plattegrond

Door m’n vader heb ik ook plattegronden leren waarderen. kaarten van paden, wegen, eilanden & steden. Maar vooral die van wandelpaden. Want niets is er mooier dan een overzichtskaart met een schaal van 1:25.000.

M’n vader verzamelde ze op een gegeven moment rechtopstaand in bakken op zolder. Gerangschikt naar land, & vervolgens naar kaartnr. Zoals je ze ook terug kan vinden in de winkel Pied à Terrre: dezelfde soort bakken (alleen wat dieper, dus uitgebreider), dezelfde manier van categoriseren.
De kaarten van m’n vader staan vast nog steeds op zolder. Niemand gebruikt ze nog. Er is niemand ze tegenwoordig nog nodig heeft.

Ik bekijk m’n eigen kaarten echter ook nog maar amper. Alleen als ik weer de herinnering wil ophalen, of aan iemand wil uitleggen waar ik geweest ben. Zo 1 keer in de 2 jaar. Soms ook wel om te kijken waar ik naar toe wil op vakantie: misschien een vervolg op ’t reeds afgelegde pad?

M’n vader was zuinig op z’n kaarten. Voordat hij er mee op vakantie ging, plastificeerde hij ze allemaal. Zeer zorgvuldig, zonder luchtbelletjes. Waarna hij ze terugvouwde in de oorspronkelijke vorm. Platgedrukt, zodat ze niet te veel ruimte in beslag zouden nemen, werden ze dan opgeborgen tot gebruik.
Alle kaarten die de eerstvolgende vakantie noodzakelijk waren voor mogelijke wandeltochten ondergingen een dergelijke behandeling. Achter de plank, in de stoel waar m’n vader altijd zat, volvoerde hij deze klus. & Stiekem bekeek-ie alvast de stippellijntjes die aantrekkelijk dun afgedrukt stonden temidden van ’t vele groen. Op zoek naar toekomstige wandelingen. Die hij van plan was te ondernemen met z’n zoons.

Groen is 1 van de meest aantrekkelijke aspekten van een kaart. Groen doet me overdonderen van een veelheid aan natuur. Een veelheid aan onvindbaarheid; opgenomen te worden in de rest van de wereld, waar niemand weet van heeft dat ik daar ben. & Ik waan me al op de plek die de kaart verhaalt dmv duidingen met tekens. Temidden van bomen, aangegeven in ’t groen, die laag overhangen & hoog overal bovenuit torenen; & onvindbare paden, omringd door ’t groen, die kronkelen tussen heuvel & water, langs tra & zompig nat.
Met dat groen van de kaart zie ik de 1e wegen, die nog door mij betreden moeten worden, reeds ontstaan. Ik zie ze in de vorm van stippellijntjes bochtje voor bochtje zichzelf een weg banen, dan weer snel omhoog gedreven door altitude-cirkels, dan weer sukkelend langzaam omlaag.

Als we 1maal onderweg waren, vond m’n vader ’t zo af & toe goed dat iemand anders de kaart vasthield. Zolang hij wist dat we de goede weg gingen. Eigenlijk wilde hij ’t liever niet. Liever had-ie ’t vastgeklemd tussen ’t hengsel van de schoudertas & z’n borst. Of, maar dat verboden wij ‘m weer, vastgeklemd achter de riem van z’n korte broek. Stel je voor dat we iemand anders tegenkwamen, hielden we ‘m voor. Waarna hij zich lacherig nergens wat van aantrok. Totdat we weigerden verder te gaan.

Uiteindelijk had m’n vader de kaart, de geplastificeerde kaart, vooral nodig ter bescherming van zichzelf. Muggen & ander steekgerei hadden ’t vooral op hem gemunt. Hij zwiepte met de kaart de insekten weg, die zijn bloed nou 1maal lekkerder vonden dan die van z’n zoons. Of hij zwiepte ze dood, als ze reeds plaatsgenomen hadden voor een aangename maaltijd.

