ontdekkingsreis

Mijn lichaam is elke dag weer een ontdekkingsreis. Vooral naarmate ik ouder word. ’t Heeft me elke dag wat nieuws te bieden. Iets waar ik me druk over kan maken, waar ik de bevestiging in kan zien dat ’t leven slechts een korte periode van opbouw, van groei kent, & voor de rest, vooral met de huidige medische kennis & mogelijkheden tot chirurgisch corrigeren, niet meer is dan een zo lang mogelijk uitgestelde dood. Als ’t aan ’t lichaam had gelegen, had-ie allang al afscheid genomen, maar ’t brein denkt er anders over & stuurt ’t vehikel naar de revisie. ’t Is steeds weer spannend te ontdekken welk onderdeel nu weer weigert naar believen te functioneren. Of, & dat is waar ’t me eigenlijk om gaat, welk onderdeel denkt wat extra aandacht nodig te hebben.

Niet dat ik er aan zal sterven, maar ’t kwam me vanochtend plots voor ’t oog. Eigenlijk druk ik me verkeerd uit: door een overmatige jeuk, waar ik nogal ‘ns last van heb, zat ‘t ineens tussen m’n duim & wijsvinger; gezien de positie van ’t subject zie ik mezelf niet in staat ’t in m’n blikveld te vangen. Ik meende me niet te kunnen herinneren ’t daar ooit eerder aangetroffen te hebben. Wel bij andere mannen, ong op dezelfde plek, maar ik zag míjn lichaam niet in staat iets dergelijks op die hoogte te kunnen kweken. Toch is ’t gebeurd. Ik heb er lang op moeten wachten. Ik dacht eigenlijk dat mijn groei richting mannelijke volwassenheid wel zo’n beetje voorbij zou zijn, maar daar, schuin onder m’n kin, waren toch 2 lange zwarte haren verschenen (ik ben zo ijdel geweest ze in de spiegel nader te inspecteren, een geliefd gereedschap indien mijn aards huis bestudeerd dient te worden).
Dat bedoel ik nu met die ontdekkingsreis. Nooit eerder iets dergelijks aangetroffen in die regionen & plots is ’t er. Alsof alles mij decennia te laat moet overkomen. Ik zou nu toch in de fase beland moeten zijn dat er eerder rimpels ontstaan, verschilfering, uitslag, kromming & verstramming. Maar ’t lichaam had ’t beschikt nog wat meer tot wasdom te komen. Als men ’t buitentreden van dode cellen, wat haar toch is, als zodanig mag betitelen.

Ik heb ‘ns iemand gekend, ’t was natuurlijk een man, die zichzelf moest scheren tot daar waar de kraag van z’n t-shirt ophield. Dat verhaal heeft ’t altijd goed gedaan bij de vriendinnen die ik in de loop van de jaren er op na heb gehouden. Ik koos die vriendinnen er natuurlijk wel op uit, of zij mij. Ze moesten wel van mannen houden die geen of te verwaarlozen haargroei op de borst hadden. Dan kon ik m’n verhaal over die toenmalige kennis kwijt. Vol verbazing over hoe zoiets mogelijk was vertelde ik mijn verhaal. Minutieus beeldde ik uit waar de overgang van geschoren naar behaard bij hem was & maakte ik duidelijk hoe hij dat grensgebied angstvallig op dezelfde hoogte probeerde te houden. & Genoeglijk legden we ons neder op ’t bed waar we mijn borstkas nog ‘ns nader onderzochten inzake ’t ontbreken van zichtbare verschijnselen van de mannelijke hormonen.
Dat waren de mooiste ontdekkingsreizen.

Momenteel is ’t probleem dat de haren (aangezien ik ’t nu als een probleem wil afhandelen ben ik geneigd niet de verkleinde vorm van ’t woord ‘haar’ te hanteren) een ietwat boven m’n t-shirt uitsteken. Mocht ’t zo zijn dat ’t genoegzaam bekend is dat men, als man zijnde, op weg naar de onvermijdelijke dood, op zekere leeftijd meer haar verspreid over ’t lichaam zal kunnen aantreffen, & ik daar als enige niet van op de hoogte ben, lijkt ’t me beter dit verschijnsel te negeren, derhalve ’t weg te scheren. Vindt u ook niet?

Overigens zijn we van plan nog lang & gelukkig & nog wat anders te doen in Zijperspace.

antwoord via meel

Als antwoord op de brief vermeld in ‘aangetekende brief’ mocht ik vandaag onderstaand bericht als meeltje ontvangen.

Beste,

Reagerend op uw brief van 7 feb. jl.

Wij kunnen helaas niet op uw verzoek ingaan. Uw opzegging is verwerkt en het account zal niet verder worden verlengd, wel dienen de kosten voor dit jaar betaald te worden.

Met vriendelijke groeten,

C.C.

Ik voel me al een tijdje gepiepeld door de heren van Protagonist, maar dat wil ik even niet mee laten tellen. Ik wil nl weten wat iemand anders zou doen.

We willen uw mening horen in Zijperspace.

aangetekende brief

Amsterdam 7 Februari ‘03

Aan: Protagonist.nl,
etc……

L.s.,

Een week geleden heb ik u een schrijven doen toekomen waarin ik te kennen gaf dat ik zsm de hosting van mijn website bij Protagonist wilde stopzetten. Dit nav het antwoord dat ik als reaktie van een eerder schrijven met dezelfde mededeling via e-mail van C. L. had ontvangen.
Daarin stond het volgende:

Opzeggingen kunt u uitsluitend schriftelijk aan ons mededelen, door middel van het faxen of opsturen van het opzegformulier. Deze dienen twee maanden voor het verlopen van het contract door ons ontvangen te zijn. Nadat de opzegging is verwerkt krijgt u hier via email een bevesting op.

