erkenning

Wellicht een bericht zoals men niet meer van mij gewend is. Maar er is dan ook een aanleiding voor: ik ben genomineerd. & Nogeneens door mezelf. Hoewel de organisator mij verzocht had ook mee te doen aan de stemming voor de voorronde, heb ik ‘m de mededeling doen toekomen dat ik er vanaf zag.
Edoch, men hoeft niet op mij te stemmen. Ik ben geselecteerd bij de beste 8 mbt de categorieën ‘Meest orginele content’ & ‘Best geschreven content’.

Da’s genoeg erkenning voor Zijperspace.

bezoek

‘Ton,’ zei m’n broer, ‘neem nog een biertje.’
‘Nee,’ zei m’n moeder, ‘de auto heeft nog maar een paar minuten parkeren.’
‘Maar je mag 10 minuten te laat zijn,’ zei m’n broer. ‘Dan kan ’t nog wel.’
‘Nee,’ zei ik, ‘we moeten ook nog naar Pa.’

M’n broer zei: ‘Pa, je zal hier moeten blijven.’
M’n vader zei: ….
Dat wat-ie zei weet ik eigenlijk niet. Ik weet dat-ie niet veel zei. Hij zegt tegenwoordig niet zoveel. Maar hij zei wel wat. Dat probeerde m’n broer in ieder geval duidelijk te maken. Toen hij ’t mij vertelde. Er was iets dat verteld moest worden. Van m’n vader. Naar m’n broer. Van m’n broer. Naar zijn broer.
M’n vader keek m’n broer aan. Ook m’n moeder. Laten jullie me nu al alleen? Keek-ie. Leek-ie te zeggen. Ben ik er nu al aan toe? Waarom wist ik ’t niet?
Hij zei nog veel meer. Maar we begrijpen niet meer alle blikken die m’n vader zegt. De afstand is te groot. M’n moeder wordt te moe.
M’n broer probeerde ’t nog ‘ns uit te leggen. Maar wist dat ’t zinloos was. Dus voelde hij zich slechts schuldig. & Zei hij niks. Hij keek m’n vader slechts aan. M’n vader, die nog net wist dat ’t onrechtvaardig was.

Achter ons zongen ze kinderliedjes. Onder begeleiding van de verpleegster. M’n vader deed niet mee. & Een vrouw die met een knuffelbeer bij de tv zat te gillen & te wauwelen.
M’n vader zat bij ons. In een hoekje van de kamer. We maakten een praatje.
‘Kunnen we niet een wandelingetje maken?’ vroeg ik.
‘Nee,’ zei m’n vader. Tegenzin.
‘Waarom niet?’ vroeg m’n moeder.
‘Nou,’ begon m’n vader, ‘’t is hier druk. Er is al veel gebeurd.’
‘Je bent een beetje moe,’ vulde m’n moeder in.
‘Ja.’
‘Maar je hebt net geslapen, toch?’
M’n vader keek vragend. Dat wist-ie niet meer.

De buren vroegen: ‘Hoe gaat ’t met je vader?’
M’n broer zei: ‘’t Is leuk dat jullie dat vragen. Maar ’t is zo jammer dat jullie m’n vader niet hebben meegemaakt in de tijd dat ’t nog goed met ‘m ging. Toen hij nog alles wist. & Hij wist veel. Hij wist alles over plantjes, over vogels, over van alles. Hij wist alles. ’t Was zo’n mooie man.’

‘Wat moeten we nou doen?’ vroeg m’n vader.
‘Wat bedoel je, Niek? Wil je toch een wandeling maken?’ zei m’n moeder.
‘Nee.’
M’n vader keek m’n moeder aan. Vragend. Smekend. Ze moest ‘m begrijpen.
‘Wat moeten we nou doen?’ vroeg m’n vader nogmaals.
‘Wat wil je dan?’
‘Ik wil naar huis,’ zei hij opeens resoluut.
‘Maar dat kan toch niet,’ zei m’n moeder.
‘Dat kan wel,’ zei m’n vader vastberaden, ‘we moeten hier gewoon weg. Laat de mensen hier maar zitten.’
Ik liet m’n vader & moeder in de steek om op de gang even bij te kunnen komen.