Wie weet hoe de kaart van Zijperspace er uit ziet zonder hem?

lessen

Ik heb ’t wandelen geleerd van m’n vader. Hoewel ik de lessen pas laat tot me nam. Ik was een trage leerling, zogezegd.
In m’n herinnering gingen we altijd wandelden, in ieder geval als m’n vader vrije tijd te besteden had. Zeer tegen m’n zin. Ik wilde niet weg van huis. Vandaar misschien dat m’n herinnering zegt dat we ’t altijd in ’t weekend & tijdens vakanties deden. De negatieve herinneringen onthou je nou 1maal ’t best.

Ik kreeg ’t spaans benauwd als m’n ouders aankondigden dat we er weer op uit zouden gaan. Ik wilde niet naar ’t Robbenoordbos, noch naar de Donkere Duinen. & Tijdens de vakanties wilde ik niet de omgeving van ’t luxemburgse Ourent verkennen, zeker niet de bergen om ’t zwitserse plaatsje Disentis.
Ik zou toch onderweg weer op een zeer ongunstig moment naar de wc moeten. Die nooit ergens in de buurt te verkennen was. Wc’s bestonden niet op de plekken waar wij gingen wandelen. Wc-papier hing ook nergens. Zeker niet aan de bomen waar ik uiteindelijk naast moest plaats nemen. Ver weg verwijderd van ’t pad, zodat niemand iets kon zien, maar evengoed reuze-ongemakkelijk.

& Toch heb ik ondanks dat, ondanks de lichte dwang die m’n ouders op me uitoefenden om toch mee te gaan, leren wandelen. Ik weet alleen niet wat ik geleerd heb. Ik weet wel dat ik ’t nu kan.

Ik liep met m’n vader in Zweden richting een punt van een fjord. M’n vader vond ’t af & toe riskant worden, vanwege de gladde stenen & de golven, die vervaarlijk dicht bij de stenen kwamen waarover wij liepen. & Ik voelde me juist op dat moment in m’n element.
‘Kom op, Pa, hier moet je lopen,’ riep ik naar achteren, terwijl ik ‘m de makkelijk gaanbare stenen aanwees.
‘Zouden we wel verder moeten gaan?’ riep-ie terug over ’t geluid van de golven heen.
”t Kan niet ver meer zijn. Nog een klein stukje voor de uiterste punt, volgens dit kaartje.’
’t Was dan een tijdje stil vanuit die hoek. FF later hoorde ik echter weer:
‘Je kan natuurlijk ook in je 1tje doorgaan. Dan blijf ik hier wel wachten tot je terug komt.’
‘Nou, kom op, Pa. We zijn er bijna. Achteraf zal je ’t zonde vinden.’

Met Carel erbij liepen we naar een hütte in ’t zwitserse berglandschap boven Disentis. Op een dag dat we beter niet hadden kunnen gaan lopen. Maar dat bleek pas bij ’t stijgen over de laatste 500 meter.
Op 1000 meter hoogte kreeg ik al last. Ik moest ditmaal niet naar de wc. Ik kreeg ’t benauwd van een pijn in m’n lies. ’t Voelde alsof m’n linkerbeen niet meer wilde.
‘Pap, ik kan niet meer.’
‘Kom op, Ton. Nog ff, straks gaan we pauzeren.’
‘Maar ik kan niet meer, Pap.’
‘Als je moet poepen, dan moet je ’t zeggen. Je weet dat ik wc-papier heb meegenomen.’
‘M’n linkerbeen wil niet meer lopen.’

Ik kreeg m’n zin. Maar we zijn wel doorgelopen. Waarbij we op een gegeven moment onze reserve-sokken hebben moeten gebruiken als handschoenen, vanwege de sneeuwstorm die ons overviel.
Net als dat m’n vader 15 jaar later z’n zin kreeg. Waarna we ook zijn doorgelopen. & We uiteindelijk de woeste Oostzee zagen, die z’n aggressie op ons probeerde bot te vieren.

