accumulation

Smog - Little Girl Shoes

Smog (oftewel Bill Calahan)(soms pleegt-ie z’n artiestennaam/bandnaam tussen haakjes te schrijven) heeft enkele van de b-kantjes van z’n tot op dat moment verschenen singles verzameld op 1 cd: Accumulation None. Lang niet alles, nog lang niet al z’n bijzonder, moeilijk verkrijgbaar werk. Maar als je echt moeite moet doen om er aan kan komen, dan zal je al tevreden zijn met ‘t kleine beetje dat aangereikt wordt.
Terwijl ik naar enkele b-sides zat te luisteren wendde m’n hoofd zich in gedachten naar boven, richting plafond. Ik zag behang dat niet overal gelijk weggesneden was, ik zag streepjes verf uitgeschoten zitten op plinten in een andere kleur. Als ik goed keek zag ik overal wel onregelmatigheden in de afwerking van m’n woonkamer.
M’n huis is net niet perfect, dacht ik.
Maar ik wil ook geen a-kantje als huis, schoot me meteen te binnen, ik wil geen grote hit zijn. Liever de b-kant van ’t hitje. Een aantal nrs die als toegift gegeven worden bij ‘tgeen de meeste aandach moet trekken. Ik wil een huis waarbij je aan de voorkant niet kan zien hoe de tuin bloeit & groeit. Ik wil een man zijn waarvan al m’n ex-vriendinnen spijt hebben, omdat ze de andere kant, m’n later leven, niet hebben beluisterd. M’n wraak zal zoet zijn als die kant op de markt komt. Moeilijk verkrijgbaar, voor de afficionado. Geen rechte lijnen, geen afgewerkt geheel, geen puntjes op de I. Ik wil die toevallige voorbijganger zijn, die slechts van een bepaalde kant je aandacht trekt, die voorbij gelopen is & er is je iets opgevallen, maar je weet niet wat.
Ik zou willen dat men moeite moest doen om mij te krijgen. & Als ’t dan zover is dat men mij heeft, dat ’t dan nog moeilijk te doorgronden is ook. Een spetter verf, die je niet weg wil halen, omdat ’t de moeite laat zien die je je getroost hebt ’t te maken tot wat ’t is.

& Dat dan op de achtergrond al ’t werk van Smog wordt afgespeeld in Zijperspace.

groen

Ik dacht aldoor dat Marjolijn uit Den Helder kwam. Dat idee kwam ergens vandaan, dat idee zat ergens diep in me. Misschien omdat de zoon van 1 van mijn vroegere docenten wel vaker bij haar zat. Als ze bier kwamen drinken. Maar ik kon haar niet plaatsen, niet precies. Ik dacht alleen dat ze uit Den Helder kwam. Dat kon niet anders. Haar gezicht was ooit voorbij gekomen, Den Helder moest ’t zijn.
& Marjolijn droeg groen.
Ik zei ‘ns tegen haar: ‘Hé, je bent net als ik.’
‘Wat dan?’ vroeg ze.
‘Je draagt groen.’
Maar ik had op dat moment een broek aan waarvan ’t groen goeddeels weggesleten was. M’n t-shirt kende de kleur niet eens. Toch wist ik ’t zeker. Zij droeg groen, net als ik. Vanaf toen lachte ze elke keer als ze ’t herkende. Of juist niet.

Ik kreeg plots meeltjes van Marjolijn & haar vriend Radboud. Nou ja, ze hadden ontdekt dat hun barman de man achter een weblog was. Ik werd gefeliciteerd met m’n verjaardag, terwijl ik niet wist wie zij waren. Hoewel ik ze moest kennen. Ik ging ’t hele repertoire aan klanten wiens gezicht ik voor de geest wist te halen af. Ze kwamen niet tevoorschijn. Totdat er een ‘gefeliciteerd’ uit ’t publiek weerklonk toen ik glazen aan ’t halen was.
‘Hoe weet je dat ik jarig was?’
‘Oh, sorry, ik ben Radboud. Ik heb je een meeltje gestuurd met je verjaardag.’
& Zij was Marjolijn. Ze las de stukjes over m’n vader.

‘Bedankt voor ’t meeltje dat je stuurde nav de stukjes over m’n vader,’ zei ik zondagmiddag tegen haar.
Ze was even daarvoor binnengekomen. Samen met Radboud. Ik had ’t geregistreerd. Ik had haar gedag gezegd. Een blik van herkenning. Een blik die enkele jaren geleden nog niet bestond. Zonder internet.
‘Wij weten iets van elkaar, dat zien andere mensen niet, & dat hoeft ook niet.’
Die blik. Zo ongeveer.
Vluchtig ging die blik voorbij, in de drukte die ’t barwerk vergt. In de drukte waarin een klant z’n bier bestelt & ontvangt.
Maar soms haal ik ook glazen. Vermengd met ’t publiek, m’n weg vindend door ’t publiek, blikken metend, vangend, ontmoetend.

Ik knielde neer naast Marjolijn. Radboud was net naar binnen om bier te halen.
‘Bedankt voor ’t meeltje dat je stuurde nav de stukjes over m’n vader,’ zei ik tegen haar.
& Voelde me ondertussen onbeholpen door de stapels glazen die m’n armen vulden.

Ik had al veel vaker zitten denken hoe ik zou moeten reageren. Moest ik ’t onderwerp aansnijden, als zij binnenkwam, ook al was ’t druk? Moest ik afwachten wat er zou gebeuren? Moest ik begrip tonen? & Hoe toon je begrip? Waar begrijp je elkaar & waar houdt ’t begrip op? Wanneer zou ze binnenkomen & hoe gedraag je je als je met een mond vol tanden staat?

