koeken

M’n moeder probeerde ze op een gegeven moment te verstoppen. Ze waren al binnen een dag op. Terwijl iedereen beweerde er niet aangezeten te hebben. De enige die ze niet geloofde was ik. Ze kocht ze tenslotte speciaal voor mij.

‘Ah, Moe, ’t zijn de enige koeken die ik lekker vind,’ smeekte ik toen ze dreigde de jodenkoeken niet meer in huis te halen. ‘Ik snoep nooit ergens van; eet geen koek, hoef geen snoep; alleen die jodenkoeken eet ik graag,’ ging m’n tranentrekkende smeekbede verder.

Ik nam de pot jodenkoeken wel ‘ns stiekem in m’n tas mee naar school. Dan bleven de boterhammen onderin verschimmelen. Weggedrukt door de geringe trek in brood & de dikke leerboeken. Uiteindelijk ontdekte m’n moeder ’t grijsgele goedje, dat ooit een zakje boterhammen heette te zijn, als ze m’n kamer schoonmaakte & daar meteen maar m’n schooltas in meenam (of controleerde ze me op ’t achtergehouden van lage cijfers?).
’t Voordeel van de jodenkoeken mee naar school was dat ik van m’n pennywafelverslaving afkwam. Een meer sociale verslaving. Net als de negerzoenenverslaving. Op een gegeven moment at iedereen pennywafels. Wilde je erbij horen dan at je er meer dan de rest.
Nu kon ik iets nieuws introduceren: een hele pot jodenkoeken mee naar school. Waar je dan op leefde de hele dag. Nog nooit vertoond. ’t Zou vast bij m’n medeleerlingen aanslaan.
& Ook al sloeg ’t niet aan: ik kon niet zonder. Als ik de ene ophad, dacht ik alweer aan de volgende. Dit in tegenstelling tot een bepaalde wet van Keynes, die m’n economie-leraar telkens weer probeerde uit te leggen. Volgens hem zou na ’t 1e glaasje water voor een groot gedeelte de dorst gelest zijn & de behoefte aan een 2e minder groot. De behoefte naar meer werd minder naarmate daar meer in werd voorzien. In grafieken altijd een curve die schuin naar beneden liep.
Ging dus niet op voor mij & m’n jodenkoeken. Mijn curve was eerder een constante. Een rechte lijn. Leg dat maar ‘ns uit aan een economie-leraar.

Als ik naar m’n moeder riep dat ik een jodenkoek nam, pakte ik er altijd minstens 2 uit de kast. Maar ik was in ieder geval zo eerlijk geweest ’t te melden.
Wie die andere had genomen? Ik wist van niks. Zat boven huiswerk te maken, na te genieten van m’n jodenkoek. Of misschien wel 2.
De enige reden waarom ik vrijdags hielp de boodschappen uit de auto te laden, was dat ik dan controle had over de volgende pot. & Een legale reden had er alvast 1 te pakken. Als beloning. Maar ondertussen vond ik ’t oneerlijk als iemand anders dat ook als beloning kreeg. De jodenkoeken waren van mij.

Ik ben er vanaf gekomen. Hoe, weet ik niet meer. ’t Moet een traumatische ervaring zijn geweest; m’n geheugen heeft ’t weggestopt.
M’n moeder kon de pot jodenkoeken op een gegeven moment gewoon laten staan in de kast. Net als al ’t andere snoepgoed, zolang ze m’n broers tenminste goed in de gaten hield. De voorraden jodenkoek werden zelfs te oud om nog lekker bevonden te kunnen worden. Niemand die er nog trek in had.
Ik was veilig, in m’n moeder’s ogen. ’t Zinnetje, waarin ze zei hoe goedkoop ik wel niet was, kwam weer wat vaker over haar lippen: geen snoep, geen koek, geen gebakje was aan mij besteed. Een heel enkele keer een pennywafel.

& Af & toe werd er een neger gezoend in Zijperspace.

Dit ihkv geleverde suggesties nav ’t stukje wachten, waar overigens nog altijd meer aan toegevoegd mag worden. Dit schrijven is tot stand gekomen dankzij de suggestie van Uniquehorn. Wordt vervolgd zolang de voorraad strekt. (Deze staat overigens niet aangegeven bij bovengenoemd stukje ‘wachten’, maar de opdracht was te schrijven over ‘de koek der koeken’, liet ze me weten via meel.)

bockbier

Zeer deskundig ben ik de div bockbieren aan ’t proeven. Ik moet weten hoe ze smaken, ruiken, of ze in balans zijn, wat de kenmerken dit jaar zijn, hoe de diversiteit in smaak is. Thuis, op mezelf, ik & m’n glas, & ondertussen lees ik een boek in een stoel.

Maar onderin ’t glas, ik merk ’t pas bij de laatste slok, als m’n blik volledig gedoken in ’t glas zit, zie ik een korrel. ’t Zou van alles kunnen zijn, iets zachts, iets vlokkerigs, iets van 2 mm² ong. Maar zeker geen gist. Want dat zit niet in flesjes Amstel bockbier.

