9e keller

‘Zullen we de fiets weer meenemen?’ vraag ik aan Kees.
Hij staat naast de bus.
‘Beter van wel.’
Ik haal ‘m van slot & samen tillen we ‘m boven op de stapels fusten & kratten.
‘Waar gaan we zoal heen?’ vraag ik als we zitten.
‘Even kijken of de brouwerij in Eggolsheim open is. Dan kunnen we een leeg fust terugbrengen. & Dan naar Hummel. Daar moeten ze 13 fusten van me vullen voor morgen. Da’s een voordeel van een familiebrouwerij. Dan is er altijd iemand van de brouwerij aanwezig. Ook op dit soort feestdagen.’
‘Oh, shit. Dan heb ik de verkeerde plattegrond meegenomen.’

Kees wijst onderweg de brouwerijen aan.
‘Daar waren we gister.’
‘Dat is de keller van Löwenbräu.’
‘In dit dorpje zit Barnikel.’
Ik reageer als ik al op de hoogte ben. Stel vragen als ik meer info wil.

‘Zouden ze wel open zijn op 2e paasdag?’ vraag ik als we Eggolsheim in komen rijden.
‘Ja, dat is moeilijk te zeggen.’
We rijden langzaam ’t dorpje in. Veel auto’s langs de kant van de weg.
‘Of ze zitten met z’n allen in de kroeg, of de kerk wordt momenteel druk bezocht.’
’t Wordt zoeken naar een parkeerplek dichtbij de brouwerij.
‘Voel jij anders even aan de deur,’ zegt Kees als we ervoor even stilhouden.
½ In de deuropening van de bus hangend voel ik aan de deurklink. Dicht.
‘Dan moeten we maar naar de keller van Löwenbräu,’ zegt Kees.
‘Als die open is, zo ’s ochtends vroeg.’

Hij lijkt open. Er staan auto’s op ’t parkeerterrein. & Tussen de bomen door kunnen we 2 mannen aan een tafeltje in de zon zien zitten.
‘Ha, lekker zo rond ½ 11 een ½e liter bier,’ roep ik enthousiast bij ’t verlaten van de bus. ‘Maar nog wel even m’n sweater aan.’
Kees trekt ook z’n jas aan. We lopen ’t terras op. Bij de bar die uitkijkt op ’t terras bestellen we ons bier.
‘Zwei lager bitte,’ zegt Kees professioneel.
We krijgen hun lager. Keller wordt ’t hier genoemd, want zo heet bier nou 1maal op een terras van een brouwerij.
‘Ist es auch möglich eine Flasche zu mitnehmen zu bekommen?’ vraag ik.
Voor later, als ik weer thuis ben. Niets zo lekker als een herinnering in vloeibare vorm.

‘1 Van de lekkerste kellers,’ zegt Kees.
We vertellen elkaar tijdens ’t proeven waarom. Gezeten op kussentjes die we uit de kussentrommel naast de bar hebben gehaald.
‘Die moet je wel weer zelf terugbrengen,’ wijst Kees naar een tekst erboven.
‘Ja, & hier is ’t ook heel gewoon om je pul niet op de tafel te laten staan. Dat zouden ze in Nederland ook ‘ns moeten leren.’
’t Is rustig. Inmiddels zijn we de enige klanten. De 2 mannen die we bij aankomst aantroffen zijn vertrokken.
De zon schijnt warm op de lege tafels & stoelen. ’t Voorspelt straks afgeladen vol te gaan worden.
Een vogel fluit vrolijke melodietjes. Ik attendeer Kees er op.
‘Ik zou alleen niet weten hoe zo’n vogel heet,’ voeg ik er aan toe.
‘Een zangsijsje,’ zegt Kees.
Hij haalt zijn ‘Decke’ van z’n pul & neemt weer een slok. Ik volg zijn voorbeeld, maar zonder decke. Zover ben ik nog niet.

Maar ik weet tenminste waar ik ben, in Zijperspace.

8e maaltijd

Het wordt koud. Een paar mensen hebben hun jas alweer aangetrokken. Ik heb al m’n t-shirts aan. Dat zijn er 3.
‘Zullen we ergens anders?’ vraagt iemand.
Om beurten wordt er hummend ingestemd. We hadden nog geen afscheid van de zon willen nemen, die de berg zo lekker had opgewarmd.
‘Iets met eten,’ suggereer ik.
‘Ja, Ton wil iets eten,’ neemt Kees ’t voor me op.
Herbert zet z’n leesbril op. Hij loopt nog even naar binnen, om te kijken of daar nog ruimte is, maar begint vervolgens met bellen. Z’n neus zo dicht mogelijk bij de toetsen.

Bij Klosterbräu hebben ze ruimte.
‘De bediening is daar slecht,’ zegt Ireen.
‘Maar ’t eten is goed,’ zegt Marianne.
Ja, ’t eten is goed, beaamt men. ’t Eten is goed.
Herbert heeft een tafel gereserveerd.

