weekend (2)

1e kerstdag ’97
van Yoke

Dat staat op de 1e blz. Niet op de titelpagina. Erboven staat een soortemet paraaf, onleesbaar, onontwarbaar. & ’t Geheel is onderstreept.
1st Heeft ’t boek € 27,50 moeten kosten, zegt de potloodaantekening in de hoek van dezelfde pagina, maar dat vonden ze zelfs bij boek-antiquariaat Kok blijkbaar toch iets te duur, want er staat een dikke streep door dat bedrag. Iets verderop naar ’t midden luidt de vervanging € 18,-. Heb ik er dus voor betaald.

Veel te duur voor ‘De saga van de Völsungen’, vertaling uit ’t Oud-IJslands, zou je zeggen, maar ik denk niet dat ik snel aan een ander xemplaar zal kunnen komen. Bovendien is deze in zeer goede konditie. Buiten bovengenoemde krabbels valt absoluut niet op te maken dat ’t boek in ’t bezit van iemand anders is geweest.
Een ondankbare ontvanger dus. 5 Jaar geleden heeft ze ’t kado gekregen, ze heeft ’t bezoedeld met haar signatuur & aantekening van wie & wanneer, & vervolgens heeft ze ’t niet gelezen. Integendeel: ze heeft ’t gewoon na 4 jaar van de hand gedaan (ervan uitgaande dat de persoon niet overleden is).
Overigens onmiskenbaar een ‘zij’. Buiten ’t feit dat ze in ’t boek aangeeft van wie ze ’t ontvangen heeft, ik ken geen enkele man die zulks noteert, valt dit te herkennen aan haar handschrift. De open, ronde vormen van de letters. Daar hoef je geen handschriftgeleerde voor te zijn.

Mijn boeken zullen waarschijnlijk niet zoveel opleveren. Ze zijn gelezen, of zien er in ieder geval zo uit. Een groot gedeelte is 2e hands ingekocht, zou dan moeten overgaan naar een 3e eigenaar, misschien wel 4e. & Er staat in geschreven wanneer ’t m’n eigendom werd. Met daarboven groot de ’t’ van Ton, gevolgd door een schuin weglopend streepje die de ‘o’ & de ‘n’ moeten voorstellen. & Zijp erachteraan natuurlijk.
Op de titelpagina komt aldus:

Ton Zijp
24 september 2002

Vind ik mooi. Iets soortgelijks staat in alle boeken die ik in mijn bezit heb.

Maar toch, hè, toch verdienen ze wel een boekenkast. Ondanks de verfomfaaide indruk die ze bij sommige mensen met hun verschijning zullen achterlaten. Zal ik die boekenkast nou achter m’n rug (tv-kijkende rug) of achter de tv plaatsen, overweeg ik al een aantal dagen.

’t Is de 2e dag van ’t weekend in Zijperspace.

zoektocht

Zo’n dag als vandaag is eigenlijk een soortemet zoektocht naar een bepaalde opwinding, in m’n hoofd verzucht als geluk. Of anders een zoektocht naar ’t moment dat ik dat vergeet.

Maar vooraleer de zoektocht begonnen kon worden was ’t noodzaak de boodschappen te doen. Hieronder versta ik ook de visite aan de bieb. & ’t Per ongeluk struinen door 2e hands boekenbakken. ’t Valt tenslotte in dezelfde ronde die ik op m’n fiets maak. & ’t Heeft ’tzelfde resultaat als m’n bezoek aan de bieb: boeken.

Stel dat m’n huis gesitueerd was aan een verlaten paadje midden in ’t grote donkere bos, zou ik me dan ook zo op m’n gemak voelen? M’n buurvrouw veroorzaakt plots wat gerommel, normaliter is ze er niet, waardoor ik denk: waar komt dat geluid toch vandaan? Ik kan uren ongestoord in m’n huis mezelf vermaken (natuurlijk met m’n eeuwige onrust van opstaan, zitten, opstaan, lopen, oppakken, zitten, paar blz lezen, opstaan, etc), zonder me ongerust te maken over de wereld buiten me. De tv hoeft niet aan, de radio niet, ik hoef geen nieuwssites te bezoeken. Maar zou die behoefte ’tzelfde zijn in dat grote donkere bos? Zou ’t gemis dan de behoefte bepalend beïnvloeden?

’t Is onbegrijpelijk hoe je vrije dag in beslag genomen kan worden door allerlei verplichtingen jegens jezelf, tbv comfort voor later. Boodschappen voor enkele dagen nemen al snel enkele uren in beslag. Alleen al ’t bedenken van ’t efficiënt indelen van deze ondernemingen buitenshuis vergt z’n tijd. Ik schat een ½ uur. Gelukkig kan ik dat ½ uur verstoppen tussen de onrustigheden die mij dagelijks overkomen. De onrustigheid vermom ik aldus door een ½ uur tijd aan struktuur te besteden.