Wij laten ons niet kennen tegenover de elementen in Zijperspace.

lijflog 5

’t Lichaam moet geprepareerd worden. Ik heb er alleen geen tijd voor. Te kort van te voren heb ik bedacht dat ik net zo goed een paar xtra dagen vrij kon nemen, zodat iets van een vakantie zou kunnen ontstaan. Die ik dan net zo goed als vakantie kon door gaan brengen.

Spiroflor Srl-gelei, tegen spierpijn. Ketoconazol, tegen irriterende zweetplekken. Gerlachs Gehwol voetcrème, een demonstratie-pakketje ‘voor sterk vermoeide voeten en zwaar belaste huid’. Paracetamol, je weet maar nooit of je een te gezellige dag tegenkomt. Ompeed; dat zijn perfekte blarenpleisters, alleen altijd in een grote maat. Zonnebrandcrème factor 10, voor de 1e dag. Tandpasta, ’t leven bestaat niet zonder. Nasonex, voor de broodnodige ademhaling. Murray’s super light, maar slechts een heel klein beetje.
Geen zinkzalf, geen deo, geen Prikweg, geen aftershave-balsem, geen Cardiflor.

Vaak bereid ik me, met nog weken te gaan, er op voor. Vele kms in de omtrek van Amsterdam bewandel ik dan. Zonder rugzak weliswaar. De rug moet noodgedwongen later wennen aan de zware taak van 10-12 kilo.
Ditmaal zullen ook m’n voeten moeten wennen. Ook aan de zooltjes die nog maar net voor € 28,50 zijn verbouwd. M’n schoenen zelf kennen ze inmiddels wel van dagelijks gebruik.

Zoals alle voorgaande keren neem ik me voor dat ik ’t rustig aan ga doen. Zoals alle voorgaande keren weet ik dat ik me daar 1½e dag aan houd. M’n lichaam zal daarna worden uitgeleefd door de adrenaline die in m’n kop ontstaat. Doorlopen, doorlopen, lijkt ’t te schreeuwen straks.

Vooralsnog is ’t nog rustig in Zijperspace.

martha

Ik was altijd zo impulsief, ik geloof dat ik dat nog steeds ben.

Bladzijdes vol schreef ik Martine, terwijl zij op vakantie was. Bladzijdes gevuld met m’n zieleroerselen. M’n leed, m’n gemis. Bladzijdes gevuld met de tekst van ‘Martha’ & m’n van treurigheid vervulde herinneringen aan ons. M’n terugverlangen naar ons. Wij, met z’n 2-en.
Later, als we ouder waren, zou de tekst van ‘Martha’ vast overeen komen met hoe ik me op dat moment zou voelen. Hoe ik dan zou voelen dat ik ooit iets gevoeld had. Iets van liefde van lang gelee. & Ik zou op zoek gaan naar haar telefoon-nr.

Hoi, Martine, dit is Ton. Zullen we een bakkie koffie drinken & over ’t verleden praten.

Ik had haar sleutels nog. & Ik had ook nog steeds de pijn van ’t uit zijn. ’t Was afgelopen. ’t Zou nooit meer komen.
Ik schreef de brieven & legde ze in haar kamer, waar ik niet hoorde te komen. Niet meer, want ’t was uit. Zij kwam ook niet meer bij mij.

& Ik herinner me stille nachten. Nachten dat ik dicht tegen Martine aan liep.

Ik kwam haar een jaar geleden tegen. Ze zag er niet meer uit zoals ik gewend was. Ze was dikker geworden in haar gezicht. & Haar gezicht had last van acne.
Maar ook dat gaat over met de jaren.