M’n moeder bukte voorover naar de verpleegsters die hun koffiepauze hadden. Pa stond naast me, maar hoorde niet wat m’n moeder zei.
‘We willen gaan,’ zei m’n moeder, ‘maar hij wil mee.’
‘Oh,’ zei Diana, ‘dan loop ik wel mee. Dan zeg ik wel wat tegen uw man.’
Pa & ik keken een beetje voor ons uit. Pa vertwijfeld over waar hij nou verzeild was geraakt. Ik met tranen die schreeuwden om er uit gelaten te worden.
‘Waar is Ton nou?’ vroeg m’n vader.
‘Ik sta hier naast je,’ zei ik.
M’n vader schrok. ‘Oja, ja. Ik let niet op.’

We liepen door de gang van ’t verzorgingstehuis. Neuzen gesnoten.
Een dame kwam op m’n moeder afgelopen.
‘Hoe gaat ’t nou?’
Ze was van mijn leeftijd. Misschien iets jonger.
‘’t Gaat niet zo goed. Ik denk niet dat ik morgen kom.’
‘Ja, u moet om uw eigen rust denken. Doe ’t rustig aan.’
We liepen verder.
‘Zij heeft vroeger bij Pa op school gezeten,’ zei m’n moeder. ‘Ze hoeft geen uniform te dragen. Maar ze deelt ook gewoon ’t eten uit bij Pa.’

Ik toog huiswaarts, terug naar Zijperspace.

wire

Wire - The 15th

De pick-up stond tussen onze bureau’s. Op een kastje in de kleine ruimte die tussen ’t bureau van Carel & die van mij over was. Eigenlijk waren ’t 2 planken die net als de boekenplanken vastgehaakt zaten aan ’t rek. Systeempje zoals m’n vader voor alle kasten gebruikte. Lekker goedkoop & te voegen naar de grootte van de boeken.
De pick-up was een Dual. Een echte Dual, durfden we jaren later te zeggen. Aangeschaft met ons beider bollenpelgeld. Redelijk trots waren we er op. Alleen die boxjes waren niet fantastisch. Maar we waren toch de enigen die er gebruik van maakten. Ze maakten in ieder geval genoeg lawaai om moeders kwaad naar boven te laten rennen. Nadat ze al enkele malen ‘Kan ’t niet wat zachter?’ had geroepen. Dat hoorden we zogenaamd niet.
Ik stond te dansen. Enthousiast & geconcentreerd meespelend op een gitaar, ook al had ik slechts 1 keer eerder er echt 1tje handen in gehad. Op ’t moment dat de drum begon ging ’t tokkelen op de onzichtbare snaren over in zwiepende slagen in de lucht. Waarna ik ook nog even toetsenist werd.
Bij ’t binnenvallen van m’n moeder was ik plotseling druk bezig in m’n haren te wrijven. Onnozel keek ik om me heen, pretenderend dat ik op zoek was naar een boek of kledingstuk.
‘& Nou gaat die muziek zacht of ik gooi ’t met boxen & al door ’t raam!’ schreeuwde m’n moeder boven Wire uit. Net tijdens ’t mooiste nr.
M’n gitaar, m’n drumstel, m’n synthesizer waren als sneeuw voor de zon verdwenen. Ik had jeuk aan m’n neus, of m’n haar zat niet goed, zolang m’n moeder maar niet zag dat ik me verschrikkelijk had staan aanstellen op de mooiste lp die ik in m’n bezit had.

& ’t Werd stil in Zijperspace.

