ballonnen

Ik heb de ballonnen vermoord. Ik wist niet wat ik anders met ze moest doen. Ze hingen maar. & Nadat ik ze van ’t hangende touw had ontknoopt lagen ze maar. 1 Heel zielig als een verrimpelde voodoo-poppetje. ’t Gezichtje dan alleen, zoals ik me kan herinneren van een aflevering van Kuifje.
’t Doden van deze ballon had al helemaal geen zin. In de vuilnisbak begraven was de enige overgebleven oplossing voor dit geval van voortijdig verscheiden.

Lang geleden heb ik eens alle ballonnen gewoon laten hangen. ’t Was na een feest waar m’n visite spontaan allerlei versiering meegenomen had. Míjn feest weliswaar, maar hún versiering. ’t Zou een samensmelten van 2 doelstellingen worden: een geslaagd feest.
Ik heb ’t laten hangen, uit nostalgie, totdat ’t verschrompelen, ’t leeglopen zonder waarneembare gaatjes, blijkbaar door de huid van de ballon zelf heen, mij dermate gingen irriteren dat ik ’t langzame verval niet meer kon aanzien. Ik begon me voor te stellen dat de ballonnen kortademig werden vanwege ouderdom. & De herinnering aan ’t feest werd vertekend door de afbeelding die de verkrampte ballonnen mij toonden.
Ik geloof niet dat ik de ouderdom goed aan kan zien.

Daarom heb ik bijtijds de ballonnen van de dag ervoor vermoord. Ze zijn slachtoffer geworden van een gedwongen euthanasie. Ze verdienden ’t. Ik wilde ze die lange marteling niet mee laten maken. Een marteling van een gebrek aan besluitvaardigheid. Een kwelling van hoge temperaturen aan ’t plafond zogauw de baas thuis komt & de kachel hoog gaat. ’t Desperate gevoel van alleen gelaten worden, een lang leven van ½-vergaan doormaken, zielig achtergelaten onder de bank waarop doorgaans de tv aanschouwd wordt, een ander leven wordt geleid. Een ander leven dan stil liggen & wachten wat komen gaat, onder een bank. & Die laatste situatie alleen maar als de ballon bevrijd is van ’t koord hangend aan ’t plafond.

Ik vind dat je dat een instrument, eens ter meerdere glorie van de feestvreugde, niet aan kan doen. Hij diende slechts. Gehoorzaam. Stilzwijgend. Zonder ’t te begeven. Zonder ’t feest te verknallen. Of langzaam de herinnering eraan te laten wegebben, zoals z’n eigen levensadem. Stilstaande levensadem weliswaar, maar voor de rest zeer letterlijke levensadem.
Dan liever de lucht in, dacht ik plaatsvervangend van Speijkiaans.

Naarmate een mens ouder wordt verliest-ie z’n verwondering over dat bolle wezen gevuld met lucht. Niet meer dan dat: lucht. ’t Wordt steeds meer ‘niet meer dan dat’. Niet de droom van dwaze tochten door vreemde luchten. Niet meer ’t opgeheven worden boven de daken uit. Niet ’t olijke kleurenspektrum die de ballonnen tezamen uitstralen.
Weg is kinderdom, op een gegeven moment. Weg is ’t besef dat een ballon ’t leven kan verlengen. Weg is de fantasie die natuurwetten doet verdwijnen.

Ik wilde mijzelf ontslaan van ’t herbeleven van dat gevoel van toen. Ik hoefde niet perse m’n neefjes & nichtjes verwonderd omhoog zien staren, steeds weer opnieuw, naar ’t verschijnsel dat hun gehele belevingswereld in beeld leek te brengen.
& Ik moest al helemaal af van ’t idee dat ik ouder zou worden dan de inhoud van de balonnen. Ook al had ik ze zelf in leven geroepen.

Ik heb de balonnen vermoord. Ik weet niet wat gelijk daarmee de geest heeft gegeven. Die kinderlijke blik moet al jaren doods zijn.

De voeten raken weer de grond in Zijperspace.

de staf van sinterklaas (afsluiting)

’t Is vandaag 6 December. Sinterklaas is jarig & daarmee onmiddellijk weer vertrokken uit Nederland.
Ik zal de ‘staf van Sinterklaas’ bij deze ook stopzetten. Hoewel K-noord ’t ‘Weblog doorgeef gedicht’ (afschuwelijke naam, ergens onderweg zijn ze vergeten te kijken naar de historie van de staf & heeft iemand enkele niet tot de verbeelding sprekende woorden samengevoegd) omgezet in een kerstverhaal. Van mij mag-ie. Zolang mijn naam er maar niet mee geassocieerd wordt.