Kees & ik lopen. Ik met m’n fiets in de hand. Die hebben we uit de bus gehaald.
De rest van de groep kan bij Herbert in de auto.
We lopen rustig de berg af. De tafel blijft wel staan.
‘Ben je er al ‘ns geweest?’ vraagt Kees.
‘Nee, bij Kloster ben ik nog nooit geweest.’
’’t Is op zich aardig bier.’
‘Ja, maar we hebben ’t al een tijdje niet meer van jou gekregen.’
‘Ja, ze vroegen veel te veel voor hun glazen. Daar viel niet over te onderhandelen. Toen ben ik met ze gestopt.’

De groep zit klaar. We kunnen bij ze aanschuiven.
Een meisje van de bediening komt net aanlopen om te vragen wat we willen.
We bestellen bier. Ik een Schwärzla.
Nog net op tijd voeg ik daar aan toe: ‘Ich wollte auch etwas zu essen.’
‘Ja, haben Sie die Karte,’ valt Herbert me bij.

Ik bestudeer de kaart als ’t bier gebracht wordt. ’t Moet niet te veel zijn, niet te duur ook & niet te zwaar.
‘Danke,’ zeg ik tussendoor.
Daar had ik best ‘schön’ aan toe kunnen voegen, bedenk ik me meteen. Dat was beter geweest.
‘Prost,’ klinkt ‘t.
‘Prost!’
& Al snel daarna: ‘Oh, dat bier is veel te koud.’
Herbert is ’t met Kees eens. Hij begint een verhandeling over waarom duits bier niet zo koud geserveerd hoeft te worden. Kees & ik stemmen in. We knikken wijs, want ’t is tenslotte ons vak.
’t Meisje wordt er bij gehaald.
‘’t Bier is te koud,’ zegt Herbert.
Ze staat daar een beetje. Twijfel.
‘’t Hoort niet zo koud,’ gaat Herbert verder. ‘Zo proef je niets.’
‘Ik kan ’t opwarmen.’
‘Ja, da’s goed.’
Kees & ik geven ook onze glazen door.

‘Ok, nog 1 bier dan,’ geef ik toe.
M’n buik zit vol van de maaltijd, maar een ½e liter past er nog wel bij.
‘Niet te koud,’ benadrukt Herbert bij ’t bestellen.
Ja, dat had ze al begrepen, knikt ’t meisje.
We krijgen lauw bier.
‘Daar had je op kunnen wachten,’ zegt Corina, de vrouw van Herbert.
‘Die heeft zitten wachten tot ze wraak kon nemen,’ lach ik.
‘Maar ze doet in ieder geval wat we vragen,’ probeert Herbert positief te blijven.

’t Glijdt in ieder geval makkelijker Zijperspace in.

7e prost

Een telefoontje terwijl we nog bij Fischer zitten.
Kees neemt op.
‘Das ist der Herbert,’ zegt-ie tegen Marianne.
Ik grinnik van binnen. Der Herbert.
Zoals ze bij ons in ’t zuiden zeggen: ‘Ja, da’s ons Piet die belde.’
Zo gemoedelijk.
& Dat uit de mond van een nederlander die toevallig in Duitsland verkeert.
Ik ga straks proberen een zin te construeren waar ‘der Herbert’ ook in voorkomt, neem ik me voor.

Waar of we heen gaan. Dat vraagt der Herbert. Als we terug in Bamberg zijn.
Kees overlegt even met Marianne.
’t Is mooi weer. Niet te ver. Hij kan z’n auto laten staan. & Nog wat redenaties.
‘Spezi?’ zegt-ie uiteindelijk door de telefoon.
‘Ja, Spezi-keller,’ herhaalt-ie even later.
Dat ’t wel mooi zal zijn. Rustig, niet te druk. Lekker zon.
Dat zegt-ie allemaal in ’t duits. & Der Herbert vindt alles blijkbaar goed.

Even later komt de vraag mijn kant op.
‘Spezi-keller?’
Ik zou niet weten wat ’t is. Maar ik wil ’t niet laten blijken. Want blijkbaar weet iedereen ‘t. Iedereen van ons 3-en. & Van al die anderen aan de andere kant van de telefoon.
Ik knik dat ik alles best vind.

We klimmen de berg op.
Hier moet je altijd een berg opklimmen om bij een kelder te komen. Een keller.
’t Dringt langzaam tot me door dat ‘spezi’ de afkorting van Spezial is. De brouwerij-eigenaar van dit terras.
Keller is terras. Zo zou je ’t eigenlijk moeten zeggen. Maar dan met een kelder in de berg.
Spezial ken ik wel. Hun bier in ieder geval wel. De keller nog niet, nog nooit geweest.

Der Herbert vertelt over z’n zoon. Joachim.
We zitten in de zon. Evengoed met onze jassen aan. Zodirect verdwijnt de zon achter de paar bomen aan de linkerkant & zullen wij gaan verkleumen.
Joachim is 17, vertelt Herbert. Ja, die drinkt nu ook bier. Of eigenlijk doet-ie dat al een tijdje. Maar hij gaat nu voor ‘t 1st uit. Gister, was dat.
‘Gaat-ie allemaal goedkoop bier halen bij de winkel,’ vertelt Herbert in ’t duits. ‘& Van die mix-drankjes.’
Jonge duitse mensen zijn viezeriken, weet ik me plots te herinneren. Die stoppen cola in hun bier. & Andere troep.
‘Terwijl hij op de mooiste plek ter wereld woont,’ gaat Herbert verder. ‘9 Goede brouwerijen in 1 stad.’
Ik ben net zo verontwaardigd als Herbert. Wat een rotzoon heeft die man.

