vijfzes

5 Broers. Waar er 1st 6 waren. Waar ‘t 1st moeite kostte ze bij elkaar te krijgen.
Ja, op de 40e verjaardag van 1 van ons hadden we opeens wel allemaal tijd. Vreemd genoeg. Er is geen 40e verjaardag voorbij gegaan waarbij er iemand ontbrak.
Nu zitten we om de tafel in Quint z’n zaak. We lallen mee met Batje Vier. Cocktail Trio. Wij voegen 5 stemmen toe.
‘Leve de man die ’t bier uitvond!’
‘Jajajajajaja.’
We laten ze de coupletten zelf zingen. & Vallen bij ’t refrein ijverig bij.
‘Aaaaaaaaaaaal kreeg-ie nooit een lintje van verdienste op z’n borst…..’
We kijken vrolijk, volledig doordrongen van ’t gemis aan Carel.
De vrouwen hebben ons verlaten, de kinderen daarbij meegenomen. & Wij hebben ’t over vroeger. Oude mannen die we zijn.
We praten over waar de gebroeders Renes winkels in ’t verleden zouden hebben gehad. Een gesprek van levensbelang. Voorover hangen we over de tafel.
‘Nee, da’s niet waar.’
‘Jawel.’
De discussies waar diepgang in gestopt wordt.
Er komt iemand bij de jarige Quint zitten.
Een foto, wordt er door iemand gesuggereerd. Want ’t was alweer 12 jaar geleden dat we met z’n allen op de foto zijn geweest.
‘Weet je, die foto hangt hier aan de muur,’ vertelt Quint, ‘& toen Sylvia er langs kwam, barstte ze meteen weer in huilen uit.’
Theo heeft ’t er over dat-ie een ½ jaar geleden had zitten denken weer zo’n foto te organiseren. Met z’n 6-en. Waar vind je nog een gezin met 6 jongens, hadden we toen gedacht. Na 12 jaar mocht er best een herhaling van ’t bevestigend antwoord op die vraag gegeven worden.
We waren alleen te laat. We hadden er niet meer over gepraat. We hadden niet gepraat.
Dus gaan we om de tafel heen. Netjes in een ½e kring.
‘Jan, je glas is leeg.’
Maar die wordt niet meer gevuld. Daarom heffen we ons glas maar niet. Lachen nog ‘ns serieus naar de camera. Er moet wel ernst liggen in ’t feit dat we een historisch moment meemaken. Bovendien weten we als geen ander hoe we in een lens moeten kijken. Als entiteit van 5 broers dan.
Van 6 broers misschien.
& We praten verder. Over onderzoek naar ’t functioneren van ’t hart. Over uitslagen die uitblijven. We praten, tot ook wij weer uit elkaar vallen.

Want ’t uitdijend heelal van Zijperspace is met moeite bij elkaar te houden.

hemarevolutie

Ook in Den Haag, dacht ik, gelukkig ook in Den Haag.
Alsof ik voor ‘t 1st de Hema van Den Haag binnen kwam lopen.
Ik had er al eerder gestaan. Maar dat was inderdaad vooral ‘staan’. Ik vind de Hema lang zo aantrekkelijk niet als Roswitha druk bezig is ’t juiste make-updoosje te vinden.
‘Ze schaffen altijd de dingen af waar ik nou net aan gewend was geraakt,’ hoorde ik haar zeggen, voorovergebogen bij de rekjes met kleurtjes, steeltjes, poedertjes & andere niet te definiëren goederen waar elke willekeurige vrouw in afgestudeerd lijkt.
Ik stond toen op ’t middenpad. Enkele meters verder stond een andere man bepakt & bezakt met boodschappentassen. Amechtig om zich heen kijkend.
Een man wordt daar onzichtbaar van. De enige die hem nog ziet staan is z’n collega-man, ergens verderop in de winkel, in dezelfde functie van wachtend tot de vrouw ’t zich mocht welbevinden verder te gaan. Wij mannen beschouwen in zo’n situatie hoe de ander onhandig bezig is de tassen te herstructureren, de 1 door de armen ondersteund, de ander hangend aan een vinger, een 3e tussen de benen & toch blijkt aan 1 stuk dat zoiets onmogelijk om ’t lichaam te voegen is.
Dit is de jagershouding, waagde ik ’t mezelf te bedenken, alles terugleidend tot ’t oerinstinct van de mens, waar mannen voor ’t vlees moesten zorgen & vrouwen voor de bereiding ervan.
De jagershouding, waarbij de man zich zo onopvallend mogelijk maakt, waarbij alles aan hem voorbij kan trekken, niets ‘m opmerkt, alles & iedereen denkt dat hij toch niets door heeft, om op onverwacht moment toe te slaan. Ter meerdere glorie van ’t voortbestaan van ’t ras.
De mens is verder geëvolueerd via de tak van de minst opvallende mannen, anders had de mens nooit elke dag eten op z’n bord gehad, maar was-ie zelf voortijdig de inhoud van een welgevulde dis geworden.
& Terwijl ik dat midden op ’t middenpad bedacht, schijnbaar in de weg van alle passerende vrouwen, centraler kon ik toch werkelijk niet staan, zo onvermijdelijk dat er wel iemand tegen me op moest lopen, zeker door vrouwen in de Hema, wiens lichaamsbouw geschapen lijkt om de botsing met zo’n onnozele ooit eens niet meer te kunnen ontwijken, terwijl ik dat dus bedacht, liep verderop tussen de schappen herenonderbroeken, waar ik ’t zelf inmiddels ook prettiger toeven vind, zo ver is m’n persoonlijke evolutie ondertussen gevorderd (‘A small step for man, a giant step for humankind,’ schoot ’t door me heen), een parmantig mannetje die duidelijk bezig was onafhankelijk & voor ’t moment vrouwloos te zijn.
Alle blikken wendden zich zijn kant op.
Behalve die van Roswitha, die nog steeds met gekromde rug stond te zoeken naar haar kleurtje dat er niet meer was.
Voor de rest álle blikken.
Ik geloof werkelijk dat ze daarom de Hema hebben uitgevonden, naast natuurlijk de puur symbolische, maar evengoed best lekkere halve warme worst: ’t is een verzamelplaats voor vrouwen, waar ze kunnen dromen hoe ’t mannendom zal reageren op de wijzigingen die zij zich hebben voorgenomen.
Wijzigingen in hun verschijning, wijzigingen in de verschijning van manlief zelf, wijzigingen van de kinderdracht, etc. Dat beramen ze allemaal daar in de Hema.
& Dat brengt zo’n natuurlijke, misschien wel dierlijke atmosfeer met zich mee, dat ik ’t alleen maar prettig vind me daar tussen te begeven.
Men zou kunnen zeggen dat ik daarom een miskleun ben, een kronkel in de weg die de eerder genoemde evolutie in was geslagen, maar ik heb er plezier aan, dus waarom zou ik niet. Ik zal toch niet in staat zijn in m’n 1tje dat hele plannetje van bovenaf in de war te sturen.

Goed, deze minkukel van ’t menselijk bestaan ging dus op gegeven moment allenig de haagse Hema in, liep 2 meter & moest constateren dat ’t gelukkig ook in Den Haag ’t geval was. Bovengenoemde situatie, zeg maar, gezien vanuit de man die niet willoos & doelloos in jagershouding af zat te wachten op niks.
Gesterkt door dit gevoel liep ik dapper door, van plan nog eens lekker te gaan struinen tussen de herenondergoedschappen, me in alle hoeken van m’n manzijn bewust van ’t feit dat nu ík ’t parmantig stappend mannetje was, ik trok m’n pet recht om dat nog eens extra te benadrukken, m’n jaspanden wapperden enkele luchtverplaatsingen over ’t kale rugstreepje van een meisje dat weer niet ‘t make-updoosje in haar kleur kon vinden om vervolgens aan de 1e winkelmedewerkster, die mij letterlijk voor de voeten kwam doordat zij de onderste vakjes met nieuwe goederen aan ’t vullen was, de vraag te stellen waar de mannensloffen waren.
‘Wat?’
‘Waar kan ik de mannensloffen vinden?’ herhaalde ik, duidelijk lettend op de uitspraak van de afzonderlijke lettergrepen van ’t woord.
‘Die hebben we niet,’ zei ’t hoofd van middelbare leeftijd dat langzaam uit ’t bakje van de goedkoopste panty’s tevoorschijn kwam.
‘Oh, ik heb hier anders wel m’n sloffen gekocht,’ loog ik dit filiaal naar die van de amsterdamse Pijp.
‘Ach, dat hebben we altijd maar heel kort.’
O ja, mannen hebben natuurlijk nooit koude tenen, bedacht ik, hooguit in extreme situaties van diepvriezende winters.
Hier staat anders toevallig een exemplaar die te ver is doorgeschoten in de door vrouwen verzonnen emancipatoire revolutie, wilde ik achter de gedachte aan schreeuwen, maar besloot me snel terug te trekken in de richting van de centrale verwarming die Roswitha op dat moment vast op z’n hoogste stand aan had staan.