Bij deze dien ik natuurlijk (buiten mijzelf & mijzelf) iedereen te danken die aan de staf heeft meegewerkt, te weten (klik & u ziet ’t gedicht in de meeste gevallen):
Ramon, Astrid, Merel, (Pim), Micheline, Bas, Webkim, Webdeb, Ewald & Marmod.

Volgend jaar is Sint rond dezelfde tijd op dezelfde plaats aanwezig in Zijperspace.

orde

’t Is beter om niet alles tegelijk aan te pakken. Dan slaat de verveling alleen maar sneller toe. Stapje voor stapje, anders gaat de lol er te vlug vanaf. Nu kan ik nog genieten van ’t uitzicht van m’n nieuwe boekenkast, elke dag ziet-ie er anders uit, andere inhoud, andere volgorde. Maar als ik in 1 klap alle boeken in de ideale volgorde, in de juiste kast, netjes gerangschikt plaats, dan is ’t plezier ervan al ras iets doodgewoons, tot iets alledaags gereduceeerd.

Mijn nieuwe boekenkast is een bijzondere boekenkast. Dat moet ik zolang mogelijk blijven voelen, vind ik. ’t Is geen toonbeeld van schoonheid. Slechts wat groene planken, ieder hangend op 2 steunen. Kaal eigenlijk. 2 Stukken rail van plafond tot bijna aan de grond, 14 steunen, 7 planken. Meer is ’t niet, meer hebben de boeken ook niet nodig. Al m’n literatuur staat er in. Voor ’t 1st in meer dan 10 jaar samengevoegd in 1 kast.

Dat was gisteravond nog niet ’t geval. Toen was ’t een ratjetoe van allerlei. Geschiedenis stond naast jeugd, roman naast kunst, griekse mythologie naast verhalen over Amsterdam, gedichten naast natuurgidsen. Nu gelukkig alleen maar literatuur. Heb ik iets om naar te staren. Starend verbetering in ’t systeem aanbrengen.
Want als ik morgen tijd heb, verander ik ’t weer. Niet de inhoud, die blijft ’tzelfde, maar de volgorde.

14 Jaar lang heb ik op zaterdag in een bibliotheek gewerkt. Ik weet hoe boeken in een kast horen te staan. Ik weet hoe ik ze op een rij krijg. Strak, op 1 lijn. Op volgorde.
Werken in de openbare bibliotheek was een ideale baan voor mij, gedurende m’n jeugd- & studentenjaren. Ik kreeg de gelegenheid orde te scheppen in de chaos. Ik hield er niet van dat alles gewoon maar willekeurig overal kon staan. Auteur hoorde bij auteur, & in geval van studieboeken alles volgens de gerubriceerde kode: onderwerp bij onderwerp. De wereld werd in stand gehouden dankzij de orde die ik schiep in de wanorde die de lezers veroorzaakten.
Naarmate er met meer nonchalance de boeken teruggezet konden worden in de daarvoor bestemde kasten, verafschuwde ik ’t meer dat soort boeken op te ruimen. Ik wilde strakke lijnen, een perfekte volgorde. De streekrommannen mocht ieder ander van mij opruimen. Ze konden gewoon in de rieten manden op elke willekeurige volgorde gedumpt worden. Geen lol aan. Bovendien maakten juist die lezers er de grootste rotzooi van. Totaal geen ontzag voor de classificatie. Ze verdienden mijns insziens niet anders dan dat hun boeken in rieten manden gedumpt werden. Blindelings. Maar niet door mij.

Ik hou van ’t alfabet. Waarschijnlijk alleen maar omdat ’t mij de mogelijkheid geeft de wereld overzichtelijk te maken.

Morgen begin ik aan ’t alfabet in Zijperspace.

