vaderschap

Ik neem op.
Hendrik.
‘Ik stoor toch niet?’
‘Wat bedoel je?’
‘Je bent toch niet met iets bezig momenteel?’
Daar raak ik van in de war. Wat moet ik daar nou op antwoorden? Tuurlijk ben ik met iets bezig, ik ben altijd bezig, maar dat wil niet zeggen dat ik niet gestoord kan worden. Bezig zijn met iets is tenslotte tijdelijk, daarna volgt vanzelf weer een andere bezigheid.
Als ik deze gedachtes echter Drik ga meedelen, dan maak ik ’t alleen maar ingewikkelder. Moet ik ‘m zeggen dat ik bezig ben? Met bijv m’n ontbijt, of met een boek, of een stuk te schrijven. Dan krabbelt-ie helemaal terug.
& Als ik zeg dat ik gestoord kan worden, denkt-ie vast dat ik uit m’n concentratie gehaald ben. Dan maar meteen helemaal er uit, maar dat niet zeggen.

‘Nee, vertel ’t nou maar.’
Ik wil nou toch wel weten waarvoor hij belt. Zou hij me gaan vertellen dat…..?

‘Ik wilde vragen of jij misschien op de 16e voor mij kon werken.’
De 16e. Wat is er op de 16e? Dat moet een woensdag zijn. Op woensdag ben ik altijd vrij. Da’s dus geen probleem. Maar daardoor verlies ik natuurlijk wel een vrije dag. Niet te snel toehappen dus. Er moet wel iets tegenover staan. Niet zomaar een vrije dag opgeven.
‘De 16e is mijn vrije dag.’
‘Ja, dat weet ik, maar ik kan niemand anders vinden. Ik heb iedereen al gebeld; niemand kan. Roen kan ook al niet. Dus jij was m’n laatste hoop. Op Marieke na dan. Die heb ik nog niet kunnen bereiken.’
‘Ja, probeer Marieke dan nog ff. ’t Is voor mij hartstikke zonde van m’n vrije dag. Kan je er niet iets tegenover zetten?’
‘Ik zal zorgen dat je er weer een vrije dag voor terug krijgt.’
‘Dan zou je natuurlijk as vrijdag van me over kunnen nemen. Onee, waarschijnlijk ben je dan verschrikkelijk druk bezig met vader zijn.’

Of misschien is-ie dat al, bedenk ik me opeens. ’t Kon elk moment gebeuren.
Nee, dat kan niet. Dan vertel je dat wel meteen. Dan ga je je niet zorgen maken over diensten die anderen zowiezo van je over moeten nemen. Je hebt zwangerschapsverlof, ook als vader, de diensten moeten door de collega’s opgelost worden.
Drik is vast voorbereidingen aan ’t treffen, denk ik dus, voor ’t geval dat ’t kind er uit gehaald moet worden, vanwege laat.

‘Ik ben al vader. Afgelopen nacht.’
‘Gefeliciteerd. Wat leuk. Is alles goed gegaan? Wat is ’t geworden?’
& Nog 10-tallen vragen schieten me door ’t hoofd. Alleen niet op ’t juiste moment.
”t Is een jongen. Alles ging goed.’
‘Maar de 16e zit wel ok,’ zeg ik plots nonchalant. De meest coulante, de meest collegiale, toeschietelijke persoon ter wereld dient zich aan. Een collega waar iedereen op kan bouwen.
‘Geniet jij maar van je vaderschap & maak je geen zorgen over de 16e. Die vrije dag regelen we later wel. ’t Zou leuk zijn als Marieke de dienst kan overnemen, maar ik kan in ieder geval.’

Hoe leg ik m’n ouders uit dat ik op de 16e niet langs kan komen om een wandeling met m’n vader te maken?

Daar maakt men zich de hele dag al druk over in Zijperspace.

ooit

Ik heb ‘ns iemand gekend die zei in staat te zijn mensen op straat neer te schieten. Willekeurig. Hij moest slechts ’t juiste moment in z’n gemoed ervoor treffen. Hij keek fel uit z’n ogen. Een bleke felheid was ’t wat z’n gezicht deed spreken.
Ik zei: ‘Zou je dat nou wel doen?’
Ik moest zeggen: ‘Weet je dat wel zeker?’
Z’n stem was ook schel, geëmotioneerd, terwijl je zou denken dat je dan niet aan emoties denkt.

Ik kwam ook iemand tegen die juist niet met emoties praatte. Misschien had-ie wel dat soort mechanismes in z’n hoofd, zei hij, maar hij merkte ’t alleen niet. Alles was logisch, waarom zou je een wetenschap gaan studeren?
Hij had ’t meest rechte gezicht dat ik heb gekend. Z’n kapsel was daarop aangepast. Blonde rechte stekels. Brede verticale kaken, recht onder z’n voorhoofd. Z’n woorden kwamen net zo recht, zo welgemikt, uit z’n mond. Geen emoties, zei hij.
Hij vond ’t afschuwelijk dat wij over emoties praatten. Hij kon niet begrijpen dat wij wisten dat we ’t bij ’t verkeerde eind hadden. Hij begon te janken als we hem begrepen. Zonder tranen.

