carel leeft

In de nacht die op de kop af 3 maanden geleden is, heeft plaatsgevonden, is mijn broer Carel overleden. Plots, in zijn slaap, hart stond stil.
We hebben ‘m naar ’t crematorium gebracht. We hebben op zijn werk een herdenking gehad. We hebben nagepraat in de kroeg. We zijn jarig geweest (alleen Marc moet nog verjaren).
Zojuist is 1 van die verjaardagen afgelopen, m’n oudste broer, tegelijk met z’n vrouw, was gister jarig. Ze waren echter in Griekenland. Op vakantie met m’n moeder, m’n schoonzus, die inmiddels weduwe is, & kinderen.

We hebben kortom al veel dingen gedaan zonder hem. Er gebeuren veel dingen, ook zonder hem.
Maar poeh, wat denk ik veel aan hem. & Terwijl hij dood is, draai ik muziek.
Onderstaande nrs zijn de helft van zijn cadeau aan mij. 2 Cd’s, hieronder 19, van totaal 38, nrs die hem beschrijven zoals hij dood ligt te zijn in gecremeerd stof.
As.
Je houdt ’t niet tegen, maar als je zo’n verzameling krijgt voorgeschoteld ga je zitten denken dat je ook zo herdacht wil worden. Dat de juiste muziek bij elkaar gezocht zal worden.
Ik heb echter nog geen recht van spreken. Waar ik leef, moet ik voorlopig mijn mond dicht houden. Zijn muziek moet ’t woord doen. De tonen moeten hun eigen dood sterven terwijl ik me, slechts tijdelijk, te slapen leg.
Maar ooit word ik.
As.
Wat zal men genieten van mijn dood. Ik zal zorg dragen dat men weet waar ik geleefd heb, waar ik nog leef.
Maar vooraleerst blijft Carel klinken.

Tot Dodenherdenking, op 4 mei, staan deze 19 nrs tot ieders beschikking. ’t Staat eenieder vrij ze te downloaden.
Laat me echter middels een kort meeltje (ton a[penstaar]t zijperspace.nl luidt ’t adres) weten of daar gebruik van is gemaakt. Hoewel ik voor de rest niets aan die informatie heb, zou ik dat zeer waarderen.

01 - REM - You are the everything
02 - Frank Hernike - Lullaby
03 - Tom Waits - Green grass
04 - Claw Boys Claw - Call me an angel
05 - Hank Williams - There's a tear in my beer
06 - Jacques Brel - Quand on n'a que l'amour
07 - Jack White - Wayfaring stranger
08 - Nick Cave - New morning
09 - Leadbelly - Pick a bale of cotton
10 - Palace Music - New partner
11 - RL Burnside - Wish I was in heaven sitting down
12 - The Tragically Hip - Long time running
13 - The Cramps - Fever
14 - Tim Buckley - Dolphins
15 - Tindersticks - Another night in
16 - Tom Waits - Anywhere I lay my head
17 - Van Morrison - Moondance
18 - Krang - Kraaien
19 - Taraf d'Haidouks - Cind eram la'48

Op Dodenherdenking volgt de 2e cd in Zijperspace.

gig

Ik kom nooit bij m’n platenboer binnen in de veronderstelling dat ik niets zal gaan kopen. Geen cd, geen kaartje voor een concert.
Dus loop ik onhandig met m’n handen net niet in m’n broekzakken. Ik kan ze er in stoppen, ik kan ze er uit laten.
Laat ik 1st maar de nieuwe aanwinst gaan bekijken. Tegen de wand tegenover de entree. Ik wurm me tussen de andere onhandigaards & luister naar de duidelijke stem van de muzikant, die geheel zelfbewust, geen greintje pijn bij ’t hardop praten in de muziekzaak, de poster van z’n eigen aankondiging tot zich door probeert te laten dringen.
‘It seemed a little bit expensive,’ zegt-ie tegen ’t meisje achter ‘m.
Ik wend m’n hoofd naar ‘m. Ik was er gister ook, bedenk ik me. Ik zat alleen in een andere zaal.
‘You mean yesterday?’ vraag ik daarom zelfverzekerd.
Ik was er immers bij. Wist dat ik niet in zijn zaal zou worden toegelaten als ik een kaartje voor ’t andere optreden had.
‘Yesterday?’ vraagt de muzikant.
‘Yep, yesterday.’
‘O no, I thought that 17.00 meant the price for our gig here. But it is saying at what time we’re gonna play. Stupid me.’
We glimlachen. Ik vooral uit ’t gevoel teruggeworpen te zijn in de onzekerheid waarmee ik binnen was komen lopen. Die lach moet alles verbloemen.
Stel nou dat ’t druk was, dan was er niets aan de hand. Alleen een plekje vinden met 10-tallen ogen in je rug zou dan nog problemen opleveren. Nu is er schijnbaar niemand, behalve de muzikanten & ’t meisje waar 1 van hen tegen praat.
& ’t Winkelpersoneel.
& De paar klanten die de cd-bakken doorstruinen.
Ik loop verder. De titels van de cd’s dringen niet tot me door. ’t Heeft momenteel geen zin om de nieuwe lading door te nemen.
Ik passeer de kassa. Zeg ‘Hoi’ tegen de verkoper die ik ken. Al jaren, zo zeg ik gedag.
Zolang er geen aanstalten wordt genomen mij bij te staan in m’n keuze, neem ik argeloos de cd’s door die achter z’n rug staan opgesteld. Dat zijn de grote ‘hits’, de albums die alleen hier goed verkopen.
‘Niet al te druk,’ mompel ik als onze blikken voor de 2e keer kruizen.
Herinner me gelijk de uitnodiging van z’n collega vorige week om vandaag langs te komen.
‘Gratis, is een leuke band,’ zei die. ’Beetje folky, beetje modern evengoed.’
‘Beetje Nu-folk?’ vroeg ik, alsof ik er verstand van had.
‘Ja, ongeveer,’ voegde hij er met een ½ schouderophalen aan toe. ‘Maar is een leuke band.’
‘Is goed, denk ik, ik ben er anders nooit als jullie een bandje in de zaak hebben spelen. Kan ik er eindelijk ‘ns zijn.’
& Nu sta ik in een bijna lege zaak, waar de drummer die straks moet gaan spelen ’t meest actief bezig lijkt te zijn, druk in de weer z’n drumstel nog even snel juist af te stellen. Op m’n opmerking dat ’t rustig is heeft niemand gereageerd.
Ik loop langs de regae-bakken, de soul ook, op zoek naar series die ik allang niet meer compleet heb. Keer vervolgens terug naar ‘t 3-manschap dat in de tussentijd toch 4 mensen publiek om zich heen heeft verzameld. Ik passeer daarbij de kassa.
‘Ze wilden niet,’ zegt ’t winkelpersoneel nr 1 tegen winkelpersoneel nr 2.
Ze pakken daarom allebei zelf maar een blikje bier uit de plastic verpakking.
‘Jij ook?’ gebaart degene die ik van eerdere bezoeken ken naar me.
‘Nee,’ antwoord ik, ‘ik heb besloten minder te drinken.’
Terwijl m’n tong van uitdroging aan m’n gehemelte plakt. De spijt trekt onmiddellijk m’n kaken naar elkaar toe.
Maar de stemmen van de muzikanten leiden me af. Ze gaan beginnen. Dat kondigen ze aan door te vragen of er speciale verzoekjes uit hun repertoire zijn.
Ik ken ze niet, dus houd m’n mond. ’t Enige wat ik kan doen is schielijk een geschikt plekje tussen de cd-bakken vinden. Zonder bier, m’n handen uit m’n broekzakken.

Ik heb me ’t hele optreden lang, hooguit 10 mensen stonden er tegelijkertijd naar de band te kijken op 1 moment, afgevraagd of ik mezelf nu moreel verplicht voelde om de cd te kopen. & Moest ik ’t dan bij 1tje houden, mezelf een alibi geven voor m’n bezoek door een 2e aan te schaffen, & vragen stellen over mogelijke alternatieven? Ik vergat daardoor een enkele keer naar de band te kijken, bewust te kijken, te luisteren naar wat ze te spelen hadden.
‘Dat is goed,’ stelde ik mezelf gerust, ‘dan laat ik me meevoeren door ’t gebeuren zelf.’
Ik praatte, in mezelf, m’n aanwezigheid in de platenzaak goed. Van begin tot eind.
Ik koos ’t moment uit dat de reeds bekende verkoper niets om handen had. Meteen nadat de muzikanten hun instrumenten naast zich hadden neergezet & ’t bescheiden applaus was verstomd.

‘Bedankt,’ zeg ik na de aankoop van de 2 cd’s, ‘vooral voor ’t biertje.’
Ik geef ‘m ’t verfrommelde blikje terug. Ik was zo dapper geweest tussen 2 nrs door te vragen of ’t aanbod van bier toch nog gold.
Dan loop ik weg. Tussen de muzikanten door.
‘Thank you, guys,’ zeg ik in ’t voorbijgaan tegen de zanger.
Bij de gitarist aangekomen ben ik zelfverzekerd door de vriendelijke glimlach die ik als beloning van de zanger heb ontvangen.
‘I really liked it,’ zeg ik, terwijl ik m’n hand kort op z’n schouder leg. ‘I bought your cd.’
‘Sorry, what?’ vraagt de jongen.
‘Your cd,’ zeg ik nogmaals; als ciedie uitgesproken.
‘Oh, thank you. I much appreciate that.’
Buiten aangekomen vraag ik me af of ‘cd’ in ’t engels misschien ‘record’ of misschien wel ‘album’ had moeten zijn.

Elliott Brood staat in ieder geval al een dag lang aan in Zijperspace.

carel is muziek

Ik zeg steeds tegen Roswitha, of ik stuur de opmerking via meel: ‘Ik ga op de bank liggen.’
Vandaag heb ik ’t al diverse malen gedaan. Ook gezegd. Of geschreven. Zodat ze weet waar ik ben.
Ik schrik steeds op van de telefoon of de deurbel.
Terwijl m’n ogen zeggen dat ik toe moet doen. Toe, doe toe, zeggen ze.
Terwijl de cd speelt.

