uitzondering

Heb ik de lezer ooit lastig gevallen met Shakespeare? Heb ik ooit overduidelijk laten merken dat ik bijna alles van Shakespeare (weliswaar over ’t algemeen in nederlandse vertaling) gelezen heb? Dat ik vind dat eigenlijk eenieder dat zou moeten doen?
Door ’t stellen van deze vragen bedoel ik slechts te zeggen: bij gebrek aan betere mededelingen, & aanwezigheid van een docu van Al Pacino over Richard III, van Shakespeare, op ’t 5e net, zie ik mij gedwongen u hiervan op de hoogte te brengen. Ik ben er in ieder geval bijtijds voor thuisgekomen.

Voor de rest zal geen voortgeplante wijsheid zich verspreiden vanuit Zijperspace.

De volgende ochtend:
Eigenlijk ben ik vergeten erbij te vertellen dat ik ’t grootste gedeelte van de inhoud van de stukken van Shakespeare vergeten ben. Ik zie me nog wel staan in de bieb voor ’t schap met toneelwerken, ik zie me elke keer 3 werken van ‘m meenemen & een week later terugkomen voor de volgende 3, maar wat ik toendertijd tot me heb genomen is bijna geheel weg. ’t Wordt vooral overschaduwd door shots uit films, bewerkingen voor ’t doek (Orson Welles & Kenneth Brannagh), of BBC-uitvoeringen (John Cleese in ‘Taming of the shrew’). Gelukkig ben ik niet alles kwijt, denk ik dan. Maar ik zou niet zomaar de verhalen na kunnen vertellen.
Van ’t verhaal van de docu gisteravond kan ik ook niet veel berichten. Binnen een ½ uur was ik vertrokken. Weliswaar zat ik nog steeds op dezelfde plek, maar dan in een dergelijke geestelijke toestand dat beelden & geluiden ervan niet onmiddellijk door mij konden worden opgenomen. Ik had me voorgenomen meteen de video-recorder aan te zetten mocht zich een dergelijke behoefte bij mij ontstaan, maar ik kan me ’t moment van sluimering zelfs niet herinneren. Waarschijnlijk ben ik plots als een blok in slaap gevallen. Toen ik weer enigszins bijkwam op m’n bank was ’t programma reeds 2 uur vervangen door veel nietszeggender beelden.

Ik heb al jaren ’t verzameld werk van Shakespeare in m’n kast staan. Een enkele keer heb ik er een blik in geworpen; de ouderwetse engelse taal houdt me tegen me er verder in te verdiepen. Maar bij ’t declameren door Al Pacino:

Now is the winter of our discontent
Made glorious summer by this sun of York;
And all the clouds that lour’d upon our house
In the deep bosom of the ocean buried…..

heb ik toch weer besloten dat ik nogmaals een poging moet wagen de inhoud tijdelijk onderdak te verlenen in m’n hoofd. Zeer tijdelijk misschien, maar ’t zal een aangenamen verpozen zijn.

voetbal

‘Is jouw voetbal wel ‘ns doormidden gesneden toen je klein was?’ vraag ik aan de man die de opmerking maakte. ‘Alleen maar omdat-ie terecht kwam in de tuin van 1 van de buren.’
Er voetballen 2 kinderen op ’t terras. Maar voetballen mag je ’t nogeneens noemen. Een tik van vader tegen de bal & ze rennen er 5 minuten achter aan zonder de bal te kunnnen bereiken. Gewoon omdat-ie verder zwiebert sneller dan de beentjes kunnen hobbelen.

