afscheid (1)

Stella gaat emigreren naar Culemborg, weet Judith me over de telefoon te vertellen. Er moet voor haar een afscheidsavondje van ’t amsterdamse uitgaansleven georganiseerd worden. Juist omdat ze daar de laatste tijd absoluut niet meer aan toegekomen is. Komt door de snelle komst van haar 3 kinderen, weet ik zelf in te vullen.
Ik moet er ook aan meedoen, vindt Judith.

‘Culemborg, waar ligt Culemborg eigenlijk?’ vraag ik. ‘In Limburg?’
‘Nee, joh. In Utrecht.’
‘Waarom daar? Waarom wil ze uit Amsterdam weg?’
‘Dat vroeg ik me ook af. Ze hadden 1st een huis in Haarlem op ’t oog, dat kon ik nog wel begrijpen. Best wel gezellige stad, in de buurt van Amsterdam nog steeds. Maar Culemborg…. Da’s zo ver weg. Je bent gelijk in een andere wereld. Helemaal geïsoleerd met je gezin. Maar Stella wil niet dat haar kinderen in de stad opgroeien. Dáár krijgen ze meer kansen, zegt ze.
M’n man & ik wilden op een gegeven moment ook iets buiten de stad hebben, wat meer rust, wat meer ontspanning ook. Voor ons & voor de kinderen. We hebben toen een vakantiehuisje gekocht in Limmen. Dat ligt in Noord-Holland.’
Alsof ik niet weet waar Limmen ligt. Maar ik voel aan Judith’s stem dat ze dat zich nog net realiseert.

Ik heb 1maal gevraagd of Judith mee wilde lopen. M’n eigen broer had daar geen zin in. Wat moest-ie nou lopen met een broer die leed aan hyperventilatie? Wat moest-ie zeggen tijdens zo’n wandeling? Wat moest-ie zeggen tegen iemand die dacht dat z’n hoofd straks zou xploderen, z’n hart ’t spontaan zou begeven, z’n longen in elkaar zouden klappen? Bovendien zat-ie al dag in dag uit met m’n leed opgescheept.
Maar Judith was wel bereid. Ze wilde wel voor een ½ uurtje luisteren naar de ademsnood van de grotere broer van haar vriendje, luisteren naar wat de oorzaak daarvan was, praten over andere onbenullige dingen als dat misschien de oplossing was, gezamenlijk wachten tot ’t kalmeringspilletje zou gaan werken.
& In de lichte zomeravond hebben we de hond uitgelaten. We liepen over de paden de avondschemer tegemoet. Wandelpaden door een beginnend bos. We konden nog de toppen van de bomen die nog geen bomen waren overzien.
Zij heeft gekwebbeld, gewacht, begrepen, gewandeld, geluisterd. Ik heb geklaagd, gelopen, gepraat, gezeurd, geademd: rustig blijven, rustig lopen, rustig adem halen.
Op een gegeven moment dacht ik zelfs niet meer na over rustig zijn. We stonden aan ’t water. Te kijken naar ’t niets dat water in een sloot kan zijn in de vallende avondschemering. Ik was er: de pil had z’n eindbestemming bereikt & ik was genezen voor een avond.

‘Ik weet wel waar Limmen ligt, Judith,’ zeg ik tegen m’n x-schoonzus.
‘Ja, ik wist ook wel dat die plaats iets met jou te maken had.’
‘Nee, Limmen had te maken met Mirjam. Ik moest opgenomen worden in Heiloo. Dat ligt aan Limmen vast.’

& In een mum van tijd hebben we een wereldreis gemaakt in Zijperspace.

staarrelatie

Joe loopt langs Westmalle om een flesje bier uit de koelkast te halen. Hij werpt een schuine blik naar Westmalle, die bezig is zijn biertje met me af te rekenen.