klapstoel

In de verte van m’n voorkamer staan enkele stoelen gekringd. Alsof ze klaar staan voor een gesprek. Gezellig.
Als ik langs die lege stoelen loop om de was aan ’t staand rekje te hangen, de was overgehouden aan de drukke dag, theedoeken, handdoeken, dweiltjes, teruggevonden langvergeten licht geurende jassen & sjaals, trap ik in de restanten die m’n neefjes hebben achtergelaten in hun doldwaas enthousiasme van binnenkomen. Lollystokjes, rode krijt kruipend in de vloerbedekking, kruimeltjes zwarte opmaak voor wangen als Zwarte Piet, snippers kadopapier & natuurlijk noodzakelijke platgetrapte pepernoten.
Gezeten voor de tv mis ik de drukte, de drukte waarvan ik een paar uur geleden nog blij was dat-ie vertrok. Ik kijk bijna nooit meer tv, bedenk ik me, waarom vanavond eigenlijk wel?
Ondertussen geniet ik van ’t uitzicht van de boekenkast, vlak achter de tv, die m’n broer & ik vlak voor arriveren van de grote troep gebouwd hebben. Tot een hoogte van 2 meter 90 reiken m’n boeken nu. Zo hoog hebben ze nog niet eerder gehaald.
Terwijl ik een boek wil vervangen, verplaatsen, plaats in wil laten nemen van een ander boek, zodat zich een bepaalde logica in de chaos van de verschillende boekenkasten zal voordoen, stoot ik m’n hoofd tegen een vlaggetje. Een andere keer tegen een ballon. Sint of Piet erop met bolleboze wangen. M’n huis is nog steeds versierd in ’t rood, roze & oranje.
M’n behang toont wat kaalgetrokken stukjes behang. Er hangt een enkele flard. Ik had gezegd dat de kaarten die ik erop geplakt had, meegenomen konden worden. Maximaal 2 per kind, zei ik. Ik wilde zelf ook nog een paar nostalgische Sint-prenten overhouden. Terwijl ze de kaarten van de muur aftrokken werd ’t behang meegenomen. Weer een herinnering. Tastbaar.
De tafel voelt vettig, maar ik heb nog geen zin om schoon te maken. De akties moeten 1 voor 1. Stukje bij beetje. ’t Gevoel mag niet verloren gaan. In ieder geval niet te vroeg.
Ik kijk in de verte, de verte van de voorkamer, die anders afgesloten is met gordijnen. De stoel staat er nog steeds, waar m’n vader eerder op de avond in zat te eten. & Waar hij verdwaasd om zich heen keek. M’n blik wordt ondertussen gehinderd door ’t wasrek met vlak na vertrek gewassen was, maar toch zie ik ‘m zitten.

Ik weet dat dit misschien wel 1 van de laatste keren was dat m’n vader langs was. Bij mij thuis. ’t Zal moeite kosten ‘m nog een keer hier te krijgen.
Misschien was ’t ook wel de laatste keer, de 1e & laatste keer, dat m’n familie bij mij Sinterklaas vierde.
& Toch had ik ’t helemaal gehad. Ik was blij dat ze weg waren. Rust.
Vol spijt beschouw ik de horizonten. In zoverre je plaatsgevonden evenementen als horizonten kan aanschouwen. Spijt is ’t niet. Eerder ’t verlangen dat ’t op dat moment wat sterker had gevoeld.

De klapstoel schuift onderuit. Hij is moe van ’t ongehinderd overeind staan.

Men weet niet welke zucht van zich deed spreken in Zijperspace.

pakjesavond

Na afloop van de sinterklaasviering was ik vaak hevig teleurgesteld. Ik had weer ‘ns minder kado’s gekregen dan m’n broers. Tot jankens toe moest ik daar bericht van doen. M’n sint-viering was volledig vergald. & Daarmee de dagen erna.
M’n moeder bleef maar tegen me zeggen dat ik toch een heel groot kado had gehad.
1 Groot kado!
Dat hadden m’n broers immers niet. Die hadden allemaal kleine kadootjes. Sint had vast veel meer geld aan mij uitgegeven dan aan de rest.
Maar ik kon slechts kwantitatief de stand bijhouden. Ik had te weinig uit kunnen pakken. Er waren mij te weinig kado’s aangereikt. De hele tijd ging de aandacht naar degenen die wel aan ’t uitpakken waren. Ik kreeg te weinig aandacht. Vond ik.
Stilletjes kwijnde ik gedurende de avond weg op m’n stoel. Steeds meer teruggetrokken op m’n stoel. Ik & mezelf. & Onder m’n stoel slechts dat ene kado. & Een chocoladeletter. Maar die kreeg iedereen.
Zogauw ’t eindelijk afgelopen was, vertrok ik naar boven, ging ergens sjachrijnen, maar speelde in geen geval met m’n nieuwe aanwinst.
Ik was een ondankbaar joch, realiseerde ik me maar wat vaak achteraf.

