excuus

Wat hier 1st stond heb ik niet geschreven, of, zo men wil, wilde ik hier niet hebben. Was een uitvlucht, een verpakking van de angst. Ik denk dat ik ’t daar maar even bij moet laten. Ik maak me te druk & wil dat niet weten. Lijkt me beter dan een wijl m’n mond te houden. Voordat ik te geforceerd mezelf wil bewijzen. Terwijl ik niets te bewijzen heb.
M’n hoofd loopt over van stukken tekst, verhalen, belevenissen, gedachtes; een weblog alleen zou te weinig ruimte zijn. Ware ’t niet dat ik m’n eigen gedachten bij voorbaat zit te corrigeren & ik ’t toetsenbord niet durf aan te raken. Te veel om te corrigeren. Slechts correctie zou in beeld verschijnen.

We wachten tot de spontaneïteit terugkeert in Zijperspace.

buurjongen

Onze buren zagen er uit als de opa & oma van hun eigen kind Erik. Ze waren altijd al oud geweest, dachten wij. Erik groeide in een zeer beschermde omgeving op, waar ’t over ’t algemeen doodstil was. We wilden liever niet bij hem spelen, als we al werden uitgenodigd daartoe, want z’n moeder kon ’t niet velen als er te veel lawaai werd gemaakt. Carel werd wel een keertje uitgenodigd voor ’t verjaarspartijtje van Erik, maar ik geloof dat-ie al snel weer thuis was. Hij had in ieder geval de kamer van Erik gezien, iets wat ik me niet kan herinneren ooit te hebben mogen aanschouwen.
We hoorden z’n moeder heel af & toe piano spelen. Op zondag, niet langer dan een uur. Dan zeiden we: ‘Zo, de buren zetten de boel weer op stelten. ’t Dak gaat er af.’ Voor de grap deed 1 van de broers net alsof-ie op de muur ramde, terwijl-ie schreeuwde: ‘Kan ’t niet wat zachter! Wij hebben ook onze zondagsrust nodig.’
‘Nou, jongens. Rustig, rustig,’ zei m’n moeder dan. ‘Straks hoort ze ’t nog.’
Maar iedereen lachte.
Als wij te veel lawaai maakten, vaak als m’n ouders de deur uit waren, de radio hard of pakkertje door ’t hele huis, dan kwam de buurvrouw al snel bij ons langs. Ze klopte op ’t raam.
1st Verstopten we ons dan. Deden we net alsof we er niet waren, terwijl we onder de tafels & banken verstopt waren. Maar de buurvrouw bleef kloppen.
‘Jij gaat naar de deur,’ zei 1 van ons.
‘Nee, nou ga jij eens naar de deur, de vorige keer moest ik ook al.’
& We duwden elkaar richting de hal. Uiteindelijk deden we de deur open.
Dan had de buurman of de buurvrouw weer verschrikkelijke hoofdpijn. Ze hadden altijd hoofdpijn als wij aan ’t spelen waren.
De muren waren dun. Dat was wel waar. We konden de buurvrouw horen plassen. Ze mikte precies in de plas water, zodat wij ’t konden horen spetteren.
‘Buurvrouw, niet zo hard. Ik word hier helemaal nat,’ riep m’n oudste broer naar de muur.
‘Nou, Jan,’ zei m’n moeder. Daarna wierp ze een lachende blik van verstandhouding naar m’n vader. Blij dat zij in ieder geval niet zo te horen was, dachten zij.

We speelden wel met Erik, hoewel dat niet altijd van harte ging. Er werd dan aangebeld door de buurvrouw, die Erik in de hand had. M’n moeder kwam dan even later boven op onze kamer met de vraag of de buurjongen mee mocht spelen.
‘Aaah, moet dat?’ zeiden we hard verontwaardigd.
We zijn nooit te weten gekomen of Erik dat onderaan de trap ook kon horen. Hij was veel te blij dat-ie er toch bij werd toegelaten om te gaan klagen.
Erik was een jaar ouder dan Carel. Dus 2 jaar ouder dan ik. Hij was ook veel breder, zelfs een beetje dik. Dat kwam waarschijnlijk omdat-ie altijd stil zat. Mocht geen lawaai maken, dus zat-ie altijd te lezen. Ik hield ook wel van lezen, maar dan moest er wel lawaai om me heen zijn. Anders kon ik me niet concentreren. Bij Erik thuis was ’t altijd stil; zijn ouders hielden niet van spelen. Daarom kon Erik dat ook niet zo goed. Hij was altijd te ruw. Als we gingen stoeien hield-ie je altijd te lang & te strak in een houtgreep. Als-ie ging kietelen stopte hij niet als je ‘genade’ riep. Dan moest er altijd iemand bijkomen om je te verlossen. Erik snapte dat nooit zo goed.
We wilden ‘m niet zo graag erbij hebben als we met ons speelgoed bezig waren. Alles ging altijd sneller kapot.

