tessan (1)

Ik kwam in regen aan. Een auto bracht me ’t laatste stuk van ’t stadje naar de camping. Volgeladen met gezin. Maar de man had zelf ook ooit in de regen staan liften. Daarom moest zijn vrouw achter gaan zitten.
Of ik alleen nog even m’n regenjas wilde uitkloppen.
We namen de weg langs Oxelösund, nog maar 1 lange weg te gaan, die nergens anders heen leidde.
Hij heeft me bij de camping afgezet. Ik kon schuilen onder een afdakje. Tot de buien voorbij waren; toen heb ik geprobeerd me aan te melden bij de receptie. Maar er was niemand, vertelden ze me.

Ik ga niet op de kaart kijken. Ik weet hoe Oxelösund er uit zag. In mijn verbeelding. Van toen, van nu. Een klein stadje. Ik heb de inwonersaantallen bekeken. Kleiner dan Den Helder. Veel kleiner. & ’t Was de meest winderige plek van Zweden. Net als Den Helder. Van Nederland dan.
Dat heb ik Tessan verteld. Dat heeft zij mij verteld.
De camping was een schiereiland door ’t brugje dat je over moest steken. Zonder dat brugje was ’t een eiland gebleven. Een minieme doorgang voor ’t water, maar toch een eiland. Daarom kon ’t net zo goed gaan schieren. ’t Verschil tussen beide was te klein.

Ik heb m’n tent opgezet. De volgende dag aangemeld, meteen betaald. Ik heb gezegd dat ik niet wist hoe lang ik zou blijven.
Ik deed m’n best op m’n zweeds. Maar de vrouw vond ’t niet erg om op engels over te schakelen. Ze vond ’t eigenlijk wel leuk. De 2e avond kreeg ik een blikje bier van haar. Voor bij ’t lezen van m’n boek. Op de bank van de receptie.

Ik was op zoek naar zitplaatsen. Ik kon niet eeuwig blijven ronddolen.
’t Bleef maar drammen in m’n hoofd: ’t is de reis, niet ’t doel. Maar ik had geen reis meer. Verder wilde ik niet. Durven. Ik wist ’t alleen nog niet.
’t Cafetaria aan de overkant van de camping had bankjes. Waar alle sportlieden kwamen. Vanaf ’s ochtends vroeg waren ze open. 10 Uur. Dan liepen de 1e zweedse joggers door ’t bos. Werd er op ‘t veld ook een cursus lichamelijke oefening gegeven. Een speciale ontspanningssport waar de gehele zweedse bevolking aan leek mee te doen.
De zweden waren de chinezen van Europa. De kleine mensen voorop, de lange achteraan. Zodat iedereen mee kon doen met bewegen dankzij de luide instructies die van voren kwamen.
Ik keek naar de volksstammen uit Oxelösund & omstreken vanaf m’n bankje bij ’t cafetaria. Tessan bracht me koffie. Dat was dan ‘t 2e bakje. Ze wilde niet dat ik die betaalde, dus kwam ze ‘t tijdens haar pauze brengen. Samen keken we naar de grote groepen bewegende mensen, die op commando hun armen omhoog staken, vervolgens de benen. & Als ze stopten rende Tessan snel terug naar de andere kant van de zelfbedieningsbar.

Ze vroeg of ik langs wilde komen op haar vrije dag. Ze duidde me aan waar ze woonde. Dat was onderweg naar ’t centrum.
Ik belde aan. Haar moeder deed open. Tessan kwam niet veel later.
Of we zouden wandelen.
Ik vond alles best. Ik had me zenuwachtig gemaakt hoe dat zou gaan in een zweeds huis. Stel dat ik er moest eten, wat moest ik zeggen, doen?
De wandeling was richting centrum & terug. Tessan vertelde waar ze altijd kwam. Waar ze anderen ontmoette.
’t Was afscheid voor haar. De laatste zomer in Oxelösund. Volgend jaar studeren in Stockholm. Nog even snel geld verdienen in ’t cafetaria.
Ze mijmerde de plekken die straks vroeger zouden worden. Ik zag niets dan hitte van de verlaten plekken druipen. Slechts enkele asielzoekers waagden zich in deze hittegolf.
& Wij. Haar moeder had ’t niet goed gevonden op haar kamer te zitten.

Ik besloot te vertrekken. ’s Ochtends vroeg had ik m’n rugzak ingepakt. Rond 10-en stond ik bij ’t cafetaria. Ik dronk m’n bakje koffie. Een broodje als ontbijt.
Tessan kwam haar pauze houden. ’t Was rustig, maandags sporten er niet zo veel mensen.
Ik zat op een bank. De kaart van Zweden voor me, een route uitstippelend, rekening houdend met waar mensen me zouden kunnen droppen.
Ik tilde m’n rugzak op. Tessan kwam op me toelopen, om de tafel heen. Haar armen wijd. Ze lachte, zoals weinig anderen durfden lachen in Zweden.
Ik wist weer niet hoe de zweden dat deden. Dus gaf ik haar een zoen. Waar haar mond boven m’n schouders bleef. Er bleef zelfs niets in de lucht hangen.
Toen heb ik m’n rugzak vastgesjord & ben vertrokken. Ik heb nog achterom gekeken of ze me zag zwaaien.

Maar waarschijnlijk dronken er meer mensen koffie in Zijperspace.

afwezigheid

De bijen zijn minder agressief, weet ik nu. M’n buurman kwam me dat vertellen. Hij stond voor me, te wachten op bier, terwijl ik op ’t punt stond een andere klant te helpen.
Hij lachte. Een nieuw volk, een minder agressief volk, zei hij. Hij had er lol in ’t te vertellen.
Och, ik had er toch niet zo’n last van, zei ik & liep ondertussen heen & weer naar de kassa, om iemand z’n wisselgeld terug te kunnen geven. Ik lachte met ‘m mee. Zo’n vriendelijkheidslachje, leuk dat je je buurman ziet, leuk dat je je buurman weer even spreekt, zo’n lachje.
Nee, niet zo’n last van, zei ik. Bovendien had-ie me zelf verteld dat de bijen toch op zo’n 40 km afstand hun voedsel haalden. Toch?
Ja, ja, dat was waar. Maar daar had-ie ook kasten staan. Buiten de stad. Dus kwamen er ook bijen deze kant op.
Ach, dacht ik, dan zou ’t wel heel toevallig zijn als die bijen van buiten de stad toevallig ons zouden vinden. ’t Leek me sterk dat ze speciaal deze kant op zouden komen om hun imker te kunnen vinden. Zo werken bijen niet, zo denken ze vast niet. Hun imker op een zolderetage. De bijen wisten vast niet dat er een imker was die volken op een zolder hield. Dat ’t dan ook nog dezelfde imker was als degene die hen een onderkomen had gegeven. Ergens in den lande.

Zo kreeg ik weer even contact met m’n tuin. Waar ik al bijna geen stap meer durf te zetten.
Een paar jaar geleden had ik nog verwonderd omhoog gekeken: een wolk van bijen cirkelde om de top van een boom. Ik had nog nooit iets dergelijks gezien. Een levend meetkundig figuur, uitdijend, inkrimpend, zoveel geluid producerend dat ik ’t door de gesloten tuindeuren had kunnen horen.
Ik was de tuin ingestapt om te horen wat er aan de hand was, om ’t verschijnsel te bestuderen. De bijen waren overdonderend in hun massaliteit, maar ik had ’t gevoel dat ze mij niets zouden doen. Ik stond veilig in m’n eigen tuin. Op 3 meter afstand. Misschien iets meer.
Er liep een lint van onrustig rondvliegende bijen tussen de boomtop & ’t huis van m’n buurman. Ik zag m’n buurman op een gegeven moment ook kijken wat er aan de hand was, hoofd uit ’t zolderraam.

Dat was ’t agressieve volk, weet ik nu. Dat volk is inmiddels vervangen.

Ik stap de tuin niet in momenteel, wil ‘m klaarblijkelijk niet snappen. ’t Pad dat ooit 2 tegels breed was, door mij gereduceerd tot 1, is overwoekerd geraakt door de wildernis die ik zelf wilde. Ik weet hoe alles heet, maar wil ‘t dit jaar niet benoemen.
Ja, in gedachten komen ze wel voorbij, als een soortement oefening repeteren ze zichzelf als ik naar ze kijk, maar meer dan een keertje vluchtig 10 namen voor Roswitha liet ik dit jaar niet over m’n lippen komen.