‘Je moet uitkijken met die vent,’ zegt Joe, als-ie voor me staat. & Westmalle inmiddels vertrokken is. ‘Weet je nog dat-ie hier van de week was? Toen-ie stond te wachten tot je weer wisselgeld had. Weet je dat nog?’
Ik beaam dat ik dat nog wel weet.
‘5 Minuten daarvoor stond-ie een vent met een fietsslot af te rossen. Voor de Albert Heijn.’
Joe heeft denkbeeldig een slot in z’n hand & slaat naar beneden. Met z’n andere hand lijkt-ie een kraag van een jas vast te houden.
‘Zo deed-ie. Fietsslot in z’n hand. Waar iedereen bijstond. Politie komt er aan. Die gozer ziet er níet uit. Gezicht onder ’t bloed. Maar die gozer zegt tegen de politie dat er niks aan de hand is. Dus doen ze niks. Dus die vent kan gewoon doorlopen.’
Ik vertel Joe dat ik altijd goed kan opschieten met Westmalle.
‘Ja, maar hij is hier afhankelijk van je. Hij weet dat-ie jou niks moet flikken, want dan krijgt-ie geen bier meer. Nee, je moet ‘m niet vertrouwen. Ik heb die vent hele rare dingen zien doen.’
Joe trekt een gezicht waarmee hij wil zeggen dat-ie weet waar-ie over praat. & Serieus, zéér serieus staan z’n ogen.
‘Nou,’ zeg ik, ‘hier doet-ie in ieder geval niets verkeerds. Ik kan van ‘m op aan als-ie binnenkomt. Dat kan ik van veel andere junks niet zeggen.’
‘Ik heb een staarrelatie met ‘m,’ gaat Joe verder. Hij zet z’n ogen in een bepaalde stand. De staarstand. ‘Je weet dat ik ook vaak genoeg voor de Albert Heijn heb gestaan. Daar was hij ook altijd. Dan zagen we elkaar staan. Maar ik hield afstand. Want ik wist dat hij mij ook zag. We hielden elkaar in de gaten. Ik wist dat als hij me op een gegeven moment niet in ’t oog zou houden, dat ’t dan mis was. Ik heb ‘m rare dingen zien doen met mensen. Dat met dat slot van de week was nog niks. De politie doet niks tegen ‘m.’
‘Zolang hij zich hier gedraagt, vind ik ’t goed,’ zeg ik. ‘Ik merk niet wat hij buiten mijn deur doet.’
‘Als je ‘m maar in de gaten houdt. Niet je rug naar ‘m toekeren. Je kan ‘m niet vertrouwen. Ik weet ’t. Ik heb een staarrelatie met ‘m. & Dat weet-ie.’

Er is zoveel dat men eigenlijk niet wil weten in Zijperspace.

standaard

Ik manoeuvreerde m’n fiets de stoep op, langs de broer & zus die op een hoopje zand aan ’t spelen waren. Ik wilde de etalage van dichtbij bekijken. Ik stelde m’n fiets daartoe vlak voor de winkelruit. Om ‘m niet te hoeven vasthouden zette ik ‘m ff op z’n standaard.

‘Kan hij ook echt rijden?’ vroeg ’t jochie. Hij stond plots schuin voor me.
‘Ja, tuurlijk kan-ie rijden. Ik kom er toch net mee aanzetten.’
‘Hoe beweeg je dan?’
‘Gewoon: door te trappen.’
Z’n zus kwam er ook bij staan.
‘Waar zit de motor dan?’ vroeg zij.
‘Nee, ik heb geen motor. Die heb ik niet nodig.’
‘Is ’t dan geen bromfiets?’
‘Nee, ’t is een gewone fiets.’
‘Maar ’t heeft een standaard voor motors.’
Ik keek ff naar beneden. Inderdaad, dat is een standaard voor zwaarder verkeer. Maar ik heb er met m’n fiets veel profijt van.
‘Als jullie nou een stapje opzij doen. Dan zal ik jullie laten zien dat ’t een gewone fiets is.’

Men moet ’t deel begrijpen voor ’t geheel van Zijperspace.

heroes

Ik wilde='wilde' helemaal geen='geen' plaatje van='van' Bowie plaatsen, men='men' heeft z'n beeltenis='beeltenis' al vaak='vaak' genoeg gezien. maar='Maar' ik kon='kon' niets uit='uit' de film='film' 'Christiane F' vinden. Tenminste: niets='niets' voldeed.

Ik droomde dat we net zo zouden rennen als in Bahnhof Zoo. Zoals de kinderen van Bahnhof Zoo. Ik zag een stoet vrienden op oorverdovende wijze beslag leggen op de metrogangen. Elkaar omduwend, voortstuwend, achternarennend, over elkaar struikelend, duikelend. Rennend naar niks. Naar ’t einde, naar ’t begin, naar iets waar geen van ons weet van had, maar toch bereikt moest worden. We hielden elkaar vast, we schoten los. We renden de toestand in ons hoofd. Hard, hard, harder, de slow motion in ’t echte leven gekopieerd.
& De muziek zat van binnen. De tonen, ’t gieren, ’t gillen, ’t rammen, ’t schreeuwen, dreef ons voort. Terwijl Bowie zong.