Als we buiten gingen spelen mocht Erik er wel bij zijn. Erik was toch langzamer dan de rest, dus was ’t makkelijk van hem winnen. We stopten ‘m altijd in de partij van de vijand. Samen met Jeroentje van verderop. Dan wisten we zeker dat wij de sterksten waren. Of als we hutten gingen bouwen op ’t veldje achter de garage. Erik was veel sterker & kon daardoor lekker veel sjouwen. Gingen we daarna oorlogje spelen & mocht Erik desnoods bij ons in ’t leger.
Maar Erik wist niet zo goed in te schatten wat de gevolgen van bepaalde akties waren. Wij wel, we hadden al uitgebreid op elkaar geëxperimenteerd. Daardoor wisten we vrij goed welke dingen te veel pijn zouden doen & welke akties nog net wel konden. De oudere moest altijd minder z’n best doen om de jongere pijn te doen, want de jongere had veel sneller te lijden onder pijn. Terwijl 2 van dezelfde leeftijd erg hun best moesten doen elkaar aan ’t huilen te krijgen. Een logische, ongeschreven regel, maar wij waren wel zo wereldwijs. Erik helaas niet.
Als we oorlogje speelden gooiden we steentjes naar elkaar. Hoewel Ma al meerdere keren had gezegd dat we dat niet mochten.
‘Maar we doen ’t heel zachtjes, hoor.’
& Toch mocht ’t niet.
& Toch deden we ‘t.
Als je geraakt werd door een steentje van de vijand, dan was je dood. Je moest tot 20 tellen voordat je weer mocht leven.
Ik had m’n broer & Erik in ’t nauw gedreven. Zij zaten opgesloten in de hut, die we die middag gebouwd hadden. De hut bestond uit 3 muren van losse bakstenen, die de bouwvakkers daar hadden achtergelaten. Ik had me onder de muur van de hut verstopt, ik zou straks plots tevoorschijn springen & ze allebei tegelijk uitschakelen. Dan had ik gewonnen. Zo was m’n plan.
Ik was vergeten dat Erik niet zo goed kon spelen. Dat-ie niet zo goed wist wat wel kon & wat niet. Hij wist bijv niet dat een baksteen groter was dan een klein steentje. Misschien wist-ie dat wel, maar wist-ie niet dat een baksteen een ander effekt had op ’t hoofd van een klein kind. Misschien dat-ie ’t wel 1st op z’n eigen hoofd had uitgeprobeerd, dat zou best kunnen, maar was-ie vergeten dat ik toch 2 jaar jonger was. Misschien had-ie er ook geen rekening mee gehouden dat de baksteen meer schade kon aanrichten als-ie van een meter hoog op een hoofd zou vallen, ipv van dat-ie lichtjes z’n eigen voorhoofd ermee toucheerde.

Ik sprong meteen op. Hoewel een beetje duizelig. ’t Werd me rood voor de ogen, maar niet van die duizeligheid. Vooral van ’t bloed dat meteen overal zat. Ik wreef m’n handen over m’n hoofd & die zaten meteen onder. Ik krijste. M’n broer & Erik keken verbijsterd. Erik ook vol schuldbesef. Ondertussen droop ’t bloed al via m’n kleren op de grond.

Erik mocht een tijdje niet meer komen spelen. Hij heeft nog wel een autootje gebracht. Om spijt te betuigen. Ik vond dat autootje niet veel aan. Wat moest ik daarmee als ik de hele tijd in bed moest blijven liggen? Ik kon er hooguit over de heuvels van m’n opgetrokken knieën mee crossen.

Terwijl Zijperspace een gat rijker was geworden.

italiaantjes

3 Kleine italiaantjes. Ik schatte ze een jaartje of 18. Niet ouder. Met z’n 3-en op stap in de grote stad die Amsterdam heet, waar iedereen toeristen aanspreekt in ’t engels. 2 Van hen wisten niet meer in die taal uit te brengen dan ‘yes’, ‘no’ & ‘bye’. Voor de rest wisten ze niet beter dan op hun borst te kloppen & te wijzen naar ’t flesje bier dat ze voor m’n neus hadden neergezet om aan te geven dat zij dat flesje wilden aanschaffen. Maar 1st wilden ze 10-tallen antwoorden op evenzoveel vragen. Daar hadden ze de vertaal-capaciteiten van de 3e jongen voor nodig. Die wist nl zelfs zinnetjes uit te spreken als ‘how much does that cost’, ‘do you also have this in a big can’ & ‘we want a typical dutch beer’.
Terwijl ze voor me stonden & met elkaar flink in ’t italiaans aan ’t discussiëren waren over wat & hoeveel, in zoverre ik dat kon opmaken uit hun praten & gebaren, zag ik door ’t raam 2 marokkaanse mannen luidruchtig de winkel naderen. ‘Die komen bij de Albert Heijn vandaan,’ dacht ik onmiddellijk, waar alle junks & dealers kantoor houden. ‘Ze hebben vast weer ruzie over de hoeveelheid pillen/geld die ze elkaar schuldig zijn.’
‘Hé, jongens,’ zei ik ogenblikkelijk toen ze de deur opendeden, ‘nu houden jullie onmiddellijk je mond dicht, of jullie komen de winkel niet binnen.’
‘Jaja, natuurlijk, meneer. We hebben alle respekt voor u. Wij zullen ons mond houden, meneer. We willen niet dat u last van ons heeft.’
In een poep & een zucht stonden de mannen buiten.
De italiaanse jongens waren in de tussentijd naar ’t bovengedeelte van de winkel gevlucht. Ik kon nog net zien dat ze alle handelingen beneden nauwlettend in de gaten hielden. Zogauw de 2 marokkanen de winkel uit waren, kwamen ze weer naar beneden. Weer een paar vragen stellen.
Ze waren ’t nog niet met elkaar eens. De flessen die ze van boven hadden meegenomen maakten dezelfde reis weer terug, kwamen weer in ’t schap terecht & de 3 jongens discussieerden verder over wat ze wilden aanschaffen.