De buurman van onze buren had er op een gegeven moment genoeg van. Roodgloeiend kwam-ie door z’n garage naar ’t achterpleintje lopen.
‘Dit is de laatste keer dat jullie ‘m terugkrijgen. De volgende keer kunnen jullie 2 helften op komen halen.’
We begrepen er niks van. Als we vanuit de slaapkamer van m’n broertje naar z’n tuin keken, konden we ons niet voorstellen dat-ie bang was voor schade aan z’n planten. ’t Waren grootdeels tegels die z’n tuin sierden.
Maar bang waren we wel. We hadden maar 1 bal. & Pa & Ma hadden ons ook al gewaarschuwd.
‘Jullie kunnen er toch voor zorgen dat de bal niet omhoog gaat. Dan kan-ie ook niet over de garages vliegen.’
& Toch gebeurde ’t elke keer. Per ongeluk. Hoewel ik Carel ervan verdacht doelbewust tegen de bal aan te loeien. Dan kon-ie weer ’t dak opklimmen om ‘m eraf te halen.
De buurman van de buren zag er normaal altijd ontzettend aardig uit. Een gemoedelijke oude man, zou je denken, die veranderde in een norse vent die op ’t punt stond uit elkaar te ploffen zogauw-ie een voetbal in z’n handen kreeg.
& Weer riep-ie: ‘De volgende keer snij ik ‘m aan stukken!’

De 2 kinderen bezitten nog niet de voetbalgerechtigde leeftijd. ’t Lijkt zelfs alsof ze voor ’t 1st een bal in levende lijve zien. Zo enthousiast als ze zijn over z’n plotse wendingen. Alleen maar doordat-ie tegen een been opstoot.
De heren zitten op enkele meters al uren met elkaar te praten. Zoals elke vrijdag. Nog net niet op leeftijd, maar ’t vermoeden bestaat dat ze gedrieën vrijgezel ’t leven zullen voltooien.
Baldadig van ’t genoten bier roept 1: ‘We rennen er op af, pakken de bal, & gooien ‘m midden op de weg.’

M’n ouders waren nog maar net verhuisd. Vanaf de 1e dag kwamen er ballen in de tuin terecht. Mijn vader heeft zich altijd aan tuinen gehecht. Hij heeft ook altijd begrepen dat kinderen moeten spelen. Een speelpleintje nodigt er toe uit.
Hij gaf de ballen terug. Vroeg of de kinderen misschien een beetje wilden oppassen. Omdat er allerlei zeldzame plantjes in de tuin staan.
‘Ach, ouwe vent. Zit niet zo te zeuren. Wij zijn hier alleen maar aan ’t voetballen.’
M’n ouders zijn om die kinderen snel naar een ander huis gaan zoeken.

Op ’t moment dat de baldadige opmerking wordt gemaakt, arriveer ik bij de tafel van de 3 heren.
‘Is jouw voetbal wel ‘ns doormidden gesneden?’
‘Ach ja,’ reageert er 1. Hij begint met z’n hand over z’n gezicht te wrijven. Plukt wat aan z’n sik. ‘God. Nou!’
Z’n lichaamsbewegingen verraden veel wroeging. Z’n wenkbrauwen trekken, een grimas ontstaat. Hij knijpt z’n ogen dicht. Z’n armen gooit-ie los van de stoel. Beide handen heeft-ie nodig om de herinnering in z’n gezicht te bezweren.
De andere 2 zitten stil te kijken hoe de herinneringen bij hun vriend opspelen.
Die hebben vroeger zeker nooit achter ’t huis gevoetbald, denk ik.
De 2 kinderen gieren voorbij, terwijl hun vader de bal alweer de tegengestelde richting op heeft gestuurd.

Zijperspace is een vat van tegenstrijdige belangen.

kinderboek

Ik wilde vroeger een boek schrijven. Een kinderboek. Ik heb ’t toen aan Theresa verteld. Want ik dacht dat ik een verschrikkelijk leuk onderwerp had. Voor kinderen dan.

Ik vertelde ’t Theresa toen ik bij haar in bed lag. Laat in de nacht was dat. Voor de rest niet belangrijk, zo lijkt ’t, maar ze had me net een compliment gemaakt, midden in de nacht, & die opmerking deed me aan ’t onderwerp voor ’t boek denken.