Maar dan slaat Herbert met z’n hand op tafel. Hij lacht er bij.
& Kees zegt proost.
& Iedereen, echt iedereen, moet nu zijn pul pakken, ook de vrouwen, & moet met dat stenen ding tegen die andere stenen dingen klinken.
‘Prost,’ zeggen ze dus allemaal, op aangeven van der Kees.
Ook ik doe mee. Op m’n beste duits.
Ik heb zomaar opeens 9 vrienden hier aan tafel zitten.

Zo voelt dat voor even in der Zijperspace.

6e stap

Wind, dat zal wel net zo iets zijn als Den Helder.
Zoals ik ook ooit eens in Oxelösund ben geweest. Volgens Tessan de meest winderige plek van Zweden.
Ik zei: ‘Net als waar ik vandaan kom.’
Dat zorgde er voor dat ik er langer ben gebleven. & Er ook nog een keer ben teruggekomen. Toen was Tessan echter al vertrokken.
Je voelt een verbondenheid. Al is ’t maar de lucht die sneller verplaatst wordt dan elders.
Daarom zal Wind wel net zoiets zijn. Anders noemen de duitsers ’t geen Wind.

Wind ligt onder Sambach. Ik moet er doorheen om Zentbechhofen te bereiken.
Wind, Schweinbach, Zentbechhofen.
Dat ‘bech’ in Zentbechhofen zal wel een vervorming van ‘bach’ zijn. Als in Sambach, als in Schweinbach. ‘Hofen’ kan ik ook nog wel begrijpen. ’t Hele woord echter niet. Dat gaat me boven m’n pet.

Ik blijf de woorden, de namen, herhalen, terwijl ik stap voor stap zet. Ik mijmer er betekenis aan. Ik kauw er op, ik slik ’t door, om ’t even later weer te voorschijn te halen. Laat ’t opnieuw voorbijgaan.
Ach, er zijn zo vele stappen nog te gaan, dat ik nog ontiegelijk vaak kan blijven herkauwen op alles wat ik tegenkom.

Ja, Wind, daar zal ’t wel waaien.
Maar voordat ik ’t besef, ben ik ’t kleine dorpje al gepasseerd.
’t Plaatsje ligt al achter me als ik bedenk: ‘Ja, Wind, daar waait ’t vast harder dan ergens anders.’
Ik ben al te ver voorbij om me nog even om te keren, om te controleren of wat ik denk wel klopt met de werkelijkheid van vandaag.
Nu blijft ’t altijd waaien in Wind.

Ik laat Wind achter me & pieker verder over Zentbechhofen.
Stap. Stap. Stap.
Hoewel ik er niets zinnigs over bedenken kan.
Schweinbach laat ik liggen. Dat spreekt niet tot de verbeelding.
Zent. Bech. Hofen.
Stap. Stap. Stap.

Daar aangekomen staat de bus klaar.
Kees stapt uit als hij me ziet.
‘Ja, de brouwerij blijkt vandaag dicht te zijn.’
Heb ik die 7 km voor niets afgelegd. Niks geen brouwerij Friedel vandaag.
Moeten we maar ergens anders heen. 1st De fiets bij Barnikel weghalen, besluiten Kees & ik in overleg.
‘Je zal wel achterin moeten gaan zitten,’ waarschuwt Kees me.
Dat had ik al verwacht. Voorin is geen plaats meer, nu Marianne mee rijdt. Ik zal tussen de lege kratten & fusten moeten gaan hangen.

Ik vang glimpen van de weg op die we gaan, vanaf m’n zetel van gestapelde fusten. De fiets hangt schuin voor me, belemmert ook gedeeltelijk ’t zicht. Maar hij zit goed vastgeklemd. Net als de andere spullen. & Net als ik.
Ik steek m’n nek uit, kan nog net zien dat we een dorp in rijden.
‘Greuth,’ zegt een bord langs de kant van de weg.
Greuth, Greuth, Greuth, herhaal ik bij mezelf, terwijl ik ijverig door m’n boekje blader.
Greuth, kijken wat ik ga bestellen.

’t Herhaalt, ’t herhaalt, ’t herhaalt zichzelf in Zijperspace, naarmate een mens verder komt.

5e pad

Alles heeft een naam. Ook op deze korte afstand. Als mijn kaart net zo groot zou zijn als deze afstand, zou ’t volbedrukt staan. Dan zou men niet nagelaten hebben elke boom z’n naam te geven & zou ’t voor mij niet mogelijk zijn geweest op deze korte afstand ’t verkeerde pad te kiezen.