Plots viel een italiaanse man binnen. Hij kon de vader van de jongens zijn, dacht ik, of anders hun docent. Hij had een sportieve rode baseballpet op, z’n sjaal nonchalant over z’n schouders geslagen, een wijde broek aan. Z’n blik stond alleen op onrust.
Hij liep meteen richting de jongens, die van boven de winkel ‘m binnen hadden zien komen. Hij praatte italiaans tegen de jongens, ik verstond er niks van, maar de jongens keken meteen verontrust. Ze klopten op hun jaszakken, ten teken dat ze niks bij zich hadden, zo begreep ik, & mompelden wat tegen de man. De man praatte gehaast verder, blijkbaar lichtelijk van streek. De jongens keken schuchter naar wat de man te vertellen had, maar gaven bijna geen kik.
De man gaf de moed op, keerde zich om richting uitgang & zag mij staan.
‘Oh, meneer,’ zei hij langzaam dichterbij komend, ‘m’n vriend heeft al m’n geld meegenomen. Kan ik misschien bij u bellen?’
‘Nee, sorry, dat gaat niet,’ antwoordde ik, & zo schijnheilig mogelijk voegde ik er aan toe: ‘Maar voor de Albert Heijn staan enkele telefooncels. Daar kan u bellen.’
‘Ohohohohoh, m’n vriend, m’n vriend. Waarom heeft-ie m’n geld meegenomen?’
Terwijl de man naar buiten liep, kwam de volgende klant alweer binnen. Ditmaal een bekend gezicht. Hij zette z’n lege flessen voor me neer & haalde enkele flessen uit de koelkast. Ondertussen kwamen de jongens bij me aan de kassa met hun uiteindelijke beslissing. Ik rekende met ze af.
‘Did you know that man?’ vroeg ik ze.
‘No,’ antwoordde de meest welbespraakte van de 3, ‘we met him 5 minutes ago.
‘What did he want?’
‘He asked us some money.’
‘Never give money to people like him.’
Ontstelde ogen. Ze begrepen wat ik bedoelde. Snel heen & weer gefluister tussen de 3.
‘He’s using it for drugs. Be careful with this man.’
‘Yes, yes, yes.’
‘And don’t go sitting in front of the supermarket. That’s where you meet these people. Go into the other direction.’
‘Yes, we do.’
Ze liepen de winkel uit. Met elk een fles bier. Ze liepen de kant op die ik hun gewezen had. Maar 1st keken ze om zich heen of ze hun landgenoot ergens konden bekennen. Snel liepen ze richting Singel.

De vaste klant stond voor me.
‘€ 4,10,’ zei ik dat-ie moest afrekenen.
Hij zocht in z’n portemonnee. Bestudeerde elk muntje.
‘Ik kan ’t niet zien hoor,’ zei hij, ‘ik heb m’n leesbril niet op. Dan kan ik die euro-muntjes niet onderscheiden.’
Ha, dacht ik, eindelijk weer een lekker ontspannen hollands onderwerp om ’t over te hebben.
& We praatten erover hoe snel een mens bijziend kan raken als-ie ouder wordt.

’t Hart moet doorkloppen in Zijperspace.

obsessief

‘Een writer’s block is als je bang bent om na te denken.’
‘Ben jij bang om na te denken, dan?’
‘Ik zoek in ieder geval allerlei mogelijkheden om dat vooral niet te hoeven. Ik ga bijv allemaal nrs downloaden via Kazaa. Ik ben al 2 dagen, nee, misschien wel 3 dagen bezig om 4 cd’s van ’t internet te halen. Om ze kompleet bij elkaar te krijgen. Om ze vervolgens heel nauwkeurig te systematiseren. Elke minuut die ik vrij had heb ik er afgelopen dagen aan besteed.’
‘Dan denk je dus niet na?’
‘Eigenlijk is alles wat ik doe een poging om niet na te hoeven denken. Dat schrijven zelf ook. Ik ga voor ’t toetsenbord zitten & laat alles eruit lopen wat in m’n hoofd zit. ’t Is dan eigenlijk een kwestie van moeten. Heel obsessief. & Omdat ’t moet, denk ik ook niet na. Alles dat moet dat is ’t uitvoeren van een opdracht, daar heb je geen motivatie voor nodig. Ik denk dus niet na over m’n motivatie, denk niet na over wat ik ermee wil. 1st Moet alles er op staan, dan pas mag ik m’n gedachten erover laten gaan.
Maar ’t vervelende is dat ik vantevoren een onderwerp moet hebben bedacht. & Dat kost moeite. Want ik denk de hele tijd dat ik mezelf zit te herhalen.’
‘Dat valt toch wel mee?’
‘Nee, dat valt niet mee. Ik merk ’t meteen als ik een zinnetje op precies dezelfde manier schrijf als eerder. Of als ik een woord alwéér gebruik. Ik irriteer me de laatste tijd bijv mateloos aan ’t gebruik van ’t woord ‘momenteel’. Niemand die door heeft dat ik ’t woord zo vaak gebruik, maar ik wel. Als ik ’t bijv wil vervangen door ‘nu’, blijkt dat ik dat woord helemaal niet vind klinken. Probeer ik vervolgens ‘op dit moment’, dan word ik na 1 keer al onpasselijk van die combinatie. Dus ga ik opeens alles in de verleden tijd zetten. Om dat woordje maar niet te hoeven gebruiken.
Maar dat is als ik een woordje meerdere malen gebruik. Dat kom ik tegen als ik de hele tekst al klaar heb. Veel erger is dat ik m’n eigen gedragingen konstant zit te herhalen in die teksten. Over hoe ik met vrouwen omga bijv. & Dan weet ik best dat ’t grappig is om dat te lezen, maar ik denk continu dat ik betrapt ga worden op herhaling van mezelf. & Als ik die gedachte heb, denk ik weer dat ’t juist goed is om steeds weer jezelf te herhalen, als je elke keer maar een kleine variatie op ’t thema weet te verzinnen. Dan maak je de compositie van je eigen leven. Met motieven & thema’s die steeds weer terugkomen. Net als Ozu, maar die ken je waarschijnlijk niet.’
‘Maar je zegt net dat je niet nadenkt als je schrijft.’
‘Nee, dat doe ik vantevoren dus. De hele dag maalt ’t door m’n hoofd. Alles wat ik tegenkom is een mogelijk onderwerp. Je moet uitkijken als je met mij over straat loopt, of een praatje maakt, want voor je ’t weet ben je een onderwerp geworden. Maar de hele dag ben ik bang dat ’t weer ‘ns niks zal worden. Ik zit de hele dag in een konstante stress; ben steeds bang dat ik een writer’s block zal hebben. & Aan ’t eind van de dag heb ik toch weer 2 stukjes geschreven.’
‘Maar schrijf je dan niet voor jezelf? Je verdient er toch geen geld mee; er is niemand die je verplicht 2 stukjes per dag te schrijven.’
‘Ja, dat ben ik zelf dus. Omdat ik weet dat als ik mezelf die verplichting niet opleg, ik ’t ook niet doe. Toen ik laatst net m’n nieuwe comp had, maar daar nog geen internet-verbinding mee had bewerkstelligd, toen heb ik al die tijd dus geen woord geschreven. Omdat ik toch geen publiek had. Van kindsbeen af wil ik schrijven, maar ik weet dat als niemand ’t leest, ik ook geen zin heb om te schrijven. Ik hield vroeger dagboeken bij, waarvan ik altijd zat te denken dat later anderen die zouden lezen. Maar ’t was zo nietszeggend die dagboeken te vullen & niemand te hebben die ’t op dat moment las. Dus liet ik ’t maar aan goede vriendinnen lezen. Had ik in ieder geval een publiek om voor te schrijven.
& Om tegenwoordig zoveel mogelijk mensen zover te krijgen mij te gaan lezen, laat ik 2-maal per dag merken dat ik iets geschreven heb, door iets geschreven te hebben. Snap je?’
‘Nee.’
‘Als ik die zekerheid inbouw dat er 2 keer per dag een vers stukje staat, dan gaat de lezer op een gegeven moment ook 2 keer per dag kijken. Ze weten dat ze elk moment van de dag een kijkje kunnen nemen om iets nieuws te lezen. Nou doen ze dat natuurlijk niet, ’t zijn vooral mensen die zoekmachines gebruiken die bij mij terecht komen, maar als ik mezelf die discipline maar opleg, dan komen de lezers uiteindelijk vanzelf. & Anders is ’t een goede manier om mezelf voor de gek te houden. Bij mij werkt ’t in ieder geval.’
‘Ja, want daardoor zit je dus de hele dag in de stress dat je mogelijk geen stukje zou kunnen schrijven.’
‘ Maar eigenlijk is dat ’t mooie dan weer, als ik klaar ben met schrijven, de hele dag mezelf suf gepiekerd heb wat ’t nou zou moeten worden & dan uiteindelijk van mezelf vind dat ik een goed stukje geschreven heb. Dat geeft een erg lekker gevoel. Vooral als ik dan weet dat een paar mensen ’t ook gaan lezen. Al dat gezever met mezelf heeft dan toch iets opgeleverd.’

