lijkenstenen

Ik sprak een man vandaag. Hij zat naast me. Ik naast hem.
Hij vertelde me dat de graven op een gegeven moment niet meer verzorgd werden. Geen betaling, geen graf. De lijken weg, de restanten kist weg.
‘Neem maar van mij aan,’ zei de man, ‘er is niet veel kist meer over. Alleen de dure kisten staan er nog na een paar jaar.’
Dus als de familieleden verdwenen die de huur betaalden, die ‘t tot dan toe hadden betaald, dan verdween de herinnering aan de persoon. De laatste herinnering.
‘Maar,’ zei de man, ‘de wereld wordt platter.’
Daar waren ze achter gekomen. Nauwkeurige metingen. Reliëf verdween. Ok, de toppen waren nog steeds toppen. De bodem van de oceaan was nog steeds de bodem van de oceaan. Even diep.
Maar alles daartussen, dat werd genivelleerd.
& ’t Ging harder naarmate er meer mensen overleden. Leefden & overleden.
Ik luisterde. Wat moet je anders. Je wordt gestoord, blijkbaar door een begrafenisondernemer. & Die man dwingt door z’n kalmte, z’n rust, z’n weloverwogen woorden, toch een bepaald respect af. Ik word er altijd stil van. M’n mond wil zich niet verheffen.
‘Stil nou, vent,’ had ik kunnen zeggen, ‘je ziet toch dat ik in een boek bezig was.’
Maar alles wat ik deed was slechts bij tijd & wijlen een blik werpen op m’n opengeslagen boek, hij hing nog steeds daar tussen m’n vingers, om te zien of ik de zin waar ik gebleven was nog zou kunnen herkennen. De monotonie van de man z’n stem had me te pakken. M’n eerbied voor de dood, z’n handen die zovele kisten moeten hebben gedragen, deden me slechts knikken op zijn aangeven.
Als hij pauzeerde tussen de regels door.
‘Er is al zoveel nodig geweest,’ ging de man met de volgende zin verder, ‘om de mensheid van van alles te voorzien.’
Hij strekte z’n vlakke hand voor zich uit, een traag zaaigebaar, om de aarde te tonen die daar voor onze voeten lag. De vlakte, de oogsten, de grassen, ’t land. Terwijl we eigenlijk gewoon midden in de kroeg gezeten waren.
‘…dat de geaccidenteerdheid langzaam verdwijnt.’
Ik hing in gedachten nog bij de toppen, de toppen van de bomen, de toppen van de alpen, alles wat zich in m’n leven boven me uit had getornd. & ’t Diepe van ’t water. Waar ik niet naar toe duiken durfde. Bang dat m’n oren onderweg zouden knappen. Ik had ze beiden nooit bereikt, maar wist van hun bestaan.
Dus slopen ze de stenen, vertelde de man. Ze halen ze weg, zogauw ’t contract voor de graven niet meer is verlengd met nogmaals 5 jaar.
& Zo zorgvuldig als dat men was bij ’t noteren van de namen, zo precies zijn ze in ’t weer verwijderen ervan.
& ’t Steen zal weer op steen lijken. Niets wat ’t doet lijken op gepolijst door mensenhand. In brokstukken, zuiver, verweerd, alsof door de tijd geslepen, de wind, de regen, worden ze verspreid. Op plekken waar niemand weet van heeft.
Zo liggen namen van mensen, wiens nakomelingen geen geld meer over hadden voor wat voorheen geleefd had, verspreid over bergen. Bergen stenenlijken. Lijkenstenen.
‘Want tot stof zullen wij wederkeren,’ zei de man. ‘& Gelijkheid, dat iedereen gelijk zal staan aan anderen, die situatie zullen we daardoor hopelijk wel nooit bereiken.’
Ik verzocht de man mij weer verder te laten lezen. Ik wilde nog zoveel mogelijk tot mij nemen tot ook mijn naam verborgen zou raken.

Verdonkeremaand, ergens in Zijperspace, om nivellering te voorkomen.

bollenpelkus

Ze moeten daar voor ’t raam hebben gestaan. Achter de vitrage.
Iedereen had vitrage. Gordijnen ook. Maar niemand die de laatste gebruikte, tenzij men naar bed ging. De gordijnen waren er om aan te geven dat er een verschil was tussen dag & nacht. Ik wist daar nog niets van.
Ik reed voorbij & iedereen stormde naar de vensterbank. Elkaar aanstotend. Zo moet ’t ong gebeurd zijn. Hetty is blijven zitten. Of vluchtte naar haar kamer.
‘Wat fietst-ie langzaam,’ zei de moeder.
‘Hij doet net alsof er iets aan mankeert,’ zei de zus. ‘Alsof-ie een zachte band heeft. Zullen we ‘m roepen dat-ie wel de pomp mag lenen?’
‘Néééééééééh,’ gilde Hetty.
& Ik fietste langzaam voorbij. Een lichaam vol onbehagen.

Ik heb een lange weg in de auto bij m’n ouders gezeten.
Ik zei: ‘Kennen jullie mensen met groene ogen?’
Ze gniffelden. M’n broers lazen onverstoord door in hun stripboeken.
Ik zei dat ik dat nooit eerder had gezien bij iemand. Voor de rest hield ik m’n mond.
Ik zat aan de zijkant, achter m’n vader, die ons naar ’t buitenland zou rijden. 3 Weken lang zouden we daar verblijven. Tegen de tijd dat we teruggekomen waren zou ik haar vergeten zijn. Zou ik niet meer weten hoe haar ogen waren. Zo groen. Groen zou niet meer bestaan.
Dat was m’n angst.

’t Enige wat ik bij thuiskomst kwijt was, was haar adres. Ik had ’t ergens op een papiertje staan, maar dat was verloren gegaan tijdens ons verblijf elders. Over jaren, vele jaren, zouden we ’t terugvinden tussen de kussens in de caravan. Verfrommeld & met vervaagde inkt.
Ik had haar nog net een kaartje kunnen sturen. Daarna is ’t vermist geraakt.
‘Hoi. Hier is ’t heet. Enkele dagen regen gehad. M’n handen beginnen er weer schoon uit te zien. Bollenpellen mis ik niet.’
& Toen de kaart in de bus zat besefte ik dat die laatste zin ook kon betekenen dat ik haar niet miste.
Voor mij lag er thuis ook een kaart.
‘Prachtig weer. Strand, zand, zon. Veel lol.’
& Een 3-tal kruisjes.
Ik wist toen nog niet wat kruisjes betekenden. & Ik had niemand om ’t aan te vragen. Ze hadden tijdens de vakantie al genoeg grappen over mij gemaakt. & Over Hetty. Met haar groene ogen.
Jaren later vertelde een vriendin ’t me. Ze gaf me toen de kusjes die ik nog te goed had. Want ik had ze nooit gevoeld.

Ik wist haar straat ong, maar niet meer dan dat. Ik tastte daartoe de hele buurt af. Zei tegen m’n moeder dat ik naar ’t strand ging, of ’t bos. & Vertrok in tegengestelde richting.
Van tevoren liet ik m’n band lichtjes leeglopen. Dan had ik een reden voor de pomp. Dan had ik een reden om af te stappen. Ik kon geen andere smoes verzinnen om langzaam te rijden.
De laatste dagen van de vakantieperiode heb ik die hele wijk uitgekamd. Thuis de plattegrond bestudeerd, speurend naar straten die bekend in de oren klonken. & Dan op de fiets tergend langzaam me erdoorheen voortbewegen.
Dat alleen maar vanwege die ene kus, op de laatste dag. Ze schoof plots iets naar voren. & Plantte ‘m op m’n wang.
Daarna zijn we weer aan ’t werk gegaan, de laatste kistjes vol gebollenpeld, ons salaris opgehaald, afscheid genomen & daarbij vergeten een volgende kus te geven.