Ik was even bang dat ik ‘m niet zou krijgen. Dat ik ‘m niet had verdiend.
Maar gister zat-ie in m’n rugzak. Een dubbelcd met nrs van Carel.
Jacques Brel, Tim Buckley, Jeff ook, Tindersticks, R.L. Burnside, Jim White, John Lee Hooker, Hank Williams, Sixteen Horsepower.
De dood zit er in, Carel zit er in.
Ik zit er in.

Ik doe m’n ogen toe, doe ze toe, en zie ’t clubhuis, ’t jeugdhonk, waar Carel kwam.
Ze hielden allemaal van disco, totdat Frans zich bekeerde & ik langskwam.
‘Wat heb je dan voor platen?’ vroeg Frans.
Frans was Carels beste vriend & ging mij uithoren over muziek. Over new wave, over reggae, over punk.
Carel stond ernaast terwijl z’n kleinere broer vertelde over de muziek die er volgens Frans wél toe deed. We stonden tegen de houten wand, de buitenwand, van ’t jeugdhonk. Binnen stond de installatie weer op zo hard als mogelijk, buiten hadden we ’t over wat mij bezighield. Carel hield daarbij z’n mond.
Ik, de kleinere broer. 1 Jaar verschil was nog veel in die dagen.
Frans werd punk. & Carel volgde in trage passen. Zodat-ie niet de zelfde grote stappen hoefde zetten als Frans.

Palace Music speelt.
& Liggend op de bank sta ik naast Carel. Palace is Bonnie Prince Billy geworden, is onder een andere naam gaan spelen, waarvan Carel een cd voor z’n verjaardag heeft gehad, van mij. Voor mijn verjaardag gaan we naar ’t concert van Bonnie.
Hij speelt maar & speelt maar, hij houdt maar niet op, ook al halen we om beurten bier in extra groot formaat & moeten we dat er ook weer uitpissen, in de veronderstelling dat ’t nu wel afgelopen zal zijn.
Maar daar horen we Bonnie weer, die teruggekomen is, voor de 4e keer, ook al was ’t publiek inmiddels te moe van ’t schreeuwen, Bonnie nog lang niet & wij knijpen snel af, hij speelt weer & Carel & ik gaan opnieuw in de zaal naast elkaar staan met bier in extra groot formaat.

Of als Johnny Dowd voorbij trekt, we net zo staan, ook al is er meer gezelschap met Carel meegekomen, met bekers bier van weer dezelfde grootte, want anders mis je te veel.
Ik heb geen geld om zoveel te kunnen betalen, dus wordt mijn rondje voor mij gehaald & zegt men niks.
Terwijl Johnny met z’n slepende stem over ’t podium raaspt.

& Ergens onderweg val ik weg, eindelijk weg, te weinig slaap, te kort de nacht, m’n ogen toe doe, toe doe, doezel doe, langzaam, niet te snel, dat ’t lijkt alsof ik geen nr heb gemist als m’n nek op de bank zegt dat ’t fout is, of de bel gaat, of de telefoon, & ik opspring om snel bij de levenden te behoren, ik besef dat ik nog naar een optreden bij m’n cd-boer zou gaan.

Als ik daar sta, eindelijk wakker, 3 jongens tussen de rekken muziek met hun instrumenten, de drum, de banjo, een akoestische gitaar, weet ik mezelf te staan met nog een ander. Ik zou daar staan. Stel je voor.
We zouden zwijgen, ’t blikje aanpakken van de winkeljongens, we zouden schuifelen met onze voeten, ongemakkelijk, doen alsof zeker, hand in de broekzak, af & toe fluisteren bij elkaar in ’t oor, een gniffel, vinger voor de mond, wijzend naar de band waar ’t om gaat, weer de mond toe, lippen toe, alleen open voor grote slokken, zodat we als beloning ook nog een 2e blik zouden kunnen legen.
Na afloop zouden we vertrekken & weinig zeggen, pas bij ’t afscheid elkaar zeggen dat ’t goed was, toch wel speciaal, een concert voor nog geen 10 mensen, & die banjo, & die drum, & die akoestische gitaar zouden we verzuchten van bewondering, van ’t moment dat niemand meer van ons afpakt. We zouden even dezelfde dingen mooi vinden, beseffen dat ’t kan, dat ’t nog kan, tegelijkertijd, dat ‘t ‘tzelfde verschil is van een jaar, maar in die tijd zou 1 jaar nog veel zijn in die dagen, verandert dat nooit meer.

& Ik doe m’n ogen toe in Zijperspace & zie ons daar nog staan waar we nooit samen zijn geweest.

Naschrift: As zaterdag is Carel 3 maanden dood. Dan zullen alle 19 nrs van de 1e cd, die samen met de nrs op deel 2 ter gelegenheid van z’n overlijden door vrienden & z’n vrouw bij elkaar zijn gezocht, hier te downloaden zijn. Ik hoop dat de 2e cd op dodenherdenking zal volgen.

eerste

‘Morgen?’
‘Nee, morgen kan ik niet.’
‘Maar je hebt morgen toch een vrije dag?’
‘Ja, maar ’t wordt morgen mooi weer.’
‘& Dan ga jij in de zon zitten? Ik heb je nog nooit in de zon zien zitten.’
‘Nee, een smal straatje, midden in ’t centrum, met veel wandelend verkeer.’
‘De hele dag?’
‘Zo lang mogelijk. Zo lang als ik ’t volhoud.’
‘Tot je niet meer kan.’
‘Ja, bier hoort daar ook bij. Als je wil, mag je er bij komen zitten, maar dan moet je wel je mond houden.’
‘Zitten & bek houden.’
‘Ja, ik wil niet afgeleid worden. ’t Wordt morgen de mooiste dag van ’t jaar & ik wil niets missen.’
‘Man, er komen nog wel meer dagen met zon de komende tijd.’
‘Maar er is er altijd maar 1 de 1e van ’t jaar.’
‘& Er is er 1 die de 2e mooie dag van ’t jaar zal zijn.’
‘Kom ook maar niet langs. Ik zit liever in m’n 1tje.’
‘Je kunt toch op z’n minst uitleggen wat er zo speciaal is aan die 1e mooie dag.’
‘Ze laten de vrouwen dan weer los.’
‘Ik zie ’t hele jaar door vrouwen. Daarnet kwam er nog 1tje voorbij.’
‘Andere vrouwen.’
‘Welke andere vrouwen?’
‘Moet je morgen maar kijken.’
‘Leg uit.’
‘Opeens zijn er vrouwen met grotere borsten, mooiere billen, kortere rokjes & een vleugje wind begeleid hen, omdat ze de temperatuur net iets te optimistisch hebben ingeschat. Die vrouwen. 1 Keer per jaar worden ze losgelaten.’
‘& Dat staat dan in de krant?’
‘Ja, onder de kop van de weersverwachting.’
‘Je begint een oude vieze man te worden.’
‘Nee hoor, dan was ik al eerder vies. Ik doe ’t al jaren. ’t Is ook de enige dag dat je zoiets ongegeneerd & met goed fatsoen kunt doen.’
‘Ik krijg altijd kwaaie blikken als ik kijk.’
‘Jij doet ‘t 1: op ’t verkeerde moment in ’t jaar, 2: te opvallend. Je moet kijken zoals vrouwen doen.’
‘Ik zie vrouwen nooit kijken.’
‘Dat bedoel ik. Maar ze kijken wel. Ze kijken voordat wij kijken.’
‘Hoe doe jij dat dan?’
‘Ik kijk altijd 1st naar iets anders. Ik heb de vooraankondiging al ver van te voren aan voelen komen. & Als ze passeren & bemerken dat ik geen aandacht voor ze heb, toch maar de etalage van de winkel aan de overkant in zich opnemen, slurp ik hun billen naar binnen.’
‘Alsof ’t je niets interesseert dus.’
‘Ja, & mochten de blikken toch kruizen, dan lach je een minzaam lachje. Alleen op de 1e mooie dag van ’t jaar staan ze daar helemaal open voor. Ze zijn immers al heel lang niet buiten geweest.’
‘Iemand heeft de sleutel ’t hele jaar bij zich gehouden & besloten ze nu maar ‘ns vrij te laten.’
‘Misschien is ’t alleen maar de sleutel van de klerenkast.’
‘Ha, je krabbelt toch iets terug met je fantasie.’
‘Nee, ik breid m’n fantasie alleen maar verder uit. Zoals ik morgen ook zal doen. Je moet jezelf de gelegenheid geven je over zoiets te verwonderen. Ik denk ook vaak dat ze misschien wel met z’n allen opgesloten hebben gezeten in zo’n grote ontmoetingshal. ’t Hele jaar stinkt ’t daar, maar een week voor de gedenkwaardige dag beginnen de vrouwen, de mooiste vrouwen, opnieuw gebruik te maken van de wasgelegenheden.’
‘Je gaat ver, veel te ver.’
‘Nee, ik probeer antwoorden te vinden. & Tegelijkertijd de boel de boel te laten. Want antwoorden zijn nog geen oplossingen. Antwoorden, daar kleven de vragen nog als schaduwen aan vast. Stel dat ik de oplossing had, dan zou ’t nooit meer plaatsvinden, want was alles zonneklaar. Dat zie je later, tijdens de zomer, steeds vaker gebeuren naarmate de hitte voortduurt. Alle schoonheid raakt dan op gegeven moment verloren.’
‘Als dat morgen ’t geval was zou je dan misschien wel de tijd voor ons hebben.’
‘Nee, morgen ben ik er niet. Morgen ben ik elders.’
‘& Alle vrouwen vragen zich af waar jij bent.’
‘Morgen is de enige dag dat ze me weten te vinden.’

Waar zal ik zelf zijn in Zijperspace?

kroes

Hij was de 1e dode.
Ik zoek naar z’n naam. Ik had ’t Carel kunnen vragen, hij was de enige die wist wat ik wist. We kwamen tegelijkertijd bij de welpen. We hadden dezelfde ervaringen, dezelfde blikken gezien.
Maar de laatste tijd kon ik geen vragen meer aan Carel stellen. Dat vermeden we.
& Toen ging Carel dood. & Daarmee de 1e dode ook definitief.