paasbrunch

Ik nam bier mee. Ze hadden alleen nog maar Leffe in de koeling liggen. Voor henzelf, voor ’s avonds laat. Die bleek Quint uiteindelijk te drinken toen ik de achtertuin betrad. Mijn flessen werden in de koelkast gelegd.
‘Zal ik die grote fles Oud Beersel in de vriezer leggen?’ zei Carel grappend. De vorige was de dag ervoor op die manier gebarsten. Lade vol met bevroren kriek.
‘Doe ’t toch maar,’ zei ik, ‘ik hou ’t wel in de gaten. Kriek is met dit weer lekkerder als-ie koud geserveerd wordt.’
Ik vulde ’t speelgoed van m’n nichtje met water. Speelgoed voor neefje nichtje terwijl wij praatten. De kleinste lag nog in bed voor ’t middagdutje.
‘Waar is Ma?’ vroeg ik. ‘Die zou toch om 12 uur hier zijn, had ze gezegd.’
Maar men wist ’t niet.
Niemand zei iets over Pa. Vreemd genoeg. Achteraf.
Ik liep heen & weer met de gieter toen m’n moeder binnenkwam.
‘Wacht even, Moe,’ zei ik, ‘dan zeg ik je straks wel gedag als ik klaar ben.’
In de keuken bedelde ik een plak cake van m’n schoonzus.
‘Als je straks maar wel ’t eten nog lust,’ zei Franchet, ‘’t moet wel op.’
‘’t Moet wel op,’ zei Carel, die me de plak in de mond zag stoppen.
We aten salade, met van die kleine tomaatjes, & aardbeien, met van die pitten als extra vulling, & eikenbladsla. We aten broodjes bedekt met filet américain, of tapenade, groen of rood. De zalm moest vooral zo snel mogelijk op, dus stak ik er 2 plakken van in m’n mond. De felle zon zou zeer snel schade kunnen berokkenen aan de heerlijke smaak. We dronken Oud Beersel Oude Kriek, terwijl Quint ’t volgende flesje Leffe leegde. We aten sneetjes uienbrood, & rauwe ham gevuld met gesmolten kaas. & Als toetje aten we ook nog een vruchtensalade, waarvan de kinderen & ik ’t sap mochten uitlepelen. We waren de koning te rijk, de 1 at veel, de ander at weinig, maar iedereen genoeg, de buiken vol, de glazen leeg, de zon scheen.
‘Hoe is ’t nu met Pa?’ vroeg iemand.
‘Goed, hoor,’ zei m’n moeder.
‘Wat doet-ie de hele dag?’
‘Hij zit op een stoel in de zaal.’
We bleven neutraal, niet geëmotioneerd. We wisten hoe ’t ervoor stond, maar niet de details.
‘Leo zei dat ’t misschien wel slecht kon zijn dat-ie op zo’n zware groep was gezet,’ zei m’n moeder, ‘want die mensen nemen elkaars gedrag over. Als er iemand door de zaal loopt te zwalken, doet al gauw iedereen ‘t. Als iemand de hele tijd alleen maar stil zit te zitten, doet een nieuweling dat later ook.’
‘Leo, Leo,’ zei Fanchet, ‘Leo is 80 & hoelang is ’t geleden dat-ie op Den Koogh heeft gewerkt? Ik heb er zelf 12 jaar geleden nog rondgelopen, maar er is vast heel veel veranderd in die tijd.’
‘Ik heb er 13 jaar geleden nog gewerkt in de kapsalon,’ zei Ilse.
‘Heel lang geleden kwam ik er langs om op visite te gaan bij Opa,’ zei ik.
‘Maar Pa maakte ’t voor de rest goed,’ ging m’n moeder verder. ‘Ik mocht de dagrapporten doorlezen. Hij had slechts 1 keer gevraagd of-ie naar huis mocht.’
‘Vrijdag komt-ie terug,’ zei iemand.
‘Ja, vrijdag komt-ie terug,’ zei nog iemand.
Carel & ik dronken Einbecker Mai-bock, Quint Leffe. Anderen dronken thee. Maar er was ook koffie & yogi-drink.

Pasen is alweer lang voorbij in Zijperspace.

diagnose

‘Ik reed richting Noord & ik voelde me een beetje treurig.’
‘Oh?’ zei Rachel met een vraagteken.
‘Somber. Een beetje.’
‘Hoe kwam dat?’
‘Weet ik eigenlijk niet. Misschien omdat ik niet kon schrijven. Ik kon vanochtend geen onderwerp verzinnen om over te schrijven.’
‘Dat schrijven is misschien een soortement broertje van je geworden. Je bent gehecht geraakt aan de dagelijkse bezigheid.’
‘Ja, da’s inderdaad wel zo. Toen heb ik in Noord maar een heleboel spullen voor m’n tuin gekocht. Dat hielp.’
‘Hoe gaat ’t trouwens met je rug?’
‘Oh, daar heb ik geen last meer van. Alleen nog als ik een verkeerde beweging maak.’
‘Goed zo.’
‘Maar gisteravond, op ’t feestje van m’n buurvrouw, toen ik net m’n roes van de middag weggeslapen had, & vanochtend weer, onderweg naar Noord, had ik opeens last van m’n buik.’
‘Oh?’
‘Buikkanker.’
Rachel barst in lachen uit. Ik probeer er serieus bij te blijven kijken.
‘Binnenkort ga ik dood.’
Rachel lacht nog harder, m’n blik houdt gelijke tred de andere kant op.
‘Da’s wel handig dat die diagnose zo snel gesteld is,’ hikt Rachel tussen enkele uithalen door.
‘Ja, hè. Zonder enige bemoeienis van een huisarts.’
‘& Hoe is ’t nu met je?’
‘’t Is over.’

