pfffffffrrrrrt

Ik kom er niet van af. Ook al weet ik dat ’t belachelijk is, waarschijnlijk ook belachelijk klinkt als ik ’t vertel, ik kan nog zo m’n best doen, maar ik kom er niet van af. Vooral als ik onder de douche sta op plekken waar een paar meter van mij vandaan gelijktijdig andere mensen hun sanitaire handelingen verrichten, probeer ik zeer m’n best te doen ’t te vermijden. Zo zachtjes mogelijk is ook wel een optie, een concessie die ik doe vanuit de wetenschap dat ik me toch niet zal kunnen beheersen. Maar eigenlijk vind ik ’t dwangmatige al van den gekke. Terwijl ik sta te douchen stel ik me al voor wat anderen vinden van ’t geluid. ‘Pffffffrrrrrt’ gaat ‘t. ’t Is eigenlijk jammer dat ik ’t geluid moeilijk in letters kan vangen, dan zou men zich beter kunnen verplaatsen in mijn situatie. Misschien zelfs lichtelijk plaatsvervangende schaamte gevoelen. ‘Ton, dat heb jij toch niet nodig,’ hoor ik de mensen al denken. Ik moet u zeggen, waarde lezer, dat denk ik zelf ook. Zet mij echter onder de douche & ik kan ’t niet laten. ’t Is er uit voordat ik ’t doorheb. De 1e spetters zijn op m’n hoofd gevallen & welluidend wordt de gehele badkamer gevuld met ’t geluid van mijn afwijking. Gaat u er maar aan staan, op een overvolle camping, waar 100-en mensen in dezelfde ruimte beschikking hebben over een minieme hoeveelheid toiletten & douches bij elkaar gedrukt in zomin mogelijk cm². Iedereen hoort iedereen, elke zucht, elke scheet. & Ik sta daar ongegeneerd ‘pffffffrrrrrt’ te produceren. Nou ja, ongegeneerd, eigenlijk schaam ik me dood, ik probeer ’t geluid tot een minimum te beperken, & toch weet ik dat de man die voor de wasbak z’n baard elektriek probeert te verwijderen erdoor afgeleid wordt. Hij schrikt even op, denkt dat er spontaan een scheur in z’n onderbroek is ontstaan, stopt z’n vinger in ’t optionele gat, vraagt zich nog een moment af welk onheil de camping zal overspoelen & gaat dan ongemoedereerd (‘gelukkig’ slaak ik een zucht onder de douche) verder met de linkerwang.

Nee, ik moet ervan af. Ik moet ermee ophouden m’n mond open te zetten als ik onder de douche stap om ’t vervolgens leeg te spuiten tegen de muur om dan te kijken of er nog ontbijtresten tegenaan kleven. ’t Is schaamteverwekkend, zo’n gewoonte, & nergens voor nodig.

Zwijgzaam verwijderen we kruimels van de muren in Zijperspace.

nowarlog

nowarlog

’t Schrijven van onderstaande stukjes heeft natuurlijk waarde, zo waag ik elke dag bij mezelf te bedenken. Maar waar zou die waarde blijven als wij verantwoordelijk zijn voor ’t vernietigen van mensen, als wij, als individuele burgers, niet individueel een standpunt hebben ingenomen tegen ’t ontstaan van oorlog, tegen ’t aanvallen van een land & zijn bevolking?
Ik roep mijn lezers dan ook op morgen de 15e februari te gaan demonstreren tegen de aggressieve houding die de VS inneemt ten aanzien van Irak. Ik kan er zelf niet bij zijn, ik heb verplichtingen tegenover mijn baas, maar de winkel waar ik op dat moment werk is al tot ontmoetingsplaats benoemd van enkele webloggers & aanverwanten. Verzamelt u dus allen rond 13.30 uur (correctie: 12.30 uur, doordat ik moet werken heb ik me blijkbaar niet genoeg verdiept in de aanvangstijd van de demo) voor Paleisstraat 125; ik zal u gaarne aanmoedigen luid uw stem te laten horen door ’t te smeren met de inhoud van een flesje spa, orangina, of wellicht een blikje bier, door mij aangeboden (zolang m’n portemonnee ’t trekt).

Zodat ook de stem uit Zijperspace over de Dam zal schallen.

dimensies

’t Zou natuurlijk heel goed kunnen dat ik afgelopen nacht ben overleden vanwege ’t eten van een maaltijd bereid met tuinkruidenbouillonblokjes die hun officiële houdbaarheidsdatum lang hebben gepasseerd. ’t Zou een ware marteling kunnen zijn geweest, een heuse doodstrijd, waarbij ik meermaals zou hebben geprobeerd eigenhandig mijn maag & verdere inhoud van m’n zogenaamde buik te amputeren door mijn nagels & bijbehorende vingers erin te klauwen. Kronkelend zou ik mijn bed overhoop hebben gewoeld, onbekend met ’t feit dat ik me daardoor richting rand van mijn hoogslaper begaf, hallucinerend van de tergende pijn die mijn darmstelsel bezighield, volledig niet bij zinne om te merken dat zich naast ’t randje van de hoogslaper een afgrond van 1½ meter bevindt, niet bevorderlijk voor de gezondheid indien men dat ondersteboven slechts gedreven door de neerwaartse dwang van de zwaartekracht aflegt, zeker niet met ’t hoofd als voorganger in die route.
Kortom, ik zou m’n nek kunnen hebben breken dankzij de tuinkruidenbouillonblokjes.

