voorbereidingen

Ik werk niet met lijstjes. Lijstjes van dingen die ik nog te doen heb voordat ik op vakantie ga. Alles zit al tijden in m’n hoofd. Ik heb in gedachten een hele agenda opgesteld van wat ik wanneer moet doen, wil ik alles op tijd geregeld hebben. Ik denk altijd dat ik ’t te krap indeel, maar uiteindelijk hou ik zeeën van tijd over. Waardoor ik ’t rustiger aan ga doen. & Op ’t laatste moment me toch nog moet gaan haasten.

M’n rugzak inpakken is een soortemet spelletje ‘ik ga op reis & neem mee…’. Ben ik altijd goed in geweest. Ik stelde me de persoon altijd voor met ’t artikel in zijn of haar handen & automatisch schoot me ’t te binnen. Als ik daadwerkelijk op vakantie ga, doe ik dat ’tzelfde. Alleen stel ik dan mezelf in allerlei verschillende situaties voor. Gaat altijd goed, behalve de laatste vakantie. Toen was ik een aansteker (erg handig voor ’t bereiden van maaltijden & thee) & een waterdichte zak voor m’n slaapzak vergeten. Dat laatste ging nog net goed, want toen ’t daadwerkelijk ging regenen hoefde m’n slaapzak niet meer aan de buitenkant te bungelen, wegens genoeg ruimte.

Ik heb nog 3 volle dagen te gaan, maar ik heb nu ’t gevoel dat ik me echt moet gaan haasten. Buiten ’t feit dat ik de laatste accesoires voor m’n vakantie wil aanschaffen, moet ik ook ’t huis gereed maken voor de mogelijke komst van m’n broer. Die mag van mij een aantal dagen in m’n huis bivakkeren. Dan moet ik ’t natuurlijk wel een beetje schoon & gebruiksvriendelijk achterlaten. Met handwijzingen hoe bepaald apparatuur te hanteren. Hij is een nitwit wat dat betreft, zegt-ie.
Maar ’t huis moet vooral schoon. & Om vooral geen tijd verloren te laten gaan, probeer ik bepaalde handelingen te kombineren. Zo heb ik de douche-ruimte schoon gemaakt met een sponsje & wat schuurspul (de aanslag zat er dik op, vond ik), terwijl ik me ondertussen aan ’t douchen was. De wasbak kreeg een beurt, terwijl ik m’n tanden aan ’t poetsen was. Na een korte plas heb ik de plee onder handen genomen. De vuiniszak is vervangen op ’t moment dat ik wat afval er in kwijt wilde. De lege flessen dumpte ik in de glasbak, toen ik toch op weg naar m’n werk ging. Morgen gaan ’t douche-gordijn & een dekbedovertrek voor een goede schoonmaak met wat kleren de wasmachine in. Da’s efficiënt; ik verlies weinig tijd met dit soort gekombineerde handelingen. & ’t Schoonmaken verveelt ook niet zo snel.

1 Gedachte stelt me nog redelijk gerust. ’t Huis zal er redelijk opgeknapt uitzien als ik 1maal de vakantiespullen in m’n rugzak heb geperst. Al 3 weken ligt de grond hier bezaaid met dat soort artikelen. Nog enkele dagen & dat zal opgeborgen lijken.

Dan neem ik dat mee met de tijdelijke verhuizing van Zijperspace.

boterhammen

Ik vond ’t nooit iets, ontbijten. Een verplicht nummertje, elke ochtend dat je opstaat. Brood smaakte naar niets, maakte m’n mond droog, waardoor er liters koffie (dat dronk ik toen nog) of thee (dat was vóór de tijd van de koffie) nodig waren om ’t geheel weg te spoelen. ’t Beleg voegde niet veel aan de smaak toe. Dus smeerde ik maar mosterd op de kaas. M’n latere vriendin spoot regelmatig wat tomatenketchup op de paté. Nam ik al snel over.

’t Laatste beschouw ik tegenwoordig als godslastering. Dat doe je niet met paté. In ieder geval niet met de paté die ik betrek van Berkhout. Een belgische slagerij bereidt dat voor hem. Een slagerij gespecialiseerd in paté’s. Alles wat daar vandaan komt is goddelijk, zeggen Berkhout & ik in koor. Ik gooi 1 keer in de week m’n vriezer vol met plakken paté. 1 Dag voor gebruik leg ik een stuk paté een verdieping lager in de koelkast.