Je moet bepaalde mededelingen plannen. Dat zou je eigenlijk met de paplepel ingegoten moeten worden. Is niet gebeurd in mijn opvoeding. Neem ik ze niet kwalijk hoor, die ouders van me. Is iets wat er toevallig net bij ingeschoten is. Als ze dat wel in de opvoeding hadden meegenomen, hadden ze vast iets anders over ’t hoofd gezien. Net als elke andere ouder.
Maar toch was ’t wel handig geweest dat ik dat geweten had, ’t plannen van mededelingen, dan wel opmerkingen, tov een meisje waarmee je in bed ligt. Maar m’n ouders hebben nu 1maal nooit uitgelegd hoe je je moet gedragen tegenover een meisje met wie je in bed ligt voordat ’t officiële ja-woord heeft geluid. Dat hebben wij broers allemaal zelf uitgevonden. & Daar hebben we zeker geen spijt van gekregen. Maar dan heb ik ’t weer over iets te specifieke aspekten van de ontmoeting van elkaar in liggende toestand & niet over ’t opendoen van de mond voor ’t maken van opmerkingen.

Ik maak wel vaker verkeerde opmerkingen. ’t Floept er wel eens spontaan uit. Of een bepaald onderwerp houdt me dusdanig bezig dat m’n mond geen vergrendeling meer kent. ’t Sleuteltje dat zich ergens in m’n hersenen moet bevinden is zoek geraakt.
Vaak denk ik: had ik me maar op een ander moment geuit, had ik maar enkele tellen geduld gehad. Dat hebben m’n ouders me wel bijgebracht: altijd 1st tot 10 tellen. Meestal was ik die boodschap kwijt zogauw ’t ging om ’t maken van domme, stuntelige, onbeholpen & mogelijk kwetsende opmerkingen. Was ik in m’n wedijver net zo snedig te zijn als de clown van de klas al bezig mezelf voor de rest van ’t schooljaar voor de klasselul uit te gaan maken. Hoefde ik slechts m’n mond voor open te doen op ’t moment dat & de klasseclown & de docent tegelijk hun mond hielden. Dat zijn de verkeerde momenten om grappig te proberen te zijn.

Ik wilde dus een kinderboek schrijven. Door op zaterdag op de jeugdafdeling van de bieb te werken had ik ervaring met wat kinderen leuk vinden om te lezen. Tijdens ’t uitlenen & inleveren gingen alle boeken aan mij voorbij, & anders wel bij ’t opruimen van de rotzooi die de etters achterlieten. Dus ik moest ’t ook kunnen. Zeker als ik zeker wist dat ’t een goed idee was.

Zelden zo’n intieme nacht met Theresa gehad. ’t Was ’t goede moment om eindelijk ook ‘ns wat intiems over mezelf te vertellen. Buiten ’t gewone intiems waar ik haar mee had gewonnen.
Ze vond me mooi, had ze tegen me gezegd. Eigenlijk best wel mooi, had ze gezegd.
Ja, dat kan je nou wel zeggen, zei ik tegen haar, maar weet je dat je helemaal niks opschiet met mooiheid?
& Ik ging haar vertellen hoe kwetsend ’t kon zijn om mooi te zijn, hoe makkelijk andere mensen een mening over je kunnen hebben, hoe je je houding moet aanpassen om volledig aan de wens te voldoen die mensen van je verlangen. Als je aangetrokken bent om ergens voor te modelleren ben je bijna altijd net niet mooi genoeg, moet je net een andere make-up gebruiken, net een andere pose aannemen, eindelijk eens spontaan gaan lachen, enzovoorts. Zelfs als je op je allermooist bent, kan er altijd wel wat aan je verbeterd worden. Perfektie kan nooit bereikt worden. Zeker niet voor iemand die mooi is.
& Daar wilde ik een boek over schrijven. Een kinderboek.

Theresa was erg blij dat ze me ’t compliment had gegeven. Ze hoopte dat ’t me zou lukken met ’t boek. ’t Kinderboek.
Maar nu had ze zin om te slapen. Of ik m’n mond voor de rest wilde houden.