Ik kwam ooit in kontakt met een meisje dat haar hoofd tegen de muur wilde slaan. Haar hand maakte alleen de beweging niet snel genoeg. ’t Hoofd had ’t door voordat de hand zover was.
Ze droomde diepe dromen van haar uiteenspattende hersenen. Verlegen, droomde ze dat. Zacht, in ’t diepste geheim. Ze vertelde me fluisterend welke kleuren haar daarbij verschenen. & Ze vroeg of ik niet wilde vertrekken, ik moest blijven, ze wilde niet nog een nacht tegen de muur aanplakken.
Ze droeg vaak een pyama, met bloemen zoals oma’s nog versierd waren. Ze lachte, met een bruingekleurd fotolijstje eromheen.

Een ander las nooit ’t nieuws. Ze verzonk in stilte, stilte als een oceaan, zogauw ze te weten kwam over roddels, achterklap, moord, oorlog & vernietiging. Ze kon geen dode baby’s meer zien. Ze wilde geen krijsende krijgers, knallende kanonnen, gillende waarheid meer horen. Liever sloot zij zich op. Wij moesten haar naar buiten slepen. Wij moesten haar de zon, hallo, hier schijnt de zon, laten zien. We moesten haar ’t zacht zwijgen van de gang van de golven laten horen. We woonden tenslotte aan de zee.

Ik heb mensen gekend die wilden versterven. & Slechts daar over konden praten. Hun mond stond niet stil. Ik heb ze een spreekverbod opgelegd. Ze luisterden niet. Dat pastte hun niet, zeiden ze, maar niet als antwoord op mijn verbod.

Sommige mensen liepen schichtig over straat. Van hoek naar hoek. Ze durfden de grote, drukke straten niet meer te nemen, niet meer te doorkruisen, omdat elke hoek een veelheid aan mogelijkheden creëerde. Liever keken ze vanaf ’t zolderraam naar ’t passeren van ’t verkeer. ’t Leven droop voorbij, zeiden ze, ’t droop langzamer dan de lekkende kraan.

& Er was een hond. Die vertelde me dat hij ’t prettig vond om uitgelaten te worden. Hij liep ’t liefst over bospaden, van die onverharde. In ’t gezelschap van een mens. Zo’n grote, liefst een tamelijke breedheid, met een grauwe stem. Daar hield die hond wel van.
De hond kromp ineen als je je stem verhief. Z’n haartjes zag je in koor trillen. Z’n staart stak dan onder z’n benen tot zowat in z’n bek.
Maar ’t was een lieve hond. Hij had een schone bruine vacht. & ’t Liet keutels in de goot.

’t Was een puinhoop in Zijperspace.

weijers

Hardop lezen helpt. Voor mezelf hardop lezen. Dan dringt de inhoud van de lege zinnen weer tot me door. & Zie ik ze tot leven komen alsof een still van een dans verandert in een filmische opname, in opeenvolgende beelden, op 35 mm-formaat, 24 beeldjes per sec.

Elke keer schiet me dan weer de beeltenis van meneer Weijers te binnen. Hoewel ik niet zeker weet of-ie nou inderdaad Weijers heette. Hij heeft ons slechts een ½ jaar lesgegeven. & Dat nog wel in ’t xamenjaar, waarin je bijna alleen maar in beslag werd genomen door tentamens, tentamens, tentamens & uiteindelijk de alom gevreesde finale xamens.

De heer Weijers liet me voorlezen, net nadat-ie de taak van onze vaste nederlandse leraar van Garderen had overgenomen, die thuis lag na een hartaanval. Hij kende me nogeneens van naam, op ’t moment dat ik voor m’n voorleesbeurt bij hem moest verschijnen.
Ik las uitstekend voor, ’t kon wat langzamer, & of ik nog een keer dat laatste stuk wilde doen, maar dan op wilde letten op ’t verschil tussen de ‘v’ & de ‘f’ & de ‘z’ & de ‘s’.
Ok. ’t Ging wat beter, was ’t vervolgens, maar ik moest toch wat meer gaan oefenen op de ‘v’ & de ‘f’.
De boeken die ik voor m’n lijst had uitgekozen waren overigens van hoog nivo, voegde hij er aan toe.

De slechtste beurt die ik gemaakt heb bij Weijers; ik zal ‘m voorlopig maar zo blijven noemen. Er schiet me niks anders te binnen.
De slechtste beurt. De les die ik misschien ’t beste ben blijven onthouden.

Ik kon niks fout doen. Voor alle onderdelen van Nederlands haalde ik bovengemiddeld. Of vaak zelfs ’t hoogst. Ik kreeg soms ’t idee dat ik voorgetrokken werd.

Na een ½ uur op een gedicht te hebben zitten werken, ’t tentamen gedichten, waarbij enkele vragen over stijlfiguren & stromingen, waarna ’t verzoek 1 van de 10 gedichten zo uitgebreid mogelijk te ontleden, verliet ik ’t lokaal. Weijers kwam bij uitreiking van de resultaten enthousiast op me af: ik was de enige die ’t gedicht van Rodenko had gekozen & had daarbij zelfs ’t hoogste cijfer van de gehele HAVO gescoord.