M’n moeder stond ’s ochtends vroeg vaak al onze boterhammen klaar te maken. Konden we ook zelf, maar ze was toch wakker, waarom zou ze ’t niet doen? We hadden een praktisch ingestelde & efficiënte moeder in die dagen. Daar genoten we volop van. Ik geloof dat ik er indertijd 3 boterhammen meenam naar school. Een gedeelte daarvan vond ik enkele dagen later onderin m’n schooltas terug. Zo’n degelijke schooltas, waar je eigenlijk niet mee wilde lopen. Maar m’n vader was directeur van een andere middelbare school & vond ’t zonde hoe de studie-boeken van zijn leerlingen elk jaar beschadigd terugkwamen. Een degelijke schooltas kon dat voorkomen: 1 gebouwd op ’t a-4 formaat, waarin alle boeken netjes rechtopstaand in geplaatst konden worden. Naast die rechtopstaande boeken vond ik m’n zakjes brood terug. Vaak liet ik ’t dan nog enkele dagen zitten, omdat ik niet altijd een prullemand voor handen had. Of omdat m’n moeder de inhoud van de prullemand voor ogen zou kunnen komen. Dan kon ze de groen beschimmelde boterhammen zien, waar zij ’s ochtends zo hard aan gewerkt had.
Niet dat ik iets anders op school at. Ik vond dat brood gewoon niks. Alles wat we op school in de pauzes konden kopen, leek daar over ’t algemeen op. Behalve dan de penny-wafels. Mijn zakgeld was niet toereikend genoeg om elke dag penny-wafels ipv brood te eten. Ik haalde ’t bij de avondmaaltijd altijd wel in. Ik kon avondmaaltijden verorberen voor 2 of 3 schoolgaande kinderen, zonder daar lichamelijk enige uitbreiding van te ondervinden. Ik droomde van een land waar je 2 warme maaltijden per dag kon eten. Ik spaarde dan ook postzegels van Frankrijk.

Sinds ik meneer Berkhout ken (& ’t meisje van de bakker, dat me Waldkorn-brood verkoopt) heb ik geen moeite meer met m’n boterhammen. Vooral ook omdat ik ze dik beleg. Als ik dat vroeger thuis deed, kreeg ik al snel de opmerking dat ik daar wel 2 sneetjes mee kon beleggen. Daar werd de oorlog bij betrokken als je zei dat je er anders geen trek in zou hebben. Die opmerking maakt niemand hier in huis. Hij wil me zelfs niet te binnen schieten als ik de lekkernijen ’s ochtends uit de koelkast haal & alvast een plakje salami in m’n mond steek. Terwijl ik 6 boterhammen bekleed (zonder boter, da’s zonde van de smaak), eet ik de 1e alvast op. Zo groot is de trek.
M’n ouders waren laatst op visite. Ik zeg tijdens de lunch tegen ze: ‘Beleg maar lekker dik hoor. Dat doe ik zelf ook altijd.’ Ik heb ze geen opmerking over de oorlog horen maken, die maaltijd. Pff, ze konden wel door blijven eten. Volgende keer moet ik maar ‘ns een stuk paté van Berkhout voor ze meenemen. Ze zullen m’n hele jeugd vergeten. Net als dat verhaal over de lotusbloemen van Odysseus.

Maar dan anders & in Zijperspace.

oefelen

Nog wat meer over de muziekles. Ik kreeg dat na afloop van school, op een bepaalde middag in de week. Ik hoefde er niet ver voor te lopen, nog geen 5 minuten achter ons huis was ’t schooltje gelegen dat voor de muzieklessen gereserveerd was.
Ong 20 kinderen stonden op ’t pleintje te wachten tot de leraar de voorgaande groep had uitgelaten. Hij deed dan de deur open, de leerlingen stormden naar buiten & wij mochten naar binnen.

We waren allemaal klein, in mijn herinnering. Ik geloof dat we in de 2e klas van de lagere school zaten, 8 jaar oud dus. ’t Kan ook de 3e zijn geweest, & wij een jaar ouder. De stoeltjes waren klein, de tafeltjes, de wc’s. Alles was klein, behalve meneer van Oefelen.

Meneer van Oefelen straalde uit wat z’n naam leek te zeggen. Of ik heb vanaf dat moment die associatie bij de ‘oef’-klank gekregen. Hij slofte. Op z’n sloffen. Daar had-ie geitewollen sokken ingestoken. Hij slofte óf omdat z’n voeten de sloffen niet in bedwang konden houden, óf omdat z’n lichaam niet anders kon. Hij had een buik die af & toe tussen de knopen van z’n blouse te zien was. Zweetvlekken onder z’n oksels, rommelige kleding. & Een slepende lijzige stem. Net als z’n manier van lopen. Hij leek tijdens de les in slaap te zullen gaan vallen. Misschien kwam dat door z’n eigen lijzige stem. Daar hadden wij nl ook last van.