Donderwolken vliegen snel voorbij in Zijperspace.

ochtendgloren

’t Is eigenlijk nog veel te koud om buiten te zitten. De zon schijnt nog niet m’n tuin in & er hangt nog een koele klamheid van ochtenddauw. Toch kan ik ’t niet laten. Ik moet zien of er nog wat gebeurd is. Wat er op til staat. Hoeveel bloemen zich reeds gevormd hebben. & Zonder erg in de temperatuur beschouw ik de tuin. Ik tel de namen, spel ze, repeteer ze, vervloek mezelf als ik ze niet goed in m’n geheugen heb opgenomen, maar merk vooral dat er steeds meer juist wél opgeslagen zijn: look zonder look, wilde hyacint, knopig helmkruid, akelei, longkruid, blauwe onschuld, groene munt, kattekruid, rapunzel, zandblauwtje, duifkruid, zeepkruid, muurleeuwebek. ’t Lijkt 1 van de zeldzame momenten dat ik zonder iets uit te voeren voor me uit kan zitten staren. Er hoeft geen nut verbonden te zijn aan dit moment. Eeuwig & altijd zit ik in deze situatie rijtjes van namen voor mezelf te herhalen, de vrolijkheid van de groei, van de bloei aanschouwend, de minieme verandering waarnemend. Niets gebeurt, zo lijkt ‘t, maar morgen is alles weer anders. Ik lever me voor een kort poosje aan deze traagheid over.
’t Is koud, buiten om 7 uur ’s ochtends, realiseer ik me pas weer als ik m’n woonkamer weer binnenkom. De vochtige kou heeft zich verklonken in m’n t-shirt, dringt er pas doorheen als ’t de warmte van binnenshuis ontmoet. Ik ril & zet toch maar de kachel hoger. In die beweging werp ik nog een laatste blik op de tuin. Daarna moet ik maar weer aandacht aan wereldser zaken besteden.
M’n aandacht wordt getrokken door een vreemd geluid. M’n blik zoekt & ontmoet een wegduikende vogel. Over de schutting naar de achterburen verdwijnt-ie. Gemist, denk ik. Maar ’t volgende moment komt er van de andere kant een ander exemplaar van dezelfde soort. Een vlaamse gaai. Rustig maar ook onderzoekend beschouwt-ie de wereld. Log & traag zit-ie op ’t randje van de schutting, zeker in vergelijking met de vogels die ik gewend ben er op aan te treffen. Z’n blik neemt rustig de tijd om de omgeving te verkennen, verandert langzaam de richting ervan, & heeft totaal geen aandacht voor ‘tgeen er nog meer beweegt. Of ’t moet de partner zijn die in de tuin erachter rondstruint. Een merel springt ongeïnteresseerd tussen de plantjes van m’n tuin door. De gaai erboven heeft dezelfde belangstelling voor hem.
Ik kan ’t niet zien, niet duidelijk genoeg; de kleuren van de vlaamse gaai zijn te onderscheiden, maar de uitdrukkingen, de details niet. Kalm, ingehouden, maar toch zo snel mogelijk, probeer ik m’n bril tevoorschijn te halen. Niet te bruusk, mijn bewegingen mogen de vogel niet verontrusten. Als ik me omdraai, m’n bril opzet, zit-ie er nog, maar bij de beweging 1 stap dichter naar ‘t raam verdwijnt-ie.
Teleurgesteld keer ik me om, & vraag me meteen af wat er toch zo bijzonder is aan ’t waarnemen van een vlaamse gaai. Ik had een vogel kunnen zien die stilzit, ontnuchter ik mezelf, een vogel met andere kleurtjes dan de mus & de merel, met een mooiere naam ook. Niets bijzonders, de wereld draait door, probeer ik bij mezelf te laten beseffen, & ga achter de comp zitten. Stiekem zoek ik nog even via google ’t plaatje van de vogel op. Minieme, dunne, schriele uitvoeringen krijg ik voorgeschoteld. Die van mij was veel voller, breder, groter, waag ik erbij te denken, & wil me weer wijden aan datgene waarvoor ik de comp opzocht.
In m’n ooghoek neem ik een beweging waar. Ik spring op, zet m’n bril weer op m’n neus, & registreer dat de vlaamse gaai ’t balkon van m’n achterbuurvrouw heeft verkozen om een aantal tellen de buurt te beschouwen. Jaloezie, simpele jaloezie dringt zich op.

