herfstaankondiging

Hij bleef bij de deur staan, de mensen die naar buiten gingen met zijn blik volgend. Een ironische glimlach om zijn mond.
Zijn lichaam leek opzettelijk traag. Aangeleerde langzaamheid. Om zichzelf een air te geven. Zijn tas onbeweeglijk aan zijn zijde.
Toen hij uitgekeken was, ’t koppel uit beeld verdwenen, keerde hij zijn hoofd op zijn gewoonlijke manier de winkel in. Een zelfvoldane blik keek mijn kant op, alsof ’t commentaar behelsde op ’t stel dat hem net passeerde.
‘Ze zien ook niets meer staan,’ lichtte hij zichzelf toe, ‘ze zijn in andermans stad & nemen er bezit van.’
Ik humde. Deed automatisch een stap achteruit, zodat ik wat meer verscholen achter de cadeauverpakkingen terecht kwam, legde daar wat spullen recht.
Met de verkeerde hand schoof-ie zijn scheiding in de houding. Maar hij kon niet anders. Z’n tas moest onbeweeglijk in de andere blijven hangen.
Hij schoof de winkel in, langzaam aan m’n toonbank voorbij. & Weer trok zijn verkeerde hand naar omhoog. Ditmaal om z’n bril recht te schuiven. Je kon aan ‘t ongemak zien dat-ie niet linkshandig was. De ironie nog steeds bestorven terwijl-ie vooruit ging.

‘Ah, ik zie dat er bockbier is gearriveerd,’ zei hij voor zich uit, wetend dat ik ‘m evengoed wel zou verstaan.
Een mens kon niet onder zijn aanwezigheid uit.
Vanuit m’n ooghoek, ik probeerde door ijverig zoveel mogelijk spullen te verschuiven drukte te simuleren, zag ik dat-ie een flesje uit de krat haalde.
Hij aanschouwde ‘t. Kijk, daar is-ie, leek zijn houding te willen zeggen. Zoals een bibliofiel een boek hanteert, op zoek naar de datum van uitgifte. Schuin voor zich, rustend op weer die ene hand.

Hij kwam terug naar de toonbank, stap voor stap, zoals hij waarschijnlijk thuis in kamerjas de ochtend aan zich voorbij liet komen.
Terwijl hij ’t flesje voor me neerzette, klaar om afgerekend te worden, zei hij: ‘’t Is nog wel geen herfst, zo voelt ’t nog niet, maar ’t moet ons er niet van weerhouden ’t alvast te gaan koesteren.’
Licht geaffecteerd, afkomstig uit hoog in de keel, z’n hoofd daartoe een ietwat naar achteren leunend.
Hij boog ook niet toen-ie ’t flesje op de toonbank plaatste. Z’n rug bleef recht, z’n nek vertoonde geen beweging, alleen z’n hand reikte voor zich uit.
‘Om ’t feit ook te vieren ben ik gister ook maar naar de kapper gegaan.’
Ik kon me zo voorstellen dat dit ’t enige was dat-ie die dag buitenshuis had gedaan.
‘Deze marokkaanse kapper zei ik dat ’t tijd was geheel voorbereid aan de herfst te beginnen.’
Ik knikte. Ik wilde immers beleefd blijven. Een glimlach, op niks af, ik besefte me ’t toen ’t al te laat was, & een mompelend beamen.
‘Maar hij vroeg me tevens of hij me ook van de baardgroei moest ontdoen.’
Dezelfde stoppels als die er nu nog zaten, nam ik aan. Ik gaf nog een glimlach ten beste, als beloning voor deze ontboezeming ditmaal, & wilde al beginnen met zeggen dat ik me nog nooit bij een kapper had laten scheren. Om de mededelingen toch een schijn van een conversatie te geven. Maar hij ging onbekommerd voort.
‘Dat leek mij helemaal niet nodig, zei ik tegen de man.’
Een blik van verstandhouding ontmoette ik plots. Vanonder zijn bril bereikte ’t mij.
Ondanks ’t feit dat z’n tas inmiddels op de grond bij z’n voeten had plaatsgenomen, hij moest ruimte hebben om z’n portemonnee uit z’n borstzak te kunnen halen, wreef-ie toch opnieuw met z’n verkeerde hand z’n scheiding weer waar-ie zijn moest. Hij telde geld uit, op de cent nauwkeurig, & ging staan.
Staan, ja, dat was wat-ie deed. Alsof er een belangrijke overpeinzing moest gaan komen. Met ’t flesje bockbier in z’n handen zocht z’n hele wezen, af te lezen aan ’t lucht happen van z’n lippen, naar een laatste regel, iets wat zin moest geven aan zijn aankoop, aan z’n knipbeurt van de dag ervoor, hoe alles met elkaar te maken had.
Dat wat ik daarnet nog op de juiste plek gelegd had, in slagorde met alles eromheen, legde ik snel weer schuin. Snel & onstuimig. Zodat er als vanzelf iets op de grond viel.
& Terwijl zijn mond zich opende om ’t afscheidswoord te beginnen, dook ik uit beeld, genietend van de catalogus die m’n aandacht voor even kon verleggen.
Toen ik weer te voorschijn floepte, zei ik overijverig & met tevreden lach: ‘Ja, ook bedankt. & Tot ziens.’

& Weer een man verdween schielijk uit de sferen van Zijperspace.

okselstaar

Ok, ik ga regelmatig even kijken. Uit noodzaak. Dat zou iemand anders in mijn situatie ook doen. Een mens dient immers te weten of er actie ondernomen moet worden.
Goed, kijk ik dus. Arm omhoog. Ik wrijf met m’n linkerwijsvinger over m’n huid. Voel ’t reliëf, tast af op reactie, kriebel, jeuk. & Staar dan vaak nog even.
Staren. Dat doet iedereen toch wel eens?
Ik wel. Ik staar mezelf de dag door. Hoewel mensen dat niet van mij zouden bevroeden.
Nee, terwijl ik & m’n gedachtes hordes lopen, struikelen, opkrabbelen, springen & duiken tegelijk, staar ik onbestemd voor me uit. Er lijkt niets aan de hand, maar dat is slechts buitenkant. Ik doorboor de spiegel bijkans met m’n blik. Alsof ik elk baardhaartje nog even moet tellen voor ik de dag begin.

