haat

Ik wilde dat-ie zich eindelijk ‘ns normaal tegenover me zou gaan gedragen. Ik wilde dat-ie niet z’n vriendin een trap gaf, als zij de lege glazen me aan wilde reiken. Maar hij begon bij de 1e zin er alweer doorheen te blaten.

Bij elke zin die ik hierover zeg, besef ik me dat er al een kleuring in ’t verhaal optreedt. ’t Is mijn versie van ’t gebeuren. Elke keer probeer ik me 1st voor te stellen hoe ’t er uit kan zien vanaf de andere kant, & poog ik die mee te laten tellen in mijn beschrijving van ’t konflikt, maar als ik me realiseer hoe gekleurd zijn visie op mij al jarenlang is, ontgaat mij alle begrip.

Ik heb te maken met een man die me al jarenlang afwisselend probeert te denigreren, te kwetsen, te negeren, zwart te maken. Veel variatie zit daar dus niet in.
Als-ie fooi geeft aan 1 van m’n collega’s voegt-ie er aan toe: ‘Niet voor Ton hoor.’ Op zo’n manier dat ik ’t kan horen. Als ik vraag of er glazen aangereikt kunnen worden negeert-ie me volkomen (of geeft-ie z’n vriendin een trap). Als ik voorbij loop terwijl-ie met z’n vrienden zit te praten, hoor ik ‘m kankeren op mij. Al 5 jaar duurt dat gekanker. Misschien nog wel langer.

Ik heb m’n xcuses aangeboden aan een dame die vanmiddag deel uitmaakte van z’n groep, wel vaker in z’n gezelschap zit, nadat ik ‘m had gezegd dat-ie beter kon vertrekken. Als-ie ’t inderdaad niet voor elkaar kreeg fatsoenlijk naar me te luisteren, mij voortaan fatsoenlijk te behandelen, zoals ik hem ook behandelde, dan kon-ie beter gaan & kreeg-ie geen bier meer van mij, noch van m’n collega’s. Ik bood haar m’n xcuses aan, omdat ik zag dat ze zich gevangen voelde tussen 2 kampen.
”t Geeft helemaal niet hoor, voor de rest. Je blijft toch m’n favoriete barman.’
Waarom heeft hij dan zo’n hekel aan me, vraag ik me op dat moment des te sterker af.

Daar bovenop moet ik me tegenover m’n collega’s verantwoorden. Ze hebben nog nooit met hem een konflikt gehad, zeggen ze. Ze zien alleen maar dat hij op een dergelijke manier op mij reageert. Dat moet een oorzaak hebben, denken ze.
Dat denk ik ook. Alleen vind ik niet dat die oorzaak de hele tijd bij mij gezocht moet worden, probeer ik ze duidelijk te maken. Ik heb m’n gebreken, ik ken ze ook voor een groot deel, maar ik hoef me toch niet eeuwig & altijd te laten kwetsen door een persoon die toevallig een hekel aan me heeft? & Toevallig niet aan m’n collega’s. Als ik een hekel aan een klant heb, laat ik dat toch zeker ook niet bij elke handeling merken?

Ik zink. Ik zink diep in een wantrouwen tegenover m’n persoon. Ik heb m’n gebruiksaanwijzing, ik heb m’n tekortkomingen. Maar doordat iemand de nadruk legt op 1 van die tekortkomingen, waarschijnlijk omdat die 5 jaar geleden bij hem op 1 of andere manier tentoon werden gespreid, moet ik lijden.
Ik moet praten als Brugman om te duiden wat er verkeerd is in de man z’n benadering van mij. Hoe totaal anders z’n gezelschap op mij reageert. Ik moet alle voorbeelden uit de kast halen om nog enigszins m’n gelijk te kunnen halen.
Maar ik zie aan de schokschouderende bewegingen van m’n collega’s, hoor aan de laatste snerende opmerkingen, dat ik beter zal moeten bewijzen dat ik gelijk heb dan hij. Hij heeft bij voorbaat gelijk; mij kennen ze ondertussen.

& Terwijl ik Brugman speel, voel ik dat elke zin waarmee ik de man z’n gedrag, z’n handelingen probeer te illustreren, evengoed gekleurd wordt door een verwondering over zoveel haat tegenover mijn persoon.