Momenteel ervaar ik ’t alsof er niks gebeurd is. Ik ben ’t consumeren van de boosdoeners (ook in ’t onderhavige geval mag ik ze als zodanig betitelen, daar ze mij geestelijk meer dan 2 etmalen behoorlijk bezig gehouden hebben) op een gegeven moment totaal vergeten, resulterend in een welverdiende nachtrust, mooie dromen (ik zal u de details besparen) & een uitgeslapen gemoed hedenochtend.

Maar is ’t ook werkelijk zo? Zou ’t niet kunnen dat toevallig de dimensie ‘Ton’ die ik nú beleef de tuinkruidenbouillonblokjes als ongevaarlijk heeft ervaren, terwijl er een andere dimensie ‘Ton’ zich elders omdraait in ’t graf, zich voor de kop slaand vanwege ’t feit dat-ie weer naar de adviezen van collega Saskia heeft geluisterd, met als onvoorzien resultaat ’t afscheid van ’t wereldlijk leven? Waarmee ik mezelf de vraag probeer te stellen of ik wel degelijk beleef wat ik nu beleef of dat ik misschien slechts een mogelijkheid beleef die ’t resultaat is van bepaalde keuzes, omstandigheden, faktoren, terwijl er op ‘tzelfde moment door andere dimensies ‘Ton’ totaal andere mogelijkheden worden ervaren. Is ’t misschien illussie dat ik á ce moment çi ’t idee heb dat ik nog leef? Bestaan er op dit moment andere mogelijkheden van dezelfde persoonlijkheid, maar dan in andere omstandigheden?
Ik had aan ’t eind van de straat linksaf kunnen slaan, maar ook rechtsaf. Wie zegt dat degene die rechtsaf is gegaan niet bestaat, als ik de linkerweg heb gekozen? Omdat de keuze rechtsaf te gaan alleen al in m’n hoofd als mogelijkheid is ontstaan, zou ’t heel goed kunnen dat er een 2e Ton verder is gaan leven, weliswaar in een andere dimensie, die niet mede ervaren kan worden door de entiteiten die de wereld meebeleven zoals de linksafslaande Ton, & is gaan kijken wat ’t resultaat is van die keuze. & Dat elke keer dat ik voor een splitsing van ’t leven sta er een nieuwe dimensie geschapen wordt doordat er een mogelijkheid tot anders leven ontstaat. Bestaat ’t universum niet uit keuzemogelijkheden die allemaal tegelijkertijd beleefd worden, maar waar we ons niet bewust van zijn?

Tsja, daar moest ik even aan denken toen ik vanochtend de vraag kreeg voorgeschoteld of ik de tuinkruidenbouillonblokjes wel overleefd had.

Voor zover we op dit moment kunnen vaststellen in Zijperspace: ja.

tuinkruidenbouillonblokjes

Goed, die kruidenbouillon waar ik ’t gister over had, daar moet ik nog iets over kwijt. Want ik kon natuurlijk niet zomaar voor 3 dagen maaltijden weggooien. Daar doe ik niet m’n best voor in de keuken.
3 Dagen maaltijden, hoor ik iemand z’n wenkbrauwen optrekken.
Ja, 3 dagen maaltijden. Als ik in de keuken ga staan om mezelf iets te bereiden wil ik daar een bepaalde mate van efficiëntie bij betrachten. Daar heb ik mijn koelkast/vriesgedeelte op geselecteerd. Model vrijgezel, zogezegd. Zodat ik wat kan bewaren. Ik bereid niet zomaar een maaltijd voor de dag van vandaag, maar denk meteen even vooruit, zodat ik voor elke dag van de rest van de week iets gezonds zelfbereids kan eten. Als ik na 9-en thuis kom van m’n werk heb ik toch geen zin om keukenprinsje te spelen. & M’n magnetron wel. Die staat zich de hele dag te vervelen, te wachten tot ’t baasje ‘m eens flink aan ’t werk zet. De vriezer vriest natuurlijk ook niet voor niets. Of ’t moet voor de ijsjes zijn die ik bewaar voor ’t geval dat m’n neefjes & nichtjes plots voor de deur mochten staan. Dat laatste is al 7 jaar niet voorgekomen, dus kan ik beter een andere bestemming vinden voor de vriezende eigenschappen van dat kastje in m’n keuken.
Ik kook dus efficiënt extra veel. 1 Van de maaltijden verorber ik normaliter meteen dezelfde dag, de rest verdeeel ik in 2 porties, schep ik over in van die heerlijk burgerlijke vriesbakjes die je goedkoop kan inslaan bij de fantastische winkelketen Blokker, & zet ik als klein stapeltje (dat gaat zo makkelijk bij dit model bakje, ze zijn er op gebouwd om gestapeld te worden) diep weg in de vriezer.

Datzelfde ritueel had dus ook gister moeten plaatsvinden. Ware ’t niet dat er geen rijst in huis was. Zonder rijst had ik niet meer dan een gehakt-sausje, met enkele stukjes groente. Niet echt bijzonder. Bovendien behoorlijk zout. Vanwege de bouillonblokjes. Tuinkruidenbouillonblokjes (ik heb de verpakking inmiddels weggegooid, maar ik kan me herinneren, alsof ’t in m’n geheugen gebrand staat, dat de fabrikant, of anders in ieder geval de ontwerper van de verpakking, ’t geheel & al aan elkaar geschreven heeft; daarom nog 1maal: tuinkruidenbouillonblokjes, & misschien straks nog een paar keer, want ’t gaat nu 1maal in dit verhaal over tuinkruidenbouillonblokjes).

