excelsior

Ik zal ’t volgende volledig uit m’n hoofd moeten vertellen. De VPRO-gids ligt tenslotte maar liefst 2 meter van me vandaan. Veel te ver, veel te vermoeiend om daarvoor op te gaan staan.

M’n collega vindt, ze zei ’t laatst, de VPRO-gids maar saai. Valt niets aan te beleven, zei ze.
‘Hoe kom je daar nou bij?’ vroeg ik verwonderd. ‘Elk artikeltje in die gids kan je lezen zonder dat je uiteindelijk ’t programma hoeft te zien. ’t Zijn op zichzelf staande stukjes, zonder ’t begeleidend programma zijn ze al interessant genoeg.’
‘Oh, hmmm. Geef mij toch maar de VARA-gids.’

Ik nam altijd de VPRO-gids mee de trein in. Machtig interessant om ‘m helemaal uit te pluizen. Onderweg van Amsterdam naar Den Helder had ik genoeg tijd om alle artikelen te doorgronden, te weten te komen wat er de komende week ging gebeuren & wanneer de noodzaak daar was m’n video-recorder te programmeren. & Ik werd er wijzer van. Hij was gevarieerder dan een opinie-weekblad. Beter aansluitend op m’n studie bovendien.
Ik ben altijd een talent geweest in ’t nuttige met ’t aangename te verenigen.
Tot vervelens toe, vonden enkele vrienden. Vermoeiend ook, vonden anderen. Die reken ik niet meer tot m’n vrienden.

Ik heb verhalen gelezen over dinosaurussen, die me normaliter de ballen interesseren. Over de secretaresse van Luns, die totaal overbodig was, omdat Luns veel sneller was met z’n steno; de wijze waarop men handen kan lezen; waarom cassette-bandjes uit de mode zijn geraakt; wie die schrijver toch was die tijdens ’t boekenbal de voeten van beroemdere mensen kuste; waarom je beter je mond kon houden op ’t moment dat een bepaalde dichter z’n gedicht verkondigde, ook al was-ie reeds dood; hoe stekelig een stekelvarken in werkelijkheid is; hoe ver ’t geluid draagt dat wij hier op aarde gezamenlijk produceren, etc.
’t Is een groot Kijk-tijdschrift, maar dan voor volwassenen. Vaak ook gerelateerd aan de aktualiteit.

Maar dat interesseerde me de ballen, toendertijd, de aktualiteit, laat staan dat ’t me tegenwoordig iets doet. ’t Ging me er om dat ik me uitstekend amuseerde, gezeten in de trein. Ik had ’t idee dat vrienden van me ’t blad gevuld hadden. Dezelfde vrienden waarmee ik ’t blad van Film & Tv-wetenschap vulde. Ze hadden vast stiekem over m’n schouder meegekeken (& hadden, heel gluiperig, een goed-betaalde baan bij die gids), me bespiedend in wat ik nou leuk vond om te lezen. Met de trein onderweg naar de volgende bestemming. Zonder tv in m’n nabijheid. Die had ik immers niet nodig op dat moment.

Waar ’t nou om ging. Waarom ik over de VPRO-gids begon.
Er stond een stukje over ’t platenlabel Excelsior in, vanavond. Vrouw van eigenaar van ’t label belde haar echtgenoot, zo werd erin verteld, vanuit een platenzaak. Ze was verontwaardigd dat de cd van Macy Gray alweer € 20,- moest kosten. Dat dat toch echt te ver ging. & Dat die eigenaar (men begrijpt: ik ben z’n naam vergeten & de tocht naar de gids is nog steeds een te grote opgave) toen besloot dat dat anders moest.
Die grote pief van Excelsior besloot dus zomaar dat zijn cd’s, men weet wel, die van klassiekers als cd’s van Johan, Spinvis, Caesar, Daryll Ann & Meindert Talma, voortaan niet meer mochten gaan kosten dan € 15,-. Omdat hij ook verontwaardigd was.