Sindsdien erg veel de mond gehouden in Zijperspace.

vertrouwen

Hij fluit terwijl-ie door m’n gang loopt. Waarbij hij af & toe door m’n kamerdeur roept dat-ie ff spullen aan ’t halen is. Dit ter verklaring van een open voordeur. Hij heeft in de tuin een radio aan staan, op een zender die men bij mij niet terug zal vinden. Nee, dat moet ik anders zeggen: die ik niet eens op m’n radio zou durven te vinden. Hij klaagt 100-uit tegenover de man (20 jaar jonger dan hij, 10 jaar jonger dan ik) van Woningbouwvereniging ’t Oosten. Hij heeft ’t tegenover de jongeman over de Arbo-wet, over dat hij ’t risico niet wil nemen, dat z’n mannen ’t heus wel zullen doen zogauw de stellage er staat, maar als er op een gegeven moment een lichaam op de grond ligt, dan is ’t te laat, & daar gaat-ie dus niet aan beginnen. & Hij praat ook nog een beetje met mij. Hij herhaalt de klachten die hij reeds in mijn bijzijn tegenover ’t Oosten heeft geuit, constateert tijdens z’n werkzaamheden luidop dat de muur zo toch wel opknapt, vraagt of ik wat spullen wil verwijderen & of hij dat houten schot tegen de muur mag verwijderen, alsook ’t struikje bij de keukendeur.
Aan z’n manier van praten is te horen dat-ie van italiaanse afkomst is. 1e Generatie.

Ik hoor z’n fluitje zojuist weer door de gang terugkeren. Z’n schaduw staat weer afgetekend tegen de gordijnen die ik dichtgelaten heb. Om nog wat privacy te hebben.

De man is prettig. Hij zingt niet luidkeels mee met de radio, zoals z’n 2 werknemers van enkele weken geleden. Hooguit een mompelend deuntje hoor ik door de deur weerklinken. Hij is niet amicaal. Eerder voorkomend. Hij doet langer over de klus als die andere 2, waardoor ik weet dat ’t dit keer zorgvuldig gebeurt. Hij zet z’n voeten niet ongevraagd in de tuin. Hij plaatste zelfs ’t materiaal dat in de weg stond niet bovenop de majoraan & brunel, zonder daarvoor toestemming aan mij gevraagd te hebben.

‘Ik weet niet of ik ’t wel voor 1-en afkrijg,’ zegt-ie, ‘want je moest toch om 1 uur naar je werk?’
‘Ja, zo rond 1 uur moet ik weg.’
”t Zou toch handig zijn als ik ’t vandaag afkrijg. Kan ik misschien reserve-sleutels gebruiken?’
Hij haalt een bos sleutels uit z’n broekzak.
‘Kijk. Ik heb ook de sleutels van andere buren.’
Hij wil graag vertrouwd worden.

Ik had ze niet aan z’n almeers amsterdamse collega’s gegeven. Stipt om 1 uur zou ik hun hebben geroepen om te zeggen dat ik nou toch echt de deur uitmoet.

Maar toch hebben we een gordijn opgetrokken om Zijperspace.

morgenochtend

Ok. Morgenochtend ga ik weer ijverig schrijven, als er 2 schilders in m’n achtertuin de planten staan plat te stampen, veronderstellend dat God slechts de hemel geschapen heeft om aandacht aan te besteden, & de mens slechts bouwwerken ter meerdere glorie van hem of anders die bouwsels bekleed met muren & raampartijen die continu grondig veel verf nodig hebben, anders zou diezelfde god niets te eten kunnen verzorgen voor de nederigste discipel zijner volgelingen, gezien zijn visie op de economische struktuur van zijn creaties.
Morgenochtend laat ik de gordijnen gesloten, waan ik mij diep weggedoken in m’n eigen cocon & onderneem ik slechts stiekeme handelingen waarop geen enkel ander levend wezen een blik vergund is, zeker niet als deez persoon ’t beroep van gluurder tot een broodwinning heeft verkozen.
Morgenochtend ben ik weer gevrijwaard van een allesoverheersende slaap veroorzaakt door de nachtelijke storing een etmaal geleden, die op zijn beurt zijn bron had in de aankondiging van de visite aan mijn achtertuin.
Morgenochtend zal ik weer de moeite nemen, de puf, de gelegenheid, de dwang, de neurose, de aandacht voor de bezoeker hebben om enige bites hier af te drukken.