We koesterden ons in de vrouwelijke warmte van Zijperspace.

slem

Je kent ‘m toch nog wel? Tuurlijk ken je ‘m nog. Volgens mij heb je bij ‘m in de klas gezeten. Moet in de 1e zijn geweest. Later kwamen we ‘m weer tegen, weet je nog, toen was-ie aan ’t blowen. Dag in dag uit. Die ken je toch nog wel?
Lem! Maar we noemden ‘m Slem.
Gingen altijd goede verhalen over de ronde. Was op de lagere school al. Hij was dat jochie met een zeemleren lap aan. Zo’n zwitsers broekje. Hoog opgetrokken. Zeiden je ouders dat ’t jou ook goed zou staan. Jij huilen. Hoefde ’t opeens van je ouders niet meer. Geen 1e communie met een zeemleren lap aan je kont.
Maar later ook, hoor. Altijd goede verhalen. Dat je dacht dat je er in bleef hangen. Op school was-ie degene die op een onverklaarbare manier een knikker in z’n neus vast had zitten. Of ’t krijtje van de kwade leraar in z’n mond geworpen kreeg.
Zei de leraar: ‘Geef dat krijtje terug.’
& Hij zei niks. Hij kon niets zeggen. Dat krijtje zat vast. Hoofdmeester erbij gehaald. Die heeft ‘m zo’n beetje ’t ziekenhuis in geslagen door zogenaamd op z’n rug te kloppen.
Hij deed niks, maar iedereen was kwaad op ‘m. Alle leraren.
Nee, toen later, toen Mariek bij ‘m in kwam wonen. Toen was-ie elke dag stoned. Maar hij zag er nog net zo braaf uit als op die foto, die klassenfoto van jou. Ik weet nog dat we bij jou op de bank zaten & voor je moeder alle namen noemden. & Je vader ondertussen noteren.
‘Is dat Lembert van de Singel?’
‘Ja,’ zeiden wij in koor. ‘Slem!’
& Dan begonnen we meteen te lachen.
Je kon niet anders. Ook niet als Mariek weer vertelde wat ‘m nou weer overkomen was.
Hij had bij alle buren een sleutel achtergelaten, vertelde ze. Alle buren. Maar nadat-ie al elke buur in de flat diep in de nacht een keertje wakker had gemaakt, had de buur naast ‘m gezegd dat-ie voortaan maar tot ’t ochtenduur moest wachten met hen wakker maken. Dat ze best begrepen dat-ie de sleutel niet kon vinden, maar zij hadden ook rust nodig. & De kinderen, of-ie ook ff aan de kinderen wilde denken.
Dus besloot-ie maar om ’t ruitje in te slaan. Zo’n klein ruitje. Wel mooi glas-in-lood, dat wel. Heeft-ie ’t grootste stukje glas uitgekozen & er op geslagen.
Wel zachtjes, vertelde Mariek, hij had wel geprobeerd ’t zachtjes te doen. Want hij wilde die kinderen van de buren niet weer wakker maken.
Toen heeft-ie dus z’n polsen doorgesneden. Kwam met z’n pols in ’t glas terecht. ’t Hele huis besmeurd met bloed. Tot aan de keukenkastjes, waar de handdoeken lagen.
’t Rook er de volgende ochtend zelfs naar bloed, zei Mariek, ze wist niet dat je bloed kon ruiken. Ze heeft ‘m ½ bewusteloos naar ’t ziekenhuis gebracht.
Ach joh, dat je die verhalen helemaal niet kent. Ook van toen-ie ’s nachts een vreetkick had. Van al dat blowen wilde hij soms alleen nog diep in de nacht iets lekkers eten. Dan wilde hij zelfs niet stoppen. Maar altijd vet, hè, altijd vet. Een mayonaisepot, grote maat, was binnen een week op, als Mariek ‘m niet verstopt had op haar kamer.
Was-ie op een keer zo stoned & dronken tegelijk, dat-ie met z’n zatte kop boven ’t gasfornuis in slaap viel. Sjaal in de fik, maar hij had niets door. Mariek vond ‘m met z’n jas & alles aan, maar met een sjaal om die tot vlak bij z’n kin was weggesmeuld. Hij had helemaal niets doorgehad, vertelde hij.
Een week later vond ze ‘m weer op de vloer van de keuken. Wist-ie zich alleen nog te herinneren dat-ie op zoek was geweest naar een brokje stuf dat-ie voor zichzelf verstopt had. Waarschijnlijk was-ie op ’t aanrecht geklommen, vertelde Mariek, want bovenop ’t kastje daarboven stopte hij altijd spullen weg. Bovendien lag de hele inhoud van de kast rondom hem heen verspreid. Al ’t servies. Helemaal in gruzelementen. Ze hebben een week lang uit de pannen moeten eten. Toen kreeg Slem ’t oude servies van z’n ouders.
Je kon ‘t ‘m ook niet kwalijk nemen. Hij had zo’n onnozel gezicht. Dan zei hij ‘Hè?’ & je dacht ’t zelf ook. Hoe kan dat nou? Even daarvoor had-ie nog wat in z’n handen & ’t volgende moment was ’t weg.
‘Hè?’
Maar toen z’n vriendin ’t uitmaakte… O, dat wist je zeker ook niet. Dat-ie op een gegeven moment een vriendin had. Toen ging alles goed. Een tijdje dan.
Maar toen kwam-ie plots bij me, ik stond te werken, of ik soms een kamer voor ‘m wist. Hij kon geen kant op. Z’n vriendin had ‘m er uit gezet. Uit z’n eigen huis. Omdat ze ‘m niet meer kon vertrouwen. & Ja, hij was ook stom geweest. Hij had nooit smack moeten gebruiken. Maar ’t was de 1e keer, weet je, zei hij. Hij had wel trek in nog een keer, dat zei hij ook, maar hij wilde toch zeker z’n vriendin niet kwijt.
& Ik geloofde ‘m, hoor, maar ik kon ‘m toch niet helpen.
Toen hoorde ik later dat-ie zelfmoord had willen plegen. Tijdens een vakantie in Griekenland. Ja, in Griekenland. Hij was er speciaal naar toe gereisd. Wilde eigenlijk niet meer terugkomen.
Denk je, dat is leuk: Griekenland. Mooi, lekker, zonnig, maar juist dan wil die Slem dus zelfmoord plegen.
Heeft-ie een winkelwagentje van een supermarkt mee de berg opgesleept. Moet-ie uren over gedaan hebben. & Toen-ie eindelijk aan de top was, toen is-ie er in gesprongen. Vlak bij een klein ravijntje. Dacht-ie dat-ie daar in zou storten. Roetsjend over de asfaltweg.
Hij ging er naar beneden, met een ongelooflijke vaart. Dat vertelde hij dus, hè. Dat vertelde hij.
Maar omdat-ie zich de weken ervoor uit liefdesverdriet helemaal volgevreten had, brak ’t wieltje af. Onder z’n gewicht, weet je wel.
Kwam-ie stil te liggen voor ’t randje van ’t ravijn. Enkele meters door z’n vaart over ’t asfalt gesleurd. Hele gezicht kapot. & Dat niet alleen.
Maar ’t karretje had ’t wel gehaald. Daar was-ie dus uitgeslingerd. Karretje lag onderaan de berg, onderin ’t ravijn. Vertelde die ziekenbroeder ‘m later dan, hè. Dat vertelde die ziekenbroeder.
Maar hij kreeg na ’t ziekenhuis wel een gratis vlucht naar huis. Dat geloof je toch niet, hè. Komt-ie toch gratis thuis. Áltijd bij hem. Dat geloof je toch niet? Toen is-ie maar weer gaan werken. Want anders werd-ie toch alleen maar dik.

