boekenbezit

‘Zullen we dan straks ook nog even naar een boekhandel gaan?’ vraag ik.
Roswitha kijkt me aan. Zeker omdat ik net die folder heb doorgenomen.
Thuis krijg ik nooit folders. Geen reclame doordat er ‘Nee’ & ‘Nee’ op m’n brievenbus geplakt staat. Grote letters. Geen folders & geen ongeadresseerde huis-aan-huisbladen. Waardoor ik niet weet wat er goedkoop wordt aangeboden. Soms vertelt m’n moeder dat door de telefoon vanuit Den Helder. & Vervolgens ben ik te lui om voor dat soort aanbiedingen ’t huis te verlaten. Een beetje lopen zoeken naar de corresponderende winkel van helderse reclame-uitingen.
Bij Roswitha neem ik alle folders door. Gamma, Mediamarkt, Blokker, Praxis & een boekhandel van om de hoek. Dat laatste zegt Roswitha tenminste.
‘Best een leuke boekhandel,’ zegt ze.
De folder heeft me in ieder geval aangezet om weer over ’t aanschaffen van boeken na te denken. Geen gereedschap of verf.
‘Zo,’ zeg ik, ‘nog nooit zo’n saaie folder gezien als die van Praxis.’
Ik laat ’t haar zien.
‘Daar krijg je toch geen trek van in een likje verf?’ licht ik toe.
Trek in een haagse boekhandel heb ik echter wel.
‘Naar die van ’t foldertje?’ vraagt ze.
‘Nee, dezelfde als de vorige keer.’
‘In de Passage,’ raadt ze. ‘Oh, je wilt natuurlijk kijken of ze jouw boek ook hebben.’
’t Is al mijn boek. Ze weet al dat ’t mijn boek gaat worden. Ik ben er al 3 keer over begonnen afgelopen 2 dagen.
‘Dat boek hebben ze zowiezo,’ zeg ik. ‘Maar ik moet jou toch laten zien welk boek ik bedoel.’

Roswitha houdt ook van boeken.
‘Kijk nou,’ wijst ze naar Salamanders, ‘dan wil je toch meteen de hele serie hebben.’
Ze is meteen verliefd. Ze wrijft over de kaft van Stefan Zweigs Schaaknovelle.
Ik kijk iets hoger. Naar mijn serie. Stuk voor stuk zijn de delen daarvan 5 keer zo omvangrijk als die van de Salamanders.
‘Dat ziet er toch prachtig uit,’ zegt Roswitha.
‘Ja,’ zeg ik snel, & kijk verder naar mijn eigen lust voor ogen.
Roswitha laat een paar bladzijdes van de schaaknovelle door haar vingers wapperen. Ik pak ondertussen ‘Het ravijn’ uit ’t schap. Laat m’n oog langs de buren van Gontsjarov gaan. Boccaccio, Manzoni, Milton.

‘Ik weet niet wat ik moet doen,’ zeg ik tegen Roswitha.
Zij heeft inmiddels een boekje van Philippe Claudel in haar handen.
‘Kijk ‘ns,’ zegt ze.
Ze bladert weer. Tot er een klein kaartje uit de bladzijdes tevoorschijn komt schuiven. ‘Gesigneerd’ zegt ‘t.
‘Dat zag ik opeens.’
Ze bladert naar de titelbladzijde. Een handtekening van de schrijver.
Ze pakt een ander exemplaar van de stapel. Gaat naar dezelfde plaats in ’t boek. Geen handtekening. Volgende ook niet.
‘Ik wist dat-ie in Den Haag was,’ zegt Roswitha. ‘Maar toen kon ik niet.’
‘Ik weet niet wat ik moet doen,’ zeg ik nogmaals & loop voor de 3e maal naar ’t schap met Gontsjarov.

In m’n hand heb ik ‘Verloren Paradijs’ van John Milton.
‘Kijk nou,’ zeg ik.
Ik laat de illustraties van Gustav Doré zien.
‘Je wilde toch Gontsjarov kopen?’ vraagt Roswitha.
‘Ja, maar die platen zijn toch mooi, hè?’
‘Je moet gewoon in Amsterdam naar de boekhandel gaan. Als je op weg bent naar huis.’
‘Ja, maar ik wil nu.’
‘Moet je nou kijken,’ gaat Roswitha onverstoord met haar speurtocht naar schoons verder.
Ze houdt me Kafka voor. ‘Brief aan m’n vader’.
‘Mooi, hè!’ zegt ze.
‘Jij koopt met je ogen,’ reageer ik.
‘Jij niet. Jij zou eigenlijk Gontsjarov kopen. Maar nu heeft een andere boek mooie plaatjes & dan wil je die hebben.’
‘Ik hou ‘m gewoon vast. Dan beslis ik bij de kassa wel of ik ‘m wil hebben.’

‘Nu heb ik ‘m zolang vast gehad, dat-ie eigenlijk al van mij is,’ meld ik 10 minuten later als we in de buurt van de kassa komen.
‘Ja, hij is van jou,’ reageert Roswitha.
Roswitha koopt zelf 3 kleine boekjes. Ze zien er alle-3 mooi uit.
Ik kijk nog even naar de tekening van neerstortende engelen voordat de caissière mijn boek weg stopt in een tas.

Ze zullen veilig neerkomen in de schappen van Zijperspace.

tjuh

‘Zeg je ’t omdat ze jonger is?’
‘Wat zeg ik?’
‘Zeg je ’t omdat ze jonger is?’
‘Wat bedoel je nou?’
‘Dat ‘tjuh’ van jou.’
‘Tjuh?’
‘Ja, je zegt steeds ‘tjuh’.’
‘Wanneer zeg ik ‘tjuh’?’
‘Elke keer als je ’t over haar hebt.’
‘Ik weet echt niet waar je ’t over hebt. Wat is een ‘tjuh’?’
‘Vriendinnetjuh.’
‘Vriendinnetjuh?’
‘Ja. Je zegt steeds vriendinnetjuh.’
‘Oh?’
‘Ja, waarom zeg je dat?’
‘Weet ik ‘t.’
‘Omdat ze een paar jaar jonger is?’
‘Nee, joh. Daar probeer ik me nou juist niets van aan te trekken. Johan Cruyff is z’n leven lang 14 jaar gebleven, Harry Mulisch was al 70 in z’n puberteit, & ik ben geestelijk nooit ouder dan 16 geworden. Dus eigenlijk ben ik jonger dan haar.’
‘Dus dat is niet de reden dat je ‘tjuh’ zegt?’
‘Nee.’
‘Waarom dan wel?’
‘Ik zei toch al dat ik daar nog niet over nagedacht had.’
‘Nee, dat zei je niet. Je zei “weetikveul’ & meer niet. & Volgens mij weet je ’t wel.’
‘Nee, ik zou ’t niet weten.’
‘Is ze kleiner?’
‘Kleiner dan wat?’
‘Kleiner dan jou.’
‘Heb je haar dan niet gezien?’
‘Nee, want jij houdt haar geheim.’
‘Helemaal niet. Ze kon laatst gewoon niet eerder komen. & De volgende dag was ze er wel.’
‘Ja, maar toen was ik er niet. Maar ze is dus kleiner & daarom zeg je ‘tjuh’.’
‘Nee, ze is zelfs groter. 2 Cm. Als we allebei op blote voeten staan dan moet ik met m’n tenen een beetje opwippen om haar een zoen te geven.’
‘Heerlijk, dat soort details. Is ’t dan misschien uit bezitsdrang?’
‘Wat zeg je nou weer?’
‘Iets wat kleiner is, daar kan je macht over uitoefenen. Dus houd je haar kunstmatig klein, door steeds ‘tjuh’ te gebruiken.’
‘Nou moet je ophouden.’
‘Je kunt toch ook gewoon normaal een antwoord geven als ik iets vraag. Da’s toch niet zo moeilijk.’
‘Gewoon & normaal. Dubbelop. Jij kunt toch ook een gewone & een normale vraag stellen? Dan mag je er gelijk 2 stellen: 1 gewone & 1 normale, & dan geef ik op allebei gewoon normaal antwoord.’
‘God, wat doe je moeilijk. Je kunt toch toegeven dat je ’t lekker vindt eindelijk weer ‘ns iemand in je macht te hebben.’
‘Maar dat vind ik helemaal niet prettig. Ik ben zelf degene die zich in de macht van iets bevindt. & Daarnaast kan ik me bovendien niet herinneren ooit ‘tjuh’ gezegd te hebben. Nou, 1 keer dan. Maar toen had iemand anders ’t over hoe ’t met m’n lieffie ging. Toen heb ik naar alle waarschijnlijkheid ‘tjuh’ gezegd.’
‘& Daarnet.’
‘Wanneer?’
‘Toen ik zei dat je steeds vriendinnetjuh zegt.’
‘Dan leg je me de bewijsvoering in de mond. Dat is alsof je een mes in m’n handen legt, m’n hand richting slachtoffer beweegt, m’n hand die persoon in ’t hart laat steken om vervolgens te kunnen zeggen dat ik schuldig aan doodslag ben.’
‘& Toch zeg je ‘tjuh’.’
‘Ja, tjuhtjuhtjuhtjuhtjuh! & Ze wordt steeds kleiner & jonger & mán, wat voel ik me machtig.’
‘Jij kan nou nooit ‘ns serieus zijn.’