1 Van de 1e keren dat ik mij naar ’t utrechtse begaf was ik van plan ’t Catherijnenconvent te bezoeken. Ik wist niet waar ’t was, maar ik wist dat ik er zou komen. Ik vroeg aan niemand hulp & liet me slechts leiden door de paden die mij gunstig voorkwamen. & Plots stond ik op een gracht voor een deur, met erboven een doek gespannen dat Catherijnenconvent schreeuwde.
Sindsdien geloof ik in de magie van de zelfwijzende weg.
Ook al wordt ’t wezen van die magie maar al te vaak ontkracht.

Nu zie ik aan de overkant Ellersdorf liggen. ’t Dorp waar ik eigenlijk had moeten zijn, waar ik doorheen had moeten lopen, waar minder verkeer zou zijn geweest & meer bomen met namen. Waarvan ik me had afgevraagd waar die namen gedrukt zouden staan.
Ik haal de kaart te voorschijn om toch nog een keer te kijken of er niet een klein paadje loopt die mij over ’t water van de Reiche Ebrach kan brengen naar ’t dorp dat ik nu nooit niet zal zien.
Er loopt wel een streepje, een zwart streepje. Maar dat is nou net zo’n streepje van deze kaart waar ik allang niet meer in geloof. Sinds gister dan.
Gister kon ik ook al niet in de legenda vinden wat zwarte streepjes konden betekenen. Streepje die als wandelpaden zo aantrekkelijk kronkelden over de miniatuurweergave van ’t landschap waar ik mij bevond.

Dus loop ik door Lonnershof, omdat ik ’t verkeerde pad heb genomen, & kijk ik uit naar Ellersdorf.
Loop ik van Lonnershof naar Wingersdorf, daar in de verte, & laat ik mij passeren door voorbij suizende motoren. Ook zij zijn Pasen aan ’t vieren.
Loop ik langs dezelfde weg van Wingersdorf verder naar Sambach. & Kijk ik steeds weer op m’n plattegrond. Niet meer naar hoe Ellersdorf daar aangegeven staat, dat immers al ver achter mij ligt, daar schuin links, maar naar hoe de rails vermeld staan als Güterverkehr aan mijn rechterzijde. & Hoe de paden die ik onder ’t spoor door kan zien gaan, daarachter verdwijnen in ’t niets.
Oh, als ik tijd had, zou ik alle paden die ik op papier weergegeven zie staan gaan lopen. Dan zou ik willen weten waarom ze op die onechte versie uiteindelijk stoppen in ’t niets. Heeft niets ook een naam, zou ik dan beantwoord zien.

Een auto passeert me.
Ik tel.
Ik tel m’n passen. Terwijl hij langzaam Sambach in verdwijnt.
Ik moet minstens 40 passen gelopen hebben voordat-ie opgeslokt wordt door Sambach, neem ik me voor.
& In de tussentijd moet ik berekend hebben hoeveel langer ik er over doe om Sambach te bereiken. De waarschijnlijke snelheid van de auto gedeeld door een ongevere wandelsnelheid van 6 km per uur. Maal de benaderbare tijd van elke pas is 1 seconde, vertaald in eenheden van minuten.
Dus niet meer dan 5 auto’s mogen mij passeren voordat ik de gemeentegrens van Sambach bereik.
Zo neem ik mij voor.

M’n sweater gaat ergens uit.
Gevolgd door een t-shirt.
De zon blijft doorgaan met schijnen.
De pet gaat af (zonnebrandcrème kan altijd bij de brouwerij nog).

& Hevig bezweet kom ik aan. Ik bestijg de treden, duw de deur, kijk nog even naar de naam van de brouwerij, probeer me m’n zelf opgegeven instructies te herinneren, geïnspireerd door de brouwerijatlas, stap binnen & bestel.
‘Ein Zwickelbier bitte.’

Weer een avontuur gunstig afgelopen in Zijperspace.

bom

Ik sta met open mond. Terwijl ik zelden m’n mond open laat staan. Ik ben me er opeens bewust van. Een open mond richting tuin. Waar niets gezegd wordt & niets gebeurt.
Ik gebeur ook even niet, voor een kort moment. Tot ik me realiseer dat m’n mond open staat.

Wandelende bommen, speelt er door m’n hoofd. Blijft door m’n hoofd spelen. We zijn wandelende bommen. Ons lichaam doet ons op een gegeven moment ontploffen.
‘t 3e Kamikazehart heeft zich naar de andere kant van ’t leven geboord.

Ik vind dat ik aan Gerard moet denken. De blozende wangen van de jongen die hij vroeger was. De giechel die er op verscheen, de kuiltjes.
Maar eigenlijk weet ik niet hoe hij er tot afgelopen nacht uitzag. Alleen ’t beeld van onze kinderjaren. Geen volwassen vent. De familiereünie van nog maar een paar jaar geleden kunnen dat plaatje niet corrigeren.

De blozende wangen, schiet me te binnen.
Zo bleek als Carel zag, toen ik ‘m voor me zag, toen ik daadwerkelijk moest gaan beseffen dat-ie dood was, zo moet Gerard er nu ook bij liggen.
Weg gezonde blos. De dood rekent daar als 1e mee af.
M’n vader had ook plots geen couperose meer, was er toen zomaar opeens van verlost.