Maar in werkelijkheid was ’t een discussie over wat we nou zouden gaan doen. Zittend op een bankje op de Dam. Zouden we gaan winkelen, misschien op zoek naar andersoortig vertier, zouden we gaan praten, of zouden we gaan wandelen, langs de grachten?
De groep bestond uit een mengsel van 10-tallen verliefdheden, dat slechts resulteerde in apathisch afwachten. Wie schaakte wie, & hoe bereikte men die toestand van openheid waarin de verliefdheid zonder schaamte bekend kon worden?
6 Meisjes & 5 jongens, misschien net iets te veel voor een dagje Amsterdam. Net iets te jong om ongecompliceerd over de andere sexe & ’t daarbij horende grote verlangen te kunnen hebben.
Niemand durfde initiatief te nemen, bang een verkeerd figuur te slaan als iemand anders een beter voorstel had. Dus bleven we besluiteloos zitten, wachtend op een goed idee. Wachtend tot de liefde vanzelf zou blijken.

Ik was verliefd op Mirjam. Maar desnoods ook op Suus, Tanja of Jetty. Je moest mogelijke gebeurtenissen niet uit de weg gaan. Hoewel ik ’t moeilijk had, kon ik een zekere mate van opportuun gedrag bij mezelf toelaten. Zoals wij allemaal. Want Ilse had een hekel aan Loek, Loek had een hekel aan Ilse. & Toch hadden ze een maand later een relatie voor ’t leven.

Besluiteloos zaten we op de Dam. Hopend dat er iemand in ons midden de rest op sleeptouw zou kunnen nemen. We waren met z’n allen te verlegen, te verroest, te afwachtend, door de dingen die nog moesten komen. Waarvan we wisten dat ze nog moesten komen.

Terwijl ik op ’t bankje zat, zag ik de kinderen van Bahnhof Zoo rennen. Ik wist dat ik ’t ook kon. De anderen zeker ook. Ik moest ze alleen nog vertellen dat we ’t echt zouden moeten doen. Rennen. Want we waren voor ’t rennen hier neergezet. Dicht bij elkaar, ver weg van waar we vandaan kwamen. We moesten nog ff een paar stappen verder. Vanaf nu zou alles vanzelf gebeuren. Als we maar verder gingen. Snel.
Er zou nog veel te weinig tijd overblijven als we zo door bleven gaan met zitten.

Men is blijven zitten in Zijperspace.

heup

Soms maak ik ’t nog wel mee, de zachte handlegging, aan beide zijden, op de vrouwenheup. Niet meer zo serieus, niet meer zo sensueel, maar eerder vriendschappelijk, onontkoombaar, noodzakelijk lief.

Ik weet niet wanneer ik ’t geleerd heb. Ik weet zelfs niet of ik ’t geleerd heb. Soms liggen die handen daar. Terwijl we gewoon aan ’t praten zijn. Of ’t gesprek aan ’t afronden. Op ’t punt gedag te zeggen. Dan volgt er vaak nog een kus. Terwijl de handen nog teder zacht op de heupen liggen.

Ik ben me er ontzettend bewust van, vooral achteraf. Alsof ik m’n handen zal moeten wassen om ’t gevoel van ’t aangeraakte lichaam te vergeten. De tinteling lijkt in de zenuwen van m’n handen te blijven zitten. Net zolang tot ik de volgende aanraking aanga.

Slechts de geroutineerde aanrakingen verdwijnen uit m’n lichaamsgeheugen. Terwijl die juist zo belangrijk zijn. ’t Is niet de uitzondering die bestendigheid levert, eerder de continuïteit zorgt voor gemoedsrust.

Ik ben een vrouwenman. M’n leven lang al. Komt door m’n moeder. Ik vond ’t maar wat fijn bij m’n moeder te zijn als m’n vader op vakantie ging. M’n moeder hield net als ik van thuis blijven. De wereld hoefde niet zo nodig te veranderen. Die veilige gedachte werd door m’n moeder bevestigd. Ik kon naast m’n moeder op de bank in slaap vallen, in ’t holletje van haar benen, m’n hoofd op haar heup.