Aldus gaan de conversatietjes in Zijperspace.

tienmisschien

Dit is perfect weer om me in m’n blote bast van m’n taak te kwijten. Ik heb ’t thermometertje op de tafel midden in de huiskamer gelegd, een ½ uur geleden, dus kan ik momenteel zien dat er ook geen andere mogelijkheid voor me is: 25 graden. Een t-shirt zou alleen maar afleiden, door ’t zweterig plakken aan m’n huid.
Dus sta ik daar mezelf te aanschouwen. Tegenover me. Ik wip even op m’n tenen om de onderrand ook nog even mee te pakken bij de inspectie. Dan valt ’t me op dat ’t buikje (da’s helemaal geen buikje, zei Roswitha) van voren minder bol valt als van boven.
Een mens moet zorgen dat-ie zo min mogelijk perspectief ziet. Dat werkt geruststellend.
’t Gekke is dat ik dan ook geen haren meer zie.
Ik zei nog tegen Roswitha: ‘Eigenlijk zijn ’t er meer dan 5.’
‘Ja, ’t zijn er meer.’
& Ze wreef er even lichtjes met haar vingers doorheen. Alsof ze in ‘t gelid gekamd konden worden.
‘Maar 5 klinkt wel mooi,’ legde ik haar voor alle zekerheid uit.
‘Ja, maar je spreekt gewoon niet de waarheid.’
Ach, dat zal ze wel weer niet letterlijk gezegd hebben; ik heb ’t vast weer zo geïnterpreteerd. Zaak is in ieder geval dat ik me er vanaf toen mee bezig ben gaan houden. Of eigenlijk al eerder. Vanaf ’t moment dat ik ging vermoeden dat m’n leugentje ontdekt zou worden.
‘Kijk,’ wees ik, ‘hier bij m’n tepel heb ik altijd een hele lange.’
& Met m’n wijsvinger ging ik op zoek. M’n kin diep voorovergebogen, zodat m’n ogen alle handelingen konden volgen & coördineren.
Hij was echter niet te vinden.
Roswitha bleef geduldig naast me zitten. Peuterde nog een krulletje door een ongebruikte haar op m’n borst, niet van belang voor mijn onderzoek. Ze blies er een voor mijn borst koude adem overheen & zag ‘m met een glimlach alert op de wacht gaan staan.
‘Hé,’ ging ik ondertussen verder, ‘hij is er niet meer.’
& Keek er bij alsof juist die ene haar op m’n tepel m’n lichaam kompleet had moeten maken.
‘Spreek je weer niet de waarheid, meneer,’ verweet Roswitha me opnieuw met een plagerige stem.
‘Ja, maar,’ begon ik mezelf alweer te verdedigen, om me meteen ’t volgende moment te bedenken. ‘Eigenlijk zijn ze ook helemaal niet mooi. Een man zou ze net zo goed weg kunnen scheren.’
Dus sta ik nu voor de spiegel. Om alles ‘ns in perspectief te kunnen zien. ’t Perspectief van vooraanzicht. Zonder een kin die tot op de borst gebogen moet worden.
Dat vertekent ook de boel, bedenk ik me. Die moeizame buiging & ogen die naar beneden puilen om vooral ook alles te mogen aanschouwen. Om maar niet te spreken van de borstspieren die zich als vanzelf gaan inspannen om de meest kritische blik nog een zekere bekoring voor te kunnen schotelen.
‘’t Is perfect weer,’ herhaal ik voor mezelf.
Uitstekend geschikt om me van m’n baardgroei te ontdoen. ‘t Is niks om met die hitte zweetdruppels in die minieme stoppels te laten hangen. Geeft alleen maar jeuk.
& ’t Ziet er ook veel echter uit, dan gewoon maar in een t-shirt.
Ik zie alle blote basten voor me, van mannen die in ’t sanitaire blok van campings ’s ochtends vroeg aan de wastafels naast die van mij hebben gestaan. Met wit schuim besmeerde gezichten, of met elektrieke apparaten tegen hun wangen gedrukt. Ik daarnaast met een schaamtebedekkend shirtje, om die 5 haartjes, die je misschien tot 10 zouden hebben doen tellen, maar verder zou een mens met mijn borst niet kunnen komen, niet te hoeven laten zien. Want al die mannen hebben stuk voor stuk hele plakkaten tapijt over hun borst gespreid liggen.
Ik kan ’t me in ieder geval niet anders herinneren.
Ik smeer m’n gezicht vol. Kijk nog even lager, om te zien of ze er nog wel zitten.
Nee, niks. Alleen die grote lange (waarom is die ene die net even uitsteekt dan meteen & groot & lang, vraag ik me stiekem bij mezelf af) kan ik onderscheiden.
Ik stuur m’n kin weer naar m’n borst. Probeer ’t van de andere kant.
Nee, nou zijn ’t er toch weer minstens 5. Met een donzig baby-heuveltje bij de aanzet van m’n borst. Dat gedeelte glinstert onder ’t genoegen van ’t schijnen van de lamp. Glimlachende ½e bochtjes die licht weerkaatsen. Zonder dat licht zouden ze ook niet bestaan.
Ik zet m’n mes aan. Kwijt me van m’n 4-dagelijkse taak. Desnoods pas op de 5e dag, als ’t zo uitkomt. Ik ben nu even de tel kwijt, hoeveel dagen ’t geleden is.
Ik schraap wat extra onderaan in m’n nek, doe ook nog m’n best laag in m’n hals, grap mezelf toe een scheiding te maken daar waar de baardaanzet is & ’t borsthaar bij mannen over ’t algemeen pleegt te beginnen. & Besluit toch weer niet verder te gaan.
Morgen weer haren tellen met Roswitha. Bij ’t ochtendgloren, of bij ’t licht van ‘t lampje naast haar bed.

Vanavond nog wat pokon strooien, zeiden de tantes altijd, in lang geleden jaren van Zijperspace.

pasklaar

Aan ’t personeel zal ‘t niet liggen. Die bepalen de sfeer niet & zien er ook in de luxe filialen in ’t centrum ‘tzelfde uit als in ’t kleine kneutertje om de hoek. Gepensioneerde moeders, wiens blauwe Hema-shirts hun lichaam nog enigszins flatteren. ’t Uitgezogen lichaam van de vrouw die ’t grootste deel van haar leven binnenskamers ’t vak van kettingrookster praktiseerde & zichzelf dankzij de scheiding teruggeplaatst heeft in de maatschappij ziet er door ’t overhangen van ’t alles verhullende kledingstuk ‘tzelfde uit als die met 3 zwangerschapsrimpels getooide collega van de afdeling damesonderbroeken. Beide soorten winkelpersoneel komen in even grote getale voor in zowel de centrum- als in de buitenwijk-Hema, maar behalve middels hun hoofd zijn ze verder moeilijk van elkaar te onderscheiden.
Vroeger bestonden er nog tussensoorten. Of eigenlijk uitzonderingen op genoemde verschijningsvormen. Ik had ooit kennis met een medestudente die in haar vrije tijd middels Hema haar, evengoed dun belegde, boterham kon verdienen. Ik ben haar nooit in de winkel zelf tegengekomen, maar heb mezelf door onze ontmoetingen in ’t gewone dagelijkse studentenleven wel altijd afgevraagd hoe ze haar borsten, van ’t maatje allemachtig maar o zo prachtig, in ’t korset van ’t winkeltenue geperst kreeg.
Dit begon ik pas later te begrijpen. Zeg maar in de tijd dat m’n moeder stopte met mijn studie op bedekte wijze te subsidiëren door allerhande materiaal voor mij bij de grootgrutter in te slaan, zodat ik zelf daar niet langs hoefde. & Toen mijn moeder geleidelijk met deze ondersteuning stopte werd ik allengs meer gedwongen zelf op zoek te gaan naar ondergoed die zich makkelijk aan mijn lichaam zou voegen.
Pas vanaf dat moment begon ’t me te dagen dat ’t beleid van de Hema er niet op gericht was ’t personeel zo appetijtelijk mogelijk aan de klant voor te schotelen. Dat er naast de overheerlijke zoute, sappige Hema-worst er binnen ’t bedrijf ook nog een streven naar een andere eenheidsworst bestond , welke zich liet vertalen in de personeelsoutfit, waar elk lichaam zich in liet passen. & Waar, niet minder belangrijk, ’t onderlinge onderscheid tot een minimum werd genivelleerd. Alle vrouwen lijken in hun Hema-kledij afhangende borsten van 50 jaren oud te hebben.
Ik was blij dat m’n droom over de weldadige borsten van m’n mede-studente niet eerder op een dergelijke brute wijze was verstoord. We waren beiden klaar met studeren & zagen elkaar niet meer. Evenmin in de winkel. In mijn beleving echter draagt ze nu gelukkig nog steeds ‘tzelfde weelderige decolleté met haar mee.