’t Boek van Literatuurgeschiedenis heb ik de avond ervoor uit verveling weggelegd. Ik had ’t al gelezen, geen zin in nog een keer. & Bij ’t tentamen verliet ik wederom na een ½ uur ’t lokaal. Alle vragen goed, zo bleek.

Weijers wilde me geen 10 geven voor m’n literatuurlijst. ’t Bestond volgens hem niet dat je iemand een 10 voor een verslag kon geven. Maar omdat ik een aantal xtra boeken had besproken, meer dan verlangd werd, had-ie toch besloten om z’n maximum-quotering met een ¼ te verhogen: een 9+.

Meneer van Garderen was al enthousiast over m’n prestaties, maar z’n vervanger spande de kroon. Hoewel ik vaak een twijfeling in z’n benadering van mij voelde doorschemeren. Hij was waarschijnlijk op de hoogte van ’t feit dat ik bij Handel, Economie, Geschiedenis & soms ook Wiskunde een etter was. Tenminste: zo omschreven de docenten me, begreep ik. Ik had ’t hoogste percentage uit-de-klas-gestuurd-worden van de gehele school, dat was reden genoeg voor enige gezonde twijfel.

Weijers zag er uit als de stereotiepe leraar Nederlands. Hij droeg een heuptas,inderdaad altijd hangend tot over z’n heupen, gevuld met boeken, lesmateriaal & mappen, z’n ene schouder daardoor kantelend tot net niet zielig voorover. Z’n scheiding & de lengte ervan waren blijven hangen in de helft van de jaren 70, benevens z’n ribfluwelen broek met veel te wijde pijpen, waarbij hij enthousiaste grote passen nam alsof hij in een anti-kernbom-demonstratie meeliep, maar de straat leeg was. Een man die je geen kwaad wenste te doen, zeker niet omdat-ie nog altijd kontakt leek te onderhouden met meneer van Garderen, de goedzak in de vorm van een iets te groot uitgevallen kabouter.

Eigenlijk was ’t niet een man om te onthouden. Hij had niets speciaals. Alleen z’n onbenulligheid, ’t in alles doorschemeren van z’n onervarenheid mbt ’t voor de klas staan, deed je bewegen tot enig medelijden, ’t geven van wat respijt.
& Toch weet ik me nog levendig te herinneren dat-ie zei dat ik de ‘v’ & de ‘f’ moest blijven oefenen, & dat-ie tijdens ’t eindfeest opmerkte dat ik door moest gaan met literatuur. Iedereen was toen aangeschoten, zelfs enkele docenten, maar ik bovenal. & Toch zie ik hem nog vooroverbuigen om in m’n oor te schreeuwen, de band maakte een ganse herrie, dat ik door moest gaan, want dat ’t later wel zou kunnen zijn dat ik zou gaan schrijven. Dat zei hij in slow-motion.

Aldus geschiedde in Zijperspace.

toelichting

Ik heb m’n familieleden een nieuw i-meel-adres gegeven. ’t Leek me dat ze dat wel leuk zouden vinden. Vooral omdat ze tenslotte net als ik Zijp van hun achternaam heten. Wie wil er nou niet zo’n gemakkelijk te onthouden adres? Dacht ik.

Ik heb ’t niet voor al m’n familieleden gedaan overigens; ’t moet wel een uniek adres blijven. Ik heb ’t alleen over m’n broers & m’n moeder. & Een nichtje, maar dat was omdat zij ook ‘ns met haar vriendinnen wilde i-melen. Speciaal voor haar een hotmeel-adres aangemaakt & vervolgens op mijn domein een zijperspace.nl-adres gecreëerd. Zo’n beginnende i-meler moet ’t gemakkelijk gemaakt worden, tenslotte. M’n broers & moeder krijgen hun meel via Zijperspace gewoon naar hun oude adres doorgesluisd.
Behalve Carel. Die leest m’n weblog toch niet. Die is er absoluut niet in geïnteresseerd. & Wil er ook niks over horen. Dan krijg je van mij ook geen adres.

‘Wat heb ik er nou aan?’ vroeg 1 van m’n broers.
Niets, zei ik. Behalve dat ’t een makkelijk te onthouden adres is. Voor jezelf & voor degene waarmee je contact wil onderhouden. Tenminste, da’s mijn gedachtengang.
Je hoeft ook niet meer je i-meel-adres achter te laten als je op 1 van m’n stukjes reageert. Mensen kunnen gewoon via ‘gerichte post naar Zijperspace’ zich tot je richten. Moeten ze alleen wel mijn naam vervangen door die van jou. & Bij Ma moeten ze ’t vervangen door ‘mam’. Krijgt zij ook ‘ns post van mijn bezoekers. Vindt ze vast leuk.
Heb ik allemaal proberen uit te leggen aan m’n broer. Ik heb ‘m erbij verteld dat ’t tot voordeel heeft dat-ie minder snel last zal hebben van i-meel-adres-zoekers, die er voor kunnen zorgen dat je inbox overspoeld raakt met spam. Omdat z’n adres nergens meer vermeld staat, kunnen ze ook geen spam meer sturen.