Een film op ’t grote doek, ’t liefst in een lege zaal, maar dan moet je er vroeg bij zijn, niet gestoord worden door van te voren bedachte schema’s over wanneer welke boodschappen, de 1e voorstelling dus. Een hoekje opzoeken, bij de 2e voorstelling, waarvan je denkt dat niemand die meer kan vinden zogauw de film begonnen is, tenzij struikelend over de donkerte & valse flitsen weerkaatsend van ’t doek. & Dan 2 popcornpubers met familiezak moeten laten passeren die boeren bij elke slok van hun maandvoorraad cola. & Op momenten dat je je niet wil irriteren, slechts recht vooruit wil kijken, zie je je voorbuurman steeds weer geërgerd z’n hoofd naar achteren wenden.

Een stapje in de wereld van enkele jaren geleden. ’t Bezoeken van de stamkroeg. Plots op de dinsdagmiddag. Net als toen ik de enige klant was op de dinsdagmiddag. Toen we, de barman, de keukendame & ik, de crypto van afgelopen weekend oplosten. De Barman schonk in de tussentijd 5 bakjes koffie, tapte 10 glazen bier, waarvan 5 voor mij, & 3 glazen fris voor ’t dienstdoend personeel. ’t Was ’t 1e jaar van m’n stamkroeg. Ik was de 1e vaste klant.
Nu vraagt de bardame voor de 3e keer naar m’n naam. & Serveert ze m’n bier nog altijd met ’t verkeerde glas.

De maaltijd. Daar heb ik tenslotte de voorbereidingen voor getroffen. ’t Moet me doen verlangen naar vakanties. Of naar avonden keihard werken in de catering van de Rode Hoed. Afhankelijk van de slagingsfaktor.
’t Wordt een vermoeiende strijd met de nukken van de combi-magnetron. Vakanties worden vergeten. Werk ook.

& Dan ontstaat ’t ouderwetse verlangen ’t huis te verlaten. Ik woon in een verlaten huisje aan ’t einde van een pad een heel smal klein paadje van zand of misschien wel grind dat knarst in een donker o zo donker bos zonder lantaarnpalen & zonder zaklantaarn met rare geluiden. Ook al is ’t m’n buurvrouw. Maar ginder wonen, drinken, praten alle gezellige mensen.
& Ik durf niet. Niet vanwege genoemde oorzaken. Want die zijn hier niet.

Men heeft zo z’n beperkingen in ’t donkere bos dat Zijperspace heet.

kennis

Bepaalde dingen weet je gewoon niet. Kan je ook niet weten. M’n buurman heeft voor ’t 1st een cv zelf geïntalleerd. In z’n nieuwe huis. De volgende keer weet-ie hoe ’t moet. Maar tot voor kort wist-ie van niks.

Ik heb speciaal de tl-lamp opgemeten, voordat ik de deur uitging. Alle data die aangegeven stonden op de lamp zelfs uit m’n hoofd geleerd. Ik had ’t ook kunnen opschrijven op een kladje, maar dat vond ik weer net te veel moeite.
‘Hoeveel watt is de lamp die je moet hebben?’ vroeg de dame in de lampenwinkel.
’18 Watt,’ antwoordde ik, ‘& hij is 58,7 cm lang.’
Let op ’t cijfer achter de komma, die vergde wat xtra aandacht. Ik wilde natuurlijk niet met m’n mond vol tanden staan.
‘Hoef ik niet te weten,’ zei de dame. ‘Als ze 18 watt zijn, hebben ze altijd dezelfde lengte.’
‘Oh, dat wist ik niet. Dat kan je ook niet weten als je ’t nog nooit aan de hand hebt gehad.’
Ik wilde er aan toevoegen: ‘Ik kan jou heel wat vertellen over bier. Stel een willekeurige vraag, & ik vind ’t antwoord net zo vanzelfsprekend.’ Maar dat doe je niet.

Thuis heb ik de lamp ingedraaid. De knop ingedrukt. Zonder resultaat. Ook niet na een 2e maal de trap beklimmen. Ik heb een kapje van de bedekking van de tl-balk er afgehaald; kon ik in ’t binnenste kijken. Maar bij de welpen heb ik wel geleerd hoe je gewone lampen werkend moest krijgen, maar voor ’t laten schijnen van een tl-balk bestond toen nog geen insigne.
Ik kreeg pijn in m’n nek. Ik stond niet in de ideale positie om ’t geval te bestuderen. Dus gaf ik de moed maar op.