De liefde bestond niet meer in Zijperspace, ’t geheugen nog wel.

vooraankondiging

Ik zal ’t u vast maar meedelen. Dan hoeft men zich niet verontrust te voelen, als ik ff niets van me laat horen.
Ik ben vanaf vrijdag (eigenlijk is ’t ‘vanaf donderdag’, want ik vertrek vrijdag; ‘vanaf vrijdag’ zou moeten betekenen dat ik zaterdag vertrek) de kusten van Holland aan ’t verkennen. & Dan vooral die onder Amsterdam liggen.
Vanaf Haarlem leidt mijn route over ’t Visserspad (Lange afstand wandelpad 5-2) naar Den Haag. Daar hoop ik aanwezig te zijn op de Parkpop-meeting. Waarna m’n pad nog een stukje verder gaat over ’t Visserspad, maar in Zeeland overgaat in ’t Deltapad (van dezelfde serie 5-1).

Ik neem m’n tent mee, een heerlijk 1-persoonsgebeuren, maar mocht iemand een slaapplaats aan willen bieden, dan hou ik me aanbevolen.

Men zal ’t met veel stilte in Zijperspace moeten doen.

wraak

De dood waart om me heen. Zoals ’t zich hier manifesteert, doet ’t me denken aan een aflevering van Storm. 1 Van de mooiste, in mijn herinnering. Ik vermoed dat Martin Lodewijk ’t scenario geschreven had. Don Lawrence was natuurlijk verantwoordelijk voor de tekeningen.
Storm wordt met enkele andere strijders een ruimteschip ingezonden, waar velen hun zijn voorgegaan. Een vreemd ruimteschip vol met dodelijke vallen. Overal liggen lijken van die voorgangers. In allerlei houdingen, geveld door de ingebouwde valkuilen van ’t ruimteschip. Dat lot staat Storm & z’n metgezellen ook te wachten.

Mijn vensterbank ligt er ong ’tzelfde bij. Hier zijn ’t de lichamelijke overschotten van insekten. Hier & daar omgeven door dun spinrag. Insekten in div gedaantes. Leeg, geen voedsel, geen vocht lijkt zich nog in ’t overblijfsel te bevinden. Slechts omhulsels liggen er.
Ik zou ’t kunnen opruimen, maar daar komt ’t niet van. Elke dag laat ik me herinneren aan hoe groot & vervaarlijk de valkuil is, die mijn woning voor dit soort gedierte moet zijn. Elke dag denk ik dat ik ’t moet verschonen, met de stofzuiger ’t kerkhof verwijderen, maar ik kan me er niet toe zetten. Liever gedenk ik voor een moment de doden, terwijl ik mezelf een boterham bereid.

& Zou dat kleine groene vliegje, ’t zou mij zeker niet opgevallen zijn als ’t op een willekleurig blad in de rest van de tuin had plaatsgenomen, zich bewust zijn geweest van z’n opvallende verschijning, toen ’t zich voor een moment nestelde op m’n ontblote bovenarm? Lang heeft ’t pietepeuterig beestje daar niet over na kunnen denken, mocht ’t pietepeuterige kopje daartoe in staat zijn. Een veeg met m’n rechterhand deed ’t veranderen in een klein groen streepje.

De mug die dacht mij middernachtelijk gezelschap te kunnen bieden, heeft daar ook niet lang van geprofiteerd. De restanten van z’n lichaam sieren de wand naast m’n bed. Met een likje rood.

De stofzuiger zal ondertussen ook wel een verzamelplaats van lijken zijn, als in ’t stripboek. Vele dieren, onmerkbaar voor m’n oog, kruipen rond op & in m’n vloerbedekking. Maar ook spinnen, duidelijk waarneembaar, hebben daar een verzamelplaats mogen inrichten. Weggezogen vanuit de hoogste hoeken van ’t pand, waar zij zich veilig achtten & verzekerd van een weelderig maal. Omdat ik hun aanwezigheid m’n huis vond ontsieren, heb ik ze daar via de stofzuiger op gewezen.