Nooit meer gezien in Zijperspace.

sterretjes

Koolmezen zijn de nieuwe mussen, bedacht ik laatst. Maar door de kleurtjes van hun verenpak is hun aanblik nog wat langer vol te houden.
Dieper komen de gedachten vaak niet, als ik vanachter een ½ gesloten gordijn de activiteiten in m’n tuin in de gaten houd. De vanzelfsprekende merels op de schutting, de kwajongensachtige achtervolgingen van de eksters, ’t domme onhandige gefladder van de duiven, waarbij alles opstuift, & de bijna onzichtbare vluchten die de aan adhd lijdende staartmezen tussen de takken van de bomen door maken.
Ik word naar ’t raam getrokken zogauw ik een beweging zie waarvan de oorzaak niet onmiddellijk te herleiden valt. Een plots schommelen van takken & de flits van een schaduw die schijnheilig achter de 3e tak buiten zicht zich ophoudt, verborgen door een raster van horizontale & verticale lijnen dat, hoewel kaal geschoren door herfst & winter, nog steeds ondoordringbaar is voor m’n blik.
& Ik blijf dan staan.
Ik overweeg nog vaak om een stukje terug te lopen, richting m’n bril op tafel, zodat grijze stippen duidelijk omlijnde grijze stippen kunnen worden. Zodat ik kan zien of de emotie die zich op hun kopje aftekent een lach is of een schichtig omkijken naar wat ik nu weer van plan ben te gaan doen. Want ook al voel ik mezelf verborgen, door dat ene ½e, gesloten gordijn, als in een observatiehut, ik weet dat elk opvliegen, elk wegvluchten, veroorzaakt wordt door weer een te plotse beweging van mij of 1 van m’n ledematen. Misschien zelfs dat ’t wegvallen van een kreukel in m’n kleren alarm doet slaan in die kleine beestjes.
Ik ben in hun ogen ’t woeste onberekenbare monster, maar voel me zelf ondertussen steeds meer een GVR. Een op leeftijd komende gigant, die vertederd kijkt naar dat wat opschrikt van zijn verschijning.
Hoe vaak ik wel niet gedachteloos aan dat alles voorbij ben gegaan. Hoe traag ’t me nu te pakken lijkt te krijgen. & Hoe ’t me tegelijk in m’n bewegingen doet vertragen. Als een oude man kijk ik, steeds meer met een kinderlijk oog. Geduldig & gefascineerd. Bovendien totaal onbekommerd. Niets moet, niets moet moeten, & alles komt vanzelf.
Als de tuin kaal is van afwezigheid, hoef ik me slechts stram te zetten voor dat raam. Er komt wel iets. Is ’t er niet nu, dan is ’t er straks wel.
Ik zie ’t vetbolletje dwarrelen op de wind, buiten de afdeling van ‘t verzorgingstehuis, waar m’n vader de laatste maanden doormaakte. De koolmezen waar de blikken van de aftakelende oudjes naar wezen, ieder op z’n eigen manier, maar de aanwezigheid allemaal onderkennend. De 1 grumblde ‘Kijk’, de ander fonkelde sterretjes in de ooghoeken, bij ’t opnieuw verschijnen van een van aandacht niets vermoedende koolmees.
’t Is ’t niet-vermoeden waar ik wellicht naar op zoek ben. Dat zogauw de winterkoning door m’n tuin struint, spits, hinkend, kruipend onder laaghangende resten van de afgelopen zomer, prikkend & schijnbaar niets vindend, ik elk detail van z’n tijdelijk verblijf in onze gezamenlijke tuin, van hem net zo veel eigendom als van mij, ik ben de tuinman, hij doet de oogst, elk detail steeds weer in me opzuigend.
Ik weet niet hoe vaak & elke keer weer.
& Ik ben de gids als Roswitha, op visite, over m’n schouder met me meekijkt.
‘Dat is…..’ stopt haar stem met wijzen naar een bepaalde deining tussen de takken.
‘…. Een pimpelmeesje,’ vul ik met die van mij aan.
Wat me doet herinneren aan een vaag verleden, toen ’t me niet kon interesseren, de namen, de verschijningen, ’t aanwezig zijn van al dat kleinood. Ach, lang geleden & niet de moeite van erbij stil staan waard.
Ik heb me hun namen verzameld, wacht onbewust tot ik weer met m’n mond vol tanden wordt geslagen, stomheid over ’t ontbreken van een identiteit van een onbekende vogel in m’n hoofd, maar blijf geduldig kijken naar dat wat ondanks z’n bewegingen nooit veranderen zal.

& Ik fonkel me sterretjes in de hoeken van Zijperspace.

vieren

M’n mobiel maakt kenbaar dat er iemand mij heeft proberen te bellen in de tijdspanne dat ik aan ’t werk was.
Kim bevestigt ‘t: ‘Je hebt een bericht.’
Ik loop terug, reik voor haar langs naar m’n gsm & kijk wie ’t kan zijn geweest.
‘Vervelend,’ zeg ik, ‘dan meldt zo’n ding alleen maar welk nr gebeld heeft, niet wie!’
Ik schenk voor ons beide een glas bier, ga vervolgens zitten & bel.
‘Met Quint.’
‘Oh, had jij gebeld?’
‘Ja, dat kan wel. Maar ik weet eigenlijk niet meer waarvoor.’
‘Ik heb Ma vanmiddag gesproken. ’t Gaat nu wel wat beter met ‘r. Weet jij al wat meer?’
‘Nee, ik zou ’t niet weten.’
‘Ik dacht dat ’t iets met een vernauwde halsslagader was.’
‘Ja, tuurlijk weet ik dat. Ik was met haar naar ’t ziekenhuis.’
‘Waarom zeg je dan dat je ’t niet weet?’
‘Omdat ik niet wist waarom ik je gebeld had. O ja, nu weet ik ‘t: kom je nog de 25e?’
‘Oeps, ja. Dan ben je jarig. Wat voor dag valt ‘t?’
‘Op zaterdag.’
‘Dan kom ik wel na m’n werk naar Den Helder.’
‘Wat ik je dus wilde vragen was of je 1 of 2 zinnetjes voor mij kon verzinnen, voor de uitnodiging.’
‘Wat moet er in staan, dan?’
‘Nou ja, dat ’t jaar een beetje rottig is begonnen.’
‘Dat Carel dood is.’
‘Ja, dat ik evengoed m’n verjaardag vier.’

Ik ga weer naast Kim zitten.
‘Je broer,’ constateert ze.
‘Ja, 1 van de overlevenden.’
Ze kijkt geschokt.
‘Mwah,’ wuif ik nonchalant weg, ‘een beetje zwarte humor moet kunnen in deze tijd.’
Ze glimlacht. Dat ze weet dat ik ’t niet zo cru bedoel.
‘Ik moet even een tekstje voor z’n verjaardag verzinnen.’
‘M’n broer is dood. Kom je ook?’ suggereert Kim.

Ik bel m’n broer weer.
‘Quint, ik heb een tekst.’
Ik lees ‘t ‘m voor.
‘Met een komma achter ‘dood’. & Een punt achter ‘leven’.’
‘Is dat niet wat te hard?’ twijfelt Quint.
‘Nee, ’t is precies goed. Ik heb ’t samen met m’n collega Kim verzonnen. & We zijn allebei verschrikkelijk belezen. Bovendien schrijf ik veel.’
‘Ik ook,’ roept Kim vanachter haar glas bier.
‘Kim schrijft ook veel.’
‘Op m’n verjaardag, dus.’
‘Nee, op m’n 40e. Met daarachter een uitroepteken & een vraagteken.’
‘Niet alleen een vraagteken?’
‘Nee, die uitroepteken om te laten merken dat je toch iets te vieren hebt.’