M’n neefjes & nichtjes hadden vandaag de middag van ’t jaar.
‘De mooiste dag van ’t jaar, behalve dan je eigen verjaardag,’ zoals ik gewoonlijk pleeg te zeggen.
Bij mij thuis vierden we ’t. Voor ’t 1st bij mij. ’t Festijn had ondertussen overal plaatsgevonden, behalve bij mij & m’n jongste broer. Na vandaag hebben we dus alleen nog Marc te gaan.
2 Volle dagen voorbereiding betekende ’t voor mij. Boodschappen doen, speciale inkopen in huis halen, de was, de afwas, ’t toilet, de vuilnis. Cd’s in ’t daarvoor bestemde rek. Stofzuigen. 2 Volle dagen kostte ’t. & Nog ‘ns 1 dag om die sores uit m’n hoofd te zetten.
Vooral dat laatste was noodzakelijk. Ik heb ‘m ergens tussenin gepropt. Ik weet nl weer hoe groot mijn hekel aan opruimen is. Om ’t opruimen te voorkomen is de vuilniscontainer voor m’n huis goeddeels gevuld met prul & prullaria waar ik in de loop van de jaren de nutteloosheid van ben gaan inzien. Vooral vanmiddag groeide ’t besef van hun waarde.

M’n vader voelde zich na afloop van de kado’s niet zo lekker. Vooral vanwege de doorstane drukte, wisten we. Al die schreeuwende kinderen om hem heen. Hij nam plaats in de voorkamer; een beetje afgezonderd van de rest. M’n moeder hield ‘m zoveel mogelijk gezelschap. Indien zij ff weg was, zat hij met een schaapachtige blik te kijken naar de ontwikkelingen in m’n woonkamer. Mond open, ogen wagenwijd. Hij had totaal geen overzicht & wachtte tot m’n moeder die weer zou scheppen. Ik zat er ong 2 meter vandaan, ook op afstand van de drukte. Ik heb m’n leven lang al Parkinson, dacht ik.

De kinderen waren klaar, kregen een bord eten voorgezet. Net iets eerder dan de volwassenen. Waarna ze de onoverzichtelijkheid van hun veelheid aan kado’s konden aanschouwen. & Omstebeurt kwamen ze uithuilen bij Pa of Ma.
Ze waren moe, beseften de ouders. ’t Was tijd om naar huis te gaan.

Ik kwijnde weg in m’n hoekje, ergens ver weg in Zijperspace; gelukkig maar.

guerilla

M’n neef vroeg of ik mee wilde helpen zijn posters in de stad te verspreiden.
‘Je bedoelt meedoen aan ’t guerilla-billboard-projekt?’ vroeg ik ‘m.
Hij lachte. Z’n hoge gierende lach. Waarbij hij naar achteren week. Een teken dat-ie ’t echt een leuke opmerking vond.

Er zijn weinigen die zo kunnen lachen als Johannes. Je wordt welhaast gedwongen mee te lachen. De lol van de opmerking, de onbedoeld grappige opmerking, in te zien. Al had je ’t niet zo bedoeld, je zult er om lachen, dankzij Johannes.
Vroeger heette hij Joop, nu heet-ie Johannes. Ik heb er jaren over gedaan om die laatste naam te hanteren; ik had ‘m immers niet anders dan Joop gekend. Nou ja, we hadden ook nog een tijdje Joe. Die enkele keer dat-ie overkwam naar Nederland was niet bevorderlijk voor de gewenning aan z’n andere naam.
Maar Johannes vond ’t niet erg als we ‘m Joop noemden. Zo heette hij tenslotte al z’n leven lang voor ons. Met Joe kon-ie ook niet zitten.
Nu zeg ik inmiddels Johannes. Gewoon. Zonder moeite.
Alleen ga ik automatisch engels met ‘m praten. Niet altijd nodig.

Ik had al kennis gemaakt met z’n posters. Hij had de hele serie bij mij op ’t werk opgehangen. De mooier dan de andere. Enig erotiek gevoel was mij vreemd bij aanschouwing, maar ze spraken me evengoed wel aan. Daar wilde ik wel hand & spandiensten aan verlenen, ook al had ik weinig tijd. Hoe vaak komt ’t immers voor dat je kunst van je eigenste eigen neef in ’t centrum van je eigenste eigen woonplaats kan verspreiden? Illegaal nog wel.

Er waren 2 andere vrijwilligers. Mensen van de organisatie. Ze zaten op ons te wachten in de Balie. Vanaf 7 uur zaten ze al te wachten, werd ons telefonisch meegedeeld. Wij waren ondertussen nog druk bezig de lijm te bereiden. & Andere noodzakelijke voorbereidingen te treffen. Maar we kwamen er zo aan.

Johannes pikte ze op uit ’t café, terwijl ik op de fietsen paste. & We gingen op stap. Johannes had ’t gebied bij de Melkweg op ’t oog.
Dat was een goed gebied, begreep ik uit de woorden van de medevrijwilligers, daar in de buurt zouden zich nog wat andere gay-gelegenheden bevinden. Dan konden we daarna doorlopen naar oa de Kerkstraat.