& Voelt Zijperspace aan als een mens-onvriendelijk universum.

lijflog 8

Vroeger gebruikten we zeep. ’t Was een kwestie van ’s ochtends vroeg goed je handen insoppen & ’t resultaat ervan door je haren smeren. Sommigen onder ons droogden ’t vervolgens met een föhn, maar daar wilde ik niet aan beginnen. Met een beetje geduld droogde ’t vanzelf wel tot harde stekelige puntjes.
Voordeel was dat de kussensloop redelijk lekker rook (als m’n moeder tenminste de juiste zeep had ingekocht).
Een nadeel kon ’t zijn als ik tijdens een bui naar buiten moest. Dan kwam ’t zeep in prikkelende stralen over m’n voorhoofd m’n ogen lastig vallen.

Daarvóór gebruikten we ook nog een tijdje brillcream. Dat was vooral vet & glad. Je kon je handen niet door je haren bewegen, want daarna was alles wat je aanraakte vet. Daar zijn we redelijk snel mee gestopt. Alleen Carel bleef ’t nog iets te lang gebruiken. Gelukkig is-ie op een gegeven moment ook overgestapt. ’t Zou anders een schande voor de familie zijn geweest.

M’n oudste broer gebruikte op een gegeven moment Murrays. Dat was een behoorlijk stug plakkerige substantie in een oranje potje. Met moeite kreeg je de restanten na insmeren weer van je vingers af. Ik vroeg me altijd af hoe kappers dat deden, hoe gingen zij door met de volgende klant knippen als ze net een nieuw kapsel van Murrays hadden voorzien?

Ik ben op een gegeven moment overgestapt op Murrays soft of Murrays light formula (de juiste benaming weet ik inmiddels niet meer). Die moest je ver voordat je ’t huis verliet in je haren gesmeerd hebben, anders viel je voorbijgangers lastig met een sterke kokosgeur. Er waren grote hoeveelheden jojoba aan dit goedje toegevoegd. Dat rook je al als je je neus boven de gele inhoud van ’t gele potje met paarse deksel hing.

Maar ze stopten met de import van dat produkt, zo vertelden ze me in de van Woustraat. Er was de laatste tijd gewoon niet meer genoeg vraag naar, wist de verkoopster me te vertellen. Maar misschien moest ik ’t volgende alternatief ‘ns proberen?
Vanaf toen gebruikte ik ’t alternatief, maar vergat ik steeds de naam van ’t produkt. Elke keer als ik de winkel betrad, vroeg ik naar Murrays soft, waarna ze me weer moesten uitleggen dat dat niet meer geïmporteerd werd. Door wijzen naar ’t licht oranje potje kreeg ik uiteindelijk toch altijd waarvoor ik was gekomen.

Na zovele malen die vergissing gemaakt te hebben zou je toch zeggen dat ik op een gegeven moment toch beter moest weten. Maar 1 maand geleden stond ik weer met m’n mond vol tanden.
‘Nee, meneer. Murrays soft verkopen we al een aantal jaren niet meer. Er was op een gegeven moment gewoon te weinig vraag naar.’
Ik bedacht ditmaal niet dat ik maar ff naar ’t potje moest wijzen dat de oranje kleur van mijn merk ’t meest benaderde. Ik liet me onmiddellijk ’t volgende produkt aanprijzen. Ze hield ’t me nl al voor.

Ik heb een keer eerder op zo’n wijze een haarprodukt gepresenteerd gezien. Ik weet dus hoe ik in dat soort situaties moet reageren. Met de handen op de rug. Zodat je niet de neiging hebt om je vingers in de pot te stoppen. Want dat mag niet, weet ik nav die eerdere poging.
‘Nee, meneer. U kan niet zomaar ’t produkt uitproberen. Dan kan ik ’t niet meer verkopen. Stelt u zich ‘ns voor dat alle klanten zouden doen. Wat voor enge ziektes men dan allemaal zou krijgen.’
Sindsdien stel ik me dat voor. & Dus kon ik heel braaf analyserend ’t spulletje in ’t potje bekijken. Ik moest aldus oordelen of ’t soepel genoeg was voor ’t smeren op de handen & stug genoeg voor ’t juiste resultaat in m’n kapsel. Voor de beoordeling van de geur mocht ik m’n neus wat dichterbij brengen.

Ik gebruik aldus sinds kort Murrays Wavine. Gestoken in een perzikkleurig potje, bedekt met paarse letters.

Daarom ruikt ’t in Zijperspace tegenwoordig ’s ochtends een kwartier lang naar ingesmeerde baby-billetjes.

spinnenweb

& Dan nog ff over die tuin.

Geleidelijk aan is m’n tuin behoorlijk verwilderd. Teruggekomen van m’n vakantie kostte ’t me moeite door de wildernis de achterkant ervan te bereiken. Ik heb me toen tot ’t linkerpad moeten beperken; een pad van 1 tegel breed. ’t Pad aan de rechterkant was een ondoordringbare jungle van winde, passiebloem & wat uitgeschoten guldenroede, knopig helmkruid, bowles munt & andersoortig goed, dat door de voornoemde slingeraars bijeen gebonden werd.