Hij legde aan een meisje uit dat ze haar ene oor moest dichthouden terwijl ze zong. Dan zou ze minder vals gaan zingen. Want haar eigen stem vervormde ’t geluid voor haar. Waarna we ’t lied weer van voren af aan probeerden. ’t Meisje hield verbaasd & licht verontwaardigd haar rechter-oor dicht. Maar ze zong niet meer oorverdovend vals.

We zongen veel. Vooral aan ’t einde van de les. Dat vond meneer van Oeffelen een mooie afsluiting. Maar ik als jongen zong zo min mogelijk mee. In de kerk vond ik ’t ook maar niks dat ik mee moest zingen. Bij meneer van Oefelen al helemaal niks. Tussen al die meisjes die ik niet eens van school kende. Er was in de hele muziekklas maar 1 meisje die net als ik op de Alphons Ariënsschool zat. Daar wilde ik niet voor zingen. Zeker ook niet voor die andere rare meisjes van de muziekklas. Dat meisje met haar ene oor dicht had een vriendin. Die praatte veel meer. Ook niet leuk. Later ben ik er achter gekomen dat dat soort vrouwen kenaus zijn. Veel later, was dat.

Meneer van Oefelen had geen zin in muziekles. Ik ook niet. Maar ik dacht dat hij dat wel van mij zou begrijpen. Ik dacht dat aan z’n slepende tred te kunnen aflezen. & Toch legde hij ons elke keer meer over muzieknoten & -balken uit. Daarnaast gaf hij ons ook nog huiswerk mee. Als we niks aan de theorie zouden doen, vertelde hij, zou ’t ook nooit wat worden als we een muziekinstrument wilden gaan bespelen. Terwijl hij dat zei, tekende hij nog wat noten op ’t bord. Hij kon erg goed 5 horizontale lijntjes trekken & daartussenin wat noten. Allemaal met stokjes eraan. Want de ½e & dubbele noten kregen we pas in de volgende klassen van de muziekschool. Hij kon alleen niet zo goed geanimeerd over die stokjes op lijntjes vertellen. Daar leek-ie niet meer de puf voor te hebben.

Ik vond ’t heel logisch, jaren later, dat in een reclame op tv meneer van Puffelen ontslagen werd (‘Meneer van Puffelen; u bent ontslagen!’ deden we na op ’t schoolplein). Dat kon niet anders met zo’n naam.
Ik stond er ook niet van te kijken dat meneer van Oefelen ’t jaar daarna geen les meer aan ons gaf. Hij was ziek, werd door z’n vervangster verteld. Niet lang daarna is de man overleden. Hij had vast geen zin meer.

Men beheerst ’t in Zijperspace wat minder goed.

onderdelenwinkel

Ik was al eerder in ’t winkeltje geweest. Een wasmachine-handelaar had me ernaar doorverwezen. Ik was op zoek naar een haakje van een Zanussi DL200-wasmachine-deursluiting. Anders kon ik ’t apparaat wel weggooien. Onbegrijpelijk vond ik ’t eigenlijk, dat zo’n grote machine afhankelijk was van zo’n klein onderdeeltje. & Elke wasmachine-fabrikant gebruikte weer z’n eigen variatie op dat onderdeeltje, bij elke nieuwe versie een nieuwe uitvoering.
Ik liet ’t afgebroken kunststof haakje zien. De man herkende meteen dat ’t om een Zanussi ging. Oh, die had-ie nog wel. & Na een minuutje de bakken in de rekken langs de muur afgespeurd te hebben, trok-ie er 1tje uit de stellage & toverde een kopie van mijn xemplaar tevoorschijn. Voor 10 gulden of daaromtrent kon ik ’t kleinood meenemen. M’n wasmachine zou weer enkele jaren mee kunnen.
Een onderdelenwinkel; ik had nog nooit van ’t fenomeen gehoord. Maar bij de 1e kennismaking was ik meteen onder de indruk.

De Astro 1600 M was eigenlijk geen merk, hadden ze me verteld in de zaak waar ik m’n stofzuiger 1½ jaar geleden had aangeschaft. ’t Viel onder een ander merk, maar die stofzuigerzakken verkochten ze niet meer. Ze hadden op dat moment vooral de grotere merken op voorraad. Geen ruimte om zo’n langzaam lopend artikel ook nog beschikbaar te houden. Ik zou ‘ns naar de Onderdelenwinkel moeten gaan.