2 Uur later heb ik de tuindeuren open staan. De zon valt nu naar binnen. De vogels zijn inmiddels wat rustiger geworden, de 1e zonnestralen zijn reeds door ze ritueel verwelkomd, de gewone werkdag van partner zoeken & voedsel vergaren is aangebroken. Ik zit nog steeds op dezelfde plek, achter de comp, & werp af & toe schielijk een blik m’n tuin in.
2 Mussen komen tevoorschijn. Wippen vlak voor m’n tuindeuren rond, een meter van me verwijderd. Ze werpen een blik op die malle verschijning die verscholen in dat donkere hok zit. Kijken elkaar aan. Hier is niks te eten te halen, lijken ze te constateren. Wippen nogmaals. & Vliegen weg.

De natuur in Zijperspace is een uitvinding van de mens.

waardering

‘Ik kom een kratje inleveren,’ zegt de man.
Hij is tegen de 70, schat ik, ziet er keurig uit, & spreekt duidelijk.
‘Dan moet ik wel 1st weten waar ’t kratje vandaan komt,’ zeg ik.
‘Oh, bij de villa’s,’ reageert-ie nonchalant, ‘ik heb ’t van straat meegenomen.’
‘Normaliter neem ik nl niet zomaar lege kratjes aan. Vaak zijn ze bij ons van ’t karretje gejat.’
‘Oh, nee, hoor. Ik ben van goeder trouw. Vraagt u maar ‘ns aan uw collega met wat donkerder haar.’
Ik kijk ‘m een beetje vragend aan.
‘Ik heb wel ‘ns een heel gesprek met ‘m gehad. Hij heeft een beetje licht krullend haar. Jos, geloof ik dat-ie heet.’
‘Oja, da’s m’n baas.’
‘Je moet weten: ik heb nl nooit geleerd om met m’n vrije tijd om te gaan. Ik heb geleerd te werken, niet om zomaar iets te doen voor mezelf.’
Ik knik. Hij buigt zich nog wat verder over de toonbank die ons scheidt.
‘Daarom loop ik graag over straat, schuim de buurt bij de villa’s af. Dan kijk ik wel wat ik tref.’
Ik heb 1 arm in m’n zij, de ander in m’n broekzak. Ik luister met een glimlach.
‘Kijk, ’t ligt eigenlijk allemaal aan die mannen in Den Haag, wat die zeg maar vlak na de oorlog hebben besloten. Alle mannen van mijn leeftijd zijn toentertijd onmiddellijk begonnen met werken. Ik heb wel ‘ns een werkgever gesproken, over hoe de werksituatie & hoe wij oudere werknemers zich daarin opstelden. Toen zei ik tegen hem: “U zou ‘ns moeten kijken in de statistieken van de mannen die vlak na de oorlog zijn gaan werken. Dan moet u ‘ns naar Den Haag gaan om te kijken wat de maatregelen toen waren & hoe die mannen tegenwoordig functioneren. Ik denk dat om & nabij de 60 % niet is gaan doen wat hij wilde & ontevreden is.” Die man sprak me later aan: “Je bent heel positief ingesteld,” zei hij, “maar liefst 70 % is niet goed terecht gekomen.”
Later, die man was werkgever & een hele hotemetoot, ging die heer met pensioen, ’t hele bedrijf nam afscheid. Ik ben op ‘m toegelopen met een bos bloemen die m’n vrouw had gekocht. Ik had haar daar op uitgestuurd. Die man was daar erg over te spreken. Hij zei dat hij ’t zo zeer kon waarderen omdat ik wel vaker ’t vuur ‘m aan de schenen had gelegd in de werkgever/werknemer-situatie. Maar ik had dan ook waardering voor die man, ook al was hij van de andere partij & had-ie andere ideeën. Ook al ben je nog zo verschillend, je kan elkaar evengoed waarderen, vind ik.’
Terwijl de man verder praat, ga ik op m’n andere been steunen. Ik kijk ‘m in ’t gezicht om vooral niets van z’n verhaal te missen.
‘Ik loop dus vaak bij die villa’s. Ze gooien daar van alles weg wat ik nog kan gebruiken. Dan breng ik ’t naar de pastorie. Laatst waarschuwde een dame me, dat er in die 2 vuilniszakken daar verderop spullen zaten die ik vast wel kon gebruiken. Want ik wil niet zomaar in ’t openbaar die vuilniszakken openen. Al die mensen in die villa’s staan achter hun ramen naar je te kijken, als je dat doet. Dan geven ze je daarna niets meer. Dus nam ik die zakken zo mee & gooide ze achterin m’n auto.
Ja, & dan vind ik een kratje. Die moet toch ook ergens heen. Ik stop ‘m in m’n auto om er uiteindelijk iets mee te kunnen doen. Ach, joh, ik ben van goeder trouw. Ik doe geen vlieg kwaad. Maar ik heb alleen niet geleerd met m’n vrije tijd om te gaan. Geef mij maar € 1,- voor dat kratje, dan houd jij zelf die 50 cent.’