Vannacht werd ik bezocht door een ander lijk. De door zout aangevreten glibberig substantie, dat zich voorheen naaktslak mocht noemen.
M’n buurman had me gewezen op de truuk met een glas bier. Ingraven in de tuin, zodat alleen de opening te zien zou zijn. Daar komen alle slakken op af, wist hij me te melden. Ze verdrinken vervolgens in ’t bier.
Wel een vieze bedoening als je ’t op moet ruimen, voegde hij er nog aan toe.
Dat schrok me af. Ik vind de slakken in levende lijve al afschrikwekkend. Ik zou ze niet met m’n handen durven aanraken. Een verzamelde hoopje lijken, verzonken in een glas bier, zag ik als ’t summum daarvan.
Dus strooide ik ’t aloude recept over de indringers van m’n tuin. Waarna ze snel van kleur verschoten, waarbij ze leken te pruttelen. ’t Is geen genoeglijk gezicht, maar ’t werkt wel, dacht ik.

Vannacht bezocht ’t lichaam van een dode slak me. Ze wilde blijkbaar wraak nemen voor al die doden die ik op m’n geweten heb. Voor al die toevallige passanten, die in mijn universum hun kerkhof vonden.
Ze zei niks, maar was angstvallig dicht bij m’n hoofd op ’t moment dat ik wakker schrok.

Alle dekens zijn uitgeklopt in Zijperspace.

liftlog 5

Hij pikte me op een verlaten plek op, dichtbij de kust. Slechts een enkele auto had me tot dan toe gepasseerd.
Hij kwam dan ook van z’n eiland af, vertelde hij me, voor de rest was er niet veel richting kust. Nu was-ie onderweg naar z’n werk.

Wat doe je? Waarom lift je?
Hij zat vol met vragen. Had bewondering voor m’n reis door Zweden. & Hij gaf me allerlei adviezen over dingen die ik nog meer moest bezoeken. Musea onder andere. Die waren allemaal gratis in Zweden. Hij werkte zelf voor een museum.

Hij had vroeger ook gelift, moest ik weten. Heel Europa door. Ook nog wel met z’n vrouw. In ’t begin van hun relatie.
Ja, die relatie was nu over. Hij tikte zenuwachtig op ’t stuur, terwijl hij dat vertelde.
Ik merkte opeens dat z’n hele lichaam onder invloed stond van wat nerveuze trekjes. Hij keerde steeds plots z’n hoofd naar me, als ik op zijn gevraag & gesuggereer reageerde. Belangstellend weliswaar, maar gespannen. Hij was mager, zeer mager. & Z’n ogen staken zenuwachtig uit hun kassen.

Hij moest elke keer 10 minuten varen om van z’n eiland naar de vaste wal te komen. & In z’n boot moest-ie alles vervoeren wat-ie nodig had. ’t Was wel een beetje afzien, want in z’n huisje had-ie elektriciteit noch gas. Hij verwarmde z’n huis & eten met hout. Waardoor ’t ’s nachts zeer koud kon zijn. Vooral ’s ochtends had-ie daar last van. Daarom had-ie zich vanmorgen ook niet geschoren.

’t Was hun zomerhuisje, zoals iedere zweed z’n zomerhuisje op een eiland had. Ze waren een tijdlang bezig geweest ’t huisje op te knappen, totdat de relatie strandde. Dat kwam doordat hij overspannen was geraakt van z’n onderwijzerswerk.
Nu moest-ie ’t in z’n 1tje opknappen. Niet alleen ’t huisje.

Weet je wat ik moest doen? Hij was opeens enthousiast. Ik moest langs ’t Götakanaal gaan liften. Had nog nooit iemand gedaan. Hijzelf ook niet. Maar ’t schoot ‘m nu opeens te binnen. Liftend langs de kant van ’t water. Die boten zaten toch meestal niet zo vol. Soms slechts 2 mensen op een zeer grote boot.
Dat moest ik doen. Hij wilde me desnoods wel bij ’t Göta-kanaal afzetten. Moest-ie wel 1st iets afleveren in een ander stadje, maar hij wilde daarna best omrijden om mij aan ’t kanaal af te zetten. Wilde hij wel later van me horen of ’t gelukt was.