Helaas wist ik niets van een opzegformulier. Ik kon niet iets soortgelijks in mijn administratie vinden, laat staan dat ik op de website van Protagonist iets kon vinden dat op een opzegformulier leek. Ik ben daarom maar zo vrij geweest de mededeling via een brief uw bedrijf te doen toekomen. Zoals ook in de e-mail van C. L. vermeld stond, heb ik het gericht aan: Protagonist.nl, etc…..

Om misverstanden te voorkomen zal ik de inhoud van de brief hier ook maar plaatsen.

Bij deze wil ik officieel ’t hosten van mijn website, zijperspace.nl, door Protagonist opzeggen. Ik ga ‘m zelf hosten op m’n eigen server. Via e-mail hebben jullie laten weten dat ik dit 2 maanden voor ’t verlopen van ’t contract had moeten doen, maar ik hoop dat er enige soepelheid betracht kan worden. Desnoods ben ik genegen een extra bedrag hiervoor te betalen, zolang ’t maar niet de volledige € 69,- is. Dat geld heb ik nl veel te hard nodig voor de investering die ik momenteel pleeg.
Ik hoop op enig begrip en soepelheid uwerzijds.

Tot nu toe heb ik hierop geen reaktie mogen ontvangen. Via e-mail, noch via de brievenbus is mij iets onder ogen gekomen dat leek op een mededeling dat mijn verzoek was ontvangen. Wel mocht ik gister een rekening ontvangen voor de betaling van het komende jaar. Afkomstig van uw afdeling ‘Sales’.

Zoals ik reeds meegedeeld heb in mijn vorige brief, hierboven afgedrukt, maar duidelijkheid scheppen kan mijns inziens niet genoeg plaatsvinden, ben ik bezig een eigen server op te zetten. Ik ben samen met enkele vrienden daar druk mee bezig. Als het goed is gaat het volgende week draaien. Zoals jullie wellicht weten, jullie zijn vroeger natuurlijk ook klein begonnen, vergt iets dergelijks een investering. Dat heb ik niet zomaar. Daar moet ik zogezegd een tijdje voor krom liggen. Vandaar mijn verzoek tot enige soepelheid mbt het beëindigen van onze relatie, zodat ik niet het volledige jaar hoef te voldoen, omdat ik op dit moment elke cent kan gebruiken.

Ik hoop dus dat u mijn verzoek in overweging wilt nemen; ik zou gaarne het geheel op een voor beide partijen genoeglijke wijze afhandelen.
In afwachting van uw antwoord ga ik nog niet over tot het storten van het bedrag waar u via bovengenoemde rekening heeft verzocht. Ik hoop dat u daar begrip voor heeft.

In afwachting van uw reaktie verblijf ik,

Hoogachtend,

Ton Zijp
website: zijperspace.nl

maderanertal

Ik moest ’t toch ‘ns weten. Ik had ’t ‘m nog nooit gevraagd. Misschien was ik ’t alweer vergeten. Ik wilde weten van vroeger. Toen-ie begon te werken. Waar hij was geweest. Hoelang hij had gevaren.
Ik wist wel dat ’t ‘m moeite zou kosten. Waarschijnlijk wist-ie geen antwoorden meer, of zou hij teveel op zoek gaan naar woorden. Of combinaties van herinneringen die niet in woorden zijn te vangen. Zeker niet met zo’n hoofd als m’n vader.

‘Nu even iets heel anders,’ zei ik, nadat m’n moeder over m’n zieke tante had verteld. Ik keek m’n vader aan. Keek naar m’n moeder. Ik wist opeens niet meer hoe ik moest beginnen. Waarom zou ik op ’t verkeerde moment beginnen over ’t verleden? Ik had er beter 5 jaar geleden vragen over kunnen stellen; dan waren er nog antwoorden van m’n vader zelf mogelijk geweest.
‘Ik wilde ‘ns weten,’ ging ik verder. De druk werd groter. M’n vader zat me met z’n grote ogen aan te kijken. Die ogen die niet veel meer schenen te weten. Elke keer een vraag in z’n blik. Elke keer gebeurt er iets in z’n wereld dat hij niet kan bevatten. ’t Komt op hem af, hij moet afwachten wat ’t resultaat van al die gebeurtenissen is. Hij is niet sterk genoeg meer om zichzelf ertegen te wapenen; hij moet vertrouwen op de gang der zaken & anders m’n moeder.
‘Ik vroeg me al een tijdje af….’
M’n moeder keek me ook aan. Ze zag dat ik ’t tegen m’n vader had. Ze zat klaar om ’t ‘m uit te gaan leggen. De gaten op te vullen die hoe dan ook voor hem zouden gaan ontstaan.
‘…wanneer je nou aan ’t varen was. Hoelang bent u eigenlijk wezen varen?’
‘Oh,’ zei m’n vader, ‘dat is …. Dat was …..’
‘Dat is slechts 3 maanden geweest, hè, Niek,’ vulde m’n moeder aan. ‘Naar Australië, & naar India.’
‘Zo lang is dat dus niet geweest,’ zei ik.
‘Nee,’ zei m’n vader.
‘Nee,’ zei m’n moeder, ‘want was ’t niet zo dat je meteen daarna in dienst moest?’
‘Hmm, dat was….’ M’n vader keek vragend. Hij zag daar boven z’n hoofd de antwoorden staan. Maar hij kon er niet bij. Hij wist ook dat hij er niet meer bij kon. Hulpeloos keek-ie naar m’n moeder. Zij vulde aan. Alsof hij toch z’n verhaal vertelde.
‘& Toen deed Pa een spoedopleiding voor leraar. Maar ze hadden nog niet meteen werk. Toen is Pa nog een paar keer reisleider geweest.’
‘Waren jullie niet op huwelijksreis toen Pa reisleider was naar Zwitserland?’
‘Was dat niet naar …..’
Weer een zin op ’t laatste moment afgekapt. Steeds dacht ik dat-ie zich plots de details wist te herinneren. Maar elke keer weer was m’n moeder nodig.
‘Naar Bristen,’ vulde m’n moeder opnieuw aan.
‘Daar zijn we later toch wel ‘ns geweest?’ vroeg ik.
‘Over een heel smal pad, steil naar boven,’ vertelde mijn vader.
‘Dat was in ’t Made, madera, matera, hoe heette dat dal nou ook alweer?’ vroeg m’n moeder zich af.
”t Maderanertal,’ zei m’n vader op z’n zwitserduits. Staccato kwam ’t er uit. Zoals ze ’t daar in Uri moeten hebben uitgesproken.

