ontknoping

& De barman boog zich voorover, klaar om de stoel te vatten om ’t vervolgens in een stapel van soortgenoten te doen belanden. & Hij kromde zijne rug, strekte zijne armen & greep de stoel in zijnen handen.
Hij dacht aldus dat ’t wel ok was. Zo deed de barman immers altijd. & Zo zou hij blijven doen tot aan ’t einde der dagen.
Een kaatsing van licht weerhield hem echter plots. & Hij stramde in zijn beweging met een gevoel dat er iets niet in orde was. & Hij keek verwonderd naar dat wat hij voor zich zag.
& Toorn brak uit & vervulde zijn gemoed.
‘Verdelg & plakken schors!’ weerklonk zijne stem.
& Gelijk daarmee leek een schaduw zich te vormen over ‘t eens zo zonrijke terras.
& De mensen vroegen hem, degenen die zich in zijn nabijheid bevonden: ‘Vanwaar Barman, gij die zo vrolijk & vol ootmoed jegens uwen klanten zich gedraagt, dat gij bij vatting van een stoel in dergelijke gallige woede uitbreekt?’
Waarop hij sprak, vervuld van bedrukte stemming & getergd tot een mismoedig teneur: ‘Ik heb er me hierbij getroffen een stoel, zo 1 van de velen die tot mijn stal behoren, gebonden aan een ketting, geknoopt, verknot & moeilijk los te krijgen bovenal doordat enen onverlaat zich grappig wilde prijzen door de ketting meermalen om de leuning te rijgen & te verwarren in zijn eigen voorland.’
‘Maar vooraleer,’ zo sprak 1 van zijn gasten, tot voor kort nog nippend aan zijn glansrijk vocht, ‘Heer Barman, gij zijt toch niet de minste, onvervaard & vol van spitsvondigheden, waarbij u de euvele moed toch niet in de schoenen zal zakken bij slechts 1 onvolkomenheid dat zich op uw weg van opruiming bevindt?’
‘Ik zal mij de mens ontmoeten die zich tot deze lafhartige streek heeft doen verlagen,’ zo sprak de barman, waarbij de schichten aan zijn ziedende blik ontsprongen, ‘want nu kost ’t mij wijlen tijds & zal ik mij nopen tot een ontpluizende activiteit, waar ik mijzelf van beter & zinvoller besteding had kunnen voorzien.’
‘Daar heeft slechts een deerne gezeten,’ sprak 1 der andere gasten die zich in de omgeving van de barman bevond, ‘een frêle, jeugdige jonkheid, die in gesprek met een halfwassen brasem haar handen niet stil konde leggen, zo kwam mij voor, & alzo de ketting, ’t maledijd, omwikkelde & omwikkelde tot genen structuur in de leuning was ontstaan.’
& De ogen van de barman schoten vol van vervloekend zwart, zijnen wangen kleurden naar driftig paars, ’t bloed in z’n vingers onttrok zich & zijnen stem sprak schetterend: ‘Wijs mij die enen vrouwe, ’t misselijk schepsel, ’t te laken leven dat zich hier bevond, zodat ik de fiolen van mijn toorn over haar kan uitstorten.’
‘Zij is gevlucht, zij is ginder, op zoek naar andere verzoekingen & spijzen bovenal om haar maag te vullen.’
‘Dan zal ik haar halen & haar losrukken van de verleidingen waarboven zij zich zal bevinden om haar te gebieden de knoop die mij in mijn werk verwart, & ’t werk met mij doet verwarren tot gordiaanse praktijken waar ik zelf een bijl noch zwaard bij ’t vest durf te nemen.’
‘Nee, nee, Barman,’ spraken de omstanders snel. ‘Laat dan ons, uw gasten, een poging wagen u te ontzien in ’t ontwarren van dezen ketting die een te groot beslag legt op uwen gemoedsstemming. & Laten wij u verlichten, zoals ook u ons doet verlichten na ’t tot ons nemen van uw geestrijk vocht.’
& Voor een moment keek hij minzaam & liet hen hun gang gaan.
& Een minuut ging voorbij, & een andere minuut, waarna nog een minuut & nog 1, totdat er zoveel minuten voorbij gegaan waren dat ’t zich liet vullen in een tijdsbestek van wel minstens 10.
& Hij zeide tot zijn nijvere gasten, die gebogen stonden over de knoest van wirwar zoals de ketting zich eerder getoond had: ‘Zo ziet u, gij allen, waartoe mijn berserk ontstoken was, waar u & uw gezellen reeds een lange stonde bezig zijt ’t te ontrafelen & in volle oorspronkelijke lengte uiteen te leggen.’
‘Barman, wij bidden u, Barman,’ zo sprak 1 van de nobele sujetten, ‘uw kuif af te steken, uw kam te laten hangen, uw drift te laten varen, want ziehier, uwen stoel staat weer gereed, gevrijwaard van de eerstmaals zo bindende ketting.’
& De barman sprak, vol ootmoed & vervuld van erkentelijkheid & zich aan de gasten verplicht: ‘& Ik ben u dankbaar, ik ben vervuld, alswel dat ik me aan u verplicht.’
‘& Toch zie ik,’ zo sprak 1, ‘dat uw persoon nog een vleug van de drift met zich draagt die zo-even uwen hele lichaam volschoot. Dat moet toch niet enen al te fijnen bewaarheid gevoelen?’
‘Welzeker,’ zo sprak de barman, ‘maar zo ben ik nou 1maal.’

Waarop hij zich de rug omkeerde & terugschreed tot in zijn eigen schulp van Zijperspace.

een saai stuk schrijven

Ik doe ’t nu in sessies van 10. Ik weet dat ’t anders niet lukt.
Ik duw m’n kont zo dicht mogelijk tegen de bank aan. Op de grond. Zodat m’n rug hol gekromd wordt door de zitting van de bank. Die steekt nl iets vooruit ten opzichte van ’t onderstel. Zodoende probeer ik m’n rug te sparen. Dan kan-ie langer mee. Vorig jaar was ik gebroken, enkele dagen voor m’n verjaardag, vanwege ’t feit dat ik dacht dat op de tafel vouwen de handigste, de lichtste, de ergonomisch meest verantwoorde oplossing was.
’t Kan er aan gelegen hebben dat ik vorig jaar nog niet wist wat voor mij de beste houding was. Ik had nog geen uitgebreide behandeling van fysio achter de rug. Wellicht dat ik anders was gaan zitten, met die kennis, de kennis die ik nu wel heb.
M’n benen kruis ik, m’n voeten ½ onder m’n lichaam weggestopt, zodat ik genoeg ruimte voor me heb & er toch dicht op zit. Ik moet er bij kunnen. Niet te veel voorover hoeven hellen.
Maar kleermakers zijn gekken geweest. Kreupele gekken. Een mens kan niet meer normaal lopen nadat-ie in kleermakerszit een sessie, zoals ik, heeft gedaan van meer dan 10. De botten lijken niet meer uit elkaar getrokken te kunnen worden, de onderbot & bovenbot van respectievelijk ’t onder- & ’t bovenbeen, de spieren weigeren op de hun gewone manier dienst te doen & de huid lijkt zich in dat korte tijdsbestek, per exemplaar heb ik ongeveer een ½e minuut nodig, samengetrokken te hebben.
& Elke keer raak ik de tel kwijt. Bij 5 denk ik dat ik er al 6 heb gedaan. Om bij 7 te veronderstellen dat ik er nog maar 1 te gaan heb. Dan wil ik allang niet meer. M’n benen niet. M’n onrust niet.
Dus denk ik maar zinnige dingen. Hoe ’t best te vouwen. Waar de vouw ’t mooiste loopt. Hoe ik kan voorkomen dat kreukels ontstaan. Hoe ik kreukels er uit kan wapperen. Of kan strijken door er met m’n hand overheen te gaan. Of ik wel precies op de goede afstand richting midden vouw.
Dat zijn zinnige dingen.
Soms schiet mij tijdens die handelingen te binnen hoe ik vorig jaar heb zitten ploeteren. & Komt mij ’t beeld voor hoe prachtig de stapels uiteindelijk stonden, keurig naast elkaar, ongeveer gelijke hoogte, in m’n open klerenkast, onder m’n hoogslaper.
Daar doe je ’t voor. Ploeteren, om zo min mogelijk negatief commentaar te krijgen van familie. Want ’t is vooral familie die graag wil dat ik de strijkbout & de strijkplank erbij gebruik. Die denken nog steeds dat ’t vrijgezellenbestaan louter bestaat uit vertier & vrije tijd.
Speciaal voor hun zal ik ook m’n ramen dit jaar maar ‘ns wassen.
Maar 1st die bier-t-shirts dus. Nog minstens 7 sessies te gaan, 8 nachtjes te slapen.

We worden er elk jaar weer een beetje saai van in Zijperspace, vandaar dus.
Naschrift: 't Frappante is wel, nu ik toch besloten heb dit als een niet al te florissant stukje te beschouwen kan ik 't net zo goed even meedelen, dat als je een stapel van 10 t-shirts net gevouwen hebt, of van 20, als ik 2 sessies kort op elkaar heb laten volgen, ze ongeveer een uur later nog maar een volume hebben van zeg 3 kwart van de oorspronkelijke omvang. Waarschijnlijk zal men dit enigszins bevreemden, maar 't verwondert mij & doet mij steeds opnieuw secuur kijken naar hoe groot de stapel is, probeer in te schatten hoever 't niveau van de hoogte van de stapel verminderd is. Dit vooral natuurlijk als ik even niks te doen heb, als ik bijvoorbeeld aan 't nadenken ben over een volgende zin. Dat hoeft nu niet meer, want hierop volgt een punt.

kijkseizoen

‘Waar keek jij naar?’ vroeg ik aan Jann.
Ik smoesde ‘t. Op ’t moment dat ik samen met haar voor de kassa stond. Zodat net niemand anders kon horen wat ik zei.
Ze keek me niet begrijpend aan, kon ik vanuit m’n ooghoek zien. Ik mocht niet te veel kijken, want dan zouden ze zien dat we ’t over hun hadden.
‘Keek je naar zijn oren of naar haar tiet?’ vroeg ik daarom nogmaals zachtjes.
‘Ik keek naar de scheur in haar broek,’ zei Jann.
Ik moest terug. Om ’t wisselgeld te geven. Ik hield m’n mond tot ze er met ’t bier vandoor waren. Bestudeerde ondertussen zo onopvallend mogelijk de broek van ’t meisje.
‘Dat van die broek kon ik niet zien,’ zei ik daarna tegen Jann. ‘Daar heb ik blijkbaar geen oog voor.’
‘Ja, voor tieten wel,’ zei Jann. ‘Dat heb ik dan weer niet.’
‘Nee, zag je dat niet? Toen ze naar me voorover boog om te zeggen wat ze wilde hebben, floepte haar linkertiet er bijna uit. Ik wilde er niet naar kijken, maar je kon gewoon niet anders.’
‘Nee, dan kan je gewoon niet anders.’
Ik zei maar niet dat ik er een beetje misselijk van was geworden.