Pas nadat ik klaar was met ’t bereiden van de maaltijd, of beter: de gehaktsaus, nu we toch deze term hebben laten vallen, kunnen we ten behoeve van de overzichtelijkheid, misschien moet ik zeggen 1duidigheid, beter slechts 1 term hanteren; pas nadat ik klaar was met ’t bereiden van de gehaktsaus drong ’t tot me door dat ik die tuinkruidenbouillonblokjes al een hele tijd in ’t keukenkastje had liggen. Wellicht was ’t zaak de houdbaarheidsdatum te controleren? Ik vond ’t buiten koud; de vuilnis die ontstaan was door de kook-aktiviteiten, had ik nog niet durven plaatsen in de vuilnisbak, die zich dus, men begrijpt ’t inmiddels wel, in ’t koude buiten bevond. De verpakking van de tuinkruidenbouillonblokjse bevond zich derhalve nog op ’t aanrecht. De uiterlijke datum van consumptie aangegeven op de verpakking luidde maart 2002, & inmiddels was ik gister inmiddels gearriveerd in februari 2003. & Met mij vele anderen, maar waarschijnlijk hadden die geen bouillonblokjes met die houdbaarheidsdatum op de verpakking in de maaltijd gedumpt.

Ik heb vanochtend evengoed de rijst in huis gehaald. Ik heb de rijst gekookt. & Dat geheel aan ’t gister bereidde prutje toegevoegd. Nu was ’t nog slechts een kwestie van durf.
Lef.
Moed.
Courage.
Guts.
Zou ik vanavond ’t risico durven nemen de maaltijd te nuttigen? Op gevaar af vergiftigd te worden door od-tuinkruidenbouilonblokjes (od staat in deze voor ‘over datum’; een beroepsterm, ik kon ’t niet laten die ooit nog eens in 1 van mijn teksten te gebruiken).
Ik heb geen guts. Daar kan ik eerlijk over zijn. Zeker niet als die guts betrekking moeten hebben op mijn darmen. Een zeer gevoelig punt. Ik wil daar heus ook nog wel eens wat over vertellen, maar dat moet ik dan vantevoren gaan aankondigen, want ik weet dat dergelijke verhalen niet door iedereen geapprecieerd worden.

Ik leg dit soort kwesties over ’t algemeen altijd aan andere mensen voor. Liefst zoveel mogelijk mensen. Dan kan ik m’n mening aanpassen aan degene die ’t dichtst bij die van mij zit. Kortom, ik blijf m’n guts wegstoppen, ik wil van geen courage weten, ik gooi eten ter waarde van ong € 10,- liever door de gootsteen dan dat ik daarvoor een greintje moed bij elkaar wil sprokkelen. Ook al krijg ik de dapperheid van een andere persoon aangereikt.
Helaas sprak ik vanavond slechts met Saskia. Zij was de enige die ik vandaag als direkte collega had. Waar ik mee in kontakt stond omdat ik nou 1maal met haar samenwerkte. & Waar ik na afloop van ’t werk een praatje mee ging maken. Over de houdbaarheidsdatum van tuinkruidenbouillonblokjes.
‘Oh, dat kan helemaal geen kwaad,’ zo sprak Saskia, ‘ik let zelf nooit op de houdbaarheid van bouillon. Bouillon is toch voor ’t grootste gedeelte zout, dat bederft niet zo snel. Soms voelen ze wel wat smeuïg, als ze een lange tijd hebben gelegen, maar ik heb nog nooit iets overgehouden aan bouillonblokjes die over datum waren.’

Ik zit nu ondertussen al 1½ uur te wachten op ’t moment dat de bouilonblokjes de frontale aanval op m’n darmen gaan openen. Ik zit al die tijd te wachten tot ik de telefoon moet grijpen om Saskia op de hoogte te stellen van ’t feit dat ze mijn dienst morgen over zal moeten nemen. & Om volledig zeker van m’n zaak te zijn, mocht Saskia willen ontkennen dat ’t de schuld is van de tuinkruidenbouillonblokjes, heb ik, voor latere analyse, 3 happen van de gehaktsaus met rijst laten staan. Die zal ik zorgvuldige bewaren.
Ik laat af & toe een boertje, m’n buik voelt opgezwollen, m’n lichaam is moe. Helaas kan dit allemaal veroorzaakt worden door andere faktoren, zeker gezien ’t feit dat ik deze verschijnselen altijd rond dit tijdstip van de avond heb.

Maar evengoed wachten we nog steeds in spanning op dat wat komen gaat in Zijperspace.