‘Bedankt voor ’t meeltje dat je stuurde nav de stukjes over m’n vader,’ zei ik tegen haar.
Ik zat op m’n knieën bijna. Door m’n hurken, vlak naast Marjolijn. Ik herinnerde me hoe ze plots verdwenen kon zijn als ik enkele tranen had zien glinsteren. Enkele maanden geleden.
‘Ik had ze allemaal doorgenomen, & ik zag allemaal dingen die me aan mijn vader deden denken,’ zei ze. ‘Hoe oud zijn jouw ouders nu?’
‘M’n moeder is 68, m’n vader 70.’
‘Mijn vader was 70 toen hij ziek werd, 71 toen hij stierf.’
Soms zie je geen tranen, maar voel je tranen door alles heen, door ’t gelaat getrokken, verborgen, weggestopt in een hoek, & toch door de houding, door ’t vertrouwen die iemand in je stelt, zie je stille weerklanken van pijn.
‘Hoe gaat ’t nu met ‘m?’ vroeg ze.
‘Ik heb ‘m nu eigenlijk al 3 weken niet gezien. Maar ik geloof dat ’t nu weer wat beter gaat. & Toch gaat ’t heel snel bergafwaarts.’
Ik voelde hoe ik alles had weggestopt, hoe m’n vader wel bestond over de telefoon, in gesprek met m’n moeder, maar niet in levende lijve.
‘Hij is nu opgenomen?’
‘Nee, hij kon een week logeren, zeg maar. Er was een plek vrij voor hem, een week lang. Maar ondertussen is hij weer thuis. We hopen eigenlijk dat er snel definitief een plek voor hem is. ’t Gaat ten koste van m’n moeder.’

Ik zei nog veel meer. In die enkele minuut. Marjolijn ook. Maar niets is belangrijk, & toch alles tegelijkertijd weer wel.

Radboud kwam terug met bier. Net rond ’t moment dat we uitgesproken waren. Ik probeerde overeind te komen, want ook ik moest weer verder.
‘Lukt ‘t?’ vroeg Marjolijn.
‘Nee, eigenlijk niet,’ zei ik.
M’n spieren in m’n bovenbenen waren verkrampt geraakt door de stramme gehurkte houding. Ik stak een hand uit om m’n lichaam & de zware vracht glazen extra steun te geven. Ik leunde daarmee op de schouder van Marjolijn. Moeizaam kwam ik omhoog.

Ik kwam overeind. & Heb de rest van de middag gewerkt. Marjolijn & Radboud hebben op ’t terras gezeten. Af & toe kwam ik langs om glazen op te halen. De dag was voor een groot deel ‘tzelfde als elk andere willekeurige zondag.
Ik droeg een groene broek, die allang niet meer groen was. Maar ‘t voelde groen.

Zoals dingen niet meer zijn in Zijperspace, maar er wel zijn.

grijs

De buurman van de Gay- & Lesbianbookshop heeft nog wat kranten over aan ’t eind van de dag. Die kunnen wij gebruiken om glazen in te pakken. We krijgen ze vlak voordat Frank de deur van z’n winkel op slot doet. Wij hebben nog een klein uurtje te gaan; we blijven altijd een uur langer open, maar aangezien er niemand op dit moment aan bier lijkt te denken, of men zit reeds op ’t terras, kunnen we niets anders doen dan in de zon voor ons uit te zitten staren. Kijken naar wat er gebeurt.
Ik krijg de stapel kranten aangereikt. Frank kijkt onderwijl naar m’n kapsel waar de zon vol op schijnt.
‘Zo, je begint behoorlijk grijs te worden,’ zegt-ie.
Blijkbaar doet de zon de grijze haren duidelijker weerschijnen. Al jarenlang willen mensen opmerkingen maken over m’n verdere vergrijzing.
‘Ja, da’s al jaren aan de gang,’ reageer ik op Frank.
‘’t Begint serieus te worden,’ gaat Frank verder, ‘je jeugd lijkt voorbij.’
‘Ach, vind ik helemaal niet erg. Weet je nog m’n neef? Die had die posters gemaakt voor ’t Gay- & Lesbian Filmfestival. Die was vlak na z’n 20e al helemaal grijs. Bij mij kwamen de 1e grijze haren ook zo rond m’n 21e. ’t Heeft alleen niet doorgezet.’
Frank knikt.
‘’t Staat jou best wel mooi,’ zegt-ie, na me nog een kort moment aanschouwd te hebben. ‘Ik kan me voorstellen dat mensen de grijze haren er uit trekken, maar dat moet jij vooral niet doen.’
Ik glunder een beetje onder ’t compliment. Frank kijkt me nog ‘ns aan & keert zich dan om. Z’n vriend staat voor de winkeldeur ongeduldig te wachten om ’t weekend te laten beginnen.