Hoeveel van die vlokjes heb ik al op? Doorgeslikt zonder er erg in te hebben. Waar komt ’t vandaan? Ik heb m’n glas gespoeld voordat ik ’t flesje er in leegschonk. Ik heb niks aangeraakt op ’t aanrecht, behalve ’t glas & de fles.
Ik wil er niet aan denken, hoewel ’t me bezig houdt. Ik heb niks ernstigs, tot nu toe niks van gemerkt & ’t glas is leeg. Behalve dan die laatste vlok in een klein plasje resterend bock.

M’n werkgever staat in ’t Volkskrant Magazine dit weekend. Als deelnemer aan een bockbierpanel. Tezamen oa met een zekere Joep, die dezelfde achternaam als ik hanteert. & Ene Peter, die ik nog ken van ’t bockbierpanel voor ’t programma Kassa van 3 jaar geleden. Zij hebben blind bockbier zitten proeven, in ’t bijzijn van een volkskrant-redacteur. Door die achternaam van Joep krijg ik ’t gevoel dat ik er eigenlijk bij had horen zijn. ’t Is een teken, zegt er iets in m’n achterhoofd. Hoewel ik niet in tekens geloof.
Nu drink ik Amstel bock met een vlok. Onderin m’n glas. Misschien zijn er veel van z’n soortgenoten al door m’n keel gespoeld. & Waarom heb ik ’t gevoel dat ’t 1 met ’t ander te maken heeft?

Ik loop naar de wasbak. Gooi m’n glas leeg. Ik had ’t vlokje nog aan een nader onderzoek kunnen onderwerpen, maar heb geen zin. Ik wil er vanaf. Zonder nadenken. Ik wil niet weten wat ’t is. Want des te meer kennis over de identiteit van de vlok, des te meer angst me zal bekruipen dat er soortgelijke xemplaren door m’n keel gespoeld zijn. Twijfels bespringen me dan waarschijnlijk over de werkelijke smaak van ’t bier.

Als ik nu aan Amstel bock denk, zie ik een vlok. Van een kleine 2 mm². Ik zie ‘m drijven, zweven in ’t restje bock. Ik denk aan m’n behoefte dat laatste beetje zo snel mogelijk weg te gooien. Door de goot moet ’t. Ik denk aan de onwetendheid waarin ik mijzelf daardoor heb gemanoeuvreerd. Nooit zal ik te weten komen waar die vlok vandaan kwam.
& Ik denk aan ’t Volkskrant Magazine-bockbierpanel. Hoeveel vlokken hebben die tot zich moeten nemen?

Men kijkt voortaan wat dieper in ’t glaasje in Zijperspace.

stilte

De mooiste stilte ontstond eigenlijk toen ik ’t deksel van de suikerpot voor een kort moment losschroefde. ’t Ging wat stroef, maar toen de draaiende beweging in gang gezet was, floepte ’t los & kwam er een kleine stortvloed suiker vrij. Een korte roffel van neerdalend suiker op t-shirt & broek ontstond. Ik realiseerde me opeens dat ’t huis bijna geen geluid produceerde.
Stel dat er een mier onder m’n stoel doorgelopen was op dat moment, zou die dat dan ervaren als een oorverdovende lawine, vroeg ik me af. Zou hij zich snel uit de voeten maken, afgaande op ’t angstwekkende geluid van inslaande suikerkorrels op ’t tapijt?

’t Deed me beter luisteren. Ik werd me gewaar van een ruis in de tv, terwijl deze slechts een blauw beeld gaf. De kachel produceerde zoemend gas dat continu geleverd werd voor verbranding. M’n comp had een hoge brom, door ’t ventilatortje in z’n ingewanden. & De buurvrouw liep op hakken, maar welke buuv kon ik van deze afstand niet achterhalen.

Zou de zon ook geluid maken, maar kan ik die inmiddels door gewenning niet meer horen? Zouden er geluiden zijn die een mens niet registreert, omdat-ie dan gek zou worden van de veelheid aan info?

Er bestaan studio’s waar geen geluid wordt geproduceerd. De wanden zijn volledig absorberend. Als je daar zelf een geluid maakt, raakt ’t gelijk verloren. Als eierbakjes geplakt tegen ’t plafond, maar dan beter. Volledige stilte kan daar heersen, want de muren zijn onnoemelijk dik, laten niks van de wereld in deze ruimte binnendringen.
Ik zou oordopjes meenemen. Ik wil de stilte, de echte stilte, niet horen.

Geef mij de stilte maar van de muziek die ik vergeten ben aan te zetten. Van de klok die plots irritant de uren verstoord door z’n hartverscheurend getik.

& Dan nog over die mier, die zojuist onder m’n stoel doorkroop: hoeveel geluid produceert die eigenlijk? Hoeveel mieren moet je bij elkaar zetten om de stilte te verbreken? Stel dat je alle mieren bij elkaar verzameld, ze in 1 keer uit hun kooien bevrijdt op de Dam, hoeveel stiltes heb je dan bij elkaar?

Net als blaadjes van een boom in de herfst. Die zie je alleen maar vallen. Zelden heeft hun aankomst op de grond mij uit m’n concentratie gehaald. Daar wordt de herfst dan kwaad om, & in een verrukkelijke orkaan van wisselende gemoedsstemmingen ontneemt-ie alle bomen van hun mogelijkheid rustgevend de zwaartekracht te demonstreren.