Een ½ uur later begint ’t weer van voren af aan in Zijperspace.

rook

‘Ik heb nu opeens best wel trek om wat te roken,’ zei Rachel.
‘Hoelang rook jij nou niet meer dan?’ vroeg ik.
‘Ong zo’n 3 jaar.’
‘Ik heb er allang geen last meer van.’
‘Ik ook meestal niet, maar nu opeens, nu we hier zitten, heb ik er opeens best wel trek in.’
‘Na 2 weken had ik er al geen behoefte meer aan.’

We zaten aan een tafel met minstens 3 anderen. ’t Wisselde een beetje. Soms kwam er iemand aanzitten om te zien hoe ’t de 2 heren afging in de backgammon-competitie. & Onderwijl werd er flink gerookt. In ’t hele café. Alle tafels waren bezet met rokende backgammon-spelers.
Tegenover ons draaide een jongen een flinke joint voor de speler die naast ‘m zat. Z’n tegenstander, naast Rachel gezeten, draaide er zelf 1 tijdens ’t spelen. De aansteker werd over & weer gegeven, om de stuff daarmee wat beter te kruimelen te maken. & Vervolgens ging de fik er in. De toeter werd doorgegeven. Maar bleef vooral bij de spelers zelf hangen. Te geconcentreerd op ’t spel om door te hebben dat ze ‘m in de hand hadden.

‘Maar dan ruik ik de rook, als ik hier binnenkom,’ ging Rachel verder, ‘& dan vind ik ’t zó lekker ruiken. Terwijl ik dat ergens ander nooit heb. Helemaal nooit behoefte aan. & Nu opeens wel. Heb jij dat nooit?’
‘Nee. Totaal geen behoefte. Ik vind ’t lekker ruiken, hoor, maar ik denk er gewoon niet aan om weer te beginnen.’
Plots deed de jongen tegenover ons, hij had de joint bijna gedraaid, z’n mond open. Z’n blik ondertussen niet afwendend van ’t kunstwerk dat-ie aan ’t bouwen was. ’t Werd een toeter van ong 10 cm.
‘In Amerika kan je als je op straat rookt al een bekeuring krijgen.’
‘Nou, dat zeg je nou,’ zegt de man aan de andere kant van de speler, ‘maar ik las laatst dat mensen in Amerika een contract voor een huis moeten tekenen, waarin staat dat er in ’t hele huis, dus zijzelf & ook alle gasten die ze over de vloer krijgen, niet mogen roken. Hebben ze zelf dat huis gekocht, maar er mag nergens gerookt worden.’