Daar sta ik dan. Arm omhoog, vinger tastend onder de oksel, blik wezenloos.
Ik zou net zo goed met de vinger in de neus kunnen zitten, zo onnadenkend ben ik bezig. Nee, niet onnadenkend dus, maar totaal niet bezig met waar ik eigenlijk mee bezig was.
Afgeleid, diep weggevoerd, afwezig, dromerig, alles tegelijk.
& Tussen al die gedachtes door, & dat zijn er nogal wat, dermate veel dat je ze niet kunt benoemen, ook eigenlijk niet kunt bedenken waar ze over gaan, tussen die gedachtes door, schoot me opeens de vraag te binnen waarom ik alleen maar met m’n rechterarm omhoog stond.

Linkerarm omhoog.

Logisch toch. Je denkt. & Je doet. ’t Lichaam gehoorzaamt de geest wel. Impulsief misschien, de gekste dingen kunnen je zo overkomen, maar in deze omstandigheid was ’t risico niet al te groot. Voor de spiegel, op ’t toilet. In blote bast.
Ik dacht zelfs voor een kort moment: waarom heb ik dat nog niet eerder gedaan?
& Nu denk ik dat weerom.
Gewoon controleren of de rechterkant gelijk staat aan die van links.

Let wel, ik zeg niet dat beide zijdes precies gelijk aan elkander moeten zijn, ’t kan niet zo zijn dat elk haartje op m’n borst z’n gelijke aan de overkant heeft, dat je ’t mes midden in m’n lichaam kan zetten, van onder tot boven doorklieven & dmv spiegeling ’t ene deel tot een totaal geheel kan heropbouwen. Dat zou toch al te sterk zijn. Zo volledig gelijkend zijn de beide helften toch ook weer niet.
Daarnaast, een mens is links- dan wel rechtshandig. Waaruit blijkt dat de ene kant verder, of misschien anders ontwikkeld is.

Maar wat heeft okselhaar daar in godsnaam mee te maken?

Ik vond ’t al vreemd dat ik onder m’n linkeroksel niet regelmatig onder invloed van de hitte & bovenmatige zweetproductie geen last had van die kleine puntjes uitslag (‘Vreemd jeukend, een harde jeuk,’ probeerde ik ’t verschijnsel te illustreren voor m’n huisarts) die sinds enkele maanden m’n rechterkant in een bepaalde mate lastig vallen. Maar waarom is ‘t bos haar daar evenzo minder ontwikkeld?

Ik heb er nog nooit eerder naar gekeken. Ik heb niet eerder met beide armen opgeheven voor de spiegel gestaan. Ik heb m’n oksels nooit als een belangrijk onderdeel van m’n lichaam gezien. Ik ben er eigenlijk altijd vanuit gegaan dat beide oksels nagenoeg identiek waren. Ik ben ervan uitgegaan dat ik, met enige niet ter zake doende hier te verwaarlozen tekortkomingen, redelijk goed in elkaar zat. Goed productiejaar, redelijke bouw, correcte samenstelling, fraaie vormgeving, etc.
Maar nou blijk ik niet synchroon te zijn afgesteld. Links van rechts, & rechts van links.

Zou dat de basis zijn van zovele problemen in Zijperspace?

jemig

Ik put hoop uit ’t bericht dat mij onder ogen komt & mij vertelt dat vele schrijvers een slecht geheugen hebben.
Maar niet veel later weet ik de bron van deze wijsheid niet meer te achterhalen, ben ik de rest van ’t artikel vergeten & begint ’t gevoel me te bekruipen dat ik de oorzaak van dit verschijnsel bij elkaar gefantaseerd heb. Ik weet zelfs niet meer of ’t allemaal wel op waarheid berust: heb ik ’t wel écht gelezen, is deze informatie daadwerkelijk door iemand nagetrokken & tot een lezenswaardige tekst samengesteld?

Ik herinner me steeds weer Rinus, waar ik tijdelijk inwoonde, in gezelschap van Inge. Zij was toentertijd zijn vriendin & ik was al enkele jaren bevriend met haar.
Inge & ik stonden telkens versteld van de grote hoeveelheid informatie die verloren ging aan Rinus hoofd. We stopten er wat in, in de vorm van een mededeling, een verhaal, of we maakten gezamenlijk iets mee, maar de volgende dag was Rinus dat alweer kwijt. Opgegaan in dikke rookwolken pure weed.
Rinus kon enkele keren per week ‘tzelfde verhaal vertellen. Over mensen die hij had meegemaakt in de bouw, of belevenissen uit z’n jeugd. Hij vertoonde elke keer weer dezelfde gelaatstrekken als hij iets dergelijks herhaalde. De zelfde klemtonen, de zelfde opbouw, de zelfde climax. & Hij lag zelf al te schateren van ’t lachen als ‘t te grappig werd om in 1 adem door te gaan. Elke keer weer. Terwijl ’t hervertellen ons steeds minder leek te amuseren.
‘Jemig, je zou minder moeten roken,’ zeiden we, ‘want dat verhaal heb je ons al meermaals verteld.’
Dat weet ik me nog te herinneren, daar, zittend aan tafel, vermoeid op een krukje in de hoek, leunend tegen de muur, terwijl ik de joint aanpakte, of juist doorgaf. Ik nam toen ’t besluit om op de leeftijd van Rinus niet meer van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat te ‘stonen’. Nu nog wel, maar straks niet meer. Dat weet ik nog.