Terwijl ik aan Gerard wil denken, denk ik aan ons. Alleen maar aan ons.
De dood is slechts zo herkenbaar als dat je ’t tot je door kan laten dringen.

Binnen enkele tellen na ’t bericht denk ik aan wat voor actie ik moet ondernemen. Wat m’n broers moeten doen.
’t AMC moet ingelicht worden, de afdeling cardiologie, de afdeling klinische genetica, waar al m’n gegevens liggen. De onderzoeksresultaten, de stamboom, de ziektes, de mankementen, de doden.
Is ’t fatsoenlijk om dat al de 1e dag te doen, vraag ik me af.

Ik maak de reis weer. Die ochtend. Ik sta weer een uur lang te wachten op de 1e trein. Ik zit weer in een trein met allemaal mensen die van niets weten. Ik ben weer 24 uur achter elkaar wakker, zonder dat ’t me deert. Ik sta weer voor een deur waar een dode is te betreuren. Ik zie een traan, een stilte, een apathie, een kind dat tv kijkt terwijl haar vader nooit meer terug zal komen, ik zie de trap met z’n treden, ik zie ’t bed, met een kringetje van broers er omheen.
& Ondertussen sta ik met open mond in de richting van de tuin.

We zijn wandelende bommen. Er zit een lontje van binnen, daar, vlak bij de kern. & Bij sommigen van ons 40-en, nu zijn ’t er nog maar 37 als ik goed geteld heb, is een klein vonkje al genoeg.

’t Knalt in Zijperspace.

4e pelgrimage

Een moeder, 2 dochters & een zoon. Daar was ik naar op zoek.
Kees had er over gesproken. De makers van een legendarische rauchbier. Ooit in Amsterdam tot mij gekomen.
Ik las in een boekje dat ’t al 300 jaar in familiebezit was. Barnikel.
Nu zou ’t waarschijnlijk ophouden, had Kees gezegd. Alle 3 de kinderen hadden nog geen partner.
‘Je zal wel merken waarom.’

Ooit was ik eerder op brouwerijpelgrimage. M’n 1e pelgrimage was dat.
De brouwerij in l’Achouffe bestond toen nog maar net een jaar. Ons hart ging sneller kloppen toen we daadwerkelijk ’t dorpje hadden bereikt. Livingston moet lang geleden ‘tzelfde gevoel hebben ervaren.
We mochten ’t houten trapje oplopen, onze kop uitsteken om de beslagkuip te aanschouwen. We mochten een fles kopen, die we nog 2 maanden moesten laten staan. We mochten de eigenaar een hand drukken, om ‘m te bedanken voor z’n fantastische bier. Toen mochten we aan de lange tocht terug naar de camping beginnen. In 1 van onze rugzakjes een fles van 75 cl, waar we alle 3 minstens 60 dagen geduld voor moesten hebben.

’t Was net zo’n zoektocht. Een rit door ’t bos, waar de paden een ander leven waren gaan leiden dan wat er op de plattegrond voorspeld stond.
Bij ’t verlaten van ’t bos bleek ik niet meer op de kaart te staan.
Op goed geluk trok ik door een dorp, waar ik aan de rand ervan een bord aantrof naar ’t volgende plaatsje. Die stond wel aangegeven.
Waar ’t fietspad ophield zich langs de weg te begeven, leek deze veranderd in een snelweg. De auto’s scheurden voorbij.
Stilletjes & teruggetrokken probeerde ik de uiterste rand van de witte streep aan de zijkant aan te houden. Soms halt houdend & in de berm duikend als ik van achter verkeer aan hoorde komen razen.
‘Moest ik nou weer perse?’ vroeg ik me af, tegelijkertijd mezelf beseffend dat dit de ultieme pelgrimage was.
Een mens moet twijfelen over zijn doel.

Ik kwam echter bergafwaarts ’t dorp in rijden waar de brouwerij zich zou bevinden. Ik moest in de remmen knijpen om er niet zomaar onopgemerkt aan voorbij te gaan.
Een snelle bocht, een korte heuvel, snel schakelen van de versnellingen, een geur, een kleur, een teken van een roerstok & ik wist dat ik was waar ik moest zijn.
Sommige plekken zijn speciaal voor jou bestemd.

‘Nicht beim Ofen,’ lachte een jongeman aan de zijkant toen ik zichtbaar was geschrokken van de warmte die van de kachel afkwam.
Wat me van hem deed schrikken. Er werd tegen me gesproken! Bij binnenkomst al!
‘Nein, das soll zu warm wesen,’ herstelde ik me snel.
Ik lachte vriendelijk. & Zocht een plek aan de zijkant. Ver weg van de massieve kachel.

Inmiddels wist ik dat ik moest zitten & wachten. Dat was de gewoonte. Ze kwamen vanzelf.

Ze kwam vanzelf. Dochter. Dik. Ongetrouwd. Niet voorbestemd snel kinderen te krijgen.
‘Ein Rauchbier bitte,’ zei ik.
Ze bracht me een fles met een pul.