Ik wist van niks. In m’n jeugd was ik wel ‘ns in een gay-bar geweest, omdat de broer van een vriendje nou 1maal homo was. We logeerden bij die broer & voor de rest wisten wij zelf geen enkele kroeg in Amsterdam.
Voor de rest wist ik dus niks. Ik zou de gay-bars alleen kunnen herkennen omdat ze zich op bepaalde plekken bevonden, waar iedereen wist dat alle kroegen homo-gericht waren, & bepaalde platen aan de buitenkant hadden hangen. Strakke mannenbillen leunend op een amsterdammertje. Of een haltershirtje met een zeemansmotief. Stereotiepen, die herken ik wel.

Maar m’n neef wist waar hij naartoe moest. Hij was blijkbaar inmiddels een beetje bekend geraakt met de amsterdamse homo-scene. Hij kende de amsterdamse uitgaanswereld op een totaal andere manier als ik. Kende kroegen waar ik nog nooit van gehoord had. Terwijl ik er al jaren woonde. Gedwee volgde ik ‘m, met op m’n fiets ’t plakspul. & 2 Vrijwilligers die uitkeken of er geen politie kwam.

‘& Jullie?’ vroeg ik aan de vrijwilligers die uit de Balie tevoorschijn waren gekomen. Ik had mezelf voorgesteld als de neef van Johannes.
‘& Jullie? Hoe komt ’t dat jullie vrijwillig meegaan met de illegale aktiviteit van ’t posters plakken in Amsterdam.’
’t Artikel afgelopen weekend in ’t Parool “Plakken of geplakt worden” stond me nog helder voor de geest.
‘Waarom gaan jullie mee met deze guerilla-billboard? Zijn jullie homo?’

Zijperspace is somtijds wars van subtiliteit.

de staf van sinterklaas (reprise)

Ramon verzond ‘de staf van Sinterklaas’ naar Astrid, waarop zij ‘m liet continueren bij Merel. Merel op haar beurt stuurde staf door naar Pim, die mij vervolgens via meel liet weten dat ‘de opzet van en techniek achter mijn site het doorsturen van de staf fataal in de weg staan’. Hij voegde daar echter wel aan toe:

Wat moet ik met dat stafje?
Voor mij is het een strafje
Ik wil mijn staf vandaag nog kwijt
Als ’t kan in een lekkere meid

pim, groetje

Ik hoop dat ’t ‘m niet spijt,
dat ik ‘m niet steek in een lekkere meid,
Maar in ieder geval richting Micheline smijt.

De staf is weer in de race na een kort verblijf in Zijperspace.

vertaling

bermun

Ir kumee vel feker demes beej me-a eun de-a ber bestellee. ‘Ha, iee deme-a! Deee-a is fuur meej,’ ruep ik dun neer m’n cullege’s. Um gesh dee bork, bork! Zeej feendee ’t best, geun oopzeej & lechee vet. Um de hur de hur de hur. Ze-a spelee ’t stookje-a mee-a. Sums vechtee ze-a vel ‘ns tut ik terooggekumee bee fun ’t lege-a glezee helee. ‘Tun, ir steet heeer el iee hele-a teejd iee deme-a te-a vechtee tut ze-a kun bestellee.’ Neeetsfermuedend keejkt de-a klunt dun oop. Ieendelijk eundecht, leejkt ze-a te-a denkee.

Meer oopeens ves ir iee deme-a deee-a perse-a duur meej gehulpee veelde-a vurdee.
‘Kum oop, Jeruee, je-a huurt ’t,’ zeee ik tegee m’n cullega. ‘Je-a kun beter noo fff eun de-a kunt geun.’
Veerup ze-a fertelde-a det heer freeendin jereeg ves. Um gesh dee bork, bork! Det ves ’t begeen tenmeenste-a. Deerna fertelde-a ze-a nug feel meer (det verd effgooeesseld duur deengee deee-a ik te-a fertellee hed, meekt u zeech fuurel neeet oongeroost), terveejl m’n cullege’s undere-a
fruoovee heeelpee. Deer hed ik fff geee teejd fuur, meekte-a ik ze-a met iee hundbooegeeng dooeedelijk. Eun iee 1/2 gebeer heb je-a feek genueg, els je-a el jeree met ilkeer echter de-a ber steet. Um de hur de hur de hur. Deerum begreep ik oouk vet ze-a bedueldee tuee ik na
slooeetingstijd meeddee in ’t pruefflukeel nug iee 5-tel meenootee met de-a deme-a stund te-a pretee. Funechter de-a ber verdee met de-a ermee zveeeeende-a booegeengee oonze-a kunt oop gemeekt. Um de hur de hur de hur. & 2 Hundee deee-a fun fer ueet ilkeer neer heel deecht beej ilkeer boougee. Ik kun det zeeee, m’n gezeecht stund reechting ber, m’n gesprekspertner neeet. Um de hur de hur de hur. Lungs heer schuooder gebeerde-a ik teroog det ze-a nuoo ‘ns iee keertje-a muestee oophuoodee. & Oom det dooeedelijk te-a letee ooferkumee schreeoovde-a ik ’t met de-a
beejbehurende-a tekst. Um de hur de hur de hur.
‘Veerum duee ze-a zu?’ frueg de-a deme-a, oofer heer schuooder keejkend.
Bork bork bork!
‘Oh, ze-a veellee greeg det ik met juoo sta te-a pretee. Ze-a feendee det ze-a els bermunnee oouk iee bepeelde-a kuppelende-a foonkteee-a behuree ueet te-a ooeffenee.’