M’n broers vragen me of ik die & die nog herinner.
Wie?
Die & die.
Ik zou niet weten wie. Dat is dan ook m’n reactie.
Nou, die is dan dood. Of heeft een ongeluk gehad.
Maar waarvan zou ik ‘m moeten kennen?
Dan vertellen ze me iets over waar we die persoon altijd tegenkwamen, van wie hij familie was, of met wie hij een relatie had.
Hij deed ’t met haar.
& Wie is zij dan wel?
Dat lekkere ding, blijkt dan.
Maar ik kan me zoveel lekkere dingen herinneren. Dat dan weer wel. Maar die zovele lekkere dingen die ik dan wel nog weet komen nou net nooit voor in de anekdotes van m’n broers.
‘Jemig, wat heb jij een slecht geheugen,’ zeggen ze dan.
Ik zeg dan dat ik uit Den Helder weg ben, al jaren, & dat ik daarom niet meer dezelfde context heb, ik ben die mensen niet meer tegengekomen, ik ben niet op de hoogte gebleven van wat er met ze gebeurde, ik had vrije plekken nodig om de andere mensen die ik in Amsterdam tegenkwam in te stoppen.
Dat denk ik dan, of soms zeg ik ‘t, & ik hoop stilletjes dat ik gelijk heb.

Als ik een verhaaltje heb geschreven zeggen mensen dat ’t zo niet gebeurd is. Dat hebben ze helemaal niet zo gezegd, zoals ’t weergegeven wordt in m’n verhaal.
Maar als ik ’t op had moeten schrijven zoals ’t werkelijk gebeurd is, dan was ’t vast niet zo leuk geweest, was de spanning uit ’t verhaal gehaald. Dat vertel ik ze dan zo ongeveer.
Ongeveer, hè, wat ik precies tegen ze gezegd heb in dit soort situaties weet ik niet meer. Wel de strekking, maar niet de volgorde der dingen. Ik puzzel me dagelijks thuis suf om voor mezelf de strekking weer te laten kloppen.
& Dan denk ik terug aan ’t artikel, dat artikel dat ik niet meer terug kan vinden. Waarin schrijvers als zeer vergeetachtige personen worden neergezet. Maar dankzij hun slecht functionerende geheugen hebben ze een hele dikke duim gekregen, dat komt er voor in de plaats, dat gaat vanzelf bij dergelijke omissies in ’t hoofd.
Dat laatste zal ik er wel weer bij verzonnen hebben, hoewel ik ook dat niet zeker weet.

Misschien is wel niets zeker in Zijperspace, op een enkele ding na dan.

bostelboeren

‘Dat is de boer.’
‘Wat is de boer?’
‘Je trok toch je neus op.’
‘Ja?’
‘Dat is de boer, die geur. Die liep net voor je uit naar achteren.’

‘Ik versta ‘m ook nooit.’
‘Nee, hij zegt ook pas gedag als jij ’t recht in z’n gezicht zegt.’
‘Maar de laatste tijd probeert die ene wat meer te zeggen.’
‘Dat viel mij ook op. Dan murmelt-ie wat.’
‘’t Enige wat ik dan kan doen is knikken.’
‘Ik lach ook altijd een beetje.’

‘Maar z’n broer die kwam opeens met allemaal plastic zakken om z’n voet.’
‘Waarom dat?’
‘Hij had een wond. Dat deed vreselijke pijn. & ’t Begon ook te ruiken.’
‘Moest-ie niet naar de dokter?’
‘Dat zei ik ook. Dat zou hij binnenkort doen, zei hij.’
‘Vandaar dat-ie zo stonk.’
‘Ja, maar hij had er wel een plastic zak omheen, hè. Dat was toch best fatsoenlijk van ‘m.’

‘We moeten meer drollen hebben.’
‘Drollen?’
‘Ja, van die vliegenvangers.’
‘Wat zijn dat voor drollen?’
‘Die hang je op & dan blijven vliegen daar aan vastplakken.’
‘Ja, er waren veel vliegen vandaag.’

‘Waarom staat ’t er nog?’
‘Omdat die ene boer de bostel niet in z’n 1tje op kon halen. Hij kan geen vrachtwagen rijden.’
‘Is die ander ziek?’
‘Ja, z’n poot moest er af gezet.’
‘Die met die plastic zak.’
‘Ja, die.’

‘Ik wil een andere bostelboer.’
‘Deze laat ’t te lang staan?’
‘Nee, deze stinkt.’
‘Dat doet-ie al jaren. Jij bent er nooit op vrijdag zeker?’
‘De hele brouwerij stinkt als hij is geweest.’
‘We moeten trouwens ook nieuwe drollen hebben.’

‘Zeg.’
‘Ja?’
‘Ik heb een laars gevonden.’
‘Wat voor laars?’
‘Tussen de vuilniszakken.’
‘O.’
‘Er zat een voet in.’
‘Hè, dan moeten ze toch nog een keer langskomen. Ik dacht dat we van ze af waren.’
‘Ah, hebben we dan een nieuwe bostelboer?’

’t Ruikt & vliegt al wat minder in Zijperspace.

kussens

Er zaten 4 kanten aan een kussen. Dat besefte ik me toentertijd al.
‘Hou ’s op,’ zei Carel.
‘Waarmee?’ vroeg ik schijnheilig.
Carel schudde mee, daarboven in ‘t stapelbed, dat wist ik heus wel. Maar ik moest & zou ’t goede plekje van de kussen vinden.
Je kon ‘m draaien, & je kon ‘m keren. Dat leverde 4 topografische plekken op. & Als je een tijdje een bepaalde plek niet gebruikt had, voelde deze anders aan. Kouder, koeler. Als ’t meezat waren de kreukels dan inmiddels verschoven naar ergens anders.
‘Hou nou ooooóooop,’ zeurde Carel.
’t Was ook af & toe net een klein kind, Carel. Maar dat vond hij van mij ook.
‘Anders kan ik niet slapen,’ reageerde ik.
‘Ja, & ik ook niet.’
Dan moesten ze die kussens maar anders maken, vond ik. In de huidige conditie kon ik niet anders dan draaien & keren, zoeken dus, naar de juiste plek waar m’n hoofd in paste. Liefst voor de rest van de nacht. Maar omdat ’t kussen warmer werd door de temperatuur van m’n hoofd, was ik genoodzaakt elke keer weer de ideale kuil te zoeken. De ideale kuil, die niet bestond, of niet bleef bestaan. Had je ‘m, dan was-ie alweer bezig om te verdwijnen.