Links hou ik vrij. Dan kan ik m’n was tenminste kwijt in de zon, zodat ’t snel droogt in deze tijd van ’t jaar. Ik knip de snel uitstekende vlinderstruik regelmatig, zodat m’n pad redelijk begaanbaar blijft. Doe ik momenteel met veel plezier, want zittend in de Londonse underground (’t bovengrondse gedeelte) heb ik genoeg van z’n paarse bloemen gezien. Als je iets als onkruid welig ziet tieren, bederft ’t ’t uitzicht ook als je ’t in andere omstandigheden ziet.
Nadeel alleen is dat de spinnen zich in grote getale manifesteren. Op mijn tocht richting achterkant tuin (wat moet ik daar eigenlijk, vraag ik me wel ‘ns af; slechts om ff te kijken hoe de vlierbloesem ’t doet, of dat rare goedje van m’n achterburen verder groeit, waar die rare uitstekende staken vandaan komen, om die hardnekkige prikkende staken van m’n andere achterburen weg te knippen; daar onderneem ik een reis van 8 meter voor) raak ik geheel bedekt met jeukende plakkende lijntjes, draden, met 8-potige beestjes er aan hangend, die over m’n huid kriebelen & nachtmerries bezorgen.

Ik heb besloten dat de spinnen mogen blijven. Ik verwijder voortaan alleen maar een web wanneer die zich op mijn pad bevindt.

Vanochtend kwamen de schilders bij hun fanatieke ruiming van m’n achterdeur een andere spin tegen; zo 1tje die geen web maakt; grote wijde poten, harig & spits. Ik had er al ‘ns eerder een xemplaar van in m’n huis. Toen die door mijn jacht op hem van boven ’t plafond viel op de vloer, hoorde ik een harde ‘Kwak’. Zoals alleen maar zulke spinnen ‘Kwak’ kunnen zeggen, was meteen mijn associatie bij dat geluid.
De schilders manoeuvreerden deze spin met hun schoenen naar ’t rooster van m’n kruipruimte. Ik weet nog steeds niet of ik dat een geruststellende gedachte vind.

Die spinnen met webben mogen dus blijven. Onder een enkele conditie: Ze moeten van m’n waslijn afblijven. Ik wil niet dat m’n was onder de webdraden komt. Laat staan dat ik ’t risico wil lopen dat als ik een gedroogd t-shirt spontaan aantrek kriebelende pootjes zenuwachtig over m’n rug voel lopen.

Dus ben ik een ontmoedigingscampagne begonnen. Daarbij vernietig ik steeds weer ’t web van dezelfde spin. Dan moet-ie ’t maar afleren. Mijn waslijn is mijn waslijn. Lijkt niet op een ragfijn spindraadje. Moet-ie dus vanaf blijven.
Na mijn vernietigingsaktie, mijn kleinschalige kraakpand-ontruiming, vlucht de spin haastig via z’n verticaal uitgezette lijntjes naar boven. Wachtend op ’t moment dat ik vertrokken ben naar m’n werk. Om wederom een bolwerk op te zetten.

Vanochtend had-ie wijselijk restantjes brunel als steunpunt gekozen, een meter verder de tuin in, ipv mijn waslijn. Ik liet ‘m daarom hangen.
De schilders hebben m’n genereusiteit ’t web ditmaal te sparen vanochtend geheel teniet gedaan.

Waarna de spin aan z’n 10e verhuizing begon binnen Zijperspace.

schilders

& Dan nog ff over die schilders.

Schilders weten toch wel wat tuinen zijn? Ze zullen toch wel op de hoogte zijn dat er met veel moeite in een tuin plantjes zijn gezet, vertroeteld vaak (ok, ik ben niet van ’t vertroetelen, ik ben meer van laat de natuur maar z’n ding doen; als ’t me niet zint, dan trek ik ’t wel weer weg), aangemoedigd, gesaneerd (daar krijg je mijn aanpak)? Zodat ’t geheel van de tuin een uitstraling krijgt zoals je denkt dat-ie klopt, mooi is, natuurlijk, misschien wel evenwichtig, overeenkomt met ’t karakter van de bezitter van de tuin. Zodat ’t je eigen ding is, een uitbreiding van je eigen huisgevoel.

