gaan werken. Dat is toch ook weer te veel van ’t goede. Ik werk wel weer met kerst. & Oud & nieuw.
Maar zeker niet op 05-05-05.

Dan zijn er andere dingen te doen in Zijperspace.

namennoemen

Alex, die eigenlijk anders heet, maar wiens echte naam ik vergeten ben, staat aan de bar. Ze wil bestellen, maar stottert bij ’t noemen van mijn naam.
Buiten dat ze geen Alex heet, heeft ze bovendien de naam van de andere Alex afgenomen. Alex die eigenlijk Alexandra heet, op z’n engels, omdat ze nu 1maal van oorsprong engels is; als ik haar riep zei ik altijd ‘èlleks’, terwijl dat bij de nederlandse Alex gewoon ‘aaleks’ is. Of moet zijn. Maar omdat de ene Alex de andere Alex beïnvloedt, ben ik geneigd op een engelse manier de hollandse Alex aan te spreken.
Die andere Alex dus, de engelse, moeten we nu Lexie noemen, onder die naam schrijven we een bonnetje voor haar, want anders ontstaat er verwarring. Want de nederlandse Alex, die eigenlijk geen Alex heet, wil nu 1maal Alex genoemd worden. & Dat wilde ze nou juist in een tijd dat de andere Alex, de engelse Alex, Lexie, een tijdje niet kwam. Waardoor ze haar recht om Alex genoemd te worden, om een bonnetje onder de naam Alex te mogen hebben, verspeelde, per ongeluk verloor.
Behoorlijk verwarrend dus, als je niet weet over wie ik ’t heb helemaal, maar wij barmensen moeten er mee leven, bovendien moeten we net zo lief & aardig tegen ze zijn, geen onderscheid. ’t Zijn tenslotte klanten.
Verwarrend bovendien is dat ze nu wil bestellen, die ene Alex dus. Terwijl ze in gedachten blijkbaar zelf 2 namen door elkaar haalt, want ze stottert bij ’t noemen van m’n naam.

Zoals m’n moeder. Als we iets niet mochten. & Een woedeaanval moest bewerkstelligen dat we aan haar wil ’t niet te mogen zouden gehoorzamen. Dan ging 1st ’t hele gezin van de andere 5 zonennamen voorbij voordat ze de juiste te pakken had.
‘Quint, nee, Carel, Theo, Jan, Marc (….) TON! LAAT DAT!’
Ze werd kwader naarmate ’t duurde voordat ze de juiste naam uit haar mond kon krijgen.
Wij waren allang al geschrokken, gestopt met de handelingen die niet verricht mochten worden, geparalyseerd zaten we in onze stoel, wachtend op de grote explosie van de naam die op ons van toepassing was.
& Daarbij zeg ik ‘ons’, omdat ’t op iedereen in de familie van toepassing kon zijn. M’n moeder begon altijd bij de verkeerde naam. Waardoor alle leden van ‘t gezin, op m’n vader na, stopten met waar ze mee bezig waren. Hoe onschuldig de bezigheid ook was.
’t Huiselijk leven werd voor een korte tel stilgezet, geheel gefixeerd, niemand deed iets, was in z’n beweging blijven hangen, bang dat ‘tgeen hij deed niet veroorloofd was, vooral ervoor zorgend ’t niet erger te maken dan dat ’t al was.
Niets gebeurde, behalve m’n vader die even een andere jazzplaat opzette.

Ik kijk gewoon voor me uit. Eigenlijk een andere kant op, want ik heb wel wat anders te doen dan gewoon maar wachten tot Alex, die ene, op mijn naam komt. Zoals bijvoorbeeld de glazen, de lege glazen verspreid over de bar, te verzamelen & in de buurt van de spoelbak te zetten, oogcontact te zoeken met de klant die zojuist binnen komt lopen & onderwijl ook nog even te kijken of er wel genoeg droge viltjes op de bar liggen. Dat moet ook allemaal gebeuren. Is ook allemaal belangrijk. Alex komt morgen weer, dus ik kan heus wel een potje breken in de vorm van afwachtend zijn tot ’t moment dat zij m’n naam weet te herinneren.
Maar ze neemt een loopje met me. Ze doet net alsof. Ik zie ’t aan de grijns die ze op haar tronie tovert. & Dan een paar keer met de wijsvinger haar bril recht op haar neus duwt. Dat moet ook iets zeggen. Doe je ook niet zomaar een paar keer achter elkaar.
‘Hm, hoe heet je ook alweer?’ zegt ze lachend, tegen de man die algemeen bekend staat als de pardon-Ton (‘Pardon, hier is Ton’) als-ie met stapels glazen richting bar komt lopen, daarmee de massa opzij dirigerend.
‘Noem me maar Geileflikker,’ roep ik olijk naar haar, niet van zins haar te helpen eer zij me fatsoenlijk kan bejegenen, ondertussen alvast een bestelling opnemend van die ene klant die daarnet binnen is getreden, ‘dan kom ik zo bij je.’
Ik buig me naar de nieuwe klant, luister naar wat-ie te bestellen heeft, gooi de tap open, met daaronder een glas, & roep verder naar Alex, die ene: ‘Maar veel vrouwen noemen me eigenlijk ‘Geileflikkermagkmetjenaarbed’, dat vind ik zelf echter wel een beetje erg lang. Zeker voor een barman.’
Ik zet ’t glas bier voor de nieuwe klant neer, lach m’n breedste lach naar Alex, nog steeds die ene, ontvang wat geld in m’n rechterhand, overhandig met m’n linkerhand wat de nieuwe klant aan wisselgeld tegoed heeft & ben vervolgens bereid me naar de dame die zoveel aandacht van me vergt te wenden.
‘Zeg,’ zegt ze, ‘Geileflikkermagkmetjenaarbed…..’
Ze heeft haar mond nog open om haar bestelling er op te laten volgen als ik roep, hard, want iedereen mag ’t best wel horen: ‘Nee, ik heb vandaag niet zo’n zin. Bovendien heb ik nog wat andere dingen te doen.’
Waarop ik me naar een volgende klant keer.

Liever nog een nachtje m’n eigen naam noemen in Zijperspace.

35%

‘Er staat 35% op. Min 35%. Wat betekent dat je ’t voor 35% minder kan kopen. Omdat ’t aan ’t randje van de verkoopdatum zit. Houdbaarheidsdatum is bijna overschreden. In ’t bier zeggen we dan dat ’t bijna ‘o.d.’ is. Over Datum. Wil niet zeggen dat ’t niet meer goed is, zeker in ’t bier niet, maar je kan ’t dan bijna niet meer verkopen. Met vlees mág je ’t zelfs niet meer verkopen. Nou, dan kunnen ze ’t natuurlijk net zo goed toch nog verkopen op de laatste dag, want dan krijgen ze er in ieder geval nog een beetje geld voor, ipv helemaal niks.
Maar niet verder vertellen, hè, want volgens mij maken ze daar een denkfout. Ik profiteer ervan, ik vind ’t heerlijk, maar ze als ’t te weten komen, dan kan ik fluiten naar m’n od-vlees.

‘Je moet niet ’s ochtends vroeg langskomen. Dan hebben ze nog niet alle verpakkingen op datum gecontroleerd. & ’s Middags, als ‘t zeg maar 2 uur, 3 uur is geweest, dan zijn anderen je voorgegaan. Ik heb ‘ns een man z’n hele boodschappenwagen zien volladen met 35%-vlees. Vlak voordat ik een greep kon doen. Die was volgens mij ingeseind, van: ja, nu moet je komen! Alle schappen waren leeg toen ik aan de beurt was om iets lekkers & goedkoops te vinden. Geen 35%-stickers meer te vinden.

‘Om toch vooral te voorkomen dat de mensen gaan hamsteren hebben ze op de onderkant van de verpakking een tekst geplaatst waarin gemeld wordt dat je ’t wel in de vriezer kan bewaren (nog dezelfde dag er in stoppen), maar niet langer dan 3 maanden.
Dat wil er bij mij dan niet in, hè, dat ’t na 3 maanden diepgevroren toestand opeens bedorven kan zijn. Ze willen de consument gewoon door laten consumeren, nou ja, door laten kopen. De consument mag vooral niet stilstaan. Hij moet een reden hebben om terug te keren naar de supermarkt. Daarom die 3 maanden. Zodat-ie weer consumptiegedrag kan gaan vertonen.