Even later kwam ook moeder de keuken uit. Ze ging met haar even dikke dochter aan de gereserveerde tafel zitten, naast de ingang van de keuken. Moeder las een tijdschrift over koken & gaf daarop commentaar. De spaarzaam aanwezig klanten maakten opmerkingen. Dochter reageerde op hen door vragen aan haar moeder te stellen. Die reageerde daar weer op.
Er was conversatie. Er was leven.
Ik dronk hun bier. Gemaakt door de zoon, die waarschijnlijk ook nooit trouwen zou, had Kees me verteld. Maar dat zou ik wel begrijpen als ik hem zou zien.

Ach, Zijperspace was ook niet vergeven van nageslacht.

3e gasthof

Ze staan je altijd aan te kijken.
’t Is ook logisch: de deur gaat open. Dan blijkt ’t nog een nieuw gezicht te zijn bovendien.
Ik voel dat m’n ogen er anders van gaan staan.
In ’t amsterdamsche weten ze hun plek, weten ze waar ze zich op moeten richten; hier tasten ze, blijven ze net te lang hangen, schieten ze fluks aan confrontaties voorbij. & Zij die hun plek weten hier, voelen dat & wachten nog even af. Van wat er op ’t punt staat te gebeuren.

’t Is een buitenlander die hier niet bekend is.
Bezwete rode kop. Rugzak op. Plattegrond in broekzak. Groet niemand, klopt niet op tafels van bekenden, zoals ’t hoort.

Tuurlijk loop ik direct naar de tafel die ‘Reserviert’ is.
Iedereen weet ‘t. Die staat altijd gereserveerd. Stammtisch, kaarttafel, personeelsuitrustplek. Iedereen weet dat je daar niet naartoe moet lopen.
Dus een snelle bocht naar elders zogauw ik ’t kaartje opmerk. & Dan net doen alsof ik ’t juist niet heb gezien, maar als vanzelfsprekend een andere, betere plaats heb ontdekt.

Zitten. In Duitsland moet je zitten. Wachten tot ze naar jou toe komen.

‘Haben Sie ein lager?’ vraag ik.
Vergeten de brouwerijatlas te bestuderen op wat ze hier te bieden hebben.
Maar ik krijg een lager. Vragen om een lager kan nooit kwaad. 90 % Kans raak te schieten.
Enkele vegen over m’n voorhoofd, zeer onopvallend, achterover hangen, zo veel mogelijk uit beeld, & ik begin te merken dat de meesten mij beginnen te vergeten. Anderen worden belangrijker.
Ik zie 2 klanten smoezen, hun blik gericht afgewend van degene die zojuist de Gasthof betreedt. Hij heeft iets gedaan, er is iets met ‘m aan de hand, ze weten elkaar iets over hem te vertellen.

Ik pak m’n boek & begin te lezen. Enkele woorden die zelfs enkele zinnen beginnen te vormen. De afleiding is groot voor iemand die hier niet thuis is & zich perse wil opstellen alsof hij op z’n gemak is. Ze moeten nl gecontroleerd worden, hun, de rest, zij die wel gewend zijn hier te zijn, op mijn on- of opvallende aanwezigheid. In hoeverre ben ik al verdwenen?

Ik probeer m’n hand op te steken. Afgekeken van de buurvrouw die de menukaart verlangde.
Maar steeds als m’n hand omhoog gaat, keert ’t personeel ’t hoofd om. Dan snel m’n hand weer omlaag. De mensen mogen niet zien dat ’t me niet in 1 keer gelukt is.
De buurvrouw lacht meewarig. Een duitse lach. Ik kan niet zien of ze om m’n pogingen lacht of om ’t keren van de hoofden.

Dan heb ik tuk.
‘Haben Sie vielleicht etwat anders zu trinken?’
Nog steeds niet in de atlas gekeken. Bang herkend te worden als biertoerist.
‘Und haben Sie eine Karte vor etwas zu essen?’

Als ik af wil rekenen gaat ’t weer fout. Meermaals blijft m’n hand ergens halverwege in de lucht steken, schielijk bergt ’t zichzelf zo snel mogelijk weer op.
In m’n ooghoeken wederom een duitse lach. Maar als ik omkijk heeft iedereen hier binnen ’t over de klant die zojuist aan de gereserveerde tafel is gaan zitten.

Ik maak plaats, om zodoende meer ruimte te vinden in Zijperspace.

2e brauerei

Onderweg had ik een plattegrond gekocht. Van Bamberg. Voor als ik terug zou komen van m’n 1e tocht. Ik was nog steeds niet bekend met alle straten. Door de heuvels, waar Bamberg op gebouwd was, leek je makkelijker te verdwalen. Als in een extra dimensie.
De bruggen van Amsterdam zijn overzichtelijker.
‘In the Netherlands there is wind, here we have mountains,’ werd er ‘s avonds opgemerkt.
Maar toen hadden ze ‘t over m’n fietstocht, niet over ’t feit dat ik steeds weer op zoek moest naar ’t straatje terug naar de Regnitz, ’t water langs de weg naar m’n hotel.