Thomas, m’n zaterdaghulp, past in leeftijd 2 keer in die van mij. Dan houd ik nog wat jaartjes over ook. Hij werkte bij de Albert Heijn, maar nadat hij bij ons stage had gelopen, & er achter kwam dat ’t uurloon bij ons hoger was dan bij de grootgrutter, koos hij voor onze winkel. We hadden ‘m hard nodig. Hij vindt ’t bij ons niet zo massaal & anoniem als bij de AH. & Dat-ie in een speciale winkel werkt, vindt-ie ook belangrijk.
Hij is jong, maar door z’n lengte zie je dat makkelijk over ’t hoofd. Dit in tegenstelling tot z’n vriendjes & vriendinnetjes, die af & toe komen aanwaaien. Die zijn vaak nog klein & tenger, nog niet volgroeit. Thomas steekt makkelijk 2 koppen boven ze uit. Maar hij steekt ook af, met z’n rossige haar.
‘M’n vader heeft geen rood haar, m’n moeder niet, & ook m’n broer niet,’ heeft-ie wel ‘ns verteld, ‘m’n opa van moederskant wel; ’t heeft een generatie overgeslagen.’
Met z’n vrienden spreekt-ie telefonisch af. Z’n mobiel gaat een paar keer per dag af.
‘Wat ga jij doen vanavond?’ luidt de vraag elke keer weer.
Dan komt-ie de week erna bezaaid met blauwe plekken de winkel in.
‘Er liep een kleuter door de half-pipe toen ik met m’n skateboard naar beneden ging.’
Maar hij werkt door. Behalve als iemand langskomt, dan maken ze een praatje, maar dat mag van mij. Hij moet zich op z’n gemak voelen. Dat werkt prettiger.

Bij sluitingstijd komt Ingo. Thomas had ’t al aangekondigd. Hij komt even een biertje drinken, als ik ’t goedvind.
Tuurlijk.
Maar als ik om 6 uur de spullen naar binnenbreng, sla ik de deur voor z’n neus dicht. Een kleine jongen met een muts op. Tot vlak boven z’n ogen, zoals ’t hoort bij skaters.
‘Oh, daar is-ie al,’ zegt Thomas.
De deur gaat weer open, we wijzen Ingo de koelkast & de trap waar-ie plaats kan nemen, & beginnen met de kas opmaken.
Hoi,’ zeg ik tegen Ingo als we klaar zijn, ‘ik heb me nog niet voorgesteld: ik ben Ton.’
‘Hoi. Ingo.’
We schudden handen in de lucht.
We drinken een biertje voor de deur. Op gekantelde lege kratjes. Met z’n 3-en op een rij voor de etalage. We laten ’t publiek aan ons voorbijtrekken. Indien nodig geven we commentaar. Ondertussen beslissen Thomas & Ingo ook wat ze die avond gaan doen.
Ik zie in de verte 2 dames aan komen lopen. Zijn ze nou ouder of jonger dan ik, vraag ik me af, terwijl ik m’n ogen probeer te focussen. Op afstand gaat dat moeilijk zonder bril. Maar als ze voorbij zijn heb ik m’n conclusie getrokken.
‘Die vrouwen hebben volgens mij ong dezelfde leeftijd als ik,’ zeg ik naar opzij, ‘maar ik heb altijd ’t gevoel bij dit soort dames, dat ze er veel ouder uitzien.’
‘Hoe oud ben je dan?’ vraagt Ingo.
Minstens 2 keer zo oud als jij, denk ik weer, maar ik zeg: ’39.’
’39?’ zegt Ingo. ‘Dan ben je best wel vroeg grijs aan ’t worden.’
Hij haalt z’n moeder als voorbeeld er bij & ik ben alweer bereid ’t verhaal van m’n neef te gaan vertellen. De dames zijn inmiddels uit zicht verdwenen.

Er vindt een vergaande vergrijzing plaats in Zijperspace.

buurttuin

Ik duw de deur wat verder open om binnen te komen. M’n blik zoekt Suze. Ik leun een beetje voorover om dieper de kamer in te kunnen kijken. Voorbij de gezichten die de tafel omgeven.
‘Hé, Ton!’ roept Suze van de andere kant van de tafel. ‘Da’s de buurman van de tuin,’ verklaart ze snel even voor de andere gasten.
Ik loop om de tafel heen om Suze te feliciteren.
‘Leuk dat je er bent, schat,’ zegt Suze. ‘Ik heb ze allemaal verteld dat ’t jouw tuin was. Ze vonden ‘m allemaal mooi.’

Ik buig me voorover over ’t balkon.
‘Even de tuin bekijken,’ geef ik als verklaring aan de man die naast me staat.
Hij werpt ook een blik.
‘Ja, een mooi boeltje daar beneden, hè,’ zegt-ie. ‘Maar kijk, bij de buren hebben ze een fietsenstalling van de tuin gecreëerd.’
Hij wijst naar de fietsen die op de lege plek van de buren staan.
‘Daar heeft een tuinhuisje gestaan,’ zeg ik, ‘maar die mensen zijn verhuisd & er woont nog niemand anders.’
‘O, hoe weet je dat?’
‘Die tuin hier onder is van mij.’
‘Ah, jij woont hieronder? Prachtig, hoor, jouw tuin. Wat ik daarnet zei, moet je maar niet al te serieus nemen, hoor. Toen ik de 1e keer naar je tuin keek, daarstraks, dacht ik: da’s ook niet veel aan. Ik zag alleen maar groen. Maar toen ik beter keek, zag ik allerlei verschillende dingen.’
‘Mijn tuin moet groeien,’ probeer ik te verklaren, maar ik krijg niet de gelegenheid om ’t uiteen te zetten.
‘’t Is 1 & al leven, in jouw tuin.’

Ik zit even later naast Nienke van hierboven & Nienke van hiernaast. Om ’t voor de rest van de visite overzichtelijk te maken zijn ze maar bij elkaar gaan zitten.
‘Nou je dat van de week zei,’ zegt Nienke van hiernaast, ‘over die padden, ben ik er eens op gaan letten. Ik was wat onkruid aan ’t wegwerken. Oja, dat
barstte van de slakken. Je tilt een blad op & ’t zit helemaal vol. Maar er sprong toen een pad weg. Ik schrok wel even, maar doordat jij ’t had verteld was ik er op voorbereid.’
‘Verschrikkelijk, die slakken,’ verzucht ik.
‘Weet je wat je met slakken moet doen?’ vraagt Nienke van hierboven.
‘Hij gooit er zout overheen,’ zegt Nienke van hiernaast.
‘Je pakt ze op & je gooit ze tegen een schutting,’ zegt Nienke van hierboven.
‘Hèègggghh,’ zeggen Nienke & ik tegelijkertijd.
‘Maar ’t zijn allemaal naaktslakken,’ zeg ik.
‘O nee, gatsie. Dan niet.’

