scenario’s

Ik lees een boek. Of eigenlijk lees ik niet. M’n ogen glijden over de letters, ze beseffen nog net dat ze tezamen woorden vormen, met af & toe een punt, soms een komma. De gezamelijke woorden & leestekens gaan ’t korte termijnsgeheugen in, gaan er ook weer uit, zonder ooit iets van een langer termijn te mogen aanschouwen. Die zit vol. Wordt bezig gehouden door te veel troep.

”t Bier uit de tap vind ik te koud,’ zegt Onno, ‘Mag ik ’t misschien uit een flesje van achter?’
‘Als ik dat doe blijf ik de hele dag flesjes uitschenken.’
‘Zie je wel,’ zegt Onno tegen Jeroen, ‘zulke dingen moet je gewoon niet aan Ton vragen.’
& Tegen mij: ‘Dan wil ik afrekenen, want dan ga ik naar huis.’
‘Is goed.’
3 Minuten later laat-ie zich door m’n collega een flesje bier uitschenken.
‘Lul, dat doe je toch niet,’ zeg ik tegen m’n collega. ‘Ik heb net gezegd dat-ie dat niet kreeg.’
& Tegen Onno: ‘Onno, dat pik ik niet. Dat snap je geloof ik wel. Ik vind ’t absoluut niet leuk als je mij tegen m’n collega’s zit uit te spelen. Dan heb ik ’t helemaal met je gehad. Wat mij betreft kan je dan oprotten.’
‘Goed, dan ga ik naar huis.’
‘Dat zou je toenet al doen.’

’t Boek is 1 blz verder. Al lezende heb ik me slechts ledig gehouden met bovenstaande scene, zo’n 5 keer achter elkaar passeerde ’t de revu. Onder ’t mom dat ik m’n geheugen controleerde op bedrog. Aangaande de scene niet, luidt de conclusie, maar van ’t verhaal in ’t boek weet ik me niets te herinneren.
Ik begin opnieuw. Lees weer over een vrouw die haar broer aan de telefoon heeft, terwijl de Muur op ’t punt van vallen staat.

Een junk komt de winkel binnen. Hij ziet er nog goed uit; hij beweegt zich nog maar een klein ½ jaar in deze contreien. Toch weet ik dat ik ‘m niet moet vertrouwen. Hij stoot meteen door naar achter in de winkel. Voorbij m’n collega, die rustig zit bij te komen van ’t bijvullen van de schappen. Ik help wat klanten bij de kassa, probeer onderwijl de man in de gaten te houden, probeer m’n collega dmv oogwenken op de hoogte te brengen, maar moet me op een gegeven moment toch op m’n handelingen concentreren.
De junk schiet voorbij & verlaat de winkel zonder iets te kopen. Ik heb gezien dat-ie me minstens tot 3 keer toe aankeek terwijl-ie in de winkel stond. Minstens.

Ik schrijf een briefje. Vraag of de man wil blijven staan, zolang ik bezig ben met schrijven. Ik had ‘m iets belangrijks mee te delen, had ik ‘m bij binnentreden gezegd. Of-ie ff geduld heeft.
Ik moet elke keer als ik binnenkom van Ton dit briefje laten zien aan degene die bij de kassa staat. Ik mag van Ton niet verder lopen als ’t begin van de toonbank. ’t Zou nl voor kunnen komen dat ik flesjes bier steel. Dat heeft Ton weliswaar nooit kunnen bewijzen, maar voor de zekerheid mag ik dus niet verder dan een denkbeeldige lijn voor de kassa. Als ik een biertje uit de ijskast of de winkel wil, moet ik vragen of degeen die bij de kassa staat die voor me wil pakken. Mocht dat door drukte niet tot de mogelijkheden behoren, dan verlaat ik zo snel mogelijk de winkel.

M’n fantasie slaat op hol. Ik weet waar de 1e regel van de alinea over ging, maar daarna heeft m’n verbeelding ’t overgenomen. Van ’t boek dringt absoluut niets tot mij door. Ik kan verder gaan lezen, maar ik weet dat ’t niets uithaalt.

De gitarist komt binnen. De gitarist die geen gitaar meer heeft. De gitarist waarvan ik zeker weet dat-ie de vorige keer een fles Alfa heeft meegenomen. Een klant zag de fles in z’n binnenzak verdwijnen.
Ik hou de gitarist aan.
Ik roep naar m’n collega: ‘Thomas, Kassa!’
& Ga vervolgens rustig met de gitarist staan praten.
‘Je weet dat een fles Alfa € 1,- kost?’
‘Je weet ook dat wij een kleine winkel zijn?’
‘Weet je ook hoeveel wij moeten verkopen om die fles Alfa van jou te bekostigen?’
‘Hoeveel krijg ik dus inmiddels van je?’

Ik voel me nobel. Ik weet overal de juiste oplossing voor te vinden. Ik ben in staat mensen duidelijk te maken waarom ze fout bezig zijn. Waarom ze niet moeten doen wat ze mij aandoen. Ik heb de juiste woorden gevonden om ze dat uiteen te zetten.
Maar ondertussen lees ik geen woord van wat er in m’n boek staat. Te veel stress, te veel scenario’s die niet op de waarheid zijn gebaseerd.

’t Is wachten tot de werkelijkheid zich aandoet in Zijperspace.

risk

Ik besta bij de gratie van m’n verslavingen. M’n hang naar verslavingen. Ik word er bij tijd & wijle knettergek van, maar zonder kan ik niet. Zou ’t leven voor mij geen zin hebben. ’t Zou er veel te saai van worden. Dat hou ik mezelf in ieder geval voor. Steeds weer.