Nou zal men zich natuurlijk afvragen: wat heb ik nou aan dit verhaal? Zit er een boodschap in? Moet ik er dan iets mee?
Niets, nee, nee, zijn de achtereenvolgende antwoorden.
Ik ben echter wel meteen op de fiets gestapt, hoewel ik ietwat krap in tijd zat ivm m’n werk, om bij m’n cd-boer de 1e cd van Johan te kopen. Omdat ik ‘m nog niet had. Omdat ik dat eigenlijk schandalig vond.

Kijk, zo komen de dingen dus samen, dacht ik, toen ik op m’n werk de nieuw aangeschafte cd draaide. Hoewel ik daar niet de beschikking over een VPRO-gids had.
De cd kostte me € 12,95, de VPRO-gids kost in de winkel € 0,90, maar ik heb een abonnement op de laatste, dus beding ik daar zelfs nog korting op.

Zelfs met korting kan men veel lol beleven in Zijperspace.

contact

Ik probeer weer ‘ns orde in m’n leven te scheppen, maar dat doe ik op dezelfde manier als dat ik al zo vaak heb gedaan. M’n sociale leven moet op orde gebracht worden; ik moet weer aandacht besteden aan de mensen die ik gekend heb, nog steeds ken, waarvan ik weer wil weten hoe ’t met ze gaat. ’t Wordt tijd dat ik weer uit m’n schulp kruip. ’t Wordt tijd dat ik me ga realiseren wat er met anderen gebeurt.

(Ik noem de namen nu eens ff niet. Gewoon de 1e letter, met een punt er achter; de personen in kwestie herkennen zich vanzelf wel in ’tgeen ik schrijf. Waarom zouden andere mensen moeten weten dat ’t om hen gaat? Net iets teveel details om voor een buitenstaander namen bekend te maken.)

Ik moet weer met J. uit eten. Ik moet haar bellen om daarvoor een afspraak te maken, maar vergeet ’t elke keer, of stel ’t uit naar een geschikter moment, waarop ik ’t alsnog vergeet. Of nogmaals uitstel. Ik had beloofd te bellen, nadat bleek dat ik later van vakantie terug zou komen.

Ik zal M. toch ‘ns een meeltje sturen. Dat ik ’t hartstikke leuk vind voor haar vriendje, maar dat ’t niks is voor mij om zo’n website te linken. Ik verheug me er op meer kontakt met haar te hebben, wil haar veel vaker zien, maar kan haar niet uitleggen, durf haar niet uit te leggen dat ik ’t een afschuwelijk programma ga vinden waar ’t vriendje in op wil treden.

Dat zijn de negatieve kanttekeningen. Ik dacht: ik kan maar beter daar mee beginnen, ook al leerde Chiem van Houweningen me ooit dat je beter 1st positieve kritiek kan leveren, dan is de mens meer bereid ’t negatieve te accepteren, maar ik heb ’t tenslotte tegen mezelf, dus die les dringt momenteel waarschijnlijk toch niet tot me door.

Ik ga binnenkort bij S. op visite. & Ook bij M. Kijken hoe Culemborg er uitziet, & anders Breda. Wat zij er van maken. Hoe groot een huis in zo’n plaats is in vergelijking met ’tzelfde bedrag in Amsterdam. & Kijken hoeveel veiliger kinderen opgroeien. Zien hoe ’t is op te groeien, verder te leven in een plaats buiten Amsterdam.

Ik ga bij P. langs. De afspraak is al gemaakt. Omdat zo’n 1e ontmoeting veel te snel gaat, ook al denk je elkaar uit & te na te kennen. Voordat je ’t weet ben je ’t gezicht alweer kwijt. Tast je je geheugen af naar een beeld, & raak je die kwijt doordat je juist te bang bent ’t te verliezen. Alle zinnen raken vervlogen in een overpositief geheugen. ’t Wordt tijd om elkaar te ontmoeten onder een geringere spanning dan die 1e keer.