”t Ging vandaag wel goed met Pa,’ zei ik in de auto tegen m’n moeder. Ze bracht me even naar ’t station.
‘Vandaag gaat ’t wel,’ antwoordde ze. ‘Maar ’t gaat toch niet goed met ‘m.’
Ik keek opzij. M’n moeder hield ’t verkeer in de gaten. Ik kon niet zien wat ze dacht.
‘Van de week waren Theo & Yvon op visite geweest. Toen ze weg waren zei hij: “We moesten maar ‘ns naar huis gaan.” “Maar we zijn thuis, Niek. Dit is onze plek.” “O, ja,” zei hij toen, “dan moeten we die mensen maar ‘ns weg sturen.”‘
Ze stopte voor ’t station. Ik gaf ‘r een zoen & stapte uit.

In de trein belde ik m’n moeder nog even op.
‘Hoe heette dat dal ook alweer?’ vroeg ik.

Zou ’t net zoveel veranderd zijn als Zijperspace?

niks (2)

Nou moet ik natuurlijk verschrikkelijk uitkijken, op zo’n dag als 1 van die dagen van niks. Met mijn karakter, mijn onrust, mijn gemak & souplesse in ’t bewegen, is een mens al snel geneigd in overtreding te gaan & is niks al rap iets. Mijn ongeremde energie, mijn drang mezelf als held te bewijzen, niet alleen in dromen (over mijn dromen zou ik nog kunnen zeggen dat ik me inderdaad als held gedraag, in ’t dagelijks leven komt dat slechts een enkele keer voor), nopen mij tot geconcentreerd, rücksichtslos, ongegeneerd, me nergens wat van aan te trekken. Voor ik ’t weet zie ik een klein kind bij ’t zebrapad niet naar links kijken, een moeder haar kinderwagen niet in de tram getild krijgen, of een omaatje te weinig wisselgeld bekomen van ’t kassa-meisje bij de supermarkt.
Bij dat soort gevallen dwing ik mijzelf te denken: ‘Kom op, Ton, er zijn zinniger dingen te doen op zo’n dag die 1 van die dagen van niks is.’
Ik roep dus keihard ‘BOE’ als ik dat kindje op m’n fiets passeer, trek zo snel mogelijk m’n voet van de onderste tree bij de tramdeur, & geef ’t omaatje een zetje zodat ze toch vaart gaat maken de rij uit te komen & niet oplet wat ze in haar handen terug heeft gekregen. Gewoon een kwestie van doorduwen, niet omkijken, & gaan voor ’t doel.
Dat doel mag ook weer niet te hoog in ’t vaandel staan. Straks ga ik er nog moeite voor doen, dacht ik vanmiddag nog net bijtijds. Moeite voor niks is niet niks. Zeker niet als je bezig bent boodschappen te doen. Boodschappen mogen nog net, die dienen nl voor ’t ontspannen op de bank hangen, maar gij zult geen zware boodschappentas met u meedragen. Klinkt bijna als gebod, maar ’t is slechts ter zelfbescherming. ’s Nachts ben ik al 2 keer zo breed, springen mijn biceps m’n t-shirts uit, lopen mensen met een wijde boog om mij heen, & ren ik net zo snel als dat m’n fiets me bij daglicht kan dragen; laat ik ’t overdag dan rustig aan doen.
’t Is zwaar, ’t heldendom, zeker als je bij ontwaken niet geheel weet wat je zo al hebt uitgehaald in je droom. Ik, in ieder geval, weet ze niet altijd te herinneren. Ik voel me weliswaar superieur bij ’t ochtendgloren, zo rond 9 uur is dat (geen anglicisme ditmaal; ’t moet wel speciaal blijven), maar dat wil niet zeggen dat ik precies weet hoeveel mensen ik tijdens die nachtelijke uren behoed heb van een zekere dood.
Overigens, ik vergeet ’t bijna te vermelden, draag ik gedurende mijn avonturen in dromenland absoluut nooit, ik benadruk: nóóit, een cape. Zoals men de simpele toeschouwer, lezer, luisteraar van heldenepi maar al te graag wil wijsmaken. Echte helden dragen geen cape, zeker niet in hun droom. ’t Zou van den gekke zijn, men struikelt er alleen maar makkelijk over.