Comp-spelletjes bestonden nog maar net, tenminste: die spelletjes die op de eigen pc gespeeld konden worden. In café’s waren video-games al jaren in zwang. Steven, een studiegenoot van me, had plots een spelletje op z’n comp. Hij liet ons zien hoe ’t ging. Vanaf dat moment had ik helemaal geen zin meer om over ’t blad van Film & Tv-wetenschap te praten, ook al was ik hoofdredacteur. Er waren belangrijkere zaken in ’t leven. Zoals ’t veroveren van Australië, om vervolgens Siberië in te duiken, via Kamtsjatka achterom de VS binnen te vallen, Europa ongemoeid te laten, want daar moorde toch iedereen elkaar maar uit, om daar later triomferend de laatste legers te verslaan. Veel zinniger om me daar mee bezig te houden.
Helaas konden we niet de hele avond bij Steven blijven hangen, hij had nog iets anders te doen. De comp ging uit, wij naar huis. Voorlopig geen Risk meer, in ieder geval niet meer op de comp. Tijd om artikeltjes voor ons eigen blad te gaan schrijven.
Ik wilde maar wat graag bij Steven de redaktievergadering beleggen, al was ’t maar omdat-ie zo’n mooi ruim appartement had voor studentenbegrippen, maar vooral ook omdat ik hoopte dat men mijn behoefte aan dat fascinerende spel begreep.
Helaas.

Ik kwam kort geleden, m’n nieuwe comp moest op snelheid getest worden, de downloadsnelheid ook, per ongeluk een site tegen waar je een nederlandse versie van ’t spel vandaan kon halen. Eenvoudig, maar doeltreffend. Een dag later zaten er al wat muizigheden in m’n hand. 2 Dagen later leek ’t me beter m’n rechterhand niet meer te gebruiken voor de muis. De 3e dag heb ik besloten dat ik voorlopig geen risk meer mocht spelen. Op de ochtend van de 4e begreep ik plotseling waarom ik zo gemakkelijk verslaafd aan alles raak, ik had ’t licht gezien, maar was bovendien opgelucht dat ik over een verschrikkelijk sterke wil beschik; dat was blijkbaar ook onderdeel van mijn hang naar verslavingen, waardoor ze niet destruktief lang duren.
Nu is ’t 2 weken na dat 1e spelletje. Uit frustratie heb ik daarnet ergens ½erwege ’t spel de knop ervan omgedraaid. Mijn theorieën over mezelf heb ik bijgesteld, opzij gezet eigenlijk; ik wil niks meer met mezelf te maken hebben, laat staan met ook maar iets wat rechtstreeks of zijdelings doet denken aan ’t veroveren van landen.
Slechts 2 keer gewonnen van totaal 10-tallen legers. De euforie was groot, bij die overwinningen, ik had ’t spel door, niemand zou mij in de toekomst nog kunnen verslaan, & zeker zo’n simpel programmaatje niet.
Ik weet inmiddels beter.

’t Werd weer tijd om artikeltjes te schrijven in Zijperspace.

linkervoet

Ik had ‘m vannacht wel gehoord, trippelend over ’t verlaagde plafond, zoals ik ‘m de laatste tijd wel vaker hoorde. Vooral midden in de nacht, zo rond een uurtje of 1, leek de muis, m’n eigen huismuis, onrustig te worden. Ik ontkende ’t geluid van geritsel, ’t geren, boven m’n hoofd. Ik wilde er niet aan denken dat-ie bij mij in huis kon komen. Dat ’t voor hem aantrekkelijk was de weg naar beneden, toch wel zo’n 2,90 meter, af te leggen. Liever zat ik verzonken in m’n boek, een spelletje achter de comp, of een film op tv. Dus hoorde ik ‘m zogenaamd niet. Ik registreerde 1malig ’t geluid & ging vervolgens verder met waar ik mee bezig was.
Evengoed had ik wel geconstateerd dat-ie vannacht wat onrustiger was dan anders. Onbewust, blijkbaar. ’t Ritselende trippelen leek wat langer te duren, speelde zich ook veel meer boven m’n hoofd af. Recht boven de comp, ipv in de buurt van de hangende lamp, schuin boven de tv, zoals gewoonlijk.

Ik heb een keer een muis in dit huis gevonden. Ik kwam terug van vakantie, de 1e keer dat ik ’t huis voor een langere periode dan 1 dag onbewoond liet, was bezig m’n spullen op te ruimen. De vuile was in de wasmachine, de slaapzak & tent hing ik uit aan de lijn, m’n eetgerei zou ik ook weer ‘ns een wasbeurt geven. Ditmaal met sop.
In de wasbak lag een muis. Dood. Al lichtelijk verschrompeld. Waarschijnlijk vanwege de honger die hij moet hebben gehad, voordat-ie stierf.
Hij moet op de kruimels in de wasbak zijn afgekomen. Ik heb de gewoonte m’n broodplank daar te ontdoen van de kruimels. De wanden van de wasbak waren te glad voor de muis om er weer uit te kunnen klimmen.
Bij de aanblik schrok ik terug. Ik schoot weg uit de keuken. Durfde daar 5 minuten later pas weer terug te komen. Alleen maar omdat ik me realiseerde dat ik toch echt zelf ’t lijkje zou moeten verwijderen. Langzaam zette ik m’n voeten vooruit tot dichtbij de aanrecht. Schichtig keek ik over ’t randje van de wasbak, kijken of-ie er nog steeds op dezelfde manier lag, kijken of er zich een oplossing voor ’t opruimen voordeed.
Ik weet niet meer hoe ik ’t heb gedaan, maar een ½ uur later had ik ’t stoffelijk overschot in de vuilnisbak. Als ik er nu aan denk, krijg ik nog de kriebels. Evengoed voelde ik mezelf op dat moment een held. Een held voor mezelf. Ik juichte in stilte mezelf toe. Overwinning.