Ik heb jarenlang z’n naam bewaard. Z’n gezicht is echter nooit tevoorschijn gekomen.
De 2e bijeenkomst op de welpen begon heel somber. De akela moest vertellen dat er iemand was overleden. Verongelukt.
Laat ik ‘m maar Japie noemen. Zo heette hij in ieder geval niet, maar dan heb ik iets om vast te houden, dan wordt de rondleiding gemakkelijker te volgen.
Verongelukt.
Elke keer als we voorbij de bocht in de Doggersvaart reden wisten we ‘t. Dan kwam Pa ons met de auto ophalen & bij de bocht in de Doggersvaart keken we de sloot in. Hoe kon je daar in zinken met een auto? Hoe kon een heel gezin uit ’t leven verdwijnen in zo’n modderige poel? ’t Zag er vaak groen van ’t kroes. Daaronder moesten ze verdwenen zijn. Waarschijnlijk had hun duik tijden lang een wond in die groene oppervlakte veroorzaakt. Of zou de natuur werkelijk zo meedogenloos zijn?
We reden voorbij & zeiden: ‘Daar is Japie verdronken.’
Als Ma ons van de padvinderij op kwam halen, hielden we onze mond. Ma hield niet van ’t onderwerp.
‘Ik wil niet dat jullie dat zeggen,’ zei ze.
Ze bleef jarenlang langzaam rijden bij die bocht.

We wisten precies waar ’t was, want na de mededeling van de akela zijn we thuis gaan zoeken in de oude kranten. ’t Stond in die van dinsdag.
Japie is na onze 1e & enige ontmoeting nooit meer naar school geweest. In die termen konden wij ’t bevatten. Hij zou ook nooit meer bij de welpen langskomen.

Ik hoopte stilletjes dat dat nog wel ’t geval zou zijn. Dat-ie toch nog een keer z’n gezicht zou laten zien. Dan kon ik me hem ook herinneren.
Ik vroeg ’t aan Baloe, oftewel Sylvia, de dochter van de akela. Die zou een foto meenemen. Blijkbaar had iedereen een foto gekregen. Bij de begrafenis, bij de herdenking, bij ’t condoleren.
Ik wist toen nog niet dat zulke dingen bestonden. Condoleren, herdenking. Ik wist niet dat mensen foto’s, kaarten ontvingen nav begrafenissen. Ik wist nog veel niet, ’t was m’n 1e dode. Japie was m’n 1e dode, Japie was al ‘het’, misschien had-ie wel nooit bestaan voor mij, want ik wist z’n gezicht niet. Vooral ook niet omdat Baloe steeds die foto vergat.
Er kwam alleen een kruisje te hangen aan de muur van ’t welpenlokaal.

Wij zaten allemaal ieder in onze eigen hoek terwijl de akela sprak. Ze keek heel somber. Ze had een papiertje voor zich & las de tekst ervan voor. De akela met een bril op haar neus. Die zouden we ook niet al te vaak zien, die bril. De 1e 2 zaterdagen bij de padvinderij waren heel bijzonder, als je ’t achteraf beschouwt.
Wij hadden geen uniform nog, Carel & ik. We waren op proef. We zaten in burgerkledij, de anderen in welpentenue.
De akela zou enkele weken later vragen wanneer we nou eens een uniform zouden hebben. Je mocht maximaal 6 weken op proef zijn, dan moest je toch eens echt welp worden. Maar Ma had te laat de pakjes besteld. Ze vond ’t maar duur. Ze had 1st geld uitgespaard om ’t te kunnen betalen.

Op ’t moment dat we ‘t te weten kwamen over Japie, zaten Carel & ik allebei in ’t bruine nest. Later zouden we naar geel gaan, naar groen ook. We zouden helper worden, later gids, ieder z’n eigen nest, zoals dat allemaal heette bij de welpen.
Maar Japie was dood. Hij was vorige week nog gewoon op de welpen langs geweest. Zondag is-ie overleden tijdens een ongeluk met z’n ouders & z’n zusje.
Japie? Wie was Japie ook alweer, vroeg ik me af. Ik had de week ervoor, de 1e zaterdag, zoveel nieuwe gezichten gezien.
Carel wist ’t wel. Japie was de jongen waar-ie even ruzie mee had gemaakt.
Wie was Japie dan, vroeg ik Carel tijdens de zaterdagse patat, weer thuisgekomen.
Dat was dat vervelende jochie, zei Carel. Japie was geen leuke jongen.
Maar Carel wist in ieder geval wie Japie was. Ik had alleen maar de bocht in de Doggersvaart.

’t Groen was al snel weer dichtgegroeid in Zijperspace.

ruilen

Mevrouwtje, ik weet ’t goed gemaakt.
Ik heb hier een andere cd, van Sibylle Baier, wat je waarschijnlijk toch niets zegt, want ’t zijn opnames uit 1970-1973, maar zóóóó verschrikkelijk mooi & ik weet zóóóó verschrikkelijk zeker dat jij ’t ook mooi zal vinden, ik draai ’t in ieder geval aan 1 stuk door, elke keer als ik denk de deur uit te moeten gaan, dat is nog niet al te vaak gebeurd, want ik heb de cd afgelopen woensdag pas aangeschaft, maar evengoed, elke keer als ik weet dat ’t niet lang meer duurt vooraleer ik de buitendeur achter me zal sluiten, de sleutel in ’t slot, 2 keer draaien & weer een paar uur verwijderd van m’n dagelijkse leefomgeving zal zijn, dan zet ik vlak voor de laatste handelingen, douchen, tandenpoetsen, je weet ondertussen wel wat ik allemaal doe in dit soort gevallen, deze cd aan, dan hoor ik echo’s doorklinken tussen de stralen die op m’n gezicht klateren door, dan was ik ’t vuil van gister weg, dan stroomt de dag van vandaag rustig bij me binnen, om me vervolgens te drogen, m’n tanden in glimmend poets te zetten, & terwijl ik dat laatste doe probeer ik ’t tempo te vinden dat ik m’n dag zal leven door de borstel een juist ritme te laten vinden die past bij Sibylle, zodat ik haar stem nog voel trillen in m’n hoofd, niet te hard, wel degelijk, wel zorgvuldig, maar niet te doortastend, te hard, dat jij dan deze cd neemt & Vinkenoog/Spinvis meeneemt deze kant op & dinsdagavond met deze verschrikkelijk mooie cd naar huis gaat, daar zal je vast blij mee zijn.
Ik had ’t idee dat de verkoper mij de cd eigenlijk niet wilde adviseren, ik vroeg ‘m: heb je nog wat? Hij zei: ik heb je al een tijdje niet gezien. Ik zei: ja, 4 maanden ziek thuis geweest & dat heeft me bovendien klauwen vol geld gekost. & Hij zei: hou op, ik heb ook problemen met de belasting, moet opeens € 400,- gaan betalen, nu moet ik maar snel de volgende aangifte gaan doen, dan krijg ik misschien wat terug, want zo red ik ’t niet. Ik zei: maar heb je nog wat leuks? Hij zei: als je er 4 maanden uit bent geweest, dan kun je misschien beter ‘ns langskomen om de boel in te halen, rustig te luisteren. Ik zei: ja, maar ik wil nu eindelijk weer ‘ns iets. Hij zei: ja, ik weet natuurlijk niet wat je gemist hebt, maar wat wij de laatste tijd vaak draaien, is dit.
& Hij liet de cd zien.
Maar eigenlijk had ik ’t idee dat-ie ’t niet wilde laten zien, dat-ie deze cd voor zichzelf wilde houden, beperkt houden tot een klein publiek, maar omdat ik al jaren bij m’n platenboer kom & misschien best wel aardig ben, je weet ’t niet, je kunt ’t ook niet zeggen, misschien gewoon wel aardig overkom naar winkelpersoneel, ik zeg immers altijd gedag, dankjewel & tot ziens, ik lach vriendelijk & ben belangstellend voorzover dat gaat in de kleine korte paar minuutjes die winkelpersoneel heeft voor de klanten afzonderlijk, maar ze weten dat als ze bij mij langskomen dat ze dan op een biertje kunnen rekenen, gewoon als waardering, niet al ’t winkelpersoneel, maar die enkeling die ik aardig vind, die in een winkel werk waar ik de meerwaarde van ’t leven vandaan haal, die dan ‘ns een keertje aan komt wippen, dat weten ze, dat ze op waardering van mij kunnen rekenen, misschien dat-ie daarom dacht: ik moet ‘t ‘m toch maar zeggen, dat van die hele mooie cd, die helemaal boven in ’t schap in de linkerhoek staat, ook al willen we eigenlijk dat niet iedereen dat te weten komt, want dan is de muziek dood & kunnen we ’t nooit meer draaien, want gaat iedereen ermee aan de haal, muziek gaat nl dood als iedereen er een stukje van tot zich neemt, dan ontneem je ’t z’n hart, dan verliest ’t elke keer een beetje extra van z’n ziel, dat wist jij misschien niet, maar zo is ‘t wel.
Hij zei: ’t is een beetje folky, opgenomen begin 70 & pas ontdekt, wij zijn er een beetje gek van. Ik zei: ik ben nog nooit teleurgesteld, heb nog nooit een miskoop gedaan nav jullie adviezen. Hij zei: ik geef ’t gewoon zo mee, mocht-ie niet bevallen dan kun je altijd terugkomen. Ik zei: ja, dat weet ik. Hij zei: da’s € 16,50.
Maar dat moet ik natuurlijk niet zeggen, want ’t was een verrassing voor jou. Een verrassing in ruil voor de verrassing die je minder leuk vindt, weliswaar, maar ’t blijft een verrassing dat je dan een verschrikkelijk mooie cd ervoor in de plaats krijgt, nietwaar?

Als voorproefje in mp3-formaat 't 1e nr. Zodat je zeker weet straks dat je Sibylle Baier wil hebben.

& O ja, je krijgt er kusjes bij. Die zijn vandaag gratis. Bovendien heb je ze wel verdiend. Want ’t weer is mooi, de deuren staan open, de vogels fluiten hun wijsjes m’n huis naar binnen & Sibylle doet ijverig mee.