‘Leuk, hè,’ zei ik zachtjes tegen Rachel, terwijl ’t onderwerp roken verderop aan tafel verder werd uitgediept, ‘heb je een onderwerp aangesneden & ’t gaat z’n eigen leven leiden.’
Rachel lachte, terwijl de jongen tegenover ons verder praatte. De rest van de tafel luisterde niet meer naar ‘m, waren te veel verdiept in ’t onderonsje dat naar aanleiding van ’t roken was ontstaan, maar de jongen ging zonder publiek gewoon verder. Tijdens ’t praten hield-ie z’n ogen gericht op de joint die bijna gereed was. Hij streek nog een paar maal over ’t vloeitje & maakte ’t op enkele plekken nat.
‘& Als je in Amerika over straat loopt dan raak je veel meer vergiftigd dan dat je een peuk opsteekt.’ Hij keek ons voor ’t gemak maar aan, z’n enige publiek. ‘Dat is toch zo? Ook als je hier over de Overtoom fietst & er passeren 4 vrachtwagens, dan kan je ook geen adem meer halen.’
We knikten een beetje van ‘ja’.
‘Dan kan je beter een paar peukies per dag roken dan dat je je laat vergifitigen door de uitlaatgas van vrachtwagens.’

Rachel & ik veranderden van onderwerp. De jongen gaf de joint door. De mannen speelden ’t spel. De toeschouwers waren stil.

Tussen enkele biertjes door ging ik naar de wc. ’t Rook er nat. ’t Rook er naar de Bliksem, ’t café waar ik 10 jaar eerder achter de bar stond. Een mengeling van lekkage, joints & wc.
Ik liep weer naar de bank waar Rachel zat & besefte me dat ik me thuis voelde in dit aftandse café, waar de gemiddelde leeftijd minstens 10 jaar boven die van mij lag. Er werd thee met honing & citroenjenever gedronken & verderop zat een man aan z’n 3e borrel in een cola-glas. De postbodes stonden aan de bar hun pils & cola te drinken.
Ik ging zitten & keek waar de joint zich bevond. De barman bracht z’n zakje stuff naar de engelstalige vrouw een paar plaatsen van Rachel verwijderd & zei: ‘You take it. I don’t need anymore. You bring it home.’ De volgende joint werd gedraaid.
Nog steeds had ik geen zin om te roken.

Maar ik rook wel wat vroeger was in Zijperspace.

zonder titel

Ik schrijf
verhalen, vele afleveringen
als dikke bomen die ’t bos vullen.

Wie
evenaart mijn breedsprakigheid,
wie heeft ’t vermogen
de taal uit te spreiden
als ik?

Misschien, nee, ik weet wel zeker,
m’n vader heeft
’t altijd al breed laten hangen
zich ijverig voortgeplant.

Ik heb
hem altijd
al beter willen
leren kennen.

Elke keer als
ik een zin hoorde
meer dan slechts een woord
vervulde ’t mij.

Om die vervulling
op papier te krijgen
heb ik
aan dit papier
niet genoeg.

(In navolging van Luna)

Zo doet men in Zijperspace ook nog een beetje aan hergebruik.

onder/bovenkantkwestie

Waarom heeft iets een onderkant & een bovenkant?
Eigenlijk beschouw ik dat nogeneens als de essentiële vraag, de vraag waar ik me momenteel druk om maak, want ’t antwoord er op is niet echt belangwekkend. Men zal al snel de oplossing ter berde brengen dat de zwaartekracht er vast iets mee te maken heeft. ’t Is dan ook niet dat ik ’t me afvraag vanwege de fysieke aanwezigheid van & eigenschappen ten gevolge van zwaartekracht bij een ‘ding’, & hoe dat ‘ding’ zich daarin opstelt, maar meer waarom ik me zo makkelijk conformeer aan de gedragingen van ’t ‘ding’. Als ik ’t ‘ding’ omkeer is boven onder geworden & onder boven. ’t Blijft ‘tzelfde objekt & als ik ’t in m’n mond stop zal ik er waarschijnlijk op dezelfde manier van genieten. Of juist niet, maar ook dat is niet afhankelijk van de wijze waarop de onderkant zicht manifesteert als onderkant & de bovenkant als bovenkant. Zo is mijn vermoeden althans.
& Toch at ik van de taart die ik zojuist nog in m’n handen had 1st de bovenkant op om vervolgens de onderkant, te herkennen aan de bodem die er in verwerkt zit, te genieten (overigens valt de bovenkant vaak te herkennen aan wat decoratieve krulletjes, eventuele tierelantijntjes in de vorm van kersjes & chocolaatjes, & bruin- tot zwartgeblakerde randen; deze verschijnselen doen zich in meer, dan wel mindere mate voor naar gelang de kok beschikt over creativiteit & kennis over ’t bereiden van taarten). Op gegeven moment deed zich zelfs de situatie voor dat de punt (in die vorm pleegt men de taart per consument over ’t algemeen te snijden), of wat daar van over was, gekanteld op m’n bordje lag; de onderkant lachte me ootmoedig tegemoet. Mijn dwangmatig ik liet zich niet van de wijs brengen: tijdens de reis richting mond kantelde m’n hand als vanzelf de lekkernij, waarop de bodem van dit heerlijks pas als laatst m’n smaakpappillen mocht aktiveren. Lichtelijk verwonderd keek ik toe.
Neemt u van mij aan: de aard, de smaak van de bodem, valt wel degelijk te onderscheiden van de rest van de taart. Maar in mijn enthousiasme over zoveel genot schrans ik grote happen achter elkaar naar binnen, vermaal ’t gezwind, om zo snel mogelijk tot de essentie van dit euforisch gevoel te komen (‘oh, wat lekker, oh wat lekker,’ repeteert ’t door m’n hoofd), waardoor de voorheen zo knapperige bodem deel wordt van ’t groter geheel, waarbij geen onderscheid gemaakt wordt tussen wat ooit boven was & wat ooit beneden.
Ik bedoel hiermee te zeggen: ik ben me wel degelijk bewust van ’t feit dat ’t onzin is de bovenkant 1st te consumeren. Ik zou zelfs kunnen beweren dat de taart nog beter genoten kan worden als de bodem als 1ste richting darmsysteem wordt gestuurd, daarbij zorgvuldig ontdaan van dat wat eens zijn bovenkant heette te zijn, ’t gedeelte waar de taart zijn naam aan ontleent (als bijv kwark, rijstevlaai, perzik, monchou, kaas, wortel of misschien wel bananen), maar ’t lijkt me onzin daaraan te beginnen. Ik wil slechts de ogenen openen, vooral die van mezelf, & er bewust van worden dat ik mij al jaren onbewust belast met iets wat totaal niet zo had hoeven zijn.