Vroeger liet ik keiharde muziek stilte in m’n hoofd creëren. Anders kon ik niet studeren. M’n moeder verklaarde me voor gek. Maar ik wist dat ik niet anders kon. Zonder geluid is er geen stilte. Je hebt opposities nodig, want anders bestaat iets niet. Ik had alleen wat meer geluid nodig dan anderen.

& Zijperspace is een zwart gat, waar geen geluid van naar buiten treedt.

Dit ihkv geleverde suggesties nav ’t stukje wachten, waar overigens nog altijd meer aan toegevoegd mag worden. Dit schrijven is tot stand gekomen dankzij de suggestie van Rachel. Wordt vervolgd zolang de voorraad strekt.

post

Ik krijg nooit post. Niet van die post waarvan je denkt: dit heb ik nou altijd al willen lezen. Tuurlijk wel abonnementen op tijdschriften, ik moet me ergens mee vermaken tijdens m’n eenzaamheid, & bankafschriften, dat heeft ook zo z’n noodzakelijke reden. & Soms, een enkele keer, vooral niet te vaak, stel je voor dat de mensen, de postbodes bedoel ik dan vooral, die ik allemaal van naam ken & zij mij, er iets van gaan denken, dat ik bijv populair ben (dan groeten ze me vast niet meer ’s ochtends vroeg); soms dus, krijg ik een uitnodiging voor een feest, of een partij. Maar dat weet ik vaak al ver van te voren. Dat heeft men mij mondeling al een eeuwigheid geleden aangekondigd. Ik krijg dus een schriftelijke bevestiging als ’t ware in de bus.

Best wel lief, hoor, dat laatste. Zo kreeg ik dus die hele mooie uitnodiging van m’n ouders. Voor ’t 45-jarige (hij kan niet vaak genoeg getoond worden). Wist ik al ver van te voren. Maar daarentegen dermate vaak ook weer vergeten, dat ’t me moeite kostte vrij te krijgen van m’n werk.

Andere categorie is ’t bedankwoordje achteraf. Ik ken echter nog te weinig mensen die overleden zijn. Wellicht dat ik dan wat meer van dergelijk gevulde enveloppes in m’n bus krijg. Misschien dat ik ook wat meer m’n best moet doen m’n sociale kontakten te onderhouden. Zodat ik uitgenodigd wordt op de begrafenis, & ’t er op volgende bedankwoordje terecht aan mij gericht is. Niet omdat ik toevallig in ’t adressenbestand van de overledene stond.
Verrassend was dan ook ’t bedankje van Stella. Dat ze ’t leuk vond dat ik aanwezig was op haar laatste avondje uit in Amsterdam. Voordat ze naar Culemborg vertrok. Lag 1 week later in m’n bus. Voor de rest was de deurmat leeg, maar dat ben ik wel gewend.

Op m’n brievenbus hangt ‘Nee/Nee’. Ik wil reclame noch huis-aan-huisbladen ontvangen. Deze mededeling wordt categorisch genegeerd door pizza-reclame-bezorgers. Ik ben wel ‘ns achter 1tje aangerend (snel de sleutel gepakt, zodat ik niet buitengesloten kon worden door een plotse windvlaag); heb ‘m ’t foldertje teruggegeven, onderwijl uitleggend, in fatsoenlijk onverstaanbaar nederlands waarschijnlijk, waar die stickers voor dienden. Hij lachte lief naar me.

Daarom ben ik zo blij met m’n ‘gerichte post naar Zijperspace’. Krijg ik tenminste af & toe een persoonlijk meeltje. Niet gestencild, geen prefab folder/afschrift. Zegt men tegen me dat ik aardig ben, of dat ik in ieder geval zo overkom als ik schrijf. Soms stelt men mij een vraag. Vind ik ook wel leuk. Want Ton weet altijd raad. Zolang ’t over mezelf gaat.

Soms vraagt men aldus of ik aandacht wil besteden aan hun. Maar dan vraag ik me af: waarom zou ik aandacht besteden? Aan iemand die geen aandacht voor mij heeft? Er wordt geen aandacht besteedt aan mij, nu moet ik ’t plots wel voor anderen hebben. Terwijl ik amper tijd heb om mezelf te kunnen doorgronden. Aandacht te geven. Tenminste, zo voel ik dat dan.

Toch neem ik ’t ze niet kwalijk, hoor. Ik ben blij dat ik wat ontvang. Ik kijk dagelijks bij thuiskomst verlangend naar de meelbox. M’n humeur is goed als ik er iets in heb mogen ontvangen. Dan kan ik de mensen wel kussen. Maar helaas zijn die er dan weer niet. Dus zet ik de kachel maar weer aan.

’t Is een kleine koude kamer, Zijperspace.

Dit ihkv geleverde suggesties nav ’t stukje wachten, waar overigens nog altijd meer aan toegevoegd mag worden. Dit schrijven is tot stand gekomen dankzij de suggestie van Website4all. Wordt vervolgd zolang de voorraad strekt.

twijfel

Ik heb er geen zin in. Geen zin om boodschappen te doen, geen zin om een film te gaan kijken. Ik zal u de rest van de opsomming van alle dingen waar ik geen zin in heb besparen; ’t zou de tekst ellenlang & dodelijk saai maken. Waarna men er vervolgens ook geen zin meer in heeft. Deze besmetting kan ik de mensheid niet aandoen.