Ik sta in de deuropening van de keuken. ’t Is eindelijk even warm genoeg om die deur voor langere tijd open te houden. & Nadat m’n boterhammen zijn gesmeerd heb ik nog wel even tijd om gedachteloos ’t groen in te staren. Da’s een gewoonte, ik weet niet wat ik er verder mee wil. ’t Gebeurt. & Sommige dingen moet je laten gebeuren. Zeker waar ’t een tuin betreft.
Ik hoor achter me een bij. Hij zoekt de opening naar buiten. Ramt daarbij meermaals ’t raam, zonder resultaat. & Naarmate dat beest achter me meer geluid maakt, zie ik meer in de tuin rond zoemen. Allemaal naarstig op zoek naar bloemen & honing. Klein grut & af & toe wat groter grut. Die achter me spant echter de kroon.
Ik doe een stap opzij, zodat de spiegeling van ’t raam in de keukendeur naar binnen valt. De bij reageert onmiddellijk & vindt de weg naar buiten. Hij is meteen verdwenen in de onoverzichtelijkheid van ’t grootse verdwenen. Spoorloos. Alsof-ie niet meer herkenbaar is, kameleontisch is verzwolgen door z’n omgeving.
Ik kijk nog even naar z’n kleinere broertjes, verre neven & nichten, & doe dan een stap achteruit. Ik trek me terug in de kamer, tuindeuren gesloten. Slechts een merel weet zich daar aan me op te dringen. & Een enkele koolmees met een hoge snerp. De plotse helikopter reken ik niet mee.

In ’t begin van ’t groeiseizoen heb ik nog enkele correcties aan de tuin aangebracht. Stekende tentakels kwamen over de schutting met de buren groeien. Met handschoenen van vorig jaar, bijna niet meer bruikbaar, & een knipschaar heb ik die takken weggehaald. Op een enkele plek de schop in de grond geplaatst. Een beginnende berenklauw ingedamd.
Ik heb er een week lang last van gehad. Doornen die in m’n huid waren gedrongen. Splinters ook. Tot onder m’n nagels.
Ondertussen, nu ik er al een tijd niet geweest ben, zie ik evengoed wel dat er dingen gebeuren, daar achter in de tuin. Een berenklauw van inmiddels 1½ meter hoogte. De rotsplantjes die ’t onderspit moeten delven voor de planten die net even meer de hoogte zoeken. De winde, de niet-aflatende winde.
Maar hooguit als ik ‘ns voorover buk, vanaf de tegels vlak achter de tuindeuren, net een vuilniszak uit de bak gehaald, vervangen voor een nieuwe, pleeg ik wat uit de grond te trekken wat er mijns inziens niet had hoeven zijn. Overbodig, te veel, niet wenselijk. Voor de rest gaat ’t z’n eigen gang.

Ik ben er niet, weet de tuin. Dit jaar niet. Ik staar hooguit apathisch door ’t raam. De deuren gesloten.

Zijperspace grotendeels op slot.

zalmsnee

Als je iets meermalen meemaakt, relateer je de keren dat zoiets gebeurt altijd aan die ene 1e keer. Zo ook bij ’t bereiden van een broodje zalm.
Al is ’t alleen al de verwondering over de prijs die in de supermarkt aan zo’n grote verpakking hangt. Ik kon ’t niet geloven, draaide ’t meermaals in m’n handen om, op zoek naar de houdbaarheidsdatum, in de veronderstelling dat ’t daar aan te wijten viel, de kleur anders misschien & begon toen theorieën te bedenken over de noorse wateren die blijkbaar nog steeds volgeladen waren met weldadige zalmmoten, uit de zee zo hapklaar in de mond. Of dat ’t roken absoluut geen moeite zou kosten, laat staan dat ’t noorse hout kostbaar zou zijn, 1 machinaal volautomatisch afhandelen van de hele voorraad voor Europa in 1 keer bij een relatief klein vuurtje.
Die verwondering ben ik nog steeds niet te boven & schemert regelmatig te voorschijn als ik weer ‘ns plakken richting mond doe verdwijnen.

Goed, broer die er verstand van schijnt te hebben heeft gezegd dat zalm zo gezond toch niet is. Waarschijnlijk allemaal giftige stoffen die zich in ’t vissenlichaam hebben verzameld & als wraak voor die zeeverontreiniging is de vis dit bereid terug te geven aan de gulzige mens. Maar ik gebruik, in overleg met Roswitha, we wandelen over een paadje langs de Zuiderzeekust & genieten van ’t vloeien van de vis, alsof ’t nog kan zwemmen, de keel in, de zalm nu 1maal om toch iets lekkers tijdens m’n dieet van cholesterolarm te kunnen genieten.
‘& Zo duur is ’t helemaal niet,’ deel ik haar mede als zij staat te genieten van doldwaze jonge lammetjes in de weide onderaan de dijk & ik me bij herhaling verwonder over die 1e keer dat ik de verpakking in m’n handen had, om ook nog iets te doen te hebben.
’t Was nog diezelfde ochtend. Ik belde vanuit de winkel ‘wat wil je dan op je brood’ & ‘wat wil je dan voor onderweg’ met Roswitha & kwam op ’t idee haar met duur & lekker te gaan verwennen, mijzelf daarbij niet te ontzien & kwam met een belachelijk goedkoop pakket bij de kassa aanzetten. Als luxe mij relatief rijk zou houden moest ik dat vaker gaan doen, besloot ik toen al.
Ook al wist broer mij via Roswitha mee te delen dat ’t zo gezond toch echt niet was.

In 1e instantie hoefde zij niet zo nodig plukjes sla bij de zalm bekleed te hebben. Liever alleen zout & peper. Dat vond ik weer onzin. Ik moest ’t puur proeven. ’t Materiaal z’n eigen werk laten doen, herinnerde ik me gerenommeerde koks zeggen, terwijl ik bescheidenheid over m’n brood drapeerde. & Daar hoorden enkele goudeerlijke slablaadjes misschien ook wel bij, bedacht ik intuïtief. Knapperig met soepel gecombineerd.
Toch een ietwat jaloers, meende ik te bemerken, wilde Roswitha haar volgende broodje op de zelfde wijze gepresenteerd zien. Dan voor onderweg, besloot ik, om de restanten vis op de restanten boterham te leggen, zodat ’t aanleiding zou geven voor ons latere conversatie waarbij ze mij de wijsheid van m’n broer voor de voeten wierp.

Toen viel ’t me op dat er 2 plakken zalm op 1 boterham passen. In volle lengte 1, maar dan houd je aan de zijkanten gaten onbelegd brood over. Waar ’t wit van de boter uitsteekt. Dus leg ik een 2e plak zodanig, eigenlijk in tegengestelde richting, dat van zogenaamde leegte geen sprake meer kan zijn. Dat zorgt voor een dikke, misschien niet overal evenredig belegde boterham, maar wel 1 waarbij je bij elke hap kunt zeggen dat er een vis je mond in komt zwemmen.

Je verwacht dat iets dergelijks altijd zo blijft, dat bepaalde condities altijd ‘tzelfde zullen zijn. Dat alle zalmen dezelfde lengte hebben, breedte, volume, ’t zalmsnijdersmes altijd ’t zelfde snijdt. Ook al zou je eigenlijk niet weten hoe zalmen er in levende lijve, voordat ze de eetbare fase ingaan, uitzien. De verpakking is ontworpen om een bepaald gewicht aan vis te kunnen voorschotelen, dan zullen alle plakken wel van ‘tzelfde formaat zijn.
Maar hier komt de onnozele consument die ik ondanks m’n intuïtieve vindingrijkheid bij de bekleding ermee van de boterham dacht te zijn, waarmee ik onmiddellijk alle wijsheid in pacht dacht te hebben, bedrogen uit.
Ze blijken niet in gelijke plakken te snijden te zijn. Elke plak is anders. & Daardoor zijn de verpakkingen op hun beurt weer niet evenredig toebedeeld. Ik heb meegemaakt dat ze opgevuld waren met 10, soms wel 11 plakken. Wat enigszins verwarring veroorzaakte bij de bereiding ’s ochtends vroeg. Waar ligt de grens tussen grote plak & kleine plak, welke klein uitgevallen boterham moet belegd met slechts 2 & heb je nog een andere die van ong gelijke grootte is, zodat de vis niet in ’t niet valt, of anders naar buiten stulpt?