Ze komen geheel voor niks & zwierend naar je toe vliegen vanuit Zijperspace.

leuks

‘Waar ben je nu?’ stelt Roswitha de vraag die tegenwoordig ’t meest door de telefoon klinkt.
Vanzelfsprekend; ik zou zelf ook niet geweten hebben waar ik me bevond als ik er zelf niet bij was. Continu de gids ter hand nemend om te kijken hoe de volgende bocht in ’t pad mij in een andere positie tov de rest van de wereld zou bewegen.
‘Ik ben nu bij Muiden,’ antwoord ik.
M’n telefoonblik, die toch licht voorovergebogen richting grond gericht is, laat ik even rusten, om me te kunnen concentreren op de omgeving. Een simpele omschrijving als ’t noemen van de naam van de stad is niet voldoende; daar hoort een plaatje bij.
‘Tegenover me, aan de andere kant van ’t water waar ik loop, ligt ’t Muiderslot.’
& Ik denk aan Sinterklaas. Toon mij dit gebouw & ik keer onverwijld in gedachten naar de Goedheiligman. Ik moet daar eens met m’n ouders gestaan hebben, in ’t pakjesavondjaargetij. M’n vader had gezegd dat Sint in ’t slot verbleef, dat-ie daar de brieven van de kinderen beantwoordde. & Op m’n vraag of we dan niet even naar binnen mochten, zei Pa dat de goede man ’t waarschijnlijk te druk had. Hij moest nog zoveel brieven schrijven, & gedichten, & opdrachten geven aan z’n pieten, & ’t paard eten geven.
‘Je kunt beter een wortel geven, vanavond, in je schoen.’
Dus bleven we staan, zittend in de auto, met uitzicht op ’t Muiderslot, waar Sint verbleef.
‘Da’s best mooi,’ voeg ik toe.
Roswitha gelooft dat wel. Ik weet niet of zij weet dat dit elk jaar 3 weken lang ’t kasteel van Sinterklaas is & ik vertel ’t haar ook maar niet. Misschien was dat alleen bij ons zo, sliep-ie in andere families ergens anders.
‘’t Schijnt dat je kaartjes voor CocoRosie alleen maar bij de zaal kan kopen,’ vertelt Roswitha me.
We hebben ’t al 3 telefoontjes lang over CocoRosie. Ze vraagt me 1st waar ik ben & vervolgens hebben we ’t over ’t ingelaste concert. Wanneer ik die kaartjes ga kopen, of ik die kaartjes al heb gekocht, dat ’t nog maar net bekend is, want Pasen zat ertussen, hoe duur de kaartjes zijn, dat we misschien andermans abonnement kunnen gebruiken. Er valt veel te bespreken.
Bovendien had ik gevraagd: ‘Bel je me ook nog onderweg? Dat vind ik leuk.’
‘Maar ik ga evengoed wel bij Get Records langs,’ besluit ik evenzogoed. ‘Dan vraag ik daar voor de zekerheid of ze echt geen kaartjes hebben. Je kan nooit weten. Misschien kunnen zij meer vertellen.’
Ik wandel ondertussen verder. M’n hoofd hangt weer wat meer voorover. Ik moet tenslotte ook op de weg letten, de kuilen, de plassen.
‘Meneertje,’ zegt Roswitha aan de andere kant, ‘vertel nog ‘ns wat leuks.’
& Terwijl m’n brein koortsachtig op zoek gaat, om vooral aan ’t verzoek te kunnen voldoen, klinkt vanuit m’n mond bij voorbaat ’t verontschuldigende: ‘Ik weet niets leuks.’
De speurtocht in m’n hoofd gaat echter onverminderd voort. Ik stel alles in ’t werk om op iets te komen dat haar dag op werk kan opfleuren. Al is ’t maar een korte anekdote.
‘Nou ja,’ schiet me te binnen, ‘ik kwam wel een saxofonist tegen.’
Ik haal me de man weer voor de geest. De achterkant van de man. ’t Schellende geluid dat uit z’n auto klonk. Jazz uit de jaren 50. De solo’s die de muziek begeleidden. Alleen maar solo’s, die net iets harder klonken dan wat uit de auto tevoorschijn kwam. & De rug van de man, niets anders dan de rug van de man, met z’n lichaam naar de autodeuren toe gewend. Z’n brede schouders konden z’n saxofoon net niet helemaal verstoppen voor de toevallige passant.
‘Voorbij Naarden, vlak voor Muiderberg,’ vertel ik, ‘totaal verlaten op een parkeerplek langs de snelweg.’
Ik dacht nog: ‘Dat is Hans Dulfer,’ maar kon niet op z’n naam komen. Denk je dat dan ook werkelijk, dacht ik erbij, als je de man z’n naam niet meer weet?
‘Wat deed je toen?’ vraagt Roswitha.
‘Ik ben blijven staan. Heb een boterham gepakt & opgegeten & ben een tijdje blijven luisteren. Hij had niet door dat ik er stond.’
‘Waar stond je dan?’
‘Op 50 meter afstand. Maar ’t was heel goed te horen.’
Op een gegeven moment ben ik doorgelopen. De boterham was op. Je kan niet zinloos blijven staan als je aan ’t wandelen bent.
‘Oh, mevrouwtje,’ zeg ik plots, ‘er ligt hier een hele grote vis.’
Ik kijk snel om me heen waar ik ben. Weer de plaats bepalen.
‘Aan de andere kant van ’t water waar ik loop ligt nog steeds ’t Muiderslot, maar hier langs de kant van ’t water ligt een hele grote vis. Wel een ½e meter lang.’
Ik schat ’t nog een keertje in. Ik mag niet overdrijven. Waarschijnlijk is ’t beest nog wat langer, maar ’t verhaal moet wel naar waarheid zijn. & De waarheid is eerder naar beneden overdreven dan naar boven.
‘Da’s best groot,’ reageert Roswitha.
‘’t Lijkt alsof-ie nog beweegt,’ zeg ik in spanning over m’n vondst. ‘Of nee, dat is de wind.’
De rietstengel onder de bek wappert door de wind de lippen omhoog. Hoe zou ’t ook nog kunnen bewegen als ’t beest een grote hap uit z’n nek mist?
‘Ik maak wel wat mee, hè?’
Allemaal saxofonisten & grote vissen, die ik dan weer aan m’n vriendin vertel.

Zijperspace is geheel gevuld met avontuur.

ontmoetingen

Dan herkennen ze me. Of ik herken hun.
Je merkt meteen wie ze zijn, aan hoe ze reageren. ’t Bier valt van ze af. ’t Bier dat ze van me krijgen als ik werk.
Als ik niet werk, dan zijn ze anders. Dan floepen er juist andere dingen uit.

1 Van de Scooters riep me op Schiphol aan.
‘Ton!’
Ik keek om me heen. Allemaal buspassagiers. Waar ik ook keek. Buspassagiers met koffers, buspassagiers onderweg naar hun Schipholbaan, uniform alvast aangemeten, & buspassagiers die hun auto buiten de drukte, op bedrijfsterreinen, hadden geparkeerd. Overal ervaren korte-afstandreizigers. Ieder op z’n eigen manier. & Ik gedroeg me alsof ik ook precies wist waar ik heen moest.
Ik wil niet als de grote onnozelaar ten onder gaan.
‘Hé, Ton!’
Weer. Vanuit een andere hoek. Niet de buspassagiers bij de verschillende busuithangborden.
Ik zag een hand erbij zwaaien. Ergens in de hoek van m’n gezichtsveld. Maar juist in de hoeken, heb ik ooit moeten leren, merk je veranderingen ’t meest gemakkelijk op. Dan overleef je een plotse aanval in de vroegere wildernis makkelijker.
Dus die hand zag ik. ’t Lichaam dat er achter zat was vervolgens ook snel gevonden.
‘Hé!’ reageerde ik.
’t Was in ieder geval de bedoeling dat ik zo zou reageren. Dat er iets uit m’n mond kwam. Maar vaak is een gespeelde blik van herkenning voldoende.
Klanten zijn gewoon anders als ze elders zijn. Sommigen dan.
Ze zullen mij ook niet altijd meteen herkennen. Ik moet vaak m’n pet afzetten. M’n bril ook.
‘Hé!’ probeerde ik dus te zeggen naar de jongen in ’t taxi-busje.
1 Van de Scooters, bedacht ik me even later.
‘Moet je een liftje?’ grapte de Scooter.
Ik lachte met ‘m mee.
‘We gaan echter niet naar je kroeg,’ liet-ie er snel op volgen.
Op zich zou ’t niet gek zijn, waagde ik te denken. Wie weet kom ik dichter bij Aalsmeer. Wie weet kom ik op een plaats waar ik wat aan heb. Niet je altijd laten leiden door voorbestemde plannen, Ton.
Maar m’n innerlijke stem wuifde ik al snel weg als ongemakkelijk & onvoorspelbaar.
‘Nee, ik heb ook even geen zin in Amsterdam,’ reageerde ik.
Hij lachte.
Ik lachte.
Hij deed de deur dicht.
Ik wachtte op m’n bus.

Ik kan ze overal tegenkomen. Ik moet er ondertussen ook al zo veel kennen. & Zij mij.
Je zou ’t misschien wel uit kunnen rekenen. Maar heb je daar ook iets aan? Ik wacht gewoon af. Ik weet dat ik overal iemand tegen kan komen. Op vreemde plekken. Op vanzelfsprekende plekken. Want er zijn zo veel plekken & zo veel mensen, dat als je die gaat combineren ’t een vanzelfsprekendheid wordt.