Vooral als schilders een amsterdams accent hebben, ga ik er van uit dat ze een tuin hebben. Want alle amsterdamse accenten zijn inmiddels verhuisd naar Almere, waar volgens mij iedereen een 1-gezinswoning heeft, al dan niet in een rijtje, maar zeker de beschikking heeft tot een tuin. Dan mag je vaak niet over ’t gras lopen met je schoenen aan, nadat ’t net geschoren is. Of je mag slechts door ’t raam de tuin inkijken, om de bloemenpracht van de viooltjes te bewonderen.

Ik heb ook al eerder loodgieters in m’n tuin gehad. Een hele massa. Die bouwden in no-time een stellage, omdat op 3-hoog een uitlaat gerepareerd moest worden. Vervolgens verlieten ze allemaal m’n woning (dus ook m’n tuin), met achterlating van 2 collega’s die ’t klusje moesten klaren, & een platgewalste 1½ m².
Ze hadden allemaal een amsterdams accent.
Volgens mij hebben x-amsterdammers er de pee in dat ze uit moesten wijken naar steden als Almere. Als wraak trappen ze bij elk huisbezoek op de begane grond de tuin plat. Op de 1e & hogere etages zullen ze wel wat anders doen.

Mijn schilders hadden alle spullen die bij m’n achterdeur verzameld stonden plompverloren in de tuin geplaatst. Midden tussen de majoraan stond de ene stoel, de groene munt werd beschaduwd door de 2e. De aardbeien die aan de buitenvensterbank van de keuken stonden, waren nu de brunel aan ’t pletten, enkele verfpotten deden dat met ’t kruipend tijm; stoffer & blik dienden nu blijkbaar om de resten van de blauwe onschuld bijeen te vegen.

‘Amsterdam voor de amsterdammers’ hoorde ik lang geleden een burgemeester zeggen, vlak nadat ik begonnen was met m’n studie.

& Mijn tuin voor niemand meer dan de bevolking van Zijperspace.

slaap

Ik hoorde ze voor m’n deur converseren.
‘Ik denk dat die meneer op vakantie is. Ik heb ‘m afgelopen dagen totaal niet gezien.’
Ze hadden ’t over mij. Terwijl ik de schilder die de voorgaande woorden uitsprak de dag ervoor me nog gedag gezegd heeft. De andere schilders kende ik stuk voor stuk van gezicht. Gewoon door ze op straat tegen te komen, op ’t moment dat ik m’n huis verliet.
De schilders waren aan ’t doornemen welke huizen ze nog moesten doen. & Dat om ¼ over 8. Voor míjn deur, degene die in dit blok over ’t algemeen ’t laatst opstaat.

Ik had al een spelletje verstoppertje achter de rug. Dat spelletje had bijna de hele nacht geduurd. De mug wist weliswaar waar ik me bevond, dat kon ze duidelijk gewaar worden, ze wist alleen niet waar ze een opening in m’n dekbed zou kunnen vinden. Ik wist zeker dat ’t een ‘zij’ was, want halstarrig bleef ze me belagen. Ik had me echter geheel in m’n dekbed gewikkeld; slechts bij m’n neus had ik ruimte gelaten om te kunnen ademen.
Toch liet ik me op gegeven moment verjagen naar de huiskamer. Gelegen op de bank kwam ik er achter dat ook daar zich een mug bevond. Ben toen maar weer teruggegaan naar de mug rond m’n bed. Rond 6 uur gaf die mug de moed op.

Nav ’t werkoverleg besloot ik er maar uit te stappen. Als ik ze had binnengelaten & ze in de achtertuin aan de gang waren, zou ik met de gordijnen dicht vast nog wel ff slaap kunnen vatten.
’t Volgende moment ging de bel & nog geen 5 minuten later had ik een draagbare radio op een commerciële zender met veel jingles in m’n tuin staan. De 2 luidruchtigste schildermannetjes, ik had ze al bij andere buren horen ‘werken’, zouden de boel wel ff bij me komen opknappen.

Ik heb ’t geprobeerd, maar met zo’n geluidsachtergrond wilde ’t niet lukken. Toen ik de moed opgaf & maar alvast wat brood uit de vriezer haalde voor m’n ontbijt, stonden zij ook op ’t punt de moed op te geven.
‘Alles is gedaan, behalve dat raam. Da’s helemaal rot. Moet vervangen.’
’t Had geen zin meer om nog wat slaap in te halen. De penetrante verflucht drong de kamer in, ook al had ik alles dicht staan.
‘Heb jij de tijd opgenomen?’ vroeg de ene dikke schilder aan de andere dikke schilder.
‘Ja. 3 Kwartier. Dus bij elkaar 1½ uur.’