& Lachend verwijdert een leven zich uit Zijperspace.

resumé

Hij haalde z’n kam te voorschijn uit z’n borstzak, sloeg die af tegen z’n knie, & trok met 1 haal in ’t midden, 1 aan de rechterkant, 1 links, al z’n haren ordentelijk glad naar achteren.

Plots was-ie stil, ijswekkend stil, hing ietwat naar voren, z’n armen licht omhoog rijzend, waarna hij in een overdonderend welluidende niesbui uitbrak; de natuur werd stil, de mens bewoog niet voor een tel.

Hij kwam thuis van z’n werk, plaatste z’n tas naast z’n stoel, liep naar m’n moeder & gaf ‘r een zoen.

Als hij je in de verte zag, floot-ie, z’n onnavolgbare slechts voor de familie bestemde wijsje, niemand nam notie, behalve wij, & stak z’n hand op.

Hij hing z’n hoofd achterover, wees kort met z’n vinger, & liet z’n neusharen knippen door de kapper.

Hij werd pas wakker na lang roepen & kwam dan beneden met de vouwen van z’n kussen in z’n gezicht afgedrukt.

Hij werd kwaad & iedereen dook weg.

Hij heeft jarenlang met z’n bovenlip z’n tanden verborgen, als hij lachte, om de slechte staat waarin z’n voortanden zich bevonden te verhullen.

Hij liep in een korte broek, zogauw ’t weer & de afwezigheid van werk ‘t ‘m toestonden.

Hij werd altijd als 1e gebeten, want hij had lekker bloed.

Hij gebruikte de geplastificeerde plattegrond, die hij nodig had om de weg te vinden, om muggen & andere bultveroorzakende insecten te vermorzelen.

Hij was ’t die alle huizen in de familie van behang voorzag & daarvoor een dag in z’n 1tje opgesloten in ’t nieuwe huis zat.

Hij maakte grapjes, absurd, beschamend, vrolijk, verrassend, vanuit een onverwachte hoek, iedereen lachte.

Op zondag draaide hij jazzmuziek, of ’t Kliekske, zat voorovergebogen achter z’n ‘plank’, & werkte de genealogie van de div families bij.

Hij wilde dat je aandacht had voor ’t gebed.

De kliekjes van de vorige dag waren in 1e instantie voor hem, mocht daarvan wat overblijven, dan kon 1 van z’n zoons erin delen.

Hij kreeg de grootste gehaktbal.

Z’n stropdas werd door z’n vrouw gestrikt, & vlak voor vertrek door haar nog even aangetrokken, daarna een snelle zoen.

Hij danste met m’n moeder een onhoorbare dans, soms zonder muziek, ze lachten, hij lachte, ze waren verliefd, altijd, nog steeds.

Hij liep in de meest ouderwetse onderbroek, daarboven een onderhemd stammend uit ‘tzelfde beschamend vooroorlogse jaar.