Als ik thuis ben, komt er een mailtje van Quint binnen. De uitnodiging.
Zwart. Helemaal zwart. Stemmig zwart. Op die foto van hem na. & De tekst.
Op de foto moet-ie een jaartje of 5 zijn. Hij draait plaatjes. Langspeelplaten. Met nog een heel oude pick-up.
Boven de foto staat de tekst in ‘t wit.

Ondanks de dood,
vier ik het leven.
Kom je ook op mijn 40ste!?


Ik stuur Quint ook een mailtje. Dat-ie de maand februari als ‘febuari’ heeft geschreven. & Dat 40e beter zonder ‘st’ kan.
‘Verdomme,’ krijg ik terug.

Want dat hadden we ook eerder kunnen zeggen in Zijperspace.

carels laarzen op carels kist

De laarzen van Carel.

Voor de rest zwijgt men vandaag in Zijperspace.

dimensies

‘Hun relatieve snelheid is hoog.’
‘Relatief? Gerelateerd aan wat?’
‘Aan hun grootte, hun omvang.’
‘Je bedoelt dat ze sneller zijn dan bijv een rennende mens?’
‘Ja, als je ’t dus relatief zou bekijken. Een sneeuwvlokje is immers een ½e cm groot. Die legt in een tel enkele malen z’n eigen omvang af. Zoveel zou je een mens niet kunnen zien doen.’
‘Niet uit eigen beweging, nee.’
‘Maar wat me ook fascineert is dat ze een soortement vertaalslag plegen van wat ik me voorstel als een 4e dimensie.’
‘Daar verlies je me ook.’
‘Wind. Kan jij de wind zien?’
‘Nee, lucht is immers doorzichtig.’
‘Behalve als de sneeuwvlokjes erdoor gedragen worden.’
‘Toch vallen de sneeuwvlokjes op de grond.’
‘Ja, een vlokje is ook nog onderhevig aan de zwaartekracht.’
‘Niks geen 4e dimensie dus.’
‘Nou, een klein beetje toch wel? Als je een beetje in zo’n sneeuwbui zit te staren zie je dat die individuele vlokjes helemaal niet zo geneigd zijn om een rechtstreekse weg naar de aarde te volgen.’
‘Ik probeer 't me voor te stellen.’
‘Kijk dan! Neem 1 vlokje in de verte, hoog boven je, in 't vizier & kijk wat voor weg 't aflegt. ’t Maakt soms vreemde bochten, wipt opeens een andere baan in, zo lijkt 't. & Soms stopt ’t ook een kort tijdje met vallen. Alsof 't even zweeft.’
‘Ok, goed. Dat is dan de wind. Maar dat heeft toch niets met een 4e dimensie te maken?’
‘Laat ik 't zo zeggen: ik heb me altijd voorgesteld dat als een bepaald iets in een dimensie minder zit dan die waar wij in verkeren, de 3e dimensie noemen wij die, dan kan zo’n object zich niet voorstellen wat er in die dimensie verder zou kunnen gebeuren. Wat die dimensie überhaupt is. Wij van boven weten dat iets in een 2e dimensie bijv een vierkant is, met lengte & breedte.’
‘Ja, & 1-dimensionaal is iets dat alleen lengte heeft. Zo kan ik me ong nog uit bepaalde wiskundelessen herinneren. Die leraar heeft ’t nooit over een 4e dimensie gehad.’
‘Omdat 't voor een scholier waarschijnlijk te ongrijpbaar wordt geacht. Je kunt er niet zo snel sommetjes mee maken.’
‘Ja, je kunt wel de inhoud van een kubus berekenen door gebruikmaking van de x-, de y- & de z-as.’
‘Dat weet ik zelf ook niet meer zo goed. Zou kunnen. Maar ik bedacht me dus dat er natuurlijk ook een dimensie moet zijn buiten die van mij om. Daar hebben ze 't tegenwoordig toch wel vaker over?’
‘Ja, ik heb die film ‘The 5th Dimension’ nog gezien.’
‘Ik niet. Maar met m'n lekenogen kijk ik dan toch naar die sneeuwvlokjes die door de lucht dwarrelen, tegengehouden & opgestuwd worden, losgelaten ook door de wind & vervolgens overgeleverd raken aan de allesvernietigende kracht van de zwaarte der dingen tov de aarde. & Dan denk ik dat ik de wind kan zien. Of eigenlijk de krachten van de gassen die in de lucht zitten & met z’n allen tegelijk alle kanten op bewegen. Daar beïnvloedden ze de vlucht van de sneeuwvlok mee.’
‘& Wij zien dat dan. & Daardoor krijgen we een dimensie extra in beeld?’
‘Ja, omdat de lucht in onze ogen eigenlijk oneindig is. Niet alleen in onze verbeelding, maar ook daadwerkelijk. De lucht om ons heen wordt niet beperkt door lengte, breedte, hoogte. Dat houdt niet op om 't hoekje van 't rijtjeshuis. 't Gaat zelfs ver voorbij ’t einde van de dampkring.’
‘Jij hebt dus nog wat aan een sneeuwbuitje. Jij leert er beter van kijken.’
‘Wat me dan vooral opvalt, is dat bij die relatieve snelheid dat sneeuwvlokje, of eigenlijk al die sneeuwvlokjes, ik heb ze nog nooit een botsing zien maken. Dat probeer ik dan te begrijpen in de volgende dimensie.’
‘Je bent gek.’
‘Nee, hoor. Je moet maar 'ns goed kijken. Zie jij er een ziekenwagensneeuwvlok tussen om de gewonden af te voeren?’

Ze bleven nog een tijdje turen naar 't oneindig Zijperspace.