Vanochtend stond ik op. Ik ging tussen bank & tafel staan om te kijken wat de tv te melden had. Ik had nog maar net sokken & een t-shirt aangetrokken. Met m’n linkersok voelde ik dat ik tegen de tafelpoot stond. ’t Voelde echter wat zachter dan ’t hout van de tafel zou moeten voelen, realiseerde ik me, terwijl ’t overzicht van Studio Sport voorgeschoteld werd. Ik denk tenminste dat dat op tv was op dat moment; ik was vlak na 12-en uit bed gestapt.
Ik controleerde of m’n voet wel tegen de tafelpoot leunde, ontwaarde in m’n 1e vluchtige blik een brok eten, zo leek ’t. Waarschijnlijk een beetje slordig gegeten gisteravond, was een snelle gedachte, m’n aandacht nogmaals pogend voor de tv te reserveren. Er begon zich echter ook iets te realiseren in m’n hoofd. Ik begon me te realiseren, moet ik zeggen, dat zo’n groot brok eten moeilijk van m’n bord had kunnen vallen. Laat staan dat ’t zo donkergrijs er uit zou kunnen zien. ’t Was tijd om beter te kijken.
Met tegenzin ging m’n blik weer naar beneden. Onmiddellijk trok ik m’n linkervoet weg van de plaats waar-ie de afgelopen 5 seconden had gerust. M’n andere voet regelde in de tussentijd een sprong van m’n gehele lichaam richting bank & vandaaruit aanschouwde ik rillend de dode muis. Die net nog lichtjes door m’n linkervoet was beroerd.

Deze muis heeft goed te eten gehad. Hij zag er weldoorvoed uit. Weliswaar dood, maar dat kon zeker niet aan mijn gastheerschap hebben gelegen. Hij had een lange staart, zeker meer dan 5 cm.
Dit soort dingen wilde ik eigenlijk helemaal niet vaststellen, maar onwillekeurig drongen ze toch tot mij door.
Als staand op de bank heb ik een plan de campagne gemaakt, ben vervolgens naar buiten gegaan, heb ’t blik gepakt & bij gebrek aan de stoffer een oude krant gebruikt om ’t lichaam er op te schuiven. Ondertussen me de hele tijd zeer wel bewust van welk stukje sok tegen ’t muisje had aan geschuurd. De krant hield de dode in bedwang, ’t mocht onderweg naar de vuilnisbak niet vallen, duwde de muis erin & dekte ’t vervolgens ook af. ’t Moest aan m’n blik ontrokken blijven, dan zou ik er minder aan denken.

Momenteel bestaat m’n huis uit 3 punten, waar m’n gedachtes onwillekeurig naar toe gaan. Als ik een tel voor me uit staar, keert m’n hoofd zich automatisch de kant op van 1 van die 3 punten. Ik ben me ervan bewust, vind ’t belachelijk dat zo’n klein dood muisje een dergelijke invloed kan hebben, maar kan ’t gevoel niet tegenhouden. Om ’t gevoel te ontkennen, weg te drukken, ben ik al even op de bank gaan zitten om tv te kijken, heb ik m’n sloffen om m’n voeten getrokken, met xtra aandacht voor m’n linker.

We weten echter nog niet wanneer de vuilnis verwijderd zal worden uit Zijperspace.