Edoch, met die boodschappen, waar ik natuurlijk geen cent teveel voor heb betaald, ben ik vanavond eten gaan klaarmaken. Dat is wel heel veel aktiviteit op 1 van die dagen van niks, hoor ik mensen denken. Maar, beste toehoorders, ik moest wel, want zonder eten kan een mens ook op dat soort dagen niet leven. Bovenal maakt ’t ’t leven wel heel lastig & ongemakkelijk ’t te moeten leven op een lege maag. Is niet aan mij besteed. Liever roer ik dan, met een quasi-nutteloze blik in m’n ogen, om toch nog een beetje de schijn op te houden, een wijl in de hapjespan. Zodat de ingrediënten zich goed laten mengen & ik er uiteindelijk optimaal van kan genieten, dit natuurlijk door de geringe inspanning die er verlangd wordt van mijn kaakspieren, liggend, wellicht zittend voor de tv, genietend van weer een nieuwe aflevering van Blokken op de belgische tv. Voor uw aller informatie: bijna dagelijks op de 1e zender van onze belgburen, om 18.30 uur.

De vrije dag is wederom welbesteed in Zijperspace.

niks

Dit is 1 van die dagen van niks. Niks doen, niks doen, & verder nog een beetje onnuttig werk, op de was doen na. Misschien ga ik straks nog m’n tanden poetsen. Dat mag men mij niet euvel duiden, want ’t voelt op een gegeven moment zo plakkerig. Bovendien heeft mijn tandarts me voorgeschreven dat ik na elke maaltijd aan haar moet denken. Ze doelde daarbij niet op haar lichaam.

Eigenlijk begon ik m’n dag verkeerd, als ik ’t tenminste 1 van die dagen van niks wilde laten worden. Met voorbedachte rade, dat is. (Dat was een anglicisme, mooi hè). Ik stond nl om 8 uur op. Doe ik anders nooit. Of ’t moet zo zijn dat ik op vakantie ga, & terwille daarvan de trein naar ’t buitenland moet halen. Dat is de enige uitzondering. Of soms word ik ziek, maar dan staat ’t hele tijdschema van donker, licht & m’n lichaam die zich daaraan aanpast op z’n kop. Dat is een andere enige uitzondering. Meer enige uitzonderingen heb ik niet.
Ik stond om 8 uur op. Dat kwam doordat ik om 12 uur naar bed was gegaan. Doe ik anders nooit. Daar heb ik slechts 2 uitzonderingen voor. Deze keer paste dit voorval (ik heb er geen ander woord voor) niet in die 2 uitzonderingen. Ik had gewoon slaap. 8 Uur is wel zeer vroeg voor mij. Dus ging ik maar in m’n blote niks voor ’t beeldscherm van de comp zitten. Je moet toch wat. Buiten die handeling zette ik ook alles open richting slaapkamer, zodat ik daar later een boekje kon gaan lezen, in m’n bed wel te verstaan. Lekker warm een boekje lezen, heerlijk. Zou ik vaker moeten doen, dacht ik nog.
Voordat ’t zover was, heb ik me 1st onledig gelaten met ’t binnenhalen van allerlei muziek. Als ik daar 1maal aan begin is er geen stoppen aan. Slechts werk, verplichtingen, slaap, & dodelijke verveling kunnen mij daarvan afhouden. Ditmaal was ’t na 2 uur de laatste mogelijkheid. Stom gedoe, de hele tijd met je toetsenbord & muis zitten klooien, dacht ik, & maar staren naar ’t beeldscherm. Dus stopte ik ermee, uiteindelijk. Boekje lezen, dacht ik wederom, want dat idee was me 2 uur eerder te binnen geschoten.

Toen is dus 1 van die dagen van niks begonnen. Officieel. Hoewel ik vlak daarvoor al flink bezig was de dag tot niks te laten komen, maar daar was ik me toen nog niet van bewust.
Ik ben in bed gaan liggen, in m’n hand had ik ’t boek dat ik wilde lezen, maar die heb ik al snel terzijde gelegd. ’t Was nl zo lekker warm dat een boek erbij geen zin had. ’t Leeslampje heb ik evengoed maar aangelaten, voor ’t geval dat ik me mocht bedenken. Is niet gebeurd. Ik geloof zelfs dat ik niet echt de mogelijkheid had om na te denken, zó was ik bevangen door de dag van niks & ’t daarbij horende grote behoefte aan slaap & droom. Vooral dat laatste. Ik heb nl een grote behoefte de illusie te hebben dat ik iets doe, ook al heb ik dan 1 van die dagen van niks. Een droom helpt daarbij. Ik ben in mijn dromen nl vaak een grote held. & Om een held te zijn heb je veel energie nodig, zeker in mijn dromen. ’t Is maar dat u ’t weet. Eigenlijk is ’t een soortemet overcompensatie.

Moet ik nog even uitleggen hoe ’t zit met de was. Dat had ik gisteren al bedacht. Ik dacht, vlak voor slapen gaan: morgenochtend moet ik de was maar ‘ns gaan doen. Niet echt een verheffende gedachte, maar dat zij zo, ik dacht ’t nu 1maal.
Ik was dus 2 uur lang niet zoveel zinnige dingen achter de comp aan ’t doen, hedenochtend. Af & toe wordt men tijdens dit soort bezigheden gedwongen ’t toilet te bezoeken. Vreemd genoeg gebeurt mij dat stukken minder vaak als ik lig te slapen, maar dit terzijde. Mijn wasmand staat in mijn badkamer, naast de wasbak. De wasbak hangt naast de toiletpot. Zodoende. Ik werd aan mijn voornemen van de avond ervoor herinnerd, doordat ik niet de hele tijd naar die straal die naar beneden klaterde wilde kijken. Niets zo oninteressant als de ochtendplas, denk ik altijd maar. Nadat mijn blik gevangen was door de wasmand moest ik opeens wel de was doen, anders was mijn voornemen geen voornemen. Een voornemen bestaat pas als-ie wordt uitgevoerd, naar mijn stellige overtuiging. Want als je ‘m niet uitvoert, dan heeft ’t ook geen zin gehad ‘m voor te nemen. Daar wil ik altijd duidelijkheid over hebben. Zodoende dus, zoals ik al zei.
Maar goed, de rest van de dag is 1 van die dagen van niks.