B. gaat trouwen. Uiteindelijk, stond er op de aankondiging. Er stond ook nog iets op ’t geboortekaartje van z’n 2e kind, maar die probeer ik al een ½ jaar te negeren, omdat ik me er niet toe kon zetten een afspraak te maken. Vooral omdat ik me doodschaam dat ik er niet toe kom. & ’t Vergeet zogauw ’t moment daar is om te bellen.

A. kwam plotseling langs. We hebben gepraat wat we beiden nou aan ’t doen waren, terwijl hij mijn bezigheden meteen in ogenschouw nam. ’t Was tenslotte op m’n werk. We hebben gepraat over vriendinnen die kinderen kregen, soms al hadden; over vrienden die gingen trouwen & ook al kinderen hadden. Over M. die overleden was. & Hoe. Over schuldgevoelens bij de overlevenden. Over M.

Een telefoontje van C. & Ik vraag me af hoe groot haar kleine is. Hoe haar huis er ondertussen uitziet. Waarom ’t zoveel moeite kost geregeld contact te hebben.

Ik was afgelopen zaterdag op visite bij E. Ze had kanker. Daar kwam ze kort na m’n verjaardag achter. Meteen geopereerd, meteen verwijderd. Ik zat vanaf m’n verjaardag te wachten op een telefoontje. Ze had immers gezegd: ‘Nu zal ik jou een keertje bellen.’ Maar een ½ jaar later nog steeds niets gehoord. Tot S. ’t me vertelde. Toen moest ik wel bellen. Toen moest ik zien of E. nog steeds E. was. Toen moest ik weer lachen met haar. Drinken ook. Toen wist ik dat ’t goed was langs vrienden te gaan. Je gezicht af & toe te laten zien.

’t Is ongelooflijk hoe je verleden terug kan komen als je in gezelschap bent van mensen van toen, hoe je gemak terugkomt, ’t gevoel dat je thuis terugkeert, hoe alles in orde is.
Je maakt een grapje. De 1 lacht, de ander lacht. Alles is begrijpelijk. Alles is normaal. Je omhelst elkaar, geeft elkaar een zoen.

& Je keert terug naar Zijperspace.

b-11

We voelden ons belangrijk, daar in B-11. ’t 1e Lokaal op de 1e verdieping van de Blauwe vleugel van ’t Johannes College: B-11. Speciaal gereserveerd voor de leerlingen: een klein hok, volgeladen met vooral 3e-hands banken, waarvan de veringen dermate versleten waren dat ’t perfekt hangen was, & een enkele kast. ’t Hok was eigenlijk vooral bestemd voor de vergaderingen van de leerlingenvereniging, bestaande uit vertegenwoordigers van alle klassenvertegenwoordigers (van elk jaar 1). Maar ’t was vooral een ontmoetingsplek voor degenen die zichzelf belangrijk vonden, dan wel ertussenuit sprongen. & Degenen die een grote mond op konden zetten, een bepaalde mate van creativiteit bezaten, er voor de rest niet bij hoorden, wegens alternatief. Of anderszins: vaak de les uit werden gestuurd. Ik ben bang dat ik vooral tot de laatste groep behoorde. Dat feit zorgde er echter wel voor dat er altijd een bakkie thee voor m’n medeleerlingen klaar stond, zogauw de lessen afgelopen waren.

’t Was ook wel zo prettig, daar te vertoeven. Je kon elk moment van de dag thee zetten met ’t koffiezet-apparaat, er waren heerlijk oude banken om op te hangen, niemand die je zag als je een uurtje spijbelde (tenzij je aan de overkant nederlands zou hebben in G-12), & er was altijd wel gezelschap. & In tijden van betrekkelijke rust aldaar, vond ik eindelijk de gelegenheid m’n huiswerk te maken.
Verder was ’t de ideale plek om leerlingstakingen voor te bereiden, je op te maken voor de sinterklaasviering, verliefd te worden op de knapste meisjes van school, & je in een bepaalde mate uniek te voelen binnen de grijze massa van op elkaar gelijkende leerlingen van de middelbare school.