Ik zag ‘m voor me uit lopen. Bovenetage van de trein. Ik noemde ‘m altijd de man-waarvan-ik-dacht-dat-ie-bij-me-in-de-straat-woonde. Dat bleek-ie niet.
Dat soort vragen blijk ik al eerder gesteld te hebben.
Maar gelukkig bleef deze jongen bij de 2e keer evengoed net zo verwonderd te kunnen kijken.
Ook de 2e keer noemde ik de naam van de straat. Hij wist niet waar die straat lag. Zelfs de 2e keer niet. & Toen schoot me pas de 1e keer te binnen. Déjà vu. Daar was ik al geweest.
Terwijl hij de klapdeur nog even voor me openhield, zei ik ‘Dankjewel.’ Zo duidelijk dat-ie me wel moest herkennen.
Maar hij gaf geen krimp. Hooguit hield-ie de deur nog iets langer vast.
Ik zette snel m’n pet af. M’n bril weg. Terwijl ik ging zitten.
Hij haalde een krant tevoorschijn. Die kwam voor z’n neus te staan. Rechtovereind. Ik zag ’t als ik over m’n schouder keek.
Bij vertrek deed-ie weer de klapdeur open. Alleen maar voor zichzelf. Hij stopte halverwege met duwen. Liet ‘m terug klappen tegen z’n lichaam. Z’n schouder kon de rest van ’t karwei opknappen. De rest ging vanzelf.
Toen dacht ik: ‘Daar herken je de mensen aan.’

In de straten van Naarden hoorde ik roepen. Niet m’n naam. Maar duidelijk voor mij bedoeld.
Een ethiopiër.
‘Jij hier?’
‘Ja,’ zei ik bij ‘m aangekomen.
‘Jij woont hier in Bussum? Naarden?’
Hij keek me blij aan.
‘Nee, ik ben hier alleen maar aan ’t wandelen.’
Hij glimlachte. Hij begreep ‘t. Tegelijkertijd keerde hij zich om.
Terwijl ik nog wilde vragen: ‘Jij woont hier wel?’
Belangstellend.
Maar hij ging naar de voordeur van z’n auto.
Hij zei me vriendelijk gedag.
Ik wist dat-ie deze ontmoeting zou onthouden. Dat deden ze allemaal wel, maar hij zou ’t aan z’n vrienden vertellen.

Terwijl ik niets had om mee te nemen naar Zijperspace.

vuurtoren

’t Voelt als de vuurtoren. De vuurtoren van Huisduinen. De Lange Jaap. Vanuit m’n slaapkamer kon ik z’n ademhaling volgen. 4 Kort, 1 lang.
Ik heb wel ‘ns aan een vriendin uit moeten leggen, ze woonde vlak onder de Lange Jaap, dat de ademhaling voor mij ‘tzelfde was als voor haar. ’t Maakte niet uit op welke afstand je woonde, de tussenliggende tellen waren even lang.
’t Maakt dus ook niet uit of ik er aan denk of niet. Of ’t zou niet uit moeten maken. Maar doordat ik er op let worden de secondes langer, of juist korter. De tijd wordt compacter. De beklemming wordt voelbaar. Ik weet ook niet meer of ik 1 lange ademhaling op de 3 had, of 1 op de 5. & Was deze hap lucht wel noodzakelijk, vraag ik me ondertussen af.
De Lange Jaap wordt niet meer gebruikt, maar blijft branden. Hij is niet meer nodig, heb ik ergens gelezen, modernere navigatiesystemen hebben ’t overgenomen, maar als ik daar op m’n zolderkamertje had gelegen, was ik toch door de regelmatigheid in alle rust & vertrouwen door hem in slaap gesust. De secondes die tussen de voorbijschuivende stralen zaten als schaapjes tellend.
Misschien dat de lichamen van mensen die levenslang een vuurtoren in de buurt hebben gehad anders afgestemd zijn dan die dieper ’t land in zijn grootgebracht.
& Dan: Den Helder was 4 kort, 1 lang; op Terschelling was er een andere code, leefden de mensen op een ander ritme. ’t Hoeft niet, maar ’t zou kunnen.

Terwijl ik er aan denk probeer ik m’n ademen weer onder controle te krijgen. Op zo’n manier dat ik er niet meer aan denk, dat ik m’n borstkas niet meer voel deinen. Ik probeer mezelf voor te houden dat ik ’t gebrek aan neusspray ook niet opmerk tot ’t moment dat ik de deur uitga & op de fiets spring.
& Toch begin ik me af te vragen of de vuurtoren wel gelijk had. Was er wel een bepaalde volgorde? Kan een mens geen uitzondering maken, even uit de band springen?
Bij wijze van experiment laat ik de lange op 2 korte volgen, dan 3 korte & een lange, een lange, waarop 4 korte. Om te kijken of ik ver verwijderd ben van Den Helder.
Voel ik me al vreemd in m’n hoofd?

De t-shirts hebben ook hun volgorde. Geen systeem, gewoon een manier waarop ze elkaar opvolgen. Hoewel niet iedereen ’t ‘gewoon’ zal vinden dat iemand 100 t-shirts over de 2 leuningen van een stoel heeft hangen.
’t Is een continue stroom van opgang & ondergang, alleen begint bij mij de opgang daar waar de ondergang is gestopt. De t-shirts die vers uit de was komen zorgen ervoor dat de stapel aan de ene leuning geleidelijk aan weer hoger wordt, de t-shirts die ik aantrek veroorzaken ’t slinken aan de overzijde van de stoel.
Daarmee wil ik er voor zorgen dat alle t-shirts steeds weer aan de beurt komen, elk een gelijke kans heeft om gedragen te worden. Dat die kans eigenlijk voor elk t-shirt even groot is. Geen kan zich onttrekken zich aan de volgende beurt. Alles komt in de loop van de tijd aan bod.
& Als de tijd voorbij is, volgt een nieuwe tijd. Mijn eigen zonsopgang & -ondergang, gemeten in dagen van t-shirts, elke keer z’n eigen spiegelbeeld vormend.

Terwijl ik aan m’n t-shirts denk word ik rustig, maar raak in paniek bovendien: hebben degenen die onderop de leuning liggen wel een even grote kans als zij die midden in de stapel terecht zijn gekomen? Nooit meer uit ’t midden daardoor verdwijnen?
Ik bedoel: als ik een grote pan met eten heb bereid, genoeg voor nog wel 3 dagen, verdeel ik dat over diepvriesbakjes; als ik de hele tijd dezelfde volgorde bij ’t inscheppen zou gebruiken zou ’t niet evenredig verdeeld worden. Dus ga ik met m’n steeds weer gevulde opscheplepel van links naar rechts, om dan bij rechts opnieuw te beginnen, te eindigen bij de bak links.
Dan is pas alles eerlijk.

Dan adem ik weer rustig. Is er overzicht. Hoef ik me de komende dagen niet druk te maken dat ik minder binnen krijg als een dag ervoor, of een dag erna. Dan zie ik de vuurtoren niet voorbij komen & waan ik mij niet op Terschelling.

’t Kan er zo benauwd zijn, zo ver van Zijperspace.

verdeling

‘Ik wil die spullen hier gewoon niet meer,’ zei ze.
Ze schreeuwde ’t bijna. Ik moest de hoorn van m’n oor afhalen.
‘Dat snap ik heus wel,’ zei ik. ‘& Ik wil ’t zelf ook zo snel mogelijk uit ’t huis.’
Ik verdomde ’t om ’t haar huis te noemen, ook al was ik degene die vertrok.
‘Maar,’ ging ik verder, ‘je moet je ook voor kunnen stellen dat ik een plaats moet hebben waar ik mijn spullen kan neerzetten & dat m’n vader bovendien tijd moet hebben om ’t allemaal te verhuizen. & Daarnaast doe ik al behoorlijk m’n best om zo af & toe spulletjes mee te nemen.’
Die laatste zin was vast niet goed. Over de telefoon voelde ik dat ’t verkeerd viel, zonder dat ze er een woord over had kunnen zeggen.
‘Ik wil niet dat je elke keer een paar spulletjes meeneemt,’ barstte ze uit. ‘Ik wil dat je álles meeneemt.’
‘Dat snap ik heus wel,’ probeerde ik haar woede in alle redelijkheid op te vangen, ‘maar ik zal ook schone kleren moeten hebben.’
‘Ik wil niet dat je zomaar langskomt.’
‘Ik kom niet zomaar langs.’
‘Vorige week belde je wel zomaar aan.’
‘& Dat vond je leuk. Ik kreeg nog een bak koffie. & Je vroeg of ik trek had in een biertje. Dat heb ik toen afgewezen.’
Ze gilde. Dat ik niet doorhad dat ze eigenlijk wilde dat ik zo snel mogelijk weg was. Nee, dat heb ik niet door als ik een biertje krijg aangeboden. Maar er zat toch zeker een andere gozer op de bank. Die kende ik toch niet? Daarom juist. Daarom juist niet.
& Nog meer uitroeptekens.
‘Ik kom vanavond wel langs om m’n kleren op te halen,’ stelde ik voor.
‘Nee, dat doe je niet,’ tetterde ’t weer in m’n oren.
‘Jawel, ik heb geen onderbroeken meer om aan te trekken.’
‘Dan koop je onderbroeken bij de Hema.’
‘Ik heb geen geld. M’n studiefinanciering wordt nog steeds gekort omdat jij te veel verdient.’
‘Dan zorg je dat je meer geld krijgt.’
‘Je weet dat zoiets maanden gaat duren met studiefinanciering.’
‘Ik wil gewoon niet dat je langskomt.’
‘Dan stop je toch alle kleren van mij in een vuilniszak. Dan haal ik ’t wel op zonder dat ik binnen kom.’
Dieper kon ik niet gaan, vond ik zelf. M’n eigen kleren als oud vuil voor de deur waar ik eens gewoond had. & Dan stiekem die vuilniszak daarvandaan gappen. Zodat ze me van binnenuit niet zouden zien.
‘Ik ga jouw kleren niet inpakken. Ik wil die kleren niet meer aanraken. Ik wil ze weg! Weg! Weg!’
Hysterie, dacht ik nuchter, een duidelijk geval van hysterie. ’t Enige wat daartegen helpt is rustig blijven, rustig op haar in blijven praten. & Zorgen dat ik mezelf niet naar beneden haal.
‘& Die klotekast ook.’
‘Welke kast?’ vroeg ik verbaasd.
Ze overviel me. Ik had nog niet over meubels nagedacht. Ik zou de pick-up meenemen, dat was logisch, & 2 kleine boekenkasten, waar zij nog steeds kleren in had liggen, wist ik. Die zou ik ook ‘ns leeg gaan gooien als ik de gelegenheid ertoe kreeg. Zoals zij mij de deur uit gebonjourd had. Maar welke kast was er nog meer?
‘Die kloteboekenkast langs de achterwand.’
Die lange, bedacht ik me. Die de hele wand in beslag nam. Die we met 5 man met veel moeite in huis hadden gekregen. Een mooiere boekenkast bestond er niet. Via de voordeur, via de slaapkamer, via de slaapkamerdeur, via de tuin, via de tuindeuren in de achterkamer, was-ie op z’n plek terecht gekomen. We waren blij dat we nog 15 cm hadden overgehouden, paste de stekkerdoos nog net.
‘Die kan ik niet meenemen,’ zei ik verbouwereerd. ‘Waar moet ik die kwijt?’
‘Toch moet-ie weg,’ zei ze resoluut.
‘Maar hoe moet ik die wegkrijgen?’
‘Dan zaag je ‘m maar doormidden.’