Een boekenkast moet waterpas staan. Anders stromen de letters de boeken uit. Dus horen de 2 rails tegen de muur, waar de steunen in komen te hangen, loodrecht te staan. Ik heb al een manier verzonnen om dat te bewerkstelligen zonder een waterpas te hoeven gebruiken. Vast ook nog geleerd bij de welpen. Of de landverkenners.
Maar bepaalde dingen weet je gewoon niet. Kan je ook niet weten. Vooral niet als je niet zelf in de kelder gaat kijken of-ie nog leeft.

Dus geven we wederom de moed op in Zijperspace.

maandag

‘Mag ik je iets vragen?’ vraagt Speedy zenuwachtig.
Waarschijnlijk is ’t z’n bedoeling niet zenuwachtig over te komen, maar alles wat Speedy zegt komt er nu 1maal gejaagd uit. & Ik ga me dan automatisch op z’n 11 & 30st gedragen. Kan ik niks aan doen; ik wil rust in m’n tent. Als ik ’t niet in m’n klanten kan vinden, dan moet ik ’t in mezelf zoeken. Dus alles gaat net iets langzamer dan gewoonlijk.

Iets daarvoor kwamen 3 surinamers binnen. 2 Had ik al eerder binnengehad. De nieuwe maakte buiten veel misbaar met 1 van hen, maar zou blijkbaar getrakteerd worden op een biertje.
‘Heineken,’ schreeuwde hij naar degene die al binnen bij de ijskast stond.
‘Ik heb geen Heineken,’ zei ik ‘m, ‘& ik wil dat je wat rustiger doet. Ik heb meer klanten.’
‘Yoooohoooheeeeyoooohoooheeee,’ met z’n armen omhoog joelde hij daarop de winkel in. Z’n ogen stonden dof, zag ik opeens. Rood omrand, gek, bulderende ogen. Ik moest oppassen.
Z’n maatjes kwamen de blikjes bier naar de toonbank brengen. Hij pakte er gelijk 1, maakte ’t open.
‘Heb je misschien een tasje? Of wat papier?’ vroeg-ie nadat-ie een slok had genomen, ‘anders krijg ik moeilijkheden met de politie.’
‘Tuurlijk heb ik een tasje,’ antwoordde ik langzaam, ‘maar ík krijg moeilijkheden als jíj je niet gedraagt of als je in de winkel drinkt. Dus je krijgt een tasje, maar alleen onder bepaalde voorwaarden. Maar dat snap je ondertussen wel.’
Hij deed een stap achteruit richting deur. Stak z’n duim op.
‘Ok, bedankt hè.’
Met een handbeweging hield ik de jongen die voor hun 3-en afrekende tegen.
‘Ik vind jou ok. Ik ken je. Je mag blijven komen. Maar zogauw ik hem nog een keer hier zie is dat voorbij. Dan kom jij hier niet meer binnen.’
‘Jaja, ik weet ’t. Maar hij hoorde bij die andere jongen.’

‘Mag ik misschien een flesje meenemen voor 90 cent?’ vroeg Speedy. ‘Dat ik dan straks ’t flesje terug kom brengen. Als ik ’t nu zonder statiegeld betaal, heb ik net genoeg geld. Want 1 flesje kost normaal toch € 1,-?’
Tuurlijk vind ik ’t goed. Ik moet alleen een noodzakelijk moeilijk gezicht erbij trekken.

De kale marokkaan heeft een vriendje meegenomen. Ze willen bier, maar ’t vriendje weet alleen nog niet op wat voor temperatuur. Laat me daarom 2 keer heen & weer lopen voor lauw bier uit ’t schap, dan weer koud bier uit de ijskast. Dan blijkt-ie toch koud bier te willen. Vervolgens hoest-ie nogmaals demonstratief. Om te laten zien dat-ie misschien niet tegen die kou kan.
Als de heren moeten betalen gaan ze in discussie. Vanwege 20 ontbekende centen. In ’t marokkaans. Niet te verstaan, maar wel luidkeels.
‘Hé!’ roep ik, om er tussenbeide te komen. Om aan te geven dat ik nog slechts 20 cent nodig heb & geen lawaai in de winkel wil. Geen reaktie. Wel lawaai van 2 ruzieënde marokkanen.
KLATSSSSSS!!!!!!!!
M’n hand komt plat op de toonbank terecht. De winkel trilt.
‘& Nu luisteren jullie naar mij!’
Stilte.
‘Of jullie betalen nu & houden onmidddellijk je mond dicht of jullie komen hier nooit meer naar binnen.’
Binnen 10 seconden 20 cent.