Evengoed was ik ervoor gewaarschuwd. ’t Zou niet de juiste plek zijn om je te begeven, volgens Marco, m’n maatje in de 1e klas. Op leeftijd 12.
Zo vertelde hij me tijdens de muziekles, die plaatsvond in ’t belendende lokaal: B-10. Vanuit een hoek van die ruimte konden we door de beider ramen nog net een stukje B-11 inkijken. Machtig interessant, vonden we die ouderejaars; veel groter & wijzer leken die al. Veel rustiger ook. Maar ook behoorlijk angstaanjagend, zo maakte Marco me wijs. Volgens z’n moeder, verhaalde hij aan mij, kwamen er na elk schoolfeest een 10-tal meisjes bezwangerd thuis. ’t Was een Sodom & Gomorra, de feesten, & de leerlingen in B-11 spanden daarin de kroon.

De 1e 3 jaren durfde ik zodoende niet naar de schoolfeesten, afschuwelijke taferelen zouden er plaatsvinden, waar mijn kuisheid nog niet tegen opgewassen was. & B-11 rende ik voorbij, onderweg naar de muziekles. Ik schrok wild op zogauw iemand plots daar door de deur de gang in kwam lopen & drukte me onmiddellijk tegen de wand aan de overkant ervan. Rug tegen de muur. Geparaliseerd stuwde ik me langzaam verder richting les.
Mijn inbeeldingsvermogen was toendertijd ietwat te sterk.

Marco ben ik uit ’t oog verloren. Die zou me vast hebben behoed voor de toetreding tot ’t groepje van B-11. Maar op een gegeven moment zou ’t ook met hem onafwendbaar zijn geweest: ik was uniek in de wereld, & hoorde daarom in B-11.

Ook al was die wereld niet groter dan Zijperspace.

Dit ihkv geleverde suggesties nav ’t stukje wachten, waar overigens nog altijd meer aan toegevoegd mag worden. Dit schrijven is tot stand gekomen dankzij de suggestie van Marc. Wordt vervolgd zolang de voorraad strekt.

sneller

Af & toe zou ik willen dat ik kort & kompakt kon schrijven, een gedachte niet meer dan een tel duurde om uit te werken, & m’n vingers de 200 aanslagen p/m ruimschoots overschreden.

Dan zou ik ook willen dat ik niet zoveel te vertellen had. Een woord een zin was, & een zin een verhaal, een dag een jaar, momenteel de zonsopgang zich afspeelt & straks ’t moment aangebroken is voor ’t slapen gaan.

Ik zou willen dat m’n baard nog langzamer groeide. M’n tanden vanzelf glanzend wit bleven, m’n zweet niet rook, m’n nagels niet groeiden. & Ik nooit hoefde te werken.

Dan ook maar gelijk dat ik geen behoefte had aan drank, eten een overbodige tijdsverspilling, sex iets van vroeger (hoewel, na ampel overwegen, die laatste 3 toch maar niet). Alles ’tzelfde bleef, nooit meer slaap.

& Morgen ’t boek verscheen van Zijperspace.

dun

Stel dat ik een dikke man zou zijn, een omvangrijke kerel, dat ik een buik zou dragen, worstjes van armen zou gebruiken, me langzaam hupsend van ’t ene op ’t andere been zou voortbewegen, ’t me moeite zou kosten m’n grote teen te krabben, & ik niet zou kunnen zien wat er onder m’n buik hangt; stel dat.