Je zou ook kunnen zeggen dat ik al een vrouwenman was voordat ik m’n moeder kende. Zij was slechts de 1e uiting ervan.

Ik praat meer over m’n vader dan over m’n moeder. Terwijl ik m’n moeder al m’n leven lang nog veel liever heb. Dat hoor je niet te zeggen, net als dat m’n moeder nooit zei wie zij ’t liefst van haar 6 zoons had.
Begrijp me niet verkeerd. Ik heb een mooie vader. Ik heb ‘m leren kennen zo rond de tijd dat-ie bijna met pensioen ging. Ik ben nu langzaam bezig afscheid van hem te nemen. Veel te kort heb ik de tijd gehad.
Maar m’n moeder was er al. M’n moeder blijft ook nog een tijdje. M’n moeder is er.

& Soms leg ik m’n handen op de heupen van een vrouw. Weet ik veel op dat moment dat ’t eigenlijk komt door m’n moeder.

Ik was aan ’t schrijven & plots kreeg ik een reaktie van m’n moeder.

Probeer ’t dan maar ‘ns stil te houden in Zijperspace.

notify

Tegenwoordig hoor ik een vrolijk geluidje. ‘Notify’ wordt ’t geluidje genoemd. Dan weet ik tenminste dat er iets is binnengekomen. Ik kan dan blijven zitten of onmiddellijk opstaan om te kijken wat er aan de hand is. Meestal doe ik ’t laatste. Liefst zo snel mogelijk.

De 1e keer dat ik m’n eigen huis binnen stapte & op de deurmat een stapel, of misschien maar een enkele enveloppe, vond; ook al waren ’t rekeningen, ’t waren altijd kleine sensatietjes in de begintijd van zelfstandig wonen. M’n zelfstandigheid werd er door bevestigd. & Men vond blijkbaar dat ik belangrijk genoeg was om een postzegel aan te besteden. Grote bedrijven weliswaar niet, maar ze besteedden toch ook maar ‘ns ff een enveloppe & een blaadje papier om me m’n banksaldo mede te delen.

Eenzelfde sensatie, met een andere dimensie, voelde ik toen ik m’n 1e telefoon met antwoordapparaat installeerde. Voortaan stond er een rood lichtje te knipperen bij thuiskomst. Als men vond dat ik aandacht verdiende. Als men vond dat ik kontakt moest opnemen. Als men belangrijke mededelingen had, die via post onnodige vertraging zouden oplopen.
’t 1e Waar ik naar keek, zogauw ik de kamerdeur opendeed, was ’t lichtje van ’t antwoordapparaat. ‘Há, aandacht,’ ging er door m’n hoofd heen bij ’t zien van ’t vrolijk geknipper. ‘Há, ik mag ’t afluisterknopje indrukken. Hoef lekker aan niemand niet toestemming te vragen.’ Ong net zo’n gevoel als dat ik in m’n jonge jaren op ’t knopje in de bus mocht drukken, zodat we er de volgende halte uit konden.

& Heden ten dage dus ’t notify-geluidje. Overal in huis dringt ’t geluid tot me door. Alleen ’s nachts wil ’t me door diepe dromen wel ‘ns aan voorbijgaan.

‘Há, iemand reageert op Zijperspace.’

wisselgeld

Westmalle & de Turk staan voor me. Westmalle zou wel ff ’t biertje van de Turk betalen. Met een 10-tje. Maar ik heb geen 5-jes meer. & Geen muntjes van 2.
Voor de 3e keer wend ik me tot Jos: ‘Jos, kan je geen wisselgeld regelen? Ik kan de klanten niet meer helpen zo.’

Hij heeft al eerder z’n zakken ondersteboven gehaald. Er kwam € 1,52 tevoorschijn.
‘Daar heb ik niks aan. Ik moet € 5,- & € 2,- hebben.’
Dus ging Jos weer verder met waar-ie mee bezig was.
De 2e keer vroeg ik ‘m of-ie briefjes van 5 had. Nee, die had-ie niet. De klant ging met lege handen weg.