Da’s precies ’t tekort aan nachtrust in Zijperspace.

burendag

’t Was een succesvolle burendag vandaag. ’t Succes meet ik dan niet af aan de kwantiteit, hoeveel ik van m’n buren zie & spreek, maar vooral aan de kwaliteit; hoeveel diepgang in de ontmoetingen met m’n buren zit, hoeveel wijzer ik van hun, zij van mij word(en).

Van de week had ik per ongeluk ’t telefoongesprek van m’n naaste buurman Ingmar afgeluisterd. Ik kon niet anders: ik zat in de tuin & hij vond ’t prettig om in zijn tuin z’n kennis/familielid te vertellen over zijn & z’n vriendin op handen zijnde verhuizing. Daar moest ik ’t fijne van weten, want je gaat niet zomaar verhuizen van de buurt waar ik nu woon, naar de buurt waar ik tot 3 jaar geleden gewoond heb (ik heb goed meegeluisterd: ik kon bijna aanwijzen waar hun toekomstig huis woont).
Dankbaar maakte ik dus gebruik van zijn aanwezigheid op straat vanmiddag. Dankbaar nam ik zijn mededeling in ontvangst dat de schilders desnoods via zijn tuin mijn huis wilden bereiken.

Dit behoeft uitleg: woningbouwvereniging ’t Oosten heeft een schildersbedrijf ingeschakeld om alle huizen in deze straat, eigendom van ’t Oosten, een likje verf te geven. De voorkant is gebeurd, hooguit de voordeur of ’t raam hoefde hiervoor een uurtje open te staan, nu moest de achterkant plaats gaan vinden. Daarvoor moet men door ’t huis. Daarvoor dient de bewoner thuis te zijn.

Als ik morgenochtend om ½ 9 (de afgesproken tijd met buurman Ingmar) stemmen achter m’n huis hoor, bel ik de politie (of iets dergelijks), heb ik al besloten. Ze kunnen wel een voorgedrukt kaartje in m’n brievenbus stoppen met de mededeling dat ze aangebeld hebben, maar ’t lukt ze niet er op te noteren dat ze ivm de werkzaamheden graag een afspraak met me willen maken.

Ik hou van m’n buren. Ik nodig ze graag uit voor m’n verjaardag, elk jaar. ’t Is net of m’n beste vrienden langs komen. Ik hoef ze niet elke dag te groeten als ik ’t huis verlaat, maar ’t is wel prettig om zo af & toe een praatje met ze te maken bij een ontmoeting voor de deur. Ik merk dat er altijd een glimlach op de lippen van beide partijen staat in zo’n geval. Sterker: als ik nu de gezichten van m’n afzonderlijke buren voor de geest haal, zie ik ze allemaal met een glimlach.

Vervolgens kwam ik Nienke tegen. Ik was net vrij van m’n middag vrijetijdsbesteding, waardoor ik van nature (’t is de alcohol, kan ik eerlijk zeggen) een lach op m’n gelaat bestorven heb liggen.
‘Hé,’ riep ik net voordat ze op haar fiets wilde stappen. ’t Had effekt, ze stopte. Vol aandacht van wat voor belangwekkends ik wel niet te delen had. ‘Ik heb een bloempot van je in m’n tuin staan.’
‘Oja,’ zei ze, ‘dat kwam door die storm. Dat was een klap zeg.’
Verder praatten we over haar vakantie vanaf as zaterdag, de woningbouwvereniging, haar aangetekende brief die kant op, Panos in Griekenland, de hitte/koelte in huis, de woningbouwvereniging, de tuin, de schilders, de woningbouwvereniging, haar afspraak van 7 uur (een ½ uur te laat), & vergeten uiteindelijk mijn ‘Hé’: de bloempot.

Wie nodigt tegenwoordig nog al z’n buren uit voor z’n verjaardag? Na 2½ jaar wonen hier kan ik m’n verjaardag al niet meer als volledig beschouwen als niet in ieder geval 3 van m’n buren hun gezicht ff laten zien. De laatste verjaardag waren ze er allemaal, behalve Panos van 3-hoog, de vriend van Nienke. Maar die had me ’s ochtendsvroeg als 1e een kado gegeven: griekse oregano. Speciale import.
Oja, Hanneke was er ook niet. Van 1-hoog. Recht boven me eigenlijk. Maar die beschouw ik niet als buur. Ze is er bijna nooit. Hooguit 1 keer per week hoor ik wat gerommel. 1 Keer per maand muziek in de ochtend. Op de verjaardag van Suze klaagde ze over geluidsoverlast, omdat er muziek uit een box dreunde vlak boven haar slaapkamer. Terwijl ze juist nu haar slaap nodig had. Terwijl Suze slechts 1 keer per jaar jarig is, verweerde Suze zich. Nee, de muziek moest uit.
Dus dat vind ik geen buurvrouw.