& ’t Leek me ook heel grappig dat m’n ouders gefeliciteerd werden met hun 45-jarig huwelijk. Door intelligente & voorkomende mensen, die bovendien beseffen dat ik 1 van de liefste moeders in de wereld heb. Om hun daartoe aan te sporen was ik van plan om een popup-plaatje neer te zetten van m’n ouders in trouwkostuum. We hebben ’t dan over 1957 (maar dat hebben deze intelligente & voorkomende lezers natuurlijk allang al begrepen). Met daarnaast een plaatje van hoe ze er nu uitzien. Zodat de mensen, de lezers, een beetje begaan raken met m’n ouders. Dat men zoiets krijgt van: tja, die Ton schrijft niet voor niets zo veel over die 2 (over m’n moeder natuurlijk veel te weinig, maar dat halen we later nog wel in). Lief stel. Daar heb ik wel een meeltje voor over.

Maar we snappen helaas de ballen van popup in Zijperspace.

PS: Na veel zeuren & zeiken (sorry Ramon) heb ik ’t uiteindelijk voor elkaar gekregen. Maar dan ook heel eg mooi. Dacht ik wederom. Tenminste: ik vind de foto’s erg mooi. Misschien ligt ’t eraan dat ’t m’n ouders zijn (& dat ze dezelfde vanzelfsprekende mooiheid hebben die ik zie als ik in de spiegel kijk), misschien is ’t ’t feit dat ’t zoveel moeite kostte ze gepopupt te krijgen (nieuw nederlands werkwoord).
Edoch, hier zijn ze dan: m’n ouders in & in . Mooi hè! (hier horen heel veel uitroeptekens achter, maar ik heb hier ooit gezegd dat ik nooit uitroeptekens gebruik, dus moet ik dit niet overdrijven)

peertjes

Prefereert u uw peren hard, zacht of in het geheel niet?

(ihkv een enquête van Puck)

Van jongs af aan zag ik m’n moeder alle peren voor de kinderen schillen. & M’n vader was ’t grootste kind, want hij kreeg altijd de meeste stukjes van m’n moeder. Ze sneed ’t nl zelfs in partjes. & Omstebeurt ontving ieder een partje, waarbij de wereld voor ’t 1st ongelijk verdeeld bleek, zo ondervonden wij, want de grootsten, de mensen met de meeste autoriteit, werden voorgetrokken.
M’n vader een partje, m’n ene broer een partje, ik een partje, m’n vader een partje, m’n andere broer een partje, m’n ene broer een partje, m’n vader een partje, ik een partje.
We waren een nest van jonge kwetterende vogels, schreeuwend om net dat xtra stukje voer.
‘Mam, Mam, nu ben ik aan de beurt.’
‘Mam, Mam, Pa heeft net ook al gehad.’
‘Mam, Mam, ik moet nog groeien.’

’t Waren over ’t algemeen ½-zachte peertjes, net hard genoeg om vloeiend de schil ervanaf te kunnen halen met ’t mes, net zacht, sappig genoeg om ’t vocht langs je kin je nek in te laten lopen.
Mochten ze niet zacht genoeg zijn, dan offerden we ons deel op voor de liefdesdans van ’t ouderlijk paar. Waarbij m’n moeder m’n vader voederde. Wij wilden dan zo snel mogelijk weg van tafel. Een beetje naar harde stukjes peer kijken die onze niet al te kritische vader z’n keel in liet glijden, daar hadden we geen zin in.

M’n moeder kon op een hele zachte, liefdevolle manier controleren of de peren inmiddels geschikt waren voor consumptie. Zo zacht als ze onze huid inwreef met zonnebrand. Of m’n nek masseerde bij hoofdpijn. Een heel klein kuiltje drukte ze in ’t peertje, je zag haar duim nogeneens bewegen zo langzaam zacht behandelde ze de peer. & Haar inschatting over de rijpheid was altijd korrekt.
Slechts een enkele keer mochten wij de duim er op drukken, om ’t dmv een kuiltje te markeren voor gereedheid. Deden we ’t zonder toestemming, dan kregen we al snel een gil van moeders.
‘Afblijven. Straks zijn ze beurs voordat we ze gegeten hebben.’
M’n moeder had 1000 ogen. De fruitschaal stond in de keuken & zij lag op de bank in de woonkamer haar middagdutje te doen. Dat wilde in ieder geval zeggen dat ze om de hoek kon kijken. Soms nam ik alleen maar een slok melk rechtstreeks uit ’t pak, wat overigens ook verboden was, als zij dacht dat ik de peren bevingerde, maar dat voelde bij die gil evengoed betrapt.
Onze vingers bleven afgedrukt staan in de bedoezelde peer. Dat zou m’n moeder niet gebeuren. Voor straf kregen we dan de meest overrijpe stukjes peer tijdens de maaltijd. Of we dat nou erg vonden, staat me niet meer bij.

De peertjes van eigen tuin (Soms was alles uit eigen tuin, als we Pa mochten geloven: ‘Ah, bietjes!’ riepen we als we de tafel bestormden, waarop Pa de euforie dacht aan te wakkeren met een opgewekt: ‘Ja, van eigen tuin.’ ‘& De gehaktbal zeker ook?’ namen we ‘m dan in de maling.) werden gebruikt om een vies drabbig zootje van te maken. Gestoofde peertjes noemden ze dat. Altijd werd dat bereid in ’tzelfde kleine pannetje, bij lange na niet toereikend genoeg voor de hoeveelheid groenten in een maaltijd die een groot gezin nodig heeft. Dat was dan ook niet de bedoeling. Bij stoofpeertjes werd er altijd heel luxe een 2e groente geserveerd. Tot genoegen van m’n vader.