Achter de rij van Westmalle & de Turk staat een spaans echtpaar. Ze hebben al enkele bierglazen apart laten zetten. Met nog 2 flessen bier in de hand staan ze klaar om af te rekenen.
Westmalle & de Turk trekken zich daar niks van aan. In afwachting van de komst van Jos met wisselgeld praten ze gewoon hun taal van de straat.
‘Dan krijg je nog € 1,- van me,’ zegt Westmalle tegen de Turk. ‘Hoeveel kost dat blikje bier?’ vraagt-ie aan mij.
‘Ik heb daarnet € 2,- geleend,’ zegt de Turk.
‘Wat bedoel je? Heb ik dat van jou geleend of jij van mij?’
Westmalle snapt ’t niet helemaal meer. Hij staat evengoed wel rechtovereind. Z’n ogen willen echter niet de hele reis van ’t verhaal maken. ’t Wachten op wisselgeld lijkt een welkome rustpauze te zijn.
‘Nee,’ zegt de Turk, ‘Ik heb daarnet geleend. € 2,-. Dus nu koop jij blikje bier voor mij. Je weet wel. Die man voor de Albert Heijn.’
‘Je beduvelt me niet, hè?’

Ik wil de spaanse klanten in de tussentijd helpen. Ze halen € 20,- tevoorschijn voor een bedrag van € 15,50. Daar heb ik niet van terug. Ook niet als de man er een munt van 50 cent bijvoegt. Ze lopen naar buiten zonder hun spullen.

’t Gesprek van Westmalle & de Turk wordt luider.
‘Jongens,’ terwijl ik met m’n handen naar beneden gebaar, ‘sssst, rustig, rustig, als je bij mij in de winkel staat.’
‘Ah joh, alles gaat goed,’ zegt Westmalle, ‘ik heb ’t er alleen over dat als iemand me belazert, hij niet zomaar van me af komt.’

Mike komt achter de ruggen van de heren gelopen. Dronken, dat is zo te zien. Z’n oogleden zijn dubbel zo dik, z’n pupillen komen er nog net onderuit. Hij haalt 2 flessen 8.6 uit de ijskast & rekent die gepast met me af. Hij gaat met Joe buiten zitten, voor de winkel. Elke passant krijgt van hem commentaar, zodat ik naar buiten moet lopen om hem te zeggen dat-ie zich kalm moet houden.
‘Jaja, alles in orde,’ antwoordt Mike.
Joe heeft echter geen zin om bij deze Mike te blijven zitten & loopt weg.

Westmalle gaat verder: ‘Desnoods sta ik tegenover 6 man met blote handen. Ik laat niet met me sollen.’
‘Kom op, Westmalle. Doe nou ff rustig. Je bent bij mij in de winkel.’
‘Ja, maar ik meen ’t. Met m’n blote handen sla ik iedereen van me af. Zolang ik ’t volhoud, zal ik blijven vechten. Ze moeten me gewoon niet belazeren.’
‘Jajajaja,’ beaamt de Turk, ‘maar die jongen gaf jou. Dus moest al je kleingeld geven. Toen heb ik € 2,- geleend.’

Jos komt binnen. Een handvol € 2,-muntstukken. Ik geef Westmalle z’n wisselgeld. Ze verlaten de winkel, nog steeds in discussie over ’t geld. Westmalle kijkt nog ff naar mij. Zwaar staan z’n wenkbrauwen. Hij zou kwaad op me kunnen zijn. Maar dat lijkt me onmogelijk.
‘Je moet weten: ik laat me echt niet gek maken. Niemand krijgt mij zomaar te pakken.’
Terwijl-ie op z’n fiets probeert te stappen keert-ie de helft van z’n flesje bier leeg over straat. Westmalle merkt er niets van.

Mike komt z’n laatste flesje halen. Hij laat een reusachtige boer op ’t moment dat-ie ’t kleingeld overhandigt.
‘Mike! Shit, je weet toch dat ik dat niet wil hebben.’ Voor ’t gemak ga ik maar over op ’t engels. ‘You should behave yourself when you’re in my shop.’
‘Yeah, but sometimes it’s gotta go out.’
‘But then you should be outside the shop.’
Hij pakt z’n flesje op, kijkt me donker aan & loopt lallend richting huis.

’t Spaanse echtpaar komt onverwacht toch nog terug. Met een vergenoegd gezicht overhandigt de man € 15,50. Gepast.