Nee, ik zag ’t niet echt zitten. Ik wilde liever in dat volgende stadje ’t plaatselijk museum bezoeken, waar-ie net over verteld had. Ik vond ’t wel een goed idee, zei ik ‘m, maar toch zou ik in ieder geval 1st naar ’t noorden proberen te liften.

Want in ’t noorden voelt men zich meer thuis in Zijperspace.

schommelen

Ik heb een rare boom in m’n tuin. Ik heb ’t idee dat-ie er eigenlijk niet hoort. Zo’n japanse boom, denk ik vaak, want hij is veel te fijn.

De blaadjes bijv zijn veel kleiner dan die van bomen in andere tuinen. Heel teder traag komen ze laat in ’t voorjaar pas tevoorschijn. M’n buurvrouw vroeg nog of ’t wel goed ging met ‘m. Zij woont er nog maar net & kan niet beter weten. Als alle bomen al helemaal groen zijn, komen bij mijn boom de 1e knopjes pas. Heel verwend eigenlijk. Alsof-ie wil afwachten tot ’t zeker is dat ’t warm blijft.

De takken hangen. Veel in ieder geval. ’t Is net alsof ze vallen. Ik noem ze dan ook ‘vallende takken’, maar dat heb ik nog niemand verteld. Ze komen uit de stam, gaan een stukje rechtdoor & vallen dan naar beneden. Ze kunnen de weelde van de groei niet dragen. Sommige takken hebben helemaal geen blaadjes. Lijken een doods uiteinde van de boom te zijn. Daarom denk ik ook dat ’t een zware taak voor een tak moet zijn te hangen aan een japanse boom in een hollands klimaat.

Ik kijk vanuit mijn huis vooral naar de bast van de boom. Aan mijn kant van de boom willen de takken bijna niet groeien. & Indien wel, dan zijn ze inmiddels afgebroken. 1 Van die takken, voor mijn komst hier moet die toch tamelijk dik zijn geweest, is er vermoedelijk bij een storm afgebroken. ’t Restant zit nog aan de boom. Een buurman dacht dat ’t misschien beter was dat stuk er recht af te zagen. ’t Zag er uit als een ernstige verwonding, vond hij. De boom is al niet 1 van de sterkste. Aan een andere tak hangt ook al maanden een ander afgebroken takje. Dat lijken andere bomen niet te hebben.
Ik ben onmiddellijk na zijn opmerking op ’t hek ernaast geklommen om er een tak af te zagen, maar die bleek de buurman niet te bedoelen.
‘Bij die erboven kan ik niet komen,’ zei ik ‘m. Daarom hangt de verwonding er nog steeds.

Die fijne blaadjes zijn anders van kleur als die van de andere echte hollandse bomen. Veel helderder groen. Ze glinsteren ook in ’t zonlicht. Als je schilder zou zijn, zou je witte puntjes moeten gebruiken om die weerkaatsing van ’t zonlicht te illustreren. Nou ben ik geen schilder, maar ik kan wel zien dat ’t heel wit is, die weerkaatsing. Dan kijk ik naar de takken bovenaan & zie ik allemaal witte puntjes dansen op de wind. Temidden van groene blaadjes in een blauwe zee aan de hemel.

Deze boom is veel onrustiger dan de andere bomen. Ik voel me desondanks wel bij ‘m op m’n gemak. De takken schommelen, in tegenstelling tot ’t heen & weer zwiepen van z’n buren. Dan lijkt-ie meer te genieten van z’n gebonden vrijheid. Door haar vallende takken, lijkt-ie ook makkelijk gekwetst te kunnen worden, maar toch houdt-ie ’t vol. Dat mag ik graag zien.

