bleu

’t Moet na afloop van een film van Kieslowski zijn geweest. Ik keek er gisteravond xpres niet naar. De tv stond wel aan, de film Bleu speelde zichzelf af, maar ik keek niet. Niet met volle aandacht, in ieder geval. Af & toe zag ik ’t gezicht van Juliëtte Binoche voorbijgaan, als ik door ’t geluid afgeleid achterom keek. Ik zag onmiddellijk de filmposters weer die alle meisjes in die tijd op hun kamers hadden hangen. Met haar gezicht. & Wij jonge jongens ons maar afvragen waarom ze wel van zachte vrouwen hielden, maar niet van zachte mannen. In ieder geval niet lang genoeg.
Nou ja, jonge jongens.

’t Moet dus na afloop van 1 van die films van Kieslowski zijn geweest. De filmzaal was leeg, de bezoekers waren alweer weg, er was genoeg bier, de muziek al uren afgelopen, daarin de film volgend, ’t was uit met haar vriend, al tijden; Jolanda & ik waren over van alle vrijwilligers. Zittend aan de bar van ’t filmhuis. Overgebleven.

Momenteel probeer ik er achter te komen van welke film de muziek afkomstig is. Was ’t van ‘la double vie’ of van ‘bleu’? Eigenlijk is ’t al niet meer belangrijk, want spontaan was de muziek me alweer te binnen geschoten. Ik hoefde slechts 2 nootjes van de muziek van Zbigniew Preisner te horen.
& Ik zag Jolanda.
’t Zoeken zelf wordt belangrijker. De herinnering is er al.

Kent u ’t gevoel van slenterend in de ochtendschemer langzaam zwevend van lantaarnpaal naar verkeersbord op weg naar huis te zijn? Die ochtend ben ik opgestaan zonder geslapen te hebben, ben naar huis (ben ik naar huis? hoe kom ik erbij: ben ik naar huis. ik weet niets meer van huis. ik weet de rest, maar meer ook niet. die zin heb ik niet geschreven. er is geen herinnering van. ik kan die zin niet geschreven hebben. had ook niet geschreven mogen worden. plots stopt deze zin in ’t einde van haakjes sluiten).
Kent u ’t gevoel van slenterend in de ochtenschemer langzaam te dansen over tegels die de herinnering van de nacht lijken te bevestigen? Waarbij elke aanraking met die ondergrond ’t lichaam lichter lijkt te maken. Een weg te kiezen die nergens naar leidt, maar ooit wel ‘ns zal stoppen, liefst zo ver weg mogelijk richting de zee, voorbij ’t strand. Over voetpaden die hele generaties daarvoor al bewandeld werden, door vroege zonneschijn, ontwakend, die wederom dezelfde warmte aflegt, door wind, een zachte zwoele, geurend van verre zee & per ongeluk een zweempje vrouw van afgelopen nacht. Die heeft de wind opgedoken bij ’t korte bezoek aan jouw kleren.

Ik probeer me niets te herinneren, ’t dringt zich op. Soms wil ik met rust gelaten worden door de schijn van betere tijden. Alsof. Hoeveel zweet ’t wel niet gekost heeft. Wervelstormen. Hittegolven. Razzia’s. Ik zou ’t verhaal aan een vreemde kunnen vertellen zonder dat de pijn van toen tevoorschijn komt. & Ik zou ’t zelf geloven. Alsof alles beter was.

Maar Jolanda was maar voor 1 nacht. Hoewel ik haar smaak nog steeds in mijn mond heb. Ik zie haar twijfels elke keer als ik zin heb om over straat te rennen. Ik proef haar lach als ik dans terwijl slechts 1 licht brandt. Ik zie haar languit liggen als ik 2 tonen muziek hoor. Ik hoor haar fluisteren als ik vrouwenzweet langs de dunne haartjes van een bovenlip zie trekken. & Elke keer als ik m’n neus stoot op ’t moment dat ik een vrouw zoen, zie ik de donkerte van de nacht, & lijkt iets hees hijgends de weg te wijzen. Ik ruik haar soms, plotseling, vanuit een onverwachte hoek kan ze tevoorschijn komen.