Er gaat weer volop gewisseld worden in Zijperspace.

ogen

Ik heb snelle ogen. Zoals anderen langzame ogen hebben & goed zijn in de dingen laten gebeuren zoals ze zich voordoen, heb ik de neiging om de dingen te zien aankomen & ze te willen beïnvloeden. Of ze in ieder geval te registreren, niet onopgemerkt voorbij te laten gaan.
Dus haal ik een rondje tijdens de weblogmeeting, als bijna alle glazen leeg zijn, maar nog niemand bedacht heeft dat men bij de bar nieuwe voorraden vloeistof heeft. Ik hoef eigenlijk niet te vragen wat iedereen hebben wil. Ik weet dat Gaby & Mar10e genoeg hebben aan hun nog ½-volle glas cola light, Remco zal overstappen op iets anders dan bier, omdat-ie nog moet rijden, Emiel ’tzelfde idee heeft, Patrick waarschijnlijk z’n leven lang niets anders drinkt dan cola (‘gewoon, die vette’), Tom, Roland, T-Jo, Bas & Staalin (hoewel deze een ietwat tegenstribbelt) zich aanpassen aan mijn tempo van drinken, de dames zo af & toe een rondje overslaan, Steffen z’n eigen drankje wel haalt, Omar niets anders dan Koninck drinkt. & Ramon onnavolgbaar voor mijn snelle ogen is. De ene keer chocomel, dan appelsap, plots fristi.

Ik heb snelle ogen. Terwijl ik me op de heenreis kostelijk amuseer om ’t gesprek dat Roland, Sandra, Ramon & ik voeren, zie ik ondertussen heus wel dat onze buurvrouwen in de coupé schichtig de trui uittrekken. Bang dat hun vrouwelijke vormen te veel zullen worden begluurd. Terwijl ik naar uiteenzettingen luister over de vermeende homofiliteit van Ramon & z’n vader, zie ik heus wel in m’n ooghoek dat een nieuw t-shirtje ook nog ff gepast moet worden, & dat daarbij een blik wordt geworpen die betekent dat ’t niet toegestaan is de pasprocedure te volgen. Terwijl Sandra & Roland over hun gemis, hun plotse gemis van de fiets, vertellen, zie ik wederom heus wel dat beide buurvrouwen ondertussen hun dikke trui weer aantrekken.

Ik heb snelle ogen, beweer ik te zeggen. M’n ogen schieten van hot naar her, de hele tijd afgeleid door onopvallend opvallende dingen. Een flits (die waren er volop om door afgeleid te worden), een beweging, een lach, een zucht.

Maar zittend achter de comp raak ik ontieglijk vermoeid van ’t maken van alle links naar webloggers die in dit stukje genoemd worden. Terwijl ik waarschijnlijk nog wel een paar vergeten ben, die ook aanwezig waren. Linkloggen moet een vermoeiende bezigheid zijn, lijkt me.

Ogen hebben ook af & toe rust nodig in Zijperspace.
PS: Oeps, helemaal vergeten. Bovenstaande was vrij naar een stukje uit ‘Familieziek’ van Adriaan van Dis.

schoorsteen

Ik was goed in tekenen. Vooral in ’t tekenen van huizen. Iedereen zei ’t. Als ik m’n tekening bij Oma in de Jan van Galenstraat langsbracht, terugkomend uit school, was ’t: ‘O, wat mooi! Mag ik die hebben? Wat prachtig!’
& Iedereen die met Oma aan de de koffietafel zat, beaamde dit.
‘Waar staat dat huis?’
‘Is dat waar jullie wonen?’
‘Ben jij die mooie jongen voor ’t huis?’
‘Jij verwent je oma echt, zeg, met al die tekeningen.’

‘Hier, ga daar maar wat lekkers voor halen bij Mahieutje.’
Ik kreeg een stuiver toegestopt. Voor de snoepwinkel verderop in de straat.
Met m’n mond vol snoep keerde ik terug bij Oma. Daar zat Ome Carel ook ondertussen. Hij gaf altijd een hele stevige hand bij begroeting, maar ’t deed niet zo’n pijn als de hand van Ome Rikus. Met Ome Carel was ’t lachen.
(Jaren later zei hij tegen mij: ‘Zo, dus jij bent ’t tuig van de bovenste richel?’ Daar kon ik me niks bij voorstellen, behalve een soortemet afvoerrichel bij een dakkonstruktie, met een afvoerpijp er aan hangend. Maar wat deed dat tuig er toch bij, vroeg ik me af. Ik antwoordde dus maar twijfelend ‘Nee’. Je moest immers altijd je ooms & tantes antwoord geven. Dat hoorde. Ook al was dat wellicht ’t verkeerde antwoord.)