Vervolgens zullen we ’t betitelen als onderdeel van Zijperspace.

summier

Er lag een briefje van de bezorger in de brievenbus. Niet van de reguliere postbode, Harry, want die was ik op straat tegengekomen. Hij vertelde over z’n vakantie op Koss & niets over een poststuk dat niet door de brievenbus zou kunnen.
Misschien dat ik eindelijk ’t biert-shirtje zou ontvangen uit Amerika, bedacht ik me. Al 3 maanden geleden is me dat beloofd, maar ik heb nog niets van de persoon die me die belofte deed gehoord.

Ik heb m’n ochtend er op afgestemd. Ben wat vroeger uit bed gestapt. Ben vrij snel gaan douchen. Heb de boterhammen belegd, & thee gedronken, alvorens ’t huis te verlaten voor de bestemming postkantoor op de Nobelweg. Dit alles met in m’n achterhoofd dat ’t daar veel langer kan duren dan verwacht.

Er staat tegenwoordig niet meer zoveel info op de papiertjes van de PTT. ’t Enige dat vermeld staat is de datum waarop er aan de deur voor aflevering is aangeklopt. Voor de rest de automatische voorgetikte boodschap dat ik ’t op ’t postkantoor kan ophalen. Met een stempel van de Nobelweg.

‘Ik kom post halen dat gister niet kon worden afgeleverd op mijn adres,’ zeg ik tegen de baliemedewerker.
‘Wat voor post?’ vraagt hij.
‘Dat weet ik niet. Er staat slechts summiere info op dit papiertje.’
Hij pakt ‘m van me aan. Begint ‘m meteen glad te vouwen. Hij moet blijkbaar door een machine, want hij legt ‘m vervolgens voor een gleuf, waarin-ie weggezogen lijkt te worden.
‘Ja,’ zegt de man, ‘er staat minimale uitleg op de papiertjes.’
Hij loopt ondertussen naar achter. Pakt iets van een stapel & overhandigt me de nieuwe telefoongids.

Soms houden we helemaal niet van spanning in Zijperspace.

verleden

Ik weet nu eindelijk wat er met de lichamen is gebeurd die vorig jaar naar beneden vielen. Ik heb ’t niet gezien, ik heb ’t slechts kunnen horen. & Ik heb de blikken op tv kunnen zien van de mensen die in de hal van ’t WTC stonden. Ze schrokken op van ’t geluid. Alsof ze dachten dat er een nieuwe xplosie plaatsvond. Een kleine xplosie, maar een xplosie. Totdat ze gerustgesteld werden door de blik die ze naar buiten wierpen. & Tegelijkertijd verontrust raakten van iets dat de kijker niet kan zien.

Ik heb vandaag zitten praten met Ed. Over Bart, over Leo, over Peter. Over jongens van vroeger. Ook over meisjes van vroeger, de vrouwen die nu de moeder zijn van hun kinderen. Ik vertelde Ed dat ik Bart, Leo & Peter, hun vroegere/huidige vrouwen zelden of nooit zag. Ook al wonen ze bij me in de buurt.
& Ik heb gepraat met Nel, de vroegere ‘stationsdel’, ondertussen kaartjescontroleur. Ze zag er bijna onherkenbaar dik uit, toen ze langskwam om m’n kaartje te checken. Maar ze verklaarde de omvang door te vertellen dat ze de moeder van een inmiddels 5-jarig kind was. Dan is de omvang geoorloofd, denk je dan. Maar ik kon me haar slechts voorstellen als ’t meisje van toen.
Ik heb zitten praten met Quint, m’n broer. Die iedereen kent, mensen die ik allang vergeten ben. Die me steeds weer moet uitleggen wie ook alweer wie was. Of inmiddels is. Quint, de broer die alle namen kent van iedereen die in Den Helder heeft gewoond. Hij levert de achternamen daar gratis bij kado.