’t Komt allemaal door gisteravond. Onder invloed van genoeg alcohol heb ik de dansvloer betreden. Jaren niet gedaan. Voorzover ik me kan herinneren was koninginnedag 2000 de laatste gelegenheid dat ik met m’n voetjes van de vloer ging, de straat, moet ik zeggen in dit geval. Onder ’t mom dat ik ondertussen een oude man ben waag ik me er niet meer aan. ’t Streven is dat ik me er niet meer aan waag. ’t Idee van ouderdom roept beelden op van hippies die in de new wave-tijd (ik was de dj) de dansvloer betraden & met hun lichaam zwierend, de haren wapperend, ronddraaiden. Afschuwelijk anachronisme. Daar wilde ik later niet aan meedoen.

Maar terwijl ik dans zie ik mensen wijken, mij de ruimte geven, van de zijkanten kijken. Ik voel blikken bewonderen, of juist nonchalant net doen alsof ’t ze niet interesseert.
Ik heb meegemaakt (’t is ondertussen wat jaren geleden) dat mensen applaudiseerden nadat ik een tijd op de dansvloer had doorgebracht.
Schaamrood op m’n kaken: had ik me zo erg aangesteld? & Lichtelijk gegeneerd voor de aandacht, ietwat overdreven aandacht, die ik kreeg.
Gisteravond kwam er een dame op me aflopen. Ze moest ff kwijt dat ik prachtig kon dansen.
Ik ging naar huis. Werd de volgende ochtend wakker met een kater. Ik had me aangesteld.

Ik kreeg van de week een ander compliment. Ik bedankte de dame in kwestie. Oprecht. Maar met de aantekening dat ik de volgende dag wel weer zou twijfelen over m’n kwaliteiten. Waarop zij vroeg wat ik zo leuk vond aan ’t twijfelen.
Zittend op ’t toilet (sommige mensen denken na terwijl ze rondjes om de tafel lopen, anderen tijdens ’t poetsen van de tanden; vreemd genoeg komt er bij mij in beide situaties niet veel zinnigs uit) bedacht ik dat ik niet anders kan. Niet anders zou willen ook, inmiddels.
Ik moet toegeven, ’t waren niet veel gedachtes die mij te binnen schoten, daar op ’t toilet, weinig verheffend bovendien, maar ik merkte een bepaalde mate van genoegzaamheid in m’n eeuwige getwijfel. Ik moest er gewoon maar mee door gaan, dacht ik, terwijl ik de wc doortrok.

& Voorlopig dansen we niet meer de polka in Zijperspace.

tante geert

Tante Geert was nog ouder dan m’n opa. & Die was al oud. Ze liep ook nog wat krommer als ze opstond om uit haar kastjes wat tevoorschijn te halen. Maar daar had ze niet, zoals haar jongere broer, een stok voor nodig. Later pas, toen ze echt stokoud was, was voor haar ondersteuning noodzakelijk, & die kreeg ze in de vorm van een korte stok. Maar nog geen wandelstok zoals mijn opa.

M’n opa was daadwerkelijk de jongere broer. De oudere broers & zussen hadden niet veel aan opleiding gedaan, verdienden hun geld, & stonden dat gedeeltelijk af, waardoor de 2 jongsten konden studeren. Moest ook wel, want vooral de manke poot van m’n opa zorgde ervoor dat-ie anders niet veel zou kunnen betekenen voor de arbeidsmarkt.
Tante Geert had haar leven lang met 2 broers & 1 zus samengewoond. Tot ze 1 voor 1 overleden. Zij bleef over. & Die 2 jongere broers, maar die hadden hun eigen behuizing.
Ze kwam in een aanleunwoning van ’t bejaardentehuis Ten Anker te wonen. Toen ook de mobiliteit van m’n grootouders verminderde, betrokken zij een soortgelijke woning om de hoek van Tante Geert. Konden we wat makkelijker bij Tante Geert langswippen als we op bezoek bij Opa & Oma waren.

Dat laatste was zeer interessant. We wilden maar wat graag bij de oudtante langs. Daar hadden we wel een kopje thee, opgewarmde restanten van de ochtendthee, voor over. & Tuurlijk lustten we wel een koekje. Vooral als 1 van de broers je een elleboog in je zij drukte, lustte je wel een koekje.
Waar praatten we over? ’t Zal wel over school gegaan zijn. Of we vriendjes hadden. Of we lekker buitengespeeld hadden. & Hoe ’t met Pappa & Mamma ging.

Tante Geert was een zuinig mens. De gehele familie verheugde zich daarop. Vandaar de opgewarmde thee. De snoepjes die we in de snoeptrommel vonden kleefden aan hun verpakking van ouderdom (‘Neem nog maar een snoepje mee voor later,’ zei ze. Die gooiden we bij Opa & Oma stiekem in de prullenbak). De deur naar de voorkamer ging nooit open, tenzij ’t niet uit te houden was in de zomer, want dat kostte maar energie. Ze leefde temidden van allemaal oude meubeltjes, zittingen versleten, want niks mocht zomaar weggegooid worden.
(M’n vader heeft na haar overlijden de boel geïnventariseerd, geselecteerd, laten opkopen, verdeeld onder de familie. Hij kwam in ’t huis de gekste dingen tegen. Kapitalen aan oude snuisterijtjes, maar ook stapels plateautjes waar de slager de plakjes vleeswaar op legde. Van alles werd om wat voor reden ook bewaard.)
Telkens als er iemand overleed van degenen met wie ze samenwoonde, had ze alles geërfd, ze hoefde vanwege de samenlevingsvorm niets af te staan aan successierechten. Grote kapitalen had ze waarschijnlijk op de bank staan, had men in de familie al uitgerekend. Niemand die daar van profiteerde, ook zijzelf niet. Er moest niet onnodig geld uitgegeven worden. Behalve dan aan haar lieve achterneefjes die af & toe langs kwamen wippen.