Vele weken later dwingt de overvolle zak mij tot ’t bezoeken van de zaak. Voor mij zijn 1st 2 heren aan de beurt. De 1e is een volle tas met allerlei kleine goederen aan ’t afrekenen. De man is zichtbaar tevreden. De verkoper ook. Hij kan niet stoppen met dankuwel zeggen, op de meest voorkomende manier. De volgende laat een onderdeel van z’n scheerapparaat zien. Zelfde ritueel als met mijn wasmachine volgt, alleen is deze heer nog wat sneller de winkel uit. Met veel dankwoorden.

‘Ik heb stofzuigerzakken voor de Astro 1600 M nodig,’ zeg ik. Ik heb de gegevens in m’n hoofd gestampt. Ik mag niet met m’n mond vol tanden komen te staan.
‘Ah, ja. Dat is geen merk,’ zegt de man & slaat onmiddellijk een boek met tekeningetjes van stofzuigers er op na. ‘Ik heb er wel van gehoord, dus u hoeft zich niet ongerust te maken. Ik moet alleen ff weten waar ’t een ondermerk van is, zogezegd.’
Hij slaat er wel 4 boekwerken op na. De 1 heeft de dikte van een ½e bijbel, de ander is niet meer dan een uitgebreide folder.
Hij komt de Astro echter niet tegen.
‘Nee, ik kan niet vinden waar de Astro een onderdeel van is.’

Ik besluit stofzuigerleverancier nog ‘ns te raadplegen. Zij moeten me kunnen vertellen welk merk gelijk stond aan mijn Astro.
‘Astro? Hé Nick, wat was er ook alweer met die Astro?,’ roept de verkoper achter de balie naar z’n collega.
Nick duikt ook in de boeken. Om 3 minuten later tot de conclusie te komen dat ’t de 103 BOM 3 moet zijn.
‘Die staat daar,’ wijst-ie z’n collega aan.
‘Oh?’ zeg ik, ‘De vorige keer is mij verteld dat jullie ‘m niet meer zouden voeren.’
Ik reken € 6,35 af.

Ik had m’n zakken liever bij de man van de onderdelenwinkel aangeschaft, bedenk ik me op weg naar huis.
‘Ik zie u graag terug,’ zei hij toen ik onverrichterzake z’n winkel verliet. Dat heeft nog nooit een winkelier tegen me gezegd.
Terwijl ik m’n stofzuiger van z’n nieuwe zakken voorzie, denk ik ’tzelfde. & Stiekem hoop ik dat er weer een pietepeuterig onderdeeltje van een oud apparaat ’t zal begeven. Ik stel me al voor hoe de man m’n volgende puzzel met goed gevolg zal oplossen.

Zou de man weten hoe ’t kleinste onderdeeltje van Zijperspace heet?

wadlopen

‘Ik hoef niet meer te zeilen,’ vertelde ik m’n moeder. Onderweg van Den Helder naar ’t Zand zagen we een boot met gestreken zeilen door ’t Noord-Hollands Kanaal varen. ‘Vorig jaar zijn we, ong rond deze tijd, met een personeelsuitje met een boot wezen zeilen.’
M’n moeder wist ’t zich nog te herinneren: ‘Dat was toch niets voor jou?’
‘Nee. ’t Enige wat ik uiteindelijk leuk vond, was toen we onszelf drooglegden op ’t wad. We vaarden met een platbodem, dus we wachtten op een hoog punt van ’t wad gewoon tot ’t water daalde. Rond 10 uur ’s avonds konden we van de boot af & over ’t wad lopen.’
Ik overdreef enigszins; ik had wel meer leuk gevonden. Maar de harde wind op de 2e dag had voor mij de lol in ’t zeilen bedorven. Ik voelde elke golf zichzelf vermenigvuldigen in m’n maag. Terwijl de anderen de schipper smeekten om nog een stukje verder te zeilen, wilde ik zo snel mogelijk aan wal.
Ik was meer van ’t land onder m’n voeten voelen. Die nacht was ik degene die ’t langst over ’t wad aan ’t zwalken was. ’t Liefst had ik een nachtelijke wandeling gemaakt, maar ik was niet dapper genoeg om in m’n 1tje te gaan. Ik wilde de tochten die ik nooit gemaakt had, die nacht nog inhalen, maar wist dat je dat niet zonder gids moet ondernemen.

‘Ben jij ook niet wezen wadlopen met Pa?’
Pa zat achterin de auto. Net als Opa & Oma vroeger achterin de auto zaten. M’n moeder heeft graag iemand naast zich die ondertussen met haar meekijkt. ’t Heeft niet zoveel zin als m’n vader daar gaat zitten. & Ik zit nou 1maal liever voor.
Ik weet niet of ’t tot ‘m doordrong dat we ’t over wadlopen hadden. Z’n reakties zijn niet zo snel tegenwoordig. Als je al lang & breed op een ander onderwerp bent overgeschakeld, blijkt hij nog op een opmerking te zinnen. Dat pruttelt er dan langzaam & bijna binnensmonds uit. ’t Betekent vaak dat je nog ff terug moet schakelen naar een vorig onderwerp.