5 Jaar laten kwam ze weer tevoorschijn in Zijperspace.

hypnerotomachia

Roswitha gaf me er nog een pasje bij.
‘Dan zeg je dat je nog een vrijwilligerspas hebt,’ zei ze.
Ik keek er even naar. Draaide ‘m om, de gegevens er op bestuderend.
‘Zegt deze dan niet dat ’t van een vrouw is?’ vroeg ik.
‘Weet ik eigenlijk niet.’
Ik draaide nog een keer. Praatte ondertussen verder.
‘Maar m’n smoes kan bijna niet fout gaan.’
Ik lachte. Ook om me zelf op te beuren. Moed, daar gaat ’t om bij ’t liegen.
‘Wat ga je dan zeggen?’
Ik ging er even voor staan. Schouders recht, maar niet té, beide benen op de grond. Alsof ze dat nog niet eerder hadden gedaan.
‘Net als de vorige keer. Of nee, 1st zeg ik dat ik ’t foldertje met gratis toegang die bij ’t boek zat kwijt was toen ik vanochtend wilde vertrekken. Dat is tenslotte ook echt waar. & Dan ga ik verder: “& Toen heb ik dus m’n museumjaarkaart van ’t dressoir gepakt, maar in de trein bemerkte ik opeens dat ik die van m’n vrouw te pakken had.” Dat ging de vorige keer ook goed.’
Ik kijk geruststellend. Vooral voor mezelf.
‘& Als dat niet lukt?’
‘Ach, dan betaal ik toch gewoon. ’t Is maar € 4,-.’
Waar had ik ’t eigenlijk over?
Ik stopte de 2 pasjes tezamen met ’t lidmaatschap van de Haagsche Bibliotheek in m’n portemonnee.
‘Help me wel herinneren dat ik ze voor vertrek weer aan je terug moet geven,’ zei ik als afscheid.

‘Zegt u ’t maar,’ zei de museumbewaker achter de kassa.
‘Ja,’ begon ik, vanuit m’n ooghoeken de andere wachtenden & speurenden in de museumwinkel aftastend, ‘vandaag zou je 2 pagina’s van de Hypnerotomachia kunnen laten drukken…..’
’t Zweet van de fietstocht droop van m’n voorhoofd. Ik probeerde met een veeg van m’n hand te voorkomen dat er druppels op de balie terecht zouden komen.
‘Ja, u had gereserveerd?’ interrumpeerde de bewaker me.
Hij haalde een lijst tevoorschijn. Handgeschreven namen stonden in 2 groepen verdeeld op ’t papier.
‘Nou, ik kwam er vanochtend pas achter dat je moest reserveren. Dus heb ik maar snel een meeltje verstuurd.’
De man keek me aan. Z’n snor verborg een groot gedeelte van z’n emoties, bemerkte ik. Ik kon niet opmaken of ’t ergernis of ongeduld was wat ik hieruit moest opmaken.
‘O, er zijn al dermate veel mensen binnengekomen die niet gereserveerd hebben, dat we al een extra groep kunnen formeren,’ zei hij zakelijk & geruststellend tegelijk. ‘Als u dan straks naar ’t souterrain gaat, da’s hier de hoek om, de trap af, rechts naast de garderobes, daar worden dan dadelijk om 2 uur 2 groepen geformeerd.’
Hij gebaarde welke weg ik moest nemen. Maar terwijl ik omkeek naar waar z’n handen naar wezen, deelde hij alweer de volgende instructies uit.
‘& Heeft u een museumjaarkaart?’ ging hij verder. ‘Of bent u vriend van ’t museum?’
Ik keerde m’n hoofd weer om. Ik had niet op kunnen maken waar de man nou naar gewezen had. & Wat was een souterrain ook alweer? Hoe zag zoiets er uit?
‘Wacht even,’ haspelde ik, ‘ik ga dus hier naar beneden?’
Ik wees in ’t wilde weg.
‘’t Ging een beetje snel, ziet u.’
Ondertussen had ik m’n portemonnee erbij gehaald. Die zweefde ook ergens in de lucht om de onbekende weg te kunnen duiden.
Hij herhaalde ’t nogmaals van voren af aan. Ik zag andere bezoekers ijverig met me mee luisteren. & Terwijl hij zijn uitleg nogmaals zei, & ik m’n hoofd weer naar de te bewandelen weg keerde, reikte m’n hand de kaart aan.
‘Daar staat op dat ik een vrouw ben,’ dacht ik gespannen.
Nog enkele druppels wist ik, net voordat ze de museumcollectie konden bevochtigen, op te vangen.
De man nam de kaart aan, haalde ‘m door ’t apparaat naast de kassa & gaf me een bon met ’t bewijs dat ik niets betaald had. Z’n andere hand wees nog steeds de richting aan. ’t Was allemaal in 1 moeite door gegaan.

‘Hoe was ‘t?’ vroeg Roswitha.
‘Hm, aan de ene kant heel leuk, maar aan de andere kant ook weer niet,’ zuchtte ik, terwijl ik m’n eigen pagina’s van de Hypnerotomachia liet zien. ‘Al die mensen.’

Nu nog een plekje aan de wand naast de boekenkast zien te vinden in Zijperspace.

kusjes komen naar daar waar ze geen kwaad kunnen

O,
zoveel
kusjes
komen je tegemoet
& je hoeft ze niet te voelen,
niet daadwerkelijk,
als ze maar een beetje
in je hoofd terecht komen
op een plekje
waar ze je geen kwaad kunnen doen.

& Opeens is er geen stilte meer in Zijperspace.

krampjes

10.00
Ik smeer de broodjes. Ondertussen worden de gehaktballetjes warm. Halverwege kijk ik.
Ze zijn warm, maar nog niet genoeg. Dat komt goed uit: kan ik doorgaan met ’t brood. 2 Voor de gehaktballetjes, 2 voor straks op werk.
Ze ruiken wel vreemd. Terwijl ik ze gister pas uit de verpakking heb gehaald. Houdbaarheid 31-10-06. ’t Was niet vacuüm verpakt. Na uitpakken de restanten in plastic zakjes gestopt, 2 porties, 2 dagen ontbijt met gehaktballetjes op brood. Meteen in de koelkast.

10.04
Gehaktballetjes zijn warm, zegt de magnetron. Brood voor op werk ook nog maar net. Boterhamzakje er omheen.
Ik heb hete engelse pickle op de broodjes voor de gehaktballetjes gesmeerd. Niet te veel. Daar krijg je plotse buikloop van, weet ik inmiddels uit ervaring.
De balletjes snij ik stuk voor stuk door 2-en. Eigenlijk zijn ze nog niet helemaal klaar. Ze zakken in elkaar onder de druk van m’n vingers. Maar als je 1maal begint, kan je moeilijk stoppen. De vettigheid zit nu al aan m’n vingers, de verleding daardoor te groot.
Nog wat sambasaus, om ’t kompleet te maken.
Toch is die geur een beetje vreemd. Maar ik mag er niet aan denken, daar word ik maar paranoia van.

10.10
Alles is daar beneden aangekomen. Met enkele spetters op ’t bord. De saus, de pickle, een beetje vet uit de gehaktballetjes. Lekkere derrie. Ik strijk m’n vinger er doorheen, vervolgens in m’n mond. Niets zo lekker als vies.

10.12
M’n vuik is bol, zoals Roswitha & ik elkaar soms vertellen. Een uitdijend heelal. Langzaam bolt-ie nog vuiker.
Ik zet ’t bord terug in de keuken. Vreemde geur. Geur van gehaktballetjes die niet goed zijn?
Dat gaat dan 6 uur duren. Dat weet ik van ergens gelezen. Als ’t fout is, duurt ’t tenminste 6 uur voor voedselvergiftiging zich openbaart.
Maar ik voel me nu al beroerd. M’n ogen vallen dicht, m’n botten willen niet, m’n rug is vermoeid.
’t Heeft er allemaal niets mee te maken, maar ik denk ’t wel.