in antwoord op uw schrijven

Ik wil door iedereen gelezen worden, net zoals ik door iedereen aardig gevonden wil worden. Maar net als dat ik zal moeten accepteren dat ik door velen gehaat word doordat ik nou 1maal de persoon ben die ik ben, waar ik overigens niets aan kan doen, behalve door te stoppen met zijn wie ik ben, hoewel er dan weer anderen zullen zijn die mij hekelen, zal ik genoegen moeten nemen met ’t feit dat ik altijd geliefd zal worden door slechts een deel van ’t groter geheel. Slechts een deel van ’t groter geheel zal waarderen wat ik schrijf, slechts een deel van mijn geheel, ik zal altijd slechts ten dele tevreden zijn met de hoeveelheid liefhebbers van ‘tgeen ik schrijf. Helaas ben ik ook niet de persoon om concessies te doen. Ik ben niet in staat mezelf af te vallen, mijn eigen persoon te verliezen, m’n eerlijkheid & daardoor mezelf op te geven.
Ik heb dwarrelende gedachtes, zo zei eens iemand me. Ik heb haar uitspraak wel eerder aangehaald. Ik zie ’t tegenwoordig nl als compliment. 1st Niet, hoewel ze ’t wel zo had bedoeld. Of in ieder geval als constatering, als analyse van mijn zijn. Ik dacht dat er gedoeld werd op ’t feit dat ik in mijn schrijven me niet kon concentreren op 1 aspekt. Eigenlijk is dat in zekere mate ook juist geconcludeerd, maar ’t gaat verder dan dat. Zo heb ik ’t tenminste mezelf uitgelegd. Als ik een bepaald iets in woorden probeer te vangen, een bepaald gevoel probeer om te zetten in taal, in geschreven woorden, dan gaan mijn gedachtes als vanzelf op zoek naar andere aspekten van datzelfde gevoel. Ik associeer, ik haal er andere facetten bij, ik voel, ik tast, ik probeer evenwicht te vinden, ik ben onzeker, ik hel over, maar krabbel toch langzaam naar ’t einde van ’t smalle koord waar ik mijn evenwicht op probeer te behouden. Dat is nou 1maal de consequentie van de weg die ik kies. Anderen durven niet zo makkelijk diezelfde koers te varen.

Ik heb vanmiddag gepoogd meer te balen van de broekriem die ’t plots begaf. De pin viel op de grond, juist op ’t moment dat ik in den vreemde op ’t toilet stond. Gelukkig was mijn broek op maat; zonder ‘m op te hoeven houden kon ik me op weg naar huis begeven. Desnoods hoef ik morgenochtend nogeneens onmiddellijk een winkel te bezoeken, derhalve een nieuwe te bekomen. Maar ik heb gepoogd meer te balen van de riem die ’t begaf.
Ik heb gepoogd meer ongenoegen te halen uit ’t feit dat ik geen rijst in huis had. Maar dan had ik misschien kronkelend over de vloer gekropen. Vanwege de 2 blokjes tuinkruidenbouillon met houdbaarheidsdatum maart 2002. Ik ontdekte ’t pas toen ik op ’t allerlaatste moment deze wilde toevoegen, er al van uitgaand dat ik met consumeren zou moeten wachten tot de volgende dag, vanwege de afwezigheid van rijst. Ik had dan waarschijnlijk meer happen genomen van de maaltijd die ik vanavond heb bereid, in zoverre je van maaltijd mag spreken als je de noodzakelijke rijst er niet aan toe hebt kunnen voegen. Maar ik heb in ieder geval meer ongenoegen uit ’t ontbreken van rijst proberen te halen.
Ik heb mezelf in een roes gedompeld. Een roes van duits bier. 3 Maal een ½e liter heb ik achterover geslagen. Zoals ’t een duitser betaamd. Dat is mij wel toevertrouwd. Ik weet tradities te waarderen. Ik weet ze naar mijn hand te zetten, zeker als ze betrekking hebben op ’t nuttigen van bier. Zeker ook als ik genegeerd ben, ongemoeid gelaten, al meer dan een jaar lang, door grote groepen niet begrijpende lezers, lezers die geen lezers zijn. Ik heb mezelf in een roes gedompeld zodat ik geen wroeging hoefde te voelen tegenover zij die niet verstaan wat ik hier in m’n 1tje sta te schreeuwen, waarbij ik heus wel weet: een schreeuw van aandacht, maar net zo’n schreeuw als al die anderen die via internet grote aantallen bezoekers, kijkers, gluurders, voyeurs, belangstellenden, vrienden proberen te scoren; ik sta te schreeuwen dat ‘tgeen ik schrijf nergens anders gelezen kan worden, in ieder geval niet ergens anders op internet.
Verder heb ik geprobeerd een boek te lezen. Om ’t gevoel weg te drukken. Gewoon een boek. Enkele blz. Geconcentreerd. Gelegen in m’n bed. Vermoeid van ’t drinken. Vermoeid van ’t leven zoals ik leef. Vermoeid. Van ’t schrijven ook. Ik probeerde te lezen. Enkele blz.
Ik viel in slaap. De hoofdpijn die mij vlak daarvoor reeds parten speelde, ik zou ‘m wel ‘ns tot zwijgen brengen was de gedachte, kwam bij ontwaken als een beroepstrommelaar mijn rechterslaap visiteren.
Paracetamol was op ontdekte ik enkele momenten later.

Ik dwarrel. Of zo doen mijn gedachten. & Toch denk ik dat ik verdien door u gelezen te worden. Ondanks. Dankzij.

Ik ben een jaloers kreng, heb ik me laatst bedacht. Ik zie de grootste gehaktbal door mijn vader uit de juspan gehaald worden. Hij komt op ’t bord vóór hem terecht. Zíjn bord. Vervolgens deelt mijn moeder de op 1 na grootste & die er op volgend uit aan m’n broers naar gelang hun leeftijd. 1 Van de kleinste is mijn bekomst. Er zijn slechts 2 jongere broers onder me. Ik heb geleerd een jaloers kreng te zijn. Als ik iets lekkers krijg aangereikt stop ik ’t zo snel mogelijk in m’n mond. Niemand mag ’t hebben. Behalve ik. Er bestaat een grote concurrentiestrijd in een gezin van 7 mannenmonden. Er kan er maar 1 de sterkste zijn. De slimste. De handigste. ’t Meest gewiekst. ’t Oudst.
Ik dacht dat ik op latere leeftijd kon leven zonder jaloers te zijn. Maar op een gegeven moment stond ik te schreeuwen door een brievenbus. Om m’n toenmalige vriendin terug te krijgen. Omdat ik ’t niet kon hebben dat iemand anders aan haar zat. Sindsdien durf ik mezelf toe te geven dat m’n haren recht overeind kunnen gaan staan als ik een sukkel zie kussen met de vrouw van mijn dromen. Ook al is ’t een droom van 5 minuten, & vergeten bij ontwaken.