Ben ik dan nog steeds dezelfde. Ben ik dan onzeker. Ben ik dan een ander. Ben ik dan nog schuldig. Ben ik dan bevooroordeeld. Heb ik recht van spreken. Kom ik nog op tijd. Wijken de mensen dan voor mij. Of wijk ik voor de mensen. Wie luistert er dan nog. Luistert men dan juist wel. Waarvoor ben ik dan dik. Waarvoor ben ik niet dun. Wie heeft mij zo geschapen. Hoe lang blijf ik nog leven. Leef ik langer in dunne toestand. Waarom is de weg zo smal. Hoe breed is een deur. Hoe zwaar kan je worden wil de ondergrond je kunnen dragen. Hoe is sex. Wie heeft er vanavond sex. Hoe maakt men een fiets. Hoeveel meter bedraagt de remweg. Wat is maat houden. Wat zijn calorieën. Hoeveel bloed stroomt er door een lichaam. Hoeveel bier drink ik per dag. Kijken vrouwen naar me. Jeukt m’n lichaam of jeuk ik m’n lichaam. Waar zit de geest. Ben ik grappig. Wat is een grap. Hoeveel ml zit er in een glas. Hoeveel gram in een kilo. Hoelang duurt de dag. & Een reis. Waarheen gaat de reis. Heeft iemand anders ook die reis geboekt.

Hoe is de wereld anders als ik een dikke man zou zijn. & Hoe vaak zou ik mezelf de vraag stellen hoe ’t andersom zou zijn.

Of zou ik mezelf geen vragen stellen. Ben ik dun, omdat ik vragen stel. & Niet kan stilzitten in de tijd dat ik op ’t antwoord wacht. Komt ’t doordat ik onnoemelijk veel zware boeken draag, die alle mogelijke vragen kunnen beantwoorden. Komt ’t doordat ik kms fiets om vooral geen antwoord, geen per ongeluk antwoord te missen. Komt ’t doordat ik loop, zoekend naar antwoorden, zoekend naar rust, maar omdat ik zo ongeduldig ben, alweer voorbijgelopen ben aan een deel van de oplossing. Wil ik niets van dat, wil ik alleen maar rennen & niks doorhebben. Wil ik dat de wereld zo snel mogelijk aan mij voorbijgaat & de schijn ophouden dat ik ’t wel bij kan houden. Terwijl de tijd voorbijvliegt, zoals ik veronderstel ook aan de dikke man.

Stel dat ik een dikke man was, kon vloeken op ongepaste momenten, stuurs zou reageren op nederige verzoeken, dwars van andere inzichten m’n mening zou spuien, andere vrouwen zou durven bezoeken terwijl ik trouw ben, ’t breed kan laten hangen, de horizon me na staat, ’t verleden ver achter me, zou de vrouw dan van me houden?

Is er dan, is er in die toestand, op dat moment, eindelijk geen behoefte meer aan vragen over Zijperspace?

kaartenbak

Alles dat mogelijk vergeten wordt, dient opgeschreven te worden. Anders heb ik niks aan de gedachte; anders ben ik totaal afhankelijk van m’n eigen improvisatie-talent. & Ik geloof dat ook die beperkt is.

Ik draag tegenwoordig standaard een notitieboekje bij me. Pen ligt in de aanslag op div plekken van m’n dagelijkse bagage. M’n digital voice recorder zit steevast in 1 van m’n jaszakken.
’t Enige nadeel is dat ik ze altijd vergeet te gebruiken als ’t moment daar is. Of de gelegenheid leent zich er niet voor.

De volgende stap, bedacht ik vanmiddag, is ’t aanmaken van een archief. Een kaartenbak. Waarin alles naar alles verwijst. Een onderwerp meteen een zinsnede oplevert, een gedachte wordt onderbouwd door een enkele frase of anders refereert aan een soortgelijk onderwerp. Ook weer vormgegeven in een zin, een citaat, een gedachte.