‘Ja, ja, ik vertel zo wel hoe dat zit met hun denkfout.
1st Even dit: je kan écht alles met zo’n sticker tegenkomen. Er valt geen pijl op te trekken. Laatst had ik eendenborst. Kon me niet herinneren dat ooit gegeten te hebben. De week erna sparerib. Heb ik meteen bij thuiskomst als lunch bereid. Beetje vette lunch, maar ja, wanneer maak ik nou voor mezelf zo’n maaltijd klaar? Toen heb ik mezelf ’s avonds een wat bescheidener maaltijd voorgeschoteld.
Cordon bleu, van die dikke lappen, voor € 1,90. Of gemarineerde varkensfileetjes, 5 plakken, die ik als tussendoortje voor slechts € 1,85 zit op te peuzelen. Een boterhammetje erbij om in ’t sausje te dompelen. Of van die stammetjes, hoe heten die dingen ook alweer, of blinde vinken; vroeger aten we die regelmatig, m’n moeder had altijd wel wat in huis, maar ik was ze eigenlijk een beetje vergeten. Dankzij die 35% leer ik ze opnieuw kennen.

‘Anders had ik een boterham moeten eten. Nou, ik hou wel van een beetje variatie, zo 1 keer in de week. Wil ik best 5 minuutjes in de keuken staan om iets in een koekenpan aan te braden.

‘Ja, die denkfout dus. Dat is eigenlijk best wel dom. Ze denken dat ze dan op een voordelige manier van ’t product af zijn. Maar ze vergeten dat de consument alleen besteedt wat-ie kan besteden. Ipv dat-ie z’n geld aan iets anders zou spenderen, geeft-ie ’t nu uit aan iets goedkoops. Reken maar niet dat ik iets in ga kopen wat ik ipv dat 35%-vlees op woensdagmiddag zou kunnen eten. Eventjes geen boterham als middagmaal op m’n vrije dag. Daar hoef ik dan niet meer over na te denken, geld aan uit te geven evenmin.
Een week later kom ik weer terug, nieuwe wekelijkse boodschappen doen, & er ligt weer een heerlijke plak voor mij klaar, voor geen geld, ver onder ’t bedrag waar je iets dergelijks elders kan kopen.
Zij hebben er geen extra voordeel aan, hun concurrenten niet, de slager op de hoek niet, ze ondervinden evenmin schade ervan, behalve dus dat ik dat geld niet meer aan iets anders uit kan geven, maar ík profiteer wel degelijk. Zonder die sticker had ik een dergelijk product waarschijnlijk niet gekocht.
Dat vergeten ze, hè, dat ik ’t anders niet had gekocht. Waarschijnlijk wel iets anders, maar nu even niet.

‘Ik vind alleen dat de kassameisjes me zo afkeurend aankijken. Misschien omdat ’t varkensvlees is, dat mag niet van hun hoofddoek overhangen koppies, of anders omdat ik met 3 verpakkingen zonder winst voor hun baas de supermarkt verlaat.
Ja, dat gaat nog wel even moeite kosten, dat ik de kassameisjes negeer.’

Waarschijnlijk zal er van dat laatste nooit wat van komen in Zijperspace.

ruis (2)

Een rondje om school, al enkele jaren daarvoor. Toen ze me uitlegde wat pijn deed. Wat pijn haar aandeed. Ze liet haar tranen zien, haar ware paniek. Ze haalde voor ‘t 1st haar verband weg. Dwarse strepen. Krassen. Bij beide polsen.
Ik had toen al begrepen dat je nooit je mond open moet laten staan. Geen verbazing, geen verontwaardiging. Gewoon wachten op wat verder komt. Geen grenzen van onbegrip opwerpen.

Nu liep ze met me mee, naar buiten de afdeling. Niet tussen al die gekken, zoals ze zei.
Ik had niet meer meegebracht dan tijdelijk gezelschap, een beetje belangstelling, een weten van wat er buiten gebeurde met de rest.
Hoewel ze daar niet al te veel van af wilde weten.
‘Kijk, zij rookt de hele tijd,’ wees ze naar andere bewoners, tijdelijke patiënten. ‘Zonder roken redt ze ’t niet. Ze is al 20 kilo aangekomen, sinds ze hier is.’
Ik keek naar degene over wie ze ’t had. Onopvallend, zonder dat anderen zagen dat ik zag. Tussen ’t praten door. Zij legde ondertussen uit hoe zwaar die ander ’t had.
Of ze had ‘t over die jongen, die dacht dat-ie super was. Meer dan anderen.
‘Hij is geestelijk écht ziek. Hij denkt dat iedereen ‘m verschrikkelijk knap vindt, onweerstaanbaar. & ’t Stomme is dat sommige vrouwen die hier zitten daar heel gevoelig voor zijn. Hele toestanden van de week, toen-ie met een andere patiënte in bed werd betrapt.’
& Ik vroeg elke keer hoe ’t met haar was. Kreeg daar kort antwoord op.
Of ze zei dat ik beter kon gaan.
Dan ging ik.

Ze belde me een enkele keer. ’s Avonds, als de therapieën voorbij waren. Als ik haar al enkele weken had proberen te bereiken.
Ik vroeg of we elkaar weer een keertje konden zien. Vertelde dat ik ondertussen ook verder was. Ik wilde wel weer ‘ns praten.
In Alkmaar dan. Dat mocht wel. Ze mocht nu zo af & toe weg. Tot niet al te laat. Ze moest opgeven waar ze was. & Bijtijds terug zijn. Alkmaar was dichtbij.
We hebben toen aan een tafeltje gezeten. Nadat ze mij van de trein had opgehaald & we door de straten slenterden op zoek naar een goede kroeg. Aan een tafeltje in een rustig café.
Zij dronk thee. Ik bier.
Ik weet nog dat ik niks kreeg.
Niks.
Daadwerkelijk niks.
Ik wist naderhand niet te vertellen hoe ’t met haar ging.

Na een jaar was ze weer naar Amsterdam; ze werd losgelaten, of liet zichzelf los.
Ik ging een enkele keer op bezoek. Ze liet haar kamer zien, een andere keer haar nieuwe engelse vriend. Ze maakte een maaltijd. We luisterden muziek. Voor de rest hadden we geen van beiden ooit geld om iets anders te doen.
We praatten over waar we vroeger waren gebleven. & Haar plannen om verder te trekken. Met haar vriend naar Engeland.
Ik doolde rondjes, denk ik, in haar ogen.

Plots kwam ik haar weer tegen. Jaren later. Voor Zeppos. Ik kwam terug van m’n vaders verjaardag. Ik was van plan in Zeppos kennissen tegen te komen. Zij stond op ’t punt, op dat moment, weg te gaan.
‘Hoe kan je me herkennen in een donkere steeg,’ vroeg ze, ‘& nog wel van achteren?’
‘Ik voelde dat jij ’t was.’
Dat wist ik zeker. Ik wist altijd alles zeker bij haar.
Ze was tijdelijk terug in Amsterdam. & Luisterde naar de verhalen van mij over mensen van vroeger.
‘Jemig, jij weet echt alles van iedereen.’
‘Ach, toevallig gehoord.’
Ik vertelde hoe ’t met m’n vader ging, met m’n moeder.

& Dat is alles. Voor de rest weet ik ’t niet.
Ik heb haar toen naar haar logeeradres gebracht. Zo’n 15 jaar geleden. Toen zij stopte, ben ik verder gefietst.
Ik wacht nog op een telefoontje. Want haar kind moet ondertussen toch al 8 jaar oud zijn.

We wachten tot de mist minder grijs wordt in Zijperspace.

ruis (1)

Ik weet nog wel wat. Ik weet nog een beetje wat er gebeurd is. Er zijn nog wat beelden. Gevormd door de gebeurtenissen, of vervormd door er aan te denken. Je schift, je schuift weg, overtollige balast, om ’t in efficiënte bits & bytes op te slaan, compact, zo min mogelijk ruimte innemend, om later weer ‘ns tevoorschijn gehaald te kunnen worden. Voor later gebruik beschikbaar.
Daarbij vergetend dat opslaan ruis betekent. Beïnvloeding door andere factoren. Emoties, spanning, angst, heimwee, liefde.
Veel ruis dus. Niets van wat ik denk is echt waar. Niets van wat ik me herinner.
Maar tussendoor de ruis. Tussen de grote stukken ruis door. Als je grote lijnen bekijkt. De kleuren weg wrijft. Blijft er nog iets over..
Dat heet dan herinnering. Meer kan je er niet van maken.