De vogels zitten er ook graag in, vooral de wat grotere eksters & duiven. Dat is wel eens een nadeel voor mijn pas gewassen was. De t-shirtjes die daar slachtoffer van raken, stop ik echter gewoon bij de volgende beurt nogmaals in de wasmachine. Shirtjes zat.
De vogels vinden ’t geloof ik wel fijn dat de boom zo weinig bladeren, & dan nog fijne kleine, heeft. Hebben ze meer overzicht; kunnen ze beter de omgeving begluren. Misschien vinden ze ’t schommelen ook wel lekker. Zou ik zelf voor gaan.

Er staat een rare boom in Zijperspace.

overzicht

‘Als je in een donkere hoek van de kamer staat, moet je niet verwachten een plattegrond van de stad te kunnen tekenen’

(‘De geschiedenis van mijn kaalheid’, Marek van der Jagt)

Ik bleef ’t keer op keer opnieuw proberen. Zittend aan de grote tafel in de huiskamer. Op een zondag met daglicht door ’t achterraam, zodat ik m’n verrichtingen goed kon overzien. Daarbij liet ik me niet storen door de familie die op visite was. Er was eigenlijk ook niemand die belangstelling had voor m’n nijvere pogingen de wereld in kaart te brengen.

Ik gebruikte een potlood, een gum & een lineaal. Of was ’t een geo-3-hoek? Ik geloof dat ik ook wat kleurpotloden naast me had liggen.
Vaag plaatste ik de 1e lijntjes. Verdikte die als ik dacht dat ’t goed zat. & Maakte ze daarbij recht door de lijnen langs de lineaal te trekken. De vage lijntjes konden dan worden uitgegumd. Een nieuwe lijn kon vervolgens worden geplaatst. Vaag weer.

Sommige straten mochten niet te recht. Daar kwam ik al snel achter. Ons eigen rijtje bijv was wel recht, maar bij Garage Marshall, aan ’t eind, kwam er een knik in de straat.
Verder weg van ons huis, naar de overkant, ontstonden er ook problemen. Want straten waren niet gewoon straten. Ik moest ook rekening houden met de dikte van de huizen. Of een grasveldje, zoals die er 1tje aan de overkant lag.

Ik concentreerde me vooral op de weg naar school, want die kende ik goed. De weg die liep via een smal doorsteekje aan de overkant, Barkstraat over, de Vletweg & de zijkant van de Fregatstraat. Ik wist daar ong hoeveel huizen of flats er stonden. Hoeveel ramen ze telden, hoeveel struiken, hoeveel knikkerpotjes. & Juist omdat ik die wereld van onderweg naar school kende, moest-ie in kaart gebracht worden. Met alle variaties.
Dus ook de rechtse variant van de Klipperstraat. Of de lange rechte linkse via de Fregatstraat. Die was eigenlijk saai, want alleen maar recht. Die kon wel als laatste.

Steeds als ik dacht de Marsdiepstraat perfekt in kaart te hebben gebracht, daarbij zelfs rekening had gehouden met de knik bij de garage, & over wilde gaan naar de Barkstraat, schemerde er een fout door de tekening heen. Elke keer iets anders.
Ook als ik globaal 1st de kaart tussen ons huis & school schetste & vervolgens korrekties in dikker potlood erin aanbracht, bleken er fouten in te sluipen. Onherstelbare fouten.
Ik kwam niet verder dan de Klipperstraat. Bij de Schoenerstraat, rechts daarvan, kwam ik niet verder dan een aanzetje van 2 dunnen streepjes. De tekening kon dan alweer weggegooid worden.