Suze kijkt even met me mee naar de tuin.
‘Ik vind ’t van boven eigenlijk een beetje plat,’ zeg ik. ‘Er zit geen diepte in.’
‘Ja, dat is wel zo, maar ’t is wel een mooie tuin.’
‘Ik vind ’t van hierboven eigenlijk een beetje tegenvallen.’
‘Helemaal niet, joh. ’t Is hartstikke mooi. Ik ben erg blij met m’n uitzicht op jouw tuin. Vooral dat hoekje dat je daar hebt opgehoogd, da’s echt prachtig.’
‘Ja, maar vanaf hier zie je toch veel meer kale plekken. Daar aan de linkerkant bijvoorbeeld.’
Ik wijs naar de plek waar ik 2 jaar geleden de coniferen heb weggehaald. Er wil daar weinig groeien.
‘Oh, da’s toch de plek waar de katten aldoor zitten te poepen?’
‘Nee, da’s aan de andere kant.’

‘Ik heb nou nog nooit je tuin van dichtbij gezien,’ zegt Nienke van hierboven. ‘Ik heb er nog nooit ingestaan.’
‘O, Suze wel.’
‘Suze wel?’
‘Ja, ze gaf me een boek over biologisch tuinieren & toen heb ik ‘r de tuin laten zien.’
‘Je moet dus 1st iets geven,’ zegt Nienke van hiernaast, ‘dan mag je pas in Ton z’n tuin.’
‘Nee, dat bedoelde ik niet zo,’ probeer ik te zeggen, maar dat is al te laat: ze luisteren al niet meer.
‘Ik zat te denken,’ zegt Nienke van hiernaast, ‘om in onze tuin binnenkort een barbecue te geven.’
‘Goed,’ zeg ik enthousiast, ‘dan regel ik ’t bier.’

Want we hebben van meer dingen verstand in Zijperspace, dan van tuinen alleen.

mijmeren

Ik kijk voor me uit de tuin in. Dat doe ik wel vaker. Onbewust, ik ben er niet helemaal bij, laat ik m’n gedachten gaan over de guldenroede, die als een brede bos hoog uitsteekt boven de rest van de planten in z’n directe omgeving. Ik ben in opperste conditie om over dit soort dingen te mijmeren. Ik denk niet echt, de gedachte is eigenlijk iets dat me overkomt, niet gepland. Ik zit met m’n blote bast in de ligstoel. (De zon is warm genoeg; ’t wordt tijd dat m’n borst ook ‘ns een bruine teint krijgt. ’t Is weliswaar niet m’n hobby: zonnebaden, maar ik had bedacht dat er tijdens ’t lezen van een boek best een poging gewaagd kan worden, kijken of die buik ook in staat is te veranderen van doorschijnend wit in roestig bruin.) Voor me uitstarend, m’n boek opzij, m’n ogen te moe om de volgende pagina te halen.
Op een gegeven moment moet de guldenroede besluiten om ipv recht omhoog te groeien, al z’n energie daarin te steken, bloemen te willen ontwikkelen. Pluimen van bloemen in dit geval, geel. Wanneer besluit-ie dat? & Tuurlijk weet ik dat een guldenroede dat niet besluit, volgens mij is-ie niet tot denken in staat, maar waarom is ’t wel zo dat alle guldenroedes op dezelfde hoogte daartoe overgaan? Dat zit ‘m in de struktuur van hun dna, hoor ik suggereren, dat ligt daar in besloten, ik weet ’t allemaal, ik heb ’t allemaal al ‘ns horen vertellen, maar waarom, vraag ik mezelf af, waarom? Dat plantje daarnaast doet toch iets heel anders, dat denkt op z’n eigen manier nuttig, efficiënter, weerbaarder, vruchtbaarder te zijn. De guldenroede is eigenlijk een eigenwijs stuk vreten (net als al die andere plantjes, incluis die ernaast), die z’n eigen methode denkt te hebben ontwikkeld. Een eigen overlevingsstrategie.
Ik vermaak me wel als ik in de tuin een beetje om me heen kijk. Met een nietszeggende blik kan ik alles aanschouwen wat zich onberoerd, ik kan geen beweging, ook geen emotie, bij de plantjes waarnemen, laat afspelen in m’n tuin. Verbazingwekkend evengoed, voor iemand die altijd tijd te kort heeft, voor iemand die z’n tijd, elke seconde van de tijd die hij heeft, zo nuttig mogelijk in wil delen, geen moment verloren wil laten gaan, want er moet nog zoveel gedaan worden, beleefd worden, gezien, gelezen, ervaren.
Ondertussen word ik haast in slaap gesoesd door de kalmerende, onderdompelende gloed van de zonnestralen. Ik weet nog net de vrouwtjesmerel te registreren die over de guldenroede vliegt. Baldadig, driftig, met achter zich aan ’t mannetje. Luid kwetterend neemt ze plaats op de schutting. Weet dat beest eigenlijk wel dat ze net over de guldenroede vloog? Ik weet eigenlijk niet eens of vogels onderscheid kunnen maken tussen de verschillende soorten planten & bloemen. Tuurlijk weten ze wat eetbaar is & wat niet, dat hoort bij hun instinct, maar zien ze daadwerkelijk ’t verschil tussen een tulp & een guldenroede? Dat ding waar mijn gedachten al 10 minuten naar uitgaan. (Hoe komt ’t dat ik weet dat dit ’t vrouwtjesmerel is? Heb ik dat geleerd of weet ik dat instinctief?)
Nog zo’n gek ding: 1 van die staken guldenroede steekt zo’n 15 cm boven de andere uit. Ze lijken allemaal een gemiddelde lengte te benaderen, sommige zitten er onder, duidelijk ietsjes later geboren, maar die ene steekt opvallend in z’n 1tje met kop & schouder boven de rest uit. Heeft die beter voedsel, daar onder in de grond, zijn de condities 1 cm verwijderd van buurman guldenroede stukken beter, of is de dna-struktuur bij hem gebaseerd op een vergissing, waardoor hij in een tijdsbestek van een kleine 2 maanden 15 cm sneller groeit?
Ik pak m’n boek & lees verder.