laarzen

‘Hoe oud was je broer eigenlijk?’ vraagt Max.
‘1 Jaar ouder,’ antwoord ik.
1 Jaar ouder. Nu hij dood is, keer ik terug in m’n jeugd. Beleef z’n waarde opnieuw aan de positie die hij tegenover mij had. Altijd de 1 jaar oudere broer. Gelijk, maar hij net ietsjes meer.
Vanzelfsprekend. Hij had net iets meer ervaring. & Een jaar op jeugdige leeftijd leek toen een eeuwigheid. Ik kon me niet voorstellen ooit net zo oud als hem te worden.
De nieuwe broek was de broek die hij vorig jaar had gedragen. De lerares de lerares die eerder voor zíjn klas stond. M’n 1e boek de kinderbijbel die hij voor z’n 1e communie kreeg.
Ik besef ’t me, als ik Max antwoord geef. Ik besef ’t me steeds vaker als men mij die vraag stelt. Dat 1 jaar ouder op 41 reeds vervlogen jaren niet zo veel meer voorstelt.
’Hij was 42,’ voeg ik er dus aan toe.
‘God zeg,’ verzucht Max. ‘& Jullie hadden natuurlijk een uitvaart? Met muziek? & Mensen die een stukje tekst voorlazen?’
‘Ja, dat was wel mooi.’
Ik wil verder gaan. Ik wil Max vertellen wat er allemaal gebeurde. Welke muziek. Welke teksten.
Maar ik zie tegelijkertijd dat Max al in z’n eigen belevenissen woelt. Hij heeft m’n antwoord niet eens gehoord.
‘Ik heb 1 keer een uitvaart meegemaakt, dat was toch indrukwekkend…’ begint Max.
Ik wil nog zeggen dat ik m’n verhaal nog niet af heb, dat ik bezig was antwoord te geven, maar zie dat ’t weer eens geen zin heeft bij Max. Hij hoort zichzelf terwijl hij naar je luistert.
‘Daar was helemaal geen muziek,’ gaat Max onverstoord verder. ‘Geen toespraken. Helemaal stil.’
Hij houdt met 1 hand ’t rekje t-shirts vast. Een oude man, die Max. Als wat hij vertelt emoties oproept, dan moet-ie zich vast gaan houden.
‘Dat was een jongen die ik nog van vroeger kende,’ vertelt Max. ‘Hij had me ooit gezegd dat hij in 1 klap rijk wilde worden. Toen was-ie geld gaan vervalsen in Spanje. Maar de vrachtwagen waar ze al ’t valse geld in hadden verzameld, die reed tegen de rand van de schuur aan. Toen scheurde een zak & heeft de boer de politie gebeld.’
’t Zijn wel spannende verhalen die Max bij tijd & wijle voordraagt. Hij weet je daarmee in te pakken door ze ruimschoots met armbewegingen & uithalen van z’n stem aan te kleden.
Mijn stem stond echter nog op monotoon. Een laag register. In mijn verhaal zou ik geen hoorbare emoties gelegd hebben. Nuchtere constateringen die de momenten na Carels dood moesten illustreren.
Ik laat ‘m toch doorgaan.
‘Na 2 jaar kwam-ie vrij. Kreeg-ie een spaans vriendinnetje. ’t Ging wel goed, geloof ik. Tot dus midden op een spaans plein z’n keel doorgesneden werd. Bleek-ie in 1 of andere drugssmokkel betrokken te zijn. Toen die begrafenis, o joh, je weet niet wat je meemaakt. IJzig stil was 't. Ze hebben me nog wel uitgenodigd voor een maaltijd, die middag. Heerlijk was dat, zo goed gegeten!’
Bij de laatste zin laat-ie met beide handen, op een gegeven moment had-ie z’n rechter voor extra ondersteuning aan de linkerhand toegevoegd, ’t rekje los & maakt een gebaar van hoe lekker ’t eten wel niet was geweest.
‘Hoeveel mensen waren er eigenlijk?’ vraagt Max meteen daarop.
‘Zo’n 500,’ zeg ik.
‘Wat?’ gilt Max.
Ongelovig kijkt-ie me aan. Ik trek m’n vanzelfsprekend-gezicht. ’t Zou niet anders kunnen, m’n broer had minder aandacht niet verdiend, probeert m’n blik uit te drukken.
‘Was jouw broer beroemd dan? Dat kan toch niet, dat iemand zoveel mensen kent.’
‘2 Dagen ervoor hadden we een herdenking op z’n werk. Daar waren ook al 200 man op afgekomen.’
Ik zeg ’t droog. Alsof ’t informatie is die er niet toe doet. Ik mag ‘t van mezelf ook niet belangrijk vinden. Maar iedereen die ik over Carel spreek, heeft ’t van me te horen gekregen. De dood van m’n broer is 700 mensen groot. & Ik tel er nog wat puntjes bij van mensen die slechts op de condoleance kwamen.
‘Was ’t de broer met die puntige schoenen?’ vraagt Max plots weer belangstellend.
‘Ja, die,’ bevestig ik. ‘Toen we ‘m de kist in deden moesten we z’n laarzen er in persen. ’t Paste nog net. & 1 Paar laarzen stond bij de uitvaart bovenop z’n kist.’
‘Oh, die broer van jou had zulke mooie laarzen!’ verzucht Max.

Maar ook laarzen branden in Zijperspace.

overzicht

Ik schakelde de telefoon uit. Keek om me heen. Naar alles wat op de grond lag.
Ik begon al orde te scheppen in de chaos daar op de grond. Ik verwijderde in gedachten losse spullen, verzon een open plek waar ik de noodzakelijke bagage zou kunnen leggen.
Ik wreef in m’n haar. Nog zó veel, dacht ik.
Ik wist niet wat dat zo vele moest vertegenwoordigen. Ik wist alleen dat ’t veel was. Heel veel. Van hier, dit moment, tot ergens verderop. Een ongedefinieerd punt in de toekomst.
’t Gesprek met Roswitha was net afgelopen. ’t Schoot me weer te binnen dat ze had gedacht dat m’n moeder dood was.
‘Nee, m’n broer,’ had ik door de tranen heen nogmaals gezegd.
‘Oh, ’t klonk als “m’n moeder”.’
‘Nee, Carel! Maar ik was misschien niet meer te verstaan.’
Toen had ik even geslikt. Gehikt. De adem weer in ’t rechte spoor gedwongen. Een hand langs m’n neus. Een ordinaire slurp klonk bij die beweging uit m’n neus. & Ik had de hoorn gewoon voor m’n mond gehouden, ongegeneerd.
Ik had slaperige tranen aan de andere kant gehoord. Blij dat ’t m’n moeder niet was, treurig dat ik m’n broer kwijt was.
‘Mevrouwtje, ik moet nu ophangen,’ had ik gezegd. ‘Ik kan zo weer gebeld worden.’

Om overzicht te krijgen, om ’t einde te kunnen zien, begon ik spullen bij elkaar te verzamelen. 1st M’n rugzak, als centrale punt, waar alles in terecht zou moeten komen straks.
’t Kleine rugzakje, die voor dagelijks gebruik, pakte ik uit. Helemaal op z’n kop. Deo, lippenzalf, pen, zakdoeken, boeken, brillenkoker, alles viel er uit.
& Ondertussen dacht ik er over na wie ik nu zou bellen.
Alles op een rijtje.

Quint.
‘Godverdomme,’ zei Quint.
‘Ja,’ zei ik.
‘De klootzak.’
‘Ja,’ zei ik.
‘Godverdomme, hoe kan-ie dat doen, zomaar doodgaan?’
‘Ga jij straks langs Ma om ’t te zeggen?’
‘Ja. Marc komt er zo aan. Dan gaan we samen.’
‘Oh, Jan heeft Marc uiteindelijk kunnen bereiken.’
‘Nee, ik had ‘m te pakken.’

Ik pakte onderbroeken. Telde hoeveel dagen ik weg zou blijven om de hoeveelheid te bepalen.
M’n broer was nog geen ½ uur dood & ik wist al hoe lang ik nodig zou zijn. Ik wist ook hoe vaak m’n moeder de was zou doen, zodat ik niet te veel mee hoefde nemen.
M’n moeder wist nog niets, Quint zat nog in 't centrum, wachtend op Marc, maar ik wist wel dat ze de komende dagen de was voor me zou doen. Dus 3 t-shirts moesten genoeg zijn. Voor de zekerheid een paar extra met lange mouwen.
Ik bedácht ‘t. In gedachten gingen m’n armen al opzij, reikend naar de spullen die in de rugzak moesten. De t-shirts die op m’n bank lagen uitgespreid. Er moest veel zwart tussen zitten, wist ik.
Maar ondertussen ging de telefoon ook gewoon verder.

Jan weer.
‘Ik kan Theo niet bereiken.’
‘Kan je z’n buren niet bellen?’
‘Nee, lukt niet. Ik zat te denken de politie in te schakelen.’
‘Is dat niet overdreven?’
‘Dat deden ze laatst ook bij een collega van me.’
‘O, ja. Doe ’t dan maar.’

Stapeltjes.
Onderbroeken.
T-shirts.
Sokken.
1 Broek. Zwart. Groene broek aanlaten.
Boek. Toch maar wel.
Medicijnen.
Sloffen. Straks, op ’t laatste moment. Nu had ik ze nog aan.
1st Kijken hoe laat de 1e trein zou gaan.

Ik probeerde Theo te bellen. Er werd nog steeds niet opgenomen.
’t Was al een uur geleden. & Hij wist nog van niks.
Hoe zou ’t met Ma zijn?

Quint opnieuw.
‘Ja, ik zit bij Ma.’
‘Geef ‘r maar.’
‘Met Ma.’
‘Gaat ‘t?’
‘Ja, ’t gaat. ’t Is wel verschrikkelijk. Maar tante Bep is er nu.’
‘Je moet zo naar Carel, Ma.’
‘Ja, maar Quint heeft gedronken. Die kan me niet brengen.’
‘Kan tante Bep je dan niet brengen? Geef me Quint ‘ns.’
‘Ja?’
‘Quint, kan jij niet aan tante Bep vragen of die Ma naar Alkmaar brengt?’
‘Ah, joh. Dat kan anders morgen toch. We kunnen er nu niets meer aan doen.’
‘Nee, ze moet zo snel mogelijk naar Carel. Geef tante Bep anders maar.’