’t Leven is dichtbij, ’t leven is veraf. ’t Leven is een mistige verre bank die je in de verte langs de duinen ziet hangen, als je met de trein voorbijtrekt. ’t Is de oorzaak van een benauwd gevoel, een beklemming van een ganse dag.
’t Leven is een donderwolk van witte stofdeeltjes die in een ander continent lichamen bedekt. Restanten van een toren, 2 torens, niets eigenlijk.

Ik moet naar Den Helder, zo af & toe. Ik leg uit aan mensen die ik tegenkom, dat ik m’n vader nog zo vaak mogelijk moet meemaken. Ik vertel dat er nog weinig over is van m’n vaders geheugen.
& Daarnaast luister ik naar m’n vaders reisverslag. Over de avonturen naar & van Lourdes. Ik hoor ’t verhaal aangevuld worden door m’n moeder.
‘Kijk, nou kan je ook zien hoe de Donkere Duinen er uit zien,’ zei hij tegen de pastoor die de reis vergezelde. Terwijl ze uitzicht hadden op ’t bos naast ’t vliegveld van Eindhoven. De Donkere Duinen liggen echter aan de rand van Den Helder.
Hij beschouwt ’t als een grove fout, zegt-ie, maar m’n moeder & ik vinden dat wel meevallen.

& Ik merk dat alles in omgekeerde volgorde plaatsvindt voor de mens. 1st Is er de gebeurtenis. Vervolgens de reconstructie. Waarin alles anders is, anders samenvalt als de werkelijkheid. Precies andersom.
De lichamen vallen omhoog. M’n vader beleeft z’n jeugd. Ik vertel over nu.

Zijperspace heeft ooit bestaan.

verwijzing

Een interne verwijzing lijkt noodzakelijk gezien ’t feit dat opeens div stukjes verschijnen in Weblogland mbt wat de aktiviteiten waren precies een jaar geleden. Men zou ’t er op kunnen houden dat ik er niet van hou om over onderwerpen te schrijven als iedereen over datzelfde onderwerp schrijft, of men zou kunnen zeggen dat ik voorvoelde dat er zoveel aandacht voor zou komen, men zou zelfs kunnen beweren dat ik vorige week reeds heftig geëmotioneerd was, desaltniettemin, bij deze: dat wat mij gebeurde vorig jaar.

’t Zou ook kunnen dat ’t jaar gewoon sneller voorbijgaat in Zijperspace.

vloer

Alsof ik een gouden sieraad uit m’n handen heb laten vallen, zo kruip ik plots tastend over de vloerbedekking. Ik leg m’n hoofd plat op de grond, om elke oneffenheid tegen de horizon van de muur in de verte te kunnen waarnemen. Ik wrijf m’n beide handen in cirkelvormige bewegingen wijder & wijder uit ’t midden vliedend om enige stekeligheid met m’n tere gevoelige huid te kunnen voelen. Ik heb m’n nagel laten vallen bij ’t afknippen.

Hoelang is ’t geleden dat ik de vloerbedekking op een dergelijke wijze bestudeerde, maar ’t nogeneens vreemd vond? Jaren geleden bracht ik ’t grootste gedeelte van de tijd door op de grond, rondscheurend met m’n auto’s, aanvallend met m’n legers, of verwoestende manoeuvres makend met de playmobieltjes van m’n broertje. & Als je je overbuurman, je broertje, je grootste vijand, moest bespieden, legde je je hoofd op de vloer neer. Om te kijken wat ’t zicht was dat jouw mannetje had op de burcht van de tegenpartij.