10.18
Ik denk op de wc. Veel. Denk aan vergiftiging. Wanneer ik daar onder zal beginnen te lijden. ’t Zal rond 4-en zijn, als ik net begin met werk.
Dood gaan vind ik niet zo erg, dat merk ik straks toch niet. Maar pijn in de buik wel. Dat wordt krimpen, krampen, strekken, zeuren, kronkelend over de vloer. Ik zie ’t al helemaal voor me.
Collega’s die dan zeggen: had je dat niet eerder kunnen doorgeven?
Maar ik wist ’t nog niet.
Ja, ik dacht ’t wel, toen, vanochtend. Maar wat ik denk komt niet altijd uit.
Terwijl ik doortrek besluit ik dat ik me niet aan moet stellen. Omdat er toevallig een raar geurtje hing. Ze waren tot 31-10-06. Een dagje uit de verpakking maakt ze nog niet meteen bedorven.

13.30
Eindelijk weer honger. Bordje pap. Banaan, jam, cruesli.
Niet te veel, niet te veel. Anders wordt ’t weer een uitdijend heelal.
Toch een bord vol.

13.37
Toch een bolle vuik.

13.48
Als de jam niet goed was, die heb ik ook al een maand geleden geopend, ga ik over 6 uur dood. Maar als ’t aan de gehaktballetjes ligt, toch iets eerder. Zou je pillen kunnen slikken tegen krampen in je buik? Baby’s met borstvoeding krijgen via de borst venkelthee gevoerd. Daar krijg ik dan weer krampjes van in de buik. Niet van die borstvoeding, maar van de keer dat ik met een moeder solidair venkelthee ging drinken.
Was dat de laatste keer? Ja, dat was de laatste keer dat ik doodging. Ik heb toen een uur op de wc gezeten. ’t Kind moest verschoond worden in de wasbak in de keuken.

Zien of we weer een dag zullen overleven in Zijperspace.

moederloos (2)

Door ’t plotse vertrek van Ma was ’t niet opgehouden, de eeuwigdurende strijd om niet benadeeld te worden tov een broer. ’t Was vooral onderdrukt aanwezig, een enkele keer licht opvlammend. Carel spetterde bijv te veel met ’t afwaswater, & ik zou de borden niet goed drogen met de doek. Jan, die nu moest laten merken dat hij de oudste was, legde de minste stemverheffing ’t zwijgen op.
‘Anders ontploft Pa,’ waarschuwde hij.
Maar de voornaamste reden was, we wisten ’t allen, maar zeiden niets, dat Ma dan definitief nooit meer terug zou keren. We moesten correct gedrag vertonen, men moest verbaasd staan van de voorbeeldigheid van de jongens Zijp. Hoewel we niet zouden weten wie die ‘men’ was die daar getuige van zou moeten zijn. We hielden ’t onder elkaar er maar op dat ’t dan de Heer zou zijn. Die was immers overal.
‘Ook in de achtertuin?’ grapte ik naar Carel, terwijl we de afwas voortzetten.
‘Ook in de achtertuin.’
‘Kan niet! We hebben helemaal geen achtertuin.’
Nou ja, Fons Jansen had geen achtertuin. Ondanks ’t gemis van Ma konden we gelukkig weer lachen om grappen die we al 100-en malen uit de mond van Fons Jansen hadden gehoord.

Pa kwam om de hoek & ’t viel weer stil.
Hij keek wat we deden. & Vertrok vervolgens richting zijn stoel. Hij hield z’n mond.
Ook toen Jan ‘m zacht vroeg wanneer Ma terug zou komen. Jan droop af, kwam ons gezelschap houden in de keuken, maar vertrok naar z’n kamer toen ook daar de activiteiten gedaan waren.

’t Huis was doods, zo zonder Ma.
Op onze kamer probeerden Carel & ik nog meer grappen van Fons Jansen op elkaar uit, maar ’t enthousiasme was ervan af. Bovendien leken ze nu niet meer zo fantastisch leuk.
Marc sliep. Quint zou ‘m spoedig volgen. Theo & Jan waren bezig met schoolse verplichtingen. Pa zweeg. ’t Was in ’t hele huis te horen.

Vlak voor slapen gaan gingen we naar beneden. De tv was behalve voor ‘t journaal de hele avond uit gebleven. Niemand die Pa gezelschap durfde houden. Hij zou wel net zo kwaad zijn als Ma.
We kwamen ‘m welterusten wensen. Daar konden we niet omheen. Op letterlijke kousenvoeten liepen we op ‘m toe.
Z’n hoofd hing weer ‘ns achterover. ’t Was blijkbaar weer een lange dag geweest. Z’n mond open. Je keek recht al z’n holtes in, je kon z’n neusharen tellen. Carel begon er al mee.
Ik gaf ‘m een stoot & zei snel: ‘Truste, Pap!’
Pa schrok wakker & zei verward: ‘Ben je er al?’
Tot-ie zag dat wij ’t maar waren.
‘Komt Mamma nog terug?’ vroeg Carel.
‘Vast wel,’ zei Pa nu klaarwakker.
Hij schoof de plank met al z’n administratie weg van z’n schoot.
‘Maar dan zullen jullie je wel ‘ns wat beter moeten gedragen,’ ging-ie verder.
‘Maar Jan & Theo……’ begon ik, ’t zwijgen opgelegd door een trap tegen m’n scheenbeen & ’t zicht op weer een schim die nu in tegengestelde richting voorbij ’t raam kwam.

We renden naar de hal, waar Ma achter zich de buitendeur sloot. We omsloten haar benen met onze armen. Ditmaal zouden we haar nooit meer loslaten.
Boven ons gaf Pa z’n vrouw een zoen.
‘Ik heb heerlijk ouderwetse hachee gegeten bij Oma,’ zei Ma.
Achter ons hoorden we 2 broers de trap af stommelen.
‘Eten wij morgen ook hachee?’ smeekte ik de benen die ik omsloot.
‘Als jullie morgen allemaal zelf je bed opmaken.’

Een week later aten we eindelijk hachee in Zijperspace.

moederloos (1)

Ze stond op, smeet de theedoek die ze nog altijd in haar handen had op haar bord, klodders boerenkool vermengd met jus vlogen over ’t tafelkleed, en ze riep: ‘Ik ga weg!’

Voordat we wisten wat er gebeurde was Ma ‘t huis uit. De gangdeur galmde nog in onze oren na, die van de hal was nog een doffe klank in onze korte termijngeheugen, & de klap van de buitendeur stond vanaf dat moment in onze ziel gekerfd. We hadden nog een schim aan ’t raam voorbij zien stuiven, maar daarmee had onze moeder een laatste teken van leven in die van ons achtergelaten.

‘Moet je ook niet altijd je zin willen hebben,’ was ‘t 1e wat er gezegd werd, een verwijt van Theo aan Jan.
De discussie over de grootste gehaktbal dreigde weer opgerakeld te worden, slechts kort onderbroken door ’t vertrek van Ma.
Quint keek niet-begijpend om zich heen, zich afvragend waar Ma nou was, Marc spetterde met z’n lepel nog steeds onverstoord z’n slabbetje & kinderzit onder de pap, Carel zweeg een ijzige blik recht voor zich uit & ik wachtte op wat Pa ging doen.
‘& Nou is ’t over,’ sprong deze dreigend omhoog uit z’n stoel.
Een zwaai van z’n handen maaide tussen de grootste-gehaktbalstrijders, deed ze uiteenwijken, & deed ze plots beseffen dat Ma echt wel ‘ns definitief ’t huis verlaten kon hebben. Pa was nu alleenheerser geworden. ’t Was de vraag of ze daar iets mee opgeschoten waren. Ma had hem al op ’t moment dat-ie zou zijn opgestaan met een ‘Niek!’ tot een standbeeld doen bevriezen. Die correctietikken op de woedeuitbarstingen van onze vader zouden we node moeten missen.
Alleen dat al was reden genoeg voor Quint om in een oorverdovend gekrijs uit te barsten. Jan en Theo waren op slag hun respectieve gehaktballen vergeten. & ’t Deed mij beseffen dat ik vanaf heden als ½e wees ’t leven door moest komen. Bij die gedachte dienden de 1e tranen zich ook bij mij aan.