Ze zette haar fiets op slot voor de sporthal. Ik zat in de kantine. Was al enkele wedstrijden aanwezig. Had me mee laten sleuren te gaan zitten. In afwachting van de volgende belangrijke wedstrijd voor onze school. We dronken fris & praatten wat.
Tot zij haar fiets op slot zette.
Door de grote ramen overzag ik ’t plein voor de sporthal. Ik was bijna lijfelijk aanwezig bij haar & haar fiets. Ze deed iets onhandigs, zoals zij altijd iets onhandigs deed met haar fiets. Fietsen deden bij haar nooit waar ze voor dienden.
Ik zag haar de entree binnengaan. Speuren naar mensen.
’t Was herfstvakantie. & De sportievelingen onder ons deden mee aan een basketbalcompetitie. De rest keek toe, als ze tenminste kennissen hadden onder de spelers.
Ik klopte op ’t raam. Dacht aan de dag ervoor. Een lang gesprek. Verteld dat ik verliefd was. Onomkeerbaarheden.
Dus klopte ik op ’t raam. Ze zou zo wel komen als ze mij zou zien zitten.
Over de rest valt niets met zekerheid te zeggen.

Ik weet ook nog een gillend meisje. Dezelfde zij.
Een gillend meisje op haar kamertje in Amsterdam. Krijsend in de hoek. Tegen de plinten aan. Ons wegslaand.
Weg, weg, weg, moesten we.
Een gedichtje op de muur. Van toen ’t nog beter was. Een punaise had m’n regels aan de muur geplakt. ’t Papiertje zag ik over haar rug heen fladderend hangen. Ik wist toen al niet meer welke woorden ik had gebruikt.
Haar borstkas schokte eronder. Bereid om weer te gillen.
Ik weet dat we weg, weg, weg zijn gegaan. & Zij bleef.

Dan een telefoontje. Ik was terug bij ouders thuis.
‘Ton, ’t is haar vader,’ werd er gezegd. ‘Hij wil je spreken.’
Gestuntel. Dat was de zelfverzekerde vader. De rechtlijnige man. Nu hopeloos verloren door z’n dochter.
‘Heb je ’t dan niet gehoord?’ vroeg-ie.
Alsof ’t vanzelfsprekend was. Alsof zij me 1st op de hoogte zou stellen & dan pas tot actie over zou gaan.
‘Ze is gister overgebracht. Ze ligt in Den Helder.’
Ze wilde niet praten. Vertelde hij. Niet met hem. Ze wilde niet zeggen wat ze wou.
Hij maakte net zo veel contact met haar als ervoor. Alleen wilde hij haar nu plots begrijpen.
‘Kan jij bij haar langsgaan? Misschien weet jij wat boeken die zij zou willen lezen. Als ’t maar niet te zwaar is. Ik zou niet weten wie ik anders moet vragen.’

Ze liet me de krassen zien die onder ’t verband uitstaken. De verticale krassen. Verticale krassen hadden zin, krassen in de lengte. Ze had me al eens eerder verteld hoe een veiligheidsspeld genoeg kon zijn. Zolang ze ’t maar niet horizontaal deed. Dat had ze de vorige keer uitgelegd. Met bijbehorende plaatjes.

Plaatjes in kleur, waar zwartwit zou volstaan in Zijperspace.

rectificatie

Binnengekomen meel:

Beste Ton,

Herrineren deed ik het mij direct, de brommer die op ons afkwam de klap en jij die door de lucht vloog. In de ambulance gelegd en in het ziekenhuis verzorgd. Ik ben nog een keer bij je geweest in het ziekenhuis en heb je daarna eigenlijk bijna niet meer gezien. Wel vind ik het leuk dat je het op je blog staat. Echter zou ik toch maar eens bij mezelf te raden gaan wie nog meer bij jouw dat geld uit je beurs zou kunnen hebben gehaald want ik ben het niet geweest. Na zoveel jaar zou ik gezegd hebben sorrie Ton foutje vergeef me, maar dat is helemaal niet nodig want ik was het niet. Wat ik hoop is dat het je goed gaat Ton, ik zal af en toe zelfs nog wel eens naar je verhalen kijken. Groet Mark


Uigaande meel:

Ik ben er jarenlang vanuit gegaan, tot op 't moment dat ik dit meeltje heb gekregen zeg maar, dat jij wél degene was die 't geld uit m'n portemonnee had gehaald. Volgens de jongen op de brommer, die me aangereden had, was jij degene die mij me bleef. Ik kwam er pas achter dat ik geld miste op 't moment dat ik 't ziekenhuis had verlaten. Weet 't niet meer precies, maar 't moet iets van 100 gulden zijn geweest, of nee, m'n stukje van toentertijd zegt 180 gulden. Tineke & ik hadden dat toen hard nodig voor onze verhuizing, inrichting van onze nieuwe huis. Daarom wisten we precies wat er in m'n portemonnee had gezeten. De jongen op de brommer vertelde me dat jij bij me achtergebleven was terwijl hij naar de dichtstbijzijnde boerderij hulp was gaan halen. Daarom verdacht ik jou. Niet geheel ten onrechte, want ik miste geld. Een niet gering bedrag. Ik heb jou ook jarenlang niet aan willen kijken, ik wist nl zeker dat jij 't was, dat jij me beroofd had van die essentiële centen die Tineke & ik bij elkaar hadden gespaard. Als jij zegt dat je 't niet bent geweest, dan wil ik 't wel geloven. Maar er gingen toen ook verhalen (niets is waar zolang 't niet bewezen is, maar men hoort nu 1maal verhalen waarvan men niet 't tegendeel krijgt aangereikt) dat je ondertussen verslaafd was geraakt. Dat dit ook de reden was dat je weggetrokken was uit Den Helder. Heeft voor de rest niets met mijn wantrouwen tegenover jou te maken. Ik wist zeker dat jij 't was. De verhalen omtrent jou waren een extra bevestiging. Maar zoals ik zei: als jij zegt dat je 't niet hebt gedaan, dan neem ik dat voor waar aan. Anders zou je niet reageren. Denk ik. Maar ik geloof mensen makkelijk. Dat wil ik ook zo houden. Daarom hoop ik nu ook maar dat 't goed met je gaat. Dat je 't me niet kwalijk neemt dat ik je ong 20 jaar lang heb verdacht van die roof.

't Beste,

Ton.
(maar ik denk dat 't me evengoed moeite zal kosten jou te zien, na zeg maar 20 jaar denken dat jij 't was).


Voor meer info hierover, zie elders in Zijperspace.

bezoek

‘Denk je nog wel ‘ns aan hem?’ werd er gevraagd.
’t Lijkt al maanden gelden, die vraag. Maar ’t pruttelt nog na.
Sommige dagen vraag ik me af waarom ik aan hem zou moeten denken. De laatste jaren maakte hij geen deel uit van m’n dagelijks leven, waarom zou hij dat dan wel doen als hij er niet meer is? Ik heb mezelf niets te verwijten, ik heb ‘m niets te kort gedaan. ’t Is slechts een herinnering die langzaam slijt, zichzelf daar overbewust van is & me daarom elke dag weer even lastig valt.

’t Zijn de kleine dingen, & dat klinkt alweer triviaal, die me op hem wijzen. ’t Zijn m’n schoenen die aangetrokken moeten worden, de suikerpot die ik vul, de droge keel als ik ’s ochtends opsta, ’t vogeltje dat voorbij vliegt, ’t meeltje uit Zweden dat ik beantwoord. Ik kan aan 100-en andere dingen denken als ik met iets dergelijks bezig ben, maar per ongeluk denk ik aan Pa. Aan z’n slaperige kop, z’n routine met een veter, ’t lezen van een blaadje, ’t wijzen met z’n vinger, of eigenlijk met z’n neus.
Ik betrap me op de gedachte dat-ie eigenlijk al verdwenen zou moeten zijn; dat ik me zijn baard niet meer in detail zou moeten herinneren, z’n hoppende gang als-ie een heuvel afliep. Maar ’t blijkt nog allemaal even sterk opgeslagen te zijn. Vóór Parkinson, tijdens Parkinson. De manier waarop hij lachte, z’n tanden verborg om z’n gebit niet te hoeven tonen, waarop hij zijn kopje probeerde te pakken, maar er door een trilling naast greep, hoe hij daartussenin naast me in een stoel wilde gaan zitten, maar door de 1e verschijnselen op de leuning van die bewuste campingstoel plaatsnam & onderuit ging. Binnen 2 tellen had hij met een simpele opmerking de verzamelde visite in een opgeluchte klaterende lach.