Ik hou van kaartenbakken. Ik heb er in m’n jeugd 2 van aangelegd. Uitgebreid, tot zeer uitgebreid. Stripboeken, lp’s, cassettebandjes. Te vinden op titel, schrijver, tekenaar, uitvoerende.
Later een nog meer geperfektioneerde uitvoering van de kaartenbak gecreëeerd door m’n videobanden te ontsluiten. In een comp-programma.
Ik kon uren naar de kaartenbakken kijken, er in rondspeuren, zonder ze daadwerkelijk nodig te hebben op dat moment.

De 1e winkel was dicht. ‘Wegens omstandigheden’. Welke omstandigheden? Wanneer zijn jullie dan weer open?
In de 2e winkel had men geen idee waar ik ’t over had, want ik werd doorgestuurd naar de afdeling kantoormeubilair.
De 3e winkel lag ver weg. Ik had speciaal daarvoor een uur pauze ingelast. Zoiets moet gedegen aangepakt worden, ging nog door m’n hoofd, vlak voordat ik opnieuw op de fiets stapte.

‘Ik had meteen naar jullie moeten gaan.’
Dat zei ik tegen de dame die me hielp. Waarna ik m’n eigen kaartenbak, heel wat anders dan ’t kartonnen doosje waar m’n stripverzameling ooit inzat, onder de arm stak, lief glimlachte, betaalde, richting uitgang liep, maar totaal niet wist wat ik op ’t 1e kaartje zou moeten schrijven.

Ik heb een kaartenbak, dacht ik slechts opgetogen. Ik zal weer moeten gaan schrijven met de pen.

Maar Zijperspace zal betere archieven kennen.

respijt

Is men wel ‘ns middernachts, of beter nog, tegen ’t ochtendgloren, of nog beter, op ’t moment dat de 1e zonnestralen ’t lichaam beschenen, nog steeds wakker geweest? & Wezen staren, met open ogen, wijd open ongelooflijk wezen staren, niet geloven, bewonderlijk observeren?

’t Lichaam lag daar. Gerold in een kronkeling zoals je niet voor mogelijk had gehouden. Een knie omhoog. Een rug hol. Een bil een bolling makend van ongekende hoogte. ’t Gezicht zijwaarts zodat je nog net kon zien dat ’t leefde. Dankzij de minieme, bijna doorzichtige snorhaartjes die per ongeluk hun eigen leven toonden. De snorhaartjes die er niet hoorden te zijn, maar daardoor juist zo duidelijk er op wezen dat je te maken had met vrouw.

Hoe dat lichaam dan schijnbaar zweefde boven beddegoed, die ’t liet zwieren op innerlijke belevingen, slechts af te lezen aan snelle bewegingen onder ’t ooglid. & Een knuist die gebald stond tegen grote gevaartes, onzichtbaar, ongrijpbaar, maar de vuist die zo duidelijk strijdbaar links naast ’t hoofd lag. Hoe de vorm van ’t lichaam bewonderd wilde worden, in al z’n onnozele schoonheid, onwetend van de hoeveelheid ogen voor vele uren.

’t Eigen lichaam stond slechts ten dienste van ’t voyeurisme. Stijf werden de spieren gezeten in continue kleermakerszit, trachtend afstand te scheppen, wakend tot de tegenovergelegen ogen zin hadden wakker te worden uit de vermoeidheid van een lange nacht.

& Je wierp al je liefde in je blik. Al ’t geduld dat je eigen lichaam nog bezat, streefde ernaar zolang mogelijk te genieten van ’t uitzicht. Elk uiterst puntje van je bewustzijn moest open staan voor ’t ervaren. ’t Zien.

’t Uiteindelijk ontwaken. De trilling in de bil. De verstoring van de holle lijn in de rug. ’t Verlaten van de perfekte boog in beide benen. ’t Begin van een beweging in de elleboog. ’t Beroeren van enkele haren die geklemd zaten onder ’t hoofd. ’t Wrijven van enkele vingers. ’t Schuiven van de heup. ’t Openen van de mond. ’t Sluiten van de mond. De geur die zich bewust werd van z’n aanwezigheid. De deken die z’n bescherming tegen de kou gewaar werd. De verontwaardigde tegenover de starende blik. De borst, ’t glimpje van de borst, die de boel nog ff op ’t laatste moment op de hak nam.
’t Verbreken van de nacht liefde.