Nee, dan de 1e keer, toen alles nog onbedorven onschuldig was, bedenk ik me, toen alles nog paste zoals ’t hoorde: 2 plakken op 1 snee, een 2e snee eroverheen & met ’t grote mes, o wat een genot, met ’t grote vleesmes, de 2 boterhammen doormidden snijdend. & Als beloning, alsook als voorgenot, mag ik van mezelf ’t grote mes, zo vlak langs de scherpe rand over m’n tong laten gaan, ’t achtergelaten zalmvet weg laten smelten, traag, nauwkeurig, nadenkend, dat de boterham ondanks die verwonderende prijs er toch behoorlijk duur uitziet.

Daar denken we dan aan als we nogmaals een boterham bekleden in Zijperspace, des ochtends vroeg.

fouillage

Ik keek naar een mierennest van schijnbaar ongeordende orkestleden die, daartoe aangedreven door de dirigent, triomferend midden op de trambaan, in hun politiepakjes van gele hesjes zenuwachtig elke voorbijganger probeerden aan te houden om ze te betasten.
Die dirigent zal wel hoofdinspecteur hebben geheten. Of brigadier. Dat heeft bepaalde namen waar ik geen weet van heb.
Maar zonder fluitje, zonder stokje, communiceerde de man vanaf de riante positie van ‘geen tram komt langs mij’ zijn onderdanen richting ieder van de onschuldige onverlaten die het gewaagd had op dit tijdstip de ruimte voor het Holland Spoor-station rond te hangen. Men vond er slechts de meest onnozelen. De rest bevond zich elders. Messentrekkend, pistolen ladend, drugs verhandelend, vrouwen verkrachtend, ach, al ‘tgeen ik me met m’n beperkte fantasie voor mogelijk achtte werd uitgevoerd in duistere honken & smalle stegen waar dit kordon van geprofessionaliseerde zakkenrollers, ze kregen werkelijk alles te voorschijn, zich op dit moment niet bevond.
Het waren er zeker 20.
Zenuwachtig, ja. Ze keken op & om. Zeker als ze weer een korte taak hadden volbracht keken ze op. Naar de dirigent in ’t tramvak. Die gebaarde wie de volgende zou blijken te zijn die zou moeten worden aangepakt.
Ik zag een echtpaar, ze zullen chinees zijn geweest & als toerist verpakt, haastig de tramlijn oversteken, om hun onschuld te bewijzen, om zich te onttrekken aan de bemoeienis van de boevenvangers, om te ontkomen aan de nietsontziende motivatie vooral niet te discrimineren. Niemand werd overgeslagen, dus hoe oud ze ook waren, ze zouden, als ze bleven wachten op die vermaledijde tram die maar niet komen zou, wilde, of van hogerop de opdracht gekregen had nog wat weg te blijven, ook geslachtofferd worden aan de speurdrift van dit vingervlugge team ordehandhavers.

Ik stelde me nonchalant in hun midden op. ’t Midden van mensen die hun armen gestrekt hielden, de benen wijd, hun tassen ertussen (dat leerde ik later), zich overlatend aan de kieteldood die beroepsmatig op hun lichaam werd uitgevoerd.
& Ik ging wachten op de tram.

Ok, ik haalde de koptelefoon van m’n oren. Ter voorbereiding op. Zodat ik kon horen wat er ging gebeuren als ik aangesproken zou worden.
Wat al snel zou gaan plaatsvinden, want de dirigent (ik had een plaats expres recht voor hem uitgekozen, om overzicht te krijgen, ’t orkest gedirigeerd te zien, de organisatie af te kunnen kijken, de structuur, de planning, de orkestratie, de bodem, ’t begin, ’t einde, de chaos, dat alles te kunnen zien) wees mij in een tussendoorse vingerwijzing aan, om vervolgens door te gaan met een weids gebaar, een samenvatting, een knikken, een aankondiging van een ooit komend slotakkoord, een adagio, een allegro non tropo, waarop zijn dienaren zich al dan niet verspreiden, samenklonterden, doorgingen met hun werk.
Het waren balletdansers met een te dik kostuum.

Ik keek een meisje aan. Ze onderging ’t lachend. Een verwondering droeg ze op haar gezicht, terwijl ze het gewriemel gewillig onderging.
De handen, de vrouwenhanden in haar geval, sleepten over haar jas, haar middel, doken naar beneden richting benen, wreven de buitenkant links, gelijkertijd de binnenkant, om vervolgens via de bovenste middelpunt van de kruising, daar waar je niet hoort te zijn dachten mijn ogen, de overzijde te bereiken.
Ondertussen twinkelden haar ogen, want ze vond ’t amusant. ’t Kan ook de kleur zijn geweest die contrasteerden bij ’t grauwe karakter van ’t uur van de dag. Haar blonde haren wapperden op de dwang van de niet aflatende wind.

De dirigent had iemand bereid gevonden mij ‘tzelfde te laten ondergaan. De aangewezen vrijwilliger kwam voor me staan. Een laatste keer bevestiging zoekend bij zijn meerdere.
‘Meneer, u bent misschien op de hoogte van de preventieve actie die wij tegenwoordig uitvoeren bij Holland Spoor?’
‘Niet op de hoogte, maar ik heb er wel over gelezen,’ antwoordde ik met horten verdeeld over een 10-tal seconden, zodat hij al begonnen was voordat ik m’n repliek had beëindigd.
‘Heeft u scherpe dingen bij u?’ stelde hij me de volgende vraag, onderwijl m’n rugzak daarop onderzoekend.
Een flesje bier, constateerden wij tezamen, gewikkeld in een krantje, verstopt in een mouw van m’n voor dit weer te warme sweater. Zorgvuldig, om breuk te voorkomen, wist ik.
‘Plaats uw rugzak tussen uw benen,’ zei de diender, waardoor ik automatisch enigszins wijdbeens kwam te staan, & hij verder met m’n lichaam kon.

Ik was op alles verdacht, voorbereid, ik hield overal rekening mee, met elke aanraking, waar mensen m’n lichaam nimmer zouden betreden, where no man dares to go, & liet z’n handen hun dans wagen over m’n broek, m’n pijpen, m’n schoenen, m’n broek weerom.
Hij rolde m’n mobiel te voorschijn, m’n portemonnee, angstvallig, want blijkbaar bang dat ik rechts zou dragen, m’n klem om broek te beschermen voor de open kettingkast op de fiets & raakte bij de kruising toch nog onopvallend m’n zak.
Ja, m’n zak.
Je bent je er zo hyperbewust van.
Terwijl hij onverstoord verder ging.
Ik kreeg een knipoog van ’t meisje met de wapperende haren met de ogen die contrasteerden tegen de wolken die donker zagen en verder keken naar ’t vluchtende chinese toeristenechtpaar en de krioelende gele pakken, hesjes die zich verspreiden, verzamelden, kordon vormden, gedirigeerd werden door de hoofdbrigadier die alles ten einde floot, de tram, de eindelijke arriverende tram staande hield op 5 meter van de halte, een slotakkoord bracht & de mensen toestemming gaf hun reis voort te zetten onder verlating van ’t plein met zijn troep van 20 of misschien waren ’t er wel meer.
Ik trok m’n broek recht & zocht een plaats om m’n vertrek te aanschouwen.

& Wanorde werd tegelijkertijdse chaos aanschouwelijk gemaakt in Zijperspace.

treinpraat

Ik heb netjes m’n schoenen uitgedaan. Da’s de enige manier waarop je een goedkeurende blik van de conducteur kunt verdienen. Tevens de manier om een beetje huiselijkheid in een trein te creëren, je eigen domein.
Ik had ook m’n koptelefoon op kunnen doen, maar weet niet of dat bij deze dame geholpen had. Ze had waarschijnlijk evengoed wel gepraat, iets te zeggen gehad.
Van achter kwamen de belgische meisjes. De voorste vroeg vriendelijk aan de man die juist wilde gaan zitten of zij met z’n 4-en van deze plek gebruik mochten maken. Toen viel ’t me pas op dat ’t hier op Schiphol wel ‘ns druk zou kunnen worden. Maar vooralsnog zat ik in m’n 1tje, m’n sokken nog steeds op de bank tegenover me.