Ik wil gelezen worden. & ’t Voelen. Maar elke keer gelezen worden is niet genoeg. Altijd heb ik bevestiging nodig. Elke keer moet ik weten dat men mijn dansje leuk vindt. Zoals ik op de film op 3-jarige leeftijd een dansje deed in een kamer vol visite. Iedereen lachte om mijn rondjes om de tafel, m’n opa gaf met z’n wandelstok ’t ritme aan, z’n lach stond breed uitgemeten in beeld. Op een gegeven moment duurden de rondedansjes voor de ouderen, voor de visite, echter te lang, de lol was eraf. Maar ik bleef doorgaan, & barstte uiteindelijk in huilen uit. Omdat ik geen lach meer hoorde, geen aandacht meer kreeg.

Men zal nooit kunnen voldoen aan de eisen die men in Zijperspace stelt.

genomineerd

Gefeliciteerd, VJ. Je hebt ‘t verdiend. Je hebt nog meer verdiend dan alleen maar genomineerd te worden.
Ik weet van mezelf dat ik er eens ook zal staan. Ondanks dat men mij al voor ’t 2e jaar negeert geloof ik nog steeds dat ik ooit ook ergens op een podium zal staan. Tussen anderen die gelauwerd worden. Ik voel ‘t, ik voel ‘t, ik weet dat ik ooit de erkenning krijg, dezelfde erkenning die jij me altijd al geeft, voor de uren, voor ’t zweten, voor de vingers die niet aflatend op ’t toetsenbord rammen.
Weet je, ik ben al bezig met de speech.

& Men oefent ook alvast de buiging in Zijperspace, voor later.

grapjes

M’n vader legde z’n hand op z’n hoofd. Hij tastte z’n voorhoofd af op zoek naar dat ene plekje, een soortemet moedervlek die sind jaar & dag nog net onder z’n haar verborgen zat.
‘Kijk,’ zei hij, ‘zie je wel: dat plekje zit nog steeds onder m’n haar. Dat zat-ie ook al toen ik 20 was. Dus sinds die tijd ben ik niet kaler geworden.’
Vergenoegd keek-ie om zich heen. Een glimlach vol zelfspot, zo zagen wij. Een buitenstaander zou ‘m geloven. Wij wisten beter.
We wezen naar z’n hoofd. Wezen de inmiddels diepe inhammen aan, naast de dunne lijn haar in ’t midden.
‘Maar Pa, aan de zijkant van je kuif zit bijna niks meer.’
’t Haar van m’n vader lag over z’n hoofd naar achteren. Hij pakte in ieder geval 1maal per dag z’n kammetje uit z’n broekzak om met 2 of 3 halen ’t haar naar achteren te kammen. Een kort moment kon je dan zien hoe lang de slierten eigenlijk waren die voor de rest van de dag over z’n hoofd lagen gedrapeerd.
‘Nee, hoor. ’t Is nog net zolang als vroeger.’
Z’n neus stak altijd wat meer naar voren als hij zichzelf in de maling nam. Wij broers hadden dat door, maar Ma trapte er altijd in. Ma nam nou 1maal alle grapjes serieus.

’t Is lang geleden dat ik m’n vader z’n befaamde grapjes hoorde maken. De laatste keer vond plaats, voorzover ik me kan herinneren, toen hij naast z’n stoel ging zitten. In een volle kamer visite, allemaal te gast ter gelegenheid van de verjaardag van m’n broer. M’n vader wilde in ‘t, vanwege de onverwachte drukte, tevoorschijn gehaalde kampeerstoeltje gaan zitten, maar door z’n coördinatie-stoornis ten gevolge van Parkinson schoof-ie de stoel juist opzij ipv dichterbij. De hele kamer was geschokt toen men m’n vader met een bons op de vloer hoorde terecht komen. Er schoten wat mensen toe om m’n vader overeind te helpen. Je zag de mensen denken: die arme fragiele man heeft vast wat gebroken.
Maar terwijl de voltallige visite vervuld van medelijden & zorg naar m’n vader keek, vatte hij ’t laconiek op door te zeggen: ‘Ik dacht nog: zal ik me er gewoon in laten vallen of wachten tot-ie als vanzelf m’n billen opzoekt?’
Er klonk een zucht van opluchting in de lach die door de kamer trok.

Tegenwoordig hoor ik ‘m geen grapjes meer maken. Volgende week ga ik weer naar ‘m toe, heb ik m’n moeder door de telefoon toegezegd. Maar eigenlijk weet ik niet of ik wel naar hem ga. Ik weet dat ik dan m’n vader zie, die niet meer m’n vader is. Hij lijkt er niet meer op. Hij zal blij zijn mij te zien, maar is waarschijnlijk m’n visite alweer vergeten als-ie een uur later naar bed gaat. Hij zal ’t misschien zelfs als te druk ervaren. Onoverzichtelijk: meer mensen in huis dan alleen m’n moeder & m’n jongste broer. Verontrust zal-ie in z’n stoel zitten, pogingen ondernemend ’t gesprek te volgen dat m’n moeder & ik voeren. Een vragende blik zal zich op z’n gezicht aftekenen als-ie moet ondervinden dat-ie daar niet meer toe in staat is.
Ik weet ondertussen wat me staat te gebeuren als ik m’n ouders opzoek. Ik weet wat ik kan verwachten, of wat ik eigenlijk niet meer hoef te verwachten. Alles wordt minder. Geen grapjes meer, & met moeite zal er een glimlach op z’n gezicht te toveren zijn door een grapje te vertellen die de zoon van de vader heeft overgenomen.