Speedy staat in de deuropening. Of eigenlijk net er voor. Hij lijkt zich verdekt opgesteld te hebben. Maar zonder effekt, want de politie-auto stopt toch voor de winkel. Hij wordt gesommeerd bij de auto te komen. Ik kan ’t niet allemaal verstaan vanuit de winkel, maar ’t blijkt duidelijk dat ze ‘m een boete voor openbaar drinken willen geven. ’t Flesje bier hebben de agenten al in hun handen.
Ik loop naar buiten, richting agenten.
‘Dat flesje is van mij,’ zeg ik ze. ‘Hij kon toennet geen flesje kopen als-ie ’t statiegeld moest betalen. Dus hij kwam ’t flesje terug brengen.’
Ik reik m’n hand al uit naar ’t flesje. & Ongemerkt gaat die via de handen van Speedy over naar die van mij.
‘We vonden dat-ie zich raar voor de deur had opgesteld,’ zegt 1 van de heren.
Maar ik loop al weer naar binnen. Gevolgd door Speedy.
‘Ik zet je flesje hier neer,’ zeg ik ‘m, terwijl ik ’t flesje naast de deur plaats, ‘als de politie weg is, kan je ‘m dan nog leegdrinken.’

Speedy komt nog een keer langs. Ditmaal met z’n duitse vriend. Ik vraag of-ie vandaag nog een bekeuring heeft gehad voor openbaar drankgebruik. Lacherig.
‘Oh, was jij dat?’ zegt de duitse vriend. ‘Hij had ’t er al over. Hij was helemaal over de toeren.’
‘Ja, moet je weten,’ zegt Speedy snel, zonder stoppen, bijna hyperventilerend, ‘ik heb voor 8 jaar cel boetes uitstaan. Ik zou zo meegenomen zijn. Dan zou ik voorlopig niet terug zijn geweest.’

Momenteel heeft men de trillingen in Zijperspace weer onder controle.

weekend

Morgen begint m’n weekend. Een gebeurtenis die ik zelden meemaak: 2 aaneengesloten dagen vrij. Buiten m’n vakantie dan. Maar die opeenvolgende dagen vrij noem ik al vakantie, daar gooi ik de betiteling weekend niet nog ‘ns bovenop.

Maar goed: weekend dus. & Ik zit me al 4 dagen (ik weet sinds 4 dagen dat ik morgen weekend heb) af te vragen wat ik nou met 2 aaneengesloten vrije dagen moet doen. Liefst combineer ik ze tot een 2-daags uitstapje. Bijv richting Bamberg (ben ik net geweest; ik kan geen auto rijden; er is niemand die die kant op gaat).

Dat idee van combineren verlaat echter al snel m’n hoofd, omdat ik me bedenk dat er nog wel wat andere aktiviteiten in huis moeten plaatsvinden. Waarvoor zeker 1 heel dagdeel gereserveerd dient te worden.
Men wil natuurlijk wel weten wat voor aktiviteiten dat kunnen behelsen; men leest tenslotte een lijflog & van dit soort wetenswaardigheden wenst men dan op de hoogte gehouden te worden. Let wel: dit kan in andermans ogen nietswaardige info betekenen, niemandalletjes op ’t gebied van ’t beleven van alledag, maar hier in huize Zijp kunnen futiliteitjes uitgroeien tot grootse avonturen of angstwekkende duizelende onoverbrugbare drempels.
(valt dan tegen, hè: 1st 3 van die imponerende adjektieven; daar gaat wat gebeuren, denk je; & vervolgens komt ’t nietszeggende woordje ‘drempel’; men moet maar denken: ’t is voor de opbouw van de spanning).

Ik kreeg vorige week de mededeling van m’n moeder, eigenlijk zou Marc ’t me melden, maar nog niks van ‘m gehoord, kijken of-ie durft te reageren in ’t reaktie-ding, dat Sinterklaas op 4 december alhier gevierd gaat worden.
‘Ha, leuk. Oeps, shit,’ zijn de achtereenvolgende 1-lettergrepige gedachten die op zo’n moment me te binnen schieten.
Ik bedoel: ik mag graag m’n 5 broers, hun 4 vrouwen, hun 6 kinderen, begeleid & aangemoedigd door onz vader & moeder, in m’n huis ontvangen. FF laten zien dat deze verstokte vrijgezel best wel z’n nederig stulpje heeft kunnen omtoveren tot iets dat overeenkomt met de vreemde karaktereigenschappen die hij met zich meedraagt. Zonder dat ze de puinhopen zien die daar ook onderdeel van zijn.
Bij dat laatste komen dus ‘oeps’ & ‘shit’ om de hoek kijken.