Toossenteejds hed ik teejdens ’t oophelee fun de-a glezee heer freeendin oofereegens geffeleeciteerd (det ves tenslutte-a in 1i instunteee-a ’t duel fun ’t gesprek) & de-a jereege-a vet te-a dreenkee eungebudee. Det ze-a meer oop heer ieegee gezundheeed muest dreenkee, hed ik heer
gezegd, ik muest helees nug fff verkee, doos kun neeet meeduee.
Det suurt geberee fun iee bermun kumee oofer ’t elgemeee vel gued eun. Meer leeefer hed ik iemund unders geffeleeciteerd, huooel ik neeet veest veermee-a. Oop det mument ves ’t ichter zeek det meejn leecheemsteel neer de-a jereege-a dooeedelijk meekte-a det ik heer feleeciteerde-a,
tegeleejkertijd muest ik zufeel in det leecheem leggee det iee under persuun iets unders ueet zuoo koonnee oopmekee.
’t Is iee mueeelijk fek, bermun. ’t Geet oom de-a feenesses. Um gesh dee
bork, bork!

De-a deme-a in kvesteee-a hed el ‘ns iee keertje-a oom m’n teleffuunnr gefreegd, meer heel gereffffeeneerd hed ik det tuenderteejd vetee te-a oontveejkee, fertelde-a ze-a. Hureca-irfereeng, decht ze-a.
Ik veest fun neeets. Um gesh dee bork, bork! Nuoo ja, m’n geheoogee ves zeech nergens meer fun boooost. Um de hur de hur de hur. Veerscheejnlijk oouk oonderdeel fun ’t bermunschep: iee slecht geheoogee. Ooff in ieder gefel iee zeer selekteeeff geheoogee. Nemee & gezeechtee vurdee
oonthuoodee, & mugeleejk velk beeer beej velk gezeecht huurt. Um de hur de hur de hur.
Duurdet ’t gesprek oondertoossee ferder geeng, verd det ferzuek el snel fergetee. Duur meej in ieder gefel. Meejn cullega-bermunnee hebbee ichter bleejkbeer ooree deee-a oop iee effstund fun 5 meter in iee stempful ceffé deet suurt ferzuekee nug koonnee oonderscheeedee fun ’t
ferder heersend gekrekeel fun menseleejke-a stemmee
‘Heb je-a je-a teleffuunnr gegefee?’ fruegee ze-a ifee leter, oop ’t mument det degene-a deee-a ’t hed muetee oontfungee reeds neer booeetee leeep. ’t Ves tenslutte-a slooeetingstijd, ve-a veree de-a teffels el eun ’t schuunmekee, de-a kluntee eun ’t summeree hoon leetste-a slukje-a
te-a nemee & de-a ber ves reeds zu gued els schuun. Bork bork bork! Mee veel neeet freejvillig bleejfee hungee in deee-a neergeesteege-a sffeer fun iee ber deee-a mbf deef steenkend schuunmeekspool oontdeun vurdt fun elle-a deerfuur heersende-a gezelleegheid & gemurst beeer. Hurty flurty schnipp schnipp!
‘Nee-a,’ zeee ik schooldboooost oofer iee dergeleejke-a stummeeteit, ‘meer ik ga oouk neeet meer echter heer eun lupee.’
Veerup meejn cullega de-a deoor ueetrende-a & ’t nr eun de-a veglupende-a deme-a ooferhundeegde-a.

Ir is iee gruut gebrek eun heldee in Zeejperspece-a.
(met dank aan Marien)

barman

Er komen wel vaker dames bij me aan de bar bestellen.
‘Ha, een dame! Die is voor mij,’ roep ik dan naar m’n collega’s. Zij vinden ’t best, gaan opzij & lachen wat. Ze spelen ’t stukje mee.
Soms wachten ze wel ‘ns tot ik teruggekomen ben van ’t ophalen van lege glazen.
‘Ton, er staat hier al een hele tijd een dame te wachten tot ze kan bestellen.’
Nietsvermoedend kijkt de klant dan op. Eindelijk aandacht, lijkt ze te denken.