Heel veel niks in Zijperspace.

rood

’t Is een klein dingetje. ’t Is dat-ie rood is, anders zou je ‘m niet zien. & Als-ie wat breder of langer zou zijn, zou je denken dat ’t onderdeel is van couperose, een gesprongen adertje, alleen wel wat vreemde plaats, daar midden op de rechterneusvleugel.
Ik bof nog: ik hoef ‘m niet de hele dag te aanschouwen. Maar aan de andere kant: ik weet dat-ie er zit, m’n vinger wrijft er zo nu & dan over, & daarnaast beschouw ik me ’s ochtends & vlak voor slapen gaan middels de spiegel. Daar zit-ie, denk ik dan. Nog steeds, ietwat verongelijkt erachteraan.
Ik krab er wat aan. Een velletje liet zich er van de week af pulken. Een dun schilfertje. De pukkel bleef. Prachtig rood schijnend. In zoverre ik dat woord ‘prachtig’ erbij kon denken. Nog iets meer rood dan even ervoor.
Ik zei tegen Eva: ‘Heb jij ook zo’n jeuk aan je neus?’
‘Huh?’ zei ze.
Vrouwen reageren vaak enthousiast op dit soort opmerkingen. Dus herhaalde ik ’t maar.
‘Wat dan?’
Mannen moeten ook moeite doen om tot de ziel van een vrouw door te dringen. Voor een vrouw zijn sommige handelingen vanzelfsprekend, zoals ’t krabben aan de neus. Een man ziet daar meteen veel meer in. Alles moet een reden hebben. ’t Leven dient zo efficiënt mogelijk ingericht te worden. Ook al is er slechts een neus mee gemoeid.
‘Je zat de hele tijd aan je neus te krabben,’ zei ik tegen Eva.
‘Oh? Dan had ik waarschijnlijk jeuk, ja. Jij ook dan?’
‘Ja, ik heb een pukkel op m’n neus.’
Ik liet m’n aangezicht van de zijkant zien. Boog ietwat naar voren, voorzover de bar die ons scheidde mij toeliet.
‘Ik zie niks.’
Ze boog ook naar voren. Haar vriendin was ook maar al te bereid om van dat uitzicht te genieten.
Ik hou van vrouwen. Je kan zulke doodgewone zaken met ze bespreken. Zaken waarvan mannen zeggen dat ze verschrikkelijk banaal zijn. Laat mij dan maar van banaal houden, zolang ik ’t met een vrouw kan delen vind ik alles best.
‘Ja, ’t is een hele kleine,’ zei ik, ‘maar hij zit er wel. Ik voel ‘m in ieder geval. & Als ik voor de spiegel sta zie ik dat-ie rood is. Dat vind ik zo’n raar beeld: een prachtig gezicht als dat van mij & daar ergens rechts in ’t midden, als ik in de spiegel kijk tenminste, voor jullie zit-ie links, wordt ’t ontsierd door zo’n piepklein puntje rood. Dat bovendien aanvoelt als een bobbeltje.’
Tegenover vrouwen kan je ’t ook beter over bobbeltjes hebben. Dat levert meer medelijden op. Pukkels zijn vies, hooguit interessant om weg te knijpen. Bobbels zijn eng. Men weet niet wat onder de bobbel verborgen zit. Een persoon die lijdt onder ’t bezit van een bobbel moet geholpen worden. & Vrouwen willen nu 1maal verzorgen. Al is ’t maar dmv ’t geven van aandacht. Daar was ik nu net op uit.
‘Nou,’ zei Eva, ‘dan moet je krabben.’
Dat vond haar vriendin ook.
‘Heb je trouwens nog 2 bier voor me?’
Daar moest ik ’t voor vandaag maar mee doen, besloot ik, & krabde aan m’n neus, terwijl ik een glas onder de tap hield.