star

Ogenschijnlijk staat ze net zo te wachten als ieder ander mens. Men staat wel vaker voor een winkel te wachten. Een klein jong hondje heeft ze aan de lijn, wat die indruk van wachten nog wat meer bevestigt. ’t Hondje kan nog net onwennig schuin met z’n achterste op de koude stoep zitten, af & toe z’n evenwicht verliezend. Net als elk ander in deze situatie trekt de dame, een jaartje of 30-35 moet ze zijn, een wachtend gezicht. Ze staart voor zich uit in geduld, haar gezicht strak, maar dat kan ook van de kou zijn.
De enige op wie ze zou kunnen wachten, in ieder geval de enige die binnen m’n blikveld valt, is de man die bij mij 2 flesjes Grolsch koopt. Hij is echter een gebruiker, dat kan ik zo zien, terwijl zij dat niet bepaald uitstraalt. Hij heeft een magere kop, met ingevallen wangen, z’n ogen staan diep in hun kassen. Z’n bewegingen zijn snel, hoekig bovendien. Alsof-ie na elke beweging totaal de andere kant op kan gaan. Plots, onzorgvuldig, op z’n hoede.
Zij staat sereen buiten. Kijkt strak voor zich uit. Alles wat ik van haar kan zien is haar gezicht. Niet pafferig, niet vermagerd. Kalm, er verroert zich niets aan haar lichaam. Sjaal 1½e slag om haar nek, muts op, pluimpje hangt net in haar nek, lange jas tot aan haar knieën, korte laarsjes. Ze heeft stijl, alles past precies, lijkt zich te voegen. Haar neus lijkt door haar kleding precies op de goede manier aan haar lichaam vast te zitten. Alsof ze bij ’t kleden ook daar rekening mee heeft gehouden.
Niets aan haar beweegt, alleen ’t lijntje waar ’t hondje aan vast zit. & Haar geduld; dat lijkt ook te bewegen, als ik haar vluchtig aankijk, terwijl de man z’n geld in z’n broekzak, 1 van z’n broekzakken, misschien een jaszak, toch maar in de broekzak bij ’t papiergeld, hij weet niet meer waar hij z’n muntgeld moet bewaren, stopt.
Hij blijkt uiteindelijk haar geduld. Ik merk ’t pas als hij naar buiten stapt. Een snelle blik werpt-ie op de dame, terwijl-ie de deur achter zich sluit. Geen bevelende blik, geen verzoekende, meer een blik van ik wil je eigenlijk niet zien. Ze registreert ‘m nog net. Verzonken als ze is in ’t wachten. Hij stopt de flesjes bier in z’n jaszak, slaat linksom uit mijn gezichtsveld, passeert de kratten die naast de winkel staan.
Zij staat nog voor een moment geparalyseerd. Komt dan langzaam in beweging. Haar bovenlichaam hoekt langzaam licht voorover. Een schok doet haar 1e been bewegen; ’t lijkt onhandig zoals ze vervolg aan die beweging kan geven. Haar ogen staan op dorst, verlangen. Geen verlangen naar hem.
De schoonheid die ik daarnet nog in haar zag is plots verdwenen. Verzwolgen door haar hunkering naar ’tgeen hij blijkbaar met zich meedraagt. Ik herken haar bewegingen. De herkenning verbuigen haar bewegingen nog ietsje meer. Zodat ik de starre dame niet meer zie.
Lege ogen verdwijnen uit m’n beeld, schuin weg achter de lege kratten. Stotend, hortend achter ’t aas aan.

Een jong hondje huppelt uit Zijperspace vandaan.

snijden

M’n enige bezigheid momenteel is m’n neus leeghalen. Waardoor m’n prullenmand wit ziet van ’t papier; m’n tafel, m’n jaszakken, m’n broekzak, de vuilnisbak, & naast m’n beeldscherm ligt ook nog een zakdoek. Nog 1 keer gebruiken & die is ook vol. Ik kan een zakdoek slechts 2 keer gebruiken, dan is de zakdoek kledder. ’t Lijkt alsof elk druppeltje vocht dat ik door m’n keel binnen krijg door m’n neus er weer uit moet. Een bakkie thee lijkt een kwartier later een nieuw pakje zakdoeken noodzakelijk te maken.
Ik heb overal zakdoeken liggen. Noodzakelijk, maar gelukkig heb ik nog maar net een nieuwe voorraad in huis gehaald. Een maand geleden weer een gezinspakket gekocht, die ik van de week voor ’t 1st heb aangesproken. M’n neus dacht blijkbaar: als je dan toch zoveel snuitruimte in beschikbaar hebt, kan ik er beter meteen van profiteren. Hij is blijkbaar vergeten dat ik ‘m 3 weken geleden al met xtreem getoeter heb verwend. Hij vergeet misschien ook dat hij vaker gesnoten wordt dan de neus van menig ander mens. Goed, hij zit wellicht wat vaker vol, maar dat heeft-ie dan ook volledig aan z’n eigen vormgeving te danken. Welke neus haalt ’t nou in z’n hoofd de binnenschotjes te veel naar binnen te keren, waardoor ademhaling wordt vermoeilijkt?
Maar misschien had-ie wel genoeg van die konstante stroom lucht langs z’n schotten.

Ik wil niet te veel gaan klagen, maar ik zie de komende dagen met grote vreze tegemoet. Geleidelijk aan zal de snotterigheid verminderen; de gele smurrie zal verkleuren tot groen. & Dan begint de rotzooi.
Ik zal geen dag, de nacht nog minder, zonder nasonex kunnen overleven. ’s Ochtends vroeg & ’s avonds voor ’t slapen gaan in m’n neus te spuiten. Wat uiteindelijk, na afloop van deze verkoudheid resulteert in rode snot. Met harde stukjes. De rode harde stukjes zijn proppen die de ruimte tussen de schotjes opvullen. Tenminste, zo stel ik ’t me voor. Door hard te snuiten raken die los. & ’t Bloed stroomt mee.

Ik zal me moeten laten opereren. Schotjes verwijderen. Kleiner maken. Om de adem te herkrijgen. De snot, de alledaagse snot, waar iedereen wel in bepaalde mate last van heeft, zal dan niet meer kunstmatig vloeibaar gemaakt hoeven worden. Die raakt vanzelf wel weg. Ophopingen zullen zich niet meer in ernstige mate voor gaan doen, na die operatie. 1 Snuit met de neus & alles is weg. Ik kan ’t me nog herinneren van toen ik nog een kind was. Voordat ik begon te roken. Daarna leek alles altijd verstopt.

Maar dan moet ik wel ’t beeld van Marjan uit m’n hoofd zien te krijgen. Zoals haar gezicht eruit zag nadat zij dezelfde operatie had ondergaan. & Ik zal ’t idee uit m’n hoofd moeten krijgen dat ik geen controle meer heb zogauw ik onder narcose ben. Daarnaast moet ik tegen de pijn opgewassen zijn. De pijn die volgt op de operatie, als alle verdovingen zijn uitgewerkt. Zo zag Marjan er ook uit: pijn. Pijn die haar belemmerde ook maar 1 woord te zeggen. Uiteindelijk zei ze er 2, daarna viel ze weer weg in haar kussens.