‘Nee, nee,’ riepen wij, ‘jij hoort niet bij ons. Ga weg.’
M’n moeder deed net zo hard mee: ‘Nou, Niek! Ga ergens anders staan met dat malle pak.’
We schaamden ons rot tegenover de rest van de camping. M’n vader stond in z’n knickebocker, hoog opgetrokken tot over z’n navel, zuidwester op, in z’n hand een belachelijke stok die hij tijdens z’n wandeling ergens op de kop had getikt, voor ’t raam van de caravan. Met z’n stok had-ie onze aandacht getrokken. Z’n glimlach straalde ondeugend dom door ’t raam. Wat is er nou aan de hand, leek-ie te zeggen. Maar hij wist dondersgoed wat er aan de hand was. We wilden niet voor aap gezet worden door een vader die er niet uitzag. Zo’n vader wilden we niet hebben: een vader die als een levende vogelverschrikker over de camping liep. Wij verstopten ons onder de banken van de caravan, hopend dat we daardoor konden ontkennen dat wij kinderen van hem waren.
Pa kwam glimlachend de caravan binnen.
‘De volgende keer doe ik dat pak aan als ik ga wandelen. Gaan jullie dan mee?’

De schaamte bleek uiteindelijk de grootste trots van Zijperspace.

ge-e-e-e-e-e-ek

Er staat een meisje voor me. Verlegen kijkt ze me aan. Ik ben een stuk groter, voel ik. Vooral ook omdat ik achter de toonbank sta. Haar vader is veilig groot. Zonder dat ze ’t zelf door heeft poogt haar linkerhand zijn jaspand te pakken, maar ondertussen houden haar grote ogen mij in de gaten.
Ik heb haar net ‘mevrouw’ genoemd. 1st Kwam haar vader binnen.
‘Hoi.’
‘Hoi,’ zei hij terug.
Ik ken ‘m al een aantal jaren. Ik kan me nog herinneren dat z’n vrouw een dikke buik had. De inhoud van die dikke buik kwam nu achter ‘m aanlopen.
‘Dag mevrouw,’ zei ik tegen ’t 5-jarig kind. Schichtig keek ze op. Ze probeerde zich snel achter de benen van haar vader te verstoppen, & van daaruit te verkennen wie die gekke meneer was die haar mevrouw noemde. Samen trokken ze de winkel in. Ik zie ze nu pas terug, nu vader z’n bier moet afrekenen.
‘Zo, mevrouw,’ begin ik weer, ‘hoe gaat ’t er mee?’
’t Blijft stil. Ik probeer haar belangstellend aan te kijken, maar zij kijkt weg. Naar haar vader.
‘Ze is nog steeds even enthousiast als ze mij wilt begroeten,’ zeg ik maar tegen hem.
Hij glimlacht een beetje. Geeft een aai over haar hoofd.

De buurvrouw komt binnen. Met haar dochter. Zelfde leeftijd als ’t meisje dat voor me staat. Buurvrouw & dochter lopen achter vader & dochter langs. Vrolijk zeggen ze mij gedag in ’t voorbijgaan.
‘Hoi, Ton.’
‘Hoi,’ zeg ik tegen de buurvrouw. Tegen haar dochter: ‘Dag, mevrouw.’
Vinden ze leuk als ze er 1maal aan gewend zijn.
Maar dan zie ik plots dat ze haar haar los heeft. Moet ik toch iets van zeggen, ook al ben ik met vader & dochter bezig.
‘Hé, wat heb jij opeens lang haar?’
Parmantig draait ze haar hoofd naar mij om. Grote grijns van ‘wat ben ik mooi, hè’.
‘Hoe kom jij opeens aan zulk lang haar?’ vraag ik verder. ‘Zo snel kan ’t toch niet gegroeid zijn. Vorige week was ’t nog veel korter.’
Ze kijkt me aan alsof ik niet helemaal slim ben. & Loopt achter haar moeder aan.
Ik kijk weer naar ’t meisje voor me.
‘Snap jij dat nou? Vorige week had ze nog kort haar. & Nou is ’t opeens lang. Dat kan toch niet? Jij hebt toch ook niet opeens lang haar.’
’t Meisje legt haar handen in haar nek. Ze peutert iets los. Terwijl ze ’t elastiekje naar voren trekt vallen haar haren over de schouders. Ze kijkt me voldaan aan. Met evengoed nog steeds die verlegen blik.
‘Heb jij nou opeens ook lang haar? Hoe kan dat nou? Ik heb jou ook nog nooit met lang haar gezien.’ Ik roep naar de dochter van de buurvrouw. ‘Moet je kijken. Zij heeft ook lang haar. Net zo lang als dat van jou. Snap jij nou hoe dat kan?’
‘Dat groe-oe-oeit,’ roept ze me toe. Ze valt bijna voorover van ’t in m’n mond leggen. Daarna lacht ze.
‘Dat kan toch niet zo sne-e-el,’ roep ik haar terug. ‘Volgens mij zijn jullie een beetje gek.’
Dat is m’n conclusie. ’t Is duidelijk van m’n gezicht af te lezen, ik zie ze staren. De beide meisjes zijn even stil.
Ondertussen geef ik de vader z’n wisselgeld terug. Hij pakt z’n tas in & wil vertrekken.
‘Nee,’ zegt opeens de dochter van de buurvrouw, ‘jij bent gek.’
‘Ja,’ zegt ’t meisje voor me, ‘jij bent gek.’
Ze loopt achter haar vader aan naar de uitgang.
‘Nee,’ probeer ik nog achter haar aan te zeggen, ‘jullie haar doet raar. Jullie zijn volgens mij een beetje gek.’
‘Ge-e-e-e-e-e-ek,’ hoor ik nog terwijl de deur achter ’t meisje dichtgaat.
‘Ge-e-e-e-e-e-ek,’ zegt de dochter van de buurvrouw haar na.