Ik vond ’t er maar vies paars uitzien. ’t Enige leuke aan ’t goedje was ’t bereiden ervan. Want er kwam veel suiker & kaneel bij kijken, als ik ’t me goed herinner, & wat bloem. Daardoor stolde de saus op een gegeven moment. Lekker om met m’n vinger in te zitten. Ook al was ’t goedje dan niet m’n favoriete maaltijd, een lekkere lik ervan kon, zolang ’t stiekem moest, geen kwaad.
’t Voordeel van gestoofde peertjes was dat we ’t nooit verplicht waren te eten. M’n vader was eerder teleurgesteld als er nog een andere liefhebber aan tafel zat. Had-ie liever niet, want dan was er te weinig voor de volgende dag over. M’n vader vond ’t nl ’t lekkerst als-ie de peertjes als lestje de volgende dag op kon warmen. Dan zagen de peertjes er nog viezer uit, naar mijn mening. Ik vertikte ’t om ’t pannetje de 2e dag uit de ijskast te halen. Vies ding.

Tegenwoordig eet ik helemaal geen peren meer. Ik kom ze eigenlijk nooit meer tegen als ik boodschappen doe. Of misschien vergeet ik ernaar om te kijken. Ik zou nogeneens weten waar je ze zou moeten kopen. Ja, op de markt, maar wanneer kom ik daar nou? Bij de groenteboer zie je me ook zelden. Ik moet eerlijk gezegd bekennen dat ik van de supermarktgeneratie ben, als die generatie zou bestaan. Alles wat niet in de supermarkt verkrijgbaar is, bestaat blijkbaar niet meer.
& Toch verlang ik wel terug naar die heerlijke zachte peertjes die in m’n mond smolten door slechts m’n tong erop gedrukt te houden. Waarbij m’n mond overstroomde van ’t vrijkomende vocht.

Maar dan moet m’n moeder wel op visite komen om te schillen in Zijperspace.

rust

Ik heb besloten weer aan ’t werk te gaan. Ik heb m’n werkgever wel van te voren duidelijk gemaakt dat ik ’t rustig aan zal moeten doen.

Buiten ’t bezoek aan ’t feestje van m’n ouders heb ik de afgelopen dagen vooral slenterend doorgebracht. Kms in ’t centrum afgelegd, op zoek naar niks. Rust waarschijnlijk, afleiding voor m’n getob. Maar naarmate de tocht duurde, werd ’t gepeins & de somberheid groter. Ik besloot elke keer nog 1 blokje om te gaan, alvorens huiswaarts te keren. Tijdens dat blokje om zou ik vast de mensen tegenkomen die me zouden afleiden, die me zouden terugvoeren naar vroeger tijden, bleef ik maar geloven.
Ondertussen liep ik al die kms in m’n 1tje, zat ik aan een vreemde bar in m’n 1tje, praatte met de barman in m’n 1tje. Niemand die rond dit tijdstip al klaar was met werk, niemand die bereid was me per ongeluk te ontmoeten.

Op m’n rug droeg ik m’n rugzak, voor de zekerheid altijd gevuld met 2 boeken. 1 Waar ik in bezig was, de ander voor als ik de 1e plots uit zou lezen. Totaal overbodig, dat reserve-xemplaar, & toch nam ik ‘m elke keer weer mee.
Als ik thuisgekomen de ene titel beëindigde, begon ik aan een nieuwe, liet degene die nog in de rugzak zat rusten voor de volgende wandeltocht.

Een bezoek aan de bieb leek ook noodzakelijk. Ik had immers boeken liggen die as woensdag teruggebracht moesten zijn. & Ik wilde wel weer wat nieuws in huis. De mogelijkheid hebben tot wat nieuws, moet ik zeggen. Want van de stapel die doorgaans 1 van m’n tafeltjes siert, wordt er meestal slechts 1 aangesproken, gedurende de uitleentermijn.
’t Gaf me in ieder geval een doel, tijdens m’n rondgang door ’t centrum. Ik had een reden om over de grachtjes te lopen, ditmaal richting Prinsengracht. De gezichten van dagjesmensen & toeristen begonnen me de 1e middag al danig te vervelen. Steeds weer diezelfde regenjassen, mensen vol goede moed (vanwaar die goede moed?), op een hun totaal vreemde fiets, klaar voor vertrek door donderbuien de stad & omgeving in. & Ontelbare hordes die slechts 1 ding leken te verlangen: met hun koker van ’t Van Goghmuseum of ’t Rijks banjeren over de bloemengracht, waarbij deze geschreven dient met een kleine letter. De gracht bij uitstek die gemeden diende te worden.

’t Gaf me ook wat conversatie, ’t bezoek aan de bieb. Een vraag waar boeken zich bevonden die volgens ’t comp-systeem wel aanwezig zouden zijn, maar zich niet in de kast bevonden. De dame trok enkele planken boven de juiste plek onmiddellijk ’t bewuste boek tevoorschijn.
‘In de jaren dat ik in de bieb werkte, plaatsten we ‘wien’ altijd achter ‘wieg’,’ kon ik niet laten op te merken, duidend op de 4 beginletters van de schrijver.