We kunnen niet eeuwig stilstaan bij ongestelde vragen in Zijperspace.

welzijn

‘Hoe gaat ’t met je?’
‘Ach, ’t gaat wel goed.’
‘Dat klinkt niet echt enthousiast.’
‘Tja, ach. ’t Gaat wel.’
‘Wat is er aan de hand?’
‘Niet zo veel, hoor. Ik voelde alleen van de week iets in m’n darmen. Zo, hier, vlak onder m’n ribbenkast.’
‘Zitten daar je darmen wel?’
‘Ja, mij hoef je niet te vertellen waar je darmen zitten. De darmen zijn sinds jaar & dag ‘t spil van m’n onrust. Ik weet ze blindelings te vinden.’
‘Dan zal ’t wel.’
‘Maar ik hoorde van de week een Z-verkoper praten, die altijd bij mij z’n krantje komt brengen. Hij vertelde dat z’n vriendinnetje in ’t ziekenhuis ligt. Je weet wel, die hele dunne. Ze loopt al jaren over straat. Klein zwartharig dametje. Heel dunne junkie. Hij zegt dus dat ze in ’t ziekenhuis opgenomen is omdat haar schildklier niet werkt. Ze werd steeds dunner.’
‘Dan is de schildklier overactief.’
‘Ja, maar ze werd steeds dunner.’
‘Dat heb je als de schildklier te veel werk verricht. Anders word je nl heel dik.’
‘Ze was in ieder geval nog maar 31 kilo. Nou, ik hoorde dat verhaal & ik dacht meteen: dat heb ik ook.’
‘Jij bent opeens veel te dun?’
‘Ik ben natuurlijk zowiezo dunner dan andere mensen. Maar van de week stond ik bij ’t scheren voor de spiegel & toen vond ik dat m’n wangen zo ingevallen waren. & Als ik ’s ochtends bij ‘t wakker worden nog even in bed lag, dan had ik ’t gevoel dat m’n buik niets voorstelde; ik kon alle botten van m’n borstkas voelen. & M’n bekken die staken een minstens een cm uit. Dat gecombineerd met dat gevoel in m’n darmen deed me besluiten om minder te gaan drinken.’
‘Wat heeft dat nou met je schildklier te maken?’
‘Weet ik niet. Maar ik voelde me af & toe ook een beetje misselijk door dat gevoel in m’n darmen. 1st Dacht ik: wat is dit nou weer? Een beetje stekend gevoel in m’n darmen, deed niet echt pijn, ’t leek soms alsof ik honger had, & dan weer alsof ’t een opgeblazen buik was van te veel eten. Een echt prettig gevoel was ’t in ieder geval niet. Op een gegeven moment bedacht ik dat ik dat al eerder had gehad. In een periode dat ik heel veel gedronken had. Dus moest ik maar een beetje minder drinken. Hoewel ik de laatste tijd zowiezo al minder dronk dan voorheen. Op afgelopen vrijdag & zaterdag na dan. Dat verhaal heb ik je al verteld.’
‘Ja.’
‘& Ik ga dus steeds vroeger naar bed. Deels omdat ik dan denk dat ik de volgende ochtend meer tijd heb, nuchterder ben ook, kan ik beter nadenken, om m’n teksten te schrijven. Maar deels ook omdat ik moe ben. Lig ik er al om 12 uur in, lees ik nog een paar blzs & val ik in slaap. Tot ong 7 uur. Word ik wakker, schrijf ik een stukje tekst, ben vervolgens moe, ga weer naar bed & lig dan nog een uur te slapen. Dat klopte ook niet, dacht ik. Daar zullen m’n darmen vast ook mee te maken hebben. Of misschien wel m’n schildklier.’
‘Je maakt je wel druk.’
‘Ja, maar nou komt ‘t. Ik ga dus gisteravond naar bed. Ik denk om ½ 12. Ik had niks gedronken, ik dacht: dat moet ik vanavond maar ‘ns niet doen. Dat zou misschien wel betekenen dat ik slecht zou slapen, maar ik voelde me al zo moe dat ik dacht dat ik dat risico wel kon nemen. Ik lees m’n boek, val na een ½ uur in slaap, zie om ½ 8 pas hoe laat ’t is, & ben plots klaarwakker. Veel te lang geslapen, denk ik, zonde van m’n tijd. Nou, ‘t 1e wat ik ’s ochtends doe, vooral deze ochtend want ik werd ditmaal niet wakker gemaakt door de hoeveelheid bier dat zich in m’n lichaam bevond, is naar de wc gaan. Ik sta voor de pot, sta daar te plassen, kijk naar beneden, & ik zie een bolle buik.’
‘Ja, &?’
‘Nou, ja. Hm. Niks. Ik dacht, tja, dacht ik, hmm .. Heb jij dat dan nooit?’
‘Misschien.’