2 Maal per dag genieten we evengoed van ’t uitzicht in Zijperspace.

kruik

‘Ik was hier vorige week ook al,’ zegt ’t kleine dametje, ‘ik weet niet of ’t bij u was, maar ik kwam hier voor een kruik.’
Ze wendt haar hoofd richting de schappen gevuld met bier. Met haar neus wijst ze aan waar ze op doelt. Alsof ’t vanzelfsprekend is.
‘U had een kruik, maar die was niet groot genoeg. Hij was 75 cl. Ik had een kruik van 1 liter nodig. Voor m’n neef. Want vroeger sliep-ie altijd met een kruik. Een stenen kruik. Stenen kruiken blijven nl veel langer warm. Die blijven de warmte vasthouden, ziet u. U had dus een kruik van 75 cl, die was niet groot genoeg. Hoewel ’t best zou kunnen dat de kruiken vroeger ook 75 cl waren, maar we dachten eigenlijk 1 liter. We zijn er niet meer zeker van hoe die kruiken er vroeger uitzagen. Ik ben stad & land afgeweest om een kruik te vinden. Die vind je gewoon nergens meer. Maar u had gelukkig nog kruiken.’
Ze loopt naar boven. Haar korte benen tillen haar de trap op. In haar hand houdt ze haar tas vast, een blauwe boodschappentas, jaren 70, net te groot voor een handtas. Boven buigt ze voorover om de bewuste kruik bier te kunnen pakken.
‘Wat is ’t eigenlijk voor bier?’
Ze wijst de kruik aan.
‘Dat is een winterbier,’ antwoord ik.
‘Hoe smaken winterbieren?’
‘Oh, dat kan heel verschillend zijn. Meestal zijn ze zwaarder, kruidiger, donkerder dan andere bieren, maar dat hoeft niet perse.’
‘U heeft ’t bier wel ‘ns gedronken?’
‘Nee, deze niet. Deze was te duur om zomaar te gaan proeven.’
‘Oh, zou ik ’t dan wel doen? Ik moet ’t nl zelf opdrinken.’
‘Bier van deze brouwerij is altijd erg goed.’
‘Welke brouwerij?’
‘Dit komt van een brouwerij in Groningen.’
‘& Wat voor bier maakt deze brouwerij?’
‘Allerlei verschillende. Maar dit is een winterbier.’
‘Hoe smaakt winterbier dan?’
‘Dat kan heel verschillend zijn. Waarschijnlijk smaakt-ie een beetje kruidig & …’
Ze onderbreekt me. Ze wil verder met haar eigen verhaal.
‘Ziet u, m’n neef Leo die sliep vroeger altijd met een kruik. Nu is ’t wat kouder geworden, dus hij wil weer met een kruik slapen. De vorige is gebarsten. Daarmee zijn we teruggegaan naar de fabrikant. Die wilde geen schadevergoeding geven. Dat had-ie beter wel kunnen doen, maar hij zei dat hij geen schuld er aan had. Dus dat ging ‘m geld kosten. Denkt u trouwens dat deze kruik kan barsten?’
‘Nee, hoor. Zo snel barsten kruiken bier niet.’
‘& Als ’t bier ouder wordt?’
‘Nee, daar kan een kruik niet van barsten.’
‘Waar dan van?’
‘Als er te veel koolzuur in ’t bier zit. Maar dat gebeurt niet zo snel.’
‘Kijk, hij moet dus gaan dienen als kruik voor in bed. Dus er moet kokend water in. Stenen kruiken houden die warmte heel lang vast.’
‘U moet er natuurlijk wel om denken dat een kruik wel kan barsten als hij koud is & er plotseling gloeiend heet water in geschonken wordt.’
‘Oh? Kan dat wel? Dat wist ik niet. Vindt u ’t dan erg als ik even met mijn neef Leo ga bellen? Dat moet ik ‘m toch wel even vertellen. Anders kan ik ‘m niet kopen. Hij woont in Amsterdam, dus ’t wordt niet zo’n duur belletje, hoor.’
Ik geef ‘r de telefoon. Zij haalt haar bril tevoorschijn uit de tas.
‘U moet 1st ’t nummer drukken & dan ’t knopje ‘yes’.’
Ze krijgt kontakt.
‘Ja, hallo, Leo. Ik sta hier in de Bierkoning voor die kruik van je. Maar de meneer die mij geholpen heeft, zegt dat ik er wel rekening mee moet houden dat de kruik kan barsten als je er heet water in gooit. (…) Ja, maar meneer bedoelt dat dat kan gebeuren als er plots een temperatuurverschil optreedt. (….) Ja. Ja. Ja. Nee, dan doe ik ’t gewoon. Tot kijk dan maar weer, hè. Dan zie ik je volgende week.’
Ze geeft me de telefoon. Ik druk ’t ‘no’-knopje voor haar in, zodat de verbinding verbroken wordt.
‘Hij wilde weten of ik dan dacht dat ’t geen goede kruik was,’ gaat ze verder, ‘dus heb ik ‘m maar uitgelegd dat u bedoelde dat ’t slechts kon gebeuren als er plots kokend water in een ijskoude kruik werd gedaan.’
Ik sla de fles aan op de kassa.
‘Dat is dan € 7,50, alstublieft.’
‘Dat wil ik dan graag pinnen, alstublieft.’
Ze haalt haar pasje tevoorschijn uit een vakje aan de onderkant van haar tas. Staart vervolgens naar ’t pin-apparaaat, haar neus nog geen 10 cm ervan verwijderd.
‘Doe ik ’t zo goed?’
‘Ja, hoor. U kunt uw nummer indrukken.’
‘Goed. & Dan nu zeker ‘ja’ intoetsen. Ja, ziet u, ’t is voor m’n neef. Hij krijgt ’t van me. Maar hij wil alleen maar die kruik hebben. Dus heeft u misschien een stukje kadopapier voor me? Ik wil dat dan thuis in gaan pakken. Want 1st moet ’t bier eruit. Ik zal dat zelf maar op gaan drinken. 1 Flesje bier is wel te doen.’
Ik pak een stuk kadopapier & wil ’t haar aanreiken, tegelijkertijd met de kruik.
‘Nee, doet u mij maar een tas; ik weet niet of mijn tas dat wel houdt.’
Ik gehoorzaam haar. Ze pakt de tas aan met haar linkerhand. De hengsels van haar eigen tas slaat ze om haar andere pols. De stof ervan knijpt ze stevig met haar hand vast.
‘M’n neef zal wel blij zijn. ’t Heeft lang geduurd voordat ik een kruik voor hem had gevonden. Nu maar hopen dat-ie groot genoeg is. Ik ben vanavond in ieder geval wel zoet.’