Dus wil ik pogingen wagen in ieder geval 1 dagdeel ’t woon- & in dit geval minstens zo belangrijke visite-gerief te verbeteren.
Derhalve dient er een boekenkast gebouwd. Een 10-tal stapels boeken dient omgezet te worden in overzichtelijke staande rijen. Dit bekoort ’t oog wat meer. Zeker in mijn familie.
’t Materiaal hiervoor is reeds aanwezig, staat opgeslagen in de kelder. & Daar knijpt ’t ‘m dus.
Voor begeleidend begrijpen verwijs ik de lezer met veel plezier door naar teksten pad (1) & pad (2).
Natuurlijk heeft de vaste bezoeker dezes reeds volop begrip voor m’n aarzeling de bewuste spullen uit de kelder te halen. Wie weet leeft ’t beestje nog. Wie weet komt ’t beestje kwiek me tegemoet gesprongen op ’t moment dat ik de boekenplanken verwijder & z’n geïmproviseerde gevangenis/begraafplaats ontdaan wordt van z’n wanden.

Goed. & Verder wil ik weer tl-licht in de keuken hebben; een ontvangst-vriendelijk lichtje herstellen in m’n anders zo donkere & derhalve onoverzichtelijke ontvangsthal; ’t genoeglijk gepiep (zolang je op jezelf woont) uit m’n hoogslaper halen; kleur geven, overeenkomstig aan de verdere inrichting van ’t huis, aan wat blank hout; de tuin ontdoen van restanten schilderwerk; de tuin herfstklaar maken. Om nog maar niet te spreken over ’t opruimen van de troep.

Na ’t weekend is men toe aan vakantie in Zijperspace.

lampje

Een 6-koppige lamp hoort 6 gelijke koppen te hebben. Koppen die ’tzelfde werken. Koppen die ’tzelfde reageren. Als de 1 licht geeft, hoort de ander dat in gelijke mate te doen. Als de 1 knippert, hoort de ander op een gelijksoortige manier te reageren. Als de 1 doorpiept, hoort de ander ’t ook binnen niet al te lange tijd te begeven.

Ik denk dat m’n lamp, m’n 6-koppige lamp, alle 6 staand op ’t uiteinde van 1 van de poten, maar schijnend op ongelijke hoogte; ik denk dat m’n lamp zich niet geheel consequent gedraagt. Hij benadert de verschillende lampsterktes niet op dezelfde manier.
1 Maand na aanschaf piepte ’t 1e lampje al door, juist de sterkte die ik had aangekocht op advies van de verkoper, de 2e hands lampenhandelaar: een doffe lamp van 15 watt. ’t 2e lampje volgde binnen de week. De 3e enkele weken later. Enzovoorts. In iets meer dan een maand tijd zag ik me genoodzaakt alle lampjes te vervangen voor 25 watts-lampjes. Omstebeurt piepten ze door, omstebeurt werden ze vervangen voor lampjes waar ik wél makkelijk aan kon komen. Voor de 25-watts-lampjes was geen speurtocht nodig. De nieuwe lampjes waren bovendien niet zo duur als die matte 15 watts.
Daarmee heb ik ze dus snel vervangen. Allemaal, op 1 na. Die blijft de muur nog steeds lichtjes geel beschijnen.

Nou is dit geen levensvraagstuk. Ik lig er niet wakker van. Ik schiet er weinig mee op, mocht ik ’t antwoord te weten komen op de vraag waarom dit eigenwijze lampje gewoon door blijft branden, terwijl z’n soortgenoten ’t allang begeven hebben. Ik denk ook niet dat de wereldeconomie zich ook maar iets aantrekt, zou ik m’n bevindingen, m’n getoetste & als feit bevonden bevindingen, wereldkundig maken. Ik denk zelfs niet dat ik er een leuk gesprek over zou kunnen beginnen op een feestje, een partijtje, een bijeenkomst, een reunie.

‘Zo, Ton. Wat heb jij de afgelopen 20 jaar gedaan?’
‘Nou, niet zo veel. Maar onlangs ben ik er wel achter gekomen waarom sommige lampen langer blijven branden dan andere. Waarom je op bepaalde plekken beter een 15-wattslampje kan indraaien dan 1 van 25. Kijk ’t komt vooral door interrelationele geladenheid van (………..)’

Ik denk niet dat men op een dergelijk gesprek zit te wachten. Ik vermoed dat men mij vervolgens vergeet te kontakteren voor de reunie in oktober 2032. Vast niet met opzet, hoor. Zo achterdochtig ben ik gerust niet. Nee, gewoon: je denkt niet al te lang na over een persoon die de bestudering van die ene lamp in een 6-koppige konstruktie tot levensdoel heeft gemaakt.