Maar bovenal. Geheel bovenal. De voornaamste reden waarom ik niet durf, waarom ik ’t verkies slecht te blijven ademen, ’s nachts wakker te liggen, bloed uit m’n neus laat lopen, gedwongen wordt langzaam te fietsen door een tekort aan adem, is dat ik de idee niet aankan dat iemand in m’n neus zal zitten te snijden. In mijn lichaam. Terwijl ik buiten bewustzijn ben. Weg. De wereld draait door, maar ik niet. Want er wordt gesneden in m’n lichaam. & Ik moet er vantevoren maar op vertrouwen dat dat goed gaat.

Dat gaat zeker nog wel een ½ jaar duren in Zijperspace.

nagefloten

Ik fietste heel Nieuw Den Helder door. Van Zuid tot de Noordzee-buurt, van ’t bejaardentehuis de Uyterton tot aan de Lichtbaak, de school van m’n vader. Om totaal zo’n 30 kranten te bezorgen. De rooms-katholieken waren dun bezaaid in Den Helder. Zeker de rooms-katholieken die op hun geloof de krant kozen.
’t Was niet bijzonder; ik deed gewoon m’n werk. Fietste een stuk om op een bepaalde plek 1 van m’n kranten in de brievenbus te gooien. 5 Dagen in de week geschiedde dat in de middag, na schooltijd. Ik hoefde er niet vroeg voor op te staan & de temperatuur was over ’t algemeen aangenamer dan ’s ochtends vroeg. Ook al moest ik bij weer & ontij m’n ronde doen, men hoorde mij niet klagen. Ik spekte tenslotte m’n eigen portemonnee.
Ik zei de familie Nederstigt gedag, de gepensioneerde man die vaak voor ’t raam voor zich uit stond te staren, of anders in de tuin aan ’t wroeten was. Ik sneed de straatjes in ’t Koggeschip, met z’n steile stoepjes omhoog & omlaag, die een speciale techniek vereisten als je daarbij gelijk een bocht wilde maken. Ik wipte aan bij m’n tantes, werd vergast op thee & koek, in ruil voor de gratis reserve-kranten. Op de maandag liet ik 1 van de 2 tantes stikken, want ik kreeg een gulden als ik bij Paul & Kees de sportkrant afleverde. Vonden de tantes niet erg; ik moest immers aan m’n inkomsten denken. Ik zag de kinderen van de families waar ik bezorgde geleidelijk aan groter groeien, zoals ’t meisje van Laan, de ijsboer. Van kleuter tot 10-er. & Nog zeiden ze me niet gedag als ik voorbij ’t raam richting brievenbus ging. Geen geschikte partij voor hun dochter leken ze daarbinnen blijkbaar te denken. Ik zag de dame in ’t bejaardentehuis langzaam vereenzamen & krommer lopen. Ik liet me bijten door opgewonden keffertjes. & Bij zeer mooi weer, de grootste kick, werd ik helemaal ondergesneeuwd, kwam ik als de verschrikkelijke sneeuwman thuis.

Maar ’t mooiste, elke keer weer, de grootste uitdaging, de spannendste tocht dag in dag uit, was om bij de school van m’n vader langs te gaan. Een krant moest afgeleverd worden bij ’t aanliggende klooster van de Zusters Ursulinen, waarna ik door kon gaan naar ’t benevens gelegen bungalowwijkje voor de volgende krant. Moest ik wel de huishoudschool van m’n vader passeren. Waar alleen maar meisjes op zaten.
Als ik m’n krantenwijk goed plande reed ik voorbij aan ’t eind van een lesuur & zag ik de dames de school verlaten. Maar belangrijker nog was dat zij míj zagen passeren. Op z’n 11 & 30st. Zogenaamd om te kijken of m’n vader voor ’t raam van z’n directeurskamertje toevallig stond. Dan konden we naar elkaar zwaaien.
Tergend langzaam passeerde ik de Lichtbaak, vooral als de planning juist was. Ik wierp m’n blik nonchalant richting schoolgebouw, wachtte de reakties af (‘Oh, dat is de zoon van de directeur’), zwaaide eventueel, & liet die reakties over me heen komen met een zeker gevoel van trots. Maar vooral ook opgewondenheid als bleek dat de meisjes me zagen.

1 Keer staat in m’n geheugen gegrift. Ik heb ’t verhaal ook meermaals gebruikt om concurrerende vriendjes af te troeven. Vrouwen vonden mij aantrekkelijk, was de strekking van dat verhaal, kom maar op met net zo’n anekdote. & Voldaan trok ik m’n beste afsnoefblik uit de kast. Daar hadden ze niet van terug.
Zoals gewoonlijk fietste ik voorbij de Lichtbaak. Er stonden slechts een 2 meisjes buiten. Met ’t gewoonlijke slakkengangetje, blik vluchtig richting ’t mogelijke silhouet van m’n vader achter ’t raam, passeerde ik ze op 5 meter. Niets te zien in de verte. Wel de blik van de 2 buiten, beiden enkele jaren ouder dan ik. Quasi ongeïnteresseerd keek ik weer vooruit, onderweg naar de bungalows.
Toen klonk iets wat ik slechts mannen eerder had horen doen. & Dan vooral bouwvakkers of gefrustreerde jongens van mijn leeftijd die goed op hun vingers konden fluiten (ik was in deze geen talent).
Voor de rest was er niemand op straat. ’t Kon alleen maar voor mij bedoeld zijn.
Ik werd nagefloten. Zoals normaliter mannen aantrekkelijke dames nafluiten, werd ik nagefloten door 2 meisjes.
Ik ging op m’n trappers staan, maakte wat xtra vaart, hoewel totaal niet nodig, want als ik mezelf liet uitrijden kwam ik zonder moeite bij de volgende brievenbus terecht. M’n mannelijke hormonen zeiden me op dat moment dat ik vooral zo onverschillig mogelijk moest overkomen (Clint Eastwood & Kwai Chang Cain waren voorbeelden).
De lach die op m’n mond bestorven lag had echter de breedte van de bus waar ik de volgende krant in stopte.