Mits er geen zwaartekracht was in Zijperspace.

eeuwigdurend

Een hagelbui ging daarnet over de laatste restjes sneeuw in m’n tuin. Natte, plakkerige hagel was ’t in ’t begin vooral. De restanten van de harde korrels aan ’t eind van de bui liggen er nog, de rest is verdwenen, is veranderd in een druipend laagje, de druppels rollen van de spaarzame takken in m’n tuin, dat m’n hele tuin bedekt. Als bewijsstukken van hun vernietigende werking. ’t Plakje sneeuw achterin m’n tuin is vergeleken met een uur geleden gehalveerd. Bij ’t openen van de gordijnen vanochtend vroeg ik me nog af hoelang dat laatste beetje sneeuw ’t nog uit zou houden. ’t Deed me weer beseffen dat sneeuw eigenlijk ’t meest tijdelijke van de weersverschijnselen is. Zeker in Nederland. Hoewel ’t bij ’t neerdalen uit de hemel een totaal andere indruk geeft.
Ik zag gister een jongetje op tv. Ihkv ’t huwelijk van onze troonopvolger vielen er kleine hoeveelheden confetti op ‘m neer. Buiten beeld werd ’t vanaf een balkon over ‘m heen gestrooid. ’t Leek een kleine sneeuwbui. Hij deed z’n armen wijd, handen open, hij richtte z’n hoofd ½ omhoog & liet alles op ‘m neerkomen. Hij had een houding alsof-ie elk moment omhoog kon duiken, de bron van de bui tegemoet. & Nooit meer terugkomen, dacht ik erbij.
Ik zag mezelf als klein kind, verwonderd buiten staan tijdens de 1e momenten van sneeuw. Met ’t hoofd omhoog liet ik alles over me heen komen. Verstild stond ik temidden van miljoenen wazige vlokjes, allemaal precies eender, maar toch elke keer weer een ander die m’n hoofd aanraakte, of plots m’n lippen licht toucheerde, m’n mond binnenglipte. Zo ver als m’n ogen konden reiken vielen er vlokken richting aarde. Als ik naar boven keek was er een oneindigheid van draaikolkende elementjes sneeuw, duizelingwekkend grote hoeveelheden vielen traag de wereld tegemoet. Wit, wit, wit, met op de achtergrond een zweem van grijs, waar je ’t wit niet meer kon onderscheiden als zelfstandige eenheden. Des te langer ik keek naar die continue stroom van zachte koude dons des te oneindiger ’t me toescheen, & des te meer ik daar onderdeel van werd. Ik dook ’t diepe in.
Sneeuw is eeuwigheid, bedacht ik me afgelopen weekend. ’t Geeft ’t gevoel dat alles ‘tzelfde zal blijven. De wereld wordt bedekt met een laagje immerdurende conservering. Wat er onder ligt zal niet meer veranderen. Altijd onherstelbaar wit. De wereld is beperkt, want alles lijkt op elkaar. Er is slechts onderscheid tussen hoog & laag, bobbel & kuil.
& De mensen proberen ’t te ontvluchten door zo snel mogelijk, indien de sneeuwse gladheid hen in die vaart niet tegenhoudt, terug naar huis & haard te keren. Onderweg een aanval van neerwaartse projektielen van boven verdurend. Hoeveel getrommel op ’t hoofd met watten kan een mens verduren, voordat-ie geveld wordt?
Bij sneeuw zie ik mezelf weer door de storm heen ploeteren. Heroïsch de kranten in mijn wijk bezorgend. De verschrikkelijke sneeuwman voelde ik me, als ik tuin in tuin uit de brievenbussen afging. Volledig bedekt met een onherkenbaar makende laag sneeuw, kon ik in de weerspiegeling van de ramen zien. Schuin vooroverleunend probeerde ik meer kracht te bieden dan de stormende wind die me liever de andere kant op over de gladde ondergrond zag glijden.

Maar niets is wat ’t pretendeert te zijn. Of blijkt uiteindelijk de kracht te hebben die ’t in z’n 1e verschijning deed voorkomen. De sneeuw verdwijnt sluipend traag uit ’t wereldbeeld, verandert 1st in modderige zwart-omrande druilerige heuveltjes. Waar ’t vlak is hooguit een natte stoep. Sneeuw is slap, geeft snel de moed op, verandert in hopen zwartgallige nattigheid.