Ik had beter thuis kunnen blijven, me verdiepen in de boeken, me warmen aan de kachel, me geld besparen op drankgebruik. De rust is er echter nog steeds niet. Ook al was ’t ’tgeen waarnaar ik op zoek was.
Ik ga maar weer aan ’t werk, werkloos toezien zal voor mij nog wel jaren duren.

Vele kms dienen nog afgelegd te worden in Zijperspace.

afscheid (3)

Vandaag is Stella vertrokken uit Amsterdam. Weg, met haar gezin, naar Culemborg. Nu kan ze me niet meer de vraag stellen hoe ’t met de liefde staat.
‘Hé, Ton. Heb je al weer een vriendinnetje?’
Of: ‘Zo, vuile vuns, ben je weer met allerlei vrouwen naar bed geweest?’

Bij ’t afscheidspartijtje, met z’n allen naar de massa-uitgaansgelegenheid Panama, viel ik bij ’t 1e moment van samenkomst meteen maar met de deur in huis: ‘Vrouwen, daar doe ik niet meer aan.’
Dat kwam goed aan in ’t gezelschap van 10 vrouwen & 1 man. In zoverre men mijn opmerking gehoord had.
Stella was op dat moment echter veel te druk in gesprek met 1 van haar vriendinnen. De hele avond eigenlijk. Terecht, ’t was de bedoeling dat zíj in ’t middelpunt van de belangstelling stond.
Alice kwam later op de avond echter wel bij me informeren.
‘Waarom doe jij niet meer aan vrouwen? Daar schrok ik wel van, hoor.’
& Judith: ‘Toen ik met je broer ging zag ik jou altijd als iemand die intellectueel geheel op zichzelf stond. Jij zou later iemand worden. & Toen ik hoorde dat je achter de bar stond, snapte ik dat niet. Iemand met jouw verschijning, met jouw vermogen, wat is er met ‘m mis gegaan, dacht ik. Jij was op de middelbare school degene die elke vrouw kon krijgen.’
‘Verdomme,’ schiet er ff door m’n hoofd, ‘dat had ik eerder moeten weten. Dan had ik ook ‘ns lekker kunnen hoeren & sloeren.’
Waarbij de laatste uitdrukking van Stella afkomstig was. Dat maakte meteen duidelijk dat we een partner voor 1 avond wilden. Niet meer. Maar die uitdrukking gebruikten we pas jaren na de middelbare school.

Er kwam een jongen van de week de winkel inlopen. Knappe gozer, ½erwege 20. Snelle blouse, autosleutels in de hand, strak kapsel. Of ik kon aanduiden waar de ‘nähest gelegen parkplatz’ was.
Dat kon ik wel, maar niet in ’t duits. Ik vroeg of ’t in ’t engels ook goed was.
Hij kon niet meer verkeerd rijden, na mijn uitleg. Hij moest echter nog iets anders weten, zei hij in gebrekkig engels. Je mag ’t ook in ’t duits zeggen hoor, ik versta ’t evengoed wel.
Maar hij begon al fluisterend engels: waar of de buurt was waar hmmm, waar vrouwen hmmm, achter ramen, rood, etc.
Dat duurde mij te lang. Bij z’n fluisteren wist ik al welke kant hij op wilde.
‘You mean the red light-district?’ zei ik luid. M’n klanten in de winkel moesten ’t toch ook meteen maar weten.
Voor ons is dat de normaalste zaak van de wereld. Die schijn hou ik in ieder geval op als ik zulke jongens voor me krijg. Die schijn hou ik zowiezo bij elke toerist op. Maar bij deze jongen deed ik nog ff meer m’n best om te laten blijken dat ’t een doodordinaire bestemming was. Uitgebreid & geheel niet op fluistertoon legde ik breedgebarend de weg uit richting Warmoestraat & achterliggende steegjes.

Ik zal er nooit komen. Niet om m’n gerief te halen in ieder geval. Ik kan me niet voorstellen dat ik daar tevreden weg zal gaan. Ik kan me niet voorstellen dat ik tevreden zal zijn als ik voor liefde (wat is liefde?) moet betalen.
Ik kan me al helemaal niet voorstellen dat zo’n jongen van pakweg 25 z’n geld er aan wil besteden. Ik lees er graag literatuur over, maar ’t voorstellingsvermogen gaat er bij mij ’t ene oor in, ’t andere oor uit. Aan ’t eind van ’t boek ligt m’n andere oor.
‘Zo’n jongen kan toch elke vrouw krijgen die hij wilt?’ dacht ik toen ik ‘m zag teruglopen naar z’n cabriolet.

Ik zal de vragen van Stella nu moeten missen. & ’t Gesprek waarom ik weer niet aan de verwachtingen heb voldaan, waarom ik alweer 3 jaar vrijgezel ben. & ’t Gesprek over welke vrouwen ik wel heb gehad. & ’t Gesprek waarin we alle details van alle vrouwen die ik had veroverd doornamen. & ’t Gesprek over ons hoeren & sloeren.
‘Nou, Tóoon,’ hoor ik haar zangerig zeggen, ‘je moet nou toch ‘ns beter je best gaan doen, hoor.’