De meisjes zijn inmiddels ereburgers van Zijperspace.

kroon

Ik kreeg een spiegel in m’n handen gedrukt, zodat ik kon zien over welke tand ze ’t had. & Wat er mee aan de hand was. Haar uitleg aanschouwelijk gemaakt dmv live-beeld. Ik had nog nooit met een spiegel bij de tandarts gezeten. In ieder geval niet met 1 in m’n handen. Daar werd ik nog iets stiller van.
Ik moet m’n tandenborstel daar in een positie van 45 graden houden, zo wees zij. Maar een kroon zal er in de toekomst zowiezo moeten komen. Dat moest echter zo lang mogelijk uitgesteld worden.
‘Waarom uitgesteld?’ vroeg ik verwonderd.
Dat had ik verkeerd begrepen. Ik moest ’t gewoon zo lang mogelijk goed verzorgen. Een kroon kost tenslotte ong € 500,-. Van de ziekenfonds zou ik wel aardig wat terug krijgen, maar kostbaar zou ’t evengoed worden.

Hier moet ik eerlijk zijn. Bij ’t maken van die opmerking voelde ik me nl voor een kort moment volwassen. Alsof ik dat niet allang al was. Een vlaag van sterk onafhankelijkheidsgevoel kwam over me heen. Zogauw die kroon deel van mijn gebit zou uitmaken zou ik de bevestiging voelen dat ik alleen op de wereld stond. Weliswaar met nog levende ouders & broers die verderop in Noord-Holland woonachtig zijn, maar een bepaalde mate van zelfstandigheid maakte zich van me meester.

Vervolgens ging m’n tandarts m’n tanden schoon maken. De aanslag werd verwijderd. Aanslag die zich vooral tegen de rand van m’n tanden had gevestigd.
M’n lichaam trok strak, hoewel ik ontspannen de behandeling wilde ondergaan, maar de kleine pijnscheutjes als ze weer ‘ns m’n huid aan de rand hardhandig aanraakte, dwongen me ertoe.
‘Hoe komt ’t toch dat dit steeds meer pijn lijkt te gaan doen, naarmate de jaren verstrijken?’ vroeg ik haar.
Die volwassenheid zat allang al in m’n lichaam, dacht ik, ik was bezig ouder te worden, de botten stijver, de conditie minder & pijn bij ’t tandvlees was onderdeel van datzelfde proces. Bovendien kon ik ook best wel voor mezelf opkomen, mocht ’t zo zijn dat ze me gewoon hardhandig behandelde. Een simpele vraag zou in dat geval tonen dat ik niet zomaar over me heen liet lopen.

”t Tandvlees is ontstoken. Je poetst niet goed genoeg. Waardoor er etensresten achterblijven & cariës ontstaat. Daar raakt als 1e ’t tandvlees ontstoken van. Je zou met wat meer aandacht je tanden moeten poetsen. Want waarschijnlijk doe je ’t gewoon te snel.’
Om niet geheel als klein kind terechtgewezen te worden, reageerde ik: ‘Ja, dat zal ’t wel zijn. Ik heb altijd haast als ik m’n tanden poets. Dan moet ik opschieten om op tijd op m’n werk te zijn.’

Diezelfde avond had ik haast om in bed te gaan liggen. Ik bedacht me nog vlak voordat ik ’t dekbed over me heen trok. Ik stapte er weer uit & nam 5 minuten lang m’n tanden onder handen. Ik had nog geen zin in de kroon op m’n volwassenheid.

Daar verdienen we nog niet genoeg voor in Zijperspace.

ksnaptniet

Dames & heren luisteraars, gij die m’n kijkcijfers maakt tot welk nivo ’t nu staat (& niet meer dan dat), gij allen die mijn zieleroerselen tot enig verbeelding spreekt, in die mate dat ’t dagelijks, misschien wekelijks, of wellicht zou ik kunnen zeggen in welke mate dan ook, ervan tot op de hoogte stellen dwingt, in welke regelmaat dan ook, tot ’t naslaan van ’tgeen hier voorgeschoteld wordt (ik zou ’t ook anders kunnen formuleren, maar de reden voor mijn nalatigheid in deze zal dmv deze enigszins stupide zin uit de doeken gedaan worden, u zult dit welzeker begrijpen, in die voege dat men ’t einde ervan zal moeten bereiken ter volle begrip ervan), mocht deze aanhef u te ingewikkeld worden: dames & heren toehoorders, gij die mijn kijkcijfers, die geen kijkcijfers genoemd mogen worden daar we immers geen veronica, laat staan enig ander omroepbedrijf, heten, ondanks ongedwongen bezoek, doortastend, steeds weer onaflatend belangeloos aanschouwen van de teksten zeg maar, hier dus terecht komt, zonder ook maar enig uitleg hiervoor verschuldigd te zijn jegens schrijver dezes, vertegenwoordigt, gij, als groep zijnde, volkomen anoniem, misschien wel bekend, maar als lezer op ’t moment van ’t geschevene tot zich nemen volledig in de massa van hooguit 100 lezers per dag opgaand, & vanuit deze optiek een collectief vormend, zult enigszins teleurgesteld kunnen zijn in ’t feit dat ik heden ten dage, zijnde eigenlijk de dag van gister, maar omdat ik de boel niet ingewikkelder wil maken dan dat ’t na deze zin al is: ‘heden ten dage’, niet meer geschreven heb dan slechts 1 zin.