Ze had er al eerder mee gedreigd, ooit eens bij zo’n ruzie om wie ’t meeste eten opgeschept zou moeten krijgen ’t gezin te verlaten & naar een ver land te vertrekken. Om nooit meer terug te komen, zo had ze in die tirades voorspeld.
Meestal kwam ’t er op neer dat ze zich terugtrok op haar slaapkamer, de storm voorbij liet gaan & duidelijk maakte pas weer tevoorschijn te komen als de hele gore troep aan kant was gebracht.
Pa speelde de rol mee, door als bemiddelaar op te treden, voor onderhandelingen naar boven te gaan & de eisen bij de kinders op tafel te leggen. Gedwee werd daar door iedereen aan voldaan. Snel werd er nog een hap genomen, de restjes in de kliekjespan gemieterd, afgedekt in de koelkast geplaatst & op een geluidsniveau waarbij de vallende speld een orkaan aan lawaai leek te veroorzaken werd er poeslief aan de afwas gewerkt. Ieder opeens met vanzelfsprekende taken, ijverig & nauwgezet.
Ma kwam dan beneden. De familie verwelkomde haar, netjes zwijgzaam op een rij gezeten op de bank. & Als troost voor de mislukte maaltijd werd ’t lekkerste toetje uit de voorraadkast met z’n allen voor de tv verorberd.

Zoiets zou nooit weer gebeuren, wisten we dan.
Maar nu was ze weg. ’t Leven zou nooit meer ‘tzelfde worden.
We beseften de zegeningen tot dan toe met onze lieve moeder. Haar zorgzaamheid, haar geduld, haar doortastend vermogen, & boven alles, haar bekwaamheid inzake ’t verschonen van onze bedden.
Dat zouden we vanaf heden moeten ontberen.
Theo nam ’t op zich Marc nog wat happen van z’n vloeizaam goedje naar binnen te gieten, Jan verdeelde de taken onder de overige jongere broers, Pa ging verongelijkt naar boven, stampend op de trap, weer naar beneden, kwade blikken om de hoek van de gang werpend, om vervolgens stiekem in de gang een telefoontje te plegen.

De rest volgt vanzelf in Zijperspace.

navelstaren

Het was ’t paard van de Fabeltjeskrant die er last van had. Ik ben z’n naam al jaren kwijt. Maar hij was de dokter. & Een dokter zou beter moeten weten.
Ik ging diezelfde avond nog in bad. Keek naar beneden. Wriemelde een beetje. Maar vooral niet te lang. Ik was immers gewaarschuwd. ’t Paard was afgevoerd, moest naar ’t ziekenhuis. Hoewel ik niet meer weet of ze wel een echt ziekenhuis hadden, daar in de Fabeltjeskrant. Hij zal wel verzorgd zijn door Truus de Mier.
Ik wriemelde dus kort. Vooral ook omdat m’n moeder erbij stond. Die zou wel even komen kijken of ik me goed waste. & Elke keer als ze naar me keek, ze zal ondertussen wel met de was bezig zijn geweest, haalde ik snel m’n vinger uit m’n navel. Zij had tenslotte ook de Fabeltjeskrant gezien. Ook zij wist dat ’t niet goed met ’t paard was afgelopen omdat-ie maar in z’n navel was blijven wroeten.
‘De navel,’ zei m’n moeder, ‘is de handtekening van degene die je gehaald heeft.’
Dat was de huisarts, geloof ik. Zeker weten doe ik dat niet. Wat eigenlijk best vreemd is. Want die man, dat weet ik wel zeker, ’t moet een man zijn geweest, is ook betrokken geweest bij de andere bevallingen. M’n 5 broers hadden allen dezelfde handtekening op hun buik staan.
Hij had een mooie handtekening, zei m’n moeder, want we hadden mooie navels. Niet van die uitstulpende, maar bescheiden, niets-bijzonders navels. Ze zijn er, maar niet prominent aanwezig.
Ik moet ‘ns aan m’n bovenbuurvrouw vragen hoe vaak zij inmiddels haar handtekening heeft gezet. & Hoe die er dan uitziet. Zou ze foto’s hebben van haar handtekening op de lijfjes van de baby’s die zij heeft doen komen?
Meestal ga ik er aan voorbij. ’t Ding bestaat eigenlijk meestentijds niet. Misschien ook dat ik er van ’t paard niet meer aan mocht zitten. Met de stem van Frans van Dusschoten was me verteld dat ’t kwaad kon als ik er maar steeds aan kwam. Elke bewuste handeling die kant op moest dus vermeden worden, waardoor de navel ophield te bestaan in m’n bewuste bewegingen.
Hoewel er heus wel slokjes water door een vrouw uit zijn opgeslurpt. Nadat ik ’t bij die van haar 1st had gedaan. Kriebelend, giechelend, de slok vermengd met ’t vocht van ’t lichaam. Daarna kon ik mezelf niet weerhouden van nog een keer er flink tegenaan. Als zij niet al in me gekropen was.
Daar ging ik dus aan denken, ’s ochtends vroeg, nog maar net uit bed, geen sok, geen broek, niets om ’t lijf. Verdwaasd keek ik om me heen, alsof de functies van de wereld zich nog aan me moesten presenteren. Ik wist dat ik voort moest gaan, me aankleden, ontbijten, douchen, de hele rataplan, maar ik wist niet waar ik moest beginnen vandaag. De slaap was er nog niet uitgeramd.
Daar dacht ik aan, toen ik mezelf betrapte op m’n vinger op die plek. ’t Paard van de Fabeltjeskrant deed van zich spreken. Onmiddellijk. Terwijl ik onschuldig niet-bewust weer ‘ns een beetje wriemelde.
Misschien deed ik ’t wel elke morgen. Misschien was dit wel ’t centrum van m’n lichaam. Misschien was dit voor mij een moment van contemplatie. Zat mijn religie, mijn vroomheid, verborgen in dat kleine kuiltje. M’n zijn, m’n punt, m’n rust.
Ik keek m’n vinger. Die beroerde zonder dat ik er werkelijk controle over had. Hij deed vanzelf. Wist welk rondje hij moest maken om mij niet te laten nadenken, zo voelde ‘t.
& Toen, op ’t moment van wakker, op ’t moment dat m’n vinger er genoeg van had, zich ervan bewust dat-ie in de gaten gehouden werd, met in z’n achterhoofd, míjn achterhoofd, die blijkbaar weer contact had kunnen maken met ’t kort zelfstandig functionerend onderdeel, ’t paard van de Fabeltjeskrant, op dat moment trok m’n vinger zich terug & trok een pluk stof met zich mee.
’t Zag grijs & miste materie. In die zin dat ’t zich niet vast liet houden.