We stonden te springen als m’n ouders zeiden dat we wel weer ‘ns bij Tante Geert langs konden. Lekker naar Tante Geert; daar wilden we allemaal wel heen. Elke week.
Maar dat vonden m’n ouders weer overdreven. ’t Moest niet opvallen.

We belden aan bij Tante Geert. Zenuwachtig sprongen we heen & weer voor de deur, gluurden langs ’t gordijntje of ze er wel was, stootten elkaar omstebeurt aan.
‘Jaja, ze komt er aan,’ siste 1 van ons dan opgewonden, waarna we netjes recht gingen staan.
We kregen allemaal een zoen. & Wij gaven er 1 terug, hoewel dat best wel eng was, vanwege de pukkel op haar wang. & Haar huid was erg oud.
Zoet dronken we onze thee op, aten we ons koekje, gezeten op de stoel die we zelf hadden mogen uitzoeken.
‘Zit je lekker in die stoel?’ vroeg Tante Geert dan, ‘Jij houdt wel van grote stoelen met leuningen, zie ik.’
En: ‘Lusten jullie nog een bakje thee?’
Nee, was ’t dan. We moesten ook weer terug. Pappa & Mamma wachten misschien wel.

Dan moesten we met z’n allen in de gang gaan staan. Ze moest nog ff wat doen. Nog ff blijven wachten, zei ze dan vanuit ’t huiskamertje.
We hoorden haar schuifelen, laatjes openen. We gniffelden naar elkaar, stootten elkaar aan, de oudste broer gebaarde dat we niet moesten lachen: serieus zijn.
Eindelijk kwam ze tevoorschijn uit ’t kamertje. Stapje voor stapje kwam ze naar de oudste broer.
‘Hier, stop dat maar weg. Eerlijk verdelen.’
Maar soms kregen we allemaal afzonderlijk een briefje van 100. Die moesten we dan ff later inleveren bij Pa & Ma. Die wisten gelukkig niet dat we er allemaal 1tje hadden gehad.

Er moest wel wat bewaard worden voor later in Zijperspace.

Dit ihkv geleverde suggesties nav ’t stukje wachten, waar overigens nog altijd meer aan toegevoegd mag worden. Dit schrijven is tot stand gekomen dankzij de suggestie van Theo. Wordt vervolgd zolang de voorraad strekt.

winkel

Ik speel winkeltje.
Zo omschrijft m’n werkgever ’t als-ie weer ‘ns de honneurs moet waarnemen, in geval er iemand ziek is. Alsof ’t een vanzelfsprekend iets is. Alsof een dag die je in de winkel staat vloeiend verloopt, zonder strubbelingen, zonder obstakels. Hij speelt een leuk spelletje, nog uit z’n kindertijd, of doet ’t zo voorkomen. Een fluitje van een cent. Niets gebeurt, er wordt alleen maar bier verkocht aan lieve aardige klanten.

Ik stel me de vraag niet meer waarom ’t op mij niet zo overkomt. Ik maak dingen mee, terwijl ik in de winkel sta. Ik krijg iedereen over de vloer, van arm tot rijk, & iedereen van iedereen reageert anders. Van mij wordt verwacht dat ik de gebruiksaanwijzing van de volgende iedereen al geheel uit m’n hoofd ken zogauw iedereen de drempel passeert. Want iedereen is m’n klant, & anders wordt-ie dat binnenkort wel.

Ik speel geen winkeltje. Ik ben de winkel.