Nu schoot ’t me te binnen dat de vloerbedekking er alweer 2½ jaar ligt. Dat ik me al die tijd op sokken voortbeweeg, soms ook wel op schoenen, maar dat liefst niet te lang, op die ondergrond.
Dat ’t daardoor slijtage ondervindt & platter wordt. ’t Gaat niet snel, met die sokken, maar ’t valt toch waar te nemen. De plek waar ik achter de comp zit, moet ik maar niet beschouwen, want daar was ’t na een ½ jaar al grootdeels een mm ingezakt.
Dat ’t vlekken vertoont. Kijk: daar ligt de witte vlek van de tandpasta, vlak voor m’n vakantie uit m’n mond gevallen. Onbewust zoek ik ook nog ff naar de plekken waar ik door onhandige bewegingen bier heb gemorst. Die vallen echter niet waar te nemen, hooguit te ruiken.

Hé, dit mag dan geen 1e kwaliteits-tapijt zijn. ’t Is niet stevig, onslijtbaar, onverwoestbaar & makkelijk uitwasbaar. Maar dit is toevallig wel dat stukje ondergrond dat ik toendertijd, met ’t laatste beetje spaargeld dat ik nog dacht over te hebben, heb laten leggen. Absoluut niet in de kleur die ik mezelf wenste, maar wel er ’t dichtst bij in de buurt komend. Dit is wel ’t symbool van ’t net niet kunnen bereiken van ’t volmaakte onderkomen, met de bijna, net niet, juiste zachtheid onder m’n voeten. ’t Perfekte paradijs met al z’n onvolkomendheden.

Daar lig ik met m’n wang tegen die onvolkomendheid. ’t Schuurt eigenlijk een beetje; ik kan me beter niet bewegen, want dan hoef ik me morgen net zo goed niet te scheren.
’t Is evengoed wel zo dat niemand anders ooit op dezelfde manier op dezelfde plek met z’n wang heeft gelegen. Daar ben ik bijna zeker van. & ’t Is toevallig wel zo dat ik me er al 955 dagen op voortbeweeg, of stilsta, of zit, of andersoortige dingen die me niet zo snel te binnen schieten.

’t Was een sensatie als er op een gegeven moment een nieuwe vloerbedekking in ’t ouderlijk huis kwam. Maar ik geloof alleen niet dat ’t vaak gebeurde. Waarschijnlijk alleen als we verhuisden. Ik herinner me vooral ’t rode pluizige tapijt, waarover ’t moeilijk scheuren was met de matchbox-autootjes.
& We raakten daar ook wel ‘ns spullen in kwijt. Weet alleen niet meer wat. Kleine objekten, dat is zeker, want daar heb ik de truuk van met de platte hand over de vloer aaien aan overgehouden. Elk obstakel voelde je vanzelf.

Vandaag werkte die truuk alleen niet. ’t Objekt was niet te vinden.
Daarnet schoot de nagel echter met z’n scherpe punt op een onoplettend moment omhoog m’n sok in & werd ik gedwongen hinkend m’n weg richting keuken te vervolgen.

We zouden ’t pad waarover we lopen in Zijperspace beter moeten onderhouden.

ondersteboven

Ze zijn nog kleiner dan de fruitvlieg, maar hebben ’tzelfde onvermogen (vooralsnog begrijp ik hun continue gefladder op & neer als onvermogen) tot in een rechte lijn vliegen. Daarom irriteren ze ook.