Visioenen van dronken oude vrouwtjes verschijnen in Zijperspace.

suggestie

Waar begint ’t verleden & waar wordt ’t verleden heden? Kan ’t verleden geïllustreerd worden door beelden & geuren? Of zal ’t in woorden gevangen moeten worden? Waarbij er een selectie gemaakt wordt van de veelheid aan gegevens, zodat ’t verleden een verhaal wordt, door de toehoorder of de lezer te bevatten. Hoe leg je uit dat een bepaalde omgeving ervoor heeft gezorgd dat er een persoon is ontstaan, net als bijna elk ander mens rechtop lopend, in ’t bezit van gehoor, gezicht, reuk, spraak, communicatief, op zichzelf, & toch een sociaal wezen?
Waar ontmoet ’t verleden ’t heden? & Hoe kan je ervoor zorgen dat ’t verleden te verhapstukken valt? Hoe wordt ’t verleden vervormd doordat ’t verteld wordt? Hoe komt ’t verleden weer tot leven?

Nou moet men na ’t lezen van bovenstaande niet meteen gaan denken dat ik een beetje zweverig ben geworden. Dat ik diepfilosofische vraagstukken bij de lezer wil deponeren. & Dat ik bovendien een antwoord op genoemde vragen verwacht. Ik sta nog steeds met beide benen op de grond, geloof niet in reïncarnatie of een leven na de dood (maar laat eenieder vrij zichzelf daarin te vinden), maar ben wel geïnteresseerd in hoe verhalen verhalen worden. & Waarom ze worden verteld zoals ze verteld worden. Hoe ’t komt dat ieder persoon een eigen stempel op een verhaal kan drukken, een zeer persoonlijke stempel. & Ik vroeg me af of verhalen over ’t verleden van mensen ook door anderen verteld konden worden. Kunnen ze worden geïllustreerd, in ’t verleden neergezet? Etcetera.
Er zijn nog veel meer kwesties te verzinnen met ‘tgeen ik in m’n hoofd heb. Iets simpels, maar tegelijk misschien wel intrigerend, dacht ik zelf. Iets waarbij ik andere mensen nodig heb, andere mensen die ook schrijven, die iets over hun eigen wereld willen vertellen, dat al doen, maar dat ook ‘ns op een andere manier willen proberen.
Men zou kunnen suggereren dat we reeds de beschikking hebben over een grote groep webloggers die voldoet aan die omschrijving. Tenminste webloggers die zowiezo over hun dagelijks leven schrijven, maar bovendien bereid zijn een kleine uitdaging aan te gaan. & Bij een uitdaging moet men niet meteen denken aan iets groots, gevaarlijks, ondernemends als voor ’t 1st te gaan bungy-jumpen of al liftend naar Santiago de Compostella te reizen & daar loggend verslag van te doen. Ik wilde ’t meer persoonlijk houden, iedereen in z’n waarde laten, zonder extreme avonturen. Maar ik zou wel willen dat men op stap gaat in een wereld die niet de wereld is zoals men die elke dag beleeft; nl ’t verleden van een andere weblogger.

Kortom, ik zit al een tijd de denken om webloggers, 2 aan 2, op pad te sturen om elkaars verleden te beschouwen. In die zin dat men op zoek gaat naar een belangrijke plek voor 1 van de 2. Waarbij eenieder vervolgens op de bijbehorende weblogs (& desnoods een speciaal daarvoor gecreëerde) kan lezen hoe zij ’t ervaren hebben, & ’t de bedoeling is dat de 1 z’n verhaal vertelt over ’t verleden, hoe hij een bepaalde plek ervaren heeft in zijn jeugd; de ander vertelt hoe ’t verleden neergezet kan worden in ’t heden: hoe ervaart hij ’t verhaal van ’t verleden, hoe staat ’t er heden ten dage bij, wat maken de 2 gezamenlijk mee op zoek naar de plek van toen.
Een project dus. Waarbij liefst zoveel mogelijk wegbloggers meedoen. Om ’t verleden neer te zetten in ’t nu, & digitaal, via internet, te bewaren voor later. In stereo, 2 verhalen, 2 delen, elkaars spiegelbeeld van dat wat misschien wel waar is, maar slechts een tekening is van ’t toen, opgeschreven voor de mens van later.

Heeft iemand zin?

Zodat we de geschiedschrijving zelf ter hand kunnen nemen in Zijperspace.

Later: De volgende ochtend word ik wakker & besef ik me dat ik m’n idee waarschijnlijk toch niet weet uit te leggen, ’t misschien wel belachelijk gevonden wordt & dat ’t verspilde moeite is. Maar ach, ik heb weer een tekstje geschreven, heb me zinnig bezig gehouden met wat gedachten & ze op papier te zetten; laten we ’t daar bij laten. Wie weet heeft iemand anders ook nog een moment wat dieper nagedacht. Mooi meegenomen.