Toen ik met m’n vader dat weekend aankwam kreeg hij de gewoonlijke 3 zoenen. Mij toonde ze geen blik waardig. Terwijl we de elektrische zaag halverwege in de kast zetten maakte m’n vader grapjes. Ze moest er om lachen. Mijn opmerking dat we haar deel van de kast zouden laten staan werd niet gehoord.

Mijn deel is allang vervlogen, ergens in een haardvuur in Zijperspace.

amstel

Eigenlijk houd ik meer van rechte lijnen. Waar de horizon maar op zich laat wachten & ’t eind nooit in zicht lijkt te komen.
Hier kan elke kromming de bocht op de kaart zijn. Even goed de kaart voor m’n neus houden, de overige kenmerken vergelijken & ik zou kunnen weten waar ik ben.
Bij een rechte lijn heeft dat weinig zin. Hooguit de zijwegen willen nog iets verklappen over waar ik me bevind. Maar als ik m’n aandacht eventjes heb laten verslappen, verzonken ben geraakt in alles wat me af zou kunnen leiden, dan ben ik ’t spoor bijster & kan ik slechts wachten tot ’t eind van de rechte lijn zich voordoet.
’t Eind van een rechte lijn is vaak onherroepelijk. ’t Kan dan niet anders meer. Op de kaart niet & in ’t landschap zelf al evenmin. Er wordt je geen keus gelaten.

Dus volg ik de rode lijn op de kaart, de roodwitte balkjes op boomstammen, verkeerspalen of hekwerken in ’t landschap. Elke stap brengt me verder van Amsterdam vandaan. Met een bochtje naar links, een zwenking naar rechts, traag als water stroom ik de kaart af, volg ik de enig mogelijke weg die me langs de Amstel richting Den Haag voert.
Dat is de grotere gedachte. Waar ’t werkelijk om gaat is vandaag de wandeling van Aalsmeer naar Nieuwveen. De rest van de afstand verzorgt ’t openbaar vervoer.
Ik ken de plaatsen niet eens. In Aalsmeer heb ik een oud vrouwtje bij de bushalte moeten vragen hoe ik bij de rode lijn op m’n kaart terecht moest komen. Omdat ze blijkbaar niet al te vaak de plattegrond van haar woonplaats voor ogen had gehad, heb ik ’t om de hoek aan de volgende toevallige passant opnieuw gevraagd. Net zo onwetend, maar bij m’n zoektocht naar mensen die wisten waar zij zich op aarde bevonden liep ik per ongeluk goed. De watertoren van Aalsmeer diende zich aan, waarvan een foto zich ook in mijn gids bevond.
“De watertoren van Aalsmeer; in 1992 uitgeroepen tot mooiste van Nederland.”
Toen ben ik maar doorgelopen & heb voor de rest van de weg m’n mond gehouden. Voor zover als dat ging. Onderweg betrapte ik me er op ‘Floep’ tegen een steentje te zeggen, terwijl ik ‘m een zwieper met m’n voet richting Amstel gaf.
Hoeveel van dit soort opeenvolgende dagen zou ’t duren voor ik van deze aanmoediging een conversatie opgebouwd zal hebben?

Rechts achter me de vuurtoren, nu nog slechts een toevallig uitstekend puntje in de verte. Links de vliegtuigen die om de paar minuten hun landing richting Schiphol aan ’t voorbereiden waren. Rechts ’t eeuwig groen met slechts een enkel groepje schapen & een koe als uitzondering die ’t reliëf veroorzaken, daarboven de bui die boven ’t water van de Westeinder Plassen hangt & die ik probeer voor te blijven.
& Voor me de ijkpunten. ’t Water, de boerderijen langs ’t water, de bochten in ’t water die ’t pad opzij duwen.
Uit 1 van de boerderijen zie ik in de verte een vrouw stappen. Ze loopt richting Amstel, stapt in de gereedstaande roeiboot & slaat de 1e slagen met de roeispanen als ik voorbij kom lopen.
Aan de overkant zie ik een auto langs de kant staan. Er liggen daar nog 2 roeiboten aangemeerd. ’t Gezin bestaat blijkbaar uit 3 personen. Vanaf deze kant kan men niets bereiken, want ’t pad is daarvoor te smal. In de boerderij zie ik niemand bewegen. Ik kijk nogmaals naar de vrouw die moeizaam voortroeit. Er is geen haast, maar ’t kost wel kracht.

Ik zet m’n capuchon op, weiger voor de rest vooralsnog m’n sjaal te voorschijn te halen, & vang de spaarzame druppels komend van de rand van de donkere wolk op. Een boer brengt z’n bok naar binnen, kijkt mij kort schaapachtig aan & vervolgt z’n weg naar de schuur. ’t Verkeer aan de overkant van de Amstel haast zich om zo snel mogelijk thuis bij moeders de vrouw te kunnen zijn. Vanaf hier lijken ze in hun vaart de bochten nog maar net te kunnen nemen.
De telefoon in m’n broekzak gaat. Ik sla m’n capuchon weer naar achteren.

‘Hoi, Quint.’
‘Hoi, gefeliciteerd!’
‘Dank je.’
‘Waar ben je nu?’
‘Aan de Amstel. Tussen Aalsmeer & Alphen a/d Rijn.’
‘Kan je niet uit de wind gaan staan? Ik versta je bijna niet.’
‘Nee, er is hier geen plek om te schuilen. Alles is hier open.’
‘Je kunt je toch een kwartslag draaien?’
‘Ja, da’s waar. Ik zet ook wel even m’n capuchon weer op.’
‘Doe dat.’
‘Versta je me nu beter?’
‘Ja, nu kan ik je horen. Ben je met Roswitha?’
‘Nee, in m’n 1tje. Zij moest nog werken.’
‘Je viert je verjaardag niet?’
‘Nee, ik ga straks wel met haar uit eten, als ik nog fit genoeg ben, maar dat is alles.’
‘Nou, veel plezier nog.’
‘Dank je. Doei.’

Hier moet ik naar rechts, naar Bilderdam. Een grote omweg moet ik maken langs ’t water van de Amstel om vervolgens via de rechteroever van het Aarkanaal Nieuwveen te kunnen bereiken. Ik kan ook de Tolsluis nemen, dan snij ik behoorlijk af. Maar dan loop ik ook aan de verkeerde kant van ’t kanaal. Met veel verkeer.
Nee, liever loop ik via de rode lijn, met z’n roodwitte strepen in ’t landschap. Kan ik straks nog langs de kant van ’t pad tegen een boom aan piesen.

Want dat doen we liefst ook in alle rust in Zijperspace.

neus

& In die morgen van de 10e april, die morgen, ’t was nog geen 11 uren oud de dag, keek ik mijzelf in de ogen. Om te controleren of er iets veranderd was.
Er moeten nl grenzen zijn die overgestoken dienen te worden. & Een mens vindt ’t prettig om een markering bij ’t overschrijden te bemerken. Niets zo fascinerend als een 3-landenpunt waar de lijnen tussen de gebieden zichtbaar zijn gemaakt. ‘Nu ben ik in Nederland, nu in België, Duitsland, Nederland, België,’ etc. Wie heeft op bepaalde plek niet staan huppelen met die gedachte in ’t hoofd & onbekommerd zonder paspoort op zak?

Veranderd? Was er iets veranderd dan, behalve dat de wetenschap van de eindigheid zich in me genesteld had?
Ik kan nu niet meer over straat lopen zonder te bedenken dat de persoon die ik toevallig passeer, of in ieder geval 1 van de personen die ik ga passeren, binnenkort niet meer bestaat. Of er schiet me een ogenschijnlijk willekeurige herinnering te binnen, over een camping in Frankrijk, 20 jaar geleden, waarbij ik me bedenk dat velen van hen, die daar net als wij hun vakantie doorbrachten, inmiddels ook vertrokken zijn.
Als Carel, dan toch zeker ook anderen? Niet meer dan logisch.
’t Enige wat me ontbreekt zijn de namen van hen die er niet meer zijn. De gezichten vaak ook. Hoe kan ik de gelaatstrekken zien van mensen die mij niet interesseren, aan me voorbij gaan & die straks verdwenen zijn?
Ze waren er niet, dus kunnen ze niet verdwijnen. Ze kunnen hooguit verschijnen in hun verscheiden. Hier is een lege plek, luidt de aankondiging in de krant die mij toevallig onder ogen komt.
Ik denk dan niet: dat was de man die mij vorige week met de auto links voorbij kwam.

Ik keek in de spiegel dus. & Zag niks.
Misschien waren ze een beetje moe, m’n ogen. Een doffe glans van ’t ontwaken dat nog niet voltooid is. Dat zou vorig levensjaar niet veel anders zijn geweest.
Ik bewoog me een beetje dichter naar de spiegel. Controleer of alles er nog zit. De kleuren waar ik aan gewend ben. ’t Pupilletje, de adertjes, de dikke rand die ietwat bolt aan de onderkant.
& Gerustgesteld voor ‘t niet kenbare, ’t niet herkenbare, alles is ‘tzelfde, of anders in ieder geval zo weinig verder geslopen, als een slak die de weg van Den Helder naar Maastricht bezig is te voltooien & wij kijken van boven op de kaart elke dag hoe ver hij al gevorderd is, 1:200.000, & niets wijst er op dat hij ’t eind ooit zal bereiken, maar toch weten we dat ’t ééns zal gebeuren, gerustgesteld dat ’t ooit wel zal plaatsvinden, maar nu nog niet, niet nú, nog, niet, straks pas, later, keerde ik me van de spiegel af & zag in ’t voorbijgaan, ’t keren van ’t hoofd, maar de ogen die nog aan de spiegel zaten gekleefd, dat m’n neus een raar dakje heeft.