Maar opeens was er een dame die perse door mij geholpen wilde worden.
‘Kom op, Jeroen, je hoort ’t,’ zei ik tegen m’n collega & duwde ‘m een stukje opzij. ‘Je kan beter nu ff aan de kant gaan.’
Waarop ze vertelde dat haar vriendin jarig was. Dat was ’t begin tenminste. Daarna vertelde ze nog veel meer (dat werd afgewisseld door dingen die ik te vertellen had, maakt u zich vooral niet ongerust), terwijl m’n collega’s andere vrouwen hielpen. Daar had ik ff geen tijd voor, maakte ik ze met een handbeweging duidelijk.
Aan een ½ gebaar heb je vaak genoeg, als je al jaren met elkaar achter de bar staat. Daarom begreep ik ook wat ze bedoelden toen ik na sluitingstijd midden in ’t proeflokaal nog een 5-tal minuten met de dame stond te praten. Vanachter de bar werden zwaaiende bewegingen met de armen onze kant op gemaakt. & 2 Handen die van ver uit elkaar naar heel dicht bij elkaar bewogen. Ik kon dat zien, m’n gezicht stond richting bar, m’n gesprekspartner niet. Langs haar schouder gebaarde ik terug dat ze nou ‘ns een keertje moesten ophouden. & Om dat duidelijk te laten overkomen schreeuwde ik ’t met de bijbehorende tekst.
‘Waarom doen ze zo?’ vroeg de dame, over haar schouder kijkend & nog net een flits van hun gedrag oppikkend.
‘Oh, ze willen graag dat ik met jou sta te praten. Ze vinden dat ze als barmannen ook een bepaalde koppelende funktie behoren uit te oefenen.’

Tussentijds had ik tijdens ’t ophalen van de glazen haar vriendin overigens gefeliciteerd (dat was tenslotte in 1e instantie ’t doel van ’t gesprek) & de jarige wat te drinken aangeboden. Dat ze maar op haar eigen gezondheid moest drinken, had ik haar gezegd, ik moest helaas nog ff werken, dus kon helaas niet meedoen.
Dat soort gebaren van een barman komen over ’t algemeen wel goed aan. Maar liever had ik iemand anders gefeliciteerd, hoewel ik niet wist waarmee. Op dat moment was ’t echter zaak dat mijn lichaamstaal naar de jarige duidelijk maakte dat ik haar feliciteerde, terwijl ik tegelijkertijd zoveel mogelijk in datzelfde lichaam moest leggen zodat een ander persoon iets anders er uit zou kunnen opmaken.
’t Is een moeilijk vak, barman. ’t Gaat om de finesses.

De dame in kwestie had al ‘ns een keertje om m’n telefoonnr gevraagd, maar heel geraffineerd had ik dat toendertijd weten te ontwijken, vertelde ze. Horeca-ervaring, dacht ze.
Ik wist van niets. Nou ja, m’n geheugen was zich nergens meer van bewust. Waarschijnlijk ook onderdeel van ’t barmanschap: een slecht geheugen. Of in ieder geval een zeer selektief geheugen. Namen & gezichten worden onthouden, & mogelijk welk bier bij welk gezicht hoort. De rest valt weg in een grote brij van kleine gebeurtenissen.
Doordat ’t gesprek ondertussen verder ging, werd dat verzoek al snel vergeten. Door mij in ieder geval. Mijn collega-barmannen hebben echter blijkbaar oren die op een afstand van 5 meter in een stampvol café dit soort verzoeken nog kunnen onderscheiden van ’t verder heersend gekrakeel van menselijke stemmen.
‘Heb je je telefoonnr gegeven?’ vroegen ze me even later, vlak na ’t moment dat degene die ’t had moeten ontvangen naar buiten gelopen was, me onderwijl een handkus toewaaiend. ’t Was tenslotte sluitingstijd, we waren de tafels al aan ’t schoonmaken, de klanten aan ’t sommeren hun laatste slokje te nemen & de bar was reeds zo goed als schoon. Men wil niet vrijwillig blijven hangen in die naargeestige sfeer van een bar die mbv div stinkend schoonmaakspul ontdaan wordt van alle daarvoor heersende gezelligheid & gemorst bier.
‘Nee,’ zei ik schuldbewust over een dergelijke stommiteit, ‘maar ik ga ook niet meer achter haar aan lopen.’
Waarop mijn collega de deur uitrende & ’t nr aan de weglopende dame overhandigde.