& Is uiteindelijk weg uit Zijperspace.

doorgaat

’t Enige excuus dat ik had was dat Wieneke in ’t zwart gekleed was.
‘Zwart kleedt af,’ zei ik tegen haar,’dat weet je toch?’
Maar eigenlijk moest ik gewoon bekennen dat ik er geen oog voor heb. Ja, de dikke buik van Kika, die kon ik nog wel herkennen. Die stond dan ook recht naar voren. Voor de rest heb ik er blijkbaar geen oog voor. Zowiezo, vrouwen. Ik zie ze wel staan, op m’n werk ren ik op ze af om ze te helpen, ik begluur van top tot teen zonder dat ze er iets van merken, maar doorhebben doe ik ze niet. Ik kan me niet voorstellen dat ik ooit met zo’n wezen een relatie zal krijgen. Vroeger wel, daar niet van, maar die fase in m’n leven is allang weer voorbij.
Berdien vroeg: ‘Hoe zit ’t met je liefdesleven?’
Nog maar de 3e keer deze week dat die vraag aan me gesteld werd. ’t Zijn ook altijd vrouwen die deze vraag belangstellend kunnen voorleggen. Zonder bijbedoelingen. Ga ik bij dit soort gespekken altijd vooralsnog van uit. Omdat ’t zo vriendelijk belangstellend is van de vrouwen die dit soort vragen stellen ga ik er altijd op in.
‘Liefdesleven? Waar gaat dat over? Kan je dat spel met meerdere personen spelen?’
Berdien lachte.
‘Doe jij er dan wel aan?’ vroeg ik haar.
‘Nee, ik weet eigenlijk ook niet meer wat ’t is.’
Voor de rest laten dit soort vrouwen me over ’t algemeen ongemoeid. Ik hun ook. Ons soort denkt dan niet meteen aan relaties met elkander.

’t Is overigens een hele kunst om in een drukke kroeg niet met vrouwen in aanraking te komen. Ik mag van mezelf ze heus wel aanraken, ik zal ook wel moeten in die allemachtige drukte die de laatste tijd meer schering is dan inslag, maar alles met beleid. Terwijl ik met de vuile glazen met m’n linkerhand geklemd tegen m’n borst loop, leg ik subtiel m’n hand aan de zijkant van de schouder van iemand die net iets te veel in de weg staat. Helpt. Men neigt automatisch een stapje naar voren. Bij vrouwen voel ik dan de bh-bandjes door de trui of shirt heen. Ik trek me daar niks van aan, ’t doet me niks, want dat mag ik nl niet van mezelf. Ik zal de laatste zijn die in die massa mensen z’n lichaam tegen de borsten van een vrouw aandrukt. Behoedzaam keer ik m’n lichaam om, zodat de boezem langs mijn rug onvoelbaar aan mij voorbijgaat.
Begrijp me goed: niets zo mooi als de buste van een vrouw, maar men zal mij niet betrappen op ’t opzettelijk in kontakt treden daarmee. Tenzij we er allebei van weten. Meestal is dat dan echter ’s avonds laat. Niet in de kroeg. Zeker niet op m’n werk.

Dus zei ik tegen Kathelijn: ‘Subtiel, hè?’ toen ik haar schouders zachtjes liet weten dat ik even moest passeren met m’n stapels glazen. Ze keek nl lichtjes verbaasd.
‘Nou, je doet me anders behoorlijk pijn. Je nagels staan er in.’
Alsof ik niet door had dat ze een grapje maakte, ging ik er op in. Gelukkig wist zij me bijtijds de mond te snoeren. Die stomme mannen, die altijd maar alles serieus nemen; dat gezicht trok ze erbij.
‘Maar hé, is Ilse dan niks voor jou?’ vroeg ze me plots.
‘Hoezo?’
Altijd doen of m’n neus bloedt. Beste oplossing. Stel je voor dat ze nog wat gaan denken achter dat geflirt van me. Tuurlijk wist iedereen van ’t Paradiso-personeel (ga ik niet uitleggen, maar ga er voor ’t gemak van uit dat Kathelijn, Ilse & hun gezelschap allemaal bij Paradiso werken & dat ze zo af & toe bij mij wat komen drinken) dat Ilse m’n speciale aandacht had. Altijd, al tijden, met overdreven toewijding. Klein, fragiel meisje; lacht leuk. Ik kan gewoon niet anders zogauw ik haar zie.
‘Ilse is alleenstaand,’ ging Kathelijn verder, ‘jij toch ook?’
Dat soort dingen vallen dus direkt van m’n gezicht te lezen, schijnt. Of anders wel heel makkelijk af te leiden van de aandacht die ik kleine fragiele meisjes die leuk glimlachen geef.
‘Ja, ik ook. Maar dat ben ik al jaren, hoor. Dat wil niet zeggen dat ik zomaar wat met Ilse zou willen.’
‘Maar ze is heel leuk hoor. Nou werk ik niet zo vaak met haar, ze werkt nu 1maal op andere dagen dan ik, maar ik weet dus wel dat ze al een tijdje vrijgezel is. Als jij nou ‘ns wat langer doorgaat. Want dat heeft ze nodig. Zij heeft iemand nodig die, zeg maar, ‘doorgaat.’
Dat ‘doorgaat’, dat zei Kathelijn met een speciale nadruk. Daar zat de krux.
‘Oh, maar dan is Ilse eigenlijk net als ik. Ik zet ook nooit door. Dat moeten vrouwen altijd bij mij doen.’
‘Oja?’ Kathelijn keek me even in de ogen. Helaas, er zat weer ‘ns geen verkeerde bedoeling achter die blik. Geen moment van verzinken in mijn toch zeker niet onprettige ogen (dat laatste heb ik me ooit laten wijsmaken; wederom was er toen een vrouw in ’t spel).
‘Weet je wat ik dan ga doen?’ ging Kathelijn verder. Serieus, ze had ’t masterplan al helemaal in haar hoofd. ‘Als we dan straks met elkaar aan ’t eten zijn, dan vertel ik aan Ilse dat jij echt een man bent die behoefte heeft aan een vrouw die ‘doorgaat’. Want dat is ’t woord voor vanavond: ‘doorgaan’.’
Weer die hele mooie extra nadruk op ‘doorgaan’. Kathelijn weet goed te doseren. Met tegelijkertijd ondeugende ogen. Daar moest ik echter niet naar kijken, want waren vast niet voor mij bedoeld.
‘Ja, maar dan moet je natuurlijk niet vertellen dat wij ’t er al eerder over hebben gehad.’
‘Nee, tuurlijk niet.’
Kathelijn trok een gezicht van ‘die gozer snapt ’t fijne er ook niet van’.
‘Is goed. Dan merk ik ’t de volgende keer wel.’
Met m’n rechterhand drukte ik ’t volgende bh-bandje opzij. Ik moest er langs met m’n glazen. Achter de bar stonden m’n collega’s op schone glazen te wachten.
‘Goed. ‘Doorgaan’ is ’t woord,’ zei ik nog even luid terwijl ik me van Kathelijn verwijderde. ‘Doorgaan.’