Suze kwam ik tegen toen ik ’t tuinafval aan ’t verslepen was richting ondergrondse vuilcontainer. Speciaal voor haar legde ik ’t vuil nog ff op de stoep. Kon ik haar op de hoogte brengen van mijn gesprek met Nienke. Kon ik haar ook uitnodigen voor ’t gesprek dat ik met Nienke zou hebben in mijn tuin bij mooi weer, bij Nienke boven indien ’t zich slechter liet aanzien. ’t Zou dan moeten gaan over de woningbouwvereniging, hoewel ik dat niet zeker meer wist. Tsja, dat heb je als je aangeschoten een gesprek aangaat. Maar ’t zou plaats gaan vinden als Nienke terug was uit Griekenland.
‘Oh, dan ben ik ondertussen op vakantie,’ zei Suze.
‘Alweer?’

Ik zie m’n buren eigenlijk alleen maar als ze op vakantie gaan, of net terugkomen. Of als ze plannen hebben zeer binnenkort te vertrekken, & ik ze vervolgens niet meer voor de deur tegenkom.
Ingmar & Marit van hiernaast zie ik weliswaar onder andere omstandigheden, bijv als ze een telefoongesprek voeren dat ik dan af kan luisteren, of als we gelijktijdig de tuin aan ’t bewerken zijn. Maar dat is binnenkort ook afgelopen.

Ik hou van m’n buren.

Ze zijn als verre vrienden, maar ik weet dat er suiker is buiten Zijperspace.

bureaucratie

Daarnet moest ik verschijnen voor de banenmarkt,’ zegt Boekenman. ‘Iedereen met een uitkering moet daarvoor verschijnen. Maar ik moest bellen dat ik wat later kwam. Nou, dan krijg je zo’n bandje met de mededeling dat er nog 10 wachtenden voor me zijn. “Meneer, u wordt zo spoedig mogelijk geholpen,” klinkt ’t dan.
‘Toen was ik aan de beurt & weet je wat er dan gebeurt?’
Hij stopt ff, maar z’n blik zegt dat-ie ’t antwoord meteen zelf zal geven.
‘Dan krijg je weer zo’n stem: “U wordt doorverbonden met 1 van onze medewerkers.” Wat krijg ik te horen? Alleen maar: “Tuut, tuut, tuut, tuut.”‘
Om ’t geluid kracht bij te zetten tikt Boekenman met z’n vinger tegen de koelkast, waar we naast staan.
‘Opgehangen dus. De verbinding was verbroken,’ zeg ik.

Boekenman houdt een korte spannende pauze, waarin z’n blik verdonkert & langzaam mijn kant op schuift.
‘Nu moet ik zeker weer m’n kaart er in stoppen & opnieuw bellen? Nee, weet je wat ik ga doen?’
Hij komt een stapje dichterbij.
‘Ik ga naar ze toe, maar neem nu een pistool mee.’
De manier waarop Boekenman ‘pistool’ zegt, klinkt lekker ouderwets. Meer ‘piestol’, met een lange ‘ie’ in ’t begin. Zoals iedereen vroeger op ’t speelpleintje ook altijd pleegde te doen.
Z’n getrokken vinger gaat richting mijn hoofd.
‘& Dan schiet ik ze ‘Pfieuw, Pfieuw, allemaal door hun hoofd. 1 Voor 1.’

Ter geruststelling: bij z’n demonstratie op ’t droge schiet Boekenman er ook 1 door z’n eigen hoofd.
‘Want daar worden wij dus hartstikke niet goed van: ze nemen gewoon een lopie met ons. Met hun godverdommese regels.’
Z’n gezicht ziet rood. Z’n hoofd hangt voorover bij z’n laatste zinnen. Ogen puilen uit van woede.
‘Inderdaad,’ zeg ik, ‘maar je wilde dus 1 flesje bier kopen? & Je had 2 flesjes terug.’

Voorlopig wordt er niemand geraakt in Zijperspace.

grijsaard (3)

Ze stond al in ’t minuscule postkantoortje van Washigton. Een kantoortje dat tegelijkertijd dienst deed als een winkel van sinkel, kreeg ik de indruk door ’t allegaartje wat elke cm² ervan in beslag nam. Daardoor pastte er maar 1 klant tegelijk in ’t zaakje & moest ik, zeker met m’n rugzak op, buiten wachten. Als ’t geregend had, was ’t ook geen probleem geweest, want ’t kantoor vormde de achterkant van de plaatselijke pub. De toegang tot de pub was slechts 1 meter van ’t lokale postkantoor verwijderd.