Maar in Zijperspace houden we de schijn op dat we niet meer aan vrouwen doen.

verzwijgen

‘Ik kom volgende week weer langs, Pa,’ zeg ik bij ’t afscheid nemen.
‘Oja?’ brengt-ie er wat verdwaasd uit, na de hele dag in de drukte te hebben gezeten.
Ik bedenk me dat ik niet alles moet vertellen, dan maakt-ie zich er alleen maar druk over. & Heeft-ie er uiteindelijk helemaal geen zin in.

’t Huis van m’n ouders moet geverfd worden. Daar hebben ze 2 dagen voor nodig. M’n broer & schoonzus zullen daar zorg voor dragen. & Toevallige voorbijgangers, zeg maar. M’n moeder houdt de boel bij, terwijl de rest verft.
Dinsdag is geen probleem, dan zit m’n vader toch in de dag-opvang. Voor woensdag moest er wat verzonnen worden, want hij kan niet de hele dag in de weg lopen.
Waarom zou Pa niet een wandeling gaan maken, werd er door iemand bedacht. & Voor een wandeling met Pa werd ik ’t meest geschikt geacht.

Ik wilde zelf nooit mee. Was altijd bang onderweg naar ’t Robbenoordbos overvallen te worden door een grote behoefte de wc te bezoeken. Dus werd er van te voren niets over medegedeeld. (Net zoals de banaan, waar uiteindelijk zo’n vies reispilletje in bleek verstopt. Je had ‘m al op voordat de smaak ervan de banaan ging overheersen.) & Reden we al lang & breed buiten de grenzen van Den Helder voordat ik door had dat we de stad uit waren om een wandeling te maken.
‘Jullie hebben dan toch wel wc-papier meegenomen?’ gaf ik me uiteindelijk over, hoewel ik me nog steeds benauwd voelde voor de mogelijke dreiging van een opkomende drol.

Dus zeg ik: ‘Ja, volgende week woensdag. ’t Was weer ‘ns tijd om bij jullie thuis langs te komen. Vind je toch wel leuk?’
Ik ben al 2 weken bezig met bedenken wat voor wandeling we zullen maken. Zodat we zoveel mogelijk kunnen wandelen, de meeste mogelijkheden om onderweg te rusten, dan wel afgeleid daarvan te raken, & plekken zullen treffen waar m’n vader’s geheugen zal beginnen te werken.
‘Tot volgende week dan,’ zegt m’n vader.

Niet alles wordt verteld in Zijperspace.

parkinson

Ik kwam eigenlijk net weer een beetje bij. ’t Kleine hapje vlak voor vertrek had er voor gezorgd dat ik in slaap gevallen was. Door ’t gesprek dat de jongen naast me voerde met ’t meisje schuin tegenover me werd ik langzamerhand weer wakker. ’t Zorgde er ook voor dat geen letter van m’n boek meer tot me doordrong.

M’n ouders vierden hun 45-jarig huwelijk voor familie, in ’t eetcafé van m’n broer. Hun broers, zussen & aanhang gaven allemaal acte de présence, slechts uitgezonderd m’n vader’s zus uit Canada, vanaf 11 uur ’s ochtends. Om de bijeenkomst niet al te druk voor m’n vader te laten zijn, waren de kinderen pas vanaf 4 uur welkom. Wij hadden ons feestje al eerder gehad. Die drukte van kinderen & kindskinderen zou er slechts voor zorgen dat m’n vader ’t overzicht zou verliezen & voortijdig terug naar huis zou verlangen.

M’n vader was dapper. Vocht zich door de dag, zonder schijnbaar vermoeid te raken.
Ogenschijnlijk was dat. Een leek zou ’t niet opvallen. Wij zagen dat-ie langzamerhand meer de blik van m’n moeder zocht, meer de veiligheid van haar gezelschap zocht. Ze hoefde maar een minuutje een gesprek ergens anders in de zaal te hebben & hij keek al verlaten om zich heen. Lichtelijk radeloos, op zoek naar iets vertrouwds. Zonder emotie overigens, want z’n gezicht is niet echt meer in staat de emoties te tekenen. Wij zijn inmiddels gewend aan ’t dieper wegvallen van z’n ogen, z’n vragend verlangen naar m’n moeder slechts afgetekend door een licht openvallende mond. Wij kennen inmiddels de ziekte van Parkinson.

Dan ga je naast ‘m zitten. Legt je arm om z’n schouder, zoals je vader vroeger je arm om jouw schouder legde, & zegt: ”t Gaat wel, hè Pa?’ & Knikt ‘m bemoedigend toe, tegen beter weten in. Geef mij 100 van die onnozele glimlachjes voor zogenaamde bevestiging, ik lever in ruil een jaar van m’n leven in.