’t Maakt dus niet veel uit waar je bent, als ’t je te doen is om de verschijning van ’t personeel. & Toch heb ik voorkeur voor bepaalde filialen. Ik ga liever naar de dependance op de Nieuwe Dijk, dan dat ik bij mij om de hoek ga, op de Linneausstraat. Ik verkies die in de Pijp boven die in Den Helder, hoewel ik in Den Helder meer trek krijg in een ½e warme worst & ’t personeel er substantieel jonger uitziet dan in ’t Amsterdamse. & In de Kalvertoren kom ik alleen als ik de oplaadbare batterijtjes van m’n fietslichten ben verloren. Boven al verkies ik die in de Pijp. ’t Zal wel aan ’t publiek liggen.
Ze zijn nog niet allemaal zwanger, de vrouwen die daar hun inkopen komen doen. Sommigen zijn nog maar net afgestudeerd, of anders zijn ze ietwat verlaat daarmee, zo schat ik hun leeftijd in. & In deze 1e zomerse dagen lopen ze er zo appetijtelijk bij, dat ik geheel & al voorbij loop aan de schappen waar mijn scheerspullen liggen uitgestald.

Volgens mij verplaatsen ze ’t ook elke keer. Ik heb wel ‘ns een medewerker van de Albert Heijn horen verklaren dat ze expres 1 keer in de zoveel tijd de producten verplaatsen, om de clientèle zodoende langs de schappen te laten lopen waar spullen liggen die ze anders nooit zouden aanschaffen. Desoriëntatie moet bijdragen tot extra kooplust.
Bij mij werkt dat echter niet. Ik verdwaal in de hordes vrouwen die de Hema als hun kooplustoord hebben verklaard. Ik vraag me af of de bh’s die nog net door hun zomerse shirtjes heen schijnen alhier zijn aangeschaft, hoe ze toch kunnen bepalen dat zo’n exemplaar hen goed zou staan zonder ook maar een pashokje te hoeven gebruiken, of ze net als ik de Hema visiteren omdat ze dan lekker aftands in hun goedkoop ondergoed thuis ½ nakend door ’t huis kunnen banjeren, denkend: ik ben hier met mezelf & ik ben toch de enige die kijkt & dan niet eens naar mijzelve, dus waarom niet?
Kortom, in de Hema maak ik me druk over ’t vrouwelijk zijn & of ik al onderweg ben ze te gaan begrijpen. Een waar oord om je aan bovenstaande vragen des levens te verlustigen.

Maar na ontelbare keren toch weer om steeds langs dezelfde schappen te zijn gelopen, niet wetend waar ik moet zoeken waarvoor ik ’t huis heb verlaten & hierheen ben gespoed, besluit ik dan toch maar een medewerkster uit de trommel 100 uit ‘tzelfde dozijn te raadplegen, dankzij haar kledij op die wijze gecatalogiseerd.
‘Waar kan ik de scheerspullen vinden?’ vraag ik dan aan zo’n vrouw.
‘O, hier,’ wijst zij dan om ’t volgende hoekje, ’t hoekje dat ik al diverse malen heb geslecht. ‘Momenteel 30 % korting op alle scheerspullen.’
Ze laat me de mededeling op ’t rode kaartje zien, die ze op ’t punt staat op ’t scheerspullenschap te gaan hangen.
‘Dat maakt niet uit,’ zeg ik, ‘ik had ’t evengoed wel gekocht.’
Waarna ik merk, bij ’t uiteindelijk verlaten van de winkel, dat € 3,50 voor aftershave balsem met 30 % korting bij de kassa van de Hema toch echt nog steeds € 3,50 betekent.
Maar voor die € 1,05 te veel betaald, bedenk ik me vervolgens, ben ik toch weer dichterbij ’t ontrafelen van ’t nimmer door de man opgeloste raadsel vrouw gekomen. Hoewel ik nog steeds geen pashokjes heb kunnen ontdekken.

Maar ik heb een scheermesje ook nog nooit 1st uitgeprobeerd alvorens ’t mee te nemen naar Zijperspace.

gebaren

‘Dan komt-ie op me af, met een uitgestoken hand. & Ik kan natuurlijk niet anders dan met mijn hand naar die van hem te reiken. Dus schudden we de handen, zonder te bewegen overigens, vervolgens laat-ie los & gaat-ie met diezelfde hand naar z’n borstkas. Onderweg maakt-ie van z’n hand een losse vuist. Hij legt ‘m op z’n hart & klopt.
Ik hoor dan vanuit de hemel iemand galmen: “Broeder.”
Weet je wel.
Ik weet niet wat ik daarmee aan moet. Ik ben daar niet mee grootgebracht. Nou ja, dat moet ik natuurlijk niet zeggen, want m’n ouders hebben ’t al helemaal niet meegemaakt. Ik bedoel gewoon te zeggen: 20 jaar geleden, zeg maar in mijn jeugd, deden we dat soort gebaren niet. Ik vond ’t al heel wat toen ik in Amsterdam kwam wonen & we elkander begroeten door de handen te schudden. Vond ik wel lekker studentikoos.
Ik krijg die vuist gewoon niet op m’n hart. Ik zie mezelf al op m’n borst kloppen, waarop god dan van boven naar me roept: “Broeder.”
Misschien zegt-ie dat wel in ’t engels.
Op een gegeven moment heb ik er wel wat op gevonden. Dat doe ik nu de hele tijd. Niet al te opvallend, want dat wordt natuurlijk niet geaccepteerd, maar wel zo dat ’t een soortement vervanging van ’t borstgeklop wordt.
Dan is ’t moment van handenverklinking achter de rug, ze hebben eventjes bij elkaar in de palm vastgezeten, trek ik gelijktijdig met hem m’n hand richting lichaam, maar op ’t laatste moment verandert mijn hand dus in een wijzende vinger. Weet je wel, een wijsvinger die uit ’t vuistje kruipt, & dan schuintjes naar voren beweegt. Waarmee die maar wil zeggen dat ‘t ‘Ok’ is. Weet je wel. Dan heb ik net niet m’n hart geraakt. Een kleine schijnbeweging.
Dan voel ik me evengoed nog een beetje stoer. Kijk, denk ik dan, hier staat een grote broeder, weliswaar zonder galm, die wel even z’n waardering met een vinger kan laten merken.
Die vinger gebruik ik trouwens wel vaker. Als ’t zo uitkomt. Bijvoorbeeld als iemand gelijk heeft & dat bevestiging nodig heeft. Dan gaat m’n vinger naar voren, klein stukje, ongeveer 20 cm voor m’n lichaam, om dan naar beneden te buigen. Even een punt te zetten, alsof er zich een houten blad onder bevindt, waarop een uitroepteken wordt gedrukt. Van: “Ja, je hebt gelijk.”
Zie je.
Of als iemand in de verte begroet moet worden. Dan steek ik m’n wijsvinger nog wat verder uit. Arm horizontaal, met een kleine curve naar links.
Want, o ja, dat vergeet ik bijna, je doet dat soort gebaren wel met je rechterarm, hè. Anders is ’t al helemaal niet echt.
Dus een klein bochtje naar links, een hoekje in de elleboog.
Je moet ’t eigenlijk zien als in die films de laatste tijd, waar die jonge straatbende-jochies hun guns op elkaar leegschieten. Dan houden ze die dingen plat, ver van zich af & schieten ze een beetje vanuit de hoogte. Daarmee geven ze hun minachting voor degene die ze neerknallen weer.
Zo houd ik dan m’n hand. Met m’n vinger dit keer niet in zo’n revolver, maar in de lucht. Natuurlijk zonder minachting te willen uitdrukken. Want anders groet je niet.
& Dan, da’s wel belangrijk, beweeg ik m’n pols even op & neer. Dat ’t een beetje golft, m’n hand. Duidt op waardering, denk ik dan, & ’t maakt je bovendien vet koel.
& Vroeger vond ik je duim opsteken altijd belachelijk staan. Dat deed je toch niet? & Nou merkte ik een tijd geleden dat ik ’t wel zo af & toe nodig heb. Van: “Het gaat wel goed met me.” Of als je wil zeggen: “Goed gedaan, jongen.”
Maar ja, dan kan je natuurlijk niet met zo’n duim ouderwets recht omhoog steken. Dat zouden de padvinders anno 1950 allang al niet meer gedurfd hebben. Dus daar moest ik iets anders voor vinden.
Dus steek ik m’n arm extreem naar voren. Heel ver weg. Om ’t nog een beetje te benadrukken, leun ik met m’n schouders daarbij nog iets achterover. Zo op zo’n luie manier, weet je wel, waarbij als vanzelf je kin zich intrekt.
Dan leg ik m’n duim dus op z’n zij. Zodat-ie eigenlijk horizontaal naar links wijst. Een beetje met je ogen knijpen & lichtjes de lippen van elkaar, dat ’t lijkt of ’t je voldoening geeft.
& Die ander, waarnaar ik die duim gebaar, die voelt zich dan heel belangrijk, kan ’t natuurlijk hartstikke waarderen.
Ja, je moet ’t overdrijven. Iets wat van vroeger is, wat eigenlijk niet meer mooi is, daar moet je een hyperbool van maken. Dan krijgt ’t vanzelf weer waarde.
’t Ziet er dan misschien wel een beetje gek uit, maar ’t maakt ’t allemaal wel veel gezelliger.
Vind je niet?’