Er is een groot gebrek aan helden in Zijperspace.

ongestoord

M’n buurman heeft z’n 1e huis al verhuisd. Ik zag ‘m net op z’n bakfiets stappen. Ik keek een beetje stiekum door de gesloten gordijnen.
Ik was een beetje verwonderd over ’t lawaai dat van buiten tot mij door kon dringen. Om me een beetje te kunnen concentreren, ’t ventilatortje in m’n comp kan verschrikkelijk veel geluid maken de laatste dagen, had ik oordopjes ingebracht. ’t Kabaal van buiten wist die barrière te slechten. Alsof de voorkant van een huis in de straat gesloopt werd. & Dat op zondag, dacht ik met een restje rooms-katholicisme in m’n gemoed. Verstoord keek ik door de kieren die m’n gordijnen aan de voorkant open laten naar buiten. Ik zag m’n buurman met houten planken in z’n bak de straat inrijden.
Daar kon de herrie niet door veroorzaakt zijn, bedacht ik al bijna geheel afgeleid van de oorspronkelijke reden van kijken. Buiten dat: mijn buurman zal ’t slopen van huizen niet met zoveel misbaar laten plaatsvinden.

Hij verontschuldigde zich een tijd geleden voor ’t bezitten van een vleugel & ’t dagelijks oefenen erop.
Ik wou dat de muren wat dunner waren & ik er daadwerkelijk wat van kon horen, stelde ik ‘m gerust.
Nee, van m’n buren kon ik geen last hebben. Hooguit de telefoongesprekken in de zomerse tuin konden mij uit de concentratie van m’n boek halen. Maar ach, dat bracht mij altijd weer wat beter op de hoogte van de zieleroerselen van m’n buren. Daardoor kwam ik bijv te weten dat ze een nieuw huis hadden aangeboden gekregen.

Na door de gordijnen gegluurd te hebben, ben ik naar achteren gelopen. Vanuit m’n keuken heb ik zicht, voorzover ik over de schutting kan kijken, op hun tuin.
’t Tuinhuisje was weg. Dat was in 1 oogopslag te konstateren.
Ik ging nog ff op de vuilnisbak staan om ’t beeld nog wat beter in me op te nemen. Misschien hadden ze ook al div planten weggehaald?
Zo troosteloos mijn tuin er van verdordheid, hangende, eens stoere stengels & een bedompt kleurenmengsel uit ziet, zo troosteloos was de tuin van m’n buren door de reeds ontstane verlatenheid. Een kale zwarte plek waar 1st ’t tuinhuisje stond. Een schep stond nog ergens verloren naast een gat in de grond. Omgewoelde grond. ’t Gras dat 1st groen zag, was platgetrapt met modder. Eenzaam & zeer anachronistisch eigenwijs hingen er nog een paar geel-oranje bloemen boven de schutting uit. Als laatste groet, zo leek ’t. Over enkele weken zouden die ook weggenomen zijn. Door de vernietigende herfst of anders de vertrekkende buren.

’t Seizoen van een praatje over de schutting is nog lang niet aangebroken; de vorige ligt eigenlijk nog maar net achter ons. ’t Is momenteel meer ’t seizoen van elkaar groeten onderweg naar huis, werk of boodschap. Altijd op de grens van een overgang in bezigheden, waardoor je bijna nooit tijd hebt voor een praatje. Je hoort mij daar niet over klagen. Deze tijd heeft ook zo z’n charme van lekker binnen willen zitten bij de kachel. Met als consequentie ’t weinige kontakt met de buurt.

& Toch had ik laatst nog een kort gesprek met m’n buurman. Toen heel Amsterdam zonder stroom was komen te zitten, besloten wij beiden buiten ‘ns een kijkje te gaan nemen. We lieten ons zelfs nat regenen om de donkerte van een stad zonder elektriciteit te kunnen aanschouwen. Gestadig meer bijgelicht door de kaarsen die in de huiskamers werden aangestoken & met dat minieme licht de straat beschenen.
’t Had toch wel wat, waren we ’t met elkaar eens, die rust van geen tv, geen felle lichten & nergens versterkt geluid. Midden in een stad van 100.000-en zielen vonden wij die rust weldadig.

’t Is nu afwachten wat hierna aan buren volgen. Vast geen vleugel, die op m’n vrije middag nog net door de muur weet te dringen. Vast geen buurman die ongemerkt een tuinhuisje met de grond gelijk kan maken.
Eigenlijk vind ik alles best, hoewel ik niet van veranderingen hou, zolang ik maar niet te vaak m’n oordopjes hoef te gebruiken.

& Ik ongestoord de annalen van Zijperspace kan bijhouden.