Zolang meisjes dat denken willen we dat graag zo houden in Zijperspace.

lunch

Ik hield niet van brood. Met moeite kreeg ik ’t door m’n keel. ’s Ochtends vroeg ging ’t nog, hongerig zat ik aan de ontbijttafel, onderwijl de boterhammen smerend voor naar school. 2 Bakken thee spoelden ’t saaie stuk eten door. Dan hoefde ik niet te veel te kauwen. Liever at ik 3 keer op een dag een warme maaltijd, dat leek me ’t paradijs: een wereld zonder brood & alle dagen boerenkool of nassi. Met een kuiltje jus, of in ’t andere geval een drupje ketjap. Vaag kon ik me nog de tijd herinneren dat we tussen de middag een warme maaltijd voorgeschoteld kregen. M’n vader kwam toen nog tussen de lessen door thuis. De oudste broers werden als 1-en met een broodtrommel naar school gestuurd. Wij volgden niet veel later. Nederland was een land van boterhammen geworden. Onze grote helden aten voortaan pindakaas.

Ik kreeg ’t niet voor elkaar, dagelijks 4 boterhammen met kaas, soms ham, lever- dan wel metworst. ’t Beleg had bij mij z’n seizoenen. Wekenlang wilde ik niets anders dan worst, plots had ik daar genoeg van, waarna enkele maanden kaas met een likje mosterd op de boterham werd gelegd. De gehaktbal heb ik lange tijd volgehouden, was ik weliswaar afhankelijk van de restanten van de avondmaaltijd de dag ervoor, maar ’t bracht de noodzakelijke variatie in m’n lunch. Die boterhammen wilde ik nog wel opeten. Meestal vond ik de pennywafel of de jodenkoek die ze op school verkochten interessanter. Ze hebben ook nog een periode negerzoenen verkocht. Totale verslaving betekende dat, ten koste van de broodjes die ik met tegenzin aan de ontbijttafel in elkaar had geflanst. Die bleven in m’n schooltas zitten.
M’n moeder mocht ’t plastic zakje met de overblijfselen van ’t brood niet ontdekken. Ze lagen onderin m’n tas, een oerdegelijke schooltas, zoals slechts leerlingen van de 1e met zich meezeulden. Ik probeerde ’t brood voorzichtig in een hoekje van de boeken te stoppen. In de 1e klas werd er echter altijd fanatiek gesmeten met de schooltassen, waardoor de broodjes door de schoolboeken werden weggedrukt. Mijn vader had aan ’t begin van ’t schooljaar al m’n boeken geplastificeerd. Ik was de enige in de klas die de originele kaften van de schoolboeken kon tonen. De rest had ze ingepakt in papier, ik had doorzichtig plastic eromheen zitten. Met soms een restantje brood er aan vastgeplakt. Angstvallig liet ik nl de boterhamzakjes zitten waar ik ze in 1e instantie had gestopt, geleidelijk aan een stapel vormend naast mijn boeken van niet geconsumeerde middagmalen.
Ik was paranoia. Ik wilde niet dat m’n moeder zou ontdekken dat ik m’n boterhammen niet opat. Ik moest ze ergens weggooien, maar dan wel zo dat m’n moeder ze niet zou kunnen ontdekken. Dus niet thuis in de vuilnisbak, waar m’n moeder regelmatig keukenafval in dumpte. Zeker ook niet in de prullenbak op m’n kamer, want m’n moeder was degene die die leegde. Ik durfde ’t ook niet altijd op school achter te laten, uit angst dat m’n broer me in de gaten hield.
Ze bleven zitten.
Totdat m’n moeder tijdens de herfstvakantie aan de grote schoonmaakaktie van mijn kamer begon. Alle speelgoed moest aan de kant, schoolboeken op een stapel op ’t buro, kinderen de deur uit & m’n moeder begon te stoffen. Alle hoeken & gaten. Ook die van m’n schooltas. Waar toch zeker 5 zakjes tot blauw schimmel bedorven voer in zaten. Plat, smeuïg, wee ruikend, met zo af & toe een vleugje geel erdoorheen schijnend.
Moest ze maar van mijn spullen afblijven, zei ik toen ik weer thuis kwam & haar woedend aantrof.