Dat is waarvoor we ’t doen, uiteindelijk, in Zijperspace.

oskar

Alles wat ik weet. Nog weet. Nog lijk te weten.
M’n moeder overhandigde me ’t cadeau. Zorgvuldig verpakt. M’n vader zal wel weer de verpakking, de ontpakte verpakking, hebben aangenomen, voor een volgend cadeau.
‘Je weet maar nooit waarvoor je ’t later kan gebruiken.’
Hij moet een kast vol met pakpapier hebben gehad. Met verjaardagen & Sinterklaas verzameld.
Ik pakte uit. Voorzichtig met ’t plakband, speciaal voor m’n vader.
’t Was in de tijd dat ik niet meer in bed lag om cadeaus te ontvangen. Waarschijnlijk in de huiskamer, ’s ochtends vroeg, voor iedereen naar school ging behalve m’n moeder, in ’t hoekje van de bank. Tegen ’t kussen aan.
We vochten om dat plekje, maar op je verjaardag was-ie van jou. Ook ’s avonds bij tv-programma’s. Net als dat je ’t eten uit mocht kiezen.
‘Boerenkool?’ vroeg m’n moeder.
‘Boerenkool,’ zei ik. ‘De spekjes niet te veel doorgebakken.’
M’n vader speciaal voor deze dag vroeg opgestaan. Hij als directeur mocht te laat zijn, zich verslapen, behalve op kinderverjaardagdagen. Hij rook nog naar bed als-ie zoende.
‘Hè, Pap, je hebt je niet geschoren.’
& M’n moeder wreef dan even over z’n wang.
10 Minuten later, de cadeaus allemaal uitgepakt, was-ie glad & rook-ie naar z’n vaste merk aftershave. De pot die wij wel ‘ns ’s avonds voor slapen gaan op onze nog kale wangen uitprobeerden.
M’n moeder al uren op. Net als elke dag boterhammen voor de familie gesmeerd. Haar mannen die naar school gingen, een heel gezin. Ook al was dit een bijzondere dag, haar zoons, haar 4e zoons verjaardag.
Ik pakte dus uit. Zoals ’t omhulsel al deed voelen een boek. De blikken trommel. Waarvan ik wist dat ’t een belangrijk boek zou worden.
Dat wist ik toen.

Ik heb ’t in de zomer gelezen. Ik had nog veel werk te doen voordat ik er aan beginnen mocht. Toch ben ik dat jaar in de 4e blijven zitten. Ik had geen zin.
In de caravan las ik.
‘Kom er nou toch ‘ns uit,’ riep m’n moeder van buiten.
Maar ’t was mij te warm. & ’t Boek vooral interessanter.
Ik was te oud om in ’t water te spartelen & te spetteren. & Van wandelen met m’n vader kreeg ik ’t benauwd.
Ik las. Liep weg van de omgeving om me heen door te blijven zitten.

M’n docent Nederlands vroeg een lijstje te maken met boeken die we gelezen hadden. Een lijstje van ‘t afgelopen jaar.
‘Monique leest veel,’ zei hij nav de verzamelde leeslijstjes. ‘Heel veel. Ton iets minder, maar Ton leest heel moeilijk.’
Vanaf dat moment ben ik de nederlandse les leuk gaan vinden. Ik haalde hoge cijfers voor m’n leraar.

De film van Schlöndorff werd in de gymzaal van de school vertoond. Ik had ‘m al gezien. In ’t Filmhuis, waar m’n moeder me eigenlijk veel te jong voor vond.
‘Mam, hij is al 16,’ had m’n oudste broer gezegd. ‘& ’t Boek mocht-ie toch zeker ook lezen?’
Sindsdien ging ik elke week op vrijdag, met m’n broer.
Ik ging ook naar de spaarzame voorstellingen in de gymzaal. Met ander gezelschap.
In de gymzaal deed ’t geluid ’t niet. Iedereen moest lachen, behalve meneer Veer, docent Aardrijkskunde. Hij was verantwoordelijk voor de filmclub.
Ik zei tegen Linda dat ik toch wel wist wat er gebeurde. Ik kende ’t gillen van Oskar Matzerath al.
De amanuensis heeft ’t geluid toen uiteindelijk gerepareerd. Luid gejoel in de gymzaal. Ik vertelde Linda naast me wat er ondertussen allemaal gebeurd was.
Ik stelde me stilletjes voor dat ook haar donshaar naar pruimenbloesem rook.

Daarna is mijn boek vooral met me mee verhuisd. Hij heeft op wel 20 plekken gewoond. & Stilletjes verborgen tussen steeds meer boeken gestaan.

‘Dat is misschien wel ’t belangrijkste boek geweest dat ik gelezen heb & nog steeds bezit,’ zei ik tegen Roswitha toen ze ‘m ertussenuit pulkte.
’t Was ’t enige boek dat ze uit m’n boekenkast haalde.
Ik keek over haar schouder mee naar waar zij keek.
‘Wat een leuk stempeltje,’ zei ze, al bladerend bij ’t titelblad aangekomen.
‘Ja, ik zette toen altijd m’n eigen stempeltje in al m’n boeken. Met m’n naam & de datum dat ze mijn eigendom werden.’
We keken samen naar de datum.
‘Hé, dat was op m’n 16e verjaardag. 25 Jaar geleden.’
‘5 Dagen later werd ik geboren,’ zei Roswitha.
& Dan wil ik niet aan toevalligheden van getallen denken. Of hoe de dingen zijn voorbestemd.
Maar op dat moment deed ik ’t toch, want er was iets met die 5.

Ik heb gister ’t boek op z’n oude plek in Zijperspace teruggezet.

pindamix

Terwijl Roswitha een hapje pinda’s nam, keek ik uit ’t raam.
‘Je gaat van die japanse stinken,’ had ik gezegd, waarna zij demonstratief haar mond naar me uitademde.
‘Zie je wel,’ zei ik met een opgetrokken neus.
‘Ik ruik ’t zelf niet,’ zei Roswitha, om vervolgens toch maar de japanse mix-nootjes opzij te schuiven.
Ik zag buiten een gezicht voorbij flitsen. Een blik die in ’t voorbijgaan steels naar binnen gluurde, hoofd vlak boven de vensterbank van ’t café uitstekend. Een hand die nog net opstak naar de jongen die achter de bar stond.
‘Oh, daar heb je Jon weer,’ verzuchtte deze.
‘Anders neem je er zelf ook 1,’ bood Roswitha mij ‘t bakje aan, ‘dan ruik je mij ook niet meer.’
M’n gezicht verzuurde. Waarop Roswitha ’t bakje weer naar zich toe trok. Schouders ophalend.
Jon kwam binnen. Armen bungelend langs z’n lichaam. Hij ging midden voor de bar staan.
‘Hoi Jon,’ zei de barman. ‘Hoe gaat ‘t?’
‘Gaat wel goed, hoor,’ zei Jon.
Z’n hoofd bungelde al net zo erg als z’n armen. Z’n ogen tuurden onderwijl naar de punten van z’n schoenen. Je keek automatisch met z’n schommelend hoofd mee.
De barman stond. Bleef staan. Recht overeind. In afwachting van wat zou volgen.
‘Wil je wat hebben?’ zei hij uiteindelijk maar.
Jon draalde. Hief z’n hoofd voor de afwisseling eens op. Voor toch zeker enkele seconden. & Hij begon te praten.
‘Heb jij misschien wat pinda’s voor in m’n broekzak?’ zie Jon.
‘Tuurlijk,’ zei de barman.
Iedereen in ’t kleine texelse kroegje dacht ondertussen: ‘Pinda’s voor in je broekzak?’
De barman keerde zich echter resoluut om. Als vanzelfsprekend. Richting de voorraadbak pinda’s. Maar trok stiekem een verveelde blik.
‘Ik weet ook niet wat ik er mee aanmoet,’ zei z’n gezicht in stilzwijgen.
Hij pakte nog een glazen kom. Zoals wij er al 1tje hadden staan.
‘Daar aten wij vroeger vla & yoghurt uit,’ bedacht ik.
Ik zocht ze op in m’n keukenkastjes, thuis, ver verwijderd van dit eiland, waar ze momenteel in ruste stonden. Op gepensioneerde leeftijd werden ze door mij hooguit 1 keer per maand tevoorschijn gehaald. Voor een sausje bij de chips. Of om een kleinigheid in de magnetron op te warmen.
De barman gebruikte ze nog veelvuldig. ’t Was de 2e keer deze avond dat ik ‘m ermee pinda’s uit de bak zag graaien.
Jon pakte ’t bakje aan. Hij opende z’n strakke spijkerbroekzak aan de linkerkant. Zodat er, met enige hulp van de hand die de kom niet vast hoefde te houden, een tuit ontstond waar hij de pinda’s in kon laten glijden.
Hij zakte iets door z’n knieën. Kont naar achteren, rug krom, hoofd hangend.
’t Was alsof-ie meedeed aan ’t kampioenschap luchtgitaar. Met een bakje pinda’s dat langzaam z’n broekzak ingleed.
Hij deinde op ’t ritme van de traag stromende pinda’s een paar keer omhoog. Tilde z’n voet op om de pinda’s mogelijk een extra zetje te kunnen geven.
Iedereen keek.
Eindelijk tilde hij z’n hoofd weer op.
‘Ja,’ zuchtte hij richting barman. ‘Krijg je wat van me?’
‘Nee, joh.’
‘Dan moet ik maar een biertje bij je drinken.’
‘Nee, joh,’ zei de barman. ‘Ga jij nou maar lekker zitten waar je net zat. Drink daar een biertje. Kan je die pinda’s gaan eten.’
‘Te gek, joh.’
Hij stak z’n hand op, onderweg naar de deur. Keek vlak voordat-ie verdween nog ‘ns om naar iedereen die ‘m nakeek. Zwaaide nog een keer vrolijk naar de barman.
‘Nee, hoor,’ zei de barman enkele tellen later. ‘Ik ben blij dat-ie ergens anders is. Laat ‘m maar lekker daar consumeren. Daar heb ik best een bakje pinda’s voor over.’
Roswitha nam weer een handje van die van haar. Ik keek naar ’t silhouet van Jon die nu in tegengestelde richting reed. Ik zag z’n lachende blik naar binnen kijken. Weer een hand die omhoog stak. De barman die in de spiegeling van ’t raam reageerde.
‘Van mij krijgt-ie zo een bakje pinda’s,’ zei de barman nogmaals. ‘Van mij hoeft-ie dat niet aan de bar op te eten.’
‘Je stinkt,’ zei ik tegen Roswitha & wreef zachtjes over haar knie.
Ze legde een japans nootje opzij in ’t bakje. Ademde tegelijkertijd uit met opengesperde mond.
‘Nee, hoor,’ zei de barman. ‘Gratis pinda’s voor Jon. Als ik ‘m daarmee weg kan krijgen. Hoeft-ie niks bij mij voor te drinken.’