‘Mag ik ’t lege glas, asjeblieft?’ wees ik naar ’t glas bij ’t kleine meisje haar voeten.
Nou ja, meisje. Jonge vrouw. Maar omdat ze klein is. Ze komt tot aan mijn schouders. Daarom wordt ze als vanzelf een meisje.
Alles is klein bij haar. Korte benen, korte armen, kleine neus, kleine oren & daarom alles in proportie. Ook haar borsten staan in proportie. Precies afgemeten strak in haar t-shirt.
‘Wat zeg je dat lief,’ zei ze.
‘Oh?’ zei ik geschokt.
‘Ja, zo netjes met ‘asjeblieft’,’ lichtte ze toe.
‘Maar ik ben ook erg netjes,’ zei ik & kleedde haar in gedachten uit.
Heel langzaam. Maar nog net binnen de tijd dat ik de andere glazen aangereikt kreeg. Om te kijken of haar borsten zonder t-shirt nog steeds zo strak stonden. Nu mocht ‘t. Ik was immers netjes.

Oeps, ’t meisje in ’t groene t-shirt. Met de tattoo op haar rug. Net boven de lijn van ’t broekje. Welk broekje ze ook aan zou hebben. De tattoo een 3-hoek die je er aan deed herinneren dat er ook nog andere regionen waren dan dat plekje op haar rug.
Dat kon ik nu niet zien. Ze stond recht voor me. Lachte me gedag. Gezicht naar me toe. Niets dat aan haar houding verried dat die tattoo op haar rug zat. Keurig meisje.
Nette vriend. Zij veel te knap voor de onopvallende, veel te nette jongen. Zeker met zo’n tattoo. Ook al was ze keurig.
Maar ze lachte. & Dat voor een keurig meisje. Keurig meisje met tattoo weliswaar, maar toch net iets te lang. Vooral ook omdat ik niet wist waar ik m’n ogen moest stoppen. Te dun t-shirtje & te veel wind. Dat leidt maar af. Dan kan ik m’n ogen niet al te lang gevestigd houden op haar glimlach, neutraal terug lachend, groetend, vragend wat ze te drinken wil hebben. Dan gaan m’n ogen dwarrelen. In paniek. Ik wil vooral niet laten merken dat ze afgeleid worden door de inhoud van haar t-shirt & de gevolgen van de wind.
‘Waar is je vriendje?’ begon ik daarom maar.
‘Die is naar huis,’ antwoordde ze. ‘Die wilde de aflevering van ‘Friends’ niet missen.’
‘Oh, dat zie ik nooit,’ zei ik.
‘Nee, ik hou er ook niet van,’ zei zij.
Ik deed m’n best naar haar bewegende mond te kijken, die dunne lijntjes van haar lippen, of haar sprankelende ogen, & niet weer af te zakken naar bedenkelijk niveau.
‘Ja, daar zijn vriendjes voor, om naar ‘Friends’ te kijken.’
Ze lachte om m’n opmerking. Ik zag haar tepels op ’t ritme van ‘t lachen tegen haar t-shirt schuren. Daar keek ik dan maar naar. Kort. Niet te lang.

Men mag niet zien wat er gaande is in Zijperspace.

begrepen

‘Förstå’ is ’t werkwoord. ‘Verstaan’.
Ik zie ’t deense echtpaar weer voor me staan.
‘Ja, jag kan förstå ni,’ zei ik.
Ik had ze kunnen verstaan, had ik gezegd.
Nee, dat zei ik eigenlijk niet. Dat had ik willen zeggen. Nu had ik gezegd dat ik ze kon verstaan.
‘Jag förstod ni.’
Ik verstond u.
Had ik ook kunnen zeggen.
Of is dat de verkeerde verbuiging?
Förstå, förstod? Förstodde?
‘Hade förstått’, dat in ieder geval. ‘Had verstaan’.
Ik had willen zeggen: ‘Ik kon verstaan wat u zei.’
Dan heb je verleden tijd nodig.
Förstod. Of ‘förstodde’? Waar haal ik dat ‘förstodde’ toch vandaan?
Förstodde. Förstodde. Förstodde. Förstodde.
Förstått.
Nee, even terug naar dat deense echtpaar. Dat stond voor me. Ik zei ’t in ’t zweeds & ze luisterden niet eens naar wat ik zei.
Dan zeg je: ‘Ja, jag kan förstå ni.’
& Dan doen ze daar niks mee.
Ze keken me een beetje glazig aan. Weer van dat onverstaanbaar engels gebrabbel, zo keken ze. Die amsterdammers kunnen niet eens fatsoenlijk engels spreken.
‘I want to have these bottles,’ ging de man na de glazigheid uit z’n gezicht geveegd te hebben onverstoorbaar door.
‘Ja, dat begreep ik,’ wilde ik zeggen. ‘Ja, jag förstod det.’
Förstod. Daar is-ie weer. Förstod. ’t Klinkt zo stom.
Ik moet ergens anders aan gaan denken. Aan hoe mooi de zon buiten schijnt. Hoe lekker de vette hamburger in de vroege ochtend was. Hoe ik achter de schaapjes aan over ’t hek spring. Bijvoorbeeld in m’n blootje. Of dat ik in de trein zit die momenteel achter ’t huis langs gaat. Of dat ik er boven vlieg. & Door de bocht heen over andere oorden scheer.
Förstå. Stå. Daar is ’t van afgeleid.
‘Jag stod vid stolen.’
Ik stond bij de stoel.
Daar is ’t ook ‘stod’.
‘Förstod’ is dus de verleden tijd.
Förstod. Förstod. Förstod.
Wat wilden die deense oudjes eigenlijk hebben? Ze hadden naar de glazen gewezen. & In hun handen hadden ze een paar flesjes bier.
‘Jag hade förstått ni.’
Ik had u verstaan.
Dat had ik best mogen zeggen.
‘Varsågod,’ had ik uiteindelijk gezegd, toen ik ze ’t glas ingepakt had overhandigd.
‘Ah, du snackar svenska,’ zeiden ze toen.
Dat ik zweeds sprak.
‘Ja, jag kan förstå ni,’ had ik toen gezegd. ‘Jag har läst svenska vid universitet.’
Dat ik zweeds aan de universiteit had gestudeerd.
‘Så du kan förstå danska också?’ zei de man.
Verdomme, komt dat ‘förstå’ weer.
Stå, stod, stått. Förstå, förstod, förstått.
Ja, ik kan jullie verstaan. & Sodemieter nu maar op. Ik wil gewoon een dutje doen. Rustig op de bank. Jullie zijn bijna 24 uur geleden uit m’n leven verdwenen. Zo goed als definitief. & Toch blèren jullie förstå, förstod, förstått in m’n hoofd. Misschien zijn jullie al dood. Zo oud zagen jullie er in ieder geval uit. Dat ’t elk moment zou kunnen gebeuren. & Anders zie ik jullie toch niet eerder dan dat ook mij de dood zal overkomen. Dus donder op. Weg uit m’n kop.
Verstaan?

Ik wil wel weg hier, maar zit een beetje opgesloten in m’n eigen Zijperspace.

ezelsoor

Ik ben een god van niks.

De bzzoemende bijen, een pad op de loer, een ontwakende slak & krioelende kleine 3-potig-rode kevers, waarvoor god van ’t groter heelal nog geen naam gereed had.
Weliswaar trots dat ik met handschoenen aan een slak durfde smijten over de scheidingswand met de buren.
Met die handschoenen zal ik wel nooit naar de wc durven gaan.

& Stoer dat ik met schep bestemd voor ’t scheppen een pad durfde lepelen. Z’n poten wijd gestrekt vloog-ie uit beeld, zover weg dat ik van ‘m dacht nooit te hebben bestaan.
Om me er aan te herinneren blijft de schep voortaan buiten staan.

Die krioelende 3-potig-rode kevers, kleiner dan een mier, zeker nog steeds met z’n 5-en boven op elkaar, waardoor je werkelijk niet kon tellen hoeveel voortbeweging er aan hun lichaam was vergroeid, ik hou ’t maar op 3. Ze waren zeker niet mooi, behalve dan dat rood in de zon, waar ik ze mee confronteerde, terwijl ze eigenlijk genoegzaam zaten te keuvelen bij elkander op de thee, in de steenholte van 3-potig-rode kever nr 13634, & ze opeens allemaal tegelijk besloten om toch maar naar huis te gaan, weg van ravage van ’t keuvelig huisje van 3-potig-rode kever, kleiner dan een mier, ook al zat-ie pontificaal boven op z’n gehele gezin, nr 13634.
& Stenen zullen mijn boekenkast nimmer sieren.

Ik ben een god van niks als ik niet zeker weet of scheuten in ’t voorjaar geknipt dienen te worden, als ik vind dat ze me lastig vallen als ik me over ’t pad voortbeweeg. Als ik spijt krijg bij ’t zien vallen van de rode appelbloesempjes, maar als straf voor die spijt een scheut niet bij ’t kruis maar ergens halverwege besluit te knippen. Nooit spijt hebben, gij schepper, besproeier, Demeter & Donar, ontketende, verwoester, stuurman van de ark, gij die niet eens slechts een ezelsoor, nog geen enkele interpunctie van een bladzijde van de wereldgeschiedenis bestiert.