Maar de oude dame leek maar niet klaar te komen met de mededelingen die ze aan de dienstdoende beambte moest doorgeven. Als ’t al mededelingen waren. Uiteindelijk vroeg ze toestemming om haar boodschappen, een grote tot de nok toe gevulde tas, daar achter te laten. Daarbij sprak ze de man bij z’n voornaam aan. Dat moet kunnen in zo’n klein gehucht, dacht ik. De tas werd in een onmogelijk hoekje van ’t kantoor gedrukt, nog ff nagedouwd door de man met de post-pet, toen de dame de pub al binnengetreden was.

Ik vroeg ‘m of er een pinmachine in Washington was: nee. Of er een pinmachine in ’t volgende dorp was: ja. Hoeveel de treinreis Midhurst-Woking zou kunnen kosten: hij had geen idee. Zou ik ’t met nog £ 20,- redden: dat moest kunnen.
Dus besloot ik ’t geld meer dan die £ 20,- op te maken aan een pint in de pub.

De dame stond al aan de toog met een ½-pint Guinness. Iedereen zei haar gedag of vroeg waar ze de afgelopen dagen was geweest. Ik hoorde de gesprekken een beetje aan, terwijl ik wat achteraf was gezeten om m’n kleddernatte rug (door ’t dragen van de rugzak) niet onder ogen te hoeven brengen.
De man van ’t postkantoor kwam erbij, ditmaal zonder pet, zodat ik niet meteen doorhad dat hij ’t was. Hij informeerde kort bij z’n buurman aan de bar, keerde zich naar mij om & zei: ‘Deze heer zegt dat ’t niet meer dan £ 14,- kan zijn.’

De dame was een prater. Ze praatte met iedereen, maar ’t liefst met de postbeambte. Daarbij legde ze haar vuist op z’n rug, hoger kwam ze niet, & wendde keer op keer haar gezicht naar hem, om haar woorden kracht bij te zetten. Hij had daar echter niet de hele tijd zin in, wat leidde tot kolderieke situaties & grappige opmerkingen. Ik zat grinnikend in m’n stoel ’t boeltje te aanschouwen.

Ze vroeg hoe oud ik was. 38 Antwoordde ik.
‘Hm,’ dacht ze na, ‘dan ben ik bijna 60 jaar ouder dan jij.’
Ze begon verhalen af te steken over haar leven op mijn leeftijd. Hoe ze boekjes tegenkwam met plaatjes. Plaatjes van naakte vrouwen. & Ze net deed alsof er niets aan de hand was. Terwijl andere mannen zagen wat voor blad ze in handen had. Over een ontmoeting van haar & haar man met een ander echtpaar, die in porno bleken te handelen. Dat ze nog nooit beelden had gezien als die ze toen zag. Maar dat ze zonder blikken of blozen door bleef praten. Alsof er niets aan de hand was.
& Ze vroeg of ik iets te drinken wilde van haar. Ze pakte haar portemonnee.
O nee, ’t was beter als ik ’t zelf bestelde, want anders had haar echtgenoot ’t door. De heer van de post bleek haar man. Geheimzinnig drukte ze een 2 £-stuk in m’n hand. Ik haalde een ½-pint & wilde ’t wisselgeld teruggeven, maar dat kon niet. Dat zou haar man merken, begreep ik door haar gebaren. Ze wapperde ’t weg. Ik legde ’t op tafel voor me.

De gesprekken gingen door. Af & toe legde de dame haar vuist ook op mijn schouder. Af & toe begreep ik geheel niet wat ze allemaal vertelde. Af & toe maakte haar ega grappen met z’n collega-barzitters, af & toe over haar. Maar zij beet net zo hard terug.
’t Was een gezellige middag in de plaatselijke pub. Iedereen was bezig met z’n lunch, de 6 mensen rond ’t barretje deden dat slechts in vloeibare vorm.

Maar ik moest na m’n ½-pint verder. Ik wilde nog bijtijds in Woking aankomen. Ik stond derhalve op, snoerde m’n rugzak weer vast & groette de man van de post & de dame. Wees heel snel stiekem naar de munten die op tafel lagen. Dat ik ze niet kon accepteren.
‘Ohohohohw,’ zuchtte ze, ‘geef je ‘ns een keer iets, willen ze ’t niet hebben.’
’t Volgende moment liet ze haar brede grijze glimlach weer zien, terwijl ze me gedag zei.
‘It was nice meeting you,’ zei ik, voor ’t 1st dat ik die zin vlekkeloos zonder gewetensbezwaren uit m’n mond kreeg.
‘Yes, it was sure nice meeting you,’ zei zij.
Hoewel ik ’t idee had dat ze me na ’t verlaten van ’t pand alweer vergeten was.