De laatste liefde. Die zich had aangekondigd.

Maar nog enkele uren respijt had gekregen in Zijperspace.

zeelucht

Er zijn niet zoveel steden die aan 3 kanten omsloten zijn door water. Zeewater. Dat wisten ik & m’n broers al vrij vroeg in onze jeugd. Er waren niet zoveel vissershavens, marine-havens, wisten we ook, zo belangrijk als die van de stad Den Helder. & Er was maar 1 weg naar Texel: via datzelfde Den Helder, de plek waar wij opgroeiden. Goh, wat waren we daar trots op.

’t Liefst waren we zo snel mogelijk weg uit die benauwende stad. De sfeer werd vooral bepaald door de officieren van de marine, die 1 keer per jaar hun kinderen vertelden dat ze hun vader moesten eren & gehoorzamen. Dan waren ze net terug van een ½ jaar varen. & Xtra streng. ’t Kind moest voelen wie de vader was.

We hadden alleen geen weg om te vluchten. Geloof maar niet dat verlangend naar de toekomst kijken de weg over zee als vluchtweg schiep. De zee was eerder een doodlopend spoor. Na de zee was er niks.
Ok, tuurlijk zagen we Texel liggen als we op de dijk stonden, met daarnaast de Razende Bol. Maar ’t verlangen naar die 2 plekken was nog meer ’t zoeken naar een doodlopende steeg, dan ’t leven in Den Helder reeds behelste. We keken slechts naar de overkant, omdat de Razende Bol een fascinerende woestenij op veraf was, & Texel een zelfgekozen gevangenis voor toeristen, waar ook in Den Helder geld aan verdiend werd.

De zeelucht was steeds slechts de bevestiging, de herinnering aan ’t besluit ooit de stad te zullen verlaten. Later, als niets ons meer vast hield. Als niets ons meer wurgend omklemde, een angstige omhelzing van een stad in paniek, omdat ze wist dat ook wij ooit met de zeelucht ’t land in zouden waaien. & Daarmee de reuk zouden meenemen van de zee. Een geur die anderen nog steeds deed associëren met een leven van vrijheid.
Wij wisten wel beter.

Slechts een nacht in ontij kon ’t gevoel van gevangenis doen bekoelen. Slechts dan voelden we gemorrel aan de celdeuren. Slechts dan beseften we ten volle, wandelend, schuin overhellend tegen de stormende wind, dat we ons ooit zouden laten wegblazen, weg met diezelfde zeelucht, die ons in verre steden zou doen blijven herinneren waar we vandaan kwamen.

Maar dat ’t dan net zoveel moeite zou gaan kosten terug te komen als ’t geploeter over de dijk tijdens de felle krachtige najaarsstorm.

In Zijperspace heerst altijd de najaarsstorm, op helderse sterkte.

Dit ihkv geleverde suggesties nav ’t stukje wachten, waar overigens nog altijd meer aan toegevoegd mag worden. Dit schrijven is tot stand gekomen dankzij de suggestie van Xindigo. Wordt vervolgd zolang de voorraad strekt.

autoritje

Veelal resulteerden de ritjes op zondagmiddag in een bezoek aan 1 van de opa’s & oma’s. (Dat moet duidelijker: ofwel aan Oma Zegers, ofwel aan Opa & Oma Zijp) Daar moesten echter 1st 10-tallen kms rijden & wandelen aan voorafgaan. Anders was de dag niet welbesteed, zo vonden m’n ouders blijkbaar.