In Zijperspace heeft men ’t liever andersom.

texel

Ik ben er even een paar dagen niet. Ben op Texel.
Waarom? Omdat iemand die kant op ging & ik er achter aan wilde.
Eigenlijk wilde ik ook nog over gisteravond vertellen, maar dat vergde te veel concentratie, op 't moment dat datzelfde vrouwspersoon nog in m'n bed lag te ronken. Ik vond 't op dat moment zinniger een eitje voor haar te bakken dan u lezer kond te doen van 't optreden dat we samen gisteren hebben bijgewoond.
Ik ben dus weg. Fietsend, handjewriemelend, wangwrijvend, woelend & wat ons 2-en nog meer te binnen zal schieten aan zinnige, of vooral onzinnige tijdsbesteding in 't laaglands duin- & eilandlandschap van Texel.
Wie weet kan ik op dezelfde toon als dat de avonturen tot ons zullen komen later voor u ervan verhalen.

Woensdag keer ik waarschijnlijk terug in Zijperspace.

devaluatie

‘Zie je die meid daar?’ zegt Joe, wijzend naar een over de stoep fietsende vrouw.
Ik bekijk ‘r van achter, maar weet meteen wie ’t is.
‘Ja, ze was hier laatst ook,’ wil ik zeggen, maar Joe begint al met een lach om z’n mond aan z’n verhaal.
Toen jullie hier voor zaten, laatst, had ik willen zeggen. Jij met Mike, biertje drinkend op wat lege kratjes. Toen stond ze er ook. Ik ben in de deuropening gaan staan om haar weg te kijken. ’t Moet geen junkenwinkel worden, had ik gedacht. Al die verlopen types voor de deur, dat schrikt anderen alleen maar af. Ik zag dat ze bietste, dat ze iets te roken wilde, iets te drinken ook misschien, dat ze geld probeerde los te praten. Maar toen ik in de deuropening was wezen staan, was ze snel verdwenen.
Dat had ik willen zeggen, terwijl Joe z’n verhaal vertelt.
Hij lacht. Hikkend. ’t Moet toch grappiger zijn geweest dan ik me op dat moment had voorgesteld.
‘Ze vroeg een sigaret aan ons,’ zegt Joe. ‘Met die junkenkop. Terwijl ze eigenlijk iets anders nodig had.’
Ik zag haar gezicht weer voor me. Keek ’t magere lichaam op de fiets nogmaals na, nu bezig de hoek van de Spuistraat te nemen, als om aan de achterkant haar verschijning terug te halen.
‘Ach, ik had wel niet veel,’ ging Joe ondertussen verder, ‘maar ik gaf haar toch maar de peuk die ik op dat moment ½ opgerookt had. Je moet toch wat met zulke meisjes. Die hebben vast helemaal niets meer.’
Hij neemt een trek van z’n shagje. Waarschijnlijk ook 1 van z’n laatste van vandaag. Want geld voor bier had-ie daarnet niet, net als vorige week. ’t Flesje dat-ie in z’n handen houd had ik even moeten noteren. Van de week zou ’t geld weer binnenkomen uit Canada.
‘We kijken haar aan,’ vertelt Joe. ‘Ik tik zo tegen de knie van Mike, zodat zij ’t niet kan zien, om te laten merken dat ze er toch echt niet uitzag. Uitgemergeld, ogen die er zowat uitvielen. Ze blijft ondertussen babbelen, over van alles & nog wat, ik weet niet wat ze allemaal zei. & Vraagt vervolgens een slokje bier. Ik zeg tegen haar: “Ik heb niks.” & Laat haar m’n lege fles zien. Mike geeft haar echter z’n laatste slokje.’
& Toen kwam ik buiten. Want dat wilde ik niet. Zomaar iedereen voor de winkel laten zuipen; ik vond dat niet kunnen, daar moest ik vanaf.
‘Mike weet dat-ie dat niet moet doen,’ zeg ik, maar Joe gaat onverstoord verder.
‘Vraagt ze ons daarna in ‘t engels: “Hebben jullie misschien 15 cent voor mij?”’
Joe begint weer te lachen. Hij houdt z’n hand voor zich, om in ’t verhaal te blijven, ’t verhaal vast te grijpen waar-ie in bezig is.
‘Dus Mike zegt dat-ie niks te makken heeft. Je weet toch, Ton, vorige week: we hadden helemaal geen rooie rotcent meer. We waren blij dat we hier nog wat op konden laten schrijven. & Dan vraagt zij ons, juist óns, om 15 cent. “Nee,” zegt Mike, “we hebben helemaal niks voor u, mevrouw.” Zoals Mike dat kan zeggen in ’t nederlands.’
Dan moet ik alweer naar binnen zijn gegaan. Want dat heb ik die middag niet gehoord, staande in de deuropening. Ik heb Mike die dag niet veel bijzonders horen zeggen. & Zeker niet in ’t nederlands.
Joe herhaalt lachend: ‘”Nee, we hebben helemaal niks voor u, mevrouw,” zegt Mike dus. Waarop die meid zegt, in ’t engels weer: “I give you a blowjob.”’
Een paar keer hikkend lachen. Ik lach met ‘m mee.
‘Ik stoot nog een keer tegen Mike z’n knie. & Als ze wegrijdt zeg ik tegen ‘m: “Mike, you fucking heard this? Ze zegt net dat ze een blowjob wil doen voor 15 fucking cent!”’
Joe lacht nu luid.
’15 Fucking cent!’ zegt-ie. ‘Dat geloof je toch niet. 15 Fucking cent. Voor een blowjob.’
Ik loop naar binnen, om weer verder te gaan met m’n werk. Ik hoor Joe z’n lach van buiten komen & lach nog even met ‘m mee.
‘Zou ze eigenlijk 50 cent hebben bedoeld?’ waag ik nog te denken voor ik een kratje bier oppak.

& Overdenk de geldontwaarding in Zijperspace.