Ik ging douchen. Ik wilde schoon zijn voor vertrek.
Nog 1 uur, dan zou de 1e trein vertrekken. Op de grond lag alles dat voor 5 dagen weg nodig zou moeten zijn. Overzichtelijk. Ik had geen enkele fout gemaakt. Straks m’n sloffen uit & alles was compleet.

Zijperspace beheren is overzicht hebben.

carel's leven

Onderstaande is het in memoriam dat m'n broer Theo uitsprak op de uitvaart van Carel.

Op 17 maart 1963 werd Carel als 3e zoon van Anny en Nico in Den Helder geboren. Carel, onze parel was een koosnaampje dat Pa nog wel eens gebruikte, dat direct gevolgd werd door de opmerking dat zijn andere vijf zonen hem even lief waren. Afdeling Kinderbescherming stond nog in de kinderschoenen toen Carel, omdat hij daar zo rustig sliep, in de donkere badkamer te slapen werd gelegd.
Carel had wat met bijzondere lichamelijke ongemakken. Als driejarige viel hij uit bed en brak zijn 1e sleutelbeen. Dit zou zich nog twee keer herhalen, we laten hier in het midden of dit onder invloed van drank gebeurde. Ook had Carel last van een lui oog, waarvoor hij een lapje moest dragen. Op basis van deze oogkwaal zou hij later afgekeurd worden voor militaire dienst.
Hobby’s in zijn jeugd waren het houden van een paludarium, fokken met woestijnratjes, kanovaren, de padschijterij, Minitrix en luisteren naar de Dik voor Mekaar Show.
Na de lagere school en een kort verblijf op de MAVO, waar hij met tegenzin heenging, begon Carel op de LTS. Stiekem roken in het handarbeidlokaal en andere lichte vergrijpen leidden tot schorsingen van een dag. De LTS lag Carel wel, want daar kon hij zijn handen goed gebruiken. Een technische achtergrond waar hij later met zijn familie veel van zou profiteren. In die tijd begon hij bij de Mannen van Renes, dé doe het zelfzaak destijds van Nieuw Den Helder. Na afloop van het werk dikke pret en natuurlijk een biertje.
Carel belandde op de INAS en kwam daardoor in de krant als enige jongen tussen al die meiden. Daartussen voelde hij zich als een vis in het water. Met conciërge Joop kon hij zich daar goed handhaven. En met Joop deed hij nog meer dingen zoals hardlopen, voetballen en nog een biertje drinken. Uitgaan deed hij in de Postbrug waar hij zijn muzikale smaak kon opleggen aan het lamgeslagen publiek.
In 1982 startte hij de Z-opleiding bij Noorderhaven, werk waar hij tot aan zijn dood aan verbonden zou blijven. Ook daar werd wel eens na afloop van het werk uitgegaan. Zou hij de rekening bij Veul ooit betaald hebben?
Hij ontmoette op Noorderhaven Franchette die daar in de flat woonde. Haar 1e reactie was: die knul moet ik hebben! Carel ging het ouderlijke huis uit en woonde in bij Rob en Anja. Franchette bleef daar af en toe slapen, totdat zij besloten te gaan samenwonen in de Diaconiestraat.
Na enige jaren verhuisde het stel naar Alkmaar. Zij bevestigden hun liefde voor elkaar door hun huwelijk op 19-9-1991. Carel en Franchette zagen elkaar echter altijd als maatjes. Hun bruiloft werd op bijzondere wijze in Koedijk gevierd.
Zij kregen samen twee dochters, Lola en Billy. Vol trots liet Carel dierentekeningen zien die hij met Lola, aan de hand van een boek, had gemaakt. Of hij showde de resultaten van zijn laatste verbouwing, de ouderlijke slaapkamer. Hij bekende daarbij eerlijk dat hij het verlaagd plafond dicht gewerkt had zonder dat hij de stekker van de inbouwspotjes had aangesloten. Even viel hij dan van zijn technische voetstuk. Met Marc en Rob deelde hij een fascinatie voor de geschiedenis van de 1e wereldoorlog. Hij las hier veel over en bezocht slagvelden en loopgraven.

Carel kon op Noorderhaven zijn visie en idealen kwijt. Vol trots vertelde hij over zijn belevenissen met bewoners, tijdens bijv. huifkartochten, het kanovaren in de Ardennen, of skivakanties die hij samen met zijn collega ’s had georganiseerd. Afstand naar zijn bewoners was er niet. Hij benaderde hen als medemensen, als vrienden. Vrienden die hij ook meenam naar huis of de Postbrug, of die met hem en Rob gingen vissen. Biertje erbij natuurlijk. Vaak ving Carel dan net een visje meer.
Hij volgde de HBO-J en andere opleidingen waardoor hij binnen Noorderhaven verder kon groeien. Hij werd teamleider en werd betrokken bij de toekomstplannen voor deze instelling. Aan de verhalen die woensdag naar voren kwamen tijdens de herdenkingsbijeenkomst op Noorderhaven bleek dat dit een tweede thuis voor hem was. Hij was bij velen bekend en geliefd. Dat doet ons goed om te horen. Hij laat daar een leegte achter.

Ook bij ons is die leegte een feit. Wij zijn overdonderd, zijn in alle vroegte op de zondagochtend uit ons bed gerukt en met de keiharde realiteit geconfronteerd. Carel is er niet meer.

Carel bedankt!

Anders zou 't niet compleet zijn in Zijperspace.

even langs carel

Onderstaande is de toespraak van m'n oudste broer Jan op de uitvaart van Carel.

‘t Is nu 137 uur geleden. Zaterdag om ongeveer 17.00 stapten wij, Jan, Lenie, Jana en Luka bij Carel, Franchet , Lola en Billy over de drempel om mekaar weer ff te zien en bij te klessen. Ze schoten vanuit liggende stand ieder op hun eigen plek op de bank omhoog. Een zeldzaam heterdaadje: Want moe van een intensieve week gezin en werk managen en van die dag: shoppen en kleren kopen met Billy en uiteindelijk deden het lezen van de zaterdagbijlage van de Volkskrant en de bijbel van toeristisch Toscane de ogen dicht om even weg te zeilen. Dus opstaan en zoenen .
‘Koffie?’ vroeg Carel en was alweer in actie en showde trots en passant de thermostaat van de nieuwe verwarming. De meiden lagen op de grond te spelen en gingen samen met Luka en Jana door met hun dingen. De monden begonnen; de draad werd weer opgepakt na een kleine rimpeling, een goede relatie is er immers een met rimpels. Ik zag aan de blik van Carel dat hij net zo blij was als ik toen de koffie op was en dus de Duvel uit de doos kon. Het niveau van de avond kon naar hogere hoogten stijgen. Carel zette weer in met de zin: ‘Ik ga van de week ff boeken’ en liet me een Toscaanse gids zien, wees op een kaartje aan waar de reis naar toe zou gaan. Ik was ff uit het veld geslagen, zat nog over ijs en schaatsen te mijmeren. Carel was niet vies van een vakantieblikje vooruit, kennelijk een genenkwestie, onze vader had het ook, alle vrije dagen omzetten in een reisje, een uitlaatklep, eigenlijk een ontspanklep.
Zo zeilden en wapperden we van het ene lichte naar het andere zware onderwerp. Onze overleden pa en oma Zijp, uiteraard muziek, lief en leed van de buren, het konijn, de steiger voor in de sloot, zijn gebroken vinger en zijn griepje. De duvels en rode wijn werden vlotjes geleegd. De oven ging aan en de pizza’s werden warm. Geen blik op de klok, geen gesprek ging over werk, ja 1: ik had een opdrachtje voor een activiteitenkalender voor Frans. Ongedwongen gezellig, eigenlijk een soort vakantiegevoel. De ontwikkelingen van de kinderen passeerden en eindigde zelfs in een echte revue.
Billy met swingbillen en wiegende heupen deed K3. Lola en de trotse ouders vertelden over de moeilijke maar moedige beslissing van Lola voor haar selectie van gym. Dat leverde haar een mooi cadeau op. Tot verbijstering van in ieder geval ons, misschien ook Carel, deed Franchet een heuse en goede driewijnopspagaat. Carel kon niet achter blijven ging op zijn relaxt op zijn handen staan en deed met Lola een aantal gymnastische oefeningen die een circusact waardig waren. Toen hij echter dezelfde act met 2 keer Lola in gewicht: Luka wilde ondernemen, was hij minder in vorm en mompelde hij iets over kramp.
Ik deed de vorkheftruc en Lenie werd een springkussen voor Billy.
Dikke pret en zelfs praatje poep kwam nog om de hoek door een mopje op een briefje uit de kontzak van Carel, van een lieve man die ze tegen waren gekomen tijdens een hapje ergens in Alkmaar.
Om negen uur stortte Billy in en Carel bracht haar naar bed. Zoenen en op de valreep kwam Carel nog snel naar buiten en zag ons in de nieuwe auto stappen. Ja, daar hadden we het nog niet eens over gehad, de tijd was weer als zand door onze vingers geglipt.