& Als ik ½ paniekerig, dat is op zich een overwinning, achter een bijna bewusteloze hommel aanloop, kruip, smekerig, bedelerig, ach, blijf nou toch ajb liggen, staan, dood, op je schrale pootjes & zzzz & bzz niet meer je vleugels of de ruimte tussen je tanden, je angels, je wel 100-voudige angels die mij zullen verwoesten, betasten, ontbloten tot niet meer dan een te overwinnen toevallig groot geschapen wezentje dat absoluut geen recht heeft dat wat natuur lijkt, waar iedereen leeft, de bloemen, de bijen, de muggen, de padden, de slakken, de 3-potig-rode kevertjes, geen recht heeft dat wat leeft zijn tuin te noemen, zich een god te wanen in ’t diepst van andermans niet bestaande gedachten & daarom die paar 4-kante meters tuin, zíjn tuin heeft genoemd. Als ik paniekerig, want ik kom nu wel erg dichtbij, een glas over z’n koppie plaats, de bz & de zz door ’t glas voel trillen, een viltje onder z’n lichaam plaats, hoop dat ik daarbij een pootje onherstelbaar vernietig, vermink, ontspalk, in de kreukels leg, zodat-ie me niet meer van achteren aan kan vallen, & met tussen viltje & bodem van ’t glas een hommel draag, naar buiten & gezegend ’t glas opengooi in de veronderstelling dat hommels vliegen, de vrijheid willen genieten van mijn tuin & niet ’t verdwaalde mijn huis genoemde onderkomen, & hem slechts hoor neerploffen op de grond.
Plof.

Dan ben ik een god van niks in onderhavig Zijperspace.

rook

‘’t Eten zal toch ondertussen wel klaar zijn,’ zei ik tegen m’n broer.
‘Dan bel je toch even op,’ zei Quint. ‘Als ’t nog lang duurt, dan kan je nog wat doen. Over 10 dagen moet ik open.’
Ik belde, want ik werd een beetje slap van de honger. We hadden al veel werk verzet. & De hamburger als tussendoortje, bouwvakkermaal, leek ondertussen al lang geleden.
M’n moeder nam snel op.
‘Ja,’ begon ze meteen, ‘er is witte rook gekomen.’
‘Oh, er is een nieuwe paus?’ begreep ik.
‘Ja, om ½ 7 maken ze bekend wie ’t wordt.’
‘Quint,’ riep ik naar m’n broer, tussen ’t zagen door, ‘er is een nieuwe paus.’
Hij had zich al de hele tijd lopen ergeren. Elke nieuwsbericht op de radio was gerelateerd aan de mogelijke nieuwe paus.
‘Hang ‘em high,’ reageerde hij.
Hij legde vermoeid de zaag opzij. ’t Gat in de bar, als ruimte voor de tap & spoelbak, was nog lang niet klaar.
Hij keek cynisch.
Ik lachte.
‘Ja, joh,’ zei ik, ‘van nu af aan hoef je niet elk uur ‘tzelfde nieuws op de radio te horen.’
‘Wat zei Quint?’ vroeg Ma die gemurmel op de achtergrond had gehoord.
‘Oh, Quint maakte een grapje,’ zei ik wijselijk.
‘Wat zei hij?’ vroeg ze door.
Ik probeerde de opmerking van Quint op te vangen door er omheen te draaien.
‘Dat-ie opgehangen moest worden,’ vulde Quint 1 van m'n leemtes van niet weten wat te zeggen hard in.
‘Nou,’ reageerde m’n moeder verontwaardigd, ‘hij weet nog helemaal niet wie ’t is geworden.’

In de auto luisterden we naar de radio. Een verslaggever stond op ’t St. Pieterplein.
‘’t Is een duitser geworden,’ meldde m’n moeder alvast.
‘Oh, gelukkig geen italiaan,’ zei ik.
‘Maar Marc hoopte eigenlijk al dat ’t juist hem niet zou worden. Een oerconservatief, zei Marc.’
We luisterden verder. Er werd uitgelegd wie Joseph Ratzinger was. Marc bleek gelijk te krijgen van de radio-expert.
‘Ik had ’t niet verwacht,’ zei deze. ‘Hij is oud. Hij is net zo conservatief als de vorige paus.’
‘Sommige mensen hadden ’t goed gevonden als ’t die donkere kardinaal was geworden,’ zei m’n moeder.
‘Ja, dat zei ik vorige week toch ook. Dat zou goed zijn voor de positie van de donkere wereldbevolking.’
‘Maar ik geloof eigenlijk,’ ging de expert van de radio verder, ‘dat ’t een tussenpaus is. De kardinalen willen niet plots allerlei veranderingen doorvoeren. Er moet 1st iemand komen die de weg voor zo iemand kan vrij maken. Hij zal waarschijnlijk toch niet al te lang meer leven. Zeker niet 26 jaar, zoals de vorige. Dan zou hij 104 moeten worden.’
‘Dat klinkt dan weer positief,’ zei 1 van ons.
‘Maar dat is dan ’t enige,’ zei de ander.

We kwamen binnen.
‘Kunnen we meteen aan tafel?’ vroeg ik onmiddellijk aan Marc.
‘Godverdomme,’ zei Marc alleen maar. ‘Is ’t toch die rot-duitser geworden. Godverdomme.’
‘Nou,’ probeerde ik uit te leggen, ‘op de radio hoorden we…’
‘Godverdomme, Ma,’ zei Marc weer. ‘Ik zei ’t nog: als ’t maar niet die duitser wordt. Dat stomme katholicisme ook.’
‘Nou, hou op!’ zei m’n moeder verontwaardigd. ‘Je beledigt mij óók als je zo praat!’
Marc ging weer de keuken in. Ik hoorde nog een vloek. Probeerde nog een keer, roepend naar de keuken, uit te leggen dat ’t waarschijnlijk een tussenpaus was. Moest daarbij denken aan ’t biertje dat je neemt als anderen te langzaam drinken. Maar ook naar zo’n tussenpaus wilde Marc niet luisteren.

In Zijperspace kregen we evengoed wel trek in een Benedictus.

spion

Op een gegeven moment bouwde m’n broer iets met z’n elektronicadoos. Kant & klare zekeringetjes en dergelijke. Hij keek ’t af van ’t bijgeleverde schema. Bedoeld om spionnetje te spelen, maar dat stond er niet bij. Daar had je ook niet zoveel fantasie voor nodig.
Hij bouwde ’t voorgeschreven elektronisch plaatje met aan 1 zijde in- & uitgaande snoertjes. Een klein microfoontje. & Aan ’t andere uiteinde een box voor de weergave van ’t geluid. Overdag plaatsten we de microfoon ergens. Zo onzichtbaar mogelijk, maar ’t best toch in de buurt van ’t luchtrooster naar de gang. Dan konden we er zelf gemakkelijk bij.
We hebben ’t ook met een cassetterecorder geprobeerd. Dan moesten we stiekem naar beneden lopen. Zachtjes, voor de krakende treden. & Op de tast de juiste knoppen indrukken. Dat oefenden we van tevoren. Welke vingers je waar moest plaatsen. Middelvinger voor ‘play’ & pink voor ‘rec’. Deden we speciaal overdag de gordijnen voor dicht, licht uit. Dat moest snel gebeuren & zo min mogelijk geluid van de gordijnrails. We mochten niet de opmerking krijgen dat we de gordijnen weer open moesten doen.
‘Waar is dat nou goed voor?’ vroeg m’n moeder dan.
‘We spelen spionnetje,’ zeiden wij.
Waarbij we zomaar ‘ns niet logen.
Moeder weg, gordijnen weer dicht. Onder ’t bed, want daar was ’t minste licht.
‘Nou, druk in,’ beval Carel. ‘Wijsvinger & pink. & Dan zeg je wat, om te kijken of-ie ‘t doet.’
Wijsvinger & pink. Aftastend naar de andere knoppen. Ik moest ook weten wat de verkeerde knoppen waren. Dan begon Carel alweer te zeuren dat ’t niet opschoot.
‘Anders doe ik in m’n 1tje wel spionnetje.’
Hij had de elektronicadoos. Cassetterecorder was van ons samen. Van Jan overgenomen toen hij een installatie had gekocht.
‘Ik kan ‘m ook automatisch af laten slaan zogauw er licht aangaat,’ ontdekte Carel dankzij weer een ander schema uit z’n doos.
Evengoed werden we steeds ontdekt. De cassetterecorder uitgezet. ’t Snoertje verwijderd. Wij midden op de trap terug naar bed gestuurd.

Ik deed ’t ook in m’n 1tje. Als Carel al te slapen lag. In ’t onderste bed. Extra moeilijk om dan onhoorbaar weg te sluipen. Ik had hele strategisch trage manoeuvres bedacht om hem vooral niet wakker te maken. Dekens bij elke kreun & zucht ietsje verder wegwerken. Bij ’t voeteneind m’n lichaam naar beneden laten zakken. Stapje voor stapje richting deur, hoog de voeten op. Duwend tegen de deur bij ’t neerhalen van de klink. & Dan precies de juiste trede van de trap, die ene overslaand.
Dan ging ik zitten. M’n benen over de kraaktree heen, billen tree erboven.
Als ik maar lang genoeg zou blijven zitten, dan zouden de geluiden zich vanzelf aanpassen. Net als dat je kon wennen aan licht, dacht ik. ’t Geluid zou vanzelf helderder worden. Als ik de kamerdeur zou kunnen ontwaren, zou ik ook de stemmen erachter kunnen verstaan.
Dus bleef ik wachten.
’t Was geen spionnetje meer. Spionnetje speel je minstens met z’n 2-en.
Ik luisterde of ze m’n naam noemden. & Wat voor zinnen er dan omheen zaten. Of wat ik dacht dat m’n naam was. & Dan de zinnen daar omheen.
Langzaam liet ik me naar beneden glijden. Nu niet zachtjes om niet gehoord te worden. Nee, zachtjes om een gesprek over mij niet te missen.
Ik legde m’n oor dicht bij ’t luchtrooster. Hoorde alles helder. De zachte geluiden van de televisie. ’t Rommelen van m’n moeder in de keuken.
‘Niek, wil jij nog een stukje kaas?’
’t Brommen van m’n vader. ’t Schuiven van m’n moeders nachtjapon terug de bank in.
Dan voelde ik me veilig. Dan wist ik dat ik mocht blijven.