Dan is zij terug in Zijperspace, maar nog veel korter dan die nacht.

wassen

In de serie over mensen die ik heb gekend wil ik ’t nu kort hebben over de man die z’n handen waste met zand.
’t Was een grote man. Met blond kort haar. Z’n armen waren lang. Zo lang dat ze me altijd bij m’n nekharen konden grijpen. Soms deed-ie dat zelfs ongewild. Z’n handen moesten iets, zei hij dan achteraf. Hij xcuseerde zich ervoor. Niet te lang, slechts een kort xcuus. Van: ’t gebeurde gewoon. Moet je maar niet zo snel & plots bewegen. Maar ondertussen greep-ie me beet & gaf-ie me een ferme tik op de handen. Handen die niet hadden gedaan wat zijn wil daarvoor had opgedragen te doen. Wat dat ook mocht zijn.

Achteraf denk ik: was die man wel oud, of zou hij ’t ooit wel worden? Waar zat dan de baard, die mijn vader toch zeker wel had? Wie haalt ’t in z’n hoofd z’n schenen te betasten met ’t blad van de bijl? Wie haalt ’t in z’n hoofd z’n wond vervolgens niet te verzorgen? & Bovenal vroeg ik me af waar z’n vader eigenlijk was. Hij kon toch niet alleen maar met z’n moeder op een camping verblijven.
Hij liep hinkend, met een gapende wond, langzaam helend, onder z’n broekspijpen over ’t terrein de kinderen te vermanen zich te gedragen. De wond moest open blijven, want dan zou de genezing eerder plaatsvinden, zo was zijn overtuiging. Misschien dat ik ‘m verkeerd begreep. Wij kregen daardoor in ieder geval zo af & toe de gelegenheid zijn wond te aanschouwen.

Hij hield dus de kinderen in de gaten, terwijl de ouders afwezig waren.
Er mocht niet met zand gegooid te worden, er mocht niet met de kegels gesmeten worden, er mocht niet met de tentstokken geworpen worden, er mocht niet hard tegen de bal getrapt worden. Graven mocht ook al niet. Maar ondertussen vond-ie kinderen leuk. Als ze maar eerlijk speelden bij blikkietrap. & Niet te diepe kuilen graafden.

Nu moet ik mijn verhaal een korte wending geven. Om wat meer duidelijkheid te scheppen in ’t gevoel die wij kinderen hadden tegenover deze man. Of misschien was ’t nog maar een jongeling. Wij beschouwden ‘m echter als man.
Een korte wending dus.
Ik liep daarnet naar de keuken. ’t Licht had ik zo-even uit gedaan; ik zou toch niet voor slaaptijd terugkomen aldaar. Maar plots had ik bedacht dat ik een nieuw pakje zakdoekjes nodig had. Altijd ruim op voorraad, maar ook altijd op de plek waar ik me niet bevind.
Ik dacht: ik kan de grote pak zakdoeken makkelijk op de tast vinden: ze liggen achteraan ’t kastje onder de wasbak, ergens in ’t midden. Licht is niet nodig.
Ik bedacht echter ook: stel dat er zich een rat in die kast bevind, wat doe ik dan? Krijg ik dan spijt dat ik ’t licht niet heb aangedaan?
Dus ik heb ’t licht aangedaan.

In zo’n soortgelijke situatie zaten wij mbt de man die z’n handen waste met zand.

Hij sprenkelde wat water over z’n handen & pakte een handvol zand. We zaten midden in een bos. Overal tussen de bomen & langs de paden was zand te vinden. Dat zand wreef-ie over z’n handen. Alle hoeken & gaten. Daarna spoelde hij z’n handen met nog wat water. Z’n handen waren schoon.
‘De beste manier om je handen schoon te krijgen.’

Ik was alleen maar bang dat er een drol in ’t zand zou zitten.

Zijperspace ligt vol met drollen, verstopt in kasten.