De zondag begon altijd met ’t kleden in ’t zondags pak. Een pak dat vreselijk veel erger jeukte dan de kleding van door de week. M’n ouders vonden ’t echter uitermate geschikt voor de verschijning in de kerk. Waar we een uur lang stil moesten zitten in stijve houten banken.
Geen beweging. Geen gemor. Braaf meezingen. Veel jeuk aan m’n benen. Maar stil blijven zitten.
Vervolgens hostie ophalen. Bidden. Laatste liedje zingen. Naar buiten.

De volgende hel begon. De voorbereiding op ’t ritje naar buiten. De stad uit.

Ik ben waarschijnlijk ’t meest ondankbare kind geweest dat toendertijd in de Nederlanden rondliep. Ieder kind zou zichzelf de koning te rijk beschouwen met zoveel mogelijkheden tot xpansie van de eigen leefwereld. Welk kind wilde niet elke zondag meegenomen worden eropuit, de natuur in, naar vreemde dorpen, verre vertes, donkere bossen in, over zanderige heuvels, & was niet belust op dwaze avonturen? Hoewel dat laatste niet al te vaak gebeurde. Maar er viel genoeg te zien. Werd mij verteld.

Ik wilde bij m’n speelgoed blijven. Er moest toch iemand op ’t huis passen. Probeerde ik. Ik kon toch zeker voor mezelf zorgen. Waagde ik. Ik was nog niet klaar met oorlogje spelen. Wanhoopte ik.

Ik hoefde gelukkig niet in dezelfde jeukende broek als tijdens de mis. De zondagse broek had ik onmiddellijk bij thuiskomst verwisseld voor een doordeweekse. ’t Maakte de verleiding de auto in te stappen echter niet groter.
Zeker ook niet de verwachting dat m’n moeder wel weer een banaan te eten zou geven. Waarin een pilletje tegen reisziekte zat verwerkt. Ergens in ’t midden. Ik proefde ’t meteen zogauw ik ’t in m’n mond kreeg. Net als m’n moeder hield ik dan heel schijnheilig ’t pilletje een tijdje in de hand. Maar dan aan de andere kant van ’t in m’n mond steken. Ik liet ’t onderweg ergens ongemerkt achter.

M’n ouders hebben later vaak verteld dat ik uiteindelijk degene was die de meeste lol had. Ik geloof er niks van. Ik herinner me vooral de grote angst dat ik naar de wc zou moeten. Waarop m’n vader zei dat ik dan maar ff op een stokje moest zitten. De drol wegdrukken. & Anders gewoon ergens tussen de bosjes een poepie doen. M’n moeder was inmiddels wijs genoeg altijd wc-papier mee te nemen. Die wetenschap verhoogde ook al niet de reisvreugde. Wie wil er nou een autorit maken om uiteindelijk in den vreemde midden in een donker bos, of heuvelachtig open duinlandschap, of onbekend toilet in onbekend café in onbekend dorp, je billen bloot te geven? Bloot aan allerlei insekten die altijd veel talrijker blijken te zijn in een voor jou naamloos gebied. Insekten die waarschijnlijk ontzettend veel van jongejochiespoep hielden, & dat van kms ver konden ruiken.

We eindigden dus aan ’t eind van de middag voor een laatste kopje koffie/glaasje limonade bij 1 van de grootouders. Daar hebben de kinders op de stoep behoorlijk wat sporen achtergelaten. M’n ouders stonden dan beschaamd om ’t kind heen dat voorovergebogen tegen de auto z’n maag leeg stond te spugen in de goot.
Volgende keer maar ‘ns kijken of er nog wat betere reispilletjes waren te verkrijgen, zag je ze dan denken.

De wens tot verkleining van Zijperspace was groot.

Dit ihkv geleverde suggesties nav ’t stukje wachten, waar overigens nog altijd meer aan toegevoegd mag worden. Dit schrijven is tot stand gekomen dankzij de suggestie van Theo. Wordt vervolgd zolang de voorraad strekt.