Vreemd vond ik ’t. Ik kon toch zeker ook tekeningen van mensen maken. Rechte lijnen & kromme lijnen trekken lukte me niet. Terwijl dat veel makkelijker leek. Want de straten waren meer rechte lijnen dan kromme.
Ik wist niet dat m’n wereld zo ingewikkeld in elkaar zat. Zo ingewikkeld dat ik er geen overzicht van kon maken.

Er bestaat nog steeds geen kaart van Zijperspace.

pallabroos

Heetten palladiums vroeger pallabroos? Of misschien pallabroes?
Want zo noemden wij ze thuis altijd, lang voordat ze in de mode kwamen. Als palladium dan. Voor die tijd gingen wij ermee op vakantie & maakten er lange bergwandelingen mee. & We noemden ze pallabroos.

Naast me in de trein zat een meisje met palladiums aan. Ik had ze al een tijdje niet meer op straat gezien. De tijd dat ze modieus waren & iedereen ze droeg leek alweer lang geleden. Ze waren er toendertijd in allerlei kleuren & maten. Maar altijd gemaakt van ’tzelfde stofje. Dik, canvas-achtig, maar wel waterdoorlatend.

Zij had ze dus wel. & Ze droeg ze op een moderne manier. De veters waren weggestopt. Waar ze waren weggestopt, kon ik niet zien. Er zat geen knoop in de veters, niet aantoonbaar in ieder geval, & boven op de wreef waren de veters gewoon plots weg.
Ik probeerde de konstruktie van de verstopte veters te bestuderen, maar kon er niet achter komen waar ze uit ’t zicht verdwenen.
Daarnaast bedacht ik me dat ’t toch niets meer voor mij zou zijn. De veters zouden vast tegen mijn wreef aan schuren. M’n versleten botten, dat soort gedachtes heb je nou 1maal op deze hypochondrische leeftijd, zouden ’t wrijven tegen de wreven vast niet meer kunnen velen.

Ik geloof dat alle kinderen (behalve de oudsten hadden we volgens mij allemaal pallabroos) een dubbele strik toepasten voor de stevige omsluiting van de schoenen. Want we liepen kms de berg op. & Ook weer af.
M’n vader kreeg ’t zelfs voor elkaar dat m’n moeder een stel aanschafte. Kon zij ook een endje meelopen. Of een kleine wandeling met ons voleindigen.
Hele familie op de pallabroos.
Hoewel ik nog steeds niet weet of ze zo heetten. Misschien had m’n vader de naam wel vervormd. Maar wij noemden ze met hem ijverig pallabroos.

Later kreeg ik een vriendin. Op ’t moment dat palladiums hartstikke in waren. & Zij had genoeg geld om regelmatig nieuwe aan te schaffen. Onder haar bed stond een hele verzameling schoenen. ’t Grootste gedeelte daarvan was palladium. Altijd in de korte maat, zonder steun boven de enkels. Ze liep ook niet op een ander merk. Wel elke keer in een andere kleur. Dat kon ze betalen.
Nadeel was dat haar voeten ervan gingen stinken. Kwam doordat ze geen sokken er in droeg. Bleef de stank in de schoenen hangen.

Dit meisje is van 20 jaar later, maar toch droeg ze de palladiums zoals onze pallabroos er uit zagen. Bruinige, hoge schoenen. Alsof ’t merk geherintroduceerd moest worden door van voren af aan te beginnen.
Zouden ze een nieuwe konstruktie voor ’t verbergen van de veters verzonnen hebben? Om ’t populair te maken bij de nieuwe generatie.

Pa liep voorop, ook al renden we vaak voor ‘m uit. Hij in z’n echte bergschoenen. Stijf rond de neuzen. Wij met onze soepele pallabroos. Die waarschijnlijk nooit pallabroos hebben geheten. We renden van voor naar achter, legden de afstand bergop & bergaf 2 maal af. Op onze bruinige pallabroos. Terwijl Pa voorop liep & de weg wist. & Wij voorbij renden.

Rennen, zoals je alleen maar rennen kan in Zijperspace.