Tegenwoordig moet ik m’n kussens zelf kopen. Net als de kussenslopen. Ik loop naar de Hema voor de kussens, ’t Waterlooplein levert grand foulards voor de sloop. Met dat laatste ga ik dan bij m’n moeder langs. Zij maakt ze op maat.
‘Altijd iets groter, Ma,’ zeg ik er dan voor de zekerheid bij.
Ze hebben nl wel ‘ns niet gepast. Stak een kwart van de kussen onder de sloop uit.
‘Ja, altijd 5 cm extra,’ weet m’n moeder dan.
Waarna ik ’t in de loop van de visite toch nog een keertje herhaal. Ook voor de zekerheid. De extra zekerheid.
‘Je zou zelf ‘ns moeten leren omgaan met een naaimachine,’ reageert m’n moeder dan. ‘Je lijkt ’t zo goed te weten allemaal.’
Dan hou ik eindelijk m’n mond dicht.

Ze waren glad vroeger. Vlak & glad. Alsof ze rechtstreeks onder de strijkbout vandaan kwamen. Geen kreukel in terug te vinden. Tot je je hoofd er op gelegd had. Dan bleek er een heuvellandschap onder de hoes verborgen te liggen & je oor kwam precies op de kreukel die 2 van die ongelijke bobbels scheidden terecht.
Dan schoof ik iets opzij. Of legde m’n hand er onder.
‘Stil nou,’ klonk ‘t al snel van boven.
‘Jij zat ook de hele tijd te kletsen,’ verweet ik Carel terug.
‘Maar nu zouden we stil zijn.’
1-2-3-stil.
Zo ging dat. Na ‘stil’ hielden we ons dan stil.
Ik vond ’t echter onmogelijk stil te zijn als er een kreukel onder m’n oor door liep. Bovendien was ’t kussen niet koel meer. ’t Was tijd voor een ander vlak, een andere kant van de kussen.
‘Je hebt verloren,’ zei Carel.
‘Nee, ik heb gewonnen,’ zei ik pissig, ‘want ik wilde verliezen.’
‘Niet,’ was Carel weer aan de beurt, ‘want ik was de 1e die iets zei.’
Op de trap klonk gestamp van voeten die haastig naar boven kwamen. De deur ging open.
‘& Nou is ’t afgelopen,’ zei m’n moeder opgewonden in ‘t donker, ‘anders pak ik jullie kussens af & slaap je de hele nacht zonder.’

We smoorden onze hoofden in de kussens van Zijperspace.

dat-ie

Onderstaande tekst is helemaal niet van mij. Geheel niet, om 't maar nog 'ns extra te benadrukken.
Maar ik dacht: 't moet. Want 't lijkt alsof 't over mij gaat. Alsof ze mij 1st gelezen hebben & toen dit artikeltje hebben geschreven voor Taalpost, een meeltje dat ik 3 maal per week binnen krijg, handelend over, men raadt 't al, taal.
Terwijl ik dit meeltje las, ik had 't binnen gekregen terwijl ik afwezig was, aan 't werk zogezegd, er was ondertussen op de radio via m'n computer een programma aan 't afspelen (hoe zeg je dat tegenwoordig). & Ze hadden 't over Nescio. In een bepaalde context. Dan weet men waar 't vandaan komt. Wie de belangrijkste schrijver is, mijns inziens, in dit nederland, dit vlakke land.
Daar gaat-ie, 't 1e uitgebreide citaat in Zijperspace:

Taaltip: 'Heeft-ie gezegd dat-ie komt?'

Het persoonlijk voornaamwoord 'ie' (in de betekenis 'hij') is een speciaal geval. Het is ontstaan als verkorting van 'hij'; de h is weggelaten en de [ij]-klank is in een [ie] veranderd. Dat laatste komt doordat 'ie' altijd in onbeklemtoonde positie staat, doorgaans na een persoonsvorm of een voegwoord: 'heeft-ie', 'dat-ie', et cetera.

Omdat het een inkorting is, zou je verwachten dat het weggelaten deel met een apostrof wordt weergegeven. We korten 'zijn' en 'het' bijvoorbeeld ook in tot 'z'n' en ''t'. Maar 'ie' mét een apostrof is niet helemaal zuiver, want het is geen inkorting van 'hie'. We behandelen dit woord dus als een uitzondering: we schrijven het zonder apostrof; bovendien wordt het met een streepje gekoppeld aan het voorafgaande woord.

Ten slotte: 'ie' kan niet altijd in de plaats van 'hij' komen. We kunnen bijvoorbeeld niet zeggen: 'Ie komt morgen niet', maar wel 'Morgen komt-ie niet.' Het kan ook niet benadrukt worden: 'Denk je dat-íé het kan?'


Maar morgen wordt de wereld weer helemaal normaal in Zijperspace.