Dat alle geluiden altijd ‘tzelfde zouden zijn in Zijperspace.

schaven

Ik kijk naar wat ik doe.
Schaaf er weer een plakje af. De kant die naar m’n buik is toegekeerd vertoont een wipje. Een skischans.
Vind ik ’t meest irritante. Alleen al daarom wil ik niet te jonge kaas. Doe je zo je best. Komt er toch een wipje. Een skischans.
Mensen die hun kaas vanaf de zijkant aansnijden, aanschaven, vermijd ik. Daarom woon ik nog alleen, bedenk ik me.
Ik ben waarschijnlijk nog de enige die ’t van boven doet. Die de plastic zijkanten er 1st vanaf haalt. Met dezelfde kaasschaaf, niet met een mesje. Voorzichtig, want ’t gevaarlijkste moment; zorgen dat je duim buiten schot blijft.
Ik zie een uitgeholde kaas voor me. Van de mensen die ’t van de zijkant doen. Groezelig vind ik ’t staan. Armoedig. ’t Zijn van die mensen die hun peuk ook tot ’t eind op roken & daar bruinig gele vingers aan overhouden. Mensen met boter aan hun mes, & die dat mes dan evengoed naast hun bord neerleggen. Boter op tafel. Dat soort mensen. Waarbij klodders jam in de pindakaas drijven.
Ik ben blij dat ik geen pindakaas meer lust. Jam is ook al sinds lang saai & zoet. & Mensen met zijkant-kaas kom ik niet tegen.

Ik werk de skischans weg. De kaas dient daarvoor gedraaid te worden. Zodat je de skischans weg schaaft, & er 1 aan de andere kant ontstaat. Altijd aan de kant van je buik. Waarna de buikkant de verre kant wordt. Voor even.
& De plakken worden steeds breder. Want ik wil altijd een puntje.
‘Wat voor stukje wil je?’ vroeg de kaasboer.
‘Een puntje,’ zei ik professioneel.
Alsof ik vaak kaas bestel. Om zodoende m’n twijfel te verbergen over ’t feit of ’t echt wel een puntje heet. Zo’n puntje.
De klant voor me vroeg een plat stuk. Ik vraag me kort af wat daar ’t voordeel van kan zijn, terwijl ik verder kaas snijd. Schaaf. Maar ik blijf er niet te lang bij stilstaan. Ik wil niet nadenken over mensen die anders doen dan ik. Die denken dat platte stukken efficiënter zijn.
’t Was zo’n oude man. Een aardappelneus. Hij bestelde wel 4 soorten kaas. & Bleef ondertussen praten. Vlak naast de verkoper. Die murmelde ‘Ja’ & ‘Hmm’. & De laatste kaas wilde hij als plat stuk. Waarop de verkoper opnieuw ‘Ja’ zei.
Toen begon ik na te denken hoe ik mijn kaas moest noemen. In een punt, dat wist ik zeker. Maar moest ik dan om een ‘puntje’ vragen?
Nare oude man. Met aardappelneus. Ik wilde dat-ie z’n mond ‘ns hield.

7 Plakken. ’t Kunnen er ook 8 zijn. Ik weet nog niet hoe ver ik ben in de kaas om in te kunnen schatten of 7 al voldoende is. Naarmate je vordert worden de plakken breder. Da’s ’t verschijnsel bij puntjes. Maar eigenlijk weet je nooit of je genoeg aan 7 hebt, of 8. Ik leer ’t in elk geval nooit.
Toch maar 8. Dan stop ik ’t plakje dat eventueel overblijft in m’n mond. Als beloning voor ’t goede snijden. Schaven. Geen skischans meer bij plakje nr 8.
1st De kaas opruimen. Proberen ‘m precies in de vouw van ’t papier te leggen. De vouwen van de verkoper opnieuw gebruiken. Dat ruimt ’t mooist op. Dan zie je tenminste dat ’t kaas is. Zie je ’t niet alleen aan de verpakking, maar ook aan de vorm.

Ik leg een boterham klaar. Midden op de plank. Vlak naast de plakjes.
De lengte van de boterham 1st. 2 Plakken. Gebroederlijk naast elkaar. Bijna dezelfde breedte. Dus ’t hadden broers kunnen zijn. Je ziet bijna geen verschil. Behalve dat ’t gaatje op een andere plek zit. Bij die ene net een navel.
Nu heb ik ruimte over aan de bovenkant. Een plakje dwars. Liefst niet een al te brede, want dan overlapt-ie de 2 voorgaande. Dan heb ik niet overal evenveel kaas.

Dit vind ik altijd de moeilijkste overgang. Nu moeten de overige plakken ook allemaal overdwars. In de breedte van de boterham. Terwijl ’t eigenlijk niet klopt. Want je zou aan de bovenkant van de boterham ook net zo goed in de lengte kunnen leggen. Maar daar is de boterham krom. De korst.
Dus gaan ze dwars. Plak voor plak, van boven naar onder.
Wat niet past, scheur ik weg. Wat buitenboord hangt. Dat wordt ’t restantenstapeltje van kleine stukjes kaas. Dan heb ik nog iets te verspreiden nadat de 2e laag op m’n brood ligt.
Dat moet chaotisch, maar toch gestructureerd. Ik mag niet ’t ene moment een dikke hap kaas in m’n mond hebben & ’t volgende bijna niets. Dan is de boterham niet lekker. Evenwicht maakt lekker. Dus redelijk rommelig leg ik de restjes kaas verspreid over de 2e laag heen. Evenredig verdeelde chaos.
Ik voel me net Mondriaan. Maar dan met niet al te veel kleurtjes.
Ik leg er een 2e boterham op & snij ze vervolgens doormidden. Meteen daarop hap ik een 1e stuk af, kijk naar de tuin achter ’t raam & bestudeer of de planten al bezig zijn te groeien.

Kijken of er nog wat te beleven valt in Zijperspace.

seizoen

Ik zie ‘m z’n hand uitreiken. Als een stilstaand beeld dat altijd in beweging voortduurt. De wijsvinger iets verder uitgestoken, een bobbeltje vooraan de hand, de voelspriet om te controleren of wat daar is waar ’t naartoe gaat werkelijk daar is.
Ik zie de zon die straalt. Op z’n dunne huid. Maar waar-ie toch geen last van heeft. Z’n trui moet aanblijven. Misschien ook weer door z’n dunne huid. & In die zon buigt-ie langzaam opzij. Weer die eeuwige duur. Diezelfde lengte van iets dat nooit meer ophoudt.
Een glimlach op z’n mond, een vraag in z’n fronsend voorhoofd. Wat geprevel murmelt door z’n lippen terwijl-ie ’t blaadje raakt. Een blad van herkenning. Z’n hoofd dat woorden zoekt, de juiste combinatie tussen herkennen & weten wat ’t heet.

Ik kruip bijna op m’n knieën. Nog net niet. Met gespreide benen vorm ik een gewelf boven de tuin. Er mag slechts 1 voet in de aarde staan, de ander op ‘t stenen pad. & Dan zo ver mogelijk hellen naar ‘tgeen dat verwijderd kan. Woeker moet weg. Want ’t verstikt de kleine knopjes er onder. De kopjes die plots omhoog tevoorschijn komen.
Ik ben m’n eigen rechter. Degene die de ander verdrukt zal verwijderd worden, staat in mijn geboden. Zo staat ’t in de statuten die zich over de jaren in m’n hoofd gevormd hebben. Dan mag ’t hooguit in een zielig hoekje van de tuin doen wat ’t wil. Blijkbaar kan ’t ook onder minieme condities gedijen, dan ook in een zielig hoekje. De kunst-aardbei van de vorige bewoonster is daarom verbannen naar ’t land van de buren. Daar wil ik niets meer mee te maken hebben, hoort niet in mijn rijk. De dovenetel tolereer ik nog net. Waarschijnlijk vanwege z’n paarse bloemen. Maar dan wel in de donkerste hoek, weggestopt achter appelstruik & ooievaarsbek. Waarbij die laatste ’t ook wel ‘ns wat rustiger aan mag doen. Die onstuimigheid zo vroeg in de lente.

Ik denk vooral. Wat waar & hoe. Doe ik er goed aan. & Hoe lang zou ’t duren.
Dat zijn de vragen van op een afstand. Als ik rustig zit uit te kijken naar dat wat traag de grond uit beweegt.
Als ik er bovenop hang, zoals m’n benen die nu dat gewelf vormen & m’n vingers plukken aan dat wat ik niet wens, stel ik mezelf andere vragen. Of eigenlijk zijn ’t geen vragen. Ik zoek.
Zoals m’n vader die z’n hand streek over ’t blaadje. Kietelde aan de onderkant. ’t Takje boog & de vertakkingen bestudeerde. Z’n vinger wreef & vervolgens naar z’n neus bracht.
Ik kijk van boven naar hem, naar ’t plaatje dat maar niet wil stoppen, hoe hij weer in ’t seizoen is terechtgekomen waar alles weer zijn herkenning afwacht.
Ik zit 1 verdieping hoger, boven de tuin, toevallig door ’t raam kijkend. Hoe mijn vader weer voor ‘t 1st, maar achteraf ook voor ’t laatst, de plantjes namen geeft. Tot niet verder dan prevelen.
Hij had toen al niet veel zinnen meer.

Ik verwijder hen die verstoten worden. Mijn recht spreekt. Zodat ik zicht krijg. Zodat dat wat moeite kost meer ruimte krijgt.
& Ik zie sprietjes. Traag kruipt ’t omhoog. Als ik ’s middags kijk, zie ik voortgang. Smeekt ’t zichzelf de grond uit. Ik schenk ze zon & minder concurrentie.
Ik probeer te kietelen, te wrijven, m’n vingers te ruiken. Wat niets oplevert. Alles blijft ‘tzelfde. Verschillend in vorm, maar deel van een grijze massa. Een grijze massa met hier & daar weliswaar een bloemetje reeds, maar met niets van vorig jaar nog over in m’n hoofd. Niet veel.
Tot ik kaartjes vind. Puntige diep weggestopte kaartjes. Die in de potjes staken, toen ik ze kocht. Ook zij komen tevoorschijn als ik de woeker ruim.
Parelzaad is er, lees ik. ’t Spietst zich de grond uit. Scharnierplant vormt een bundeltje. Zandkruid werpt zich al omhoog.
€ 1,10, € 1,50 & € 2,10 heb ik er voor betaald. & Ik krijg gratis instructies hoe ik ze moet onderhouden.
Summier, maar ik heb even m’n vader niet nodig, voel z’n blik niet over m’n schouder meekijken.