wapens

’t Is een komen & gaan van mensen die blikjes of flesjes bier uit de koelkast willen hebben. Ook al is ’t koud buiten. Men wil nou 1maal iets te drinken hebben bij ’t demonstreren. Of terwijl men toekijkt, zoals Westmalle & de Marokkaan.
‘Hé,’ zegt Westmalle, terwijl ze binnenkomen, ‘waar denk jij nou dat die oorlog om gevoerd wordt? Daar zijn wij al een tijdje over aan ’t discussiëren. Al die demonstranten die voorbij lopen denken dat ’t oorlog vanwege de olie is. Staat allemaal op hun spandoeken.’
Westmalle loopt tijdens ’t praten naar boven om een flesje uit ’t schap te pakken. Hij kijkt onderwijl naar mij om, vervolgt z’n verhaal, beweegt z’n arm om ’t verhaal kracht bij te zetten, & heeft totaal geen aandacht voor de Marokkaan.
‘Hallo,’ zegt deze, ‘hoe gaat ‘t?’
Dat is 1 van de redenen waarom ik ‘m niet uit kan staan. Hij zegt dingen die hij niet meent. Alsof hij zou willen weten hoe ’t met ons gaat. Z’n glimlach is gebakken lucht.
‘Zou je misschien de deur achter je willen dicht doen?’ vraag ik ‘m. ‘Wij staan hier slechts in t-shirtjes.’
Westmalle komt druk verder betogend naar beneden lopen. Hij is er nog niet mee klaar.
‘Die oorlog voeren ze omdat ze hun wapens kwijt moeten. Wat denk je dat de grootste industrie in Amerika is? Waar wordt ’t meeste geld mee verdiend? & Wat is de grootste kostenpost in de begroting van de Verenigde Staten? Als ze nu oorlog kunnen voeren dan kunnen ze die wapens gebruiken. Dat heb je toch wel op tv gezien, tijdens die vorige oorlog? De Golfoorlog. Hadden ze opeens de meest moderne vliegtuigen & wapens. Eindelijk konden ze die gebruiken. Dat is nu gewoon ook zo. & Hoe denk je dat Irak aan al die wapens komt? Al die chemische wapens die zij hebben, hebben ze allemaal gekocht van Frankrijk & Duitsland. Daarom zijn die tegen die oorlog. Want als er straks een bom opvalt & ze vinden de onderdelen, dan vinden ze allemaal stickertjes, waarop staat: Preparé en France; of: Gemacht in Deutschland. Ze willen niet dat dat ontdekt wordt.’
Westmalle staat nog ½erwege de trap.
‘Wat heb jij?’ vraagt de Marokkaan.
Westmalle wordt even uit z’n verhaal weggerukt: ‘Oh, dit.’
Hij laat z’n flesje zien.
‘Dat wil ik ook. Is dat lekker? Dat haal je van boven?’ zegt de Marokkaan, onderwijl al Westmalle passerend. Als hij terugkomt bij de kassa rekent-ie voor beide flesjes af. Westmalle praat gewoon verder.
‘Daar hebben we ’t nou al een uur over. Met z’n 2-en. Ze denken allemaal dat ’t vanwege de olie is, maar er wordt genoeg olie geboord op de rest van de wereld. Irak was 10 jaar geleden nog vriendjes met Amerika, heeft ook allemaal wapens gekocht van ze, & nu wil Amerika dat die wapens vernietigd worden.’
‘Moet ik ’t flesje terugbrengen bij jullie?’ vraagt de Marokkaan.
‘Ja,’ antwoord ik, ‘er zit statiegeld op.’
‘Ach, dat hoefde ik niet te weten. Kan ik ’t ook bij iemand anders kwijt? Straks loop ik door de Albert Heijn met zo’n flesje, kan ik ’t daar ook inleveren?’
‘Dat hangt er vanaf of zij ’t ook verkopen. Maar bij ons kan je ’t in ieder geval altijd kwijt.’
Ze lopen naar buiten, maar Westmalle is nog lang niet klaar.
‘’t Gaat allemaal om wapens,’ kan-ie nog net zeggen voordat de Marokkaan ‘m verder door de deur duwt. De deur blijft bij die aktie weer open staan. Ik zal ’t zelf moeten doen.

Enkele minuten later komt de Marokkaan weer aanzetten. Hij komt gelijk op de toonbank aanlopen. Ik ben echter nog met een andere klant bezig. Tussendoor heb ik echter nog wel de tijd om te vragen of-ie de deur weer wil dichtdoen.
‘Wat?’
‘Kan je nou ‘ns een keertje de deur achter je dichtdoen?’ herhaal ik geïrriteerd.
‘Maar ik kom alleen maar een flesje terugbrengen,’ zegt-ie verongelijkt.
‘1st Moet ik deze klant helpen, dus in de tussentijd kan jij de deur sluiten. Dat moet toch niet te moeilijk zijn?’
Als ik ‘m z’n duppie statiegeld heb gegeven, laat-ie bij ’t verlaten van de winkel weer de deur openstaan. Ik wil ‘m wat naroepen, maar bij de deur kom ik Westmalle tegen.
‘Ik word gek van die gozer.’
‘Oh, sorry, dat wist ik niet. Ik had ‘m meegenomen omdat we ’t over de oorlog hadden. Voor de rest ken ik ‘m niet, behalve dan dat-ie altijd pillen voor de Albert Heijn staat te verkopen. We raakten gewoon aan de praat over waarom Amerika nou perse oorlog wilde voeren. Niemand was ’t met ons eens & zo raakten we verder in gesprek.’
‘Volgens mij heb je trouwens ongelijk. Amerika produceert zelf die wapens & moet ze tijdens die oorlog ook gebruiken. Dat zou ‘tzelfde betekenen als dat de eigenaar van deze winkel al z’n bier zelf zou drinken.’
‘Nee, da’s geen vergelijking. Jouw baas heeft een winkel. Als ik m’n bier niet bij hem koop, dan koop ik ’t bij iemand anders. Dan heeft hij straks niets meer te eten. Bij Amerika is ’t anders. Zij maken de meeste wapens in de wereld. Iedereen moet wel bij hun kopen. Hun hele economie is op wapenindustrie gebouwd. Nee joh, die oorlog gaat om wapens. Niet om olie.’

Maar dorstig blijft men altijd in Zijperspace.