‘Zo, dus jij hebt die prachtige tekening gemaakt?’ zei Ome Carel. ‘Maar schoorstenen kan je blijkbaar niet tekenen. Schoorstenen staan nl recht omhoog. Niet schuin.’
Hij gaf me een tik op de billen & liet me nog een huis tekenen, nadat-ie aanwijzingen voor een rechtopstaande schoorsteen had gegeven op de oude tekening.
Ik tekende een nieuw huis. Een vrijstaand huis. Breed, groot. Wel 3 verdiepingen & 6 ramen aan de voorkant op de begane grond. Een hele grote tuin achter. Daar stond weer een mannetje. Waarschijnlijk was ik dat weer. Of misschien was ’t m’n vader. Dat kon je toch niet zien. ’t Huis had een mooi hoog dak, met allemaal rode dakpannen. Maar zonder schoorsteen.
‘Hé, dat huis heeft geen schoorsteen,’ stuurde Ome Carel me terug naar m’n tekentafel.

Men laat zich graag terugsturen naar Zijperspace.

theïne

Van oorsprong is ’t een wit kopje. Afkomstig van Sphinx, Royal Sphinx staat er als stempel op de bodem, te Maastricht. Als ’t enigszins mogelijk zou zijn, zou ik al m’n servies daarvandaan halen. Mocht ’t nog gemaakt worden. Die heerlijk gewone 50-er jaren uitstraling, waar niks te veel aan is, geen opsmuk aan zit die storend oogt.
Ik heb er nog meer staan. Bovenop de ijskast. Ook meegekregen van Ben & Henny van ’t instituut op de Nieuwe Doelenstraat.
‘Gebruikten ze toch niet meer,’ zei Henny, ‘neem er maar een paar mee.’
Ben had er meer moeite mee. Ook al gebruikte hij de kopjes niet meer voor ’t uitschenken van koffie & thee, hij wilde niet dat ze zomaar de deur uitgingen. Maar Ben was nou 1maal altijd wat moeilijker, vooral als ’t jongens aanging.
‘Hier,’ deed Henny toen. & Ze pakte snel een stel kopjes in krantjes in, stopte ze in een tas. Ik moest ze snel wegbergen, voordat Ben terug zou komen. Ben miste ze later wel, wist meteen dat ik ze dus thuis moest hebben, maar zei er niks meer van. Hij gunde ’t me evengoed wel, kon je zien aan z’n blik.

Maar ik gebruik er altijd slechts 1. Ik ben nou 1maal op mezelf. Slechts een enkele keer is er hier visite die koffie/thee drinkt. Dan pak ik een xtra kopje van de ijskast.
De mijne staat vies te worden. Te lui om ‘m af te wassen als de ochtendthee er op zit. Ik gebruik ‘m gewoon de volgende dag weer. Ben ik niet vies van. Waardoor er een bruine theïne-rand aan de binnenkant hangt. Boven ’t nivo van inschenken. & Een bruine vlek aan de buitenkant waar ik m’n mond altijd plaats. Een lekvlek.

’t Voelt vertrouwd, dat vieze kopje. Ik heb eigenlijk helemaal geen zin om ‘m schoon te maken. Kwestie van een schuursponsje hanteren. 3 Harde vegen & de theïne is weg. Maar ’t is míjn kopje, dramt ’t eigenwijs in m’n hoofd. Niemand die bepaalt wanneer mijn kopje schoon moet zijn.

Ok, ik maak ‘m wel ‘ns schoon, met de gedachte dat er iemand langs zou kunnen komen. Dan kan die persoon dat kopje naast m’n comp-beeldscherm zien staan. Ik wil niet dat aan dat uitzicht verdere conclusies worden gekoppeld.
Dan krijgt de visite thee/koffie uit dat andere kopje, want mijn kopje is mijn kopje. & Een ander lepeltje, van mijn lepeltje blijft de visite ook af.

Er rust een smet op smetvrees in Zijperspace.