Een dakje? Een dak zit ergens bovenop! Een dak schermt af voor alles wat van boven komt, heeft een verticale functie & derhalve bevindt een dak zich altijd hoger dan ‘tgeen ’t afdekt.
& Bij mij zit die dak, dat dakje, dus vooraan. ’t Is meer een schutting.
Een schutting die ik nog niet eerder had opgemerkt.

M’n wijsvinger is in alle paniek al onderweg. Beroert ’t stukje vlees daar vooraan aan m’n neus.
’t Kan naar links & ’t kan naar rechts.
Stom ding. Ik zie m’n uitdrukking & denk ‘stom ding’.

Waarom heeft niemand mij dat ooit verteld?

Of is ’t tevoorschijn gekomen na 42 jaar mezelf bedotten & nu ik ontdekt heb dat niets dood te zwijgen valt, mezelf voorliegen over alles & ’t einde van dat alles tegelijk, wil de wetenschap dat ook dát bestaat m’n lichaam uit.
’t Heeft zich opgehoopt, alles wat ik mezelf valselijk heb voorgespiegeld, is een gezwel gaan vormen dat zich een weg zocht uit mijn lichaam, maar kon geen opening vinden zolang ik niet toegegeven had dat mezelf inbeelden dat ’t anders was niet de waarheid is, niet de waarheid zal blijken te zijn, ook nooit was.
& Nú, bij ’t vingerklikken van de ene dag naar de andere dag, op de kaart van welke weg wij afleggen is ’t niet meer dan zo’n vingerklik, 1:200.000.000.000, heeft ’t zich aan me opgedrongen & wordt m’n hoofd een gok: ik weet niet meer waar ’t heen gaat & kan nog slechts m’n neus volgen.

Ondanks dat verandert er dus niet zoveel op de dag dat je 42 wordt in Zijperspace.

workshops

‘Waar zit je nou?’
‘In de trein.’
‘Ik zat te denken: zal ik je van de trein op komen halen & dan naar ’t Ketelhuis brengen?’
‘Oh, dat had ik zelf ook al bedacht, maar ik dacht: dat moet ik maar niet vragen. Ben je al zo vroeg wakker dan?’
‘Ja, ik kon niet meer slapen. Zal ik dat dan maar doen? Hoe laat kom je aan?’
‘Weet ik niet meer precies. Ik heb de trein van .36 genomen.’
‘Ok, dan zie je me straks wel.’

‘Ik had je niet herkend. Je hebt een andere jas aan.’
‘Ja, ik dacht dat ik dan wat mobieler zou zijn.’
‘Is-ie wel warm genoeg?’
‘Ja, hij is van binnen niet-vocht-doorlatend.’
‘Maar dan moet je wel de rits tot aan boven dicht doen. Want je sjaal staat open.’
‘Wil jij m’n tas voorop nemen?’
‘Dat is ook de tas die ik dan mee naar huis moet nemen? Die heb je voor de rest niet nodig?’
‘Nee.’

‘Meneertje, niet zo snel met al die hobbels.’
‘Ik ga juist extra rustig nu we de tijd hebben. Als ik zo door blijf fietsen zijn we nog zeker 20 minuten te vroeg.’
‘Goed, meneertje. Maar ik moet ook nog pinnen.’
‘Dat kan aan ’t eind van de Haarlemmerdijk.’

‘Zullen we dan ergens koffie gaan drinken?’
‘We kijken wel.’
‘Hier is een pinmachine.’
‘Daar zijn we nu al aan voorbij. Aan ’t eind van deze straat is er nog 1. & Anders kan je ook nog geld van mij lenen.’

‘Ik ben wel zenuwachtig. Ik kom vast Peter of John tegen.’
‘Mevrouwtje, als je ze dan tegenkomt, dan moet je maar tegen ze zeggen, dat als ze iets vervelends zeggen, dat je dan je vriendje belt om te komen.’
‘Zal ik doen, meneertje.’

‘Hier zou de 22 stoppen. Maar daarnet ging ook de 178 voorbij. Die gaat volgens mij ook naar ’t Centraal.’
‘Maar met de 10 zou ik toch naar jouw huis moeten?’
‘Ja, maar dan moet je op ’t Leidseplein over moeten stappen op de 7. Dat duurt best lang.’
‘Ja, de routeplanner zei dat ’t een ½ uur zou duren.’
‘Dat wou ik net zeggen. Kan je net zo goed naar ’t Centraal gaan & daar de metro nemen. Ben je volgens mij net iets sneller.’
‘& De 18 vertrekt ook vanaf ’t Ketelhuis.’
‘Ja, die kan ook.’

‘Iedereen lacht naar me. Iedereen die naar buiten komt lopen. Terwijl ik niet eens meedoe.’
‘Ze lachen omdat ze mij herkennen & zien dat jij bij mij hoort.’
‘Tuurlijk, ze zijn al zo vertrouwd met jouw achterkant dat ze je meteen herkennen.’
‘Ja, meneertje.’
‘Je moet maar zo naar binnen gaan. Anderen komen ook al aan. & Hier is ’t koud.’
‘Ik kan ook een rondleiding doen van Peer Mascini. Die heeft een rondleiding over ’t terrein ingesproken. Kan je op mp3-speler afspelen.’
‘Ik had je graag m’n speler uitgeleend, maar ik gebruik ‘m elke dag.’
‘Dat weet ik toch, meneertje. Maar ik zou ‘m ook niet van jou willen lenen. Ik weet niet hoe dat ding werkt. & Hij is niet van mij.’

‘Meneertje!’
‘Dag, mevrouwtje. Gaat alles goed?’
‘Ja, ik heb pauze. ’t Liep een ½ uur uit, maar nu heb ik evengoed tot 1 uur pauze.’
‘Oh, da’s dus niet zo lang meer.’
‘Hoe laat is ’t dan?’
’10 Over ½.’
‘Oh, ik moet nog wat eten.’
‘Dan kun je over de brug lopen, de straat daar tegenover in. Dan kom je op een pleintje uit waar wel wat winkels zijn. Als je heen & weer loopt ben je hooguit 5 minuten kwijt.’

‘Meneertje, wat ben je aan ’t doen?’
‘Ik eet een boterham. Ik was net klaar met voorbereiden. Straks ga ik open.’
‘Ik vergeet steeds hoe laat je moet werken.’
‘Om ½ 2 begin ik. & Om 3 uur ga ik open.’
‘Ik heb toch maar besloten om naar jouw huis te gaan. Even uitrusten. & Mezelf een beetje opknappen.’
‘Dan kun je net zo goed de 22 deze kant op nemen. Dan kun je m’n fiets lenen.’
‘Om dan vanavond te gebruiken ook?’
‘Ja.’
‘Da’s wel een goed idee. Maar dan moet je me ook wel jouw lichtjes meegeven. & Je broekklem.’
‘Ja, daar moet ik dit keer even goed om denken.’
‘Ik ga maar weer ophangen, meneertje. ’t Gaat zo weer verder.’
‘Veel plezier dan, mevrouwtje. Met een kusje. Zie ik je straks hier wel.’
‘Ja, tot straks. Met een kusje.’

Zinniger bestaat er niet in Zijperspace.

lijst

We komen ze tegen op straat. Ze zeggen dat ze slechts 20 minuten weg zullen zijn. Wij zeggen dat wij dan weer vertrokken moeten zijn.
Dus lopen ze met ons mee terug.
‘Wie staat er dan achter de bar?’ vraag ik.
‘Ik,’ zegt Quint.

‘O ja,’ zeg ik, ‘ik moet ook nog die lijst afwerken.’
Ik laat ‘m zien. Vertel dat ik alle gegevens van de familieleden in moet vullen.
‘Heb jij je al laten onderzoeken?’ vraag ik aan Quint.
Nee, hij is pas in juni aan de beurt.
Ik vertel m’n verhaal. Vooral aan Amelina. Die luistert. Ze kan goed luisterend kijken. Dan gaat ’t vanzelf.
‘Dus als ze in ’t AMC constateren dat ’t misschien iets erfelijks is, dan kan ’t zijn dat de rest van de familie ook wordt opgeroepen voor onderzoek. Hoef je niet te wachten tot juni,’ wend ik me tot Quint.
Maar nu die lijst. Wanneer geboren, wanneer dood, welke ziektes.
Ik gebruik mezelf als voorbeeld. Dat wordt ook als 1e gevraagd.

‘Wanneer werd Opa geboren?’ vraag ik aan m’n moeder.
‘Opa Zijp?’
‘Nee, die heb ik net gehad.’
Ze weet alles uit haar hoofd. M’n moeder is een wandelende verjaardagskalender. Alleen over de overlijdensdata twijfelt ze. Maar daar hebben we Quint voor.
‘Wanneer overleed Opa?’
‘Dat weet ik niet meer,’ zegt m’n moeder.
‘’84,’ zegt Quint.

We zijn bij Oma Zegers.
‘Wat was haar voornaam?’
‘Had je nou nog wat van mij nodig?’ vraagt Quint. ‘Want straks ga ik weg.’
‘O ja.’
Ik sla snel de bladen om tot ik bij de broers & zussenpagina ben. Ik vul de namen in.
Jan Zijp. Theo Zijp. Carel Zijp.
‘Overleden 29/1/2006,’ vul ik meteen mompelend in.
De anderen hebben ’t over ’t ophalen van Shinn. Die blijft vrijdag bij m’n moeder logeren.
‘Dan staat-ie om ½ 4 klaar,’ zegt Quint.
Amelina bijt in Quint z’n hand.

‘Te hoog cholesterol,’ vul ik bij Jan in. ‘Theo ook “te hoog cholesterol”.’
‘Oh,’ zegt Quint, ‘zij ook?’
‘Ja, wist je ’t niet?’ vraag ik verwonderd. ‘Wat heb jij eigenlijk voor ziektes?’