Dat ’t nog een lang seizoen mag worden in Zijperspace.

padfähig

Padden zijn kamikazepiloten. Ik zie er net 1tje springen. Niets ontziend. Z’n eigen lichaam dan. Wat kan hem die paar takjes & blaadjes schelen, die mogelijk nog z’n vrije val zullen afremmen?
Ik vraag me zowiezo al af hoe dat beest zo hoog kan komen. ’t Is toch een ophoging van een ½e meter, wat ik daar gebouwd heb. Met een omheining van een stenen muurtje. Zelf bedacht, zelf uitgevoerd. Ik zal ’t waarschijnlijk ook zelf zien instorten. Maar voorlopig begint die ophoging alweer aan z’n 3e seizoen. Slechts 1 keer hoeven repareren door enkele stenen, na een herfst & een winter lang verborgen te zijn geweest, terug te leggen naar waar ze hoorden binnen mijn zelf verzonnen structuur.
Dat muurtje, die ophoging, achterin m’n tuin, is niet padfähig. Om ’t zo maar ‘ns uit te drukken. Geheel niet geschikt, dacht ik, voor een pad. Niks makkelijk om via die weg door m’n tuin te trekken.

Wacht, wacht! Er is wat aan de hand.
Ik ga nu rechtstreeks verslag doen. Blijft u aan ’t weblog gekluisterd, want ’t gebeurt nu live.
LIJF!
Pad komt van de andere kant, de andere kant van waar die van daarnet, misschien wel dezelfde, maar dat kan ik vanaf deze afstand niet zien, laat staan dat ik dat wil weten; pad komt van de andere kant, de plek zeg maar waar die ene net naartoe is gesprongen, de kamikazesprong ’t diepe in, tegen ’t muurtje op gesprongen.
Flets!
Zo tegen ’t muurtje op. Ik zie ‘m plat gaan. Hij staat nu bijna horizontaal. Poten gestrekt langs de muur. De achterste om uit te strekken, de bovenste om zich vast te klemmen. & Vervolgens blijft-ie een paar tellen in deze houding hangen. Kracht verzamelend voor ’t volgende sprongetje.
Ik kijk regelmatig om, naar rechts, om te kunnen zien wat er allemaal te gebeuren staat. Ik moet natuurlijk wel de meest belangwekkende bewegingen in m’n tuin doorgeven. Terwijl ik type echter, vinden er ook dingen plaats. Blijkt bijvoorbeeld de pad bovenop ’t muurtje te zijn terechtgekomen & vervolgens te zijn verdwenen. & Dat in 2 korte hoofdbewegingen van mij richting computer & zo snel mogelijk weer naar rechts, naar achterin de tuin.

’t Is paddenweer. De volgende probeert via de moeilijke kant ’t muurtje te bestijgen. Alsof je de Everest van de verkeerde kant wil beklimmen. De schaduwkant zeg maar. Zo werkt ’t bij mijn muurtje ook.
Hij probeert z’n voorpoten wel te klemmen in de spleten die ik vanwege ’t bochtje die ’t muurtje maakt heb vrij moeten laten, maar door ’t modderige paddenweer glibbert alles weg. Zeker dat paddenlichaam van hem. Hij valt achterover, met z’n rug in de modderige aarde. Dat geeft niks; hij wordt er toch niet lelijker van. ’t Lijkt ‘m zelfs niet te deren. Geen kruimeltje aarde blijft aan ’t lijf plakken. Zouden padden een speciaal constructie huid meegekregen hebben waardoor er niets of zo goed als niets aan z’n lichaam kan blijven hangen?
Ik probeer me na laatste zin voor te stellen hoe ’t zou zijn als je een pad plat trapt, of er dan iets blijft plakken, maar heb er onmiddellijk spijt van. Ik wil helemaal niet weten hoe een pad er van binnen uit ziet. ’t Zal wel geel, groen & slijmerig zijn, met witte belletjes die gaan borrelen als ze met de buitenlucht in aanraking komen.
Als er afstammelingen van buitenaardse wezens hier op aarde rondlopen, dan zullen ’t wel de padden zijn. Zeker die padden in mijn tuin. Ze zijn lelijk, ze vallen niet op, hebben precies de juiste schutkleur van mijn tuin, & weten zich verbazingwekkend goed te camoufleren middels een blad.
Bovendien: waarom willen ze anders bovenop de ophoging zitten? Ze willen weten wat ik zoal in m’n kamer aan ’t doen ben. Doen ze later verslag van bij hun opperpad. Die heeft een kroontje op van kikkerdril, daar kan je ‘m aan herkennen. Padden vinden niets zo leuk als denigrerend over de kikker doen. In de toekomst willen ze dat ook mensen proberen: denigreren.
Mij krijgen ze niet. Ik blijf binnen.

Ik kijk van een afstandje wel hoe ze Zijperspace in de gaten proberen te houden.

tentakels

Een vreemd verschijnsel vind ik toch wel de tastende hand. Hoe bekend deze is met ’t aanhangsel dat ‘m altijd volgt. Vooral m’n rechter heeft daar last van. Of profijt; ’t is maar net hoe positief je tegen dit soort merkwaardigheden aankijkt.
Ik beschouw ’t zelf niet altijd als zaligmakend. Als een zelfstandig functionerend wezentje grijpt ’t om zich heen, vaart blind op z’n wetenschap dat andere onderdelen van m’n lichaam zich meestal op dezelfde, te verwachten plek bevinden, & laat z’n instrumentarium, dat over ’t algemeen bestaat uit te laat gekortwiekte nagels, over de te ontginnen huid ploegen.

Ik doe ’t nu weer. Of m’n linkerhand eigenlijk. Misschien is ’t juist m’n linkerhand die zich schuldig maakt aan manoeuvres waarvan m’n geest zich niet al te bewust is.
& Terwijl ik voorgaande 3 zinnen typte heeft m’n linkerhand, met name de nagel van m’n duim, 3 verkenningsvluchten ondernomen richting rechterneusvleugel.
M’n rechter wordt waarschijnlijk bewust gebruikt, terwijl de linker ’t spontane, ’t gevoel, herbergt, waardoor ik minder controle op ‘m kan uitoefenen. Wordt er ergens jeuk gesignaleerd, dan vliegt de linkerhand er onmiddellijk op af. Zit er een korstje dwars, dan mag de rechter toegrijpen.
M’n haar is inmiddels in m’n rechteroog gevallen. M’n linker wreef ’t haar weg, rechts wreef de sprieterige jeuk weg.
’t Is een samenwerkingsverband, waarbij ik als persoon, als machthebber, ongemerkt buiten werking word gesteld. Geheel ongemerkt, zonder enige berichtgeving; ze doen ’t gewoon even, terwijl ik poog een tekst te schrijven.

Aanhangsel. Ik noemde ’t hierboven, in de 2e zin, een aanhangsel. Dat wat de rest van m’n lichaam is. Want volgens mij beschouwen die 2 kleine ondernemers hier beneden, die ’t mogelijk maken deze tekst in te typen, ’t als hun nobele taak om alles wat zij meeslepen aan lichaam te verschonen, te ontjeuken, op te leuken, te fatsoeneren & te laten communiceren bovendien. Alsof zij ’t allemaal uitgevonden hebben.
Dankzij de heer Scheidegger hebben ze overigens wel heel veel macht over me gekregen. Ze weten mijn gedachten in een mum van tijd als letters op een beeldscherm te zetten. Alsof zij degenen zijn die denken, schrijven, mijmeren, vragen om aandacht, zich verwonderen & al wat niet meer zij aan zeer oorspronkelijke, maar wel degelijk mijn eigendom zijnde gedachten.
‘Mijn’ zijn niet mijn handen. ‘Mijn’ moet mijn geest zijn. Mijn herseninhoud. Mijn kronkels. Niet mijn flukse bewegingen op ’t toetsenbord. Ook niet ’t snelle nageltje dat tussen 2 woordjes door de kriebel op m’n pas geschoren baard wegpoetst. Laat dat gezegd zijn.
Probleem is alleen dat ’t lijkt alsof zij dat zeggen. Zo vingervlug als ze heen & weer schieten. Nee, heen & weer schieten is ’t niet. Ze blijven rustig op hun plaats hangen, wippen een beetje heen & weer, geheel volgens de instructies van lang geleden Scheidegger & laten tekst verschijnen op ’t initiërend licht gehup van de polsen.

Van de week had ik jeuk waarvan ik niet eens wist dat ’t jeuk was. Een uitstulpinkje, zogezegd. Maar daar kwam ik pas achter toen m’n rechterhand erbovenop zat. Hij had z’n wijsvingernagel er al bijna poerend onder gezet, op ’t moment dat ik me bewust werd van waar-ie mee bezig was.
’t Was net op ’t grensgebied. Nog net fatsoenlijk. Anders zou ik ’t hier ook niet gaan vertellen. Aan ’t randje van onderbroek. Zeg maar waar onderbroek bezig is geen onderbroek meer te zijn. Waar elastiek ’t boeltje, dat nog redelijk valt te controleren, zeker voor iemand met mijn zojuist behaalde leeftijd, bij elkaar probeert te houden; daar dan net voorbij.
In al mijn onbenulligheid dacht ik dat rechts onderweg was de kleding weer een beetje te schikken. Zodat ’t zou voegen naar de vormen. Of dat ’t elastiekje mij niet akelig wrijvend af zou leiden van de activiteiten die mij op dat moment bezig hielden (in slaap vallen, dat was de missie van ’t moment). Tot ik plots tot de orde werd geroepen door een nagel die recht m’n huid in wilde dringen. Alsof ’t ding geschikt is om als een spade oneffenheden weg te scheppen.
Ik kon me ook niet meer herinneren dan dat rechtertentakel rechtstreeks onderweg was gegaan van inactiviteit naar patsboem erbovenop, op de puist.
’t Was geen puist, maar voor de broodnodige verbeelding noem ik ’t in dit geval even wel een puist.

Toen dacht ik: ik moet weer controle krijgen. Dat gaat maar zo z’n gang. Of hun gang. Terwijl ik af & toe gewoon van niks weet. Loop ik met een bloedend lijf omdat de 2 daar wapperend aan de zijkant zonodig iets te doen moesten hebben. ’t Fijn vonden om hun eigen correcties al redigerend over m’n lichaam toe te passen.
Misschien dat ik er de komende tijd enigszins afgeleid, afwezig uit zie, maar dan weet u middels dit stukje tekst, weliswaar uitgevoerd door mijn 2 assistenten, maar daarbij geen invloed hebbend op de inhoud, dat ik bezig ben weer te weten te komen wat ik doe.