We hebben hier eigenlijk geen verklaring voor in Zijperspace.

ontharen

Ik weet zeker dat m’n vader ooit iets dergelijks kado heeft gekregen. Met Sinterklaas of voor z’n verjaardag. Zat in een kleine strakke verpakking van kado-papier, zodat de spanning om wat ’t zou kunnen zijn nog groter was. Iedereen vroeg zich af wat ’t moest voorstellen, zeker ook toen ’t reeds uitgepakt was: een klein staafje met gaatjes aan de zijkanten van ’t uiteinde. Je kon ’t aan de ene kant indrukken, waardoor ’t aan de andere kant ging draaien. Een raadsel waar ’t voor moest dienen. Gelukkig wist de kado-gever raad. Hadden we wel nodig. M’n vader zeker. Hij moest ’t immers gaan gebruiken.

Maar toen ik er zelf naar op zoek was, vanwege overmatige jeuk, drogisterij in, hair-, style- & body-careshop uit, werd ik van ’t kastje naar de muur gestuurd. Wellicht omdat ik vooral vrouwen als winkelhulp kreeg voorgeschoteld. Wat weten vrouwen nu van een mannenlichaam? Ze gedragen zich wel altijd alsof ze ervaringsdeskundige zijn, zeker als ze reeds hun 3e relatie achter de rug hebben (maar erger nog zijn de meisjes die sinds jaar & dag hun 1e vriendje hebben vast weten te houden), maar ’t echte meelevingsgevoel in ’t lichaam dat zich mijnes mag noemen kan ik niet uit hun adviezen ontwaren. Zeker niet als ze weer ‘ns wijzen naar minuscule schaartjes met onmetelijke buiten proporties hoge erop geplakte prijsjes.
‘Dat zijn echt de beste meneer,’ wagen ze dan te zeggen.
‘Jamaar, mevrouw,’ ben ik dan geneigd te repliceren, ‘ik zal er wel mee in m’n neus moeten poeren.’

Nee, een vrouw zal nooit begrijpen hoe moeilijk ’t voor een man is zich van z’n neusharen te moeten ontdoen. & Toch loop ik elke keer weer met een verkeerd schaartje de hair-, style- & body-careshop uit. Thuisgekomen sta ik vervolgens zinloos onmogelijk geachte manoeuvres te maken met m’n neus voor de spiegel. Een vrouwspersoon had ’t waarschijnlijk niet voor mogelijk gehouden dat een neus dermate opengesteld kon worden voor de gespiegelde ogen bij ’t schamele licht van de douche-lamp.

Willem laat ’t tegenwoordig knippen. Door z’n vrouw. Voordat hij die relatie kreeg liet-ie ’t door z’n beste vriend doen. Mannen onder elkaar. Mij iets te, maar Willem kon nou 1maal niet anders. Vertelde hij me. Zoals slechts Willem in geuren & kleuren kan vertellen.
‘Nou, moet je je voorstellen, Ton, dan zat ik voorover met m’n hoofd, nam m’n duim & wijsvinger, bracht die samen, nagels op elkaar, zo strak mogelijk, dicht bij m’n neus, zodat ik ’t idee had dat ik iets beethad, & dan in 1 keer, whaaapp, hoofd achterover, hand vooruit. Zodat de tranen in m’n ogen sprongen. Dan keek ik, weet je, dan keek ik naar wat ik tussen m’n vingers had, dan had ik wel 5 van die haren te pakken, van wel 2 cm lang. Dat deed ik aan de andere kant van m’n neus ook & de volgende dag van voren af aan.
Maar ik kreeg er bloedneuzen van, joh. Echt van die bloedneuzen, waarbij de korstjes binnen in je neus gingen zitten. Ging ik naar de dokter & die zei dat ik er onmiddellijk mee op moest houden. Daar kon ik, als ik niet uitkeek, kanker aan overhouden. Of zoiets. Wat-ie precies zei, weet ik niet meer. Maar sindsdien komt Cees dus 1 keer in de week ff langs om te knippen. Is wel een oplossing, joh, kan ik je vertellen.’
Ik keek ‘m aan & zag de neusharen klaarstaan voor de volgende kapbeurt.

Maar dat apparaatje, ik weet zeker dat m’n vader dat kado gekregen heeft, dat sneed de haren af. Scherp, zonder pijn. Niks niet ontwortelen. Gewoon elke dag hanteren & de haartjes werden op maat gehouden. Niks geen jeuk. Want dat is ’t vooral: jeuk van omkrullende haartjes tegen de binnenkant van je neus.

Leg een vrouw dat maar ‘ns uit in Zijperspace.

systeem

‘Nee, hoor,’ zei ik, ‘ik vind dat je mee mag luisteren als mensen in een café zitten & zó hard praten. Bovendien was ’t ietwat vage materie, dus kon ik ’t ook gewoon niet laten.’
Wobke gaf toe dat ze zelf ook al een paar keer de neiging had gehad proberen te horen waar ze ’t over hadden. ‘Vanochtend was er ook een stel binnen dat meteen bij binnenkomst begon ruzie te maken. Ik kon precies horen wat ze allebei deze ochtend verkeerd hadden gedaan, in andermans ogen.’