Ik zag foto’s voor me. Lange rijen mensen die hun rugzakjes boven ’t hoofd houden om tot boven hun middel door ’t water voort te bewegen. Schoenen die onder de blubber zitten, grijs geworden doordat ’t opgedroogd is. Zuigende voetstappen in ’t wad. M’n vader in korte broek geflankeerd door 1 van m’n broers in een desolaat landschap waar geen boom groeit, slechts einder bestaat. M’n broer die z’n kleren na afloop probeert te verschonen. Een ondergaande, dan wel opkomende zon, lichtelijk weerspiegeld door ’t laagstaande water, met wandelende mensen op de voorgrond.

‘Nee, ik was eindelijk oud genoeg & toen had Pa geen zin meer.’
Wroeging weerklinkt door m’n stem. Ik probeer ’t in ieder geval xtra nadruk te geven.
‘Theo is geloof ik wel vaker meegegaan. & Carel mocht ’t laatste jaar mee. Ik wilde altijd al ook een keer, maar toen wilde Pa niet meer.’
Ik keek ff achterom. Zat er een reaktie aan te komen? Kon ik m’n ouwe heer nog ff sarren met trauma’s van weleer? Maar m’n vader keek vooruit, naar waar we heengingen.
‘Ik dacht dat jij ook was wezen wadlopen,’ zei m’n moeder.
‘Nee. Net als een muziekinstrument bespelen. Iedereen mocht orgel spelen in ’t 2e jaar van muziekles. Maar toen ik zover was, werd ’t orgel verkocht.’
Zo, als ze nu geen spijt van hun manier van opvoeden hebben, dacht ik. Ik keek lachend naar m’n moeder. Ze lachte terug. Schuins keek ik naar m’n vader.
‘Rijden we niet verkeerd?’ vroeg-ie aan m’n moeder.
‘Nee, we passen toch al 2 weken op ’t huis van Jan.’

De echte wroeging bestaat allang niet meer in Zijperspace.

lol

Ik begon lol te krijgen in ’t boek waar ik al een week mee bezig was. Ik hou niet van dikke boeken, zeker niet als er geen of weinig fasering in zit. Ik heb een grote behoefte aan ’t kunnen streven naar de volgende episode. Een volgend hoofdstuk moet niet te ver weg liggen. Maar ik begon lol te krijgen in m’n boek, ondanks de droeve tendens, zo tegen ’t eind aan. Ik had ’t ritme te pakken, de sfeer, de toon. Bladzijden schoten voorbij, als de km-bordjes op de snelweg.

Ik begon lol te krijgen in m’n huis zonder geluid. Zo af & toe de buurvrouw luidruchtig plassend de zwijgzaamheid der dingen horen verstoren. In de stilte van m’n discman die ik wreed tot slapen had gedwongen door verkeerde plugjes in verkeerde gaatjes te willen drukken. In ’t ruisen van de wind door m’n tuin, die soms veroorzaakt leek door ’t voorbijsnellen van een trein aan de achterzijde van m’n huis. In ’t ronken van m’n comp, m’n venster op de rest, alles wat buiten m’n eigen wereld van tastbaar bestaat.

Ik begon lol te krijgen in ’t onbereikbare van een vrouw. ’t Onbekommerd beweren dat m’n moeder de enige was die m’n afzichtelijkheid kon uithouden. Luid glimlachend ter flirt. Zodat de dame wel moest beweren dat zij m’n moeders kant koos. Zij & m’n moeder tegen de rest, zo flirte ik.

Ik zag er niet meer zo tegen op, tegen de vakantie die iedereen zo nodig schijnt te hebben. Waarschijnlijk ik ook, bedacht ik me. Ik wilde die gezichten ff niet meer zien. Ik wilde afscheid nemen, al was ’t maar voor kort, van de gezichten die mij dwingen tot werk, niet overeenkomend met m’n vrijheidsgevoel. Hoewel dat ontheemde, dat niet thuis zijn, dat gevoel dat alles veranderd zogauw je een km verder bent, me verontrustte. & Me bijna dwong ervanaf te zien.

Ik begon lol te krijgen in ’t creëren van een verkeerd beeld, die overeenkomsten vertoonde met de werkelijkheid. Lange stukken, die verhaalden over de kleinste emoties. Ik nam langzaam afstand van ’t grootse, meeslepende. & Dacht dat ik ’t maken kon. Ik ben niet zo, ik ben maar klein, ik heb alleen maar aandacht voor ’tgeen de ander niet ziet. Ik zag mezelf verblind worden door een illussie. Ik zag dat ik er lol in had.