Hij stond al enkele minuten met een grimas voor ’t raam van de winkel. Te staren door z’n dikke brilleglazen om z’n grijns te kalmeren. Een enkele keer wreef-ie z’n ogen onder z’n bril door. Daardoor kon je zien dat-ie bijna niks zag zonder.
Plots was-ie voor de etalage verdwenen & even plots liep-ie bij mij naar binnen. Recht op de koelkast af. Hij pakte doelbewust een Kanon & bleef toen twijfelend staan staren. Met de deur open.
‘Wat zou hij nou willen?’ hoorde ik ‘m mompelen.
‘Sorry, kan je de deur dichtdoen terwijl je kijkt?’ vroeg ik ‘m vriendelijk.
‘Ja, ja, je hebt gelijk,’ waarna hij onmiddellijk de deur toedeed, een stap achteruit, & verder ging met z’n vraag.
‘Hij drinkt altijd Heineken,’ mompelde hij nu wat verstaanbaarder.
‘Dat verkopen we niet.’
‘Wacht, ik vraag ’t ‘m ff,’ zei hij, & terwijl hij richting deur liep, schreeuwde hij al: ‘RIK, HÉ, RIK!’
Ik maande ‘m ondertussen tot stilte, maar door z’n eigen lawaai drong daarvan niks tot ‘m door.
‘Hij fluit wel naar me, hij zoekt me, maar hij hoort me niet,’ vervolgde hij richting mij. Ik hoorde inderdaad iemand fluiten. Hij ging in de deuropening staan. ‘Hij weet niet waar ik ben. RIK! HÉ, RIK!’
‘Nou is ’t afgelopen,’ zei ik, ‘hier met dat flesje Kanon. Als jij zo gaat staan schreeuwen in de winkel dan kan je gaan.’
‘Ja, wacht ff. Ik zal ‘m betalen.’ Hij haalde een briefje van 50 tevoorschijn.
‘Dat kan ik niet wisselen. & Ik heb ook helemaal geen zin in klanten als jij.’
Hij stond alweer in de deuropening. Te schreeuwen om Rik. Of-ie wisselgeld had.
‘Nou wegwezen,’ zei ik, ‘Ga maar ergens anders gillen, maar niet hier. & Wisselgeld regel je maar bij de Albert Heijn. Niet bij mij.’

10 Minuten later was de beste vriend van Rik er weer. Voordat-ie iets kon zeggen sprak ik ‘m aan.
‘Ok, als je niet meer in m’n winkel of vlak ervoor gaat staan schreeuwen wil ik je wel helpen. Maar anders donder je maar op.’
Hij sikkeneurde. Hij deed of wat ik zei niet tot ‘m doordrong.
‘Wat is er nou? Ik heb dat briefje van 50 gewisseld.’
‘Als je je normaal gedraagt wil ik je wel een flesje verkopen. Dan beginnen jij & ik weer van voren af aan.’
Hij had z’n flesje al te pakken ondertussen.
‘Ok, je hebt gelijk,’ mompelde hij.
Ik sloeg ’t flesje op de kassa aan.
‘Ik ben een klootzak,’ vulde hij aan.
‘Da’s € 1,15, alsjeblieft.’
‘Ik ben af & toe zo’n klootzak. Je hebt helemaal gelijk. Sorry, ik zal m’n best doen niet meer te schreeuwen. Sorry. Ik ben gewoon de klootzak. Ik hoor andere mensen soms helemaal niet. Sorry. Ik zal ’t niet meer doen.’

Terwijl hij z’n verontschuldigingen aanbood, hing er de hele tijd een sliert eten aan de rand van z’n lip. Die reikte bijna tot aan z’n kin. Hij merkte er blijkbaar niets van. Ik deed of ik ’t niet zag. Waarschijnlijk had-ie toch niet door dat ik naar de sliert keek ipv in z’n ogen.

Dan zeggen ze dat we spelen in Zijperspace.

Dit ihkv geleverde suggesties nav ’t stukje wachten, waar overigens nog altijd meer aan toegevoegd mag worden. Dit schrijven is tot stand gekomen dankzij de suggestie van Tweet. Wordt vervolgd zolang de voorraad strekt.

kringen

Ik wilde vanmorgen verder gaan met m’n serie schrijfsels in opdracht, maar ik kon me er niet toe zetten. Plots zat m’n neus gisteravond vol. & Dan bedoel ik ook écht vol. In 1e instantie dacht ik dat ’t medicijn, dat ik dagelijks 2 maal m’n neus in spuit, er de oorzaak van was. Maar toen ’t snot door bleef stromen & de bewuste Nasonex ’s avonds laat een nare smaak achter m’n neus veroorzaakte, moest ik concluderen dat ik verkouden was. Ik ga een onrustige nacht tegemoet, dacht ik. & Ik heb daarin gelijk gekregen.

Waarom zou ik dat dan meedelen, vraag ik me meermaals af. Wat heeft de lezer er aan te weten dat ik verkouden ben, slecht geslapen heb, medicijn gebruik? Niets, fluister ik mezelf ’t antwoord in, maar ik kan een poging ondernemen ’t op een goede manier te beschrijven. Net zoals men er niets aan heeft iets te lezen over m’n vader. ’t Moet echter geschreven worden, zegt ’t in me.

‘Hij is de laatste dagen wat in de war,’ zei m’n moeder over m’n vader.
‘Ja, ik merkte ’t onderweg,’ zei ik.

& Dat vertelde ik weer aan m’n collega, later die dag, op m’n werk.
‘Treurig,’ zei Myrte.
‘Nou, treurig?’ waagde ik te betwijfelen, ‘Eigenlijk heeft-ie nooit een slecht humeur of zo. Hij lijkt er niet onder te lijden. Hij voelt zich alleen wat hopeloos als-ie in een vreemde omgeving is & m’n moeder er niet is. Dus ’t huis, dat nu overhoop ligt, veroorzaakt ook een onveilig gevoel. Da’s wel een treurig gevoel misschien, ja.’

Je loopt kringetjes in je eigen gedachtengang, realiseer ik me.