’t Was weg, uit Zijperspace.

visboeren

Ik heb bijna geen alternatief voor m’n makreel. Ik reis de hele buurt af, ijverig om me heen speurend, misschien heb ik er wel 1tje over ’t hoofd gezien, maar met elke vishandel waar ik naar binnen treed is iets aan de hand. Ik moet wel steeds terugkeren.
Laatst kocht ik er 1 op de Albert Cuyp. Dat ging best vlot. Ik was zelfs bereid om een stuiver extra te geven, zodat ’t makkelijker wisselen was. Dat schiep een prettige band tussen verkoper & klant, had ik ’t gevoel. Maar toen ik om een extra tasje vroeg, ik zeg nog: ‘Als ik ’t in m’n rugzak moet doen, dan gaan m’n kleren zo stinken,’ om ’t te illustreren opende ik ‘m een stukje bij de rits, m’n sweater stak er uit; toen ik om dat extra tasje dus vroeg, toen keek die gozer alsof ik ‘m persoonlijk beledigd had.
Omdat vis ruikt? vroeg ik me af. Omdat ik dat in m’n mond had genomen. Was-ie bang dat de jongens van z’n buurt niet meer met ‘m omgingen omdat z’n kleren de laatste tijd een bepaalde geur verspreidde & was ik degene die z’n vermoeden bevestigde?

Dus keer ik steeds terug bij dat zelfde mannetje. Oude chagrijn, maar nog te jong om dat te zijn.
Hij toont de kassalade, tilt ‘m op & laat zien dat er echt niets in zit, om duidelijk te maken dat ’t niet goed uitkomt dat ik niet gepast betaal.
‘Ja, m’n vrouw komt straks, die heeft een pasje,’ zegt-ie, ‘dan kan zij straks naar de bank om geld te halen. Dan heb ik weer genoeg.’
Maar ik heb nog nooit meegemaakt dat-ie genoeg had. ’s Ochtends niet & ’s middags evenmin.
Z’n winkel was laatst nog leeg. Helemaal leeg. Nergens een vis te bekennen.
‘Ben je nog niet open?’
Jawel, maar hij had uren in de file gestaan. Hij wijdt uit dat ’t ongelofelijk is, dat ’t zoveel tijd kost, waar die mensen allemaal vandaan komen & kijkt ondertussen niet naar mijn gezicht dat zegt dat ik daar niets mee te maken wil hebben.
Hij laat papieren van rekeningen zien. Daar moet je meteen achteraan zitten, zegt-ie.
‘Want anders zeggen ze, als ik de volgende dag pas bel: “Maar meneer, daar had u toch ook gister over contact op kunnen nemen.”’
Ja, je moet altijd meteen naar de telefoon grijpen, zegt-ie.
Hij moet de kassa vaak nog installeren, als ik kom. Hij moet de makreel nog uit de koelbox halen. Hij moppert op de leverancier die alleen maar kleintjes kon afleveren. Dat ’t niet te bevissen is, had-ie gezegd. Hij laat me zien hoe z’n filets er uitzien. Hij stuurt me naar ’t postkantoor om m’n 5-je te gaan wisselen.
& Tegen de oude, al krommende mannetjes die over de reling van z’n slachtbank hangen lacht-ie altijd.

’t Beste wat ik kan doen is bij die 2 vrouwtjes te halen, op de markt. Altijd vrolijk, altijd beleefd. Maar slechts aanwezig als ik aan ’t werk moet.
Dan kan ik heel vroeg opstaan. Met slaperige kop de markt op. Fiets in de hand. & Dan maar hopen dat ze er zijn. Want vaak zijn ze er niet. Hoewel ze me gezegd hadden dat ze die dagen, die dagen die ze mij doorgegeven hadden, er altijd zijn.
Vrolijk & beleefd.
Maar wel overdreven. 2 Stoere dames eigenlijk.
‘Nou jongen,’ zeggen ze, ‘geniet er maar van.’
Of: ‘Ach man, lekker toch.’
Of, niet tegen mij, maar tegen de marktkoopman van enkele stallen verderop: ‘Ok, vent, dan zien we je wel volgende week.’

Die van om de hoek doe ik niet meer. De man is oud & ziet er net zo uitgedroogd uit als dat z’n makreel smaakt.

Dus dat stel uit Volendam. Ik heb de dochter op zien groeien. Toen woonde ik er nog om de hoek.
Moeder komt tegenwoordig niet meer. Dochter heeft de taken overgenomen.
Maar die zegt veel te opdringerig gedag. Dat niet alleen. Als ze meedeelt hoeveel ’t moet gaan kosten doet ze dat ook te luid. Vooral aan ’t einde.
‘Vier euro tién,’ klinkt ’t dan, veel te veel volume in de ‘tien’ leggend.
Dan pak ik m’n makreel aan, keer me om & zeg: ‘Tot ziens.’
Want altijd beleefd blijven, altijd voorkomend, ’t kost geen moeite ajb, dankjewel & tot kijk te bezigen.
Dan klinkt er van achter, doordringend, veel te hard: ‘Ja, tot KIJK!’
Om daarop te laten volgen: ‘& Wie is er DAN?’
Ik ren weg, ren hard weg, spring op de fiets, onderneem weer die lange tocht naar huis, m’n blik ijverig zoekend de winkelpuien met m’n ogen aftastend.

Binnenkort geen makreel meer in Zijperspace, wat zeg ik: geen vis!

ongeborene

‘Eigenlijk had ik niet geboren moeten worden,’ zei ik.
Een boel oh’s & ah’s. & Zelfs iemand die z’n hand op m’n schouder legde.
Dat kon ik toch niet zeggen? Had ik dan geen eigenwaarde meer?
Ze wilden weten wat er met me gebeurd was, ik was toch ’t weekend vrolijk ingegaan? & We hadden gezellig met elkaar de dagen doorgebracht?
& Ik gebaarde met wegwuivende hand dat ’t daar allemaal niet om ging, dat er andere zaken verteld dienden te worden, dat ik aan m’n verhaal moest proberen te beginnen. Daar gaven ze me de kans niet eens voor, zei die hand terwijl-ie rechts voor m’n borst langs ging.
Ik wreef nog wat aan m’n neus, wriemelde er met een korte maar doeltreffende beweging met ’t puntje van m’n duim naar binnen, gleed er nog even met de zijkant wijsvinger langs & opende vervolgens langzaam m’n mond. Om aan te geven dat ik aan ’t woord zou zijn.
‘Nee, serieus. Ik had eigenlijk niet geboren moeten worden,’ herhaalde ik mezelf.
Maar nu hielden ze hun mond & keek men mij aan.

‘Ik vraag me altijd af hoe mensen vroeger oud hebben kunnen worden. Daar waar zoveel vuil was. Op straat, in huis, overal waar je kwam. Je had ziektes, tegenwoordig onschuldige ziektes, waar men nu gewoon mee aan ’t werk zou gaan. Maar toen raakte men er meteen door geveld.
Dat kan ook niet anders. Men wist nog niet wat hygiëne was. Op ’t bestaan van de mens is dat eigenlijk gister pas uitgevonden. Of misschien nog maar een seconde geleden. Daarvoor heeft men altijd zonder gedaan. Hooguit stofte men ’t zand ’t huis uit, weg uit wat toen de dagelijkse leefomgeving was, maar dat wat men niet zag, dat bestond ook niet. Dus men was niet bezig met ’t bestrijden van ziektebacillen of iets soortgelijks.
Zo heeft men altijd geleefd. Voordat men mens werd al. Een seconde geleden, die seconde op ’t totale bestaan van de mens, heeft men pas ontdekt dat ziektes vaak door infecties worden veroorzaakt. Viezigheid. Vuil. & Een goede dosis stront.

‘Dus wat ik denk, is dat ik niet geboren had mogen worden.’

Ze keken me belangstellend aan. Op sommige gezichten ontstond zelfs al een glimlach. Hoewel ik ’t onderwerp zelf niet al te amusant vond. Ik was een vergissing. & Om te erkennen dat je een vergissing bent, dat stemt toch niet tot vreugde.
In de hoek klonk ergens een ‘Maar…’ & iemand anders hief iets daarvandaan z’n arm op, om te gebaren dat er iets niet aan m’n redenatie klopte, dus vervolgde ik maar de weg die ik al ingeslagen was.