Hij klakte met z’n vingers, ritmisch wijsvinger tegen de duim, op z’n eeuwige jazzmuziek, daarbij z’n catalogus bijwerkend.

Vlak voor slapen gaan, zo rond een uur of 12, liet-ie nog even de hond uit.

Hij wandelde van Den Helder naar Santiago de Compostella.

Hij las voor in de kerk, luid, duidelijk.

Hij sprak grote groepen mensen toe, zonder microfoon, met grapjes, korte pauzes voor de lach, iedereen luisterde, zweeg; hij sprak zonder meer dan 5 steekwoorden op papier nodig te hebben.

Spruitjes was z’n favoriete maaltijd, met mosterd & peper.

Hij kende de namen van alle plantjes & vogeltjes, maar moest ze zich wel herinneren.

Hij houdt van m’n moeder, & heeft 6 zonen.

We noemen ‘m Pap, of Pa, zeggen soms Poep, soms Vader.

Als je ‘m neer zou zetten, zou beschrijven, zou tekenen, dan herkennen we ‘m meteen, niemand die op ‘m lijkt, in Zijperspace.

koffer (2)

Of m’n vader op een gegeven moment mocht gaan slapen, vroeg hij toen ze ’t bed hadden bekeken. De verpleegster schijnt lachend ‘ja’ gezegd te hebben. Natuurlijk. Voor de rest begreep-ie vooral niet al te veel van wat er besproken was. ‘Ik weet niet precies waar ’t over gaat,’ zei hij. Tijdens ’t introducerend gesprek dat m’n ouders hadden. Er was uitgelegd wat er met m’n vader ging gebeuren. M’n moeder had verteld over de medicijnen die m’n vader slikt, & wanneer. Ze moest bekennen dat ze de naam van 1 medicijn kwijt was, ze kon er maar niet opkomen. Maar ze moest vooral niet ongerust zijn, werd haar gezegd, dat zochten ze wel uit, dat kwam wel in orde. Ze maakten vervolgens een rondje op de afdeling, waarbij ook ’t bed aan bod kwam. & Al die tijd was m’n vader heel rustig, vertelde m’n moeder later. Liet ’t allemaal op zich afkomen.
(Zoals je alles maar op je af laat komen, Pa, al gedurende die hele Ziekte van Parkinson laat je alles maar op je afkomen & voer je geen strijd, geen verweer tegen elke beperkende maatregel, ‘’t zal wel beter zijn’ is je enige inbreng)
M’n moeder belde ’s avonds. Hoe ’t met ‘m ging? O, hij was wakker geworden, vertelde de zuster, had wat op de afdeling gezeten, kreeg op een gegeven moment z’n avondeten, & at dat rustig op in een hoekje van de zaal. Heel rustig allemaal, geen probleem, niets om ongerust over te zijn.
(& Op welke momenten wilde je naar huis, Pa? Zoals je de laatste tijd wel vaker naar huis wilde, omdat je ’t huis waarin je je bevond niet als de jouwe beschouwde, ook al woonde je er al bijna 10 jaar? & Hoorde je stemmen uit de muren komen, uit de muren van Den Koogh, zoals je die hoorde als je in bed lag, of als we samen aan tafel zaten te lunchen, waardoor je onrustig werd & veiligheid zocht in de blik van Ma? & Heb je zelf je koffertje gedragen? Moet ik me je voorstellen, terwijl je parkinson-schuifelend door de gangen van ‘t verzorgingstehuis beweegt, als je wordt begeleid naar je kamer voor 1 week, met een koffertje in je hand, terwijl ik je zelden of nooit met een koffer heb gezien, ik herinner me je slechts met een schooltas & tijdens de vakanties met een rugzak, je had altijd de wereld in je hand, de controle raakte je nimmer kwijt, waar heb je die koffer dan vandaan, was dat van de vakanties die je met Ma naar Lourdes & Rome hebt ondernomen & de kinderen niet mee waren? Waar zijn je geheimen, Pa, & wat kan je nog vertellen? Wanneer verlang je terug naar Ma, wanneer ben je haar vergeten, wanneer mis je haar blik niet meer, & zal je in paniek zijn zogauw je iets mist, maar niet weet wat?)
& M’n moeder weet niet wat ze gaat doen. Ze wil ’t op ’t moment zelf op haar af laten komen. Ze gaat wel naar de kerk & ze gaat wel naar m’n broer op 2e paasdag & ’s avonds naar een voorstelling van m’n andere broer, & ze vind ’t leuk als ik langskom, maar ze wil vooral niets vastleggen. Ach, ze zal wel slapen, ze heeft een beetje valeriaan geslikt, dat kan niet zoveel kwaad, & ze wil de correspondentie-vriendin nu wel ‘ns bellen, om te vertellen hoe ’t er voor staat & uit te leggen waarom ze maar niet terug geschreven heeft. Maar ’t is beter voor haar rust, vertel ik haar, ja, ’t is beter voor haar rust.