streetcar

Ik sta buiten. Zij staat buiten.
’t Is haar deuropening.
Ik denk nog: ‘Ik zou bang zijn dat de deur dicht gaat slaan.’
Op sokken. Of blote voeten. Zoals mij ‘ns is gebeurd. Binnen komen via de buren, klauterend over een hekje. Naar beneden zakken vanaf 1-hoog.
Maar dat gebeurt niet. Dat zijn kwade dromen die in ’t echt van haar gezicht niet bestaan.
‘Dag meneer,’ zegt ze.
‘Dag mevrouw,’ zeg ik.
Nog 1 keer kusje dan. Onderdoor de samengeknepen ogen van ik-voel-me-fijn beweegt m’n mond zich.
‘Meneer, wat doet u nou?’ zegt ze.
& Toch schrik ik. & Toch die kus.
Vluchtig.
Vluchtiger dan ik van plan was. Schichtige ijle lijntjes raken nog net haar lachkrullen.
Dan volgt de realiteit van de dingen om ons heen. De zon die schijnt. Een spreeuw die in de bomen kwettert. Een auto die passeert. Trams in de verte van de halte. De deur die nog open staat.
‘Misschien is de tram net geweest,’ zegt ze.
Ik kijk naar de tramhalte. Zij de andere kant op, van waar hij komen moet.
Ik zeg: ‘Er staan nog allemaal mensen, dus moet-ie nog komen.’
Zij zegt: ‘Daar komt-ie.’
Niet meer dan een tel ertussen.
Dus keer ik me om. Handje zwaaiend. Van weet-je-nog-mamma, toen ik voor ‘t 1st in m’n 1tje naar school toe ging.
Ik doe ’t expres. Om te laten zien dat ik niet weg niet wil. Niet, nog niet, toch niet. Niet.
& Terwijl de zon op haar hoofdje schijnt, zo bleekjes van de ochtend te lang met mij in bed, ik m’n hoofd alweer ga keren naar de weg die voor mij ligt, m’n ogen nog even wendt naar de tram die de haast verkondigt, zwaait zij ‘tzelfde handje.
Ik zet resoluut m’n ene voet voor de andere. In een tempo waarvan ik denk dat de tram mij niet bij zal houden. Kijk nog even om.
Dan weet ik niet waar ik m’n aandacht op moet vestigen. De hand van haar, of de tram die komt.
Dag, dag, zegt m’n hand.
Daaaag, daaaag, zegt haar hand, gebruik makend van de tijd die voor haar nog niet vol is.
Ik ren. Nu ren ik.
Ik denk: ‘Als in een film. Op een strand. Elkaar tegemoet komende lichamen. & Dan andersom.’
Maar ik word verstoord door ’t kruispunt waar plots van alle kanten spitsuur dreigt van trams uit verschillende richtingen.
Nog harder. Zodat ik voor de ene langs, achter de andere, nog net op tijd op ’t perronnetje zal arriveren.
& Terwijl ik omkijk of ik ’t nog wel haal, zie ik haar staan, voor haar deur. Op sokken, misschien wel blote voeten, een hand geheven, klaar voor nog een keer de tijd uitbuiten. De tram waar ik in moet stappen verstoort ons uitzicht op elkaar, een kruisende er achter langs benadrukt ’t verbod van een laatste blik.
Ik wurm me binnen, strip een kaart, wankel tussen de volle zitjes, mezelf aan stangen steunend als de tram optrekt.
Ik kijk om.
Nog steeds in ‘tzelfde heldere zonlicht staat zij nog.
Ik wil terugrennen in de tram om mezelf nog 1 keer kenbaar te maken. Dat ik er ben, dat ik er niet meer ben, dat ze me weg kan zien gaan.
Maar ’t is te laat. Ik ga op in de massa van een volle tram.
Ik zie haar keren. Haar handen zakken langs haar lichaam. Haar voet doet die ene stap.
’t Zijn sloffen, zie ik. Hoewel ik dat niet kan zien vanuit een tram die wegtrekt.

& Een Zijperspace die almaar dichterbij komt.

uitvaartcentrum

Een strenge heer in pak. Zo leek de man vooral, de man die m’n oom heette te zijn.
Gevouwen handen. Ogen dicht. Ik had ’t al eerder gezien.
Ik zeg tegen m’n moeder: ‘Z’n mond staat een beetje open.’
Z’n gebit was te zien.
Ik zie de man al een gereedschap tevoorschijn halen. Een onontkoombaar gereedschap.
‘Gaan jullie maar naar beneden,’ had die man toen gezegd. ‘Dit ziet er misschien raar uit.’
Ik zeg nu tegen Ma: ‘Dat moet gecorrigeerd. Dat moest bij Pa ook.’
& Ik zie een man voorovergebogen over Pa hangen. Nu over m’n oom. Moeite doen de kaken bij elkaar te krijgen. Met een raar apparaat dat-ie speciaal voor dit soort gevallen altijd op zak heeft.

M’n neef zegt even later: ‘Ik snap wel dat ik er niet de hele tijd bij kon zijn, bij dat afleggen. Toen de heren klaar waren heb ik geholpen hem aan te kleden. Pyjama uit. Z’n beste pak aan. Vlak daarna nog even goed geschoren. Die mannen zorgen dat ’t lichaam nog even behandeld wordt. Daar wil je niet bij zijn. Misschien wat bloed er uit laten lopen, zodat ’t niet al te snel gaat ruiken. ’t Moet toch enkele dagen blijven liggen. Maar vast niet zo erg als dat ’t lichaam er verfomfaaid uitziet. Net na een ongeluk. Evengoed moeten al die plekken weg. Al die plekken van z’n ziekte. Dat gaat opspelen. Dan kan-ie niet al te lang blijven liggen, als je daar niks aan doet. Daarna werd ik in de kamer toegelaten. Hebben we ‘m samen afgelegd.’

Hier staan m’n moeder & ik. In ’t nu. Een lijk tegenover ons. ’t Lijk dat m’n oom heette te zijn.
Ik zeg: ‘Kijk, ze hebben hier ook een bank uit de Petrus & Paulus kerk.’
Ik wijs naar de bank tegenover de kist. Waarop je even kan rusten. Gedenken. Gebedje maken. Na kan denken over wie die man wel niet is geweest.
Wel niet.
& Ik maak sprongen met mijn gedachten.

M’n broer die Marcus Petrus Paulus heet. Alle doopnamen op een rij.
Vernoemd naar de kerk waarin hij werd gedoopt. Waar we met z’n allen in de banken zaten tot aan ’t moment dat ’t ritueel voorbij was.
Waar m’n vader stond. In ’t middelpunt van de belangstelling. Recht tegenover de gemeente gezeten in banken. Deze banken. Terwijl hij gewoonlijk de 1e lezing deed.
‘Volgt nu de 1e lezing,’ zei meneer pastoor, waarop m’n vader naast ons opstond uit de verder anonieme rijen & zich naar de microfoon voor de 1e lezing begaf.
Terwijl wij vastgeklonken zaten op deze banken. De banken die later in de kroeg van m’n broer terecht zouden komen.
‘Spotprijsje,’ zei m’n broer. ‘Ik heb er meteen maar 3 gekocht.’
Maar waarom, vroeg ik me toen af, willen ze al die banken kwijt De kerk wordt er toch niet kleiner van.
& Ik keek naar de bank, de bank tegenover m’n oom, & zag niet dat-ie uitgesleten was. Ook niet van treurende achterblijvers.

M’n neef praatte verder.
Dat-ie aan ’t wachten was. Op witte rozen.
‘Een hele bos witte rozen moet toch niet zo moeilijk zijn. De hele stad voor afgeweest. Uiteindelijk hier in ’t winkelcentrum kreeg ik wat ik wilde. Eindelijk iemand die niet al te moeilijk deed. Hij komt ze nu brengen. Witte rozen, aangevuld met een witte orchidee. Dan hoef je ’t niet voor de prijs te doen. Als ’t maar komt, had ik tegen die man gezegd. Dan kan je ’t geld zo uit m’n portemonnee krijgen.’
Ik zie ‘m die beweging weer maken. Naar z’n broekzak. De emotie zit er nog. Dat de dood van z’n vader niets met z’n geld te maken heeft.

Ik zeg tegen m’n moeder, als we later de bloemstukken zien: ‘’t Is toch heel mooi gedaan.’
Zoals je dat hoort te zeggen.
‘Maar toch heel anders dan bij Pa,’ zegt zij.
& Ze fluistert: ‘Wilde bloemen.’
Dat fluistert ze, zodat ik ’t nog net kan verstaan.
‘Toch heel anders.’
Ik zie m’n vader ook wel in een pak liggen, z’n beste pak, zo aan ’t eind van z’n leven. Strak getrokken achter z’n rug, zodat ’t er nog wel gevuld uit ziet. De dunheid van zijn dood verdoezelend.
Maar geen witte rozen, denk ik. Ik zie geen witte rozen om hem heen.

Ik hoor mijn buurmeisje zeggen, zoekend naar woorden: ‘Ik vind jouw tuin zo mooi, zo, zo, zo….. wild.’
& Ik zeg: ‘Ik noem m’n tuin dan altijd spontaan.’

& Zo gaat ieder z’n eigen weg, weg uit Zijperspace.

biermeneer

4 Studenten. Dat zie je zo. De mate van corpsballerigheid moet ik nog even onderzoeken.
Ik loop langs ze terwijl ze voor de koelkast staan. Diverse malen. Zij proberen te beslissen over wat te nemen, ik sleep met kratten, dozen & flessen.
Ik heb ’t druk, maar ik had ’t ook niet druk kunnen hebben. Of een andere bezigheid kunnen kiezen. Nu heb ik elke keer iets om langs ze heen te dragen. Ik maak onhandige stapels verderop in de zaak.
‘Zo, u heeft aardig wat te tillen,’ merkt er 1tje op.
‘Ja, ’t is een zwaar vak,’ reageer ik maar.
Ik stapel ondertussen een grote krat bovenop een kleine doos. Niet zoals ’t hoort. Maar ik ben aan ’t improviseren. Zodat ik de heren kan testen.
‘Ik kies voor ’t mooie flesje,’ zegt er 1 & pakt Orval.
‘Dan neem ik deze maar,’ zegt de volgende.
Duchesse de Bourgogne.
De andere 2 komen met Urquell & IJ-wit.
‘Hebben we een leuke keuze gemaakt, meneer?’ vragen ze me bij de kassa.
‘Ik ben geen meneer,’ zeg ik, ‘ik heb ’t wel geprobeerd, maar ’t wilde niet lukken.’
Ze gniffelen. Schakelen vervolgens meteen over op ’t onderwerp hoe de flessen te openen.
‘Heeft u een flesopener?’ vraagt de jongen met ’t streepcolbertje.
‘Nee, hebben we niet nodig,’ zegt de jongen naast ‘m. ‘Jullie hebben mij toch.’
‘Ja, wij hebben Jasper,’ beaamt de lange blonde jongen.
Jasper haalt een klein openertje tevoorschijn.
Tevreden verlaten ze de winkel.
‘Ook al schijnt de zon niet, we kunnen er evengoed van genieten,’ hoor ik ze nog net zeggen.