‘Dames & heren, Prins Claus is zojuist overleden,’ weerklonk de stem van de conducteur door de trein.
‘Godverdomme,’ was een zucht van iemand, ”t Was zo’n aardige man.’
& Vreemd genoeg trok ik m’n mond ook open.
‘Hij had de ziekte van Parkinson. Net als m’n vader.’
‘Jaja,’ werd er beaamd door de jongen & ’t meisje.
‘Dan zie je zo’n man, of je vader, veranderen. Je ziet dat ze ’tzelfde meemaken. Dat ze door hun zelfde ziekte snel op dezelfde manier veranderen.’
‘Ja,’ zei ’t meisje, ”t was zo’n aardige man.’
De intercom van de conducteur leek per ongeluk aan te gaan.
‘Hahahahaha,’ hoorden we ‘m lachen.
‘Da’s ook vreemd,’ zei ’t meisje, maar voordat ze haar zin kon afmaken ging haar mobiel af.
‘Ja, (…), ja,’ antwoordde ze, ‘We horen ’t net van de conducteur hier in de trein. Maar die begon plotseling te lachen door de intercom. Gaf een heel raar gevoel.’

Thuisgekomen zie ik Claus in verschillende poses op tv, in verschillende situaties. Ik zie ‘m met z’n zoons. Constantijn legt in 1 van de shots z’n arm om de schouder van z’n vader. Z’n vader toont schijnbaar geen emotie. Ik zie die van mij. Zoals ik de laatste jaren altijd mijn vader in de verschijning van Claus wist te herkennen.
Bij ’t zien van ’t gebaar van Constantijn ben ik blij onwennig de arm om m’n vader te hebben geslagen. Z’n fragiele schouders te hebben gevoeld. M’n eigen kracht te hebben overgegeven. Ik was nog niet te laat.

In Zijperspace wordt ’t effekt gevoeld.

een trap in m’n ballen (2e vervolg)

Ik weet niet meer waar ik ’t gelezen heb. De xakte strekking van ’t verhaal ben ik inmiddels ook allang al kwijt. Ik geloof dat ’t om zoiets ging als hoe groot je hersenen gevoelsmatig dachten dat de verschillende lichaamsdelen waren & hoe ze in relatie tot elkaar stonden.
Er stond ook een tekeningetje bij. Van een man. Maar dan afgebeeld volgens die methode, hoe de hersenen de lichaamsdelen ervaarden zogezegd. Een tekening van een man met een onnoemelijk groot hoofd, ontzettend lange armen & benen, klauwen van handen, & een geslacht waarbij vruchtbaarheidssymbolen uit Afrika kabouterpiemeltjes zijn. In slappe toestand.
Je zou bijna concluderen dat de hersenen in ’t kruis zitten, nav die tekening, maar gelukkig was er ook nog dat hele grote hoofd. Een geruststelling voor alle mannenpraatgroepen, castraten, huismannen, vrouwenmannen, & eunuchen. Misschien ook wel voor de vrouw.

De piemel, ’t klokkenspel, Bello, de lat, de knoert, ’t mannelijk geslacht, ’t lid, de lul, de tampeloeres, de leuter, de joystick, ’t stratemakersstoeltje, ’t vermaak, de zwengel, ’t 3e been, de kleine jongen, ’t potlood, de plasser, de fluit, de brandweerspuit, de jongeheer, de pik, de piel, de snikkel, hem, ’t geweer, Jan zonder handjes, de rammelaar, de pook, ’t roer, ’t slagwerk, de zwager.

Op ’t naaktstrand zei de moeder van een vriendin van me, dat ze blij was eindelijk een normale piemel te zien. Al die hangende zakken van mannen op middelbare leeftijd had ze wel gezien. Net als de kleine vooruitstarende 1-oogige pikkies.
Ik had nooit bewust naar andere piemels gekeken, zelden had ik met een andere man onder de douche gestaan, maar wist vanaf toen dat die van mij er in ieder geval wel mocht zijn. Hij was ‘ooglijk’.

Afschuwelijke verhalen over honden die een plassende man hadden aangevallen werden in m’n jeugd al kleurrijk in m’n hoofd geprojekteerd.

’t Moet ook een man zijn geweest die de broekzak heeft uitgevonden. Nonchalant ongemerkt kan hij sindsdien zodoende z’n edele delen ter hand nemen. Een soort van morele ondersteuning, men staat nog wat beter met zichzelf in kontakt. Men kan ’t boeltje een beetje herschikken indien noodzakelijk, of misschien hooguit wenselijk. Of wellicht heeft ’t instrument wat xtra warmte, wat xtra aandacht nodig. De vrouw is ondertussen onwetend van de conversatie van de man met zichzelf.

Tuurlijk kan ik ook ergens anders over schrijven. Maar m’n kruis is op dit moment wat meer aanwezig dan de rest van m’n lichaam. Misschien zitten m’n hersenen momenteel wel daar. Je draagt je goedje toch de hele dag met je mee. & Juist bij de bewegingen ben ik me er opeens zeer bewust van.
Dus maak ik maar ff geen gekke bewegingen. Geen onverwachte. Vermijd ik de aanwezigheid van mensen in m’n direkte omgeving. Meestentijds hou ik m’n lichaam gestrekt, benen ietsjes van elkaar. Vrij spel zodoende voor de zak, die nu wat xtra ruimte in beslag neemt.

& ’t Vreemde is, maar tegelijkertijd zeer vanzelfsprekend natuurlijk, dat je op een totaal andere manier je kleren uittrekt, naar bed gaat, opstaat, gaat douchen. Vooral bij ’t douchen wordt alles nog eens goed bestudeerd.

Kijken of alles er nog wel hangt in Zijperspace.