Waarom al deze details?
Eigenlijk gewoon een momentopname, een inzage om te laten zien en blijken hoe je als mensen met elkaar omgaat of om kan gaan. Een onbewuste demonstratie van een het rijke mooie, tevreden en gewone leven wat we leiden. De kern van de zaak.

‘t Is nu 127 uur geleden. Telefoon gaat, ik lig voor Pampus, maar hoor de telefoon beneden, reageer, vlieg naar beneden. Stront aan de knikker ergens, denk ik. Kom net te laat. Als ik net zit, verscheurt hij de stilte alweer, vage stem, buurman Frank van Carel: ‘’t Gaat niet goed met Carel. Ze zijn nu met hem bezig. Kom je hier naar toe?’
Meer weet ik niet precies, ik heb kennelijk al wat geroepen/geschreeuwd en hierdoor staat Lenie al naast me. Jana en Luka stommelen al naar beneden . Zweet breekt me uit, wat gebeurt er? Wanhopig kleed ik me snel aan, Lenie praat op me in dat ik zo niet alleen kan rijden en gaat mee. Langste rit naar Alkmaar ooit, eindelijk zien we de kleine mercedesambulance staan en Frank. Auto staat stil, deur open, Frank doet zijn mond open en ik voel en vrees wat hij gaat zeggen. Carel is overleden. Bibberend naar binnen, Franchet zien en vasthouden is het belangrijkste, verslagen Franchet brult ‘We zouden samen oud worden’ en bibberende fragiele Lola vertelt van 112 bellen en de hoop dat het weer snel licht mag worden. Verpleegkundigen vullen de laatste zaken in. ’t Gaat allemaal zo snel en onwerkelijk. We gaan naar boven, zien Carel liggen, vredig en rustig. Ik voel agressie naar Carel. Billy slaapt nog. Begrijp het niet.
Als eenvoudige boswachter pretendeer ik te weten hoe natuurwetten werken, maar ik heb het leven en de dood nog nooit zo intens, plotseling en onbegrijpelijk naast elkaar en zo dichtbij zien bewegen.
Ik was blij, belachelijk, dat ik mocht gaan handelen, dat ik mocht delen, bellen met familie om 3.15 uur valt niet mee en hoe vertel je het je moeder en hoe vangen we Franchet en de kinderen op.

Het is nu. Ik praat en lees. Carel in de kist. Carel onze parel. Een mooi afscheid op Noorderhaven, een bijna gezellige condoleance. Heel veel mensen. Ik heb continu lopen denken: herinneringen, over de verslagenheid van iedereen, het vele verdriet, het gemis, de buren, de collega’s, de toekomst zonder Carel en vooral Lola, Billy, en schijnbaar sterke Franchet, blij zelfs dat onze dierbare doden dit niet hoeven mee te maken.
Ik dacht ook constant in zinnen, zinnen zoals ze nu hier staan.
Carel pakte graag een duvel en de duvel hoefde Carel maar een keer te pakken. Daar moeten we de rest van ons leven mee leven. Daarom een welbekende uitspraak van Snuitje de partner van Snuf uit Pipo de Clown. Een mooie parel, fijne parel. Het klopt en is van toepassing op Carel.
Ik vind het echter tijd dat voor nu en voor altijd Carel gepromoveerd moet worden tot diamant.
Diamonds are forever.

Dat was zoals Jan sprak in Zijperspace.

carel was

’t Is nu net zo stil. Behalve dat er muziek klinkt.
’t Was altijd al zo dat Marc 6 jaar jonger was, Jan 6 jaar ouder. Maar nu sta ik daadwerkelijk tussenin. 2 Boven me, 2 beneden me.
Dat maakt me duizelig. Vooral ook omdat ’t niets te betekenen heeft. Alsof ’t wel iets wil zeggen tegelijkertijd.
Ik ben nr 3 nu.
Meer verantwoordelijkheid.
Hoe ik vraagtekens haat die daar achter aan zouden kunnen komen.

Ik probeer op de maat van een stukje muziek m’n hoofd opzij te bewegen. De pijn houdt me tegen.
Weer net iets te veel. Als vorige week. Dat was de reden waarom ik wakker was. Klaar.
‘Ik wilde nog tegen Jan zeggen: “Ik ben er helemaal bij.”’
Ik ben er helemaal bij. Alleen die kop wil niet voldoende.
Ik probeer m’n hoofd de andere kant op te bewegen. Misschien dat de pijn er dan uitgeschoven wordt.

Vorige week had ik geen reden. Behalve dat ik voor ‘t 1st er weer uit mocht. Medicijn was uitgewerkt, mensen zouden geen last meer van me hebben.
Ach, ik weet ‘t waarom al niet eens meer waarom ik toen zoveel gedronken had. Gister is alweer 7 dagen voorbij. Alles staat op een tijdlijn van een week geschreven, maar de details zo helder als in een weergave van een uur.
Ik heb een documentaire geknipt van belangrijke gebeurtenissen. Ik ben vergeten de data erbij te noteren.
In films gaan ze niet naar de wc, gaan ze niet elke dag slapen. Ik sla dat ook over als ik terugdenk.

Dat ik niet kan lezen.
Dat ik de moed al opgegeven heb een boek ter hand te nemen.

Vorige week keek ik een film. Ik durf niet te kijken welke dat was. 6 Dagen heeft ’t geduurd voor ik de computer waar de film op stond weer aanraakte. Ik weet ’t aan de tijd die ’t nam om thuis te komen.

Toen ik met hoofdpijn wakker werd. Stierf Carel.
Sindsdien word ik alleen nog maar wakker.
’t Is een blok van slaap, & dan sta ik op.
Ook al probeer ik ‘t, er is geen onderscheid. Ik weet dat ik wakker ben. Geen voor, alleen maar na.

Ik vraag nog aan Roswitha: ‘Hoe lang geleden is ’t nou?’
Ik was de tel alweer kwijt. Zo compact als de tijd kan zijn.
Pas toen ik thuis kwam, was er weer een volgorde. De volgorde der dingen, de dingen die in een perspectief gezien konden worden.
Ipv 3 weken begreep ik dat ’t slechts 2 weken was.

’t Verschil met m’n broers is kleiner geworden. Groter tegelijkertijd. Ik zit nu tussen hen in. Met ergens een gapend gat.
’t Krimpen & uitdijen van ’t heelal. ’t Is maar net waar je je hoofd houdt.

Ik zeg tegen mensen dat ’t beter gaat. Ik ga morgen weer aan ’t werk.
‘Je stem klinkt zwaar,’ zeggen zij.
‘Ja, als Johnny Cash,’ waarna ik ‘m nog even door hun buik laat trillen.
Ik weet dat ik dat kan. Ik ben genezen, zo goed als, & er is weer ruimte voor m’n stembanden.
Ik weet dat als ik zing, meezing met de muziek die momenteel klinkt, Carel me zou kunnen horen.

Nog even. & Hij is dood.