’t Kostte me alleen moeite me te herinneren dat-ie in de voorkamer lag opgebaard. Ik dacht even dat-ie meteen in een kist was gestopt.
’t Duurde een uur om ’t beeld van z’n nette pak terug te krijgen. Z’n handen gevouwen, de rozenkrans erin verstrengeld. Z’n ogen dicht, de man van de uitvaart die een klein stukje gereedschap had om z’n mond weer dicht te krijgen, z’n gezicht weer mooi. De witheid van z’n wangen die nog nooit zijn kleur was geweest, maar waar je berusting in kon vinden.

Ik hoorde hem van de week zeggen: ‘’t Zit ons ook niet mee, hè.’
Tegen m’n moeder.
Terwijl ik er helemaal niet bij was toen ze ’t ziekenhuis verlieten na ’t bezoek aan de neuroloog.
Maar ik zie ze gearmd lopen. Zijn hand in de arm van m’n moeder. Toen al.
& ’t Bevreemd me dat die gebeurtenis ook deel is gaan uitmaken van m’n herinnering.
Ik kreeg ’t pas 2 dagen later te horen.

Of ’t gesprek. Dat-ie een paar dagen per week opgenomen moest worden. Waar alle broers bij waren, op 1 na.
Dat ik aantekeningen maakte, ik dacht: ik mag dit niet vergeten. Anderen nemen foto’s & ik schrijf op.
Ik denk dat ’t de laatste keer is geweest dat ik noteerde wat er om me heen gebeurde. Daarna wel altijd bij me gehad, een notitieblokje, een pen, maar nooit meer gebruikt.
& Hij zei: ‘Nou, dat moet dan maar.’
Waarop m’n moeder verdrietig was dat-ie al niet meer kon vechten, dat-ie geen weerstand bood.

& Vanochtend dronk ik een bakje thee met hem. ’t Laatste bakje thee met hem.
Hoe ik me niet wist te gedragen. Hoe ik niet wist hóe me te gedragen.
‘Pa, neem nog een slokje,’ moedigde ik aan.
Reikte ’t kopje aan. Oortje zijn kant op.
& Hij werd de hele tijd maar afgeleid door z’n eigen wereld. Een flits van een voorbijganger trok z’n aandacht, niet ’t kopje.
‘Pa, je moet wel wat drinken.’
Want dat had ik van Ma geleerd. De keren dat ik met haar op bezoek was.
Hoe ik me niet op m’n plaats voelde, zo alleen met m’n vader, hem instructies gevend, hem stimulerend, pogend z’n aandacht erbij te houden.

Ondertussen dronk ik m’n eigen bakje thee. Vanochtend op m’n bank. Ik nam m’n laatste slokje.
‘Hij was er weer,’ dacht ik toen. ‘Weer een dagje bij me.’

’t Zijn korte bezoekjes aan Zijperspace, vaker dan dat-ie vroeger langskwam.

foto

‘t 1e Wat me te binnen schoot om te zeggen was dat ik m’n vaste verkoper had. Degene die ’t blaadje bij me langs kwam brengen. Die ik ’t niet kon weigeren. Ik wilde zeggen dat ik ‘m al had gekocht, van m’n vaste verkoper dus, die daar speciaal voor bij me in de winkel kwam.
Je moet je excuus klaar hebben. Jezelf een beetje verantwoorden. Zonder dat ’t liegen wordt. Beleefd blijven. Ze maken al genoeg mee. Mensen die ze geen woord waardig achten. Kijken alsof ze niet bestaan, ook al word je vriendelijk gedag gezegd.

Ach, dacht ik, & deze vrouw, ze keek uitdrukkingsloos om zich heen. Volgde de mensen niet al te veel met haar blik. Als ze haar ‘Daklozenkrant’ smiespelde met haar hese hoge stem, niemand die zich daar iets van aantrok, daarbij ook niemand in ’t bijzonder aankijkend, was ’t alsof er een zucht door de straat ging, een geest die z’n spoor tussen de passanten door trok & voorzichtig vluchtig de levenden even aanraakte. Maar men besefte niet dat er iets was dat de aandacht trok, wilde trekken, zo stond zij daar. Hand omhoog geheven, met daarin de laatste edities in een doorzichtige steekmap gekleed, een stuk of 3 exemplaren. Haar schouders ietwat gekromd, door de druk die de problemen, want die moesten er zeker zijn als ze hier stond, met zich mee hadden gebracht. Ze was met haar verschijning een anachronisme in de ruimte, niet in tijd, door te zijn wie ze was, een gezicht dat gewoon thuis moest zitten kijken door ’t raam naar wat voorbijgaat, in pantoffels gestoken, een deken op schoot voor de koude dagen, een brilletje naast zich op ’t bankje als haar ogen moe werden van ’t turen naar de veel te kleine letters van de krant, wachtend, al maanden, op een telefoontje van haar dochter, of zoon op de grote vaart.
Zo was ze, zo’n dame, zij hoorde niet op straat. Hooguit met een veel te grote boodschappentas met slijtende hengsels, op de terugweg ½ gevuld, met ontbijt voor 2 dagen, zodat ze er evengoed nog eens een keertje uit ging, met ook wat smeerkaas voor ’s avonds, een crackertje eronder, & melk voor de poes die bij haar kwam buurten ’s ochtends vroeg.

Ik zag dat ik deze aflevering nog niet had gekocht. M’n mannetje was ook al een paar dagen niet langs geweest. Misschien alweer 3 weken geleden, bedacht ik, terwijl ik langsliep om binnen boeken te gaan kopen.
Maar ach, ik lees ‘m toch nooit. & Ik heb alleen maar een biljet van 50 in m’n portemonnee.
‘Daklozenkrant,’ klonk weer precies op ’t verkeerde moment, als een wijzende vinger achter me aan gezonden, als een zachte fluistering die niemand anders mocht horen, de biechtstoel waar slechts een murmelen van verwijten voor de buitenwereld uit voort klonk.

& Met 2 boeken rijker, m’n bankrekening € 27,95 armer, keerde ik terug bij de toegangspoort. Nog steeds ‘tzelfde biljet als belastend bezwaar in m’n zak.
Nou, dan moest ik maar ‘t 5je, ’t briefje van 5, aanspreken, dat ik bewaarde om voldoende te hebben als wisselgeld op m’n werk.
‘Kan u ook € 5,- wisselen?’ vroeg ik, want ze was een ‘u’, dat zag je zo, met weliswaar een staart in heur haar, een daklozenkrant in de hand, een vermoeidheid in haar blik, maar wel degelijk een ‘u’, zo oud & degelijk was zij, ze deed haar best, maar hoefde dat tegelijkertijd niet te doen om zo te blijven.
Dat zag je zo.
‘O ja, dat heb ik nog net,’ zei zij, & haalde een schamel handje muntjes tevoorschijn.
Misschien is dat voor haar dan net genoeg om van te leven, dacht ik; een briefje van 5, & nog 2 blaadjes om te verkopen. Een warme bak koffie, een brood & wat soep, & morgen weer een dag, of misschien niet nodig meer om je hand op te heffen & ’t blaadje aan voorbijgangers te laten zien, omdat alles plots toch nog is opgelost.
‘Bedankt,’ zei ik & liep naar m’n fiets, om ‘m van slot te halen, m’n pet weer op, m’n jas dicht geritst, m’n broek in de klem tegen ’t smeer van de ketting & de standaard in zodat ik kon vertrekken.

Tijdens die handelingen, die altijd langer duren dan gewenst, kwam er een meisje aanlopen, fotocamera om haar hals. ’t Kapje voor bescherming haalde ze van de lens, liet ’t onhandig vallen op straat. Ze bukte, raapte, stopte ’t weg, keek weer naar de lens, of die goed stond afgesteld, zette enkele stappen verder, keek door ’t kijkgat, bestudeerde de omgeving & de reacties van ’t apparaat tegelijk & liep verder, weer verder, traag, tot voorbij de vrouw die mij ’t blad had verkocht.