duisternis

‘Zullen we ’t licht aandoen?’ vroeg Mira terwijl ze borden op de tafel plaatste.
Ik ontdeed ondertussen de bakken chinees van hun papieren verpakking. Ik plaatste de 2 bekers soep op de plekken waar Mira & Rob daarnet nog zaten, naast de borden die zojuist neergezet waren.
‘Nee, is nog niet nodig,’ reageerde Rob, ‘’t is nog gezellig zo.’
Rob zette z’n boxjes neer, op de kast achter de eettafel, sloot z’n discman er op aan & plaatste cd nr 5 er in.
Ik keek om me heen, naar hoe ’t licht van de straat nog naar binnen viel, ondanks de rolluiken die men in België inmiddels standaard voor de ramen houdt, & knikte beamend met Rob mee.
We konden gaan eten.
‘Beef, pork and duck,’ zei Mira toen alles geëtaleerd stond, waarbij ik snel nadacht over wat in welke bak zou zitten, voor ’t geval ik straks in ’t engels moest gaan vragen of ’t doorgegeven kon worden.
De discman zou een grote variëteit aan muziekstijlen afspelen, zag ik aan ’t voor me liggende printje dat Rob thuis van de inhoud van zijn cd’s had gemaakt.
‘Voor iedereen heb ik wel muziek waarvan men gestoord kan raken,’ lichtte Rob met een glimlach toe.
Terwijl we onze borden vol schepten vertelde hij over zijn muziekcollectie. Hoe hij alle platen slechts 1 keer draaide, om ze op tape te zetten, & ze vervolgens zorgvuldig opborg.
‘I never touch them again, so they stay in perfect condition.’
1st Op tape, later op cd, toen branden met een computer mogelijk werd.
‘Nu moet je ze dus op je computer zetten,’ suggereerde ik.
Maar zover was-ie nog niet. Of mijn computer dan vol stond met muziek?
Ik vertelde over m’n harde schijven. Over de grootte van elk.
‘How do you say that?’ zei ik, nadat ik tussen 2 stukjes eend door over een mengeling van nederlandse en engelse gigabytes was gestruikeld.
‘Giggabytes.’
‘We say ‘gieg’ nowadays, you see,’ legde ik uit, m’n ‘g’ zo nederlands mogelijk laten klinkend.
We spraken over ’t genot van deze chinese maaltijd, over de muziek die bij de afhaalchinees had geklonken, de tijd dat men in België doorging met koken voor de gasten, over welke brouwerij we morgen zouden bezoeken, maar vooral ook over hoe Rob z’n platencollectie van New Jersey naar Seattle was verhuisd.
‘Eigenlijk was ’t enige waar we moeite voor moesten doen zijn onnoemelijke hoeveelheid dozen met platen,’ zei Mira. ‘Daarna viel de rest allemaal wel mee.’
‘Ik heb alle platen van Madonna,’ vertelde Rob. ‘& Da’s ’t enige waar ik niet om geef. Ik heb ze gekocht & in dozen gestopt. Nooit aangeraakt. Er zit geen krasje of kreukel op. Die moeten me straks geld op gaan leveren.’
Hij lachte.
Ik bracht ter berde dat een enkele plaat van Madonna toch wel de moeite waard was, maar daar wilde Rob niets van weten.
‘Wat luister jij eigenlijk?’ vroeg Rob.
Ik had ze vlak voor de maaltijd mijn meegenomen mp3-speler laten zien. Verteld hoeveel er op stond. M’n kleine boxjes erbij getoond & ’t geluid gedemonstreerd.
‘Eigenlijk ook van alles,’ gaf ik als antwoord. ‘Ik kan me ook nergens op vast pinnen. Elke keer moet ’t anders zijn.’
& Ik begon over m’n helden, m’n kleine helden eigenlijk, ik legde uit dat ik eigenlijk niemand écht vereren kon. Ik noemde concerten van afgelopen jaar, met Roswitha naast me, vertelde over Sufjan & Antony.
& Toen schoot me Johhny Cash te binnen.
‘Ik weet niet of je van Johnny Cash houdt,’ zei ik, waarop Rob vanaf de overkant van de tafel naar me knikte, ‘maar die was altijd al 1 van m’n favorieten. Bij die laatste cd dacht ik dat-ie misschien wel te oud was geworden, zo vlak voor z’n dood. & Hij klinkt ook echt oud. Maar Rick Rubin heeft met zó veel respect dat op plaat gezet, hij heeft met zó veel ontzag die oude stem van Cash in de muziek geproduceerd, ik was aan ’t luisteren & de tranen schoten me bijna in de ogen.’
& We praatten verder. Alsof er niets aan de hand was. ’t Was duister, inmiddels, we konden elkaars gezicht niet meer volledig onderscheiden, maar ik zag, ’t moet wel zo zijn geweest, want Rob ging met zijn hand naar zijn wang & wendde zijn gezicht kort af, Mira pakte een ander onderwerp op, om de aandacht af te leiden, zo voelde ik, solidair met haar man, maar ik zag, daar in de schemer van de belgische woning die we gehuurd hadden, dat er een druppel over Robs wang was gelopen nav wat ik gezegd had over die laatste cd van Johnny Cash.
‘Oh, Johnny,’ dacht ik, ‘wat heb je met ons gedaan?’

Terwijl de band speelde, op de achtergrond, in Zijperspace.

afwachting

Soms doet-ie ´t dus wel, maar meestal doet-ie ´t dus niet. Afhankelijk van de bui bij de provider. Welke bui, daarover tasten we in ´t duister. We moeten ´t nemen zoals ´t komt. Of afwezig blijft. We mogen blij zijn dat we af & toe iets voorbij zien gaan. Zijperspace zonder gele achtergrond bijv. Of de editpagina zonder plaatjes op de plekken waar je met je muis moet klikken om onderdelen van pivot in werking te zetten. & Als je dan klikt, dan is alles ook meteen weer verdwenen.
Nu toevallig niet. Ik zit zowaar te tikken op ´t editscherm. Straks druk ik ´Post Entry´ in & mag ik constateren dat-ie ´t inderdaad nog steeds niet doet. Alsof de server overbelast is. De verbinding met ´t moederstation (de provider) niet correct is ingesteld.
Bijkomend probleem is dat ik de motivatie niet kan opbrengen m´n stuk af te maken. ´t Stuk waar ik van de week al grotendeels klaar mee was. Ik had ´m in ieder geval geheel & al in m´n hoofd zitten. Een groot gedeelte ook al in Word getypt. Ik was er nog lang niet tevreden over, daarom had ik ´m maar opzij gelegd. Wachtend op betere tijden. Op vanzelfsprekende correcties, waarvan ik dan verbaasd sta dat ik ze niet eerder had gezien.
Maar vooralsnog is die tekst dus nog niet af. Ik schrijf pas als ik weet dat ik ´m kan plaatsen. Als ik weet dat mensen ´m kunnen lezen. Anders heeft ´t geen zin. Ik ben van de webloggeneratie, zie je. Ik heb pas inspiratie, motivatie ook, als ik weet dat ´t zin heeft, dat ´t publiek er iets aan heeft.
Ik kijk morgenochtend wel weer. Ik heb al een meeltje gestuurd, met dezelfde mededeling als hierboven. Soms wel, meestal niet. & Dan word ik morgenochtend wakker & moet ik opeens. Ik zal dan erg m´n best moeten gaan doen, want ´t moet er uit. ´t Moet wereldkundig.
Wat weet ik nog niet. Want ik had ´t verhaal nog niet af.