& Toch maak ik me er al enige tijd druk over. Waarom, vraag ik me af. Waarom?

1 Van de onopgeloste vraagstukken van Zijperspace.

korps-meisjes

Maandagmiddag: 6 meisjes op 4 fietsen rijden voorbij. Ze dragen zwarte jasjes met rokjes eronder. Roze sokken bijna tot aan de knieëen. Gevlochten staartjes in ’t haar. Ze kijken vermoeid, onwetend, jong, maar zeker niet ongeduldig.

Vrijdagmiddag: 2 meisjes komen vragen of een groep van 20 mee mag met de rondleiding. Aan de 1e, degene die ’t meest haar mond opendoet, heb ik meteen een hekel. Bolle wangen, dikke lippen, onbenullige uitstraling. Een tut-student, waarvan 1000 in een dozijn, hier in Amsterdam.
Nee, zeg ik, ’t is een gratis rondleiding voor mensen die toevallig komen aanwaaien, niet voor groepen. Die moeten betalen.
Als dan in ieder geval hun 6 meisjes meemogen, wordt gevraagd.

Ze vallen bijna om van de slaap, terwijl ik vertel over brouwen, gisten, lageren, schoonspoelen, afvullen. Ze lijken aandachtig te luisteren & dan vallen plots de ogen toe. Terwijl ze rechtovereind staan. 1tje Verliest bijna haar evenwicht tijdens deze staande slaap, maar schrikt wakker.
‘Waarom draag jij grijze ipv roze sokken?’ vraag ik haar.
‘Ik had gister een te grote mond volgens ’t bestuur,’ antwoordt ze.

Ik heb ’t korps altijd vermeden tijdens m’n studententijd. Elke studentenvereniging overigens. Altijd een zielige bedoening gevonden. Waarom moet je op een kunstmatige manier vrienden maken, waarom brallen, waarom in colbertjes lopen & mouwen scheuren?
M’n collega heeft dat gevoel nog iets sterker.

‘Ik moet ’t merkje van m’n rugzak afknippen,’ zegt 1 van de meisjes tegen Drik, ‘heb je misschien een mesje of een schaar?’
‘Waarom moet je ’t er afknippen?’ vraagt Drik achterdochtig.
”t Moet van ’t bestuur.’
‘Ik heb geen mesje of schaar.’
Ik pak ondertussen de schaar van achter de bar & geeft ’t aan ’t meisje. Ze lacht lief.
‘Ik geef geen schaar als ’t van ’t bestuur moet,’ zegt Drik later, ‘die korps-leden moeten eens zelfstandig nadenken.’

‘Jullie hebben zeker weinig geslapen?’ vraag ik tijdens de rondleiding.
‘We hebben niet geslapen,’ zegt ’t meisje met grijze sokken. ‘Afgelopen nacht helemaal niet. De avond ervoor 2 uur, daarvoor 3 uur. Ze zijn hartstikke gek. Je weet nooit wat er gaat gebeuren.’

Ik vind ze wel snoezig, zo met hun staartjes; aandoenlijk. Je zou er niet aan moeten denken zelf met van die ouderwetse jasjes over straat te moeten, roze sokken eronder. Tijdens de rondleiding heb ik meermaals de neiging om ff in lachen uit te barsten. Gebogen schouders, slaperige ogen, maar vooral de aanblik van de staartjes in ’t haar voorkomen dat.
Jammer dat ze straks veranderen in die tuttebel, die op dit moment waarschijnlijk aan de bar zit te hangen. Of anders met haar mede-korpsleden aan de mobiel hangt om de volgende vervelende aktiviteit voor de meisjes te regelen. Als ze straks in die tuttebel veranderd zijn, herken ik ze vast niet meer. Hun haar strak naar achteren, samengebonden door een knip of een elastiek op ’t achterhoofd.

‘Jullie wisten dus ook niet dat jullie een rondleiding gingen doen?’ vraag ik.
‘Nee.’
‘Ik hoop niet dat ’t te saai voor jullie was,’ zeg ik nog steeds uit licht medelijden. Ze worden immers van hot naar her gesleept. Een week, misschien wel een langere tijd, van onzekerheid maken ze mee. Ik zou willen dat ze ’t zelf niet wilden.
‘Oh, nee hoor,’ klinkt ’t meteen. ‘Dit was 1 van de leukste dingen die we deze week hebben meegemaakt.’
Uit de slaperige gezichten fleurt iets van een glimlach op. Ze menen ’t.
‘Laten we teruggaan naar ’t proeflokaal,’ stel ik voor, ‘dan kunnen jullie misschien een biertje drinken, als ’t van ’t bestuur mag.’
‘Ja, daar ben ik wel aan toe,’ zegt de grijze kous.
‘Ik weet niet of ik dat wel binnenhoud,’ klinkt ’t minder enthousiast van de andere kant.