‘U bent klaar met sjouwen?’ vraagt Jasper een kwartier later.
Hij is teruggekomen met ’t streepjescolbertje.
‘Nee, ik moet ook af & toe pauze houden,’ antwoord ik. ‘Anders red je ’t niet.’
‘Kunt u voor ons 4 lekkere biertjes aanwijzen?’ vraagt streepjescolbert.
‘Ik ben geen u,’ zeg ik.
Ik vertik ’t om daar aan mee te doen. ’t Blijken best aardige jongens te zijn, maar ik doe niet aan hun spelletje mee.
‘Ok, maar we willen een lekker biertje. Volgens mij heeft u wel verstand van lekker bier.’
‘Dat heb ik, maar daarom ben ik nog geen u,’ corrigeer ik nogmaals.
Ik wijs 2 duitse bieren & 2 belgische bieren aan.
‘Die zijn lekker?’ vraagt Jasper.
‘Nee, ’t liefst verkoop ik alleen maar vies bier,’ zeg ik, ‘& dit leek me een goede gelegenheid om daar ‘ns volledig in te slagen.’
Toch nemen ze m’n suggesties mee naar de kassa.
‘Heeft u ook….’ begint streepjescolbert weer.
‘Nee,’ zegt Jasper, ‘we hebben Jasper.’
‘O ja,’ zegt streepjescolbert. ‘Ga nooit de deur uit zonder je Jasper.’

Nu staat Jasper met de lange blonde voor de koelkast te staren.
‘Ha, jullie zijn er weer?’ zeg ik.
‘Ja, we zaten te kijken,’ merken ze op als ze hun rug rechten, ‘heeft u ook misschien Heineken?’
‘Heeft je moeder je niet geleerd dat je niet moet vloeken in de kerk?’ vraag ik.
‘U heeft geen Heineken?’ zegt de lange blonde.
‘Nee. Als je dat wil hebben kan je naar dat getto aan de overkant. Die supermarkt zit er helemaal vol van. Hier vind je alleen maar speciaalbier. Wij willen kwaliteit vekopen.’
‘Heineken is toch ook lekker. Waarom verkoopt u dat niet?’ vraagt Jasper.
‘Heineken is uilenzeik. Daar wil ik niet aan meedoen.’
Ze pakken 4 flessen Brand uit de koelkast.
‘Brand is ook van Heineken.’
‘Weet ik. Maar die smaakt tenminste nog ergens naar.’
‘Eigenlijk voel ik me een beetje beledigd,’ zegt de lange blonde. ‘Ons huis wordt gesponsord door Heineken.’
‘Dan moet je thuis gaan zitten,’ zeg ik. ‘Dan komt meneer Heineken straks vast wel langs om z’n bijdrage te leveren.’
‘Fred is dood.’
‘Reden te meer om te wachten. Z’n dochter ziet er vast leuker uit.’
Ze betalen de 4 flessen & verlaten de winkel.
‘Ik voel me best beledigd,’ zegt de lange blonde. ‘’t Is best een mooi huis.’
Jasper legt een hand op z’n schouder & begint met de ander alvast te zoeken in z’n broekzak.

We verplaatsten nog wat kratten in Zijperspace.

achteraf

Bij terugkomst vond ik m’n bed op de grond. Alsof dat nu niet meer vanzelfsprekend was.
Ik herinnerde me heus de vraag nog wel: ‘Zal ik ’t matras op de grond leggen?’
Niet zo hoog. Niet zo veel kraak. Stoot je je hoofd ook niet zo snel. Nou was er bovendien de hele kamer, de héle kamer, om spullen in weg te smijten, te doen verdwijnen in tijdelijke afwezigheid.
Dan vind je de dingen terug bij ’t definitief aan kant maken.
Hoewel ik wist dat dat nog wel enkele dagen kon gaan duren.
Ik trok m’n t-shirts uit. Zwetend van de fietstocht. M’n lichaam moest weer kunnen ademen. ’t Station is toch wel ver weg voor iemand die heen & weer moet.
M’n maag rommelde. Dat deed-ie al vanaf vroeg vanochtend.
‘Pannenkoeken,’ had ik toen gezegd.
Ook: ‘Veel te laat gegeten. Dan blijft je maag bezig met verteren. Tot laat in de ochtend. Hij is nog niet klaar.’
Maar vaker zei ik pannenkoeken. Om herinnering, mijlpaal te scheppen.
Weet-je-nog-wel-pannenkoeken.
Op die manier. Dat je dan kijkt & lacht. ’t Gaat als vanzelf bij zo’n woord.
Ik moest maar weer ‘ns gaan liggen, dacht ik. Pannenkoeken hun verdiende rust geven. Dat ik me eventjes niet met ze bemoei. Ze hun gang kunnen gaan.
Ik twijfelde tussen bank & bed.
Bank, daar was niet zoveel gebeurd. M’n knieën waren hooguit geschaafd.
‘Die bank is ruw,’ had ik gezegd. ‘Dat heb ik nooit eerder gemerkt.’
Waarna dus die matras naar beneden was gegaan.
Alles heeft z’n volgorde. Ook de volgende dag.
Nu zou ik opnieuw voor ’t matras stemmen. Niet democratisch. ’t Was een alleenheerschappij voor een 1-koppig volk. De man die alles opnieuw in zichzelf overwoog. Hij & zichzelf; ze zouden ’t samen in hun 1tje wel kunnen vinden.
T-shirts uit. Broek dan ook uit.
Oubollig sokken aanlaten. Niets zo intiem als de man in onderbroek met sokken zo hoog mogelijk aangetrokken.
’t Is tegen de kou, dacht ik, tegen de kou die nu is ingetreden.
Maar terug in ’t bed bleek de damp van de nacht in ’t bed geslagen. Een vochtigheidsgraad die als een klamme doek zich over je lichaam uitspreidt.
Sokken uit. Met een boog ’t bed uit. Zoals alle kleren met een boog uit bed gegooid dienen te worden. 1 Voor 1; ik had nog geweten dat ’t zo hoorde. Niet achter elkaar. Er dienden spannende pauzes ingelast te worden.
Ik & mijn sokken oefenden de generale repetitie in de spiegel van de tijd.
De kreukels hielden me wakker.
M’n bed zou nooit meer ‘tzelfde worden als niet ’t corrigerende karakter van de wasmachine zich erover zou gaan buigen.
Maar voorlopig liet ik me bedwelmen door de geuren van iemand die er niet meer was. & In die aanwezige afwezigheid vond ik voor een uurtje de rust die afgelopen nacht aan mij voorbijgegaan was.
‘Wat een stilte, hè, in deze straat,’ had ik ’s ochtends willen zeggen.
Die zondagmorgen had zich echter niet door mijn stem willen laten beroeren. Niet mijn gewone stem.
Nu klonken er kinderen. Ze speelden oorlogje. Schoten elkaar neer in ’t middagschijnsel van de dag des heren.
‘Tatatatatata. Dood! Aaarrgggh. Nee, ik heb jou neergeschoten! Je moet blijven liggen! Tatatatatatata,’ susten ze mij alsnog in slaap.

& ’t Nam me mee naar daar waar ik eerder was geweest in Zijperspace.

belletje

Ik bel meestal 1 maal per week. Vaak vanaf m’n werk. Tussen de bedrijven door. Als er niemand is.
‘Met Ton,’ zeg ik dan meestal, op een zangerige toon, van hoog naar laag.
Of, als ’t even duurt voor ik een stem hoor, begin ik over de knopjes.
‘Die nieuwe telefoon heb je nog steeds niet helemaal door, hè, Moe.’
Dan gaat zij als vanzelf in de verdedigingsmode. Vertelt ze over dat de telefoon al contact maakt zogauw ze ‘m oppakt. Dat ze dan nog een knopje in moet drukken om haarzelf verstaanbaar te maken. Maar zo snel zijn haar handen niet.
Iets dergelijks.
‘Nee,’ zeg ik dan, ‘ik bedoel alleen maar te zeggen dat de producenten van die apparaatjes geen rekening houden met mensen die niet zo snel aan de moderne technologie kunnen wennen.’
Waarom ik ’t dan evengoed op zo’n negatieve manier had moeten zeggen, vraag ik mezelf dan ook af. Misschien omdat we met elkaar vertrouwd zijn. Je weet dat je niet al te groot risico loopt als je dingen wat duidelijker zegt dan dat je bij anderen zou doen. M’n moeder blijft toch m’n moeder.

Ik bel Quint.
In gesprek.
Jan neemt niet op. Van Carel weet ik z’n mobiele nr niet. Ik weet niet waar Marc uithangt. Maar die heeft z’n mobiel waarschijnlijk toch niet bij zich.
Ik zou Theo nog kunnen proberen. Hoewel, die is toch aan ’t werk op dit moment. Niet gehoord dat hij Ma van ’t vliegtuig af zou halen.