‘Zeg,’ kwam de vrouw naar me toe, naar de enige die ze in de straat aan kon spreken, die een woord met haar gewisseld had & daardoor wat meer vertrouwd dan de rest was, naar mij, bijna klaar met de handelingen aan m’n fiets, ‘zeg, een foto nemen op straat, mag dat zomaar kunnen? Mogen mensen gewoon maar een foto van iemand nemen zonder dat er toestemming voor gegeven is?’
‘Nee,’ zei ik, ‘’t zou wel beleefd zijn als mensen ‘t 1st vragen, toestemming daarvoor krijgen.’
Ik zag de mogelijke schaamte in haar ogen, de angst dat haar dochter, van wie ze al een jaar niets had gehoord, haar zoon op de grote vaart, zou zien in een blaadje waarin moeder stond & wat ze deed om weer crackers te kunnen eten, pantoffels te dragen, een deken op haar schoot.
‘Maar volgens mij was dit meisje niet bezig met een foto maken van u,’ zei ik, om haar gerust te stellen.
& Ze trok terug naar haar plekje, ergens daar midden op de stoep, voor de entree van de boekenwinkel, waar ze ’t beste stond met haar ene hand opgeheven & de krantjes in een doorzichtige map, waar ze kon fluisteren ‘Daklozenkrant’ als een passerende zucht.

Ik stapte op de fiets, reed haar voorbij & zei onderwijl: ‘Nog een prettige dag,’ waar ik eigenlijk beter goedendag had kunnen zeggen.

Alles leek daardoor veel te bepaald in Zijperspace.

vrouwendag

‘Ik heb vrienden of bedgenoten,’ lees ik de kop hardop voor.
M’n broers kijken hoe ik reageer.
‘De sloerie,’ zeg ik.
‘Haha,’ lacht Quint hard.
Marc doet mee met een ironische glimlach.
‘Dat was ook mijn 1e reactie,’ licht-ie toe.
‘Ja, ’t is in ’t kader van de dag van de vrouw,’ zegt Quint, ‘dat ze zulke vrouwen in de Helderse Courant aan ’t woord laten.’
Ik lees verder in de door Quint meegenomen krant.
De jonge vrouw die ik nog van vroeger ken deelt mee: ‘Ik heb vriendschappen met mensen, of bedgenoten. Maar vooral vriendschap. Vriendschap is goud waard, seks kun je overal halen.’
‘Ze heeft hele erge dingen meegemaakt,’ concludeer ik.
‘Ja, dat zou je zeggen, hè,’ zegt Quint.
‘Voor zulke vrouwen werd ’t ook tijd dat ’t de dag van de vrouw werd,’ zegt Marc.
‘Heb jij nog iets met haar gedaan?’ vraagt Quint.
‘Hm, nee, geloof ik niet,’ antwoord ik. ‘Nou ja, eigenlijk weet ik ’t niet meer. Hooguit gezoend. Maar toen was ’t koninginnedag, bijna 7 jaar geleden & was ik dronken. Dus dat weet ik niet meer. Ik heb ’t in ieder geval niet tot vriend gebracht & ze heeft ook niet iets bij me weggehaald.’
‘Je zou ’t moeten aanbieden. ’t Is tenslotte dag van de vrouwen.’
‘Ja, vandaag zouden vrouwen eens extra verwend moeten worden.’
We zijn ’t erg met elkaar eens vandaag.
‘Daar hebben ze vandaag natuurlijk weer geen tijd voor,’ merkt Marc op. ‘Ze zijn weer veel te veel met zichzelf bezig.’

Ik bel Rachel, terwijl Quint & Marc zich over de kaart buigen.
‘Ik dacht, misschien heb je zin om ons te vergezellen,’ zeg ik.
‘Waarin?’ vraagt Rachel.
‘We doen een rondje tapasbars. Zodat Quint zich kan oriënteren voor z’n nieuwe zaak. Daar wil-ie ook tapas gaan serveren.’
‘Met 3 vrijgezelle broers op stap?’
‘Ja, leuk hè. Gefeliciteerd trouwens.’
‘Waarmee?’
‘’t Is toch jouw dag vandaag?’
‘Huh?’
‘’t Is vrouwendag vandaag.’
‘O ja, da’s waar ook.’
Maar ze heeft geen tijd om ons gezelschap te houden. Ze heeft verplichtingen.
‘Al die vrouwen zijn natuurlijk op een dag als deze ongesteld,’ zeg ik als ik opgehangen heb & de tapas is besteld.
‘Dat zou goed uitkomen. Dan zijn ze morgen misschien weer beschikbaar.’
‘Maar wie doet vandaag de afwas?’ vraagt 1 van ons zich vervolgens af.

Ik kijk uit ’t raam. Marc geeft ondertussen technische toelichtingen op ’tgeen aangeboden wordt. Hij is de kok. Ik ben de gids.
‘Ik zou zelf wat meer tomaat hebben gebruikt. & Zeezout is absolute onzin. Ik ben een grote aanhanger van Wouter Klootwijk; hij zegt dat je toch niet proeft wat voor zout er op zit.’
‘Ze hebben wel de lelijkste vrouwen naar buiten gestuurd,’ zeg ik als mijn conclusie aan de beurt is. ‘Ik zie alleen maar oude vrouwtjes hier in Amsterdam voorbij fietsen vandaag.’
‘Op zo’n dag denken ze dat alles maar moet kunnen,’ zegt Quint als-ie even met mij meegekeken heeft. ‘Heeft jaren op zolder opgesloten gezeten & nu denken ze natuurlijk weer dat alles kan. Vrouwendag is eigenlijk horizonvervuiling.’
‘Wel heel goed dat ze de aardappels ongeschild bakken,’ gaat Marc gewoon verder.

‘Ik steek een sigaar op,’ deelt Quint mee.
Hij leunt achterover. Dat hoort bij een sigaar. Haalt z’n doosje tevoorschijn. & Zoekt vervolgens vergeefs naar vuur.
‘Achter je,’ wijst Marc.
Onze achterbuurvrouwen hebben inderdaad vuur. Quint buigt vriendelijk om. Ik kijk mee. Geen horizonvervuiling hier binnen.
‘Heb je ze wel gefeliciteerd?’ vraag ik als-ie terug aan tafel schuift.
De dames kijken verbaasd.
‘O ja,’ zegt Quint. ‘Mogen we jullie feliciteren?’
‘Ja, gefeliciteerd,’ beaam ik.
‘Waarmee?’ vragen ze als uit 1 mond.
‘Oh, ’t is vrouwendag,’ zegt Quint laconiek.
‘& Daar moeten jullie maar eens lekker van genieten,’ vul ik aan.
‘Ik vermaak mezelf wel,’ mompelt Marc op de achtergrond.
Daar moeten wij dan weer om lachen.
Maar de vrouwen hebben nu pas ’t gevoel dat ’t hun dag is. Ze kijken elkaar glunderend aan.
‘Ja, ik zag ’t vandaag op m’n computer staan,’ zegt 1 van hen.

Als ze even later vertrekken schuift haar gezicht bij ’t opraken van de handtas rakelings langs mijn gezicht.
‘Nou, een prettige avond dan,’ zegt ze als ze haar hoofd weer opheft.
‘Nee, jullie,’ zegt Quint vlug, zich weer snel ombuigend.
Mijn mond is echter gesnoerd door de fluistering in m’n oren.