Ik weet wat later de kinderen in ieder geval niet mogen in Zijperspace.

rotop

Ik had helemaal geen zin om te schrijven. Ik had helemaal geen zin om in slaap te vallen. & Ik had al helemaal geen zin om wakker te worden uit die verdomd uitgestelde broodnoodzakelijke slaap. ’s Avonds laat. Ver voor nachtrust.
Ik wilde een stok of bijl, een pikhouweel, een moker, een hamer of een mes ter hand nemen.
‘Hé, wat moeten jullie? Heb ik iets van jullie aan?’
Kietelend onder de kinstrook ’t scherp, de punt bewegen. Af & toe uitschietend, een straaltje bloed veroorzakend & dan m’n xcuus aanbiedend. Maar toch doorgaan. Want iedereen moest z’n smoel dichthouden.
‘& Nu hou je wel je mond dicht, hè? Nu heb je er wel genoeg van, hè? Jezelf profileren, jezelf opdringen, niets ontziend, alles negerend.’

Ik zag mooie teksten, van mensen die ik als persoon niet weet te waarderen. Opeens. Ik zag dat wat ik niet kan, me xtra duidelijk voor de neus wordt weggekaapt. Werd weggekaapt. Ik was aldoor net te laat.

(Als ik wil rennen, slaap ik net iets dieper, droom ik weg van gaten. Gaten in m’n bed, gaten in de muur, gaten in wolken, gaten in de vluchtwegen. Niets houdt me tegen te blijven, of weg te gaan. Maar de gaten dwingen me tot stilstand.)

Hé! Ken je aggressie? Ken je de term van jezelf opneuken? & Ken je ’t moment dat de pen niet van buiten komt?

Uit ’t moment, net ’t goede moment, haal je ’t verhaal, ’t stukje dat leidt tot ’t overzicht, ’t geheel. Maar soms zijn die momenten er niet. Loop je eeuwig je eigen kont achterna. & Die kan stinken. Alsof je in de diepe grochten terecht bent gekomen. Grochten die ruiken, te veel narigheid achterlaten.

(ik liep als jongetje door steegjes, langzaam, heel langzaam, zodat ze me niet zouden ontdekken, van speelplaats naar speelplaats, stilletjes langs de muur, in de schaduw, van achter ’t huis waar ik woonde naar om de hoek, stak over de 1e steeg in, speelplaats, steeg, schaduw, oversteken, steeg, water langs de oever, & ik wist niet wat ik daar deed, voor wie ik me verstopte, wilde duiken, wilde stilstaan, wilde naar huis)

Ik heb een nek die me achterover trekt. Een nek die m’n hoofd liever aan de achterkant ziet dan dat-ie gewaarschuwd wil worden voor gevaar dat nadert. Een nek die m’n humeur doet zeuren. Er gaat een pen (heb ik die al genoemd?) door m’n hoofd. Van m’n nek naar m’n rechtervoorhoofd. Dwars door m’n slaap. Die verdomde koppijn (een schaar, een goede stevige schaar zou wonderen doen) wil naar buiten. Als een nageboorte wil-ie weg, ’t zinkend schip verlaten. Niet de moeite waard, dat wat achterblijft.

Ik heb geen zin om te schrijven. Ik heb al helemaal geen zin om in slaap te vallen.

Nu niet meer in Zijperspace.

duidelijk

Nee, ik plaats geen links naar andere logs, gewoon omdat deze zo vriendelijk waren een link naar mij te plaatsen. Ik wens m’n eigen keuzes te kunnen maken in ’t selekteren van de logs die ik waardeer, op prijs stel, waarvoor ik genegenheid voel, ik uitzonderlijk goed vind. Ik wil in die keuze niet beïnvloed worden door smeekbedes ‘ajb een link naar mijn blog te plaatsen, want dan link ik jou terug’. Dus: Nee, ik plaats geen link, omdat iemand anders dat graag wil.

Tevens wens ik geen verzoeken te moeten honoreren mijn blog af te staan aan een zogenaamde gastlogger, onder ’t mom van dat dat nou 1maal leuk is, dat ’t afwisseling brengt, dat ’t de mensen op een andere manier doet kijken naar de weblogger specifiek & weblogland in ’t algemeen. Dat ’t mogelijk goed zou zijn voor m’n kijkcijfers wil ik me al helemaal niet door leiden.

’t Enige xcuus dat ik hiervoor heb is dat ik slechts kan schrijven voor m’n eigen ding, niet anders denk dan: ik wil schrijven voor m’n eigen ding; & me slechts tevreden voel als ik heb geschreven voor m’n eigen ding. ’t Is ik & m’n eigen ding, kort gezegd.