Daar wachten we dus nog op in Zijperspace.

5 jaren oud, en nog altijd sterk

Waarom zou je een jubileum er ‘tzelfde moeten laten uitzien zoals ’t er doorgaans al uitziet? Men weet immers al wie je bent, wat je doet, waarom jezelf voor deze speciale gelegenheid herhalen?
Men weet al wat ik kan, beter te laten zien wat men nog niet weet.
Maar ik heb al zoveel laten zien. ’t Enige wat ik zou kunnen doen is een uitzondering tonen.
M’n teksten zijn altijd al lang, waarom opnieuw op m’n 5e verjaardag?

Ik ben jarig, Zijperspace bestaat 5 jaar. 100-en Uren, nee, 1000-en uren geschreven tekst is er over 5 jaar verspreid door mij online gezet.
Meer is ’t niet. Minder ook niet.
Er waren er nog niet zoveel, toentertijd, slechts enkele weblogs. & Nu zijn er nog maar enkelen die vóór mij de leeftijd van 5 jaar ononderbroken webloggen hebben gehaald. Ik ben old-skool, ik ben een oude, je zou zelfs kunnen zeggen dat ik een 1e generatie ben.
Niet te hard zeggen, want dan krijg je een bende, inmiddels lang geleden gestopte, prat op hun startdatum ex-webloggers over je heen.

Ik ben jarig & ik vier ’t zo.

Niets.
Ik meld ’t eigenlijk pas achteraf. De dag is al bijna voorbij.
Zoals ik toen ondergesneeuwd werd door 11 september, word ik nu vergeten door ’t feit dat bijna niemand me meer leest. Als ik 40 unieke bezoekers op een dag haal is ’t veel. Merendeel daarvan is afkomstig van een zoekmachine. Ik ben inmiddels terug op ’t niveau van 5 jaar geleden, min een maand.

Ach, viert u uw feestje zelf. Zonder mij.
Ik weet nl niet of ik tevreden moet zijn. Ik wilde gelezen worden, nog steeds. Maar ik heb zelden ’t idee gehad dat dit zo was. Een enkeling, meer niet. Aandacht ging altijd naar de weblogs van anderen, die er mijn inziens minder moeite voor deden.
Ik heb 5 jaar lang m’n motivatie uit m’n tenen moeten trekken, slechts een enkele keer zette iemand anders mij ertoe aan door te gaan. Van reacties kon ik niet op aan.

Gefrustreerd?
Ja, gedeeltelijk. Maar ook trots. Dat ik ’t ‘ondanks’ toch door heb kunnen zetten. Dat er meer dan 2500 stukken tekst staan. Waarvan minstens 100 ’t waard zijn om in een boek verzameld te staan.
’t Zijn stereotiepe woorden van een man die vermoeid lijkt te zijn.

& Toch zet ik door. Niemand zal mij afhouden van ’t geloof in mij.
Hoewel ook ik een afvallige ben.
Vaak zelfs.

Zijperspace is een woord, inmiddels, dat voorheen nog niet bestond.
Ps: O ja, om 't te vieren ben ik een paar dagen naar 't zuiden.

wachtkamers

Ik denk momenteel weer even alleen maar ziekenhuizen.
Patiënten, begeleid door familieleden, komen door licht ruisende draaideuren de hal binnen. Witte pakken er tussendoor, blauwe, groene ook, met bed & toebehoren, ze lopen af & aan, terwijl ik dat alles aanschouw, zittend in m’n wachtkamerstoel, in de open wachtkamer. ’t Moderne wachten: je hebt iets om naar te kijken, meutes die voorbij gaan.

Elke keer een andere stoel in de wachtkamer. Er is een onafzienbare collectie aan soorten & maten in wachtkamerstoelen, speciaal ontworpen voor ’t ziekenhuispubliek. Comfortabel voor de zit van ong een uur. Als je van binnen 1 instelling van wachtkamer naar wachtkamer trekt wordt je vaak op steeds weer een ander zitvlak getrakteerd, ter voorkoming waarschijnlijk van aanwassend zitvlees in bepaalde regionen omdat steeds ‘tzelfde stukje vlees wordt belast.
Ik was gewoon m’n ziekenhuisbezoeken te rangschikken naar hoe ze gerelateerd waren aan belangrijke gebeurtenissen. Nu zijn de dagelijkse wissewasjes verbonden aan hoe ver ze vóór of ná een ziekenhuissessie hebben plaatsgevonden. De data van afspraken onthoud ik als vanzelf, daar heb ik geen agenda voor nodig.

‘Als ze je 1maal te pakken hebben, laten ze je niet meer los,’ zei Walter.
Hij kan ’t weten. Hij komt al jaren over de vloer bij de gezondheidszorg. Ik weet dat hij de dood daadwerkelijk in de ogen gekeken heeft.
Mij geven ze alleen maar aandacht. Ogenschijnlijk is er niets met me aan de hand. Maar ze zullen de waarheid uit m’n lichaam trekken.
Ik laat ’t me aanleunen. ’t Is goed als ze constateren dat er weer iets niet aan de hand is. Hoewel ik wel erg vaak te horen krijg dat er niets, of niet veel bijzonders, aan de hand is. Er is zo’n overvloed aan niet veel bijzonders. M’n lichaam is er mee volgestouwd.