’t Voelde in ieder geval enigszins bevrijd in Zijperspace.

selbach

Eyeless in Gaza - No Noise

Op zaterdagmiddag hadden Ton & ik ons eigen plekje aan de toonbank van Selbach. Of eigenlijk had Lange Ton dat in z’n 1tje. Ik liep slechts achter ‘m aan, mocht erbij staan, mocht meeluisteren. Terwijl hij besloot welke platen hij zou aanschaffen.
Aan de zijkant van de toonbank kon Lange Ton zelf beslissen wanneer-ie ‘t volgende nr wilde luisteren. Dan boog-ie zich even om ’t hoekje van de pick-up, boog met z’n lange lichaam voorover & verplaatste de naald. Slechts een enkeling had dit voorrecht bij Selbach. Je moest genoeg geld uitgeven, was een belangrijke voorwaarde hiervoor. Pa Selbach wist daar niks van, stond altijd vreemd te kijken als-ie eens op een zaterdag moest bijspringen. Dat werd met een simpel handgebaar van z’n zoon goedgekeurd. Laat ze maar, betekende de beweging waarbij de hand van John Selbach Jr voorover kantelde, waarna Pa de boel de boel liet, z’n zoon gehoorzamend. Maar de platen werden door de mensen van Selbach zelf op de draaitafel gelegd. Dan mocht zelfs Ton er niet aanzitten. Hij moest net als elk ander wachten op ’t verwisselen van de lp’s. Wat mij de gelegenheid gaf om de plaat te keuren. Ik nam de koptelefoon over & ging de restjes muziek luisteren. Dat duurde tot ik een trap tegen m’n schenen kreeg; dan moest de koptelefoon weer ingeleverd worden bij Ton. De naald werd op de volgende plaat aangezet.
‘Je hoort ’t straks wel bij mij thuis,’ zei hij dan.

Mijn budget was niet al te groot. Ik kwam weliswaar 2, soms wel 3 keer per week bij Selbach, maar dat was vooral om de bakken door te struinen, op zoek naar iets nieuws. Dat kwam echter zelden voor. Je wist meestal wel wat je kon verwachten. ‘tZelfde als vorige week, aangevuld met 1 nieuwe aanwinst. Als die nog niet door Ton was aangeschaft.
Ze hadden een speciale bak voor ons. Daar stond de new wave in verzameld. Niet meer dan 40 stuks, een klein rijtje. ’t Grootste gedeelte was ooit door ons afgekeurd & zou tot ‘t eind der tijden in dezelfde bak blijven staan, als Selbach niet 1 keer per jaar uitverkoop hield. Dan kocht Ton ze alsnog. Soms maakte dat deel uit van z’n strategie.
’15 Gulden is teveel voor deze plaat. Ik wacht wel tot-ie 5 gulden moet opbrengen.’
Hij verstopte ‘m achterin de bak. Of liever nog in ’t vakje ernaast. Daar keek nooit iemand. In ieder geval niet de mensen die zo’n plaat ooit zouden kopen. Een ½ jaar later liep Ton dan triomfantelijk met z’n lp van 5 gulden naar buiten.
‘Hartstikke geschift zijn die lui van Selbach.’
Dat mocht Ton zeggen. Als ik ’t in m’n mond nam, kon ik weer een trap tegen m’n schenen verwachten. Maar ik deed ’t erom.

Ik ging alleen platen luisteren als ik zelf iets van plan was te gaan kopen. Zonder Lange Ton er bij, want die wilde toch meteen naar ’t volgende nr, nog voordat de 2e toon voorbij was gekomen. Speciaal wekenlang geld gereserveerd om uiteindelijk een plaat te kopen, dan moest de keuze verantwoord zijn. Dus luisterde ik 3 tot 5 albums. Om na een ½ uur Selbach te verlaten met een plaat in m’n tas. Een Selbach-tas, zonder kon je niet over straat. Een paarse tas, met ’t logo van Selbach, daar durfde je de winkel mee te verlaten. Jongens met tassen van George Blok werden uitgelachen.
John Selbach kwam op me af. Ik zag ‘m dichterbij komen. Ik stond op dezelfde plaats waar Lange Ton ook altijd z’n platen beluisterde. Durfde weliswaar niet de naald te verplaatsen, maar ik stond wel op de plek van de vaste klanten. Ik was tenslotte net zo vaak in de winkel als Ton. Selbach verliet z’n vaste plek achter de toonbank om iets tegen mij te gaan zeggen. Ik moest de koptelefoon maar even schuin op m’n hoofd zetten, zodat ik zou horen wat er was.
‘Jij verzamelt dus ook platen?’ zei hij.
‘Ja,’ antwoordde ik, ‘als ik geld heb.’
‘Wat verzamel je?’
‘Goede platen.’
Die had ik binnen. Mij kon-ie niet betichten van geen smaak te hebben. & Ik was met m’n antwoord minstens zo ad rem als Lange Ton. ’t Had me vast een trap tegen m’n schenen opgeleverd als hij erbij was geweest. & Een gnuivende ingehouden lach.
‘Ja, ik ook,’ zei Selbach. ‘Weet je, jullie willen er misschien niet zo snel aan beginnen, maar ’t is toch zeker de moeite waard om er eens naar te luisteren. Ik heb al z’n platen. Je zou er ‘ns naar moeten luisteren. Echt heel goed: James Last. Je denkt misschien dat die muziek niet bij je past, maar je zou eens moeten luisteren hoe goed die muziek in elkaar zit. Ik verzamel alle platen van James Last.’
Toen ik ’t diezelfde middag Ton vertelde kreeg ik toch nog een trap tegen m’n schenen. Waarschijnlijk omdat ik een rottige opmerking over John Selbach maakte.
Na de mededeling van John Selbach luisterde ik niet meer verder. Ik legde de koptelefoon neer.
‘Ik neem deze wel,’ zei ik tegen Selbach, & reikte de meest onbekende plaat aan, met de gele hoes. Ik had geen enkel nr gehoord, maar ik was gefascineerd door de foto op de hoes. Achter zo’n mooie vormgeving kon geen slechte muziek zitten, dacht ik. Ik vond ’t haast jammer dat de paarse tas er omheen ging.