Ik weet niet waar ’t ophoudt. Ik mag niet te ver gaan van mezelf. Er zit een automatische snelheidsbeperking op m’n gevoelsleven. De overschrijding daarvan heb ik vanochtend nog maar net overleefd, toen ik door de geluidsbarrière ging.

& Ik dacht dat Zijperspace achter die geluidsbarrière lag.

terug

Opeens ligt de rekening in m’n brievenbus. Met de rapportage van ’t xpertiseburo. & Bijhorende kosten.

Voor € 810,69 heb ik me laten afsnijden, bedreigen, bedonderd gevoeld & was m’n fiets beschadigd. Voor dat bedrag ben ik ’t slachtoffer geworden van een valse weergave van feiten & daarmee samengaande valse getuigenissen. Een koopje. Zeker vanwege ’t feit dat een amsterdamse taxi-chauffeur ’t zover heeft weten te krijgen dat ik weer angst voel. Krijg ik er gratis bij.

Want echte angst. Ik durfde niet meer. Ik durfde niet meer te lezen, niet meer te werken. Ik durfde slechts m’n ogen op staren te zetten & m’n lichaam op ijsberen. Durfde de straat niet op voor 10 minuten. Ik werd bang van m’n eigen gedachten; ze zouden opnieuw in de knoop raken. Een onthutsend onontknoopbare knoop.

Ik besefte me hoe 15 jaar krabbelen, door een ogenschijnlijk kleine gebeurtenis plotseling teniet gedaan kan worden. Ik besefte dat de grens tussen geestelijk gezond & wrak niet zo dik is als tot nu toe gedacht. M’n pantser is een vliesje.

Ik zal dat vliesje goed moeten onderhouden.

’t Is ’t dikste pantser voor Zijperspace.

windorgel

Ik werd wakker rond ’t tijdstip dat ik de helft van m’n leven geleden naar bed ging. Toendertijd ong rond dezelfde tijd van ’t jaar. Daar moest ik aan denken toen ik bij ontwaken buiten een bepaald gefluit hoorde. Laag, hoog, sonoor, welluidend, ver weg, golvend dichterbij. Balancerend op de wind werd ’t naar me toe gebracht. Dat kon ’t geluid van ’t windorgel zijn. ’t Windorgel dat 1 zomer lang op de dijk van Den Helder stond.

’t Windorgel bestond uit een 20-tal staande pijpen van hout, staande in 2 kringen op een soortemet vlonder. Waarbij elke pijp op een andere plek, andere hoogte ook, gaten had om de wind in op te vangen. & ’t Te laten circuleren in z’n lichaam, zodat er geluid ontstond. Verschillende diktes, verschillende openingen veroorzaakten verschillende geluiden. Elke pijp stond anders gericht, alle winden moesten de mogelijkheid hebben opgevangen te worden. Zodat elke wind z’n eigen combinatie van geluiden produceerde.

Een ideale plek om aangeschoten aan ’t eind van de helderse uitgaansnacht te hangen, te blowen, de zonsopgang af te wachten. De zon die elke keer op de verkeerde plek opkwam; we wilden ‘m boven de zee.

’t Weer was goed die zomer. Aangenaam om met slechts een dun jasje de nacht op een winderige dijk door te brengen. ’t Waait altijd in Den Helder, ’t waait altijd nog wat harder op de dijk. & We bevonden ons op de plek waar die wind hoorbaar werd gemaakt.

De stad ging om 4 uur dicht. Wij bevonden ons rond ½ 5 bij ’t windorgel. Dick had jenever; Inge, Suus & ik hadden stuff. Dick had ook wel stuff, maar 1st moest de fles jenever op. Omstebeurt een dopje. Terwijl ondertussen gebouwd werd aan een lange joint. We moesten er zolang mogelijk over doen. We moesten weten dat ’t licht geworden was.
De tijd vloog voorbij, wij vlogen op de wind. ’t Geluid van de wind.

Soms waren er ook anderen bij. Vooral in ’t weekend, als mensen terug waren gekomen van vakantie. Dan was iedereen verliefd. & Zaten we met 20 man op & rond ’t windorgel. Ook de zomer vloog voorbij. Nog maar enkele weken & ’t windorgel zou weggehaald worden, beseften we dan.