‘We moeten gaan,’ zegt Quint.
‘Oh,’ reageer ik, ‘de kok doet dan de bar?’
Hij knikt. Houdt de hand van Amelina vast. Trekt een beetje.
‘Dan zie ik je vrijdag,’ zegt m’n moeder.
Ja, dan zien ze elkaar vrijdag.
M’n moeder & ik buigen weer voorover.
‘Wanneer is Ome Jan overleden?’
Ze denkt even na & noemt dan de datum.
‘Da’s alweer 13 jaar geleden.’
‘& Tante Wil?’
‘Oh, dat weet ik niet meer,’ twijfelt ze.
‘Een ½ jaar voor Pa.’
‘Oh, wacht, 18 november.’
‘Da’s een jaar voor Pa.’
Ja, dat was een jaar voor Pa.

Ik stop de lijst in de archiefbroekzak van Zijperspace.

knoeien (dl 2)

Maar nu, nu ik ouder ben, m’n eigen verantwoordelijkheden moet nemen, m’n moeder die vaak vroeg of ik wel genoeg fruit at & ik zei ‘Nee’, & ik uiteindelijk genoodzaakt word m’n gewoontes te veranderen, merk ik dat de gewoontes hybride zijn. Een blik in de toekomst & tegelijk over m’n schouder heen kijken naar toen. Ik kan geen aardappelschilmesje ter hand nemen of m’n hoofd wordt gevuld met plaatjes, fimpjes, al of niet gemankeerd, beschadigd, blinde vlekken vertonen zich, maar toch levendig & vertrouwd.

2 Stuks fruit per dag. Dat moet me gezond houden, las ik, oa dát moet me gezond houden.
Dus staat er sinds kort een fruitschaal op tafel. Ik probeer ‘m gevuld te houden & eet ‘m tegelijkertijd zo snel mogelijk leeg.
Elke dag knijp ik lichtjes in een peer, om de eetbaarheid te meten zoals m’n moeder me heeft geleerd. Ik wacht tot ’t groen zich verwijderd heeft van de banaan, de kiwi precies goed in de hand voelt. & Als dat alles nog op zich laat wachten neem ik in de tussentijd een mandarijn.

Ik begin ergens in ’t midden. Met een nagel net even langer dan de rest. Ik pulk de schil & vanaf die 1e opening maak ik ’t gat wijder & wijder.
’t Is een spel. ’t Moet aan 1 stuk.
‘Ik heb de langste schil,’ hoor ik Carel roepen.
& Ik zwoeg voort om me daar vooral niet door te laten opjagen. ’t Moet dun, ’t moet goede hoeken hebben, ’t moet niet gehaast zodat-ie onderweg al afbreekt.
Hoewel ik ’t spel nu wat heb vereenvoudigd. Ik hoef niet meer te winnen. Slechts uit gewoonte, ik was ’t bijna vergeten in die fruitloze jaren, maar alsof ’t onherroepelijk deel blijft uitmaken van m’n persoon, ingebakken, niet weg te branden, zie ik mij gedwongen alles bij elkaar te houden. Geen kruimeltje, maar aan 1 stuk.
We construeerden vaak een mandarijn die geen mandarijn meer was. De inhoud was door onze monden getrokken, de schil werd echter door onze handen als kommen te houden terug gedwongen in z’n oorspronkelijke vorm. Met scheuren, maar als je ‘m voorzichtig vasthield dan leek-ie op even daarvoor.
‘Mam, wil jij ook een mandarijn?’ boden we aan, om op ’t laatste moment te laten zien dat ’t lucht was wat je vasthield.
& Zij speelde mee.

Ik zie de vanzelfsprekendheid waarmee m’n moeder ’t bord vulde met de perenschillen. Zo snel mogelijk, om de aandacht vast te houden, ook om aan de vraag van 6 kinderen & een echtgenoot te voldoen.
Ik hang tegenwoordig lui achterover. Een zelfde bord, een zelfde soort mesje, ’t ritueel van aan tafel blijven zitten echter allang vergeten, maar wel nog net even rust nemend, straks mag ik verder.
De peer wordt in 4-en gedeeld, ’t hart verwijderd, met spoedig natte handen van schil ontdaan. & Langzaam laat ik ‘m m’n mond in glijden. Ik zuig nog net niet ’t vocht er uit. Traag trekt-ie echter naar binnen, zonder door m’n vingers vooruit geduwd te worden. Ik mag pas kauwen als-ie voor de helft m’n mond in geschoven is.
Een zelfde soort regel bepaalt tegenwoordig dat ik minstens 4 partjes mandarijn tegelijk moet nemen. Allang niet meer om beurten, partje voor partje zoals toen, maar bij elke hap zie ik de zorgvuldigheid van vroeger, ’t spel, ’t geduld, de dwangmatigheid die me prettig bezig hield. Om daar vanaf te zijn heb ik nieuwe regels opgesteld, om mezelf in staat te stellen ’t gedrag van 30 jaar geleden te ontkennen.

& Er is argwaan bij elke banaan die ik eet. De slierten aan de binnenwand mogen nog steeds niet mee, worden zorgvuldig verwijderd, over de schil heen gedrapeerd.
Bij elke hap kijk ik naar ’t middenpunt. Waar de delen bij elkaar komen kijk ik de diepte in. Ik weet dat de reispillen er al jaren niet meer zijn, niet meer op een onverwachte plek in de banaan verborgen zitten, maar de gewoonte laat zich nog niet slijten.

& In al die kleine rituelen voel ik dat ’t m’n moeder is die me heeft doen opgroeien, me dingen heeft bijgebracht, tot in de kleinste puntjes heb ik haar gekopieerd, haar gewoontes op mezelf toegepast, waardoor ik me nu pas begin te realiseren dat ik mezelf ook verzorgen moet.

We knoeien nog wat verder in Zijperspace.

knoeien

Vroeger deed ik ’t nog partje voor partje. Ik martelde mezelf door er zoveel mogelijk geduld mee te betrachten. Alsof ’t daar lekkerder van werd.
Waarschijnlijk was dat ook wel zo, want elke keer als er een deel door m’n keel was verdwenen, verscheen er een andere in m’n gehemelte. & Terwijl de dunne wand zachtjes opengebroken werd, traag, zodat ik de druppeltje er uit voelde vloeien, als leek ’t een ongeluk & stelpte ik met m’n tong ’t bloed, slurpte ik in gedachten al gulzig de rest van ‘t mandarijnvocht op. Er was een voorspel, er was een naspel.
Als ik voorzichtig was kon ik dat dunne velletje er ook nog wel vanaf pulken. Beginnend bij de binnennaad, waar elk partje zich ’t dichtst bij de andere partjes bevond. ’t Midden, ’t hart, de navel. Ik gebruikte er m’n scherpste nagel voor, zich afzettend tegen de huid van m’n duim. Zachtjes scheurde ik ’t velletje los, proberend de minuscule vochtzakjes niet mee te sleuren. Want daar was ’t tenslotte om te doen.
De wereld ontrafeld. Een oranje reservoir waar al ’t leven begon. Elk zakje z’n eigen druppel. Dik opeengepakt, er leek geen einde aan te komen. & Dan was dit nog wel ‘t 1e zakje. ’t Werd omringd door gelijke broeders, plechtig in een kring, omarmd & bijeen gedrukt door de beschermende buitenste schil.
’t Was bijna zonde om ’t op te eten.

‘Niet knoeien met ’t eten!’ deed me uit m’n studie van ’t leven ontwaken.

& Als we een stuk banaan kregen aangereikt, op reis naar Luxemburg, moesten we dooreten. We wisten op een gegeven moment heus wel dat we bedonderd werden, dat er een reispilletje in de naden zat weggedrukt, maar de dwingende arm van moeders die van voor in de auto voor ieder een deel van de banaan klaar had, dwong ons te eten. Tot aan de bittere smaak van de pil toe.
‘Hap, slik, door!’ moedigde ze aan.
3 Staccato woorden. Afzonderlijk bevelend.
’t Geel van de banaan veranderde in ’t geel van de verpakking van de reispillen. Bij ’t inpakken waren we ze tegengekomen, maar hadden niets laten blijken, alleen maar gehoopt dat er geen aanleiding was ermee gevoederd te worden.
Elke sliert te veel langs de binnenhuid van de banaan heeft die bittere pillensmaak. ’t Krult je tong, ’t zuigt je wangen toe. We hadden dat waarschijnlijk nooit geweten als er niet iemand in ’t gezin was geweest die vaak van ’t langdurig autozitten misselijk werd. Dan waren we speels doorgegaan met ’t pellen zoals de apen deden, zoals we dachten dat apen deden, maar waar uiteindelijk alleen de aap van Daktari toe in staat was.
De onbekommerdheid verdween, ’t wantrouwen groeide. Alleen een banaan tot een papje prakken, suiker erbij voor wat extra smaak, was nog interessant. Want dan wist je zeker dat je zelf bepaalde wat er in je mond terecht kwam.

‘Niet knoeien!’ klonk er dan weer.

Vanwege dat geknoei schilde m’n moeder de peren. Ze haalde er speciaal een diep bord voor uit de keuken. ’t Aardappelschilmesje ook, keukenpapier voor ’t lekken.
’t Stroomde op een gegeven moment langs haar armen naar beneden. Zoveel kinderen, zoveel peren te schillen.
Als je zei dat je ’t zelf kon, dan zou er toch alleen maar geknoei van komen. & Gehoorzaam wachten resulteerde in niets anders dan de 1e peerpartjes voor Pa.
‘Mmm, lekker, Anny,’ gromde hij tevreden tussen ’t kauwen door.
De wereld was oneerlijk, wisten we toen al, want wij hadden ons mond 1st leeg moeten eten voor zo’n opmerking, hoe poeslief ook bedoeld.
M’n moeder was ondertussen bezig met de volgende peer. Sneed ‘m in 4-en, schilde vervolgens de afzonderlijke delen, deelde uit aan hebberige handen, van jong naar oud.
& Als ik ‘m dan in m’n handen had, eindelijk waren m’n grotere broers bedeeld, dan nóg mocht ik niets zeggen.

‘Dooreten! Niet knoeien! Je lekt.’

& Vette zoete druppels stroomden over Zijperspace.