’t Tegengestelde bleek later ook waar in Zijperspace.

video’s

Waarom al die films in de kast staan. 8 Rijen. Boven op elkaar. Of onder elkaar. ‘t Is net hoe je ‘t bekijkt. Waarom ze op volgorde staan. Waarom ik al die moeite heb betracht ze te voorzien van titel & regisseur. Waarom?
Vraagt ze. Omstebeurt. In korte zinnetjes. Onmerkbaar korte zinnetjes.
Ik kijk haar aan. Ik wil serieus antwoord geven. Maar ’t zwijgt van binnen. Ik wil wel, maar ’t gaat niet.
Ze heeft een lief gezicht. Roze wangen. Rozig haar. Net niet rood. Ogen stralen. Ogen stralen groen, wazig blauw.
Maar ik wil niet. Ik wil geen antwoord geven. Liever druk ik m’n woorden door, dwars door ’t hartje, ’t zielig hartje, ’t toeluisterend vermogen, vervuld van doodgemoedereerd vertrouwen.
‘Ach, ik verzamelde,’ antwoord ik, zuchtend zacht.
‘Oh,’ zegt ze.
Maar ze luistert niet. Ze fluistert slechts. Ze kan niet horen. Ze ziet ‘t voor zich. & Luistert naar wat ze ziet. Haar hoofdje dwars, om de titels te lezen.
‘Hoelang?’
‘Hmmpff.’
Daar moet ze ’t maar mee doen. Zolang ze niet verder vraagt. Zolang ze de bodem niet wil zien. Zolang zij grijpt naar wat ze denkt te kunnen bereiken. Een verhaal moet verdiend worden.
‘Ach, ben al een tijdje ermee gestopt.’
‘Leuk.’
Dat was reactie op de vorige.
‘Hmmpff.’
Maar nu zachter. Schouders omhoog. Die ziet ze toch niet.
Ze heeft haar armen gekruist. Ik bewonder ’t gewone ervan. Word gestoord als ze anders wil.
‘Mag ik ‘ns wat van je lenen?’
‘Is goed.’

Toen is ze naar huis gegaan. Ik heb ‘r nog tot de deur begeleid.
Een uur later ben ik in slaap gevallen. Vanuit m’n bed had ik nog een laatste blik op m’n kast geworpen. Trots. Maar lusteloos. Hopeloos. Slaap was beter.

Een dag duurt soms lang in Zijperspace.

morgenstond

Als we naar school moesten, waren we rond ¼ over 8 op straat. Op z’n vroegst. Liefst kwam ik op ’t laatste moment ‘t klaslokaal binnen. Vooral in ’t begin van ’t jaar. Dan leerden m’n medeleerlingen me wat sneller kennen was de gedachte daar achter. De jongen die altijd op ’t laatste moment, of te laat, binnenkwam. Tegen de tijd dat de docenten ’t te laat komen niet meer leuk vonden, wist iedereen wie ik was.
Voor ’t vakantiewerk, bollenpellen, moesten we wat vroeger opstaan. M’n moeder riep ons al rond ¼ voor 6 dat we uit bed moesten komen. Om 7 uur uiterlijk zouden we toch moeten beginnen met pellen, hield zij vol. & De rit naar de bollenschuur was wat langer dan die naar school.
’t Ochtendgloren was net achter de rug als we op onze fiets zaten. Restjes rood zagen we nog tussen enkele vergelegen wolken door glimmen. Daar hadden we geen belangstelling voor. Met slaapomrande ogen, met een geest die zich nog ergens tussen bed & badkamer bevond, & niet 3 km verder op een fietspad, waren we onderweg naar de gebroeders Pijnacker, de bollenboeren aan de Rijksweg. De nimmer aflatende zin ruzie te maken met broers deed ’t leven ontwaken in onze lichamen. Of anders de voortdurende strijd eerder aan te kunnen komen dan de ander. Er heerste altijd een hevige concurrentiestrijd tussen ons broers; we moesten altijd beter sneller meer zijn dan de ander. Ruzie & wedstrijd was daarbij onontbeerlijk.
M’n broer had echter een racefiets. Ik kon ‘m niet bijhouden. Ik moest wel in m’n eigen tempo doorfietsen, terwijl hij in de horizon van de lange doggersvaart verdween.
Ik fietste langzamer dan m’n broer & andere racefietsen, maar ik fietste sneller dan bollenpellers zonder een dergelijk luxe vervoermiddel. Waardoor ik de kans had een vriendinnetje onderweg tegen te komen. Was altijd prettiger. Dan konden we samen de Rijksweg nemen. Dan konden we samen proberen zoveel mogelijk slakken te ontwijken.
’t Vergde veel concentratie. Elke paar meters kon je er 1tje voor je wielen krijgen. Vooral in ’t geval de fietspaden wat vochtiger waren door de ochtenddauw of een nachtelijke bui. Je kon de slakken in allerlei vormen & maten tegenkomen. Zwarte tot lichtbruine, grijze tot beige-kleurige, platte uitgestrekte, die reeds enkele banden over zich heen hadden gehad, of exemplaren die nog maar net doormidden gereden waren. Met diverse gradaties aan slijm terzijde van ’t levenloze lichaam. Slakken vonden ’t fietspad blijkbaar zeer aantrekkelijk bij ’t licht van de opkomende zon. Wij probeerden er tussendoor te fietsen, er net langs, of, als ’t dan toch moest, over de reeds platte lichamen. Anders hield ik er een slapeloze nacht aan over.