‘Jongeman,’ klonk ’t toen.
& Ik haalde onmiddellijk m’n voeten voor de oude dame weg. Meer heeft iemand die voorbereid is niet nodig.
‘Maar jong ben ik al niet meer,’ voegde ik er aan toe.
‘Ik kan moeilijk ‘oude man’ tegen u zeggen,’ zei de vrouw terwijl ze zich met moeite in de hoek tegenover me installeerde. ‘Of ‘man’.’
Ik zocht in m’n hoofd kort naar alternatieven, maar kon ze zo snel niet vinden.
‘Is ’t makkelijker dat ik m’n tas op de grond laat of zal ik ‘m naast me zetten?’ vroeg ze toen ze zat.
Ik pakte ‘m voor haar op & zette ‘m naast haar neer.

‘Gaat u in de Ardennen wandelen?’
Ze had haar blik op m’n schoenen gevestigd.
Die draag ik elke dag, dacht ik. Ze had zich beter op m’n rugzak kunnen concentreren.
‘Nee, in Nederland. Aan de grens. Af & toe ga ik de grens over naar België, maar ook snel weer terug.’
Ze kwam weer overeind. Ik voelde de belgische meisjes meekijken. Hun naam was gevallen, ’t stond vrij belangstelling te hebben. Ik keek snel opzij, naar degene die schuin tegenover me zat. Ik had ’t plekje ongegeneerd kijken naar de mooiste van de 4. Onze blikken kruisten elkaar.
‘Ik had ook zulke bergschoenen,’ ging de dame verder, ‘in Oostenrijk, afgelopen winter. Je glijdt niet zo snel weg, met zulk profiel.’
Ik zag mezelf weg glibberen tijdens m’n werk, achter de bar, wilde haar pret echter niet bederven.
‘M’n man & ik hielden van wandelen. & Van Oostenrijk.’
‘Eigenlijk zijn ’t wandelschoenen,’ zei ik, ‘maar wel met profiel.’
Haar stok viel met een klap op de grond. Ik wilde al naar voren reiken, maar zag dat haar benen mijn hulpvaardigheid blokkeerden.
‘Die valt de hele tijd,’ zei ze laconiek & liet ‘m ook liggen.
& Iets wat al ligt, kan niet nogmaals vallen, voegde ik haar in gedachten toe.

‘We trokken altijd de bergen in om te wandelen,’ vertelde de dame.
Ik dacht aan m’n vader.
‘Nou ja,’ ging ze verder, ‘ik bleef vaak bij de tent.’
Ik dacht aan m’n moeder.
‘Maar tegenwoordig gaat ’t niet meer.’
Ze wees naar haar benen.
‘Ik heb afgelopen winter in Oostenrijk nog een rondje proberen te lopen, maar dat ging dus niet. Dat komt door de dood van m’n dochter.’

‘Waar is uw dochter aan overleden?’ vroeg ik na een tijdje.
We waren inmiddels vertrouwd met elkaar. Ik was halverwege haar leeftijd, haar man was dood, haar dochter 5 maanden later, mijn vader 2 jaar geleden.
‘Aan kanker, net als m’n man. Ik had 1st hém verzorgd, toen ben ik meteen doorgegaan met m’n dochter. Daar heb ik m’n benen aan overgehouden.’
Ze haalde haar schouders op.
‘Ik kan wel denken: als ik ’t niet gedaan had, was ’t dan beter geweest, had m’n dochter dan korter geleefd?’
‘Maar een mens kan beter niet achteruit leven,’ zei ik wijs, ‘& nog leven wat in de toekomst ligt.’
Ik voelde dat ’t bij haar paste.

M’n telefoon ging. Een sms-je.
‘Je vriendin,’ wees ze naar ’t toestel.
‘O, dat is een sms-je,’ zei ik. ‘Dat kan wel wachten.’
Ik vroeg me af hoe ze kon weten dat ik een vriendin had, keek ondertussen toch maar naar ’t schermpje van m’n gsm.
‘De volgende nrs hebben geen bericht achtergelaten.’
‘Ik ga toch maar even bellen,’ zei ik.
Dat gaf haar ondertussen de gelegenheid met haar toestelletje een taxi te bellen.
Terwijl ik met Roswitha sprak, moest zij tot 3 maal toe de locatie herhalen.
‘Ik stap uit op ’t station van Roosendaal,’ schalde ’t bij de 3e keer door de trein.
Toen we beiden hadden opgehangen vertelde ze dat ze niet gelovig was, hoewel ze wel zo was opgevoed.

Net zo gelovig als in Zijperspace, dacht ik.

prijzenkast

Ik was nog maar net m’n huis binnengetreden, m’n rugzak af, ’t knopje aan, m’n sweater met capuchon uit, wat vlees in de vriezer, voordat ’t zou bederven, de datum was al zo kort, vandaar die extra korting op deze verpakking, m’n pet aan de kapstok, m’n sweater zonder capuchon aan, voor de behaaglijke ik-voel-me-thuis-warmte, m’n sloffen aangeschoven (sloffen trek je niet aan, ben ik sinds een paar maanden achter, daar schuif je in, dit in ieder geval bij de juiste sloffen), m’n gsm weer aan de voeding, ’t commando ‘verbinding maken’ ingetoetst of ik ontdekte dat er over me geouwehoerd werd op ’t internet.
Ik had niet anders verwacht na dat telefoontje van vanochtend.

Hij vroeg me of-ie bepaalde dingen mocht vermelden. & Ik zei ja.
‘Ja. Ik wil natuurlijk wel gelezen worden.’
Vooral niet te moeilijk doen. Wie wil schrijven moet ook gelezen willen worden. Zeker degeen die gepubliceerd wil worden. & Als je je naam verkondigt via internet, dan ben je al bij voorbaat dermate publiciteitsgeil dat je die fase van twijfel bij een toevallig kort telefonisch gesprek allang al voorbij moet zijn. Met 2500 stukken tekst achter je naam staan (oeps, 2501 inmiddels) (oeps, vergeet ik m'n aankondiging van m'n korte vakantie erbij te rekenen: 2502) (de tijd gaat snel, m’n pen houdt 't vlieden ervan niet meer bij) heb je geen reden tot klagen als er mensen bereid blijken voor niets of niemendal & geheel vrijwillig bovendien je naam te controleren op leesbaarheid.

Naam, hoor ik iemand zeggen, naam?
Ja, men moet immers op m’n naam, de naam van dit onderkomen hier, klikken vooraleer men kan lezen wat er door mij geboden wordt. Zo werkt ’t internet, zo heet ’t dat 't verschijnsel linken ‘t 1 met ’t ander te verbindt.

Mevrouwtje, ’t wordt nog leuker (mevrouwtje m’n mevrouwtje, was al op de hoogte van ‘tgeen mij vanochtend telefonisch was meegedeeld; ik had geprobeerd ’t geheim te houden tot wij tezamen onze lunch zouden verorberen, tussen de happen door zogezegd zou ik uit de doeken doen, ondertussen flink spetterend met kruimels & klonters kaas, waar ik voor in aanmerking was gekomen, maar zij stond er op dat ik na ’t heimelijk glimpen middels een tipje van de sluier haar de gehele waarheid & niets dan zou melden): ik sta samen met K. Schippers, Gerbrand Bakker, Esther Jansma, Mark Boog, Oskar Patior, Jan-Willem Anker, Floortje Zwigtman, Geraldine Brooks & Peter van Gestel op een pagina vermeld. De prijswinnaars van de afgelopen tijd (respectievelijk Libris Literatuurprijs, Gouden Ezelsoor, A. Roland Holstpenning, VSB Poëzieprijs, Georg Büchner Preis, Jo Peters PoëziePrijs, Gouden Zoen, Pullitzer Prize & Theo Thijssen-prijs). Ook met een stelletje overleden schrijvers, zoals Reve, Toer, Höweler, Marug, Spark, da’s minder leuk, maar toch mooi in 1 adem genoemd met heel wat van die literaire grootheden!
Daarom heb ik van de doden maar hun voornamen weggelaten, anders was ’t niet in 1 keer m’n strot uitgekomen. Ik heb ’t voor de spiegel geoefend, & ik merkte al snel dat ik schrappen moest. Straks word ik in een bieb uitgenodigd, moet ik verhalen vertellen die ik al geschreven heb, worden er verzoeknrs ingebracht, ach toe nou schrijver, geachte schrijver, vertel nou nog ‘ns van dat moment dat u uw allereerste prijs in ontvangst mocht nemen & dan sta ik daar met moeilijke namen, allang vergeten namen van mensen die lang & breed vergaan zijn, verbrand desnoods & ik ’t lukt mij maar niet om hun namen zonder stotteren of haspelen (er zijn mensen die beweren dat dat ‘tzelfde is) ten volle uit te spreken.
Bovendien zouden te veel namen de hoeveelheid eer alleen maar degraderen. Iedereen kan de hele tijd wel prijzen winnen.