Ik had de korte samenvatting gedaan. Meer was ook niet nodig. M’n handen vertelden de andere helft. Ik plukte aan m’n lichaam, kriebelde de bacillen van m’n huid, trok een lugubere bek ten teken dat een ziekte bij mij had toegeslagen & stierf met m’n gezichtsuitdrukking wel 1000 doden. Bij ’t licht van de open haard kwam ’t geheel tot leven.

‘Nee, alles welbeschouwd zou ik niet bestaan moeten hebben.
’t Is immers altijd de survival of the fittest geweest. Degene die sterk is plant zichzelf voort. Dus de eigenschappen die een mens ertoe heeft gebracht telkens weer te overleven, onder de diverse omstandigheden, die prevaleerden doordat zij door de sterkste, de overlever, aan z’n kinderen werden doorgegeven. Mensen die immuun waren, of zeg maar: nagenoeg, die weerstand hadden zodat zij de ziekte overleefden, die kregen de kans die positieve eigenschappen in ’t lichaam van de volgende generatie te stoppen.
Daar is ergens wat fout gegaan, denk ik. & Die fout ben ik.
Want stel, stel je gewoon eens voor, dat iemand in die tijd gewoon aan z’n neus zat te jeuken, met al dat vuil waar deze persoon net in had zitten wroeten, volkomen verkleefd aan z’n hand, op z’n vingers, onder z’n nagels. Zo’n persoon sluist een overdosis bacteriën van ’t allerdodelijkste soort geheel vrijwillig door een geheel open staande poort z’n lichaam in. Reken maar dat z’n dood niet al te lang laat wachten.’

Ik keek rond. Zie daar, zonneklaar, zo keek ik. Maar voor de zekerheid, om de monden nog even te doen zwijgen, ’t geluid van ’t knetterend haardvuur mocht mijns inziens niet verstoord worden, maakte ik m’n verhaal maar af.

‘Daar kom ík dus om de hoek kijken. Een wangeboorte in de evolutie van de mens. Eeuwig & altijd aan de neus krabbend. De minste geringste gelegenheid te baat nemend er een vinger in te steken. Altijd daarbij in de veronderstelling dat niemand mij daarop betrapt, maar ondertussen ben ik ook wel zo wijs dat ik besef dat menigeen mij eens gezien moet hebben met 1 van m’n klauwen zo diep mogelijk weg gestopt in m’n kokkerd.
Nee, daar had ik niet ver mee gekomen, laat staan de verdere menselijke evolutie.’

Er riep iemand vrolijk of men nog trek had in warme chocolademelk. & Een ander opende de koelkast waar al ’t bier opgeslagen lag. Een 3e sleepte z’n gitaar tevoorschijn & en masse besloot men dat ’t tijd was ’t geknetter van ‘t haardvuur te overschreeuwen met liedjes die onze ouders ooit draaiden op hun pick-up. Links van me kreeg ik heimelijk een zakdoekje aangereikt.

God, wat was ’t ooit stil geweest daar in Zijperspace.

sik

‘Hier in Nederland zijn er meer.’
‘Hoe weet je dat?’
‘Omdat ’t bijna altijd met een fiets gebeurd.’
‘Je bedoelt te zeggen dat je aan iemands kin kan zien of-ie nederlands is?’
‘Ja, eigenlijk wel. Of ’t is in de jeugd gebeurd, met een klein fietsje, of later bij een ongeluk.’
‘Maar er zijn toch ook van die ongelukken met auto’s, dat mensen vooruit schieten & tegen ’t stuur aan knallen.’
‘Dan hebben ze meestal een ingedeukte neus. Niks aan de hand met de kin. Nee, je moet echt met je bakkes op de straat smakken om dat sneetje in je kin te krijgen.’
‘Misschien heb je wel gelijk.’
‘Tuurlijk heb ik gelijk. Ik heb er over nagedacht. Hoe is ‘t bij jou eigenlijk gekomen?’
‘Ik reed met een fles bier aan m’n stuur. Je weet wel, dat gaat dan zo zwabberen. Toen kwam de kurk, ’t was een grote fles met kurk, tussen de spaken. Ik moet over ’t stuur heen gevlogen zijn, dat weet ik niet meer zo goed. Opeens lag ik op straat & keken mensen verschrikt naar m’n bloedend gezicht.’
‘Kinnen kunnen ook altijd heel goed bloeden.’
‘’t Grappige was dat ’t bier ‘la Trappe d’Or’ heette. ‘Trap door’, snap je.’
‘Dat deed je dus niet meer.’
‘Nee, dat ging niet meer met die fiets. Wiel was helemaal in duigen. Bovenste helft van de kurk was weg, maar voor de rest was er met de fles niets aan de hand.’
‘Toen ben je met je bier nog een tijdje door gaan trappen.’
‘Nou, daar had ik op dat moment niet zo’n trek in. Hoe kwam ’t bij jou?’
‘Ach, ik was klein. Op een speelgoedfietsje, vertelden m’n ouders later. Ik weet er eigenlijk niets meer van.’
‘Maar volgens jou moeten er 1000-en van zijn?’
‘Ja, je moet maar ‘ns met een willekeurig iemand er over praten. Als ze ’t zelf niet hebben, dan kennen ze iemand met een snee in de kin.’
‘We zouden een club moeten oprichten.’
‘Ha, dat dacht ik ook.’
‘Je hebt ook een club van mensen die een spleetje tussen hun tanden hebben.’
‘Ja, dat ziet er best zielig uit. Dat soort mensen hebben ook écht een club nodig. Kunnen ze er over praten.’
‘Of de club van mensen die Dirk heten. Die hebben jaarlijks een Dirkendag.’
‘Ja, maar iemand die Theo heet mag er ook heen, heb ik me laten vertellen.’
‘Da’s omdat Theo van Dirk is afgeleid. Of andersom. M’n broer werd ook altijd Dirk genoemd.’
‘Nou, heeft hij ook 1 keer per jaar z’n eigen dag.’
‘Ja, voor de rest luistert er nooit ‘ns iemand naar ‘m. Dan wel. Dan zijn er 100-en Dirken die eindelijk eens elkaar hun Dirkenstory kunnen vertellen.’
‘Over hoe ze nou een sneetje in hun kin gekregen hebben.’
‘Of hoe ze gepest werden op lagere school, alleen maar omdat ze een spleetje tussen hun tanden hadden.’
‘Volgens mij hebben Dirken geen spleetjes. Die zijn eerder altijd te dik.’
‘Eerder altijd, ja. Nou ja, wij hebben onze snee in de kin.’
‘De Club van Snee In Kin. De Club van SIK. Zo zou ’t moeten gaan heten.’
‘& Heel Nederland wordt lid.’
‘& Een enkele chinees.’
‘Ja, die met een riksja.’
‘Mag eigenlijk dan niet, hè. Want hij zat niet óp de fiets.’
‘Opvallend vind ik overigens ook dat heel veel mensen dus niet meer weten hoe of ’t gebeurd is.’
‘Waar heb je ’t over?’