& ’t Kleurt als een zonsondergang in Zijperspace.

krop

’t Zal ergens vandaan komen, weet niet waar, maar ’t zit er nu & ik weet niet waarvandaan, maar ’t is er nu & ’t blijft.
Terwijl ik anders altijd ’t gevoel kreeg dat ’t me moeite zou kosten adem te halen in dit soort gevallen, m’n nek uit te steken, ’t me anders zou doen stikken, zou doen overgeven zonder dat ik m’n mond open moest doen, psychisch kotsen, zo voelde ’t dan, maar nu dus niet, want ’t zit er nu & anders niet.
Daarom wist ik ook niet dat ’t er was. Omdat ik niet misselijk was, geen prop in m’n keel die me belette mezelf te zijn, alles tegelijk van mezelf te zijn, waar ik nu een pietepeuterig oud zeurtje, slechts van mezelf, wat moeten jullie, waar komen jullie vandaan, blijf van me af, alleen maar van mezelf ben.
Een oude chagrijn ben ik, besef ik me opeens, na enige bedenkingen. & Dat weet ik pas na enkele mensen voor me gehad te hebben.
Klanten die de deur niet sluiten.
‘If you could be so kind, please close the door,’ met ingehouden sarcasme.
Een milde ontmoeting.
Mensen die vragen waar Orval staat.
‘Just right in the corner, the left corner. No, that’s right. I said the left corner, so follow your left hand. No, that’s your right hand once again. Is said your left hand. The left corner, that’s where your left hand is pointing at. Yes, that’s your left hand. Now you gotta follow that hand. No, that’s following your right hand. I said your left hand. Just follow that. Right there. At the top shelf. Ok, alright. You’re there.’
Ik heb een hekel aan ze. Ze zijn uit hun holen gekomen om me lastig te vallen. Toeristenholen. Angstvallig voor sneeuw hebben ze een week lang in hun hotelkamers opgesloten gezeten. Daar hadden ze beter kunnen blijven. Ook die andere klanten trouwens.
‘Heb je een kratje Maes?’
‘Nee, dat hebben we alleen op voorraad als ’t besteld wordt.’
‘Ik heb ’t besteld. Voor vandaag.’
‘O, dan is ’t niet gearriveerd. Dan heeft onze leverancier ’t niet.’
Schijnheilig probeer ik m’n beste glimlach op te zetten, maar verklaar de man al voor sukkel. Moet je nou met Maes?
‘Heb je iets vergelijkbaars Belgisch?’ gaat-ie verder.
‘Nee,’ zeg ik zo kort mogelijk, bedenk me daarbij dat dit heel bot kan overkomen, duidelijkheid, dat wel, maar bot ook, ‘we hebben al genoeg nederlandse pilsners, dus doen we geen belgische. Slechts op bestelling.’
‘Iets van ong ‘tzelfde alcoholpercentage?’
‘Dan zou je witbier kunnen nemen. Of vlaamse bourgognes. Oudbruin, of bieren als Palm, of Koninck. Een gueuze, of een kriek. Maar da’s allemaal totaal anders.’
& Dat doe ik uit overdondering. Zodat-ie geen tijd heeft om na te denken. Dat had-ie maar eerder moeten doen. Belgisch pils in een bierspeciaalzaak, daar sta ik hier niet voor. Dus geef ik ‘m mogelijkheden waarbij hij de gelegenheid niet krijgt om te raden wat ’t is. Waar ’t staat.
O ja, die laatste moet ik dan ook nog oplossen. Anders blijf ik last van ‘m hebben.
‘Dat staat allemaal boven. Behalve de lambieken. Die zijn beneden.’
& Naarmate de dag vordert begint de prop in de krop zich meer te manifesteren. Toch nog. Straks stik ik, weet ik, maar er is niks wat ’t tegenhoudt.
‘Sorry, I can’t change that. Don’t you have any smallchange? No, you see, I can’t leave the shop. There are too many people. But you can change it overthere, in the supermarket. Yes, thank you. I’ll keep the bottles right here.’
Maar liever had ik ze met een honkbalknuppel neergeslagen.

& Daar is-ie dan. De man op wie ik blijkbaar zat te wachten. Dacht zeker dat als-ie zaterdag niet zou komen, dat-ie dan niet de volle lading zou krijgen.
Schielijk zet-ie z’n fiets voor de winkel op slot. ’t Kost nog steeds moeite met z’n geblesseerde pols in ½ hangende mitella.
Ik laat ‘m z’n flessen uitzoeken. Ik laat ‘m terugkeren bij de toonbank. Ik laat ‘m z’n lege flessen op de toonbank plaatsen. Ik sla de flessen aan op de kassa, statiegeld retour. Ik laat ‘m weer inpakken, zeg hoeveel ’t gaat kosten.
Om dan toe te slaan.
‘Wie is er verantwoordelijk voor ’t jubileumbier?’ vraag ik, hem als bestuurslid van de bierconsumentenvereniging toesprekend.
‘Jullie willen ’t ook verkopen?’ vraagt-ie schuchter, maar op zo’n toon dat ’t lijkt alsof-ie op deze vraag zat te wachten, een vanzelfsprekendheid.
‘Nou, jullie hebben ’t nu bij G & G neergezet. Een instantie die tijdens jullie 25-jarig bestaan verschrikkelijk zorg heeft gedragen voor een verdere ontwikkeling van de biercultuur hier in Nederland.’
Dolken zijn ‘t. Ik voel m’n woorden steken. Keihard, monotoon, elk plakje zelfvertrouwen van de man z’n houding afschrapend.
‘Ik dacht dat jullie ’t belang van ’t bier wilden behartigen. Ik dacht dat jullie blij waren, al 20 jaar, met een winkel als deze. Dat wij al 20 jaar zorgen dat de meest speciale bieren een weg naar consumenten vinden. Dat wij ervoor gezorgd hebben dat jullie vereniging bekendheid kreeg bij diezelfde klanten.’
‘Ja, ja,’ mompelt meneer de bestuurslid.
‘Maar als er iets te vieren valt, dan vergeten jullie voor ’t gemak ons maar even. Dan kiezen jullie voor een groot concern.’
Hij kijkt me vluchtig aan, terwijl-ie z’n laatste fles in de tas stopt.
‘Toen ik ’t las,’ ga ik onverstoord verder, ‘was ik woedend. ’t Gaat me niet om dat ene speciale biertje wat jullie hebben laten produceren. ’t Gaat me er om dat jullie nu net doen alsof wij niet bestaan. Dus denk ik dat wij maar geen aandacht meer moeten besteden aan jullie vereniging. Dat we de samenwerking moeten stoppen. Geen blaadjes, geen ledenwerving meer. Vertel dat maar aan je medebestuursleden.’
& De man gaat. Hij laat nog een ‘jaja’ voor me achter & laat dan z’n gewonde arm bungelen. Aangeschoten wild. De voldoening is er niet minder om.

Dat alles toch een reden heeft, in Zijperspace.