Aan Zijperspace geen polonaise.

wramelsbaam-boriaans

Zeg mensen van de toekomst, of anders de wezens van de toekomst die de aarde komen bestuderen. De marsmannen, misschien wel vrouwen, of de oorspronkelijke bewoners van Azoerk III, of de kolonisten van planeet K3R-3714 in ’t gewest Blaan, 1 gravitatieveld verder dan Wramelsbaam-Boor, of wie dan ook in de tijd die momenteel voor ons ligt, onvoorspelbaar omdat we de gave gods nou 1maal niet hadden gekregen dat wat voor ons lag te kunnen doorzien; ik heb u iets te melden.
Niets bijzonder, hoor. Zoals wel vaker. Misschien dat de andere geschriften die van mijn hand afkomstig zijn, die spaarzame schrijfsels die ook niet verloren zullen zijn gegaan, of moet ik zeggen: die niet verloren zíjn gegaan, u al op de hoogte heeft gebracht van wat mij zoal dagelijks bezig houdt, schuine-streep-hield. Dan heeft u die conclusie allang al getrokken. Dat van dat ’t niets bijzonders is wat ik u nu ga vertellen. Die conclusie.
Eigenlijk moet ik uitleggen waarom ik ga schrijven, of ging schrijven vanuit uw optiek, zo u wilt, wat ik nu ga schrijven, of ging schrijven uwerzijds wederom, want dat schept wellicht wat duidelijkheid. Waarom ’t geen hoogstandje is. Waarom ’t zo onbeduidend & eenvoudig is. Waarom ’t eigenlijk allemaal niets voorstelt, maar toch geschreven staat.
Of stond. Misschien komt dit wel tot u als een echo, een lichtstraal vanuit een ver weg gelegen hoek, onduidelijk wat de brondrager is. Wellicht leest iemand ’t voor, of bestaat er straks een andere vorm van informatie-overdracht. Zoals wij dus niet begiftigd waren, vast nog steeds wel zijn als wij als ras, als entiteit nog bestaan, met ’t communiceren dmv gedachten & ons ook niet konden voorstellen dat een ander dat wel zou kunnen. Als wel, dan noemden wij hem god & kreeg-ie gelijk wat meer in de melk te brokkelen (melk dronken wij als kind uit de moederborst) (waar dat brokkelen vandaan komt, ben ik in de huidige tijd van schrijven al vergeten) (misschien was ’t wel in de melk te brokken, daar twijfel ik nu opeens over) (’t klonk in ieder geval wel mooi, toen ik die woorden door m’n handen liet vloeien).

Onbelangrijk, & nietszeggend bovendien.
Maar wel plaats hebben gevonden hebbend, gevonden hebbende op de plaats, alhier, thuis, gebeurd geweest, op een dag zaliger, zeker weer vanuit uw optiek, in ’t jaar onzes heren, waarschijnlijk niet die van u, maar ’t zal te laat zijn daar een godsdienstoorlog over te gaan voeren, 2005, & terwijl ik schrijf, verder schrijf nog steeds aan de gang, ’t moment, ’t vervolg daarvan, & dat wat nog niet plaats had. Dat laatste moeten we dan maar niet meenemen met deze registratie. Want dan kan ik blijven doorgaan & komt er geen eind & ben ik nog bezig & schrijf ik steeds door & kom ik u tegen terwijl ik hier nog zit te schrijven & pogend te schetsen wat mij nu toch bezig houdt.
Ik hoop dat u me nog kunt volgen.
Waarschijnlijk wel. Want, met mijn deductief vermogen, heb ik ’t idee gekregen dat als u in de toekomst mocht regeren, onderzoeken, vorsen, archiveren & wat al niet meer zij, u evolutionair gezien slimmer moet zijn dan ‘tgeen er in mijn tijd aan verstandigs rondliep. Anders had u daar niet gestaan & ik niet hier. Toekomst, verleden, tegenover elkaar, ‘t 1 volgt uit ’t ander & degene met de beste kansen overleeft.

Nou dwaal ik weer af.

’t Leek mij dat als u toch een onderzoek moet doen, dat u niet alles zult kunnen behapstukken. Vooral niet van deze tijd, de tijd van mij, waarin iedere gek zich een toetsenbord voor z’n snufferd heeft gekocht om de er omheen geschaarde wereld die opeens niet meer zo groot leek kond te doen van ‘tgeen hem/haar bezig hield. Of houdt, in mijn geval van huidige tijd.
Mocht u dus een steekproef willen doen, wat mij zeer verstandig lijkt, om vooral niet bedolven te worden onder de massa van nietszeggend gewauwel, dan lijkt ’t mij zeer vanzelfsprekend om een willekeurige dag van ’t jaar te kiezen. & Wat is handiger dan ’t getalletje 100 te nemen. Waarbij ik dit zeg in de hoop dat u ’t analoge systeem van 10 vingers nog niet uit ’t oog bent verloren, of anders terug hebt gevonden.
De 100e dag van ’t jaar zogezegd.
Daarom wend ik mij tot u. Omdat er een grote kans bestaat dat u van dat gedenkwaardige jaar 2005 juist de 100e dag neemt.
Toevallig valt die tezamen met mijn verjaardag. Is mijn verjaardag de 100e dag van ’t jaar. Niet altijd, maar dit jaar wel. Dat ga ik u niet uitliggen hoe dat zit, want anders wordt deze tekst te lang. & Omdat u die 100e dag uitgekozen zal hebben gekozen te worden, daar in de toekomst, dacht ik dat ik eens even ga vertellen wat ik vandaag zoal heb gedaan, op deze bijzondere dag, de dag van mij, de dag van jarig & verder van geboorte afgedreven, de dag van ik & ook wel iemand anders, maar daar trek, of trok, ’t is maar net hoe u dat wilt zien, ik me niets van aan.

Nou eigenlijk niks.
Ik heb de telefoon meermaals aangenomen. Meeltjes gelezen, sms-jes gelezen. Ouzo gedronken dat uit de hemel van de bovenburen was neergedaald. De afwas gedaan. ’t Toilet verschoond. Boterhammen gegeten. 2 Stukken vlees ook, want ik was jarig, met enkele bakjes thee. Een boek gelezen van wel 1611 blz dik, maar nog niet uit. & Niet gedoucht.
& Nog een heleboel niks, maar dat zou te veel tijd kosten, want dat is zo’n beetje alles wat er bestaat, behalve dan dat beetje van wel.

Nu ga ik toch nog ook, of ging, een soortement van feestje vieren, door alles te gaan drinken wat mij voor de handen komt in Zijperspace, of kwam, misschien wel geweest gekomen, net wat u wil.

aan mezelf & alle anderen

Met nog maar 2 nachtjes slapen te gaan, wordt ’t toch tijd, voor de zekerheid, niets dan zekerheid gebiedt mij hiertoe over te gaan, dat ik melding maak, wellicht ten overvloede, maar ik kan natuurlijk niet weten in hoeverre men op de hoogte is van al mijn zielenroerselen, of anders van de uitingen hiervan, van ’t feit dat ik overmorgen weliswaar jarig ben, een heuglijk feit, vooral ook omdat ik daarmee ’t magische getal 40 achter me laat & nu serieus op weg ga naar een getal dat men wel als halverwege kan beschouwen, zo zie ik in ieder geval ’t volgend streefgetal 50, niet dat ik er dan vanuit ga dat ik nog een keer ‘tzelfde aantal jaren in levende lijve op deez’ aard zal kunnen verblijven, maar ’t klinkt nu 1maal zo: 50, de helft van 100; hoewel ’t natuurlijk wel mooi zou zijn, mooi meegenomen moet ik zeggen, 100 jaren genoeglijk te kunnen leven & dan misschien nog iets langer (ik lees zojuist de bijbel & bemerkte dat al die voorvaderen van ons, Adam, Set, Enos, Kenan, Mahalalel, Jered, Henoch, Metuselach, Lamech, Noach & dan in iets mindere mate de directe opvolgelingen van laatst genoemde, toch wel degelijk een behoorlijke leeftijd hebben mogen bereiken, waarbij een veelvuldigheid van 100 eerder regel dan uitzondering was, waarop ik bedacht dat als ik toch veel beter voedsel tot mij krijg, de medische kennis stukken beter is dan in die oertijd, psychische begeleiding mij een hoop kopzorgen & reumatiek hebben bespaard in ’t verdere leven, ’t toch best mogelijk moet zijn voor mij een redelijk aantal in jaren te behalen, een 100-tal zal ik zeker tevreden mee zijn, maar waarbij ik moet aantekenen dat die heren van lang gelee wel wat meer hulp konden verwachten van hun here gods dan ondergetekende); dat ik dus weliswaar over 2 dagen jarig ben, mij kan verheugen weer een streepje te mogen zetten op m’n vergankelijkheidsstaat (ik verzin dit woord net; ik dacht: ‘Hoe zal ik dit nu weer ‘ns zeggen, zonder dat ik in herhaling val van steeds weer dezelfde woorden?’, vooral ’t woord ‘jaren’ & de diverse vervoegingen & variaties had ik in ’t verhaal reeds gebruikt; ’t werd tijd een nieuwe invalshoek op ’t niveau van woordgebruik aan te wenden, & ik moet zeggen dat ik er zeer tevreden mee ben, zoals ’t woord er nu bijstaat, z’n diensten aan mij verleent door te zeggen wat ’t zegt & hopelijk duidelijkheid schept in wat ik nu eigenlijk bedoel te menen, meen te zeggen, zeg te bedoelen, meen te moeten bedoelen door ’t te zeggen, maar ja, dat kan ik eigenlijk alleen maar aan lezer dezes overlaten), in die zin dat ’t dan 41 jaren geleden is, & niet anders dan dat, mijn ouders hebben ’t mij zo verteld, hebben mij op die wijze bij de burgerlijke stand geregistreerd, waarschijnlijk mijn vader, want m’n moeder moest nog even bijkomen van de 8 pond die ik bij aanvang zwaar was, dus dan zal ’t wel waar zijn, ervan uitgaand dat ik niet tussentijds door buitenaardse wezens tijdens ’t speelkwartier ontvoerd ben, hoewel ik dat toentertijd wel ‘ns gespeeld heb met m’n vriendjes van ’t schoolplein, & daardoor een tijdsbeam (ik moet altijd aan startrek & doctor Spock denken als ik ’t woordje ‘beam’ gebruik) heb mogen meemaken, wat natuurlijk wel zou verklaren waarom ik na al die jaren nog steeds zo goddelijk jong kan ogen; 41 geregistreerde & daarom officiële aardse jaren, die dan niet worden gevierd, omdat ik eens aandacht wilde besteden aan al die dagen dat deze wereldbol mij gevoeglijk om haar as laat draaien, ook geen sinecure, zeker als men dat toch elke dag weer moet doen, & dat niet alleen míj, maar met mijn persoon een paar miljard anderen bovendien, om nog maar niet te spreken van al dat andere kruipend, vliegend & zwemmend gedierte (ik sla bij deze maar even ’t glibberende gedeelte van de schepping over, want dan gaan bij mij de haren in m’n nek, hoewel ik ze kortgeleden nog geschoren heb, vanwege akelige kriebel ism ’t labeltje van mijn t-shirt, akelig rechtop staan, waardoor ’t bevingeren van ’t toetsenbord mij een ietwat minder gecontroleerd zal afgaan & de backspace- & del-knoppen aan voortijdige slijtage onderhevig zullen zijn), daarbij er bovendien voor zorgend dat niemand zomaar van de aardbol los zal komen, ik snap nog steeds niet precies hoe of-ie ’t toch elke keer weer flikt, wat echter de pret niet mag drukken, want ’t aantal dagen die ik wilde gaan vieren bedraagt ’t aantal van maar liefst 15.000, niet gering, zeker ook omdat ik, voorzover ik weet, de 1e ben die dit heuglijk feit naar voren wil brengen door er een feestje omheen te bouwen, waardoor ’t lijkt alsof ik de 1e ben die deze mijlpaal heeft bereikt, wat natuurlijk niet zo is, maar ’t zal te veel woorden vergen dat ook nog ‘ns uit te gaan leggen, wat me overigens dwingt te vermelden dat die 15.000 an sich niet zo heel erg bijzonder zijn (ik hoor u denken: 1st begint-ie er over alsof ’t een zeer markant getal is & vervolgens waagt-ie dat meteen weer in twijfel te trekken), alswel ’t gegeven dat juist deze 15.000e verdagdag valt op de datum 5 Mei 2005 (ofwel: 5-5-5), de 125e dag van ’t jaar, 25 dagen na mijn eigenlijke verjaring, bevrijdingsdag, hemelvaartsdag, & dat nog wel allemaal tegelijk!