Een plattegrond van de omgeving had ik al. Ik had op m’n hotelkamer al een route kunnen uitstippelen. Ik hoefde de fiets slechts bij Kees op te halen.
Hij gaf me bandenplakspullen & een extra slot mee. Ik liet ‘m de snelbinder zien & de broekklem. Dat ik niet onvoorbereid hier naartoe was gekomen.
Kees wees & vertelde iets over de richting die ik moest nemen om gemakkelijk m’n doel te kunnen bereiken. Ik luisterde slechts naar z’n uitgestoken hand. De rest vergat ik snel of drong zelfs niet tot me door.

Brauerei Kundmüller in Weiher, Brauerei Schrüfer in Priesendorf, Brauerei Beck in Trabelsdorf.
Dat was ’t lijstje dat ik had samengesteld. M’n fiets zou ik in Weiher achterlaten & ik zou een rondje door de bergen lopen. 3 Uur vermeldde de routebeschrijving.

Om 12 uur, of eigenlijk iets erna, zat ik aan m’n 1e bier bij Kundmüller. Ik was laat, vond ik. Ik moest me beter aan ’s lands gewoontes aan gaan passen.
Ongemakkelijk. Ik moest op mezelf, in ’t duits, gaan bestellen.
Je moet gaan zitten, in Duitsland, & wachten tot ze je komen vragen wat je wilt. Ik bleef staan. Achter de 2 mannen die buiten een maaltijd wilden gaan nemen & daartoe een hele bestelling door moesten geven.
’t Duurde lang voor ik ook met een pul naar buiten kon.
De onrust bleef in me. Ik had een boek meegenomen om in alle eenzaamheid aan de duitse tafels te kunnen gaan lezen. Die bleef in m’n rugzak zitten. Ik besteedde m’n tijd aan rondkijken, steeds weer de kaart bestuderen & de routebeschrijving uitpluizen. Opnieuw & opnieuw, onzekerheden uitsluitend.

Weggetjes waren verdwenen, de kaart was verouderd, de wandelroute van lang gelee. & Ik had last van die extra dimensie.
Toch lukte ’t me Schrüfer te bereiken.
‘Je moet die bel een oplawaai geven,’ geloof ik dat 1 van de vaste klanten in beiers dialect tegen me zei.
Ik zocht de bel daar waar hij naar gewezen had, maar vond slechts de barman plots voor me.
‘Ein Vollbier, bitte,’ zei ik.
Ik had Brauns Brauerei Atlas goed bestudeerd. Ik wist al wat ze te bieden hadden. & Tijdens m’n dwaaltocht door de bergen had ik alle mogelijke zinnen gerepeteerd.
‘Kann ich mich im Garten setzen?’ vroeg ik vervolgens, m’n ½e liter reeds in m’n hand.
De man haalde van achter de sleutels, vroeg me achter ‘m aan te lopen, gidste me door ’t gebouw & opende speciaal voor mij voor ‘t 1st dat seizoen ’t hek van de Biergarten.
M’n boek bleef weer op z’n plek.

Und in Zijperspace kann man nur prüben irgendwo anders zu wesen.

1e bier

We waren er snel. Hoewel toch pas na 10-en.
Gestopt bij ’t hotel, ingecheckt, sleutel ontvangen, rugzak gedumpt.

Verder.

Nicht so weit weg.
De dichtstbijzijnde kroeg bleek achteraf slechts 3 km lopen langs de onverlichte waterkant van de Regnitz. Dat zou de terugweg worden.

’t Bier kende ik nog niet.
2 Dagen later zou ik voor de gesloten deuren van de brouwerij staan. In Zentbechhofen.
Die moet je nemen, werd er gezegd. Er was ook niet veel andere keus. Maar dit was tijdelijk aanwezig. Speciaal vaatje stond op de bar. Brouwerij Friedel.
Anders was er bier van Keesman, een brouwerij in Bamberg zelf. Familie van de eigenaar van de kroeg. Hij was ’t neefje. Misschien dat hij de boel zou overnemen als de oude dame Keesman zou stoppen. Maar de familieverhoudingen waren niet al te best.
Dus was-ie een eigen café begonnen. Een keller.
Daar zat ik nu. In snel tempo 4 glazen Friedel achterover te slaan.

Naast me Herbert. De man van Corina, de zus van Marianne, de vriendin van Kees. Allemaal aan tafel gezeten, am Tisch, met nog 2 dames gezelschap.
Herbert had belangstelling voor m’n telefoon. Ik was er foto’s van m’n glas mee aan ’t nemen.
‘As a memory,’ zei ik, nog niet geheel aan ’t duits gewend.
‘Wieviel pixel?’ vroeg Herbert. ‘How many pixel?’
We klooiden een beetje. Nee, ik klooide, Herbert gaf advies.
‘Alles scharf, everything sharp,’ stelde Herbert wijzend op ’t menu in de telefoon voor.
‘Ohne Flitz,’ suggereerde ik vervolgens in m’n 1e zinnetje volledig duits.
Dat was ‘m: alles scharf, ohne Flitz. Meteen meer sfeer.