Dus moet ik ’t hierbij laten.

Nog even zorgvuldig een zin kiezen met daar ’t traditionele Zijperspace er in & ik kan de boel de boel laten.

stil

Ik zou nog even een stukje schrijven. Over dat ik op vakantie was. Nu ben eigenlijk. Voor 5 daagjes. Beetje wandelen langs de grens. Vanaf Bergen op Zoom.
Een best wel lang stukje, was ik van plan. Maar ik heb weer 'ns verkeerd gepland. Helemaal geen tijd voor om 't te laten weten. Op m'n eigen uitgebreide wijze.

Dat men in ieder geval weet waarom 't zo stil is in Zijperspace.

oommeneertje

& Als ik straks kleine Martijn de waarheid moet zeggen, over dat wat ‘t leven is, hoe ’t zich opbouwt, verhoudt, wat er van overblijft, waar ’t naartoe gaat, dan moet ik ‘m gaan vertellen dat ’t niets dan flarden zijn, mistflarden die uit elkaar wijken, waardoor ’t lijkt alsof je steeds duidelijker kunt zien, dat de horizon zich verwijdt, maar achter je blijkt ’t steeds minder doorzichtig te worden, momentopnames die als gapende gaten hooguit een doorkijk bieden in wat je zelf zoal kunt verzinnen om je leven vulling te geven, dat je uiteindelijk niet anders doet dan weerkeren naar ’t punt dat je nog van niets wist.

‘Best wel spannend, hè?’ zegt Roswitha.
Ik voel een lach zonder geluid kirrend door m’n keel schrapen. Een kriebel die m’n schouders licht omhoog heft.
‘Ja, mevrouwtje, best wel spannend.’
’t Kan elk moment gebeuren. Ik heb me al door mensen laten inlichten dat ’t nu binnen 48 uur moet gaan plaatvinden. Mensen die er verstand van hebben, meer weten dan ik. & Ik ben een boodschapper die z’n wijsheid richting Roswitha verbreidt, dat wat ik van horen zeggen heb.
Samen zijn we 2 wachtenden, die niets anders kunnen dan over de telefoon elkaar weetjes te brengen. We praten onze tijd vol, legen ’t onderwerp tot ’t niets meer te bieden heeft & herhalen ons dan nog maar een keer.
‘Best wel spannend, hè?’

‘Meneertje, ’t is gebeurd,’ klinkt ’t later.
& Dan niet meteen weten wat er dan gebeurd kan zijn. 2 Ademhalingen nodig hebben om te realiseren waar ’t over gaat.
‘O ja,’ dringt ’t tot me door, ‘is ’t gebeurd?’
‘Ja, ik ben tante.’

Gebaartjes schieten me te binnen die ik nog nimmer heb gedaan. Een vinger die kietelt onder haar kin, o zo zachtjes, dat ’t warm voelt in ‘t topje van m’n vinger.

Ze vertelt maar & vertelt maar. Ze vertelt over Martijn & dat zij dacht, dat zij droomde dat ’t Eva zou zijn, afgelopen nacht. Dat ‘t 3 uur was, of ¼ over 3, ik weet ’t volgende moment al niet meer hoe laat, dat ’t een fijn cadeau is voor haar moeders verjaardag, vandaag op haar verjaardag oma te worden, dat ze er naartoe wil, gaat kijken of ze morgen eerder uit haar werk die kant op kan vertrekken.

& Ik, ik ben ongemerkt gaan staan. Dat kan ik ook nog wel vertellen, ooit, dat ik me plots realiseerde dat daar waar ik 1st aan ’t zitten was plots mezelf terugvond in staande houding, eigenlijk op & neer huppend, van standbeen naar standbeen, een pasje links, een pasje rechts & om beurten weer terug, tot ik de muur, m’n leuning van daarnet, weer voel.

Maar ach, waarom zou hij dat later willen weten, een hem nog onbekende man, die met een telefoon in de hand, aan z’n oor, een beetje heen & weer banjert. Omdat dit ‘t enige zal zijn dat ik me van ’t gebeuren, van de 1e ademhaling van ’t kleinood wist te herinneren?

& Zij, zij, ik hoor haar lachen door de zinnetjes heen, vertelt me alles wat haar te binnen schiet, meer dan in mij geherbergd kan worden. Ik aanschouw mezelf een plaatje van hoe ze zich zit te verkneukelen, hoe haar lach haar wangen kleurt, haar ogen bijeen knijpt tot dunne tere spleetjes, een kuiltje in haar wang, ach ik heb vingers te kort om dat alles zachtjes te duiden, te aaien, langzaam mezelf binnen laat glijden om niet te vergeten.
Misschien niet te vergeten.

& Omdat ik verteld heb waar ik ben, daar waar ik drinken kan, zegt ze me dat ik maar een biertje moet drinken op haar, op Martijn, waarop ik zeg dat ik dat zal doen, maar dat ik nog een vraag heb voordat ik op zal hangen, zeg ik haar.
Dat mag, laat ze merken, ik mag nog een vraag stellen.
‘Mag ik me dan oom noemen?’
‘Ja, jij bent nu oom, meneertje. Je bent een Oommeneertje,’ zegt ze.
Dat klinkt best wel goed.
Dus zeg ik: ‘Ik ben ’t Oommeneertje.’

& Ik loop naar binnen als we opgehangen hebben, met een kusje, ja, een kusje, ook voor Martijn, & een biertje voor Martijn, ja, & ik zeg tegen Peet die achter de bar staat: ‘Ik ben oom geworden.’
Ik zeg net niet Oommeneertje. Dat zeg ik niet. Dat weet zij alleen.

Dat hoeven we alleen maar met z’n 2-en te onthouden in Zijperspace.