Maar alles wordt tijdelijker naarmate de grijsheid toeneemt in Zijperspace.

zoektocht

Soms moet je wel op zoek naar geluk. Stug volhouden, luidt dan ’t devies. Want een zoektocht naar zo’n produkt levert over ’t algemeen niet zoveel op. Men zegt wel ‘ns dat je er beter niet naar kunt zoeken, of op wachten. Door de boel de boel te laten, zal geluk je vanzelf deelachtig worden.
Pff, onzin denk ik dan. Waarom niet zo af & toe zoeken naar mooier, beter, gelukkiger, boeiender? Geeft je wat te doen: je bent onderweg, bezig met een queeste, oplossingen aan ’t zoeken voor de vraag, ’t verlangen naar ’t hogere. ’t Houdt je hoofd onder druk. Schijn je ook oud mee te kunnen worden.

Ik kwam vanavond een kort moment ’t geluk tegen. ’t Was een ware zoektocht geweest. Hij duurde al enkele dagen. Steeds weer opnieuw proberen & van voren af aan beginnen. Want er moest meer zijn.
Er zijn andere methodes om er achter te komen. Andere ingangen om ’t paleis van schone kunsten te betreden. Misschien koos ik de lange hallen, de grote hoge holle voorportalen, de trage pages.

& Als je ’t dan vindt, dat kort moment van geluk, van opperst weltevree, van genoeglijk verkeren & achterover leunen, vraag je je plots af of ’t misschien slechts met gemoedsstemming te maken heeft. Als gister ‘tzelfde zich had aangekondigd, was de ervaring, de zinnestreling wellicht anders geweest. ’t Moment van geluk afwezig.
& Onverstoord gooide ik die twijfel over m’n schouder achter m’n stoel & continueerde m’n zelfgenoegzaam verkeren.
Want eigenlijk is ’t zelfgenoegzaam, ’t verkeren in dergelijke toestand. Je moet wel uiterst tevreden zijn met jezelf op zulk moment om totaal van niets anders op de hoogte te zijn, niets in de omgeving doet er toe, de rest van de dag al zeker niet, dan slechts ‘tgeen er tot je oren doordringt. Waarschijnlijk niet alleen de oren, maar daar ben ik niet deskundig genoeg voor; zo’n ervaring moet een beroep doen op meer dan dat ene zintuig.

Aldus had ik ff schijt aan de rest van de dag. Schijt aan ’t gebrek aan geld, de grootte van m’n schuld, ’t beetje dat me restte voor slechts maaltijden tot ’t eind van deze maand. Schijt aan ’t gemis van de Parade dit jaar, schijt aan de mensen die ik daar zou kunnen hebben ontmoet. Terwijl ’t woordje schijt, of enig ander woord voor afkeer dan wel desinteresse, me niet te binnen zou schieten in de toestand die volledig bezit van me had genomen.

Ik las een boek in m’n stoel. M’n relax-stoel, zoals de Hema ‘m noemde. & Luisterde BBC radio 3. The coronation of King George II was bezig, zo bleek mij later.

Informatie is niet altijd belangrijk in Zijperspace.
PS: & ’t Boek dat ik aan ’t lezen ben, zegt plots: “Over geluk valt niet te filmen.”

straksje

Boekenman komt met een rieten kinderwagentje aanzetten. Een ouderwetse, waarin kinderen vroeger hun poppen mee vervoerden.
‘Ooooh, ff aan de kant,’ roept-ie, ‘want hier kom ik met m’n pasgeboren baby aanzetten.’

‘Mooi hè,’ zegt-ie ff later, als ik z’n laatste aanwinst sta te bewonderen. ‘Mag ik ‘m hier een klein momentje laten staan terwijl ik m’n dozen ga ophalen? Ben straks terug.’
‘Als straks maar niet te lang duurt,’ zeg ik, want zo’n wagentje staat al snel behoorlijk in de weg in de winkel.’
‘Ik heb in de scheepsbouw gezeten,’ vertelt Boekenman, ‘daar duurde straks minstens 60 minuten.’
‘Doe dan maar hooguit een ½ straksje.’
‘Ja,’ schreeuwt Boekenman er al doorheen, gesticulerend met z’n vinger van dat-ie dat belooft, ‘ik ga een heel klein straksje doen.’

‘Dit wagentje is tenslotte m’n inkomen voor de hele dag,’ zei hij vlak voordat-ie de deur verliet, ‘dus niet per ongeluk een trap er tegenaan geven.’

Er zouden meer dingen verkleind moeten worden in Zijperspace.