& We begonnen onze conversatie opnieuw in Zijperspace.

knuffelbeesten

We waren eigenlijk onderweg naar iets anders, maar je moet met Roswitha niet voorbij een schap met knuffelbeesten lopen.
‘Aaaaahhhh, kijk!,’ hoorde ik achter me, ‘Wat lief!’
Ik keek om & zag de kleine kindertjes voor me die Roswitha mogelijk in haar hoofd had als bestemming voor ’t beestje dat ze in haar hand hield.
Ik combineer dat. Zie ik ‘t 1, dan ga ik aan ’t ander denken. Oorzaak-gevolg-redenatie. Zwaar noodzakelijk wil een man zien te overleven in de jungle.
Ze hield een paard in haar handen. Een rits in ’t zitvlak. In dat gedeelte waar een mens op ’t paard gaat zitten. Verder een hengsel van kont naar nek. Of heeft een paard geen kont?
Zeer onnatuurlijk in ieder geval, maar ik kon me de knuffelbaarheidsfactor ervan voorstellen. Een handig handtasje voor ’t meisje dat de 1e pogingen wilde ondernemen haar moeders gewoonten te kopiëren. Daar zou ze als een variatie op de russische baboesjka’s haar nog kleiner speelgoed uit te voorschijn kunnen toveren bij een mogelijk logeerpartijtje bij familie, zo stelde ik ’t me voor. Waarbij dit voorstellingsvermogen waarschijnlijk weer werd veroorzaakt door die diep in mij verborgen masculiene overlevingsdrang. We waren immers in de jungle die de Hema heet.
Ik lachte een gulle lach. Zo vertederend om Roswitha zo te zien. Haar gezicht vervuld van ’t enthousiasme van ’t kind dat ’t straks als cadeautje mag ontvangen. & Tegelijkertijd werd m’n lach veroorzaakt door de verbazing voor ’t feit dat ik niet eens had opgemerkt dat we langs knuffelbeesten waren gekomen.
‘Allemaal in de aanbieding,’ zei ik met m’n mannelijk constateringsvermogen.
Ja, er bestaat nu 1maal verschil tussen de 2 verschillende seksen & ik was druk bezig me, volledig onbewust hiervan op dat moment, als 1 van beide te onderscheiden.
Ze keek kort naar ’t prijsje. Dat kon ze eigenlijk niet goed lezen.
‘Is ’t nou een 8 of een 1?’ vroeg ze me, ’t labeltje tonend.
Ze hadden de uitverkoopstempel dwars over de prijs gezet. De reeds vage afdruk eronder was daardoor moeilijk te ontcijferen. Maar met m’n deductisch vermogen wist ik er een 6 van te maken.
‘Da’s best wel duur, hè?’ wist Roswitha te concluderen.
‘Ja, maar je krijgt 50 % korting als je een 2e knuffel koopt,’ wees ik een andere sticker op ’t paard aan.
Ze begon meteen verder te graaien in de bak.
‘& 70 % Als je een 3e vindt,’ ging ik verder.
Ze hield me er 1 voor. Of ik de prijs weer voor haar wilde vertalen, begreep ik uit ’t gebaar.
Terwijl zij enthousiast door ging met de boel overhoop te gooien, daar waren dit soort bakken immers voor gebouwd, weet elke vrouw die een uitverkoopbak in een winkel tegenkomt, ging ik door met m’n rekenkundige talenten tentoon te spreiden.
‘Deze is € 1,-,’ zei ik. ‘Dus samen zijn ze dan 7,95. 50 % Korting betekent dan € 4,-. Als je er nou nog 1 vindt van € 1,-, dan wordt ‘t 8,95, wat betekent dat je……..’
Een korte stilte die volledig aan Roswitha’s aandacht voorbijging.
‘dan 2,70 kwijt bent,’ maakte ik m’n zin af.
Een vreemde conclusie, zo concludeerde ik voor mezelf. ’t Paard werd goedkoper naarmate ze meer kocht. Sterker, ze was minder geld kwijt naarmate ze meer wilde hebben.
Er moest een fout in m’n redenatie zijn, dus besloot ik me terug te trekken. Dit wilde ik niet op m’n geweten hebben. Dus was ’t zaak naar elders te gaan, weliswaar in de hoop dat de rekensom niet volledig tot Roswitha was doorgedrongen, zodat ik niet de schuld zou krijgen als de voordeelstickers verkeerd geïnterpreteerd waren.
‘Ik ga even naar beneden,’ zei ik.
‘Ah, vind je ’t niet leuk een knuffel uit te zoeken voor die kleine?’ vroeg Roswitha.
Die kleine die ik nimmer gezien had, behalve op filmpjes die via internet uit de VS naar ons toe waren gekomen.
‘Nee, ik kan niet zo lang achter elkaar naar dat soort beesten blijven kijken,’ antwoordde ik tot m’n eigen verrassing naar waarheid. ‘Ik ga wel even onderbroeken kopen.’
Míjn favoriete bezigheid in de Hema. Hoewel ik er nog steeds van droomde dat een vrouw me eens zou begeleiden in ’t uitzoeken van die kledij. Dat er eindelijk eens een vrouw net zo enthousiast zou reageren als ik bij ’t vaststellen dat de herenslipjes nu afgeprijsd waren tot 3 voor € 3,-, zonder een sarcastische ondertoon.

Maar dat is streven naar een utopie in Zijperspace.

lijstergeenlijster

Hij is heerser geworden. Van een klein koninkrijk, dat wel, maar niemand die ‘m te na komt.
Hij hupt door z’n domein, van tak naar tak, waarschijnlijk om z’n rijkdom te aanschouwen. Ook om z’n vijanden, z’n directe tegenstanders in de strijd om ’t voer, af te schrikken.
Soms kijkt-ie of-ie nog trek heeft. Maar ik geloof dat-ie op dit moment vooral zin heeft om de nacht in te gaan. Z’n buik is immers sinds ’t begin van de middag vol. Er hing een tros, hier recht voor me, hij kon er amper bij vanochtend, de bovenliggende tak schommelde vervaarlijk onder z’n gewicht & bewegingen, maar hij heeft ’t toch voor elkaar gekregen; die is weg. Om & nabij 2-en zag-ie helemaal rond. Hij wapperde z’n veren uit & probeerde rustig op een tak te gaan zitten. Met moeite hield-ie de omgeving in de gaten.

’t Is geen lijster, maar ik noem ‘m lijster. ’t Is immers een lijsterbes. Dat kan niet anders. Ik heb er jaren over gedaan om dat te achterhalen, maar nu ’t vruchten draagt is ’t zonneklaar.
Ik moest ‘m snoeien. Anders kwam ik er niet langs. ’t Smalle pad was al moeilijk te begaan. Dan met die takken in je nek. ’t Was moeilijk om je voort te bewegen. Je bleef altijd wel ergens aan hangen. & Hoewel ik vond dat alles ‘wild’ moest groeien, heb ik daar de groei beperkt. Waardoor ik me af bleef vragen wat voor boom ’t nou eigenlijk zou zijn.
Dat bleek, dit jaar dat ik geen vinger heb uitgestoken. Reeds vroeg in ’t seizoen zette ik geen voet meer tussen ’t groen. Alles dijde uit zonder mij. Nou ja, ze lieten me toekijken.

Lijster, die geen lijster is, zit uit te dijen. Z’n hele onderkant rust op de tak. De regenbuien laat-ie ook over zich heen komen. Hij probeert weliswaar een strategisch beter plek te vinden dan, maar dat kan je bij deze herfstig begroeide lijsterbes beter laten. Die lekt. Die lekt big time.
Ik zie ‘m dan al snel z’n oude vertrouwde plek opzoeken. Daar heeft-ie waarschijnlijk ’t best uitzicht. Of ligt z’n buik ’t lekkerst breeduit.

Er zijn kapers op de kust. Dat moet wel. Ik zie af & toe wat voorbijvliegen. Toen ik in de keuken stond & een blik naar buiten wierp, zag ik een andere merel, want dat is ’t eigenlijk, op een tak van de belendende boom zitten. Hoog boven mijn lijster uit. Die eigenlijk ook merel is.
Ik zou wel willen dat ’t een lijster was. Dat geeft wat afwisseling. Maar ik ben nu al blij dat ik ‘m bessen heb kunnen geven. Dan mag ’t alles zijn. Als ik ‘m maar zie eten. Zich bezighouden. Als er maar wat gebeurt.