Dan is-ie was in Zijperspace.

carel is uitgevaren

Onderstaande heb ik gister voorgelezen bij de uitvaart van Carel. Om de leesbaarheid te vergroten een lichtelijk aangepast versie van een tekst dat ik 1½ jaar geleden al geplaatst heb. Het origineel staat hier.
Tijdens de uitvaart werd er veel muziek gedraaid, waaronder het nr 'You are the everything' van REM. Hét nr van 't huwelijk van Carel & Franchet. Het schalde luid door de zaal waar de plechtigheid zich toentertijd voltrok & ook gister vulde dit nr de gehele ruimte van 't uitvaartcentrum. 500 Mensen stil tegelijkertijd.
Zet de knop dus op extra hard als je op deze link klikt.


In de verte zagen we een groepje aan komen lopen. Een meisje uit de groep draaide er om heen. Ze hield haar hand vreemd hoog. Ze rende, schreeuwde, maakte buitelingen, terwijl haar hand iets leek vast te houden.
Carel en ik zaten in de duinen. Verborgen tussen enkele pannen. We waren al enkele malen naar beneden gekletterd, onze broekzakken zaten vol met zand, hadden elkaar nagejaagd, een kuil nog dieper dan de duinpan gegraven om zo een bunker te verbeelden, van waaruit we de vijand konden aanvallen, we hadden rondgerend, waren stervend achterover van de helling gevallen, en daarbij Carel nog levensechter dan ik.

‘Als je je vingers om je ogen doet,’ zei m’n broer, ‘dan kan je verder kijken.’
Hij krulde z’n duim en wijsvinger tot ronde gaten, vormde een koker van de andere vingers en tuurde door deze verrekijker naar het rondhuppelende dametje. Ik volgde zijn voorbeeld en had zodoende het te bespieden object duidelijk in het vizier.
‘Zie jij al wat?’ vroeg ik mijn broer.
‘Ja, volgens mij heeft ze een geheim wapen bij zich.’
Zijn verrekijker was natuurlijk weer van betere kwaliteit. Ik was immers het jongere broertje.

Het groepje hield halt. 100 Meter van ons verwijderd. Wij konden daardoor zien wat er gebeurde.
Ze spreidden enkele doeken uit en gingen er op zitten. Het meisje bleef nog steeds met haar hand omhoog rondhuppelen. We konden haar nu horen.
‘Ho, Bruno. Stoppen. Ga maar even zitten. Zo, rustig. Kalm. Kijk eens wat ik voor je heb. Een grote kluif. Goedzo. Brave Bruno.’

Ik rapporteerde zachtjes mijn bevindingen aan mijn broer.
‘Het is geen geheim wapen, Carel. Volgens mij heeft ze een hond.’
Hij sprak mij tegen.
‘Nee, geen hond. Want ik zie geen hond.’
Hij had gelijk.
Toch hield zij nog steeds haar hand hoog, alsof ze een reuzenhond aan de lijn vasthield.
‘Ik probeer stiekem verder te kruipen,’ zei Carel. ‘Dan bespied ik ze vanaf de volgende heuvel. Blijf hier.’
‘Nee, ik wil mee.’
‘Dat kan niet. Jij moet de bunker verdedigen.’
De bunker was een magisch woord. Verdedigen was een plicht. Dus bleef ik. Mijn broer was immers commandant.

Het meisje bleef doorgaan. Ze rende, ogenschijnlijk een hond naast haar aan de lijn. Ze stopte. Gooide een stok. Die blijkbaar ook nog werd geapporteerd.
‘Oh, Bruno. Brave hond.’
Volgens mij had ze toch een hond. Een onzichtbare hond. Ik zou het Carel straks vertellen.
Verveeld van het kijken naar niets ging ik bij onze niet-bestaande bunker zitten. Ik stapelde kleine stukjes hout tot een piramide, om me aan denkbeeldig vuur te warmen. Ik had geen lucifers.
Tot Carel me weer kwam opzoeken.
‘Ze is gek,’ zei Carel.
‘Ja, want ze heeft een hond die niet bestaat,’ reageerde ik.
‘Zullen we naar huis gaan?’ vroeg Carel verveeld.
‘Ja, ik heb honger.’
We kwamen tevoorschijn uit onze schuilplaats. Denderden gillend als woeste soldaten de duinhelling af. Zandverstuivingen veroorzakend.
‘Hé, Marijke,’ werd er vanuit het groepje naar het meisje met de hond geroepen, ‘doe nou even normaal en kom erbij zitten.’
Ze had opeens geen riem meer. Misschien een heel klein hondje nog maar. Die konden we net zo goed niet zien toen we voorbij de groep kwamen lopen.
‘Ze is gek,’ fluisterde Carel.
‘Hartstikke,’ zei ik.
We begonnen te rennen om vlugger thuis te zijn.

Bijna zonder stotteren weerklonk 't in Zijperspace.

carel is in memoriam

‘Hoi Theo, kan jij misschien wat scheerschuim meenemen als je deze kant op komt? Ik heb wel een scheermes meegenomen, maar de schuim ben ik vergeten.’

‘We moeten straks ook maar boodschappen doen, Mam,’ zeg ik. ‘Dan zijn we er even uit.’

‘Ga jij maar douchen,’ zegt m’n moeder. ‘Om ½ 10 komen de jongens. Neem gelijk deze stofzuiger mee naar boven, wil je.’
‘Zo, die is zwaar.’
‘Ja, deze zuigt beter dan die boven staat. & Vanwege ’t gewicht laat ik ‘m gewoonlijk dus beneden staan.’
‘Gelijk maar profiteren van mijn aanwezigheid.’

‘Theo, had jij die scheerschuim nog meegenomen? Dan kan ik meteen door.’
‘Hier. ’t Is italiaanse schuim. Met eucalyptus. De beste die er is.’

‘Jan is er nu ook, Ma. Ik hoor ‘m beneden.’
‘Ja, 1st even dit afmaken.’

‘Theo, had je misschien ook nog aftershave? Ben ik ook vergeten, bedenk ik me nu net.’

‘Waar is Ma?’ vraagt Leny.
‘Die is boven aan ’t zuigen.’
‘Oh, die doet nog even ’t huis?’

‘Zullen we er eens mee beginnen?’
‘Wil jij ook koffie, Leny?’ vraagt m’n moeder.
‘Ik dacht dat er al stond?’
‘Nee, dat hebben die jongens al opgedronken.’
‘Zullen we eens beginnen?’
‘Ja, wat moeten we van Carel zeggen?’

‘O ja, van de week vroeg iemand hoe laat Carel geboren was,’ zegt Jan. ‘Weet jij dat, Mam?’
‘Hoe laat was dat ook alweer? Jij werd om 8 uur geboren. Theo om ¼ voor 8.’
‘Ik om 5 over ½ 9.’
‘Ja, precies. Quint ’s avonds. Maar Carel…..’
‘Die mannen van de ambulance vroegen dat. Ze noteerden de tijd van overlijden, maar ze moesten ook ’t geboortetijdstip invullen. “Ach, dan doen we toch om 8 uur ’s ochtends,” zeiden ze toen.’

‘Hij heeft 3 keer z’n sleutelbeen gebroken.’
‘Was die 3e keer wel z’n sleutelbeen?’

‘1st Woonde hij toch in Kruiszwin? Daarna in de Diaconiestraat.’
‘Californiestraat.’
‘Nee, Diaconiestraat.’
‘Hoe zat dat ook alweer.’
‘Anders bel je Franchet daar toch over op.’
‘Ik bel wel.’
‘Ze hebben elkaar in de flat leren kennen.’
‘Staat ’t nr van Carel niet in de telefoon geprogrammeerd.’

‘’t Was wel mooi, gisteren,’ zegt m’n moeder. ‘Nu hoorde ik ‘ns wat-ie allemaal op z’n werk deed.’
‘’t Was druk.’
‘Ja, maar ik miste Jana.’
‘Die had ’t veel te druk met school.’
‘Ze heeft wel wat gemist,’ zegt m’n moeder. ‘Ze had vast op een heel andere manier naar Carel gekeken.’

‘Dat-ie er niet meer is.’
‘Dat we ‘m missen.’
‘Je moet niet te veel emotie in die laatste woorden leggen. Want dan krijg ik ’t niet meer door m’n keel.’
‘Carel, bedankt?’
‘Hij is niet meer; volgende regel: Carel, bedankt?’

We zeiden nog veel meer, we praten nog wel een tijdje door in Zijperspace.