Terwijl m’n neus me dwong op m’n rug te blijven liggen, op straffe van 2 dichte neusgaten bij overtreding, passeerden allerlei scenes van de afgelopen dag de revu. Niet dat er veel gebeurd was, maar wat er gebeurde was veel. & Wat zich herhaalde in m’n hoofd ook.
Zou m’n vader zich realiseren dat-ie geen boek meer leest? Weet-ie dat-ie verandert is in een mens waarvan hij zelf nooit verwacht had dat híj zo zou worden? Beseft-ie zich dat-ie er genoegen mee neemt & niet meer strijdt? Wordt je daar gelukkig van?

We lopen nog een rondje in Zijperspace & beginnen vanavond weer waar we gebleven waren.

3e onderbreking

3e Onderbreking, zeg ik, omdat ik ’t vorige stukje niet als zodanig zie. Misschien moet ik ipv ‘zie’ ‘voel’ zeggen. Ik heb dat stukje geschreven terwijl ik onderweg was naar Den Helder, & vervolgde dat schrijven een paar uur later bij m’n ouders thuis. Beneden werd gewerkt aan de redecoratie van ’t huis, de huiskamer zag leeg van verwijderde meubels & vloerbedekking. Boven deed m’n vader z’n dagelijkse middagdut & ik typte ondertussen aan de tekst die niets met de dag zelf te maken had. We verwerkten beiden op onze eigen manier de wandeling over de dijk van Huisduinen naar Oud Den Helder.

‘Ik herken die vogels niet,’ zei m’n vader, z’n blik gericht op de vlucht die overging.
‘Zijn ’t geen rotganzen?’ vroeg ik. Een vraag waar ik geen antwoord op hoefde te verwachten. M’n vader heeft alle namen reeds lang verloren. Hij heeft anderen nodig om zich die te herinneren.

’t Grootste gedeelte van de tijd zwegen we. Zoals je kan zwijgen als je een wandeling maakt. Slechts een enkele keer is communicatie echt nodig, vooral als de omgeving zo weinig vertelt als een dijk bij slecht weer.
‘We zouden de dode meeuwen kunnen tellen, Pa,’ wees ik naar ’t 2e lijk.
‘Worden die dan niet opgeruimd?’ dacht ik, niet anders dan de luxe van de vuilnisophaal, plantsoenendienst, & propjes verzamelende prikkers gewend. ‘Deze heeft nogeneens een kop.’
‘Ga jij de dode meeuwen maar tellen,’ klonk m’n vader ietwat cynisch. Een lichte schok ging door me heen: dat soort opmerkingen was ik niet van m’n vader gewend. Maar een blik opzij vertelde me dat-ie er voor de rest niets mee bedoelde. ’t Was eerder een verzuchting, zoals z’n mededelingen tegenwoordig wel vaker verzuchtingen zijn.

Hij wilde niet te lang lopen, vertelde hij al voordat we begonnen waren. Ik had niet anders verwacht. Vroeger kon een wandeling voor hem niet lang genoeg duren, tegenwoordig is-ie al moe als-ie denkt ’t huis te moeten verlaten.
Maar ’t huis is nu ff ’t huis niet meer, zo zonder tapijt om op te lopen, zonder een bank die vrij is om te zitten. M’n vader heeft alleen z’n bed waar alles onveranderd is. Waar hij niks van hoeft te onthouden.

Ik nam m’n vader op sleeptouw, zoals m’n vader mij vroeger op sleeptouw nam. Hij hield de schijn op dat we slechts een klein stukje gingen rijden, waarna de urenlange wandeling door ’t Robbenoordbos volgde, waarvan ik ondertussen totaal geen tijdsbesef meer had. Ik hield de schijn op dat we de bus konden pakken, of desnoods Ma zouden bellen om ons op te halen, als we er geen zin meer in hadden. & M’n vader had gelukkig niet al te veel besef van tijd meer om zich te kunnen realiseren dat-ie z’n vrouw al 2 uur miste. Dat is niet omdat-ie zich vermaakt, zoals ik vroeger per ongeluk toch deed, ’t komt eerder doordat-ie gewoon ’t besef niet heeft.

‘Zullen we door de Martinus van der Hamstraat?’ vroeg ik ‘m. We stonden nu toch om de hoek van ’t huis waar ik geboren was.
M’n vader twijfelde. Hij twijfelt over alles dat ‘m misschien langer van z’n veilige thuishaven kan houden. ’t Leek alsof-ie ging berekenen hoeveel xtra tijd ’t ‘m zou gaan kosten, maar ’t zou ook kunnen dat-ie zich bedacht wat voor bezwaar hij ertegenin kan brengen.
Hij zei ja.
‘Welk nr woonden we eigenlijk?’ vroeg ik, na al eerder m’n verwondering uitgesproken te hebben over hoe klein de straat nu opeens lijkt. Voor m’n vader moet ’t nog steeds even groot zijn, bedacht ik me. Hij was toen al volwassen. & Toch zie ik ‘m bij die opmerking omhoog kijken naar de muren van de huizen. Hij liet de muren groeien, zo leek ’t.
‘Ik weet ’t niet meer.’
‘Nr 17 misschien? Dan zouden hier de buren Veenstra hebben gewoond & daar voor….’ ik begin te twijfelen, ‘Nee, dat kan niet.’
‘We woonden op nr 19,’ zei m’n vader nog net voordat we ’t oude huis bereikt hadden.
‘Eigenlijk is er niks veranderd,’ zei ik, ‘de huizen zijn ’tzelfde, ’t grasveldje, de stegen achter de huizen. Alleen de mensen wonen er niet meer.’
Ik zag m’n broers met hengels naar de Singel lopen. Ik zag valse honden ’t grasveldje onveilig maken. Ik zag een sneeuwballengevecht voor ’t huis van Tante Bep & Ome Arie. Ik zag een jonge vader die achter de 1e fiets van z’n zoon aanrent.