Zijperspace is groot geworden dankzij pennywafels & jodenkoeken, met een enkele keer een zoen van een neger.

proporties

Een enkele keer kom ik beelden tegen van vakanties. Ik dwaal dan rond over lege platte paden, & word omgeven door hoge bomen. Ik zie mezelf ’t hoofd in de nek gooien, om de hoogste pluim te kunnen onderscheiden tegen de donkerblauwe donderbuien die zich daarachter aankondigen. Ik puf m’n rugzak richting ’t volgende dorp, bedenk me waar m’n regenjas zou kunnen zitten, voor ’t geval dat, maar wil me toch nog 1 keer omdraaien om die ranke stammen ijzingwekkend zwabberend op de vooraankondiging van de storm te zien deinen. De buitenste ring van de groep bomen is relatief laag, maar naarmate de bomen meer in ’t centrum van de groep staan worden ze hoger & hoger. Ze zullen ’t wel overleven, weet ik, anders staan ze niet in zulke grote getale in dit voor de rest vlakke landschap.
Ik zie die beelden. Ik vraag er niet om. Onrustig loop ik onderwijl door m’n kamer. Waar niets die beelden lijkt op te roepen. Of ’t moeten de verticale stangen van de 6-koppige lamp zijn. Maar als ik vervolgens mezelf zie lopen over zanderige paden, overhangen door lage struikacgtige bomen, ’t vormt een dak boven m’n hoofd van wel kms lang, een doorstromend portaal dat leidt naar iets onbestemds, steeds als ik denk dat ’t einde zich aankondigt blijkt ’t weer een bocht in ’t pad te zijn, een zonnestraal door ’t gebladerte; als ik me daar zie lopen, weet ik dat ik wegdroom.

Ik ben ziek thuis. Te veel verlate christmaspudding in te korte tijd. Ik kwam de kerstverpakking in een vergeten hoekje tegen op een lui moment van geen zin om boterhammen te smeren. ’t Voelde van binnen al snel als zichzelf uitzettende rozijnen die als woekerende schimmels zo snel mogelijk de weg naar buiten weer willen vinden. Een boer komt omhoog & ik lijk mezelf te ruiken. Schakel m’n neus uit om ’t nagekomen bericht weer door te kunnen slikken & wrijf over m’n buik alsof ik de opstandige massa zalvend toespreek.
Ik zal me de hele dag binnen moeten gaan vermaken. Tv, boek, comp, maar dan de hele dag lang.

Ik blijk opeens nergens geduld meer voor te hebben. ’t Boek lukt slechts 10 minuten, tenzij ik mezelf weer in bed leg; de tv slechts als nederlanders op de schaats wereldkampioen kunnen worden; de comp staat er voor nutteloze dingen, waarmee ik me slechts vermaak omdat ’t m’n hoofd op nul zet. Alles is saai & toch vliegen de uren voorbij alsof de ochtend aan de avond vastgeplakt zit. Ik val 3 keer in slaap, maar niet vanwege ziek. Meer om m’n gedachtes weer in ’t gareel te krijgen. Tijdens de vluchtige dromen zweef ik weg naar lang vervlogen landschappen. Ik zou niet meer weten van waar & wanneer ik ze weghaal. Runen, hunebedden, inscripties, vertalingen. Vertalingen die ik m’n vader vertel. Ik lees voor in ’t zweeds, & vervang ’t daarna voor ’t nederlands. Mijn vader vertelt aan toevallige passanten in ’t engels hoe trots hij op z’n zoons is. & Glundert, zoals ik lang niet z’n wangen heb zien schijnen. Ik word wakker.

Terwijl ik opgesloten zit, als je ziek bent hoor je niet de deur uit te gaan, zeker niet als je collega’s voor je afwezigheid op hebben moeten draaien; terwijl de wereld nog kleiner is dan dat ik ‘m de laatste tijd voor mezelf geschapen heb, in mijn pogingen ‘m, uit eigen vrije wil, te beperken tot datgene dat noodzakelijk is, geen cm te veel, of anders in ieder geval geen minuut te lang; terwijl ik opgesloten zit in die 70 m² ruimte, zuigen verre vertes me naar buiten.
Ik stommel door ’t huis, van slaapkamer naar kachel, van bank naar keuken, van wasmachine naar prullenbak, ondertussen lastiggevallen door zandgronden, wandelpaden, scherenkusten, duinpannen. Ik hang de was binnen op aan een uitklapbaar rekje, & ipv dat ik zie dat ik ‘t met knijpers bevestig, staar ik naar handen die ooit een touwtje spanden tussen boom & tent. Ik vul m’n maag met een stukje chocola & stel me voor dat ik in ’t hooggebergte op een rotspunt muesli-koeken zit te verorberen, aangemoedigd door m’n vader (‘Helemaal opeten, want je hebt de energie nodig voor als we hoger willen komen’). Ik zit op een stoel voor de comp & realiseer me dat ik tijdens vakanties slechts zelden op stoelen zit, meer hang op een matje of met benen onder me gekruist in de opening van m’n tent op ’t tentzeil zit.

Gister kwam er een amerikaan de winkel binnen: ‘Hey, you’re in the new edition of All about beer,’ zei hij. ‘Er staat een groot artikel over nederlands bier in.’
‘Ah!’ reageer ik lichtelijk uitgelaten, ‘’’t Artikel is eindelijk geplaatst. Stond er een foto van mij bij?’
‘Well, dat kan ik me niet herinneren. Maar ik weet wel dat jouw gezicht aan de muur van een bierwinkel in Seattle hangt.’
‘Grappig dat je dat zegt. De man die een jaar geleden die foto nam heeft me 2 flesjes bier vanuit Seattle toegestuurd. Ze zijn net gisteren gearriveerd.’ & Ik laat ‘m de 2 flesjes bier zien.
‘That’s just showing how small the world is,’ zegt de amerikaan luid lachend terwijl hij op 1 van de flesjes wijst. ‘De brouwerij die dit bier brouwt staat bij mij om de hoek. Nog geen 4 mile van m’n huis.’

De wereld is klein, maar Zijperspace is een groot universum.