Laat weblogland weblogland wezen, met al z’n eigenaaradige gedragingen van z’n bewoners. Ze mogen deze blog natuurlijk allemaal linken, opnemen in hun favorieten, maar ik ga er niet om vragen & stel er zeker niets tegenover.

Zijperspace blijft Zijperspace; niemand die daar aankomt, behalve z’n enige bewoner.

afscheid (2)

Ik zag Stella plots weer voorbijrijden. Ik zat in de tram, op weg naar 1 van m’n 1e colleges aan de universiteit. Zij reed op de fiets, of moest eigenlijk ervan afstappen vanwege te weinig ruimte door wegafzetting. Ik vroeg de bestuurder of ik uit mocht stappen, omdat daar een vriendin stond die ik in geen jaren had gezien. Eigenlijk mocht ’t niet, & ’t was een uitzondering dat-ie ’t deed, maar we stonden nu toch stil voor een open trambaan, dus voor deze ene keer.
Zij vertelde over haar jaren in Engeland. Ik over m’n langzame jaren terug naar normaal.

Ik ging bij Stella langs in m’n gekke jaren. Nog in Den Helder. We praatten. Eigenlijk was ik vooral degene die praatte, & zij luisterde geduldig & had zinnetjes van kop op, begrip, & uitleg. Ik ging op de meest gekke momenten bij haar langs. Als ’t slecht met me ging & ik dacht dat ik nooit meer normaal zou kunnen ademhalen. Ik belde aan bij een vriendin waar ze ½-bloot op ’t balkon lagen te zonnen. Maar dan werden er wat kleren aangetrokken & geduldig m’n angstaanvallen besproken.

Ik zag haar nog een keer voorbijrijden op de fiets. Jaren later. Met een bobbel voor op haar buik. Haar 1e kind. 1½ Jaar niet gezien & Stella had een kind gemaakt. Vanaf ’t moment dat ik niet meer in onderhuur bij haar zat, had zij haar leven omgegooid.
(Haar vriend Eric was de sleutel van ’t huis komen halen, de dag nadat ik er uitgetrokken was. Hij vertelde dat-ie Stella na een ruzie z’n huis had uitgestuurd).
Hoewel ik haar nog niet als moeder had meegemaakt, zag ik haar al zinnetjes van begrip naar ’t kind prevelen, zoals ze vroeger m’n gekte begreep. Of m’n liefdesverdriet. Stella, m’n biechtmoeder. De moeder die waarschijnlijk meer dan begrip had voor vieze luiers.
We riepen elkaar tegelijkertijd. Zij keerde om & ik liep dichterbij. We moesten elkaar weer ‘ns zien, zeiden we. We moesten elkaar weer vertellen hoe ’t ermee ging. & Ik moest me weer ‘ns laten verzorgen door een maaltijd te komen eten.
‘Zal ik dan ook maar weer ‘ns biertjes in huis halen?’ vroeg ze bij afscheid.

Omdat Stella in ’t zelfde gebouw studeerde gingen we tezaam op vrouwenjacht voor mij. We wezen gezamenlijk geschikte kandidates aan. Stella deed achter de schermen ’t voorbereidend werk. Niemand van de studentes Theaterwetenschap zou mij onaardig kunnen vinden. Dat soort verhalen bestonden niet over mij. Daar zorgde Stella wel voor.
Maar ’t betekende ook dat ik me genoodzaakt zag onder te duiken bij haar. Omdat ik achtervolgd werd door een meisje waarmee ik ’t net had uitgemaakt. Stella nam de telefoon aan, luisterde geduldig naar haar wanhopige mede-studente, & bleef bij hoog & bij laag beweren dat Ton toch echt niet bij haar was. Ondertussen druk gebarend dat ik in de keuken moest blijven zitten & nog een flesje bier uit de ijskast moest pakken.

& Stella knipte m’n haar. Rekende ze niks voor. & Voor die prijs van niks ouwehoerden we 1½ uur, bracht ze m’n kapsel weer in orde, ruimde ze zelf de boel op, maakten we afspraken voor ’t volgende avondje uit, nam ik een douche, vertelde ze over haar vriend & knipte ze zo af & toe in m’n oor. Maar ook dat was in de prijs inbegrepen.

& Soms lagen we aan ’t eind van de nacht bij elkaar in bed.
Teut.
Zo teut, dat Stella achteraf dacht dat we ’t hadden gedaan. Die verhalen moest ik dan weer op volgende partijtjes ontnuchteren. Dan dronken we er nog een paar. & Lachten.

Want dat was waar we goed in waren in Zijperspace.