& Aan de nacht kwam ook een eind. Als de zonsopgang achter ons zichtbaar werd, drong dat tot ons door. De stad werd in ’t licht gezet & begon te leven. De zee was nog steed ’tzelfde, zo ook de wind, maar we wisten dat ’t gewone leven z’n aanvang nam. We moesten later op de dag aan de nieuwe dag beginnen. Suus, Inge & ik fietsten naar m’n huis, waar we met z’n 3-en op dezelfde kamer sliepen. In afwachting van de volgende nacht. Met ’t raam open hoorden we de wind ons in slaap sussen.

Vanochtend werd de wind plots weer verstaan in Zijperspace.

mosselseizoen

‘Misschien ben ik kippig,’ zei opeens de man. Ik had ‘m al eens eerder gezien, dat zag ik meteen, maar ik wist niet waar ik ‘m dan van moest kennen.
‘Misschien ben ik kippig,’ zei de man opnieuw, toen-ie zag dat-ie aan de beurt was iets te zeggen, ‘maar ik zie boven geen mosselbier staan.’
Z’n arm maakte een wijzende beweging naar waar ’t mosselbier zich zou moeten bevinden. Een globale wijzende beweging was ’t.
‘U bedoelt Yersekes Mosselbier,’ reageerde ik. Niemand kan mij verslaan in m’n bierkennis, zogauw ik op m’n plek sta. Mosselbier is niet zomaar mosselbier. Daar hoort wel een voorvoegsel bij.
‘Ja, ik zie helemaal geen mosselbier daar staan.’
Weer die armbeweging naar boven. Denkbeeldig ziet-ie ’t blijkbaar nog steeds daar staan.

‘We hebben ’t al een tijdje niet ontvangen, ’t Yersekes Mosselbier. De groothandel is er blijkbaar mee gestopt.’
‘U had ’t altijd staan, dat mosselbier,’ armbeweging wederom naar boven, ‘ik haalde ’t altijd hiervandaan. U heeft ’t niet meer?’
‘Nee, onze groothandel vindt ’t blijkbaar niet interessant meer. Ik zou ’t graag in huis hebben.’
‘U heeft er niks meer van staan?’
‘Nee, ik zou wel willen. Maar ik kan ’t helaas niet meer krijgen.’
‘Hoe kan dat nou? Jullie hadden vorig jaar toch ook mosselbier? ’t Stond altijd daar aan de linkerkant.’
Armbeweging naar de denkbeeldige plek.
‘Ja, maar ik denk dat de groothandel die ons onze spullen levert ’t niet meer voert in z’n assortiment.’
‘Maar de supermarkt heeft ’t volgens mij wel.’
‘Nou, de supermarkt heeft een andere groothandel dan wij. Dus ik weet niet waar zij ’t Yersekes Mosselbier vandaan hebben.’
‘Ik heb ’t daar wel ‘ns gehaald. Maar ik haalde ’t liever hier. Want dan wist ik tenminste zeker dat ik ’t had. Jullie hebben ’t altijd daar staan.’
Weer een armbeweging in de richting van de vroegere plek van ’t bewuste bier.
‘Ja, dat weet ik, bij ’t belgische bier. Maar ik heb ’t al een hele tijd niet meer gehad. ’t Staat er niet meer.’
‘Jullie krijgen nog wel mosselbier?’
‘Ik zou graag willen, maar onze groothandel levert ’t niet uit.’
‘Ja, want ’t stond altijd daar,’ zei de man weer wijzend. ‘Daar kon ik ’t altijd vinden. Krijgen jullie ’t nog?’
‘Ik heb er niks over gehoord de laatste tijd.’
‘Ik haalde ’t altijd van dezelfde plank. Tenzij ik geen tijd had om langs te komen. Dan haalde ik ’t bij de supermarkt. Zou de supermarkt ’t hebben?’
‘Ik zou niet weten. Ik koop nooit bier in de supermarkt, want ik haal m’n bier hier vandaan.’
‘Nou, de supermarkt had ’t wel degelijk. Ik heb vaak genoeg mosselbier uit de supermarkt gehaald. Maar liever haalde ik ’t daar vandaan,’ hij wees weer naar de kast. ‘Zouden jullie ’t nog krijgen?’
‘Dat durf ik niet te zeggen. Ik hoop ’t wel.’
‘U weet toch wel welk bier ik bedoel?’ zei de man, armbeweging weer gene zijde aanwijzend.
‘Ja, Yersekes Mosselbier. ’t Stond inderdaad altijd daar aan de linkerkant. ’t Had een blauw etiket.’
‘Precies,’ reageerde de man enthousiast, ‘dat bier bedoel ik. Heeft u dat bier misschien?’
‘Nee, dat bier heb ik al een tijd niet binnengehad.’
‘Zal ik anders aan de overkant, bij de supermarkt gaan kijken naar mosselbier?’
‘Zouden die ’t wel verkopen?’
Ik raakte zelf ook in de juiste stemming voor dit gesprek.
‘Ja, ik heb ’t vroeger vaak genoeg gekocht in de supermarkt. Maar jullie verkochten ’t ook. Dat vond ik prettiger. Jullie hadden altijd een bepaald soort mosselbier op voorraad.’
‘Er bestaat maar 1 mosselbier & dat is Yersekes Mosselbier.’
’t Was ff stil.
‘Weet je wat. Ik ga ff aan de overkant bij de supermarkt kijken of ze ’t mosselbier hebben.’