Ik proef ’t al als ik binnen kom op ’t kantoortje, ergens tussen de onmetelijke gangen van de zoveelste poli. Er gaat me iets verteld worden.
‘Op zich gaat ’t goed,’ begint de internist, met een schemerige ondertoon van er gaat nog meer komen, zich al aankondigend in de vraag hoe of ’t met me ging, ‘maar de waardes liggen toch op zo’n hoogte dat we ’t allemaal nog even moeten afwachten & dat een volgende behandeling misschien noodzakelijk is.’
Ze kijkt cijfertjes die ik niet kan zien, die ik niet meer kan interpreteren, de cijfermoeheid heeft toegeslagen in m’n hoofd, ze kijkt bedenkelijk, herinnert zich wat de hoofd-internist met haar besproken heeft, zij is immers nog officieel in opleiding & nog lang niet klaar, & gooit er vervolgens toch nog een slag naar. Terwijl ik net op ’t punt stond volledig vertrouwen in haar te hebben.
Ze heeft er verstand van, dat wel. ’t Komt alleen niet altijd even goed haar mond uit. Ergens halverwege een zin neemt de twijfel de toon van ’t gesprokene over. Dan zakt haar stem, wijken haar ogen uit naar de cijfers & staatjes op ’t beeldscherm & verlies ik m’n vertrouwen. Als ze probeert standvastig iets te beweren, kan ik zien dat ze probeert iets standvastig te beweren.
Maar ik ga niet dood aan haar, dus laat ik ’t me opnieuw aanleunen.

‘Uw aortawortel is volgens onze metingen 43 mm,’ zei de cardioloog.
& Hoewel ze me verteld hadden dat er zeker een verschil zou zijn met de metingen in ’t andere ziekenhuis, schrok ik toch van de toename van 2 mm.
‘’t Is heel normaal dat er andere waardes uitkomen,’ had de genetisch klinoloog me verteld, ‘een marge van 1 of 2 mm is normaal, vanwege…..’
Daar kwam ze niet meer uit haar woorden, zocht ze naar een simpele, geruststellende verklaring, die de uitkomst bij de cardioloog moest ondervangen.
‘…. De verschillende meetmethoden,’ vulde ik aan, ‘of misschien de apparatuur?’
Ze beaamde dat. Maar de uiteindelijke cardioloog, die me dus de uitslag van 43 mm mededeelde legde me ’t anders uit.
‘De vorige keer is ’t gewoon puur toevallig geconstateerd,’ zei ze, ‘& nu wisten we waar we naar moesten kijken. Dus is de meting ook wat nauwkeuriger.’
Ik ben de ziekenhuistaal al dermate gewend dat ik dit van tevoren had zien aankomen. Ik had ’t alleen zelf niet zo mooi onder woorden kunnen brengen. Maar deze cardioloog heeft dit natuurlijk dagelijks aan de hand.
‘Ik kan u echter gerust stellen,’ ging ze verder, nadat ik een begrijpende blik haar kant op had geworpen, ik stond open voor alles wat ze me wilden laten lijden, ‘we opereren pas bij 55 mm.’
M’n genetisch klinoloog wist me te vertellen dat ’t misschien wel bij m’n persoon paste. Ik & m’n 43 mm brede aortawortel. We vormen een paar. Of zijn elkanders onderdeel.
Ach, nou ga ik al met bezittelijke voornaamwoorden over de geneesheren & -dames praten.

Terwijl ze nog niet eens zouden weten waar Zijperspace ligt.

gibraltar

‘Alles goed?’ vraagt Jasmijn als ik langskom om de lege glazen te verzamelen.
‘Ja, hoor. Gaat lekker,’ antwoord ik er 1tje van haar aannemend.
‘Waar is Roswitha?’ vraagt Jojanneke.
‘Oh, die is op Texel.’
‘Tessel,’ corrigeert Jasmijn mij.
‘Nee, Teksel,’ zeg ik luid & duidelijk.
‘Nee, Tessel,’ begint Jasmijn weer. ‘Zo spreken mensen op Texel ’t zelf ook uit.’
‘Ja, maar ik kom uit Den Helder. & Mensen uit Den Helder horen ’t te weten, want zij zit er bovenop. Jullie weten zulke dingen niet, omdat jullie daar niet vandaan komen.’
‘Jawel, wij wel,’ klinkt er plots van opzij.
Ik kijk op z’n ‘huh?’, zo goed als ik kan. Zodat blijkt dat ik even m’n mond gesnoerd voel.
Dat duurt echter meestal niet lang.
‘Nee, dat kan niet.’
Of eigenlijk soms toch wel.
‘Jawel,’ zeggen de beide jongens tegelijk.
‘Echt uit Den Helder?’ vraag ik om tijd te winnen.
‘Ja,’ zeggen ze ditmaal om beurten.
‘Echte Jutters?’
Ik begin me te herwinnen, de situatie ben ik bijna weer machtig. Hoewel Jasmijn & Jojanneke nog ijverig me uit zitten te glimlachen.
‘Nou ja,’ zegt 1 van de 2 helderse jongens, ‘ik ben er gekomen toen ik 1½ jaar oud was.’
‘Nee, dan ben je geen Jutter. Dan moet je er geboren & getogen zijn.’
‘Ik wel,’ zegt de ander.
‘Ik ook,’ haast ik mij te zeggen.
Men moet natuurlijk wel beseffen dat ik niet voor die jongen onderdoe. Zeker Jasmijn & Jojanneke.
‘Kennen jullie de Bliksem?’ vraag ik de helderse jongens.
‘Ja,’ antwoorden ze beiden.
‘Daar was ik barman.’
‘Maar da’s misschien langer geleden dan dat wij er kwamen.’
‘Ja, ik ben natuurlijk al hartstikke oud.’
Gesnuif op de achtergrond.
‘Moet toch wel 15 jaar geleden zijn. Zo oud zijn jullie niet.’
Gesnuif verstomt. Ik heb de macht weer in handen.
‘Mies stond toen achter de bar,’ weet 1 van de 2 te vertellen.
‘Oh ja, Mies. Die stond er ook al toen ik nog in de Bliksem werkte. Mies is nu met m’n ex-vriendin.’
Stomme zet. Gniffel & snuiven begint opnieuw. ’t Is leuk om je barman van z’n voetstuk te zien vallen. Barmannen schijnen zowiezo te veel vriendinnen te hebben, zo is de algemeen geldende opinie. Dus ex- klinkt in dat geval amusanter dan vriendin.
‘Maar goed,’ begint 1 van de 2 spontaan, degene die op 1½-jarige leeftijd ’t Helderse inkwam, ‘’t is dus Teksel.’
‘Ja, Teksel,’ zegt z’n kompaan.
Ik kijk Jasmijn & Jojanneke triomfantelijk aan.
‘Kijk, dat weten wij mensen uit Den Helder: Teksel.’
‘Wat is dat nou, Den Helder,’ zegt Jasmijn laatdunkend.
Met een handje gooit ze Den Helder weg.
‘’t Is anders wel,’ & ik zet ondertussen m’n plechtige stem op, ‘de Stad van Napoleon, Gibraltar van ’t Noorden.’
Zo, hebben ze niet van terug.
Er wordt gelachen van haha, nooit van gehoord.
Ik heb nog wel een paar van die wijsheden, maar ik laat ’t even voor wat ’t is. ’t Is beter me om te keren & de glazen te gaan spoelen.