hoofdletters

‘Maar waar ben je dan mee bezig?’
‘Oh, van alles. Ik kom tijd te kort.’
‘Maar lees je dan boeken? Luister je muziek? Doe je boodschappen?’
‘Nee, boodschappen doe ik ’t liefst 1 keer in de week. Dan verlies ik niet te veel tijd. Ik heb ’t al zo druk.’
‘Boeken? Muziek?’
‘Man, al de muziek die ik heb, daar kom ik niet eens aan toe. Denk ik weer wat interessants gevonden te hebben, heb ik geen gelegenheid om er naar te luisteren.’
‘Dan koop je toch geen cd’s.’
‘Ik koop ook geen cd’s. Daar heb ik momenteel toch geen geld voor.’
‘Internet dus.’
‘Ja, om te luisteren of ik de muziek interessant vind dus.’
‘Maar je komt er niet aan toe om tot een goede conclusie wat dat betreft te komen?’
‘Nee, ik kom er zelfs af & toe niet aan toe om ze op de juiste manier op te slaan.’
‘Oh, ze moeten 1st in de juiste categorie geplaatst worden natuurlijk.’
‘Nee, dat niet eens. Dat vind ik zo overdreven. Muziek is muziek. Afhankelijk van de stemming zet ik een bepaalde cd aan. Bestand, heet dat tegenwoordig. Liefst heb ik alle muziek op shuffle staan. Dan ga ik me minder snel vervelen.’
‘Maar je zegt net dat je alle muziek op de juiste manier op moet slaan.’
‘Ja, uitvoerende, titel, hoofdletters, weet je wel. ’t Streepje ook op de juiste plek.’
‘Welk streepje?’
‘Ja, dan kan ik ’t beter helemaal vertellen.’
‘Doe maar, ík heb in ieder geval de tijd.’
‘Zolang jij betaalt ik ook wel.’
‘Begin nou maar.’
‘Nou, een muzikant brengt een plaat uit. Dus als ik die op m’n computer zet, dan moet de naam van de uitvoerende in de naam van ’t bestand komen te staan. Spatie, streepje, naam van ’t album.’
‘Ja, snap ik. Ik doe ’t anders, maar ik snap ’t wel.’
‘Dan hoeven de titels van de afzonderlijke nrs niet meer de titel van de plaat te hebben. Ook niet de muzikant. Vind ik dubbelop. Vind jij dat ook niet.’
‘Vaak wel. Maar hoeft niet.’
‘Nou ja, ik vind ’t slordig staan. Geen dubbele info. Dus de titels in ’t bestand krijgen een nr, spatie, streepje, spatie, titel. Eindigend natuurlijk op punt-mp3.’
‘Ja.’
‘Als je dus net een album binnen hebt, ben je soms wel 5 tot 10 minuten bezig met ’t hele bestand opschonen. ’t Moet er natuurlijk wel zo staan dat ’t past binnen mijn manier van ordenen. Daar ben ik dan mee bezig.’
‘Maar terwijl je daarmee bezig bent kun je toch alvast naar de muziek luisteren?’
‘Dat kan wel, maar dat leidt te veel af.’
‘Waarvan dan? ’t Enige wat je hoeft te doen is op de juiste plek spaties te plaatsen, hoofdletters, nrs, etc. Meer niet.’
‘Nee, ik moet opletten.’
‘Dat snap ik niet.’
‘Ik hou de titels in de gaten. Ik doe ondertussen een eigen onderzoek. Niet dat ik aantekeningen maak, maar ik let wel op.’
‘Je houdt de titels in de gaten? Hoe moet ik me dat voorstellen?’
‘Op welke letters er vaak voorkomen. Of welke woorden. Vooral de letters waar titels mee beginnen, of de letters waar woorden van titels mee beginnen, die zijn heel belangrijk.’
‘Wat?’
‘Ja, die beïnvloeden degene die er naar luistert. Of degene die er naar kijkt.’
‘Wa’s dat nou voor onzin?’
‘Kom op, zo gek is dat toch niet? Als je naar de muziek zelf luistert merk je toch ook dat ’t je gemoedsstemming beïnvloedt? Neem Sufjan Stevens. Die herhaalt de hele tijd dezelfde tonen. Als een soortement Phillip Glass. Heel repetitief. Dan raak je vanzelf in een soort trance.’
‘Dat heeft niets met letters & woorden te maken.’
‘Ik ben ook nog niet klaar. Als dat al invloed op je heeft, dan moet ’t ook zo zijn dat als je andere dingen herhaalt, bijvoorbeeld woorden, of soorten woorden, of wat ik heel erg in de gaten houd: de beginletters van woorden, dat dat dan ook een effect op iemand kan hebben.’
‘Hoe heb je dat uitgevonden?’
‘Gewoon door al die titels van hoofdletters te voorzien en dergelijke. Ik kwam er achter dat bepaalde artiesten bijv heel vaak dieren in hun titels gebruikten. Anderen die zeiden de hele tijd ‘you’ of ‘me’, weer anderen ‘love’. Maar toen ik dat laatste doorkreeg, dat van ‘love’, zag ik dat dergelijke muzikanten héél vaak woorden in hun titels hadden die met een ‘l’ begonnen. Significant veel, zou een statisticus zeggen. Volgens mij heeft ’t luisteren naar een plaat met heel veel ‘l’-s in de titel een andere invloed dan een plaat met heel veel ‘s’-en. Dat geeft een ander geluid, denk ik dan. Dus ook een andere gemoedsstemming in je hoofd.’
‘& Dan stuur je dus een brief naar ’t label met de mededeling dat de artiest de duivel in z’n nrs stopt.’
‘Nee, hoor. Dan begin ik met de volgende plaat. & Kijk wat die voor opvallende afwijkingen heeft. & Ondertussen maak ik dus m’n hele muziekverzameling in orde.’
‘O ja, ja.’

Ondertussen draaide de muziek door in Zijperspace.

start

Start. P. W. Enter.
Dan opent zich een venster. ’t Verkeerde venster. Dat weet ik van te voren. Dus moet ik m’n muis gebruiken. Ook bekend.
Ik wil nl een webpagina om op te typen. Waarbij ’t hele blad gevuld kan worden met letters, woorden, tekens. Dat ’t helemaal van mij is. Geen mogelijkheid om afgeleid te worden door balken aan de zijkant. Ik lees met mezelf mee, van links naar rechts, m’n ogen scannen ’t volledige beeldscherm.
Dus met muis klik ik op ‘webpagina’.
Snel tussendoor alt-tab. Dan kan ik ’t verkeerd geopende venster alsnog afsluiten met alt-f4.
Vervolgens: alt, k, enter, tab, tab, pijl omhoog, enter. Vliegensvlug, geen moment te verliezen.
Ik heb dan de juiste lettergrootte te pakken. 11 Ipv 12. Zodat ik kan denken dat ik aan de gang kan gaan. Alle omstandigheden zijn er. Ik ben gereed. Niets kan me nog tegenhouden.

Vele mensen zullen nooit begrijpen waar ik tot op dat moment mee bezig ben geweest. Enkele toetsen aangeraakt waar niemand wat aan heeft. Vingers die als een toverformule over ’t toetsenbord schoten om de dingen naar m’n hand te zetten. Een mengsel van bewegingen die de condities moesten creëren waaronder ’t latere product zou kunnen groeien, onder optimale omstandigheden.
& Eigenlijk snap ik ’t zelf ’t volgende moment ook niet. Ik kijk om me heen. Daarnet wist ik toch wat ik zou gaan doen, schiet er door m’n hoofd. M’n enigszins verdoofde hoofd. Want door al die activiteit, de concentratie op de toetsen, de juiste volgorde, ’t nutteloze ervan, maar ’t toch zo adequaat mogelijk uit willen voeren, wordt m’n vermogen m’n eigenlijke doel te verwezenlijken tijdelijk uitgeschakeld.
Niks geen tekst meer in m’n hoofd. Geen openingszin die daarnet nog vrolijk zat te buitelen, in al z’n minieme variaties, kronkelde door de synapsen, de neuronen, de cellen, de membranen, m’n keel, m’n tong, m’n ogen, ik voelde ’t zelfs door m’n oren trekken, onuitgesproken gehakte woordspaanders trokken liploos Eustachius tegemoet, alsof ze al werkelijk waren voortgebracht.

Maar als ik ’t beeldscherm in opperste conditie heb klaargemaakt is daar niets meer van waar. ’t Lijkt allemaal verdwenen. Slechts treurige echootjes van losse zinsdelen, zij die ’t luidst geschreeuwd konden worden, gonzen ongrijpbare rondjes ver boven m’n hoofd. Zonder referentie, zonder zeggingskracht.

Ach, men zou de omstandigheden moeten zien als ik m’n hoofd wend om naar buiten te kijken. ’t Uitzicht, ’t gekwinkeleer, de vlinderdansjes boven de tuin, de anonieme werkzaamheden mijlen ver weg (een hamer, een boor), de ruis van autowegen op nog grotere afstand.
’t Is geen kijken, geen turen voor een gericht doel. ’t Is de overlevering aan de omstandigheden. Ik wacht tot de juiste combinatie weer gemaakt wordt. Ik wacht tot er toevallig weer eenzelfde omstandigheid ontstaat ergens in m’n hoofd die de openingszin kan herproduceren, kan doen ontstaan. Alles wat daarna komt is een voortvloeisel van dat wat eerder gebeurd is, de 1e zin. & Als er iets gebeurt, dan volgt de rest vanzelf. Er kan niets bestaan zonder dat er een oorsprong is.

Maar over m’n schouder, m’n rechter, kijk ik de verkeerde zinnen, de verkeerde spaties (de paden tussen planten door, waag ik stiekem te denken), de verkeerde regels, de verkeerde interpuncties aan die zich in m’n tuin vertonen.
M’n moeder zei: ‘Ga terug naar de plaats waar je nog wist wat je moest doen.’
Ik kan echter niet meer op de bank gaan liggen, niet nogmaals blijven denken over wat er vandaag voor me moest gaan verschijnen. ’t Moet er nu gewoon gaan staan.
Dan maar zonder openingszin.