Waarom ik dan toch elke keer van m’n werk bel. Niet rustig thuis.
Dat doe ik wel. Maar da’s altijd óf ’s avonds laat, met risico dat m’n moeder al richting bed is, óf ’s ochtends vroeg. Als ik ziek ben, pijn heb, m’n moeder als vraagbaak nodig heb.
‘Nee, hoor,’ zegt ze in zo’n laatste geval. ‘Ik was wakker. Heb net de krant gelezen.’
Of ze moest er toch ‘ns een keertje uit. Was al opgestaan, maar nog even in bed een boek gaan lezen & weggedut.
Vanaf m’n werk, omdat ik er de rest van de dag niet aan denk. Alleen als er iets urgents is dus. Ik verveel me, & dan pas denk ik aan m’n moeder.
Ik vergeet ook altijd dat ze afspraken heeft. Een dagje weg. Wat ze me toch écht duidelijk verteld heeft.
‘Ik had ’t vorige week nog verteld,’ is een vaak terugkerende uitspraak.
Die kan ik de laatste tijd ook wel ‘ns terugkaatsen.
‘Ach, ’t zal wel van de emoties van de laatste tijd zijn,’ zegt m’n moeder.
‘Ja, Moe,’ zeg ik dan vergoelijkend. ‘’t Is ook niet niks.’

Quint belt mij. Nog geen 2 minuten later.
Of ik wat korte omschrijvingen wil maken voor zijn bierkaart.
Wanneer?
Zo snel mogelijk.
‘Ik probeerde jou net op je mobiel te bereiken,’ zeg ik. ‘2 Minuten geleden.’
‘Oh? Nam ik niet op?’
‘Nee, je was in gesprek.’
Waarvoor ik belde.
Om te weten wie er een mobiel bij zich had, van degenen die Ma van ’t vliegveld op zouden halen.
‘Ach,’ reageert Quint, ‘die mensen weten niet hoe ze met een gsm moeten omgaan. & Carel heeft z’n mobiel niet aanstaan als-ie vrij is. “Ja,” zegt-ie dan, “als ik niet aan ’t werk ben, heb ik ‘m ook niet nodig.”’

‘Hoe gaat ‘t?’
Daar beginnen we altijd mee. Kijken wie er ‘t 1st met die zin komt. Die kan dan wachten tot de ander uitgesproken is. & Vertellen zogauw-ie weet wat-ie zelf te melden heeft.
’t Heeft meestal niet veel om ’t lijf.
Een enkele keer is er iemand dood. Of gaat ’t met iemand anders niet zo best. Eigenlijk gebeurt dat de laatste tijd steeds vaker.
‘Oh?’ reageer ik dan.
Ik hoor ’t mezelf zeggen. Licht geschokte toon. Ja, er zijn er nogal wat dood gegaan, de laatste tijd.
Ik heb alleen maar lichaamsklachten te melden. Soms hoe ’t met m’n vriendinnen gaat, wanneer ik op vakantie ga.
‘& Wanneer ben je nou ook alweer in Canada?’
‘Weet je dat nou nog steeds niet?’ zegt ze dan voor de zoveelste keer. ‘Ik heb ’t je allemaal vorige week nog verteld.’

Ik bel m’n moeders nr. Misschien is ze er al.
‘Met Marc,’ klinkt ‘t.
‘Ben jij er?’ zeg ik. ‘Is Ma er al?’
Nee, hij is er sinds een kwartiertje. Carel had gebeld. Ze zijn onderweg.
‘Alles goed gegaan?’
‘Ja, hoor. Ze zijn straks hier. Rond 1 uur.’
‘Oh, dan ben ik al naar m’n werk waarschijnlijk.’
’t Loopt toch altijd uit, denk ik, met zo'n vliegtuig & een autorit.
‘Dan bel je toch,’ stelt Marc voor.
‘Nee, want dan ben ik aan ’t werk.’
‘Ok. Dan zal ik wel zeggen dat je gebeld hebt.’
‘Ja, doe dat.’

Toch maar een interlokaaltje aan besteden vanuit Zijperspace.

help

‘Hai,’ zegt ze.
Ik zeg even niks. Ik moet 1st ademhalen. Dat lijkt niet te lukken. Niet op de normale manier.
‘Ik heb m’n tekst weggegooid,’ gooi ik er dan uit.
‘Wat?’ zegt ze.
‘Ik was klaar met m’n tekst & toen heb ik ‘m op een stomme manier weggegooid.’
Ik loop zenuwachtig heen & weer. Van de deur naar de computer. Daar werp ik een snelle blik op ’t beeldscherm & ga dan door naar de tafel in ’t midden van de kamer.
‘Wacht even,’ zeg ik. ‘Ik ga even naar buiten.’
Er moet meer ruimte om me heen zijn.
‘Doe dat maar,’ zegt ze.
‘Ja,’ zucht ik, terwijl ik de deur van de huiskamer open & door de gang naar de keuken loop.
‘Hoe kan je dat nou doen?’ vraagt ze als ik buiten aangekomen ben.
‘Ik zou een tekst gaan plaatsen & toen deed ik iets verkeerds.’
‘Wat gebruik je? Word?’
‘Ja. Ik deed Control-a om de gehele tekst te selecteren & vervolgens dacht ik Control-c in te drukken om die tekst te kopiëren. Maar toen heb ik waarschijnlijk een verkeerde knop ingedrukt. Control-d of iets dergelijks. Er kwam in ieder geval iets tevoorschijn dat ik vanochtend ergens vandaan gekopieerd had. & De tekst was verdwenen.’
‘Oh!’ zegt ze.
Op de toon van: sufferd. Maar 't klinkt mild.
Ik buk voorover. Hou m’n hoofd voor even vast. Wrijf in m’n haren. Dat hoort erbij als je iets onherstelbaars hebt gedaan, besef ik me. Daarom wrijf ik ook nog maar even in m’n linkeroog.
Jammer dat ze me niet kan zien. ’t Is levensecht. Hier zit de gebroken artiest die z’n manuscript in vlammen heeft zien opgaan.
Als ik dat bedacht heb, bedenk ik me dat ik me niet moet aanstellen & ga rechtop zitten. 1st Nadenken over wat er nu eigenlijk gebeurd is. Perspectief, denk ik, ik moet ’t in perspectief zien. Vraag me tegelijkertijd af wat ik daar nou weer mee bedoel.
‘Afgelopen 2 dagen kon ik niet schrijven,’ zeg ik. ‘Ik wist niet wat. Ik had ’t gevoel dat ik alles al gehad had. & Nou lukte ’t eindelijk, ik was eindelijk klaar & dan gooi ik die tekst zó weg.’
Zo, nou hebben we ’t melodramatische aspect van de gebeurtenis wel gehad. ’t Wordt tijd dat we weer normaal gaan doen, besluit ik.
‘Heb je ‘ongedaan maken’ al geprobeerd?’ vraagt ze.
‘Wat?’
‘Ongedaan maken,’ suggereert ze nogmaals geduldig.
‘Wat is dat?’
‘Da’s een pijltje, een pijltje dat terug wijst. Op de menubalk.’
Ik stommel naar binnen. Dezelfde weg terug als heen. Stoot nu echter tegen de aanrecht & de deurpost aan.
‘Ouwe man,’ denk ik.
‘Ik ben nu weer bij de computer,’ zeg ik gespannen.
‘Bovenin zit er iets van een pijltje. Da’s ‘ongedaan maken’.’
‘Ja, ik zie ‘t. Moet ik die indrukken?’
‘Dan krijg je misschien de oude situatie terug.’
Na wat aarzelen doe ik wat me gezegd wordt. De tekst verschijnt weer.
‘Pff,’ zucht ik. ‘’t Is er weer.’
& Als ik even later ben bijgekomen: ‘Hoe gaat ’t met jouw plannen?’
‘’t Lukt met mij ook niet.’
‘Zit je vast?’
‘Ja, er komt niks uit.’
‘Ah, je hebt de hele dag,’ zeg ik bemoedigend. ‘Maar ik zal je verder niet afleiden. Je hebt vast je tijd nodig.’
‘Ja, da’s waar.’
‘Ik zal wel de hele dag aan je denken,’ stel ik voor.
‘Alsof dat zal helpen,’ zegt ze mismoedig.
‘Dat geeft misschien een positieve uitstraling,’ zeg ik. ‘Ik geloof er zelf ook niet in, maar je weet ’t nooit.’
‘Pf, nou, ik voel ’t waarschijnlijk toch niet.’
‘Dan krijg je een kus.’
‘Ha ha. Omdat we denken dat ’t ene niet werkt, krijg ik maar een kus. Misschien dat dat helpt.’
‘Je hebt er in ieder geval wat aan.’
‘Je moet tegen me zeggen dat ik ’t kan. Dat helpt bij mij altijd.’
‘Volgens mij kan je ’t wel,’ zeg ik krachtig, maar gespeeld.
‘Ja,’ zegt ze.
‘Ik denk dat je ’t kan,’ voer ik de pressie op.
‘Ja.’
‘Ik geloof in je,’ zeg ik nu overtuigd.
‘Ja, mooi. Nu gaat ’t vast wel lukken. Ga ik maar weer verder.’
‘& Je krijgt evengoed ook nog een kus.’
‘Oja, ja.’

Want anders helpt niks in Zijperspace.