Weer een zege binnen voor Zijperspace.

dingen

Neem nou de manier waarop ik mensen gedag zeg: zij zeggen ‘hai’ & onmiddellijk, binnen een 10e van een seconde, zeg ik ‘tzelfde terug: ‘hai’.
Da’s eigenlijk ongelofelijk. Dat ik dat kan. Zo snel. Als je goed na zou denken, dan zal je beseffen dat ’t eigenlijk helemaal niet kan. Je hebt je nl binnen dat korte tijdsbestek van die 10e van een seconde helemaal niet beseft dat die persoon ‘hai’ gezegd heeft, maar toch zeg je ‘tzelfde terug. Zo snel kan een mens toch niet nadenken? Stel dat ze ‘goedemorgen’ hadden gezegd, dan had m’n echo net zo snel weerklonken.

Om een ander voorbeeld te geven: ’t afscheurplakbandje van de bakker. Waar alle broden vers door blijven. Je krijgt je in plastic verpakte brood bijna niet meer anders afgesloten aangeleverd. Altijd dat papieren strookje, handig afscheurbaar aan de 2 uiteinden van ’t plakbandje, zodat je geen moeite met scharen of puntige messen hoeft te doen, niet met je nagels hoeft zitten te pielen, maar gewoon de 2 uiteinden uit elkaar hoeft te trekken & beschikbaar is uw brood!
Dat afscheurplakbandje, ’t ding zal heus wel een officiële naam hebben, dat moet toch iemand hebben uitgevonden. & Vervolgens, de vinding bleek voor een grootindustrieel wellicht interessant genoeg, in productie zijn genomen. Een apparaatje althans, die plakband & strookje samenvoegen, een toeleverancier die aangetrokken wordt om scheurstrookjes te produceren speciaal ontworpen om te blijven plakken aan ’t plakbandje dat als strop om de broodzak komt.

Dat zijn de dingen waar ik me ’t meeste druk om maak. Als ik de tijd dat ik in m’n hoofd daadwerkelijk probleemoplossend probeer bezig te zijn.
Laat ik ’t zo zeggen: ik zie iets voor me, er gebeurt me iets, & ik begin daar over na te denken.
Niets vreemds. Volgens mij doet iedereen dat.
Maar ’t zijn van die kleine pietluttige dingetjes vaak waar de meeste aandacht, verdeeld over een dag zeg maar, naar uitgaat. Waar de meeste energie van ’t denkvermogend orgaan naar toegaat.

Om nog even verder te gaan met dat brood: terwijl ik m’n boterhammen sta te smeren vraag ik me af waarom sommige zaadjes loslaten van ’t Waldkorn & anderen niet. Waarom ’t grootste deel blijft zitten, maar dat er altijd uitzonderingen zijn?
Ik pak ze op met een natte vinger & voer ze naar m’n mond. Hoe komt ’t dat ze blijven hangen aan een vinger die zich slechts een tel, of minder nog, heeft bevochtigd aan m’n tong?

Kijk, die vragen dienen natuurlijk te worden opgelost.
Geen noodzakelijkheid, maar wel handig als die mogelijkheid geboden wordt.

Ik wil bijv ook nog weten hoe lang ’t duurt voordat men van een stuk land een pad kan schuren door er steeds weer overheen te lopen.
Als ik zelf over iets heen loop waarvan de identiteit van ‘t ‘pad’-zijn nagenoeg verloren is geraakt, bij gebrek aan betreders ervan, dan zie ik ’t als m’n taak de hoog uitstekende sprieten, dewelke verantwoordelijk zijn voor ’t doen opgaan van ’t pad in zijn omgeving, plat te trappen. Ik neem de obstakels om ze tot niets te verpulveren, om ’t stukje grond weer deel te laten nemen in de weg die ook anderen na mij zullen moeten gaan.
Hoeveel obstakels zal ik, & anderen na mij, moeten bewalsen wil ik van de weg die ik ga de functie van pad doen toebedelen?

’t Lijken pietluttige dingen, zoals ik al zei, maar ik weet dat er mensen zijn die met mij zich afvragen hoe ’t met de dingen staat. Ik waag zelfs te denken dat de meeste tijd ‘verspild’ wordt door ’t blijven stilstaan bij zulke ‘onnuttige’ zaken.
De dingen, waarbij ‘dingen’ staat voor alles wat in de volksmond nog anoniem is; de dingen, omdat de vraag nog niet eerder luidop gesteld is, laat staan dat er gewag werd gedaan van een antwoord.
Ik wil die informatie, de informatie over de kleine dingen.

Kunnen we niet een weblog opzetten? Een weblog der kleine dingen. Dat we daar de antwoorden geven. We gaan op zoek naar die antwoorden, & verspreiden vervolgens onze opgedane kennis. Zodat we daarna na kunnen gaan denken, onze tijd kunnen besteden aan de volgende dingen.

Dan blijven we tenminste nog een tijdje bezig in Zijperspace.