U bent hiervoor uitgenodigd (hier komt een 2e uitroepteken)!

5 Mei aanstaande dus, tussen 15.00 & 22.00 uur, bij mij thuis, te Amsterdam, 27 nachten slapen vanaf hier.

Bewaar deze uitnodiging dus zorgvuldig, prent ‘m anders in uw hoofd & bereid u voor op een goed humeur, die alleen nog even beter zal worden gemaakt door ’t genot van bier (mijn specialisme, of eigenlijk die van mijn feestjes, waarbij ik u wel kan verklappen dat ’t nog lekkerder, ’t lijkt bijna onmogelijk, nog specialer zal zijn dan voorgaande jaren)

Groetend,

Ton.
Zijp heet mijn achternaam.

Nawoord: Ik verstuur dit bericht aan alle vrienden & kennissen, broers, schoonzussen, neven & nichten, alsook andersoortige aanverwanten of tijdverslindende gerelateerden waarvan ik ’t i-meel-adres bezit. Mocht ’t in uw kring van omgang voorkomen dat iemand deze uitnodiging niet heeft ontvangen, schroom niet deze persoon bij de haren naar mijn stulp mee te slepen op voornoemde datum, want uiteindelijk is eigenlijk iedereen welkom. Als ’t bier maar op gaat, dan ben ik een tevreden mens.

Nanawoord: Voor de zekerheid plaats ik dit bericht, deze uitnodiging ook op m’n site, echter zonder nadere specificatie van m’n adres.

Giganawoord: Weet u overigens dat 27 gelijk staat aan 3 x 3 x 3?

thee

‘Ik droomde vannacht dat jullie mijn ouders niet waren,’ schiet me opeens te binnen.
We drinken thee aan de achtertafel. Ik ben net binnen. M’n moeder heeft me opgehaald van de trein. Voor de thee gaan we altijd tegenover elkaar aan de achtertafel zitten. Hoewel, nu even anders.
‘Je hebt de tafel verschoven sinds de laatste keer,’ constateerde ik.
‘Nee, hoor,’ zei ze, ‘die staat al een tijdje zo.’
‘Maar niet toen ik hier voor ’t laatst was.’
Dwars, ipv tegen de muur. Er kan nu 1 persoon extra aan tafel schuiven. Er is wat minder ruimte om langs de tafel de keuken in te komen, maar vanaf de plek waar ik nu zit, kan ik de kamer & tegelijk de keuken overzien.
Er is altijd wel wat veranderd als ik bij m’n moeder kom. ’t Is een beetje zoekplaatje spelen.
‘Hé, je hebt de kaarten uit ’t rekje gehaald,’ merkte ik ook op.
‘Ja, die heeft Lola opgeruimd. Kerst was alweer zolang geleden.’
‘Maar er hingen ook trouwkaarten, toch? Van Bart. & Van Corrie.’
Dat was wel waar. & Die foto aan de muur met alle kleinkinderen in de huiskamer hing er al een tijdje. ’t Waren slechts kleine subtiliteiten. De tuin was nog ‘tzelfde, behalve dan dat ze geschoffeld had & er weer groen omhoog kwam.
‘Wat zou dat nou zijn?’ begonnen we weer, wijzend naar bekende blaadjes in ’t bezit van vergeten namen.

Ik zeg dus dat ik gedroomd had afgelopen nacht.
‘Nou, dan ben je ’t dus uiteindelijk toch te weten gekomen,’ lacht m’n moeder. ‘We wisten niet hoe we ’t je moesten vertellen.’
‘Er was nog veel meer,’ zeg ik peinzend voor me uit, ‘maar Pa kwam er ditmaal niet in voor.’
‘Pa lag vanochtend naast m’n bed,’ zegt m’n moeder. ‘’t Voelde alsof ik wakker was. & Daar lag-ie, naast ’t bed op de grond.’
‘Droom je vaak van hem?’ vraag ik.
‘Nee, hoor. Anderen zeggen dat ze vaak de aanwezigheid van hun overleden echtgenoot voelen, maar dat heb ik helemaal niet. Hoeft van mij ook niet.’
‘Ook geen nachtmerries meer?’
‘Nee, ik slaap wel goed. Dat van vanochtend was een uitzondering. Ik kan me meestal toch niet herinneren wat ik gedroomd heb.’
‘Dat heb ik ook niet al te vaak. Maar Pa komt bij mij toch wel elke maand een keertje langs. Van de week was-ie weer helemaal beter. Hij had ook geen Parkinson meer.’
‘Nee, ik droom zelden van ‘m.’
Ik kijk een beetje de kamer rond. Op zoek naar verstopte veranderingen. Op de lage tafel in de voorkamer ligt een plank. Een boek erbovenop. Met bril. De plank ligt klaar om op de leuningen van de stoel getrokken te worden. Net als Pa vroeger, als-ie de administratie bezag, de genealogie van de diverse families verder uitwerkte, of z’n jazzverzameling probeerde te catalogiseren.
‘Hé, jij hebt nu ook een plank?’ vraag ik. ‘Om in de stoel te kunnen lezen?’
‘Of om in de stoel een maaltijd te kunnen eten.’
Ze lacht er verontschuldigend bij.
Dan kan ze weer zo’n tv-quiz volgen, bedenk ik, & ondertussen gewoon doorgaan met eten.
’t Is ook een heel andere plank, zie ik & schuif m’n kopje naar m’n moeder toe, voor nog een bakje thee.

Zo blijven we nog een tijdje zitten, de dingen besprekend in Zijperspace.

toe

Ik sluit m’n ogen om te kijken wat er te zien is.
Langzaam tekenen de ramen zich af. De ramen waar ik net nog doorheen keek. Een verlicht kader in ’t verder nagenoeg rood. De deur- & raamposten vormen de vakken.
Ik zet m’n pet op. Of eigenlijk leg ik m’n pet over m’n ogen. ’t Effect vergroten. Licht in zwart is helderder dan licht in rood. Ik wil voorkomen dat de zon door m’n oogleden heen schijnt & ’t zicht verpesten.
Ik wacht tot ’t weer terugkomt. Zien in ’t donker is niet vanzelfsprekend. Men moet daarbij geduld hebben. ’t Moet zich tonen. & Men moet zelf ook bereid zijn. Bereid zijn te zien wat er niet meer is.
’t Komt weer. Langzamer nu. ’t Branden van ’t licht op m’n netvlies is alweer langer geleden. ’t Vervaagt. Maar ’t is er wel.
Zo, liggend op de bank, gezicht richting achtertuin, met ogen gesloten & afgedekt met pet, wacht ik op niks. Ik weet dat ’t niks is. Niet veel bijzonders.
Ik doe een jongensdroom. Stel me voor dat alles ‘tzelfde blijft. Is gebleven. Nergens om zorgen over te maken. Want alles is er omdat ’t er niet is. Ik hoefde alleen maar m’n ogen te sluiten. Gesloten te houden. & De restjes die wenselijk zijn, laat ik in & uit gaan, naargelang ik er behoefte aan heb. Een spelletje, klein jongensspelletje, waarbij niemand me lastig valt.
Ik had ook in een weiland kunnen liggen. Me verwonderend over wat zich om me heen bevindt. De lichte bries traag over me heen trillend. Ik voel m’n huidhaartjes op z’n ritme dansen. Ik weet dat alles rondom me is, maar niets er eigenlijk toe doet.
Ik zie ’t niet, dus is ’t niet. & Tegelijkertijd ook weer wel. Van beiden de beides.
De truc is dat terwijl je kijkt naar wat er niet meer is, dat kader dat enkele minuten geleden gebrand is, nog steeds opgeslagen ergens in je hoofd, dat terwijl je kijkt, je af gaat wachten welke beelden zich als vanzelf aan gaan bieden. Van toen. Zoals dat weiland waar ik in lig. Terwijl ik nu eigenlijk op de bank ben. Ik ben op de bank, lig op de bank. Thuis.
Dat weiland moet toch ergens vandaan komen. Ook die wind. ’t Waait hier immers niet. Af & toe kucht de kachel een kreun. Of kriebelt de stoffen bank m’n blote onderarm. Da’s al. & Ver, ver weg, achter de ramen van ’t echt, tjilpen de vogels. Da’s allang niet meer zoals ’t in weilanden gaat. Ging, als ik niet oppas.
O ja, de ramen, ze staan er nog, tegen de zwarte achtergrond. Er komen deuken in langs de zijkanten. Een zwart gat dat ’t licht naar binnen zuigt. Ik wacht tot ik er doorheen kan zien. Want met echte ramen, ’t raam dat mijn huidig beeld heeft doen ontstaan, kan ’t toch zeker ook. Mijn beeld moet zich kunnen herinneren wat de details eerder waren.
& Langzaam kom ik op een camping terecht. In Denemarken, rood verbrand, in de schaduw van een schutting. Ik slaap & sluimer, de hele dag, verheugd als er een stil windje m’n lichaam sust, verkoelt. Ik luister de trage voetstappen van andere campinggasten, hun stiekeme blikken naar de jongen die de hele dag roodverbrand op een matje in de schaduw ligt. Ik hoor de vogels hun vleugels spreiden om de hitte in hun lichaam te voorkomen, snavel wijd open hijgend.
Ik slaap, & kijk door ramen die verdwenen zijn.