klodders

Er is nog een boom met een witte hoed. De bovenste pluim hangt er schuin van. Te veel gewicht.
Dat was ’t ook voor de staak knopig helmkruid. Op een gegeven moment ging-ie voorover hellen. ’t Moet donderdag zijn geweest toen ik dat bemerkte. ’t Vormde een boog. Over ‘t 1-tegelig brede paadje heen. Die inmiddels ook niet meer te zien was. Hooguit een lichte daling in ’t niveau van de witte bedekking. Maar in dat wat er nog van terug te herkennen viel, daaroverheen liet ’t helmkruid zich buigen. Om ergens in de vrijdagmiddag naar achterin de tuin om te vallen. Gesneuveld in de strijd, zag ik de volgende ochtend.
Dat mag niet belangrijk lijken, maar ik kijk er elke dag naar.
Zoals ik woensdag de veel te vroeg opgekomen wilde hyacint langzaam zag verdwijnen. Ik weet nog steeds welk hoopje ’t is. Naarmate de dagen vorderen raakt ’t reliëf ook weer meer geprononceerd.
Kijk, dat is ’t pad, dat is de wilde hyacint, daar hebben de bouwvakkers de tuin platgetrapt.
‘’t Is juist goed geweest,’ zei ik in een per ongeluk gesprek met een man over tuinen, ‘dat ‘t 1st heeft gesneeuwd & vervolgens hard is gaan vriezen. Daardoor kregen de planten een beschermend laagje om zich heen. Anders was ’t waarschijnlijk allemaal kapot gevroren.’
’t Klonk heel aannemelijk wat ik zei. De man knikte beamend met mijn vermeende kennis mee. Hij drukte z’n bril recht op z’n neus & trok de sneeuw weer in, voorzichtig met z’n voet naar houvast tastend.
Dat hoef je bij mijn tuin niet te doen. Alles is nog in oorspronkelijke staat. Waar de wegen zijn bewandeld is de gladheid ontstaan. Waar niets is gebeurd is ’t gewoon nog een pakket van slechts langzaam naar elkaar toetrekkende ijskristallen. Daar wordt 't niet naar elkaar toe gedrongen.
Dat is mijn tuin: daar waar niets gebeurt behalve dat wat naar beneden valt.
Als ik kijk, is ’t alsof ik de hemel afspeur naar vallende sterren. Van tevoren geloof je niet dat je ‘t ooit zal waarnemen, jou overkomt zoiets niet, maar met een beetje aandacht blijkt ’t een continu proces te zijn, de hemel ervan vergeven.
Een klompje sneeuw blijkt dan geen houvast meer te hebben aan de in de herfst al kaalgeplukte tak. Een zuchtje wind is al voldoende om ’t z’n evenwicht, een wankel evenwicht, te doen verliezen. Ik zie ’t als een flits in m’n ooghoek. Kan ’t nog net als wit in wit zien terechtkomen. Dan weet ik niet hoe de boom of struik ervoor heeft uitgezien, maar ik heb wel geregistreerd dat ’t minder is geworden. Weer een stapje minder.
’t Komt ook door de vogels. Ik probeer ze er op te betrappen. Hoe ze in hun baldadige vluchten, ’t zijn vooral de twistzieke mussen & in groepsvorm voorkomende mezen, de takken met hun vleugels beroeren & zodoende ontdoen van sneeuw. Of als ze een misschatting maken van hun gewicht & pontificaal zwaar op een dun takje gaan leunen. Vinden ze volgens mij leuk, opgezwiept worden tussen ‘t buigen of barsten van langgeleden gestorven, winterklare takjes.
Ze doen nog andere dingen, vooral die mussen, dan slechts de takken naar onzichtbare beestjes afzoeken. Ze slopen dat wat los zit of los kan komen. Dunne sliertige takjes. Met hun snavels pikken ze ernaar, proberen ’t los van de rest te hakken & dan op te pakken. Soms met z’n 4-en tegelijk in mijn tuin. Als 1 mus iets bijna losgewrikt heeft, komt de meest bazige erbij, jaagt de 1e weg & gaat er zelf met de buit vandoor. Of hij gooit ’t los & laat ’t in de sneeuw onder hem vallen.
Dan vraag ik me af wat ze aan ’t doen zijn. Wat ’t doel is. Is de mus steeds zeldzamer omdat z’n werk steeds onnutter lijkt te worden? & Tijdens mezelf die vragen stellen vermaak ik me vooral. Omdat ik weet dat mijn kijken ook geen doel heeft.
Er zijn ook nog de sporen. Van trippelende vogels, die dichter bij m’n huis hebben durven komen. Midden in de tuin geland, daarom wist ik dat ’t geen rat was, of een egel, want die landen niet zo snel vanuit ’t niets ergens middenin, met een slepend spoor naar m’n serre. Steeds minder duidelijk naarmate de natte spatten van de bovenliggende balkons zich vermeerderen.
Want dat moet ik nu wel toegeven: dat ’t minder wordt, doordat ’t spatten vermeerdert. Eigenlijk hoef ik niet meer op te letten zoals naar de valrijke hemel van voorbijschietende sterren. Ik kijk opzij & er valt al een klodder.
Klodders, ja, dat zijn ‘t, waar ik ’t vorige dagen nog samengeklonterde vlokken kon noemen. Zodirect is ’t afgelopen. Zo snel gaat ’t vandaag.
Maar als ik opsta, naar ’t raam loop & dan schuin omhoog naar buiten kijk, dan zie ik nog de boom met de witte hoed.

Daar mag ik nog even van genieten, voordat ’t beeld vergeten is in Zijperspace.

testtesteentweedriegadoornaarhierondertest

Ik heb pivot upgedate, of: geupdate. Whatever. Naar een nieuwe versie. Of eigenlijk heeft Tabe dat gedaan. Maar misschien dat die anoniem wil blijven. Dat hoor ik dan nog wel.

Dat geeft mij de gelegenheid om te testen, zo'n nieuwe weblogmachine. Waar deze boodschap dus voor bestemd is.
Verder om te benadrukken dat bij onderstaand postje, natuurlijk 't meest belangrijke postje sinds tijden, 't stukje muziek dat ik had gelinkt dat vooralsnog niet hoorbaar was, uiteindelijk wel valt te downloaden. 't Is een nr van Antony and the Johnsons, getiteld 'Hope There's Someone'.
Men moet 't koesteren. In ieder geval zo vaak beluisteren als ik heb gedaan (& de tekst daarmee gepaard doen gaan, als gelijkvolgend, synchroon spelend, of andersom).
Da's een keer of 10, 15.

In Zijperspace is dat héél vaak.

indenken

Mocht ik ooit sterven, wat ik me niet kan indenken, doe dan maar dit.
Als ’t dan toch zover mocht komen, hoewel ik ’t moment altijd tegengewerkt zal hebben, hard, meedogenloos ontkend, van me af houdend, tegenspartelend tot een laatste snik, een snik die de begeleidende traan ijzig grijs zal kleuren van weerspannigheid, laat ’t dan maar klinken.
Omdat de dood dan uiteindelijk toch iets moois moet zijn. Iets galmends, weerkaatsend tegen de muren, de kale muren met spaarzame ornamenten van een oud uitvaartcentrum, de kapel van een begraafplaats.
Laat ze onderwijl de deuren openen, de openslaande deuren zonder waarneembaar geluid, waar stoffen bekleding subtiel de onderkant deur weerhoudt zijn aanwezigheid, zijn beweging, kenbaar te maken. Dat je over gras kijkt, over paden die elk z’n eigen laatste weg aankondigt, naar een donkergrijze hemel waar geen randje, geen cumulus in te herkennen valt, want groots mag ’t niet zijn als ik dan toch nog verloren heb.
Waar ik me geen voorstelling van kan maken: dat ik verlies.

Bedenk er wel bij dat ik niet wist waar de tekst over ging. Dat ik al die tijd een intuïtief luisteraar was. Ik had een paar keer ‘dood gaan’ in de tekst herkend, maar ’t niet bewust aan enige betekenis verbonden.
Misschien is ’t wel heel ongepast. Laat er dan niemand zijn die me dat komt vertellen voordat ’t zover is, wat ik me niet kan indenken, dat ’t ooit zover zal komen.
Dat ik dus de verkeerde gedachte bij de man z’n bedoeling had. Dat die pianoklanken iets anders moesten illustreren dan de komende dood, ’t wegvaren van de ziel, de deuren die daarvoor openslaan, de gang van de geest naar een ander oord.

& Dat ’t dan zó hard klinkt dat iedereen ’t wel moet horen, ook al moet men buiten staan. Dat men wel móet stil houden, omdat de toetsen & ’t beroeren ervan je als vanzelf in een zwijgende greep krijgen.

Ja, als ik dan toch nog dood mocht gaan, wat ik me niet kan indenken, men hoeft er ook niet ongerust over te zijn, maar mocht ’t toch gebeuren, onverhoopt, laat dan horen dat ik me mee laat voeren op deze muziek, dat dat mijn laatste actie was.

Maar ik weet nu al dat Zijperspace toch altijd wel zal blijven bestaan.

burgerplicht

Burgerplicht. Dat dacht ik. Burgerplicht.
Ik schoof m’n fiets ’t huis in & keerde op m’n schreden terug. Dat was makkelijk, want elke stap was in wit op de vloerbedekking gekerfd. Tijdelijk weliswaar, maar niet tijdelijk genoeg om mij niet de weg naar mijn voordeur te wijzen.
Ik staarde een beetje over wat zich voor mijn deur verzameld had. Een harde dikke laag. Glad bovendien. & Met oude van dagen in m’n achterhoofd dacht ik weer: burgerplicht.
Dat moet er in m’n jeugd zijn ingebracht. Dat je zorg moet dragen voor je eigen stoep. Desnoods ook voor die van je buren, zeker als die niet goed ter been meer zijn.
Doortrokken van plichten jegens medeburgers toog ik dus richting achteren, pakte een schep uit de tuin & begon, met dit instrument weer aan de voorkant van m’n huis terechtgekomen, de weg vrij te maken.

Ik was de enige, zag ik. Links 100 meter & rechts misschien iets minder, maar toch aardig in dezelfde buurt komend, was er niemand geweest die dezelfde zorg voor z’n medebuurtbewoners had als ik. Een loper van glinsterend, platgetrapte sneeuw lag aan beide zijden uitgerold.
Enigszins ongemakkelijk zette ik de schep in de sneeuw. Wie weet keken ze aan de overkant naar wat ik aan ’t doen was.
Die is gek, zouden ze vast denken. Niemand doet ‘t, maar hij wel.
Dat dacht ik vooral: dat niemand iets deed. Dat ik de enige was. Poeh, daar wordt een mens verlegen van.
Evengoed ging ik onverschrokken verder. Hele plakkaten haalde ik van de tegels af & gooide ik opzij. Tot er een vrije wandelruimte ontstond van een ½e meter breed.