‘Jij mag kiezen, Pa. We kunnen van hieraf naar huis lopen, nu we de trein gemist hebben, of we kunnen de bus nemen.’
‘Laten we maar de bus nemen.’

Ik schreef. M’n vader sliep. Beneden werkten m’n moeder & 2 schoonzussen. Ik zie ’t als een verplichting alles op te schrijven. M’n schoonzus denkt daar iets anders over, voelde ik aan enkele stekelige opmerkingen. Maar ik vind dat ik net zo hard gewerkt heb als zij. Ook al schreef ik dan ’t vorige stukje.

Wonen in Zijperspace is een vak apart.

mona

Voordat men ’t onderstaande begint te lezen, dien ik de lezeressen onder u kort aan te spreken.
Wellicht dat enkele details van ’t mannelijk gedrag die ik zodirekt zal proberen te beschijnen, de dames niet geheel & al zullen bekoren. Ik zou daarom kunnen voorstellen dat men om deze reden vanaf deze alinea niet verder leest, morgen is er weer een dag & dan staan er waarschijnlijk weer 2 nieuwe stukjes van mijn hand. Ik wil echter, voordat men overgaat tot dit besluit, er op wijzen dat aan ’t eind van dit schrijven de problematiek ten volle tot uiting gebracht zal worden, waarbij men zal bemerken dat ook de vrouw niet gevrijwaard is van dergelijk euvel, maar dat zij, ook al zijn we reeds enkele stappen gevorderd richting de gefeminiseerde maatschappij, zelfs oplossingen aan kan reiken, waartoe ik de man, incluis ikzelf, niet zo snel in staat acht. Gelieve nu de keuze van wel lezen/niet lezen te maken, want de volgende alinea begint na dit punt.

Als ik zittend gebruik maak van ’t toilet, ben ik eigenlijk zeer achteloos in deze. Ter afleiding van de gedachten aan de bezigheden van m’n lichaam neem ik altijd iets te lezen mee. Tijdens de verstrooiing van de geest gaat de rest vanzelf. Aan ’t eind van de operatie trek ik door zonder bewust een blik op ’t gebeurde te werpen & leg de afsluitende klep op de wc-bril. Die klep hoort, heeft m’n moeder me geleerd. Dan komen er niet zoveel nare luchtjes uit de pot.

Ik word pas weer aan m’n gepleegde aktiviteiten herinnerd zogauw ik bril & klep beiden optil, om de weg vrij te maken voor ’t zorgvuldig kunnen plegen van een plas. & Net zoals men tegenwoordig op insekten kan mikken op toiletten van openbare gelegenheden, richt ik mijn straal op de plakkende restanten van mijn laatste boodschap. Een handeling die bijna geheel automatisch verricht wordt; ik denk er vaak niet eens over na. ’t Doel: ’t overbodige, niet als verfrissend ervaren panorama, wegplassen.

Tuurlijk kan men voor dat doeleinde ook een wc-borstel gebruiken. 1 Keer flink schrobben & ’t is weg. De borstel uitslaan boven de pot & klaar is kees.
Maar ik vind dat een beetje vies. Ik hou er niet van de pleeborstel te hanteren. Ik zie de deeltjes die zich aan de borstel gehecht hebben al in gedachten alle kanten opspetteren. & Wat er niet afgeslagen wordt boven de pot komt terecht in de wc-borstelhouder. Vind ik ook geen fris idee. Hoelang blijven die afvalstoffen van ’t menselijk lichaam daar aan hangen, vraag ik me dan af.
Dus plas ik met een ferme straal de remsporen weg. Wij mannen hebben tenslotte de mogelijkheid er vrij nauwkeurig mee te mikken, waarom zou men er dan geen gebruik van maken?

Geregeld gooi ik een hoeveelheid wc-verfrisser in de pot. Zo af & toe afgewisseld met glorix. Dat bijt lekker alles weg, denk ik dan. M’n familie zal niet kunnen klagen over vreemde geurtjes, mochten ze plotsklaps binnenvallen.

Maar, & hier ontstaat dus ’t probleem, des te vaker ik glorix de boel laat uitbijten, des te meer remsporen. Allengs worden deze remsporen moeilijker uitwisbaar voor mijn toch wel zeker krachtige straal. Alsof de ondergrond juist ruwer wordt, alsof er geen laagje afwerend spul (ik weet zelf ook niet wat ik me daarbij moet voorstellen, maar ik heb ’t idee dat er zich toch een bepaald goedje in wc’s zal bevinden die dit soort aanplakken van de ontlasting moet tegengaan) bovenop de emaille laag van de wc zelf zich meer bevindt.

& Dan: zo’n probleem stuur je toch niet als ingezonden brief naar Mona (mocht ze nog bestaan, maar zij wist tenminste altijd raad) of enig ander vraagbaak?

Dit probleem dient in Zijperspace opgelost te worden.