Zonder begin is er ook geen einde. & Heeft ’t eigenlijk, nou ja, ‘eigenlijk’ heeft ook geen doel meer in ’t geval van ‘zonder’, geen zin. Dat hier nog zinnen staan heeft niets te maken met de invulling. ’t Is er, tegelijkertijd ook weer niet. Een tuin die door de open deuren de taal heeft opgeslurpt.

U heeft niet gelezen wat er stond in Zijperspace.

carel is een verhaal

‘Is er obductie gepleegd?’ vroeg ze me.
Ik dacht autopsie te verstaan. Maar vele malen ‘tzelfde woord aangehoord te hebben begreep ik dat obductie van toepassing was. Ze zei ’t toch echt.
Ik knikte intelligent mee. Ik zou wel eens bewijzen wat er allemaal m’n hoofd in kon. Wat ik kon absorberen, desnoods daarna meteen ventileren, waar m’n begripsvermogen wel allemaal niet toe in staat was.
Ik zei ‘Nee’. Op ’t goede moment. Thuis kwam ik er achter dat obductie ongeveer ‘tzelfde inhield als autopsie. Ik had geknikt wanneer ’t van me verlangd werd. In het belang van de waarheid. In het belang van langer leven.

Ik vertelde hoe Carel overleden was. In z’n slaap. Hartstilstand. Nog meer details. Zoals dochter die zei dat haar vader raar deed. Lichten aan. Weggedraaide ogen. Animeren. Politie die binnenstormde & ’t van m’n schoonzus overnam. Stervend hart, vastgesteld door de dokter, de nachtdokter.
Einde verhaal.

Ik wist niet of ik emoties mocht tonen. Dat realiseerde ik me juist op dat moment. Op dat punt van ’t verhaal. Waar ergens m’n nichtje haar taak deed. M’n schoonzus haar man, m’n broer aan ’t reanimeren was. & Er politie ’t huis binnen kwam stormen.
Ik besloot te slikken. Ergens onopvallend dat speeksel weg te werken. Zakelijk te blijven. Zoals alleen m’n vader ooit gekund heeft.
Ik moest ’t verhaal vertellen. De toespraak doen. Zaken van bijzaken zien te onderscheiden.
Ik zag m’n vader de toespraak bij zijn vaders uitvaart doen. & Wilde zijn zoals hij.

Ik vertel een verhaal. & Carel is de hoofdpersoon. Hoewel er vaak ‘ik’ wordt genoemd. De hij die ik schijn te zijn.
Ik doe de toespraak die anders m’n vader had gehouden. Als die er nog toe in staat was geweest, dan had-ie daar gestaan. Waar ik nu sta.
Woord voor woord had-ie z’n eigen woorden mijn woorden laten vervangen.

Ik moet schrijven, want anders heeft-ie niet geleefd.
Hoewel hij ’t daar niet mee eens was. Hij leefde voort door z’n 2 dochters. Vaders neigen nou 1maal zo te denken.

Hij belde me op. Een collega had ‘m gevraagd wat er gebeurd was. Ze had mijn woorden gelezen over iets dat zich binnen de familie had afgespeeld.
Hij had dat liever zelf verteld, zei hij mij. Hij wilde niet dat mijn anonieme woorden per toevallig bij 1 van z’n collega’s terecht zou komen. Hij wilde niet dat ik zijn dochters zou gebruiken, ze dienst zou laten doen in een verhaal dat ik perse moest vertellen.
Zijn dochters leefden bij hem, net als zijn vrouw, daar had mijn behoefte om te schrijven niets mee te maken.
Ik kon niet anders dan zeggen dat ik over mezelf schreef, dat ’t mijn verhaal was. Met toevallige personen die de weg van m’n leven kruisten. Dat elk voorval dat ik meemaakte mijn voorval was. Ongeacht de mensen die er in dat voorval voorkwamen.
& Dat elke gebeurtenis, elk verhaal, met goed fatsoen was opgeschreven. Dat ik na elk verhaal ’t idee had dat ik de personen die er in figureerden recht in de ogen kon kijken.
Ik kwetste niet, zei ik. Ik ging niet te ver. Ik was mezelf. & Liet tegelijkertijd mensen in hun waarde. Anders mochten ze niet in m’n verhalen voorkomen. Als ik dat niet kon.
Zijn dochters mochten niet bestaan in mijn verhalen, zei hij, niet in de verhalen die ik anderen vertelde.

Nu is hij degene die mijn gaan & staan bepaald. Ik word gedicteerd.
Ik ga naar ’t ziekenhuis. ’t Bloed wordt afgetapt, de camera wordt op m’n borstkas gericht, er worden foto’s genomen, er worden hypotheses geformuleerd over hoe ’t met me zou kunnen aflopen, elke beetje lucht dat ik adem, die ik m’n longen binnenhaal dank ik momenteel aan hem.
Elke dag die ik leef wordt bepaald door hem. Hij praat me mijn leven door. & Ik zou moeten zwijgen, omdat hij dat toevallig zo gewild heeft, hoor ik ‘m zeggen.

Maar nee, Carel. Ik laat nog even aan m’n lichaam prutsen. & Dan is ’t tijd voor jou om te zwijgen.
Ik wil nog een poosje door. Dus wordt ’t straks tijd dat jij je mond houd. Ik heb nog een heel leven na te vertellen. Nog even langer dan dat jij hebt aangekund.
Je mag pas wat zeggen als ik denk dat je er weer iets aan toe te voegen hebt. Niet om m’n mond te snoeren.

Voorlopig praat ik nog wel even door in Zijperspace.

carel leeft nog steeds

Nu even alleen nog de muziek.

01 - Arno - Les filles du bord du mere
02 - Dayna Kurtz - Love gets in the way
03 - Howlin Wolf - Evil
04 - Jeff Buckley - Hallelujah
05 - Jim White - God was drunk when he made me
06 - John Lee Hooker - One bourbon, one scotch, one beer
07 - Johnny Dowd - God created women
08 - Butthole Surfers - Lady Sniff
09 - Jon Spencer - All shook up
10 - Moondog Jr. - Jintro and the great Luna
11 - Nick Cave - Right now I am roaming
12 - Ramones - Needles and pins
13 - Robert Johnsons - Come on in my kitchen
14 - Sixteen Horsepower - Haw
15 - Tim Buckley - Song to the siren
16 - Tom Waits - Cold cold ground
17 - Tröckener Kecks - Hart en ziel
18 - Nick Drake - Northern sky
19 - Jeff Buckley - Strange fruit

Morgen de tekst in Zijperspace.

overnieuw

We speelden met z’n 3-en, maar eigenlijk was Frank van Carel. Hij was immers een voor mij 2 jaar oudere neef. Veel te groot verschil om alles te kunnen delen.
Nou ja, we deelden de platen van André van Duin. Mijn platen werden net zo goed gedraaid als die van Carel. & Als ik zei dat een bepaald nr van André van Duin op míjn plaat de voorkeur zou moeten genieten, dan werd er misschien wel naar me geluisterd.

We spanden een deken tussen de 2 bedden in. Zodat degene die André na ging doen op mijn bed kon gaan zitten tot de 1e tonen van ’t nr klonken om vervolgens vanachter ‘t ‘doek’ te voorschijn te komen. We stelden ons een echt podium voor, alleen maar met behulp van ’t doek aan ’t stapelbed. & De microfoon van pa z’n cassetterecorder, dat wilde ook wel helpen. Als degene die moest optreden daarachter z’n mond scheef trok, was-ie als vanzelf André.

Je mond moest scheef & je moest er een beetje sullig bij kijken.
Neef Frank was een kei daar in. Tussen Carel & mij was ’t een strijd wie de 2e plaats zou halen.
Voordat de microfoon bij de mond was lagen we al blauw van ’t lachen. Dan moesten we weer aan Frank denken. Die kon ’t zo goed.

‘Stop, stop! Overnieuw.’
’t Kwam amper uit onze mond.
De naald moest opgetild & precies bij ’t begin van ’t goede nr opnieuw geplaatst worden.
‘Zet ‘ns een ander nr aan,’ schreeuwde ’t van beneden.
Maar dan kwamen we vanachter ’t gordijn alweer ’t podium op. ’t Gelijkvloerse podium, maar niemand die dat op dat moment nog doorhad.