& Ondanks alles staan we verbaasd, want ook deze nacht ging slapend voort in Zijperspace.

koffer (1)

Er moet brood in huis komen. Alles is op. Ik stap op de fiets voor de tocht naar de bakker. Sla de hoek om, rij de stoep op, wil de hoek van ’t bejaardentehuis nemen, maar zie nog net dat er enkele auto’s staan. Ik verminder vaart om de wagens te kunnen ontwijken.
De ziekenwagen rijdt net weg, maar 2 busjes nemen een groot gedeelte van de oprit van ’t bejaardentehuis in. Terwijl ’t geluid van de sirene aanzwelt, hoor ik in ’t voorbijgaan de heren bij de busjes praten.
‘We moeten maar met de grote spullen beginnen,’ zegt de 1 tegen de ander.
Ik werp een blik de bus in. Hij staat volgeladen met allerhande meubelen. Een nieuwe bewoner komt z’n intrek nemen, bedenk ik me, terwijl de ander nog maar net is afgevoerd.

Ik heb m’n ontbijt nog maar net op als de telefoon gaat. M’n moeder.
Ze begint moeilijk.
Er is toch niets ernstigs?
Ze zet door. Ze vertelt wat ze wil zeggen.
‘Er is een plekje in Den Koogh voor Pa. Ze hebben ruimte om ‘m een weekje te houden.’
‘Ah,’ reageer ik opgelucht, ‘wanneer?’
‘Vanmiddag om 2 uur. Jan heeft vanmiddag de tijd. Die brengt ‘m. ’t Lijkt me niet dat Marc daar geschikt voor is.’
& Opeens realiseer ik me dat ik helemaal niet opgelucht moet zijn. M’n vader gaat naar een verzorgingstehuis. ’t Is definitief. Ik krijg m’n vader niet meer terug. M’n moeder haar man niet.
‘Hij moet natuurlijk wel wat spulletjes meenemen?’ vraag ik.
‘Ja, we pakken zodirect een koffertje voor ‘m in.’
Ik zie m’n vader met een koffertje lopen. Een koffertje waarvan-ie niet weet wat ’t herbergt. Hij weet niet meer wat hem toebehoort. Z’n verleden vervaagt, z’n eigendommen zijn vreemdelingen. Ook al is ’t gereduceerd tot de inhoud van een koffertje.
M’n moeder heeft ’t moeilijk. We zuchten.
‘Ja, Moe, ’t is beter voor je. Jij mag er niet aan onderdoor gaan.’
‘Ja, dat zeiden de anderen ook.’ M’n broers.
‘Wat ga je de komende week doen?’
‘Ach, ik weet ’t nog niet. Franchet zei al dat ik langs kon komen. Maar ik zie wel hoe de dingen op me afkomen.’
Ik wil tegen m’n moeder schreeuwen dat ik wil dat ze bij me langskomt. & Zucht.
‘Ik ga in ieder geval 2 keer naar de kerk met Pasen,’ zegt m’n moeder.
M’n moeder alleen in de kerk. Zoals ze waarschijnlijk al een jaar alleen in de kerk zit. Maar nu echt. Er is niemand die wakker wordt als ze thuiskomt.
‘Ik wil wel wat zeggen, Ma, maar ik krijg ’t er niet uit,’ pers ik tussen de tranen in m’n keel door.
We zuchten nog een paar keer naar elkaar, zeggen gedag, sterkte, & hangen op.

Ik ga op de bank zitten. Om na te denken over ’t plekje dat vrij gekomen is voor m’n vader. M’n tuindeuren staan open. Maar ik weet dat niemand me hoort. De zon schijnt. Buiten is ’t droog.

’t Verleden is onomkeerbaar in Zijperspace.