‘Nee hoor,’ zei de man een kwartier later. ‘Ze verkopen geen mosselbier meer, zeiden ze. Ik kocht ’t ook altijd bij jullie. Jullie hadden ’t altijd daar staan, aan de linkerkant. ’t Was een bepaald soort mosselbier.’
‘Ja, Yersekes mosselbier,’ durfde ik nog 1 keer te verbeteren.
‘Weet je,’ zei de man, ‘ik kocht ’t altijd om m’n mosselen in te koken. Aan ’t begin van ’t mosselseizoen. Zoals nu. Dan haalde ik een flesje bij jullie vandaan.’
Hij wees. Ik wist inmiddels waarnaar.

We kunnen geen mosselbier meer zien, dit jaar in Zijperspace.

strijd

In mijn nimmer aflatende strijd tegen de natuur & alle elementen daarin die mij willen belagen, heb ik vannacht een linke stap genomen. De natuur, vertegenwoordigd in de persoon van een mug, had mijn ‘move’ te laat door.

’t Is een strijd van hart tegen hart. Rücksichtslos verwijder ik prikkende doornen & brandnetels, sla enge beestjes tot moes, of elimineer ze dmv verdrinking dan wel bestrooiing (’t inzouten van slakken moet u niet verwarren met ’t plezieren dmv verstrooiing). De natuur slaat terug door m’n lichaam te voorzien van bubbeltjes & begeleidend jeuken, me angst in te boezemen voor onverwachte verschrikking in huis (gister probeerde een pad m’n huis te betreden; m’n onverschrokken reaktie met bezem wist dit te voorkomen), & nachtmerries waarin beesten & planten mij beurtelings naar ’t leven staan.
De natuur deinst nergens voor terug. Maar ik zal me niet laten kennen.

De truuk die ik doorgaans toepas bij nachtelijke onrust veroorzaakt door ’t geluid van de speurzin van de mug, is m’n hoofd & lichaam diep wegstoppen onder een hoeslaken. Slechts m’n neus & mond dient er onderuit te steken. Ademhaling is nu 1maal noodzakelijk, wil ik mezelf niet ongemerkt gedwongen zien de strijd met m’n tegenstander te staken. & De mug schijnt mijn neus & mond niet als aantrekkelijk objekt voor bloedafname te beschouwen.
Door de niet-aflatende ‘zzzzzooooeemmm’ van de mug kon ik echter niet in de slapende toestand weerkeren. Ik lag wakker. ’t Enige wapen dat ik tegen de mug kon inzetten was m’n boek. Maar die was maar liefst 487 blz dik (ik heb deze opmerking vanochtend bij ontwaken nog maar ff op korrektheid gekontroleerd). Een kompakt dik boek dus, dat niet veel zin had in zwiepen, o zo noodzakelijk bij ’t snel & meedogenloos pletten van een mug tegen de muur. Desnoods tegen ’t plafond. Dat laatste hoort door de hoogslaper tegenwoordig ook tot de mogelijkheden. Maar goed, na 2 hopeloze pogingen kwam ik tot de konklusie dat mijn wapen geen effekt had in m’n nimmer aflatende strijd met de natuur. Zeker deze ronde niet.

Ik pakte m’n vakantie-selffloating-matje uit z’n verpakking, liet ‘m selffloaten, haalde m’n dekbed van de hoogslaper, nam van de laatste afscheid (‘Sorry, na 3 maanden nachtelijkse trouwe dienst, zie ik mij gedwongen, ik hoop dat je beseft dat ’t maar voor een kortwijl is, je de komende nacht, zonder mijn genoeglijk gewicht & heerlijke lichaamsgeur, alleen te laten doorbrengen’), & installeerde me in de woonkamer. Na de slaapkamer door gordijnen hermetisch afgesloten te hebben.

Daar had de mug niet van terug. Totaal geïsoleerd heeft-ie ’t zonder maaltijd moeten stellen. Ik geloof dat dat z’n dood & een tekort aan nageslacht heeft betekend.

De natuur is aan zet in Zijperspace.