We murmelden de woorden. Zo zacht mogelijk, want eigenlijk mocht er helemaal niet meegezongen worden. André zong & wij traden op. ’t Was heel moeilijk om niet te zingen terwijl je speelde dat je André van Duin was.
‘Ik kan je horen,’ klonk er vaak tussendoor.
‘Overnieuw!’ werd er door de André van dat moment dan meteen gezegd.
‘Nee, je bent al 3 keer geweest.’
3 Mislukte pogingen & dan was de volgende aan de beurt. Die zat meteen al klaar op m’n bed.
‘Ja, maar jij praatte er doorheen.’
‘Toen ik aan de beurt was, lachte jij er doorheen. Toen kon ik ook niet meer.’
‘Ja, maar toen deed jij raar.’
‘Ik deed André van Duin na.’
‘Nee, want dat kan je niet.’
Frank was ondertussen bezig de naald weer op de plaat terecht te laten komen. Wie ’t sterkst was zou aan de volgende beurt beginnen. Van wie de plaat was, die hield die beurt op ’t laatste moment tegen. Zo was de wereld eerlijk verdeeld omdat iedereen gebruik maakte van z’n eigen macht. Wat uiteindelijk betekende dat Carel & Frank buiten een ander spelletje gingen spelen.

Ik bleef alleen achter, met de plaat, de microfoon & ’t gordijn.
Ik zette de naald van de pick-up aan ’t eind van ’t nr ervoor om toch nog op tijd achter ’t gordijn vandaan ’t podium te kunnen bestormen.
M’n broer & neef hadden ’t vast leuk gevonden toen ik m’n hand naast de rand van ’t bed wilde neerzetten. Om er achter te komen dat ’t podium lager lag dan de coulissen. Daar hadden ze vast om moeten lachen.
Maar die waren een bal tegen de muur van de garage aan ’t trappen. Om tussen de doelpunten door luidkeels ’t lied van André van Duin te zingen.
Ik moest van m’n moeder gaan liggen op de bank, hoofd achterover. Ze richtte de spuit met onzichtbare pleister op m’n kin & de hele week heb ik de gekke bekken van André van Duin niet meer kunnen oefenen. Ik kon beter ook niet lachen om de geslaagde pogingen van neef Frank, toen hij weer binnen kwam.

De klok sloeg 12 in Zijperspace & m’n gezicht bleef altijd zo staan.

openluchtmuseum

’t Was vooral voor de trein dat we op tienertour gingen.
’t Mooiste plekje vonden we de klapstoeltjes bij de deuren. Daar konden we nog een beetje vrijelijk bewegen. We schoven de deuren naar de coupés dicht & gingen onze gang. Tot de conducteur ons woedend kwam waarschuwen dat als-ie nog 1 keer zou zien dat wij onze vingers tussen de sluitende deuren zouden steken, hij onmiddellijk de trein stil zou zetten & ons zou verwijderen.
We keken ‘m bedremmeld aan. Daarna naar de smerige voetstappen van de bouwvakker die net was binnengestapt. Toen naar de deze morgen nog gepoetste schoenen van de conducteur.
‘& Dan moeten jullie maar kijken hoe jullie thuis zullen komen,’ ging deze verder met z’n tirade, ‘want ik zal zorgen dat jullie de hele dag geen trein meer inkomen.’
De man vertrok & wij gingen weer op onze klapstoeltjes zitten. Een stoptrein Nijmegen & Oss moet dat zijn geweest. Geen idee meer hoe we daar verzeild waren geraakt.
Carel zei: ‘Je had je vingers te ver naar buiten gestoken.’
‘Nee, jij,’ zei ik.
‘Nee, jij,’ zei hij.
Nadat we de overstap in Oss hadden gemaakt, keken we bij elke tussenstop 1st even waar de conducteur zich bevond. Daarna mocht slechts 1 van ons zolang mogelijk de vingers tussen de sluitende deuren houden & op ’t laatste moment wegtrekken. De ander moest in de gaten houden of anderen ons spelletje niet zouden zien.
We lazen onderweg hooguit de folders van attracties. Onze stripboeken waren te groot om mee te nemen. Voor de rest keken we voor ons uit. Bestudeerden de medepassagiers. Daarom waren stoptreinen interessant. Dan kwamen ze vaker in- & uitlopen.
‘Stomme kop,’ luidde vaak ons commentaar.
‘Stom wijf.’
‘Stomme neus.’
Ontelbaar veel variaties wisten we te verzinnen.

Onderweg stapten we uit waar onze folders aangaven dat er iets te beleven viel. Folders die we verzameld hadden op voorgaande attracties. We selecteerden ze op kortingen die we konden verkrijgen dankzij onze tienertourkaart. Of anders namen we een gratis speeltuin met een spectaculaire voorziening. Ook gratis natuurlijk.
We moesten wel uitstappen; we moesten thuis vertellen wat we die dag beleefd hadden. Dan liepen we kriskras door de stad die we aandeden, op zoek naar de bezienswaardigheid uit de folder, om vooral een buskaartje uit te sparen. Tenzij tienertour ons recht gaf op een buskaartje, zoals bij bezoek van ’t Evoluon ’t geval was. Dan kochten we bij een snackbar een chocoladereep & een blikje cola dat we samen moesten delen.

We waren zuinig. Zoveel hadden we ook weer niet verdiend met ’t bollenpellen. Dat beetje konden we beter aan onze stripboeken besteden.
Dat we gratis ’t Rijksmuseum in mochten was een grote verrassing.
‘Zijn jullie met z’n 2tjes?’ vroeg een suppoost die toevallig langs de rij liep.
We hadden ‘m de vraag gesteld hoeveel een kaartje ons zou gaan kosten. Hoewel we hele dagen slechts met elkaar communiceerden durfden we dit soort vragen nog wel aan vreemden te stellen. ’t Ging immers om onze portemonnee.
We knikten & keken naar ‘m op.
We mochten onder ’t koord door & via de 2e ingang naar binnen.
‘M’n neefjes,’ zei de suppoost tegen z’n collega daar.
Vervolgens bukte hij zich weer voorover & benadrukte dat we vooral de Nachtwacht niet mochten missen.
Op onze rondgang kwamen we de man meermaals tegen. Dan vertelde hij ons snel waar we aandacht voor moesten hebben, wie Vermeer was, waar de schilderijen met verhalen over de griekse goden hingen, waar ik van zei te houden, waarom ’t licht in de schilderijen zo belangrijk was. & Toen hij ons uitgeput op een bankje midden in een zaal zag overleggen over wat nu te doen, wilde hij nog wel een keer een praatje met ons maken.
‘Rondvaartboot?’ vroeg-ie. ‘Hebben jullie de amsterdamse grachten al gezien?’
We knikten van vorig jaar al.
Een collega kwam erbij staan. Of hij nog wat leuks voor de jongens wist. Goedkoop ook, voegden wij er aan toe.
‘Ze kunnen naar ’t openluchtmuseum.’
Daar hadden we niets over gelezen in onze foldertjes. Wel van die van Enkhuizen. & Ook onze zogenaamde oom keek z’n collega vragend aan.
‘& ’t Ligt lekker vlakbij ’t station,’ ging de man verder.
Nu ging oom ook een lichtje branden.
‘Ja, links tegenover ’t station ligt ‘t,’ zei hij vrolijk lachend. ‘’t Grootste openluchtmuseum van Nederland. Helemaal gratis kun je daar alles zien. Als je maar nergens aan komt.’
We waren nieuwsgierig. Vroegen hoe we er makkelijk konden komen.
‘O, je gaat gewoon weer naar ’t station. Links ertegenover,’ werd herhaald, met nog steeds dezelfde vrolijke lach.
Carel & ik keken elkaar aan. Dat zou wel iets voor de middag zijn. Hoefden we niet zo lang in de trein te zitten voor weer een andere stad. Die trein begon inmiddels te vervelen.
‘& Als je ’t niet kunt vinden, dan kan je aan elke voorbijganger vragen waar de Roze buurt ligt.’
Tegenover ’t station gingen we naar links & konden ’t niet vinden. Geen buurt in ieder geval die op een openluchtmuseum leek.
Thuis vertelden we dat we nog 1 keer naar Amsterdam wilden. Want we hadden ’t openluchtmuseum gemist.
‘Doe dat dan volgend jaar maar,’ zei m’n moeder. ‘Want jullie zouden ook nog een keer langs Ome Carel gaan & hebben nog maar 1 dag reizen met je tienertour.’

We hebben 'm nooit kunnen bezoeken in Zijperspace.