We wachten tot we niet meer weten wat waar is in Zijperspace.

denkje?

‘Wat denk je?’ zegt ze.
Shit, ik had ’t kunnen verwachten. Je moet niet stil voor je uit liggen mijmeren. 1 Oor ½ hangend op haar borst, plafond de einder.
‘Hm,’ denk ik hardop.
Alvast een aanzetje geven. Zodat ze weet dat er iets aan zit te komen. Als je diep in gedachten bent, dat zal ze vast wel weten, kost ’t soms moeite daar uit te komen. Even spelen, dan staat ’t echt. Nu alleen nog een antwoord.
Ik krijg een zachte por van haar buik die buikt. ’t Is als een liefkozing, maar klinkt door als een vraag om antwoord.
‘Niks,’ zeg ik.
In de hoop dat ik de juiste formule daarmee te pakken heb.
‘Je denkt nooit niks,’ zegt zij. ‘Een mens denkt altijd wel wat.’
Da’s waar, da’s waar, denk ik snel, maar ik wist alleen niks te verzinnen dat jou zou kunnen bevallen.
‘Nou ja, niets bijzonders,’ voeg ik toe.
Even stil.
Ik kan nog iets toevoegen om ’t niets bijzonders te illustreren. Kan ik nog een goede indruk mee achterlaten.
‘Hm.’
Om weer even tijd te winnen.
‘Ik keek naar ’t plafond. & Ik probeerde figuurtjes in de structuur te herkennen.’
Alsof dat niet niks is!
‘Jij hebt nou nooit eens dat je over ons 2-en denkt als we in bed liggen.’
Verdomme, niks mag ook al niet.
‘Kom op,’ zeg ik verontwaardigd, ‘ik was de afgelopen 20 minuten behoorlijk hard bezig over ons 2-en na te denken.’
’t Vliegt er uit. Onnadenkend, besef ik onmiddellijk.
‘Ja, vooral hard,’ zit zij er bovenop, met héél veel nadruk op ‘hard’, zo klinkt ’t in m’n oren. ‘& Volgens mij was dat niet denken, maar vooral drift. Pure, dierlijke drift.’
Niets menselijks is mij vreemd, wil ik zeggen.
Maar ik bedenk me net op tijd. Dit moet met meer tact aangepakt worden.
‘Da’s toch mooi, hè,’ begin ik.
Altijd alles positief benaderen. Ook kritiek. Zeker kritiek op jouw mens-zijn. Op jouw man-zijn, beter nog. & Haar vrouw-zijn zeker niet vergeten. Dat dient er in meegenomen te worden.
‘Da’s toch mooi,’ zeg ik dus, ‘dat ik me uit liefde voor jou zo kan laten gaan, dat jij niets anders merkt dan dat ’t dierlijke drift is.’
‘& Dat je vervolgens te moe bent om te beseffen dat ik ’t ben die onder je oor ligt.’
‘Nog geen 5 minuten geleden was ik me daar optimaal bewust van. Nu lig ik te luisteren naar de wondere wereld ‘Jij’,’ zeg ik met een hoofdletter ‘J’, ‘die diep in jou verborgen ligt.’
Dat heb ik mooi gezegd. Af & toe schuilt er een poëet in mij. Weliswaar 1tje die functioneert op amateurniveau, maar ik heb ’t toch maar even netjes uitgedrukt. Daar heeft ze vast niet van terug. Nu gaat ze pas echt van me houden.
‘Daarnet zei je nog dat je naar de poppetjes in ’t plafond zat te kijken.’
God, ik dacht dat mannen altijd plots nuchter werden na afloop.
‘Alsof ik niet kan kijken & luisteren tegelijk. Ik kan wel meer dingen tegelijkertijd. Waar dacht jij eigenlijk aan?’
‘Dat ’t fijn zou zijn als we straks nog even uit gingen.’
Ja, & mij dan gaan vergelijken met al die andere mannen. Kijken of zij ook een blik kunnen trekken die verraadt dat ze aan niks denken.
‘O ja, is leuk,’ stem ik toe.
Dan zie ik straks wel of ze daar nog altijd zin in heeft.
‘Maar ik moet 1st nog even bijkomen.’
‘Zie je, je denkt alleen maar aan jezelf.’
‘Kijk, daar recht boven jou. Die grote vlek daar. Dat is net een kabouter op een paddenstoel met een grote pijp.’
‘Luister je wel naar wat ik zeg?’

& Die kabouter blies ’t verhaaltje uit in Zijperspace.

datdatdatdatdatdatdatdatdat

Dat ik in m’n neus snij. Een klein stukje bloed. Een streepje.
Ik ga verdomme dat mes kapot slaan op de wasbak.
Maar hou me in. Veeg met m’n duim. Straks nog een keer & niks te zien.

Dat die klant weer begon.
‘Kom ik hier op een dinsdag,’ zegt-ie tegen een andere klant in de rij, ‘zitten ze hier uitgebreid aan de bar te zuipen.’
(Terwijl ik Fret kwam ophalen, Fret vroeger klaar was, Fret een biertje dronk in afwachting van mij, dat we voor vertrek nog even aan ’t praten waren)
‘& Ik gooi € 5,- in de parkeerautomaat. Laten ze me niet eens binnen!’
Toen begon ik.
Dat hè! Dat hè!
Dus ik: ‘We zijn al jaren op maandag & dinsdag gesloten. & Jij bent al jaren vaste klant. & Je moet nou ‘ns ophouden met steeds ‘tzelfde verhaal te vertellen. Als ik dat verhaal nog een keer hoor, dan ga je maar ergens anders verhalen vertellen. Dan ga je ook maar ergens anders bier drinken. Ook op donderdag.’
Want ’t was donderdag.

Dat Jeroen wil spoelen. Als 't druk is.
‘Nee, dat doen we zelf, ook al is 't druk.’
‘Ach, ik bied ’t alleen maar aan. Ik heb ’t wel eerder gedaan.’
Dat Roen ’t aanbiedt, een ½ uur later, nog steeds druk, hoewel hij niet meer bij ons werkt. Ik ‘m eigenlijk wel dankbaar ben.
& Jeroen die zegt: ‘Ik had ’t ook al aangeboden.’
‘Maar we willen alleen maar personeel achter de bar. & Roen is oud-personeel.’
‘Ik heb ’t voor andere barmensen ook al eerder gedaan.’
& Dat ik die hele spoelbak over z’n smoel wil smijten. Dat ’t verandert in een smoelbak.
Toch tap ik biertjes. Veel biertjes. Glazen vol. Ik ontvang geld & zeg dankjewel.
‘Hier, Roen. Neem een biertje van ons.’

Dat ze altijd dezelfde grappen maken.
‘Mag ik alsjeblieft de lege glazen?’ vraag ik.
Ook míjn eeuwigdurende vraag. Er komt geen eind aan.
Dat er dan iemand grappig is: ‘& Nog 1tje & dan is ’t een kwartet.’
‘Leuk grapje,’ zeg ik dan. ‘& Ook precies ‘tzelfde grapje als 5 minuten geleden, van een andere meneer, hier 5 meter verderop.’
Waarop de lach smoort. Dat ik ‘m ook nog wel even naar binnen wil duwen ook. Ook. Ook. Dat die vastgepoeierd zit in dat armzalig grappig bekkie van d’r.

Dat ik vraag of ze ergens anders willen gaan zitten. Niet aan de achterkant van ’t gebouw.
‘Als je ons bier wilt drinken: we hebben een groot terras, met allemaal stoelen. Je mag ook voor ’t gebouw staan, of daar aan de waterkant. Maar niet hier.’
Verontwaardigd gezicht.
‘Dat kan ook wel wat vriendelijker.’
Hé, ík ben van dat. Dat.
‘Dat was niet de bedoeling,’ zeg ik, & laat in ’t midden wat, ‘maar ’t was in ieder geval duidelijk.’
Ik hou van duidelijk.
Dat zeg ik dan ook maar: ‘Ik hou van duidelijk.’
‘Dat merk ik.’
Hé, ik heb ’t laatste woord. Dus zeg ik ‘t nog maar een keer.
‘Ik hou van duidelijk.’
& Stop z’n kop tussen m’n knieën, mangel ‘m, draai z’n beide oren om, in elkaars tegengestelde richting, wrijf met m’n knokkels op z’n kruin. & Tik nog 1 maal hard, alsof om te vragen of ik binnen komen mag.
Dat zal.

Dat. Dat. Dat.
Dat er een mevrouw voor me gaat staan. Denkt dat ze dan meteen geholpen gaat worden.
‘Mevrouw, als je in de rij gaat staan, word je sneller geholpen.’
‘Oh, is er een rij dan?’
‘Ja, dat is dat groepje mensen, dat zich omgevormd heeft tot een lijn van ongeveer 7 meter achter elkaar, waar je net aan voorbij gelopen bent.’
‘Maar dan kijk ik toch wanneer ik aan de beurt ben?’
‘Nou, mevrouw, als je daar blijft staan, dan helpen we je gewoon niet.’
Dat. Dat. Dat!
& Dat ze uiteindelijk, na die lange rij staan, na die lange rij denken over wát, dat ze dan toch nog durft te vragen: ‘Ik wil graag 2 bier.’
‘Wat voor bier, mevrouw? We hebben 7 soorten bier. Wat voor bier, mevrouw. We hebben 7 soorten bier. Wat voor bier, mevrouw. We hebben 7 soorten bier, mevrouw.’
& Dat. Dat bleef ik zeggen. Dat bleef ik zeggen. Dat ik bleef zeggen dat.

Weet waar u zich aan waagt in dat Zijperspace.