Tot we ’t einde zien van Zijperspace.

a-a-a-a-a-a-a

Er was vooral 1 ding zeer irritant. Ik probeerde ’t voor mezelf een hele tijd te ontkennen. Alsof ’t niet bestond, of dat ’t me eigenlijk niets deed. Maar ’t was er wel degelijk. ’t Liet duidelijk van zich horen.
Ik weet eerlijk gezegd niet hoe anderen ’t ervaren hebben, ik heb er voor de rest m’n mond over gehouden (’t zou wel weer iets van mij zijn, dacht ik), maar bij mij ging ’t door merg & been.
Ik heb ’t ook meermaals proberen weg te drukken. Niet alleen mentaal. Ook daadwerkelijk door de deur toe te duwen. Maar de drenger, een zeer eigenwijs exemplaar, die blijkbaar achterstevoren was gemonteerd, dwong ‘m weer open te springen & van voren af aan te beginnen. Tergend langzaam viel-ie vervolgens dicht, met blijkbaar bijbehorend gekerm.

We maakten vroeger zelf een soortgelijk geluid. In ’t kader van een sterfscene. Cowboytje of riddertje, vaak ook tijdens oorlogje. Kwestie van hoofd ietsjes achterover, de keel kwam dan goed open te staan, mond wijd, & dan langzaam ‘aaaaaaaaaaaaaaaaa’ eruit tevoorschijn laten komen. Zoals je ’t bij de huisarts altijd moest doen, maar dan langzamer & met horten. Kleine luchtstootjes gevuld met ‘a’.
’t Mooiste beeld schiep je, ’t had een bepaalde uitstraling van echt, als je daarbij ½ uit bed lag. Benen hingen er nog net in, hoofd op de grond, ogen dicht, armen wijd uitgeslagen. Alsof je net neergeschoten was.
‘A-a-a-a-a-a-a-a-a-a-a-a-a-a.’
We konden er uren mee bezig zijn. Soms lagen we met z’n 3-en dood te zijn.
Totdat 1 van m’n ouders binnenkwam. Dan sprongen we snel op.
Of we hielden ’t niet meer van de slappe lach.

Bij een deur, een toiletdeur, is ’t een uitermate irritant geluid. ’t Was meer dan slechts ruis, een behang van op de achtergrond plaatsvindend geluid, zoals muzak in een warenhuis, een aanwezigheid van een objekt dat toevallige beweegt. Zeker als je er vlak naast staat, vlak daarvoor nog in de veronderstelling verkerend dat je zou gaan genieten van ’t geluid van ’t leeglopen van je blaas.
Om er sneller van af te zijn poogde ik sneller te plassen. Voordeel was dat ik daardoor de weg naar beneden, ’t toilet was boven de hoofden van de café-bezoekers gesitueerd, eerder kon ondernemen, met 2 tredes tegelijk repte ik me naar de bijeenkomst, maar door de onrust die de haast veroorzaakte, kon ik, beneden gekomen, weer op m’n plekje gezeten, ogenschijnlijk rustig genietend van de verder vorderende conversatie, m’n gedachten niet afhouden van de deur die ondertussen weer bezig was langzaam dicht te gaan. Met alles wat daar bij hoorde.

Men mag van mij aannemen dat ik werkelijk alles er aan gedaan heb om van de innerlijke wrevel af te komen. Zoals ik reeds vertelde heb ik geprobeerd de deur toe te duwen. Bij een volgende toilettage heb ik de deur met m’n been in bedwang gehouden, maar door de dreiging dat een dame ’t tegenoverliggend hokje zou bezoeken (de immer voortdurende preutsheid), & mij in die vreemde staande houding zou aantreffen, onderwijl rustig (schijnheilig) fluitend m’n behoefte lozend, zag ik daar snel vanaf. Een volgend treffen met de deur heb ik aan allerlei vieze dingen gedacht. Ik kan u verzekeren: dat plast meteen een stuk moeilijker. Vanwege ’t uitblijven van succes heb ik ook deze truuk beperkt tot slechts 1 poging. Vervolgens heb ik ook nog hardop alle gebedjes proberen op te zeggen die ik als kind met m’n ouders vlak voor slapen gaan heb gebeden. Ik kwam niet verder dan ‘weest gegroet, Maria’. & Tenslotte heb ik de Zen van ’t staande plassen proberen uit te diepen & bedacht me daarbij dat ik toch ooit nog eens aan ‘Zen en de kunst van het motoronderhoud’ moest beginnen. Wederom had ik geen succes; ik had inmiddels te veel gedronken om aan dit onderhoud met mezelf enige zin te geven. & ’t Geluid trok meer aandacht dan mijn poging tot diep.

Onderweg naar huis bleven de bielsen die onder mij door schoten mij herinneren aan de toiletdeur. ’t ‘Kdeng-kdeng’, reeds moeilijk te ontvangen door de hedendaagse moderne outillage van de vering van ’t huidige treinpark, liet zich omvormen tot ‘a-a-a-a-a-a-a-a’, ditmaal niet komend uit de kinderkelen van weleer.

Voor de rest denkt men in Zijperspace met veel genoegen terug aan de weblogmeeting op 01-02-03.