Let wel: ik heb geen centje pijn van de hordes fruitvliegen die opschrikken als ik een trap tegen de stapel kratjes geef, dit slechts om m’n rondleiding meer cachet, m’n verhaal over de problemen bij de produktie van bier meer illustrerend materiaal te geven. Die vloedgolf kleine zwarte verontruste beestjes doen me geen zier. Ze mogen vliegen waar ze willen, zolang ze maar niet plots beginnen te schreeuwen, vanwege een vermeende poging tot huisvredebreuk mijnerzijds.
Ik stel ze minder op prijs zogauw ze op m’n ander werk tevoorschijn komen op ’t moment dat ik enkele lege flesjes op wil ruimen, een glas uit ’t schap wil halen, of m’n portemonnee in m’n zogenaamde handtasje (op uitdrukkelijk verzoek ben ik best bereid om uit te leggen wat ik met deze uitdrukking bedoel) terug wil stoppen. Maar ik kan ook daar me weinig opwinden over hun schichtige bewegingen, hun kopschuwe ontwijkende manoevres of hun schijnheilig draaiend gedrag. Binnenkort staat ’t volle kratje buiten, is ’t onderweg naar de groothandel, wordt ’t flesje schoongewassen in de spoelmachine & is ’t fruitvliegje dood, denk ik dan altijd.
Nog minder ben ik van ze gediend als ik ze op zie doemen boven de randen van de lege flesjes die voor vertrek richting glasbak, statiegeld-machine van de supermarkt of eigen werk, klaarstaan in de keuken. Maar ach, die staan daar hooguit een week & dan ben zelfs ik zo gedisciplineerd om ze ter hand te nemen & op de juiste plaats af te leveren. Meestal stinken ze dan nog net niet te erg. & Komen er per flesje hooguit 2 vliegjes tevoorschijn.

Maar voordat men mij verkeerd begrijpt: ’t vliegje waar ik ’t over heb, is kleiner dan ’t fruitvliegje. ’t Fruitvliegje waar wij doorgaans bekend mee zijn, bedoel ik dan. Over de hele wereld bestaan er ook alweer 1000-en variaties op deze soort, waarvan in Nederland & België zo’n 250. ’t Is maar dat u dit weet.
Dit vliegje, dat zelfs zo klein was, dat ’t eigenlijk de benaming ‘vlieg’ niet waardig is, kon zich 2 maal voegen in ’t volume van de mij als normaal betitelde fruitvlieg. Maar toch maakte ’t die eerder al als irritant beschreven bewegingen boven m’n wc-pot. Terwijl ik dacht rustig te kunnen genieten van een kleine lozing.

Blijkbaar werden er tijdens m’n aktiviteiten aldaar dermate veel lucht verplaatst dat ’t vliegje ’t veiliger achtte enige beschutting voor een wijl te zoeken. Ze dacht dit gevonden te hebben op de verticaal geplaatste wc-bril. Vanaf dat moment begon ik na te denken.

Als ik de bril nu omlaag doe, dacht ik, men weet wel: zo’n bril die de pot afschermt, zodat de vervelende geurtjes, zo goed & zo kwaad als mogelijk, gedwongen worden in de plee te blijven hangen; als ik die bril nu omlaag doe, & ’t vliegje blijft hangen, dan raakt-ie opgesloten in ’t donker van mijn poepdoos.
Op z’n kop hangen lijkt me niet fijn. Ook al heeft God onze Heer ’t beest de mogelijkheid gegeven dat een bepaalde tijdspanne vol te houden. De lol van op z’n kop de wereld bekijken lijkt me ook voor een beest met een dergelijk beperkt vermogen tot beleving & verdieping van z’n intellectuele vermogens, niet al te lang vol te houden. Zeker niet als een mens-achtige daar enkele van z’n afvalstoffen regelmatig in pleegt achter te laten. Dan wil je vluchten, lijkt mij.

Maar kan dat zenuwenbeest, dat geen rechte lijn kan trekken tijdens z’n vlucht door de lucht, zoals ik al eerder heb opgemerkt, ’t dan voor elkaar krijgen om tussen de wc-bril & wc-rand z’n weg richting vrijheid te vinden. Ik bedoel, dat is een afstand van maar liefst 5 cm, waarbij een bewegingsvrijheid bestaat van een ½e cm in verticale zin. (Men mag bij mij langs komen om de voorgaande maten op te komen meten).

Of kom ik ‘m straks gewoon weer tegen als de stoffen, die m’n lichaam niet al te lang wenst op te slaan van ’t zojuist geconsumeerde biertje, door mij gedwee weer achtergelaten dienen te worden op voornoemde plek?

Zoveel geduld zou men in Zijperspace zeker niet hebben.