‘Hé, stop ‘ns even met onze fietsen onder ’t sneeuw te gooien!’ werd er van achter me geroepen.
Dat waren hun van 3-hoog. Panos & Nienke kwamen in de verte aangelopen.
Pesterig pakte ik een bonk sneeuw op met m’n schep & gooide de 3 fietsen die voor m’n raam stonden geparkeerd onder.
‘Zo, dat zal jullie leren mij te storen in mijn burgerplicht,’ zei ik.
‘Burgerplicht?’ vroeg Nienke, dichterbij gekomen.
‘Ja, mij is geleerd dat iedereen z’n eigen stoep moet vrijhouden,’ zei ik, me wat meer oprichtend, zodat ’t gesprek wat makkelijker zou gaan.
‘Oh. Wij hadden vroeger natuurlijk een eigen opgang, een eigen erf. Daar hadden we niets met buren te maken.’
‘Dan kun je ’t dus ook nooit geleerd hebben.’
‘Net zoals ik nooit geleerd heb geleende spullen bijtijds terug te brengen.’
‘Oja, jij hebt die installatie-cd-rom nog van mij,’ bedacht ik.
‘Ik zocht nog naar een geschikt moment om ‘m terug te geven,’ grapte Nienke.
Ze had de deur inmiddels open gedaan. Ze liep de trap op om de cd-rom te halen.

Panos had de schep van me overgenomen. Hij volgde m’n zojuist gegeven voorbeeld.
Grappig, dacht ik, dat grieken nog niet zover van ons af zijn geëvolueerd dat ze net als de west-europeaan sneeuw kunnen scheppen. Ook al hebben ze dat misschien al generaties lang niet gezien.
Hij was zelfs fanatieker aan ’t scheppen dan ik. De stukken vlogen omhoog, waarbij ze bij mij hooguit opzij geschoven werden. Hij was al bijna voorbij ons pand.
‘Hé, Panos, zo breed is ons huis nou ook weer niet,’ zei ik. ‘Je moet ook een beetje gevoel van burgerplicht voor de buren overlaten.’
Daar gaf hij mij gelijk in & richtte zich op.
‘Hé, Nienke,’ riep naar boven door ’t trappenhuis, ‘heb jij misschien wat zout over?’
Waarna ik even later ’t vrijgekomen pad lustig kon bestrooien.
‘Je hebt toch wel genoeg?’ vroeg ik voor de zekerheid.
‘Ja, anders ga ik straks wel wat extra halen.’

‘We hebben een sneeuwpop gemaakt in ’t park,’ zeiden ze even later. ‘Een hele mooie.’
‘Oh, jullie hebben er natuurlijk meteen een kunstwerk van gemaakt,’ vermoedde ik.
Dat kunnen kunstenaars nooit laten, wist ik, van iets kunst maken. Of desnoods van niets kunst maken. Dat konden sommige kunstenaars ook.
‘Maar de mensen waren jaloers. 5 Minuten later was-ie alweer kapot getrapt.’
‘Jammer. Ik had ‘m wel willen zien.’
We stonden ieder met onze eigen ding in de handen, gezellig burenpraat te babbelen. Ik had de schep van Panos weer overgenomen. Nienke had de cd-rom. Panos beheerde ’t zout.
Panos begon ook nog even te strooien. Over opzijgeschoven plakkaten sneeuw. ’t Zou lang duren voordat dit resultaat zou geven, dacht ik, maar dat was in ieder geval iets wat grieken nog moesten leren over sneeuw. Bij hen was ’t geen vanzelfsprekendheid, die kennis.
‘Hé, Panos,’ zei Nienke, ‘ik moet straks nog wel eten klaarmaken.’
‘Ja, Panos,’ viel ik bij, ‘als ik strooi, dan gaat Nienke straks boodschappen doen. Als jij strooit, dan gaat ze straks eten klaarmaken. Dat moet je nou toch ‘ns snappen.’

Ondertussen keken we uit op een glijvrij pad in Zijperspace van wel 5 meter lang.

grote-ome-rol

‘Hoe oud word je dan?’ vroeg ik aan Joet.
‘9,’ zei ze.
‘Even kijken,’ mompelde ik.
Ik deed 9 keer 365. Telde er nog 2 schrikkeldagen bij. & Wist haar na een kleine ½e minuut te melden, achteroverbuigend met m’n hoofd over de stoelleuning, zodat ik haar achterin de auto in de ogen kon kijken, dat ze dan 2700 plus 540 plus 45 plus 2 extra dagen, dus 3287 dagen oud werd.
‘Hoeveel dagen dan nog voordat ze jarig is?’ vroeg Jolien.
‘Oh, da’s nog 76 dagen. Want ze is 13 dagen na mijn 15.000e verdagdag jarig. Nu is ze dus 3211 dagen oud.’
‘Dat moeten we vieren,’ zei Joet. ‘Krijgen we straks een koekje?’
‘Precies,’ zei ik. ‘Want morgen word je 3212 dagen oud!’
‘Hoewel dat niet zo speciaal is,’ zei moeder Jolien verstandig.
‘Nee, speciaal is ’t pas als je 5.000 dagen oud wordt,’ hielp ik haar. ‘Dat duurt dan na je verjaardag nog 1713 dagen.’
‘Hoe oud ben ik dan?’ vroeg Joet.
‘Oh,’ zei ik traag om m’n denken op te vullen, ‘ik ben straks 25 dagen na m’n 41e 15.000 dagen oud, dus dan ben jij,’ (ik rekende even), ‘op je 13e,’ (nog een paar tellen), ‘plus 756 gedeeld door 3,’ (zei ik nog steeds in gedachten), ‘is 251 dagen na je 13e verjaardag 5.000 dagen oud.’
‘Dat duurt nog een hele tijd.’
‘Moet ik uitrekenen hoelang dat nog duurt?’ vroeg ik.
Want dat was een makkie. Had ik al gedaan. Maar niemand die dat gemerkt had.

‘Ton, kom je eten,’ riep m’n moeder naar boven.
Ik was bezig haar computer een beetje te onderhouden. Noodzakelijke grote schoonmaakactie elke keer als ik langs kom.
‘Ja, ik kom,’ riep ik terug. ‘Even nog een spyware-programma aan ’t werk zetten.’
Joet had al een tosti voor zich liggen toen ik beneden kwam. Ze wachtte tot de ketchup vanuit de keuken zou arriveren. Ik ging naast haar zitten.
'Nu dus even heel netjes zijn, want je allerliefste oom komt naast je zitten,' zei ik.
‘Zo, jij bent grijs,’ zei Joet.
‘Ja, mooi hè?’ reageerde ik meteen. ‘’t Is vandaag de dag van de complimenten, dus je moet wel iets positiefs zeggen.’
Joet trok een vragend gezicht. Zegt hij nou weer?
‘Ja, je wordt écht grijs,’ zei Jolien, Joet de ketchup aanreikend.
‘Mooi hè?’ herhaalde ik. ‘Voor jou is ’t ook de dag van de complimenten.’
‘Wat zijn dat, Mam?’ schudde Joet aan de mouw van haar moeder, met haar andere hand de ketchup over haar tosti verspreidend..
‘Complimenten? Dan zeg je iets liefs of iets leuks over iemand anders.’
‘Ik vind bijvoorbeeld dat jij heel goed tomatenketchup kan spuiten,’ zei ik enthousiast. ‘& Oma heeft een heel charmant kruimeltje brood aan haar neus hangen.’
M’n moeder veegde met een snelle beweging haar neus schoon. Keek me met een olijke lach verwijtend aan.
Jolien ging nog even verder met uitleggen: ‘Ik vind bijvoorbeeld dat jij heel goed je sokken binnenstebuiten aan kan trekken. Ik ken weinig mensen die dat zo goed kunnen.’
Joet lachte. Plukte aan haar lange omgekeerde sokken.
‘& Ik vind dat jij heel goed met je mond vol kan praten,’ zei ze tegen haar moeder.
‘Oh, & ik ben altijd zo blij dat jij je moeder zo goed terecht kan wijzen,’ vulde ik aan.

& Dat dat dan allemaal in Zijperspace terecht komt, dat verheugt me ook elke keer weer.