’t Is niet veel hoor. Hij wipt, hij hupt, hij neemt een hapje, of hij kijkt of-ie honger heeft. Soms is-ie even verdwenen, maar dan zie ik ‘m even later weer terug op z’n vaste tak. De centrale tak.

Die bessen hangen er al een tijdje. Blijkbaar zijn ze nu pas rijp genoeg. ’t Is heel raar, want ze zien al vanaf ’t begin zo rood als dat ze nu zijn. Wij zijn gewend dat iets dat rijpt van kleur verschiet. Dat heeft lijster niet nodig. Die komt pas als z’n maag de tijd rijp acht.

Zou hij ’t helemaal in z’n 1tje op gaan eten, vraag ik me dan af. Dat-ie ’t rantsoen over een paar dagen uitspreidt. Of misschien laat-ie zich wel verjagen. Door regen, ’t is toch best wel nat met die lekkage, of door een ekster.
Want dat weet ik: eksters zijn een stelletje potentaten. Als ’t ze niet aanstaat kan je wegwezen.
Maar voorlopig zit-ie daar.

Roswitha vroeg of ik ook geen foto’s had van huiselijke tafereeltjes.
Ze heeft ‘tzelfde mobieltje als ik. De Sony Ericsson k800i. Ik word bedolven onder foto’s die mij via meel worden toegezonden. Zo blijf ik een beetje op de hoogte, ondanks de afstand.
Terwijl ik zelf niet weet wat er bij mij op de kiek zou moeten. Ik vind alles te onbelangrijk. & Anders niet mooi genoeg.
Ik keek naar lijster toen ik dat dacht. Schreef ondertussen terug dat ik niet zo van ’t foto-nemerige was. Ik dacht aan wat lijster allemaal zou denken. Hoe hij z’n vijanden dacht te verjagen. & Hoe hij zich voelde nadat-ie zich eigenlijk ziek gegeten had. Hij kon vast niet meer vliegen van ’t overvloedig maal.
& Toen nam ik deze foto. Want ik wilde z’n gedachten wel ‘ns vangen.

Niet lang daarna was-ie verdwenen uit Zijperspace.

hallelujah

Z'n foto viel.
De enige beweging was m'n hand, 2 meter ervan verwijderd. Die wees bovendien de andere kant op. Richting beeldscherm, boven 't toetsenbord.
Ik was wijzigingen aan 't aanbrengen in dat digitale wereldje, waar iedereen je kan zien, alles wat je doet, maar niemand die je aanraakt.
Hij kon alleen nog vallen. Als een foto van toen-ie nog stoffelijk was.

Gister op 't werk begon een lamp te knipperen.
Dat was Freerk, zei Peet.
Die is nl ook dood.

& Ik bad Hallelujah. Toen ik z'n foto terugzette. Naast de broers, ook op foto, die proosten naar een verre verte. Een verte waar Carel nog ergens moest verkeren.
Ik bad Hallelujah zoals ik in die zaal had gedaan. Zoals ik de hele dag door zou gaan. Toen.
Tot Roswitha zei dat ik op moest houden.
Ik zei dat ze dan niet die muziek hadden moeten spelen. Want ik krijg de herinnering dan niet uit m'n hoofd.

Nu speel ik weer Hallelujah.
Ik bid m'n eigen gebed.
De deuren open. De wind waait door m'n huis.
Buiten speelt de sirene z'n eigen lied. 't Is de 1e maandag van de maand.
Alles mag vallen. Want er is nu een reden voor. We zijn er op voorbereid.

Al zal men niet alle redenen ten volle begrijpen van Zijperspace.

windwas

Die wind was er gewoon. Waarschijnlijk altijd, maar dat beseften we ons pas toen we Den Helder verlieten. Waar ’t elders verstikkend warm was, ook in ’t open veld, stond er in Den Helder in zelfs de meest ombouwde hoek een verkoelend briesje. Je ontliep ’t niet, de was wapperde altijd als ’t buiten hing.
Bij een windstoot merkte m’n oma altijd op: ‘Ha, dan wordt de was lekker snel droog.’
Alsof ze er zin in had met m’n moeder de was te gaan vouwen.
Wij doken zo snel mogelijk weg, zogauw de droogte zich begon aan te kondigen. Als we via de schuur de tuin betraden, lieten we onze handen door de wijd uitgehangen lakens glijden, bepaalden de vochtigheidsgraad ervan & wisten vervolgens niet hoe snel we boven op onze eigen kamers moesten zijn. Of misschien toch maar spelen bij ’t vriendje, onbereikbaar voor de moeder die assistentie nodig had.

Was ’t nog niet droog genoeg, dan gingen we er in hangen. Bij ruime wind bolden de lakens, over de volle lengte van de tuin. We leunden tegen die gevangen wind aan, terwijl de ander aan de holle, ingedeukte kant keek hoe de contouren van een spook er uitzagen.
Ma kwam met haar gezicht naar buiten, zogauw ze ’t zag, & gilde: ‘Weg uit m’n schone was!’
We schrokken op, renden onder haar armen door naar binnen, maakten dat we wegkwamen. We stoven Oma voorbij, die vaak op maandag een middagje langskwam, haar armen klaar om met m’n moeder de reeds gedroogde was te gaan vouwen.
’t Was waarschijnlijk ’t enige klusje waar ze nog goed bij kon helpen. Voor de rest was ’t voor haar zitten of staan. Ze kwam uit de stoel overeind, schuifelde richting keuken als ’t vermoeden was dat de vouwsessie met m’n moeder kon beginnen.

Wij hielden gemelijk onze mond over de spetters die we onderweg gevoeld hadden. We wisten nooit iets van een bui die er aan zat te komen, hoe donker de reis van school naar huis ook was geweest.
‘Nee, niets van gemerkt,’ zeiden we schijnheilig als vlak na binnenkomst de hemel openbarstte & ’t te nat was om ’t binnen te halen.
Tenzij Oma erbij stond.
‘Trek je schoenen maar weer aan,’ zei zij.
’t Maakte niet uit hoe snel wij ons getoond hadden in ’t ontdoen ervan, zij vond de was belangrijker dan een nat pak voor een stelletje ‘oerhollandse jongens’.
‘Dan doe je een regenpak aan,’ weerlegde ze onze bezwaren, ‘of anders slaap je vanavond in een nat bed, want dan leggen we ’t laken dat nu nog buiten hangt in die van jou.’
We moesten wel. Oma had er maar liefst 11 als wij opgevoed. & Op elke smoes om ergens onderuit te komen, wist zij een weerwoord. Bovendien kon zij strenger zijn zonder, zoals Ma, haar stem te hoeven verheffen. Haar strengheidsrimpels waren naarmate de jaren bij haar gevorderd waren in gelijke mate gegroeid als dat haar stem versleten was geraakt.

Dus gingen we, met z’n 2-en. 1 Van ons vierde de lijn. De ander begon zo snel mogelijk de 1e knijpers te verwijderen. De lijn werd vastgezet, op een niveau dat de was net niet de grond raakte, & vervolgens was de grootste sufferd degene die de doorweekte was op z’n armen kreeg gestapeld. De ander maakte dan nogmaals ’t grapje van ’t hangen in de was. Weer tegen de bolle kant aan.
M’n moeder gilde weer vanuit de deuropening.
& Oma had bij binnenkomst voor die ‘doerak’ straf: Ma hoefde dankzij hem niet meer te helpen vouwen.
De sufferd werd met een tik van Oma op de billen naar boven gestuurd om schone kleren aan te trekken, terwijl zij met de achterblijver de was over de stoelen om de tafel hing.
Voorlopig zouden we daarom niet meer in de kamer kunnen spelen, de tafel was bezet. Maar dat wilden we toch niet meer; ze moesten vanaf nu maar niet meer doorhebben dat wij er waren.

& Terwijl de storm buiten woedde was ’t muisstil in Zijperspace.