Vannacht, ’t was tegen de morgenstond, kwamen er vanuit de tuin 2 levensgrote slakken naar mijn huis toe kruipen. Levensgroot is ong 20 cm lang. Ze pletten enkele planten in ’t midden van de tuin, hun gewicht was te veel voor de doorgaans stevige guldenroede. Ik stond in de opening van m’n 2 tuindeuren. Ik overwoog of ik naar m’n keukenkastje moest rennen om ’t zout tevoorschijn te halen. Of ik ’t nog wel zou halen. Of dat de 2 ertegen bestand waren. Ze kwamen steeds dichterbij, terwijl ik besluiteloos bleef staan, totdat de droom mij te eng werd om te blijven doorgaan met slapen.

’t Was lang geleden dat slakken de morgen in Zijperspace in dergelijke mate hadden beïnvloed.

ontspannen

‘&? Gaat ’t goed met jou?’ vraagt Rachel.
‘Mwaaaaaah,’ antwoord ik, waarbij ik begin te lachen.
Ik kijk ‘r aan. Zeg ’t nog ‘ns, om mezelf in de maling te nemen.
‘Ik denk er eigenlijk nooit zo over na,’ probeer ik uit te leggen.
& Hou m’n mond. Ik kijk geconcentreerd naar ’t fietspad dat onder ons door gaat. ’t Rechte fietspad, zonder bobbels & kuilen. ’t Gaat wel goed met me, denk ik onderwijl.
‘Nee, is niet waar,’ verbeter ik mezelf, ‘ik denk er wel over na.’
Ik weet alleen niet hóe ik over mezelf nadenk, voeg ik er voor mezelf aan toe.

Jasmijn had me vanmiddag geschreven:
Wist trouwens niet, of niet meer, dat je niet aan verliefdheid doet. Ik ook al een hele tijd niet, maar ja dat is niet bepaald uit vrije wil.
Ik doe ’t voorkomen alsof ’t bij mij wel uit vrije wil is. In mijn meeltje aan haar.

‘Hoe gaat ’t met de liefde?’ wordt er vaak gevraagd.
‘Wat is dat?’ is 1 van m’n standaardantwoorden.
‘Goed, je moet de groeten hebben,’ krijg ik wat minder snel uit m’n mond.
‘Ik weet ’t niet; ik dacht eigenlijk ergens gelezen te hebben dat ze ’t afgeschaft hadden,’ is leuk als-ie vloeiend tevoorschijn komt.
‘Ik dacht ‘m laatst nog ontmoet te hebben, maar hij zag me niet,’ moet ik nog uitproberen.

Ik besloot Rachel te bellen. Ik wilde wat te doen hebben. Ik wilde ’t huis uit. Ik wilde niet aan antwoorden denken.
‘Hoe was ’t op ’t werk?’ vroeg Rachel over de telefoon.
‘Prima,’ antwoordde ik, ‘ik nam natuurlijk geen blad voor de mond tegenover m’n collega’s, ik kan nou nooit eens m’n mond houden over dingen die me gebeuren, dus aan ’t eind van de avond kreeg ik een opmerking dat ze ’t hartstikke leuk voor me vonden. Dat ze hoopten dat ’t me vaker zou gebeuren. Want ik was die dag zó ontspannen geweest achter de bar.’
Ik hield even m’n mond. Een pauze van een tel.
‘Maar ik was hélemáál niet ontspannen. Ik had die avond met haar zóveel gedronken dat ik niet ontspannen kon zijn. & Bovendien veel te weinig geslapen. Niet dat ik verschrikkelijk gespannen was, maar ’t was zeker niet de meest ontspannen zondag die ik meegemaakt heb. & Dan zeggen ze dat ik vaker sex moet hebben, omdat ik daar prettig in de omgang van word. Totale onzin!’
Rachel lachte. Er kwam een tijdlang geen zinnig woord van de andere kant van de lijn.
‘Nee, ik meen ‘t.’

We drinken wat bij Kaap Kot. We praten. Zij over Ramon, ik over mezelf. We kijken ondertussen naar IJburg. & Daarna naar Durgerdam.
‘Daar ga ik wonen,’ wijst Rachel naar de woning naast de vuurtoren van IJdoorn.
IJdoorn & Durgerdam staan heel panoramisch te glanzen door de zonstralen die tussen de wolken uit hebben weten te ontsnappen.
Anders ik wel, denk ik er bij, maar ik weet me geen vrouw te vinden die me gezelschap zou kunnen houden.
Rachel zet haar gezicht in de zon. ’t Haar wappert naar achteren, richting Durgerdam. Mijn blik staat nog steeds die kant op. Ik zie een boot aankomen. Rechts van de vuurtoren. Plots vanuit ’t door wolken overschaduwde meer.
‘De zon is weg,’ zegt Rachel. ‘Zullen we gaan?’
Ik neem afscheid van ’t beeld & ga voor Rachel uit terug naar de fietsen.

Terug naar de realiteit van Zijperspace.