Hij zat recht overeind. Met z’n armen gekruist voor zich op tafel, z’n sleutelbos om z’n nek, praatte hij aan 1 stuk met ’t meisje. Er viel bijna geen stilte. Zij had haar benen opgetrokken, rustend op de stoel naast haar. Als ze geen peuk opgestoken in haar linkerhand had, waren haar beide armen om haar knieën geslagen. In haar houding zocht ze geborgenheid, alsof ze voor de kachel met haar poes zat.
Ik ving slechts flarden van ’t gesprek op (‘Ik moet mensen kunnen aankijken,’ zei ik later tegen Wobke, ‘om te kunnen zien wat ze zeggen’), af & toe kwam ’t luid & duidelijk over, dan weer was ik te veel door m’n omgeving afgeleid om ’t helemaal te kunnen volgen.

‘Zo zit ’t in mijn systeem,’ zei de jongen, ‘ik bouw dat systeem op zo’n manier op dat ik er iets mee kan.’
Dat was 1 van de 1e zinnen die tot me doordrong. Hé, dacht ik op dat moment, wat doet zo’n meisje met een programma-beheerder?
‘Ze is russisch,’ hoorde ik ‘m ff later weer, ‘ze heeft me een kleine kamer gegeven. Ik heb daar in een klein hoekje m’n matras neergelegd. Met een paar spullen eromheen. Meer heb ik niet nodig. Waarom zou ik meer willen hebben? Ik heb alles waar ik behoefte aan heb.’

Sommige beelden beginnen onmiddellijk te leven, krijg ik een voorstelling bij. Hoe minimaal de jongen ook over z’n leefomstandigheden sprak, van hem werd ’t me gedurende ’t gesprek duidelijker dan van ’t meisje. Waarschijnlijk vanwege de eenvoud waarin hij leefde.
Haar leefomstandigheden kon je ’t echter aan haar algehele verschijning aflezen. Een meisje op zichzelf, zolderkamertje, 1 poes, een kachel, waar ze voor ging zitten om tijdschriften te lezen, laatste relatie alweer meer dan een jaar geleden. ’t Verhaal lag in haar lichaam bestorven, haar houding vertelde haar manier van leven.

‘Vind je jezelf goed?’ vroeg de jongen.
‘Nee, ik durf nog niet op zo’n manier te denken,’ antwoordde ze licht aarzelend.
De jongen begon te lachen om de twijfel in haar antwoord.
‘Misschien moet je dan nog niet op zo’n manier denken. ’t Zit nog niet in jouw systeem. Dat systeem moet langzaam aangepast worden.’
‘Ik zou best wel willen denken dat ik mezelf goed vind, zover ben ik wel, maar ik durf niet tegen mezelf te zeggen dat ik ’t daadwerkelijk ben.’
‘Dan ben je al een heel eind. Je zou elke ochtend voor de spiegel kunnen gaan staan & zeggen: “Wat ik doe is goed.” Dan komt er veel positieve energie in je systeem, zonder dat je te veel ingrijpt.’
‘Maar zoals laatst, toen Eddo langs was. Hij zou wat klusjes gaan doen (….)’

Ik verloor kontakt. Er gebeurde iets aan de bar waardoor m’n aandacht afgeleid raakte. Ik had een 10-tal minuten zwijgzaam aan de bar gehangen, langzaam m’n biertje drinkend, zonder dat iemand kon merken dat ik ergens mee bezig was.
‘Volgens mij zijn ze van de Scientology Church,’ fluisterde ik naar Wobke achter de bar, ‘heb je gehoord waar ze ’t de hele tijd over hebben?’
‘Ja, ze hebben de hele tijd diepe gesprekken. Dan ga ik altijd zitten fantaseren wat ze in ’t dagelijkse leven doen.’
‘Doe ik ook altijd. Dat stel bijv schuin achter me, volgens mij hebben die 2 een buitenechtelijke relatie.’
‘Waarom denk je dat?’
‘Zoals ze zich de hele tijd verliefd gedragen. Zie je niet dat ze de hele tijd elkaars hand vasthouden. Waarom spreken ze anders midden op de dag in een kroeg in ’t centrum af?’
Wobke lachte.

‘Maar vind je die cursus wat?’ vraagt de jongen.
‘Op zich lijkt die cursus me heel interessant,’ zegt ’t meisje langzaam. Serieus ook. ”t Is alleen dat ik dat geld niet weg wil gooien.’
‘We kunnen natuurlijk wel met z’n 2-en er steeds wat over praten.’
‘Ja, ik denk nl dat ik nog niet zover ben. Ik voel me vaak nog lang niet opgewassen voor zulke grote veranderingen.’
‘Je kan dit soort stappen ook beter onder begeleiding doen. Daarom vind ik ’t wel goed om met elkaar daarover af te spreken. Net zoals we nu doen.’
Hij kijkt naar z’n horloge.
‘Ik moet ondertussen die kant op. Zullen we…?’
‘Ja, laten we door de stad gaan wandelen. Dan praten we onderweg verder.’
Ze ontdoen zich beiden van hun stereotiepe houding, rekenen af & verlaten ’t café. Ik zie ze schuin oversteken naar ’t Amstelveld.

Een verhaal verdwijnt in den einder van Zijperspace.