Vakantie was begonnen in Zijperspace.

bamberg

Aan de spaarzame lezer die mij nog rest:
Ach, ik ben er niet.
Of eigenlijk elders.

Zoals ik altijd de dagen van ’t jaar aftelde, tot ik bij de 100 was, heb ik nu al tijden uitgekeken naar ’t vertrek van zo dadelijk.
Ik word zo opgehaald & dan zullen we vertrekken.
600 km.
Bamberg.

Ik zei dat ik een fiets zou huren. Toen zei Kees dat ik die van hem wel kon lenen.
‘Onnodig geld uitgeven. Ik heb ‘m de komende dagen toch niet nodig.’

Dus zwerf ik daar ergens rond. Im Fränkische Schweiz of im Steigerswald.
Op zoek naar Brauereien of Kellers.

Als ik 6 bier drink op een dag moet ik ’t kunnen halen.
Ik heb best goed geoefend.
In ’t café zeiden ze gister: ‘Ha, ben je weer aan ’t trainen?’
Een ½e liter in m’n hand.

Ik ben er dus niet.
Of eigenlijk elders.
Pas op m’n verjaardag kom ik terug.
Dan zijn we bij de 100. Maar dat vind ik dit jaar minder belangrijk.

Want ik ben elders in Zijperspace.

troon

Als ik ’t later aan m’n kinderen vertel, de kinderen die ik niet zal hebben, dan zullen ze me zeggen, met de woorden die nooit zullen klinken, ‘maar Pap’, & ik zal de Pap dan zijn waar zij zich naar richten, ik zal net zo veel niet bestaan als dat zij ooit zullen worden, ‘maar Pap, leg ’t dan nog ‘ns uit, want we kunnen niet begrijpen, we kunnen ’t niet voor ons zien, hoe jullie vroeger dan de vuilnis op lieten halen, hoe jullie afstand deden van de spullen waar jullie geen nut meer in zagen’.
& Mijn woorden, die ooit zullen worden, maar nooit zullen bestaan, zullen zeggen dat ’t kwam doordat ik in die tijd, die vroegere tijd die eigenlijk nu net is geweest & straks door deze verwarring niet zal zijn maar toch evengoed is gebeurd, ‘in die tijd’zal ik zeggen, ‘kwam ik onverwachts thuis op een tijdstip dat ik anders elders zou zijn geweest’. & Daardoor kwam ik tegen wat ik zelden of nooit eerder had gezien: de vrachtwagen voor ’t grofvuil. Zijn grijpgrage armen bungelend op zoek naar prooi.
Ik bleef staan kijken. Me afvragend of ik niet eindelijk eens iets moest verwijderen uit dat huis dat met elk boek dat ik kocht krapper ging voelen. Nauwer sluitend. ’t Liet steeds duidelijker de contouren van m’n eigen wezen zien.
‘Boek? Boek?’ zeggen de kinderen, zullen ze, zal ‘t klinken, de mogelijkheid die er niet is schept die woorden in hun mond.
‘Ja, boek,’ antwoord ik, happend in de lucht.
Er moest iets weg, zal ik verder gaan, maar zo plots kon ik geen beslissing nemen. Ik dacht aan spullen die ongebruikt stonden, opgestapeld, uitgerangeerd, zonder aandacht, zonder nut behalve dat ze waren & stonden.
Nou ja, die stoel.
Die stoel.
‘Die stoel waar jullie vaders vader ingezeten heeft.’
De laatste stoel die hij gezeten heeft in dat huis. De laatste keer dat de hele familie er was, waar niemand ontbrak, zat hij in die stoel. De 1e stoel die ik ‘mijn’ kon noemen, ’t begin van mijn ‘uitzet’, de 1e stap weg van mijn ouders, in die stoel, daar zat hij, je vaders vader.
Die wilde ik weg.
Want hij was al versleten toen Pa er in zat. Ik had er een doek overheen gedrapeerd, om de gaten in de bekleding te verbloemen. Om ’t een leuke stoel te laten zijn.
We hadden de stoel uiteindelijk in de verre kamer gezet, in de verre hoek, om de drukte van de kinderen ver weg te laten zijn, zodat Pa nog een dutje kon doen.
‘Stil nou,’ had vaders moeder gezegd tegen vaders neefjes & nichtjes, die meer bestonden dan dat jullie ooit zullen doen, ‘Opa moet slapen.’
& Toen waren ze eindelijk stil, ze fluisterden alleen nog, leunend tegen hun vaders & moeders, bedelend om nog een grapje te mogen uithalen met vaders vaders baard.
Daar was-ie gezeten. De laatste maal. Pater familias in zijn laatste troon. De familie om zich heen verzameld, wachtend op zijn ontwaken, tot hij weer iets zou zeggen.

‘Die stoel kon weg,’ zal ik tegen hen die niet zullen komen zeggen, ‘want hij had geen nut meer, ’t was al lang geleden dat-ie nog voor iets gediend had.’
Maar door ’t getreuzel daar voor de deur van mijn inmiddels te kleine huis was ’t grofvuil allang weer weg.

’t Verleden bleef nog wat langer bestaan in Zijperspace.